François Rabelais (1483 of 1494 tot 1553): Alle de geestige werken. Twee delen. Amsterdam 1682.
Vertaald door Claudio Gallitalo (pseudoniem van Nicolaas Jarichides Wieringa).
Uitgegeven op 14 september 2015 door Monique Bullinga, Evelien Chayes, Paul Dijstelberge, Jaap Engelsman, Dirk Geirnaert, Esther Mourits en Paul Smith.
Met medewerking van Paula Koning en Gerrit van Uitert.
Red. Ton Harmsen, Universiteit Leiden.
Facsimile bij Ursicula, deel 1 (UBA OK 62-3928) en deel 2 (UBA OK 62-3929) en bij books.google (UB Gent BL 8493), deel 1 en deel 2.
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd; onderaan het document staat een lijst van tekstkritische aantekeningen. De marginalia staan in de tekst, aangegeven met een speciale kleur.

INHOUDSOPGAVE

Eerste deel
        Eerste Boek
        Tweede Boek
        Derde Boek
        Blad-wyser

Tweede deel

        Vierde Boek
        Vijfde Boek
        Sleutel of verklaaring, van eenige aanmerkelijke of duystere
            naamen en plaatzen in de vijf voorgaande boeken van Mr.
            François Rabelais, na vervolg van ’t A.B.C.


        Zesde Boek
        De brieven van Mr. Francois Rabelais
        Sleutel der brieven van Mr. Francois Rabelais
        Blad-wyser behoorende noch tot het eerste deel.
        Blad-wyser deses tweede deels.

Continue


[
fol.
1r
: frontispice]

alle de
Geestige

WERKEN
van Mr.
F: Rabelais
Eerste Deel.

T.AMSTERDAM.
Bij JAN ten HOORN. Boeckverkooper. 1682



[fol. *1v: blanco]
[fol. *2r]

Alle de
GEESTIGE
WERKEN
Van
Mr. FRANCOIS RABELAIS,
Genees-Heer;
Vervattende in ses Boeken de dappere Daa-
den en deftige Reedenen van d’overgroote Reusen

Grandgousier, Gargantua, en Pantagruel;


Waar in begrepen zijn ontallijke aerdige Voorval-
len, wonderlijke Geschiedenissen, vermakelijke Ver-
tellingen, vreemde Uytvindingen, kloeke en
kortswijlige Reên-twistingen.

Beneffens een Sleutel of Verklaring van ’t geheele Werk.

Met groote vlijt uyt het Fransch vertaelt
door
CLAUDIO GALLITALO.

[Typografisch ornament]

t’ AMSTERDAM,
By Jan ten Hoorn, Boekverkooper over ’t oude Heere
Logement. 1682.



[fol. *2v: blanco]
[fol. *3r]

Den Franzen

DRUKKER

Aan den

LEEZER.

    Lieve Leezer,
IK achte niet noodig met een lange Lofreeden U E. dit tegenwoordige Boek aan te prijsen: al de wereld weet, dat’er wel eer niet een man van kennis, en weetenschap is geweest, (Ik zeg zelf van d’allerbeste bebaardde) die het niet in sijn Boek-kamer had, en in sijn eenigheid, of voor zich zelve, las: wat de wereldsche, en ongeletterde lieden belangt, men ontmoette zeer zelden een braave borst of lustig gezel, die sijnen Rabelais niet op sijn duymtjen had: Nergens kondemen een vroolijke maaltijd doen, zoo se niet door eenige kortswijlig woord, of reeden uyt desen Schrijver verlustigt wierd.
    Indien den druk en aftrek der zelver naaderhand een weynig minder is geweest, moet, naa mijn dunken, daar door toe gekoomen zijn, dat de bezondere voor-vallen en geschiedenissen zelf die in dit Schimp-Schrift spottelijk worden na gebootst, en onder ’t verhaalen over gehaalt, by [fol. *3v] verder verloop van tijd allengskens uit de geheugenis geraakt en by veelen heel onbekent geworden zijn; waar door de reden en daaden de rechte toepassing op haar tegenbeeld dervende, niet zoo aardig en belagchelijk als voorheen gescheenen hebben: behalven noch, dat de swaarigheid in ’t verstaan van veele verzierde en zelf gesmeedde woorden, ’t vermaak daar van verminderde.
    Daarom is ’t, lieve Leezer, dat ik, om u te meer te doen verlusten in ’t leesen van een Boek, dat oyt voor ’t geneugelijkst en geestigst is gehouden, u ’t zelve wederom kom aanbieden, zoodaanig als ’t in d’oudste en beste Drukken gevonden wierd, met byvoeginge van een verhaal van ’t leven des Schrijvers, met eenige der aardigste potzen door dien vermaakelijken man bedreven.
Leeft lang en lustig.



[fol. *4r]

Den Hollandzen

DRUKKER

Tot de

LEESERS.

    Nieuws-gierige Geesten,
IK doe U L hier, hoe onmoogelijk het schijnen mogt, den hoog geleerden en niet t’onrecht beroemden Mr. Francois Rabelais, die al voor ontrent anderhalf eeuw het vermaak der Grooten en zelf des Konings van Vrankrijk is geweest, nu van daar, als uit sijn graf, doch buyten toovery, weder opgedaagt in ons Nederland door sijn Geest, of liever geestigheid, verschijnen; om ook U L. tot verlustiging te dienen, met een ander aart van aardigheden, kodderijen en korts wijlen, als u nu zedert eenigen tijd in veele en verscheyden verdichtzels, schier daagelijks, zijn opgedischt en verschaft; denkende, dat gy daar af nu mogelijk al ten vollen verzaad zijnde, alree na eenige andere versnaapering van snaakerijen wenscht: want
        Omne novum charam; vilescit quotidinum.
        Al ’t zeldzaam nieuw lacht yder toe:
        Haast wordt men ’t dagelijkze moe.

    Derhalven heb ik hem, in plaats van vreemd en onzuiver Fransch doorspekt met Grieks, Latijn, Italiaans, Spaans, Engels, Hoogduits en andere uitheemsche taalen, daar hy vol af was, slechts duydelijk Nederduyts leeren spreeken: en niettemin het onduyts door- [
fol. *4v] gaans daar neffens bygevoegt voor de Taallievers, of tot voltooijing van den zin, zieraad of aardigheids der reeden. Hy en zal uw gedachten niet binden aan stijf t’zaam geschaakelden keeten van eenerley stof; maar door allerley verschiet van geneughelijke nieuwigheden, en scherpzinnige schertzerijen ruym en wijd doen weyden. Waar af hij in sijnen tijd een ongemeene goede gaave gehadt heeft, van de getuygenisse zelf van den hoog- en God-geleerden Theodorus Beza; die daar over t’zijner eeren dit koppelvers geschreven heeft.
Qui sic nugatur, tractantem ut seria vincat,
    Seria cum faciet, dic rogo, quantus erit?
Die in sijn schertzen zelf beschaamt een ernstig Schrijver,
Wat werkt hy niet, wendt hy tot ernstig schrift sijn yver.

    En of wel sijn verzierde naamen en voorvallen; als van Gargantua, wechnemende de klokken van de Lief-vrouwen Kerk tot Parijs, om sijn groot wonderbaarlijk beest aan den hals te hangen, van ’t bevechten en veroveren vanden Burgt Clermaud, van den Koning Panigon en sijn huwelijk van Cave Peinte, van de Sibylle van Panzoust, en meer andere meest gemunt zijn op perzoonen en zaaken by sijnen tijd in Vrankrijk bekent; gelijk, in den sleutel achter ’t tweede Deel tot verklaaring aangeweesen wordt: zoo zullense evenwel by geleegentheid in boerd of ernst op eenige in ons Nederland mee wel mogen gepast zijn. Schoon hy ook zomtijds wat te vry, te ver of te vuyl uitpraat, denk dat hy van een ander Eeuw, al te openhertig en een averechts huigchelaar is: Hy zal ’t u daarna met te stemmiger en stichtiger reedenen wel dubbeld weer vergoeden. Doch hoort hem zelve in sijne Voorreeden u alles breeder beduyden, en vaar wel.
    Wy hebben met groote vlijt tot genoegen des Lesers noch dit nevensgaande sesde Boek, dat aan ’t eynde van ons tweede Deel volgt, gevoegt, het welke noyt in zijn Werken bekent is geweest. Vaert wel.
Leest met vrolijkheyd.



[fol. **1r]

HET LEVEN

Van

Mr. FRANCOIS RABELAIS.

FRançois Rabelais wierd geboren in de Stad Chinon in ’t landschap van Touraine: toen hy noch jong was, wierd hy Geestelijk in ’t Clooster der Minne-broeders van de Stad Fontaine le Comte in ’t Neder-poictou: En in korten tijd quam hy tot hooge geleerdheid; gelijkmen merken mag uit de Griexe brieven van Budaeus, die hem roemt, als seer uitsteekende in de kennis van dien taal; nochtans beklagende sijn ongeval, dewijl hy hem verhaat vond by sijn Mede-broeders: soo dat hy seer lang qualijk gewilt was, om de nieuwigheid deser Uitheemze taal, die haar heel Barbaarisch of [fol. **1v] byster scheen, als die de zoetheid daar af niet smaaken konden.
    In gelijken ongeluk verviel den wijsen Erasmus, en den beroemden Rabanus Magnentius Maurus, Abt van Fulda en Aarts-bisschop van Ments; die, terwijl hy in sijn Abdije was, seer uitmuntende Rijmwerken dichtde, daar door hy in ongunst by sijne Geestelijken geraakte; die hem te last lagen, dat hy in de geheilligde oeffeningen met al te grooten yver en viericheid voortging, en onder des de tijdlijke goederen te doen vergrooten naa-liet: Soo dat hy gedrongen wierd sijn wijk en toevlucht te nemen tot Louis Koning in Duits-land, sijn Beschermheer; Alwaar sijne Moniken, haar mis-slag erkennende, en ’t verlies datse leden aan so uitneemende Man, bemerkende, hem voldoening quamen geven, en bidden, dat hy doch de bedieninge van de Abdije weder aanvaarde wilde: ’t welk hy niet heeft willen doen.
[fol. **2r]
    Om vorder te vervolgen het leven van Rabelais; Alsoo hy seer kortswijllig van wesen was, waren veele van de Grooten te Hove met sijn schertzerijen vermaakt. Daarom hy door haar aandrijven sijn Clooster verliet, en van Paus Clemens de VII. verlof verkreeg om uit de Orde van St. Franciscus over te gaan in die van St. Benedictus, in ’t Clooster der Maillezais in Poictou. Waar op Hy, tot groote ergernis der Gemeente, het Geestelijk kleed af-gelegt, en dat van werelts Priester aangedaan hebbende, langen tijd door de wereld om-sworf: En eindelijk sich na Montpellier in Languedoc begaf; aldaar in d’ Hooge-school [Universite], tot alle sijn waardigheden en trappen van weetenschap sich vorderen dee: en de bediening der Genees-konst met grooter eer en achting te oeffenen aanving. ’t Was in dese Stad, dat hy de selve weetenschap in een heerlijke Hoor-plaats opentlijk geleeraart en voorgeleesen heeft; gelijk hy [fol. **2v] schrijft aan den Bisschop der Maillezais sijne Voorstander: en daar Hy de uitleggingen over Hippocrates, die by de geleerdste Genees-konstenaars in hoog achting zijn, gemaakt heeft.
    Daar na, deese verblijf-plaats verlaatende, is Hy gekomen tot Parys, onder de regeering van François d’ Eerste, die als de Vader en Hersteller der Weetenschappen was. En, gelijk Rabelais met een goeden geest was begaaft, soo verkreeg hy wel haast de kennis en vriendschap van veele geleerde Lieden, en van hoogen Staat. Onder anderen aan Joannes, Cardinaal van Bellay, sijne kloekheid bekent geworden zijnde, verzocht die hem in sijn dienst en gezelschap te hebben, toen Hy door den Aller-Christelijksten Koning als Gezant was gezonden aan Paus Paulus de Derde. Op dese tocht in Italien was ’t, dat hy, gaande met sijn Meester, om gehoor te hebben by sijne Heiligheid, sich niet onthouden kon van den Paus een neep te ge- [fol. **3r] ven, door een aartige trek, diemen van hem verhaalt. Hy onthield sich lang aan ’t Roomze Hof, alwaar hy de goede gunst van veele Prelaten en Cardinalen te winnen wist, gelijk men uit sijne brieven afneemen kan. En des tijds was ’t, dat hy van dien zelven Opper-priester aflaat en vergiffenis verkreeg; nadien hy onder de Kerkelijke bestraffinge vervallen was, soo door sijn te ruim en rookeloos leven, als om sijn vry-borstigen aart, en scherpe schertserije: want Hy, na de wijze van Lucianus, sijn lust schiep in ’t beschimpen van allerley lieder zeeden, zelfs van Staat en aansien.
    Weinig tijds daar na dee deesen dapperen Cardinaal hem van de bediening der Genees-konst af staan, om hem in sijne geheimste handelingen te mogen gebruiken: En gaf hem een jaar-geld uit de Klooster-kerk van St. Maur des Fossez, met het Priesterschap van ’t Dorp Meudon by Parys. Hier heeft hy niet (soo [fol. **3v] sommige geloofden) sijn Verdichtsel van Pantagruel beschreven; maar waarschijnlijker is ’t geschied in een huis genaamt La Doüiniere binnen de burg van de Abdije Onser L. Vrouwe van Sivilien na-by Chinon; ’t welk de stof verschaft heeft tot dit beroemde Schimp-schrift. d’ Omgang, die Rabelais hield met de Geestelijken in dit Klooster, die in dier tijd niet na de strengheid haares Regels leefden, heeft hem in sijn verhaal dikwijls doen ontleenen den Persoon van Kerk-meester, van de naamen [Baston de la Croix,*] Clos de Vigne van Seville, van Lerné, van Basché, van de Sibilla van Pansoust, ’t welk plaatsen zijn, naast aan d’ Abdije, dien hy noemt, geleegen.
    Dit werk is langzaam in ’t licht gekoomen, om dat’et door den laster der benijders aan alle kanten onderdrukt en verdonkert is geweest; ’t welk in ’t jaar 1552. aan Rabelais reeden gegeven heeft van een klaagschrift te schrijven aan sijn Vriend [
fol. **4r] Odet Cardinaal van Chastillon; daar in hy hem verhaalt, wat hem bewogen heeft ’t zelve te verzieren; ’t welk was, om wech te nemen d’ ongeneugten van veele onpasselijke en onlustige lieden, die door dit onnosel tijd-verdrijf verlichting en verlusting bekoomen konden: klagende ook over d’ achter klap van seekere Cannibalen (wilde en wreede menschen, dus noemde hyse) die so op hem verbittert waren, datse durfden voor-geven; dat dit Boek vol van Ketterijen zou zijn. Waar af de Koning François d’ eerste kennis gekregen, en uit nieuws-giericheid het zelve geleesen hebbende, heeft gansch geen reeden van laak of laster daar in gevonden.
    Dat schimp-werk (voor ’t welk alleen de getuigenis van mijn Heer den Praesident [Voorzitter] Du Thou genoeg is, om niet gelaakt of gewraakt te worden) en beletde Rabalais niet, andere veel ernstiger en sinrijker schriften ter hand te neemen; Als d’ [fol. **4v] Aphorismen [Merk regel] van Hippocrates, die hy getrouwelijk en treffelijk in ’t Latyn over-zetde; en ’t Dichten van verscheiden Franze en Latynze zendbrieven, die hy schreef met een cierlijke woorden-swier [Stijl] aan den Cardinaal van Chastillon, aan den Bisschop van Maillezais, aan André Tiraqueau en andere Mannen van ongemeene weetenschap. Hy gaf ook uit de Sciomachia [Schadustrijd], en de feesten tot Romen gevierd in ’t Paleis des Cardinaals van Bellay over de geboorte des Hertogs van Orleans. En men merkt uit het leesen sijner Franze brieven, dat hy een Man van bewind was, die de gunst veeler grooten, Prelaten en Cardinaalen tot Rome gewonnen had.
    De tijd, wanneer François Rabelais overleeden zou zijn, is onzeeker; Evenwel willen zommige verzeekeren, dat de zelve zy geweest in ’t jaar 1553. naa ’t verhaal van d’ Eerwaarde Vader Pieter van St. Romuald, Monik van d’ Orde der [
fol. **5r] Fucillans in ’t derde deel van sijn Tijd-tresoor; daar hy veel bezonderheden sijns levens verhandelt,
Joachim van Bellay, Jean Antoine van Baïf, Pierre Boulanger, en andere deftige Dichters, maakten t’ sijner gedachtenis verscheide Grafschriften. Estienne Pasquier verhaalt de volgende in sijn Boek van de Grafsteden;

        Sive tibi sit Lucianus alter,
        Sive sit Cynicus, quid hospes ad te?
        Hâc unus Rabelaesius facetus,
        Nugarum Pater,
artifexque mirus,
        Quicquid is fuerit, recumbit urna.

Dat is;
        Heet Hem tweeden Luciaan,
        Of Diogenes: ’t kan gaan.
        Rabelaie, een Arts, en wonder
        Snaak in sneege boertery,
        In sijn doen en woorden vry,
        Kluchtjes Vader, rust hier onder.

    En op een ander plaats in sijn Verzaameling van de Af-beeldzels,

[
fol. **5v]

        Ille ego Gallorum Gallus Democritus, illo
            Gratius aut si quid Gallia progenuit
        Sic homines, sic & coelestia Numina lusi,
            Vix homines, vix ut Numina laesa putes.

Dat is;
        Hier rust ik Franzen Haan der Haanen;
        Een al-belachend Democriet,
        (Of zoumen iets gewilders waanen,
        Als Rabelais in ’t Franz gebied?)
        Ik schimpt op mensch en Goon, maar geen
        Goe mensch of God beleedigt scheen.

    Veel geleerde lieden hebben
van hem in haare werken gewag gemaakt; als Gulielmus Budaeus, Meester der Verzoek-schriften, in sijn Boek van de Griekze brieven: Jacobus Aug. De Thou, Voorzitter [President] in Hof des Parlements in ’t XXXVIII. boek van sijn Historie, en in de Beschrijving die hy van sijn leven gemaakt heeft; Pierre de Ronzard, Voornaamste der Franze Dichters. Theodorus Beza, in sijne Rijm-schriften: Estienne Pasquier in sijne Recerches [Naa speuringen]. Clement Marot: Franciscus Bacon, Cancelier [fol. **6r] van Engeland, in sijn boek van d’ Aanwas der Weetenschappen [Augmentation de Sciences]. Andraeas du Chesne, in de Verhandelinge der Oudheden van Frankrijk: Gabriël Michel de la Roche-Maillet, in ’t leven der Doorluchte Personagien: den Heer de la Croix du Maine, in sijne Boekery [Bibliotheque]: Antoine du Verdier, in Prosopographia [Persoon-beschrijving]: François Ranchin; Genees-heer tot Montpellier: En andere Geschiedenis-schrijvers, die in ’t boek genaamt Floretum Philosophicum, mee gemelt worden; Waar in een wijd-loopig verhaal van sijn leven, en die daar af gesprooken hebben, gedaan word.

[fol. **6v: blanco]



[fol. **7r]

BEZONDERHEEDEN

van ’t

LEEVEN en ZEEDEN

van

Mr. FRANCOIS RABELAIS.

HY was geboortig van Chinon, een kleine stad in Touraine: ziin Vader was een Apothecar [Droogbereyder] geheeten Thomas Rabelais, Heer van ’t huis Doüiniere. Hy wierd in zijn jonge jaaren bestelt by de Moniken in de Abdije van Seville, waar onder ’t huis de la Doüiniere behoort. Doch dewijl hy daar weinig vorderde, verzond hem zijn Vader na Angers om onderweezen te worden in ’t Klooster van Bamette, alwaar hy mee geen groote dingen dee: alleen geraakte hy daar in de kennis met de Heeren van Bellay, van welken den eenen daar na Cardinaal wierd: en [fol. **7v] men zeit, dat hy, om zeeker afstand van recht, zeer geslaagen en mishandelt is.
    Hy leefde onder de regeering van Francois d’eerste: en daar word verhaalt, dat de Cancelier [Opper-Schrijver] du Prat, een quaade genegentheit opgevat hebbende tegen de stad Montpellier, een verbodt deed afkondigen, tot afschaffing van de vrydom voor d’oeffenaars der genees-konst in de zelve stad. Derhalven Rabelais, die men kloek genoeg kende, en bekent was by den Heer Cardinaal du Bellay, wierd afgevaardigt, om ten Hove om d’ herroeping van ’t zelve verbod, door de gunst en hulp des Heeren van Bellay, die by Koning François zeer wel gesien was te versoeken. Terwijl hy nu tot Parijs was, en tot den Heer Cancelier geen toegang krijgen kon; veinsde hy zich sot: verkleedde hem in ’t groen, deed een grooten grijzen baard aan, en wandelde alzoo een langen tijd voor zijn huis; dat toen aan d’Augustiner kaay was, een meenigte van [fol. **8r] menschen, zelf van des Canceliers huisgenooten, verzochten hem te zeggen, wie hy was? dien hy ten antwoord gaf, dat hy een kalver viller was? en dat zy die eerst gevilt wilden weezen zich zouden haasten.
    Als de Cancelier dit had hooren verhaalen, beval hy zijn volk, hem tegen den tijd van ’t middagmaal te doen binnen komen: Rabelais dan in gelaaten zijnde, ving aan een redeneering zoo sinrijk en vol van deftigheid, dat de Cardinaal daar door bewogen wierd, hem mee aan zijn tafel te doen zitten, en ’t middagmaal met hem te houden, hem met een toezeggende, dat hy de voorrechten van Montpellier weder wilde doen bevestigen, gelijk hy naderhand heeft volbragt. En ter geduiriger gedachtenis daar af, draagen alle Geneesheeren, die tot Montpellier worden toegelaaten, het groene kleed, even als Rabelais, ’t welk daar tot eer en waardigheid dient, zo ider weet.
    Ter tijd toen de Cardinaal du Bel- [fol. **8v] lay als gezant van den Koning Francois was, afgezonden na Rome, nam hy Rabelais als zijn Genees-meester mee. ’t Is de gewoone wijze der gezanten Sijn Heiligheid de voeten te gaan kussen, ’t welk eenige aanbidding heeten. Als nu de Cardinaal du Bellay dit eer-bewijs had afgeleit, en voort die van zijn gevolg, bleef ’er niemand achter als Rabelais, die, tegen een pilaar leunende, genoegzaam overluid zeyde, dat, nadien zijn meester, die so grooten heerschap in Frankrijk was, nau gewaardigt wierd des Paus voeten te kussen, dat men hem nu dan de boxen moest afstrijken, en d’achterpoort afspoelen, op dat hy die mogt gaan kussen. Doch hier door begon hy in grooten ongunst te geraaken.
    Een andermaal door den Cardinaal van Bellay mee geleidt zijnde, met zijn geheele huis-gezin, om eenige gunst van den Paus af te bidden, en aangezeid, dat hy zijn verzoek zou voorstellen, zoo zeyde hy, dat hy [fol. ***1r] niet-met-al begeerde, dan dat de Paus hem in den ban wilde doen.
    Dit sottachtig verzoek zeer qualijk genomen zijnde, wierd hy gedrongen daar-af d’ oorzaak te zeggen; ’t welk hy dus dee; Heilige Vader, ik ben een Fransman; en van een kleene stad, genaamt Chinon, diemen meent den mutsaard [Rijs-bos tot branding] geweldig onderworpen te zijn, alzoo men daar ree by meenigte van vroome menschen, ook van mijne maagen, verbrandt heeft: nu, wanneer uwe Heiligheid my in den ban gedaan sal hebben, zal ik buiten nood van verbranden zijn.
    En dit is mijn reeden daar-af. Toen ik, deeze dagen met mijn Heer den Cardinaal van Bellay, naa dese stad quam, togen wy door de Tarantaises [Plaatzen in Savoyen], alwaar ’t geweldig koud was: en gekomen aan een klein hutjen, daar een arme Vrouw in woonde, baaden wy haar, wat vuur te willen maaken, om een rijs-bos aan brand te steeken, zy mogt’er voor [fol. ***1v] neemen watse wilde. d’Arme Vrou verbrandde all’ het stroo van haar bedstee: en, door diense daar mee noch de brand niet in de takken kon krijgen, begonse te vloeken en kettermenten, zeggende, zonder twijfel is deeze mutsaard door de mond van den Paus zelve in den ban gedaan, dewijl zy niet kan branden. Dus zijn wy gedrongen al vorder te trekken, zonder ons eens te warmen, indien ’t dan uw Heiligheid geliefde my mee te bannen; zoo zoud ik vry en fris vertrekken na mijn Vaderland.
    Door deze kleene stoutigheeden, die hy onderstond tot Rome, wierd hy genoodsaakt zich in Frankrijk te bergen; in zeer slechten toestel, sonder geld, quaalijk gekleed, ruiter te voet, zonder speer en spooren.
    Soo haast hy by de stad van Lion belend was, bedacht hy een aardige potsery, en die voor een min bekend man zeer gevaarlijk zou zijn geweest. Voor de poort van de stad daar hy [fol. ***2r] quam in gaan, zocht hy een deel leelijke lappen en vodden van veelerley kleur, en vulde daar mee een kleene reis-sak, dien hy droeg: voorts eenig Herberg in vallende, verzocht een goede Kamer tot sijn vertrek; seggende tot de Waardin, dat, hoewel ze hem in een slechten staat en te voet sag, Hy niette-min een Man was, die sijn gelag beter betalen zou, alsse noch oit iemand t’ haarent gehad had: doch begeerde een geheime Kamer ter zijden af, nevens een jongen die leesen en schrijven konde, met eenige spijse en een glas Wijn: als hem sijn eisch geworden was, ging hy, eer noch sijn kleene knaap quam, eenige sakjes toestellen, en met asch vullen, dien hy daar op den haard vond. Toen nu ’t jongetje met papier en inkt by hem was gekomen, deed hy ’t zelve verscheide zeeltjes schrijven, en op ’t een der zelver setten; Fenyn, om den Koning om hals te helpen: op ’t ander; Fenyn, om de Koningin te [fol. ***2v] doen sterven: op ’t darde; Fenyn, om mijn Heer den Hertog van Orleans om te brengen: En so voort voor de overige Kinderen van Frankrijk. Dese briefjes hechte hy op yder van dese zakjes, en zeide tot het kleene Knechtje; Mijn Soontje, ziet wel toe, dat gy hier van niet en rept tegen uw Moeder of eenig mensch: want uw en mijn leven hangt ’er aan. Daar naa paktense alles weder in de reis-sak: en hy eischte ’t middagmaal, ’t welk men hem schafte.
    Terwijl hy nu sijn maaltijd dee, liep den Lekker, om sijn Moeder alles te vertellen: Die half dood van vrees, verstond datse gehouden was den Wacht-meester van de Stad zulx bekent te maaken, vermits den snooden toestand en toeleg van dien Land-looper.
    ’t Was even in dien tijd, toen mijn Heer den Dolphijn vergiftigt was geweest, en heel Frankrijk ten uitersten benauwt. De Wacht-meester, van alles verwittigt, deed ee- [fol. ***3r] nig licht onderzoek, en spoeyde zich na de Kamer van Rabelais, dien hy voort met sijn reis-sak in verzeekering nam: Sijn onhebbelijk gelaat, d’ontsteltenis door vermoeytheid van den wegh, en ’t byster bescheid, dat hy gaf, maakten hem heel verdacht: want ’t meest dat hy haar zeide, was; bewaar wel al wat’er in mijn knap-sak is, en breng my by den Koning; ik heb hem heel vreemde saaken te zeggen.
    Alles dan gepakt, en op een goed paard gelegt, vertrokmen terstond: over-wech wierd hy wel gehandelt en heerlijk onthaalt, sonder eenen penning te betaalen: In weinig dagen tot Parys aangekoomen zijnde, wierd hy gestelt voor den Koning, by-wien hy wel bekent was: dewelke hem vraagde, waar hy den Heer Cardinaal van Bellay gelaaten had? En wie hem in soo slechten staat gestelt had? de Wacht-meester verhaalde sijn verrichting, toonde de reis-sak en pakjes, met de kund- [
fol. ***3v] schappen, die hy daar af genomen had. Daar op vertelt Rabelais sijn gansche geschiedenis, en haalt in ’t aansien des Konings al sijn fenijnen voor den dag, die niet dan enkel asch waaren; dies alles op lagchen uit-liep, en te Hove voor een kluchtjen diende.
    Sijn Broeder of Neef, die ook een Kruid-kramer [Apothecar] binnen Chinon, en Heer van de plaats La Douiniere was, heeft’er mee wel na wensch gewoont: en is overleeden ontrent het jaar 1518. naa-laaten niet dan een Zoon, die niet seer Geestelijk was, en in ’t Gast-huis gestorven is, na dat hy meer als twintig duisend ponden verteert had, die hem in gewisse Erf-goederen waren toe gevallen, en in ’t besonder de Plaats of Slot Doüiniere, alwaar de beste wijnen wassen van Chinon, en na-by d’ Abdije van Sivillé legt.
    De dood van Rabelais was sijn leven gelijk: Hy storf even als hy geleeft had, in d’ ouderdom van [fol. ***4r] zeventig jaaren. Toen hy krank lag, liet de Cardinaal van Bellay, door sijn Voet-jongen [Page], verneemen na de staat van sijn gesondheid; dien Hy ten antwoord gaf: Verhaal mijn Heer de staat daar in gy my siet: Ik gaa zoeken een grooten Misschien: Hy is in ’t Exters nest. Seg, dat hy zich daar vervoeg. Maar u aangaande, gy zult niet anders als een Sot zijn. Trekt toe de gordijn: ’t spulletjen is uit.

[fol. ***4v: blanco]



[fol. ***5r]

VOOR-REEDE

des

SCHRIJVERS.

ZEer roemrijke Likkebroers, en gy puistig-beparelde, roo-trijppe troonien, (want aan u, en geen anderen, zijn mijne Schriften geschonken) In de t’ Samenspraak van Plato, ’t Banket genaamt, daar Alcibiades zeer hoog verheft d’ eer van sijn Leermeester Socrates, die onwederspreekelijk d’ Opperste der Wereld-wijsen [Philosophen] was, zeit de zelve, onder andere reedenen; dat Hy de Silenen wel geleek: Deese waren wel eer kleene flesjes, even soo-men die nu noch ziet in de Kruid-kramers [Apothecars] winkels, van buiten beschildert met verscheide Snaakerijtjes, en wisje wasjes, als, Harpyen, Satyrs, geteugelde Swaantjes, gehoornde Haasjes, en andere bijstere Beeldtjes, uit klucht verdicht en bedacht, om de lieden tot lagchen te lokken; gelijk zelf Silenus, de Meester van den braven Bacchus, daar toe gedient heeft: Doch daar binnen wierden bewaart de geurige droogen van Balzem, Ambergrys, Amomon, Muscus, Civet, eedele gesteenten en andere dierbare dingen. Zoodaanig zeide hy Socrates te zijn; door dien men, hem van buiten beschouwende, en na den uitterlijken schijn schattende, men niet een sneedtjen van een uijen voor den geheelen man gegeven zou hebben: Soo leelijk was hy van ligchaam, en belagchelijk van gelaat: De neus was spits, ’t gezicht stuirs als een Stier, de gansche gedaante als [fol. ***5v] een Sot: Hy was boers in zeeden, slecht in kleeding, arm van staat, ongelukkig in Vrouwen, onbequaam tot eenige Staats-bediening: altoos lagchende, geduirig drinkende, t’ elkens met yder-een boertende, doorgaans sijn Goddelijke kennis ontveijnsende. Maar alsmen deese flesse eens open mogt zien, soo vondmen daar binnen een onschatbaar en hemelsch heil-kruid; ik meen een meer dan menschelijk vernuf, een verwonderens-waarde deugd, een onverwinbare moed, een onvergelijkelijke maatigheid, een gewisse vernoeging, een volmaakte vrymoedigheid, een ongelooflijke verachting van alle die dingen, daarom de weereldlingen waaken, woelen, wroeten, vaaren en vechten.
    Doch waar toe (meugje denken) dient dit voorspel, en dese toestel? ’k Seg, daar toe; Om dat gy, mijn goede Gezellen, en zommige andere soete Sullen, leesende de drollige Titels eeniger Boeken van onse vinding, (als
Gargantua, Pantagruël, Fessepinte, La dignité de Braguettes, Des poix au Lard, met Leugens en all &c.) te licht meenen mogt, dat daar binnen niet dan deunen en drollen met geneugelijke Leugentjes verhandeld wierden; dewijle ’t uithang-berd (’k meen ’t Boeks-opschrift) voor d’ hand in boert en spot genomen word; Maar men moet der menschen maakzels en werken soo los en licht niet oordeelen of waardeeren: Want gy zelve zegt. Dat de Kap geen Monik maakt: mits ’er meenig met de Moniks Py pronkt, die inwendig niets minder dan een Monik is: en dat iemand wel een Spaanze mantel draagt, die daarom daadlijk ’t hooge hert van een Spanjaard niet en heeft. Derhalven wil ik, dat gy dit werk eerst nijver doorneuselen zult, en dan wel nauw en neerstig overweegen, wat ’er waardigs in voorgestelt word: Soo zult ge mo- [fol. ***6r] gen merken, dat het heil-kruid daar binnen van veel meerder waarden is, als ’t opschrift der flesse beloofde van buiten. Ik wil zeggen, dat de stoffen hier in verhandelt, soo zot en zouteloos niet en zijn, als ’t opschrift zich wel laat aanzien.
    Maar genomen, men mogt’er (wijd-weijende) eenige lustige loopjes, en na den Titel gelykkende kluchtjes aantreffen; nochtans moestmen daar by niet blijven, als by ’t gezang der
Syrenen; maar met’er haast tot een hooger zin trekken, ’t geene men meijnen mogt uit een lustige luim in jok gezeid te zijn.
    Hebje wel oit een flesse geoopent en be-oogt? Verbeeld u eens weder wat gelaat gy toen toonde. Of naader; Saagt gy wel een hond een murg-been by de wegh vindende? (’t Is het wijs-geerigste beest van de wereld, so
Plato zeit in ’t Boek van ’t Gem: best) [Plato, Lib. 2 de Rep.] sooje hem hebt gezien, soo hebje moogen aanmerken, met welk een aandacht hy ’t bekeek: met welk een zorg hy ’t bewaarde: met welk een finnigheid hy ’t vast hield: met welk een wijsheid hy ’t ontgon: met welk een yver hy ’t in stukken kraakte: en hoe greetig hy ’t uit-zoog. Wat beweegt hem dat te doen? welk is de hoop van sijn nijverheid? wat nut betracht hy? Niets anders, als een weinig merg. Wel is waar, dat dit weinige veel lekkerder is, als een heelen hoop van wat anders; om dat het merg is een voedzel van de natuur tot volmaaktheid gebragt; gelijk Galenus zeit. [Gal. lib.5. de facult. nat. &c. 11. de usu part.]
    Na wiens voor-beeld gy mee wijs moest wesen, om te rieken, smaaken en uitvinden d’ ongemeene nuttigheid in dese schoone schriften; en te zijn vaardig in ’t vervolgen, en moedig in bemagtigen: voorts door aandachtig te leesen, en dikwijls te overdenken het been verbreeken, en ’t weesentlijke merg uit zuigen: Dat is (’t geene ik met dese Zinne-beelden van [
fol. ***6v] Pythagoras zeggen wil) met gewisse hoop van voorzichtig en vaardig tot het leezen en verstaan deser Schriften te zullen zijn. Want gy zult’er een gansch ander geur en smaak, ja diep-bedekte leering in vinden, die u zeer hooge heil-tekens [Sacrements], en vervaarlijke [Horrefiques] verborgentheden openbaren zal; zo aangaande de Gods-dienst, als de Heersch-kund, en Huis-houding.
    Gelooft gy ter goeder trouwen, dat oit
Homerus, sijne Iliades [Troiaanze Oorlog], of Odyssea [Dooling van Ulysses], eens dacht op de Allegorien [By-sinnige reden], die Plutarchus, Heraclides, Ponticus, Fristatius, en Cornutus hem hebben opgedicht, en ’t gene Politianus uit haar weder gerooft heeft? Soo je ’t gelooft,
gy zult hand noch voet aan mijn meening houden; dewijl ik voor vast-stel, dat de zelve alsoo min van Homerus gedroomt zijn, als de Sacramenten des Euangeliums by Ovidius in sijn Metamorphosis [Gestalt-wisselings Boek]; die nochtans eenen Broeder Lubin, eenen rechten bloed-beuling, daar in te toonen tracht, so hy misschien menschen mogt ontmoeten soo sot als hy zelf: en (gelijk ’t spreek-woord zeit) zulk een pot, een dekzel.
    Gelooft gy ’t niet; wat reeden hebt gy, dat gy niet desgelijks zoud doen met mijne nieuwe en geneuchelijke Vertellingen? Hoewel ik in ’t dichten der zelver niet meer daarom dacht als gy, die misschien zit te zuipen als ik. Want, tot het toestellen van dit treffelijk Boek, heb ik noit meer, of anderen tijd besteed of verquist, als die bestelt was, om mijn ligchamelijke verlustiging te neemen; ik wil zeggen, tot zuipen en vreeten: Immers is dat de rechte tijd, om so hooge zaaken en diepe weetenschappen te
beschrijven.
    Even soo deed
Homerus, het puikje van alle praat-zuchtige: en Ennius, d’ Out-vader van de Latijnze Dichters [Poëtes]; soo Horatius, dien braven [fol. ***7r] Borst betuigt: Hoewel een misselijk mensch hem verstout heeft te zeggen, dat de gedichten meer naa de Wijn, als naa de Oly rooken.
    Soo lasterlijk heeft ’er ook een Bay-vanger van mijn Boeken gesprooken; maar een drek in sijn bek
[Bran pour luy. bran, beduit drek in Picardye]. Hoe veel lieffelijker is de lucht van de Wijn, aanlagchender, aanlokkender, lustiger en lekkerder, als de Olie? Ik zal ’t dan tot roem reekenen, dat men van my zegt, dat ik meer aan Wijn, als aan Oly besteed, heb.
    Wat dee
Demosthenes, toen men tot hem zeide, dat hy meer uit gaf aan Oly, als aan Wijn? Voor my en is ’t niet, dan tot lof en luister, dat men my heet en houd een goed Beuzelaar, en een goed Peuselaar: en door die Naam ben ik wellekoom in alle goede gezelschappen van Pantagruelisten [Slampampers]. ’t Wierd Demosthenes uit quel-lust verweeten, dat sijne redeneeringen [Oratien] rooken als een vuyle en vunze Olyslagers feil. Duid gy dan al mijn werken en woorden naa de voordeeligste en volmaakste kant: Houd in eeren dat hol-bollig hooft, dat u dient met dese schijnschoone borrel-blaasjes: en na uw vermogen houd my altoos verheugd. Hey dan! haal u hartjes op mijn Makkers: en lees wat ’er volgt met vermaak, tot verlustiging van uw lijf, en nut uwer nieren. Maar hola, datje de beudel de broek op bind; pasme niet min dan tot d’ helft toe te drinken: en ik sal u al te maal bescheid doen.



[fol. ***7v: blanco]
[fol. ***8r]

AEN DEN

LEEZER.

        LEergierigaarts, dien ’t lust dit Boek te leesen,
            Stoot u aan stof noch stijl; door delv’ den zin:
        Ontsla u van voor-oordeel, waan, en vreesen:
            Hier schuijlt noch gif noch quaa besmetting in.

            (5) ’t En wijst u niet na Wijsheids steile tin
        Te stijgen op, als door korts-wijlig weesen.
            Dien wech en wijs’ ik voor elk best bevin;
        Door Weet-zucht tot Boek-zuffen a’ars verweesen.
            ’k Meldd’ liever bly gelagch, als droef geklag:

            (10) t’ Wijl eigen is den mensch alleen den Lagch.

[fol. ***8v: blanco]

Continue
[
p. 1]

De GEESTIGE

WERKEN,

Van

Mr. FRANCOIS

RABELAIS

Genees-Heer.

____________________

GARGANTUA

EERSTE BOEK,

Eerste Hoofd-deel.

Van de Geslacht-reekeninge en Outheit
van Gargantua.
                           

HEerlijke dingen en Helde daaden vang ik aan te beschrijven van den wijd-beroemden Reuze Gargantua; derhalven zal ik my nu niet ophouden met het verhaal van zijn afkomst end’ Oudheid, die gy doch vervolgens zult vinden in ’t groote Tijd-boek [Chronique] van Pantagruël. Uit de zelve zult gy in ’t lang en [p. 2] in’t breed gewaar konnen worden, hoe de Reuzen ter wereld quamen: en hoe van de zelve, door rechte en echte voorteeling, Gargantua, de Vader van Pantagruel, voort-quam: en neem dan niet qualijk, dat ik voor ’t tegenwoordig my daar toe gedraag, en u beleefdelijk wijze: hoewel de zaak zoodanig is, dat, hoe-mense meer vermeld, hoese uwe heerlijkheden meer behaagen zou: gelijk wy daar af de bevestiging hebben door Plato in Philibo, ook by Gorgias en Flaccus; zeggende, dat’er zommige zaaken zijn (zonder twijffel zulke als dese) die zoo veel meerder vermaaken, alsmense meermaalen herhaalt.
    Wilde God, dat een jegelijk zoo zeeker zijn geslacht-reekening wist, van Noahs ark of tot dese tijd toe; ik vertrouw dat’er heeden zommige zijn Keizers, Koningen, Hertogen, Princen en Pauzen, die afkomstig zijn van slechte Sak-draagers, Snyders en Schoe-lappers: Gelijk in teegendeel veele nu beedelaars, slaaven, en zobere gezellen zijn, wiens voor-Ouders wel eer waren groote Keizers, en Koningen: ’t welkmen eenigzins zou konnen afneemen, uit de verwonderens waarde wisselingen en overzettingen der Koning- en Keizer-rijken.

                Vande Assyriers op de Meeders:
                Vande Meeders op de Persianen:
                Vande Persianen op de Macedoniers:
                Vande Macedoniers op de Romeinen:
                Vande Romeinen op de Grieken:
                Vande Grieken op de Franzen.

    [Afkomst van den Schrijver.] En, op datje meugt weeten van my, die dit [
p. 3] schrijve, ik vermoede, dat ik afgekoomen ben van eenig Rijk Koning of Vorst, van Oude tijden her: Want noit vernamje een man, die meerder geneegentheid had om Koning, en rijk te zijn, als ik; en dat alleen, om in weeld en wellust te leeven, niet te werken, niet bezorgt te zijn: mijn vrienden, en alle vroome en verstandige lieden rijk te maaken. Maar hier mee troost ik my, dat ik ’t in de andere wereld zal doen: ja meer, als ik nu zou durven hoopen. Gy mee, meugt uw leed met zoodanige of schooner gepeinzen verzoeten: en onder des fris uit-drinken, zoo ’t je gebeuren mag.
    Maar weer tot de zaak, Ik zeg; dat, door een vrije gunst en gave des Hemels, de Oudheid en geslagt-boom van Gargantua, voor ons in zijn geheel behouden is, beter als eenig ander; uit genomen die vande Messias, van wien ik niet en spreek, alzoo die hier by niet te pas koomt: ook durf ik niet om de Duivels, (Ick meen verklikkers en oorblasers.)
    [Hoe de geslagt-rol van Gargantua gevonden is.] Deze geslagt-rol wierd wonderlijk gevonden van eenen Iean Audeau, in een veld by den bogt Gauleau onder een Olyf, aan den weg naa Narsay: daar hy de graften doende verdiepen, de Gravers met haar houweelen een groote Kooperen dood-kist raakten, van onmeetelijk lengte; want noit hebbense’r ’t eynd van gevonden, om datse te diep in de sluise van Vienne strekte. Dese kist op een zeeker plaats opbreekende, daar een beeker op gebeeld stond (om den welken met Etrurische of Jtaliaanze Letteren geschreven was; HIC-BIBITUR. Dat is, Hier Drinktmen.) Soo vondenze daar negen flessen, in zulken orde, als [
p. 4] men de keegels in Gasconjen stelt: de middelste van dese dekte een dik, grof, groot, graau, net, klein, beschimmelt boekje, wel sterker, maar niet zoeter als roozen ruikende.
    Hier in heeftmen dezelve Geslacht-rol gevonden, in ’t breede beschreven met lange tralij-Letteren, niet op papier, niet op Parkement, niet in was: maar op de bast van een Olmboom, zoo nochtans door d’Ouderdom afgesleeten, datmen nauwlijks drie daar af op een ry kennen kon.
    Ik (hoe wel onweerdig) ben’er by ontbooden, en door groot behulp van Brillen, in’t werk stellende de konst, waar doormen onzichtbare Letteren leezen kan (gelijk Aristoteles die leert) zetten ik de zelve over, zo gy zult konnen zien, al Pantagruëlizeerende, dat is; zijn zoete buik vol zuipende, en zich zoo verlustende in’t leezen der Dappere daaden van Pantagruel. Aan’t eind van’t boek was een klein Geschriftje, dat voor een opschrift of Titel had; Les Fanfreluches antidoteës [Misselijke malleryen]. De rotten en motten, of (om niet te liegen) andere booze beesten, hadden ’t begin beknabbelt: Het overige heb ik hier aangevoegt, ter eeren van d’Oudheid.



                II. HOOFT-DEEL.

    Wondere Voorzeggingen gevonden
        in een Oude Graf-kelder.

        Dcs l ier quam aan den Dwingeland der Deenen,
            ,‘neewend op ’t swerk uit vreese voor den douw,
        V ldoet allom de klokken groot en kleenen
            M. tvcrsche vet, gevallen door de schouw.


[
p. 5]
        Waarmeed als zich Groot-Moeder zag bedroopen,
            Schreeuwdse zeer luid, ik bidje vang dien quant
        By zijnen baard, zo vuil en veel bezoopen,
            Of reyk hem toe een lange leer, en hand.

        Veel zeyden, zijn pantoffelen te lekken
            Was beeter als den aflaat winnen gaan:
        Maar daar op quam een quaaden queen aan-rekken
            Uit ’t gat, waarin men grondling vischt, van daan.

        Die riep, ach Heer! Wy willen ’t ons wel wachten;
            Den aal is daar, hy duikt in deze poel:
        Daar vind gy by (zo wy’er wel op achten,
            Een dikken drol in’t grond-gat van ’t gevoel.

        Als ’t stond op’t stuk om eens van voor te leezen,
            Was ’t datm’er niet dan Kalvere-hoorens vond.
        ’k Gevoel (zeid hy) mijn Kap zo koud te wezen,
            Dat die mijn brein wel heel versnoot’ren kond.

        Men warmde hem weer met reuk-werk van een raapje:
            Hy hield terwijl in’t donker sijn verblijf,
        Tot datmen maakt’een nieuw drek-karren-knaapje
            Voor zoo veel volks, als loopt met open lijf.

        Haar heel gesprek was van
Patricius hol, en
            Van Gilbaters, en and’re gaaten meer:
        Of men die niet toeheelen mogt, of vollen?
            Zoo dat’er geen oit hoest’ of gaapte weer.

        Vermits elk een daar aan sich scheen te stooten,
            Datmen haar op elk wind wijd gaapen zag:
        Want alsze zijn gestopt, of dicht geslooten,
            Men haar te borg of pand verzetten mag.


[p. 6]
        Op dit besluit verloor de raaf haar veeren
            Door
Herc’les, die Lybien eerst vlood
        Hoe! zoumen my
(zei Minos) niet begeeren?
            En is elk een, behalven ik, genood?

        Dan wilmen noch, dat ik ’t haar zal vergeven,
            Als ’k Oesters haar, en vorssche-boutjes schaf:
        De drommel haalme zoo ik van mijn leven
            Haar spinroks roem genaa geef, en niet straf.

        Een kneukel komt, om haar in haast te matzen
            Op vry-geley van’t heilig Paapen-rot.
        Den
Teemzer, neef van Cyclops grijpt en quatze,
            En haktze neer: Elk snoot zijn neus besnot.

        In dit gevegt wierd weinig goeds gebooren,
            Datmen niet op een Taaners molen mat.
        Loop al te hoop, en doet den Krijgs-kreet hooren:
            Gy krijgt meer, als gy’t jaar voor heenen had.

        De Vogel van
Iupijn bedacht te baaren
            In korten tijd, dat niet veel goeds en maakt.
        Maar ziende dat hy t’ijslijk uit wou vaaren,
            Vreesd’men, dat ’t rijk, rek, rok, ruk t’onder raakt.

        Hy hield veel meer van’t vier des vier’gen hemels
            Te rooven, daar men booren bied te koop.
        Als d’held’re lucht; waar in zoo veel geweemels
            Toe-leid’ hem t’onder werpen ’t Heilloos hoop.

        Na ’t vol besluit, wierd alles ook voltrokken,
            Schoon ’t
Atis speet; en Hero’s bille-bout,
        Die daar zat, zag
Penthasilea’s lokken,
            En hoe menz’ oud haast voor een groen-wijf schout.


[
p. 7]
        Elk riep vast, foey! dien zwarten kool-verkooper!
            Behoort gy hier te staan ons recht in’t pad?
        Roofd gy dien
Roomzen standaard, overlooper?
            Dien op vast Françijn geteikent had.

        Was ’t
Iuno niet, die onder ’s Hemels booge
            Zat met haar lief te spotten met elk een?
        Doch heeft men haar zoo deerlijk weer bedrogen,
            Dat zy een op-gelapte juffer scheen.

        ’t Verding was; dat s’in eenen hap zou slokken
            Twee eyeren, geleid van
Proserpijn:
        Maar zoo men haar betrapten op die brokken,
            Zoo bond menz’ aan den berg van
Aubespijn:

        Na zeven maand, tweemaal elf af getoogen,
            Quam
Sylla, die Carthaag uit-roeyen dee,
        Beleefdelijk haast onder hen gevloogen;
            Begeerende zijn erf’nis t’hebben mee.

        Of dat men die rechtvaardelijk zou deelen,
            Na wissen wet, die in’t
Canon-recht staat;
        Doend’ hap om hap, en proef om proefje speelen
            Die Schrobbers, dien men’t Schey-schrift stellen laat.

        Maar ’t jaar komt met een Turx blau boog getekent
            Vijf spillen met drie kaale billen bloot
        Daar op de rug eens Konings, klein gereekent,
            In ’kluiznaars kleed gepeert word te snood.

        O jammer! om een schandelijk schijn-heilig,
            Gy zoo veel lands heel onder-loopen laat.
        Houd op, houd op: dat mom-tuig is niet veilig.
            Is’t best, dat gy na slange broeder gaat.


[p. 8]
        ’t Is Sylla, die na dit jaar zal regeeren
            Vreedelijk met zijn vrinden wel gemoed:
        Noch wreed noch woest zal hy haar overheeren:
            Zijn wil en wensch zal wezen wel en goed.

        En dezen troost, zoo lang belooft te vooren
            Aan ’t Heemels volk, op ’t uit-zien komen zal;
        Dan zalmen weer ’t verdooft geklepper hooren
            In zeegepraal met ’s Konings paarden tal.

        Dees lieve tijd zal weer en meer vervallen,
            ter tijd dat
Mars zal neemen weer de wijk.
        Dan zal’er een op-staan verr’ boven allen;
            Wellustig, bly, en schoon, geen zijn’s gelijk.

        Hefd’ herten op: Dees maaltijd komt vereeren,
            Gy mijn getrouwe: Hy is nu overleen,
        Die om geen goed ter weereld weer zou keeren.
            Groot zal ’t geroep zijn om den tijd voorheen.



                III. HOOFT-DEEL.

    Hoe de Moeder van Gargantua elf-
        maanden zwanger ging. en bewee-
        zen wort zulx niet tegen natuir, en
        wel meer gebeurt, te zijn.

GRandgousier was een braven beuselaar in zijn tijd, en zoo grooten Liefhebber van den drank, als’er toen ter tijd, iemand op de wereld was: hy at geern gezoute kost: derhalven hield hy ruimen voor-raad van Hammen, op gekoft tot Mentz en Bajonne, een meenigte [p. 9] van gerookte osse tongen, overvloed van worsten naa den tijd van ’t jaar, en gezoute rundvleesch met mostaard, souzijsen by hoopen; doch niet van Bouloigne; (want hy vreesde den bok van Lombardien) maar van Bigorre, van Longaulnay, van Brene, en van Rouargue. Hy huwelijkte in zijn manlijke Ouderdom aan Gargamelle, dochter des Koninks van de Parpaillons, die fraay van krop, en schoon van kop was. Daar meede deed hy dikwijls de vertooning van den tweelijvigen Gerion, met al zijn armen en beenen, om (naa de droom van Plato) van twee helften weder een geheel te maaken, tot dat Gargamelle bevrucht wierd van een zuyverlijke zoon, dienze ontrent elf maanden droeg.
    Want zoo lang, ja langer moogen de Vrouwen haar vrucht draagen; voornaamelijk als ’t wat meer als gemeen, en een kloekmoedig karel zal zijn, die in zijn tijt dappere daaden verrigten moet: na dat Homerus verhaalt, dat ’t kind, daar van Neptunes den Nymph Melantho beswangerde, naa een vol verloopen jaar eerst ter wereld quam, dat was wel twaalf maanden: want, zo Aulius Gellius [Lib. 3.] zeit, dien langen tijd was betaamelijk voor de grootsheid van Neptunus, op dat het kind tot te meerder volmaakheid komen mogt. Om gelijke reeden dee Jupiter, dien nacht, toen hy by Alcmene sliep, 48. uiren aan een duiren: Want hy heeft zoo sterk een Hercules, die de heele wereld van wanschepzels en geweldenaars [Monstres & tyrans] zuyveren zou, in geen minder tijd voltooijen konnen.
    d’Oude Pantagruëlisten hebben ’t geen ik zegg bevestigt, en verklaart, dat ’t niet alleen mogelijk, maar dat ook wettig was zulk een kind, [p. 10] dat in d’elfde maand naa des mans dood van de weduw gebooren wierd; als Hippocrates, lib de alimento. Plinius lib. 7. cap. 5. Plautus in Cistellaria. Marcus Varro in ’t Steek-dicht, genaamt het Testament; by brengende de geloofwaardigheid van Aristoteles tot bewijs. Censorinus lib. de die natali. Aristoteles lib. 7. cap. 3. & 4. de naturâ animalium. Gellius lib. 3. cap. 16. Servius in Ecclog. uitleggende dit vers van Vergilius, Matri longa decem &c. En duizend andere dwaazen, welkers meenigte noch vermeerdert is door de Wet wijzen [Legistes] ff de suis & legit. l. intestato ç fin. Et in Auth. de restitut. Et ea quae parit mense undecimo. (Die in de elfde maand kind baard. Noch ten overvloed is’er by-geflanst haaren bemeuseloud-roet-rookigen recht-keur; Gail. ff. lib. & Posth. de l. 7. ff. de stat. hom. Met eenige andere lappen en leuren, dien ik nu niet voor den dag haalen derf.
    Door middel van welke wetten de weduw-vrouwen vryelijk mogen speelen stoppe-de-gate, in spijt van die ’t benijd, al is ’t twee maanden naa haar mans dood. So gy dan mijn lieve snuffelaars en knuffelaars zulke verleegene liefjes ontmoeten mogt, deelze vry meede uit een milde beurs: en koomje te kort, breng’er my by: want al was ’t, datze in de derde maand eerst haar bekomst kreegen, het kuikken kon eevenwel wettig, en doohaans erfgenaam zijn, en zoo voort.
    [Wat des Keyzers dochter deede.] Even als Julia, de dochter van den Keyzer Octavianus, geen arbeyders af-dankte, eerze haar ’t geheele gebouw voltimmert en voltoyt hadden. Gelijk mee geen schipper te scheep of te zeyl gaat, eer ’t schip wel is geballast, of zijn volle laading in-heeft.
[
p. 11]
    En zoo iemand daar op smaalen wil, datze noch dikwijls haar vaatjes doen opvullen, naa datze wel dik en grof, jaa, tot berstens toe vol gemaakt zijn, daar de wijfjes der dieren geen mannetjes meer dulden, na datze bevrucht zijn; zo zullense je zeggen; dat Vrouwen veel beeter als de beesten begrijpen, de lieve en lekkere lusjes, die de minnelijke vermenging medebrengt; na ’t gene Populia (volgens ’t verhaal van Macrobius lib. 2. Saturn.) zich wel eer niet schaamde te zeggen, zo den zaggelaar geen kind-dragend kleuter kan paijen, mag hy al spinnende de spille gaan draaijen, en van Vrouwen noch trouwen een woordje meer kikken.



                IV. HOOFT-DEEL.

    Gargamelle swanger gaande eet zeer
        veel penss-rollen: en wat’er voorts
        gebeurde.

DE tijd, en wijze op welken Gargamelle ten lesten in ’t kraam-bedde geraakte, was deeze: en wilje ’t niet gelooven, zoo wensch ikje ’t wee, dat haar quam quellen) den derden dag van Sprokkel-maand, op een naamiddag, ontschoot haar den aars-darm, door diense te veel pens-beulingen had ingepropt; [Wat pensrollen zijn.] pens-beulingen zijn ’t zaam gerolde pens-lappen van vette ossen, gemest op stal en frakke velden, frakke velden zijn weylanden, die tweemaal ’s jaars hoy draagen. Van deze vette ossen haddense driehondert zeven en zestig duyzent en veertien doen dooden, om op dingsdag wel [p. 12] gezouten te zijn; op datze in ’t voorjaar de ruimt van tijdige osse vleesch hebben mogten, om met d’aanvang van de maaltijd van ’t gezoutene geheugenis te houden, en te frisser tot den wijn te weezen. De worsten waaren veelvuldig, en evenwel so lekker, dat yder de vingers daar na lekte. Maar de meeste bruyery was ’t voor vier van de vreeters, dat haar onmoogelijk was die lang by haar te houden door diense so haast verrotden, dat’et onbehoorlijk leek; daar uit men besloot, datse met drek en al toebereid, op gesmult waaren, zonder iets te laten verlooren gaan. Sy hadden hier op genood den heelen hoop de Burgers van Slijkdrek, Swijndrek, Paapendrek, Kalfdrek, zonder achter te laten die van Koedrek, Hoogendrek, Lagendrek, en andere brave gebuiren, al te zaamen goede gezellen, dappere Drinkers, en kloeke Keegelaars. [Veel eeten van een beluste Vrou.] Den goeden Grandgousier verheugde hem aan zijn hert; en belaste dat alles by schootel- en kommenvol zou omgaan. Doch ried zijn Vrouw wat minder te eeten, om datze op ’t uitterste ging, en deze penslappen niet zeer gezond voor haar waaren. Je zoudt (zeyde hy) uyt louteren lust om kak-ijnje te kauwen, den kakdoek wel inslingeren. On-aangezien zo schoone voor-stellingen, vratse zestien tonnen, twee vierendeels, en zes kinnetjes vol, in haar dikken balg. Seeker een schoone stof tot gisting, die in haar Lichaam louter rijzen en uytdijen moest.
    Naa ’t middagmaal liepense met malkander in’t wild naa ’t willigen bosch: en dansten aldaar op ’t lieffelijk geluit van schalmey en fleuyt, met zoo mal-vermaakelijken gebaar, dat’et een [p. 13] lust en kortswijl was haar te zien swieren en tieren.



                V. HOOFT-DEEL.

    Dronken-mans praatjes of Dolle-
        mans
deuntjes.

ONdertusschen geraaktense in reeden van weder t’ ontnuchteren ter zelver stee. Daar mee begonden de wijn-glaazen te wandelen de hammen te draaven, de flessen te vliegen, de speten en schootels te rinkelen, en yder te roepen, tap, lang, haal, breng, schenk en drink my toe zonder water: So, mijn vrient, fris uit dat glaasje, Koom hier met roo wijn, dat roemertje schreijt: Stilstand van dorst, o sluipende koorts, wilje noch niet wijken? By men gat, me Peetje, ’k en mag over geen beetje gy zijt beschaamt, mijn liefje, wel jaaje toch. By den buik van S. Quenet, laat ons praaten van poojen. Ik drink op mijn pas, als de muilezel van den Paus. Ik drink niet als naa mijn Getij-boekje, als den vroomen Vader den Gardiaan. Welk van bey, dunkt u is’er eerst geweest, den dorst of den dronk? my dunkt. den dorst: want wie heeft in den staat der onnoozelheid gedronken zonder dorst? ik zeg; den dronk: Want (Privatio praesupponit habitum) zonder dorst te zijn is gezeid, wel gedronken te hebben. Ik ben een gauwaart; (Faecundi calices quem non fecére discertum?) [Hoemen bespraakt word.] Wie word door ’t leegen van veel beekers niet bespraakt? Wy vroome zielen zuipen niet dan al te zeer zonder dorst. Ik zondaar niet zonder dorst: want [p. 14] heb ikse nu niet, zy zal wel eens koomen, dus koom ikze voor. Ik drink op de toekoomende dorst, en zo wort my dorsten en drinken een geduirigheid. Laat ons zingen; Laat ons zuipen, dat het dreunt. Tijen wy aan’t tonnen pullen en opvullen datwe rollen konnen: waar is mijn trechter? Wel hoe! ik drink langer niet als uit last. Maakje u nat om te droogen, of droogje om te natten? Ik verstaa my geen dichten, maar roemers te lichten. Ik bevochtig my meermaal, om niet te verdorren. Besproey u geduirig uw stam zal noit sterven. Drink ik niet ik ben dood en verdroog: Daar tuimel en sterf ik al heen. Mijn ziel zal wel in eenig kikvorsch vaaren. De ziel schuilt noit in’t drooge. Gy droomers, gy Dichters van nieuwe gedaanten, hermaak my van een vogeltje, tot een vischje om geduirig in den drank te zijn: Ja Circe zalje wel in een swijn verwisselen, om geduirig in den drek te wentelen. ’K zou altijd die drekkige penssen wel spoelen. Een staage stroom besproey mijn zenuwen en darmen. Laa loope zoo langje nat voelt. Ik zal mijn keel zalven, met heelen en halven. Gaapen en gieten is de konst van drinken. ’t Zaa nu elk man, een heele kan. Best past laatijn by bier en wijn. (Vadat ne cadet) laat om-gaan eer ’t omvall’. (E’ Piti e’ apiti) drink uit of bruy heen. (Ebibe fac versum), kluif af, en keer om; (Super nagelum) tot een dropje. (More Palatino bibamus ne gutta supersit) Laat ons drinken dat de luisen op de kop bersten. Daer, kloegge dij keat [Hou daar kluif dat been]. Veeg dat kind sen naars. Bomke boppe [Bodem boven], gar aus, fris uit. Geen rechtvaardiger ding als dronken drinken. Pater Prior mag ’t goede nat mee wel [p. 15] Hy neemt nat naa hem als een spons, dien hoos trekt wel. (Evacuare scyphos nostri potuére parentes) Ons ouders zijn ons zelf in ’t zuipen voorgegaan. Nu eens gezongen van mooy Aaltjen in de Pooten, en Vlodderdom deine van falala, Laatze zorgen die ons borgen, Licht hart en treurt niet en weest niet onverduldig, datje niet betaale kont dat meugje blijven schuldig, als de werelt vergaat is ’t rondom betaalt: Maar Di folle het, mot folle litte, In di langst libbet, zil ’t al bezitte. Die veel goed heeft moet veel nalaaten, En die langst leeft komt ’t al te baten. ’t Goed moet in de wereld blijven, die langst leeft zal ’t al hebben. Indien mijn schuld-brieven zoo wel als ik gedronken hadden, mijn schuld-heeren zouden wijn meer dan genoeg hebben als ’t op een reekenen ging. Siet daar, by St. Bacchus, ’k zal swelgen als een beedel-broeder. Aldus dee Jacob Rijk hart, tot dat hy arm en ziek werd. Dus quam Bacchus met zijn gezellen d’ Indische Volkeren neder te vellen. Wist ik zoo wel om hoog als om laag te rollen, ’k zag kans om kort in den hemel te koomen: Nu zal ik veel eer ter hellen afdaalen. Der wijnen schoon schijnen, maakt pijnen en quijnen: Rep nu van geen swaarigheid, wy willen avousen garousen als droesen, by kroezen en roezen. Ik pleeg wel eer heel uyt te drinken, Nu laat ik ’er niet met-al in. Siet daar van St. Klaar dat mijn pieterman zulk zop piste, zouj’er wel aan willen zuigen? Dat lap ik in mijn gat. Komt dorst door ’t eeten, (Angeston zeijd) zoo komt dorst door ’t drinken. Brand! Brand! een vonk in de keel. Mijn dorst gelijkt den steen Asbestos, die onuitbluslijk is.
[p. 16]

        Ut pix ardentem restinguet fervida flammam,
        Haec tibi sic adiment pocula sumpta sitim.

Dat is;
            Gelijk heet pik den brand uit blust
            Soo wort door wijn u dorst gezust.

    Dat de dorst eens storf, zo moest menze met flessen en glaazen beluijen. Een Schenker behoorde, als Argus, hondert oogen, en, als Briareus, hondert handen, te hebben; om niemand naa ’t nat te doen wachten. Sa, schenk’ my in den witten wijn. O kostelijk vogt! O Eedele traan van Bacchus! wat doeje al zorgen vergaan? Ik speel, Ex hoc in hoc [Hier uit (het glas) hier in (de keel)]: ’t is Tooverey noch jok? Noch eens gedronken en dan gegaan, om wat te ronken en dan weer aan, op zijn Cardinaals (Natura abhorret vacuum) de natuur wil niet leedigs laaten. Dat gaat, op de gezondheid van Hansken in de kelder, uit zonder hippen, zoo krijg je geen klippen. Nu noch en arakje, met een tabakje, dat’s Duivels banket.



                VI. HOOFT-DEEL.

    Gargantua wort op een wonderlijke
        wijze door ’t linker Oor gebooren,
        en van meer wonderbaarlijke ge-
        boorten.

TErwijlze met dit malle gelaat en gepraat van zuipen en swelgen noch aan-hielden, begon Gargamelle van onder haar quaalijk [p. 17] te gevoelen, derhalven zich Gargousier uit het gras op de beenen begaf, en sprak haar een goeden moed in, wel denkende dat ’et baarens wee was, en bad haar op ’t gras onder den willigen laan te gaan leggen, alwaarze wel haast nieuwe voeten zou krijgen. Datze dan nieuwe moed nemen moest op de nieuwe aankomst van haar Poppetje; alwaar ’t dat het wee haar wat verdrietig viel, dat het kort zou zijn, en dat de vreugd, die volgde, haar alle onlust doen verliezen zou, zoo dat zelf de gedachtenis daar af niet zoud overblijven. Schep moed (zeid hy) mijn schaapje, maakje hier maar af, wy zullen wel haast een ander gaan maaken. Ha (zeise) gy Man luij weet ons wel wat wijs te maaken. Ik meenme te verkloeken, dewijlje’t zoo wilt: maar ik wenschte byget datje ’t afgesneeden had. Wat doch? (sprak Grandgousier) Ach! (antwoordese) hoe vreemd konje vraagen? je weet het wel. Mijn mannelijk lid (vraagden hy weder) O bloed van ganzen, al wel, zooje wilt, koom hier met een mes: Ay neen (riep Gargamelle) dat behaage noit den Hemel: hou my dat te goe, ik zeijde ’t niet uit ernst, ik meende ’t zoo quaad niet, doet niets op mijn zeggen. Maar ik zal heeden vry veel moeten uitstaan, zoo d’Hemel niet en helpt; en dat door uw zwans-zwangelen daar gy mee vermaakt waart. Houd gy maar moed (zeid hy daar op) bemoey u niet meer, met d’overige dingen, laat gy ’t maar gaan met vier ossen daar voor. Ik gaa een rous drinken, zooje onder des wat overkomt, ik zal my by der hand houden: en met de naars inde hand naaje toe koomen loopen.
[p. 18]
    Weynig tijds daar na begonze te zugten, te wenen en te krijten. Met’er haast quamen by hoopen de vroe-vrouwen van alle kanten geloopen; die haar onderslaande, wat uitwendigs ontmoeten, dat geen goede geur had: en dachten dat het de vrugt was, maar ’t wierd bevonden den rechten darm te zijn anders den aars-darm geheeten; die door week-lijvigheid haar uit geschooten was, door dienze te veel rolpens in gewrongen had.
    Derhalven een smoddig ouw besjen uit den hoop, die voor een groot Quakzalverin bekent was, gekomen van Brisepaille by St. Genou, al voor 60. Iaaren, deese dee haar zoo vervaarlijk t’zaamen-trekkenden drank inneemen, dat al de wijdste gaten zoo dicht toe getrokken en geslooten wierden, datmenze ter nauwer nood met de tanden zou opgebeeten hebben; ’t welk een schrikkelijke zaak te bedenken is. Te meer, om dat de Duivel, toen hy op St. Martens mis, het gereutel van twee Franze danten dacht aan te teikenen, het parkement gemakkelijk met de mond van een dee.
    [Gargantua uit het oor gebooren.] Door dit misval wierden de bande vande baar-Moeder na boven geslaakt, waar langs ’t kind op klom, en inde holle ader geraakte, en glippende door ’t middelrift tot boven de schouwers (daar zich de zelve ader in tween scheid) nam zijn wech na de linker zy, en sloop uit door ’t slinker Oor.
    Soo haast het gebooren was, kreet het niet als andere kinderen mié, mié, mié: Maar schreeuwd luid en leelijk, pooije, pooije, pooije! even of het al de wereld tot pullen en pooijen nodigde; jaa zoo, dat het door ’t geheele land [p. 19] van Beuffe en Bibarios heenen klonk.
    Ik twijffele wel, datje zoo wonder baarlijken en bysteren geboorte nauwelijks voor vast en onfeilbaar gelooven zult: En wat wil ik’er my veel mee bekommeren, of gy ’t al niet voor geloofweerdig aan naamt? Maar een goed-hertig mensch, en die wel by zijn zinnen is, zal altijd ligt gelooven, ’t geen men hem voor zeeker zeid, en dat hy geschreven vind.
    Strijd het ook tegen onze wetten, onze rechten, onze reeden, of eenige schriften? Voor my, ik vind in geene boeken, brieven en bullen daar tegen geschreven. Maar hoor hoe Priester Macé over de verandering des ouwels eens tegen d’ongeloovige reedeneerde; Zoo Gods wil zoo geweest was; Zoud’ gy zeggen, dat hy ’t niet heeft konnen doen? Ay lieve verbijster en bedwelm toch nimmer uw herssenen met zoo zotte gepeijzen: want ik zeg u, dat God geen ding onmoogelijk is; al wild’ hy dat de vrouwen voortaan door de ooren haar kinders zouden baaren. [Wonderbaarlijke geboorten.] Is Bacchus ook niet uit Jupiters dye gebooren? Adonis uit de bast van een Myrteboom? Zijn de tweelingen Castor en Pollux niet uit een ey, door Leda gelecht en gebroed, voort-gekoomen? Sprong Pallas niet gehelmt en geharnast tot Jupiters herssen-pan uit: Soo quam Rocquetaillade uit zijn moeders enklauw, en Croquemousche uit zijn voedsters pantoffel voort: Iaa je zoud noch bet verbaasd’ staan, zoo ikje tegenwoordig verklaarde alle de hoofd stukken van Plinius, daar hy van ’t wonderbaarlijk kinderbaaren verhaalt, maar ik ben zoo vrijmoedigen leugenaar niet, als hy wel geweest is. Lees het zevende boek van de Natuurlijke Historie, [p. 20] aan’t derde Hooft-stuk, en breekme mijn hooft niet meer.



                VII. HOOFT-DEEL.

    Hoe Gargantua zijn naam gegeven
        wierd: en hoe hy geduurig dorstig
        was, en wat hy dronk.

[Eerste schreeu van Gargantua.] DEn goeden Grandgousier pooijende en rinkel-rooijende met d’andere, hoorde het schrikkelijk geschreeuw, dat zijn zoon deed op d’eerste komst in’t licht van deeze wereld, wanneer hy met zoo vierigen verlangen riep om drinken, drinken, drinken. Daar op hy zeijde; (Que Grand tu as, supple le Gousier.) Naa den Grooten dorst dieje hebt; laaf lustig u Keel. d’Omstanders dit hoorende, zeyden dat’et zeekerlijk den naam van Gargantua behoorde te hebben, om dat’et zijns Vaders eerste woord was geweest op zijn geboorte; na volgende ’t voorbeeld der oude Hebreën; ’t Welk dan door hem ingewillligt wierd, gelijk ’t zijn Moeder mee zeer wel behaagt heeft. Doch om ’t kindje te suszen, gaavenze ’t zuigen uit den pijp-kan, en deeden het dragen na den doop steen, daar ’t na de gewoonte der goede Christenen gedoopt wierd.
    [Wat, en hoe veel hy dronk.] En daar wierden zeventien duizend, negen hondert en dertien koeijen van Pautille en Brehemond besteld, om dagelijkzen drank of zog te verschaffen: Want in’t geheele land waren geenzins genoegzame Voedsters te vinden; [p. 21] vermits de meenigte van melk tot’et voeden van ’t zelve vereyscht. Schoon zommige geleerde Scotisten hebben willen beweeren, dat de moeder’t zelve gezoogt heeft: en datze in een maal t’ effens uit haar mammen konde melken veertien Hondert en twee Pijpen of stuk vaaten, en negen aamen melk.
    Doch dat is niet waarschijnelijk. Evenwel was dit voorstel en gevoelen zeer mannelijk, met stijf aanstootelijk woorden, voor eerslijke ooren, geoopent en staande gehouden: en al vry wat na Kettery riekende. In dezen staat leefde het kind den tijd van een jaar en tien maanden; na welken men het, op ’t goedvinden der Genees-heeren, zou beginnen te draagen, waar toe een net waagenje gemaakt wierd van ossen gevoert, na de vinding van Iean Denyau; daar mee men het herwaarts en derwaarts vermaakelijck omreed.
    Dit was niet ongeneugelijk t’aanschouwen: want het had een goeden, dikken, bollen Bacchus-troony, en ontrent tien kinnen: daar by schreyde ’t niet zelden, maar bekeutelde zich even staag, door dien het heel slymerig [Phlegmatique] en snotterig van achter gat was; zoo uit aangebooren aart [Complexion naturelle], als toevallige gesteltheid [Disposition accidentale], die ’t zelve was aangekoomen, door al te veel vet ert-zop te slobberen. Nochtans zoop het noit zonder oorzaak: Want t’elkens, als’t t’onvreeden, vergramt, geemelig of misnoegt was, dat het kreunde, schreijde of schreeuwde, moest men’t te drinken brengen; om ’t weer te doen bedaaren, en dan was’t weer te vreeden en vrolijk.
[
p. 22]
    Een der bestiersters zeide my, zweerende by haar vrouwelijkheid, dat het zulk gestaag zuipen zoo gewoon was, dat het op’t enkel geklank van kannen en flessen, van vreugd zoo verrukt wierd, als of het de Hemelze blijdschappen smaakte. Dies halven zy ziende zijn geestigen aard, al ’s morgens vroeg voor hem dee klinken met messen op de glaazen, met de schroeven op de flessen, met de dekzels op de kannen. Op welk geluid hy zig verheugde, en als huppelde, zich zelf vast wiegende, en ’t hoofd gins en weer waggelende, terwijl ’t met de vingeren als op snaaren trippelde, en met den naars den groven grond-stem dreunde.



                VIII. HOOFT-DEEL.

    Hoe men Gargantua deede kleeden: met
        wat stof, en hoe veel.

WAnneer nu Gargantua eenige weeken oud was, wilde de Vader dat men hem een kleed zou maaken na zijn liefrey, die wit en blauw was. Daadelijk teegmen daar mee te werk, en ’t was wel haast gesneen en genaayt, na de wijze die toen in swang was. Uit d’ oude aanteekeningen, die in de Reeken-kamer tot Montsoreau zijn, ben ik gewaar geworden, dat hy op volgende wijze gekleed is geweest; tot zijn hemd wierden afgenoomen negen hondert ellen linnen van Chasterelaud, en twee hondert ellen tot de vierkante wend-lapjes, die men onder d’ oxels zet, ’t en was niet gefronst; want het fronssen van de hemden was [p. 23] toen noch niet bedocht; maar is eerst opgekomen, zedert dat de linnen-naysters, na dat de punt haarer naalden was afgebrooken, begonden met haar naars te naaijen. [Ongelooflijk veel stof tot kleeding.] De stof tot zijn wambaijs waaren acht hondert en dertien ellens wit zatijn; en tot de nestels wierden versneeden vijftien hondert negen en een half honde vellen. Toen begondemen de boksen aan ’t wambais, en niet het wambais aan de boksen te binden: dewijl het een ding tegen de natuur is; zo Olzam wijdlustig verklaart over d’ uytleggingen van M. Hoogen-broek. Tot zijn bokzen, of broek verbruiktemen elf hondert- en vijf ellens en een derdendeel wit stamet, en die wierden na de wijze der gegroefde en geflamde pilaren, van achteren door sneeden, op dat de nieren niet zouden verhitten. En van binnen voeijerdemen deeze streemen met zoo veel blaau damast, als daar toe noodig was. En weet, dat hy daar by had zeer çierlijke Leersjes na zijn overige lijf lengte wel geschikt en evenmaatig gemaakt. Tot de lats (of kulzak) mogt niet minder weesen als zestien el en een vierendeel van ’t zelve stof: het schik of maakzel was even als een ronde boog: en wierd wel vast gehecht met twee zinnelijk gebrand-verfde [Esmaille] gouwe haaken, in yder van welken een schoonen Smaragd, zoo groot als een Oranjen-appel, gevoegt was. Want (zoo Orpheus verhaalt in ’t boek van de gesteenten, en Plinius in zijn laatste boek) heeftze een opheffende en verstijvende kracht voor ’t naatuirlijke lid. Den uytstek der latse had de lengte van een ried, en was doorsneeden, gelijk de broek, met ruig blaau damast mee gevoedert.
    Maar datje gezien had, het deftig borduyr- [p. 24] zel om de kanten, en ’t cierlijk tusschen-werkzel van de goudsmeeden, met fijne robijnen, fijne diamanten, fijne turkoijsen, fijne Smaragden en Persische parrelen bezet, gy zoud het hebben geleeken by een hoorn des overvloeds, zoomen die vind afgebeeld in de over oude werk stukken, en gelijk wel eer Rhea schonk aan de twee Nijmphjes Adrastea en Jda, voedsters van Jupiter, altijd lustig, zappig, bedaut, groeijende, bloeijende, vrugt-voort-brengende, vol vogt, vol bloempies, vol fruitjes, vol van alle lekkernijtjes. Ik verzeekerje, ja ik sweerje by kruis en by kras, dat’et zeer schoon t’ aanschouwen was. Maar ik zal ’t u wel wat breder beduiden in ’t boek, dat ik gemaakt heb van de waardigheit der kulle-kleedtjes.
    Doch een ding zal ik hier noch zeggen, dat, hoewel de latse zeer lang en wijd was, zy echter van binnen wel was verzien en wel gevult; geenzins gelijkende naa die valsche en schoonschijnende latsen, met ruikertjes bepronkt, die inwendig niet dan vol wind zijn, tot groot ongerijf van ’t Vrouwelijk geslacht.
    Tot zijne schoenen beschiktemen vier hondert en zes ellens blaau-carmozijn fluweel: en zy wierden netjes doorsneeden aan even breede en gansch gelijke strooken: daar by verbeezigde men tot soolen der zelver elf hondert huiden van bruine koeijen, gesneeden na ’t schik van stokvis-steerten.
    De stof tot zijn boven-rok, of tabbaart, bestond in achtien hondert ellen blaau wel geverft fluweel, rond om bestikt met çierlijk loffwerk, en in ’t midden met zilvere kannetjes en kruikjes, door vlochten en gevoegt met goudene [p. 25] takjes, door meenigte van parrelen verrijkt; daar door willende beduiden, dat hy een braaven drinke-broeder in zijn tijd zou zijn.
    Sijn gordel of middel-band wierd gemaakt van driehondert en een half ellen zaay-op-zy, half wit half blaau, of ik heb me grootelijks vergist. Sijn rapier was niet van Valensen, noch zijn pook van Saragosse: want zijn Vader had zulk een haat op al die (Hidalgos) Spaanze stroo-Ionkertjes, als of ’t Duyvels waaren geweest: maar hy had een deftig deegentje van hout: en zijn dagg van op-gezooden leer, zoo schoon beschildert en verguld, als iemand zou moogen wenschen.
    Tot zijn Geld-beurs gaf hem den Heer Pracontal, gemaakt Burgemeester van Libie, een olifants klootzak.
    Tot zijn mantel moestmen neemen neegen duizend zes hondert ellen min twee derden deelen blaau fluweel, alom met goud, in gedaante van hoekige of takkige kantjes, beboord; waar uit, wanneermense naa de konst door keek, een onnoembaare kleur uit blonk, even alsje merken kont in ’t aarsgaatie der tortelduyven, die d’ oogen der aanschouwers ongemeen vermaakte.
    Van drie honderd, twee en een vierendeel ellens wit fluweel wierd hem een hoed of hoofddekzel toegestelt, van schik breed en rond, na den omtrek van ’t hoofd: want zijn Vader zeide, dat die malle-Jans-mutsjes, gemaakt gelijk de korsten van de pasteyen, doorgaans d’ een of d’ ander tijd hun hair-loose hoofden eenig onheyl aanbragten.
    Tot een veder-bos droeg hy een schoone [p. 26] groote blaauwe pluim van een kropvogel, uyt het wild Hircanien, wel fraaytjes by ’t rechter oor neer hangende. Voor zijn zinnebeeld had hy in een goude schootel of schild, wel 68. mark wegende zeer konstig gebrand-verft [Emaille], de afbeelding van een menschelijk lichaam hebbende twee hoofden, d’ een na d’ ander toe gewent, met vier armen, vier voeten, vier billen, eeven zo Plato in Symposio zeggen wil, dat de mensch in zijn verborgen begin zou geweest zijn, en rondom ’t zelve was met Jonische of Griekze letteren geschreeven (AGAPE OU ZETEI TA EAUTEES) De liefde zoekt zich zelf niet. Om dit aan den hals te draagen, had hy een goude keten, wel vijf en twintig duizend en drie en zestigmarken gouds swaar, gemaakt eeven als groote beesiën, waar tusschen in gewerkt waaren groote groene Jaspis-steenen, uitgesneeden en gewrocht tot de gedaante van draaken, alle om ringt met straalen en vonken, zoodaanig als de Koning Necepsos dezelve wel eer droeg, ’t welk hem tot onder op den buik hing; daar af hy al zijn leven ’t genot en hulp had, gelijk ook gemeene Genees-meesters bekent is.
    Tot zijn handschoenen gafmen te verwerken zestien vellen van nachtmerrien; en tot het omboorden der zelver drie huiden van weerwolven: En van deeze stoffen wierdense toegestelt, door ’t goed vinden der Cabalisten van Sainloüand; om reeden, dat hy zeekere ringen zou draagen door bevel van zijn Vader, die het teeken van den ouden adel weder vernieuwen wilde. Hy had aan de voorvinger van zijn slinkerhand een ring met een Carbonkel zoo groot als een Struissen ey, in goud van Serapg wel zin- [p. 27] nelijk gezet. Aan der zelver middel-vinger droeg hy een ring, van vier metaalen t’ zaamen gemaakt, het wonderlijkste werkstuk datmen van zijn leeven gezien heeft: want het staal miskleurde niet by ’t goud, noch ’t zilver stak niet af by’t kooper. Alles was gewerkt door den Opper-konstenaar Chappius en Alcofribas zijn meester-knecht.
    Aan de middel-vinger van de rechterhand had hy een ring hoed-bans-wijs gewerkt, waar in zeer volmaaktelijk gevoegt was een beezem, een gespitste diamant, en een Smaragd van Physon, onwaardeerlijk van prijs: hoewel Hans Karvel groot Juwelier des Konings van Melinde, die schatde waardig te weezen negen en zestig millioenen, acht hondert vier en ’t negentig duisend, en achtien dicht gewolde hamelen.



                IX. HOOFT-DEEL.

    Wat de Livrey en kleuren, die Gar-
        gantua droeg, beduydden.

DE kleuren der kleedinge van Gargantua waaren wit en blaau, gelijk gy hier voor hebt kunnen leezen: En daar door wilde de Vader verstaan hebben; een Hemelze verheuging: want het wit was by hem zoo veel als vreugde, vermaak, weelde en wellust; en ’t Blaau beduidde, d’ Hemels zaaken.
    Ik denk wel datje, deeze woorden leezende, den ouden - dronkebol bespotten zult, en de beduiding der verwen te verr’gezocht, en veel verschillende achten: en zeggen, dat het wit geloove, of getrouwheid, en ’t Blaau [p. 28] vastigheid, beteekent. Maar zonder u te stooren, vergrammen, verhitten, of ontstellen (want de tijd is gevaarlijk) antwoord my eens, so ’t je goed dunkt: andere dwang zal ik tegen u, of wie ’t wezen mag niet in ’t werk stellen. Alleenlijk zal ik u een woordje van de wijn-fles zeggen.
    Wat beweegt u? Wat porr’t u? wie maakt u wijs, dat blank getrouwheid, en blaau vastigheid, te zeggen zou zijn? Een halfbakken boekje (zulje zeggen) dat by omloopers en Lietzingers geveilt wort; met de tijtel van (le Blason des couleurs) Vertooning van de verwen. Die’t gedigt heeft, hy mag wezen wie hy wil, hier in heeft hy voorzigtig gehandelt, dat hy’er zijn naam niet by gezet heeft. Maar aangaande ’t overige, weet ik niet wat ik meest in hem verwonderen moet; of zijn opgeblaasentheid, of zijn beestachtigheid? Ik zeg, zijn opgeblaazentheid; door dien hy zonder reeden, zonder oorzaak, zonder schijnbaarheid, op zijn eigen gezach, heeft durven voorschrijven, wat zaaken door de kleuren zouden aangeweezen worden: ’t welk de wijze en gewoonte der dwingelanden is, die haar welgevallen voor recht en reeden willen gehouden hebben: Niet van wijze en beweetenschapte lieden, die door baarblijkelijke reedenen den Leezers vernoegen en overtuigen. Sijn beestachtigheid, (zeg ik) om dat hy gedacht heeft, dat zonder andere aanwijzingen en waardige blijken, alle menschen haar zinbeelden en spreuken zouden schikken en reegelen, naa zijn botte en zotte inzettingen. In der daad (zoo ’t Spreekwoord luid: Een die de buikloop heeft, drek by den hoop [p. 29] geeft) hy heeft eenig overschot van neske-bollen van den tijd der hooge hoeden gevonden, die zijne Schriften geloof gegeven hebben: en na dezelve haar zin-teikens en spreuken doen stellen, haar muyl-eezels bebreydelen, haar dienst-knaapen kleeden, haar broeken bestikken, haar handtschoenen boorden, haar bedste’en behangen, haar waapens beschilderen: haar deuntjes gedicht, ja (dat erger is) heymelijk misleydingen en laf-hertige-treeken by haare bekende meesterssen aangericht: want in zulke verbijstering en verblintheid ziet men zelfs die hooghertige Hovelingen, en overdragers van naamen; die denkende de hoop in haar zinteikens te vertoonen, een ronde kloot doen schilderen: vleugels van vogelen voor moeylijkheden: Akeleyen, voor malancollje (swaarmoedigheid) Een dubbelhoornige maan, voor te leeven in aanwas: Een gebrooken bank, voor bankeroet: Een bedstee boven open, voor een openbaar bedienaar. ’t Welk gelijknaamingen zijn zoo wanschiklijk, slecht, boersch en bijster, datmense wel een vossesteert aan ’t neerstik mogt hechten, en een Koe-drek tot een troony-dek geeven, al degeene, die na deezen in Frankrijk haar daar mee behelpen willen, naa dat de goede konsten herstelt zijn.
    Om gelijke reeden, (zoo ikze reeden, en niet reevelingen, noemen moet) zoud ik een korf doen teykenen, om te toonen dat ik ’t veel verkorf: Een mostaart pot, voor een die der meenig door de mostaart moest sleepen [Dat is, leedig voeden: ook doorstrijken]: Een pispot, voor een geheim dienaar, onderbroek voor een vijstvat, mijn swans-sak voor een regtkamer.
[p. 30]
    Heel anders handelden by-ouds de wijze Egyptenaars, wanneerse schreeven met letteren, diese (hieroglyphische) zinspreukige noemden; die niemand verstond, dan dien de kracht, eigenschap en aard der dingen, diese af beeldden, bekent waaren: Waar af Orus Apollo twee boeken in ’t Grieks beschreeven heeft, die Polyphilus in den droom der liefden naader heeft verklaart. In Frankrijk vind’jer een staaltjen af, in ’t zinbeeld van mijn Heer den Admiraal (zeevoogd) dat Octavianus Augustus eerst voerde. Maar ik zal met mijn scheepje niet verder in zee zeilen, door deze gevaarlijke golven en gronden; maar mijn steven weder wenden na de haven daar ik uytvoer; Evenwel hebb ik hoop van t’eeniger tijd daar af breeder te schrijven: en te toonen, zoo door wereld-wijze [Philosophique] reeden, als door aangenoomen en goed-gekeurde geloofweerdigheid van den over-ouden Hillebrands tijden af; welke, en waar toe de kleuren in de natuir zijn, en wat door een yder aangeweesen kan worden; zoo de form van mijn muts (’k meen de wijnkan, zey mijn bestemoer) zoo lang slechts behouden, en my by blijve.



[
p. 31]

                X. HOOFT-DEEL.

    Wat door witte en blaauwe kleuren te
        kennen gegeven word.

DE witte kleur beduid blijdschap, vermaak en vreugde: en dat niet ten onrecht; maar met rechtvaardigen en wettigen tijtel. ’t Welk gy waar bevinden zult, zoo gy, uwe tochten ter zijde stellende, wilt acht-geven op ’t gene ik u nu beduiden zal.
    Aristoteles zeid: dat zoo men zich twee zaaken, in haar zoort strijdig [Contrarie], voorstelt; als goed en quaad, deugd en ondeugd, koud en heet, wit en swart, weeld en weedom, vreugd en druk, en zoo voort van d’ andere: en die zoo t’ zaamen zet, dat een strijdige zaak van een soort wel over een kome met een, die strijdig is met een ander; onfeilbaar volgt, dat de andere strijdige passe by de andere overgebleevene. By voorbeeld; Deugd en ondeugd staan tegen malkander in een soort, gelijk ook doen goed en quaad: Soo een der strijdigen van de eerste soort over eenkoomt met een van de tweede zoort, gelijk Deugd en goet; want het gaat vast, dat deugd goet is; zoo zullen ook de twee overige, quaad en ondeugd, wel by een voegen; want ondeugd quaad is.
    Deeze bewijs-konstige [Logicale] reegel begreepen hebbende, neemt deeze twee tegenstrijdigen, vreugde en droefheit: daar na deeze twee, wit en swart: want natuirlijker wijze zijnse recht strijdende. Indien ’t dan zoo is, dat swart droef- [p. 32] heit beduid; zoo moet ook met recht het wit vreugde beteekenen.
    En deze beduiding is niet na ’t opstel eeniger menschen ingevoert; maar met overeenstemming van al de wereld: ’t welk de Wereld-wijsen [Philosophes] (Jus Gentium) ’t recht der Volken, of algemeen recht, noemen, dat in alle landen van waarden is. Gelijk u genoegzaam bewust is, dat alle Volken, allerley Landaard [Nation] (uitgenoomen d’ oude Syracusanen en eenige Grieken, die averechtse zielen hadden) en alle Taalen, trachtende uitterlijk haar droefheid te toonen, met swarte kleederen voortquaamen: en alle rouw word met swart uitgevoert.
    Welke algemeene over een koomst niet geschied, zonder dat de natuur daar af eenige reeden of grond toont, die yder-een by zich zelf wel haast begrijpen kan, zonder van iemand anders onderweezen te zijn, ’t welk wy ’t natuurlijk recht heeten. Door dezelve ingeevinge der natuur, bewijst ook al de wereld, met het witte, blijdschap, geneugt, vermaak en verlustinge.
    De Thraciers en Cretensers beteekenden in voortijden de voorspoedige en vroolijke daagen door witte steentjes: de droeve en ongelukkige, met swarte. De nacht, is die niet naar, truirig en ongevallig? Sy is swart en donker door berooving [Privation]. Het heldere licht, verheugt het niet de geheele natuur? ’t Is blanker dan eenig ding dat’er koomen kan. Om ’t welk te beweeren, ik u wijzen mogt tot het boek van Laurens Valle tegen Bartholus. Maar de getuygenis uit het boek des Nieuwen verbonts zal u beter vernoegen. By Mattheus aan 17. Hooftstuk staat [p. 33] dat, in de verheerlijkinge van onzen Heere op den berg (Vestimenta ejus facta sunt alba sicut lux) zijne kleederen wit wierden, gelijk het licht. Door welke verlichtde witticheit hy zijne Apostelen een schijnzel en gedaante van de eeuwige vreugden vertoonde: Want alle menschen zijn vermaakt met licht en klaarheid. Gelijk gy daar af weet het woord van een oude Vrouw, die niet een tand in de mond had, en noch zeyde (Bona Lux!) dat goede licht! En den ouden Tobias, aan ’t 5. Hoofd: toen den Engel Raphaël hem, terwijl hy noch blind was, veel goeds wenschte, gaf ten antwoord; Wat vreugde zoud ik konnen hebben, die het licht des Hemels niet meer aanschouwen mag? In zulken kleur verkondigden de Engelen de vreugde van de geheele wereld by d’ opstandinge onzes Saligmaakers Joan 20. En by zijn Hemelvaart Hand. 1. Met gelijke zier-kleeden zag den heiligen Euangelist Ioannes Openb. 4. en 7. den geloovigen aangedaan in Heemelsche en verheerlijkte Jerusalem.
    Lees d oude geschiedenissen, zoo der Grieken als der Romainen, gy zult bevinden dat de stad Alba (het eerste voorbeeld van Romen) gesticht en genoemd is na ’t vinden van een witte zog. Gy zult bevinden, dat, indien iemand, die d’ overwinning van zijne vyanden hem behaalt had, by raadsbesluit vergunt wierd in zeege-praal, Romen in te rijden, hy zijn intocht deed op een wagen van witte paarden getrokken. Desgelijks die zijn intreed dee met vrolijk toejuychen en hand-geklap. Wantse niet gewisser en duidelijker de blijdschap van haar komst konden uitdrukken, door eenig ander teiken of verw, [p. 34] dan de witheid. Gy zult bevinden, dat Pericles Veld-overste der Atheners, wilde, dat die benden zijner krijgs-lieden, welke de witte boonen by lootinge te deel gevallen waaren, den geheelen dag in rust, met verlusting en vermakelijkheid doorbrengen zouden; terwijl d’ andere ten strijde schrap moesten staan. Duysend andere voorbeelden en plaatzen zou hier toe weeten by te brengen, maar, ten is hier de rechte plaatze niet.
    Door middel van deze kennis kont gy oplossen een Sinnebeeld, dat Alexander Aphrodisius on-oplosselijk dacht te zijn; te weeten, waarom de leeuw, die door zijn enkel geschreeuw en gebrul alle dieren doet schrikken, alleen voor een witte haan bevreest en vervaart is. Want het geschied (zo Proculus [Proc. lib. de sacrif: &. magia. In ’t boek van ’t offeren en wijs zeggen] zeit) door dien de tegenwoordig van de kracht der Son, die de middel oorzaak en oorsprong van alle aardsch-en sterren-licht is, meerder speelt, en nader gelijkheid heeft, in een witten haan, als in een Leeuw; zoo om die witte kleur, als zijn bezondere eigenschap en order. Noch verhaalt hy, dat’er dikwijls Duyvels in gedaante van Leeuwen zijn gezien, die door de tegenwoordicheit van een witte haan haastelijk verdweenen zyn.
    Dit is d’ oorzaak waarom de Gallici (zo noemtmen de Franzen, om datze uit de natuur wit zijn, als melk, die de Grieken Gala heeten) geerne witte pluimen op haar hoeden hebben: want uit’er aart zijnse bly, blank, lustig, en lieftallig: en tot haar Sinteiken en wapen voerense den Lely, de blankste aller bloemen.
    Wilje weeten, hoe de natuur ons ingeeft, [
p. 35] door de witte kleur vreugde en vrolijkheid te verstaan; zo zegg’ ik, dat d’ over-een-kooming en gelijkformigheid daartoe aan leydt: Want gelijk het witt uitwendig het gezicht verdeelt en verspreid, zoo ontgeeven zich de gezicht-geesten merkelijk, [Libro primo Problematum cap. 19.] na de meening van Aristoteles in zijn Problemata [Vraagstukken] en Perspective [Gezigtkund] En men merkt door d’ ervarentheit, in ’t reyzen over bergen, die met sneeu bedekt zijn, datmen schimmer-oogt, en quaalijk zien kan, ’t welk Xenophon schrijft aan zijn volk geschied te zijn: gelijk Galenus wijdluchtig verklaart Lib. 10. de usum partium: Even alleens word het hart door over groote vreugde van binnen uitgebreid, en lijdt verstrooijinge der leevende geesten, die zoo geweldig kan weesen, dat het hart van zijn onderhoud verlaaten zou blijven, en by gevolge door deze uitgelaatenheid het leven uitgebluscht, zo Galenus [Lib. 12. Method. lib 5. de locis affectis. Et lib. 2. de Symptomatoon causis] zeit. En gelijk in voorleeden tijden gebeurt te zijn getuigt wort van Marcus Tullius [Lib. 6. Quest. Tusc.], Verrius, Aristoteles. Titus Livius na de veldslag van Cannas: Plinius [Lib. 7. cap. 32. & 53.] Aulus Gellius [Lib. 3. 15.] en andere aan Diagoras van Rhodes, Chylon, Sophocles, Dionysius de Tyran van Sicilien, Philippides, Philemon, Polycrates, Philistion. M. Iuventi, en andere, die door al-te hevigen verheuginge het leven verlooren. Zo zeit ook Avicenna [In 2 canone. & lib. de viribus cordis] van ’t zafferaan, dat het zo zeer ’t hart verheugt, in dien men’er teveel van inneemt, dat het daar door van ’t leven berooft word, vermits de overmaatige ontbinding en uitbreiding der zelver. Hier over ziet Alexander Aphrodisius! Maar hoe! ik tree verder in deze stoffe, als ik in d’aanvang voor had. Ik zal dan hier mijn zeilen strijken, en ’t overige [p. 36] spaaren, tot het boek, dat ik daar toe t’ eenemaal geschikt heb: en met een woord zeggen; dat door het blaau gewisselijk aangewezen wort den Hemel en Heemelze zaaken, door de selve zinteikens, waar door het witte vreugde en vermaak te kennen gaf.



                XI. HOOFT-DEEL.

    Hoe Gargantua een Iongeling zijnde,
        zich droeg.

ZEedert sijn drie tot sijn vijf jaaren wierd Gargantua opgevoed en onderweesen in alle betaamelijke leeringe, door bevel van zijn Vader: en dien tijd verliep gelijk met alle kleene kinderen van dat land; ik meen met drinken, eeten, slaapen: met eeten, slaapen, drinken: met slaapen, drinken, eeten.
    Hy wentelde gedurig door ’t slijk, besnotterde sijn neus, begrommelde sijn aangesicht, trad op d’hielen van sijn schoenen, gaapte meer maals na de muggen, en liep geern om witjes en wywouters te vangen, waar over sijn Vader de heerschappy voerde: Hy piste op sijn schoenen, scheet in sijn hemd, snoot sijn neus met sijn mouwen, snotterde in sijn pap, liep swerven door alle wegen, dronk wel uit sijn muilen, wreef zich dikwils den buik met een mand; Sijn tanden stookten hy met klaauw, sijn handen wiesch hy met sijn zop, hy kemde zich met een kroes, ging zitten tusschen twee stoelen met sijn gat op de grond, en dekte zich toe met een [p. 37] smodderigen zak, dronk al bry eetende, en at sijn aschkoek zonder brood, beet al lagchende, en lachte al bytende, dikwils spuwde hy in’t bekken, veest wel grof, piste tegen de Son, schuilde in ’t water voor de reegen, streed tegen de kou, droomde drollig, bezuikerde sijn bed, vilde de vos, dee’t gebed van den aap, keerde weer na sijn gezellen, trok de verkens na’t hoy: sloeg de hond voor de Leeuw, spande de wagen voor de Paarden, krauwde zich daar ’t hem niet jeukte, trok de wormen uit de neus, bevatde veel en behield weinig, at sijn wittebrood voor af, besloeg de kreekels, hy kittelde zich zelf om te lagchen, rinkinkte in de keuken, hy maakte schooven van heilig stroo, hy dee’t Magnificat [den lofsang van Maria] ter metten zingen, en vond het wel te pas, hy vrat kool en kakte look, hy kende de muggen in de lucht, beroofde de vliegen van haar voeten, schrabde ’t papier, brande ’t parkement, won aanden exter, rukte aan ’t geijtevel, reekende zonder waard, sloeg in de doorn-haagen zonder vogeltjes te vangen, hy waande dat de wolken koperen lovertjes waren, en dat de blaasen voor lantaarnen dienden, hy haalde twee rustingen uit een zak, hy hield den eesel om den drek, hy maakte een hamertje van sijn vuist, hy kreeg de kraanen met den eersten greep, hy wilde datmen van ringetje tot ringetje den ringkulder zou maaken, ’t geschonken paard zag hy telkens in den bek, hy huppelde van den haan op den Eezel, voegde tusschen twee groenen een rijpe, hy maakte van d’aarde een put, hy behoede de maan voorde wolven: als de wolken vielen hoopte hy leeuwerijken te vangen, hy maakte van den nood een deugd, en van zulk [p. 38] brood zulke zoppe, hy bemoeyde zich zo weinig met de geschrabde, als met de geschoorene. Alle morgens vilde hy den vos, de kleine hondjes van sijn vader aten uit sijn schotel, en hy zelf at met haar: Hy beet haar in de ooren, sy krabden hem de neus, hy blies haar inde naars, sy lekten hem de hangertjes. En je weet zulk oud zulk jong, dit jong hoer-jagertje taste sijn bewaarsters niet boven maar onder, niet voor maar achter, weetje wat ik wil. Alree begond hy sijn zak-pijp te handelen, die de bewaarsters aldagen bepronkten met moije ruikertjes, cierlijke lintjes, schoone bloemtjes, en zachte zyvlokjes: en verdreven haar tijd daar mee, tot dat hy onder haar handen als een lange plaasterrol wierd: dan lachtense datse schaterden, als hy zijn ooren opstak, als of haar ’t spel wel behaagt had, d’ een noemde hem haar klein poppetje, d’ andere heete hem haar stoppertie, de derden haar kloppertje, haar dichtertje, haar rechtertje, haar haar noogertje, haar beulingtje, haar kraaltakje, haar zoete zul in ’t zakje. Sy is voor my, zey d’ een; Sy is de mijn zey d’ ander: zal ik zey de derde dan niemendal hebben? By mijn zoolen ik zal hem dan af kappen. Hola! af kappen, zey d’ eerste, je zoud hem zeer doen. Zouje zo een botte besnijdenis aan d’ jongetje doen, zoo zou ’t mijn Heer Staakenbroek Staak-den-bruy zijn. En om als andere kinderen zijn geneugt te neemen, maaktense hem een wind-molentje met wieken.



[
p. 39]

                XII. HOOFT-DEEL.

    Gargantua leert op gemaakte paarden,
        van masten en balken te paarde zit-
        ten en rijden: houd zijn stal in ’t top
        van ’t huis, en heeft de spot met twee
        Hovelingen.

VErvolgens, op dat Gargantua zijn leven lang een goed ruiter mogt zijn, maaktemen hem een groot houte paard ’t welk hy dee steigeren, springen, wenden, voortschokken, en trippelen te gelijk: daar na deed hy ’t gaan den stap, halven draf, heelen draf, de ren, volleloop: dan weer den traagen-tred telle-gang, juffer-kameel-en eezel-tred: Hy deed het mee van hair veranderen, als de moniken van Courtibaux doen, na de hoogtijden en Feest-dagen, gestippelt bruin, effen bruin, appelgrau, muisvaal, herts kleur, kastany-bruin, koey-rood, zilver-schier, kakelbout, vos-en ros-kleur.
    Hy zelf maakte van een grooten sleed, een paard tot de jagt: een ander van een pers-hout tot zijn dagelijks gebruik: en van een groote eykenboom, maakte hy een muil-eezel met zijn zadel, voor de kamer: Daar-en-booven hield hy tien of twaalf ongetoomd, en zeven voor de post: die hy alle by zich te slaapen leyde.
    Op een tijd quam den Heer Painensac [Brood-in-sak] met een groot gevolg en praal zijn Vader bezoeken, [p. 40] gelijk ook op den zelven dag mede aldaar waren aangekomen den Hertog van Francrepas [Vryvreet], en den Graaf van Mouillevent [Vochtewind]. Toen was in der waarheid het huys een weinig te eng voor zoo veel volks, en voornamelijk de stallingen: derhalven den Hofmeester [Maistro d’hostel] en Huis-zorger [Fourrier] van den zelven Heer Painensac, om te weeten, of ’er niet elders in ’t huis leedige stallen waren, vervoegden zich by Gargantua, een jong knegje, en vraagden hem heymelijk; waar de stallen waren voor de groote paarden; denkende dat de kinders geerne op klapten en alles openbaarden daar op begint hy haar te leyden langs de groote trap van ’t Kasteel, gaande door de tweede Saal in een lange Galery, van waarse geraakten in een grooten tooren: en zoose nu weder andere trappen opklommen, zeyde den Huiszorger tot den Hofmeester: dit kind misleyd ons; want de stallen zijn nimmermeer boven in ’t huis. Dat verstaje niet wel, zey den Hofmeester: want ik weet plaatzen tot Lion, tot Basmette, tot Chainon en elders, daar de stallen in ’t hoogste van ’t huis zijn: alzoo kan ’t zijn; dat daar achter een uitgang is, om af te komen: Maar om de zeekerheid zal ik hem nader vraagen. Daar op zeid hy tot Gargantua; mijn lieve manneke, waar meenje ons te brengen? In de stal (antwoorde hy) van mijn groote paarden: Wy zijn’er wel haast; laat ons slechts deze ladder opklimmen: daar na gaande door een ander groote zaal, leyd hy haar in zijn kamer; en de deur weeder toe doende, zeyde hy; ziet de stallen daar gy naa vraagt; daar is mijn Spaans, mijn Engels, mijn deens, en mijn Ungers paardje; en haar een heel [p. 41] grooten handboom op ’t lijf laadende, zeyde, ik schenkje dit Friesse paard, ik heb ’t ontfangen van Frankfort, ’t is een goed klein paardeken, en hard te berijden, maar gy zult het hebben, met dit jagtpaard, zes spaanze, en twee haase winden. Daar hebje den over-heer der haazen en veldhoenders voor de gantze winter. By Sint Ian, zeidense, wy staan hier wel schoon en zien, nu hebben wy de monik. Dat ontken ikje, zey Gargantua; hy is’er in geen drie dagen geweest. Nu geef ikje te gissen tot welk van tween zy meest reeden hadden; of om haar te verbergen van schaamt, of tot tijdverdrijf daarom te lagchen, Terwijlze in deeze ontsteltenis weeder afgingen, vraagde hy haar; wilje wel een laweye hebben? Wat is dat, zeiden zy, dat zijn (antwoorde hy) vijf lange loerten om u een muilband af te maaken. Voor deze maal (zey den Hofmeester weer) al zijn wy wat geroost, zullen wy voor ’t vuur niet branden, dewijl wy, na mijn dunken, al wel doorspekt zijn. O gy klein lekkertje, gy hebt ons hoy op de hoornen gegeven: Ik zal u d’een of d’ ander tijd noch wel eens Paus zien. Ik verstaa ’t ook zoo, zeyde hy: maar dan moet gy een wyvouter weezen. En deze schoone papegay zal een volkomen flikflooyer zijn. Zeer wel, zeer wel, zey den Huiszorger. Maar (zeyde Gargantua al weder) raad eens, hoe veel naalde steeken in mijn moeders hemd zijn? Sestien, zeyde de Huis-zorger. Zoo raadje ’t niet in der waarheid, antwoorde Gargantua; want daar zijn’er zonder voorst en zonder achterst: en gy hebt u al te veel verreekent. Wanneer? vraagde d’Huis zorger. Toen (sprak [p. 42] Gargantua weer) wanneermen van uw neus een windas maakte, om een tonvol drek mee op te trekken, en van je keel een trechter, omze in een ander vat te gieten, dewijl de bodemen lek waaren. Zeeker (zeyde d’Hofmeester) wy zijn by den rechten kakelaar geraakt. Mijn Heer den beuselaar, ’t moetje wel gaan met al je snood gesnap, je heb de mond tot je wil.
    Dus met drie haasten neergeklommen, tot de poort van de trap, lietense den dikken windboom, dien hy haar op den hals gehangen had, van boven neer ploffen. Wat drommel (riep Gargantua) gy zijt zeeker zeer slechte paardberijers, uw klein kleppertje diendje wel geduirig te hebben. Maar zooje van hier naa Cahusac zoud moeten reyzen, wat wouje liever; op een gansje rijen, of een swijn aan ’t zeel leijen? Ik had liever een rous te drinken, riep d’ Huiszorger; en daar mee traadense in de needer Saal, daar ’t gantze gezelschap was, alwaarze dit nieuwtje verhaalende, haar als een hoop vliegen deeden dreunen van lagchen.



[
p. 43]

                XIII. HOOFT-DEEL.

    Hoe Grandgousier gewaar wierd
        d’ over groote geestigheid van
Gar-
        gantua, door ’t uitvinden van een
        aars-wisch.

ALs Gargantua nu by na vijf jaar oud was, quam Grandgousier, zo hy van ’t verslaan der Ganarrienser weder keerde, zijn zoon eens bezoeken: hy wierd zoo verheugd, als zulk een Vader zou konnen zijn, ziende zodaanig een zijn zoon. En hem omhelzende en kussende, ondervraagde hem over verscheide kinderlijke kleynigheden: En dronk met hem en zijn bewaarsters eens wakker om: Dewelke hy, om de groote zorg dien hy voor hem droeg, onder andere dingen vraagde, ofse hem al schoon en klaar hadden gehouden? Daar op gaf Gargantua ten antwoord; dat hy zelf daar zulk een zorg voor gedraagen had, dat’er in ’t geheele land geen kind klaarder en zuyverder, als hy kon zijn. Hoe dat! vraagde Grandgousier. Ik heb (her zeyde Gargantua) door lang, en naauwe ervarentheid uitgevonden een middel om mijn naars te wisschen, het heerlijkste het voortreffelijkste en ’t gerieflijkste datmen oit gezien heeft. Welk doch? vraagde Grandgousier. dat ik u tegenwoordig verhaalen gaa, antwoorde Gargantua. Ik wischte my eenmaal met een vrouwen fluweele kap-sluyer, en bevond hem heel dienstig daar toe; terwijl de [p. 44] zachtheid der zijde een zeer groote geneugte aan mijn gat gaf. Een andermaal vaagde ik mijn achterpoort met een zijen zee-kap of kaproen van een Vrouw; en ’t bequaam my mee zeer wel.
    Op een ander tijd dee ik ’t eens met een schortekleed: maar daar na met den Vrouwe oorlapjes van karmosijn zatijn, doch een deel vergulde drekdoppen en knoppen krabden my ’t vel van ’t heele achtergat af: dat ’t vuur van Sint Antoni dien Goudsmid diese maakte, en die Iongvrouw dieze droeg, in haar aars-gat vaar en brand. Dit onheil wierd geholpen, door dien ik my naderhand afvaagde met een voetjongens [Page] zachtemuts [Bonnet], rondom vol pluimen op zijn Switzers.
    Als ik eens achter een haag mijn behoef dee, vond ik een Maartze kat, daar ik my mee wischte; maar haar klauwen scheurden my ’t mond steek van den naars t’ eenemaal aan flenters.
    Hier van genas ik my ’s anderen daags, door dien ik my toen afvaagde met mijn moeders zachte hand-schoentjes; zoetelijk doorrookt [Parfumez] met (maujoin [Hy verstaat Benjoin een stinkend kruid, duivels-drek] duivels drek: naderhand nam ik zalie, fenkel, dille, mariolein, roozen, blaaderen van noote boomen, beete, kool, wijngaard, winter roos, wollekruid, (dat als scharlaaken voor ’t aars-gat is) ook salaad en spinazieblaaden. deze alle dee’n my grooten deugd aan mijn billen; dog ’t bingel-kruid, barnneetel, perzik-kruid en waal-wortel bragten my de Lombardse bloedgang aan; daar van ik door ’t vaagen met mijn eigen gereedschap geneezen wierd.
[
p. 45]
    Na dien tijd vaagde ’k my voorzichtiger, met bedlaakens, spreyen, gardijnen, tapijten, tafellaakens, servetten, en neusdoeken: en dat dee my meerder vermaak, als een schurfde genieten mag, alsmen hem kraauwt. Maar (vraagde hem Grandgousier) welken naars-vaager bevond gy best? Was ik’er mee te werk, (antwoorde Gargantua) wel haast zouje weten (den tu autem) wat’er af was. Ik wischte my mee met hooy, strooy, hennip, wolle, papier, maar:

        Hy laat gemeenlijk een vuilbrokjen daar of hier.
        Die zijn bescheeten gat wil zuiv’ren met papier.


    Wel hoe? riep Grandgousier; mijn kleyn kullemantje,

                Hebt gy ’t rijmvat
                By ’t oor gehadt?


    Datje alree zoo op rijm kont klappen. Wel hertelijk mijn Heer, zey Gargantua daar op, ik rijm dat’et raast, en in ’t rijmen berijm ik meermaals my zelf. Hoor eens hoe ons kakhuys tot zijn bezoekers spreekt:

Kakkaart,Schijttaart,Vijstaart,Pis en stront,
Gy gaart,Die swaartt,Nu vaart,In me mond.
En schoot,Schijtsloot,Pis-goot,’k zweer zo gy
uitstoot,So groot,Een vloot,’t kost jou vry.

        Wilje wel doen moer of maat,
        Veegje gat niet eerje gaat.
        Soje d’ hand wel houwen rein,
        Maakje naars-wis niet te klein.


[p. 46]
    Begeerje meer van die stof, steek jou neus in de winkel Wel ja, sprak Grandgousier. Daar op voer Gargantua voort met dit
RONDEEL.
            Al kakkende kreeg ik de snuf in de neus,
        Van den daaglijkzen tol, die mijn fytjen uitgeeft,
        Aan ’t geelgieters buisje, daar asbeer afleeft;
        Ik meende ’t was muscus maar
’t stonkme t’ onheus.
            O dacht ik mogt my nu ontmoeten een mond:
        Die my scheets belachten, ik scheet hem terstond
                                                                        vol stront.


    Wat dunkje? zouje nu noch zeggen dat ik ’er niemendal afweet? maar by ’t kakhuizer klooster, ’k en heb het zelf niet gedicht: Ik heb ’t eens hooren verhalen van een voornaame vrou hier in ’t hof, en zoo heb ik ’t behouden in een holletje van mijn geheugenis.
    Laat ons (zey Grandgousier) tot ons voorige reden wederkeren.
    Waar van? (vraagde Gargantua) van de schijtery? Neen sprak Grandgousier: maar van ’t schijtgat schoon te maaken. ’t Is wel, (zey Gargantua weer) doch, wilje wel de borl van een last Bretanze wijn verwedden, dat ikje daar in als een stompert doe staan? Ia ik waarachtig, zeide Grandgousier.
    ’t Is (vervolgde Gargantua) immer niet nodig de naars te vaagen, ten zy dat’er vuiligheid aan is: daar zal geen vuiligheid aan zijn, zoo men se niet bescheeten heeft: zoo moetmen noodzaakelijk dan eerst schijten, eermen den naars wischt. o klein knaapje (riep Grandgousier uit) [
p. 47] wat steekt’er en groote kennis inje kop! Eerst daags zal ik u voor volleert doen verklaaren [Docter doen maken] in deze schoone weeten schap; want uw verstand overtreft uwe jaaren.
    Nu lustig. vaar voort, ik bidje, met deze naarwisschelijke reen voering: en, by mijn baard, in plaats van een last, zulje 62. pijpen hebben, ik meen van dees Bretonze wijn, die niet en wast in Bretaigne, maar in de lieffelijke landou van Verron. Vorder vaagde ’k my, (vervolgde Gargantua) met een Vrouwen hoofd-doek, met een oorkussen, met trijpe muilen, fluweele tesschen en beursen, ook eens met een ouwe mand; maar, och ongemaale mostaart, wat was dat ongemakkelijken naarswis! Evenwel verzachten ik ’t weer met een hairig hoedtie.
    En je moet weten, dat alle hoeden niet eeven zacht zijn; want zommige zijn van vilt, en kaal, zommige ruig en wollig, zommige met zatijn, andere met armozijn, andere met fluweel gevoeyert. De aardigste van alle zijn de ruige, door dienze dat gistige goedtje zeer schoon en sacht afstrijken.
    Daar na wischte ’k my mee wel met een hoen met een haan, met een kuiken, met een kalfs-vel met een haas, met een jonge duif, en ander gevoogelt, ook met een voor-spraaks [Advocat] briefzak, met een zon-kaproentje, met een Vrouwen hulzel, en kinder-leuyer.
    Doch tot besluit zeg ik, en zal staanden houwen, dat ’er geen ding dienstiger is, om den naars net en zacht te zuyveren, als een wel bepluimden gans: wel verstaande, als men hem [p. 48] de kop tusschen de klauwen vat: En geloofme vry by mijn manne-waarheid: Want gy gevoelt een ongemeene geneugd aan ’t aarsgat; zoo door de zachtheit van den dons, als door de gemaatigde warmte van den gans; die den aarsdarm, en andere deelen des ingewands, lichtelijk meegedeelt word, tot dat ze aan ’t hart en d’ herssenen geraakt.
    En denk niet dat de gelukzaligheid der helden en halve-Goden, die d’ Elizeesche velden bewoonen, bestaat in haar affodille, of ambroos of Nectar, zoo onze oude Bestevaars zeggen; maar na mijn gevoelen isze daar in geleegen datze haar gat met een gans mogen veegen: En dat is ook de meening van Meester Ian de Schotsman.



                XIV. HOOFT-DEEL.

    Gargantua word door een wijs-aart
        onderweezen in de Latijnze taal.

ALs den goeden Grandgousier deeze wijze reedenen gehoort had, wierd hy in verwondering verrukt, aanmerkende ’t hoog wijs oordeel en uitsteekend verstand van zijn zoon Gargantua. En zey tot zijn bestiersters; Philippus Koning van Macedonien wierd gewaar de kloekheid van zijn zoon Alexander door ’t behendig handelen van een paard: Want ’t zelve was zoo vervaarlijk en geweldig wild dat’er niemand ’t hart had daar op te stijgen, om dat ’tal zijn opsitters in ’tzand smeet; zo dat d’een den hals, d’ander de beenen, de derde den nek, [p. 49] de vierde den bek gebrooken, wierd. Waar op Alexander wat naauwer gemerk neemende, terwijl hy in de (Hippodrome, of) rij-baan, daar men de paarden in omrijd en africht, te kijken stond, gewaar wierd, dat de dulheid van dat dikkoppig paard [Bucephalus] niet en sproot, dan uit schrik van zijn eigen schaduw te zien. Dies hy daar op stijgende, het recht tegen de zon liet loopen, zoo dat de schaduw nu achterwaarts viel; en door dit middel maakte hy het paard mak en wel na zijn wil. Waar door de Vader vernam hoe hoog-verheevenen verstand in zijn zoon stak, en deed hem zeer wel onderwijzen door Aristoteles, die des tijds boven alle wijzen van Grieken in achting was.
    Maar ik zegg’u, dat ik door dit enkel gesprek, dat ik in uw by-zijn met mijn zoon Gargantua nu gehouden heb, bemerken kan, dat zijn vernuft ietwes van de godlijkheid heeft; zoo spits en scherp, diep-zinnig en zuiver zie ik het te zijn: En hy zal tot den oppertrap der wijsheid geraaken, indien hy wel onderweezen word. Derhalven wil ik hem overgeven aan enig wijs man die hem onderrichte in al wat hy bevatten kan, en kosten noch niet spaaren.
    Wel haast wierd hy geweezen en bestelt by een hoog geleerd Wijsaard genaamt
Thubal Holofernes, die hem zijn A. B. zo wel leerde, dat hy ’t van buiten en van achter opzeggen kon, en daar was hy maar vijf jaaren en drie maanden mee doende: vorder leerde hy den Donaat, Facet, Theodolet en Alanus in Parabolis [Over de gelijkenissen], en die vol leerde hy in dertien jaaren, ses maanden, en twee weeken.
[
p. 50]
    Maar je moet weten, dat hy hem in dien tijd ook het Gottische geschrift leerde schrijven, en dat hy al zijn boeken schreef: want de konst van drukken, was toen noch niet gevonden.
    Daar toe droeg hy doorgaans in zijn zak een groot schrijftuig, wegende over de zeven duysend quintalen [Een quintal is 100 pont gewigt]; daar van de pennekooker zo dik en lang was, als den grootsten pilaar tot Enay: en den inkthoorn hing’er aan met groove yzere keetenen van grootte als een stuk vat van de wijnkopers.
    Vervolgens las deze meester Thubal zijn kleine leerling voor (de modis significandis) van de manieren van beteekenen met d’ aanteekeningen van Hurtebise, van Pasquin, van Troppiseux, van Gualehaut van Iean le veau, van Billonio, van Brelinguandus en veel andere: daar mee hy meer dan achtien jaaren en elf maanden zich beezig hield: zo dat hyze wel van buiten kende, dat hy’er in ’t gros uit te antwoorden wist; en zijn moeder op zijn duimtje kon beduiden, dat de modis significandi geen weetenschap was.
    Daar na noch las hy hem lessen van de dichtkonst voor; waar mee hy wel sestien jaaren en twee maanden versleet. Maar zijn meester Thubal de kinder-pokskens krijgende, quam te overlijden, in ’t jaar duyzend vier honderd en twintig.
    Toen geraakt hy by een ander oud kugchelaar, genaamt meester Jobelin Bride, die hem leerde Hugutio, Elebard, het Grieks, het Doctrinal, het Supplementum, Marmottet (de moribus in mensa servandis) van de zeeden over tafel waar te neemen,
Seneca (de quatuor virtutibus cardinali- [p. 51] bus) van de vier Hooftdeugden. Passavantus (cum commento) met d’ uitlegging: Den (dormi secure) zorgeloozen slaaper, voor de feestdaagen. Met noch eenige andere van diergelijke stof. Door welkers onderwijs hy zoo geleerd wierd, als ’er oit daar naa door ons iemand is gemaakt.



                XV. HOOFT-DEEL.

    Hoe Gargantua by andere meesters be-
        stelt wierd.

NAdien nu zijn Vader bevond, dat hoe wel zijn zoon zich zeer wel oeffende, en daar toe al zijn tijd besteedde; hy evenwel niemendal en vorderde; ja, dat erger is, dat hy een droomer, zuffer en zottebol wierd; ging hy zich eens beklaagen by den Heer Don Philips de Marais, onder koning [Viceroy] van Papeligosse; dien het dienstiger dacht niemendal te leeren, dan door zulke meesters in zoodanige boeken onderweezen te worden; dewijl haar weetenschap niet dan een beestagtige bottigheid was, en al haar wijsheid niet anders als wisjes-wasjes die de goede en gaauwe geesten verdoofden en verduften, en alle lust en leevendheid der jeugd bedurven. En om u te tonen dat ’et zoo zy, (zeide hy) neem nu eens iemand der teegenwoordige jongelingen, die zich slechts twee jaaren geoeffent heeft; houd me noit voor ’t heerschap van Brene, by aldien hy niet braaver van verstand, rijker van ree- [p. 52] den, aardiger van ommegang en zeeden, als uw zoon is. Dit geviel Grandgousier zeer wel, en wilde datmen eens een jongeling liet koomen.
    ’s Avonds onder ’t avontmaal liet den Heer de Marais een zijner kleine staatjongens, uit de stad Gongis geboortig, binnen koomen, genaamt Eudemon; zoo schoon van gelaat, zoo wel opgevoed, zoo fraay afgericht, zoo braaf en beleefd in al zijn gebaar en bedrijf, dat’et eer Engeltie, als een mensch, scheen. Daar op Grandgousier aanziende, zeyde hy; ziet gy dit jongetje? Hy heeft noch naauw twaalf jaaren, laat ons, gelieft’et u, nu eens aanmerken: hoe grooten onderscheid daar zy tusschen de zuffende swetzers van den voorgaanden eeu en de jonge gezellen van den tegenwoordigen tijd.
    Grandgousier was wel te vreeden, datmen ’er eens een proef af zou zien: en verzocht, dat de voetjongen zijn voorstel zoud aanvangen. Daar op Eudemon verlof verzoekende van zijn meester, den Onder-Koning, met zijn hoedtjen in d’ hand, met een bly en bloozend gelaat, vrymoedig ’t gezicht op Gargantua gevest hebbende, begon, zeer zeediglijk en stil over eind staande, hem eerstelijk te looven en hoog te verheffen van wegen zijn deugd en deftige zeeden: ten tweeden over zijn weetenschap: ten derden over zijn eedeldom: ten vierden over zijn lichaamelijke schoonheit, en ten vijfden vermaande hy hem alle eere, ontzach en gedienstigheid te betoonen aan zijn Vader, die zich zoo veel geleegen liet zijn aan hem wel te doen onderwijzen: En eindelijk bad hy, hem [p. 53] te willen houden voor een van zijn geringste dienaars; alzoo hy voor dees tijd geen ander gaave van den Hemel begeerde, dan datze die gunst hem wilde bewijzen, van hem te moogen behaagen, door eenige aangenaame dienst.
    Dit alles bragt hy voort met zoo eygentlijke gebaaren, zoo onderscheydelijken uitspraak, zoo welspreekenden stem, zoo zierlijken taal en goed latijn, dat hy veel eer een Gracchus, een Cicero, of een Emilius van den voorigen tijd, als een jongeling van deezen eeuw, geleek.
    Maar al de abelheid en ’t goede gelaat, dat Gargantua bewees, was, dat hy aanving te huilen als een grooten hofhond, terwijl zijn hoed geheel over ’t voorhoofd haalde: en alzo min moogelijk was ’t een woord uit zijn mond, als een veest uit den naars van een dooden Ezel, te trekken.
    Daar door de Vader zich zoo vertoornde, dat hy meester Jobelin wilde dooden: maar den Heer de Marais verhinderde ’t zelve door schoone vertooningen die hy hem dee, zoo dat hy zijn toorn noch maatigde: en belaste hem ’t leergeld te tellen: en een staatigen rous, als een groot waanwijze, te doen drinken; waar meed hy dan voor duizend duivelen heen vaaren mogt. Ten minsten (zeid hy) zal ’t syn waard weinig kosten, indien hy zoo dronken, even als een Engelsman, misschien mogt komen te sterven.
    Als nu meester Jobelin wech gegaan was, raadslaagde Grandgousier met den onder-Koning, by welk meester hy zijn zoon best bestellen zou: en wierd by haar beslooten, dat niemand als Ponocrates, den leermeester van Eudemon, [p. 54] daar toe dienstiger zou zijn: en datze t’ zaamen na Parijs reyzen zouden, om te zien wat de oeffeningen van de Franze Jonkertjes voor dien tijd wesen mogt.



                XVI. HOOFT-DEEL.

    Gargantua word gezonden na Pa-
        rijs: wat gruwzaam groot beest
        hem droeg: dat alle koevliegen van
        Beausse versloeg.

[Een wonder dier zoo groot als zes Olyfanten.] Ter selver tijd zond Fayoles, Vierde Kooning Numidien, uit het land van Africa, aan Grandgousier het grootste, wanschikkelijkste, en wonderbaarlijkste beest, dat men immer gezien heeft: (gelijk men wel weet, dat Africa altijd iet nieuws voortbrengt) want het was zoo groot, als zes Olyfanten, en de voeten waaren aan vingeren verdeelt, gelijk het paard van Julius Caesar, de ooren neerhangende, gelijk de geiten in Languegoth, met een kleinen hoorn aan zijn gat: ’t had een ros-agtigen huid, als een Alezans paard, doormengt met grijze ronde flekken: maar boven al had het een zeer vreesselijken staart: wantse was min ofte meer dikker als ’t mortier van Sint Maarten tot Langres: en zoo in ’t vierkant met hoeken en haaken, even als de koorn airen.
    Indien gy u daar over verwondert, veel meer meugt gy u verwonderen over de staarten der rammen in Scythien; die over de dertig ponden swaar waaren: en van de hamelen in Syrien, [p. 55] diemen (zoo Tenaud slechts waar zeit) een kar achter ’t gat maaken moest, om de staart na te voeren, zoo lang en swaar wasse. Soo langen swijnspriet voerje niet gy jaagers in ’t wild, gy middelburgers, en bezoekers van de platte landen.
    Dit drommelze dier wierd over zee gevoert in drie karakken, en een jagtschip, tot in de haven van Olonne in ’t land van Talmond. Zoo haast Grandgousier ’t zelve zag, zeid’ hy; ziet hier het dienstigste ding des werelds, om mijn zoon na
Parijs te voeren. Nu wakker by get, ’t zal alles wel gaan; als de kerk wil gemaakt zijn, komt kalk en steen aandrijven. Hy zal wel een grooten Wijs-aart worden, mag hy maar een ander eeuw beleven.

        Waaren niet de Heeren Babokken en Beesten,
        Wy wierden wel alle gaauwaarts en Geesten.


    ’s Anderendaags ’s morgens, na wel gedronken te hebben, begaven zich Gargantua, zijn meester Ponocrates, en zijn gezellen op wech; meede neemende den jongen eedel-knaap Eudemon. En dewijl ’t schoon helder weer was, deede zijn Vader hem geele leersjes aandoen, die Babin broosjes noemt.
    Dus teegense vroolijk op haar verre reyze, over al waarse aanquaamen goed cier maakende, tot boven Orleans; alwaar een zeer wijd en breed bosch was, wel vijf en dertig mijlen in de lengte, en zeventien, of daar ontrent, in de breedte. Dit woud was geweldig vrugtbaar en overvloedig van koevliegen en wespen, zo dat het een recht roofnest tot nadeel der elen- [
p. 56] dige ossen, eessels en paarden verstrekte: maar het dier dat Gargantua droeg, nam eerlijke en heerlijke wraak over alle de verongelijking en aan de andere viervoetige dieren gedaan; en dat door een trek, daarze zich in ’t minst niet voor hoedden.
    Want, zoo haast zy ’t zelve woud waaren in gereeden, en dat de horsselen het dier den aanval leeverden, trok het zijn steert als uit de scheede, en schermde, slingerde en swaayde daar meede, rechtsom, slinks-om, herwaarts, derwaarts, om hoog, om laag, over al het heele bosch om omverr, gelijk een maayer de bloemen en graasen afmaayt. Zoo dat’er daar na noch woud noch wespen te vinden waren; en ’t geheele landschap in vlak veld verandert was.
    Wanneer nu Gargantua dit wonder-werk aanzag, nam hy een groote geneugte daar in, zonder zich anders daar over te roemen: en zey tot zijn gezellen; (Ie trouve beau ce) Dat dunktme zeer schoon; daar door is zeedert dat lant genaamt Beauce. Maar haar ganzen ontbijt wierd al gaapende gedaan.
    En ter gedachtenis van ’t zelve, zietmen noch tegenwoordig de Edellieden van Beauce ontbijten met geeuwen, rugchelen en spuwen om ’t zeerst; waar by ze haar zeer wel bevinden.
    Ten lesten belenddense binnen Parijs; alwaarse zig twe of drie dagen ververschten, al t’ zamen zeer lustig haar bedelaars hart ophaalende, en tot haar teenen toe verheugende. Dog vernaamen ondertusschen wat lieden van geleertheid zich des tijd in die stad onthielden? en wat wijn datm’er dronk?



[
p. 57]

                XVII. HOOFT-DEEL.

    Gargantua geeft zijn wellekomst
        aan die van Parijs: en neemt
        de groote klokken uit onzer Liefvrou-
        wen kerk.

EEnige dagen na datze zich verfrischt hadden, ging hy de stad bezien: en wierd van alle man met ongemeene verwondering bekeeken; [Sotheid der Parisianen.] want het volk van Parijs is zoo zot, zoo slecht, en zoo kinderachtig van natuir; dat een guigchelaar, een aflaat-kramer, een Quakzalver, een eezel met zijn schelletjes, een old blindeman met zijn lier, meer volks zal verzaamelen op een kruisstraat, als den besten preediker in de kerk. Ia, daar quam zulk een geloop en gedrang van volk om hem heen, dat hy genootzaakt wierd zich neder te zetten tusschen de toorens op onzer Liefvrouwen kerk. Alwaar hy zittende, en ziende rond om hem veel menschen zich dus hooren liet.
    Ik geloof, dat deeze aape-troonien, en tootebellen begeeren, dat ik haar hier den welkomst en goe wensch betaal. Sy hebben gelijk. Ik wil haar den wijn schenken: maar ’t zal niet dan om te lagchen wezen. [260418. mensen in de pis verdronken.] Daar mee maakten hy al grimlagchende zijn latze los, haalde zijn lullepijp voor den dag, en bepiste haar al t’zamen zoo geweldig, dat’er twee hondert en zestig duizend, vier hondert en achtien door verdronken, buyten de vrouwen en kleine kinderen.
[
p. 58]
    Zommige der zelver nochtans, die de snelste te been waren, ontliepen dezen pis-vloed, en alsse op ’t opperste der Hooge-school zaten, al sweetende, hoestende en hygende, hoordemense vloeken en sweeren, den eenen uit toorn, den ander al lagchende; dat hem nu den drommel haal die langen flegel, dien grooten schijtvalk: [Paris te vooren Leuctece geheeten.] Wy zijn, by Sinte Bullebak hier wel gewasschen (Par ris) met gelagch: en daar af wierd de stad geheeten Parijs, diemen te vooren Leutece noemde, zoo Strabo zeit in ’t 4.de boek. ’t Welk in ’t grieks zoo veel als blanke beduidt; om de blanke billen die de vrouw-lieden aldaar hebben.
    En nademaal alle omstanders de nieuwe naam geving beswooren by den heilig van haar kerk en karspel, zoo zijn de Parisianen, (die doch van allerleye volkeren, by stukken en brokken verzamelt zijn) van nature kloeke sweerders en wetgeleerden, en niet weinig laatdunkende. Daar door Joaninus de Barranco [Libro de copiositate reverentiarum] het daar voor houd, datze na de Griekze taal (Parrhesious, dat is) stoutspreekers genoemt moeten zijn.
    Dit dus gedaan zijnde, wierd Gargantua gewaar de groote klokken, die daar in de Toorens hingen, en deedze zeer zoetelijk luyden. Waar door hem in gedachten quam, datze seer dienstig zouden zijn tot schelletjes, om zijn ry-paard aan den hals te hangen, nadien hy ’t zijn Vader wilde weeder zenden, wel gelaaden met kaazen van Braye en verschen haaring: en zonder veel vertoef nam hyse mee naa zijn herberg.
    Ondertusschen quam hem een bevelhebber van S. Tonis gilde genaamt Jambonnier t’ ont- [p. 59] moeten, die sijn hammen-handel te drijven dagt: dese om zig van verr te doen hooren, en in den hall de schenken van schrik te doen neer-schieten, meend se met een abelheit onder de lap te slieren: dog om d’eerbaarheids halven liet hyse hem nog houden; niet, om datse hen te heet, maar om datse een weinig te gewigtig om te dragen waren. Was hy den burger van Bourg? maar neen, ’t is my te goeden vriend.
    De geheele stad geraakte hier over in rep en roer; alzoose zeer licht (gelijkmen weet) tot oproer bewoogen worden: waarom zich alle vreemde volkeren verwonderen over de langmoedigheid der Koningen van Vrankrijk, datze dezelve door strenge straffen niet naauwer in toom houden, ten aanzien van de onheylen, die daar dagelijks uit ontstaan.
    Ik wenschte wel eens te weeten, in wat winkel deze scheuringen en ’t zamenspanningen gesmeed wierden, omse aan de broederschap van onze kerk-karspel te klaarder voor oogen te stellen. Maarje meugt wel gelooven, dat’er eertijds een plaats Nesle genaamt was, waar de lieden met hoopen heimelijk en vermomd ’t zamen sloopen, daar toen de Godspraak [Orakel eertijts tot Parijs] van Lutece was, waar van men nu naauwlijks eenig geheug meer heeft. Daar wierd het ongeval van ’t ontvoeren der klokken voorgestelt.
    [Oproer om de verloren klokken.] Na datze daar over (pro & contra) voorentegen wel dapper gehaapert en gehaspelt hadden, wierd eindelijk (in Baralipton) besloten, datmen den oudsten en wijsten van de gantze vergadering aan Gargantua zenden zou, om hem te vertoonen de groote ongelegentheid diemen had door ’t verlies deezer klokken. En hoewel ettelijke der [
p. 60] Schoolgeleerden voorgaven, dat dit Gezandschap beter paste eenen Reedenaar [Orateur], als een Redenkavelaar [Sophiste]; wierd evenwel tot deze verrichting verkooren meester Janotus de Bragmardo.



                XVIII. HOOFT-DEEL.

    Hoe Meester Janotus van Bragmardo
        werd afgevaardigt, om van Gar-
        gantua de groote klokken weder te
        vorderen.

ALs zig meester Janot op zijn grootscheeps, of heerschaps, had doen scheeren, sijn ouwerwetze koekeloere-lapsak aangedaan; en zijn maag met gebak en gebraad wel gevoedert en gevult; zijn hartje gelaaft, en versterkt met het beste wy-waater uit de kelder; stelde hy zich in staat om zijn gezandschap te vervorderen. [Wonderlijke toestel van gezant.] Die puystige pedellen met haar roode snavels voegd’ hy voor uit: vijf of zes Meesters aller kunsten onkundig, wel beslabd en beslentert, beklad en beklontert, om de minste kosten, tot zijn staatelijk gevolg: en dus na ’t huis van Gargantua toe.
    Terwijlze ter deuren in traaden, ontmoetde haar Ponocrates, die een grilling en schrik op zijn lijf kreeg, toen hyze zoo bijster toegetaakelt en vermomd zag: want hy dacht dat ’et wel eenige uitzinnigen mogten zijn, die uit het dolhuys gebrooken waaren. Evenwel wat bedaarende, ging aan een van de leerweerdige onwijze meesters der bende bevragen, wat ze met [p. 61] deze mommerije mogten meenen? Waar op hem wierd geantwoord: datze quaamen verzoeken, datmen haar de klokken weder geven wilde.
    Zoo haast Ponocrates dit gehoort had, liep hy flux naa binnen, om Gargantua deze tijding te brengen; op dat hy terstond tot het antwoord gereed en afgericht mogt zijn: en overdachte op staande voet wat wijders in de zake dienstig was.
    Gargantua hier-af verwittigt wezende, wenkte zijn meester Ponocrates, Philotimus zijn Hofmeester, Gymnastes zijn Schild-knaap, en Eudemon, met hem ter zijden af te treeden: en overwoog in haast met haar, watmen in de zaak, zoo te doen als te antwoorden had. Aller gevoelens vielen daar heen, dat men deze deftige mannen in den kroeg- of kroes-kamer en zuip-zaal zou doen leyden: en laatense daar eens lustig en rustig om drinken.
    En, op dat dezen ouden kugchelaar zig dien ydelen roem niet mogt aanmaatigen, dat de klokken op zijn zober verzoek waren wedergegeven, zoumen (terwijl hy zich vol en zad zoop) de Schout van de stad, d’opper-meesters van de Hooge-school [Rector Magnificus], en den Priester van ’t karspel aldaar doen haalen; en aan den zelve, eer den gaauwen Gezant eens zijn last geoopent, of voorstel gedaan had, de klokken van zelf weder overleeveren: en daar na, in ’t by weezen der zelver, zijn treffelijke reenvoering aanhooren.
    ’t Welk dan alzo geschiedde: d’ontboodene perzoonen gekoomen, en de klokken haar weder ter hand gestelt zijnde, wierd den afge- [p. 62] zondenen Wijs-aard voor de volle vergaderinge in de zale geleydt, daar hy dus al hoestende aanhief.



                XIX. HOOFT-DEEL.

    Hoedanig Meester Janotus de Brag-
        mardo zijn reede voor Gargantua
        dee, om de klokken weder te bekoo-
        men.

Ehem, Ehom, gen dag min he - Heer, gen da-ag gy me min he-Heeren. Het zal niet me-heer als goehoed zijn, dat gehy ohons ohonse klohokken weder geeft; wahant wyze zeheer van nohooden hebben. Hem, cha, chasch, stuf! Wy hebben’er wel eeheer goed geheld voor geweheygert, dat de Lohondenaars ons dahaar voor aanbooden: gehelijk ook die van Bourdehoos in ’t land vahan Brehye, dieze ons afwilden koopen om haar substantiale qualiteit van de elementare complexie, die geintronificeert is inde terrestriteit van haar quidditative natuir, waar doorse alle onweeren en werwelwinden uit onze wijngaarden weeren en extraniseeren konnen, in der waarheit niet onze alleen, maar alle hier ontrent. [Wondere kragt der klokken te Parijs.] Want komen wy den klokklepel te verliezen, zoo word ook wijsheid en wet verlooren. Doch geeft gyze ons weder op mijn verzoek, zal ik zes bondels worsten gewonnen hebben, met een paar braave koussen, die mijn beenen groot goed zullen doen, zoose my slechs woord hou- [p. 63] den. Iaa by get mijn Heer, een paar koussen is my zoo min niet Vir sapiens non abhorrebit eam (een wijs man zal’er niet vervaart voor wezen). Ho, Ho, Al wie wil zal geen paar koussen krijgen. Wat my aangaat, ik weet het wel. Wat dunkt u, min Heer, ’t is maar achtien dagen dat ik mijn hooft en herssenen schier te bersten gepeinst heb, om deze zo schoone aanspraak t’ zaamen te timmeren en metzelen. (Reddito que sunt Caesaris Caesari: & quae sunt Dei Deo) (Geef dan weder aan den Keyzer, dat den Keyzer toekomt, en aan God, dat Gode toebehoort. (Ibi jacet lepus) daar leidt den bruy, ’t liedtjen is uit. [Uit goede wijn quaad latijn.] Maar nu min Heer (by ganze bloed) wilje t’ avond mijn gast weezen, (zoo haalme de duiven) in mijn (camera charitatis) vrienden-vertrek, (Nos facient bonus cherubin) wy zult goed cier maak: (Ego occidit unus porco) ik heeft een verk geslaag: (Et ego habet bonus vino) en ik hebben goet wijn: Maar door den besten wijn, spreektmen wel slimst duyts of latijn. Nu ’t sa, lustig dan bidd’ ik wat ik bidden kan (date nobis clochas nostras) geef ons onze klokken weer. Siet daar hebje van wegen de Broederschap (unum sermones de utino) een reeden van verzoek, datje ons doch (nos cloches) onze klokken geeft. (Voltis etiam pardones, per diem vos habebitis & nihil pro pajabitis) Begeerjeze ook te geef, be get, je zeltse hebben, en niets daar voor betaalen.
    O monster (Domine, clochidonnaminor nobis, dea est bonum urbis) Ey guiten Heer, beklokschenk ons doch, ’t is immer Stads-goed. Ian alle man heeft ’er dienst van; Ofze aan jou beest wel voegen, zy konnen ons Schoolhouders beeter [
p. 64] vernoegen: (Que comparata est jumentis insupientibus? & similis facta est us Psalmo nescio quo) wat gelijkheid is’er tusschen botte beesten, en vol wijnze menschen? en d’ een is d’aar gelijk geworden, den zoo meenigsten, ik weet niet. Ik had het op mijn briefjen evenwel aangeteekent: (et est unum bonum, Achilles) en dat is even goed, Achillis was mee een armen strijder. Ehem, chasch charasch, ik bewijsje immer al datje se me weer moet geven. [Wonderlijke sluit reeden.] (Ego sic argumentor; omnis clocha clochabilis in clocherio clochando clochans clochativo, clochare facit clochabiliter clochantes. Parisius habet clochas. Ergo gluc. ha, ha, ha) Een ider klok is klokbaar, in ’t klok-huis door ’t klok kleppen, klokkende voor den klokkaart, doet klokkelijk klokken den klokkenden; De Parisiaan heeft klokken; So moet dan volgen, Geluk toe. Hey, dat is braaf gebabbelt. Het is uit de derde van d’ eerste van Darii, of elders. By men zieter! ’k heb den tijd gezien, dat ik drommels van sluitreedens maakte: maar nu is’t met my niet meer als reedenkallen. En naa deezen en dient me niet anders als goeden wijn, een goed bed, de rug aan ’t vier, de buik aan tafel, een diepe wel gevulde schotel. Och Heertje, och helpme, ik houwje als een heylichje, en bidje om Allerheiligens wil, datje die goede wille willen wilt, datmen ons de klokken zonder jokken, en slokken, weder doe op-dokken; en de heer behoedje voor alle quaad, en onze Liefvrouw voor gezondheid: maar houwjese zoo haalenje duizent Francoisen, en ’t vuur van St. Teunis vaar in je knapzak, (Ehem chas chascheras) kak-zak zou ik zeggen.
    (Unum enim vero quandoquidem dubio procul, [
p. 65] Edepol quoniam ita certe meus Deus fidus) [Reeden zonder Reeden.] Maar, want eenen nademaal zonder twijffel, nadien alzoo zeeker elemalementen by get, Een stad zonder klokken is als een blindeman zonder stok, als een hond zonder staart, als een zot zonder bellen, en een koe zonder schellen: Daarom zullen wy, zoo lang gyze ons niet weder overlevert, niet nalaten u na te loopen en krijtten, datwe ons beschijtten; als een blindeman die zijn stok mist; tjanken als een hond die zijn steert afgehouwen is; en u altijd op den hals hangen als een nar diemen zijn bellen benoomen heeft. Een (quidam) slechten bloed-beuling (Latinisateur) van een Latijn-rabbelaar, woonende by’t Gasthuis, zeyde eenmaal; dat hy hertelik wenschte, dat alle klokken van pluimen, en de klepels van vossen-staarten waren; om datze, als hy in ’t heevigste van zijn hooftbreeken en rijmdichten was, hem de herssenen heel omthutzelden, en al den huisraad daar in over-hoop haalden, daar door hy dikwijls (husteron proteron) romps-slomps, luk-raak, boter in d’ as, speelen moest. Waar toe hy noch by te brengen wist de geloofwaardigheid van eenen Tapponnus (hou! hola! ’t mist me) ik meen Pontanus, een bekend Dichter dezes tijds. Maar (nec petitin, petetac, ticque, torche, lorgne) of hy schold of bad, hy kreeg die bout in ’t gat; hy wierd opentlijk voor een ketter verklaart. Wy weeten van hutzelen noch futzelen; wy dichten en doen onse dingen, en kakken onze keuteltjes zo net, ofse uit een wasje gedraayt zijn. En daar mede besluit den (Deposant) getuige zijn verklaaring. (Valete et plaudite) Spring op, en klap met je beije handen op je bloote billen. (Cale pinus [p. 66] recensui) Een Calis is pijn, geen Rijkaart te zijn.



                XX. HOOFT-DEEL.

    Meester Janot wort zijn beloofde ver-
        eering door
Gargantua voldaan: en
        eyscht die voor ’t gericht noch
        eens.

DEn wynigen Wijsaart had zoo haast zijn voorstel niet uit gerogchelt en gerabbelt of Ponocrates en Eudemon begonnen zoo hertelijk te lagchen, en schrikkelijk te schaateren, datze dachten bersten en den asem te verliezen [Crassus lagt hem dood.]: even gelijkmen leest dat Crasus dee, toen hy een groot gepeesden Eezel zag distelen knauwen: en gelijk Philemon, wanneer hy vernam dat den Eezel de vijgen op-vrat, die hem tot het middagmaal toebereid waaren; dewelke zo lang en louter lagchte, tot dat hy den Geest gaf.
    [Janot belagt hem zelf.] Zelf meester Janotus moest mee van gelijken lagchen; dat het leek om strijd te gaan, wie best kond; tot haar de traanen ten oogen uit vloogen, en de kaaken langs liepen, door te geweldigen beweeging van ’t weezen der herssenen; waar uit dit traanen-vogt geperst, en gezigt zeenuwen langs geloopen was. Zoo datze aldaar een vertooning-spel scheenen te speelen; van den Lagcher Democritus met Heraclitus schreyende: en den Schreyer Heraclitus met Democritus lagchende.
[p. 67]
    Dit luyd en leelijk gelach ten lesten bezaadigt zijnde, zocht Gargantua met zijn gezellen te overleggen, wat’er vorder te doen stond. Daar in was Ponocrates van gevoelen, datmen dien spraakelijken spreeker weder doen drinken, en den huit voort vol gieten zou: en, nademaal hy haar zoo heerlijken tijdkorting gegeven, en meer dan den drolligsten droomer doen lagchen, had; [Groot loon voor zotte praat.] datmen hem mede liet toekomen de tien bondels worsten, waar van in zijn zoete reedeneering gewag was gemaakt: met noch een paar koussen; drie hondert voeder groot hout, vijf en twintig vaaten wijn, een drie dobbeld bed met ganse veeren gevult, en een grooten hollen schootel, daar wakker wat in mogt; vermits hy gezeyd had, de zelven voor zijn ouderdom noodzakelijk te zijn.
    Alles wierd volbragt, gelijkmen by ’t overleg beslooten had; behalven dat van de koussen; door dien Gargantua twijffelde, of men op dien tijd wel koussen na zijn beenen bekoomen kon: ook, welk maakzel voor een man van zijn staat, gevoeglijkst zou zijn; of op sijn Martingaals, met een flijpflap voor ’t gat, om gemakkelijker te kakken: of op zijn Zeemans hoog by de naars op, om de nieren bet te verwarmen: of op zijn Switzers; om den Swants te dichter toe te dekken: of op de wijze van een stokvis steert, uit vrees van de nieren te zeer te verhitten. Daarom deed hy hem langen zeven ellen ongeverft laaken tot de voeiijering. Het hout wierd hem door de kruyers t’ huis gebragt: de aller konsten onkundige konstmeesters droegen de schootels en zauzijsen. Meester Janot wilde zelf zijn laaken draagen. [p. 68] Een der meesters, genaamt, Iousse Bandouille, vertoonde hem, dat zulks noch eerlijk noch betaamelijk voor zijn aanzienelijke staat was. En dat hy ’t derhalven aan een van haar te dragen geven zou. [Sluit-reeden.] Ha, ha! plompen Eezels-kop, (zey meester Janot) gy maakt geen goede sluitreeden; (in modo & figura) ’t is de lap bezijen ’t gat gezet. Siet daar eens, waar toe deze onderstellingen, en reeden-futzelingen dienstig zijn: (Panus pro quo supponit!) waar voor onderstelt zich ’t laken? daar op Bandouille antwoorde; (confuse & distributive) om by den heelen hoop heen gegeven, of by lappen omgedeelt, te worden. Ik en vraag u niet, botten bloet, (zey Ianotus weer;) (Quomodo supponit;) op wat wijze het zich onderstelt: maar (pro quo) voor wien? dat is, dommen duyvel, te zeggen, (pro tibiis meis) voor mijn braave beenen: en daarom zal ik’et dragen, (Egomet, sicut suppositum portat appositum) Ik zelf, gelijk de huid het hair draagt: En dus sloop hy’er heimelijk met heenen, als een hoenderdief.
    Maar ’t schoonste van ’t spel was ’t noch, wanneer dien ouwen kouwen kugchelaar in volle vergaadering, by de Maturijns gehouden, met een vermeetel gesnork en gesnaater, noch eens zijn toegezeide koussen, en zauzijsen eisschen quam: wantse wierden hem wel rondelijk en duidelijk ontseyt en afgeslaagen, om dies wil dat hy dezelve van Gargantua reede genooten had, als bleek by onderzoek en kundschap dien aangaande genoomen. Waar tegen hy haar weder te houden gaf, dat zulks (gratis) uit goeder gunst, en als een vrywillige gift, gedaan was; waar door zy in ’t duisendste niet van haar [
p. 69] geloften gelost en ontslaagen waren. Dies niet tegenstaande wierd hem geantwoord; dat hy in reedelijkheid zich wel vernoegt en te vreeden houden mogt, en moest; dewijl hem doch geen ander aalmis of beedelbrok gegeven zou worden.
    [Redelijkheit gebannen.] Daar op ontstak Ianotus in heevigen toorn en riep; wat rept men hier van reedelijkheit? die is immer hier, en in alle Hoven, alle lange gebannen, en van geen gebruik geweest. Eerloose verraaders, en deugnieten met malkander, de aarde draagt geen Godloozer Schelmen als gy zijt: Ik weet dat’et waar is: den verminkten behoeftmen geen hinken te leeren. Ik zelve heb mee die schelm-stukken gehandhaaft: Ik sweerje dat ik den Koning gaan klagen zal over d’ ongehoorde onbillijkheden die alhier verzonnen, en zelf door uw handen uit gevoert worden: en wilme laaten lubben, indien hy u niet levendig laat branden, als schenders, boggers, boeven, verraaders, ketters, roer-vinken, en vianden van God en alle goed.
    [Geding noit afgedaan.] Soo schrikkelijke scheld-woorden lagen d’ aanweezende Heeren wel hartelijk in kennisse: en betuigden tegen hem van ’t gruwzaamste en onlijdelijkste ongelijk: daar afse een aanteikening en getuigenis in geschrift deden stelllen: Hy daar tegen deed haar daadelijk voor ’t opperregt daagen: zoo dat’er een dapper geding, en ruwe rechts-vordering uit volgde; die te hove aanhangig ingegeven, en tot noch gebleven is.
    [Bijsteren eed.] De misdaane Meesters deeden een dieren eed, datze den naars noch ’t hooft havenen wilden, eerse de zaak ten uittersten bepleit, en [p. 70] tot endelijk en rechtvaardig vonnis bevordert hadden: Meester Janot met zijn aanhangers niet min, verswoer zich voor drommel en droes, zijn neus noit te snuyten of vaagen, eer hy ’t eind van zijn zaak en wraak verkreegen zou hebben.
    Om deze versweeringe zijn de dingers ten weerzijden, tot op deezen huydigen dag, zeer morzig en slorzig, besnot en bescheeten gebleven: want het Hoff en heeft noch niet alle prullen van brieven en bullen by een gegaadert of door-geblaadert; zoo dat het vonnis niet gevelt zal konnen worden voor den naasten (calendas Grimcas) Sint Naemersdag dag, ontrent als ’t licht mis is.
    [Rechters doen pleiten eeuwig duiren.] Want het al de wereld te wel bekent is, hoe zeer zy zich zoeken boven natuir te verheffen, en tegen eygen geweeten en wetten te handelen: want de leerstukken, dieze tot Parijs voor de leerlingen leezen, luyden; dat God alleen oneyndige en eeuwig duirende dingen doen voortkoomen kan: dat de Natuur niet dan sterffelijke en verderffelijke dingen aan den dag brengt: wantse alles doet enden en ommewenden, watse eenmaal begin gegeven heeft; toonende dat (omnia orta cadunt) al wat oit op komt stijgen, weer moet ter neder-zygen.
    [Zijn happige honden.] Maar deze happige honden, (k’ meen) heeren van Anhold en Cleef, weetende, dat op onklaar water goed visschen is, rekken de rechtzaken, die onder hun handen geraaken, zoo lang, dat die altijd aanhangig, noit ofhangig, of afgangig, maar meer en meer toegangig, en ’t elkens als van nieuws aanfangig, en alzoo tegen den loop der natuure eindeloos en eeu- [
p. 71] wig maaken. Waar doorse doen gelden, en bevestigen het zeggen van Chilon den Lacedemonier tot Delphos als heilig gehouden.

            Die een rechtzaak drijft ten ende,
            Lijd een eindeloose ellende.


    Want meermaal zietmen veel eer ’t einde van haar, of haarer Rechteren leeven, als ’t verzogte rechtveerdig vonnis van haar twistzaake.



                XXI. HOOFT-DEEL.

    Hoe Gargantua zich droeg in zijn
        leer-oeffening, na ’t onderwijs van
        zijn Meesters de Reeden-konste-
        naars.

DE eerste daagen dus verloopen, en de klokken op haar plaatze weder gehangen zijnde, zoo zijn de burgers van Parijs, tot erkentenis der beleeftheid van Gargantua, hem koomen aanbieden, zijn ry-beest van voeder te verzorgen, zoo lang het hem gelieven zoude. ’t Welk Gargantua, in dank aannam. Derhalven zy ’t heen schikken te weyden in ’t wilde woud van Bievre, ’t welk ik vertrouwe dat nu al t’ eenenemaal afgeweyd, en niet meer te vinden zal zijn.
    Dus van zijn dier, en zorg der zelver ontslaagen, nam Gargantua vastelijk voor, met alle magt zijn zinnen en verstand voortaan in ’t [p. 72] werk te stellen, tot de boek-oeffening na ’t onderwijs en de wille van Ponocrates. Die hem voor eerst toeliet te leeven na zijn gewoone wijze; op dat hy daar uit verneemen mogt, door wat middel zijn voorgaande Meesters hem zoo zot-achtig, plomp en onbeschoft gemaakt hadden.
    [Morgen oeffening.] Hy nam dan zijn tijd zoo wel waar, dat hy doorgaans tusschen acht en negen uuren ’s morgens al ontwaakte ’t was dan dag of geen: want zoo was hem van zijn voorige Leer-meesters geleert en belast; volgens ’t geene den kloeken Kooning David dien aangaande gezeid heeft; (Vanum est vobis ante lucem surgere) ’t is te vergeefs, dat gy vroeg opstaat. Daar na lodderde, woelde en wentelde hy een wijl in ’t bed, om zijn levendig-maakende geesten te meer te verfrissen en vervroolijken: dan kleedde hy hem voort na den tijd des jaars; maar meest droeg hy een groote lange py-laakens rok, met vosse vellen gevoeyert. Vorder kemde hy zijn hooft haaren met eenen heerlijken Boheemzen kam, van vier vingeren en een duim; nademaal zijne oude meesters hadden gezeid; dat zich anders kemmen, te wasschen en te wissche slechts tijt te quisten, en quaalijk te besteeden was.
    Daar na kakte hy, piste hy, gorgelde hy, rispte hy, veest hy, geeuwde hy, rogchelde hy, hoeste hy, hikte hy, niesde hy, snoterde en quijlde hy als een hooft-Diaken, en ontnuchterde zich, uit zorg voor zijn gezondheit om te weeren een dauwige en dampige lucht, met puik van pens-rollen in de pan gefruit, kalver en schaapen scholder geroost, of op ko- [p. 73] len herbraaden, heerlijke hespen, hammen of schenken, daar toe dan zoete zoopjes, en warme zopjes van den eersten zood.
    Ponocrates waarschouwde hem evenwel, dat hy zo dadelijk, als hy eerst uit het bed gekropen was, met eeten en drinken zijn lijf niet overladen moest, eer hy eenige oeffening hadde gehadt.
    [Morgen oeffening.] Daar tegens hem Gargantua weder als verwondert te gemoet voerde; wel hoe! En heb ik niet wel wakker geoeffent, toen ik zes of zevenmaal wentelde en tuymelde over en weder dwers door het bed, eer ik noch eens opstond? En is dat noch niet genoeg? De Paus Alexander dee desgelijks door den raad van zijn Ioodze Genees-meester, en hy leefde tot aan zijn dood, in spijt van de geene, diese geerne verhaast hadden.
    [Raad tot een goede geheugenis.] Mijn eerste meesters hebben my ’t zelve alzo gewoon doen worden; want zy zeyden; dat wel te ontbijtten, en ’s morgens een goed, dicht, vast lijf te leggen, een goede geheugenis maakte: en daarom dronkense my zelve voor. Ik bevind’er my mee zeer wel by: en ik doe dan mijn middag-maal niet dan des te beter.
    [Voordeel in ’t loopen.] Meester Tubal (die d’ eerste of opperste van zijn gansche Gilde binnen Parys was) zeyde my meermaal, dat het voordeel van ’t loopen niet daar alleen in bestond, datmen snel en luchtig liep; maar datmen tijdig en wel te pas van ’t perk zich af te geven wist. Alzoo dient ook dat niet alleen tot de gansche gezondheid van ons menschelijk ligchaam, dat men slokjen na slokjen gelijk de honden, of den eenen teug op den ander in swelgen gaat; maar veel meer [
p. 74] datmen dat ’s morgens heel vroeg doe. Volgens dit versje.

                Lever matin n’est point bon heur:
                Boire matin est le meilleur.


                Vroeg op te staan, is niet geraan:
                Maar drink vroeg wijn, ’t zal beter zijn.

    [Swaar gebeedboek] Na wel en bet ontbeeten te hebben, ging Gargantua na de kerk: en men droeg achter hem in een grooten mand een breed gebeedboek, met een grooven, dikken, vetten omslag, en ongemeen swaar beslag, zoo dat’et aan parkement, hout, haaken, ringen en andere dingen wel woog, elf hondert en zes ponden, meer of min. Daar hoorde hy dan zes en twintig, of dertig missen; ondertusschen komt zijn uyr-prevelaar ter plaatze met zijn koor-kleed, kazuiffel en kap, daar hy uitkijkt, als een muis uit een meelpot, of een uil uit de schoorsteen; met zijn borst zoo bebalzemt, bewijnzyroopt en gezalft, dat met zijn azem en heilige wijnlucht en waasem, de gansche vergaadering bewijt en bewierookt wierd: met den welken, hy alle Ave Marijtjes Litanijtjes, en Leurerijtjes, met Kyrioleysjes zoo naukeurig en netjes neurijde, en mommelde, dat’er niet een Sylleveetje of lettertje verlooren ging.
    Op ’t uitgaan van de kerk, quam men hem op een langen wijn-wagen, van ossen getrokken, na voeren een heelen hoogen stapel Pater nosters van Sinter Claas, daar af yder kraal zoo groot was, als de bol van een hoed: En ter- [
p. 75] wijl hy ging wandelen door de kloosters, gaalderijen en tuinen, preutelde hy meer als sestien kluisenaars, of barrevoeters.
    [Scholiers neerstigheit.] Daar na begaf hy zich een verdrietig en droevig half uirtje tot boek-zuffen en zich te oeffenen, met d’ oogen vast op de letteren gevest: Maar (gelijk de Blijspel-dichter zeijt) met sijn hert en zinnen in de keuken.
    Van dese swaarigheit dan zich zoo haast als mogelijk ontslagen hebbende, gaat hy een heelen diepen put vol pissen, en zich voort aan tafel voegen. En nadien hy van naturen zeer vogtig en fluijmig was, zoo ving hy sijn maaltijd aan met een hoop hammen, gerookte osse tongen, en aars-billen, worsten, en andere voor-loopers vanden wijn.
    Onderwijl waaren vier van sijn gesin geduirig doende met hem d’een na d’ander heele schottels vol mostaart in den hals te schieten; daar op dronk hy een vervaarlijken toog witten wijn, om hem de nieren te zalven. Voorts at hy na den tijd, spijs die hem monde en smaakte, en hield niet eer op van vreeten, eer hem den buik rond stond.
    [Maat van drinken.] In ’t drinken wist hy van eind, maat, noch regel: want hy zeyde, dat de maat en ’t perk van drinken zich zoo verre uitstrekte, tot dat het kurk, of de zoolen van des drinkers schoenen of muilen, zich tot een halfvoet verhieven en verhoogden.



[
p. 76]

                XXII. HOOFT-DEEL.

    Van allerleije spulletjes die Gargantua
        speelde met zijn gezellen.

Als nu de maaltijd, of veel eer ’t vreeten en zuipen gedaan, en ’t lijf op de leest gezet was babbelde en rabbelde hy so wat heen, een stukjen of steeltjen van een dankzegging: wiesch de handen met een helder wijntje, stookte sijn tanden met een verkens voet, of beeren klaauw: en hield met sijn hofgezin een koddig en kortswijlig praatje. Ondertusschen de tafel opgenomen, en met een groene spreij bedekt: quammen met meenigte van boeken van de vier koningen (anders kaarten) met speel- of tik-tak-berden, en overvloed van dobbel-steenen voorden dag. Daar gingt ’t dan dapper aan ’t speelen, elk na sijn zinlijkheyt, d’ eene dit d’ander dat spel, als,

        Van den vloed,
        Van de voorsten, of derde zoeken,
        Van de vlugt, of sakjagen.
        Van ’t pand-rooven.
        Van ’t troeven,
        Van ’t piketten,
        Van ten honderden uit.
        Van der Haagen.
        Van ’t rampen.
        Van ’t schuiren,
        Van ’t pas-dijsen,

[
p. 77]
        Van ten een en dertigen uit,
        Van twee en twee,
        Van ten driehonderden uit.
        Van de verloorene,
        Van de verweesene,
        Van de vermorste kaart,
        Van d’ onvernoegde,
        Van ’t Landsknegten.
        Van de Koekoek.
        Van diese heeft, spreek,
        Van op en af,
        Van pijke, delje,
        Van schoon Bely,
        Van kikkermik,
        Van ik denk,
        Van doe dit, doe dat,
        Van ka, ka, volgme na,
        Van de dwerl loop of wild jagen
        Van ’t Osje,
        Van die wint, verliest,
        Van wiege wage,
        Van draije wy,
        Van Amerol,
        Van hijp hap,
        Van wie vint, die wint,
        Van dammen,
        Van schaaken,
        Van Reintje de vos,
        Van moertje, moertje,
        Van ’t Koeytje.
        Van blanke bestemoer.
        Van Jan springt hoger als Trijn,
        Van drie Teerlingen,
        Van Tafeltje rond-om,

[p. 78]
        Van knik, knak knelis,
        Van ’t bikkelen,
        Van houd op en houd an,
        Van Tik-takken,
        Van ’t Ganse berd,
        Van Uille berd,
        Van wie wil ’t robje vangen,
        Van ’t Vrouwtje,
        Van ’t spookertje,
        Van ik eerst, ik andert,
        Van met steekers te werpen,
        Van de sleuteltjes,
        Van goe-man,
        Van eeven of on-eeven,
        Van kruis of munt,
        Van ’t Martertje,
        Van vogeltje vet,
        Van kloot schieten,
        Van ’t Schoenlappertje,
        Van den Uyl.
        Van d’ hond na ’t haasje,
        Van Lanterluyen,
        Van Verkentje gaat voor,
        Van ’t Aaxtertje,
        Van den toet-hoorn,
        Van Adieu,
        Van de nieuwe Neepjes,
        Van Ulenspiegel in de byenkorf,
        Van ’t Paardje te beslaan.
        Van ’t schrobbelen,
        Van waar zal die man staan?
        Van Hand-slag,
        Van stomme beevaard,
        Van in ’t touwtje te springen,
        Van ’t speetje te wenden,

[p. 79]
        Van over de steen te trekken,
        Van den sak te dragen,
        Van ’t rammelaartje,
        Van eeven uit, even in.
        Van val, vijgje, val.
        Van Heerom danst in ’t hemd.
        Van, wie zal ik gooije?
        Van ’t vosje villen,
        Van versche ton,
        Van haver verkopen,
        Van doove koolen op Blasen,
        Van vraag en antwoord,
        Van, leeft het manneken, of ist dood.
        Van d’ yzers uit den oven,
        Van den Boosen boerman,
        Van ’t afbossen,
        Van den gebulten hoveling,
        Van den gevonden heilig,
        Van de Mey te planten,
        Van pimpampet.
        Van t hoepelen,
        Van ’t pinken,
        Van de Quinkert,
        Van de rol,
        Van hol of bol,
        Van ’t Duinkerkertje,
        Van Spinloo,
        Van Balslaan,
        Van kaatsen,
        Van kolven.
        Van ’t kooten,
        Van knikkeren,
        Van ’t keegelen,
        Van ’t palet,
        Van ’t rinket,

[p. 80]
        Van ’t schrik setten,
        Van ’t tol setten,
        Van den tol te slaan,
        Van schoppen,
        Van schijven,
        Van trokken,
        Van klossen,
        Van negen kuyl,
        Van kritsen,
        Van Heeven,
        Van ik zat en ik zat,
        Van straatjen over,
        Van de derden zoeken,
        Van ’t molenaartje,
        Van den windbol,
        Van blindpot,
        Van paardje sta vast,
        Van steentje veerder,
        Van neus in aars,
        Van Frankvoort een huysje bet voort,
        Van kap-monik,
        Van ik visch ik visch,
        Van Suiker-oompje,
        Van, moet ik inje landje treden?
        Van ’t begraasen,
        Van beuijtelen,
        Van springen,
        Van rij-schenkelen
        Van ’t hinkelen
        Van man, man ik ben opje blokhuys,
        Van schuile-wink,
        Van molle molle mol,
        Van soute-moute,
        Van ’t zooltje,
        Van alle ambachten,

[p. 81]
        Van toffeltje geit,
        Van strootje trekken,
        Van tuimel in de peeperzak.
        Van ’t knippen.


    Naa wel gespeelt, gesprongen, getrantelt en den tijd vertureluirt te hebben, dien den’er wel een dronkjen op; dat was elf kan voor de man, en daar mee gingmen banketeeren; dat is te zeggen op een bequaam bankje of zacht beddetje sijn leuije leedtjes neer te leggen, om een uijltje te vangen, of een middag-slaapje te neemen, en een uur twee drie zonder spreeken te leggen, om den goeden man te speelen, die geen quaat hoorde of zag. Wanneermen nu weder ontwaakt was, heeft hy d’ooren als een waterhond een wijl geschudt dat se klapten: onderwijl wierd’ er wijn gebragt, waarme het drinken doller dan oit van den frissen aanging. Doch Ponocrates hield Gargantua voor, dat zoo daadlijk op ’t slaapen te zuipen, zeer slecht voor de gezontheid gezorgt was. Waar op Gargantua hem antwoorde; dit is evenwel het waare leven onser voor-vaderen behalven, dat ik doorgaans wel gezouten ga slaapen; en de slaap zelf maakt mee zoo wel dorst als een zouten schenk.
    Daar na hield hy zich wat wijsselijk; als wilde hy een wijl sijn leer oeffening hervatten en vervolgen, nam sijn gebede kraaltjes by der hand; en om ’t zelve met meer gemak te doen, zette hy zich op een oud muil-esel, dat wel negen koningen gedient had: daar op mommelende met de mond, roeijende en rin- [p. 82] kelende met het hooft, meende hy noch een konijntjen in sijn netjen te krijgen.
    Op ’t wederkeeren trad hy terstond na de keuken, om te kijken wat lekkers van gebraad daar aan ’t spit stak.
    Over ’t avondmaal wil ikje wel verzeekeren, dat hy wakker van wangen speelde, en dat hy sijn arbeids-beenen, die hy gemeenlijk inde mond droog, niet weinig te werk stelde, maar zoo rapjes dee reppen, met knauwen en knabbelen, als of de drommel sijn kaaken voor klepper-beenen gebruikte: hy haalde ook sijn gebuirtjes, maar meest sijn drinke-breurtjes, zeer geerne te gast; waar mee hy dan rousemousde, en poijde en pluisde, op oud en op nieuw, datmen reekening en reeden ten eind raakte.
    Onder anderen had hy tot sijn gemeenzaamste tafel-vrienden den Heeren van Narburg, van Slokstad, van Gieter-in, van Soupinjy, van Nieuw-magen, van Zeld-zad, van Panlek, van vastennoo, en andere helden van hongerijen, alle Ridders van de ronde tafel. [Hou’te handboeckjes.] Na den avond-maal haaldemen de heerlijke houten handboekjes, met rondeletjes (geen lettertjes) voorden dag: elk liet het vlietje vloeijen van een, twee, drie: Of om alte mets wat verandering te hebben, gingmen in d’ uile-vlugt, om avond-luchtjen of kluchtjen heen slenneren, daar de mooijste meisjes en zuiverlijkste zusjes in t’ zaamen komst van zoet gezelschap, met eenige versnaapering, en smaakelijke snoeperijtjes haar hertjes op haalden. Daar na met lossen loop, met koussen en schoen, hol over bol na bed, en daadelijk gesluimert, ge- [p. 83] slaapen, en ridderlijk geronkt tot ’s anderen daags ’s morgens ten acht of tien uur.



                XXIII. HOOFT-DEEL.

    Hoe Gargantua door Ponocrates in
        zoodanigen leer onderweesen wierd,
        dat hy niet een uur in den dag liet
        verlooren gaan.

Ponocrates de ondeugende maniere van leven van Gargantua wel aangemerkt hebbende, nam voor, hem heel ander onderwijs in de weetenschappen te doen. Doch hy verdroeg hem in ’t eerst noch eenige dagen; bedenkende, dat de natuur geen haastige veranderingen toelaat, zonder groot geweld. Om dan te gewisser sijn werk aan te vangen, verzocht hy een verstandig genees-meester van dien tijd, genaamt meester Theodotus, dat hy, zoo veel mogelijk, een vaardig middel wilde uit vinden, waar door Gargantua tot een beter wegh en leevens-wijse gebragt mogt worden. [Geneesing van een quade gewoonte en aard.] Deese deed hem zoetelijk en zachtelijk op sijn vageviers, met nieskruid van Antycira zuiveren: en door dit genees-middel nam hy alle beroering en verkeerde gesteltheid der herssenen t’ eenemaal wech: Soo dat ook Ponocratus hem daar door dee vergeeten al ’t geene hy onder sijn oude meesters mogt aangenomen hebben: Even als den Sangmeester [p. 84] Thimoteus aan sijne leerlingen dee, die door andere Sangers te vooren onderwesen waren; en om ’t zelve met meer gemak te weeg te brengen, geleyde hy hem in ’t geselschap van geleerde lieden, die daar des-tijts waaren; om welke na te mogen volgen, den lusten en verlangen tot andere oeffening, om mee soo aanzienlijk te zijn, allenskens in hem aenwies.
    Dus deed hy hem met’er tijd dese wijse van oeffening soo gewoon worden, dat hy niet een eenig uurtje van den geheelen dag tot andere beesigheid missen mogt; maar al sijn tijd in ’t leesen en leeren van eerlijcke konsten besteedde. Ontrent ten vier uur ’s morgens wierd hy al wakker: en terwijl men hem kemde, veegde en reynigde, wierd hem eenig Hoofd-stuck uit de Heylige Schrift, met een heldere en verheeven stem, en statigen uytspraak, voor geleesen: want daar toe was besonderlijk aangeset een jongen Eedelknaap, geboortich van Basche, genaamt Anagnostes. Door d’ inhoud en ’t onderricht deser leesinge wierd hy dickwils bewoogen den goeden God groote eerbiedigheyd te bewijsen, hem te dienen, bidden en smeeken; wiens heerlickheyd en wondere wijsheyd door dat leesen aangeweesen wierd. En of hy mee ’s morgens na ’t gemack moest gaan, om daar zijn behoef te doen; zoo herhaalde hem daar dan sijn Meester ’t geene hem te voor geleesen was: en leyde hem de diepste en donkerste stukken der zelver uit: In ’t wederkeeren beschouwdense de gedaante des luchts, ofze zoodanig al was, als sy ’s avonts te vooren bemerkt en vermoedt hadden: en in wat teyken de Son en de Maan dien dag haar loop deeden.
[p. 85]
    Dit gedaan, en voorts gekleedt, gekemt, gekrult, geciert, en met reukwerk verzien, liet men de lessens des voorigen daags hem een tijd lang voorleesen, en zelve van buyten opzeggen: en daar uit trok hy eenig besluyt over bedachte doch gebeurlijcke zaaken, ten dienste van den Menschelijken stand; ’t welk dikwijls duurde tot twee of drie uuren: maar gemeenlijk liet hy af, soo haast hy geheellijk opgetoit en toegetakelt was. Dan hoorde hy eerst eygentlijk de lessen of voorleesing sijns Leermeesters, tot drie geheele uuren toe.
    Daar na gingen sy t’zamen uit, altoos verhandelende den inhoud der geleesen lessen, en wandelden over den weg, of groene weyden: ook kolfden, kaatsen, of wierpense met den bal; haar ligchaamen en leeden lustelijk oeffenende, gelijkse haar geesten te vooren gedaan hadden. Al haar spel was niet dan uit een vrije lust: want sy lieten af als ’t haar zelve beliefde; en dat was doorgaans, wanneerse over hun geheele lijf besweet, of anders vermoeyt waaren. Dan quam ’t zeer wel ’t sweet af te droogen, te wrijven, en d’ hemden te verwisselen; en voorts zeer zoetjes en zachjes te huiswaart te wandelen, en te zien of ’t middagmaal gereed was.
    Terwijlmen daar na wachte, wierden eenige spreuken, uit de lessen onthouden, helder en heusselijck uitgesprooken. Onder des quam mijn heer den honger, of happetijt, mee aan; dies schickte sich yder wel te pas ter tafel: met d’ aanvang der maaltijd, dee men eenige schoone geschiedenissen van der ouder helden dapperheeden verhaalen, tot dat’er wat wijns genooten [
p. 86] was: [Tafelreeden.] waer na men noch (indien ’t haar goed docht) het zelve verhaal al leesende vervolgde: of aanving eenig aardig gesprek met malkander te voeren; en voor eerst van de deugd, of kragt, aard, eygenschap en werking van al wat haar aan tafel toegedient en gedist was; te weeten, Brood, Wijn, Water, Zout, Spijsen, Visschen, Vruchten, Wortels, Kruiden, en der selver toebereyding. Waar door hy in weinich tijds wist all de dienstige plaatsen in Plinius, Athenaeus, Dioscorides, Julius, Pollux, Galenus, Porphyrius, Opianus, Polybius, Heliodorus, Aristoteles, Elianus, en andere: door diense om te beeter verzeekert te zijn, dikwils die boeken by haar aan taafel deeden brengen. En alle die dingen wist hy zoo wel in sijn geheugenis te behouden, dat’er des tijds geen een Genees-heer was, die half zoo veel in sijn hooft had.
    Ten lesten wierden de lessen, des morgens geleesen, weder te berde gebragt: en daar mee de maaltijd eyndende, door eenig zuiker-werk van Quee-appelen, stooktense haar tanden met een Mastijkstruykjen, wiesschen hun handen en oogen met schoon versch water; en deeden Gode dankzeggingen door eenige schoone gezangen, tot lof van de goddelijcke goeddadigheid en genaade, gemaakt.
    Dus met aandacht gezongen zijnde, wierden wel kaarten voorgebragt; doch geenzins om te speelen, maar om daar mee te leeren, duizend kleene konstjes, en nieuwe vonden, alle na de reekenkonst bedacht: hier uit rees sijn geneegentheyd tot de tel-kund: en alle dagen, na noen- en avond-eeten, dienden ’t voor al zoo geneugelijken tijdkorting, als oit de dobbelstee- [p. 87] nen en speelkaarten gedaan hadden. [Tunstal konstbeschrijver met de kaart.] Met’er haast had hy de weet en greep daar af zoo wel wech, dat Tunstal den Engelsman, die daar over wijdluchtig geschreven heeft, opentlijk bekende, dat, in vergelijking van hem, hy er waarlijk alzoo weynich af verstond, als van der hoogduitzer Pofhanzen taal. En niet alleen daar af, maar ook van andere wiskonstige weetenschappen; als de Landmeetery, Sterre-kund, en Zang-konst: want terwijlse tot te beeter verduwing der spijse een wijle waakten en wachten, wierden duisenderley geestige gereedschappen, en konst-trekken en teykeningen uitgevonden: neffens de sterrekundige reegelen. Vorder verheugdense haar met vier en vijf stemmen na de konst zoetelijck te zingen, of met eenig speeltuig daar onder tot verzoeting van ’t keel geluid.
    Hy leerde selve ook konstelijck speelen op de Luyt, de Clavecimbel, de Harp, den Duitzen Dwars-pijp, op de Fleuit met negen gaten, de Fiool, en den Sakpijp. Deese uure aldus met vermaak over gebragt, en de verduwing gedaan zijnde, zuiverde hy zich van den natuurlijcken afgang. Daar na begaf hy zich by sijn Boeken tot sijn voornaamste oeffening den tijd van drie uiren en daar over; soo om de morgenles te her-leesen, als sijn aangevangen boek te vervolgen, ook om de trekken der oude en Romeinse letteren te leeren. Dan gingense ten huisen uit mede neemende een jong eedelling van Touraine, den Schild-knecht Gijmnastes genaamt, die hem in de konst van paardberijden onderwees.
    Derhalven van kleederen verwisselende, zet- [p. 88] te hy zich op een ren-paard, op een hard-draver, op een pas-ganger, op een spring-hengst, en snellaart: dee de zelve hoog steigeren, springen over haagen en grachten, draven, en drayen in ’t rond rechts en slincks. [Rechte Ridderlijken roem en oeffening.] Doch liep niet met de lans om die te breeken: want het is de meeste malligheyt van de wereld, te swetsen, in dat steek-spel, of die veldslag, heb ik tien spietsen aan spaanderen gebrooken; een timmerman kan ’t mee wel doen: maar den rechten roem is, met eenen lans, tien van sijn vyanden verbrooken, of onder voet geholpen te hebben. Derhalven hy een groene, dikke, stijve, sterke spiets uit kiesende, liep hy een deur daar mee open, doorboorde een harnas, velde een boom, door reeg een ring, lichte een zadel af met harnas en hand-schoenen; en dat van den hoofde tot de voeten gewaapent zijnde.
    Wilde hy eenige aardige swieren, swenken, swayen en drayen te paarde maaken, niemand zoud ’t hem zoo licht verbeetert hebben: den Overvlieger van Ferrare zou by hem maar een aap hebben geleeken. Bezonder was hy afgericht in spoedig te springen van ’t een paard op ’t ander, zonder aarde te roeren: en zulke paarden pleegmen sprinkhaanen te heeten. Hy hield dikwijls in yder hand een spiets, en steeg zoo zonder stegelreep en teugel te paard, stierde en wendde het waar heen hy wilde. Want die dingen dienen tot Oorlogs onderwijs.
    Op andere tijden handelde hy ook den heir-hamer en strijd-bijl, dien hy zoo wel wist te swayen, met alle vingeren zoo vast te bevatten, en zoo heftig daar mee in ’t honderd te houwen en needer hakken, dat hy den dap- [
p. 89] persten Ridder ter waapen in ’t veld verre voor by was in alle meesterlijke proefstukken.
    Zomtijds drilde hy met een langen piek, trok en swaayde een lang-swaard of houwer met beide handen, maayde met den breeden houw-deegen, met het Spaanze rapier en pook, of met de moord-priem, bloot of gekleed, met den mantel om den arm, of ook gewaapent, met beschut van een lange of ronde schild.
    [Konsten in ’t springen.] Hy teeg mee wel ter jagt, en vervolgde een Hert, een wilde Geyt, een Beer, een Das, een Wild-swijn, een Haas, een Patrijs, een Faisant, en ander Gediert. Ook speeld’ hy met den grooten wind-bol, en deed hem gonzen in de lucht, zoo wel met de voet als met de vuist: Of worstelde, rende, sprong, niet na alle drie treeden een, niet schry-lings, niet na den Duitzen dans: Want zulke sprongen (zeide Gymnastes) waaren onnut, en deeden geen dienst in den Oorlog: maar met een loop wierp hy zich over een graft, vloog hy over een hek, of haag, klauwterde hy ses treeden by een steile muyr op, en bevatte zoo een venster van een spiets hoog.
    [In ’t swemmen.] Dan ging hy eens baden in diepe waateren, en swom op den buik, op de rug, op de zy, met ’t geheele lijf, met de voeten alleen, met d’ eene hand om hoog, daar in hy een boek hield, dat hy door den wijden water-stroom vande Seyne, zonder ’t zelve nat te maaken, over bragt. Eens vatte hy sijn mantel met de tanden, gelijk wel eer Julius Caesar dee, en met een hand viel hy geweldlijker wijse in een schip, wierp zich van daar weder af in ’t water, dompelde met het hooft om laag, peilde [p. 90] de diepte, hoolde de rotzen, plompte in de afgronden en kolken.
    Daarna trok hy ’t zelve schip na zich, stierde, schoof, en stuwde het voort, snel, langzaam, op een streek tegen stroom, weerhield het in sijn volle vaart, met d’een hand hield hy ’t roer, d’ander hand schermde met een grooten roey-riem, klom ’t wand op in de mars, liep op de raas, halfde de top zeillen om, keek na ’t compas, en vertuyde de helmstok.
    [Konst in ’t klimmen.] Uit het water weder op komende, steeg hy steil tegen de klippen en bergen op, en rolde ook rookeloos weder van boven neer, krabbelde by de boomen op als een kat, huppelde van d’een tak op d’ander als een eek hoorentjen: Hy brak dikke takken af, als een ander Milo. Met twee verstaalde nagels en priemen klaverde hy tot den top van een huis gelijk een rat; zeeg van boven weer beneen, met zulk een schikking zijner leeden, dat hy in ’t neersakken zich geenzins bezeerde.
    [In ’t werpen schieten.] Hy wierp ook met den schicht, de yserstaaf, den steen, den werp-spies, den swijnspriet, den Hellebaard, spande den boog, zette de stijfste voet-boogen in de rust, mikte met het zinkroer op een oog, of op een hair, stelde en loste ’t geschut: schoot in een perk, naa den Papegay, van beneen naa boven, van boven naa beneen, van vooren, van ter zijden, van achteren als de Parthers.
    Men hechte hem een touw aan den top van een hoogen Tooren dat heel op d’aarde hing: daar by palmde hy zich met twee handen op, en stapte soo stijf en stout van boven weder [p. 91] af, als iemand over vlak veld zou kunnen doen. Men leide hem een langen dwars-stok over twee boomen, daar aan hing hy zich met beide handen, en met de zelve wandelde hy zoo haastig gins en weer, zonder aarde of iets te roeren, datmen met een harden ren hem niet achterhaalt zou hebben.
    En, om sijn borst en long te oeffenen, schreeuwde hy als duisent Duivels te gelijck. Eenmaal heb ik hem Eudemon hooren roepen van St. Victors poort af, tot Montmartre. Stentor had geenzins zoo sterken stem in de beleegeringe van Trojen.
    Om sijne zeenuwen te werk te stellen, hadmen hem twee groote kogels of klooten van lood gemaakt, elk wegende acht duisend en zeven honderd quintalen [Een quintal is 100 pond]; die hy sijne quaalen noemde: dese vatte hy op van d’aarde, in elken hand een, en hiefse om hoog tot boven sijn hooft, en hieldse zoo zonder zich te beweegen wel drie vierendeelen van een uur of meer aan een; ’t welk een onnaavolgelijke sterkte was.
    Tegen d’allersterkste stond hy schrap met den hand-boom: en als ’t op een aan doen quam, hield hy hem zoo vast op sijn voeten, dat hy den wakkersten waag-hals tarten durfde, dat hy hem van sijn plaats niet bewegen of doen waggelen zou, gelijk wel-eer den Crotischen Milo dee; om den zelve vorder naa te volgen, vatte hy in sijn vuist een grooten granaatappel, en schonk hem aan den geene diese hem te ontwringen wist.
    Als de tijd dus door gebragt, hy gewischt, gevaagt en van kleeding ververscht was, keerde [p. 92] hy met gemak wederom: en wandelende langs graasige weiden en bebloemde beemden, beschouwdense de boomen, kruiden en planten, en vergeleeken de zelve met ’t gene daar af beschreven was in de boeken der Ouden; als Theophrastus, Dioscorides, Marinus, Plinius, Nicander, Macer en Galenus: en naamen dan daar af eenige handen vol na huis, diese een Jongen dienst-knaap Rhisotomus genaamt te dragen gaven, nevens hamers, schuppen, bijlen, beitels, zaag, snoey-mes en ander gereedschap, daar toe dienstig.
    t’ Huis gekomen zijnde, wierden zommige reedenen uit ’t geene van te vooren geleezen was, weder opgehaalt, terwijlmen ’t avondmaal vaardig maakte, daar op men dan aan-zitten ging. Hier dient aangemerkt, dat sijn noenmaal zober en zuinig was, wanneer hy niet meer naa zich nam als noodig was om ’t gebas der maage te stillen: maar het avondmaal was ruim-schooteld en overvloedig: want dan nuttigde hy zoo veel, als hy tot sijn voedzel en onderhoud behoefde. Het welke de rechte regel [Diéte] en wijze van leven is, naa de waare en wisse genees-konst, tot behoudenis der gezontheid, voorgeschreven; hoewel een deel botte beesten en babokken van Genees-meesters, in der Bet-weeteren [Sophistes] winkels een weinig geruigschaaft, het teegendeel raaden.
    Geduirende de maaltijd voer men voort met de lesse des middags te vooren aangevangen, zoo lang men ’t goed vond; d’overige tijd wierd niettemin besteed in allerley geleerde en leerzaame reedenen. Na gedane dankzegging begavense zich gelijkelijk, om een lieflijk [
p. 93] zang-konstig [Musical] stukjen te zingen, met een-stemmig en zoet-klinkend snaar-en fleuit-spel daar onder: of tot die geringe tijd-kortingen, diemen met kaarten, teerlingen, en roemertjes verrichten kan. Waar meese zich dan beezig hielden en verheugden, tot dat’et tijd van te bedde gaan was. Hoewelse ook zomtijds wel zommiger geleerder lieden gezelschappen bezochten; of andere, die veel in vreemde landen bezien en bezocht hadden.
    Meenigmaal te middernacht, voor datmen zich ter rust vertrok, gingmen naa d’openste en opperste plaats van ’t huis de gedaante des Hemels en Sterren beschouwen: en waarnemen, of zich eenig vreemde of staart-ster vertoonde; en hoe zich de teikening [Figures], plaatzing [Situation], neven stand [Aspect], tegenstel [Opposition], en t’zaamloop [Conjonction] der gesternten liet aanzien.
    Dan noch maakte zijn meester, met hem, naa de manier der Naavolgers van Pythagoras, een vervang in ’t kort [Recapitulation] van alles wat hy geduurende dien ganschen dag, geleesen, geleert, gezien, gezeid, gedaan en verstaan had. Daar op deedense voort haar gebed, beleeden haar geloof voor God den Schepper, Hem verheerlijkende over sijn oneindige goedheid; en dankende voor alle weldaaden in al den voorleeden tijd aan haar beweesen, gavense haar over voor ’t toekoomende in sijne goddelijke goedertierentheid en gingen alzoo te rust.



[
p. 94]

                XXIV. HOOFT-DEEL.

    Hoe Gargantua sijn tijd toebragt, als
        ’t reegenachtig weer was.

SOo ’t gebeurde, dat de lucht dijsich dampig, regenachtig, windig en onweerig was, besteede hy den vollen voormiddag volgens sijn gewoonte; behalven dat hy een braaf vuur boeten en branden dee, om d’ongemaatigtheid en ’t gebrek des lugts te verbeeteren. Maar na ’t middagmaal, in plaats van die wandelinge en veld-spelen, hieldense haar in huis: en op sijn Huismans vermaaktense haar met hooy hoopen, hout klooven en zaagen, en de schooven inde schuur te dorsschen: Of oeffenden zich in de konst van beelden te schilderen of snyden: Of bragten weder in ’t gebruik het verouderde tafelspel, gelijk Leonicus ’t zelve beschreven heeft, en zoo ’t onsen vriend Lascaris speelt. Onder ’t spel haaldense op alle spreuken der Oude Schrijvers, by welken daar af word gewag gemaakt: of bragten by eenige leen-spreuk [Metaphore] over ’t zelve spel;
    Ook liepense wel by gelegentheid kijken naa de Metaal-werkers, Geschut-gieters, Steen-slijpers, Goud-smeeden, Beeld-snijders, Smelt-konstenaars [Alchimiste], Munt-slagers, Klanderaars, Linnewevers, Fluweel-werkers, Uyrwerk-maakers, Boek-drukkers, Orgel-speelers, en andere diergelijke Werk-baasen, om haar wijse van werken te weeten, nau lettende op de [p. 95] gauwigheid en geestigheid der werkers, en over al goed drink-geld gevende.
    Meermalen gingense de openbare lessens hooren, of enige staatelijke reedeneering, herleesingen, afroepingen, geding-taalen van verstandige voor-spraaken, of de Leer-reden van wijse Priesters en Preekheeren.
    Of ook besochtense de Scherm-schoolen: beproefden zelf tegen de Meesters het handelen van allerley hand-geweer, en deede daar in oogenschijnlijk blijkken, datze zoo veel, jaa meer, van de konst-wisten, als sy. In stee van boom-beschouwing [Arboriser], door wandeldense de winkels der Drogisten, Kruideniers, en d Artzeny-mengers [Apothecars]; wel aanmerkende yder vrugt, wortel, blad, gom, zaad; uitheemze smouten, en hoese vervalscht worden.
    Tot verlusting zagense zomtijds na de Klucht-speelers, Koorde-dansers en Quakzalvers, en hoorden haar quinkslagen, quakjes en koddige praatjes uitslaen; bezonderlijk die van Chaunijs en Picardie, die doch van nature kluchtige Snaaken, en zeer snaater-snel om allerleij deuntjes en drolletjes van misselijke-moers-kousjes te berd te brengen.
    Weder gekeert om t’avondmaalen, aatense veel zoberder als andere dagen, ook drooger en dorder kost; op dat de overvloedige vochtigheid des luchts, die zich door onmijdelijke nabyheid, met het ligchaam vereenigde, door dat middel gemaatigt mogt worden, en het missen van d’oeffening, diese anderzins gewoon waaren, haar geen ongemak of ongezondheid veroorzaaken zou.
    Dus dan wierd Gargantua onderweesen en [
p. 96] bestiert, en daar in van dag tot dag volhardende, vorderde hy zoo veel, als eenig jongeling, van sijn jaaren met zulken kennis en oeffening, zou konnen. Welke gestaadige oeffening, schoonse in den eersten aanvang zeer swaar scheen, in ’t vervolg zoo zoet, licht, en lustig wierd, datse meer een Konings tijd-korting, als een Schooliers leering leek.
    Nochtans bedacht Ponocrates, om hem van zoo heevige inspanninge der geesten wat af te houden, een maal in de maand op een schoonen helderen dag, ’s morgens vroeg uit te gaan na eenig ander Stad of Dorp, als Gentillij, Bologne, Montrouge, de brug van Charanton, Vanseu, of Sint Clou. Alwaarse dan den ganschen dag door-bragten met het meeste vermaak datse mogten bedenken, met beuselen, boerten, zuipen, speelen, zingen, danssen, rollen en zollen in een graasige wey, met musjes en andere vogeltjes te vernestelen, met quakkeltjes te vangen, krabben en vorsschen te visschen.
    Maar hoewel die dag door-ging buiten boek en lessen, nochtans verliepse niet zonder nut: want in dese vermaakelijke beemd bezindense eenige fraaije verssen van de Land-bouw uit de gedichten van Virgilius, Rusticus, of Politianus: Schreven eenige aardige by-schriften uit in ’t Latijn, diese dan met rondeelen en klinkerts in ’t Frans vertaalden.
    Terwijlse wakker om-dronken, wistense noch ’t waater van den laffen waaterigen wijn af te trekken, gelijk Cato [Cato de re rustic.] en Plinius leeren, met een kroesje van klimboomhout: jaa den [p. 97] wijn in een volle bekken met waater te wasschen, en daar naa door een tapje den wijn weder af te zonderen, en het waater van ’t een glas in ’t ander te doen afloopen: en meer zulke ook zelf verzierde kleine kuirtjes richtdense aan.



                XXV. HOOFT-DEEL.

    Hoe een heevige twist ontstond tusschen
        de
Koekbakkers van Lerne en de
        Lantsluiden van Gargantua; waar
        uit geweldige Oorlogen gereezen
        zijn.

TEn tijde van de Wijn-Oogst in ’t begin van den Herfst, waaren de Herders alom in ’t Land om de wijngaarden te bewaaren, en de spreeuwen te weeren, datse de druiven niet schonden of verslonden; Om welke tijd de Koek-bakkers van Lerne langs den grooten kruis-weg toogen, en tien of twaalf lasten koeken naa de Stad voerden. De Herders verzochten beleefdelijk, datse haar eenige daar af voor goed geld na marktgang, geliefden te langen (want gy moet weeten dat het daar een lekker kostjen is, versse koekjes met Wijn-druiven ’s morgens ten ontbijt, bezonder de zuirachtige, de Bicaan en Muscadel, die los-lijvig maaken de geene dien de stoelgang verstopt is; soo dat het ’er uitspat als een speuit: Waar doorse dikwijls, meenende maar [p. 98] te vijsten, een heelen stront-stroom laaten loopen. Daaromse de meeners vande Wijngaarden genoemt worden.) Den Koekverkoopers was dit verzoek gansch ongeleegen: en, dat nog erger is, sy scholdense te schendig voor schurken, vorsschebekken, gekskappen, rotsakken, bed-schijters, platters, lompeloeren, lanterfanten, lekker tanden, ruidige reekels, deugnieten, broodrotten, slap-lenden, land-loopers, boon-vreeters, dag-dieven, luisbosschen, schijtebroeken, schand-brokken, galgvogels, truggelaars, keutel-kramers, beerenhuters en zulke schand-namen meer; daar by doende dat het geen spek voor haar bek was, dat die lekkere koekjes geen kalis kost waaren, ’t zou haar wel wat minder doen, sy mogten grof brood, Geite-boonen en Koe-flaaden in ’t gat slaan. Op welke smaad-reden een der Herders geheeten Forgier, een goed eerlik Man, en halven Hondebaas, zoetelijk zeide; zeedert wanneer hebt gy hoorens gekreegen, dat gy zoo stoot-ziek zijt? Wel hoe! gy pleegt ons wel gaarne te geven. en nu weigert gy ze ons? Dat is voor gebuiren niet wel gedaan, zoo doen wy niet met u, als gy hier komt om onse schoone graanen te koopen, daar gy u koekjes en bolletjes van bakt; wy zouden u op de koop noch wel wat van onse druiven toe gegeven hebben: maar, by gans billen-bloem, ’t mogt u wel haast berouwen, d’een of d’ander tijd zult gy met ons wel te doen krijgen, dan kunnen wy u van gelijken bejegenen, en denk dan dat ik u gewaarschouwt heb.
    Daar tegen sprak eenen Marquet, een grooten fleegel onder ’t gezelschap der Koekbak- [p. 99] kers; zeeker gy zijt dese morgen wel scheets, gister-avond, gis ik, hebje te veel geersen-bry gevreeten, kom, kom mijn zoetezul, ik zal u van mijn koekjes geven. Forgier daar op zonder achterdocht toetreedende, trekt te beurs, meenende dat Marquet eenige koekjes voor hem krijgen zou: Maar hy slingerde hem met sijn sweep zoo onzacht om de beenen, dat de streepen daar in stonden: en daar mee dacht hy zich met de vlugt te bevrijen: Doch Forgier schreeuwde moord over moord, wat hy krijtten kon: en onder des wierp hy hem een dikken knuppel, die hy onder den arm droeg, Marquet naa sijn kop, en trof hem op de kroon-naad van de harssen-pan [Jointure coronale], by des hoofd’-slaaps-slag ader [L’artere crotaphicq] aande rechte zy, zoo geweldig dat hy van sijn guil ter aarden tuimelde, en meer dood dan levende geleek.
    De Hoeveniers, die daar ontrent de nooten oegsten, wierden dit gewoel wel haast gewaar en liepen van alle kanten toe met haar lange stokken, en sloegen zoo schriklijk op dese Koek-kramers in ’t hondert, als ofse rog-dorschten. d’Andere Boeren en Boerinnen ’t gehuil van Forgier gehoort hebbende, quamen mee toeschieten met haare slingers en knuppels, en vervolgden haar met zoo grooten meenigte van steenen te werpen, als of het gehaagelt had.
    Endelijk haar achterhaalt hebbende, namense van haar honig-koekjes ontrent vier of vijf dozijn; nochtans betaaldense die naa de gewoone waarde. Toen hielpen de Koek-bakkers Market, die geweldig gewond was, weder te paard: en wenden wederom na Lerne; niet [p. 100] willende haar voorige wech vervolgen. Doch dreigden, en swoeren by kruis en by kras, datse ’t die Koeije-hoeders, Herders en Hoeveniers van Seville en Sinais zouden vergelden, en door ’t gat drijven.
    Doch de Hoeders en Hoederinnen hier weinig op passende of denkende, maakten goed zier, en smulden haare koekjes, met zoete druifjes daar toe, van lieverla lekkertjes op: en onder ’t geluid van den lieflijken schalmey songen en sprongen, speelden en spottense met die vermeetele, en hoogsnorkende Koekkraamers, die zoo harden weersteuit gevonden, en quaaden ontmoeting gehad hadden, door verzuim misschien, van ’s morgens een goed gebedeken gesprooken, en met den rechten hand gekruist en getekent te hebben: De beenen van den geslagenen Forgier smeerden en streekense zoetelijk met zap van de grootste druiven, zoo dat hy met ’er haast geheelt en geholpen was.



                XXVI. HOOFT-DEEL.

    De Inwooners en Land-lieden van
        Lerne koomen, op bevel van haaren
        Koning
Picrochole, de Herders van
        Gargantua zeer onvoorziens besprin-
        gen.

DE Koek-kraamers, wedergekeert tot Lerne, liepen daadelijk, eerse iets aaten of dronken, naa ’t Hof, en voorts voor hun [p. 101] Koning, geheeten Picrochole, de derde van dien naam, aan wiense haar beklag deeden; hem toonende haare manden gebrooken, haare hoeden gehakkelt, haar kleederen gescheurd, haare koek-pakken opgebrooken: en bezonderlijk Market zoo geweldig gewond; daar by zeggende, dat zulks geschied was door de Harders en Hoeveniers van Grandgousier, by den grooten kruis-weg aan geen zy van Seville.
    De Koning, nauwlijks ’t geduld gehad hebbende hen klagte te hooren, ontstak in zoo ontzinnigen gramschap, dat hy zonder iets vorder te ondervragen van hoe of wat, haastelijk het geheele land door ter waapen dee roepen alle sijne, zoo laatste, als eerste noodhulpbenden [Ban & arriere Ban]; Soo dat elk eedel en oneedel, zich op lijf straf, wel gewaapent op de groote plaats voor ’t Kasteel, tegen middag vervoegen moest.
    Om d’uitvoering van sijn aanslag met meerder enst en yver te doen vorderen, deed hy Trommelen en Trompetten de gansche Stad door dommelen en grommelen met tara-tan-tara daar onder, dat alles in rep en roer raakte. Hy zelve, terwijlmen hem ’t middagmaal gereed maakte, liet al sijn geschut op de rampaarden leggen, sijne vaandelen en wimpelen ontwinden, meenigte van oorlogs gereedschap en voorraad, soo van waapenen om den arm, als leeftocht voor den darm: Onder ’t middagmaal maakte hy Hooftlieden, en krijgs Oversten: en alzoo wierd den Heer Trepelu gestelt over de voortocht [Avont guarde]; onder hem hebbende sestien duisend en veertien Roerschutters, dertig duisend en elf Waag-halsen. [
p. 102]
   Over ’t geschut [Artillerie] wierd gestelt den grooten Schild-voerder Touquedillon: onder welke waren gereekent negen hondert en veertien groote metalen stukken, enkele en dubbelde kartouwen baselisken, heele en halve slangen, swaare veld-stukken, valkonetten, mortieren, muirbreekers en andere.
    d’ Achter-hoede [Arrier guarde] wierde bevolen aan den Hertog Raquedenare: Maar de midden-slagorde hield de Koning en de Vorsten sijnes Rijks.
    Dus in haast toegerust, al eerse zich tot voorttrekken, begaven, schiktense drie hondert lichte Ruiters voor-uit, onder ’t beleid van den Hooftman Engoulevent, om ’t land te ontdekken, en verneemen of ’er niet ergens in ’t veld eenige hinderlaag [Embuche] gelegt was: Maar, na wel naau en neerstig door-zocht te hebben, vondense ’t geheele land allom in rust en stilte, zonder eenige volk-verzaameling.
   
’t Welk Picrochole vernoomen hebbende, beval, dat yder in haast onder sijn vaandel zouw voort-trekken. Daar mee gingense in ’t gros wijd en zijd, d’ een door d’ ander, hun weg vervorderen, plonderende, schendende en scheurende alles watse ergens ontmoetden, zonder te spaaren rijk of arm, heilig of onheilig; wechvoerende Ossen, Koeijen, Kalveren, Rammen, Schaapen, Hamels, Bokken, Geyten, Biggen, Swijnen, Hoenderen, Kuikens, Kapoenen, Gansen, Eenden, Teelingen, en al wat haar voorquam: ja sy sloegen de nooten af, rukten alle druive trossen van de wijngaarden, haalde de heiningen en tuinstaken omverren onder de voet, schudden alle vruchten [p. 103] vande boomen, en bedreven alle moedwil, met de meeste woestheid en verwoedheid van de wereld; dewijlse niet een mensch ontmoetden, die haar weerstand doen wou; want sy haar alle opgaaven in genaade of ongenaade, alleen biddende, wat heuscher gehandelt te zijn; alzoose ’t allen tijde goede en lieftallige gebuiren waren geweest, en noit aan haar eenig ongelijk of overlast hadden gedaan, om zoo schielijk van haar overvallen en mishandeld te zijn: datse wel mogten denken, dat de rechtvaardige God haar in korten daar over straffen zou. Op welke vertooninge sij haar niet anders antwoorden, als datse haar leeren zouden koekjes te eeten.



                XXVII. HOOFT-DEEL.

    Een Monik van ’t Seviller klooster be-
        houdt d’ omheyning en ’t hof der zel-
        ver Abdije voor verwoesten.

SOo lang doorliepen de vyandlijcke krijgsbenden van Lerne het land met rooven en steelen, datse quamen aan d’Abdie van Seville, ombrengende Mannen en Vrouwen, namense al weg, watse konden krijgen: geen ding was haar te heet of te swaar; hoewel de pest in ’t meerendeel der Huysen was, liepense niet-temin over al en plonderden alles wat’er binnen, en van haar gaading was: zonder datmen aan iemand enige besmetting of ziekte gewaar wierd. ’t Welk zeer te verwonderen [p. 104] was, dewijle de Paapen, Zieketroosters, Preekbroeders, Artzen, Heelmeesters, en Droogbereiders [Apothequaires], die de Kranken gingen besoeken, bezorgen, geneesen, vermaanen en vertroosten, door de voort-zettende ziekte alle wech gerukt waaren: en op deze duivelze dieven en Moordenaars had het onheyl geen vat. Hoe mag dat by komen, mijn Heeren? peyns dat eens over, ik bidje.
    Na datse de burgt van Sevillé hadden uitgeplondert, begavense haar na de Abdije met een schrikkelijk getier: maar sy vonden hem wel vast en sterk geslooten. Derhalven het gros en meeste magt des Heirs al vorder optoog, tot aan ’t water de Vede, behalven zeven Vaandelen van ’t Voetvolk, en twee hondert Spies-dragers, die haar daar ophielden: en braaken de Ringmuir van den Hof en sterkte in stukken, om den geheelen wijngaard te verwoesten.
    De arme duivels van Moniken waren zoo ontzett, datse niet wisten tot welken Heilig sy zich zouden begeven: tot allen geluk lietense luiden (Ad Capitulum Capitulantes) tot den Raadverzaaming. Daar in wierd bestemt, datmen deftigen omgang zou doen, met Prevelingen, en aanroeping der Heyligen gesterkt (Contra Hostium insidias) tegen de laag-leggingen der Vianden, en schoone be-antwoordingen (Pro Pace) voor de vreede.
    In de Abdije was des-tijds een Monik Kloosterbewaarder, genaamt Jean des Entommeures, een jong, lustig, fris, veerdig, stout, wakker waaghals, een langen, schralen schendkeuken, met een neederigen mond, en hoogmoedigen neus, een goed gety-prevelaar, een braven [
p. 105] mis-brabbelaar, en door-slaaper der waakstonden. Kortom, een oprecht Monik, is’er immer een geweest, zedert dat de wereld Monikende, tot de Monikery Moniken gemonikt heeft: voor ’t overige Geestelijk tot sijn tanden toe, terwijl hy met sijn gebeed-boekje beesig was.
    Toen dese ’t geroep en geraas der Vianden, door den Hof al heen loopende, hoorde, trad hy uit, om te zien watse deeden: en merkende, datse vast doende waren met den Wijngaard te plonderen, daar de toeverlaat van haar drank voor ’t geheele jaar in was, keerde weer, na ’t Coor van de Kerk, daar de andere Moniken geheel verbaast en verbleekt als Klok-gieters waren; de welke hy noch zingende of schreyend vond, [Cloostergesang.] im, min, pe, ne, ne, ne, tum, ne, num, num, ini, imi, co, ho, ne, no, o, o, neno, ne, no, mi, i, se, e, re, re, vi, vin, o, o, rum, no, o, stro, stro, ro, ro, rum, a, fu, fu, ro, re, e, o, ru, rum, li, be, e, ra, a, no, nos, do, o, mi, i, ne, ne, ne.
    Hy mogt dit mi, mi, ne, ne, niet langer hooren, maar by na dol en raasende van gramschap, begost hy te vloeken en te tieren, datje duisend Duivelen ter Kerken uitvoeren: zalmen hier noch staan zingen! daar de swijnen al door gebrooken zijn om onze Wijngaard te verwoesten? vergeefs hoopt gy in den herfst met korven te komen, nu de Wijnoogst gedaan is. Soo haal my hondert duysend duitze duikers, indien de Viand niet binnen onse Muiren en tuin is; zoo grof in gras-duinen gaande met houwen en hakken in Wijnstokken en staaken, dat wy de volgende vier jaaren naauw te recht sullen raaken. By den dikken Pampsak van [p. 106] S. Jacob, wat sullen wy arme Duivels ondertusschen dan drinken? Och! S. Sebastiaan, o lieve gouden Urbaan (da mihi potum) geeft my een goeden dronk.
    Sakkerelijsten duisend gulden kruid, riep den Abt, wat wil desen onverlaad, desen dronkenbout hier, dat men hem uit de kerk na de kerker leyd: die dus ons Godlijke (divine) dienst komt beroeren. Ja laat ons (zey de Monik) de wijne-dienst zoo wel waarneemen, dat die niet geroert, en gerooft word: want gy selve meugtse mee zoo wel als de beste; ja je houdt het met de beste: en zoo doet ieder eerlijk Beedelaar. [Moniksspreuk.] De Wijn is ’t eedelste levens-vogt, en goden-drank, dat is een Moniks zinspreuk. Maar nu zoo te zingen is heel buyten tijds, en maar malle Mans doen. Waarom zijn onse uuren in den Maaij-tijd en Wijnplukking zoo kort? en in den Advent en al den Winter lang?
    Broeder Mace Pelosse van heiliger geheugenisse was (of de Duivel moetje haalen) een oprecht yveraar onser Godsdienst, die beduidde my (zoo ik onthouden heb) dat de reeden daar af was, dat wy in deese tijd ons wel zouden verzien, en van wijn verzorgen, en dat wyse des winters met meerder smaak en vermaak mogten drinken.
    Maar hoor, gy Heeren, en Lief hebbers van den Wijn, haast u by den akker malamenten, my te volgen, of ik sweerje by den diersten en diksten deuvekater; dat hy niet eens aan den deuvik likken zal, die den Wijn en den Wijngaard nu niet ontzetten en beschutten komt. By get, ’t zijn
goederen van de Kerk, zoumen die zoo? O! neen: ha, ha. De Drom- [p. 107] mel, S. Thomas den Engelsman wild’er wel voor in de dood gaan: Soo ik’er voor sneuvel, zal ik ook niet een Heylig zijn? Maar ik zal ’t my wel wachten, wat dat aangaat: Ik zelf zal liever alle andere om hals helpen.
    Dit zeggende smeet hy sijn lange py-rok daar heenen, en haalde den langen kruis stang van ’t altaar, van hard quastig zorbenhout, zo lang als een lans, en zoo dik alsmen moy omvatten kon, met Leelijen hier en daar bemaalt en bemalt, maar meest af gesleeten. Dus trad hy ter goeder uiren uit, liet kap en kovel leggen, en alleen met sijn stok van ’t H. Kruis wel gewapent, viel den Vyant te vreeslijk op ’t lijf; die zonder Vaandel, Trompet of Trom in ’t wild door den Wijngaard heen liepen, en pasten wat te raaken en te rooven, dewijl de Vaandrigs en Standaard-voerders haar Vaanen op de Muur langs geplant hadden, en de Trommelaars haar Trommen boven open gebrooken, omse met Druiven te vullen: De Trompetten laagen met de lekkerste Druif bossen overlaaden: een yder was ongeredt en verzett.
    Hy schoot dan dapper op haar toe, zonder eenig gerucht te maaken; soo dat hyse verraste en versloeg als verkens, slaande dan aan d’een, dan aan d’ander zijde, en slingerde in ’t rond na d’oude schermkonst: den eenen klonk hy de herssens in, den anderen Armen en Beenen aan stukken, andere verstuikte hy de Hals-beenen, andere verpletterde hy de Nieren, sloeg de Neus af, d’Oogen uit, kloofdde de Kaak-beenen, klopte haar de Tanden uit de Kaaken in de Keel, verschoof de Schouderbeenen, deed de Scheuren vervuuren, de Heupen ont- [p. 108] herren, en de Ysbeenen verglijden: en zoo zich iemand zocht onder dichtste der Haagen te versteeken, dien schuirde hy de Rug, dat hem de Lenden naa-sleepten, als een lammen Hond: dacht’er een door de vlugt zich te bergen, dien hieuw hy de herssenpan in de middel-naad door: meende iemand op een Boom te klimmen, en alsoo in zeekerheid te zijn, dien duwde hy de punt in ’t gat, op sijn Turks.
    Soo iemand van sijn oude kennis hem krijtende bad; och! Broeder Jan mijn goede maat, Broeder Jan, ik geef my op: Dan zeyde hy hem; dat weetje de Duyvel dank, nu je moet: maar met een zulje u ziel aan alle Duivelen op geven: en daarmee daetlijk gaf hy hem den lesten zeegen, dat hy ame zeyd en heenen voer. Was’er eenen zoo stout en rookeloos, dat hy hem van vooren durfde weerstaan, dien deed hy de kracht sijner spieren gevoelen; zoo dat hy zommige de Borst, middelschot, hart en alles door-stiet: andere onder de korte ribben treffende, deed hy de maag ten mond uit spuwen, die dan noit meer eeten mogten: andere duwden hy zoo op den navel, dat haar de darmen voor de voeten vielen: andere klopte hy zo hard tusschen de billen voor den achterpoort, datse met en barst open sprong, ’aarsdarm met drek en al uitschoot.
    [Aanroeping der Heyligen.] Geloof vry, dat het zoo schrikkelijken schouspel is geweest, als eenig mensch van sijn leeven gezien heeft: den eenen riep aan S. Berber om hulp: den ander aan S. Joris, den ander S. Roerniet, d’ ander aan onse L. Vrouw van Scherpenheuvel, van Lorette, van de goede boodschap, van d’ aanschouwing, van de Rivier: Zommige deeden beloften aan S. Jacob; zommige aan [p. 109] S. Sweer van Kamerijk: (maar die verbrande drie maanden daar na zoo zuyver, dat’er niet een splintertje van behouden bleef) andere bevalen haar aan S. Cadorin: andere aan S. Jan d’Angeli: andere aan S. Eutropius van Xaintes, aan S. Mismis tot Chinon: aan S. Marten van Candie: aan S. Spijkerman van Sinais: aan S. Longin, uit een spiets gebooren: aan d’ overblijfzelen van Laurezay en duisend andere goede geringe Heyligjes. Zommige storven zonder spreeken: andere spraaken zonder sterven: zommige sturven al spreekende: andere spraaken al stervende: andere schreeuwden zoo luid als ze konden; biechte; biechte; (Confiteor miserere, in manus) Ik belijde, erbarm, in de handen.
    Zoo groot was ’t gekrijt der gewonden: dat de Prioor van de Abdie met sijn gansche geschooren hoop van Moniken uit quam loopen. Die deese arme gezellen ziende zoo verslagen, en ter dood verwondt over den Wijngaard leggen, gingen by zommige de biegt hooren. Doch terwijl de Priesters met biegthooren dus beezig waaren: liepen de minder Monikjes ter plaatse daar Broeder Jan was: en vraagden hem waar toe hy wilde dat men hem helpen zou? daar op hy haar antwoorde, datse alle die daar ter aarden lagen den hals af zouden snijden.
    [Gequetste gekeelt.] Fluks kap en py over den naasten tuinstaak werpende, begonnense te keelen, en voorts af te veerdigen alle die Broeder Jan alreede half om hals gebragt had. Weet gy nu wel met wat geweer? Met korte stumpjes, of half of heel gebrooken mesjes, daar mee de kleyne kinderen hier te lande de nooten afschillen en opbreeken. Onder-des ging Broeder Jan d’ope- [
p. 110] ning, die Vianden gemaakt hadden, met sijn lange Kruis-stok bezetten en besluiten. Etlijke van de jonge Broedertjes, namen de Vaandels en Standaarden van de Muir en bragtense in haar Kaamer om Koussebanden daar af te maaken.
    Maar als de geene, die haar biegt gesproken hadden, door de Muir-breuk [Bresche] meenden uit te gaan, stond de Monik daar, diese voort met sijn Stok de Kost bezorgde; zeggende, dese hebben haar biegt gesprooken, berouw gehadt, en den aflaat gewonnen; [Na ’t paradijs gesonden.] nu moetense voort recht toe recht aan na ’t paradijs, zoo gelijk, als een lijn, en even als de weg na Faije.
    Also zijn door sijn dapperheid neder gemaakt alle de krijgslieden van ’t Heirleger, die door de Kloostermuur in-gestormt waaren, tot het getal van dertig duisend, zes hondert, twee en twintig, buiten de Vrouwen en kleine Kinderen, zoo verstaat men ’t altijd. Noyt heeft de Kluisenaar Malegijs, daar men in de geschiedenis en daaden der vier Aimons of Heemskinderen af leest, met sijn sterken pilgrims staf zich tegen de Zarazenen zoo
kloeklijk gequeeten, als desen Monik in d’ontmoeting der Vianden, met zijn Kruis-stang gedaan heeft.



[
p. 111]

                XXVIII. HOOFT-DEEL.

    De Koning Picrochole krijgt stor-
        menderhand de Rots en burgt van

        Clermaud in: Grandgouzier vind
        zich zeer beswaard een Oorlog aan
        te vangen.

[Clermaud zonder weerstand gewonnen.] Terwijl de Monik dus dapper scharmutselde tegen de geweldenaars die in den Kloosterhof door-gebrooken waren, spoeyde zich Koning Picrochole met sijn volk in aller yl over de waatering van Vede, en bestormde den berg Clermaud, alwaar men hem geen weerstand ter wereld dee: en door dien ’t alreede nacht was, vond hy goed sijn volk aldaar in-leegering te laten neemen, en van haar hittigheid, en vermoeying van den tocht en ’t gevecht, wat te verkoelen, en uit te rusten.
    [Versterkt.] Des morgens met den dag nam hy in den eersten aanval de bolwerken en den burgt in: vernieuwde ’t vervallene, en deed alles met vestingen en vereyschten voor-raad wel voorzien: van voorneemen zijnde daar af sijn wijk en rug-weer te maaken, zoo hy elders eenige weerstand of aanval ontmoeten mogt; vermits die vesting van natuir en door de konst zeer vast was van geleegentheid en plaatsing.
    Maar wy moeten haar hier een wijltje laaten: en onder des een keertje doen na onsen goeden Gargantua     Die zich noch tot Paris ont- [p. 112] hout, wel vlijtig voortvaerende in de oeffeningen der vrijekonsten, worsteling en geweerhandeling: en tot den ouden man Grandgousier sijn Vader, die naa den avondmaal voor een schoon groot helder vuur stond sijn billen te warmen; [Gerusheid.] en, terwijl hy wachten, dat’et kastanien hagelen zou, schreef hy op den heerd met een gebrand stuk houts, dat uit ’t vuur gespat was: en vertelde aan zijn Gemalin en Huisgesin zoete aventuurtjes en kuurtjes van den ouden lang verleeden tijd.
   
[Quade tijding.] Even op die stond komt een van de bewaarders der wijngaarden, geheeten Pillot, hem heel en al verhaalen de moedwil en roovery die Picrochole Koning van Lerne in sijn Landen en gebied bedreef; hoe hy ’t geheele platte Land door alles bedorven, gestroopt, en verwoest had, behalven het Klooster van Seville; ’t welk Broeder Jan van Antommeures t’ zijner eeren behouden had: en dat de zelve Koning noch tegenwoordig was op den berg Clermaud; alwaar hy zich met zijn Leeger door alle moogelijke middelen, zeer sterk te beschantsen zocht. [Ontsteltheit.] Hola! wel hoe? riep Grandgousier; wat wil dit wesen, mijn goede gezellen? Slaap ik? of droom ik? of is ’t waarlijk waar ’t geen men my zeid? Picrochole, mijn overoude vriend ten allen tijden, by alle geslagten en verbindtenissen, is ’t die, die my nu in mijn land valt? wat beweegt hem? wat port hem? wat vervoert hem? wie mag hem hier toe geraaden hebben? och! och! och! Mijn God, mijn Heyland, help my: geeft my in: raad my, hoe ik hier in handelen moet: Ik betuige, ja ik sweere voor u, soo waarlijk moet gy my behulpzaam zijn; [p. 113] zo ik oit eenig misnoegen aan hem, eenig nadeel aan sijn Onderzaaten, of eenige stroopery in sijne Landschappen, veroorsaakt heb: Maar wel kan ik bewijsen in teegendeel, dat ik hem dikwijls gedient en ontzett heb met volk, met geld, met gunstige voorspraak en raad, in alle voorvallen daar in ik eenig voordeel voor hem heb konnen bemerken en bewerken.
    Dat hy my dan in desen verongelijkt heeft, kan niet anders zijn, dan door drift van eenigen boosen geest. Goede God! gy kent mijn gemoed; want voor u kan’er niets verhoolen of verschoolen blijven. Soo hy misschien uitzinnig mag zijn geworden: en gy hem hier aan my mogt gezonden hebben, om hem weder tot sijn zinnen en verstand te herstellen; geef my kragt en kennis, om hem onder de gehoorzaamheid van uw heilige wille weder te brengen, door goede onderwijsinge.
    [Lafhertigheid.] Och! och! och! mijn lieve onderdaanen, mijn goede vrienden en getrouwe dienaars, zal het dan moeten zijn, dat ik u moeije en belemmere met my te helpen? Helaas! mijn ouderdom eischte voortaan niet dan rust: en van al mijn leeven heb ik geen ding zoo zeer gezogt en gevordert, als de vreede: maar ik word gedwongen, ik zie ’t wel, dat ik heeden het harnas over mijn moede en magteloose schouderen aanschiet: en de spiets en mast-boom in mijn beevende handen houd, om u, mijn onnoosele onderzaaten, t’ ontzetten en beschutten. De reeden vereischt het zoo: want door uw arbeid ben ik onderhouden, en met uw sweet ben ik, en mijn kinderen en huisgesin [
p. 114] gevoed. Des niet tegenstaande, zal ik geen oorlog onderneemen, ’t en zy ik eerst onderzocht zal hebben alle wegen en middelen tot vreede. En dat is nu mijn vast besluit.
    [Raadsbesluit.] Daar op deed hy sijne Raaden vergaaderen: en stelde haar den geheelen handel voor, gelijkze lag: by welken dan beslooten wierd; datmen eenig kloekzinnig en voorzigtig man aan Picrochole zenden zou: om te verneemen, waarom hy zoo schielijk zijn rust had verlaaten, en in sijns vriends land viandelijk gevallen was, zonder de minste reede, of recht daar toe te hebben. Datmen daar en boven ook Gargantua met sijn volk zou doen ontbieden, om sijn land voor te staan en beschutten in desen nood. Dit alles geviel Grandgousier zeer wel: en beval datmen zoo doen zou. Derhalven wierd ter zelver uure een sijner Dienstknaapen Pasque genaamt naa Gargantua in aller yl afgeveerdigt met een brief van volgenden inhoud.



                XXIX. HOOFT-DEEL.

    De brief, die Grangouzier aan Gar-
        gantua schreef.

DE vierigheid van uwe oeffeningen vereischten wel, geliefde Zoon, dat ik u noch in lange niet af en trok van uw wijsgeerige [Philosophique] rust; indien het goed vertrouwen op onse vrienden en oude bond-genooten voor tegenwoordig de gerustheid van mijn Ouderdom niet gefeilt en bedrogen had: Maar nade- [p. 115] maal mijn onmijdelijk lot zoodaanig is, dat ik ontrust ben door de geene, op wien ik my ’t meeste gerust stelde; zie ik my genoodzaakt u te rug te roepen tot tijdige nood-hulp en voorstand der volkeren en goederen, die u door natuurlijk recht toe-vertrouwt zijn: [Waapenen zonder raad onnut.] want gelijk de waapenen weinig vermogen in ’t veld, indien geen goed raads-besluit genomen wordt by huis: alsoo is ook d’oeffening vergeefs, en de raad onnut, die niet ter rechter tijd door dapperheid in ’t werk gesteld, en met’er daad uitgevoert word. Mijn meening is niet, te porren, maar te paijen: niet te bevechten, maar te verweeren: niet na onwettige aan-winning te trachten, maar mijn getrouwe Onderdaanen, en erflanden wettelijk te bewaaren, in welke de Koning Picrochole viandelijk ingevallen is, zonder reeden of oorzaak: en zet sijn ontzinnigen aanslag van dag tot dag noch al voort, met een moed-wil en overdaad, die voor vrije lieden onverdraaglijk is.
    Ik heb mijn best gedaan om sijn onwettige geweldzaame toorn te stillen; hem aanbiedende al wat ik oordeelde dat hem vernoeging geven mogt: en meenigmaal heb ik bezending aan hem gedaan, om te mogen weeten waar in, door wien, en hoe hy zich beleedigt vond. Maar van hem heb ik niets ten antwoord konnen bekoomen, als van een moedwillige verbondbreeking; en dat hy (quansuis) van mijne Landen niet anders vordert, als ’t recht van wel-voegentheid. Waar uit ik bespeurt heb, dat God de Heere hem heeft gelaaten aan ’t bestier van sijn vrije wil en eigen zinlijkheid; die niet dan ondeugende kan zijn, zoose door [p. 116] de goddelijke genade niet geduirig geleid worde en, om hem te houden in sijn pligt, en weder tot kennis en reeden te brengen, hem hier aan my gezonden heeft, om zoo moeijelijken onderwijs aan hem te doen.
    [Goed overleg.] Daarom, mijn wel beminde Zoon, zoo haast gy desen brief zult zien, spoeijt u met alle mogelijk vlijt weder herwaarts om te helpen, niet zoo zeer my, (’t welk nochtans ’t natuurlijk mee-doogen mede brengt) als wel uw’ Onderdaanen, die gy door reeden kunt behoeden en behouden. De veldtocht zy met de minste bloedstorting: maar met de kloekste krijgslisten, beleid, en laagen, die mogelijk zijn uit te vinden en uit te voeren: wy zullen zoo veel zielen bevrijen, en vroolijk na haare wooningen weder doen keeren. Zeer waarde Zoon, zijt hier mede na groete ’s Hemels hoede bevoolen: En groet Ponocrates, Gymnaestes, en Eudemon mijnen ’t wegen. Den 20. van Herfstmaand.
U. Vader Grandgousier.



                XXX. HOOFT-DEEL.

    Ulrich Gallet word als Gezant af-
        geveerdigt aan den Koning
Picro-
        chole.

DE brief geschreven en gezeegelt zijnde, gaf Grandgousier den last en magt aan Ulrich Gallet, meester der verzoekschriften [p. 117] een wijs en bescheiden Man, wiens oprechtigheid en goeden raad hy meermaal in verscheiden twistige en twijffelachtige zaaken verzocht en beproeft had; om als Gezant zich te begeven na den Koning Picrochole; en hem te vertoonen en voor te stellen ’t geene in den Raad vast gestelt was.
    Ter zelver uure vertrok den getrouwen Gezant Gallet, en reisde voorby de waatering van Vede; alwaar hy by de Molenaar vernam na den staat en gelegentheid des Legers van Picrochole: De welke hem voor bescheid gaf; dat dien roof-gierigen hoop hem noch Hoen noch Haan had laaten houden, datse zich wel vast beschanst hielden op de hoogte van Clermaud: en dat hy hem niet wilde raaden verder voort te trekken, uit vreese van verspiet te zijn; dewijle haar wreedheid te overdaadig
was; ’t welk hy lichtelijk geloofde: en derhalven hield hy dien nacht zijn verblijf by dien Molenaar.
    Des anderen daags ’s morgens vroeg begaf hy hem, met een Trompetter voor zich, naa poort van de burgt: en verzocht aan de Wagt, datse hem wilden doen spreeken met den Koning, om zaaken t’ sijnen dienst en voordeel. Dit verzoek den Koning te kennen gegeven zijnde, wilde hy geenzins toelaaten datmen hem de poort opende: maar hy zelve vervoegde zich op de wal; van waar hy den Gezant toeriep; wel wat is’er nieuws? wat hebje te zeggen?



[
p. 118]

                XXXI. HOOFT-DEEL.

    Deftige reeden door Gallet gedaan
        voor den Koning
Picrochole.

[Smaad van een vriend onlijdelijkst.] Geen rechtvaardiger oorzaak van beklag kan’er komen onder de menschen, dan wanneermen van iemand, daarmen met recht alle gunst en goedwilligheid van verhoopte, alle smart, smaad en schaad ontfangt: En niet zonder oorzaak (hoewel tegen reeden) hebben veele, in zoodanigen ongeval geraakt, die smaad en verontweerdiging onverdragelijker geacht, dan ’t verlies van haar eigen leven: zoo dat, wanneerse ’t zelve noch door kragt, noch door kloek beleid of list, te herstellen of te verbeeteren zagen, sy zich zelve van dit lieve licht en leven berooft hebben.
    ’t Is dan geen wonder, dat de Koning Grandgouzier mijn Meester, op uw verwoede viandlijke inval, met groot ongenoegen bevangen, en t’ eenmaal in sijn gemoed ontstelt is: veel meer was te verwonderen, indien hy door de onvergelijkelijke moedwilligheeden en geweldstukken, van U en uw Krijgs-volk aan sijne Landen en Onderdaanen bedreeven, niet bewoogen ware geweest; dewijle hy noit naa gelaaten heeft, aan u en den uwen alle blijkken van vriendschap en heusheid te betoonen. ’t Welke, hoe zeer beswaarlijk het in zich zelf is, door de hertelijke geneegentheid, dien hy altijd zijne Onderzaaten toe gedragen heeft, [p. 119] dat’et aan een sterflijk mensch niet meer zou mogen weesen: nochtans is ’t hem boven alle menschelijke bedenken te beswaarlijker, om dat die overlasten, en verongelijkingen door u en den uwen hem aangedaan zijn: daar gy en uw voor-ouders, van aller geheugenis en oudheid her, met hem en sijne voorzaaten een vaste vriendschap opgerecht hebt, die tot dese tegenwoordige tijd toe, als geheiligt, tusschen ul. gehand-haaft, en onbreeklijk bewaart en onderhouden is: ook zoo, dat niet alleen hy en de sijne, maar zelf de vreemde Volkeren van Poicton, Bretaigne, Mans, en die d’eilanden van Canarie en Isabella bewoonen, gewaant hebben, datmen eer de vaste Sterren-hemel neder-rukken, en den afgrond tot boven de Wolken opheffen, als uwe onderlinge verbindenis verbreeken zou: En dezelve zoo zeer ontzien in haar aanslagen, datse noit hebben durven trotsen, tergen of te naa koomen den eenen, uit vreese voor den anderen. Jaa, dat meer is, dese geheiligde vriendschap is zoo hoog en wijd beroemt, dat’er weinige volkeren zijn geweest van die ’t vaste Land en d’Eilanden der groote Zee beslaan, die niet eergieriglijk gewenscht, gehoopt en aangehouden hebben, om in de zelve aangenomen te zijn, op voorwaarden door u zelve voorgeschreven: achtende de verbindenis met u, zoo hoog als haar eigen landschappen en heerschappijen: zoo dat by menschen gedenken geen Vorst noch Verbondene oit zoo verwoed of verwaand is geweest, dat hy heeft durven bespringen, ik zeg niet uwe Landen; maar ook niet die van uwe Bondgenooten: en indiense door een te rookeloosen [p. 120] raads-besluit tegen haar eenige nieuwigheid aangevangen mogten hebben, zoo haastse hoorden den naam en tijtel van uw verbindtenis, zijnse schielijk van haar aanslag afgeschrikt en uitgescheiden.
    [Harde reeden tot een Koning.] Wat dulheid drijft u dan nu, alle verbintenis verbreekende, alle vriendschap met voeten treedende, alle recht te buiten gaande, als een viand te vallen in sijne Landen; zonder in ’t aller minste door hem of den sijnen beschaadigt, getart of gezarrt, te zijn? Waar is trouw? Waar is geloof? Waar is reedelijkheid? Waar is menschelijkheid? Waar is vreese Gods? Waant gy dat dese geweld-stukken ongeweeten blijven by die eeuwige Geesten, en dien oneindigen en al beheerschenden God; die een rechtvaardig vergelder onser daaden is? Indien gy ’t u inbeeld, gy bedriegt u: want alle zaaken zullen voor zijn richterstoel gestelt worden. Is ’t d’ onschuwelijke nood-schikking, of in vloeijing der Sterren, die een eind van uw lust en rust willen maaken? Alzoo hebben alle dingen haar eind, en omloop: en alsse tot haar opper-top gesteegen zullen zijn, komense met’er haast weder te daalen en vervallen: want sy kunnen in dien staat niet lange blijven staan. Dat is ’t einde der gener, die haar welvaart en voorspoed door reeden en gereegeltheid niet bestieren konnen.
    [Verwijt.] Maar als ’t immer zoo genoodschikt was, dat uw geluk en gerustheid een eind nemen moest, zou dat juist in ’t ontrusten en beschaadigen van mijn Koning moeten geschieden? Die de geene is, die uwen troon en kroon heeft vast gestelt? Indien uw huis omverr vallen moest, [p. 121] was ’t daarom noodzaakelijk, dat het met sijnen val verpletterde de daaken des geenen, die ’t had helpen bouwen? De zaak is zoo zeer buiten de paalen der reedelijkheid, en zoo afschrikkende van ’t algemeen natuurlijk gevoelen, datse qualijk door ’t menschelijk vernuft te bevatten is: en zoo lang zal ’t by d’ uitheemze ongelooflijk blijven; tot dat de betoonde en betuigde daad haar doe verstaan, dat’er niets kan zuiver en heilig zijn voor zulke, die door God noch de goede reeden meer geregeert willen worden, om haar verkeerde tochten in te volgen. Indien door ons eenig ongelijk aan uwe Landen of Onderdaanen gedaan was; Indien wy eenige gunst aan uwe verwerplingen beweesen hadden; indien wy u in verleegentheid verlaaten en niet geholpen hadden; indien uw naam en eer door ons geschonden was; of, om beeter te zeggen, indien de laster-geest, die ’t al ten ergsten trekt, door bedriegerijen, schijnzels en valsche vertooningen of mis-leidende inbeeldinge uw verstand had ingedrukt, dat wy eenig ding gedaan hadden, dat onse oude vriendschap onweerdig was: zoo behoorde gy eerst de waarheid wel ter deegen onderzocht, en ons voorts daar over vermaand of gewaarschouwt te hebben: en wy zouden zoo veel t’ uwen gevalle en vernoeging gedaan hebben, dat gy genoodzaakt zoud zijn u vernoegt en te vreeden te houden.
    Maar, o eeuwige God! waar toe strekt u toeleg? Woud gy, als een trouwloos geweldenaar, alzoo door-stroopen en verwoesten het Koningrijk mijns meesters? Heb gy hem zoo laf-hertig en ongevoelig bevonden, dat hy niet [p. 122] zou willen, of zoo ontbloot van volk, van geld, van raad, en krijgs-beleid, dat hy niet zou konnen, tegenstaan uw’ onbillijke bespringingen? Soo daadelijk (zeg ik u) hebt gy van hier op te breeken, om morgen ten langsten binnen uw’ eigen land-paalen wedergekeert te zijn; zonder eenig onheil, geweld of moedwil over-weg te bedrijven: en daar en boven te betaalen twee duizend goude Ducaten, tot vergoeding der schaaden aan sijne Landen gedaan; de helft daar af op morgen, en d’ ander helft den 9. May naast koomende, te voldoen; ondertusschen ons ten onderpand laatende den Hertog-en van Tournemoule, van Basdefesses en van Menuail, beneffens den Prince van Gratelles en den onder Graaf van Morpiàille.



                XXXII. HOOFT-DEEL.

    Grandgouzier zend zijn Gezant Gal-
        let, met vijf voeder Koeken en geld
        aan
Picrochole, om de vreede te
        koopen; maar vergeefs.

[Slecht bescheid.] Den goeden Gallet dus sijn reeden gedaan hebbende, sweeg daar mede, en wachte wat bescheid de Koning Picrochole daar op geven zou; ’t welk niet anders was, als, koom haalse hier, koom haalse hier: al zijnse wilden katten, sy hebben goede staarten om by te vatten: Sy zullenje noch wel wat knuppel koekken toe geven. Met zulk slecht bescheid mogt hy heen gaan.
[
p. 123]
    Derhalven in haast weder keerende, en by Grandgousier koomende, vond hy hem in een hoekje van sijn geheim vertrek neergeboogen op sijn knijen, en bloots-hoofts biddende God, dat hy de verbitteringe van Picrochole geliefde te verzoeten; en de zelve weder tot reeden te brengen, zonder daar toe geweldlijke middelen aan te wenden.
    Soo haast hy Gallet weder aankoomen zag, zeide hy tot hem; O mijn vriend, mijn vriend! wat brengt gy ons voor goed nieuws? Het gaat’er in ’t wild, antwoorde Gallet: De man schijnt van sijn zinnen berooft, en van God verlaaten. Maar doch mijn vriend (vraagde Grandgousier) wat oorsaak wendt hy voor? wat wil hy met dese moedwil? Hy heeft (herzeide Gallet) my gansch geen reeden gegeven; als alleen, dat hy in toorn iets van koeken gerept heeft. Ik en weet niet, of men wel eenige overlast aan sijn koek-bakkers gepleegt mag hebben. Dat wild’ ik, antwoorde Grandgousier, wel weeten, eer wy eenig overleg maaken, wat wijders te doen staat.
    Daar op stierde hy terstond iemand om te verneemen wat daar af was: en bevond in der daad, dat men met geweld sijne Onderdaanen eenige koeken ontrooft had: en dat Marquet een stokslag op sijn kop gekreegen had: dat eevenwel alles ten vollen vergoed was: en dat de zelve Marquet eerst Forgier met sijn sweep aande beenen gequetst had. Waar over dan raad gehouden zijnde, wierd by den ganschen raad geoordeelt, en beslooten, dat hy zich met alle magt moest trachten te verweeren.
    Des niet tegen staande, zeide
Grandgousier, [p. 124] nademaal’er geen verschil als om eenige koeken is, zal ik hem zoeken te bevreedigen: want het mishaagt my ten hoogsten, datmen daarom een Oorlog aanheffen zou. Hy dee dan nauw verneemen, hoeveel koeken haar ontrooft waren: en verstaande van vier of vijf dozijn, beval datmen noch dien nagt vijf voeders of karrenvol zulke koeken bakken zou: en het eene voeder van wel gebooterde, met eijer-doijers, saffraan, en kostele kruiden toegemaakte koeken, om aan Marquet gegeven te worden: daar en boven voor sijn belang of schaa zou men hem schenken zeven honderd duizend en drie Flipsen, om den heel-meester daar uit te betaalen, die hem geneesen had: en ten overvloed maakte hy het erf meijerschap van den appelhof voor altijd vry aan hem en den sijnen.
    Om dit dus over te brengen, en te leveren wierd Gallet mee gezonden: die langs den weg veel groente van takken en rieten dee vergaaderen, daar meed hy al de karren rondom besteeken liet: en zelf hield hy’er een in sijn hand: waar door hy wilde te weeten doen, datse niet als vreede begeerden, en datse daar quamen om die te koopen.
    Toen sy zoo aande poort gekomen waren, verzochtense met Picrochole van wegen Grandgousier te spreeken: doch die wilde haar geenzins ingelaaten hebben, noch zelve uit gaan om met haar te spreeken: alleen liet hy haar weeten, dat hy belet was: maar datse mogten zeggen watse wilden aan den Hooftman Touquedillon, die doende was met een stuk geschuts op de muur te planten. Tot welken dan den goeden Gallet aldus te spreeken aanving;
[
p. 125]
    [Overdaadige vergoedinge.] Mijn Heer, om u uit desen onlust en onrust des Oorlogs te trekken, en wech te neemen alle ontschuldiging van dat gy tot onse voorige verbintenis en vrindschap niet weder keert, koomen wy u weder geven de koeken daar over ons verschil is. Vijf dozijn hebben’er onse mannen genoomen: de zelve waren noch wel betaalt. Niet-temin wy beminnen zoo zeer de vreede, dat wy’er vijf karren-vol weder voor geven; van welken dese zal zijn voor Marquet, die zich ’t meeste beklaagt; daarenboven om hem ten vollen te vernoegen, ziet daar zeven hondert duizend en drie flipzen, die ik hem overlevere: en tot rente, die hy mee voorwenden mogt, draag ik hem over de meijerie van den appelbogaard eeuwig en erflijk tot een vry bezit voor hem en sijn naakoomelingen: Hier heb ik ’t geschrift van de overdragt.
    Om Gods wil, laat ons van nu af in vreede voortaan leven, en trekt gy weder welgemoed naa uw Land; laatende dese plaatze, waar aan gy bekennen moet geen het minste recht te hebben, en onderhoudende de vriendschap gelijk voor heen.
    Touquedillon bragt dese boodschap over aan Picrochole: en vergiftigde sijn gemoed meer en meer, met te zeggen; dese bange scheetjaagers hebben gewis grooten schrik op’t lijf: ’k wil wedden, by get, dat Grandgousier zich van vrees in sijn bokzen beschijt, dien dronken bloet; ’t en is sijn werk niet den Oorlog te beleiden, maar wel sijn flessen te leedigen. Ik ben van gevoelen, datmen dese koeken en dit gelt weer te rug behoort te schikken, en dat wy ons vorder haasten ons alhier wel vast te beschant- [p. 126] sen: en dan ons zeege te vervolgen. [Boos-aardigheid.] Maar meenense wel met een zoeten zul te doen te hebben, datse u met dese zoete snoeperij van koekjes koomen paaijen? Daar zieje nu hoe ’t gaat; het goed onthaal, en de groote gemeenschap, aan haar voor heenen beweesen, heeft u by haar in kleinachting gebragt: Streelt een schelm, hy zal u steeken; steekt een schelm, hy zal u streelen.
    Ho, ho! zey Picrochole, by S. Schabjak, sy zullen zeker zoo gedaan hebben, als gy gezeid hebt. Een ding, zey Touquedillon, wil ik datje weet: Wy zijn hier zeer slecht van voor-raad verzorgt, en te zober van borst-wapen en buiksvoering voorzien. In gevalle Grandgousier ons beleegeren quam, zoo mogt ik my van nu af al mijn tanden wel laaten uit-trekken, als ik maar drie behoud; gelijk mede alle andere van uw volk, wy zullen al onsen voorraad daar mee meer dan te haast en gemakkelijk meugen opknabbelen.
    Wy hebben hier herzeide Picrochole meer dan te veel van de vreetery. Zijn wy hier om te vreeten, of om te vechten? Wel om te vechten, voegde Touquedillon daar op: maar ’t vullen van de pens, is aller lieden wensch: en daar den honger heerscht, is magt en moed gebannen. Houd aan dan, zeide Picrochole alle ’t geense mee gebragt hebben. Daar op tastense alles aan, het geld met de koeken, de Ossen met de karren, en zonden haar, zonder een woord te zeggen, weer te rug: alleenlijk belastense haar niet meer zoo naa te koomen, om een oorzaak, diense haar ’s anderen daags zeggen zouden.
[
p. 127]
    Aldus, zonder iets uitgerecht te hebben, keerdense wederom na Grandgousier: en verhaalde hem alles wat haar weder vaaren was; daar by voegende, dat’er nu geen hoop meer was ter wereld, om haar tot vreede te beweegen, als door dwang en geweld van waapen.



                XXXIII. HOOFT-DEEL.

    Een zeeker Stathouder van Picro-
        chole, door te haastigen en rooke-
        loosen raad, voert hem in’t uitterste
        gevaar.

[Groot voorstel met klein overleg.]
NA ’t aanhouden en bergen der koeken, quamen den Hartog van Menuail, den Grave van Spadossin, en den Hooftman Mardaille tot den Koning Picrochole, en zeyden hem; heden, Heer Koning, maken wy u den gelukkigsten en groot-daadigsten Vorst, die’er oit, zedert de dood van Alexander den Macedoniër, geweest is. Zijt gedekt, zijt gedekt, zeyde Picrochole. Heb dank, Heer Koning, zeidense weder: wy zijn hier t’ uwen dienst. De middel tot uw hoogste verheffing is dese; Gy zult hier eenig hooftman met een weinig volks tot besetting laaten, om de burgt te bewaaren, die ons dunkt zoo door de natuir sterk genoeg, als door de bolwerken, na uw uitvinding, daar om-gelegt.
    Uw leeger zult gy in tweën verdeelen, gelijk gy dat veel beeter verstaat als wy: het een ge- [
p. 128] deelte zal desen Grandgousier en sijn volk gaan overvallen: ’t welk in den eersten aanval zeer licht en haast verstroit en vernielt zal zijn: dan kont gy geld by hoopen bekoomen. Want deesen schelmzen schraper heeft’er veel van de gewissen. Schelm zeggen wy, dewijle geen eedel Overheer een stuiver op voorraad heeft. Schatten te verzaamelen is eerloozer lieden werk.
    Den anderen hoop zal sijn tocht neemen na Avais, Xantoigne, Angoulesme, en
Gasconge: en voorts na Perigort, Medoc, en Elanes, Daar zullense zonder weerstand wegneemen Steeden, Sterkten en Schantsen. Tot Bajonne, tot S. Jan de Lus, en Fontarabie zullense alle Scheepen beslaan: daar mee overvaarende na Galicien en Portugaal, zult gy alle zeeplaatsen doen uitplonderen, tot aan Lissebon toe; daar zult gy sterkte bekomen van allerley Scheepen en toerusting, die een veroveraar begeeren mag. Door schrik zal Spangien zich op geeven: want ’t en zijn niet als Maranen. Dan zult gy uw tocht neemen door ’t naauw van Sicilien, en aldaar twee veel prachtiger Pilaaren oprichten, als die van Hercules, ter eeuwiger gedachtenis van uwen naam: en dit zalmen dan noemen d’ Engte van de Picrocholische zee.
    Over deese Picrocholische Golf dan gescheept zijnde, daar hebje de Barbaar, die zich tot een slaaf aan u overgeeft. Ik zal hem, zeyde Picrochie, in genaaden aanneemen. Te weeten, zeidense op voorwaarde, dat hy zich laat doopen. Dan doeje de rijken van Thunis,
Hippo,Algiers, Bone, Corone, ja ’t geheele Barbarien stoutelijk aantasten. Vorder vaarende, zult [p. 129] gy in uw geweld nemen Majorca, Minorca, Sardinia, Corsica en andere Eylanden van de Ligustische en Balearische zee. Vaarende ter slinker hand, zult gy inneemen het Narbonische Gaule, Provence, de Allobrogen, Genua, Florencen, Luca, en uit is ’t met Romen. Den armen mijn Heer den Paus sterft alreede van schrik. By mijn trouwe, sprak Picrochole, ik en zou hem dan den toffel niet kussen.
    Italien overheert hebbende, dan Napels, Calabrien, Apoulion, en Sicilien met Maltha, altemaal ten roof gegeven. ’t Zou my wel eens lusten te zien, wat weerstand dese wel eer trotse Ridders van Rhodes u zouden doen, op dat men haar de pis eens bekijken mogt. Ik zou, zeyde Picrochole, wel gaarn eens gaan na Lorette. Och neenje; laat dat weesen in ’t weederkeeren, zeyde sy.
    Van daar zullen wy Candia, Cypres, Rhodes en d’Eylanden Cyclades, zoeken te vermeesteren: Dan ons opmaken na Morea, en daar mee hebben wy ’t. O Sint Traignant, de Heere behoed Jerusalem: want de Soudaan zal tegen uw magt in ’t minste niet opmogen. Ik, zeyde hy, zal dan doen bouwen den Tempel van Salomon, O neen, zeyden sy, noch niet, wagt een weynig: weest nimmer zoo voortvaarende in uw voorneemens.
    Weetje wat Octavianus Augustus zey? (Festina lenté) Snelle spoed, zelden goed. Eerst moetje klein Asien, Carien, Licien, Pamphilien, Cilicien, Lydien, Phrygien, Mysien, Bethune, Charazien, Satalien, Samogetien, Castamena, Luga, Savasta, tot aan den Euphrates hebben. Zullen wy (zeyde Picrochole) nu Babilon en den Berg Sinaï eens besien? Dat zal (zeiden sy) voor deese tocht [p. 130] niet noodig zijn. Is dat noch niet genoeg omgesworven? de Hyrcanische zee doorzeilt, de twee Armeniens, de drie Arabiens door gereeden en gerost. By mijn zoolen, zeyde hy, wy zijn al loof en lam.
    Maar wy arme strijders, zeyden sy, waarmee zullen wy onse drooge keeltjes laven in dese dorre wildernissen? want Julianus Augustus is’er met sijn geheele heirleger van dorst versmagt, zoo men zeyt. Doch, zeydense weer, daar hebben wy al goede zorg voor gedragen. Door de zee van Syrien zullen u gezonden werden in negen duizend en veertien groote Schepen gelaaden met de beste Wijnen ter wereld; dese zullen havenen tot Jaffa, daar zullen dan twee-en-twintig honder duizen Kameelen, en sestien honderd Elefanten ter hand zijn: die gy op een jagt ontrent Sigeilmes gevangen zult hebben, terwijl wy Lybien in toogen: en ten overvloed hebje daar de geheele Caravane van Mecha; en zoude die u geen
vol-op van Wijn verschaffen? Wel ja, zeyd hy; maar men kan’ er noit koel en fris drinken. Wel dat zoumen zeggen, zeydense, zelf niet ’t minste zoopje: maar een Manhaftich held, Veroveraar, een na-trachter van d’ heerschappy des geheelen werelds, kan niet altijd zijn gemak en vermaak hebben. Gy meugt God danken, dat gy en uw volk alhier behouden met den geheelen huid tot aan den vloed Tigris geraakt zijt.
    Maar, vraagde Picrochole, wat verricht onderwijl ons anderdeel des leegers, dat den dronken bloed Grandgousier gedempt heeft? die zullen niet zuymen, zeydense, dat zulje wel haast hooren. Die hebben voor u al bekomen Bre- [
p. 131] taigne, Normandie, Vlaanderen, Henegouwen, Artois, Holland, en Zeeland: Sy zijn over den Rijn gezet, tot in ’t hert der Duitzen en Switzers: en van daar zich wendende, hebbense Luxenburg, Lotteringen, Champaigne, Savoyen tot aan Lion, door loopen. Alwaarse uw bezettingen hebben gevonden, wederkeerende van de overwinningen te Scheep in de Middellandsche zee: en zijn by een gekoomen in Bohemen, na datse Swabenland, Wittemberg, Beyeren, Oostentrijk, Maravien, en Stiermark doorgestroopt hadden. Daar na met alle magt Lapland, Noorweegen, Sweeden, Deenmarken, Gotland en Groenland tot aan d’ Yszee ingevallen zijnde, gaanse voort d’ Orcades, met Schotland, Engeland, en Yrland t’ onderbrengen. Vorder, vaarende over de Zant-zee en na de Sarmaten, hebbense Pruissen, Polen, Littauwen, Russen, Valachien, Transsilvanien, Hongariwen, Bulgarien, Turkijen tot Constantinopelen onder uw gebied gebragt.
    Laat ons, zeyde Picrochole, al dieper doordringen: want ik wil ook wel Keyser van Trebyzonde zijn. Willen wy dan alle die honden, die Turken en Mahometanen niet doodslaan? Wel wat drommel zoude wy anders doen? zeyden sy; gy zult dan al haare goederen en landen omdeelen, aan de geene, die u getrouwelijk gedient hebben. Dat is recht, antwoorde hy, en meer als billijk: dus schenk ik u voor eerst Caramanien, Syrien, en heel Palestina. Ha! riepen sy, zijt zeer gedankt Heer Koning, voor uw overdadige goedtheid. God geef dat gy altijd voorspoedig moogt zijn. Een oud eedelman, in veel gevaarlijke gevechten beproeft, een recht handig (geen mondig) oud [p. 132] Oorlogs-gast, genaamt Echephron, was’er mee tegenwoordig; dewelke dit dol verhaal vast aanhoorende, ten lesten dus uitbarste; [Kluchtje van de Melkpot.] Ik ben zeer bezorgt, dat het met desen al te wildweijigen toeleg gaan zal, even als ’t in dat klugtje ging met den Melk-pot; waarmee zich een Schoenmaker in d’inbeelding door ruym reekenen op voorraad rijk maakte: tot dat, op ’t end van sijn zoete en zotte gepeinsen, de pot onverziens in stukken geslagen, hy niemendal te eeten had.
    Wat was doch uw oogmerk met alle dese zoo schoon voorgestelde overwinningen? Welk zoude ’t einde zijn voor zoo veel sweetens en swerwens? Dat zou, sprak Picrochole, wesen, dat wy, wedergekeert zijnde, in rust en gemak mogten leven. Wel, zeyde Echephron, wat zou ’t zijn, zoo gy van u leven niet wederkeerde? want de tocht is lang en gevaarlijk: was ’t niet beeter, dat wy van nu aan onse rust hielden, zonder ons in zoo veele gevaaren te begeven?
    O! sprak Spadassin, Waarachtig hier hebbenwe den rechten Raads-man, of liever reutelaar; dat we zijn gevoelen volgden, mogten wy wel in den hoek van den haart zitten hurken, en daar met de Meisjes onsen tijd, ja leven, door lusjes en kusjes verkorten, of met Peerelsnoeren te rijgen, of Zyde te spinnen gelijk wel eer Sardanapalus dee. Maar hoor, wat den wijsen Salomon zeyde: die niet wil waagen, wint Paard noch Waagen. Daar tegen paste Echephron, den antwoord van Malcon; die al te veel gaat waagen, verliest wel Paard en Waagen.
    Daar af al lang genoeg, sprak Picrochole; laat [
p. 133] den Raadslag voortgaan. Ik vreese niets zoo zeer als dese Duivels benden van Grandgousier, terwijl wy in Mesopotanien zijn, datse ons hier eens in den steert sloegen, wat raad dan? Een zeer goeden, zey Merdaille, op een kleine bezending, die gy aan de Moscoviter zult schikken, zal hy u in een oogenblik te velde brengen vier hondert en vijftig duisend uitgelesen Krijgsknegten. O! dat gy my tot u onder-veltheer maakte, ik reeg wel een heelen rijg in een steek aan mijn Spiets voor een kleynen belooning. Ik sterf of dood met lust; ik houw, ik hak, ik kerf, ik kap drie man zeeven armen af, ook een gewaapende midden door, als een anderen Reynout: of raasende Roeland, ik spuw vuur en schijt fonken. Houd op: houd op: riep Picrochole: Elk pak maar zijn biesen, en haast hem van hier: die my lief heeft kom volg my.



                XXXIV. HOOFT-DEEL.

    Gargantua trekt uit de Stad Parijs,
        om zijn land te komen ontzetten:
        Gymnastes rijdt voor uit, om de
        vianden te verspieden: raakt’er
        midden onder: en hoe hy hem daar
        draagt en reddt.

TErwijl de Viand verbaasdelijk begon op te breeken, bevond sich Gargantua, (die, soo haast hy sijns Vaders brief ontfangen [p. 134] had, op sijn groot Beest gezeeten van Parys vertrokken was, alreede over de Nonne-brug, met Panocrates, Gymnastes en Edemon; die, om hem by te mogen blijven, Postpaarden hadden moeten gebruiken: de overrige van sijn gevolg quamen met behoorlijke dag-reisen achter aan, mede voerende alle boeken en gereedschappen tot sijn wijsheids oeffening noodig.
    [De staat des Leegers van Picrochole.] Dus vorder geraakt tot aan Parille, wierd hy door den Hoefpachtenaar tot Gouget gewaarschouwt, hoe Picrochole met sijn leger lag beschanst en begraven by den berg Clermaud: en den Hooftman Tripet voorheen had gezonden met een groote meenigte van Krijgsvolk om ’t bosch van Vede en Vaugaudri te bespringen: en datse liepen struikrooven en stroopen tot aan de pers-kuipen van Billard: en dat’et by na niet te gelooven, of met woorden uit te drukken was wat moedwil en geweld sy door alle omleggende landen bedreeven, waar door hy hem zulken schrik op ’t lijf jaagde, dat hy nauwlijks wist wat hy doen of zeggen zou.
    Maar Ponocrates ried hem, dat hy zich zou gaan begeven en bergen by den heer van Vauguion, die t’ allen tijden haar vriend en bondgenoot geweest was: en door wien sy ook van alle voorvallen best verwittigt konden worden, ’t Welk se dan terstond deeden: en bevonden hem wel geneegen, hen te herbergen en helpen. Voort vond hy dienstig, dat Gargantua yemand van sijn volk voor uit schikken zou, om ’t land te ontdekken, en verneemen in wat staat de Vyanden waaren, om vorder te doen wat na geleegenheid des tijds zou raadzaam zijn.
[p. 135]
    Gymnastes bood sich zelven daar toe aan, doch men bedacht noodig te zijn, dat’er iemand mee ging, die alle toepaden en wegen wist, ook de vloeden en waateren aldaar in ’t rond. Derhalven vertrok hy met Prelingand, den Schildknecht van Vauguyon, en bespieden zonder eenige schroom al waarse wilden. Gargantua ververschte zich onderwijl, en ruste hem met sijn volk een weynig uit: gaf ook aan sijn beest over een (Picotin) paar lasten, of vier en zeeventig sakken, en drie mudden haver.
    [Gauwigheyd van Gymnastes.] Ondertusschen reeden Gymnastes en zijn gezel zoo verre, datse de vianden vonden t’ eenmaal verstrooyt en in ’t wild loopende te rooven en plonderen al watse krijgen konden: en van zoo wijd alsse haar gewaar wierden quaamense by hoopen na haar toe geloopen, om haar af te zetten. Derhalven hy haar toeriep; Mijn heeren, ik ben een armen Duivel: ik bidje, meelijden met my te hebben: een kroontje heb ik noch, dat zullen wy t’ zaamen verzuipen: want (Est aurum potabile) ’t is drinkbaar goud: en dit Paard zal ik verkoopen om mijn welkomst te betaalen: en dat gedaan zijnde, zoo moogje wel op mijn handen passen, om ’t uwe van my te bewaaren: want handgauwer mensch vernamje noyt, of die handiger wat wist aan te haalen, en een Hoentje lekker toe te maaken, te kooken, te braaden, te roosten, te bereyden, jaa, begett, ook t’ ontweyden, ontleeden en op te smullen, als ik, die hier by u ben. En tot mijn (Proficiat) intreed wil ikje, mijn goede makkers, al te maal eens toedrinken.
    Daarmee haalde hy sijn holster oopen, de [
p. 136] fles voor den dag, en dronk zonder de neus daar in te steeken een tamelijk teugjen: daar gingen die Aapen rond om staan gaapen, sperden haar keelen een spanne wijd op, en lurkten en likten met haar lang uitgesteeken tongen, als verhitte Honden en Haasen, hoopende daar na een slokje te krijgen. [Tripet spot met den armen duivel.] Doch den Hooftman Tripet quam’er toen juist toe geloopen, om te zien wat’er te doen was; dien hy de fles aanbood; en zeyde; Houd daar Heer Hopman, zuyp zonder schroomen, ’t zalje wel bekoomen: ik heb’er de voor-proef al af gedaan: ’t is wijn van Faye Moniau. Wat nu sprak Tripet? Dees gast begekt ons. Wat benje voor een. Ik ben (zey Gymnastes) een armen Duyvel. Ha, ha! riep Tripet, benje een armen Duyvel? zoo moogje wel voortaan gaan: want d’ arme duivels laat men gaan over al zonder tol te betaalen. Doch ’t is geen gewoonte, dat arme Duyvels in zoo rijken rusting te Paarde rijden; derhalven, mijn Jonker Duivel, treed een maal af, dat ik uw bruyntjen eens gebruyk: en draagt hy my niet wel, zoo meugt gy, Meester Duyvel my draagen: want ik wenschte wel eens, dat my zulk een Duivel weg-voerde.



[
p. 137]

                XXXV. HOOFT-DEEL.

    Gymnastes brengt den Hooftman Tri-
        pet met een abelheid omhals, en veel
        ander Volk van
Picrochole.

ALs zommige dit zeggen hoorden, begondense een schrik op ’t lijf te krijgen: en haar met alle handen te kruissen en zeegenen; denkende dat het een vermomden Duivel was: Een van haar geheeten Jan Goebloed, Hooftman der Franctopinen, trok sijn getij-boek uit de boksen, en schreeuwde als een mager verken (Hagios ho Theos!) Och, Heilige God! behoed ons doch: en benje, O geest, van God, zoo koom an: of benje van de Duivel, zoo sta van. Maar hy had’er den bruy af, en beefde als een baksteen, en week niet een voet. ’t welk veele van ’t Volk verstaande, liepen weg van hun Vaandel.
    [Capriol met trillende benen.] Dit alles nam Gymnastes wel naau in acht; derhalven veinsde hy van ’t paard te treeden: en terwijl hy ter zijden op den stijgbeugel bukte, draaijde hy daar op zich behendelijk om, met sijn pookjen op zy, slingerde zich van om laag in de lucht, en quam staan met sijn voeten op de Zadel, sijn gat gewend na de kop van ’t paard: en sprak; mijn geluk loopt verkeert: daar op deed hy soo staande een trillsprong en daalde op’t een been, en draijende zich slinks-om op sijn hiel, zette zich effen zoo hy d’ eerstemaal zat weder in de Zadel.
[p. 138]
    Hey! riep Tripet, ik zal u voor desemaal en om reeden dat niet nadoen. Een scheet, dat is niet een beet, zey Gymnastes: ’k heb ’t noch niet wel gedaan: ik gaa mijn misslag verbeeteren: [Wondere geswintheid te paard.] daar op hervatte hy ’t voorige; doch draeijde zich naa den krul-sprong ter rechterhand om, zette de rechter duim op den Zaadel boom, lichte ’t heele lijf in de lucht, zoo dat’et alleen steunde op de spieren en zeenuwen des duims, en slingerde hem zoo drie maal rondom: ten vierden maal swaaijde hy, zonder iets te roeren, sijn gansche lichaam luchtig op den kop van ’t paard, zette sijn linker duim tusschen de ooren, en draijde daar op sijn geheele lijf om, als een moole-wiek: daar na slaande ’t plat van sijn rechterhand op ’t midden des Zaadels, gaf hy zulken swier, dat hy achter op ’t gat van ’t paard zy-lings te zitten quam, eeven als de Juffertjes doen: toen swang hy sijn rechter-been met gemak over den Zadel, en zette zich zoo schrijlings als een Ruiter achter op. Maar, zeide hy, ’t zal best zijn, dat ik my midden in de Zadel zet: daar mee met beide duimen voor zich neer op de rug van ’t paard geset, rolde naars over kop in de lucht, dat hy recht op sijn gemak in de zaal te zitten raakte: en wederom met een luchtigen sprong hief zich recht over eind, voegde de voeten dicht aan een tusschen de beide zadelboomen, draijde zich meer dan hondert maal om, met de armen uitgestrekt in ’t kruis, en kreet luid en leelijk; ’k word raasend, gy Duivels, ’k word dul en uitzinnig; za houdme, gy droesen, kom houdme gy drommels, houd, houd.
    [By geloovigheid.] Terwijl hy dus beuittelde en tierde, zeiden [
p. 139] de omstaande neskebollen d’een tegen d’ander; gantz-zakker-eelemaalementen ’t moet gewis een bytebau, of spook, of den Duivel zelfs zijn in menschen schijn; (ab hoste maligno libera nos Domine) o Heer! behoed ons voor dees boose viand. Daarmee gelijkelijk op een loopen; watse loopen mogten, of haar de Duivel al achter de vodden was, t’elkemaal omkijkende als een haas die voor de honden vlugt.
    Wanneer nu Gymnastes sijn kans op ’t schoonste zag, steeg hy van ’t paard, trok van leer, sloeg, stak en hieuw in ’t honderd, met groote boere slagen, datse by meenigten over hoop vielen gequetst, gewond en gedood, zonder dat zich iemand verweeren durfde: dewijlse waanden, dat het een verhongerden Duivel was; zoo om sijn wonderbaarlijk bedrijf, als de bystere reeden, die Tripet met hem gehad hadde, toe hy hem armen Duivel noemde.
    [Tripet gedood.] Den Hooftman Tripet meende wat meer als Jan-hagel te doen, en zoud hem schelm-achtig van achter den kop geklooft hebben met sijnen duitschen deegen, indien hy daar niet wel gewaapent ware geweest: maar hy gevoeld’er niet af dan de swaartte van den slag: derhalven zich haast herstellende, wierp hy Tripet met een stuk spiets na de kop; en terwijl die hem van boven te beschutten zocht, gaf hy van onder hem zoo schriklijken houw in sijn pens, die den drek darm en lever doorsnee, dat hy ter aarden neder plofte, en wel vier potten vol zoppe, en sijn ziel daar onder, over-gaf.
    Toen dacht Gymnastes tijd te zijn, om met goede order weder af te trekken, na-de-maal men de gevaarlijke aanslagen niet ten uittersten [p. 140] vervolgen moet; maar een jegelijk kloek Krijgsman toestaat, sijn zeege heusselijk te handelen, zonder die te veel te vergen; tot dat hy’er lijf en ziel by in-schiet en te verliesen komt. Derhalven hy flux op sijn paard springende, ’t zelve de spooren gaf, rijdende recht-uit na Vauguiom, waar Prelingand hem volgde.



                XXXVI. HOOFT-DEEL.

    Gargantua trekt na ’t Kasteel by de
        waatering van
Vede: zijn rijbeest
        pissende, doet een hooge vloed koo-
        men, daar veele vianden door ver-
        drinken: trekt een groote boom uit,
        waar mee hy ’t Kasteel en Toorens
        needer-slaat.

MEt goeden spoed quam Gymnastes wel haast tot Vauguion, alwaar hy Gargantua verhaalde, in wat staat hy de vianden gevonden had: en ’t bedrog, daar mee hy hem behielp; hy alleen, tegen haar geheelen hoop: verzeekerende, dat het niet dan een deel rabauwen, struik-roovers en straat-schenders waaren, gansch onkundig in eenige krijgs-tugt, order of beleid: dat hy derhalven zich wel schroomloos op weg begeven mogt; alzoo ’t hem zeer licht zouw zijn haar alle als beesten te slachten.
    [Een boom tot een wandel stok.] Daarmee steeg Gargantua op sijn groot wonderbaarlijk Beest, gevolgt van sijn gewoon ge- [
p. 141] zelschap. En in sijn weg een hoogen breeden boom ontmoetende, (gemeenlijk S. Maartensboom genaamt, om dat hy uit des zelfs wandel-stok, dien hy daar in d’aard gesteeken had, gewassen was) zeide hy; hier vind ik ’t geen my ontbrak: dese boom zal my weder tot een wandel-staf of halve-lans dienen: en met een rukten hyse zeer licht uit de grond, brak de takken af, en bereidese na sijn zin.
    [De tweede pisvloed.] Ondertusschen moeste sijn muil-dier stallen, om sijn blaas t’ ontlasten: en het loste zoo veel waaters, dat’er zeven mijlen verr een hooge vloed door ontstond; die allenskens afliep naa het wijde water van Vede; ’t welk daar door zoo hoog op rees, dat den geheelen hoop der vianden daar door schrikelijk verzoop en omquam; uitgenoomen eenige, die den weg aande slinkerhand naa de hoogten gehouden hadden.
    Gargantua het woud van Vede genaakende, wierd hem verwittigt door Eudemon, dat op den burgt noch eenig overschot van de vianden was; om ’t welk wel te weeten, Gargantua haar toeschreeuwde uit zijn kracht, Benje daar binnen, of benj’er niet meer? Sooj’er noch zijt, pak u weg by tijd. Want, alsj’er niet bent, blijfje ongeschend. Maar een schelmzen Schutter, die op de schiet-schans stond, loste een grof geschut op hem, en trof hem zeer ruwelijk aande rechter kaak: doch het deed hem geen meer leed, of men hem met een pruim gegoit had. Wat was dat? Riep Gargantua, werpt men my hier met druive kerlen? Die druif-sniding zal u dier staan: Hy dacht in der daad, dat’et een greintjen uit een druif was geweest.
[p. 142]
    [Kogels voor vliegen aan gezien.] Die noch in ’t slot om te plunderen gebleven waren, hoorende dit gerucht, liepen de Toorens en Muuren bezetten: en deeden meer dan negen duisend vijf en twintig schooten met steen-stukken, en hand-bussen, altemaal mikkende naa sijn hooft; en dat zoo dicht als hagel: zoo dat hy begon te schreeuwen; Och lieve Ponocrates! dese muggen maaken my schier blind, koom breng my daar een tak van een boom, omse weg te jaagen: meenende dat dese loode kogels en ysere-kloten slechts koevliegen waren.
    Ponocrates liep haastelijk heen, om te zien wat hem deerde, maar hy wierd wel haast gewaar, dat’et geen andere muggen waaren, dan die uit hand-bussen en stukken geschuts van de Vesting geschooten wierden; ’t welk hy hem aanwees. Waar op hy sijnen grooten boom-stronk aangreep en sloeg zoo vervaarlijk op Toorens en Muuren, dat alles over-hoop plat ter aarden stortte; waar door al die trotse Schutters, en wat’er meer binnen de burgt wesen mogt, tot gruis en puin verplettert wierd.
    Van daar dan voort-trekkende, quaamense tot aan de molen-brug; daar vondense de gansche wijde waatering met dooden bedekt, met zulken meenigte, datse de watergang des molens t’eenemaal verstopt hadden. Dit waren de lichaamen der geener, die door den hoogen pis-vloed van dat groote dier verdronken waaren. Hier stondense beducht, hoese, om ’t belet van de lijkken, daar door zouden geraaken. Maar Gymnastes zey; zijn dese Duivels daar over geraakt, ik zal’er mee wel over komen. De Duivels, zeide Eudemon, zijn’er over- [p. 143] gevlogen, om de verdoemde zielen weg te voeren. By den steenen Sint Steven, zeide Ponocrates, zoo moet noodzakelijk volgen, dat Gymnastes, die toch een van de armen Duivels is, daar ook wel door raaken zal. Wel jaa, wel jaa, zeide Gymnastes, Ik gaa der op aan, al zou ik in den weg blijven steeken. Daar mee sijn paard de spooren gevende, reed hy ruiterlijk en onverhindert daar door, zonder dat sijn paard in ’t minst voor de doode lichaamen vervaart was: Want hy had het (na de les van Elianus) gewent, voor geen geesten of lijkken te schrikken. Niet, gelijk Diomedes; diese de Traciërs dee dood-bijten en op vreeten: Of als Ulisses; die (na ’t verhaal van Homerus) de lijkken sijner vianden, in stee van stroo, onder de voeten der paarden strooijde. [Middel tegen ’t schrikken der paarden.] Maar met een bullebak te midden in sijn hoy te zetten, en die t’elkens, als hy’t haver gaf, voor sijn gezicht te doen swieren.
    De andere raakten’er mee zonder stoot, zonder slag, door uitgenomen Eudemon; wiens paard met het rechter been, tot aan de knie toe zonk in de buik van een grooten, dikken, vetten schelm, die daar ook verdronken en gezonken was: waar uit hy ’t niet konde trekken: en bleef zoo lang belemmert, tot dat Gargantua met het eind van sijn stok de darmen des dooden onder drukte, terwijl ’t paard sijn voet op hief: en (’t welk wat wonders en een geheimenis in de paard-meesterij is) door ’t aanraaken der darmen van desen dikken pampzak, wierd het paard van een dikken knobbel aan sijn voet geneesen.



[
p. 144]

                XXXVII. HOOFT-DEEL.

    Gargantua zich kemmende, doet een
        deel geschut koogels uit sijn hair
        vallen, die sijn Vader voor luisen
        aanziet: die geeft een groot Gast-
        maal.

WAnneerse nu de water vloed van Vede door gewaad waren, quamense in korten tijd aan ’t Kasteel van Grandgousier, die haar met groot verlangen verwachtte. So haast sy t’zaamen quamen, onthaaldense malkander met duisend omhelsingen, alzoo men noit meer zoo verheugde mensche gesien heeft: want (Supplementum Supplementi Chronicorum) het byvoegings by-voegzel der Tijd-boeken brengt mede, dat Gargamelle toen van vreugde den geest gaf: voor my, ik en weeter niet af: en ik moey me zoo min met haar, als met d’andere.
    [Kogels door ’t kemmen uit ’t hair gevallen.] Maar met waarheid is ’t gebeurt, dat Gargantua zich willende van kleeding verversschen, zich eerst kemde met sijn kam van hondert heele groote Olifants tanden: en t’elken streek meer dan zeven geschuts kogels en klooten, die voor de burgt van Vede in sijn hair-lokken waren blijven hangen, op die vloer vallen dee. ’t welk Grandgousier sijn Vader ziende, dacht dat’et luisen waren, en zeide; Och mijn lieve Zoon, hebt gy ons tot hier toe zulke sperwers [p. 145] van Montagu meegebragt? Ik en hoorde noit dat gy daar uw verblijf gehouden had.
    Daar op antwoorde Ponocrates: Mijn Heer, en denk niet dat ik uw Zoon gebragt heb onder de bende der luis-bossen, die men tot Montagu zeit te zijn: liever had ik hem willen bestellen by die kakhuis-troonien van Sint Jnnocent, om d’ ongewoone wreedtheid en vuiligheid, die ik daar bevonden heb: want veel beeter worden de slaaven by de Mooren en Tartaaren gehandelt, zelfs de moordenaars in doodlijke gevangenis, jaa ook de honden in uw huis, dan d’arme verdoolde in dese school. Soo ik Koning van Parijs was, ik ben een honderd duisend schelm, zoo ik’er ’t vuur niet in stak, en liet branden den bruy, het huis met de huis-houders, die zulken onmenschelijken handeling gehengen, en met goede oogen aanzien. Toen een van de kogelen opvattende, vervolgde hy; dit zijn geschut schooten, die uw Zoon noch onlangs ontfangen heeft in ’t voorby-trekken van ’t Bosch by Vede, door ’t verraad uwer vianden.
    Maar sy zijn’er zoodanig voor vergolden, datse alle onder den val van ’t Kasteel zijn dood gebleven en verplettert: Even als de Philistinen door de behendigheid van Sampson. En op zoo goeden begin, zou mijn meening zijn, datmen den Viand voorts behoorde te vervolgen, terwijl het nu onse tijd is: want Fronte capillata, post est occasio calva.
        ’t Geluk moet zijn van voor gevatt;
        Daar heeftse een hairetop:
        Gy loopt vergeefs haar achter’t gat:
        Grijpt haar kaale kop.

[
p. 146]
    [Overgrote voorraad tot een Avondmaal.] Zeeker zeyde Grandgousier; dat zal voor dees tijd niet willen weesen: want ik wil u van deesen avond eens ter deegen onthaalen: en weest derhalven hertelijk welkoom. Daar op wierd het avondmaal vervaardigt: en ten overvloed gebraaden sestien Ossen, drie Varren, twee en dertig Kalven, drie en sestig Zuig-lammen, vijf en ’t negentig Hamels, drie hondert Speen-Verkens, twee hondert en twintig Veld-hoenders, zeven hondert Sneppen, vier hondert Kapoenen van Loudunois en Cornuaille, zes duizend Kuikens en jonge Duifjes, zes hondert Hoenders, veertien hondert Haasen, drie hondert en drie Trap-gansen, met een deel kalekutsche Hennen en ander geveedert tot duisend zeven honderd in ’t getal.
    Wat aangaat het Wildbraad, dat heeft men zoo haast niet konnen bekoomen; alleen waren’er twaalf wilde Swijnen, die den Abt van Turpenay zond: achtien wilde Beesten, die den Heer van Grandmont schonk: hondert en veertig Faisanten, die den Heer van Essar schikte: en etlijke dozijnen wilde Duiven en Watervogels; van Eenden, Teelingen, Duykers, Smeenten, Meer-kollen, Putooren, Pluvieren, Leepelaars, Kievijts, Mal-meeuwen, Reygers, Oijevaars, ook Indische Hennen, daar by noch veele en veelerlerley Leepelkost, Zoppen en Pappen: ook Frikkedellen, van Lappen en Vellen, met lekkeren Honts-vot, Huts-pot zoud ik zeggen: en alles wierd op’t zoetst en zierlijkst toebereydt en gedischt door Frippezauce, Hochepot, en Pilleverjus Kokken van Grandgousier: Jannot Micquel en Verrenet verzorgden voort om fraay en fris te drinken.



[
p. 147]

                XXXVIII. HOOFT-DEEL.

    Gargantua slingert ses Pilgrims in, on-
        der sijn salaad.

HEt vervolg van ons voorgenomen verhaal vereyscht, dat wy al vooren vertellen het geene aan ses Pilgrims gebeurde: dese komende van S. Sebastiaan naa-by Nantes, zochten zich, zoo om ’t naaderen van de nacht, als uit vrees voor de Vianden, by die onveylige tijd, ergens te verbergen en te herbergen: dus warense eerst tusschen de Erte-Boomen gaan leggen, om met een wat te eeten: daar na om meerder zeekerheid en gemak, kroopense tusschen de Kool en Zalaa-kroppen in, om daar wat te rusten.
    [Salaa-kroppen soo groot als een Noote-boom.] Onder des komt Gargantua, die zich een weinig qualijk gevoelde, te verneemen, of’er niet eenige kroppen te krijgen zouden zijn, tot een zalaatje voor hem alleen: en bemerkte dat’er noch genoeg van de schoonste en grootste in ’t land, stonden; want sy waaren wel zoo groot als een Pruym- of Noote-Boom: hy gingze dan zelve uitzoeken, en trok uit met sijn hand dien hy best bevond: dus greep hy juist die Kroppen, daar de Pilgrims tot haar nachtrust in gedooken lagen: met zoo grooten vreese bevangen, datse spreeken noch hoesten durfden.
    Hy gingse voorts zelve afwasschen in de Fonteine; waar de Pilgrims schier verzoopen: [p. 148] dies luisterdense malkander zachtjes toe; wel wat zalmen doen? Wy verdrinken hier tusschen de Zalaads-blaaden: willen wy spreeken? Maar dan mogt hy ons als Verspieders dood-slaan: en terwijlse dus Raadsloegen, leyde Gargantua haar met de Zalaad in een Schottel van den huyse, breeder als de bodem van ’t Heydelbergze Wijn-vat: en atse met Oly, Edik en Zout tot een verversching voor ’t avondmaal propertjes op: [Pilgrim voor een Slek ingeslokt.] Hy had alree vijf van de Pelgrims in geschokt, de seste lag noch in de Schotel onder een Zalaads-blaadtje verborgen, doch sijn Palster-stok stak een beetje boven uit; ’t welk Grandgousier gewaar wordende, zeyde hy tot Gargantua; my dunkt dat daar een Slek aan zit, ik zie zijn hooren, eet toch dat niet op. Waarom? zeide Gargantua: in dese maand is’t alles gezond: met een grijpt hy het Blad met den Pilgrim en smulde het zoetjes op. Daar op dronk hy een louteren teug lekkere Wijn, wachtende dat men ’t avondmaal gereed maakte.
    De ingeslokte Pilgrims repten en scherpten haar om met’er haast over ’t Hek van de Tanden te geraaken: en dachten dat men haar wierp in eenige diepe kuil van de Gevangenis: maar toen Gargantua dien grooten teug dronken, zorgdense in sijn mond te verzuipen: en de sterke stroom van de Wijn zoudese schier mee weg-gescheurt hebben in de af grond van sijn Maag, indiense met haar Pilgrims-stokjes niet gesprongen hadden als Kakkelakken na de hoogte aan ’t eind der Tanden. Maar by ongeval quam een van haar, na een harde en vaste grond voelende, om te weeten of hy al in zeekerheid was, met sijn scherpe stok wat [p. 149] stijf te stooten in de groeve van een uitgeholde Maaltand, en trof de Zeenuw van’t Kaakbeen; waardoor hy aan Gargantua zeer groote pijn veroorsaakte; zoo dat hy door d’ onlijdelijke smert als raasende begon te schreeuwen. Om hem dan van sijn quaal te verlichten, liet hy sijn Tandmeester haalen.
    [Zeven mannen in een mond.] Soo haast de zelve gekoomen was, greep hy hem by ’t Ribstuk, en zette hem drijvende in sijn mond aan de zy, daar hy de pijn gevoelde: daar zag hy de arme Pilgrims recht op ’t Lijf: en greep’er een by sijn schabbelappen, en licht’er hem luchtig uit; dewijl’ hy niet onwillig was: een ander vatten hy by sijn linker Beentje: een ander by sijn Knapsak: een ander by sijn Gordel: ten lesten den arme Schelm, die hem met sijn stok zoo gepeutert had, kreeg hy by sijn Latse; [Gelukkig ongeluk.] ’t welk sijn groot geluk was:
want hy oopende door sijn ruw aantasten, een groot inrottende geswel, dat hem zeedert eenigen tijd zeer pijnlijk was geweest.
    Niemand was blijder dan de Pilgrims, datse dien dans zoo ontsprongen waaren: en stilletjes weg sluipende, ging ’t op een rekken: en sy liepen als Hoenderdieven, dwers over’t Veld, eeven of Heintje-man met sijn Pikstok haar achter de vodden was; doch de vrees en pijn minderde met’er tijd.
    [Derde Pisvloed.] Gargantua dus geneesen zijnde, wierd door Eudemon ter tafel geroepen, dewijl alles gereed was: doch hy wilde eerst een deuntje pissen op de verlichting van sijn leed: daar mee liet hy sijn Waater zoo overvloedelijk loopen, dat de Vloed daar van den Pilgrims den wech overdwerste en afsneed; zoo datse gedwongen wier- [
p. 150] den een wijden weg na den hoogen dijk om te loopen: gaande van daar langs de kant van dien nieuwen vloed tot op den breeden heirbaan, vielense onversiens al t’zamen (uitgenomen Fournillier) in een schalk-kuil, diemen had gemaakt om daar in Wolven met den strik te vangen. Doch door hulp van den zelven Fournillier, die de strikken en touwen brak, geraaktense daar weder uit.
    Derhalven weder voortgaande, quamense by een huis ontrent Coudray; alwaarse zich binnen begaven, en ’t overige van den nacht gingen rusten: terwijlse een weinich wierden verquikt in haar onheil door de troostelijke reeden van een haarder gezellen geheeten Lasd’aller: die haar aan te wijsen wist, dat dit ongeval door David al voorzeit was in sijn heilige gezangen, zeggende, (cum exsurgerent homines in nos, forte vivos deglutissent nos.) Wanneer de menschen tegen ons op-stonden, zoudense ons licht levendig verslonden hebben. Als wy voor karltjes zouts onder den zalaa in geslokt waaren. (Cum irasceretur furor eorum in nos, forsitan aquae absorbuissent nos) Toen haar dulheid vergrimde tegen ons, had het water ons schier ingeswolgen. Wanneer hy dien grooten teug-dronk. (Torrentem pertransivit anima nostra) Onse ziele is over de water-vliet gegaan. Toen wy met onse palster-stokken den grooten wijn-stroom oversprongen. (Forsitan pertransisset anima nostra aquam intolerabilem) Misschien zou onse ziele een onverdraaglijk waater door gegaan zijn; te weten van sijn pis-vloed, als hy ons daar door den weg afsneed. (Benedictus Dominus, qui non dedit nos in captionem dentibus eorum. Anima [p. 151] nostra sicut passer erepta est de laqueo venantium) Gezeegent zy de Heere, die ons niet gegeven heeft in ’t gebit haarer tanden. Onse ziele is gered als een musch uit den strik des jagers. Toen wy in de verschalk-kuil en strikken vielen. (Laqueus contritus est) De strik is verbrooken, te weeten, door Fournillier. (Et nos liberati sumus. Adjutorium nostrum, &c.) En wy zijn verlost. Onze hulpe, zoo en voorts.



                XXXIX. HOOFT-DEEL.

    Broeder Jan de Monik word ontbo-
        den, verwellekoomt, en wel ont-
        haalt: en haar reeden over Tafel.

TOen Gargantua ter Tafel zat, en’t eerste gericht noch genuttigt wierd, begon Grandgousier op te haalen den oorsprong en oorzaak des Oorlogs tusschen hem en Picrochole: en vertelde mee, hoe Broeder Jan van de Entommeures de zeege had behaalt in’t beschermen des Kloosters van de Abdije: en roemde sijn dapperheid boven die van Camillus, Scipio, Pompejus, Caesar en Themistocles. Daar op begeerde Gargantua datmen daadelijk om hem zenden zou; op datmen met hem mogt overweegen wat’er nu wijders te doen was.
    Den Hofmeester teeg’er, volgens hun bevel, na toe: en bragt hem ook aardig en vaardig mede, op de Muil-ezel van Grandgousier met sijn kruis-stang voor uit als een Ridder van [p. 152] Sint Joris. [Welkomreeden.] Toen hy nu aanquam, dee men hem duisend lief koosingen, duisend omhelsingen, duisend goeden dag wenschingen; elk riep om ’t zeerst; Hey Broeder Jan mijn goede vriend! Broeder Jan mijn groote maat! Broeder Jan is een drommel van een Man: kom, om hels my, mijn goeden gast, jaa omarm my mijn lieve makker: Hey, mijn zoete kul! Ik drukje wel uit aapen-min om-armende de lenden in.
    Broeder Jan, niet zoo zeer een geestelijke, als een geestige potzer, bleef niemand in allerley aardige babeguigjes van beleeftheeden, en ongemeende dienst- en eer-biedingen iet schuldig: want hy was de bevalligste en lieftalligste Man van de wereld. Kom, kom, riep Gargantua, zet hier een zetel by my, laat hem zitten aan mijn groene zy. Dat doen ik zeer geern, zey de Monik, nu ’t u zoo gelieft. Jongen, lang hier waater: schenk in, schenk in mijn knaapje, ’t zal me de lever verversschen. Geef hier dat ik my gorgele.
    Deposita cappa, de kap van de kop, zey Gymnastes: laat ons desen keuvel af doen. Och neen! by Sinte Christoffels knap-zak, zey de Monik; mijn goeden Heer Jonker Eedelman: daar staat (in statutis Ordinis) in d’ instellingen onser orde een hooft-stuk, waar in ’t zelve wel hartelijk verboden word. Ik heb den bry en den bras van uw Orde en dat kop-stuk: desen dikken bolke-vanger zal uw den hals en beide schouderen breeken: laat vallen den bruy. Laat blijven mijn broertje, zey de Monik: ik drink’er niet een dropje te minder om: en ’t doet’er mijn lijfjen en leedtjes zoo wel: in dien [p. 153] ik hem afleg, me-jonkers uw jongens zouden’er haast kousse-banden af maaken, gelijk my eenmaal gebeurd is tot Coulaines: zonder dese kap zou my d’ eetlust vergaan: maar als ik daar mee aan Tafel zit, zal ik drinken beget tegen u, en uw paard. Za lustig met vreugden! helder op mijn hertjes! d’Heer behoe het goed gezelschap voor alle leed.
    Ik had mijn avond-maal al gedaan, doch daarom zal ik niet te minder murwen: want mijn maag is gevloert, en zoo hol als Sinte Benedictus leers: altoos geopent, als een pleitdrijvers [Advocat] beurs. Van alle visschen houd ik best de platte: van ’t veld-hoen de vleugel: of van een Nonnetje de billen. Onse Klooster-voogd houd veel van ’t witte aan een Kapoen. Daar in (zeide Gymnastes) gelijkt hy de Vossen niet: want van Kapoenen, Hennen of Kuikens eetense noit het witte. Waarom? zeide Monik. Daarom antwoorde Gymnastes, om datse geen kokken hebben, om die te kooken: en alse niet na behooren gekookt zijn, blijvense rood, en mogen geen blankaars heeten. [Wat Cardinalizeeren is.] De roodigheid van de spijs, is een teiken van niet wel gekookt te zijn; uitgenomen krabben en kreeften, die men in ’t kooken Cardinalizeert: dat is, rood-maakt. Soo ik wil een duisend schelm en schijtebroek wesen, zey de Monik, indien onse poort-wachter een wel gekookten kop heeft: want sijn oogen zien zoo rood, als de lellen van een Kalkoen. Dit haase billetje is goed voor de gigt.
    Maar om meer te spreeken van bille-boutjes: Waar door komt het dat de achter wangen van een Vrouw-mensch altijd koel zijn? Dat vraag- [p. 154] stuk staat (antwoorde Gargantua) niet in de Natuur-kund van Aristoteles, noch van Alexander Aphrodisius, noch van Plutarchus. Ik zal ’t, zey de Monik, nochtans oplossen. Daar zijn drie oorsaaken, waar door natuurlijk een plaats verfrist of verkoelt word: Ten eersten, door dien’er ’t water by langs loopt: Ten tweeden, om dat’et een beschaaduwde, donkere en dompige plaats is, daar de zon nimmer in schijnt: En ten derden, om dat’et doorgaans bewaaijt wordt door den wind uit het noorder- of achter-gat, als ook, door’t beweegen van ’t hemd, en dan noch by-wijlen van de latse.
    Wel op van vreugden! za jongen schaf vocht! knap-handig, riep de Monik, hoe goed is die ons heeft bedocht met dit aangenaame vogt? Ia ik wilje wel sweeren, by alle zeven zakkermenten, had ik by d’ Apostelen geweest, ik zou’er wel een schutje voor geschooten hebben, dat de Jooden onse Heere op den Olijf-berg niet gevangen hadden: en haalme den heslijksten Heintjeman, had ik haar de hak-zeenuwen niet stukken geslagen, die zoo laf hertig haar Heer in de peekel lieten steeken, na datse een goed avondmaal met hem gedaan hadden. Ik haat meer als de dood, een man die d’ hakken laat zien, als hy ’t hooft moet bien.
    Foey! dat ik geen Koning van Frankrijk ben geweest voor tachtig of hondert jaar! Ik zouje, by gans-akker-eele-maale-menten, al die schelmze vluchters voor Pavie tot kort-steertte honden gemaakt hebben: dat haar de derde daags koorts op den hals vaar: waarom sneuveldense niet liever, als datse haaren goeden Heer en Vorst in dien uittersten nood lieten?
[p. 155]
    Is ’t niet veel eerlijker en heerlijker, manhaftig strijdende te sterven? Als vliedende een eerloos leven te behouden? Dit jaar zullen wy weinig Gansen eeten. Hey, mijn vriend, lang over een hagchje van dat speen verkentje: datje nu de drommel niet wil, de most is op: ik swijm, ik swijm, ik smoor schier van dorst. Dese wijn is mee niet van den argsten. Wat wijn dronkje tot Parys? Soo haalme duisend Duiven, en de Doffers daar toe, indien ik aldaar niet ses maanden aan-een open hof, of huis heb gehouden voor yder die maar in quam. Kenje Broer Claas van hoog Barrois niet wel? O wat goeder gezel is dat! Maar wat wesp mag hem gesteeken hebben; hy doet niet dan boekzuffen, zedert ik weet niet wanneer. In onse Abdije oeffenen wy ons nimmer in de boeken, uit vrees voor krankzinnigheid. Onsen overleeden Abt plag te zeggen, dat’et een wonder boven wonder was, een geleerden Monik te zien.
    [Schoon Moniks Latijn.] Mijn Heer, en mijn vriend (Magis magnos Clericos non sunt magis magnos sapientes) De grootste geestelijken zijn geenzins de grootste geleerden. Noit zaagje zoo veel haasen, als’er dit jaar zijn. Ik heb noch valk noch havijk konnen bekomen in eenig plaats ter wereld. Mijn Heer van Belloniere had my een sparwer belooft, en onlangs schreef hy my, dat hy de pip gekreegen had. Nu zullen ons de Veld-hoenders vernielen. ’t Is my geen vermaak te leggen loeren met het slag-net: ’t verkouwt my te zeer: als ik niet loop, en giens en weder ren, ben ik niet op mijn schik. ’t Is wel waar, als ik spring over heggen en hagen, dat dikwijls [p. 156] mijn kap daar hair laaten moet. Ik heb weer een geswinden haase-wind gekreegen, ik wil hem wel verwedden, dat hem geen haasjen ontkomt. Een dienst-knaap [Laquay] leide hem na den Heer Maulevrier: ik namse hem af: deed ik’er qualijk aan?
    Neen, Broeder Jan: zey Gymnastes, o neenje toch: pots tusend slapper-menten, neen. Zoo, zoo, zey de Monik, by Sint Lucifer en al sijn Helsche Heiligen, ’t is wel geantwoord: leert zoo voort. Maar, om de lieve, loddere, nieuwe nieuwigheid, wat zou dat bugcheltje daar mee gedaan hebben? hy heeft by den akkermijsten veel liever, datmen hem een goed koppel Ossen schenkt. Wel hoe! (zey Ponocrates) gy sweert, Broeder Jan. Dat is (hernam de Monik) maar om welstaans wil, alleen tot pronk-woorden, om de reeden mee te zieren: en, naa de Reeden rijk-konst van Ciceroe, en schoone kleur en geur te geven.



                XL. HOOFT-DEEL.

    Waarom de Moniken van alle men-
        schen gemijd en ontweeken worden:
        en waarom den eenen veel grooter
        neus heeft, als den anderen.

IK zou schier dol worden, zeide Eudemon, op dat vijse volkjen, dat zulke lustige lieden, als dese Monik, zoo quaalijk lijden mag; nademaal hy ons geheele gezelschap ten [p. 157] teenen uit verheugt heeft door sijn holbollige reeden. Wat mag doch d’ oorzaak zijn, datmen de Moniken uit alle goede gezelschappen bant? haar heetende Spel-breekers, en vreugd-verstoorders: even als de honig-bijen d’onnutte holmen van haare korven weeren: zoo Virgilius verhaalt: (Ignavum fucos pecus à praesepibus arcent) De bijen jagen al de holmen van haar korven; die anders wierden door dat leuy gediert bedorven.
    Waar op Gargantua dus antwoorde; daar is niets zoo zeeker als dit zeggen; dat de kap en de keuvel na zich trekt allen euvel: want even als den noord-oosten wind Caecias alle wolken na hem haalt, zoo schijnen ook die grove pijen ten doel te staan van alle lastering, smaad en vervloeking des werelds. [Waarom de Moniken veracht worden.] De blijkbaarste oorzaak daar af is, datse den drek des werelds (dat is, de zonden) op eeten: en datmen derhalven haar, als drek-vreeters; en ook haare huisen, (’k meen Abdijen en Kloosters, van wereldze ommegang afgescheiden) schuwt.
    Maar indien gy weet, waarom een Aap altijd in een huisgezin meest belacht en beleedigt word; zoo zult gy mee mogen begrijpen, waarom de Moniken meest verschooven en versnooven worden van ouden en jongen: De Aap bewaart geen huis, gelijk de hond: Sy trekt de ploeg niet, als den Os: Sy geeft geen melk of woll, gelijk het Schaap: Sy draagt geen pak, gelijk het Peerd. ’t Geense doet, is alles te bedrekken en bederven; ’t welk d’ oorzaak is, dat yder-een met smaaden en smijten haar onthaalt.
    Van gelijken een Monik (ik meen de leuije [
p. 158] leedige buik-beesten van Moniken) die arbeid niet, gelijk de Landman: Hy beschermt sijn Land niet, gelijk een Oorlogs-man: Hy helpt geen kranken tot gezondheid, gelijk de Genees-meester: Hy predikt noch onderwijst de wereld, gelijk een goed Leeraar en Stichter, door Gods woord: Hy brengt geen voordeel, of nood-druft aan ’t gemeene best, gelijk een Koopman. En dat is de oorzaak, waaromse van een jegelijk uitgejouwt en geschuwt worden.
    [Godsdienst der Moniken.] Iaa-maar, zeide Grandgousier, sy bidden God voor ons. Geen ding doense minder: (antwoorde Gargantua) in tegendeel ontrustense de gansche gebuirte door’t baaijaarden en bengelen van haare klokken, schellen en bellen. Dat moet zoo zijn, zeide de Monik: want een misse, (metten, en vesperen) morgen- en avond-dienst, wel beluid zijnde, zijn wel half gedaan. Men mommelt’er een deel legenden, en psalmen, daarse niets af verstaan: Men telt’er Paternosters, door-spekt met Ave-Marien, zonder eenige weetenschap of gedachte daar af te hebben: en dat noem ik God bespotten, en niet God bidden. [Waarom gepleegt.] Maar zoo moet haar God helpen, zose voor ons bidden uit yver, en niet uit vrees van haar lekkere beetjes, en vette zopjes te verliezen.
    Alle oprechte Kristenen, van alle staaten, op alle plaatzen en tijden, bidden God: en de Geest bidt en spreekt voor haar: en God neemtse in genade. Zulk eenen nu is onse Broeder Jan: daarom zoekt elk sijn gezelschap: Hy is geen veinsaard, Hy is geen slordebel: Hy is een eerlijk, en rustig goed gezel:
Hy werkt, Hy arbeid, Hy verdeedigt de verdrukte: Hy ver- [p. 159] sterkt de mismoedige: Hy helpt de verleegene: Hy beschermt het Klooster van sijn Abdije.
    [Kloosteroeffening.] Noch doe ik al meer, zeyde de Monik: want terwijl ik mijn morgens- en jaarlijkze diensten al rabbelende ver-richt, draay ik met een peesen tot Boogen, bereyd Pijllen en Flitzen, maak Strikken, Netten en Tesschen tot Konijn- of Vogel-vangst: zoo dat ik nimmermeer leedig ben. Maar nu eens gedronken, is geen kaas ge-eeten, zeide Grandgousier: ’t za lustig schaf drinken. Disch op de vrugten. Dit zijn Kastanien uit het bosch van Estroe, met goeden nieuwen Wijn; weetje wel, datse saaije Veestmaakers zijn? Je bent noch van binnen niet genoeg bemost en bemuscadelt. Gants-bloed-beuling en Darmen! zey de Monik! ik drink ’t al tot den bodem, gelijk ’t Paard van de Promotor.
    Broeder Jan, riep Gymnastes, vaag de snotbel van je neus. Ha, ha! zey de Monik, heb ik nood van verdrinken, nu ik tot de Neus toe in ’t water ben? o neen ik, o neen. (Quare? Quia) waarom? daarom, dat het water wel uit, maar niet-in-loop: want het is wel bewijngaardt: of met tegengift van Wijn gaard-bladen bewaart. Maar mijn vriend, die van zulk leer Winterstevels had, mogt vry en veylig Oestervisschen: want’er geen water zou doordringen.
    Hoe komt’et, zey Gargantua, dat Broeder Jan zoo braven neus heeft? Daar door, antwoorde Grandgousier, dat’et God zoo gelieft heeft; die ons maakt van zulken gedaante, en tot zulken end, als ’t hem behaagt, gelijk de Pot- [
p. 160] bakker sijn Vaten. Neen, daarom misschien, sprak Ponocrates, om dat hy d’ eerste ter Neusmerkt is gekomen, en de grootste en schoonste heeft konnen uitzoeken.
    [Waarom d’ een grooter Neus heeft, als d’ ander.] Zoo raadje ’t niet, zey de Monik: na de Moniklijke vollezop-fieltery, is ’t daar door by gekomen, dat mijn Amme bolle Borstjes heeft gehadt, zoo dat mijn Neus daar in onder ’t zuigen zoo zacht als in boter zonk, en derhalven onverhindert oprees en aanwies, als gezuirde deeg? door de harde Mammen van de Voedsters krijgen de Kinders kromme Snavels. Maar voor ’t best op het lest, noch een veersje van het teersje, door een Monik gemaakt (Ad formam nasi cognoscitur ad te levavi) Na dat de Neus is groot of klein, Achtm’ ook het Man-lid in ’t gemein. Jongen schaf vocht, en een hartlijk beetje daar toe.



                XLI. HOOFT-DEEL.

    Broeder Jan doet Gargantua slaapen:
        sijn Gety-boek en Bede-stonden:
        sijn Waapening nevens d’ andere.

HEt avondmaal ge-eindigt zijnde, raadslaagdense over d’ aanstaande tocht: en beslooten met malkander, datse ontrent middernacht zouden uittrekken tot een scharmutzeling, om te weeten hoe wakker en yverig de Vyanden waaren: en datse onderdes een weinig zouden rusten, om dan te frisser te zijn. Doch Gargantua konde niet slapen hoe hy zich keerde of wendde. Dies de Monik [p. 161] tot hem zeyde; Ik slaape noit met meerder geneugt, dan als ik in de preeke ben, of mijn gebed doe. Ik bid u; laaten gy en ik eens beginnen de zeven psalmen: en zien of gy niet in slaap zult zijn. Die vinding docht Gargantua zeer goed: en, beginnende den eersten Psalm; (Beati quorum) Gelukzalig welkers, enz. Viel d’ een zoo wel als d’ ander in slaap.
    Maar de Monik miste nimmermeer voor middernacht wakker te worden; zoo was hy gewent tot de Klooster-metten. Hy ontwaakt zijnde, wekte voort all d’ andere op; zingende zoo luid als hy mogt; Waak op, Reynout, waak op: O Reynout wilt ontwaaken, enz. Toense altemaal gewekt waren, sprak hy haar dus aan; men zeyt, mijn Heeren, de metten beginnen met hoesten, en ’t Avondmaal met drinken: laat ons het tegendeel doen; laaten wy nu de metten aanvangen met drinken, en t’ avond tegen den eeten meugen wy elk om best hoesten. Waar op Gargantua zeyde, zoo haast na ’t slaapen te drinken, is niet geleeft na ’t voorschrift des Geneesmeesters; men moet eerst de maag van overtolligheden en afgang zuiveren. Dat is, zey de Monik, al wel geartzenyd; Maar, laat my vry honderd duisend Drommelen met Pijpen en Trommelen om ’t lijf springen; zoo’er niet veel meer oude Dronkaarts, als oude Artzen zijn. Ik heb met mijn honger een zoodaanig verdrag gemaakt, datse altoos met my te bed zal gaan: en daar draag ik zelfs goede zorg voor: en ’s andere daags staatse ook met my weder op. Gy meugt u verzien en verzorgen zoo veel je wilt, ik ga na mijn Gaapstok. Wat Gaapstok vraagde Gargantua, [p. 162] [Gebruik van ’t gebeedboek.] mijn Getijboek, zeyde de Monik: want eeven zoo de Valkeniers haare Vogels, eerse die spijsen, op eenig Hoender-been doen bijten, om haare herssenen van stuimen te zuiveren en haare maagen graag te maaken: alzoo ik ’s morgens handelende dit mooy klein boekje, reinige mijn long, en zie daarmee ben ik belust te drinken.
    Waar toe, vraagde Gargantua, spreekt gy dese lieve uir-gebeedtjes? na de wijse van Fecan antwoorde de Monik; drie liedtjes, drie lesjes of geen, van al, die ’t niet en lust of belieft. Ik verbind my noit aan beed-stonden: de uuren zijn voor de menschen, en niet de menschen om de uuren: daar om handel ik de mijne, alsmen doet met de steegelreepen; ik verkortse of verlangse als ’t my goeddunkt (Brevis oratio penetrat coelos: longa potatio evacuat Scyphos.) Een kort gebed stijgt heemel-hoog: lang drinken maakt veel beekers droog. Waar staat dat geschreven? By mijn zoolen, zey Ponocrates, dat zou ik niet konnen zeggen: mijn klein keutelzakjen, je bent te ondeugende fraayen vent: daar in, zey de Monik, ben ik u vry wat gelijk. Maar (Venite apotemus:) kom laat ons te pot gaan, of aandrinken. Daar mee maakte men by meenigte van Rooster-gebraad vaardig, en zoete zopjes van den eersten zood: dies boete de Monik met drinken sijn lust: zommige bleven by hem, andere vertrokken.
    Daar na begon yder een zich te waapenen en toe te Taakelen: de Monik staakense mee tegen sijn dank in ’t harnas; want hy wilde geen ander waapen, als sijn grove Py-rok voor sijn borst, en de Kruis-stang in sijn vuist heb- [
p. 163] ben: evenwel wierd hy haar te geval van ’t hooft tot de voeten geharnast, en gezet op een luchtige looper des lands met een grooten houwer op zy. Van gelijken waren Gargantua, Ponocrates, Gymnastes, Eudemon met vijf en twintig andere, de wakkerste Waag-halsen aan Grandgousiers Hof, alle ten voordeel gewaapent, de Lans in de vuist, en opgezeeten als een Sint Joris, yder met sijn zinkroer op ’t gat.



                XLII HOOFT-DEEL.

    De Monik moedigt sijn makkers: en
        komt aan een boom te hangen.

ALdus toogen d’ eedele Krijgs-helden uit op den gevaarlijken aanslag, van voorneemen t’ onderzoeken hoe se haar hadden te voorzien, wanneer den dag van den grooten en vervaarlijken Veld-slag komen zou? Waar toe de Monik haar moed gaf; zeggende; Kinderen, heb vrees noch twijffel, ik zal u in zeekerheid geleyden: God en Sint Benedictus zullen met ons zijn. Indien ik zoo grooten magt als moed had; ik zouse u (by gants-zakker-mast boomen hout) gaan plukken als eendvogels. Ik vrees niet ter wereld, als alleen ’t geschut. Evenwel weet ik een gebeedtje, dat den Onder-Kerkmeester onser Abdije my geleert heeft, ’t welk iemand behoedt voor alle quetsing des vuurs. Maar my zal ’t niets helpen; door dien ik ’t niet gelooven kan. Niettemin mijn Stok van ’t Kruis zal duivels wonder wer- [p. 164] ken: en zoo ik, by gants slapperment, iemand van u lieden vlugten of flauwelijk vechten zie, zoo mag de Duivel de Drommel wel haalen, indien ik hem in mijn stee geen Monik maak: [Een Moniks kap geneest de blooheid.] en met mijn kap hem heel behelster en beteugel: want dat een gereed hulp-middel tegen iemands bloohertigheid is. Hebt gy niet hooren spreeken van de wind-hond van den Heer van Meurles, die in ’t veld niemendal deugen wille; maar, na dat hy hem een kap over den kop geworpen had, heeft hem, verzeeker ikje by Sint Christoffels kap-stok, niet een haasjen of vosjen konnen ontkomen: en daarom, dat meer is, dekte hy daarmee alle de teeven van dat Landschap, die te vooren als ontniert en slaplendens waaren, (de frigidis & maleficiatis) van de verkoude en betooverde.
    Terwijl de Monik dese woorden in heevigheid uitsprak, quam hy onder een nooteboom door te rijden, langs de weg na ’t willigen woud: en reeg juist den getralijden uit-zicht van sijn helm aan ’t eind van een dikken tak; terwijl hy sijn paard de spooren gaf, dat geen prikkeling veelen mogt; zoo dat het haastelijk voorwaarts schokte; en den Monik, meenende sijn helmet te onthaaken, liet den toom slippen, en hield sijn hand aan de tak, terwijl het paard onder hem weg liep. Dus bleef de Monik aan de noote-boom hangen, en kreet om hulp, moord! brand! en verraad!
    Eudemon was d’ eerste die ’t gewaar wierd, en riep tot Gargantua; Mijn Heer, ay kom en ziet Absalon eens hangen. Gargantua zich der waarts wendende, en ’t gelaat des Moniks aanmerkende, en op wat wijse hy hing, zeide tot [p. 165] Eudemon; gy hebt ’t qualijk getroffen, toen gy desen by Absalon geleekt: Want Absalon verhing hem aan sijn Hair; daar desen kaal-kruin aan sijn ooren hangt. Helpme riep de Monik in ’s Duivels naam: Is ’t hier noch tijd van gekscheeren? Gy gelijkt, dunktme, de afkondigers van de (Decreta) Kerk-besluiten, die zeggen, dat, al wie sijnen naasten zal zien in doods-nood, hy de zelve, by straf van den drie-tandigen ban, veel eer vermaanen zal om te biegten, en in staat der genaade te stellen, als hem helpen.
    Wanneer ik haar dan in ’t water gevallen zal zien, en ree op ’t tipje van te zinken; zal ik in stee van haar de hand te reiken, en te helpen, gaan beginnen een schoone lange vermaan-reede te doen (de contemptu mundi & fugâ seculi) van de verachtinge des weerelds, en vermijdinge der boosheeden deser Eeuw: en, alsse dan stijf dood zijn, zal ik haar eerst op gaan visschen.
    Mijn goede lieve makker (zeide Gymnastes) wacht me daar wat, ik zalje komen haalen, je bentme immer te braaven, kleinen, mooijen Monikjen;

            (Monachus in claustro non valet ova duo:
            Sed quando est extra, bene valet triginta.)
            Een Monik op sijn Klooster-haard
            Is geen twee vuile eijers waard:
            Maar, als hy zich daar uit begeeft,
            Hy wel de waard van dartig heeft.


    Meer dan vijf hondert heb ik wel eer zien hangen: maar van mijn leven zag ik niemand [
p. 166] die meerder aardigheid in ’t hangen had: en dat ik wist, dat’et my zoo zierlijk staan zou, ik wilde al mijn leven wel hangen. Hebje (zey de Monik) niet haast lang genoeg gepreekt? helpme om Gods wil; dewijl gy om d’ anders wil niet en wilt: by ’t kleed dat ik draag, gy zult ’er berouw af hebben (tempore & loco praelibatis) op tijd en plaats, daar af voor heen gerept is.
    Toen steeg Gymnastes van sijn paard: klom op de noote boom: vatte de Monik by de voegzelen van ’t harnas onder d’oxels, en lichtte hem met een hand op: met d’ander maakte hy den helm van den tak los: en liet de Monik zoo ter aarden ploffen, en zich zelf achter naa. Zoo haast de Monik beneeden was, ontsloeg hy hem van sijn geheele waapen-rusting: en wierp ’t een stuk naa ’t ander over ’t veld: en weder neemende sijn kruis-stok, klom op sijn paard, dat Eudemon in de vlugt gevat, en weerhouden had. Aldus dan reedense welgemoed voort; vervolgende hun weg naa ’t willigen woud.



[
p. 167]

                XLIII. HOOFT-DEEL.

    Gargantua met de sijne, ontmoet eenig
        Krijgs-volk van
Picrochole: De
        Monik verslaat den Hooftman
Ti-
        ravant: en word daar naa onder de
        Vianden gevangen.

OP ’t verhaal der geener, die uit de nederlaag ontvlugt waren, toen Tripet door Gymnastes gewond, sijn drek en darmen ontschooten, wierd Picrochole in grooten gramschap ontsteeken; bedenkende, dat ook de Duivels sijn volk aangevallen waaren. Waar over hy den geheelen nacht raad hield, daar de Hooft-lieden Hastivean en Touquedillon voor-gaven en zich beroemden, als of yder van hun zulken kracht had, dat schoon alle Duivelen uit de Hel daar tegen haar aan quamen, sy die zouden konnen verstrooijen en verjagen. ’t Welk Picrochole niet gansch gelooven wilde; en nochtans niet heel mistrouwen. Dieshalven schikte hy, onder ’t beleid van den Grave Tiravant, om ’t Land t’ontdekken, ses hondert lichte Ruiters voor-uit, al t’ zaamen wel ter deege met Wy-waater besprengt, en een (Stole) Paapen-bid-rok tot een Veld-teiken voerende, op datse tegen alle quade voor-vallen voorzien mogten zijn; of de Duivels haar ergens ontmoeten mogten: en door de kracht van dit Gregoriaanze Water, en dese bid-kleeden, de [p. 168] Duivelen dadelijk doen verdwijnen en verswinden.
    Aldus toogense dan al voort, tot dicht by Vauguion en Maladiere, zonder ergens eenig mensch t’ ontmoeten, uit-wiense iets verneemen mogten; dies wenddense ’t weder opwaarts, tot naa-by Coudray; alwaarse in de wooning of ’t hutje van een Huisman de vijf Pilgrims vonden; de welke sy gebonden, en achter-over haar paarden geworpen, wech-voerden, als of het spien geweest waren; wat betuigingen, beeden en smeekingen sy ook deeden.
    Van daar weder af-trekkende na Seville toe, wierd haar Gargantua gewaar: dies zeide hy tot de sijne; Goede Gezellen, hier vinden wy den vianden, en in getal meer dan tien-maal soo magtig als wy: zullen wy’er op in-vallen? Wat Duivel (zey de Monik) zouden wy anders doen? Reekent gy de Mannen by ’t getal, en niet naa hun kracht en kloekmoedigheid? flux
schreeuwde, riep en raasden hy; Val-aan, Duivels, val aan, lijfachtige Duivels, val aan, za, za: Zoo haast de Vianden dat hoorden, waandense gewisselijk dat’et waare Duivels waren; waaromse te zamen met lossen toom (loopje niet zoo hebje niet) hol over bol op de vlugt begaven, uit genomen alleen Tiravant, die sijn Lans vellende, met alle gewelt den Monik op lijf liep, en midden op de borst trof: maar ontmoetende den vervaarlijken heiligen kap, kromde zich ’t yser heel om, eeven of hy met een klein was-kaarsje tegen een ambeeld stiet: Maar de Monik sijn kruis-stang op geheven hebbende, trof zoo treffelijk tusschen hals [p. 169] en kraag op ’t uitsteekend schouder-been [Acromion], dat hem hooren en zien verging, en hy verdooft aan sijn paards voeten nederviel.
    En ziende den priesterlijken bede-rok, dien hy voor een veld-teiken om had, zeide tot Gargantua; pots tusent ’t zijn altemaal enkel Paapen; dit is slechts een aanvang voor de Monik: Ik ben, by Sint Jan, een rechtschapen Monik, ik zalse je verslaan als vliegen. Daarmee reed hy in vollen ren haar achter ’t gat, tot dat hy d’ achterste achter haalde, en maaijdese neder als koorn, slaande rechts en slinks.
    [Middel tot behoudenis voor de moedelose lieden.] Gymnastes vraagde toen Gargantua; ofse de Vianden niet behoorden te vervolgen? Waar op hy antwoorde; geenzins: want na ’t recht oorlogs-beleyd, moet men noit sijn Viand in een staat van wanhoop stellen; om dat zoodanigen nood haar sterkte stijft, en haar moed vermeerdert, die ree verswakt, en haar ontzakt was: en daar is geen beter middel tot behoudenis van bevreesde en moedeloose lieden, als geen hoop van behoudenis te hebben. Hoe meenig overwinning is den overwinnaars door de overwonnene wel uit de handen gerukt, wanneerse zich niet genoegden na reedelijkheid? maar onderstonden haar Vianden alle ten uyttersten t’ eenemaal te vernielen en verdelgen, zonder eenig man te willen overlaaten, om de tijding daar af te Huis te brengen. Zet vry den Vianden tot den vlugt alle poorten en paaden open: en legze liever een zilvere brug, omse maar quijt te werden, en weg te schikken.
    Jaa, maar, herzeyde Gymnastes, sy hebben [p. 170] de Monik. Hebbense, zeyde Gargantua, de Monik? By mijn eer en trouw, wat wil haar dat bitter opbreeken! Maar, om by alle ongeleegentheeden ter hand en ter hulp te zijn, laat ons noch niet te rug trekken, maar in stilte d’ uitkomst afwachten. Want my dunkt dat ik alree den aart onser Vianden kenne; sy beleyden haar zaaken na ’t lot en geluk, en niet na wijsen raad.
    Terwijlse dus wachten onder de Noote-boom, ging de Monik louter sijn gang, en gaf al wie hem voor quam, zonder genaa den lesten zeegen, met sijn Heilig Kruis, zoo dat’ er niemand van na vertelde, tot dat hy geraakte by een Ruiter, die een der arme Pilgrims achter op sijn Paard had, dien hy meende te vermoorden, dewelke hem erbermelijk bad en toe riep; Och! mijn Heer Prior, mijn Heer Prior, help en behoedme, ik bidje.
    [Harde huid van een Monik.] Welke woorden door de Vianden gehoort zijnde, wendense zich om: en merkende dat’er niemand meer dan den Monik was, die haar zoo ter schande maakte, vielense hem alle gelijkelijk met slagen op ’t lijf, of het een Woudeesel was: doch hy had’er gansch geen gevoel van; niet meer ofse alleen sijn Rok raakten: zoo harden huid had hy. Dies vingen, en gavense hem aan twee Schutters te bewaaren, en wendden haar Paarden om; alwaarse niemand tegen haar ziende, zich inbeeldden, dat Gargantua met sijn volk het veld verlaaten had.
    Derhalven rendense zoo zeer als-se konden, om hem te achterhalen: en lieten aldaar den Monik alleen met twee Schutters in bewaaring. Gargantua hoorde ’t gerucht, en ’t gebriesch der [p. 171] Paarden: en zeyde tot sijn volk; mijne makker, ik merk den draf onser Vianden herwaarts aan: en zie zommige der zelver by drommen op ons aankomen: gaan wy ons hier dicht in een sluiten: en zoo in goeden order onsen weg vorderen: door dit middel zullen wy haar tot haar naadeel, en neerlaag, en ’t onser eer en voordeel, kunnen ontfangen.



                XLIV. HOOFT-DEEL.

    De Monik ontslaat zich van sijn
        wachters: en verslaat voorts der
        Vianden overschot.

MEt ongemeene bekommering zag de Monik dit volk heel ongereegelt heen rijden; dewijl hy wel giste, datse gingen om Gargantua en sijn volk te overvallen, terwijl hy haar niet te hulp komen konde: onder des lette hy op ’t gelaat en wesen sijner bewaarders; die hy wel zag, dat geerne met den grooten hoop geloopen zouden hebben, om eenige buit te bekomen, door diense haar geduirig naaroogden langs de valleye, daarse door reeden: daar en boven redenkavelde hy by sich zelf; dese lieden zijn zeer onbedreeven in de Krijgs-zaaken: want sy hebben my noit gevergt dat ik haar trouw sweeren zou: noch mijn geweer afhandig gemaakt.
    Korts daar na toog hy sijn houwer uit, en sloeg den schutter, die hem aan de rechter hand hield, van vooren in den hals, doorsnijdende de strotaaderen en hartaaderen van den hals, met den huyg; en hervattende den slag, trof [p. 172] hy hem tot in ’t rugmerg, tusschen het tweede en derde wervelbeen, zoo dat hy stijf dood ter aarden storte. En voorts sijn paard ter slinker hand omwendende, viel den anderen aan; die ziende sijn makker reede dood, en den Monik hem meer dan te magtig, kreet uit sijn kragt; Och! mijn Heer de Prior ik geef my op: mijn Heer Prior, mijn vriend, mijn Heer Prior.
    De Monik kreet van gelijken; mijn Heer de Posterior, mijn vriend, mijn Heer de Posterior, gy zult op uw (Posteres) achterdeelen wat hebben. Ay doch (riep de schutter al weder) mijn Heer de Prior, mijn goeder Heer, mijn Heer de Prior, ik wensch datje noch een Abt word. By ’t heylige kleed, dat ik draag, zey de Monik, ik zal u hier Cardinal maaken. Wat hebt gy geestelijke lieden gevangen te houden? Gy zult wel haast een rooden hoed van mijn hand ontvangen [Een rooden hoed opzetten: hy meent een bloedigen kop maken]. Onder des jammerde de schutter noch al geduirig aan; mijn Heer de Prior, mijn Heer de toekomende Abt, mijn Heer den Cardinal, mijn Heer de altemaal, ay! ay! ay! mijn Heer de Prior, mijn goede, lieve, kleine Heer de Prior, ik geeft, ik geef my op aan u. En ik (zeyde de Monik) geef u aan alle Duivelen; en daar mee kloofde hy hem den kop met een slag, treffende door ’t bekkeneel, tot op het steenachtig been, oplichtende de twee brein beenen, en de pijlnaad, met een groot gedeelte van ’t Kroon-been, daar door breekende de beyde breinvliesen, en maakende een diepe opening in de twee achterste herssen-hoolen: en de herssen pan bleef hangen aan de huiden ’t herssen-vlies na achteren op de schouders, eeven als den bonnet, die men den Doctor vol- [p. 173] leerden in de geneeskonst opzet, swart van buiten, rood van binnen. Dus viel hy mee al dood ter aarden.
    Daar mee gaf de Monik sijn paard de spooren, en vervolgde den weg, die de Vianden hielden; dewelke Gargantua en sijn gezellen op den grooten weg ontmoet waren: doch haar getal was zoo zeer vermindert door d’ overgroote moord die Gargantua met sijn groote boom, en voorts Gymnastes, Ponocrates, Eudemon en d’ andere daar onder gedaan hadden, datse zich al haar best begonden om te wenden, alle verbaast en verbystert van zinnen en verstand, als ofse de vervaarlijke gedaante des doods zelfs voor hun oogen zagen: [Gelijkenis.] en even zoo men ziet een Ezel, dat een van Junoos paarde vliegen aan sijn gat heeft, of eenig mug die hem steekt, gins en weer loopt, zonder zeekeren weg of pad te houden, verbreekende sijn teugel en touwen, zonder te rusten of azem te scheppen; terwijl niemand merkt wat hem beweegt: want men ziet niet die ’t hem doet. Aldus vlooden de vianden verbystert van zinnen, zonder zelf d’ oorzaak van vluchten te weeten; alleen een algemeene schrik, die haar zielen gevat hadden, dreef haar.
    De Monik merkende, datse alle hoop van behoudenis in haar voeten stelden, trad van sijn paard, en klom op een grooten rots die recht in den weg was: en sloeg met sijn langen houwer op dese vlugters uit sijn kracht, zonder eenige genaade of verschooning; tot dat sijn houw-deegen aan twee stukken brak. Toen dacht hy by zich zelf, dat’et genoeg gemoord en gematst was: en dat de overige mog- [p. 174] ten heenloopen om dese quade tijding te brengen. Derhalven vatte hy in sijn vuist een heirbijl uit de hand van een der verslagene: en ging weder staan op sijn rots, neemende sijn geneugt in de vianden te zien vlugten, en de stervende te zien spartelen: doch onder des deed alle die hy loopen liet haar spietsen, swaarden, lanssen en roeren afleggen: en die de Pilgrims gebonden voerden, stelde hy te voet: en gaf haar paarden aan de Pilgrims, die hy by hem hield: nevens Touquedillon, die hy gevangen nam.



                XLV. HOOFT-DEEL.

    De Monik neemt de Pilgrims met
        zich: en worden van
Grandgousier
        wel onthaalt, onderwesen en ver-
        maand.

DEse scharmutseling dus gedaan sijnde, toog Gargantua met de sijne, uitgenoomen de Monik, weder te rug, en tegen ’t aanbreeken van den dag, quamense te huis by Grandgousier: die op sijn bed God bad om haar behoudenis en overwinning: en soo haast hy haar alle fris en gezond zag, omhelsde hy haar van goeder herten: en vraagde na nieuws van de Monik, maar Gargantua gaf hem daar op ten antwoord; dat de vianden zonder twijffel de Monik hadden. Dat zal, zeide Grandgousier, tot haar gevaar en ongeval gedijen. [p. 175] Daar door is noch dat spreek-woord in ’t gebruik; Yemand den Monik geven.
    Voorts beval hy een braaven ontbijt te bereiden, om haar te ververschen. Als alles gereed stond riepmen Gargantua; doch die was zoo bezorgt, dat de Monik niet voor den dag quam, dat hy eeten noch drinken wilde. Op een kort komt de Monik daar in stappen: en van de deur des Voor-hofs af begon hy al te roepen, ’t za, schenk in koele wijn, frissen wijn, Gymnastes mijn goede vriend. Daar op treed Gymnastes uit, en zag dat het Broeder Jan was, die vijf Pilgrims by hem had, met Touquedillon, als gevangen. Dies Gargantua haar tegemoet ging, en zoo vriendelijk ontving als hy mogt: en bragt hen tot Grandgousier; die na alle voorvallen vraagde. De Monik vertelde hem alles; hoe men hem gevangen had, hoe hy hem uit d’ handen der Schutters had gered, de moordery die hy over weg bedreven, de Pilgrims weder bekomen, en den Hooftman Touquedillon gevangen had.
    Daar naa zettense zich ter Tafel, om een vreugde-maaltijd met malkander te doen. Ondertusschen vraagde Grandgousier de Pilgrims uit wat Land sy waren? Van waarse nu quamen? En waarwaarts hun vordere reise strekte? Lasdaler antwoordde daar op voor allen; Mijn Heer, ik ben van Sint Genou in ’t Land van Berry: Desen is van Paluau: dese van Onzay: dese van Argy: en dese van Villebrenin: Wy komen van Sint Sebastiaan, naa-by Nantes: en trekken’er weder na toe met onse kleine dagreisen. Wel, maar wat meendje te doen (hernam Grandgousier) tot Sint Sebastiaan? Wy wil- [p. 176] den (antwoorde Lasdaler) aan hem onse geloften betaalen, voor de verlossing van de Pest. Och arme lieden! zeide Grandgousier, meent gy dan dat de Pest van Sint Sebastiaan komt? Wel jaa waarlijk, antwoorde Lasdaler; onse Priesters zeggen ’t zelf. Is ’t mogelijk! (zeide Grandgousier) verkondigen die valsche (Profeten) Voor-zeggers u zulke ongerijmde dingen? Lasterense zoo de rechtveerdigen en Heiligen Gods, dat syse den Duivelen gelijk maaken, die niet doen dan alle onheil onder den menschen te weeg te brengen? Gelijk Homerus schrijft, dat de Pest door Apollo in ’t Griekze Heir ontsteeken was: en gelijk de Dichters een groot getal Wan-goden [Vejoves] en Quel-goden [Dieux mal-faisants] verzieren.
    Zoo preekte een Broer Eesels-kop eens tot Sinays; dat Sint Antonius ’t wild-vuir in de beenen bragt: dat Sint Eutropius de water-zucht zond: dat Sint Gildas de gekken maakte: en Sint Genou de gigtige: Maar ik heb hem (hoewel hy my voor een Ketter schold) ten voorbeeld van anderen zoodanig gestraft, dat’er zedert dien tijd zulken Zots-kap niet meer in mijn Land heeft durven komen. En ik verwondere my dat uw Koning zoo ergerlijke zaaken door sijn Rijk leeren laat: wantse zijn strafweerdiger dan zulke, die door Duivels konst of ander bedrog de Pest in ’t Land brengen: De Pest dood niet dan de ligchamen; maar zulke Leugen-preekers vergiften de ziel.
    [Godloosheid der Moniken.] Terwijl hy dus sprak, viel’er de Monik vrymoedelijk op in, en vraagde; Van waar zijt gy, gy zobere gezellen? Van Sint Genou, zeydense: hoe vaart, zeide de Monik weer, den [
p. 177] Abt Franchelion, dien getrouwen by-zitter en pulle-broeder al? En de Moniken, wat goede zier maakenze? By Sint Barbars onder baard, terwijl gy ter beedevaart gaat, gaan sy met uw Vrouwen te kooy. Ho, ho, zey Lasdaler, ik heb geen vrees voor de mijne: want diese maar by dag eens ziet, zal sijn hals niet breeken, omse by nacht te bezoeken. ’t Is (zey de Monik) wel een goed behulp. Sy mag zoo heslijk zijn als een helze Proserpina, sy moet al mee voorhouden, daar de Moniken zoo rondom zijn. Want een goed werkman bearbeid alle stukken zonder onderscheid. Ik wil wel een boef zijn, zoo gyze by uw t’ huis-komst niet swanger en vind: want zelf de schaduw van de klok-toorn des Kloosters is vrugtbaar. Zoo is het dan (zeyde Gargantua) daar mee, als met het water van den Nijl in Aegypten; indien men Strabo gelooven mag.
    Maar gy, mijn ellendige gasten, (zeide Grandgousier tot de Pilgrims) gaat heen in Gods Heeren naam, die u altoos wil geleiden: en laat u na-desen zoo licht niet heen schennen op zoo onnutte en onnoodige reisen: Onderhoud uw huis-gezin: elk werke wel in sijn beroep: onderwijst uwe Kinderen: en leef, gelijk u den goeden Apostel Sint Paulus leert: dit doende, zult gy de bescherminge van God, van de Engelen en de Heiligen genieten: en daar zal noch Pest, noch eenige quaal ter wereld zijn, die u eenige schaade toebrengen zal.
    Daarna nam Gargantua haar meede in de eetzaal om wat voedzel te neemen: maar de Pilgrims deeden niet dan zuchten, en zeiden tot Gargantua; Och hoe gelukkig is het Land, dat [p. 178] zulk een Over-heer heeft: Wy zijn veel meer gestigt en onderricht door de weinige reeden, die hy ons voorgehouden heeft, als door al de Predikingen die in onse stad aan ons gedaan zijn. Het gaat dan (zeyde Gargantua) zoo Plato zeit [Libro 5 de Repub.]; Dat het dan eerst de Rijken wel ging, als de Koningen Wijs-geeren [Philosophes] waren, ende wijs-geeren Regeerders. Voorts liet hy haar Knap-sakken met spijs, en haar Flessen met wijn vullen: en gaf haar elk een Paard, om ’t overige van den weg te verlichten, met eenige stukken geld om af te leeven.



                XLVI. HOOFT-DEEL.

    Grandgousier handelt heuschelijk met
        den gevangenen Hooftman
Touque-
        dillon.

DE Grave Touquedillon wierd voor Grandgousier gebragt, en door de selve ondervraagt na ’t voorneemen en handel van Picrochole, en wat hy met zoo plotselijken inval te winnen dacht? Daar op hy antwoordde, dat sijn oogmerk en besluit was, te overweldigen ’t geheele land indien hy maar konde, om te wreeken ’t geweld aan sijn Koekverkoopers gedaan. [Schoone lessen voor Christen Overheeren.] Dat is (zeyde Grandgousier) al te veel ondernoomen: die te veel omvatten wil; bevatt te minder. ’t En is nu geen tijd meer, alzoo de Rijken in te neemen tot naadeel van sijn even naasten, een Christen-broeder zijnde. Dese naavolginge der oude Heydenen en Hel- [p. 179] den Hercules, Alexander, Hannibal, Scipio, Caesar, en andere is strijdig met de belijdenis van ’t Euangelium; waar door ons bevolen wort te bezorgen, beschermen, bestieren, en bedienen yder sijn eygen land: en niet viandlijk te vallen in ’t rijke van anderen. En ’t geen de Sarazenen en Barbaren voor desen dapperheyd en manhaftigheid heeten, noemen wy nu struik-roovery en schelmery.
    Hy had veel beeter gedaan, dat hy hem met rust en vreed in sijn huys gehouden: en daar sijn Koninglijke heerlijkheid en heerschappij gehandhaaft had, als my in ’t mijne te komen bespringen, met Viandlijk plonderen; Want door ’t zelve wel te regeeren, zoude hy ’t hebben verhoogt en verheerlijkt: daar hy ’t, door my te berooven, schendt en te schande maakt. Gaat gy vry heen in Gods naam: vervolg uw goed voorneemen: vertoon aan uw Koning de misslagen, die gy merken zult; en geef hem noit raad uit oogmerk van eygen voordeel: want met het gemeene, gaat ook eygen voordeel verlooren: Wat aangaat uw los-geld, ik schenk ’t u geheel: en wil, dat men uw Paard en Waapens weder geef: dus behoordmen te doen tusschen naa-gebuiren en oude vrienden; aangezien dat dit ons verschil eygentlijk geen oorlog is.
    [Plato lib. 5. de Republ.] Plato wilde ’t geen oorlog, maar op-roer geheeten hebben toen de Grieken den een teegen den ander in waapenen waren: en zoo’er by ongeval eenig onlust ontstaan mogt, zoo beveelt hy alle zachtheid en zeedigheid te gebruiken. [Vermaaning om niet ligtveerdig te oorloogen.] Indien gy ’t Oorlog noemt, sy is slechs boven ’t hert af [Superficiaire]: niet in ’t diepste onser herten ingedron- [p. 180] gen: want niemant van ons is noch in sijn eer geraakt: en ’t verschil is in ’t geheel niet anders, als om eenig misdrijf door eenige onser beyder onderzaaten begaan, te boeten en verbeeteren: ’t welk, hoewel ’t u bekent was, gy niet verder behoorde te laaten loopen, en erger te maken: want de klagende perzoonen behoordemen eer te bevreedigen, en vernoeging te doen neemen, als door ’t doen gedenken bet te verbitteren; zelfs als men haar na de grootte van ’t leed komt voldoen, gelijk ik my daar toe aan gebooden heb. God zal een rechtvaardig oordelaar over onse on-eenigheid zijn; den welken ik bidde, my door den dood veel liever uit dit leven te rukken, en mijne goederen voor mijn oogen te doen verdelgen, als dat door my of de mijne de minste beleediging aan iemand geschiede.
    Dese woorden vol-eind hebbende, riep hy de Monik, en vraagde hem in ’t by-weesen van allen; Broeder Jan, mijn Vriend, zijt gy ’t die den Hooftman Touquedillon, die hier staat, gevangen genomen heeft? Heer Koning, (zeyde de Monik) de man is hier tegenwoordig, en heeft ouderdom en kennis genoeg: ik wil liever dat gy ’t weet door sijn belijdenis, als door mijn woorden. Daar op zeyde Touquedillon, mijn Heer, hy is ’t waarlijk die my gevangen heeft: en ik stelme gewillig in sijn magt. Hebt gy hem (zeyde Grandgousier tot de Monik) dan op ranzoen gezet. Neen ik, (zey de Monik, daar moey ik my niet mee. Hoe veel (zeyde Grandgousier) zoudt gy’er wel af willen hebben? Niet met all, niet een penning (zeyde de Monik) ’t en is me daar om niet te doen. [p. 181] Evenwel wilde Grandgousier, dat in ’t by-zijn van Touquedillon aan den Monik getelt wierden, twee en zestig duizend Saluszen voor sijn buitgeld; ’t welk gedaan, wierd terwijlmen een Vriendmaal [Collation] voor Touquedillon gereed maakte. Onder des vraagde hem Grandgousier; of hy liever by hem wilde blijven, of liever tot sijn Koning wederkeeren? Touquedillon antwoordde; dat hy die zy zou kiesen, die hy hem zelf zoude raaden. Keer dan (zeyde Grandgousier) weder tot uw Kooning: en God zy met u. Daar na schonk hy hem een schoone deegen gemaakt tot Weenen, met een gulden scheede schoon besneeden met allerley loof-werk: ende een gouden Hals-kraag, weegende zeven hondert en twee duizend mark, met fijne gesteenten bezet, waardig geschatt hondert en zestig duizend Ducaten: en noch tien duizend Kroonen tot een vereering.
    Na duisend bedankingen, en vriendelijk afscheid, steeg Touquedillon te Paard: Gargantua gaf hem tot sijn zeekerheid mede dertig volharnaste Ruiters, met hondert en twintig Schutters, onder ’t beleyd van Gymnastes, om hem te geleyden tot aan de poorte van den burgt Ciermaud, zoo ’t van noode zou zijn.
    Toen hy vertrokken was, gaf de Monik aan Grandgousier weder over de twee en zestig duizend Saluzzen, die hy ontvangen had; zeggende, Heer Koning, ’t en is de tijd niet dat gy zoo groote geschenken doen moet. Verwacht het einde van deesen oorlog: want men weet niet wat swaarigheeden voor konnen vallen: en krijg te voeren zonder voorraad van geld, is niet dan een zieltoogen der krachten. ’t Geld [p. 182] is de Zeenuw van den oorlog. Wel dan (zeyde Grandgousier) op ’t eynde zal ik u met een eerlijke vergelding vernoegen: en ook alle die my getrouwelijk gedient zullen hebben.



                XLVII. HOOFT-DEEL.

    Grandgousier doet sijn Krijgs-benden
        by-een-komen: ’t getal, en hoedaa-
        nigheid van sijn volk.

IN dien zelven tijd quamen’er veele gesanten aan Grandgousier, die gezonden waren door de Staaten van Besse, van Marche-vieux, van de Vesting Sint Jaques, van Frainneau van Parille, van de Rivieren der Rotzen Sint Paul van Vau-Breton, van Pautille, van Brehemont, van den Brug de Clain, van Cravant, van Grandmon: des Bourdes, van de Stad au Mere, van Huymes, van Serge, van Husse, van Sint Louant, van Panzoust, van Coldreaux, van Verron, van Coulaines de Chose, van Varenes, van Bourgueil, van ’t Eyland Boncard, van Crollay, van Narsy, van Cande, van Montsoreau, en andere aanpaalende plaatsen; om hem te doen weeten, datze verwittigt waren, van de verongelijkingen die hem door Picrochole waren aangedaan, en datse derhalven, om haar oude bond-genootschap, hem aan quamen bieden alle haar vermogen, zoo van volk, als geld, en andere oorlogs-behoeften. Het geld van hen allen, ’t welkse hem volgens verdrag zonden, beliep hondert en zestig milioenen, twee en een half goude kroonen.
[
p. 183]
    Het getal van ’t Krijgs-volk was vijftien duisend vol-waapende Ruiters [Hommes d’armes], twee-en-dertig duisend licht-paarde-volk, negen-en-tagtig duisend Roer-ruiters [Harque-bousiers], hondert en veertig duisend Waag-halsen [Avonturiers], elf duisend en-twee-hondert stukken Geschuts, dubbelde Kartouwen, Basilisken, en Spirolen, zeven-en-veertig duisend Delvers [Pioniers], alle met loon en leef-tocht versien voor zes maanden en vier dagen. Welke aanbieding Gargantua niet afsloeg, noch geheellijk aannam: Maar, haar hooglijk bedankende, zeide, dat hy desen Oorlog zoo wel en wijslijk zou zoeken te beleiden, dat’et niet van nooden zou zijn zoo veel vroome lieden daar mee te bemoeijen.
    Alleenlijk schikte hy heenen, om in goede order aan te voeren de benden, die hy doorgaans onderhield in de plaatzen van Deviniere, van Chavigny, van Gravot en Quinquenais, stijgende tot het getal van twee duisend, vijf hondert heel-geharnaste Ruiters [Carasiers]: zes-en-zestig duizend mannen te voet, zes-en-twintig duizend hand-bus-ruiters [Harquebusiers]: twee hondert grove stukken geschuts, twee-en-twintig duizend schantsgravers, en zes duizend lichte paarde-ruiters; alle by benden, en zoo wel voor-zien van Schat-meesters, Soetelaars, Smeeden, Harnas-maakers en ander noodig volk tot het volgen van een Veld-leger; zoo wel onder wesen in de Krijgs-konst, zoo wel gewaapent, zoo wel weetende en volgende haare Vaandelen; zoo vaardig in ’t verstaan en gehoorzaamen haarer Hooft-lieden, soo fluks in ’t voortstappen, zoo sinnig in ’t aanvallen, zoo voorzigtig in ’t waagen, dat’et beeter geleek een [p. 184] zoete t’zaamen stemming [Harmonie] van orgel-pijpen, en d’eevendragticheid [Concordance] van een uur-werk, als een Krijgs-heir of Veld-leeger.



                XLVIII. HOOFT-DEEL.

    De Grave Touquedillon komt weder
        by
Picrochole: Raad hem af te-
        gen
Grandgousier langer te Oorlo-
        gen: word van de Hooftman
Hasti-
        veau tegen gesprooken en geschol-
        den:
Touquedillon door steekt hem:
        en word door bevel van
Picrochole
        weder vermoord.

ONdertusschen quam Touquedillon weder in’t leeger by Clermaud, en vertoonde zich voor den Koning Picrochole; en verhaalde aan hem alles wat hy gedaan en geleeden, gehoord en gezien had, geduirende zijn afweezen van daar. Waar op hy hem eindelijk door dringende reeden ried, dat men met Grandgousier van verdrag en vreede spreeken zou; alzoo hy hem bevonden had den eerlijksten en eedelmoedigsten Man van de wereld; daar by doende, dat het noch wijslijk, noch reedelijk gedaan was, sijnen naa-bueren, van wien men niet dan alle goed genooten had, alle leed toe te voegen en met Oorlog te belemmeren en ontrusten. En, dat noch ’t voornaamste was, Hy voor-zag en voor-zeide, dat desen aanslag, [p. 185] niet dan tot sijne schaad, schande, en ongeval einden zou; Nademaal de magt van Picrochole zoo groot niet en was, dat Grandgousier die niet lichtelijk zou konnen overweldigen en verdelgen.
    Dese woorden waren noch nauwelijks geeindigt, als den Hooftman Hastiveau over luid uit-riep; Gansch ongelukkig is dien Vorst, die zulk volk in sijn dienst heeft, dat zich zoo licht omzetten en bekoopen laat, als ik aan desen Touquedillon bemerk: want ik zie zijn zinnen zoo zeer verandert, dat hy geerne tot onse vianden overloopen, en ons bestrijden en verraaden zou, zoose hem hadden willen houden. Maar gelijk de vroomheid van een yder, zoo wel vianden als vrienden, te prijsen en hoog te achten is, zoo is de schelmachtigheid haast ontdekt en verdacht. En al is ’t, dat de vianden zich van de zelve tot haar voordeel dienen, zoo haatense en verfoeijense in haar hert altoos alle schelmen en verraaders.
    Door dese zoo verwijtende en bijttende woorden wierd Touquedillon onverduldich, trok sijn swaart, en door-stak Hastiveau, een weinig boven de linker teepel, daar door hy daadelijk dood daar heenen viel: en trekkende sijn geweer uit de wonde, zeide vrymoedelijk; alzoo moet hy om-komen, die getrouwe dienaaren schelden zal. Hier over wierd Picrochole schier raasende van gramschap: en ziende den schoonen deegen en cierlijken scheede, zeide; heeft men u daar toe dat sweerd gegeven, dat gy mijnen zoo lieven vriend Hastiveau, voor mijn oogen vermoorden zoud? fluks beval hy sijn Lijf-wachters; datse hem aan huts-pots zou- [p. 186] den hakken: ’t welk dadelijk gedaan wierd, met zoo schriklijken verwoedheid, dat de gansche vloer met bloed overdekt was. Daar-naa deed hy het lichaam van Hastiveau staatelijk ter aarden bestellen: en dat van Touquedillon over de muur in de Valeije werpen.
    De tijding van dese gruwel-daad wierd door ’t geheele Leeger haast ruchtbaar; waar door veele tegen Picrochole begonden te morren en muitten: ook zoo, dat Grippepinaut tot hem durfde zeggen; Mijn Heer, ik weet niet wat uitslag desen aanslag noch neemen zal. Ik zie uw volk verflauwt van moed. Zy bedenken, dat wy qualijk van leef-tocht verzien zijn, en reed in getal, door twee of drie ontmoetingen veel vermindert: Daar-en-boven komt’er grooten toevloed van Volk tot uw vianden. Indien wy maar eenmaal hier beleegert worden, ik en kan niet anders merken of het moet onse eindlijke val en uitterste verderf zijn. Schijt, schijt! zeide Picrochole, gy gelijkt wel de Palingen van Melun, gy krijt, eermen u stroopt: Laatse slechts koomen.



                XLIX. HOOFT-DEEL.

    Gargantua bespringt Picrochole bin-
        nen den Stad
Clermaud: en ver-
        slaat sijn gantsche krijgs-magt.

WEl haast was ’t Leeger van Grandgousier vergaadert, en aan ’t voort trekken, en naaderen: derhalven Gargantua, die ’t [p. 187] gantsche gezag en beleid daar af gegeven was, dewijle sijn Vader in sijn Vesting bleef, aan sijn volk door goede woorden een goede moed te maaken zocht, toe-zeggende groote giften aan die geene, die door eenige dappere daad uitmunten mogten. Spoedig geraaktense tot aan ’t Water van Vede: en door middel van Schepen en Bruggen, trok ’t geheele Leger in een tocht daar over.
    Daar naa beschouwende, en overleggende de geleegentheid van de Stad, ’t welk op een hoogte en heel voordeelige plaats was, beraadslaagde hy dien nacht ’t geen wijders te doen was. Waar by Gymnastes dus sijn goed dunken ontdekte; Mijn Heer, zoodanig is den aard en gesteltheid der Francen, datse niet en deugen of vermeugen als in den eersten aanval, wanneerse erger als Duivels zijn: Maar moetenze volharden en een wijl aanhouden, dan wordense moedelooser als Vrouwen. Dies dunktme geraaden, datmen al voort ’t zoo haast uw volk eenige aamtocht en rust gehad heeft, den Storm doen aanbrengen.
    Deese voorslag wierd goed-gevonden: en daar op ’t geheele Leeger over ’t Veld uitgebreid, stellende de brand-wagt na de zijde van ’t gebergt. De Monik nam met zich zes Vaandelen Voed-volk, en twee honderd Ruiters in volle rusting [Curassiers], daar mee zette hy in aller yl voor ’t Moeras, en begaf zich na de hoogte tot aan den grooten weg van Loudun. Onder tusschen hield den Storm vast aan: Het volk van Picrochole was in twijffel, welk beter was; uit de Stad te trekken, en daar haar ’t hooft te bieden: of wel de Stad te bewaaren, zonder van daar te wijkken.
[p. 188]
    Eindelijk evenwel komt hy in een dollen drift uit-vallen met eenige benden Waapenruiters van sijn gezin: alwaar hy verwellekomt wierd met meenigte van grof geschut-schooten of het kogels op haar koppen haagelde: en om ’t geschut te meerder ruimte te geven, of den viand verder te lokken, weeken Gargantua’s Krijg-benden een weinig wijder af na de laagte. Die van de Stad verweerden haar zoo veelse konden; maar haare kogels vloogen de bevechter verr over ’t hoofd, zonder iemand te treffen. Eenige herzaamde benden, die ’t geschut zoo zeer niet vernielt had, drongen heftig in op die van Gargantua, doch weinig tot haar voordeel: want sy wierden alle binnen haar slagoorde beset en neder-gehouwen; ’t welk zommige ziende te rug dachten te keeren: Maar de Monik had onderdes het pad bezett; zoo datse zich op de vlugt begaven, zonder zich in geleeden of op eene weg te houden. Sommige meenden haar naa te jaagen; doch de Monik weerhield haar; zorgende, datze de vluchters volgende, uit haare rijgen mogten raaken, en dan uit de Stad haar op ’t lijf mogten vallen.
    Na dat hy een wijltje daar gewacht had, en niemand meer zich ten tegen-weer vertoonde, zond hy den Oversten Frontiste, om Gargantua aan te maanen, dat hy voort-toog, om zich te verzeekeren van de Vestinge van de slinkerhand, om voor te komen dat Picrochole door dien poort niet ontsnapte. ’t Welk Gargantua met alle vlijd verrichtte, en schikte daar heenen vier benden van ’t Volk van Sebaste: maar zoo haast en haddense haar op de hoogte niet bege- [p. 189] ven, of sy quamen Picrochole recht in ’t gemoet, en die by hem waaren liepen in ’t wild. Dies tastense haar heftelijk aan, hoewelse zeer beschadigt wierden van de geene die op de muuren waaren. Zoo door ’t geschut als handbussen.
    ’t Welk Gargantua verneemende, gingense met meerder magt ontzetten, en dee sijn geschut dapper donderen op dat gedeelte van de Vesten; zoo dat alle de magt van de Stad daar naa toe by-een gerukt wierd. De Monik haast merkende, dat de zy die hy bezett hield, van volk en wacht ontbloot was, trok met een mannelijke moed op ’t Kasteel aan, en vorderde zoo veel, dat hy over de Vest geraakte: en hoewel zommige van sijne volgers dachten, dat de geene, die met een over-val en verrassing overkomen, meer angst en schrik aanjaagen, als die met alle magt voor de vuist vechten; nochtans konde hy geen vervaarnis in den viand brengen, voor dat al sijn volk over de muur was; behalven de twee hondert wapen Ruiters, die hy tot een hinder-tocht buiten gelaaten had.
    Daar mee maakte de Monik met den sijnen een schrikkelijk geschreeuw, vielen op de Poort en door-staaken de Wachters zonder weerstand: openden die voor de Ruitery, de welke met alle felheid na de Ooster-poort rende, daar ’t grootste gewoel en woeden was: en verdeeden van achteren al haar geweld en weerstand.
    Als de beleegerde aan alle zijde zagen, dat de Stad gewonnen was, gavense zich op genade of ongenade aan de Monik over; die haar [
p. 190] alle geweer en waapenen afleggen, al t’ zaamen naa de kerken vertrekken, en daar in opsluiten dee: neemende alle kruis-staaken daar uit, en verzeekerende de dueren met sterke wacht, om ’t uit-komen te beletten. Daarmee d’Ooster-poort openende, toog’er uit tot hulp van Gargantua.
    Maar Picrochole meende dat’er hulp voor hem uit de Stad quam, en door over-moed waagde hy zich, en vocht feller dan te vooren: tot dat hy Gargantua met de sijnen hoorde roepen; Broeder Jan mijn vriend, Broeder Jan wees wellekoom! Toen vernamen Picrochole en sijn volk dat alles verlooren en hoopeloos was; waar opse aan allen oorden de vlugt naamen. Gargantua vervolgdese tot dichte by Vaugaudry met moorden en matzen, tot dat hy den aftocht blaasen dee.



                L. HOOFT-DEEL.

    Picrochole vlugtende komt in eenige
        ongevallen:
Gargantua doet sijn
        volk tellen en betaalen: verbied al-
        le overlast.

GAnsch verbaast en verbijstert door wanhoop vlood Picrochole na ’t Eiland Bouchard; en op de weg na de Riviere struikelde sijn paard, en viel van vermoeitheid ter aarden; waar door hy zoo ontzint wierd; dat hy ’t met grammen gemoede door-stak: [Een Koning van Molenaars geslagen en berooft.] daar naa niet een [p. 191] mensch ontmoetende, die hem aan een ander paard helpen mogt, meende hy een Ezel van de molen, die daar na-by was, weg te nemen; maar de Molenaars quamen en sloegen hem half dood, schudden hem sijne kleederen uit, en gaven een slordig gescheurd schabbetje weder aan. Dus ging den armen grimmert vast voort, tot dat hy aan d’ haven tot Huaux zich over zetten liet; en aldaar zijn ongeval vertellende, wierd hem van een ouden Duiveljager voor-zeid; dat hem sijn Koningrijk weder geworden zoude wanneer de Coquecigrues in ’t Land quamen. Zedert heeft men niet vernomen wat hem wijders wedervaren, of waar hy gestoven of gevlogen is. Niette-min heeft men my willen wijs-maaken, dat hy tegenwoordig een waag-drager, of straat-sloof, tot Lijon zou zijn, noch even krank-koppig, en grammoedig als te vooren; t’ elkens alle vreemdelingen vraagende, ofse van d’ overkomste der Coquecigrues niet gehoort hebben? zoo dat hy zich noch zeekerlijk laat voorstaan, dat hy, volgens de voorzegging van den ouden Duivel-banner, op de komst der zelver in sijn rijk herstelt zal worden.
    Na dat de Vianden ontvlooden en het volk van Gargantua weder te rug gekeert, en t’ zamen gekomen was, ging hy ’t zelve eens overzien; en bevond, dat’er weinig in ’t gevecht waren gesneuvelt, en alleen eenig Voet-volk van de bende des Hooftmans Tolmere: en Ponocrates had een schoot met een hand-bus in sijn wambis gekregen. Daar na deed hyse wat verversschen yder in sijn bende: en beval den Schat-meesters van ’t sijne te betalen al [p. 192] watse verteerden: Verbood ook eenig geweld of overlast in de stad te bedrijven, alzoose de sijne was.
    Wanneerse nu wel gegeeten en gedronken hadden, verscheenense alle op de plaats voor ’t Kasteel; alwaarse voor ses maanden betaalt zouden worden; ’t welk ook alzoo geschiede. Daar na deed op ’t zelve plein voor hem brengen, alle die daar noch overig en gevangen waren van de krijgs-knechten van Picrochole; tot de welke hy in de tegenwoordigheid van alle sijne Vorsten en Oversten sprak ’t geene volgt.



                LI. HOOFT-DEEL.

    Gargantua doet een heerlijke en leer-
        lijke reeden tot de overwonnene.

ONse Vaders, Grootvaders, en Voorzaaten zedert menschen geheugenis her, zijn van dit gevoelen en dien aard geweest, datse, van de veldslagen en overwinningen, door haar uitgevoert, t’ haarder eer en gedachtenis, de zeege-boogen en gedenkbeelden daar af, liever hebben willen oprechten in de herten der verwonnenen door genaade en weldaadigheid, als in d’aangewonnen landen, door eenig gebouw, of timmeragie. Want waardiger hieldense de leevendige gedachtenisse der menschen door mild-daadigheid verdiend, als de stomme opschriften van boogen, pijlaaren, en grafspitzen, blootstaande voor d’ongenaade des luchts, en wangunst van yder [p. 193] een. ’t Mag u noch gemakkelijk heugen, wat zachtmoedigheid sy gebruikten tegen de Bretanniërs in den slag by Sint Aubin de Cormier, en in ’t af breeken van Parthenay.
    [Ongemeen goed onthaal aan een Zeerover.] Gy hebt wel gehoort, en hoorende u verwondert, over ’t goed onthaal datse deeden aan de Barren van Spagnola, die langs de Zee-kusten van Olone en Talmondois hadden geplondert, gemoort, en verwoest. Dese geheele lucht is vervult met lofzangen, en geluk-wenschingen, die gy zelfs en uwe Vaderen deeden, toen Alpharbal Koning van Canarre, niet vernoegt met sijn geluk, geweldelijk in ’t land van Onyx viel; zee-rovery pleegende in alle de Eylanden van Armorique, en de naast-geleegen landschappen. Hy wierd in een wettelijken zeeslag overwonnen en gevangen van mijn Vader: (dien God behoude en behoede) Maar wat gebeurd’er? Daar andere Koningen en Keysers, zelf die zich (Catholique) algemeene laaten noemen, hem wel strengelijk gevangen, en op ’t uitterste los-geld, gezett zouden hebben; onthaalde hy hem heusselijk, en vriendelijk: huis-veste hem by zich in ’t Palleys: en door een ongelooflijke goedertierentheid zond hem met vrij-geleid wederom, overlaaden met geschenken, met dankzeggingen en alle plichten van vriendschap. Maar wat is daar op gevolgt? Hy in sijn land weder-gekomen, dee de Vorsten en Stenden sijns Rijks verzaamelen: en verhaalde haar in ’t breede de beleeftheid, dien hy in ons bevonden had: en verzocht, dat de zelve eenig middel wilden uitvinden, waar door de wereld ten voorbeeld, mogt aangeweesen worden; gelijk hy in ons reede had eenen van eerlijke goed-daa- [p. 194] digheyd; Hy in haar mogt hebben een voorbeeld van goed-daadige eerlijkheyd. Daar op met even-dragtige toestemming beslooten wierd; dat men ons heel en all haare Landen, Heerlijkheeden, en Koningrijk opdragen zou, om daar mee te handelen na ons believen. Alpharbal zelfs keerde met’er haast weder met negen duisend achtendertig groote vragtscheepen, mede-brengende niet alleen de schatten van sijn huis, en Koninglijker voor-ouderen erffenis, maar by-na van ’t geheele land: want terwijl hy t’ scheep ging, om met den west-noord-westen wind t’zeyl te gaan, quam elk om strijd aanbrengen, en in de schepen werpen, Goud, Zilver, Baggen, Juweelen, Specerijen, drooggen en reukwerk: Papegayen, Pellicanen, Aapen, Civet-katten, Pronk-paardtjes, Steekel-swijnen, ja ’t wierd voor geen goemoers kind gereekent, die’er niet in wierp ’t geen hy bezonders had.
    [Te grooten verneedering.] Als hy aangekomen was, wilde hy mijns Vaders voeten kussen: ’t welk hy, heylig zijnde, hem onweerdig achte en geenzins dulden wilde; maar hy wiert zeer vriendelijk van hem omhelst: [Overdadige dankbaarheid.] hy aanbood sijn geschenken, doch se wierden niet aangenoomen, om datze al te overdaadig waaren: Hy gaf zich over tot een slaaf, en vrywillige dienstknecht, aan hem en sijn nakomelingen, ’t welk mee geweigert wierd; door dien ’t onbillijk leek: hy gaf hem over, volgens besluit sijner Rijks-stenden, sijne landen en gansche Koningrijk; hem toereykende ’t geschrift van d’ overdragt geteekent, gezegelt, en gewettigt [Ratifie] van allen dien ’t toequam te doen: dit wierd t’eenemaal afgeslagen, en de [p. 195] Verdrag-schriften in ’t vuur geworpen. Het einde was, dat mijn Vader uit een beweegt gemoed bitterlijk begon te weenen, en overvloedige traanen te storten, uit aanmerkinge van de vrije goedwilligheid en eenvuldigheid van de Canarriërs: en door voor-bedachte woorden, en wel-voegende spreuken, verkleinde hy de goed-daadigheid, dien hy aan haar beweesen had; seggende, dat hy haar geen goed gedaan had, dat zoo veel als een wol-vlokje te achten was: en nadien hy haar noch niets tot eer en groot-achting betoond had, hy gehouden bleef zulks te doen. Doch Alpharbal vergrootte daar-en-tegen alles des te meer.
    [Vrijwillige onderwerping.] En wat was ’t endelijk besluit? In plaats, dat mijn Vader voor los-geld, ten aller-uittersten genoomen, dwangs-wijse had konnen vorderen twintig maal honderd duisend Kroonen, en d’ oudste Zoonen tot Gijselaars te houden; zoo hebben sy zich als Onderdaanen t’ eenemaal onderworpen: en tot een eeuwig-duirende jaarlijkze Schatting, om twee millioenen fijn goud, van vier-en-twintig karaten, op te brengen, verbonden. Diense ons ’t eerste jaar alhier hebben betaalt: Het tweede jaar bragtense drie-en-twintig honderd duisend Kroonen: Het derde, zes-en-twintig honderd duisend: Het vierde, drie millioenen: en door haar eigen goed-willigheid word de gaave geduirig zoo zeer vergroot, dat wy genoodzaakt zullen zijn haar geheellijk te verbieden iets meer aan ons te brengen. Dat is den aart van waare goed-willigheid: want de tijd, die alles afslijt, en verslimmert, doet alle goed-daaden vergrooten en groeijen; door dien een goeden [p. 196] dienst, of gunst-bewijs uit een oprechte mildaadicheid gedaan aan een recht reedelijk mensch, al gestaadig aan-wast door eedelmoedige overpeynsing en herdenking.
    [Eedelmoedigheid.] Derhalven, dewijle ik in ’t minste niet afaarden wil van de aange-erfde goed-aardigheid mijner Voor-ouders, zoo ontslaa ik u alle van nu af, en stel u op vrye voeten, even als gy te vooren waart. [Mildheid.] Daar-en-boven, wanneer gy van hier ter poorten uit-gaat, zullen u drie maanden dienst-loon in de hand gegeven worden, om tot uwe huisen en huis-gezinnen weder te konnen keeren: derwaarts zal ik u in zeekerheid laten geleiden door zes honderd wel gewaapende Ruiters, en acht duisend man te voet, onder ’t beleid van mijn Schild-knecht Alexander; op dat gy van de Land-luiden geen overlast te lijden hebt. God zy met u.
    Het is my waarlijk leed van harten, dat ook uw Koning Picrochole hier niet en is: want ik wilde hem bewijsen, dat desen Oorlog tegen mijnen wille, niet uit eenige hoop, om mijn naam of goed te vergrooten, gevoert is. Maar nademaal hy vermist word, en men niet en weet waar, en hoe hy weg geraakt is: Soo wil ik dat sijn Rijk in ’t geheel blijve aan sijn Zoon. De welke, nadien hy noch te jong is (want hy is geen vijf jaaren ten vollen oud) zal bestiert en onder-wesen worden van de oudste Vorsten en verstandigste mannen des Rijks. En overmits zulk een verlaaten Rijk, wel licht verwarrt en verwoest word, indien niet de staat- en baat-zugt der Amptenaars in-gebonden wierd; zoo wil en beveel ik, dat Ponocrates Opper-bevelhebber, over alle die onder-ampt- [
p. 197] lieden, zal zijn, met magt en ontzag daar toe vereischt: en dat hy geduirig neffens ’t Koninglijk Kind te Recht en te Raad zal zitten, zoo lang, tot dat hy ’t zelve bequaam en kloek genoeg zal kennen, om zelf alleen te regeeren.
    Daar beneffens nochtans neem ik in achting, dat een al te slappen en lossen licht vergeeflijkheid, in ’t vry laaten der boosdoenders, de zelve aanleiding geeft om te eerder en meerder haar tot boosheid te begeven, op den heilloosen toeverlaat van genade. Ik overweege, dat Moyses, de zachtmoedigste Man, die in sijnen tijd op de wereld was, wel strengelijk strafte de muitters en oproerige des volks Israëls. Ik bedenke dat Julius Caesar, (een Keiser zoo goedertieren, dat Cicero van hem zeit, dat sijn geluk niets verheevener had, als dat hy ’t vermoogen; en sijn deugd niets heerlijkers, als dat hy de wil had, om een jegelijk te vergeeven) niette-min in zeekere zaaken en opzichten de oproer-rokkenaars wel wreedelijk heeft doen dooden.
    Volgens dese voor-beelden wil ik, dat gy voor uw vertrek my overlevert, eerst desen mooyaart Marquet, die de eerste oorsprong en veroorzaaker van desen Oorlog door sijn ydele verwaandheid geweest is: ten anderen sijne gezellen de Koek-verkoopers, die zuim-achtig zijn geweest, indien dullen kop terstond te beteugelen. En eindelijk alle Raaden, Hooft-lieden, Dienaars en Huis-genooten van Picrochole, die hem aangehitst, aangepreesen of aangeraaden mogen hebben buiten sijne Land-paalen te trekken, om ons alzoo te ontrusten.



[
p. 198]

                LII HOOFT-DEEL.

    Gargantua straft de veroorzaakers des
        Oorlogs: looft en beloont d’Over-
        winnaars, en keert weder naa sijn
        Vader.

NAuwelijks had Gargantua sijne reede geeindigt, of de ge-eischte op-roermaakers wierden hem in handen gebragt, behalven Spadassin, Mardaille en Menuail, die wel zes uuren voor den slag waren weg-geloopen; den eenen eens-loops tot aan den berg van Laignel; d’andere tot het dal van Vire; en de derde tot aan Logroine, zonder omkijken of azem-haalen over weg; en twee van de Koek-kramers, die in den slag gesneuveld waaren. [Straf over oproerige.] Aan dese Misdaaders dee Gargantua geen ander leed of straf, als dat hy haar stelde om de Perssen te trekken van sijn Drukkery, dien hy nieuwelijks gestigt had.
    Daar na deed hy de geene, die eerlijk voor den Viand haar leeven gelaaten hadden, staatelijk begraven in de Valeije van Noirettes en in ’t Veld van Bruslevieille. De gequetsten deed hy in sijn groot Gast-huis verbinden en goede hand-reiking doen. Voorts vernam hy na de schaaden, die aan de Stad of Inwoonders waren gedaan: en deed yder sijn verlies vergoeden, volgens haar verklaaring en eed: en deed aldaar bouwen een sterk Kasteel: bezette ’t zel- [p. 199] ve met Krijgs-volk en Wagt, om in ’t toekomende tegen schielijke beroerten haar beter te verweeren.
    By sijn afscheid bedankte hy vriendelijk alle de Krijgs-knechten sijner benden, die in desen slag mede geweest waren: en verzond yder in sijn bezetting, en wacht-plaats te over-winteren; uit genoomen eenige, van het Decumaanze Krijgs-hoop, die hy gezien had in de Veldslag eenige Helde-daaden doen: en de Hooftlieden der benden, die hy met zich leide naa Grandgousier.
    Op ’t gezicht en de komste der zelver wierd den goeden Man zeer verheugt, dat’et niet mogelijk te zeggen noch te schrijven is: en liet haar een Gast-maal aanrechten het heerlijkste, overvloedigste en lekkerste, dat’er oit geweest is zedert den tijd van den Koning Ahassuerus. Op ’t eindigen van de Maaltijd deilde hy aan yder der Gasten om, alle kostelijke vaten tot sijn Tafel-pronk behoorende, ’t welk in gewigte bedroeg achtien honderd duisend en veertien Bizantinen [’t Gewigt van een dubbelde Ducaat.] gouds; bestaande in groote en na de konst gewrogte vaaten, groote kannen, groote schotels, groote bekkens, groote schaalen, koppen, schroef-flessen; kandelaars, zout-vaaten, doop-schoteltjes, tafel-berden, wasch-vaaten, kroesen met deksels, groote en kleine beekers, roemers en meer andere diergelijk geschir, alle van louter goud, daar-en-boven bezet met gesteenten, beelden, loof- en allerley konst-werk, ’t welk in waarde de stoffe noch verre over trof. Voorts deed hy uit sijn geld-kisten aan een jegelijk tellen twaalf honderd duisend kroonen gereede munte.
[
p. 200]
    En ten overvloed schonk hy aan yder van hen haare Kasteelen met de naastgelegen Landen, na datse die voor hun gevoegelijkst vonden, tot een eeuwig, en erflijk bezit, ten zyse zonder na-zaad quamen te sterven. Aan Ponocrates schonk hy ’t gebergt en burgt Clermaud: aan Gymnastes Coudray: aan Eudemon Montpensier: aan Tolmere, Rivau: aan Ithybole, Montsorreau: aan Acamas, Conde: aan Chironacte, Varenes: aan Sebaste, Gravot: aan Alexander, Quinquenais: aan Sophrone, Ligre: en zoo voort van sijn andere plaatzen.



                LIII. HOOFT-DEEL.

    Gargantua vergunt den Monik in ’t
        Land van
Theleme een Abdije en
        Gods-dienst te stichten, op een recht
        andere wijse als alle andere: en de
        beschrijving der zelver.

Nu waarense alle met geschenken rijkelijk begaaft, behalven alleen de Monik, den welken Gargantua meende te maaken Abt van Seuille; maar hy weigerde het: Hy bood hem aan de Abdije van Bourgueil, of van Sint Florent, welk van beiden hem best docht; of alle beide, indien hyse in dank wilde aanneemen. Maar de Monik gaf hem rond uit ten antwoord; dat hy van Monik tot geen hooge bediening of heerschappy begeerde te stijgen: Want hoe zoud ik (zeide hy) anderen [p. 201] konnen regeeren, daar ik my zelf noch niet wel te bestieren weet? Indien u dunkt, dat ik u gedaan heb, of in ’t toekomende doen kan, eenige aangenaame dienst, vergunme te stichten een Abdije na mijn zinlijkheyd. Dat verzoek geviel Gargantua zeer wel, en bood hem derhalven aan sijn gansche landstreek van Theleme, langs de rivier de Loire, twee mijlen van ’t groote woud van Port Huaut: welke plaats hem wel behaagde: en begeerde daar by, dat hy sijn Klooster en Kloosterdienst mogt stichten en instellen recht anders als alle andere. ’t Welk Gargantua inwilligde: en daar by voegde; Vooreerst dan moesten’er geen muiren rondom zijn: want alle andere Abdijen zijn trots bemuirt. Wel ter degen, zey de Monik; en niet zonder oorzaak: want waar muiren van vooren en van achteren zijn, daar is veel morrens, wrok, wangunst, woede en wraakzugt, binnen beslooten. Daar-en-boven, alzoo ’t in zeeker Kloosters hier te lande een gebruyk is, dat, in dien’er eenig Vrou-mensch (ik verstaa vroom, en van aanzien) binnen komt, men haar over-al achter-na veegt alle voetstappen diese treedt; zoo zoumen ’t hier daar en tegen dus moeten stellen, dat, wanneer eenig geestelijk Man, of Vrouw daar by geval in komen mogt, men wel nauwkeurig alle paden, waar langs die gegaan had, zuiveren zou.
    En nademaal in alle Kloosters deser wereld alles wordt afgemeeten, bepaalt, en gepast by uiren; zoo moeste hier geen uirwerk, zandlooper noch zonne-wijzer zijn: maar alle werken, moesten na geleegentheid, en zoo ’t te [p. 202] pas quam, verricht worden: want, zeyde Gargantua, het gewisste verlies van tijd, dat ik weet, is de uuren te tellen. Wat nut komt’eraf? ’t Is de meeste mallicheid van de wereld, dat men zich zelven schikke na ’t klinken van een klok: en niet na ’t bestuur van een goed gemoed en verstand.
    Desgelijks, na dienmen doorgaans voor deesen geen Vrouwen in ’t Klooster liet of stiet, als die scheel, mank, bultig, leelijk, mismaakt, nesk, dolkoppig, boos-aardig en bot waaren: zoo mede geen mannen, als die ongesond, gebreklijk, lusteloos, mijmerig, of huis-hinderlijk gehouden wierden. Hier valt my een vraag in, zey de Monik; een Vrouw-mensch, dat noch schoon noch deugdzaam is, waar toe dient die? Om in ’t Klooster te steeken, zeyde Gargantua, wel wis, zey de Monik; om hemden te naayen. Daar en tegen dan moest in mijn Abdije een wet en gewoonte zijn, dat geene Mannen of Vrouwen aangenoomen wierden, dan die schoon, fris, wel gemaakt, en wel geaart waren.
    Voorts, om dat in de Vrouwen-Kloosters geen mannen quamen, als ter sluip en heymelijk; zoo zouden hier dan geen Vrouwen mogen zijn, ten zy’er Mannen nevens waren: en geen Mannen, of daar moesten Vrouwen by zijn. Ende, dewijle zoo wel Mannen als Vrouwen, eenmaal in eenig ander Klooster aangenomen, na het proefjaar gedwongen en verbonden waren, al haar leven lang geduurende daar binnen te blijven. Zoo moesten hier, zoo wel Mannen als Vrouwen haar vrijheid behouden, om geheel en onverhindert daar uit te gaan, wanneer ’t haar maar lusten of geliefde. [
p. 203] Ook, vermits gemeenlijk de geestelijke drie beloften deeden, te weeten van Kuisheit, armoede en gehoorzaamheid: zoo zoumen hier met eeren gehouwelijkt mogen zijn, en elk in rijkdom, en volle vrijdom leven. Aangaande de wettige ouderdom, de Vrouwen zouden’er aangenomen worden van haare tien tot vijftien jaaren: de Mannen van haare twaalf tot achtien jaaren.



                LIV. HOOFT-DEEL.

    Beschrijvinge van de bouwinge en
        maakzel van d’Abdije van
Theleme.

Tot het bouwen en op-timmeren van de Abdije tot Theleme dee Gargantua in gereed geld geven zeven en twintig hondert duisend acht-hondert en een-en-dertig gulden vliesen: en voor yder jaar, tot dat ’t gansche gebouw vertrokken zou zijn, bestelde hy in heylige handen sestien hondert, negen-en-sestig duisent zonnekroonen, en even zoo veel zevensterrige kroonen. Tot opkomste en onderhoud der zelver schonk hy drie-en-twintig hondert, negen en zestig duizend, vijf hondert en veertien Rosenobels, voor een eeuwigh-duirende, onaflosselijke grondpacht of rente, yder jaar onfeilbaar te tellen aan de poorte van de Abdije. En daar af leverde hy een bondige verband-brief over.
[p. 204]
    Het gebouw wierd ses-kantig, en op zulken wijse gebouwt, dat op yder hoek opgehaald wierd een groote ronde tooren ’t zestig treeden wijd: en alle eeven-eens van dikte en gedaante. Aan de noordzijde zagmen de Rivier de Loire langs vloeyen; aan de kant der zelver stond een der toorens genaamt Artice: na ’t oosten stond een ander geheeten Calaër: d’ander daar aan volgende Anatole: d’ander Mesembrine: die daar aan Hesperie: de laatste Criere.
    Tusschen yder toorn, was een wijdte van drie hondert en twaalf treeden. Het gansche tooren-gebouw had in de hoogte ses zolderingen, die van de kelders onder d’aarde voor een gereekent; de tweede verdieping was boogswijse gewelft, als ’t oor van een mand; d’overige met Vlaams plaasterwerk bestreeken gekromt als ’t onderste der lampen. De daken waren met fijne layen of schaalijen gedekt, met takjes en topjes van lood, gemaakt als kleene mannetjes en beestjes wel gevoegt en verguld, neffens de geuten, die tot de muyr uitstaken tusschen de Kruisrijen, drie-hoeks-wijse, gemaakt van goud en azuir, tot aan de aarde, alwaarse eindigden in groote groeven, die alle haar afwaatering hadden van onder ’t huys na de Rivier.
    Dit gebouw was hondertmaal heerlijker als dat van Bavinet, Chambourg en Chantilli: want in ’t zelve waren negen duisend drie hondert twee-en-dertig wooningen, yder verzien met een achterkamer, geheim vertrek, kleerkamertje, kapell, en uitgang na een groote zaal tusschen yder tooren, op ’t midden van ’t gebouw, was een afgedeelde wendel-trap; welkers [
p. 205] treeden, ten-deele waren van porfijr, ten deele van Numidische-steen, ten deele van ’t gespikkeldste marmer, yder twee-en-twintig voeten lang, en drie vingeren dik: de verdeelling tusschen yder plat was van twaalf treeden: en op yder plat of rust-plaats, waaren twee schoone boogen of puijen naa de konst bewerkt, waar door ’t licht geschept wierd: en langs de zelve quam-en in een kamertje met doorsteeken loof-werk, even-wijd als de trap, en reikte tot boven het dak, en eindigde daar in een tents-wijse uitkijk: langs de zelve trap af klimmende, geraakte men van yder kant in een groote zaal, van de zaalen in de Kaamers.
    Van de Artice Tooren, tot aan die van Criere waren schoone groote boekerijen van Griekze, Latijnze, Hebreeuze, Franze, Italiaanze, en Spaanze boeken; in verscheide rigen verdeelt volgens de taalen. In ’t midden was een wonderlijken op-gang, van welken den in-gang buitens huis was in een boog van zes vademen wijd; Deselve was op zoodaanigen ruimte en maat gemaakt, dat’er zes Ruiters met haar lanssen voor-uit gelijkelijk recht op rijden konden, tot boven op ’t gebouw. Van de Toorn Anatole af tot aan die van Mesembrine waren schoone groote wandel-gangen, langs heen beschildert en opgeschikt met oude konst-stukken, van helde daaden, geschiedenissen en afteikeningen van Landen. In ’t midden was een gelijke op-gang en poort, als gezeit is van de d’ander kant na de Rivier; waar op met oude groote letteren gehouwen was, ’t geene volgt.



[p. 206]

                LV. HOOFT-DEEL.

    Opschrift, gehouwen op de groote
        Voor-poorte van d’Abdije van
        Theleme.

DAt noit hier binnen treen Schijn-heil’ge, Pijlaar-bijters,
    Of Bijbel-broeders: Geen, dien d’hoonig op de tong
En gal in ’t hert leit: Geen waan-wijse wolken-splijters
    Geen Scheel-aart, Scheef-hals, noch half Kreep’le, of die sprong
Op krukken: Geen zoo wulp of woest, als eens de Gotten,
    Of Ostrogotten: Geen door trapte truggelaars
Geen Schobbejakken: Geen Hoorn-dragers: Geene zotten:
    Geen Trotzaarts, Spotters, of Stroo-jonkers by de kaars.

                    Hier is’t, uit mijn schuit:
                    Gy bederft mijn vragt.
                    Op uw loos gefleuit
                    Men hier niet en acht.
                    Dat je hooft hier steuit
                    Hadje niet verwagt.

Dat hier noit binnen treen Uitzuipers, zaak-bezorgers,
    Noch Schraapers, Schrobbers, of Bloed-zuigers van ’t Gerecht:
Geen valsche Rechters, Recht-vervalschers, Ziel verworgers:
    Geen Schouten, Rakkers, of Wet-weeters zoo men zegt:
Geen Ampt-verkoopers, of bekuipers: Geen, die woorden

[p. 207]
    Voor geld doen gaan: Geen onvry-buiters in ’t Fluweel:
Geen Giergaarts, woekraars: Geen, die lust en rust verstoorden.

                    Foey! je bent een walg
                    Van elk eerlijk Man:
                    Loop maar na de galg
                    Want je moet’er an:
                    Uw verrotten balg
                    Hier niet binnen kan.

Dat noit hier binnen treen Minnydige, Wantrouwers;
    Geen onderkruipers: Geen belaagers van de goen:
Geen noit vernoegden: Geen inhaalers: Geen onthouwers:
    Geen grimmaarts, pruilaars, die all’ erg vermoen, en doen:
Geen Quisters, Twisters, lomp’en lusteloose loeren:
    Geen herte-knaagers: Geen wan-gunners van geluk:
Geen schimpers, spijttige: Geen handelaars met hoeren:
    Geen Vrouwen-plaagers, of die lagchen om haar druk.

                    Ongediert! gedrogt!
                    Dat u d’ hagel slaa:
                    Want noit goed gy wrogt,
                    ’t Zy u zelf tot schaa,
                    Al wat quaad gy zocht:
                    Pak van hier u dra.

Doch dat hier komen in oprechte waarheids Leerders,
    En ook beleevers; zelf vroom, vreedzaam, needrig, mild,
Meelijdig, vriendelijk; en waare deugd-vermeerders,
    Met al wie vry en bly te leeven zoekt in stiltt’,
Die ’s werelds warr’ mishaagt, haar woest gewoel en wroeten,
    Haar liegen, haar bedroch, haar druck, haar smaad en haat,

[p. 208]
Haar list en twist ontwijkt; om hier veel vreugd t’ontmoeten,
    Als in een gulden Eeuw, en Engellijken staat.

                    Hier zy gulle-vreugd
                    In ’t gerust gemoed
                    En de waare deugd
                    Die ’t al neemt in ’t goed:
                    Staag is ’t hert verheugt,
                    Dat noit quaad en doet.

Dat vry hier komen in recht ridderlijke Helden,
    Oud Adel-aardige, gantsch Eedel van gemoed;
Die zich d’onweetenheid en ondeugd viand stelden,
    En streng be-yverden het recht en alle goed:
Die fris en fraay van leen, lieftallig in ’t verkeeren,
    Aan ’t vrouwelijk geslagt doen alle dienst en eer:
En kloek all’ ongelijk gaan wreeken of verweeren;
    Doch op haar deugd en kragt niet trotzen al te zeer.

                    Gy recht’ Eedellien
                    Wees hier wellekom:
                    Gy hebt niet te bien
                    Schatten, of rijkdom:
                    Want van all’s verzien
                    Vindje ’t hier all om.

Dat hier ook komen in recht aadellijke Maagden,
    Van bloede niet zoo zeer, als hoog verheeven geest;
Wel op-gevoed in deugd en zeeden; onbedaagden,
    Vry-borstig, wel ter taal, en schoon van ligchaams leest.
Dit Huis is d’ Hemel voor zulk’ Engellijke dieren:
    Hier zulje
Nimfjes, Bosch- of Aard-godinnen zijn:
En daagelijks niet doen dan vreugde-feesten vieren,
    Ter eeren van dien
Heer die ’t bouwd’ en schonk zoo fijn.

[p. 209]
                    Bouwd’ en schonk zoo schoon.
                    Kom geniet het goed,
                    Dat u word geboon;
                    Leeft hier zacht en zoet:
                    Wat uw lust kan voon,
                    Hebj’ in overvloed.



                LVI. HOOFT-DEEL.

    Beschrijving der verscheide Gebouwen,
        Zaalen en Kamers, met der zelver
        Zieraaden en Huis-gewaaden.

IN ’t midden des Voor-hofs was een heerlijke Spring-bron [Fontaine] van ’t beste Albast, daar op de beelden der drie Gunst-godinnen [Graces] met overvloeds-hoorens; ’t water uitspeuittende door de mammen, mond, ooren, oogen en d’overige openingen des ligchaams. Het voorste binnen-ruim van ’t gebouw, aan ’t Voor-hof, steunde op groote pilaren van porfijr- en cassidonie-steen met cierlijke boogen na de konst uitgehouwen; in ’t begrijp der selver waren lustige, lange en ruime gaalderijen, geziert met schilderijen, en hoornen van Herten, van Een-hoorens, Zee-paarden, Neus-hoorens, Elefants tanden, en andere bezienswaarde dingen. De vertrekken der Vrouwen besloegen de ruimte van de Artice Tooren, tot aan de Poort Mesembrine: de overige bewoonden de Mannen.
    Voor de huisingen der Vrouwen, tusschen de twee eerste Toorens van buiten, waren tot [p. 210] haar tijdkorting en vermaak was de renbaan, het bery-perk, de Schouw-plaats, het bad-water, en wonderlijke bad-stooven van driederley diepte, met alle gereedschappen, en overvloed van Myrre-water. Langs de waterstroom strekte het schoone vermaakelijke Lust-hof: in wiens midden was den konstigen Dool-hof: Tusschen de twee andere Toorens waren de Kaats-baanen, en tot den groote bol. Aan de kant van den Toorn Criëre was den boom-gaard’ vol vrugt-boomen, vijf-rijgig geplant. Aan ’t eind was het groote perk vol allerley wild. Nevens de derde tusschen-wijdte der Toornen waren de pleinen, daarmen met bussen, hand- en voet-boogen na ’t wit schoot. De plaatzen buiten den Toorn Hesperie waaren onverdeelt en de paarde stallen stonden daar tegen over: Voor aan zagmen de Jacht-vogel-huisen, daar wel ervaaren Pluim-graven de toezicht op hadden; diese alle jaaren van allerley aardig versch gevoogelt van Venetien, Candien en Sarmatien verzorgden. Als Arenden, Gier-valken, Swier-valken, Saakers, Plukkers, Valken, Sperwers, Over-vliegers en andere; zoo tam en gewent, datse uit vliegende om haar te verlustigen, alles vingen wat haar voor quam. De plaatsen voor ’t jacht-werk waren een weinig langer, strekkende na ’t perk.
    Alle de zaalen, kamers en vertrekjes waren met verscheide zoorten van tapijtten behangen, na de Vier tijden des jaars. De geheele vloer was bedekt met groen laaken, en de bedden met geborduurde deekens bespreid. In yder achter-kamer hing een spiegel met een kristallyn glas in goud gezet, en rondom met paarlen [p. 211] geziert, en zoo groot, dat het den geheelen mensch ten vollen vertoonen kond. Aan d’ uitgang der Zaalen van ’t Vrouwen-getimmer, waren de bewierookers, kemmers en krullers, door welke de Mannen wierden gezuivert geziert en opgesmukt, wanneerse de Vrouwen zouden bezoeken. De zelve verzorgden der Vrouwen kameren alle morgens van versch roose-water, blanket-water, engel-water, en aan yder een kostelijk ruik-doosje van allerley dierbaare droogerijen.

                LVII. HOOFT-DEEL.

    Hoe de Geestelijke Mannen en Vrou-
        wen tot
Theleme gekleed gingen.

ZEdert de eerste stigting gingen de Vrouwen gekleed na haar lust en gelieven: Daar na wierd haar een zeeker stof en schik volgens haar vrye verkiesing voor geschreven, zoo volgt; Sy droegen koussen van ’t schoonste Scharlaaken, effen drie vingeren boven de knie komende, en dese boven kant zierlijk geborduurt en bestikt: de koussebanden, onder-en-boven de knie gebonden, waren even eens van kleur als de arm-banden: de schoentjes met de strikjes, of de muiltjes waren van rood karmozijn of violet fluweel, uit geknipt als der Kreeften baarden.
    Over ’t hemd toogense een schoon onderzieltje van zierlijke zijde kamelot: daar-op een wrongetjen of middel-band van wit, rood, [p. 212] taneit, of grauw taffetaf, over de zelve een onder-rok van gelijke stof met fijn zilver of goud door-wrogt, na de wijse der kronkelende paalingen of andere kruillen: of andere keurs zoo ’t haar geliefde na de gedaante van de lucht of ’t weer; ’t zy van zatijn, damast of fluweel, van oranje, taneit, groen, asgrauw, blauw, geel, bly- of bloed-rood, karmosijn, wit goude- of zilvere-laaken, of door-stikt en geborduurt na ’t vieren der hoog-tijden. [Kleeding naa de tijden des jaars.] De kleedingen na de tijden des jaars, waaren van goud-draad de scheering en zilver-draad den inslag, ook van rood zatijn, met goude stukken, en kanten belegt, of van wit, blauw, swart, taneit taffetaf: van zay-op-zij, zijde kamelot, fluweel, zilver-laken, zilver-zatijn, of met goud door-toogen, zatijn fluweel met goud-draad aan verscheide beeldtjes doorstikt.
    [Zomer-Kleeden.] Eenige dagen des zomers haddense in stee van rokken, zierlijke loshangende tabbertjes aangedaan; of eenige korte kleedtjes op sijn Moors, van violet-fluweel, met goud doorweeven op een zilvere grond: of met goude streepen met kleine Jndische paareltjes bezaaijt: altoos op ’t hooft hebbende gelijke pluimaadjen als de kleur van haar voor-mouwtjes, zierlijk door-zaait met goude loovertjes.
    [Winter-kleeden.] In den winter bekleedense zich met rokken van taffetaf verscheiden van verf als vooren; gevoeijert met vellen van wilde katten, swarte genetten, Marters van Calabrien, zabels en andere kostelijke voedering. De arm- en vinger-ringen, hals-keetens, baggen en booten op ’t borst, waren van fijne gesteenten, als karbonkels, robinen, diamanten, zaffijren, esmerau- [
p. 213] den turkoisen, grenaten, berillen, en dierbaare paarlen. Den toestel van ’t vordere was na den tijd; als, by den winter op sijn Frans: in ’t voorjaar op sijn Spaans: des somers op sijn Italiaans; behalven op hoog-tijden en sondagen; op welken sy van de Franze wijse waren gekleedt; om dat die veel deftiger, en met de Mee-vrouwelijke eerbaarheid best over een komende is.
    De Mannen gingen gekleed na haar gewoone Landswijse [Mode]; de koussen van stamet, lakensarsje, ook scharlaaken, bly of donker: de broeken van fluweel, gelijk, of by-na gelijk van kleur, beboort, en beknipt na yders zinlijkheyd. Het wambis van goud- of zilver-laken, van fluweel, zatijn, damast, of taffetaf van den zelven kleur, doorhakkelt, geborduurt en geziert meer als gemeen: de veeters van zijde, even-eens van kleur; de pijpen van goud aartig gebrandverft [Esmaillez].
    De lange en korte rokken van zy met gouwe streepen, zilver-laken, fluweel met gouddraad doorloopen; elk na sijn lust: de kleederen voorts even kostelijk als die van de Vrouwen. de riemen van zijde, en gelijke kleur als ’t wambis: yder een braave deegen op sijn zy, ’t gevest verguldt, de scheede van fluweel, eeven eens van verf als de koussen, het oord-yser van goud konstig gemaakt: de pook van gelijken.
    De bonet of mutze van swart fluweel, met meenigte van baggen en goude knoppen verziert; een witte pluymaadje daar op, zeer zinnelijk met goude loovertjes tusschen in gevoegt; aan ’t eind van welke verscheyden eedele gesteenten van robijnen, esmerauden en andere als wywoutertjes hingen.
[
p. 214]
    En tusschen de mannen en vrouwen was zoodanigen over-een-komst, datse alle dagen met gelijke kleur en stof van kleeding aangedaan waren: en om daar in niet te missen, waaren’er eenige eedel-lieden toe gestelt, om aan de mannen alle morgens bekent te maaken, wat kleeding de Vrouwen voor dien dag te dragen dachten: want alles wierd gedaan na ’t believen van de Vrouwen.
    Men denke nochtans niet, dat het aan-doen van zoo zierlijke kleederen, en kostelijke optooizelen veel tijds aan d’een en d’ander dee verliesen: want de Kamerlingen hadden alle morgens de kleederen zoo gereed by der hand, en de Kamenieree waren zoo wel afgerecht, datse alle in een ogenblik van den hoofde tot de voeten gekleedt en gereedt waaren.
    En, om dien toestel van kleeding en pronk altoos geheel en zonder letzel te mogen hebben, was rondom het bosch van Theleme een grooten ry huysen een half myl lang, zeer lugtig en wel geleegen, bewoont van goud-smeeden, juweeliers, Borduurders, Snijders, Goud-trekkers, Fluweel- Tapijt- en Koord- of Boord-werkers [Passement-werkers] en voorts alle noodige Ambagts-lieden; die alle niet deeden dan yder handwerk ten dienste van dese Geestelijke Mannen en Vrouwen geduirig te doen: en wierden van alle stoffen en behoeften verzorgt door den Heer Nausicletes, die haar yder jaar beschikte zeven scheepen van de eylanden de Perlas en Canibales. geladen met staven goud, ruwe zyde, peerlen en gesteenten. Indien eenige peerlen haar glans verschooten, en na d’oudtheid helden, die wistense weder te vernieuwen door [p. 215] de zelve van eenige hittige haanen te doen doorswelgen. Gelijk men de valken geneest.
.


                LVIII. HOOFT-DEEL.

    Den Regel en manier van leven der
        Thelemiten.

HEt geheele leven, handel en wandel der Geestelijken van Theleme wierd niet na eenige wetten, keuren of rechten gereegelt en bestiert; maar haar eygen wil en welbehagen. Sy stonden op van ’t bed, als ’t haar goed-dacht: sy dronken, aaten, arbeyden, en sliepen, soo haast als haar de lust daar toe lokte; niemand maaktese wakker: niemand drong haar tot drinken of eeten, of enig ander ding te doen; want zoo had het Gargantua bevolen. Na deze Regel; Elk leve vry en stil: En doe al wat hy wil.
    [Aart der wel-geboorenen.] Want vrije lieden, wel gebooren, wel onderweesen, verkeerende by eerlijke gezelschappen, hebben van nature een drift en prikkel, die haar gedurig aanport tot deugdelijke daaden: en van d’ondeugden te rug houdt; den welken sy ’t punt van eer noemen: Dese, wanneerse door een verachtelijke onder-werping en dwang worden onderdrukt en dienstbaar gemaakt, verkrachten die eedele lust, daar doorse van zelfs na deugd streefden, om ’t jok hunner dienstbaarheid af te werpen en verbreeken: want wy staan staag na verboodene dingen: en wenschen meest na ’t geene ons geweygert word. Door [p. 216] dese vrydom aanvaarddense een loflijken volglust, van te doen, al watse zagen een van allen te behaagen: [Groote gelijkzinnigheid.] zeyd’er een, laat ons drinken; zoo zeyden en deedense ’t alle: zoo maar een zeyde, laat ons speelen; terstond speeldense alle: indien’er een zeyde, laat ons wandelen in ’t veld, om ons te verlusten; daadelijk gingense gelijkelijk heenen: was ’t ter jagt of vogel-vangst, de Vrouwen op haare hakkeneyen gezeeten, met een wel getooyde teller an de hand, en mooye handschoentjes aan, droegen elk een Valk, Sperwer, of Havijk op de hand: de Mannen hadden d’andere vogels.
    Soo aadel-lijk waarense alle onderwesen, dat’er niet een onder hen was, die niet wel kon leesen, schrijven, zingen, zoetelijk op snaaren speelen, vijf of zes taalen spreeken, en in de zelve dichten, zoo in rijm, als rijmeloos: noit zagmen zoo dappere Ridders, zoo lustig, zoo veerdig te voet en te paard: noit iemand flukser, of behendiger in ’t handelen van allerley handgeweer als daar waaren. Noyt vondmen Vrouwen zoo zuiverlijk, zoo vriendelijk, min verdrietig, en bet afgericht met de hand, met de naald, en tot alle Vrouwlijke eerbare en geoorlofde werken, als aldaar.
    Om dese reeden, wanneer ’t gebeurde, dat’er iemand der zelver Abdije, of op verzoek der ouders, of om andere oorzaak daar uit begeerde te gaan; die mogt met hem neemen een Vrouw, die hy tot sijn Nonnetje verkooren had; en die wierden dan t’zaamen gehuwelijkt: en indiense geestelijk zijnde tot Theleme wel geleeft hadden in vriendschap; noch veel lieflijker leefdense voortaan in ’t huwelijk. En zoo [p. 217] zeer liefdense malkanderen tot aan ’t eynd haarer dagen, als op den eersten dag haarer bruiloft. Doch, op dat ik niet vergeete u een raadzel te beschrijven, die gevonden is onder de grondvesten van de Abdije, op een groote koperen plaat gesneeden; laat ikze hier na volgen.



                LIX. HOOFT-DEEL.

    Raadzel by wijse van voorzegging.

            ELlendig volk, dat heyl en welvaart wagt,
            Hef op u hert: en neem mijn reen in acht:
    Indien men vry en vastlijk mag gelooven,
    Dat, door de kragt der sterren van hier boven,
        Des menschen geest zoo zeer in kennis rijst,
        Dat hy’t geen noch toekomend’ is aanwijst;
    Of, zoo men mag door Goddelijk ingeven,
    Tot kennis van’t aankomstig’ zijn verheven;
        Zoo, dat men merk, en meld met vaste reen,
        Den loop en ’t lot der tijden lang voor heen,
    Zoo koom ik mee, die ’t weten wil, gewagen,
    Dat in de naast-aanstaande winter-dagen,
        En in dit land, daar wy nu zijn en gaan,
        Een zeeker soort van menschen op sal staan,
    Die, moe van rust, en zad van vreedig woonen,
    By klaaren dag zich zullen stout vertoonen,
        ’t Ontrusten ’t volk van hoog en laagen staat:
        Te stichten twist en onderlingen haat:
    En diese zal gelooven, of gaan hooren,
    (Wat’er af koom, of werde door verlooren)
        Dien zullen sy haast hitzen tot verschill,
        Met vriend, met maag en naasten na haar wil,

[p. 218]
    De zoon zal trots niet schroomen een beschaader,
    Ja ook’t bederf, te zijn van sijnen Vader,
        De Grooten zelf van hoogen stam en stand,
        Zien zich door d’onderzaaten aangerand:
    De nood’ge pligt van hoog ontzag en eeren,
    Is weg, en geen wan-orde meer te weeren:
        Terwijl men roept: by beurten gaat’et al;
        Dat dus lang rees, neig nu weer na sijn val,
    Ja, daar zal dan zoo veel verwarring weesen,
    Zoo veel geschils, gedempt, en weer gereesen,
        Dat geen geschichtboek, schoon ’t veel wond’ren meldt,
        Zoo schendige beroerten oit vertelt.
    In bloey der jeugd laat meenig held zijn leven,
    Door licht geloof of zotten zucht gedreven.
        Want die zich eens in d’ oproer mengen gaat,
        Niet veilig zich daar weder af ontslaat.
    Ten zy hy heeft den hemel doen, met brullen,
    Van moord en brand, en d’aard met tranen vullen,
        Dan zullen lien, gansch vreemd van trouw en eer,
        Meer zijn ontzien, als eenig deugzaam Heer.
    Want yder zal, verbystert en verbolgen,
    d’Onweetende en dwaase meenigt volgen;
        Waar door ligt raakt aan ’t rijk den domsten bloed,
        O deerlijke en te droeve jammervloed!
    Ja, watervloed! zeg ik mee met goe reeden:
    Want dit gewoel en woen verwoest veel steeden:
        En niet eer wordt het land daar af ontlast,
        Eer tot een schrik het water schielijk wast,
    En haar verrast, die, half in bloed verzoopen,
    In heet gevegt, nau zien zich overloopen,
        ’t Is recht haar loon; om datse, te verwoed,
        In desen strijd, zelf niet ’t onschuldig bloed,
    Van ’t weerloos vee verschoonden; niet den Gooden,
    Ten offer, maar den mensch tot dinst van nooden.
        Nu denk eens, hoe’t al verder noch wil gaan,

[
p. 219]
        In welk een warr’ de wereld dan zal staan.
    Gelukkigst, die men’t meest daar af betrouwden:
    En die zich minst van haar verderf onthouden:
        Ja, brengen’t all gevaan in slaavery;
        Zoo all’ haar hoop slechts op den winnaar zy.
    Noch, voor het ergst van all haar ongevallen,
    Zal d’ held’re zon, zoo die in’ t Oost komt brallen,
        Een donkerheid verspreyden over haar,
        Meer dan of ’t een gemeen verduist’ring waar,
    Dus komt men ’t licht en vrijdom heel te missen,
    Met ’s hemels gunst in droev’ verlaatenissen.
        Dien val voorspeld zoo fell’ aardbeving, als
        Toen
Titans zoon kreeg Aethna op sijn hals:
    Of toen
Typhon Inarimes zoo hortten,
    Dat berg en burg en bosch in zee neer-storten.
        Dus raakte ’t haast in erg’ en erger staat;
        Zoo dat die ’t heeft het gaarn sijn na-zaat laat.
    Dan word het weer goe tijd: d’ellenden enden:
    Want ’t water wijst elk elders heen te wenden:
        Doch voor ’t vertrek verneemtmen klaar om hoog,
        Een brandend’ hitt, die’t al maakt stil en droog.
    Voorts feilt’er niets, dan dat Gods uit-verkooren
    Verheugt met goed en Gods-woord zijn als vooren;
        Ja, als ten loon, verrijkt in overvloed:
        d’And’re verdoemd’ en bloot van alle goed.
    En billijk dus zich einden d’ ongevallen,
    Een voorschik schenkt ’t beschoore lot aan allen.
        Dus was ’t besluit. O! hoe hoog heerlijk hy,
        Die tot het eind in deugd volstandig zy!


    Dit Gedenk-schrift dus ten einde geleesen zijnde, zagmen Gargantua zeer diep verzuchten: en hy zeide tot de Omstanders; ’t En is van heeden niet, dat de menschen, die tot het geloof des Euangeliums gebragt zijn, vervolging [p. 220] lijden: maar wel geluk-zalig is de geene, die niet ge-ergert zal zijn: en die gestaag in lief- en leed zal trachten naa ’t geene God door sijn lieve Zoon ons voorgeschreven heeft, zonder zich door vleeschelijke beweegingen te laaten verrukken noch vervoeren.
    Maar de Monik zeide; wat meenje dan, dat door dit Raadzel beduid, en te kennen gegeven word? Wat? zeide Gargantua. Het beloop en ’t beleid der Goddelijker waarheid. By Sint Goderan, zeide de Monik, zoo zou mijn meening geenzins zijn: Het is een wijse van schrijven, als die van den Waar-zegger Merlyn. Maak’er zoo geestelijke glossen en zin-speelingen over als je wil, raas-kal met al de weereld watje meugt; my aangaande, ik meen niet, dat’er eenig ander zin in beslooten is, als een beschrijvinge van ’t bal- of kaats-spel onder duistere woorden.
    [Vreemde uit-legging.] De beleiders van ’t volk, zijn die de speelers verdeelen, welke gemeenlijk vrienden zijn: En, na de twee gedaane kaatsen, treed hy uit het spel, die eerst daar in was: en daar gaat een ander weder in. Men gelooft den eersten, die zeit, of den bal over, of onder de koorde is heen-gegaan: Het water is het sweet: de scheering der raketten is van schapen of geiten-darmen: Het weerelds rond is den bal: na ’t spel verfrischt men zich voor een goed vuur, en trekt een schoon hemd aan: en dan zetmen’er geern een gelachjen op; maar met het meeste vermaak en lustigheid Sy die ’t gewonnen, en vry-gelag hebben. En daarmee is ’t spel Uit.

Einde van ’t Eerste Boek.

Continue

[
p. 221]

De Held-achtige

DAADEN EN REEDEN

Van den REUZE

PANTAGRUEL.

TWEEDE BOEK.




[p. 222]

Tienling van Meester Hu-
gues Salel aan den Schrijver
deses Boeks.

        INdien door nut te mengen met vermaak
            Men grootelijks een Schrijver roemt en acht;
        Soo moet gy mee (’t is een gewisse zaak)
            Gepreesen zijn; nadien gy, met voordacht
            Al boertend, in dit boek wel hebt betracht,
        De nuttigheen zoo schiklijk te beschrijven,
        Dat het my dunkt een Democryts bedrijven
            Belagchend’ al het doen van ’s menschen leven:
        Vaar zoo vry voort: en laatmen nu u blijven
            Berooft van roem, men zals’ hier na u geven.



[p. 223]

VOOR-REEDEN

Van ’t

TWEEDE BOEK.

ZEer doorluchte, en Ridderlijke Helden, Heeren, Eedelen en andere, die u geerne begeeft tot alle eedele en eerlijke oeffeningen, onlangs hebt gy gezien, geleezen en geleert de schoone en onschatbaare geschiedenisse van den overgrooten Reuze Gargantua: En als waare geloovige hebt gyse ook met lust en geloof aangenoomen: en meermaal met deftige Vrouwen en jonge Juffers uw tijd daarmee gekort; door geneuchelijke en lange vertellingen aan haar daar uit te doen, wanneer gy niet veel anders by te brengen wist. Waar door gy een grooten lof, en geduirige gedachtenis verdient: en dat om mijnen ’t halven, om dat een jegelijk van u sijn eigen zaaken liet vaaren, sijn pligt en werk verwaarloosde en vergat, om zich daar toe t’ eenemaal te mogen begeven, zonder dat sijn geest elders ware verrukt of ver- [p. 224] hindert, tot dat gy ze ten vollen van buiten kende; op dat, indien ’t mogelijk mogte gebeuren, dat de Druk-konst een einde nam, of dat alle boeken in de volgende tijden verlooren wierden, een jegelijk dezelve wel fraijtjes en netjes aan sijn Kinderen zou konnen leeren: en aan sijn naakomelingen en Nazaaten, als van hand tot hand, gelijk een geestelijke Geheim-kund [Cabale], overleveren. Want daar steekt vry meerder nuttigheid in, als een deel grove en heel ruwe weet-nieten gewaar worden; die haar nochmin op zulke kleene aardigheeden verstaan, als den nar Raclet op de rechts-kund.
    Ik heb’er meenig groot en magtig Heer gekent, die, ter jagt gaande op groote Dieren, of met de Valk te vliegen,
wanneer ’t gebeurde, dat het beest de schut-haagen niet ontmoet was, of dat de Valk slechts op sijn vleugels dreef, daar hy de proij met kragt vooruit zag vliegen, wel ter tegen verdrietig was, gelijk gy licht denken kunt: doch alsdan was d’ eenige toevlugt en [p. 225] vertroosting, om niet t’eenemaal moedloos te worden, dat men herlas d’onwaardeerlijke daaden van den Reuze Gargantua.
    Andere zijn’er mee wel geweest (’t zijn geen leugen-praatjes) die geweldig met tand-pijn gequelt, na dat se daar-over al haar middelen vermeestert en niets gevordert hadden, geen gereeder middel hebben weeten uit te vinden, als dit klucht-boek tusschen twee schoone wel warme doeken gewonden, op de pijnelijke plaats te voegen, en met een weinig mond-poeder
[Poudre d’orribus] te verscherpen [Sinapizer]. Maar wat zal ik zeggen van de arme pokkige en gigtige Gasten? o! hoe dikwijls hebben wij-se gezien ten tijde wanneerse wel vetjes gezalft en gesmeert waren, en dat haar’t bakkis blonk of ’t vernist was: en de tanden haar ratelden als de klavieren van een Orgel of Cim-baal, als men’er opspeeld: en datse schuijmbekken als een wild-swijn, dat door de doggen tusschen de netten benauwt is: wat zouden zulke arme dieren dan [p. 226] doen? al haar verheuging was niet dan eenige blaadtjes van dit boek te hooren leesen. En wy hebben zommige gezien, die zich zelf verswoeren aan honderd duisend tonnen vol oude Duivelen, in diense geen merkelijke verlichting door ’t leesen der zelver gevoelen, soo haast men ’t maar ter hand nam; min noch meer als de Vrouwen in baarens weën zittende, wanneermen haar ’t leven van Sinte Margriet verhaalt. Is dat noch niemendal?
    Wijst my eens een boek, van wat taal, van wat weetenschap of konst het zy, dat zulke krachten, eigenschappen en voor-rechten heeft; en ik zalje de buik vol beulingen geven. Neen, neen, mijn Heer, het is onvergelijkelijk en zonder weergaa: dat wil ik staande houden tot aan ’t vuur, (exclusivè) niet daar in. En alle die ’t tegendeel willen beweeren moetmen houden voor dwaal-geesten, voor-oordelaars, bedriegers en misleiders. Wel waar is ’t, dat men in eenige boeken van hooger achting zeekere verborgen
[p. 227] eigenschappen vind; onder welkers getal men reekent Fesse-Pinte, den raasenden Roeland, Robrecht de Duivel, Firabras, Willem zonder vrees, Huon van Bourdeaux, Monteville, en Matabraue; Maar by dit zijnse geenzins te vergelijkken. De menschen hebben by onfeilbaare ervaarrentheid wel bevonden, wat grooter nuttigheid en voordeel uit dese beschrijvinge van Gargantua voort-quam; dewijle de Drukkers daar af veel meer verkoft hebben in twee maanden, als’er van de Bijbels niet gekoft zullen worden in negen jaaren. Derhalven dan (ik uw neederige Slave) van voorneemen uw tijd-korting noch te verlengen, kom u nu weder een ander boek aanbieden, van den zelven slag; behalven, dat’et een weinig wel-voegender, en zich zelf gelijkkender is, als het voorgaande: Want je moet niet meijnen (ten zy gy in uw gewissen wilt missen) dat ik daar van spreek even als de Jooden van de wet. Ik ben niet gebooren onder zulken Dwaal-ster [Planete]: en ’t en is [p. 228] my noit gebeurt te liegen, of zaaken te verzeekeren die niet waar en waren. Ik spreek’er af als een rappen (Onocrotale) ratel-gans [Onocratale. rugchelaar die als een Eezel rughelt]; Ik wil zeggen (Crottenotaire) klad-schrijver [Crotè Notaire], van de minne-martelaars, en als een (Croque notaire) Quak-schrijver van de vrijerijen [Croque notaires. deze drie naamen zullen speelen op die van Protonotaire eerste, of voornaamste Schrijver]. (Quod vidimus testamur) Wy zeggen niet meer als wy gezien hebben: dat is, van de vervaarlijke daaden en dapperheeden van Pantagruël; den welken ik om loon gediend heb, zedert dat ik buiten westen ben geweest tot dese tijd toe, dat ik met sijn verlof in mijn land ben koomen zien, of noch iemand van mijne maagen mogt in ’t leven zijn.
    Dieshalven, op dat ik een eind van dese voor-reeden maak, gelijk ik my zelve voor honderd manden vol mooije Duivels met lijf en ziel, beullingen en darmen wensch, indien ik in mijn geheele verhaal u een leugentje, op de mouw speld: maar daar en tegen, moetje ’t vuur van
Sint Teunis branden; Het dwaas-licht verleiden; het scheur- [p. 229] zel u schenden; de bloed-gang u grieven; de peper-pest zoo dicht als koeijehair, met quik-zilver versterkt, moetje van onder in ’t gat-vaaren; en als Sodoma en Gomorra moetje met swavel en vuur verzinken in den afgrond, in dienje niet vastelijk gelooft al wat ik je in dit tegenwoordig tijd-schrift verhaalen zal.



[p. 230: blanco]
[p. 231]

De GEESTIGE

WERKEN

Van

Mr. FRANCOIS

RABELAIS.
__________________________

PANTAGRUEL

TWEEDE BOEK.

Eerste Hooft-deel.

De Afkomst en Oudtheid van den grooten
Pantagruel.

HEt en zal geen ondienstige of noodeloose zaak zijn, alzoo wy ’t voorlang belooft hebben, u te verhaalen den eersten af komst en ’t geslacht, waar uit ons den braaven Pantagruel gesprooten is: nademaal ik merk, dat alle goede Geschicht-schrijvers [Historiographes] in haare Tijd-boeken [Chroniques] de geslacht-reekeningen meede wel waar genoomen hebben; niet alleen d’Arbaiërs, Barbaren en Latynen, maar ook Grieken en Heydenen, Die geduurige drinkers waren.
    Gy moet dan weeten, dat in ’t begin des we- [p. 232] relds (ik spreek van een overlang geleeden tijd, meer dan over veertigmaal veertig nachten, om te tellen na de manier der oude Offerpriesters) [Druides] een weinig na dat Abel door sijn broeder Caïn was gedoodt, het aardrijk, door ’t bloed des rechtveerdigen bevogtigt, eens in zeeker jaar zoo zeer vrugtbaar was, van allerley vrugten, en bezonderlijk van mispelen, dat men ’t, zoo verr’ iemand heugen mag, het jaar der groote mispelen, geheeten heeft, want de drie maakten een zakvol. [Kalenden der Grieken beteikent iets dat niet in wezen is.] In dat jaar wierden de Kalenden in de Griekze Almanakken gevonden. De maand meert miste men in de vasten; en ’t midden van oogstmaand quam in de mey. In de herfst-maand, dunkt my, of wel in de Wijn-maand (op dat ik toch geen mislag begaa; want daar voor meen ik my wel ter degen te wachten) quam de week, die in de jaarboeken zoo beroemd is onder den naam van de week der drie donderdagen: dewijl’er drie in waaren, ter oorzaake van de gemeene schrikkeljaaren, door dien de Zon een weinig struikelde gelijk schuldenaars na Schuylenborg: ook de Maan week wel meer dan vijf vaadem van haar loop: en de beweeginge van ’t schudden des Sterren-hemels, gezeit onbeweeglijk te zijn, wierd wel klaar gemerkt; zoo geweldig, dat de middelste van ’t zevengestert [Pleiades], haar gezellinnen verlaatende, na den eevenaar [l’Equinoctal] afzakte: en de sterre, genaamt de Kooren-air [l’Espy], ver van de Maagd [Vierge] af, naa de Schaal [Balance] toe week, ’t welk wel vervaarlijke gevallen zijn, en zoo swaare en harde dingen, dat de Sterrekijkers die niet konnen bijten: ook zoudense wel lange tande moeten hebben, indiense tot daar aan toe zouden raaken.
[p. 233]
    Nu meugje eens in acht neemen, dat alle menschen geerne van die mispelen aaten, om datse schoon in ’t oog, en lekker in de mond, waren. Maar even als den heiligen Man Noah (aan wien wy niet weinig zijn verpligt en gehouden, om dat hy ons den wijngaard plantte, daar af ons komt dat over zoete, smaakelijke, vermaakelijke, hemelze, verheugende, ja vergoodende vogt, dat men den wijn noemt) in ’t drinken bedroogen wierd; want hy kende haar groote deugd en kracht noch niet: alzoo gebeurde ’t ook de Mannen en Vrouwen te dier tijd, eetende met grooten lust van die schoone groote vrugten; doch daar af quamen haar zeer verscheydene quaalen: want, hoewelse alleene zeer schrikkelijk wind-gewas aan ’t ligchaam kreegen, zoo zette zich ’t zelve niet op gelijken plaats; alsoo zommige den buik zoo zeer opswol, datse zoo dik wierd als een Hamburger ton: waar van men geschreven vind (ventrem omnipotentem) den almogenden buik: ’t welk alle Mannen met eeren en lustige reutelaars waren: en uit desen stam wierde Sint Panhart en Mardygras gebooren. Andere rees de dikte op de schouders, en die wierden zoo gebultt, dat mense (montiferes) berg-dragers noemde; van welk slag men noch veele van verscheide kunne en staat de wereld door verneemt: en van dien af komst was Esopus, van welken die deftige daaden, en wijse reeden in geschrifte noch overig zijn. Anderen schoot het in de Manlijkheid; en deed dat lid, ’t welk men den natuur-werker noemt, zoo lang, vet, dik, grof, groen, grijplijk, na d’ouwer-wetze wijse uitwassen, datse ’t tot een gordel of gezontheid [p. 234] gebruiken konden, de zelve vijf of zes-maal om de middel slingerende: en als ’t gebeurde, dat het op sijn best was, en wind achter ’t gat had, zouje zulks ziende gezeid hebben, datse haar lans gevelt hadden om ’t steekspel op den schild te leeren: doch van die is de stam uit-gestorven, zoo de Vrouwen zeggen: want sy jammeren geduirig, dat’er niet meer overig zijn van die dikke, en zoo voort het liedjen uit, je kent het doch. Andere sloeg de wasdom zoo geweldig in de ballen, dat de drie wel een wijnvat vulden: van die zoort zijn afkomstig de Bal-zakken van Lottharingen; diese noyt in een lats dragen, maar zakken haar tot onder in de broek. Andere wiessen de beenen zoo geweldig, dat gyse ziende zoudt gezeidt hebben, dat’et kraanen, of Vlaamingen waren, of wel lieden die op stelten gingen: en de kleine Letterknabbelaars noemen zulk een in haar letterkunst (Jambus) langbeen. Andere quam de neus zoo zeer te wassen, dat hy een fray verzierden helmpijp op een stook-keetel geleek; vol vuurige vonken en puisten, vol uitbottende purpere knopjes, bepronkt met dopjes, en beboort met roode streepjes; gelijk gy gezien hebt aan den Domheer Panzoult en aan Woudaaxter [Pie de bois], Geneesheer tot Angiers; van welken stamme weinige zijn geweest die het klein bier beminden; maar meest alle warense lief-hebbers van ’t Herfstzopje: Ovidius Naso en ’t meerendeel der Roomze Keisers zijn daar uit gesprooten en alle van welke geschreven staat; (Ne reminiscaris) denk’er niet weer aan.
    Andere groeyden de ooren zoo overgroot, datse van’t eene wambis, broek, en py maak- [
p. 235] ten, en met het andere haar zoo wel als een Spanjaard met sijn mantel bedekten: en men zeit, dat in ’t Landschap Bourbonnois zulk slag van menschen noch in ’t wesen is, waar door mense noch noemt d’ooren van Barbonnois. Andere schooten op in lengte des lichaams: en daar af zijn de Reusen voort-gekoomen; en onder de zelve Pantagruel.

De eerste Reuse was Chalbroth.
Van die quam Sarabroth.
Van die quam Faribroth.
Van die quam Huttaly; die geern zoete zopjes at: en ten tijde
      van de Zundvloed regeerde.
Van Huttaly quam Nembroth.
Van die quam Atlas; die met sijn schouderen den hemel
      van vallen behoedde.
Van die quam Goliath.
Van die quam Erijx, die’t beeker-spel bedacht.
Van die quam Titius.
Van die quam Eryon.
Van die quam Polyphemus.
Van die quam Cacus.
Van die quam Etion, de welke d’eerste was, die de
      pokken kreeg, om dat hy by de Somer koud water
      gedronken had, zoo Battachem getuygt.
Van Etion quam Enceladus.
Van die quam Ceüs.
Van die quam Typhaeus.
Van die quam Alaeus.
Van die quam Otheus.
Van die quam Aegeon.
Van die quam Briaraeus; die honderd handen had.
[p. 236]
Van die quam Porphyrio.
Van die quam Adamastor.
Van die quam Anthaeus.
Van die quam Agatho.
Van die quam Porus; waar tegen Alexander de
      Groote Oorlogde.
Van die quam Aranthüs.
Van die quam Gabbara; die eerst het veel drinken opbragt.
Van die quam Goliath den tweeden.
Van die quam Offot; die een schriklijk schoone neus had
      om by vaten vol te drinken.
Van die quam Artacheus.
Van die quam Oromedon.
Van die quam Gemmagog; die de vinder was van veulens
      te beslaan.
Van die quam Sisiphus.
Van die quamen de Titans; waar uit Hercules voort-quam.
Van die quam Enay; die zeer ervaaren was in de
      weetenschap van de ziertjes van de handen af te doen.
Van die quam Firabras; de welke verwonnen wierd door
      Olivier, een der Raaden van Vrankrijk; gezel van Roeland.
Van die quam Morgan, die de eerste ter wereld was, die met
      sijn bril op de neus speelde met dobbel-steenen.
Van die quam Fracassus; van den welken Marlin Coccaie
      schreef.
Van die quam Farragus.
Van die quam Happe-mousche; (Mugge-happer) die eerst
      bedacht de Osse tongen in de schoorsteen te rooken:
      want te vooren wierden se slechts gezouten,
      gelijkmen de schenken doet.
[
p. 237]
Van die quam Bolivorax.
Van die quam Longis.
Van die quam Gayoffe; die ballen had van een populier,
      en de klep van een zorbenboom.
Van die quam Maschefain.
Van die quam Bruslefer.
Van die quam Engoulevent.
Van die quam Galehaut; die de vinder van de flessen was.
Van die quam Mirlangaut.
Van die quam Galaffre.
Van die quam Falourdyn.
Van die quam Robeaste.
Van die quam Sortibrant de Cominbres.
Van die quam Brushant de Mommieres.
Van die quam Bruyer; de welke wierd verwonnen door
      Ogier den Deen, Raads-heer in Frankrijk.
Van die quam Mabrun.
Van die quam Foutasnon.
Van die quam Hacquelebac.
Van die quam Vitdegrain.
Van die quam Grandgousier.
Van die quam Gargantua.
Van die quam den Eedelen Pantagruël, mijn Meester.

    Ik denk wel dat gy, deese dingen leesende, billijk by u zelf zult twijffelen aan de waarheid: en vragen, hoe ’t mogelijk is, dat dit zoo zy; nademaal ten tijde van de Zund-vloed alle menschen om quamen, behalven Noah, en zeven Perzonen nevens hem, die in de Arke waren: onder welken de Reuze Hurtaly niet genoemt [
p. 238] word? De vrage is zonder twijffel wel gedaan, en met goeden schijn: maar den antwoord zal u voldoen, of mijn zinnen zijn niet recht op ’er schik. En dewijl ik in dien tijd niet op de wereld was, en daar af na mijn lust niet spreeken kan; zoo zal ik tot bevestiging by-brengen de geloof-waardigheid der Massoreten, goede zak-dragers en lullepijp-speelders onder de Hebreeuwen: De welke wel bekennen, dat in der waarheid desen Hurtaly niet binnen de Arke van Noah was; ook had hy’er niet in konnen komen; dewijle hy al te groot was: maar hy zat’er boven op, als een Ruiter te paard, aan elken zy een been; gelijk ook de kleine Kinders op haar houte paardtjes doen: en even als den dikken bul van Bern, die geslagen wierd tot Marignan, een grof stuk geschuts besprong en bereed; dat moet een beest van braven draf geweest hebben; ja zeker, zonder twijffel. Op zulken wijse dan bevrijde hy (naast God) de zelve Arke voor ’t gevaar: want hy hield hem in ’t gewigt met sijn beenen, en met de voet draaijde hy die waar heenen hy wilde; even als men met het roer van een Schip doet. De gene, die’er binnen waren, schikten hem genoegzaame mond-kost toe door een schoorsteen, als lieden, die de wel-daad erkenden, dien hy haar dee. En zomwijlen haddense een praatje met malkander; gelijk Icaromenippe met Jupiter; volgens verhaal van Lucianus. Hebje ’t nu altemaal wel verstaan? Drink dan eens een braaven dronk ongewaaterden Wijn. Want zooje ’t niet gelooft, ’t is mijn schuld niet, maar de haare.



[p. 239]

                II. HOOFT-DEEL.

    Van de geboorte van den zeer ont-
        zagchelijken
Pantagruel.

IN d’ouderdom van vijf honderd vier-en-twintig jaaren gewan Gargantua sijn Zoon Pantagruel, by sijn Vrouw genaamt Badebec, Dochter des Konings der Amauroten in Utopien, de welke in ’t baarens-wee te sterven quam: want hy was zoo wonder groot en grof, dat hy niet voor ’t licht koomen kon, zonder zoo sijn Moeder te verstikken.
    [Lange en groote droogte.] Maar, om u ten vollen te verklaren d’oorzaak en reeden van sijn naam, die hem in den Doop gegeven wierd; zoo moet gy aanmerken, dat’er in ’t zelve jaar door ’t geheele Land van Africa zoo grooten droogte was, dat’er zes-en-dertig maanden, drie weeken, vier dagen, dartien uuren, en een weinig daar over, verliepen, zonder reegen, met zoo geweldig een warmte der Zon, dat het gansche Aardrijk daar door dor en droog was.
    De lucht was ten tijde van Elias niet meer verhitt, alsse toen was: want men zag geen boom op ’t veld, die enig blad of bloeyzel had: de kruiden waren zonder groente; de rivieren zonder water; de sprink-bronnen uit gedroogt; d’arme visschen, van haar eigen hoofd-stoffe verlaaten, wentelden en schreeuwden schrikkelijk langs d’aarde; de vogelen vielen van boven uit de lucht door gebrek van [p. 240] den dou; de Wolven, Vossen, Herten, wilde Swijnen, Dassen, Haasen, Konijnen, Wezels, Water-ratten en andere Dieren vond men over ’t veld wijd-gaapende dood leggen.
    Belangende de menschen, ’t was zeer jammerlijk te zien, hoese hijgden, en de tongen ten mond uit hingen als haasen, die zes uuren geloopen hebben. Veele wierpen zich zelven van boven neer in de putten: andere voegden haar onder den buik van een Koe, om in de schaduw te zijn: en die Heet Homerus Alibantes.
    De geheele Landouwe was swart verzengd als inkt; ’t was een erbermelijk zaak te zien de moeilijkheden der menschen, diese aan wendden om haar te behouden en redden uit dese vervaarlijke ontsteltenis. Ter nauwer nood kostmen ’t Wy-waater in de Kerken bewaaren, dat’et niet op-geslorpt wierd: maar door raad der Cardinaalen en den Heiligen Vader wierd’er zoodanig in voorzien, dat niemand meer dan een slorpje neemen durfde. Terwijl noch ’t volk eerst ter Kerken quam, zagje die arme verdorste al by twintigen den Uitdeelder van ’t Wy-water met open-keel achter-aan hengelen om een dropje daar af te mogen genieten, (even als dien snooden Rijkaart) op dat’et doch niets verlooren ging. Och! hoe gelukkig was in dat jaar de geene, die een koele-kelder had, en die wel verzien!
    Een Wijsaart vermeld, daar hy’t vraag-stuk verhandeld; waar door het komt, dat het Zeewater zout is? dat, ten tijde als Phaebus ’t bestier van den lichtvoerenden Zonne-wagen aan sijn Zoon Phaëton vertrouwde, de zelve tot [p. 241] zulk een hoog bewind niet wel onder-wezen, en niet weetende te houden den rechten Zonne-streek tusschen de beide keer-kringen, week van sijn weg, en naaderde zoo na aen d’Aardkloot, dat hy alle de ondergeleegen Landouwen t’eenemaal uit-droogde, en een groot gedeelte des Hemels verzengd; ’t welk de Wijsgeeren noemen (via lactea) den Melk-weg; en Jan-hagel heet’et Sint Jacobs pad. Maar de meeste Drollen-draijers van Dichters zeggen ’t te zijn dien Hemel-straat, daar Juno haar melk stortte, toense Hercules de mam bood. Toen was ’t, dat d’Aarde zoo verhitt wierd, dat haar ’t sweet zoo overvloedig uit-brak, datse de geheele Zee sweette, waar door ’t komt dat die zout is: ’t welk gy zelve zult zeggen waarachtig te zijn, zoo gy uw eigen sweet slechts proeven wilt; of liever van pokkige gasten, terwijlse in ’t sweet-vat zitten; ’t is my al even eens.
    By-na gelijken voor-val geviel’er in dit jaar: want op een Vrijdag, terwijl al de weereld zich tot aandacht begeven had, en een Gods-dienstigen omgang [Procession] dee, met meenigte van aan roepingen der Heiligen, en puik van prevelingen, God den Almagtigen ootmoedelijk biddende, haar met sijn mee-doogende oogen in zulk een jammer te willen aanschouwen; zagmen zeer haast klaar voor oogen, groote waater-droppelen uit d’aarde op-komen, als of iemand over al het sweet geweldig was uitgebrooken.
    All het volk begon zich zeer daar-over te verheugen, als of’t een groot geluk voor haar was geweest: want zommige zeiden, dat, dewijl’er [p. 242] in de lucht daar uit men de regen verhoopte, niet een dropje vogt voor haar was, het Aardrijk haar gebrek vervulde. Andere gauwe gasten gaven voor, dat’et den reegen der Onderaardze of tegen-voeters wesen moest; zoo Seneca [In ’t vierde Boek van de Natuurlijke vraag-stukken] verhaalt, daar hy spreekt van den oorsprong des Nijls: doch sy zijn bedrogen geweest: want toen d’omgang gedaan was, en elk by potten vol van dien daau te drinken dacht, wierdense gewaar, dat’et niet dan peekel, en veel slimmer en ziltiger als Zee-water was. En dewijle op dien eigensten dag Pantagruel gebooren wierd, wilde sijn Vader hem met dien naam genoemt hebben; om dat Panta in ’t Grieks beduit Al en gruel, in de Hagareenze of Turkze taal, zoo veel te zeggen is als verdorst; willende daar meede aanwijsen, dat ten tijde van sijn geboorte Land en Luid en geheel verdorst waaren. Ook voor-zag hy, door een Waar-zeggende geest, dat dese sijn Zoon t’eeniger tijd het heerschap van de dorstige herten zou zijn, ’t welk hem ter zelver uure getoont wierd door een ander blijkkelijker teeken. Want toen sijn Moeder Badebec hem ter wereld bragt, terwijl de Vroed-vrouwen vast zaaten en wachten om hem te ontvangen, quamen’er eerst uit haar lichaam voort acht-en-zestig Voer-luiden, elk een Ezel met zout gelaaden by ’t helfter hebbende: waar na noch volgden negen Dromedarisen met haar laading van Hammen en gerookte Osse-tongen. Zeven Kameelen met paalingtjes, en vijf-en-twintig wagens met knoop- en bies-look, uijens en porray; waar over de Vroed-vrouwen uittermaten verbaast stonden: doch zommige der zelver zeiden; [p. 243] ziet hier schoon voorraad: anderzins zouden wy slapjes en niet rapjes om drinken, dit is niet dan een goed teyken, en al aanprikkelingen tot den wijn. En terwijlze zulke slechte praatjes noch zaaten en snaaterden, zoo komt kort daar op Pantagruel ter wereld, geheel ruig als een beer. Waar op een van haar door een waarzeggende geest zeyde; Hy is rondom ruig gebooren, hy zal wondere daaden doen: en mag hy leven, hy zal wel oud worden.



                III. HOOFT-DEEL.

    Van de Rouwe die Gargantua be-
        dreef over de dood van sijn Vrou

        Badebec.

Soo haast als Pantagruel gebooren was, stond Gargantua wel verbaast en verbijstert: want aan d’een zy zag hy sijn lieve gemaalin Badebec van de wereld scheyden, en aan d’ander zy sijn zoon daar nieuwelijks in gekomen, zijnde zoo schoon en groot; zoo wist hy niet wat hy zeggen of doen zou: en ’t geen meest sijn verstand ontstelde, was de twijffel; of hy behoorde te schreyen over de droeve dood van sijn vrouw, of te lagchen over de blijde geboorte van sijn zoon. Van d’een en d’ander kant had hy gewisse beweeg-reedenen, die hem verwarden en benarden: want hy wistze wel in wijse en gestalte [In modo & figura] te stellen, maar hy kondese niet op lossen. En alzoo bleef hy belemmert als een muis in de val, of een wouw in den strik gevangen.
[
p. 244]
    Sal ik schreyen, zeyde hy? jaa: doch waar om? Mijn zo fraaije Vrouw is overleeden, die my zoo hier zoo daar het gedienstigste ding ter wereld was. Nimmermeer zal ik haar weder zien; nimmermeer zal ik’er zulk een weder konnen bekomen; dit is my een onwaardeerlijk verlies! Och, God! wat had ik u misdaan, dat gy my zoo swaar gestraft hebt? waar om zond gy de dood niet eer aan my als aan haar? want zonder haar te leeven is my niet anders als quijnen. Ha Badebec, mijn bekje; mijn liefje; mijn geriefje; wat hadje’r een heerlijke kom-overmorgen van zeven bunder lands; mijn schoone! mijn kroone! mijn kuyltje! mijn muyltje! noyt zal ik u weer zien. Ach arme Pantagruel! gy mist u goede moeder! en u lieve voedster: en ik mijn overwaarde vrou! Helaas, bedriegelijke dood! hoe zijt gy my zoo misgunstig? hoe zijt gy my zoo vyandig, dat gy my ontrooft de geene, die billijk behoorde onsterflijk te zijn.
    Terwijl hy dus klaagde, schreide hy als een Koe: maar met’er haast lachten hy weer als een Kalf, wanneer hy dacht om Pantagruel. Ha! mijn kleyn zoontje, zeyde hy, mijn zakje, mijn takje, wat benje zuiker zoet: en hoe grootelijks ben ik aan God gehouden, dat hy my met zoo lieflijken, zoo lagchenden, en lustigen zoon verzien heeft. Ha, ha, ha, ha, wat ben ik bly: za, laat ons zuipen, en alle swaarmoedigheid verdrijven: Breng-aan van den besten: spoel de glaasen: dek de tafel: jaag dese honden: blaas op het vuur: steek op de kaars: sluyt dese deur: meng dese soppen: zend aan deese armen, en geef haar ’t geense [p. 245] begeeren: houdme mijn Rok; op dat ik in’t Wambis te gemakkelijker mijn kraam-gasten onthaalen mag.
    Dit gezegt hebbende, ging hy de lijk-gebeden en aandachten hooren van de priesters, die sijn gemaalin ten grave geleyden; waar door hy sijn reeden af-brak, en zeer elders heen verrukt wierd, zeggende; Heere God, moet het zijn, dat ik me noch meerder bedroeve? dat is te moeyelijk, dat ik niet meer jong en ben: ik word oud: de tijd is gevaarlijk: my mogt eenige koorts vatten, daar mee was ik af-geslooft. Doch, by mijn eedelmans trouwe, ’t zal beter zijn wat minder te zuchten, en wat meerder te zuipen. Mijn Huysvrouw is dood: wel jaase: Maar met mijn traanen zal ikse (beget) niet weder levendig maaken: Zy is, daarse wel is; ten minsten zalse in ’t Paradijs zijn, zoose niet op beeter plaats is. Sy bidt God voor ons: Sy is wel gelukzalig: sy bekommert haar niet meer met onse ellenden en jammeren, die wy geduurig voor oogen zien en te bezorgen hebben. God behoed den overblijvenden: ik moet denken om een ander te vinden. Maar weetje watje doen zult? zeyde hy tot de Vroedvrouwen (waar zijnse, goede luiden, ik kanje niet zien) gaat mee na haar begravenis, en onderwijl zal ik mijn zoontje zitten wiegen: want ik gevoelme geweldig ontstelt: en zou in gevaer zijn van onder voeten te vallen door flauwte: doch drink gy een goeden teug te voor: want je zult’er je wel by bevinden, geloof’er my vry in op mijn eer.
    ’t Welk sy dan gehoorzaamden, en heen gingen den uitvaart en lijkstacy mede vieren, terwijl [p. 246] den armen Gargantua t’huys bleef: en maakte ondertusschen het grafschrift, om op haar tombe gehouwen te worpen, gelijk ’t zelve hier volgt;

        D’Eed’le Badebec bleef dood,
    (Veel te vroeg) in’t kinder-baaren:
        ’t Aanschijn, als
Rebecca, rood,
    En op ’t Spaansch haar leeden waren.

    ’t Buykj’, op ’t Switzersch. Bid voor haar, en
        God vergeef, die d’ondeugd vlood,
    Zond-loos leefd’, en ’t lijf liet vaaren,
        Toense sturf. Hier leyts’ uit nood.



                IV. HOOFT-DEEL.

    Van de Kindsheid van Pantagruel.

IK vind by d’oude Geschiedenis-Beschrijvers en Dichters, dat’er veele in dese wereld gebooren zijn op zeer wonderlijke wijsen, ’t welk te lang zou zijn te verhaalen: lees het zevende boek van Plinius, zoo gy leedige tijd hebt. Maar noyt vernamje van een zoo verwonderens-waardigen als die van Gargantua was, want het zou niet licht zijn te gelooven hoe hy in korten toenaam, in ligchaams lengte en kragt. Hercules was’er niemendal by: hoewel hy in de wieg de twee slangen dood neep want de twee slangen waren wel kleyn en swak. Maar Pantagruel noch in de wieg leggende dee veel vervaarlijker dingen. Ik laat alhier naa, te zeggen, dat, t’elke maal, als men hem te [p. 247] drinken gaf, hy de melk van vier duisend ses hondert koeyen na hem nam: en dat, om hem een ketel toe te stellen tot het kooken van sijn pap, alle keetelboeters van Saumur en Anjou, van Viledieu en Normandie, van Bramont en Lorraine, te werk wierden gestelt: en die pap diendemen hem dan toe in een grooten klok, die tegenwoordig noch is tot Bourges by ’t Palleys; doch de tanden waren hem zoo gewassen en sterk geworden, dat hy’er eens een groot stuk uyt beet; gelijk men noch zeer wel sien kan.
    Op zeekeren dag in den morgen-stond, als men hem een der koeyen zou doen zuygen, (want hy geen andere voedsters had, zoo de geschiedenis-beschrijving meldt) maakte hy een der armen los van de windsels waar mee hy in de wieg gehouden wierd: en vatteje daar dien koe beneden de knieschijf en beet hem de beyde uyers, met den halven buyk, lever en nieren t’eenemaal af: en hy zouse wel geheel hebben opgevreeten, zoo het beest niet schrikkelijk geschreeuwt had, even of de Wolf het by de beenen al had gevat: op welk geschreeuw yder een toeliep, en hem de koe ontrukte; maar se vermogten ’t zoo wel niet te doen, of hy behield het been, dat hy gevat had, en knaude dat zoo zoetjes af, of iemand anders van een beuling beet: en alsmen hem ’t been uit de mond meende te neemen, slokte hy ’t met’er haast door, zoo de zee-raven een kleyn visje doet: en begon daar na te zeggen, (bon, bon, bon:) goed, goed, goed: want hy konde noch niet wel spreeken; niettemin meende hy daar mee zoo veel te verstaan te geven, dat’et hem [
p. 248] wel gesmaakt had, en dat hy’er noch wel bet aan wilde.
    Als de geene, die hem bewaarden, zulks zagen, bondense hem vast met dikke kabeltouwen, gelijk men ziet op de zout-scheepen die op Lion vaaren, of gelijk’er zijn op die groote fransse pinas die tot Havre de Grace in Normandien leit. Maar als’er eens een groote beer losbrak, die sijn vader voedde, en hem sijn aangesicht quam lekken (want de bewaarsters hadden hem de baabert of smoul niet wel gewischt) had hy sich wel haast van de kabels ontslagen, en al soo licht als Simpson onder de Philistinen: en hy greepje daar dien braven beer by den bek, rukte hem aan stukjes, en plukte hem als een kuyken, en maakt’er een moye maaltijd af, en smulde hem wel smaakelijk op.
    Derhalven Gargantua vreezende dat hy ’t heel verkerven en verderven mogt, dee vier swaare ysere keetens, om over sijn zoons wieg te scheeren, en de zijden met dikke houte posten beschieten. En van deese keetens is’er noch een te Rochel, diemen daar noch alle avonden ophaalt tusschen de twee dikke toorens van de havens: de tweede is tot Lions: de derde tot Angiers: en de vierde is van de duyvels weggevoert om Lucifer mee te binden, die diestijds sijn keeten brak door overgroote buykpijn, die hem te heftig pijnigde, door dien hy een dief-leyers ziel, in de botter gebraaden, tot een ontbijt gegeten had. Daaromje nu wel gelooven meugt ’t geene Nicolaus de Lyra zeit, (over de plaats van den Psalmist alwaar geschreven staat; (& Og Regem Basan) ende Og de Koning van Basan.) dat de reuse Og, noch een [p. 249] kind zijnde, zoo sterk en kragtig was, dat men hem met ysere keetens in sijn wieg binden, en alzoo stil te vreeden houden moest: mits hy zoo licht die keetens niet breeken kon, te meer, om dat hy geen ruymt in de wieg tot het beweegen van sijn armen had.
    Maar ziet, wat’er eens gebeurde op een groot feest, als sijn vader Gargantua een groot gastmaal aan alle vorsten van sijn Hof gaf. Ik vertrouw dat alle Hofdienaars zoo veel te doen hadden met de gasten op te passen, datse zich niet eens met den armen Pantagruel bemoeyden; die alzoo gelijk vergeeten zonder eeten bleef. Wat deed hy? wat hy dee, mijn goede gezellen? hoor toe: hy bestond met sijn armen de keetens van de wieg te breeken; maar hy koste niet: wantse waren te sterk: toen stiet zoo geweldig en dikwijls met sijn voeten, dat hy ’t eind of voet-schutting van sijn wieg, hoe wel van een dikken post van zeven palmen in ’t vierkant, in stukken stiet: en zoo haast hy de voeten daar buyten had, zakte hy zoetjes zoo hy best mogt na beneeden, tot dat hy met sijn voeten de vloer raakte: toen rechte hy zich met grooten kracht over eind; dragende sijn wieg op de rug zoo gebonden, eeven als een schildpad, die by een muur opklimt: en hem zoo ziende, geleek hy wel een groote karake van vijf hondert lasten, op sijn eind staande.
    In desen staat trad hy in de zaal, daar men ’t gastmaal hield; en zoo stoutelijk, dat hy alle gasten vervaard maakte. Doch dewijle hem d’armen met de keetens belemmert waren, kond hy niets aangrijpen, om in de mond te steeken; maar met groote moeyte boog hy zich [p. 250] om op sijn uytgesteeken tong een brokje te bekomen. ’t Welk zijn vader ziende verstond wel, datmen hem alleen gelaaten had zonder iets te eeten te geven: en beval datmen hem van de keetenen los zou maken door raad der by-wezende Vorsten en Heeren: te meer, om dat ook de Genees-meesters van Gargantua voor gaven, dat, indien men hem zoo in de wieg langer leggen liet, dat hy al sijn leven met ’t graveel gequelt zou zijn. Waar op hy met’er haast ontkeetent en mee aan tafel gezet wierd, alwaar zeer wel zijn bekomst at: en daar na sijn wieg met een vuystslag in meer dan vijf hondert duisend stukken sloeg van spijt, verzeggende daar immer weer in te leggen.



                V. HOOFT-DEEL.

    Van de daaden van den Eedelen Pan-
        tagruel in sijn Jonge jaaren.

ALdus nam Pantagruel toe van dag tot dag, groeijde en wierd grooter dat men ’t zag; waar over sijn Vader door natuurlijke geneegentheid zich verheugde: en hem als noch Kindsch zijnde, een voet-boog dee maken om sijn geneugt te neemen in ’t vervolgen van de vogeltjes: ’t welk men nu den grooten boog van Chantelle noemt.
    Daar na zond hy hem ter Schoole om onderweesen te worden, en sijn Jonge jaaren wel te besteeden. Daar op quam hy tot Poictiers om te leeren; alwaar hy zeer veel vorderde: en [p. 251] op een tijd als hy zag, dat de School-kinders al daar speel-dag hebbende, niet wisten waar meese haar tijd verdrijven zouden, had hy’er mee-lijden mee; en nam eens eenen grooten steen, diemen Passelourdin noemde, ontrent een geheele Rots, zijnde twaalf fademen ongeveer in’t vierkant, en veertien ellen dik: en zette de zelve op vier stijllen, in ’t midden van een veld, dat hem best geviel; op dat de zelve Schoolieren, wanneerse niet anders haar tijd te besteeden wisten, haar tijd-korting zouden nemen met op dien steen te klautteren: en daar haare bras-maalen te houden met hammen, taarten en menigte flessen wijns, en haar naamen daar boven op te stellen: en nu noch noemtmen ’t (La pierre levée) den verheeven steen. Ter gedachtenis van welke daad men tot op heden niemand in de Naam-rol der Hooge-school tot Poictiers aan-teikent, ten zy hy eerst uit d’Hengst-bron van Croastelles gedronken, Passelourdin door gegaan, en den verheeven steen beklommen hebbe.
    Als Pantagruel eens daar na de Tijd-schriften sijner Voor-ouderen te leesen quam: en daar in vernam dat Geoffroy van Lusignan, genaamt Govert met de groote tand, de Groot-vader van de behuwde Neef des oudsten Susters, van de Moey des Swagers, van den Oom des Stiefdochters van sijn Schoon-moeder tot Maillezais begraven lag; nam hy op zeekeren vrolijken dag voor als een vroomkaarl hem te gaan bezoeken: Alzoo toog hy met zommige van sijn gezellen uit Poictiers voor-by Guge, en bezogten den Eedelen Abt Ardillon: voorts over Lusignan, Samsay, Celles, Colognes, Fontenay le [p. 252] Conte, groetende aldaar den geleerden Tiraqueau, van waarse eindelijk quaamen tot Maillesais; daar hy ’t graf van Geoffroy groot-tand ging bezien, waar af hy een weinig verschrikt wierd, wanneer hy sijn af-beelding zag: want hy was daar afgebeeld als een dul verwoed mensch met sijn groot slag-swaard ten halven uit de schee getogen. Dies hy d’oorzaak daar van vraagde. De Geestelijke van die plaats zeiden hem, geen andere reeden daar van te weeten; dan dat (Pictoribus atque Poëtis &c.) Schilders en Dichters mogen maaken watze willen.
    Maar hy hield zig niet te vreeden met zulk zeggen: en sprak, hy is zeeker niet zonder reeden in zulken stand gestelt: en ik twijffele, of men hem in sijn dood niet eenig ongelijk gedaan heeft, daar af hy de wraak aan sijn vrienden verzoekt. Ik zal’er gaan naader naa verneemen: en dan daar in doen dat recht is. Daar op keerde hy weder, doch niet naa Poictiers; maar hy wilde ook d’andere Hooge-schoolen van Frankrijk eens bezoeken; dies hy reisende na Rochelle, zich op Zee begaf, en beelende tot Bourdeaux, daar hy geen groote oeffening vond, als van Boots-gezellen, die met pijpjes op ’t zand zaaten en speelden.
    Van daar quam hy tot Thoulouse, alwaar hy wel leerde danssen, en met den deegen speelen in beide handen, gelijk de gewoonte der Schoolieren in die Hooge-school is: maar hy verhield zich daar niet lang, toen hy zag datse zelf haar Meester levendig als droogen haaring of bukking brieden; seggende, het behaage God nimmermeer dat ik zoo sterve: want ik [p. 253] ben van natuure dorstig genoeg, zonder dat men my meer behoeve te verhitten.
    Daar na quam hy tot Montpellier, alwaar hy zeer goede wijnen van Mirevaux, en vroolijke Gezellen vond: en meende zich met den eersten te begeven tot d’oeffening in de Geneeskonst; maar hy bemerkte dat het hem te verdrietigen en swaarmoedigen stand zou zijn: en dat de Genees-meesters na de pis en aarsspeuijtingen [Clysteres] als oude Duivels stonken. Derhalven wilde hy zich in de wetten oeffenen; maar verneemende dat in die Stad niet dan drie schorfde en een kaal-kop van Wetten-leeraars waren, vertrok hy ook van daar.
    Onder weege bouwde hy de brug van Guard, en den ronden schouwburg [Amphitheatre] tot Nimes in min dan drie uuren tijds; ’t welk nochtans een werk meer Godlijk, als menschlijk schijnt. Voortreisende geraakte hy tot Avignon, alwaar hy geen drie dagen was, of hy wierd verlieft: door dien het Vrouw-volk van zelf daar zeer geneegen is tot het spel van deuvik in ’t vat; om dat’et een Pauselijk Landschap is. ’t Welk sijn Tucht-meester genaamt Epistemon merkende, met hem van daar trok, en hem leide na Valence in ’t Delfinaat; doch hy vernam datmen’er geen groote oeffening had, en dat de School-zuffers der Stad de Leerlingen louter sloegen; ’t welk hem geweldig verdroot: en op een Zondag, toen yder-een opentlijk danste, wilde een Schoolier zich mede by den dans voegen, ’t welk die kinder-beuls beletten.
    Maar zoo haast Pantagruel zulks gewaar wierd, teeg hy haar allen
achter ’t gat, en vervolgdese tot aan de kant van de Rhone, met meening [p. 254] omse alle te doen verdrinken; doch sy verborgen zich als mollen in de aarde, een half mijl onder de Rhone: het gat kanmen’er noch zien. Daarmee maakt hy zich van daar, en met drie treeden en een sprong was hy tot Angiers, alwaar ’t hem beter aanstond; zoo dat hy daar wel een wijl gebleven zou zijn, indien de pest haar niet van daar gedreven had.
    [Oordeel over de Recht-boeken.] Alsoo quam hy dan tot Bourges, alwaar hy zich een zeer langen tijd in de boek-zuffery op-hield, en ook veel vorderde in de weetenschap der Wetten. Waar van hy zomtijds zeide, dat de Wet-boeken hem een heerlijk kleed van glinsterend goud, en wonder kostelijk, maar met drek beboord en bekoord leeken. Want ter wereld (zeide hy) zijn’er geen zoo schoone, zoo zierlijk en zoo uit-muntende boeken, als de (Pandectes) al vervatende schriften; maar het boordzel der zelver (ik meen de verklaaring [Glose] van Accursius) is zoo slordig, zoo schandelijk en afschuwlijk, datse t’eenemaal daarmee besmet, bevuilt en bedorven zijn.
    Van Bourges vertrekkende is hy gekomen tot Orleans; en daar vond hy veel braave borsten van Schoolieren, die hem op sijn aankomst heerlijk onthaalden: en in korten tijd leerde hy van haar met den bal zoo kloekelijk te kaatzen, dat hy haast haar meester wierd: want de Leerlingen van die plaats maaken’er veel haar oeffening af: en zomtijds naamense hem mee op na d’Eilanden om haar te verluchten en verlusten met het stoot-spel. Ondertusschen wachtte hy zich wel van veel te zitten boek-zuffen en hooft breeken: want hy deed’er nie- [p. 255] mendal toe, uit vrees van sijn gezigt te verswakken. Voornaamelijk, om dat’er eenen der School-hoofden in sijn voorleesingen, dikwijls verhaalde, dat’er niets zoo schadelijk voor ’t gezicht was, als de quaale der oogen.
    Op een zeeker dag terwijlmen stilstand van de recht-lessen hield, dichtte een der Schoolieren van sijn kennis, (die weinig meer weetenschap had, als hy dragen kon, doch tot vergoeding even-wel zeer aardig danssen en met de bal-speelen kon) een spreukjen op de speelden-daagen der zelver Hooge-school; aldus;

        Een bal of twee in boks of band,   
        Een kaats-raketjen in de hand,
        Een wet aan ’t hals-snoer, voor een sant,
        Een voet dans-vaardig op het Land
        Vertoont een rechten Lanterfant.



                VI. HOOFT-DEEL.

    Pantagruel ontmoet een Limosijn,
        die de Fransse-taal na bootste met
        half Latijnze woorden.

OP een zeker dag, ik weet niet welke, ging Pantagruel met sijn makker ’s avonds na de maaltijd wandelen buiten de poort waar door men na Parys gaat; daar ontmoette hy een snaakzen Schoolier, die den zelven weg gaan quam: en na datze malkander gegroet [p. 256] hadden, vraagde hy hem; Mijn Vriend, van waar koomje nu tegenwoordig? Daar op de Schoolier antwoorde: Van de alumne, inclyte, en celebre Academie, diemen vociteert Lutece. Wat wil doch dit te zeggen zijn? Zeide Pantagruel tot een van sijn volk. Dat is (antwoorde die) van de magtige, vermaarde en heerlijke Hooge-school van Parys. Zoo komje dan van Parys? zeide hy. En waarmee verslijt gy Heeren Schoolieren uw tijd tot Parys? [De bastaard spraak byster afgebeeld.] Wy (antwoorde de Schoolier) tranfreteren de Sequane in dilucule en crepusculee: wy dambuleren langs de compiten en quadrivien van den urbe: wy despumeren de Latiale verbocinatie: en zoo wy apparentelijk inamoureren, capteren wy de benevolentie van de omnijuge, omniforme en omnigene feminine Sexe; op certeine dieculen inviseren wy de Lupanaren: en in de venereique ecstase caresseren wy in de penitissime recessen dese amicabilissime meretriculen: daar na cauponizeren wy in de meritoire tabernen van de pom de pin, van de Castel, van de Magdeleine, brave vervecine spatulen met petrosil geparforamineert. En zoo’er per fortefortuna rariteit en penurie van pecune in onse marsupien is, dimitteren wy onse codicen, en oppignoreren onse vesten of habiten voor de expensen; prestolerende het revertament der tabelairen van de patriotique penaten.
    Wat Duivels taal is dat? zeide daar op Pantagruel: Je bent (zoo bruy me de kop af) een Keulzen Ketter. Och neen Seigneur (zey de Schoolier) want ik zeer libent zoo haast het illucesceert, demigreer in een der wel gearchitecteerde monastiers: en daar my irrorerende met divin lustraal-water, grignoteer ik een pater noster van [
p. 257] misselijke precatien van onse Sacrificulen! en submurmureerende mijne horaire preculen, esleveer en abstergeer ik mijn ziel van alle nocturne inquinamenten: Ik revereer de Olympicolen: Ik venereer latrialijk den Supernellen Astripotent: Ik diligeer en redameer mijne proximen: Ik serveer de Decalogique praecepten: En na de faculteit mijner potentie discedeer ik’er niet de spatie van een unguicul af. ’t Is wel veriform, dat, op dat de Mammone niet supergurgiteert in mijne loculen, ik wat raar en tard ben tot het supererogeron van eleëmosynen aan die povere companions, die ostiatelijk haar emolument queriteren.
    Een goeden stront in sijn mond, zeide Pantagruel: wat of desen zot daar mee zeggen wil: Ik geloof, dat hy ons hier eenige Gaudiefs- of Duivels-taal te smeeden meent: en dat hy ons beguigchelt als een toveraar. Waar op een van sijn Volk zeide; zonder twijffel, mijn Heer, zoekt dese de spraak tot Parys na te aapen, en onder des doet hy niet, dan ’t Latijn te raa-braaken: Hy wou wel voor een Pindarus pronken; en beeld hem wel in, een fraijen Franzen Reedenaar te zijn, dewijle hy de gewoone wijse van spreeken verwerpt. Wel Quant, vraagde Pantagruel, is dat zoo? Mijn missaire Siegnor, antwoorde de Schoolier, mijn Genie is niet apte of habil gebooren tot ’t gene dese flagitiose nebulon my imputeert, dat ik zoude excorieren het cuticule van onse vernacule Gallique taal: maar viceversementelijk
gnaveer opere, en eniteer ik met vele en rames [Zeil en riemen] te locupleteren de Latinicome redundantie.
    By get (zey Pantagruel) Ik zal u noch recht spreeken moeten leeren: maar zeg me eerst [
p. 258] eens, waarje van daan bent? Mijn primeve origine (antwoorde de Schoolier) en mijne aven en attaven [Voorouderen] was indigene in ’t region van Limoges alwaar requiesceert het corpor van den hagiotate [Geheiligde] Sint Martial.
    Nu verstaa ik ’t eerst, zeide Pantagruel, je bent uit ’t Land van Limoges, vol allerley mengelmoes: en je meent hier de mal-hoofze Parisiërs na te bootsen. Wel aan kom hier eens, dat ik u een streek van de kam geef, en de kop onzacht verzet. Daar op vatte hy hem by de keel, en zeide. Gy schilt en vilt het Latijn, by Sint Jan, ik zal u de staart doen stroopen; ja, ik zal u heel levendig de huit afhaalen. Toen begon den armen Limosyn te roepen; (Vée dicou gentilatre, Ho Saint Marsaut ad jouda my: Hau, hau, laissais à quau au nom de Dious & ne me touquas grou;) Ziet toe zeg ik je lieve Landsman: Och! Sent Marsaut kom my te hulp: ay, ay, laatme met vreed in Gods naam: en worg me doch niet.
    Nu eerst, zeide Pantagruel, spreekt gy uw eigen Land-taal: en daar-op liet hy hem los: Want den armen Limoser bevuilde beid broek en koussen, gemaakt na de wijse van stokvisstaarten, en niet met een volle rondte. Daarop Pantagruel zeide; by Sint Alipentin, wat stinkender civet-kat is dit! dat die raap-vreeter den Duivel haal, hy stinkt zeven mijl voor wind: en liet hem zoo voorts heenen loopen.
    Maar al sijn leven kond hy die schrik niet verzetten, en kreeg daar af t’elkens zulken grilling op ’t lijf, dat hy dikwijls riep, dat hem Pantagruel by de keel had: en eenige jaaren daar na sturf hy aan een raazende ziekte; ’t welk [
p. 259] als een werkinge van de Goddelijke wraak was; ons aanwijsende ’t geene de Wijsgier, en Aulus Gellius zeit; datwe in ’t spreeken onse gewoone Land-taal geerne behoorden te gebruiken: en ’t geene Octavianus Augustus plag te zeggen; dat men met geen minder bezorgtheid de oneigene en vreemde woorden in ’t spreeken mijden moest; als de Schippers in zee de klippen schuwen.



                VII HOOFT-DEEL.

    Pantagruel komt tot Parys: en beziet
        daar veel schoone boeken, in de boe-
        kery van
Sint Victor.

NA dat Pantagruel tot Orleans wel onderwesen was, wilde hy ook de deftige Hooge-school tot Parys bezoeken: doch voor sijn vertrek wierd hy verwittigt, dat aldaar een over groote swaare klok by de Kerk Sint Aignan in de aarde neergezonken lag, al zedert twee hondert en veertien jaaren: want hy was zoo geweldig groot, dat men door geenerley konst of kracht die alleenlijk uit de aarde opheffen kon; hoe-wel men daar toe alle middelen aangewend had, die aangeweesen worden by Vitruvius in sijn Bouw-kunst, Albertus in sijn Timmeragien, Euclides, Theon, Archimedes, en Hero de ingeniis: want alles was vrugteloos geweest. Derhalven hy op ’t ootmoedig verzoek der Burgers en Inwoonders van de zelve Stad, [p. 260] wel geneegen was, en vast voornam, die te brengen en hangen in ’t Klok-huis of Tooren daar toe gebouwt.
    Terstond begaf hy zich ter plaatse, daar de klok lag: en lichtte de zelve met sijn kleine vinger zoo gemakkelijk uit de aarde, als gy een klein schelletje zoud doen: doch all eer hyse in de klok-toorn brengen wou, bedacht hy eerst een morgen-deuntje daar mee door de Stad te speelen, en’er alle straaten door te doen klinken, terwijl hyse in d’een hand droeg; waar over al de wereld uittermaaten verheugd was: Niette-min wierd’er een zeer groote ongeleegentheid door veroorzaakt: want terwijl hy zoo met de klok in de hand door alle straaten liep klinken, wierd alle wijn binnen Orleans geroert en bedorven; ’t welk die lieden niet gewaar wierden dan des volgenden nachts, wanneer een yder, die van dien geroerden wijn gedronken had, zich zoo verdorst bevond, datse niet deeden dan spuigen, zoo wit als boom-wol van Maltha: en zeiden; dit mogenwy van Pantagruel te bet, dat onze keelen gezouten zijn.
    Toen hy dit gedaan had, trok hy met sijn Volk na Parys: en zoo haast hy daar binnen trad, quamen alle menschen uit-loopen om hem te zien; (gelijk gy wel weet, dat de Bewooners van Parys uit de natuur dwaasachtig zijn, ’t zy dat’er iets tegen of na haar zin is) en sy bezagen hem met een groote verwondering en niet zonder groote vrees, dat hy ’t geheele Koninghs hof mogt wech-nemen en elders in een ver-geleegen Land verplaatzen; gelijk sijn Vader de klokken van onse Lief-vrouwen [p. 261] Kerk had wech-gedragen, om die te hangen aan den hals van sijn groot Ry-beest.
    En, na dat hy daar een wijl gewoond, en in alle zeven vrye konsten wel gevordert had; zeide hy; dat’et wel een goede Stad was om te leven, maar niet om te sterven: dewijle de Bar-voeters van Sint Innocent haar gat warmden by de brandende beenderen der dooden. Hy vond ook daar de boekery van Sint Victor, die zeer heerlijk was, inzonderheid door zommige boeken, die hy daar in vernam, waar-af de aanteikening hier na volgt; Eerstelijk,

Den twee-weg der Zaaligheid.
Den Lap-zak der Rechten.
Den Sleep-schoe der besluitten.
Den Granaat-appel der ondeugden.
Den klouwen der Gods-geleertheid.
Den waay-lap der Preke-broers door Turelupin.
Het achter-gat der Vroomen,
Het bilzen-kruid der Bisschoppen.
Marmotretus van de bavianen en aapen, met de
      leugens van Dorbel.
Het besluit van de Hooge-school tot Parys over
      de hals doekery, der Vrouwen na believen.
De verschijninge van Sint Geltrude aan ’t Nonnetje
      van Poissy, in baarens-nood.
De konst van eerlijk te vijsten in de Broederschap,
      door M. Ortuyn.
Den Mostard-maaler van berouw.
De Laarzen des leed weesens.
Het Mieren-nest der konsten.
Het gebruik der zoppen, en de eerbaarheid van ’t
      slorven door Sylvester Prieras Jacobiner.
[
p. 262]
Het rammeken te Hoof.
De knap-zak der Schrijvers.
Het pak des Houwelijks.
Het dekzel der beschouwing.
De loogenen en beuselingen der Rechten.
De aanhitzing des wijns.
De Spoore van de kaas.
Het Schoe wrijvertje der Schoolieren.
Tartaretus over de manier van ’t kakken.
De braveeringen van Romen.
Bricot over de verscheidenheid der zoppen.
Den doorslag der onder-wijsing.
De Schoelap der neederigheid.
De Pens-verkooper van goede bedenking.
De keetel der grootmoedigheid.
De mishaakingen der Biegters.
Den raatel der Dorp-paapen.
Drie boeken van de spek-kook-konst des eer-
      weerdigen Vaders, Broeders Lubyn Far-
      heer van Baverdien.
De revelingen van den marmeren Meester Pasquil van
      Geite vleesch met netel-kruid te eeten by Pauzelijke
      tijd van de Kerke verbooden.
De vinding van ’t heylig Kruis van zes persoonaadjen,
      gespeelt door de geestelijke loos-aarts.
De verrekijkers van Boom-reisers.
De konst-schriften van Major over de manier
      van beulingen te maaken.
Den Lulle-pijp der Prelaaten
Beda over d’uitmuntendheid der penssen.
De klagte der Rechts-geleerden over de verbeetering
      van de naa-gerechten, of zuiker-gebak.
[p. 263]
De gevoederde kat des Saak-beschikkers.
Van erten by ’t spek met d’uitbreiding.
De winst-rol der aflaaten van Meester Pillot der beider
      voortreffelijke rechten (Doctor) volleerde.
Aller meest verklaard-licht luchtigste herhaaling van
      Raquedenari over ’t verlappen en verhak-stukken
      der uitleggingen van Accursius, tot aardige
      deuntjes en quakjes.
d’Arg-listigheeden van Francarehierus van Baignolet.
Franctopinus van den Krijgs-handel met plaaten van
      Tevot.
Van ’t gebruik en nuttigheid van paarden en merrijen te
      villen, door onzen Meester van Quebecu.
De onbeleeftheid der deur-wachtende Beedelaars.
Meester Rosto costo hambedanesse, van mostaart na de
      maaltijd te dienen, in veertien boeken, met de aan-
      teikeningen door Mr. Calveris.
De aarseling van de voort-drijvers.
Het zeer scherp-zinnig vraag-stuk; of een Chimera, in ’t
      ydele omsweevende, de tweede voorneemens ver-
      slinden kan: ’t welk in ’t Concilie van Constants
      tien weeken lang verdeedigt is.
Den hooy-knauwer der rechs-geleerden.
De broddelaarijen van
Scotus.
Den opgewarmden hus-pot der Cardinalen.
Elf boeken van de spooren af te doen, door Mr. Alberic
      van Rosara.
Drie boekken door den zelven van de misdaaden af te
      paalen.
De intreed van Antonie de Leve in de Braziliaanze
      Landen.
[
p. 264]
Marforius Bacalaar over verhairen en vermommen van
      der Cardinalen eezels.
Des zelfs verdeediging tegen de geene, die zeggen, dat
      het muyl-eezel van de Paus niet dan op zijn uuren
      eet.
Een voorkundiging, beginnende; Silvitri que
      billebalata,
door onsen Meester Sluymerslaap.
Bisschop Boudarijen, van de opkomsten uyt de
      (Emulgentien) uitzuygingen door de (Indul-
     genten
) zond-toelaatingen, negen boeken,
      met Pauselijke vrijdom voor drie jaaren, en
      daar na niet.
Den lijf-sleutel der Maagden.
t’Oud afgereeden zaadel der Weduwen.
Het haanreijen der Monnikken.
De Schellebellen der Vaders de Celestijnen.
Den Toll van de Knaauwauwerije.
Het klappertanden der ouwe Murruwaarts.
Het reeden-rad of preek-slender der God-geleerden.
De Mondt-rechter van de Meester der konsten.
De Huigchelaars van Olcam met d’enkele scheering.
Veertig boeken van de preevelarijen der gereegelde uur-
      biddingen door Meester N. Fripe Saucetis.
De bezette pagt, of ’t bestek der Slampampers.
Het opsnijderschap der Spanjaarden door Broeder Inigo.
Het zeverzaad der geveynsden.
Het blo-hertigdom des Italiaanzen handels, door Meester
      Iserbrand.
R. Lullius van de vruchteloose voorneemens en malle
      aanslagen der Vorsten.
[p. 265]
De Tobbelbaan der Flikfloijerij door Meester Jacob
      Hokstraat.

Acht braave boeken van onser aller maller Meester
      dronken Aarsgat van Warmond Kettermaat.
De Storm-schooten der Bulle-kramers, Uytschrijvers,
      Afknijpers, Wederbrengers, en Schenkers, t’zamen
      gerooft door Registerman.
Eeuwig-duirend Almanach voor de gigtige en pokkige.
De behendige hand-greepen van uyt te ragen en vagen
      der Schoorsteenen door Mr. Kikebody.
Het hoenderkot der Coopluyden.
De gemakkelijkheden van ’t Monniks-leven.
Den Eyer-struyf der Schijn-heyligen.
De vertellingen van de Kabouter-mannekes.
De beedelaarije der Duysend-zoldenaars.
Rabauwerye.
Het schoon schijn-bedrog der Kak-stoelen.
De gaaudievery en Schagchery der Schat-meesters.
De beuselkraamery der Woorden-zifters.
De Antiperïcatametanaperbeugedamfieratibraiëtn der
      dongheeren.
Den sleependen Slek der Sukkelaars.
Den deylen wind-buydel der Algemisten.
De knikknok knevelaary der Ontvangers, Aalmoezeniers en
      Rentmeesters Kabas-zakken door broeder Serratis.
De voetstrikken van de Reeliegje.
De raketten der Klokluyers.
De opflikking en verlapping des Ouderdoms.
De muylpranger des Adeldoms.
[
p. 266]
De boeyen des aandagts.
De groote keetel van de vier tijden of Quatertempers.
De Vijzel van ’t burger-leven.
De Kaars-snuyter der Kluysenaars.
De Kaproen der Leed-dragers.
’t Verkeerspel van de Broeders de Geesselaars.
Plompardus van ’t leven en d’eerweerdigheid der
      Mooijaarts en Pronkpinten.
Lirepijpje Slurwers Zeede-kraamerijen uitgegeven door
      Mr. Luypol.
De swetserijen der Swerwers.
De walgingen der dronkene Bisschoppen.
Den af- en toe-slag der Keulze geleerden tegen Reuchlijn.
De bellen, spellen en vellen der Vrouwen.
De krieukrau krawaagje der Beer-steekers.
Den haastje wat aagje der waaghalzen door Frie-Fijstegate.
De Mallapperijen van Vrymoed en Helder op mijn Hartje.
De Mommerijen van de Schouw-veegers en Moddermans.
Bengelins van de Plunderagie des Paus van de kerke.
De Vergaadering der naamhafte, en Hoog-statige.
Aetius Bierenbroodius van de vervaarlijkheid des
      Kerken-bans een Tittelloos boekje.
De doorsleepentheid van Duyvels en Duyvelinnen aan te
      roepen, door Androes Drommelman.
Den Hutspot der Noo-scheyders en Piklappen.
De Mommedans der ketters en Moes-koppers.
[p. 267]
De briesschingen van Gajetan.
Het Steen-gruys van Meester Engelbregt in zeven
      boeken van den oorsprong, zeeden en gewoonten
      der Ruygpooten en Ringhalzen.
Negen-en-zestig wel vet gemeste gebeed-boekjes.
De Druk-verdrijver van de vijf ordens der beedel-broeders.
De bontwerkerije der beunhaasen en hairwevers in ’t wild,
      getrokken uyt de karmosijnen breeruyg rondbeboorde
      laars, met een Engelze zoom.
Den Droom-revelaar van de gevallen des geweetens
      (Conscientie.)
Het domgebrom en gebral der (Presidenten) voorzetters.
De dolle domme driestigheid der Abten.
Schoemakers verantwoording tegen een quidam, die hem
      guyt-zak geheeten had: bewijzende dat de guytzakken
      door de Paus noch de Kerk verdoemt zijn.
Het Schijtgat en Kakvat van de Pis-kijkers.
De Herssen-rager en Schouvager der Sterre-kijkers.
De wijd-schijtluchtige velden der aars-speuytingen in
      hondert verdeelingen.
De trektang van scheeten en veesten der Kruy-kramers.
De naars-kussingen der heelmeesters.
Justinianus of Joostje Janssen van de Schijnheyligen uyt
      te roeyen.
Tegen-gift der zielen.
Merlijn Coccay van ’t Vaderland der Duyvelen.
[
p. 268]
Waar af zommige zijn gedrukt; en zommige druktmen tegenwoordig
      in dese zeer schoone stad van Tubingen.



                VIII. HOOFT-DEEL.

    Pantagruel tot Parijs zijnde ontfangt
        een brief van zijn Vader Gargan-
        tua; en ’t afschrift der zelver.

TErwijl zich Pantagruel aldus tot Parijs onthield, en zich zeer wel oeffenende, by gevolge ook zeer veel vorderde: want hy had een verstand met een dubbelden omslag, en een geheugenis zoo groot van begrijp als twaalf napjes en tapjes van een olijf; zoo bekomt hy op zeekeren dag van zijn Vader der navolgenden brief.

            Seer waarde Soon.

    Onder de gaaven, gunsten en voorrechten, waar mee den onbepaalden Schepper en almogenden God de menschelijke natuur in zijn begin begaaft en verziert heeft, dunkt my die zeer bezonder en uytsteekende, door welke zy zich in den sterffelijken stand een zoort van onsterffelijkheid verkrijgen kan: en met verloop van dit vergankelijk leven zijn naam en zaad doen duyren en vereeuwigen: ’t welk door wettelijk Huwelijken by vervolg van geslagten uyt ons voortgeteelt is geschiedt: zoo dat ons eenigzins herstelt en weder gegeven is ’t geene ons [p. 269] door de overtreeding onzer eerster voor-ouderen ontnoomen was; als tot welke gezeyt wierd; dat, door diense het gebod van God haaren Schepper niet gehoorzaam waaren geweest, zy sterven zouden: en door de dood zou dit zoo uytmuntend maakzel, waar in de mensch geschaapen was, weder t’eenemaal vernielt en vernietigt zijn geweest. Doch door dit middel, van voortplanting des zaads, blijft duyren in den kinderen ’t geene verlooren was in de ouderen; en in de naa Neeven, ’t geene te niette ging in de eygen afkomelingen: en alzoo vervolgens tot op d’uytterste uure des laatsten oordeels; als wanneer Jezus Christus aan God den Vader, weder over gegeven zal hebben zijn vreedzaam Koningrijk buyten alle gevaar en bezoedeling der zonde: want als dan zullen al-voortteelingen en bedervingen einden: ende de Hoofd-stoffen zullen zonder haar geduyrige veranderingen bestaan; naademaal de zoo lang verlangde vrede voltoyt en ten top gevoert zal zijn: en alle dingen haar eind en omloop bereykt zullen hebben.
    Niet zonder rechtvaardige en billijke reeden dan dank ik God mijn behouder, voor dat hy my ’t vermoogen gegeven heeft, van mijn grijzen ouderdom te zien herbloeijen in uwe jeugd. Want wanneer na ’t believen van dien, die ’t al regeert en bestiert, mijn ziel zijn menschelijke woonsteede te verlaaten komt, zal ik my niet t’eenemaal gestorven achten, maar van de een in de ander plaats over te gaan; aangezien ik in u en door u in mijn zichtbaare beeltenis in deze wereld blijve levende, ziende en verkeerende onder eerlijke lieden, en lieve vrienden [p. 270] gelijk ik te vooren gewoon was. Welke mijne ommegang wel geweest is door middel van de Goddelijke bystand en genaade, doch niet zonder zonde, ik bekent, (want wy bidden alle en geduyriglijk onzen God, dat hy onze zonden wil uytwisschen) doch evenwel zonder opspraak.
    Derhalven, alhoewel de afbeelding van mijn lijf en leeden by u blijve, ingevalle daar in niet van gelijken komen uit te blinken de deugden en loffelijke zeeden van de ziel, zalmen u niet aanzien en achten als een behouder en behoeder van de onsterffelijkheid onzes naams en ’t vermaak, dat ik in zulks te zien zou konnen scheppen, zou zeeker niet groot zijn; aangezien het minste en slechtste gedeelte van my, ’t welk is het ligchaam, zou in weezen blijven: en ’t meeste en beste, ’t welk de ziel is, zoud ontaard en verbastert zijn. ’t Welk ik geenzins zeg uit eenig mis-trouwen, die ik van uwe deugdzaamheit heb alzoo ik die van te vooren wel heb beproeft; maar om u te meer aan te moedigen tot meer en meer daar in voort te vaaren en vorderen. En dat ik tegenwoordig u schrijve, dient niet zoo zeer ten einde gy in der daad deugdelijk leven meugt, als dat gy u in alzoo te leven en geleeft te hebben, verheugen mogte, en u zelven opwekken en aanwakkeren tot gelijken lust en loffelijken voortgaan in ’t toekomende.
    Om welk voorneemen wel uit te werken, en volvoeren, heb ik, gelijk gy zelve weet, niets ter wereld gespaart: maar my zoo zeer daar aangeleegen laaten leggen, als of ik geen ander schat of bezorg ter wereld had, als om u eenmaal in mijn leven te zien ten vollen ver- [p. 271] ziert en volkomen, zo in deugd, eer en vroomheid, als in alle vrije en fraaije weetenschappen: en u na mijn dood na te laaten als een Spiegel, vertoonende de perzoon van my uwen Vader; en indien ’t niet en is zoo uitneemende en ten vollen in daad en weezen als ik wensche, ’t zal even zoo zijn in begeerte.
    Maar hoewel mijn wijlen Vader Grandgousier van goeder gedachtenis daar toe al zijn yver en vlijt aangewend heeft, op dat ik gevordert mogt worden in allerley volmaaktheid en staatkunde; en dat mijn moeyte en neerstigheit zijn begeerte zeer wel voldee, ja noch te boven ging: Evenwel was de tijd, gelijk gy zelf wel begrijpen kont, zoo bequaam en gevoeglijk niet tot de geleerdheid, als wel de tegenwoordige: en my mochten niet gebeuren zoodaanige Meesters, als gy gehadt hebt.
    De tijd was noch droef en donker, gevoelende de onheilen en ellenden der Gotten, die alle goede konsten en weetenschappen in verwarring en verwildering gebragt hadden. Doch door de Goddelijke goedheid, is in mijn levens tijd de glans en grootachting der geleerdheid weder opgereezen, en ik zieze noch zoodaanige toeneemen, dat ik tegenwoordig ter naauwer nood in de voorste rij der kleine Letter-konstenaars toe gelaaten zou zijn; daar ik in mijn mannelijke jaaren, niet t’onrecht gereekent wierd voor den wijssten en geleerdsten van dien eeuw.
    ’t Welk ik niet uyt ydelen roem-zugt zeg, hoewel ik aan u schrijvende, zulks met eeren zou mogen zeggen; naa ’t geene gy weet, dat Marcus Tullius in zijn boek van de Ouderdom [
p. 272] daar af getuigt, en na de verklaaringe van Plutarchus in ’t boek, ’t welk tot opschrift heeft; Hoemen zonder nijd zich zelf prijsen mag: maar om u te teederder en grooter geneegentheid te toonen.
    Tegenwoordig zijn alle weetenschappen herstelt, alle taalen te rechte gebragt als de Grieksche (zonder welke zich niemand dan met schaamte geleerd noemen mag) de Hebreesche, Chaldeesche, Latijnsche: De Drukkerijen zoo treffelijk en volkomen in ’t gebruik; die by mijn tijd door Goddelijke in-blaasing gevonden zijn: gelijk daar-en-tegen door Duivels aanschennen het geschut en schieten bedagt is.
    De geheele wereld is vol van beweetenschapte en geleerde lieden, van zeer kloeke en verstandige Leer-meesters, van zeer aanzienlijke Boek-winkeliers. En ik ben van gevoelen, datmen noch ten tijde van Plato, noch Cicero, noch
Papinianus, oit zoo goeden geleegentheid tot de boek-oeffening heeft gehadt, als men daar toe tegenwoordig vind. En men zal zich van nu voortaan niet meer in eenig plaats of gezelschap mogen vinden, daarmen niet wel onderweesen en door den weetert is in-winkel van de kunst-godin Minerva. Ik bemerk dat gaudieven, hang-mannen, waag-halsen, en stalknechten by deesen tijd geleerder zijn, als de Opper-leeraars en Preek-heeren by mijn tijd.
    Wat zal ik zeggen? Vrouwen en Dochters hebben gestaan na deesen roem, en Hemels-brood [Manna] van goede onderwijsingen. Ia zoo verr is ’t gekomen, dat ik in d’hooge ouderdom, daar ik alreede my in bevind, ik [
p. 273] noch genoodzaakt ben geweest de Griekze Letteren te leeren; die ik niet had veracht, gelijk Cato; maar ik had de geleegentheid niet gehad van die te leeren in mijn jonge jaaren. En zeer geerne vermaak ik my met te leesen de Zeede-lessen van Plutarchus, de zoete t’zaamen spreekingen van Plato, de Gedenk-teekenen van Pausanias, d’Oudheeden van Atheneus; terwijl ik verwachte de uur, dat, het God mijn Schepper zal gelieven my op te eisschen, en te bevelen uit dit traanendal te vertrekken.
    Derhalven vermaan ik u mijn Zoon, datge uw jeugdige jaaren wel waarneemt en besteed om veel te vorderen in verstand en deugd. Gy zijt tot Parys, gy hebt uw Leer-meester Epistemon: daar af de eene door leevend en mondeling onderwijs, d’ander door loffelijke voorbeelden, u tot kennis en konsten konnen helpen.
    Ik verstaa, en ’t is my wel te wille, dat gy de taalen volkomentlijk leert. Eerst de Grieksche; gelijk dat
Quintilianus wil. Ten tweeden de Latijnsche: en daar na d’ Hebreesche, om de Heilige Schriften: van gelijken de Chaldeesche en Arabische: en dat gy uwe schrijf-wijse schikt, aangaande de Griekze, na ’t voorschrift van Plato: aangaande de Latijnze, na dat van Cicero. Dat’er niet een geschiedenis zy, die gy niet in ’t hoofd, en gereed ter hand hebt, waar toe u behulpzaam zal zijn de wereld-beschrijving van die gene, die daar over hebben geschreven. Van de vrije loffelijke konsten als de Land-meetery, reeken-kund en zang-konst, heb ik u all eenige proef en smaak gegeven, [p. 274] toen gy noch eerst een klein jongetje van vijf of zes jaaren waart; ziet dat gy nu voort het vervolg en overige leert: en ook de Sterre-kund in alle sijn grond-regelen kennen meugt; maar laat vry vaaren de voor-zegging uit de Sterren, en de losse Gis-kunst van Lullius, als dwaalingen en ydelheeden. Van de burgerlijke rechten en wetten wilde ik wel, dat gy van buiten wiste den inhoud der beste en voornaamste, en die met de Wijs-aardy [Philosophie] of Wereld-wijsheid vergeleekt.
    Wat de werkinge der natuur belangt, daar toe begeer dat gy u ter deegen begeeven, en die ten naaukeurigsten onderzoeken zult, zoo dat’er noch Zee, noch Water-stroomen, noch Spring-bron ter wereld te vinden zy, daar van gy den oorsprong, loop en krachten, ja de Visschen niet en kent: ook alle Vogelen des Luchts: alle Bosschen, Boomen, Boom-gaarden, en Vruchten der zelver: alle Kruiden en Planten des Velds: alle Metalen, in den buik en afgronden des Aard-rijks verborgen: alle Gesteenten van ’t Oosten en Zuiden: dat’er niets in de wijde wereld u onbekend zy.
    Vorder meugt gy neerstelijk door-snuffelen de boeken der Grieksche, Arabische en Latijnsche Artzeny-beschrijvers, zonder te versmaden de (Talmudisten) Joodsche Bibel-grollers en (Cabalisten) Geheim-zoekers; op dat gy door veele en verscheidene ontleedingen en uitpluisingen geraakt tot volkomen kennis van d’andere wereld, de welke de mensch is. Begin ook eenige uuren des daags de Heilige Schriften te onderzoeken; Eerstelijk in ’t Grieks het Nieuwe (Testament) Verbond, met de Zend-brie- [p. 275] ven der Apostelen: daar naa in ’t Hebreesch het Oude Verbond-schrift; kortelijk, dat ik u verneme een afgrond van Weetenschap.
    Want daar na, wanneer gy tot u mannelijke ouderdom en volwassenheid geraakt, zult gy u uit dese stilte en gerustheid der boek-oeffening moeten begeeven, om by der ter hand te neemen, en
afgericht te worden op, ’t handelen van de paarden en waapenen, om mijn huis en heerschappy te beschermen: en onse vrienden by te springen in alle haare nooden en ongeleegentheden, tegen alle aanvallen en beleedigingen der boos-doenders.
    Ook wilde ik wel dat gy in korten eens een proef naamt, hoe verre gy nu reede toe genomen hadt; ’t welk gy niet beter zult komen doen, als door in ’t openbaar te beweeren en verdeedigen zeekere eigen stellingen tot en tegen allen: en door te verkeeren by geletterde lieden, die zoo wel tot Parys als elders zijn.
    Maar nademaal, volgens de Spreuke van den Wijsen Salomon, de wijsheid niet wil huisvesten in een Quaad-willige ziel; zoo behoort gy voor al God te dienen, beminnen en vreezen: en in Hem all u Hoop en gedachten vesten: En zomwijlen, aan gedaan door liefde, met hem als vereenigt te zijn, zoo, dat gy nimmermeer door de zonde van hem af gescheiden meugt worden. Houd verdacht alle doolingen en misbruiken des Werelds; zet u herte niet op de ydelheeden: Want dit leven is zeer broos en verganklijk; maar het woord Gods blijft bestendig tot in der Eeuwigheid.
    Weest gedienstig aan een yder van uw eeven naasten; en beminse eeven gelijk u zelven: [
p. 276] Bewijs alle eer en ontzag aan uw Meesters; en schuw het gezelschap van alle zulke lieden, dien gy niet gelijk, of daar by vergeleeken wilt weesen: En de genaaden giften die de goede God u heeft gedaan, laat niet te vergeefs by u ontvangen zijn. Maar wanneer gy bemerken zult alle weetenschappen aldaar bekomen te hebben, zoo keer weder herwaarts tot my; op dat ik u zien, en mijnen zegen geven mag, al-eer ik sterve.
    Mijn Zoon, de vreede en genaade Onses Heeren en Zaaligmaakers zy met u; Amen. Gegeven in Utopien den zeventienden dag van de maand Meert des jaars een duisend drie honderd en ellef endertig.

                                            Uw Aardsche Vader
                                                GARGANTUA.

    Op ’t ontvangen en doorleesen van deesen brief, greep Pantagruel een nieuwen moed, en wierd veel vieriger om te vorderen als oit te vooren: zoo dat gy hem ziende in sijne yverige oeffening en les-leering, gy gezegt zoud hebben, dat sijn geest was onder de boeken, even als het vuur onder de fakkelen; zoo onvermoeizaam en voortvaarend wasze.



[
p. 277]

                IX. HOOFT-DEEL.

   Pantagruel ontmoet Panurge, die in
        gestalte als een Bedelaar, hem in
        allerley-taalen aanspreekt: en van
        hem al sijn leven gelieft word.

OP een dag, als Pantagruel eens ging wandelen buiten de Stad na de Abdije van Sint Antoni, met sijn gezin en eenige Schoolieren t’zaamen spreekende, en diepzinnige zaaken verhandelende, ontmoette hy een Man van fraaije lijf-lengte, en schoon van sneed en leeden des lichaams: maar jammerlijk aan verscheiden plaatsen bezeerd en gewond; en zoo qualijk gestelt, gescheurd en geschend, dat het scheen of hy de tanden der bitse honden ontworstelt was: of liever geleek een appel-raaper uit het Graafschap van Perche.
    Van zoo verre als hem Pantagruel eerst in ’t oog kreeg, zeide hy tot sijn gezelschap; zieje wel dien Man, die daar ginder komt gaan op den weg van den brug Charanton? By mijn trouwe, hy en is niet arm, dan door ongeval: want ik wil u verzeekeren, dat, na sijn gedaante te oordeelen, Natuur hem heeft doen gebooren worden van rijke en Eedele afkomst; maar de quaade ontmoetingen, die doorgaans de nieus-gierige omswervende menschen treffen, hebben hem in deesen berooiden en behoeftigen staat gestelt.
[p. 278]
    Soo haast hy haar naa genoeg was, sprak hem Pantagruel dus aan; mijn vriend, ik verzoek, dat gy hier een weinig vertoeven wilt, en my antwoorden op ’t geene ik u vraagen zal, gy zult’er u geenzins af beklaagen: want ik zeer groote geneegentheid heb, om hulp na mijn vermogen te verschaffen voor den deerlijken stand waar in ik u zie, alzoo ik zeer met meedoogen over u geraakt ben. Segme dan eens, mijn vriend, wie benje doch? van waar koomje? waar heen gaaje? wat zoekje? en hoe heetje? Den armen gezel antwoorde hem daar op in de Hoogduytsche taal; Iunkher, Gott geb euch gluk und heijl zu vor. Lieber Iunkher, ich lasz euch wissen, das da ihr mich von fracht, ist ein arm und erbarmlich ding: und wher viel da von zu zagen welches euch verdruslich zu hooren, und mir zu erzeelen wher wie wol die Poëten und Oratorn vor-zeijtten haben gezagt in ihren spruchen und Sententzen, das die gedechtenus des elends und armuths, vorlangst erlitten, ist ein grosse lust.
    Waar op Pantagruel ten antwoord gaf; mijn vriend, ik en verstaa zulk gebabbel niet; derhalven, wilje datmen u meening weeten zal, zoo dienje een andere taal te spreeken.
    Daar op den armen swerver weder ’t woord nam; Albarildim gotfano dechmin brin alabo dordio falbroth ringnam albaras. Nin port zadikin almukatin milko prin alelmin en thoth dalheben en fouim: kuthim al dum alkatun nim broth dechot port min michais im en doth, pruch dal maisoulium gol mot han frihim lupaldas im voldemoth. Nin hur diavosth muarbotjm dal gousch palfrapin duch im scoth [
p. 279] pruch galeth dal chinon, min soulchrich al conin butathen dot dal prin.
    Verstaaje daar niemendal van? vraagde Pantagruel aan zijn gezellen. waar op Epistemon zeide; Ik geloof, dat dit de taal der Tegen-voeters [Antipodès, die recht onder ons woonen.] is; de Duyvel zelf zou ’er niet een krisseltjen of kruimpjen af konnen knabbelen. Wel makker, zey Pantagruel, ik weet niet of de muuren u wel verstaan zullen; maar van ons is’er niet een, die’er ’t minste titteltje van vatten kan. Dies den berooyden gast dus hervatte;
    Seignor mio, voi vedete par essempio che la cornamusa non suoni mai s’ ella non ha il ventre piene: cosi io paremente non vi sapio contare le mie fortune, se prima il tribulato ventre non ha la solita refettione Al quale e adviso que le mani & li denti habbiano perso il loro ordine naturale, et del tutto annechilati.
    Wy verstaan, zeyde Epistemon tegen hem, hier eeven zoo veel van, als van uw ander gereutel Dies Panurge weder een ander spraak gebruykende, zich dus uijtte;
    Lord, if jou be so vertuous of intelligence, as jou be naturally releaved to the body, you thould have pity of me: for nature hath made us equal, but fortune hath som exalted, and others deprimed: Nevertheless is vertue of then deprived, and de vertuous men despiset: for befoor the last end none is good. Nu, zeyde Pantagruel; verstaan wij’er noch veel minder af, zoo dat Panurge zijn toon al weder veranderde en zeyde;
    Jona audie guaussa goussy etan beharda et remedio beharde versela ysser lauda. Au bat es es otoy y es nausu ey nessasu gourray proposian ordine den. Nonissena bayta facheria egabe gen [
p. 280] herassy badia sadassu noura assia. Aran Hondavan gualda cydastu nay dassuna. Estou oussyc eg vinau sonry hijen et darstura egny harm. Genicoa plasar vadu. Ha, ha, Genicoa, zeyde Eudemon, benje daar.
    By Sint Trijn Ians, sprak Carpalin, je revelkalt, goede man, je hebt het niet vast, het schortje inje bol, of ik heb het niet wel verstaan. Daar op ving Panurge weer aan; Prug frest frinst sorgdmand stragdi dihds pag brileland gravot chavygny pomardiere rusth phal dracg deviniere pres nays. Conille kalmuch monach drupp del meupplist, rincq diind dodels up dren loch minc stz ring jald de vins ders cordelis brin joost stzampenards. Wel heijz zeyd Epistemon, spreekje wel eens menschelijke taale mijn vrient? of is ’t wat flikfloijerij? Ik gis ’t zullen zoo wat praatjes voor de vaak wesen.
    Waarom Panurge het al weder over een ander boeg wendende, in plat Vlaams zeyde; Heere, ik en spreeke anders geen taale, dan Kersten taale, my dunkt nochtans al en zeg ik u niet een woord, mijnen nood verklaart genoeg wat ik begeere; geef my uit bermhertigheid net, waar van ik gevoed mag zijn. Hier op antwoorde Pantagruel: met zulk praat blijvenwe noch al eeven wijs.
    Zoo dat Panurge noch eens op nieuw aldus zijn reden begon: Segnore de tanto hablar yo soy causado, por que supplico a vestra Reverentia, que mire aplos preceptos Euangelicos, nara que ellos movan vostra Reverentia, a lo que est de conscientia: y si ellos non bastaren para mover vostra Reverentia a piedad, suplico que mire a la piedad natural; la qual yo creo que le movera como es de razon: y con esso non digo [p. 281] mas. Voorwaar mijn vriend, antwoorde Pantagruel daar op, wy en twijffelen niet meer, of gy weet wel verscheyden taalen te spreeken; maar beduid ons eens watje wilt, in eenige spraak die wy verstaan konnen.
    Waar op den goeden gezel nog eenmaal dus aanving; Min herre, en dog jed med ingen tunge talede, ligesom born, oc us kellige creatuure: Mine klaedebon oc mit legoms magerhed advised aligewel klarlig huad ting mic oc befal at gifve mig, noget, af huilked jeg kand stijte min gioendis mage, ligervys som mand cerbero en suppe forsetter; Saas kalt du lisve lang oclyksalig. Ik geloof, zeyde Eustenes, dat de Gotten aleer zoo spraaken; En, zoo ’t God alzoo geliefde, wy zouden zo met den naars wel konnen spreeken.
    Al weder wisselde den gezel van taal: en zeyde, Aden, kolom lecha: im ischar harob hal hebdeca bimeherah thitem li kikar lebem: chanchat ub laah al donai cho nental. Flux viel Epistemon daar op in; nu eerst heb ik u zeggen wel verstaan; want dat hebje in de Hebreesche taal heel redenrijkelijk uitgesprooken.
    Toen ving den vreemden gast weder aldus aan, Despota ti nijn panagathe, diati sy me uc artodotes, horas gar lemo analiscomenon eme athlios, ce en to metaxie me uc eleis udamos, ge tis de par emu ha u chre ce homos philogin, pendes homologusi tote logus te ce themata peritta hyparchin opote pragma asto pasi delon esti. Entha gar an ceimenon logisin hina pragmata (hon peri amphisbetumen) me prosphoros epiphenete Wat? zeyde Carpalim, de voetjongen van Pantagruel, dat is goed Griex; dat heb ik wel verstaan. Maar hoe? hebje ook in Griekenland gewoond?
    Daar op den vreemdeling voort voer; Ago- [p. 282] nou dont onssyc vous dedagnez algargu: nou den farou zamist vous mariston ulbrou, fousques voubrol tan bredaguez moupreton den goulhoust, daguez daguez non crohys fost pardonnoslist nougron. Agou paston tol nalprissys hourton los echatonous, prou dhouquys brol pany gou den baserou noudous caguons goulfren goul ousta roppassoa. Dat dunkt my verstaa ik wel, zeide Pantagruel: want, of het is de taal van mijn Land Utopia, ofze gelijkt die zeer wel, aangaande den klank of uitspraak.
    En terwijl hy daar over eenige reeden vorder te voeren aanving, begost den makker mee te zeggen; Jam toties vos per sacra, perque Deos Deasque omnes obtestatus sum, ut; siqua vos pietas permovet: egestatem meam solaremini, nec hilum proficio clamans & ejulans. Sinite, quaese, sinite viri impii, quo me fata vocant abire: nec ultra vanis vestris interpellationibus obtundatis, memores veteris illius adagii, quo venter famelicus auriculis carere dicitur.
    Maar hoor, goede Man, zeide Pantagruel, kunje geen Frans spreeken? wel ja ik, antwoorde den Swerver, wel ter deegen, God dank; het is mijn natuurlijke en moederlijke spraak: want ik ben gebooren en van kinds been op-getoogen in den tuijn van Frankrijk, ik wil zeggen, tot Touraine. Verhaal ons dan, zeide Pantagruel, hoe uw naam is, en waar gy van daan komt: want ik heb u, by mijn trouw, zoo zeer lief gekregen, dat, indien gy zoo wel wilt als ik, gy zult noit uit mijn gezelschap wijkken: en gy en ik zullen een bezondere vereeniging op-richten, met zulk een vriendschap, als’er eertijds tusschen Aeneas en Achates is geweest.
[
p. 283]
    Waar op den goeden Gezel antwoordde; Mijn rechte en eigen gedoopte Naam is Panurge: en tegenwoordig keer ik weder uit Turkie; alwaar ik gevangen wierd op-gebragt, toen men t’allen ongeluk naa Militine meende te reisen. En geerne wilde ik u mijn ongevallen verhaalen, die wonderlijker, als die van Ulisses zijn; maar, naademaal ’t u belieft my by u te behouden, en ik die aanbieding geerne aanneem, sweerende veel eer voor alle Duivelen te willen vaaren, als u immermeer te verlaaten; zoo zullen wy op een ander geleegener tijd meerder gemak hebben tot het vertellen derzelver: want voor tegenwoordig heb ik een hard-dringende begeerte om te eeten; mijn tanden zijn gescherpt, de buik leedig, de keel droog, een krijttenden honger, alles is’er toe geschikt, zoo gy my maar te werk wilt stellen; en ’t zou schande zijn dat men my zag Beedelen.
    Daar op belaste Pantagruel, dat men hem na sijn herberg geleiden, en overvloed van spijse voor-zetten zou. ’t Welk zoo gedaan zijnde, at hy dien avond braaf sijn bekomst, en ging te rust als een kapoen, en sliep tot ’s anderen daags aan de uure des middagmaals, zoo dat hy om van bed aan tafel te komen niet dan drie treeden met een sprong te doen had.



[
p. 284]

                X. HOOFT-DEEL.

    Pantagruel in alle weetenschappen uit
        muntende, vonnist een zeer duister
        en swaar verschil, zoo rechtvaar-
        diglijk, dat sijn oordeel wonderlijk
        genoemt en geroemt word.

NA dien zich Pantagruel nu wel onder weesen en afgerecht bevond in allerley weetenschappen, ook door de vermaaningen sijns Vaders, wilde hy eens sijn kennis op de proef-stellen. Terstond deed hy de gansche Stad door, op alle kruis-straaten by meenigte van voorstellingen en verschil-punten aanslaan en afkondigen tot het getal van negen duizend zeven hondert vier-en-zestig toe, en dat in allerley-konsten, treffende daar in de swaarste twijffel-stukken die’er in eenige weetenschappen waaren uit te vinden.
    Eerstelijk, stelde hy zich in de Stroo-straat tegen alle Heersch-kundige, Konstenaars en Reedenaars, dien hy al te maal de mond stopte en verstomde. Daar na nam hy aan en voerde sijne twist-reedenen tegen alle God-geleerde Leeraars in d’Hooge-school, wel zes weeken lang van ’s morgens ten vier uur, tot des avonds aan zes uur toe; behalven dat hy twee uuren tot sijn maaltijd en verpoosing vrij-hield. En daar by vervoegden zich als toe-hoorders het meerendeel der Heeren van ’t Hof; als Mee- [p. 285] sters van de Verzoek-schriften, Voor-zitters, Raads-heeren, Raaden des Reeken-kamers, Geheim-schrijvers, Voor-spraaken en andere, beneffens de Scheepenen der zelver Stad, met de Genees-meesters en Dom-heeren.
    En staat aan te merken, dat het meeste gedeelte der Tegen-streevers den toom wel tusschen de tanden naamen, om alsoo in ’t wild te weiden en hem van ’t stuk af te leiden: doch niet tegenstaande all haar scherpzinnigheden en loose voorstellingen, deed hyse al te maal staan kijken als aapen en poel-sneppen, oogenschijnlijk haar betoonende, datse by hem niet dan domme nuchtere Kalvers waaren. Daar door yder een begon een groot gerugt en roem van sijn wonderlijke weetenschap te verbreiden, zelf tot de Waschters, Schoonmaaksters, Braadsters, Vodde-verkoopsters en andere goede slechte Wijfjes toe, de welke, wanneer hy langs straat ging, hem na-weesen en riepen, zie, dat is hy; waar in hy siin geneugt nam: Even als Demostenes, de voornaamste der Griekze Reedenaars dee, toen een oud, krom, kreupel Besje, hem met den vinger wijsende, zeide, daar, dat is de Man.
    Te deser zelver tijd was’er een geding voor den Hove tusschen twee groote Heeren; van welken den eener was mijn Heer van Baisecul, als Eysscher ter eener zijde: de tweede, den Heer van Humevesne verweerder ter andere zijde, Welke verschil zoo hoog en swaar was in recht, dat het Pleit-hof [La Cour de Parlement] daar af niet meer verstond, dan of het Hoog-duits geweest was. Alwaarom door bevel van den Koning, vier van de verstandigste en vetste van alle Gerechts- [p. 286] hoven in Frankrijk vergaaderden, neffens den grooten Raad, en alle Opper-leeraaren der Hooge-schoolen, niet alleen van Frankrijk, maar ook van Engeland en Italien; als Jason, Philippus Decius, Petrus de Petronibus, en een heelen hoop van andere oude Wet-wijsen.
    Dese aldus den tijd van zes-en-veertig weeken by-een zijnde, zagen geen kans om de zaak te beslechten, noch tot klaare kennis van ’t verschil-punt te geraaken, om op eenige manier een opstel daar af te maaken. ’t Welk haar zoo geweldig speet, datse zich van schaamte schandelijk bescheeten. Doch eenen onder haar, geheeten du Douhet, den verstandigsten, ervaarensten en voorzigtigsten van alle de anderen, zeide, op een zeekeren dag, datse alle haar hooft schier half gebrooken, en haare herssenen heel om-gehutzelt hadden; Mijn Heeren, ’t is nu alree lang geleeden, dat wy alhier by malkanderen zijn geweest, zonder iets uit te Rechten, als moeit en tijd te vergeefs te besteeden, dewijlwe noch hoofd, noch staart van dese zaak konnen vinden: en hoe wy die dieper doorsnuffelen, hoe wy’er minder verstand of kennis af konnen krijgen: ’t welk ons een grooten laster, en last voor ’t geweeten is: en na mijn dunken kunnen wy hier niet als met schande afraaken: want wy doen niet dan reutelen en harrewarren met onse raadspleegingen.
    Maer merk eens wat ik bedacht heb: Gy hebt wel hooren verhaalen van dien grootachtbaaren Man genaamt Meester Pantagruel; den welken men bemerkt heeft beweetenschapt te zijn boven ’t begrijp van desen tegenwoordigen [
p. 287] Eeuw; in groote reen-twistingen, die hy in ’t openbaar tegen allen en een jegelijk gehouden heeft. Het dunktme dan dienstig, dat men hem doe ontbieden, en dese dingen met hem overlegge: want’er nimmer eenig mensch mee te recht zal raaken, zoo het deese niet en doet. Daar meede ook all dese Raaden en Rechtsgeleerden geerne te vreeden waaren: en terstond stierdense heen, om hem haastelijk te haalen: En verzochten hem de pleit-schriften te willen doorzien en tot een staat van verschil t’zamen stellen; om dan daar af aan haar zoodaanigen onderrichting te doen, als hy, na grondige Recht-kunde verstaan zou te behooren: daar-toese hem de sakken met alle de schriften, en bewijsen ter hand stelden; die by-na vier grove Ezels laadingen uitmaakten.



                XI. HOOFT-DEEL.

    Na dat Pantagruel tegen de verdor-
        ven rechts-vordering heevig had
        uitgevaren, doet hy alle pleit-schrif-
        ten en bewijsen verbranden.

OP ’t gezicht van zoo groote pakken papieren stond Pantagruel heel verstelt; en zorgende tegen zoo veel leezens, zeide hy tot de vergaaderde Raaden; Mijn Heeren, zijn dese twee Jonkers, die dit geding tegen malkander voeren, noch beyde in ’t leven? Waar-op hem geantwoord wierd van ja. Waar [p. 288] (Duivel) toe dienen dan (voer hy voort) zoo veel vodderijen van brieven en bullen als gy my hier op den hals meent te binden. Is ’t niet duisendmaal beeter, dat men met een levende stem elk sijn verschil voor-stellen hoort, dan dat men zich moede maakte met leesen van alle dese brabbelaryen, die doch niet anders zijn, als bedriegerijen, en loose duyvelze bedenkingen en vonden van Sapila, tot omkeering of verdraaying van ’t recht? want ik ben wel verzekert, dat gy-lieden, en al de geene, door wiens handen dese pleytschriften gegaan zijn, daar in verzonnen en gezet hebben al watje hebt weeten uit den hoek te haalen (Pro & Contra) zoo tot beschuldiging, als verschooning: en, daar haar recht-zaak klaar, en licht uit te vinden was, hebt gyse doen verdonkeren door uw dwaase en reedeloose reeden, misselijke meeningen en valsche gevoelens van Accursius, Baldus, Bartholus, De Castro, De Imola, Hippolitus, Panormus, Bertachinus, Alexander, Curtius, en all die andere oude hondsvotten, die in haar heel leven niet tot de minste kennis gekomen waaren van de geringste rechts-stelling of wet van aller wetten wetboek [Pandectes], dewijlse niet dan dikke domme kalvers waren, onweetende in alles, wat noodwendig was tot de weetenschap der wetten: want (gelijk ’t wel wis en zeeker is) sy wisten van geen Griekze of Latijnse taal, maar alleen van de Gottische en Barbaarsche spraaken: en evenwel zijn de wetten vooreerst afgekomen van de Grieken: gelijk men daar af-de getuygens ziet by Ulpeianus: [Lege posteriori, de origine juris.] en alle wetten zijn vol Griekze spreekwijsen en woorden: en, ten tweeden zijnse in ’t heerlijkste en zierlijkste latijn, dat in de gant- [p. 289] sche taal te vinden is, overgezet: ook zouje der niet lichtelijk Salustius, noch Varro, noch Cicero, noch Seneca, noch Titus Livius, noch Quintilianus van vry-reekenen.
    Hoe hebben dan dese oude Revelaars, die nimmer een braaf boek in ’t latijn gezien hebben, den rechten inhoud der wetten konnen begrijpen? Gelijk men in haar manier van schrijven zeer bescheydelijk en klaar merken kan; als uitbeeldende een woorden-reeks even als van een Schoorsteen-vaager, of van een Kok-smod, of ander Jak-hals: maar geenzins van een Rechtsgeleerde. Daar en boven, dewijle de Wetten uit, de gronden der zeedige en natuurlijke Wijs-begeerte [Philosophie] getrokken zijn; hoe zullen dese zotte-bollen die konnen verstaan, die (by-get) veel min haar hebben geoeffent in de Wijs-begeerte, als mijn Muyl-eezel?
    Wat aangaat de vordere Vrije-konsten, de kennisse der Oudtheden, en beschrijvingen der geschiedenissen, men zalze daar mee belaaden vinden, als een Kik-vorsch is met pluymen: En echter zijn van zulke stoffen de Recht-boeken doorgaans gevult, en zonder de zelve zijnse geenzins te verstaan; gelijk ik te sijnertijd eens by geschrifte veel duydelijker zal aanwijsen.
    Indien gy derhalven wilt dat ik kennisse neem van dit geding, doe my vooreerst alle dese papieren, lompen en leuren verbranden: en ten anderen, doet alhier in persoon voor my verschijnen de twee Eedel-lieden; de welke ik zoo haast niet verhoort zal hebben, of ik zal u zonder eenige verziering of bewimpeling mijn [p. 290] meening en oprecht gevoelen daar-af ontdekken.
    Eenige der Raaden waaren hier geweldig tegen; gelijk gy weet dat men by alle volk verzaamelingen meer zotten als wijsen ziet: en het grootste gedeelte altoos het beste te booven streeft, zoo Titus Livius zeyd, daar hy van de Carthaginensers spreekt. Doch den genoemden Douket hield het tegendeel mannelijk staande; en verklaarde rond-uit, dat Pantagruel zeer wel en wijslijk gezeyd had; dat dese aanteekeningen, verandwoord-schriften, getuigwraakingen [Reproches], beweeringen, en andere diergelijke duivelerijen, niet anders als wet-verkeeringen en pleyt-verlengingen waren; en dat de duyvel haar alle wel weg-voeren zou, zoose geen ander rechts-vordering in voerden, na de Euangelische en wijs-geerige gerechtigheid. Kort-om, alle bullen en brieven wierden verbrand: en de twee pleytende jonkers persoonlijk aldaar gedaagt.
    En wanneerse verscheenen waren, sprak haar Pantagruel dus aan; zijt gy de zelve mannen, die dit groote geding met malkanderen hebt? Daar op sy antwoordden, jaa-we mijn Heer: wie van u-lieden (vraagde Pantagruel weder) is den Eyscher? dat ben ik, zeyde den Heer van Baisecul. Wel aan dan mijn Vriend, sprak Pantagruel, verhaal my van stuk tot stuk de oprechte en onvervalschte beschaapentheyd van uw recht-zaak. Want (by gants-bloemer-harten) indienje maar het minste woordtje liegt, en en my te misleyden meent, ik zal den valschen kop van u schouderen doen afhakken: en u betoonen, dat men in rechtzaaken en voor ’t [p. 291] gerecht niet dan de gewisse waarheyd spreeken moet: derhalven wacht u wel van iets meer of min als de juyste geleegentheid van uw zaak voor te stellen. En daar op vang-aan.



                XII. HOOFT-DEEL.

    De Heeren van Baisecul en Hume-
        vesne pleyten voor Pantagruel zon-
        der voor-spraaken.

EErst ving dan den Heer van Baisecul aan, sijn zaak op volgende wijse voor te stellen; Mijn heer, ’t is waarlijk waar, dat een eerlijke vrouw van mijnen huyse een hoop eyeren om te verkoopen na de merkt droeg. Zijt gedekt, Baisecul [Kusgat], zeyde Pantagruel. Mijn heer, ik bedankje zeer, antwoorde d’Heer van Baisecul. Doch onderdes quamen’er ses witten [Blancs], tusschen de twee Zonne-keer-kringen [Tropiques] doorstijgen na het toppunt, en de maalie; zoo dat de Ripheesche gebergten een groote onvrugtbaarheid van boeren-bedrog voor dit jaar hadden; veroorsaakende een oproer van narrekappen en beuselingen, ontstaan tusschen de klappers en kaakelaars over de wederspannigheid der Swetsers, die zich verzaamelt hadden tot het getal van een byen-swerm om te trekken na Nieuw-angel, in ’t eerste gat van ’t jaar, dat de zop aan de Ossen gaf, en de sleutel der doove koolen aan de dochters, om de haver voor de honden te werpen.
[p. 292]
    Den heelen nacht deedmen niet (houd de hand op de pot) als geweld-brieven te voet, geweld-brieven te paard, af te vaardigen, om de schepen in beslag te houden; alzoo de kleermaakers van voorneemen waren een lange lijfrok van gestoolen lappen t’zaam te lassen, om de groote zee te bekleeden, die swanger ging van een pot-vol kool, na ’t gevoelen van de Hooy-loegers: hoewel de Natuur-kundige [Phisiciens] verklaarden; dat men aan sijn pis geen merkelijk teeken kon verneemen in den drekgang, van hellebaarden met mostaard ge-ëeten te hebben; als alleenlijk, dat de heeren van den Hove door B. Mol. aan de pokken bevel hadden gegeven, van niet meer gemeenschap te houden met de Keetel-boeters; om dat de plompe loeren alree een goed begin gemaakt hadden van den strengeldans te danssen op ’t gespeel van acht-toonen met d’een voet in ’t vuur, en de kop’er midden in, gelijk den goeden Ragot te zeggen pleeg.
    Ha! mijn heeren, God schikt het alle na sijn wel-gevallen: en tegen ’t ongestaadig avontuur brak een karreman met grimmassen te maaken sijn sweep, terwijl hy weder-keerde van krankenburg, even toen hy reed voorby ’t huys van den Meester Antitus van Groenwegen, (Licentiaat) Toegelaatene [Licentié] in alle lomperije, zoo de Geregelden [Canonistes] zeggen. (Beati Lourdes quoniam ipsi trebuchaverunt.) Welgelukzalig zijn de plompaarts, alzoo zy zelve hebben gestruikelt.
    Maar ’t gene de vasten zoo verheerlijkt, is (by Sint Felten de bruy) om geen andere oorzaak, als dat het Pinxter-feest nimmer komt, dat het my niet en kost. Hey wakker al [
p. 293] voort: een kleynen reegen verdrijft een grooten wind; aangezien de Gerechts-dienaar [Sargeant] my het wit ten doel zoo hoog heeft gesteld, dat den Hofschrijver [Griffier] sijn geveederde vingeren daar af niet rond-om lekken zal: en wy baarblijkkelijk bemerken, dat zich elk daar af by de neus neemt; ten zy men ’t gluur-oogende in een doorzicht [Perspective] na de Schoor-steen beschouwt in den hoek daar ’t waapen van den Wijn aan veertig hoepen hangt, die noodzaakelijk zijn tot twintig grond-vesten van een vijf-jaarig uitstel-brief: [Quinquennelle] ten allerminsten die de vogel niet wil los-laaten aleer hy de staart ontdekt: want meenigmaal ontgaat ons ’t gedenken, alsmen de koussen verkeerd aantrekt. Hey lustig d’Heere behoede Thibaut den moeffelaar voor ongeval.
    Al zoetjes al zachtjes, mijn vriend, sprak Pantagruel, spreek met gemak en buyten verbolgentheid: Ik verstaa waarje wesen wilt, vaar slechts voort. Wel aan mijn heer, vervolgde Baisecul; die voorschreven vroome vrouw, opleesende haar lof-liederen (& Audi nos) en (Litanien) Heyligen verhoort ons, kon haar niet verhoolen houden, onder een geveynsd voor-schoot van af-keer, stijgende door de stijvende krachten van de voor-rechten der Hoogeschool, ten zyse haar lodderlijk verwarmde, en dekte met een menigte van vierkante kussens, na haar nemende een vliegende stok, zeer na by de plaats, daar men oude laakens verkoopt, die de Schilders van Vlaanderen gebruyken, als ze de kreekeltjes met hoef-ysers wel willen beslaan: en ik verwonderme wel grootelijk, dat de wereld geen eyeren legt, dewijlse zoo braaf broeden doet.
[
p. 294]
    Hier wilde de Heer van Humevesne in de reeden vallen, om iets tot sijn voordeel voort te brengen; derhalven Pantagruel daar tegen daadelijk in de weer was: en dus uytvoer; by den buyk van Sint Antonis verken, verstout gy u hier te spreeken zonder oorlof? Ik vermoeyme dat ik sweet, om te verstaan de rechts-vordering over uw verschil, en gy komtme verstooren? Ik zeg’ stil (datje de Drommel haal) stil. Gy zult uw bekomst van spreeken wel krijgen, zoo haast deese gedaan zal hebben. Voorts beval hy den Heer van Baisecul sijn verhaal te vervolgen, en niet te zeer te haasten.
    Ziende dan, zeyde de zelve vorder, dat het gerechtelijk besluyt daar af geen gewag maakte: en dat de Paus aan yder-een oorlof gaf, om te mogen vijsten met gemak; indien ’t borstlijf te stijf drukte, wat armoede ook in de wereld mogt wezen; dewijlmen doch ’t merkteeken van guytery draagen wilde. De regen-boog nu nieuwelings gesleepen tot Milaanen, om de leeuwerken uyt den dop te doen kippen, gaf oorlof aan de vroome vrouw, datse de heupzuchtige mogt uytzuygen, door tegenstelling van de kleine dikbuykige hom-vischjes, die doen ter tijd noodwendig waaren, tot het verstaan van de t’zaamenstelling der oude leersen; derhalven Ian Kalf zijn rechte neef hem ried, datze zich niet in dat gevaar zou steeken van de leuterende loog te hulp te komen, zonder eerst het papier in brand te steeken: zoo lang dat pille, nade, jocke, fore: want (non de ponte vadit [Willens verkeert] qui cum sapientia cadit) Hy gaat niet van den brug die met wijsheid valt; naademaal mijn Heeren van de reeken-kaamer niet over een [p. 295] konden koomen in ’t uytreekenen van de Duytsche fleuijten, daarom-men gebouwt heeft de verrekijkers der Vorsten nieuwelijk gedrukt tot Antwerpen.
    En zie daar, mijn Heeren, wat een quaad bescheyd doet. En ik geloof’er mijn tegenparty wel in; (in sacer verbo dotis) even of hy niemendal zeyde. Want willende gehoorzaamen ’t wel gevallen des Konings, ging ik my van den hoofde tot voeten waapenen met een buyk-lapje om te gaan zien, hoe mijn wijn-druyfplukkers haar hooge hoeden hadden uitgeknipt om te beeter te speelen mooy-manneke? en de tijd van de jaarmarkt was een weynig gevaarlijk, waar door veel gevrijde adelborsten by de volk-schouwing wierden wech-geweezen, niet tegenstaande de schouwen hoog genoeg waren naa de evenmatigheid van de knobbelen, spatten en opene gaten der paarden. En door dit middel is’er een groot jaar gewas geweest van kakke-rollen door ’t geheele Landschap van Artoys, ’t welk niet weinig tot beeterschap strekte van de Heeren die de kleyne mesjes dragen, wanneermen zonder die uyt de scheede te trekken, daar mee de haan-swaan-kraanen at met een ontknoopte open buyk. ’t Was me ook wel te wil, dat yder een schoon geluyt gaf: men speelder veel te beeter om met de bal, en deze kleine gauwigheden, die men te werk stelt om de schootelen in een schoone schikking vervolgens te voegen, dreeven met veel meerder gemak de Seyn-stroom af, om daagelijks te dienen tot een brug voor de meullenaars; gelijk van ouds al beslooten was door de Koning der End-vogels, waar af ’t besluyt-schrift is berustende binnen in de Schrijf-zaal.
[p. 296]
    Derhalven, mijn Heer, is mijn verzoek, dat door uw Hoog-achtbaarheid over deze zaak zoodaanigen uitspraak gedaan en vonnis gevelt mag worden, als naa recht en reeden zal behooren, met de kosten, schaaden en renten. Daar op vraagde, Pantagruel, mijn vriend, hebje nu niemendal meer te zeggen? neen ik, mijn Heer. zeyde Baisecul: want ik hebje verhaalt het heele (tu autem) beloop van de zaak: en, by mijn eer en trouw, ik heb’er geen bewimpelijk of misleyding mee gemengt. Gy dan, mijn Heer Humevesne, zeyde Pantagruel, kom ons verhaalen uw belang en beliefte; maar maak het kort, zonder evenwel iets achter te laaten, dat tot uw verdeediging dienstig kan zijn.



                XIII. HOOFT-DEEL.

    Den heer van Humevesne stelt Pan-
        tagruel sijn Gerechtzaak voor.

NIet lang vertoefde den Heer van Humevesne sijn zaak ten schoonsten voor te dragen op volgende wijse; Mijn Heer, en Heeren, indienmen de onrechtveerdigheid der menschen in een onvervalscht oordeel, zoo lichtelijk als de muggen in de melk merken kon, de wereld, zou zoo, by vier vette botte Bullekoppen, niet van de ratten gebeeten noch opgevreeten worden, alsze nu doet: en daar zouden noch veel ooren boven d’aarde zijn, die’er alte laf hertelijk zijn afgeknaagt: want [p. 297] alhoewel alles wat mijn wederstrever heeft voorgestelt van den doornebos waar is, zoo veel belangt de letter, en ’t verhaal van ’t (Factum) bedrijf of de zaak zelve; evenwel, mijn Heeren, de arglistigheden, verwarde bewimpelingen, en kleine katteklauwauwerijen blijven onder de pot met roosen verhooolen.
    Moet ik dan dulden, dat, ten tijde als ik zit mijn zopjes by kopjes te slurpen, zonder eenig quaad te denken of spreeken, men my altijd komt quellen en lellen aan de ooren met te rabbelen en babbelen dat ouwe dolle deuntje;

        (Qui boit en mangeant sa souppe,
        Quand il est mort il ne voit goutte.)
    Die drinkt terwijl hy zoppen eet,
    Ziet als hy dood is niet een beet.

    En by onse Sinte Liefvrouw, wat hebben wy’er een hoop Hooftluyden gezien in ’t open veld ten veldslag gereed, even dan, wanneer-men het veld-geschrey van ’t gezeegende brood des broederschaps op-hief, om zich zoo veel te eerlijker met malkanderen te vermaaken in minnekooserijen, op de luyt met elf duisend snaaren te speelen, op den gat-pijp te fleuytten, en van die kleine sprongtjes op de platte plaatsen te maaken? Doch tegenwoordig is de wereld t’eenmaal ontmand, van kleppen van klooten tot klossen: de een zettet op een zuipen en swelgen, den anderen speelt vijf, vier en twee: zoo dat, indien het Hof daar-tegen niet en verziet, ’t zal dit jaar zoo slechten kooren-oogst geven, als ’t oyt voor desen gedaan heeft of doen zal van kroesen en kelken.
[p. 298]
    Indien een zober gezel na de sweetstooven gaat, om hem den snaawel te doen doorzuyveren en herklaaren van koe-drek, of om winter-knoppen te koopen, en de voorbygaande Gerechts-dienaars, of wel, die van de wacht, een aars-speuytings af kookzel bekoomen, of dat gestige goedtje van een gatige kak-stoel op haar geroep en geraatel, moetmen daarom de krulkoppen schueren en schenden, of de houte schotelen tot scherwen maaken?
    Zomtijds zouden wy wel willen dat dit dus gebeurde, maar God schikt het anders. Soo haast de Zonne is onder-gegaan, zijn alle gedierten in de schaduwe: ik wil’er geenzins in gelooft zijn, zoo ik ’t u niet tastelijk betoone met menschen by den klaaren dag.
    In ’t jaar van ses en dertigen koopende een duyts kleppertje hoog en kort zeer schoon van hair, en gesprenkelt van kleur, gelijk de goudsmeeden verzeekerden, zoo draayde de Verdrag-schrijver [Notaire] daar een (& caetera) ongenoemd aanhangsel in. Ik ben zulk een gauwaart niet dat ik de maan met de mond begaapen kan, maar wel de pot met boter daarmen de brandbrieven mee zeegelden: ’t gerucht liep dat de gezouten os te weeg bragt, dat men den wijn zonder keers kon vinden; al wierd hy verborgen onder in de zak van een kooldrager, gedekt en gedost met een hooft-scherm en scherpe pinnen daar toe dienstig, om ’t ruytergebraad wel in de pan te frijtten, ’t welk ’t hooft van een hamel is.
    Zeer wel is ’t gezeyt tot een spreekwoord; dat’et een schoon gezicht geeft swarte koeyen in een verbrand bosch, als men de minne vrug- [p. 299] ten plukt. Ik heb het stuk met de Heeren geleerden laaten overleggen: en se hebben voor een vast vonnis haar sluyt-reede genomen in Frisesomorum [Vercierd konst-woord in de Logica, zonder beteikenis]; als dat het niet zoo geleegen is, als het afmaayen van den Soomer-oogst in een kelder wel verzien van inkt, papier, pennen en kooper van Lion op de Rhosne, Tarabin, tarabas, daar leit den bras: want zoo haast een waapen-rusting ruykt naa look, vreet’er de roest de lever op: Daar naa: doet men niet als tegen preutelen, uitvaarende met den kop op zy, over ’t slaapen naa den middag, en zie daar wie ’t zout zoo duur maakt.
    Mijn Heeren, geloof niet, dat ter tijd, toen dat goede wijf den lepelzak liet inglijen, het haar te doen was, om den happigen hals met meer erfgoed te bedenken: en dat het ingewand van den beuling schor-aarzelde om de beursen der Woekeraars, terwijl hy ’t niet een hair beter had om zich te hoedden voor de Canibalen, (die menschenvleesch eeten) als een bos uijen aan te grijpen, gebonden met drie hondert raapen, en een stukje van een kalve keutel van ’t fijnste muntstof [Alloy], die eenig metaalstooker [Alchymiste] hebben kan, en dese pantoffelen wel dicht met leem toe te smeeren, en tot kalk te maaken, mouflin, mouflard, met een zoeten zaussje van mostaart: daar na zich versteeken in een klein mollen-holletje, altoos de schimp-scheutjes vry houdende.
    Doch in dien den dobbel-steen anderzins niet naa uw zin vallen wil, houd u aan ’t dikste eind, en bewaar dat wel, vly’er dat Vrouwtjen in een hoek van het bed en maak’er maar mooy den toureloura la la; en [
p. 300] drink datje suisebolt, visschende na vorsschen in ’t rond met hoog geschoeide leersen: dat zal zijn voor de kleine tamme gansjes die haar verheugen met het spulletje van het duikertje; wachtende na ’t slaan van de metaale munt, om ’t was te warmen aan ’t zeever van de vuur-test.
    [Praatjes voor de vaak.] ’t Is wel waar dat de vier Ossen, daar over ’t verschil is, geen zeer lange geheugenis hadden; evenwel om haar weergaa te weeten, weekenze met den Egiptischen Vogel Cormoran, noch Eend-vogel van Savoye, en de goede lieden van mijn Land hadden der een grooten hoop af; zeggende, dese Kinderen zullen groot worden in een by-zin, dat zal ons een Roolettertje van recht zijn, Het kan ons niet missen den Wolf te vangen, wanneerwe onder de Windmeulen onse haagen stellen, waar af door mijn wederstreever ook gesprooken is.
    Doch den grooten Jool was’er over t’onvreeden, en gaf de Duitzers, dien een drommels gedruis maakten met Zauffen en roepen Her trink, trink, zulke schoppen in ’t gat, datse dubbeld en dwars ter Tenten in stoven. Want ’t en is geensins schijnbaarlijk, dat men ’t zeggen zou, als tot Parys op de kleine hoender-brug van stroo: ook waarense gekuift en getopt, als meer-kollen en poel-sneppen, by aldienmense waarachtig dat geswier en geswaay niet afgekapt en geschrabt had, zoo versschelijk bevogtigt met wissel-brieven en post-tijdingen; ’t Is my al eveneens, op beding dat de draad-knipper daar geen wormen in voortbreng.
    En genoomen het was zoo, dat tot t’zaa- [
p. 301] men-koppeling der loopende honden, de Kabouter-jes den ink-hoorn hadden gegrepen, eer den Schrijver door de Cabalistike konst het bescheid had gegeven. Het en volgt geensins, (behoudens beter oordeel van den Hove) dat zes morgens-lands, volgens ’t groote besprek, uit brengen drie flesjes van de beste inkt zonder in de bekken te blaasen; aangezien dat op de uitvaart van Koning Carel, men in vollen voort-tocht het vlies voor twee en een droeg, ik meen, by mijn eed, van wolle. En ik merk gemeenlijk in alle lieve lulle-pijperijen, wanneer men mommen gaat, doende drie tochten met den beezem ter schoorsteen uit, en daar mee haar naamen aangevende; dat men niet en doet, dan de nieren te verbinden en in ’t gat te blasen, zoo ’t by geleegentheid te heet is, en niemand die’er mee keegele: terstond en zoo haast de brief geleesen was, wierden de Koeijen weder gegeven.
    Even gelijken last wierd in ’t jaar zeventien aan de Malmarokken gegeven over ’t wan-beleid van Louzefougerouse; daar op het Hof zal gelieven te letten. Ik wil in der waarheid niet zeggen, dat men met recht niet zou mogen uit het bezit-zetten, door wettigen tijtel, de geene, die van ’t Wy-waater gedronken hebben, gelijk men handelt met het los-geld van een Linnen-wever, daar men de steek pillen af maakt voor de geene, die niet afstaan willen, als na een goed spel om schoon geld. (Tunc Messieurs, quid juris pro minoribus?) Wat recht is ’er dan voor Jan Alleman? want de gewoone wijse van de Salike Wet is zoodanig, dat den eersten Stoeke-brand, die de Koe sijn hoorens [
p. 302] ontrooft, die in ’t midden van een maat-gezang sijn neus snuit, zonder ’t sol, sol dreunen der Schoe-lappers daar onder te laaten loopen, moet by verleegen tijd, als de nood aan de Man gaat, de behoeftigheid van sijn middel-lid door mos-zaamelen verheffen, om dese witte wijnen van Anjou aan ’t hangen te helpen, die slingerbeen speelen, kraag aan kraag naa de manier van Bretagne. Besluitende als vooren met kosten, schaaden, renten en alles.
    Na dat den Heer van Humevesne dus ge-eindigt hadde, sprak Pantagruel tot den Heer van Baisecul; Mijn Vriend, wilje daar op niemendal antwoorden? Neen, mijn Heer; zeide Baisecul daar op: want ik heb niet dan de ronde waarheid gesprooken: en, om Gods wil, maak een eind van ons verschil: want wy en zijn hier niet zonder groote kosten.



                XIV. HOOFT-DEEL.

    Pantagruel spreekt een rechtvaardig
        vonnis uit over ’t verschil der twee
        Heeren.

OP zoodaanigen verklaaringe en verzoek rees Pantagruel, en riep alle Heeren Voorzitters, Raaden en Rechts-geleerden, die hem ter hulpe toe-gevoegt waaren, voor hem: en zeide tot de zelve; Wel aan nu, mijn Heeren, Gy hebt (vivae vocis oraculo) door de onfeilbaarheid van een levende stem gehoort het geding, daar over hier verschil [p. 303] valt, wat dunkt’er u af? Daar op sy hem gezaamentlijk antwoorden; wy hebben ’t in der waarheid wel alles aangehoort, doch wy hebben (Duivel haal) niet een ziertje van de zaak verstaan. Derhalven wy (una voce) eenstemmelijk om Gods wil u bidden en smeeken, dat U.E. gelieve daar over zoodaanigen vonnis te vellen, als u zelf zal goed dunken. En (ex nunc prout ex tunc) uit ’t geene nu gezeit is, even als dat van te vooren geschreven was, uit-spraak doende, verklaaren wy met volle stemmen alles goed te keuren, vast en van waarden te houden.
    Zeer wel, mijn Heeren, zeide Pantagruel, dewijl het u zoo belieft, zal ik het doen: doch ik bevinde de zaak zoo swaar niet, als gy die wel maakt. Dese uwe Wet-beschrijvingen, die beginnen, Cato: De Wet (Frater) Broeder: De Wet (Gallus) Haan: De Wet (Quinque pedum) van vijf-voeten: De Wet (Vinum) Wijn: De Wet (Si Dominus) Soo de Eigenaar: De Wet (Mater) Moeder: De Wet (Mulier bona) goede Vrouw: De Wet (Si quis) zoo iemand: De Wet Pomponius: De Wet Fundi: De Wet (Emptor) Kooper: De Wet (Praetor) Schout: De Wet (Venditor) Verkooper, en meer andere zijn zeer veel swaarder te begrijpen na mijn gevoelen.
    Zulks gezeit hebbende, wandelde hy eens of twee maal over de Zaal, zijnde zeer diep in gepeinsen, gelijkmen licht denken kan: want hy rugchelde gelijk een Ezel, datmen den gordel te stijf toe-trekt; terwijl hy overdacht, dat men schuldig is een yder recht te doen, zonder wankelen, weiffelen of schroomen, zonder [
p. 304] aanzien van Persoonen. Daar na trad hy weder na sijn stoel om te gaan zitten, en begost het vonnis uit te spreeken op volgende wijse.
    Gezien, verstaan en wel overwoogen hebbende het geding tusschen de E: Heeren van Baisecul en Humevesne, verklaart het Hof; dat aangemerkt het mond-aas van de Vleer-muis verre-genoeg afwijkt van den Soomerzen Zonne-stand om de bolle-blaasen te lief-koosen, die het euvel van steekte hebben gehad, door de boose bestrijdingen der nacht-raavens, die in ’t woeste gewest van een Parther te paard-spannende een boog aan de nieren. Den Eisscher had gelijk dat hy ’t Gaalioen vertimmerde, dat de goede Vrouw den buik opblies, daar hy haar met een kous aan ’t eene been, en ’t ander been bloot, het uitschot weder voldeede diep en stijf in haar conscientie, met zoo veel beuselerijen, als’er hairen op achtien Koeijen zijn, en zoo veel voor de Borduurwerker.
    Van gelijken word hy onschuldig verklaart van de bevoor-rechte zaak der snip-snap snaaterijen, waar in men meende dat hy vervallen was, door dien hy niet vroolijk genoeg kakken kon, door de afdoeninge van een paar handschoenen bereuk-werkt met storm-stuk-schooten, by kaars-brand van een noot, gelijk men in sijn Land voor mirobalaan gebruikt; Het top-zeil los-maakende met koopere koogels, waar af de stroo-dekkers rechterlijker-wijse haar pens-potspijs tot pasteijen bakten, door loopen van de Loire op alle geschreeuwen van den Sparwer aan ’t uitterste van Hongarijen gedaan. Die zijn Schoon-broeder ter gedachtenisse [p. 305] droeg in een wanschikkelijken korf met rood geboord aan drie dak-balken, behangen met basten van kauwoerden aan een leuy en leedigen Lanterfant, waar van men den Papegaay loomelijk met een haastigen paarde-sprong aftrekt.
    Doch daar in, dat hy den Verweerder voorwerpt en te last legt, dat die een Rattekruids-mannetje, een slokke-loert, en een valsche mensche-vleesch verkooper zou zijn, dat hy in ’t touteren en slingeren niet bestendig en oprecht bevonden was; gelijk den Verweerder wel verantwoord en wederlegt heeft; zoo word hy door den Hove verweesen in drie omgekeerde glaasjes vol harde wrongel van te vooren wel gekeurt en bekeeken, naa de gewoonte van den Lande, aan den Verweerder te voldoen naast-koomende Mey in ’t midden van den Oogst-maand.
    Maar den gemelden Verweerder zal weder gehouden zijn hooy en touw-plukzel te verschaffen tot stopping van de wijd-opgesparde monden en keel-gaten wel bewrongen en bewoelt in ’t rond. En daar mee alle maats goe maats even als te vooren, zonder eenige kosten, en dat om reeden.
    Welk vonnis, alzoo uit-gesprooken zijnde, vertrokken de twee weerpartijen, beide over d’uit-spraak wel vernoegt; ’t welk schier een ongelooflijke zaak scheen. Want ’t was niet gebeurt zedert de groote reegens, en ’t zal niet gebeuren in dartig jubel-jaaren, dat twee twistende tegen-dingers in een recht-strijdig verschill, gelijkkelijk ten weer-zijen zoo wel vol- [
p. 306] daan en te vreeden over een eindelijk en af doende rechts-besluit.
    Aangaande de Raads-heeren en de andere Rechts-geleerden, die daar tegenwoordig waren, sy bleven in verbaastheid opgetoogen wel drie uuren lang, en alle Omstanders wierden door verwondering verrukt over de meer dan menschelijke wijsheid van Pantagruel, diese duidelijk gemerkt hadden in de afdoeninge van dese zoo swaare en scherpe rechts-vordering: ja, sy zouden tot noch toe als beswijmt gebleven hebben, ’t en zy men by meenigte wijn-eedik en roos-water had aangebragt, om haar by hun voorig verstand en zinnen te doen bekoomen; daar voor God in alles zy gelooft.



                XV. HOOFT-DEEL.

    Panurge verhaalt op wat wijse hy
        uit handen der Turken ontquam.

DIt overwijs oordeel van Pantagruel wierd in korten tijd by yder een vernoomen en verstaan, en om strijd in druk uitgegeven, jaa zelf onder de Rijks-brieven van ’s Konings-hof gebragt en bewaart; Soo dat alle Man bestond te zeggen, dat den aller wijsten Salomon, die na gissing en goed-dunken het Kind aan sijn rechte Moeder weder gaf, geensins zoo schoonen Meester-stuk van voorzichtigheid toonde, als den grooten Pantagruel; haar gansch gelukkig roemende, om datse hem [p. 307] in haar Land hadden: En zochten hem zoo al eens-klaps Meester van de verzoek-schriften, en Voor-zitter in de vergaaderingen van ’t Hof te maaken.
    Maar hy sloeg alles af, en bedankte haar heusselijk: want (zeide hy;) alte verbandigen dienstbaarheid is’er aan dusdaanige amptten vast; en alte gevaarlijk en swaar valt het voor de Bedienaars daar af, behouden en zaalig te worden, vermits de bekooring en mis-leidingen der menschen. En ik geloof, indien de leedige zeetels der vervallen Engelen niet weder vervult zijn door ander zoort van Volk, dat wy noch in zeven en dartig Jubel-jaaren het laatste Oordeel niet zullen hebben; Zoo dat Cusanus in sijn raaming bedroogen zal zijn. Ik waarschouwe u daar af in tijds.
    Maar indienje een lustig vat wijns voor my hebt, ik zal ’t zeer geerne tot een geschenk aanneemen; ’t welkse dan ook gewillig deeden, hem zendende van de beste, die’er in de gansche Stad te bekoomen was; daar af hy wel ter deegen dronk. Doch den armen Panurge was’ er zeer quaalijk af gedient; dewijl hy’er als een oud-vangen Haaring heel buiten geschoolt was. Ook ging hy te voet, als een maagere Kat.
    Eindelijk bragt hem iemand toe een halven beeker vol rooden wijn, zeggende: ’t Zal wel gaan mijn groote maat, wachtje beurt, al wordje schier dol van dorst en drink-lust. Ik verzeeker-je (zeide hy) by drommel en droes, je hebt hier niet voor een van uw propere pimpelaars van Parys, die niet meer op meugen als een paar aamtjes, en noch niet eens willen [p. 308] gaapen, al eer men haar, even als de musschen op den staart klopt. O goede Gezel, indien ik zoo wel wist om hoog te stijgen als neder te zijgen, ik zou wel haast op de bol van de Maan zijn met Empedocles.
    Maar ik en weet niet (wat Duivel) dit te seggen zal zijn; dese wijn is zeer smaakkelijk en goed, evenwel wat ik’er meer af drink, wat ik’er meerder dorst door krijg. Ik geloof dat de schaduw van mijn Heer Pantagruel de dorstige hertjes voort-brengt, eeven als de Maan de koude zinkingen veroorzaakt; om welke reeden alle Omstanders niet naalaten konden wel hartelijk te lagchen.
    ’t Welk Pantagruel verneemende; zeide; Panurge, waarom is het dat je lacht? Mijn Heer, antwoorde hy, ik verhaalde haar, hoe de Turken (arme Duivels) wel ongelukkig zijn, datse niet een droppel wijn mogen drinken: Al was ’er anders geen beswaarnis in den Alcoran van Mahomet, ik zou me noch evenwel in ’t minste niet tot haar wet konnen verstaan. Maar nu, zeide Pantagruel, vertel ons eens, hoe gy haar handen ontsnapte. Com aan, beget, mijn Heer, sprak Panurge; ik zal’er je niet een woordtjen om liegen.
    [Gruwelijk gebraad.] De ontuchtige Turken hadden my geheel doorspekt aan ’t spit gesteeken, als een Konijn: want ik was zoo wel uytgekipt, dat niets anders als mijn vleesch een onbekomzaame kost zou geheeten hebben, en in dese staat deedense my gansch leevendig braaden. En terwijlse my aldus brieden, beval ik my in de Goddelijke genaade, in mijn gedachten hebbende den goeden Sint Lourens, en zonder op [
p. 309] houden op God hoopende, dat Hy my uit dese pijniging verlossen zou: ’t welk ook op een zeer wonderlijke wijse geschiede.
    Want, terwijl ik my met geheeler herten, zeer vierig aan Gode beval, schreeuwende, Heere God! help me: Heere God! behoud me: Heere God! rukme uit dese smert, daar in dese verraadersche Honden my houden om de onderhouding uwer Wet: wel haast raakte de geen, die my braaden zou in slaap door ’t believen van God, of wel van eenen goeden Mercurius, die Argus met een listigheid in slaap bragt, hoewel hy hondert oogen had.
    Soo haast ik gewaar wierd, dat hy mijn braad-spit niet meer omwendde, zag ik na hem toe, en vernam dat hy al vast sliep; daar op vat ik met mijn tanden een brandhout aan ’t eind dat noch ongebrand was; en dat gooide ik je in de schoot van mijn braader; noch een ander wierp ik, zoo veel my mogelijk was, op een veld-bed, dat dicht aan de schoorsteen lag, alwaar de bult-zak ter rust-plaats van mijn Heer den spit-wender was. Terstond deed het brandend hout het stroo ontvonken, en de vlam van ’t stroo stak het bed aan brand, van daar sloeg de vlam aan de zolder, die met dennen berden, als ’t onderste der lampen, belegt was.
    Maar ’t wenschelijkste was, dat het vuur, ’t welk ik mijnen onkuisschen braader in sijn schoot geworpen had, alree de ruigte van sijn manlijke leeden had af gezengt, en die voort verschroeit zou hebben, indien hy zoo loom en gevoeleloos geweest was, dat hy de hitte niet eer dan den dag gewaar was geworden. Derhalven heel verbaast op schietende, schreeuw- [
p. 310] den hy te venster uit zoo zeer als hy mogt; (dal baroth, dal baroth) in ’t vuur, in ’t vuur: daar mee treed hy recht na my toe, om my geheel en al in ’t vuur te smakken; en had alree de touwen, waar mee men my de handen gebonden had, in stukken gesneeden, ik zelf snee de banden van mijn voeten. Onder des de Meester van het huis, hoorende het geroep van vuur en brand, en merkende de rook uit de straat daar hy wandelen ging met andere Bassa’s en Mustafen, liep uit sijn kracht daar naa toe, om den brand te helpen lesschen en sijn beste goed te bergen.
    Zoo haast hy’er by gekomen was, toog hy het spit, daar aan ik gereegen was, uit, en stak daar mee mijn braader, dat hy stijf dood needer viel, by gebrek van goe bestiering of anderzins: want hy dreef hem ’t spit een weinig boven de navel in, na de rechter zy, en door-stak hem het derde uit-stek van de lever: daar naa sijn steek noch verder vervolgende, door boorde hem het middel-rif, dwars door ’t herte-vlies, tot dat hem ’t spit boven tot de schouder tusschen de wervel beenen en ’t linker schouder-blad uit qam.
    ’t Is wel waar, dat, toen hy ’t spit uit mijn lichaam toog, ik by de brand-ysers neer viel, de val my een weinig wee deede; even wel niet zeer veel: want de spek-stukjes verzachten de swaarte van den smak. Onder tusschen toen mijn Bassa zag, dat de zaak hoopeloos, het huis zonder aflaaten verbrand, en al zijn goed verlooren was, verduivelde hy zich zelven, roepende Trilgoh, Astaroth, Rappalus en Gribouillis [Dit zullen Duivels Naamen zijn.] tot negen maal toe.
[p. 311]
    ’t Welk, toen ik ’t hoorde en zag, my meer dan voor vijf schellingen schrik aanjaagde; zorgende; dat de Duyvels daadelijk mogten toeschieten, om deezen dwaas wech te voeren, en dat’et zulke domme dolle gasten mogten weezen, die my met een moeyte al mee namen. Ik ben (dacht ik) al reede half gebraaden, mijn spek-sneedtjes zullen oorzaak van mijn ongeval zijn; want deze Duyvels zijn zeer verzot en verlekkert op spek-gebraad; gelijk gy daar af bevestiging hebt by den Wijsaart Jamblichus en Murmault [De Bossutis & contrefactis pro magistros nostros] in zijn verdeediging maar ik maakte het teyken des Heiligen kruyces, en schreeuwde; (hagios, athanatos o Theos!) o heilige onsterffelijke God! en niet een Duyvel quam’er voor den dag.
    Mijn schelmschen Bassa, zulks bemerkende, dacht zich te dooden met mijn spit, en hem ’t hert af te steeken, doch de punt wilde niet doordringen, dewijlze niet scherp genoeg was; hoewel hy stiet wat hy mogt, hy vorderde gansch niet. Daar op ik tot hem trad, en sprak Heer meester, Schend-hond, gy doet niet dan tijd spillen: dus zult gy u nimmer dooden, gy meugt u met eenigen schram verzeeren, daar aan gy al u leeven onder heelmeesters handen gaat quijnnen: doch zooje immer dood wezen wilt, ik zal u hier heel braaf aardig om hals helpen, zoo dat gy’er niemendal na gevoelen zult, je meugt’et me wel vertrouwen: want ik heb’er wel andere omgebragt, die’er haar wel by bevonden hebben. Ha! mijn vriend, antwoorde hy, ik bid’er u om, en zooje dat wel doet, ik schenkje mijn beurs: Siet daar, neem hem naa u, daar in zijn zes [p. 312] hondert zaphyren; met eenige Diamanten en Robijnen van de fijnste.
    En waar zijnse? zeyde Epistemon. By Sint Ian, antwoorde Panurge; zy zullen wel verre van hier zijn, zoose staag gewandelt hebben: maar waar is all de sneeuw van verleeden jaar? dit was de grootste bekommering, die Villon een Dichter tot Parijs, had. Ey lieve zeide Pantagruel, vaar slechts voor te vertellen, op datwe mogen weten, hoe gy uwen Bassa toestelde.
    By een eerlijk mans trouw, sprak Panurge ik zalje niet een woordje de waarheid te kort doen. Ik verbond hem de oogen met een slordig broekjen, dat ik daar half verbrand leggen, vond, en met mijn touwen bond ik hem handen en voeten wel vast, zoo dat hy zich tegen my reppen noch verroeren kond, daarmee dreef ik hem mijn spit dwars door de strot, en deed hem zoo hangen, het spit op twee groote yseren haaken, daarmen de hellebaarden borg, leggende: Voorts boette ik een braaf vuur daar onder, en blaakerdeje daar mijn Heer-scheet als een bukking in de schouw. Toen nam ik de buydel en een korte piek, die op de haaken lag en liep weg op een goeden draf. En God weet hoe ik mijn schouderen gevoelde.
    Als ik afgekoomen was in de straat al het volk, dat toe geloopen was met meenigte van water om den brand te blusschen: en my ziende zoo half geroost, hadden natuurlijk medelijden met my, wierpen alle haar water over mijn lijf, en verkoelden my zoo zoetjes, ’t welk my grooten deugd dee; daar naa wildense my mee wat te eeten geven, maar ik nuttigde [p. 313] niets. Alzoose my niet dan water na haar wijse te drinken booden: anders deedense my geen leed, als alleen een kleyn gebugchelt Turkjen van te vooren, dat diefs-wijze van mijn doorspekzel snoepte, maar ik gaf hem zoo louter met mijn spietsje op zijn kneukelen dat hy ’t ten tweedemaal niet hervatten durfde! en een jong meysje van Corinthen, dat my een pot met gestoolen mirobalanen gebragt had, op haar wijze ingelegt, en mijn gescheurde pij te scherp bekeek, als verwondert hoe die uyt de brand ontkoomen mogt zijn; want zy reikte my niet verder als tot de knien toe.
    Maar ’t is aanmerkens waardig, dat deze zelve roostinge my ganschelijk genas van de heupjigt, daar meed’ ik meer dan zeven jaaren gequelt was geweest aan die zy, aan welken mijn braader, toen hy in slaap viel, my braaden liet.
    Nu onderwijl datze zich aan my vergaapten ging de brand louter zijn gang, en kreeg zoo zeer d’overhand, dat’er meer dan twee duisend huyzen in volle vlam geraakten; tot dat’er een van haar het gewaar wierd, en schrikkelijk begon te schreeuwen; help Mahomet! de gansche stad staat in lichten laije, en wy verzuymen ons hier? daarme zag yder om een goed heen komen. Voor my, ik koos de weg ter poorten uit.
    Wanneer ik nu daar was, steeg ik op een kleine hoogte na by de stad; en keek eens te rug, gelijk de huysvrouw van Loth, en zag de geheele stad in vuur en vlam; waar over ik zoo ten hoogsten verheugt was, dat ik van vreugde my meende te bemosteren. Maar ik wierd [p. 314] ’er wel over gestraft. Hoe doch vraagde Pantagruel. Aldus; antwoorde Panurge, terwijl ik met groote geneugte dit schoone vuur aanschouwde en als spottende by my zelve zeide; ha! gy arme vlooijen; ha! gy kaale rotten, gy zult eenen zooberen winter hebben, het vuur is in uw kooren-zolders: zoo quaamen’er over de zes, jaa over de dertien hondert en ellef happige honden, zoo groote als kleine, alle te gelijk uyt de stad het vuur ontvliedende.
    Ter eerster aannkomst liepense recht op my aan; riekende den reuk van mijn geijle vleesch half geroost, en zouden my opstaande voet verslonden hebben, indien mijn goeden Engel my niet ingegeven en geleerd had een gereed hulpmiddel tegen ’t onheyl der tanden, Maar uyt wat reeden, vraagde Pantagruel; vreesde gy voor ’t tand-euvel? Waart gy noch niet wel geneezen van sluymen en zinkingen? Vijgen na Paassche, antwoorde Panurge, is’er ook grooter tand-pijn als wanneer de honden u in de beenen bijtten? maar met’er haast gedacht ik aan de sneedtjes spek, daar mee my de huyt door-reegen was, die ik daadelijk midden onder de honden wierp; daar begonden die malkanderen te keer te gaan, te vechten, en d’een d’ander met tanden dapper te scheuren en sleuren omstrijd, wie de spek-stukjes hebben en behouden zou. Zoo datse daar door my met vreeden lieten: en ik liet haar mee onder den anderen plukhairen. Aldus ontquam ik leevende, fris en vroolijk, dit braaden en branden.



[
p. 315]

                XVI. HOOFT-DEEL.

    Panurge leert een nieuwe en noyt ge-
        hoorde manier, om de muuren van

        Parys onwinbaar te bouwen.

ALs op een zeeker schoonen dag Pantagruel, om zich van zijn zufferij inde boeken wat te verlustigen, ging wandelen na de voorstad Sint Marcsan om de zeekerheit te ondersoeken van eenige zotte spookerijen, was Panurge met hem, hebbende altoos de wijn-fles met een hachje ham onder de mantel; want zonder dat ging hy noyt uyt, alzoo hy zeyde dat het zijn lijfschut was, en geen ander deegen droeg. En als hem Pantagruel eenen geven wilde, antwoorde hy datze hem de milt verhitte. Ia maar, voerde hem Epistemon te gemoet, indien men u eens aanranden quam, hoe wouje u verweeren? door braaven boere slaagen met mijn leersjes antwoorde Panurge, dewijle de stokken verboden zijn,
    Op haar wederkomst bekeek Panurge de stadsvesten van Parijs: en al spottende sprak hy tot Pantagruel, ziet, dat zijn eerst mooye muuren wat zijnse sterk, en fraay verzien, om de gansen binnen ’t hek te houden! By mijnen braaven baard, zy zijn zeeker slecht genoeg voor zoo aanzienelijken stad als dese: een koe vertrouw ik zou met een Veest daar meer dan zes storm-gaten in schijten. O mijn vriend, voeg- [p. 316] de Pantagruel daar op, weetje wel wat Agesilaus zeyder wanneermen hem vraagde, waar om den groote stad Lacedemon niet met muuren omringt was? hy, toonende de gewaapende inwooners en Burgers der stad, zoo vaardig op alle krijgs-oeffening afgerecht, antwoorde; zie daar de sterkste vestingen van dese stad. Daar mee hy wilde aanwijzen, dat de muuren van been de beste zijn, en dat burgten en steeden, geen vaster en onwinbaar’er bol-werken konden hebben, als de dapperheid der Burgers en bewooners.
    Aldus is deeze stad zoo gesterkt, door de meenigte van strijd-baare mannen die daar binnen zijn, datse zich niet bemoeijen met andere muuren te maaken. Daar enboven indienmense zou willen bemuuren even als Straasburg; Orleans, of Ferrare, de onkosten zouden te over groot en ondraaglijk zijn. Ia, maar, zeyde Panurge, ’t komt eevenwel niet quaalijk, datmen zoo een steenen aanzigt voor zich heeft, alsmen van de vianden aangevallen word, al en was ’t maar, om te vraagen, wie is daar beneen?
    Wat aangaat d’over groote kosten, die gy daar toe van nooden zegt te zijn, zoomen deze stad bewallen wilde; In gevalle de Overheeden der zelver my een goede kannewijn wilden vereeren, ik zouse een zeer nieuwe manier aanwijsen, waar doorse dat met kleine kosten zouden konnen doen. Hoe zou dat toe gaan: vraagde Pantagruel. Ie moest’er dan niet een woordtje van reppen, antwoorde Panurge indien ik ’t u leerden.
    Ik verneem, dat de waeij-tasjes [Calibistris] van de vrou- [p. 317] luy hier te lande van veel minder prijs als de steenen zijn; daar af dan moestmen de muyren opbouwen, de zelve schikkende by rijgen na de rechte even-maatigheyd der Bouw-konst, leggende in de onderste laag de grootste: voorder, al ophoogende, na de form van en eesels rug, de middelmaatige: boven op de kleynste: en eyndelijk dan een cierlijk en zinnelijk tusschen-steekzel of stikzel, als puntjes van Diamanten, te maaken; even als den dikken toorn tot Bourges van zoo veel steevige weymessen gemaakt, als’er in klooster-latsen haar onthouden. Wie duyvel zou zulk een vesting om verre werpen? daar is geen metaal, dat zoo wel het stooten kan uytstaan. En laat’er dan eens van die lange slange stukken in komen te peuteren, zulj’er beget daadelijk zien uytdruypen die zeegenrijke vrugt van vuurige pokken zoo dicht als stof-reegen. Droog, droog datje de drommel van ’t kakhuys voer. Daar-en-booven zouw’er de blikzem nimmer opvallen. Vraagje, waarom? Zy zijn alle gezeegent of gewywaatert. Doch een ongeleegentheid, zonder meer, merk ik in dit werk. Ho, ho, ha, ha, ha, zeide Pantagruel, welk is die? dat is, antwoorde Panurge, dat’er de muggen zoo geweldig op verlekkert zijn, dat’et te wonder is; die zouden’ er zich lichtelijk in verzaamelen, en haar vuilicheid in brengen, en daar mee was ’t werk bedurven.
    Maar hoor; Hoemen’er noch zou konnen in voorzien: men moesteze wel zuyvertjes en zinnelijkjes uytvaagen met fraaye vosse staarten, of liever groove ruyge quispel-quasten van Provence. En tot vervolg en verklaaring deeser [
p. 318] reeden wil ik u gaan verhaalen; terwijlwe wandelen na huys om te avond-maalen, een leerlijk zinne-beeld by Broeder Lubyn beschreeven (Libro de compotationibus mendicantium) in ’t boek van de drink-gelagen der Beedel-moniken.
    Ten tijde als de beesten spreeken konden (’t is noch naau drie daagen geleeden) quam een onnooselen Leeuw door ’t wilde woud van Bievre wandelen, by zich zelf van zommige slechte zaaken spreekende, en geraakte by een boom langs te gaan, daar een schelmzen koolbrander opgeklommen was om hout af te hakken; die, den leeuw ziende, zijn bijl hem naa de huyd wierp, en in de eene dije hem geweldig wondde. Derhalven den Leeuw liep hinken en ’t janken omdoolende door ’t bosch om hulp te mogen vinden, tot dat hy een timmerman ontmoette, die gewillig sijn wonde bekeek, die zuiverde zoo hy best kon, en voorts vulde met boom-mos, en hem zeyde; hy zou sijn wonde wel uytgewischt houden, op dat’er de muggen geen maaden in droegen, tot dat hy by den timmerman mogt kruyden bekoomen,
    De Leeuw alzoo geneesen, wandelde eens weeder door ’t woud wanneer een oude langleevige vrouw aldaar eenige takken quam zoeken en verzaamelen, de welke den leeuw ziende koomen, viel van vervaarnis achter over, in zulken gestalte, dat de wind haar de rok en ’t hemd ophefte, en tot over de schouwderen heenen wierp. Als de Leeuw haar dus van verre
gewaar wierd, liep hy’er uyt mee-lijden naa toe, om te zien ofze haar ook eenich zeer gedaan had: en daar op beschouwende haar [p. 319] hoe heet het ook? zeyde hy, och! gy arme sloof, wie heeft u zoo grooten wonde gegeven? Onderwijl kreeg hy van verre een Vosjes in ’t oog, het welke hy toeriep; Hey! hoor, haastje, kom hier mijn makker: ik hebje wat te zeggen.
    Wanneer nu de Vos was by hem gekomen, zeyde hy tot hem; mijn goede gezell, men heeft dese goede vrouw, hier tusschen haar beenen zoo gruwelijk gewond, hier is een merkelijke ontbinding van ’t geheele: beziet eens, wat is de wondde wijd en groot, van de naars tot de navel toe, meetze een maal; vier, jaa wel vijf en een half palmen lang: ’t zal een houw met een bijl zijn: ik zorg dat de wonde al wat verouderd is; derhalven, op dat’er de muggen niet indragen, ey lieve wisch hem wel wakker uyt van binnen en buyten; je hebt een goeden langen steert, wisch uyt, mijn vriend, wisch uit ik bidje, ondertusschen zal ik wat mos gaan zoeken om’er in te steeken? want zoo moeten wy malkanderen dienen en de hulpzaame hand bieden. Wisch wakker uyt, zoo, zoo mijn vriend, strijk en vaagze wel: zulke wonden willen dikwijls uytgevaagt wesen; anders zou den bezeerden niet wel te pas konnen zijn. ’t Za lustig, mijn kleyn kameraatje, wisch wel ter deegen uyt, je bent wel verzien met een steert groot en grof naa vereysch, wisch lustig maar uyt, ik benijd hetje niet. Een vlijtigen vliegjager, die vlijtig vliegjaagende met sijn vlieglap al om vliegen jaagt, zal van de vliegen noyt bevloogen worden. Jaag vliegen, mijn staartman, bequispel ’t wel schoontjes, ik zal niet lang toeven.
[p. 320]
    Daar mee ging hy meenigte van mos zoeken en terwijl hy noch maar een weynigje van daar was gegaan, riep hy al weder tot het Vosje; vaag schoon uyt schelmtje, weer’er wel de vliegen af, laat’et nimmer u verdrieten, ik zal ’t maaken datj’er geen schaad af hebt, mijn medehulper, en Vliegjaager van Don Pedro van Castillo. Het vlijtige Vosse vlooyd’er lustig in om, dan dit heen, dan dat heen, dan binnen, dan buyten; maar de loose oude teeve scheet en veest dat het stonk voor duysend duyvelen: hier over wierd het arme Vosje te zeer ongezint; en wist niet aan wat zy hy zich wenden zou; om ’t vuyle reukwerk [Parfum] van de veesten der ouwe queene te ontwijken: en dewijl hy dus heen en weder week, wierd hy gewaar, dat daar achter noch een ander gat was, doch niet zoo groot als ’t geene hy bequispelde, van van waar die vunsche en vuyle lucht quam.
    De Leeuw ten lesten weder gekeert zijnde met een geheele laading mos, meer dan men in achtien baalen stuwen zou, begon vast de wonde te vullen, en met een stok, die hy daar toe mee bragt, in te stampen: zestien baalen en een half had hy’er reede in geduwt, wanneer hy wel verwondert uit-riep, hoe Duivel is deese wonde zoo diep, men zouwer meer dan twee waagens vol mos in mogen verstoppen.
    Maar het Vosje wees hem wat anders aan, en zeide; O mijn lieve Leeuwtje-maat, ik bidje, datje doch in dit gat al je mos niet en steekt; wacht een weinigje: want daar onder is noch een ander klein gat, dat een stank
uit geeft, als van vijf hondert Duivelen, ik [p. 321] ben vergiftigt door de reuk, zoo vies isse. Aldus (besloot Panurge) moestmen de muuren voor de muggen bewaaren, en stellen’er toe Vliegjaagers op jaargeld.
    Wel hoe, vraagde Pantagruel, weetje dat de wey-tassen der Vrouwen zoo goeden koop zijn? daar nochtans in deze stad by meenigte maagden, deugdzaame en eerbaare Vrouwen gevonden worden. (Et ubi premis?) Waar vind, of vatjese? zey Panurge. Ik zal’er u mijn meening af zeggen, maar klaare, waare, gewisse verzeekering. Ik beroem my niet, dat ik’er al vier hondert-en zeventien, zeedert dat ik in deze stad gekomen ben, gestopt heb, hoewel ’t niet meer dan negen dagen geleeden is.
    Maar deze morgen ontmoete my een goed kaarl die in een dubble zak, even als die van Esopus, twee kleine dochtertjes droeg, ontrent van twee of drie jaaren ten hoogsten; de eene hing hem voor, en de andere achter op de rug; deeze bad my om een aalmoes: en na dat ik gezeyt had, dat ik meer pokken als penningen had, vraagde ik hem: Goede man; zijn deze twee meysjes noch maagden? Wel broertje, antwoorde hy my, ’t is nu al twee jaaren, dat ikze dus gedraagen heb, en ik zouje schier durven zeggen, dat deze, die ik voor my draag, en dieshalven geduyrig in ’t oog heb, reyne maagd zou zijn; evenwel wou ik’er mijn vinger niet op in’t vuur steeken. Wat de andere, die ik achter draag, aangaat, daar weet ik in der waarheid niemendal af te verzeekeren.
    Waarachtig zeyde Pantagruel, gy zijt een zeer geestig gezel; ik wil u kleeden in mijn [p. 322] liefry: gelijk hy hem ook met’er daad een wild-weijds kleed dee maaken, na de manier [Mode] die des tijds in swang was; uitgenoomen, dat Panurge had bedongen, dat de pijp-zak [Braguette] aan sijn bokzen drie voeten lang, en niet rond, maar vierkant moest zijn; ’t welk ook alzoo gedaan wierd, en dat stond hem zoo quaalijk niet.
    Meermaal verhaalde hy, dat de wereld noch niet wiste wat dienst en nuttigheid het gaf groote latzen te dragen; maar met’er tijd zou ’t haar wel wijs gemaakt worden, gelijk alle dingen in haar tijd bedacht zijn. De Heere behoe voor onheil (zeide hy zomtijds) dien de lange Lullepijp-zak het leven behouden heeft: De Heere behoede voor alle leed, dien de lange Latze op eenen dag duizend en negen honderd kroonen is weerd geweest: De Heere behoede voor ongeval, die door sijn lange Latze een gansche Stad heeft behouden voor van honger te vergaan: En ik zalje, voer hy voort, een boek (beget) maaken van de dienstigheid der lange lap-zakken, zoo haast ik meerder leedige tijd zal hebben: Gelijk hy kort daar naa dee, beschrijvende een braaf groot Boek met Prenten; doch ’t is noch niet Gedrukt, dat ik weet.



[
p. 323]

                XVII. HOOFT-DEEL.

    Beschrijvinge van den imborst, zee-
        den en zottigheeden van
Panurge.

DEn Potzer Panurge was van middel-baare lijf-lengte; niet te groot noch te klein: sijn neus was zoo wat Keiser-Arend, krom-snavel-achtig, als een scheer-mes-hecht; Sijn ouderdom was doen ter tijd vijf-en-dartig jaaren of daar ontrent; zoo fijn om te vergulden als een looden Deegentje; Een braaf slag van een Man, behalven dat hy wat geil en weelig was, en doorgaans quynende aan een boose quaale, die men in dien tijd de geele- of geld-zucht noemde: ’t welk een onvergelijkkelijk lijden is: doch daar tegen had hy drie-en-zestig gauwigheeden, om altoos geld tot sijn behoef te bekomen; waar af wel de deftigste en gewoonste was by wijse van Gaudievery, zeer behendig begaan; want hy was in alle boosheid en bedrigery bedreven, een dronkaart, een pijpe-steller en rinkinker des nacht over straat, een beurse-snijder als hy tot Parys was: en voor ’t overige de fraaisten verlooren Zoon van de wereld. Dagelijk rechte hy eenige potzen aan tegen Dief-leiders en geswooren Waakers.
    Op een zeeker tijd nam hy by hem drie of vier stoute Gasten, die deed hy drinken als Templieren, tegen die avond: toen bragt en verborg hyze beneen de Kerk van Sinte Genevieve, of [p. 324] by de vergaader plaats [College] der Staaten van Navarre: en op de uur, als de Wacht dat langs moest komen, (’t welk hy weeten konde wanneer hy sijn deegen op de grond lag en ’t oor daar dicht aan voegde, want als hy sijn rapier beweegen hoorde, dat was een gewis teiken dat de Wagt na-by quam) nam hy met sijne Makkers een mest-wagen, dien voerdense met alle magt van de hoogte na om laag de Wachters op ’t lijf, datse alle als swijnen ter aarden tuimelden: daar mee maaktense haar in haast van de ander kant uit den weg: want in min dan twee dagen wist hy alle straaten, steegen en gangen van gansch Parys als sijn Deus det.
    Te andere tijden leide hy op een geleegen plaats, daar de Wagt noodzaakelijk langs moest, een loop of strooyzel van bus-kruid, welke hy, wanneer de wagt daar dicht aan quam, terstond aanstak: en nam dan sijn geneugt in ’t zien hoe byster en verbaast de goede lieden in ’t loopen haar aan stelden, dewijlse waanden dat het vuur van Sint Antonis haar achter ’t gat was.
    Maar meest van allen zochtense de arme Opper-leer-meesters der konsten te quellen. Wanneer maar iemand der zelver Panurge over straat ontmoette, wiste hy nimmer hem een quaden trek [Bren] te speelen; zomtijds hem een verssche kauw-jijse in de kaproen of kantoorsmuts werpende, zomtijds van die kleine vossestaartjes, of anders haasen-ooren achter aan hechtende, of iets anders.
    Op een dag datmen alle Meesters bescheiden had, om in de Stroo-straat by malkanderen te komen, bereide hy een Bourbonze [
p. 325] taart, t’zaamen-gemengt van een meenigte look, gal-baan, Duivels-drek [Assa fatida], beever-geil [Castroreum], met warme menschen-mest; ’t welk hy weijkte en besloeg in etter uit kankerige geswellen; daar mee ging hy des morgens heel vroog de gansche vloer bestrijkken en smeeren, waar door het zoo gruwzaam stonk, dat’er de Duivel zelf niet had konnen duuren: En alle deese eerlijke lieden konden haar niet onthouden van swaarlijk te braaken in ’t aanzien van alle menschen, met zulken getier, of men haar den staart gevilt had: tien of twaalf sturven daar af, als van de pest: veertien wierden melaats, achtien raakten levendig aan ’t verrotten, en meer als zeven-en-twintig kreegen’er de pokken af: maar hy bekommerde zich daar niemendal mee.
    Doorgaans droeg hy een sweep onder sijn mantel, waar meed hy de dienst-jongens, die hy merkte dat voor haar Meesters wijn droegen, al geduurig voort sweepten, op datze te veerdiger haare voeten mogten reppen; In sijn py had hy meer als zes-en-twintig kleine zakjes en beursjes, altoos gevult; d’eene met een klein lood-watertje, en een klein mesjen, zoo scherp als een bont-werkers naald, daar meede hy al te met een beursje sneed. Een ander met zuiring-zap, dat hy d’een of d’ander, dien hy niet veel goeds gunde, in de oogen spatte: Een ander met klissen of kleef-kruid, daar hy dan kleine gansen of haaneveeren op hechte, en zoo op de hoeden en kleederen van eerlijke lieden wierp: en doorgaans wist hy ’t zoo te raamen en te raaken, dat het heerlijke hoornen geleeken, diese dan [p. 326] droegen de gansche Stad door, ook eenige haar geheele leven.
    De Vrouwen wist hy ’t mee achter op haar hulzel te hechten; dikwijls in gedaante van een mannelijk lid. In een ander beursje had hy een hoop hoorentjes, heel vol van vlooijen en luisen, die hy leende van de zieke lieden in ’t Gast-huis van Sint Innocent, daar van hy dan een deel door kleine riedtjes of schrijf-schaften te werpen wist, op de borstjes en halzen van de fraayste Juffrouwen, ook zelf alsze zaaten in de Kerk: want nimmer quam hem in gedachte, dat hy ’t hert om hoog behoorde te heffen, maar altijd bleef hy beneen in ’t schip, by de Vrouwtjes, zoo in de misse, en avonddienst [Vespres], als in de preeke.
    In een ander zakjen had hy een hoop haakjes en krampjes, daar mee hy dikwijls Mannen en Vrouwen, in wiens gezelschap hy dan met zijn Gezellen was, wel vast aan een koppelde, alwaaren haar kleederen van taffetaf-armosijn: en wanneerse meenden van malkander te scheiden, scheurdense haar schoone tabbaarts in stukken.
    In een ander had hy een vuurstaal met tonder, swavel-stokken, vuursteenen en alle andere gereedschap daar toe vereischt.
    In een ander beursjen had hy twee of drie brand-spiegeltjes; daar hy dikwijls Mannen en Vrouwen schier dol mee maakte, datse haar staadig en stemmig gelaat in de Kerk niet konden houden: veeltijds was sijn zeggen; dat’er geen onderscheid was tusschen een Vrouw.
[
p. 327]
            (Folle a la messe,
            & Molle a la fesse)
            Die staag wil in de Kerk,
            En graag aan ’t Minne-werk,
            Als een letter wisseling.

    In een ander droeg hy naalden met draaden daar in, met welke hy duyzend duivelerijtjes uit-richte. Een maal als een Graau-monik in de uitgang van ’s Konings Hof aan de groote Zaal de misse zou doen voor ’t Hof-gezin, hielp hy hem in ’t kleeden en verkleeden; maar onder ’t aantrekken, naayde hy de Albe, of het wit over-kleed, aan sijn py en hemd vast, en pakte zich daar mee wech, terwijl de Heeren Hoovelingen zich neder zetten om de zelve misse te hooren. Maar als op ’t eindigen gezeit was; (Ite missa est:) Gaa heen, ’t spulletje is uit: en dat de Monik meende sijn koor-kleed weder uit te trekken, haalde hy daar mee rok hemd en alles te gelijk tot aan de schouders toe om hoog, zoo dat hy daar sijn Paasch, Pinxter en alle Heilige dagen voor yder een ten toon stelde, en bezonder sijn wey-mes, dat van geen kleintjes was: Evenwel trok den goeden Broeder noch al sijn best, en ontblootte hem des te meer. Soo dat een der Heeren van ’t Hof overluid zeide; wel wat mag deese fraaijen Vader voor hebben? zoud hy ons wel een offerhande of aanbieding willen doen, om sijn gat te kussen? Dat hem ’t vuur van Sint Antonis veel eer in ’t gat vaar.
    Van dien tijd af wierd vast gestelt, dat de goede slechte Vaders haar niet meer voor aller menschen oogen ontkleeden zouden: maar in [p. 328] haar biegt-huisje, zelf in ’t by-zijn van Vrouw-luy; om geen zonde van af-gunst te begaan. En nademaal yder een nieuws-gieriglijk vraagde; Hoe het by-komen mogt, dat de Monikken gemeenlijk met lange wey-messen verzien waren? Soo nam Panurge dit vraag-stuk voor naar eisch te beantwoorden, zeggende; ’t geschied op een wijse, als het lang uitwassen van de Ezels ooren, die zoo lang wierden, door dien haare Moeders haar geen kappen hadden op gezett; gelijk Alliaco in sijn sluit-reeden zeit. Om gelijke reeden, het geene de wey-messen deser lieve loddere Vader zoo lang neerschieten doet, is, datze geen gaar-gehechte bokzen, of broeken met een middelschot dragen, derhalven haar schaamel-lid zich vrylijk met lossen toom uit-strekt, en zakt haar tot aan de knijen toe; gelijk de Vrouwen haar (Pater-nosters) gebede-kraalen. Maar de oorzaak waaromse naa de even-maatigheid haar dikte hebben, is, om datse aldus slingerende, de vochtigheden des lichaams daar heen neder zinken: want na ’t gevoelen der Natuur-kundige, is de geduurige beweeginge de oorzaak van aantrekkinge.
    Van gelijken had hy een ander knap-zakje vol pluim-aluin dat hy de Juffers, die hem de hoog-moedigste en mooiste scheenen, van achter by haar blooten hals en rug in strooide, en maakte datse zich daar voor alle Man ontkleeden moesten: of huppelen en springen als knikkers op een trom: of andere, datse liepen straat op straat neer, die hy dan achter naa liep: en die haar ontkleedden, hing hy noch [p. 329] sijn mantel om de schouders als, een heus en goed-aardig Man.
    Noch had hy in een ander buideltje een klein flesje vol ouden olie, en als hy een Vrouw-mensch of Man ontmoette, die een mooy nieuw kleed aan hadde, dat maakte hy vet en vuil op de schoonste en zichtbaarste plaatsen, onder schijn van zich over de cierlijkheid te verwonderen, zeggende onder ’t aan raaken, ziet dat is deftig laaken, ziet dat is schoon zatijn, ziet dat is treffelijke taffetaf: Me Juffrouw, ik wensch u de vervulling van uw eedele herts begeerten; gy hebt nu een nieuw kleed, datje mee moogt hebben een nieuwen Vrijer: en ’t moetje voortaan wel gaan: en onder dit wenschen, wischte hy sijn vette vingeren over al; welke vuile vlekken niet alleen daar in altijd bleven, maar maakten ook een zoo boosen indruk in de ziel, lichaam, en goede naam, dat de Duivel zelf die daar noit uit kon schrabben. By sijn afscheid zeide hy noch, Mee-Juffer, zie wel toe, datje doch niet en valt: want je hebt’er een groot vuil gat voor je.
    Een ander holletje had hy heel gevult met Euphorbium wel fijn gestooten, daar in stak hy een schoone en cierlijk genaaide neus-doek, dien hy de schoone Linnen-naaister van ’t Hof ontstoolen had, terwijl hy haar een luis uit den boesem zou’ grijpen, dien hy’er zelf eerst in gezet had.
    Zoo wanneer hy zich in gezelschap van zommige schoone Vrouwen bevond, bracht hy haar op de praat van linnen-werk: en leide haar de hand op den boesem, alvragende, of het Vlaams of Henegouws werk was? Daar na [
p. 330] nam hy dan sijn schoone snuit-doek, en, haar die toonende, zeide; zie daar een zinnelijk werkje, dat is van Fontignan, of van Fontarabie: en duwdese onder-des haar dicht onder de neus; daar af sy dan wel vier uuren aan een niet dan niesen dee: onder tusschen scheet hy als een bonzing, en de andere Vrouwen lagchten, en zeiden: wel hoe, Panurge, vijstje? wel neen ik, Mee-Juffer, antwoorde hy dan: maar ik maak den tegen dreun van het deuntje datje op je neus speelt.
    In een ander beursje borg hy een nijp-tang, een ravens-bek, of tand-trekker, een haakjen met eenig ander yser-gereedschap, waar mee hy alle slooten van deuren, koffers of kisten, hoese zijn mogten, op breeken kon. Een ander droeg hy vol kleine kroesjes, waar mee hy zeer konstig te speelen wist: want hy had vingers aan sijn hand zoo lang en dun, als men melt van Minerve of Arachne: en wel eer had hy als Quakzalver met het driakels-potje geloopen. Indien hy een kop-stuk, of ander groot geld, liet wisselen, de Wisselaar moeste al veel looser zijn, als Meester mannetje-mug, zoo Panurge niet een witje vijf zes oogen-schijnlijk en openbaarlijk t’elken maale verdwijnen dee, zonder eenige quetsing of lit-teiken, daar af de Wisselaar niet dan de wind vernam.



[
p. 331]

                XVIII. HOOFT-DEEL.

    Panurge gaat alle aflaaten winnen:
        Huwelijkt de oude Wijven uit: en
        vertelt wat geding hy tot
Parys
        heeft gehad.

OP een zeeker dag vond ik Panurge wat mismoedig en mijmmerende, en ik vermoede dat hy geen geld had: dies ik tot hem zeide; Panurge, je bent ziek, naa dat ik aanje aangezicht merken kan, ik verstaa je quaale heel wel: je hebt den buik-, neen, den buidel-loop. Maar weest niet bekommert; ik heb noch zes schellingen met een mijtte, die noit Vader of Moeder gezien hebben, die gy niet min ontbeeren zult, als de pokken, in uw behoeftigheid.
    Waar tegen hy my ten antwoord gaf; wat bruit my ’t geld, ik zal ’t wel haast meer dan genoeg hebben: want ik heb een geluk-steentje, dat ander-lieder geld uit haar beursen tot my trekt, gelijk de zeil-steen het yser aan hem haalt. Maar wilje met my de Aflaaten gaan winnen? zeide hy. By mijn Manne-waarheid, antwoorde ik hem; ik ben geen groot aflaater in dese wereld, ik weet niet of ik ’t in de andere ook wel zal zijn: niette-min laat’er ons eens dom en dol op los gaan voor een penning te minsten. Doet me dan, zeide hy, een penning op renten. Niemendal, niemendal zey- [p. 332] de ik, het is je van herten geschonken. (Grates vobis Dominos) Ik dankje wel dapper; zeide hy. Alzoo teegen wy op de gang, beginnende van Sint Garvais: en ik won den aflaat alleen aan den eersten post: want ik ben met weinig te vreeden, aangaande dus-daanige dingen. Daar mee zeide ik de gewoone prevelaarijtjes, en gebeedtjes van Sinte Brigitta aandachtichjes op. Maar Panurge gingze over al winnen: en geduurig gaf hy geld aan de aflaat-verleeners. Van daar begaaven wy ons na Onser Lief-vrouwen na Sint Jans, na Sint Antonis en andere Kerken, daar men Aflaat uitdeelde. Maar voor my nam ik’er niet een meer: Hy evenwel op alle plaazen kuste der Heiligen overblijfzels, en gaf aan yder sijn dank-offer.
    In ’t kort, wanneer wy weeder-keerden, noodde hy my om een glaasje te drinken in d’Herberg daar ’t Kasteel uit-hangt, en toonde my daar tien of twaalf van sijn beursjes vol geld. Waar op ik my kruiste en zeegende, en zeer verwondert, vraagde; Van waar hebje in zoo weinig tijds zoo veel geld konnen bekoomen? Daar op hy my ten antwoord gaf, dat hy ’t uit de bekkens der Aflaats-penningen gegreepen had: want, terwijl ik den eersten pennig gaf, vervolgde hy, leide ik’er die zoo loompjes in, dat het scheen een groot stuk wit geld te wesen: en onder-des vatte ik met d’een hand twaalf pennigen, jaa twaalf oordtjes, of deuitten ten minsten: en met d’andere drie of vier dozijn: aldus deed ik door alle Kerken alwaar wy geweest hebben.
    Ja maar, zeide ik, dus doende drijft gy u zelf ter verdoemenis als een dief en Kerk-roo- [p. 333] ver, Wel ja, antwoorde hy, na uw oordeel; maar na mijn oordeel in ’t minste niet: want de aflaat-verleeners schenken ’t my, wanneerze tot my onder ’t aanbieden der Heyliger overblijfsels om die te doen kussen, zeggen; (centuplum accipies) hondertfout zult gy ’t weder ontfangen, dat voor een penning ik hondert moet neemen; want (Accipies) gy zult krijgen, is te zeggen, na de spreekwijze der Hebreen, die den toekomenden tijd gebruyken in plaats van een gebiedende manier van spreeken. Gelijkmen ook leest in de Wet, (Diliges Dominum, id est, dilige) gy zult liefhebben den Heere, dat is, heb hem lief.
    Alzoo ook, als de Aflaats-priester zeyt; (centuplum accipies) gy zult hondert-voud verkrijgen, wil hy zoo veel
zeggen, als (centuplum accipe) neem hondertmaal zoo veel: en alzoo word het uytgelegt by Rabbi Kimehi, Rabbi Aben Esra, en alle andere oude Hebreesche Schrijvers (& ibi Bartholus) en daar bevestigt het Bartholus mee.
    Daar en boven, vervolgde hy, heeft Paus Sixtus my begiftigt met vijftien hondert ponden rente, te heffen uit zijne goederen en kerkelijk inkoomen, voor dat ik hem van een inrottend geswel heb geneezen; dat hem zoo heevigen pijn veroorzaakte, dat hy’er hinkende van vreesde te blijven al zijn leven lang. En aldus betaal ik my door mijn eygen handen, anders is ’t zoo licht niet te krijgen uyt de geestelijke klaauwen.
    Ho, ho, mijn lieve maat, voer hy voort, datje wist hoe vet ik mijn kool met de kruysgang maakte; gy zoud t’eenemaal verbaast [
p. 334] staan, zy is my meer als zes duisend guldens weerd geweest. En waar Duyvel zijnze gebleven? vraagden ik hem: want je hebt’er nu niet een myt van behouden, Daarze van daan gekoomen waaren, antwoorde hy my; zy deeden niet, als slechts van eygenaar te veranderen. Drie duisend besteede ik’er wel af tot het uythuwelijken, niet van jonge dochters; want die vinden niet dan te veel Mannen, maar over-ouwe-kouwe Besjes, daar ’t leven in verward was, die geen tand meer in de mond hadden. Overdenkende hoe dese goede Wijfjes haar tijd en jeugd wel-besteed hadden, en gaarne gespeelt het spel van stoppe de gatte, met alle aankomende, tot dat haar niemand meer wilde. En daarom, beget, woud ikze noch wat geneugte doen hebben eerze stierven; om dieswil verrijkte ik den eenen met hondert guldens, den anderen met zes maal twintig, en ander met drie hondert, na datse eerloos berucht, vervaarlijk of verfoeilijk waren: want hoese’er schriklijker en afschouwlijker uit-zagen, hoe men’er meer op toe moest geven; anders zouw haar de Duivel zelf niet willen zoenen.
    Als ik nu zoo een ouwe Vrouw voor genomen had uit te huwelijken, ging ik daadelijk de een of den ander dikke vette Waag-drager op zoeken, en ik maakte zelf het huwelijk klaar: maar al-eer ik hem ’t oud aangezigt toonde, liet ik hem eerst het geld zien: en zeide; zie daar mee Vaar, dat kenje in korten tijd met by-slaapen verdienen: dan bromden die zobere Gezellen als oude Muil-eezels: zoo haast het geklonken was, deed ik haar, als tot [p. 335] een bruilof lustig op schaffen, van ’t beste aan eeten en drinken: daar-en-boven ’t ouwe Besje veel heete kruiderijen gebruiken, om de verkoudde leeden wederom te verhitten. En dus ging ’t doorgaans heel wel; en zy leefden zoo lieflijk met malkanderen, als alle vroome zielen: behalven die te gruwzaam leelijk en mismaakt waaren; dien ik een zak over ’t aangezigt toog.
    Vorder om te weeten waar al mijn geld gebleven is, ik heb aan een pleit zeer veel verlooren. Wel wat pleit hebt gy konnen hebben? zeide ik, gy hebt immer Land noch Huis. Och lieve Makker, zeide hy weder, de Juffrouwen dezer Stad, hadden door ingeven van den Duivel uit’er Hellen, een maakzels van hals-doeken, of hals-dekken, bedacht, zoo heel hoog by ’t hooft op geheven, datze den boesem en borsjes zoo dicht bedekte, dat men’er de hand niet meer op-leggen, of by krijgen kon: want de oopening haddenze achter gemaakt, van vooren was ’t t’eenemaal dicht. Daar over de arme Minnaars zeer mismoedig, droef en verlegen waren.
    Op een zeeker dings-dag, gaf ik aan ’t Hof een Verzoek-schrift in, waar in ik my stelde als weder-strever, tegen al die jonge Juffer-dieren, vertoonende het groot belang en verlies dat ik daar aan had; en betuigde, dat ik om gelijke reeden de lats van mijn bokzen ook achter zou doen zetten; ten zy het Hof daar ander order in stelde. Om kort te maaken, de Juffertjes hielden mede raad, bragten haar dingen in, toonden haare grond-reedenen, en gaven een macht-brief om haar zaak te verdee- [
p. 336] digen. Maar ik vervolgde die zoo heevig en hittig, dat het Hof een besluit maakte en deed af kondigen, dat die hals-dekzels niet meer zouden mogen gedragen worden, ten zyse een weinig gespleeten waren van vooren. Doch dat quam my al een mooye stuiver te kosten.
    Een ander rechts vordering gansch vuil en leelijk heb ik gevoert tegen een Meester Fisij en zijn Gezellen, daar over; datze niet meer in ’t heimelijk by nacht zouden mogen voorleesen van behendig te bedriegen, van rijkelijk te rooven, van vonnissen voor een vierendeel te handelen: maar, datze het zouden doen in’t openbaar by klaaren lichten dag, en dat in haar Schoolen, daar ’t stroo leit, in tegenwoordigheid van alle Gauwaarts en Meesters van de konst. Het welk ik met de kosten verloor, om eenige misstelling in ’t schriftelijk bescheid [Relation] van den Gerechts-dienaar.
    Noch heb ik eens een beklag-schrift [Complainte] den Hove voorgedragen tegen de Muil-eezels van de Voor-zitters [Presidens], Raads-heeren en andere; Daar over, dat, terwijlse de zelve in den Neder-hof van ’t Paleijs lieten, om op haar toomen te knauwen, de Raads-heeren haar schoone slab-doeken hadden doen maaken, op dat haar zever of schuim de vloer niet bevuilde, dat de Staat-jongens van ’t Paleijs daar op te vrijer en fraaijer met de dobbel-steenen, kaarten of anders mogten speelen na haar lust, zonder haar koussen op de knie te besmetten. Waar op ik wel een goede vonnis bequam, maar het koste my vry al wat.
    Nu zijn wy zoo verr, datje komt te weeten [p. 337] wat my de kleine gelagjes gekost hebben, die ik van dag tot dag aan de Dienst-knaapen van ’t Hof heb moeten ten besten geven. En daar by zeg ikje, mijn Vriend, zeide hy; Je hebt gantsch geen tijd verdrijf in dese wereld; Ik heb’er meer dan de Koning: indien je u by my wilt voegen, wy zullen Duivels dingen uit-werken. O neen, zeiden ik, by Sint Adauras; want gy zult de een of de ander tijd komen te hangen: En gy, antwoorde hy, zult noch eens onder de aarde gedolven worden. Welk is nu aanzienliker, de lugt of de aarde? He; botte beest!
    Terwijl dese Dienst-knaapen op mijn kosten teerden, bewaarde ik voor haar de Muil-ezels: en onder des door-sneed ik op weinich na yders steegel-reep, aan de zy daar men op stijgt, zoo datse slechts als aan een draadtjen hingt, als dan de dikken op-geblaasen Raads-heeren kan swaay neem, om op te stijgen, stortense plots als swijnen ter aarde, en verschaffen de aanschouwers meer dan voor hondert gulden lagchens. Maar ik lagch’er noch des te meer om, vermits sy t’huis gekomen zijnde, sy mijn Heeren de Dienst-jongens doen dorsschen als groene graan, om dies wil beklaag ik niet ’t gene het my gekost heeft haar vry gelag te geven. Eindelijk by ’t sluiten der reekening, bleek, dat hy (zoo te vooren gezeit is) wel drie-en-zestig wijsen wist om geld te krijgen: maar hy daar tegen wel twee hondert en veertien, had om ’t sich quijt te maaken; buiten sijn behoeften beneeden de Neus.



[
p. 338]

                XIX. HOOFT-DEEL.

    Een groote geleerde van Engeland
        komt van daar tot Parys om tegen
        Pantagruel te reeden-twisten: en
        word van
Panurge overwonnen.

IN dien zelven tijd was’er een zeer geleerd Man genaamt Thaumastes, die hoorende den grooten roep en roem van de onvergelijkelijke geleertheid van Pantagruel, reisen quam uit Engeland, alleen met dat voorneemen om de zelve te zien, met hem kennis te maaken, en onder zoeken, of sijn weetenschap zoo groot al was, als’er wel van gesprooken en voorgegeven wierd. Derhalven zoo haast hy tot Parys was aangekomen; begaf hy zich na de Herberg van Pantagruel, de welke was de groote Gastery van Sint Denys: doch op dien tijd was hy gaan wandelen met Panurge in den tuin, diepzinnige zaaken onder-zoekende na de manier der oude Wandelende-wijzaarts [Peripathetiques].
    Op d’eerst intreed wierd Thaumastes t’eenemaal met schrik bevangen, wanneer hy hem zoo grof en groot zag: daar na nochtans naaderende, deed hy hem de groetenis, gelijk de manier is, en spraak hem zeer beleefdelijk aldus aan; Het is zeeker, (zeit Plato de Voornaamste der Wijzaars) dat, indien de gedaante der Wijsheid en weetenschap ligchamelijk en voor menschelijke oogen zichtbaar was, zy de ge- [
p. 339] heele wijde wereld tot verwondering over haar verwekken zou. Want alleenlijk het geneugt des zelfs in de lucht verspreid, indien ’t van yverige en tot haar geneegene ooren op gevat word (gelijk alleen door de Wijsgeeren geschied) en laat haar met gemak rusten noch slaapen, zoo prikkelt en verhit het haar te spoeijen na de plaats, en te zien den Perzoon, in welken de Wijsheid haar Tempel heeft opgerecht, en haar God-spraaken voort-brengt. Gelijk ons duidelijk is aangeweesen in de Koninginne van Saba, die uit verre Oostersche Landen over de Perzische Zee quam reysen, om het hoog-wijs bestier en de Hof houding van Salomon te besien, en sijn wijsheid te hooren.
    Voorts ook in veel andere voortreffelijke Wijsen; als in Anachersis, die uit Schijtien na Athenen toog, om Solon te zien. In Pythagoras, die de Wigchelaars of Waar-zeggers tot Memphis bezoeken ging. In Plato, die de Wijsen van Aegypten, en Architas van Tarenten, bezocht. In Apollonius Thyaneus, die naa den kouden berg Caucasus toog, voor by de Schyten, Massageten en Indiaanen; ook over den grooten Rivier Physon voer, tot by de Brachmannen, om Hiarchas te mogen zien: Jaa reisde door Babylonien, Chaldeën, Medien, Assyrien, Parthien, Syrien, Phoenicien, Arabien, Palestynen, Alexandrien, tot aan Aethiopien, om met de Gymnosophisten te spreeken.
    Gelijken voorbeeld hebben wy noch aan Titus Livius; om welken te zien en te hooren veele weet-lievende lieden, uit de verdst-geleegen Landen van Frankrijk en Spangien tot Romen zijn [
p. 340] gekoomen. Ik derf my niet reekenen onder ’t getall, of stellen in den ry van zoo volmaakte Mannen: maar wel wil ik een Be-yveraar en Lief-hebber geheeten zijn, niet alleen van de geleerdheid, maar ook van de geleerde Lieden.
    In der daad, zoo haast ik hoorde den hoogen roem van uwe zoo onwaardeerlijke weetenschap, heb ik mijn Land, Ouders en Huis verlaaten, en my herwaarts begeven; niet lettende op de langduirigheid van de reise, de walginge van de Zee, de vreemdicheid der Landschappen, alleen om u te spreeken over eenige stukken van de Wijzaardy [Philosophie], Stip-waarzeggery [Geomantie], en geheim-kund [Cabala]; over welken ik, noch in twijffel ben, en mijn gemoed niet ten vollen vernoegen kan. En by aldien gy my die swaarigheden kunt oplossen, geef ik zoo daadelijk in dienstbaarheid aan u over my en alle mijne Naakomelingen: want ik geen andere gaave en heb, die ik tot vergelding daar af genoegzaam zou oordeelen. Ik zal de twijffel-stukken by geschrift stellen, en morgen zal ikse bekend maaken aan alle geleerde Lieden deser Stad; ten einde in ’t openbaar voor een jegelijk mogen reen-twisten.
    Maar hoor, op wat wijse ik wel zou willen, dat wy onse saaken verhandelden: Ik ben geenzins gezint (Pro & contra) voor en tegen te zin-twisten; gelijk de waan-wijse Woord-vitters hier en elders doorgaans doen. Van gelijken lust my niet te reeden-strijden na de manier der Hoogeschool-geleerden door afroeping [Declamation]: Ook niet door getallen, gelijk Pythagoras dee; en zoo Picus Mirandula tot Rome meende te [
p. 341] doen: Maar ik ben van voorneemen onse geheime konst-vragen alleenlijk te verhandelen door teikenen zonder spreeken: want dese stoffen zijn zoo swaar en diep-zinnig, dat geen menschelijke woorden duidelijk genoeg zouden zijn, omse na mijn begeeren uit te drukken. Onder dit besprek zal ’t dan Uwe Groot-achtbaarheid gelieven zich daar te laaten vinden; te weeten, in de groote Zaale van Navarre, des morgens ten zeeven uuren.
    Als hy dus sijne reede ge-eindigt hadde, antwoorde hem Pantagruel, met alle eerbiedigheid; Mijn Heer, de genaaden, die my God gegeven heeft, wil ik niet weigeren aan eenig mensch na mijn vermogen mede te deelen: want alle goed daalt af van Hem: en het is sijn wel behagen dat die vermeenigvuldigt en verbreid worden, wanneermen zich bevind onder lieden, die weerdig en bequaam zijn te genieten dit hemelsch brood van eerlijke leeringen; en nademaal gy, gelijk ik nu ter tijd wel bemerk, onder ’t getal der zoodanige wel de voornaamste plaats verdient; zo verklaar ik u, dat gy t’aller uuren my vaardig zult vinden, om een yder uwer verzoeken, na mijn klein vermogen, in te volgen en voldoen. Hoe wel ik een hooger gevoelen van u, als gy van my, behoor te hebben.
    Doch, gelijk gy voorgestelt hebt, wy zullen slechts dese twijffel-stukken t’zaamen verhandelen, en daar-af de oplossing zoeken op de grond van dien on-uitputtelijken put, alwaar Heraclitus zeide, dat de Waarheid verborgen lag: En my gevalt zeer wel de wijse van zin-twisten, die gy voorgeslagen hebt; te weeten, [
p. 342] door teikenen, zonder te spreeken: want dus doende zullen gy en ik malkander wel verstaan, en niet gekittelt of gequelt zijn met dat ydel hand-geklap, dat die dwaase waan-wijsen aanheffen, als men noch op ’t hoogst en heevigst in sijn twist-reeden is.
    Wel aan dan, morgen zal ik niet missen my tegenwoordig te vinden ter plaatze en uure, die gy my voorgeschreven hebt. Doch dit verzoek ik, dat’er tusschen ons geen uitvaaring of buldering ontstaa: en dat wy niet trachten na toe juigching en loftuiting der toehoorders of aanschouwers, maar na enkele waarheid.
    Waar op Thaumastes, sijn afscheid neemende, zeide; Mijn Heer, ik wensch u, dat God u behoude in sijne genade: en bedank u ten hoogsten, daar voor, dat uwe hoog-verheeven Heerlijkheid gelieft heeft zich te verneederen tot mijn geringe laagheid. Daar mee vaar wel tot morgen. En gy (zeide Pantagruel) zijt Gode bevolen.
    Maar nu, mijn Heeren, die dese Schriften leezen zult, zijt verzeekert, dat’er noit eenige menschen meer in haar gedachten op getogen en verrukt zijn geweest, als dese den geheelen nacht waaren; zoo wel Taumastes als Pantagruel. Want Taumastes zeide tot den Huis-knecht in de Herberg van Cluny; alwaar hy gehuis-vest was, dat hy noit van sijn geheele leven zich zoo zeer ontstelt en dorstig bevonden had, als dien nacht. Het schijnt; zeide hy, of Pantagruel my by den gorgel heeft. Bestel, ik bid u, dat wy eens te drinken krijgen, en doet ons versch water hebben, om den mond te spoelen.
[p. 343]
    Aan d’ander kant raakte Pantagruel, als in een dweepery, en dee den geheelen nacht niet dan reevelen en roepen om.
    Het Boek van Beda, van de getallen en teikenen.
    Het Boek van Plotinus, van de onuitspreekelijke dingen.
    Het Boek van Proculus, van de Toverkonst.
    Het Boek van Artemidorus, van de Droom-beduidingen.
    Het Boek van Anaxagoras, van de Teiken-taal.
    Het Boek van Dinartus, van de onbeduidlijkheeden.
    De Boeken van Philistion.
    De Boeken van Hippoponax, van de onzeggelijkheden, met een meenigte anderen, tot dat Panurge tot hem zeide; Mijn Heer, laat al dese onnutte bekommeringen vaaren, en gaa slechts slaapen: want ik bemerk u zoodaanig ontstelt in uwe gemoed, dat gy wel licht in een dagelijkze koorts, door de over groote heevigheid uwer gepeinsen, vervallen mogt. Maar eerst vijf-en-twintig- of dertigmaal een goeden teug drinkende, vertrek, en neem u rust, zoo lang ’t u lust: want morgen vroeg zal ik voor u instaan en den reeden-strijd uitvoeren tegen mijn Heeren den Engelsman: en by aldien ik hem niet en breng (ad metam non loqui) tot verstomming, zoo zeg vry dat ik een schelm ben.
    Jaa maar Panurge, mijn vrind, (zeide Pantagruel) hy is te wonderlijk door-weetert; Hoe zoud gy hem konnen genoeg doen? Al wel, antwoorde Panurge, ik bidje spreek’er niet meer [p. 344] of, en laat’er my mee betijen. Is ’er wel een mensch zoo scherp-zinnig als de Duivel? Neen ’t waarachtig, antwoorde Pantagruel; ten zy door zonderlinge genaade en gave Gods. Evenwel, zeide Panurge weder, heb ik ’t meenigmaal tegen haar in ’t warr geworpen, ja ik hebze als mooliken doen staan, en verstomt, derhalven zijt verzeekert van desen hoogdravenden Engelsman, dat ik hem morgen voor al de wereld wijn-azijn zal doen sweeten.
    Aldus bragt Panurge den nacht over al drinkende en dobbelende met de Dienst-knaapen. En als de gestelde uure gekomen was, geleide hy sijn Meester Pantagruel ter bestemder plaatze. En je meugt wel vryelijk gelooven, dat ’er noch klein noch groot binnen Parys was, die ’er zich mee niet na toe begaf; denkende, die drommel van Pantagruel, die onlangs alle ouwe kluivers en koot-jongens van Wijsen verwonnen heeft, zal nu eens tegen den Beul te biegt komen, en door de mand vallen: want desen Engelsman is een ander Duivel van Groenendal. Wy zullen nu zien wie Meester zal zijn.
    Als nu een ongemeene meenigte van Volk verzaamelt was, en Thaumastes vast zat en wachtte, quamen endelijk Pantagruel en Panurge ter Zaal in-treeden, daar op begonden al die aaps-koppen, konst-meestertjes, en d’andere aanschouwers al schreeuwende in de handen te klappen, gelijk haar malle manier is.
    Maar Pantagruel riep met een brommend geluit, als of het de slag van een dubbeld kartouw was geweest; zeggende; Stil, datje de Duivel haal, stil: Beget, schelmen, zooje me [p. 345] hier het minste gebrus maakt, ik zalje al den bruy de kop achter je gat leggen. Op zulken gebulder blevense al te maal verbluft, en stil als muysen: en zouden niet eens durven hoesten, al haddense vijftien pond pluimen gegeeten: jaa, ze waaren door die enkele stem zoo dorstig geworden, datse de tongen een half voet lang tot de keel uit lieten hangen, als of Pantagruel haar alle den hals vol zout gewreeven had.
    Daar op begon Panurge te spreeken, zeggende tot den Engelsman; Mijn Heer, zijt gy hier gekomen om in een strenge reeden-strijd staande te houden dese stukken, die gy hier hebt opgestelt, of wel, om de waarheid der zelver te onderzoeken en van ons te verneemen? Waar tegens Thaumastes ten antwoord gaf; Mijn Heer, Geen ander oorzaak heeft my herwaarts doen komen, als de goede begeerte van te verneemen en weeten dat geene, daar aan ik al mijn leven lang getwijffelt heb: door dien ik noch eenig boek noch mensch heb konnen vinden, die my heeft konnen vernoegen in ’t op lossen der twijffel-stukken, die ik hier heb voorgestelt. Doch wat belangt het reen-twisten door krijgelheid, dat en ben ik geenzins van voor-neemen te doen; ook is ’t my veel te verachten zaak; dien ik overlaat aan die schelmze schijn-wijsen, die in haare kibbelingen niet de waarheid, maar warring en weerstreeving zoeken.
    Indien dan ik, zeide Panurge, die maar een der minste Leerlingen van mijn Meester den Heer Pantagruel ben, u in en door alles te vreeden stellen en genoeg doen kan, zoo [p. 346] zoud ’t een onbetaamelijke zaak zijn, datmen mijn Meester daar mee belemmerde: Doch dies te gevoeglijker zal ’t zijn, dat hy het opper-gestoelte gaa bekleeden, en over onze verhandelingen het oordeel velle: ook u ten overvloed voldoe, indien u dunken mogt, dat ik uw yverige begeerte, niet naar eysch vernoegt had. Zeeker, zeyde Thaumastes, het is zeer billijk gesprooken. Maak gy maar een begin.
    Doch al vooren dient geweeten, dat Panurge aan ’t eynde van zijn lange latze verscheyden schoone flokken zijde had gehecht; als roode, witte, groene ende blaauwe; en van binnen een schoonen Orangjen appel geborgen.



                XX. HOOFT-DEEL.

    Panurge voert een wondere en heevi-
        ge reeden-strijd zonder spreeken door
        teekenen tegen den Engelsman
Thau-
        mastes, dien hy in weetenschap
        overwint.

ALs nu alle de omstanders en aanhoorders geheel gestilt waaren, maakte den Engelsman een begin, en voor eerst hief hy beide zijne handen om hoog, ten Hemel van een gescheiden, sluytende daar naa alle eynden der vingeren, die voegende naa de gedaante van (zoomen dat tot Chinon noemt, cul de poulle) een hoender-naars: en stiet met de nagels van d’eene hand tegen die van d’ander tot viermaal [p. 347] toe: daar na opende hyse: en alzoo sloeg hy met het plat van d’eene in de andere hand dat het klapte, maar eenmaal: wederom de eynden der vingeren voegende als vooren, sloeg hy tweemaal: en die weder oopenende, viermaal: daar na voegde hyze vlak aan malkanderen, uytgestrekt; de eene beneffens de andere, in gestalte als of hy God aandachtelijk bidden wilde.
    Panurge daar- en tegen hief haastelijk zijn rechterhand om hoog, daar naa stak hy den duym der zelver in ’t neusgat van de zelve zy, houdende de vier vingeren uytgestrekt, even streeks en stijf neffens malkanderen, en het linker oog heel toegeslooten: gluurde hy met het rechter oog, met een diepe neerdrukking van de wink-brauw en oog-appel. Daar na hief hy de slinkerhand om hoog, met een stijve t’zamen-klemming en uitstrekkinge van de vier vingeren, nevens verheffing van den duym; dien hy recht-streeks tegen over den rechterhand hield, ontrent anderhalf elleboog van malkanderen: dat gedaan zijnde, liet hy in gelijken gestalte de een en de anderhand ter aarden zakken: ten lesten hield hyze in ’t midden als wijzende recht naa de neus van den Engelsman.
    En indien Mercurius ..... barste den Engelzen uyt. Daar stuttde Panurge zijn reeden, zeggende, gy hebt gesprooken, mommaart. Toen maakte den Engelsman dusdaanige teykens, de linker-hand heel oopen hief hy hoog inde lucht, daar naa sloot hy tot een vuyst de vier vingeren van dezelve, en de uytgestrekte duym zette hy tegen ’t tipje van de neus aan:
[p. 348]
    Terstond daar aan hief hy den rechterhand heel geopend op, en zoo geoopent deed hyze neder zakken, voegende den duym aan de plaats die de kleyne vinger van de slinker hand sloot, en met de vier vingers der zelver, deed hy zich verstaan door beweeging in de lucht: daar na deed hy in tegendeel met de rechterhand, ’t geen hy te vooren gedaan had met de linkerhand: en met de linker, ’t zelve dat hy met de rechter gedaan had.
    Panurge, daar over geenzins verzett, trok zijn drie dubbelde latze met de linkerhand om hoog, en met de rechter een stuk van een witte osse rib, met twee stukjes hout even eens van maakzel, het eene van swart ebben-, het ander van bleik-rood Brazilien-hout: en voegde die tusschen de vingeren met een goede gelijk-maatigheid: en alzoo dezelve tegen den anderen aankloppende, maakte een zulk geluyd, als de melaatze in Bretaigne met haar kleppen, nochtans veel fraayer en lieffelijker klinkende: met zijn tong, in de mond t’zamen getrokken, nuyrijde hy zeer zoetelijk, zijn gezicht gestaadig op den Engelsman gevest houdende.
    De God-geleerden, genees-heeren en heel-meesters meenden, dat hy met dit teiken den Engelsman verwijtten wilde dat hy een melaatsch was: de Raads-heeren en wetgeleerden dachten, dat hy door dese wijze van doen wilde besluyten, dat’er eenige zoorte van menschelijke gelukzaaligheid in de Lazery geleegen was, gelijk God wel-eer zelve scheen aan te wijsen.
    Den Engelsman liet daarom den moed niet zakken, maar heffende zijn beide handen om [
p. 349] hoog, hield die in zulken gestalte dat hy de drie langste vingers tot een vuist-sloot, en den duim tusschen den voorsten of wijs-vinger en den middelsten door stak: de kleinste of oor-vingers bleven uitgestrekt; aldus vertoonde hyse aan Panurge: Daar na bragt hyse op zoodaanige wijse by-een, dat de rechter duim raakte aan de linker, en de linker kleine vinger aan de rechter.
    Daar op Panurge, zonder een woord te zeggen, verhief sijne handen, en maakte daar me dusdanigen teiken; de nagel van den voorsten vinger aan de linker hand voegde hy aan den nagel van den duim, maakende in ’t midden een ruimte of rondte als van een gespe, en van de rechter hand sloot hy alle vingeren tot een vuist, behalven de wijs-vinger, de welke hy voegde, en veel maal gints en weder haalde, in de opening der duim en vinger van de linker hand: daar na strekte hy den wijs-vinger en het midden ruim recht uit; de zelve zoo veel verlengende als hy mogt, en strekkende naa Thaumastes: en zette den duim van de linker hand op den hoek van ’t linker oog, uit-strekkende den geheelen hand als een wiek van een Vogel, of een vinne van een Visch, en beweegde die zeer zoetelijk gins en weder: van gelijken deed hy ook met de rechter hand aan de hoek van ’t rechter oog.
    Thaumastes begon bleek en beevende te worden, en daar op dusdaanigen teeken te maaken; met den middel-vinger van de rechterhand stiet hy tegen de spier; die in de holligheid des hand beneeden den duim is: daar na stak hy den voorsten vinger van de rechter- [p. 350] hand in gelijken gat of gesp van de slinkze hand; doch hy stak na beneeden, niet na boven, gelijk Panurge gedaan had.
    Toen sloeg Panurge den een hand in de andere, en blies in de holligheid: dat gedaan, stak noch sijn voorste vinger van rechterhand in den gemaakten gesp van de linker die dikwijls daar in voorwaarts en weder achterwaarts beweegende; wijders stak hy sijn kin uit en keek Thaumastes stijf en sterk aan.
    De vergaadering, die van dese teikens niemendal verstond, begreep evenwel, dat hy hier mee, hoewel hy niet een woord en sprak Thaumastes meende te vragen, Wat hebje daar tegen? Terstond begon Thaumastes met groote druppelen te sweeten, en geleek wel een mensch in een hooge bepeynsing opgetoogen.
    Daar naa bedacht hy zich en zette alle zijne nagelen van de linker hand tegen die van de rechter, de vingeren van-een doende, even als of het half ronde ringen waaren geweest, en hief in dit teiken de handen zoo hoog als hy immer mogte.
    Daar op Panurge met ’er haast den duim van de rechter hand onder de kinnebakken bragt, en den kleinen of oor-vinger der zelver voegde hy in de gesp van de linker hand: en in desen stand deed hy sijn tanden zeer zoetelijk tegen malkanderen klinken, te weeten, de onderste tegen de bovenste.
    Met ongemeene moeylijkheid en geswoeg richte zich Thaumastes weder op, maar in ’t op rijsen gaf hy een grooten groven bakkers scheet (met verlof) want de drek volgd ’er naa, en hy piste wel wakker wijn-azijn; zoo dat hy [p. 351] stonk voor duizend Duivels. De Omstanders begonden de Neus te stoppen; dewijl hy hem van bangigheid besuikerde: Daar na hief hy sijn rechterhand op, en sloot die op zoodanigen wijse, dat hy de einden aller vingeren gelijkelijk by-een voegde, en de linker hand leide hy plat voor sijn borst.
    Daar tegen toog Panurge sijn lange latze voor ’t licht met sijn zijde vlokken en strekte die anderhalf elle-boog uit, en hield hem zoo op met de linker hand: met den rechter nam hy den Orangien-appel, en die tot zeven maal toe in de lucht werpende, verborg hy die de achte maal in de vuist van sijn rechter hand, de zelve heel stil om hoog houdende: daar na begon hy sijn lustige latze te slingeren, en aan Thaumastes te toonen.
    Daar op begon Thaumastes sijn beide kaaken op te blaasen als een zak-pijper, en blies, even of hy een swijne-blaas had willen op-blaasen. Daar tegen stak Panurge een vinger van de linkerhand in ’t gat van de naars, en met de mond zoog hy de lucht in, even als men de Oesters uit de schelpen slorpt, of zoo men sijn zopjen slobbert: dit gedaan hebbende, opende hy den mond een weinig, en sloeg ’er op met het plat van de rechterhand, maakende daar mee een groot en hol geluid, gelijk of het weder-steuytte van een vlakte, of het middel-rif door de long-pijp; en zoo deed hy tot zestien maalen.
    Maar Thaumastes poeuste en blies geduirig als een Gans. Dies Panurge vervolgende, de wijs-vinger van sijn rechterhand in de mond
stak en door kracht van de mond-spieren wel [p. 352] wel vast klemde: daar na die uitwaarts trok, en alzoo trekkende maakte hy een groot geklank, even als wanneer de kleine knechtjes een stukjen geschuts afschoeten en dat deed hy wel tot negen maalen toe.
    Toen riep Thaumastes zeer luid uit; Ha, Mijn Heeren, ziet daar het groote geheim! en daar mee bragt hy sijn hand tot aan de elleboog, en trok een pook uit, dien hy daar had, en liet die by de punt om laag hangen. Daar tegen greep Panurge sijn lange latze, slingerde die met alle magt tegen sijne dyen: daar naa hief hy sijn beide handen, gevoegt na de form van een kam; op sijn hooft, uitsteekende sijn tong zoo verr als hy immer mogte, trok sijn oogen inwaars in ’t hooft even als een geit die in ’t sterven leit.
    Ha! ik verstaa ’t wel, riep Thaumastes: maar hoe? en maakte daar op zulk een teiken, dat hy het gevest van sijn dagge zette tegens sijn borst, en het vlak van de hand op het spits, de einden van sijn vingers een weinig daar van af houdende.
    Waar op Panurge sijn hooft liet hellen over de linker zy, en voegde de middel vinger in ’t rechter oor, heffende den duim recht om hoog: daar naa bragt hy sijn beyde armen kruis-wijs voor sijn borst, hoestende tot vijf maalen, en met de vijftemaal stampende met de rechter voet tegen de vloer: daar na hief hy sijn linker hand om hoog, en sloot alle vingeren tot een vuist, zette een duim tegen ’t voorhooft, en sloeg met de rechterhand zes maal op sijn borst.
    Maar Thaumastes, als daar over misnoegt, [
p. 353] stelde den duim van sijn slinkerhand tegen het tipje van sijn neus, sluitende het overige van de zelve hand. Daar tegen plantte Panurge sijn twee Meester-vingers aan elken kant van sijn mond, dien hy op-sparde zoo wijd als hy konde, toonende alle sijne tanden: en met de beide duimen drukte hy de wink-brauwen der oogen heel om laag, maakende zeer leelijke gebaaren, zoo ’t d’omstanders leek.



                XXI. HOOFT-DEEL.

    Thaumastes bedankt en prijst Panurge
        en Pantagruel, over haar groote
        en geheime weetenschappen in sijn
        afscheid-reeden aan de Omstanders.

DE verborgen zin-twisting aldus ge-eindigt zijnde, stond Thaumastes uit sijn zetel op, en sijn hoed beleefdelijk lichtende, bedankte Panurge zeer zoetelijk: daar naa sprak hy over-luid tot de Omstanders; Mijn Heeren, te deser uur mag ik die woorden, uit het Nieuwe Bond-boek ontleenen; (Et ecce plus quam Salomon hic) Een meer dan Salomon is hier: Gy hebt voor u tegenwoordig een onvergelijkelijke schat van Wijsheid; ’t welk is mijn Heer Pantagruel, wiens roem-ruchtige naam my van de uitterste einden van Engeland herwaarts getrokken heeft, om met hem te verhandelen verscheiden on-op-losselijke vraag-stukken, zoo aangaande de Tover-konst [Magie], Metaal-stookery [Alchymie], [p. 354] Geheim-weet [Cabale], Aard-kund [Geomantie], Sterre-raaming [Astronomie], als Wijs-zucht [Philosophie], de welke ik in mijn geest begreepen had.
    Doch nu vergrim ik my over het roem-gerugt; dat my dunkt afgunstelijk tegens hem gehandelt te hebben, dewijl ’t het duyzendste deel niet vermeld, van ’t geener in der daad af is. Gy hebt hier gezien hoe zijn leerling alleen, my daar over voldaan; en, meer dan ik zelf dachte of voor te stellen wiste, beduydt heeft. Jaa ten overvloed my geopenbaart, en te gelijk op-gelost andere diepen, en ondoorgrondelijke twijffel-stukken. Waar op ik u kan verzeekeren, dat hy my heeft ontdekt de waarachtige diepte en af grond der Alkunddigheid [Encyclopedie]; en dat noch in een konst, waar in ik geen mensch oit meende te ontmoeten, met de minste kennis, zelf der eerste beginzelen begaaft; daar in, dat wy door teikens, zonder een heel of half woord te spreeken, onse zin-strijd verricht hebben. Maar niette-min ik zal alles in geschrift stellen, wat wy gesproken en betwist hebben, op dat niemand denke, dat het niet anders als spottery mag geweest zijn: ook zal ik ’t doen drukken, ten einde een jegelijk leeren mag hoe ik gedaan heb: Dan zalmen mee mogen oordeelen, wat de Meester wel had konnen zeggen; aangezien de Leerling zoo deftige dingen gedaan heeft: Want (Non est Discipulus super Magistrum) De Leerling is niet boven de Meester.
    In allen gevalle God zy gelooft: En U. L. lieve toehoorders, doe ik zeer hertelijk en heusselijk bedanken voor de eer, die gy ons in ’t by-woonen van dese verhandeling bewee- [
p. 355] sen hebt; God vergelde het u in d’ eeuwigheid. Gelijke dank-zegging dee Pantagruel aan de gansche Vergaadering: en voorts van daar gaande, leide hy Thaumastes met zich ter middag-maaltijd, alwaar je wel gelooven meugt, dat ze dronken met ontknoopten buik (wantje moet weeten, datmen in dien tijd den broek zoo stijf over den buik toe-knoopten, alsmen nu de kraagen om den hals doet) tot datmen na malkanderen tastende zeide; van waar komje? Heilige vrouw, hoe trekkense aan ’t geite velletje; terwijl de glaasen om-gaan, de gasten aan ’t zingen en schreeuwen: Hier, hou, Jongen rap, schenk, schaf wijn, en drink, datje de Duivel niet wil, drink;

            ’t Is geen goed gezelschaps Man,
            Die niet stuwt een dartig kan.


    Sulke gezonde Broeders hadmen hier. En weetje hoe? (Sicut terra sine aqua) Even als de aarde zonder vogtigheid: Want het was heet, en des te meer warense verdorst.
    Aangaande de uitlegging van de voorstellingen door Thaumastes gedaan, en de beduiding der teikenen diese in haar zin-twisten gebruikten, de zelve zoud ik u wel verklaaren naa haar eigen verhaal: maar men heeft me gezeid, dat Thaumastes een groot boek daar af beschreven binnen London drukken dee; daar in hy alles, zonder iets achter te laaten, uit leit: derhalven ik my voor tegenwoordig daar toe gedraag.



[
p. 356]

                XXII. HOOFT-DEEL.

    Panurge word verlieft op een Jonk-
        vrouw van
Parys.

DOor zoo heerlijken overwinning in den reeden-strijd tegen den Hoog-geleerden Engelsman behaald, raakte Panurge allenskens in groot-achting en aanzien binnen de Stad Parys: en dee van dien tijd af sijn schoone latze vry veel gelden: liet hem op sijn Roomsch met veelerley lof-werk boven op borduiren. Yder een roemde hem opentlijk: en daar wierd een liedtjen af gemaakt, daar de kleine Kinders mee om Mostaart liepen. Hy was wellekom in alle gezelschappen van Vrouwen en Maagden, zoo dat hy daar op hoogmoedig en vermeetel begon te worden; en stoutelijk onderstond een der groote Vrouwen van de Stad tot sijn wil te bekomen.
    En daadelijk, zonder een lange inleiding en hooge betuiging te gebruiken, gelijk sijns gelijke lijdende verliefde van de vasten, die geen vleisch durven aanraaken, doorgaans doen, hield hy haar op een zeeker dag dus-daanige reeden voor; Mee-vrouw, het zou voor ’t gansche Gemeene-best zeer dienstig, voor u zelve geneugelijk, voor uw geslagt eerlijk, en voor my noodzaakelijk zijn, dat gy met mijn overschot volmaakt wierd: gelooft het vry; de ondervinding zal ’t u gewisser doen weeten.
    De Juffer dese woorden met weer-zin hoo- [
p. 357] rende, week wel hondert mijlen van hem af, en zeide; Schelmzen zot, betaamt het u, my met zoodanige reeden, te onteeren? tot wien meenje datje spreekt? Gaat van hier: en wacht u immermeer voor my weder te verschijnen: want zoo ’t niet om eenige klenigheid was, ik deed u armen en beenen in stukken slaan.
    Al wel (antwoorde hy) ’t en zou my me niet scheelen of ik armen en beenen verloor, als ’t onder u rokken mogt weesen, al speelende met de spille na uwen wille van Hansjen in de kelder: en toonende sijn zierlijke zak-pijp, zeide hy, zie Meester Jan Donderdag, die u wel zoo lieffelijke deuntje zou speelen, dat het je in ’t merg van je beenen zou wel doen.
    Daar op de Juffer weder uitvoer; Gaat heene, gy Booswicht, gaat heen: indienje my een woordtje maar daar af weder rept, ik zal alle lieden te hulp roepen, en u met stokken zoo doen afrossen, dat u alle die malle lust licht zal vergaan.
    Ho! ho! zeyde hy, je bent niet zoo quaad als je schijnt en met woorden vertoont, of ik ben in uw aanschijn bedroogen. Want eer zal de swaare aardkloot ten Hemel opstijgen, en den Hemel sal veel eer in den diepen afgrond afdaalen, en alle orde der natuur zal om gekeert zijn, al-eer ik geloove, dat in zoo over grooten en uitmuntende schoonheid, als de uwe is, een druppeltje galle of boosheid zou zijn. Men zeit gemeenlijk, dat men zeer zelden zal zien.

            Een Vrouw van leen en aanschijn schoon,
            Die haar niet trots en wreevlig toon.


[
p. 358]
    Doch dat is slechts gezeit van die daagelijksche schoonheeden; de uwe is zoo heerlijk, zoo heilige-daags, en zoo heemelsch, dat ik geloof, dat de natuur die in u geplant heeft tot een proef-stuk, om aan ons te toonen en doen verstaan, hoe heerlijken werk-stuk sy maaken kan, wanneerse alle haar vermogen en weetenschap te werk wil stellen. ’t En is niet dan hoonig, ’t en is niet als zuiker, ’t en is niet dan lust en liefd-lokking, al wat in en aan u is. Het is aan u dat Paris den Appel toe geweesen behoorde te hebben: niet aan Venus, niet aan Juno, niet aan Minerva? want noit is ’er in Juno zoo verheevenen heerlijkheid, in Minerva zoo ontzagchelijken wijsheid, noch in Venus zoo glans rijken schoonheid geweest, als zich wel in u vertoont. O Hemelse Goden en Godinnen! hoe gelukkich zal hy zijn, dien gy die gunst zult bewijsen, dat hy dese u allen beschaamende schoonheid zal mogen omhelsen, mag kussen, en sijn hand aan de haare wrijven! byget, dat zal ik zijn: ik zie ’t alreede wel: sy is al t’eenemaal op me verlieft, ik bemerk het: kom laat ons dan om tijd te winnen ......
    Daar meede meende hy haar in sijn armen te vatten: maar sy stelde haar vaardig om in ’t venster te gaan leggen, en over kracht en geweld de gebuiren tot hulp te roepen. Derhalven Panurge zich haastelijk zocht wech te pakken, en zeide haar al vluchtende; Mee-vrouw verwachtme hier maar, ik zalse zelf gaan haalen, ay! neem die moeyte niet.
    Aldus vertrok hy, zonder zich zeer te bekommeren, over de blaauwe scheen dien hy [p. 359] geloopen had: en heeft ’er noit te onlustiger om geleeft.



                XXIII. HOOFT-DEEL.

    Panurge hervat sijn Vrijagie; word
        weder afgeslagen. en dreygt de
        Juffer een pots te speelen.

NOch gaf Panurge den moed niet verlooren, maar vervoegde zich ’s anderen daags in de Kerk, tegen den tijd, dat sijn beminde na de misse ging; zoo haast hyse zag in-koomen, bood hy haar het Wy-waater aan, zich zeer laag voor haar needer buigende, viel hy voorts voor haar zeer vrymoedelijk op sijn knyen, en zeide; Mee-vrouw, ik verklaar u, dat ik zoo zeer op u verlieft ben, dat ik’er niet om pissen noch kakken kan: ik weet niet hoeje ’t met me voor hebt: wat zou ’t wesen, indien my eenige quaale daar af quam?
    Wech! wech! zeide de Juffer, ik moey me daar niet mee. Laatme met vreeden hier mijn gebed doen. Maar, zeide hy, rijm my daar eerst eens op; A Beaumont le Viconte. Dat zoude ik niet kunnen doen, zeide zy. ’t Is dan zoo, zeide hy; A beau con le vit monte. En daar op doetje gebed; dat ik bekome ’t gene u eedel herte begeert: en geefme maar eens u gebeedekransje uit goede gunst. Houd daar, zeise, en quelme dan niet meer.
    En terwijlse dese woorden verbaasdelijk voort- [p. 360] bragt, tastense na haar gebeed-kraalen, die met groote goude doppen bedekt waren; maar Panurge greep vaardig een van sijne mesjes, en sneedse haar mooytjes van de zy, en namse na zich, om tot de oude kleer-verkoopster te brengen: en zeide haar, begeerje mijn mesje? Neen, neen zeide zy. Evenwel, vervolgde hy, is ’t alles tot uwen dienst, lichaam, goederen, beulingen en darmen.
    Onder-tusschen nochtans was de Juffer niet weinig bekommert om haar kraal-keetentje; want het was een van haar beste hand-gebaaren in de Kerk, en dacht; dese braaven spot-vogel is een rechten los-kop, uit verd vreemd Land, licht krijg ikse van mijn leven niet wederom: Hoe zal mijn Man my dit af-neemen? Hy zal’er zeeker over verstoord zijn tegen my: Maar ik wil hem wijsmaaken, dat een Dief my die in de Kerk heeft afgesneeden; ’t welk hy licht gelooven zal, ziende noch het einde van ’t lint aan mijn gordel.
    Naa ’t middagmaal ging hy haar al weder bezoeken, hebbende in sijn mouw een groote beurs vol kroonen van ’t Hof, en leg-penningen, en begon haar dus aan te spreeken; Wie van ons beide bemint den anderen meest: of gy my, of ik u? Waar op sy antwoordde; Wat my belangt, ik en haate u niet: want gelijk ons God gebied, ik bemin alle menschen. Maar, zeide hy weder, wat ikje eygentlijk vraagen wou; benje op my niet een lutje verliefd? Ik hebje, antwoorde zy, nu zoo meenigmaal gezeid, dat gy my met zoodaanige reeden niet meer aanboord zoud komen; indien gy my vorder daar van spreekt, [p. 361] ik zal u doen zien dat ik zulk een Vrouw niet en ben, daar men diergelijke woorden van oneer tegens behoort te gebruiken, vertrek fluks van hier: en geef my mijn bid-keeten wederom; dewijl myn Man my daar na al gevraagt heeft.
    Wel hoe, zeide hy, Mee-vrouw, meenje u Roose-kransje weder te hebben? dat zalje niet gelukken, by mijn Manlijkheid: maar ik wil u wel een ander daar voor geven: begeerje liever een van goud wel gebrand-verft van maakzel als groote ronde bollen. Of van mooye minne-strikken, of wel al te maal van dicht goud als swaare koogels? Of hadjese liever van ebben hout? of swaare Hyacinthen? of groote granaaten, gesneeden en ingezett met fijne turkoisen? Of met trotze topasen, in gezet met fijne zaffijren? of liever van die brave balletjes met groote diamanten onder-scheiden tot twee-en-veertig toe.
    Neen, neen, ’t is noch te gering: ik weet ’er een schoon gebeed-kransje van fijne esmerauden met tusschen gezette bolletjes van Ambergrijs, en op de t’ zamenhegting een Persiaanze paarl zoo groot als een Oranjen-appel, het zal niet meer komen te kosten, als vijf-en-twintig duizend ducaten, dat wil ik u waarlijk vereeren: want ’t en schort me aan geen geld: en dit zeggende, deed hy sijn reeken-penningen rinkelen, even of het rechte Zonne-kroonen waren.
    Wilje vervolgde hy, een stuk fluweel violet karmozijn? wilje een stuk zatijn met goud-draad door-werkt? begeerje goude keetens, verguld-werk, heerlijk hulzel, of baggen? Je [p. 362] hebt niet dan jaa te zeggen; tot vijftig duisend ducaten, dat is my niemendal. Door welke woorden hy te weeg bragt, dat ze begon te water-tanden. Maar niette-min zeydese; O neen, ik bedankje: ik en begeer van u niets. Beget, zeide hy daarentegen, ik wil wel iets van u: doch ’t is een ding dat u niets zal kosten, en je zult ’er niets te minder om hebben, en daar op dacht hy haar te omhelsen: maar sy begon te schreeuwen: hoe wel niet zeer luid.
    Toen vertoornde zich Panurge, en van gelaat veranderende, sprak haar smeelijk toe; Je wilt me dan niet een weinig laaten gewerden; nu schijt ik wat inje: gy zijt zoo veel goeds en eers niet weerdich. Maar, beget, ik zalje noch van de honden doen berijden. En dit gezeid hebbende, maakte hy zich haastelijk met groote treeden van daar, uit vrees voor slagen, daar hy van natuur voor vervaart was.



                XXIV. HOOFT-DEEL.

    Panurge speelt de gedreygde trek aan
        de
Parisiaanze Juffrou, die hem
        niet te wille wou zijn.

DEs anderendaags was het hoog heilig feest, waar op alle groote vrouwen haar op ’t heerlijkst met pragt en praal van kleederen en juweelen op tooyden; en voor den dag had dese gevryde juffer van Panurge, een zeer [p. 363] schoon karmosijn zatijnen opperkleed, met een overkostelijke wit fluweelen onder-rok.
    [Een jong uyt de vermenging van een hond met een wolf voortgekomen.] Op den dag van de voor-bereiding, had Panurge zoo verd en veel over-al om-gesnuffelt, dat hy een hittigen hond-wolf gevonden had, dien hy met zijn gordel gebonden in zijn kamer bragt, en dien dag met den volgenden nacht van spijze wel verzorgde: des morgens doodde hy hem, en nam’er uyt, ’t geene de Griekze Stip-waarzeggers wel weeten, hakte het aan stukjes zoo klein als hy konde, hield het wel verborgen by hem, en vervoegde zich ter plaatze daar de Juffrouw verby moest, om den ommegang [Procession] te volgen; gelijk de gewoonte van dat Feest vereyscht.
    En zoo haast hy haar eerst na de kerk zag gaan, spoeyde hy zich om haar het wy-water aan te bieden, gelijk hy na heusse groete met alle geveynsde eerbieding dee. En weinig daar na toense haar korte preevelarijtje verricht had, ging hy zich by haar neder-zetten op een bank, en gaf haar een rijm-schriftjen van volgenden inhoud;

        Voor dese maal, als ik, o! overschoone!
        Mijn nood u klaag, komt gy u trots te toonen;
            En jaagtme, met geen hoop van weerkomst weg;
            Hoewel ik u geen leed te vooren leg,
        Door woord, of werk, vermoeden of verachten.
        Indien u zoo mishaagden mijne klachten;
            Gy kostme zelf wel zeggen, zonder boo,
            Ga, vriend in vree van hier, men ziet u noo,
                                                            voor dese maal.


[p. 364]
        ’k Misdoe niet als ik u mijn hert ontdekke,
        En klaag, hoe my u lonken vonkken strekken:
            Hoe ’k brande door uw schoonheid, die gy heelt
            Onder uw rok, daar mijn gedachte speelt.
        Doch ’k zoek’er niet, dan dat, tot mijn genoegen,
        Om mijn bloot hooft gy meugt uw kransje voegen,
                                                            voor dese maal.


    Terwijl zy beezig was met dit papier t’ontvouwen, om te zien wat’er in geschreeven was, nam Panurge met ’er haast, en behendig zijn bereydsel, en borg dat op verscheyde plaatzen, zelf in de vouwen van haar tabbert en mouwen. Ondertusschen tot haar zeggende; Mevrouw, de arme minnaars zijn zelden op haar schik: wat my belangt, ik hoop, dat de quaade nachten, moeyten, en verdrieten, dien ik geduurig door uwe liefde te lijden heb, my tot vermindering zullen strekken van de pijnen in ’t vagevier. Ten minsten bid God voor my, dat die my lijdzaamheid in mijn lijden geve.
    Naauwelijks had Panurge deze woorden geeyndigt, of alle honden die in de kerk waaren, groot en klein, quamen na deezen Iuffrouw toegeloopen op de reuk van ’t bereydzel dat hy haar in de kleederen gemorst had, alle te gelijk haar by ’t lijf op klimmende, beruykende en bepissende, dat het den meesten smaad van de wereld was.
    Panurge jaagdese (quansuys) wel een weinig weg; maar nam met ’er haast sijn afscheid, en vertrok zich in een van de Kerk-kamertjes om de korts-wijl voorts aan te zien: want de schelmze honden bepisten haar geheele kleeding en lijf, tot, dat ook een grooten haase-wind haar [
p. 365] op ’t hooft piste, de andere op de mouwen en borst, de kleine op de beenen en voeten: in voegen dat alle Vrouwen daar ontrent genoeg te doen hadden, om haar te helpen en ontzetten; terwijl Panurge haar wel hartelijk belagchte, en tot een der bystaande Heeren zeyde; ik vermoede dat die Vrouw tegenwoordig manlustig is, of datse nu nieuwelijks met een haase-wind te doen gehad heeft.
    En als hy nu vernam dat alle de honden noch om haar hengelden en gransden; gelijkse doen om een jagtige teeve, vertrok hy zich van daar, en ging Pantagruel zoeken: en alle honden die hy onder weeg door alle straaten ontmoette, gaf hy een schop in ’t gat, zeggende; zulje niet mee metje Makkers ter bruiloft gaan? voort al, voort, datje de Duivel haal, voort.
    In de Herberg by Pantagruel gekomen zijnde, zeyde hy, Ha! Meester, wilje wat nieuws zien, ay kom kijkken alle de honden van ’t geheele Land vergaadert rondom een Juffrouw, de schoonste van dese Stad, waar mede sy alle met geweld te werk willen. Daar toe zich Pantagruel geerne liet bewilligen, gaande dese geheimenis met’er haast beschouwen; ’t welk hem zeer nieuw en geneugelijk dacht.
    Maar het vermaakelijkste noch gebeurde by de ommegang, alwaar wel zes hondert duisend en veertien honden om haar her waren, en aan haar duisenderley vuiligheeden bedreven: want over al waarse langs quamen, liepen by meenigte honden daar mee naa toe, en volgden het spoor, zeikende over straat al waar maar haar schoelinten geraakt hadden.
[
p. 366]
    Alle menschen bleven staan kijkken na dit schouw-spel; lettende op ’t byster gebaar deser honden, die het Vrouw-mensch by na tot den hals toe by ’t lijf op-sprongen, en al haar kostelijke kleedinge all-om bevuilden en bedorven. Waar tegen sy geen ander middel te bedenken wist, als zich in haar huis te begeven; Hadje haar daar zien loopen, om haar te verbergen, de honden om haar op de hielen te volgen, en haar Kamenieren staan lagchen, ’t was de koddigste korts-wijl van de Weereld.
    Wanneerse nu al in huis was, en de deur fluks achter haer toe geslooten had, liepen ’er noch al meer honden van over een half mijl weegs naa toe, en pisten zoo overvloedig voor de deur, dat ’er een geheele Rivier uit wies, daar de Eend-vogels wel in konden swemmen. En dit is die zelve vliet die voor by Sint Victor vloeijt, waar in Goubelin het scharlaaken verft, vermits de bezondere kracht deser honde-pis; gelijk onse Meester Doribus wel-eer in ’t openbaar van de Preek-stoel afkondigde. Ia ik zouwje noch derven zeggen en sweeren, dat door dien stroom een Molen zou konnen maalen. Hoe wel niet zoo ras als die van Basacle tot Thoulouse.



[
p. 367]

                XXV. HOOFT-DEEL.

    Pantagruel vertrekt van Parys op de
        tijding dat de
Dip-soden in ’t Land
        der
Amauroten gevallen waaren:
        Panurge geeft reeden waarom de
        mijlen in
Frankrijk zoo klein zijn.

NIet lang na dit belagchelijk voor-val ontving Pantagruel tijding, dat sijn Vader Gargantua was vervoert in ’t Land der Aard-godinnen, gelijk wel eer Ogier en Artus: en dat, terstont, zoo haast de tijding van der zelver vervoering ruchtbaar geworden was, de Dip-soden haar Land-paalen waaren over getogen, een groot gedeelte van ’t Land Utopia bedurven hadden, en de groote Stad van de Amauroten noch beleegert hielden.
    Derhalven hy van Parys vertrok, zonder van iemand sijn afscheid te neemen: want de zaak vereischte snelligheid, en alzoo was hy wel haast tot Rouan, Als Pantagruel nu in ’t reisen bemerkte dat de mijlen van Frankrijk veel te klein waren, ten aanzien van andere Landen vraagde hy Panurge na de reeden en oorzaak daar af; de welke hem verhaalde een geschiedenis; die Marotus van der Meer een Monik in-voegt in de Beschrijvinge van de daaden der Koningen van Canarre; zeggende, dat by over-ouwe-Bestevaars tijden de Landen en Steeden niet onderscheiden pleegen te zijn met mijlen, dub- [p. 368] bele en anderhalf mijlen en stadien, ter tijd toe dat de Koning Pharamond die afdeelde; ’t welk op volgende wijse geschiede.
    Hy dee door de geheele Stad Parys op zoeken en by-een verzaamelen hondert jonge, frisse en fraaye Gezellen wel gemoed, en daar tegen hondert heldere mooye Meysjes uit Picardijen; dien hy heerlijk deed onthaalen en van alles wel bezorgen in den tijd van acht dagen: daar naa deed hyse voor hem koomen, en gaf aan yder Jongeling sijn Vrijster, met meenigte van geld tot verteering; haar beveelende, dat elk sijns weegs zou wandelen na verscheide plaatsen, het een paar hier, het ander daar heen: en datse op yder plaats, daarse haar Meysjes mooy-maakten, een steen zouden leggen, ’t welk dan een mijl zoude zijn.
    Aldus begaven haar dese jonge Gasten met haar Meysjes gansch lustig en vrolijk op weg: en de wijle der brave kloeke Kaarls, en dartele Deerntjes waaren, naamense haar geneugt aan ’t eynde van yder stuk Lands. En ziet dat is de reeden, waarom de mijlen van Frankrijk zoo klein zijn.
    Maar alsse nu al voort-trekkende, een wijden weg gewandeld hadden, en als arme Duivels vermoeyt begonden te worden, by-na oly noch pit meer behouden hebbende, zoendense zoo meenigmaal niet; maar genoegden haar geerne (ik meen de Mannen) met een gering ruk-reysjes des daags te doen. En dit zeitmen de oorzaak te zijn, van de langheid der mijlen in Bretaingen, Duitsland en andere noch verder geleegen Landen.
    Daar zijnder die noch andere reeden wee- [p. 369] ten by te brengen, maar dese dunkt my de aartigste. Het welk Pantagruel mede geerne toe stemde. Reisende van Rouan geraaktense tot Honfleur; alwaarse gezaamentlijk te scheep gingen Pantagruel, Panurge, Epistemon, Eusthenes, en Carpelim. En terwijlse naar een goeden wind wagten, en haar Schip een weinig vertimmert wierd, ontving hy een brief van een zeeker schoone Vrouw van Parys, daar hy een geruimen tijd gemeensaamen omgang mee gehad had, welkers op schrift aldus luidde;

Aan den meest beminden van de Schoone,
En de minst getrouwe van de Dappere.

                                    P.N.T.G.R.L.



                XXVI. HOOFT-DEEL.

    Brief door een Boode gebragt aan
        Pantagruel van een Vrouw tot Pa-
        rys: en de uitlegging van een woord
        in een gouden Ring gesneeden.

SOo haast Pantagruel de ontvangene Brief bezien en ’t op-schrift der selver geleesen had, stond hy daar over zeer verbaast, en vraagde den Brenger der zelver naa den naam van de geene, diese gezonden had: en dezelve openende, vond hy’er niet-met-al in geschreven; maar alleenlijk een goude ring met een diamante tafel-steen in-geleit; daar op riep [p. 370] hy Panurge, en toonde hem alles. De welke het wel bezien hebbende, zeide, dat het blad papiers beschreven was; maar met zulken behendigheid, dat men het schrift daar van niet kon zien.
    [Wondere geheimenissen van onzichtbare letters te schrijven, en die leesbaar te maken.] Om dan ’t zelve gewaar te worden, hield hy het tegen ’t vuur, om te verneemen of de letteren niet geschreven waren met Sal-Armoniac in water gesmolten. Daar naa doopte hy ’t papier in ’t water om te weten, of het niet beschreven was met zap van Tithymallus of Wolfs-melk. Daar na hield hy ’t voor de kaars, om te verneemen of het niet geschreven was met zap van witte uyens. Daar naa deed hy ’er een weinig noot-oly op, om te beproeven, of het schrift niet gedaan was met loog daar vijge-booms asch gelekt. Daar naa maakt hy ’t nat met melk van een Vrouw, die haar eerst gebooren Dochtertje zoogde, om te merken, of het niet geschreven was met bloed van Rubetten: Daar naa wreef hy op een hoek met asch van een verbrand Swaaluw-nest, om te zien of het ook beschreeven was met Daauw diemen vind in de Appelen van Alicacabut.
    Vorder wreef hy een ander eind met dragt, of vuiligheid uit de ooren, om te onder zoeken of men ’t niet geschreven had met Ravens gal. Daar naa nette hy ’t met Azijn, om te zien of het niet was geschreven met zap van spring-wortel [Espurge]. Daar naa bestreek hy ’t met een weinig Vliermuis-vet, om te beproeven of de letteren ook geschreven mogten zijn met zaad van een Wal-visch, ’t welk men Ambergrys noemt. Daar naa leide hy zoetjes het papier in een bekken met versch waater, en toog [p. 371] het haastelijk daar weder uit, om te verneemen of het beschreven was met Pluim-aluin. En van dien allen niets konnende gewaar worden, riep den Brenger, en vraagde hem; Wel Makker, heeft het Vrouw-mensch dat u herwaarts gezonden heeft, u ook niet een stokjen mee-gegeven, om ons te behandigen? denkende dat het die loosheid mogt zijn, daar Aulus Gellius af vermeld: maar de Boode antwoorde hem; Neen, mijn Heer.
    Toen bedacht Panurge, hem het hooft-hair te doen afscheeren, om te weeten, of de Juffrouw met sterk moret op sijn kaale kruin had geschreven, en zou daar daadelijk last toe gegeven hebben, had hy niet gezien dat sijn hair veel te lang was, dies hy dat naa-liet; bedenkende, dat in zoo korten tijd sijne hairen zoo lang niet gewassen konden zijn.
    Daar op zeide hy tot Pantagruel, mijn Heer, nu weet ik waarachtig niet, dat ik hier meer in doen of zeggen zal. Ik heb, om te ontdekken, of hier op niet met al geschreven was, in ’t werk gestelt verscheiden scherpzinnige proeven, die den Heer Francesco di Nianto den Thuscaner vermeld, daar hy aanwijst de manier hoe men onzichtbare letteren lees-baar zal maaken: ook ’t geene Zoroaster (Peri grammaton akriton) van de onuitvindelijke letteren geleert heeft: en dat Calphurnius (de littris illegibilibus) van de onleeselijke letters in sijn Schriften heeft naa-gelaaten: Maar ik vind en vordere niets; en ik geloove, dat’er op geen ding anders te achten is, als den Ring. Koom, laat hem ons dan eens ter degen beschouwen.
[p. 372]
    [Zeer scherpzinnige uitvinding.] Wanneerse die nu rond-om bekeeken, vondense van binnen daar in met Hebreesche Letteren gesneeden (Lamah hazabathani) daar op sy Epistemon riepen, hem vraagende, wat dat te zeggen was? Waar op hy antwoorde; dat het Hebreeuze woorden waaren, die zoo veel beteikenden, als (waarom hebt gy my verlaaten?) waar op Panurge schielijk uit-riep; Ha, ha, nu verstaa ik de geheele zin. Zieje dit gesteente wel? Het is een valschen diamant. Derhalven zal dit de beduiding en het zeggen van de Juffer zijn; (Di, amant faux, pourquoy m’as tu laissée) Seg, valsche minnaar, waarom hebt gy my verlaaten?
    Welke uitlegging Pantagruel daadelijk verstond: en hy herdacht, dat hy by sijn haastig vertrek den laasten Vaar wel aan sijn Lief niet gegeven had; daar over hy heel droevig wierd: en woude wel weder-gekeert hebben na Parys, om haar na behooren te vernoegen: Doch Epistemon bragt hem in gedachte, Hoe Aenaeas ook alzoo van sijn Dido was vertrokken: En hoe Heraclides de Tarenthyner leerde, dat, wanneer een Schip voor anker lag, en de nood perste, men veel eer de touwen in stukken kappen moest, als tijd verliesen omse los te maaken. Dat hy derhalven alle andere gedachten moest laaten vaaren, om de Stad van sijn geboorte, die in gevaar was, te hulp te komen.
    En, of het weezen wouw, ontrent een uur daar na begon de wind noord- noord-west te waayen, waar opse haar zeylen in ’t top toogen, en zetten ’t in volle zee; zoo datze in zeer weinig daagen zeyllende verby Porto Sancto, en [p. 373] Madera, deedense aan de Eylanden van Canarre: van daar voerense verby Capo Blanco, Senege, Capo verde, Gambre, Sagres, Milli, capo de Bona speranza, en belenden aan ’t Koning rijk van Melinde: Van daar weder zee kiezende, maaktense zeyl met een noorden wind, en streefden verby Meden, Uti: Udem, Gelasim, met de Eylanden der Aard-godinnen neven ’t Koninkrijk van Achorie: en liepen ten lesten in de haven van Utopie: afgeleegen van de stad der Amauroten ontrent drie mijllen of weynig meer.
    Wanneerse nu te lande te getreeden waaren, en aldaar een weinigjen haar ververscht hadden, sprak Pantagruel tot de zijne; kinderen, de stad en is niet verd van hier; al eer wy verder voort-gaan zal ’t dienstig zijn, datwe al vooren wel overleggen wat ons te doen staat; op dat wy de Atheniensers niet gelijk worden, die nimmer raad-slaagden, dan naa de volvoering. Zijt gy wel gewillig om met my te leven of te sterven? Wel ja we mijn Heer, antwoorddense alle, houd u van ons zoo wel verzeekert, als van al uw eygen vingeren.
    Wel aan dan, zeyde hy vorder; daar is niet dan een ding, dat mijn gemoed in zorg en twijffel houdt: dat is, dat ik niet en weet in wat stand, of getal zich de vyanden bevinden, die de stad beleegert houden: want wanneer ik dat wiste, ik zoud’er met te meerder vrymoedigheid na toe-gaan. Dieshalven laat ons met malkander een middel beraamen, hoe wy dat best te weeten zullen komen. Waar op zy alle te zaamen zeyden, laat’er ons alleen na toe-tijen: en verwacht gy ons hier: want noch [p. 374] van deezen zelven dag, zullen wy u wel gewisse tijding daar afweeten weder te brengen.
    Maar Panurge zeyde; ik neem alleen aan in haar leeger midden door de wacht, en wachters te komen, met haar te eeten en drinken, en teeren op haar kosten, zonder van iemand bekent te zijn, zelf haar geschut te bezien, de tenten der oversten te door-snuffelen, en de benden over-al te doorwandelen, zonder dat my eenig mensch gewaar word; ja de duyvel zelf en zoume niet verschalken: want ik ben van de af komst van Sopyrus.
    Ik, zeyde Epistemon, weet alle krijgs-listen, en kloeke beleydingen der dappere veld-oversten, en kampvechters van den verleeden tijd, met alle de laag-leggingen en loosheden van ’t oorlogs beleyd; ik zal’er zonder schroomen op in-gaan: en is ’t datmen my ontdekt, ik zal haar eevenwel ontslippen: en van u haar doen gelooven wat ik wil: want ik ben uyt het geslagt van Sinon.
    Ik zeyde Eusthenes, zal dwers door haar afsnijdingen [Trenchees] door-dringen, tegen dank van de wacht en alle schild-wachters: want ik wilze wel al te maal onder mijn beentje door doen gaan, en slaan haar armen en beenen in stukken, al waarense ook zoo sterk als de Duyvel: want ik ben noch een afkomeling van Hercules.
    En ik sprak Carpalim, zal binnen haar
beschantzingen geraaken, indien’er de vogels slechts in konnen koomen: want ik heb een ligchaam zoo licht en luchtig, dat ik over haar omwallingen gesprongen, en voorts tot alle leegerplaatzen, door gedrongen zal zijn; eer- [p. 375] men my eenmaal gewaar is geworden: ook en vrees ik voor schoot, voor schicht, noch paard, hoe vaardig te voet, al was ’t ook dien vliegenden Pegasus van Perseus, of Pacolet: want ik wel alle zeer licht t’ontloopen, en fris en vroolijk t’ontvluchten weet: jaa, ik wil aanneemen te wandelen op de topjes der koorenayren, en kruyden op ’t veld, zonder die eenmaal onder my te kreuken of buygen: dewijl ik een nakomeling van de Amazone Camille ben.



                XXVII. HOOFT-DEEL.

    Panurge, Carpalim, Eusthenes en
        Epistemon, gezellen van Panta-
        gruel, brengen-om door behendigheit
        zes hondert en zestig wel gewapen-
        de ruyters.

TErwijlze noch dus met malkanderen spraaken, vernaamense een bende van zes hondert en zestig Ruyters op snelle paarden, ten voordeel gewaapent; die met volle ren quaamen aanzetten, om te zien wat schip het mogt zijn, dat zoo nieuwelijks in de haven was aangekomen: en hoese meer naaderden hoese sneller met lossen toom liepen, om ’t selve schip te overweldigen en berooven zoose konnen.
    Pantagruel dit ziende, zeyde, kinderen, bergje schielijk weer in ’t schip: zie, daar komen van onze vyanden aanrennen: maar ik [p. 376] zalse u hier nederhouwen als beesten, schoonse tienmaal zoo magtig waaren; ondertusschen schik gy u aan een kant, en schepje geneugt en kortswijl in ’t aanschouwen. Soo niet, mijn Heer, sprak Panurge, het strijdt tegen alle reeden, dat gy dit zoudt doen; maar wel het tegendeel: verschuyl gy u in ’t schip, en ook al d’andere: want ik wilse alleen hier wel ombrengen; doch men dient niet lang te toeven; spoey u maar voort.
    Waar tegens de andere zeyden; mijn Heer, Panurge heeft wel gezeyt: dat gy u behoort te bergen, maar wy moeten hem hier helpen: en gy zult dan eens zien wat wy konnen doen. Daar op antwoorde Pantagruel; wel aan, ik ben’er mee te vreeden; doch indienje te swak valt, zal ik u niet verleegen laaten.
    [Listig beleid.] Toen nam Panurge twee groote touwen van ’t schip: die vast maakende aan de spil die op den overloop was: en wierp die op ’t land, daar meed hy twee ruyme bochten of om-trekken maakte, de eene wijder; de ander enger binnen de zelve. Onder des zeyde hy tot Epistemon; gaat gy in ’t schip, en zoo draa ik u een teyken zal geven, draay de spil op den overloop haastig en handig om; waar toe ik u deze twee einden touw laat behouden. Daarna zeyde hy tot Eusthenes en Carpalim; kinderen, vertoeft gy beyde alhier: en geef u gewillig aan de vyanden gevangen, volg haar beveelen, en houd u geheel als onvrye lieden: doch zie wel toe, dat gy u niet begeeft binnen den bogt van deeze touwen: houd’er u altoos buyten.
    Dit dus bestelt hebbende trad hy in ’t schip: [p. 377] nam een bos stroo met een vaatje buskruyd: dit spreyde en strooyde hy binnen de om-trek der touwen; houdende een kooltje vuurs daar by gereed. Daar quamen de vyandlijke Ruytery met alle macht aanstuyven, de voorste reeden voort tot dicht aan ’t schip: en, door dien den oever zeer schor en slibberig was, vielen zy met haar paarden onder voet, wel tot het getal van vier en veertig. ’t Welk de andere verneemende, naderden; denkende dat men haar by de aankomst tegenstand gedaan had.
    Maar Panurge zeyde tot haar; mijn Heeren; ik geloof dat u daar eenig ongeval is overgekomen, houdt het ons ten besten: want ’t en is niet door ons toe-doen geschiedt: maar ’t is veroorsaakt door de slibberigheid des waters en zee-strand, die altoos slijkkerig is. Wy geeven ons over tot uw welgevallen, van gelijken zeyden ook zijn twee andere gezellen, als mede Epistemon, die op den overloop van ’t schip stond.
    [Wel gelukt.] Ondertusschen week Panurge allenskens wat verder af: en, ziende datze altemaal binnen den omtrek der touwen waaren, en dat zijn twee Makkers haar mee al uit de weg gemaakt hadden, (quanzuis om plaats te geven aan alle de aankomende Ruiters, die al voortdrongen om ’t Schip te beschouwen, en wie daar binnen was) riep
hy haastelijk aan Epistemon, wind, wind. Fluks ving Epistemon aan te winden, en den spil spoedig om te draayen; waar door de twee touwen wel haast hechtten onder de voeten der paarden, zoo datse met haar op-zitters zeer schielijk over hoop om-verr vielen.
[
p. 378]
    Doch sy zulks ziende, toogen haar geweer: en zochten de touwen aan stukken te hakken; derhalven Panurge het vuur in ’t gestrooyde bus-poeder stak. En deedse zoo al te zaamen branden en braaden als verdoemde zielen, beide Mannen en Paarden, dat’er niemand af quam; uitgenomen een, die op een Turks-paard zat, en met de vlugt zich zocht te bergen; [Wondere snelheit.] doch toen Carpalim hem gewaar wierd, vervolgde hy de zelve zoo vlug en yverig, dat hy hem in min dan twintig stappen achterhaalde: en springende op ’t gat van sijn paard, om-vatte hem van achteren, en voerde hem alzoo op sijn eigen paard naa het Schip.
    Dese neerlaag aldus volvoert zijnde, was Pantagruel daar over uitermaaten verheugt: en roemde ten allerhoogste de behendigheid van sijne Gezellen: en deedze verversschen met een vroolijke en overvloedige maaltijd op strand; daarse dronken datse rolden met een rond gespannen buik langs de grond, en haar gevangen Man gemeenzaamlijk met haar. Even wel was den armen Duivel niet gansch gerust, t’aller uuren zorgende, dat Pantagruel hem geheel met huid en met hair mogt op-slokken; ’t welk hy wel had konnen doen, zoo wijd was hy van keel; jaa immers zoo gemakkelijk, als gy een korreltje zuiker zoud in swolgen: en ’t zou hem niet meerder de mond gevult hebben, als een graantjen garste de keel van een Ezel.



[
p. 379]

                XXVIII. HOOFT-DEEL.

    Pantagruel en sijn Gezellen verzaad
        zijnde, van gezouten vleesch te
        eeten, gaat
Carpalim ter jagt om
        wild-braad te bekoomen.

ONder dit rollen en reutelen liet hem Carpalim hooren; Jaa wel by den buik van Sinte Soetmond, en zullen wy nimmer eens weder wild-braad eeten? Dit gezoute vleesch maaktme t’eenemaal verdorst. Ik zal u hier liever gaan haalen een achterbout van een paard, dat wy hebben doen branden, het zal te minsten al-wel gebraaden zijn. Even zoo hy zich op-hief om het te doen, vertoonde zich aan den ingang van ’t Bosch een schoone groote wilde-geyt, die, naa mijn vermoeden, uit het Woud was komen loopen op ’t gezicht van ’t vuur dat Panurge gestookt had. [Vogels in de vlugt gegreepen] Fluks liep hy met een vlucht daar na toe, en vervolgde het met zoo rappen rassicheid, dat het scheen of hy vloog als een pijl uyt een boog; zoo dat hy ’t in een om-zien achter-haalt had: en zelf terwijl hy was in ’t naa-jaagen, vatten hy met sijn handen in de vlugt.

        Vier groote Rot-gansen,
        Zeven Putooren,
        Ses-en-twintig graauwe Veld-hoenders,
        Twee-en-dertig ros-achtige Patrijsen,
[p. 380]
        Sestien Fazanten,
        Negen Sneppen,
        Negentien Reygers,
        Twee-en-dertig wilde Duiven.

    Van gelijken ving hy met sijn voeten, en doodde twaalf zoo Haasen, als Lampreitjes of jonge Konijntjes, die haar netten al ontworstelt waren,

        Achtien Rhee-bokjes, alle vet en glad,
        Vijftien wilde Verkentjes,
        Twee Dassen,
        Drie groote Vossen.

    Maar de wilde Geit, dien hy eigentlijk om te vangen vervolgde, hieuw hy met sijn krommen houwer een dwars-slag over den kop, en daar mee deed hy ’t dood ter aarden vallen. En voort ’t zelve wech dragende, deed over wech niet dan opraapen van Haasen, Rhee-bokjes, wilde Swijntjes en andere gedoodde Dieren. Toen hy sijn Gezellen naaderde, begon hy, van zoo verr men hem hooren mogt, te roepen, Panurge, mijn Vriend, Azijn, Azijn; Derhalven den goeden Pantagruel meende, dat hem ’t herte verflaauwde, of een beswijmenis over-quam. Maar Panurge verstond hem heel wel; als dat hy daar Haasjes aan den haak had: en toonde terstond aan den braaven Pantagruel, hoe hy behangen was met de Geit aan sijn hals, en de Haasen rondom sijn middel.
    Met ’er haast maakte Epistemon, in den naam der negen Sang-godinnen negen speeten van [p. 381] hout, naa de ouwer-wetze wijse gereed. Eusthenes hielpse ’t vel afstroopen: en Panurge stelde twee waapen-zaadels van Ruiters in zulken gestalte, datse dienen konden voor brand-ysers: haar gevangen Man wierd als spit-wender te werk gestelt: en by ’t vuur, waar-inse de Ruiters hadden doen branden, briedense haar wild-braad. Daar-by wierd toen lustig en rustig gewijn-eedikt, ik wil zeggen, sterken wijn gedronken: de Duivel mogt hem wel haalen, die zich geveynst, en niet vry-borstig toonde: ’t was een lust die lieden te zien schranssen, inscheuren en swelgen.
    [Wondere wensch.] Pantagruel ziende dat yder om ’t zeerst sijn tanden te werk stelde, sprak; Och mogt nu naa mijn wensch een jegelijk van u-lieden een paar klokjes uit het Klooster aan sijn kin hebben hangen, en dat ik aan het mijne had de groote klokken van Rennes, van
Poictiers, van Tours, en van Camerijk, om eens te hooren wat heerlijke morgen-deun wy zouden speelen met het wapperen van onse baaberts, of beweegen der kaake-beenen.
    Maar, voegd’er Panurge op, ’t zal beter zijn, dat wy een weinig op onse zaaken beginnen te denken: en over-weegen door wat middel wy onse Vianden best meester mogen worden. Dat hebje heel wel voorgestelt, sprak Pantagruel: en vraagde daar-op den gevangen Man; mijn Vriend, zeg ons eens de rechte waarheid, zonder in ’t minste te liegen, ’t en zy gy leevendig gevilt wilt weesen: want ik ben de Man, die kleine Kinders vreeten kan. Verhaal ons geheellijk naa vervolg de meenigte en magt van der Vyanden Heir-leeger.
[
p. 382]
    [Reuzen met zark steenen, en Ambeelden gewaapent.] Daar op ving den gevangenen zijn verhaal aldus aan; mijn Heer, weet voor de waarheid, dat’er in haar leger zijn drie hondert reusen, alle met zark-steenen gewaapent, zoo groot, dat het een wonder is, echter in alles zoo groot niet als gy, uytgenomen een, die haar hooftman is, met naamen Loupgaron, die over zijn geheele lijf gewaapend is met ambeelden, door de Cyclopen gesmeed: hondert drie en zestig duyzend voetknechten, altemaal bekleed met bytebauws-vellen, een sterk en kloekmoedig volk; ellef duyzend vier honderd ruyters van ’t hoofd tot de voeten gewaapend: drie duyzent zes honderd dubbele kartouwen, en ander geschut en scherp zonder getal, vier en’t negentig duyzend spitters: hondert en vijftig duyzend hoeren, zoo schoon als godinnen: (Sie daar, schoon aanslag voor my, zeyde Panurge) daar-af zommige zijn Amazonen; de andere zijn van Lyons, van Parijs, van Touraine, van Angiers, van Poictiers, uyt Normandien, uyt Hoog-Duytsland: jaa daar zijn’er uyt alle landen, van allerley taalen.
    Maar (vraagde Pantagruel) is’er de Koning ook? wel jaa, mijn Heer, antwoorde de gevangen: hy is’er zelf in persoon: en wy heeten hem Anarche, Koning van de Dipsoden; ’t welk zoo veel te zeggen is, als dorst lijdende lieden: want noyt vernamje menschen zoo zeer verdorst, en driftiger naa den drank. Ende in zijn tent onder de bewaaringe der wachters ......... ’t Is genoeg, zeyde Pantagruel, op, op, mijn kinders: benje bereyd en gewillig, om metme derwaarts te trekken? daar op antwoorde Panurge, dat hem heyntje-man haal, [p. 383] die u zal begeven. Ik heb een vond bedacht, hoe ikze u al te maal als swijnen zal doen dooden. dat’er voor den Duivel niet een kootje ontkomen zal. Doch om een ding ben ik noch een beetje bekommert. Wat is dat doch? Vraagde Pantagruel. Het is, antwoorde Panurge, dat ik niet en weet, hoe ik in desen eenen achter-middag alle de Hoeren die daar zijn zal doen af-priemen, dat’er niet een en ontsnappe, die niet na de gemeene manier besteeken zy. Ha, ha, ha, zeide Pantagruel, al lagchende. Maar Carpalim riep, by Sint Felten, wat meenje, datwe mee niet wat mogen. ik zal ’er ook wel eenige de put helpen dempen.
    En ik zeide Eusthenes, die noit noch gedrilt heb, zedert datwe van Rouan vertrokken, zal ’t mee wel een uur tien twaalf konnen uitstaan. Wel wis, zey Panurge, je zult’er de dikste en vetste uit hebben. Wel hoe, zeide Epistemon, yder een zal dan spring-hengst speelen, en ik zal den Ezel drijven? De Drommel haal, die ’er mee sijn best niet zal in doen. Wy zullen Oorlogs recht gebruiken (qui potest capere, capiat) die handen heeft, tast toe. Neen, neen, sprak Panurge, bind u Ezel aan den haak, en ty mee aan ’t berijen, als braave Ruyters.
    Den goeden Pantagruel, zat vast en lagchten om al wat men reevelde; maar endelijk zeide hy: Gy lieden reekent zonder uwen waart. Ik heb zeer grooten zorg, dat, eer het noch nacht is, ik u alle zal zien in een staat, dat gy geen groote lust zult hebben tot op-zitten, en datmen u zal berijden, en ruwelijk met punten van pijken prikkelen. Sacht wat: zeide Epistemon: In tegendeel zal ikse u [p. 384] leeveren om te braaden, of te zieden, om te frijtten, of tot vinken te hakken, zooje maar wilt: Sy zijn niet zoo groot van getal als Xerxes, die dertig hondert duizend weerbaare Mannen onder hem had; indien men Herodotus en Trogus Pompejus gelooven mag; en evenwel verwon, en vernieldese Themistocles met een handtje vol Volk. By gants-zakker-eele maale-menten, sprak Panurge, tot Pantagruel, heb jy daar geen vrees voor: Schijt, schijt, met mijn lats alleen, wil ik alle Mannen wech-raagen: en (by Sinte Balletrou, die daar binnen rust) alle de Vrouwen de baard veegen. Wel aan dan, mijn Kinderen, laat ons aan vangen voort te trekken.



                XXIX. HOOFT-DEEL.

    Pantagruel recht een zeege-zuil
        [Trophee] op, ter gedachtenis van haar
        vroomheid: en
Panurge een ander,
        tot een gedenk-teeken van de vangst
        der Haasen.

VOor datwe van hier vertrekken, sprak Pantagruel, wil ik ter geheugenis van de dapperheid, die gy hier tegenwoordig betoont hebt, u op dese plaats een pronk-pilaar oprechten. Fluks ving een jegelijk van haar met groote vlijt en vreugden aan, en onder ’t zingen van slordige deuntjes, rechtense een groot stuk houts over-eind, waar-aanse [p. 385] een volle waapen-rusting, een paarde-gereide, praal-behangzel, steevels, spooren, helm, schild, strijd-bijl, waapen-staf, yseren hand-schoenen, een knodse, arm- en scheen-stukken, ring-kraag, en voorts alle toestel tot een zeege-boog en praal-zuil vereyscht, ophingen. Daar naa tot een eeuwige gedachtenis teikende Pantagruel daar op den volgenden zeege-zang;

        Hier was het dat vier vroome en kloeke Helden
            Haar dapperheid de’en blijken gaadeloos:
        En meer ’t vernuft, als waapens deeden gelden;
            Als
Fabius, en die twee Scipioos.
            Want ses hondert en zestig Ruyters boos,
        En wel geweert, sy door twee touwen velden,
            En door de vlam vernielden op een poos.
        Leer Koningen, dat list oit kracht versnelden.
            Want d’overwinning
            (Na goe bezinning)
                Hangt aan ’t goe lot;
            Dat ons bescheere,
            Die heerscht in eere,
                Den hoogen God.
        Soo komen ook tot rijkdom eer en staat,
        Niet juist de sterkste of die daar stoutst na loopen;
        Maar dien ’t den Albestierder lukken laat.
        Dat ’s hy, die door ’t geloof op Hem kan hoopen.


    Terwijl Pantagruel de roem-rijmen schreef, hechte Panurge aan een groote verheeven paal, de hoornen van de wilde geyt, met den huyd en rechter voeten van dien daar voor; daar na de ooren van drie haasjes, het rug-been van een Lampreijtje, de vleugels van twee putooren, de voeten van vier wilde Duyven, een [
p. 386] flesje met wijn-eedik, een hoorentje, daarse het zout in bergden, haar houten spit, een spek-priem, een oude door-brandde keetel, een doop-schoteltje, een steenen zout-teil, met een beker van Beauvois, en tot na-bootsing van de verssen en ’t zeege-teeken van Pantagruel, stelde hy daar op ’t geene volgt;

        Hier was het dat vier braave borsten stelden
            Haar gat in ’t groen, om vroolijk voor een poos,
        In ’t slempen haar te toonen
Bacchus helden;
            En zuipen, ofse waaren grondeloos:
        Toen was ’t dat Rhee, haas, duyf en knijn verloos
        Hoorn, rugbeen, oor en klauwen in dees velden:
            Sout, wijn, azijn goe bystand deen altoos.
        Daar viel een wild-braads neerlaag niet om melden.
            En die verslinning
            Was een beginning
                Van droogen strot,
            En dranks begeeren:
           
Bacchus ter eeren,
                Een vollen pot
        Van tien stoop wijns elk in zijn ligchaam laadt,
        Naa dat hy Rhee, haas, knijnen at by hoopen.
            Soo dat hem d’huyt rond uyt gespannen staat:
        Want, zonder wijn, laat haas en wild-braad loopen.


    Deze geringe dingen met al te grooten yver en tijd-verlies verricht zijnde, zeyde Pantagruel laat ons ten lesten eens gaan, mijn kinderen: hier is al te veel tijds met brassen toegebracht: want zeer zelden ziet men ’t gebeuren, dat groote slempers, roem-waarde daaden door wapens uytvoeren. Daar is voor een held geen aangenaamer schaaduw, als die van de standaarden: [p. 387] geen aangenaamer rook, als die van de paarden: en geen aangenaamer geklaater, als van de harnassen.
    Daar over begon Epistemon te glim-lagchen, en zeyde; my dunkt, daar is geen schoonder schaduw, als die van de keuken: geen liever rook, als die van de pasteyen: geen liever geklaater, dan die van de drink-schaalen.
    Maar Panurge schoot’er dit schots mede onder; daar is geen liever schaaduw, dan die van de gordijnen: geen liever rook, dan die van de Vrouwen borsten: en geen zoeter geklaater, dan die van ’t gekus. Daar mee opstaande deed hy een scheet, een sprong, met een slag op zijn gat, en scheeuwde met een schrikkelijk, hoewel vrolijk geluyd; LANG LEEF PANTAGRUEL.
    Het welke Pantagruel met wel-gevallen aanschouwende, wilde mee van gelijken doen: maar door de scheet, dien hy uytparste, beefde de aarde negen mijllen in ’t rond; waar uit, nevens de bedurven lucht, voortquaamen meer dan drie en vijftig duyzent zeer kleine dwergjes en mismaakte mannetjes: Ende door een veest dien hy sluypen liet, quaamen even zoo veel kromme, bukkende en gebugchelde vrouwtjes voort; gelijkje die noch op veele plaatsen ziet, die nimmermeer grooter worden, of het moest weesen, gelijk de steerten der koeyen, die na de grond toe wassen, of wel in ’t rond, als de raapen van Limoges.
    Wel hoe, zeyde Panurge, zijn uwe scheetten en vijsten zoo vrugtbaar? Siet hier, begett, schoone scheetten van mannen: en fraaye vijsten van Vrouwen, men behoordese ’t zaamen te huwelijken, zy zullen zeeker koevliegen [p. 388] voort-teelen. Het welke Pantagruel deede, en noemdese Pygmeen: en schiktese heen om haar te onthouden op een eyland daar na by; daerse naaderhand zeer vermeenigvuldigt zijn; maar de kraanen doen haar geduyrig den oorlog aan; waar tegen zy zich manhaftelijk verweeren: want deese eindetjes van mannen (diemen in Schotland roskams-hechten heet) zijn doorgaans gram-moedig en haast op haar paardtje; de natuur-kundige reeden daar af is, door dien haar het hert te na by den drek leyt.
    [Aardig bedrijf na de wiskonst.] Te dier zelver tijd nam Panurge twee glaasen die daar stonden; beyde van een grootte, en goot die tot de rand toe vol water, en zette het eene op den eenen voetbank, en het ander op een andere; staande ontrent vijf voeten van den anderen: daer na nam hy een stok van een korte piek, zijnde zeste half voet lang, en voegde die op de twee glaazen; in zulker voegen dat de twee einden van de stok effen raakten op de randen der glaazen. Dit gedaan sijnde, greep hy een dikken staak, seggende tot Pantagruel en de andere; mijn Heeren, merkt eens, hoe lichtelijk wy de overwinning zullen verkrijgen over onse vyanden: want even zoo gemakkelijk als ik dezen stok op de glaazen zal breeken, zonder dat de glasen in ’t minste geschaart of gebrooken zijn: jaa, dat noch meer is, zonder dat’er een eenig
druppeltje waaters uit storte; zullen wy ook de hoofden van dese Dipsoden, of dorstige gasten, verbreeken, zonder dat’er iemand van ons gequetst of bezeert zal worden; zelf, zonder eenig verlet of verlies van onze noodige beesigheeden. Doch op datje niet en denkt, dat’er eenige besweeringe [p. 389] mee gemengt is, houd daar (zeyde hy tot Eusthenes) slaat gy met deezen dikken paal zoo krachtig, als gy kunt op ’t midden van de stok. ’t Welk Eusthenes doende, dee den dwars-stok effen aan twee gelijke einden breeken, zonder dat’er een druppel waters uyt de glasen quam te storten. Daar op zeyden hy, ik weet’er nog wel anderen; laat ons nu slechts wel verzeekert daar na toe trekken.



                XXX. HOOFT-DEEL.

    Pantagruel laat zijnen gevangen gaan:
        doet hem een fles en valsche tijding
        aan zijn Koning brengen: en ont-
        dekt aan zijn volk zijn voorneemen.

NA al dit doen en gesprek, riep Pantagruel den gevangen voor zich: en zond hem weder na de zijne: zeggende; gaat nu weder tot uwen koning in zijn leger, en breng hem tijding van ’t geene gy by ons gezien hebt: hem waarschouwende, dat hy staat heeft te maaken, om morgen tegen de middag my te onthaalen: want zoo haast mijne galeyen zullen aangekomen zijn, ’t welk wesen zal morgen uchtend ten allerlangsten, dan zal ik hem komen bezoeken met achtien hondert duyzend wel gewaapende mannen, en zeven duyzend reuzen; alle noch veel grooter als gy my nu ziet: en zeg hem, dat hy wel dwaaselijk gedaan heeft, tegen alle reeden dus in mijn land te val- [p. 390] len. ’t Welk Pantagruel zoo veynsende voor gaf, als of hy een groote vloot over zee verwachte.
    Doch de gevangen man antwoorde, dat hy hem tot sijn slaave overgaf; en dat hy wel geneegen was, noyt van zijn leeven weder te keeren tot de zijnen: jaa dat hy veel liever wilde vechten voor Pantagruel tegen de zelve; biddende om Gods wil, dat hy hem dat wilde toestaan. Waar toe zich Pantagruel geenzins wilde laaten bewilligen: maar belaste hem haastelijk van daar te vertrekken, en heenen te gaan daar hy hem bevolen had. Toen gaf hy hem meede een fles vol wit nies-poeder in sterk water gemengt, tot de dikheid van een papje; hem gebiedende die aan zijn koning te behandigen, en daar by tot hem te zeggen, dat, indien hy daar af een paar lood kon nuttigen zonder drinken, hy hem zou konnen weerstaan zonder schroomen.
    Daar op bad den gevangen hem met gevouden handen, dat hy ten tijde, als de veld slag gewonnen was, doch medelijden met hem geliefde te hebben. [Godvrugtige vermaaning en redenen.] Waar tegens Pantagruel hem te houden gaf; na dat gy alles aan uwen Koning geboodschapt hebt, zet al uwe hoop in God, en hy zal u noyt verlaaten. Want, wat my belangt, hoewel ik magtig ben, gelijk gy zelf zien kunt, en ontallijk veel volk van waapenen ter hulp heb, niet te min stel ik mijn hoop noch betrouwen op mijn magt en sterkte, noch op mijn kloek beleyd: maar al mijn toeverlaat is op God mijn behoeder, de welke nimmermeer verlaat die geene, die haar hert en hoop op hem hebben gevest.
[p. 391]
    Na dit goedvrugtig vertoog, begeerde de gevangene, dat hy, aangaande de begrooting van zijn losgeld, doch wat gunstelijk geliefde te handelen. Daar op hem Pantagruel antwoordde: dat zijn toeleg geenzins was, de lieden door groot losgeld te berooven en beroyt te maaken: maar haar te verrijken, en in een volkomen vrydom te her-stellen. Gaat maar heen, zeyde hy, ind vreede en vreeze Gods, u noyt mengende met Godloos gezelschap, op dat u geen ongeval over en koom.
    [Krijgslist.] Als den gevangenen vertrokken was, zeyde Pantagruel tot zijne gezellen; mijne kinderen, ik heb dezen gevangenen wijs gemaakt, dat wy een scheeps-vloot, met meenigte van volk op Zee hebben: en met een, dat wy haar niet zullen komen bespringen voor morgen ontrent de middag; ten dien eynde, datze bekommert over de komst van zoo veel volks, dezen nacht mogen beezig gehouden worden met order op alles te stellen, en zich te versterken; doch ondertusschen is mijn meening haar te overvallen, en bevechten, ontrent den tijd van haar eerste slaap. Hier zullen wy Pantagruel met zijn gezellen een weinig laaten blijven: en spreeken van den Koning Anarche met zijn heirleger.



[
p. 392]

                XXXI. HOOFT-DEEL.

    De gevangen man komt by den Ko-
        ning
Anarche: brengt hem de tij-
        ding van
Pantagruel: geeft hem de
        flesse en ’t geen’er op volgt.

SOo haast den gevangen man nu in ’t leeger aangekoomen was, vervoegde hy zich daadelijk by den Koning, en verhaalde hem, hoe dat’er gekomen was eenen grooten Reuze geheeten Pantagruel, dewelke overweldigt, vernielt en wreedelijk doen branden en braaden had alle zijne zes hondert negen en vijftig uytgezondene Ruyters: en dat hy alleen maar was overgebleeven om zijnen Koning daar af de tijding te brengen: dat daar en booven de zelve reuze hem bevoolen had den Koning aan te dienen, dat hy hem tegen ’s anderen daags het middagmaal gereed maaken moest; alzoo hy gezint was hem ontrent dien tijd te komen bezoeken, en in ’t leeger vallen.
    Voorts leverde hy den Koning over den flesse daar de toegemaakte kruyderijen in waaren, daar by voegende de reeden die hem door Pantagruel daar by te zeggen bevoolen waren: Derhalven de Koning terstont daar af de proef willende nemen, de flesse met’er vaart aan de mont zette, om een goeden toog te slorven: [Wonderlijke dorst en Wijze van drinken.] Maar zoo haast hy ontrent een lepel-vol daar van had doorgeswolgen, kreeg hy zoo geweldigen verhitting in zijn keel, met ontsteeking van den [p. 393] huyg, dat hem ’t vel van de tong stroop: en wat hulp-middel men daar tegen in ’t werk stelde, hy gevoeld’er gansch geen verlichting door, als alleenlijk wanneer hy zonder eenmaal af te houden geduyrig dronk: want zoo haast hy den beeker maar een oogenblikjen van de mond afhield, om te laaten inschenken, was’t even of hem de tong in ’t vuur, of in den brand was. Derhalven men bedacht hem een grooten trechter in de mond te steeken, en dus deedmen gestaadig niet anders dan wijn ingieten, op een wijze als men de tonnen en groote vaaten vult.
    Sijne Oversten, Hooftlieden, Bassa’s en lijfwachters dit ziende, zochten, uyt nieuwsgierigheid ook eens van dit bereydzel te proeven, om te ondervinden, ofse ook zoo dorstig en natgierig zouden zijn: maar het ging en beving haar even eens, als haaren Koning; zoo datse alle met malkanderen aan ’t pullen en opvullen vielen, met zoo schrikkelijken geschreeuw en getier; dat’er een gerugt af door ’t geheele Leger liep; als dat den gevangenen was weder gekomen, datmen des anderen daags den viand in een Veld-slag te verwachten had: en dat derhalven de Koning met sijn Oversten, nevens sijne Lijf-wachters zich daar toe al vaardig maakten, en dat door geduurig van liever al Lurkende te drinken. Dieshalven een jegelijk der Krijgs-knechten, het geheele Leger door desgelijks zich zetten tot zuipen, tot pullen, tot pooijen en drinken, dat het een lust was te zien.
    Kort om, sy zoopen zich al t’zaamen zoo vol en dol, datse eindelijk onder voeten en [
p. 394] voort in slaap vielen, en laagen hier en daar verstrooit over ’t Veld, als swijnen in hun drek. Daar zullen wy haar nu zoo lange laaten leggen, tot dat haar Pantagruel met sijn Volk onzacht weder wekken komt. Waar toe wy ons nu weder willen wenden, en verhaalen, hoe hy op desen tocht zich droeg.



                XXXII. HOOFT-DEEL.

    Optocht van Pantagruel: sijn voor-
        raad: en wonderlijke Overwin-
        ning tegen
Anarche, Koning der Dip-
        soden.

WAnneer ’t nu Pantagruel dagt tijd te zijn, toog hy op van de plaats der op gerechte zeege-zuillen: nam de Mast van haar Schip in sijn hand, tot een wandel-stok: na dat hy de Mars, die daar om was, wel voorzien en bezett had met twee honderd zeven-en-dartig vaten vol witten Wijn van Anjou, de overige was van Rouan: en aan sijn riem bond hy de Boot, tot de boorden toe met zout gevult: daar mee hy al zoo licht heen ging stappen, als de gemeene Krijgs-knechten met haar kleine pakjes en holsters.
    Toen hy nu met sijn Gezellen zoo verre was voortgegaan, dat hy ’t Leeger der Vianden naderde, zeide Panurge tot hem; Mijn Heer, wilje wel doen? Drink uit desen witten Wijn van Anjou, die in de Scheeps-mars leit, [p. 395] en laat ons hier meede een Bretanzen dronk doen tot den bodem toe. Waar meede Pantagruel wel louter te vreeden was: dus dronkense alles zoo schoontjes uit dat’er van die twee hondert en-zeven-en-dartig dubbelde aams-vaten [Poinsons] niet een eenig druppeltjen over bleef; uitgenomen een zeems-leeren zak tot Tours bereid, die Panurge voor zich zelf in ’t bezonder gevult had, en die hy sijn (vade mecum) tijppel-stok noemde, met zommige slordige zakjes tot wijn-eedik.
    Na datse nu wel aan ’t leertje gelurkt hadden, of wel en bet gezoopen; gaf Panurge aan Pantagruel te eeten eenige duivelerije van droogen, t’zamen-gemengt van Pithotripon, nephrocatarticon, coudignac, Spaanze-vlieg-vet, en andere pis-drijvende dingen; dien hy als een goeden slokker ook vinger-lik in-slingerde: en voort tot Carpalim zeide; loop haastig heenen naa de Stad, klauwterende by de muuren op als een rat, gelijk gy zeer wel weet te doen: en zeg, dat ik haar doe weeten, datse daadelijk zoo fellen uitval op den Viand komen doen, als haar immer mogelijk is: en zoo haast gy dat gezeit zult hebben, klim weder af, en neem een ontsteeken Toorts, daar mee gy ’t vuur in alle Hutten en Tenten van ’t geheele Leeger zult steeken: en dan u van daar maakende zoo luiden en lelijken kreet geven, als gy uit uw groove klok-keel brengen kunt.
    Alwel, antwoordde Carpalim: maar zoude ’t mee niet goed zijn, dat ik alle haar stukken Geschuts ging vernaagelen? Neen, neen: sprak Pantagruel, maar je meugt het vuur wel in haar bus kruid steeken. Waarin hem Car- [p. 396] palim geerne gehoorzaamde: vertrok terstond, en volbragt met’er vaart al wat hem van Pantagruel opgeleid was: fluks vielen alle weerbaare Mannen, zoo meenig als ’er waaren, ter Stad uit: en zoo haast hy het vuur in alle haare Hutten en Tenten had ontsteeken, liep hy lichtjes over haar heen, zonder datse het eensjes gevoelden, zoo diep en gevoeleloos lagense in slaap te snorken: Toen hy quam ter plaatze daar ’t geschut en bus-pulver lag, ging hy ’t zoo schielijk en rookeloos aansteeken, dat den armen Carpalim het grootste gevaar van de wereld liep, van door d’onvoorzienze slag en vlam verstikt en verzengt te zijn: En, ten ware geweest sijn wonder vlugge snelligheid, hy had als een hoentje al gebraaden geweest: maar hy vluchtte of vloog veel eer zoo vaardig van daar, dat geen kogel uit een hand-bus of voet-boog feller voort vliegen kan,
    Zoo haast hy buiten haar bewallingen was, gaf hy zoo een schrikkelijken schreeuw, dat het scheen, of alle Duivelen te gelijk ontkeetent waren. Op welk geluid de Vianden wakker wierden: maar weetje wel hoe? met zulken verbaasden verbijsteringen als de Monniken op ’t eerste klok-klippen van de Metten; ’t welck men op sijn Luçons [Bischoppelijke Stad in Poictiers] (frotte-couille) kloot-klouwer noemt.
    Onder tusschen trad Pantagruel toe, en ging door ’t Leeger heen sijn zout zaijen, dat hy in sijn boot droeg: en door diense met opene keelen, en wijd-gaapende monden op de rug lagen ronken, gooide hy haar de gansche gorgel vol zout, zoo dat die arme stumpers hoesten als verkoude katten, krijttende, Ha Pan- [p. 397] tagruel, gy stookt ons dit vuurtjen te heet. Kort daarna kreeg hy nood om te pissen, door drift van de droogerijen, die Panurge hem ingegeven had, dies zeikte hy zoo sterk en overvloedig over ’t geheele viandlijke Leeger, dat hyse alle met den anderen dee verdrinken: en dat was een ongemeenen oploop van Water tot tien mijlen in ’t ronde.
    In de oorspronkelijke beschrijvinge van dese geschiedenisse staat verder; dat, indien dat groote bak-beest van sijn Vader daar by geweest ware, en mee zoo gestreuilt had, dat ’er noch veel vervaarlijker Zund-vloed uit ontstaan zou hebben, als die ’er ten tijde van Deucalion was: want dat drommelze dier piste niet een maal, of daar rees een Rivier uit, die veel grooter dan de Rhone, of den Donau was.
    Als die van de Stad dese op-waatering
gewaar wierden, zeidense; Sy zijn zeekerlijk al t’zaamen in een bloedigen Veld-slag verslaagen, ziet, hoe het bloed tot hier toe heenen komt loopen: Maar se waren wel bedrogen; waanende dat de pis van Pantagruel was het bloed van de Vianden: want se konden niet wel zien, dan by de flikkering van de vlam der brandende Tenten, en een weinich scheemer licht van de Maan.
    Verscheidene van de Vianden, na datse ontwaakt waren, ziende aan de eene kant haar Leger in de brand, en aan de ander kant de over-stroominge van de pis-vloet, wisten niet watse zeggen of denken zouden, den eenen zeide, het zal misschien den Jongsten dag, en de voleindinge van de wereld wesen; die doch door vuur vergaan moet. Den anderen dacht, dat [
p. 398] de Zee-goden, Neptunus, Proteus, de Tritons en andere haar viandelijk vervolgden, en dat’et in der daad Zee-water, en gewisselijk zeer zout was.
    O! wat wijs-hooft zal nu vorder verhaalen, hoe heldelijk Pantagruel zich droeg tegen de drie hondert Reusen! O mijn Zang-Godin! mijn Caliope! mijn Thalia! Laatme nu uw gunstige in-blaasingen genieten! herstel en verfris mijne geesten: want ziet hier alree den Eesels-brug der reede-konst, ziet hier den stronkel-baan, ziet hier de swaarigheid, van te konnen uit-beelden het vervaarlijk gevecht, dat’er voorgevallen is. Om mijnen ’t halven wenschte ik tegenwoordig veel liever een loutere flesse van den besten Wijn, die’er immer gedronken is, door de geene, die deese zoo Manhafte geschiedenis zullen leesen.



                XXXIII. HOOFT-DEEL.

    Pantagruel bevecht en verwint Loup-
        garon der Reusen Hoofman: en
        verslaat voorts de drie hondert
        Reusen met zark steenen gewaa-
        pent.

DE Reusen ziende, dat haar geheele Leeger onder waater stond, namen haaren Koning Anarche op den nek en droegen hem zooze best konden van daar, tot buiten [p. 399] de bewalling; even als Aenaeas sijn Vader Anchises uit den brand van Troijen bragt. En als Panurge de zelve gewaar wierd, zeide hy tot Pantagruel; mijn Heer, zieje daar de Reusen wel die noch desen dans ontsprongen zijn? legse louter uw mast over de lenden, naa de manier van de oude scherm-konst: want nu is ’t de tijd, datmen zich betoonen moet een eerlijk kloekmoedig Krijgs-man te zijn: En van onser zijde zullen wy u geenzins verleegen laaten: maar ook al getrouwelijk bystaan; jaa ik derf u vrymoedelijk belooven, dat ikje zelf een goed deel om hals helpen zal: en waarom niet? Eenen kleinen David bragt zoo lichtelijk eenen grooten Goliath om.
    En dan noch desen grooten Gaauw-dief Eusthenes, die dikken Donder die zoo swaar en sterk is als vier Ossen, zal zich mee niet ontzien zijn best te doen. Grijp maar moed: Houw’er op in als een Smid; dwars of recht zoo ’t best wil lukken. Hey ’t za, zeide Pantagruel, van kloekmoedigheid heb ik meer dan voor vijftig Franze guldens: maar hoe? Hercules zelf ontzag zich tegen twee gelijk aan te gaan.
    Dat is, zeide Panurge, een goede scheet op mijne neus; meent gy u by Hercules te gelijkken? Gy hebt, by get, meer magt in u tanden, en meer verstand inje gat, als Hercules in sijn geheele lijf en ziel al te zaamen had. Zoo veel verstrekt een Man, als hy zich zelve schat.
    Terwijlse noch dese reeden met malkanderen hadden, komt Loupgaron met sijne Reusen daar aan stoot-schaven; dewelke
Pantagruel alleen ziende, wierd met overmoed en vermeetel- [p. 400] heid bevangen; zich inbeeldende, dat hy desen goeden hals alleen wel haast sijn laaste zegen geven zou. Derhalven, hy tot sijne Gezellen, de andere Reusen zeide; Schenders van de platte Landen, ik zeg u by gants-zakker-eele-male masten, zoo zich iemand van u lieden verstout tegen deesen te strijden, ik zal u een wreeden dood doen sterven: ik beveel u, dat gy my met hem alleen laat vechten, ondertusschen meugt gy-lieden u geneugt neemen van onsen strijd te aanschouwen.
    Daar op traaden alle Reusen te rug met haaren Koning, tot naa by de plaats, daar de flessen, en Panurge, met sijn Gezellen waaren, die hem hield eeven eens of hy de pokken had: want hy wrong den hals, trok de vingeren in, en met een schorre stem; Ik staa t’eenemaal af, gy goede Gezellen, wy willen geen Oorlog voeren; laat ons toe een weinig met u-lieden te eeten, terwijl onse Meesters haar gevegt uit-voeren. Waar mee de Koning en de Reusen zeer wel te vreeden waaren, zoo datse smaakelijk met haar smulden.
    Onder des praatte Panurge haar te vooren de fabeltjes van Turpijn, de weldaaden en deugden van Sinte Nicolàs, met de vertelling van den Oijevaar, die in sijn Land Burgemeester was, en zoo voort.
    Loupgaron trad dan toe na Pantagruel, met een groot onbehouwen stuk staal of knods wegende wel duisend zeven honderd quintaalen, met noch twee vierendeelen, yder quintaal gereekent tot hondert ponden gewigt, aan ’t einde van de welke waren in gezet dertig punten van diamanten, daar af de kleinste ten minsten [p. 401] zoo groot was, als de grootste klok van onser Lief-vrouwen Kerke tot Parys; (of daar mogt misschien aan scheelen de dikte van een nagel, of liever (op dat ik doch niet en lieg) de rugs dikte van een mes, dat men oor-afsnijder noemt; ten minsten ’t zal zeer weinig onder of over verscheelen: dese knods was zoodanig beswooren, of, om beter te zeggen, genood-schikt, dat hy nimmer breeken kon: maar in tegendeel al wat’er mee getroffen wierd, moest terstond in stukken bersten.
    [Gebed.] Hier meede dan quam Loupgaron zeer stoutelijk en trots aan treeden, terwijl Pantagruel sijn oogen ten Hemel heffende, van goeder herten hem geheel aan God over gaf: en dusdaanigen gebed en belofte dee; Heere God, die altoos mijn behoeder en helper geweest zijt, gy ziet de verleegentheid daar ik tegenwoordig in ben. Niets heeft my bewogen hier te komen, als den ingebooren yver, dien gy altoos in de menschen goed-gekeurt hebt, om zich zelve, haar Land, haare Vrouwen, Kinderen, Huis-gezin, en Onderzaaten te beschermen, en voor te staan: want wanneer ’t een zaak is, die u zelve of ’t geloove aangaat, daar in begeert gy geen mede-hulper; volgens de algemeene belijdenisse, en verkondiging van Gods Woord; waar in gy ons alle tegenweer en waapenen verboden hebt; dewijle gy zelve almagtig zijt, en die in uw eigen zaaken, daar uw eigen belang u ter wraake port, uw zelve veel kragtiger verdeedigen kont, alsmen zou konnen verzinnen; Gy, die den Hemel en de Aarde draaijt na uw welgevallen: Gy, die daar hebt meenig duisend-maal dui-[p. 402] senden Heir-legers van Engelen, van welken de minste magtig is alle menschen om ’t leven te brengen; gelijk wel eer gebleeken is aan ’t Leger van Sennacherib: In dien ’t u dan belieft my bystand te doen, gelijk ik op u alleen mijn hoop en vertrouwen stel; [Belofte.] zoo doe ik u belofte, dat ik zoo in alle Landschappen van dit Koning-rijk Utopia, als elders, daar ik eenige magt of gezag over heb, uw heilig Euangelium zuiver, eenvuldig en volkoomen zal doen verkondigen, zoo dat de mis-bruiken van een groot getal Schijn-heiligen, en valsche Leeraars, die door menschelijke instellingen en verdurven bedenkingen de geheele wereld vergiftigt hebben, door my al-om verbannen zullen zijn. Daar op wierd een stem van den Hemel gehoort, zeggende; (Hoc fac: & vinces) doet dat, en gy zult de overwinning behaalen.
    Als Pantagruel ondertusschen Loupgaron zeer na by gekomen zag, en dat hy de mond wijd open hield, trad hy hem stoutelijk te gemoet, schreeuwende zoo luid als hy konde, slaa dood den Schelm, slaa dood: om hem een schrik op ’t lijf te jaagen, na de leering der Lacedemoniers met haar vervaarlijk gekrijt: Voorts wierp hy hem uit den bark, dien hy aan sijn gordel droeg, meer dan achtien wijn-pijpen vol zout in sijn ruijmen smoul en bakkis; zoo dat hy hem keel, krop, neus, oogen en alles vulde: Daar door Loupgaron gansch gestoort, hem een swaaren slag met sijn knods toebragt, waarmee hy hem meende den kop in stukken te slaan: Maar Pantagruel was te wel op sijn hoede, altoos vaardich in ’t wijken, en voor [p. 403] hem te zien; dieshalven hy met de linker voet een treed achterwaarts deijsde: nogtans kost hy ’t zoo kort niet ontwijken, of de slag trefte het zout-scheepje, dat hem op zy hing, ’t welk in vier duisend ses-en-tachtig splinters sprong; zoo dat het overige zout ter aarden stortte.
    [Vreeslijk Reuze gevecht.] ’t Welk Pantagruel ziende, strekte fluks en vaardig sijn armen uit, en eeven alsmen een bijl handelt, vatte sijn mast-stok met beide sijn handen, sloeg Loupgaron met het dikste eind op sijn borst: en hervattende den slag ter slinker zy, gaf hem een dwars-slag tusschen hals en hals-kraag: daar na den rechter voet voor-uit zettende, stiet hy met het spits van de mast, als met een piek op sijn manlijkheid, waar door de mars brak, en wel drie of vier groote vaten wijn, die noch overig waren, wech storten: waar door Loupgaron dacht, dat Pantagruel hem de blaas door-boord hadde, en dat de gestortte wijn sijn pis was, die’er uit-liep.
    Pantagruel daar mee niet te vreeden, wilde sijn steek verdubbelen; maar Loupgaron sijn kolf om hoog heffende, stapte een treed nader aan, en meende die met al sijn kracht Pantagruel door ’t lijf heen te slaan: en in der daad hy sloeg zoo geweldig, dat, in-dien den goeden Pantagruel niet wonderlijk was bewaart, hy zou hem van sijn kruyn, tot de middel toe ten minsten door geklooft hebben, doch de slag schampte ter rechter zy, door het heel haastig wech-wijkken van Pantagruel; zoo dat de knods wel drie-en-zeventig voeten diep in de aarde door-drong, dwars door een dikken rots; waar uit een vonk vuur spatte, noch dikker als negen duisend en ses tonnen.
[p. 404]
    Pantagruel ziende dat hy zich op hield met trekken aan sijn knods, die tusschen de rots en de aarde beklemd was, viel op hem in, en willende hem den kop effen van den romp slaan, raakte ten allen ongeluk een weinigjen aan ’t eind van de knods van Loupgaron, die (zoo te vooren verhaalt is) genoodschikt was; waar door hem de mast tot op drie vingeren by de hand af brak. Daar over hy meer verstelt stond als een klok-gieter, dien ’t mislukt is: en schreeuwde, ha Panurge, waar benje nu? ’t Welk Panurge verneemende, sprak tot den Koning en de Reusen; zeeker, sy zullen malkander bezeeren, wie zouse niet willen scheiden? maar de Reusen waren zoo bly, ofse ter bruiloft waren.
    Toen bestond zich Carpalim op te rechten om sijn Meester te ontzetten: maar een Reus riep hem toe; Ik sweerje by Golfarin de Neef van Mahom, zooje een voet van hier verzett, ik zalje onder in mijn bokzen steeken, gelijkmen de zet-pillen doet, dewijl my doch de buik verstopt is, en dat ik niet wel kakken kan; als met louter op de tanden te knerssen.
    Ondertusschen Pantagruel van hand-geweer berooft, vatte sijn stukje van de mast weder op, en sloeg vast flink, flank, op de Reus, maar het deed hem geen meer hinder, of men een knip op een Smids ambelt gegeven had.
    Terwijl trok Loupgaron sijn kolf weer uit de grond: en had hem alree om hoog geheven, en wende hem om Pantagruel wis te treffen, die zich staag en snel in ’t beweegen hield, en ontweek al sijn slagen, tot dat hy een maal (merkende, dat Loupgaron hem dreijgde, zeg- [p. 405] gende, o schelm, te deser uure sal ik u hakken als vinken tot een vleesch-pastey; nimmermeer zult gy d’arme menschen meer dorstig maaken;) hem zoo geweldigen schop voor sijn buik gaf, dat hy hem achter over dee ploffen, met de beenen om hoog; daar by hem Pantagruel vatte, en sleepte hem alsoo met sijn bloote gat langs de steenige grond wel een boogscheut weegs.
    Dies kreet Loupgaron als een schelm, terwijl hem ’t bloed tot den bek uit-liep; Mahom, Mahom, Mahom; op welk geluid zich alle Reusen te been begaven, om hem te helpen: Maar Panurge zeide haar; mijn Heeren, ik raadje niet datj’er heen gaat: want onse Meester is dol: hy bruijt in ’t honderd om, recht, dwars, zonder te zien waar hy u met een slingerslag treft. Doch de Reusen reekenden sijn zeggen weinich; dewijlse zagen, dat Pantagruel zonder stok was.
   
[Wonderlijk hand geweer.] Toen haar Pantagruel zag aankomen, greep hy Loupgaron by beide sijn beenen, en zoo sijn ligchaam als een piek om hoog heffende, sloeg en slingerde hy met het zelve, zoo ’t met de Ambeelden gewaapend was, op de Reusen, die met zark-steenen gewaapent waaren, zoo geweldelijk gins en weder; dat hyse altemaal vergruisde, gelijk een Metselaar sijn puyn; en niemand voor hem staan bleef, dien hy niet ter aarden neder wierp.
    Welk breeken en barsten der steenen-harnassen, zoo schrikkelijken gedruis veroorzaakte, dat ik ’t niet weet te vergelijkken, als by ’t omverr vallen van den grooten boter-tooren, die tot Sinte Steven van Bourges stond, en [
p. 406] in de Zon smolt. Panurge, nevens Carpalim en Eusthenes keelden ondertusschen alle de Reusen, die ter aarden geslagen waren: en gy meugt wel reekening maaken, dat ’er niet een enige ontquam.
    [Wonderlijke maijer en gras.] Die toen ter tijd Pantagruel gesien had, zou’ gezeit hebben, dat hy wel een Maaijer geleek, die met sijn zeijssen, (dat was Loupgarons ligchaam) het gras op ’t veld af maaijde (dat waren de Reusen.) Maar in dese schermutzeling verloor Loupgaron sijn hooft; ’t welk gebeurde toen Pantagruel daar mee neder-velde eenen die genaamt wierd Riflandouille, en met een heerlijker toestel van grauwe graf-steenen bedekt was; waar af eene barst Epistemon den gorgel heel opscheurde. Want anderzins was ’t meerendeel der zelver slechts lichtjes bekleed met schaalijen, en de andere met schuirsteen.
    Ten lesten toen Pantagruel zag, datse al te maal dood lagen, wierp dat groote swaare ligchaam van Loupgaron met al sijn Ambeelden zoo verd als hy konde na de Stad toe: en het quam te vallen gelijke de kik-vorsschen op den buik, op een plaatze der stad, diemen Mage noemde: ende met sijn val doodde en verpletterde ’t zelve ligchaam, een verbrande Kater, een verdronken Kat, een wrakke steenen Pot, en een gebreidelde Gans.



[
p. 407]

                XXXIV. HOOFT-DEEL.

    Epistemon word wonderlijk door Pa-
        nurge geneesen: brengt tijding van
        de Duivels en verdoemde.

DEese neerlaag en vernieling der Reusen aldus volbragt zijnde, vervoegde zich Pantagruel ter plaatze daar de Wijn-flessen stonden, roepende Panurge en de andere by hem; die zich noch fris en gezond weder aan hem vertoonden, behalven Eusthenes den welken een der Reusen een weinigjen in ’t aangezicht gekrabt had, terwijl hy hem de keel afstak, en Epistemon, die niet te voorschijn quam. Daar over Pantagruel zoo zeer mismoedig wierd, dat hy zich zelf den dood-steek dacht te geven; maar Panurge vertrooste en zeide hem; Hou moed mijn Heer, wacht maar een weinig: wy zullen hem gaan op-zoeken onder de dooden, en de waarheid van alles verneemen.
    [Epistemon doot gevonden.] Terwijlse dan de een hier, de ander daar liepen soeken, vondense hem ten lesten mede stijf dood leggen, met het hooft tusschen sijn armen t’eenemaal bebloed. Daar op Eusthenes al huilende uitriep; Ha! verwoedde dood, hebt gy ons ontnomen den volmaaksten Man des werelds! Op welk gehuil Pantagruel op rees, met het meeste misbaar, datmen oyt ter wereld heeft zien bedrijven: En sprak tegen Pa- [p. 408] nurge Och! mijn Vriend, de voor-beduiding van uw twee glaasen, met den spiets-stok is wel ter deegen bedriegelijk geweest.
    Maar Panurge sprak troostelijk; Kinderen, laat af van schreijen: Hy is noch geheel warm: Ik zal hem wel weder geneesen, en u al zoo gezond leveren als hy van sijn leven geweest is. [Epistemon van de dood verwekt.] Dit zeggende greep hy het hooft en hield dat tegen sijn lijf op sijn latze, op dat’et geen wind vatten zou: Eusthenes en Carpalim droegen het ligchaam ter plaatze daarse geschaft hadden; niet op hoop van hem immer te geneesen, maar op dat Pantagruel hem zien mogt. Niette-min gaf Panurge hem goeden moed; zeggende, zoo ikje hem niet genees, wil ik mijn kop verlooren hebben; (’t welk een zot sijn loon is) laat af van weenen, en reik hier toe den behulpigen hand.
    Toen wiesch hy hem den hals met zuiveren wijn wel schoon, en voorts het hooft: en bestrooijde de wonde met poeijer van diamardis, dat hy geduurig by hem droeg in een van sijn zakjes: daar na besmeerde hy de zelve met ik weet niet wat zalf: en voegde het gescheide weder effen tegens malkanderen; aader tegen aader, zeenuw tegen zeenuw, pijpje tegen pijpje; op dat hy geen scheef-hals worden mogt: (want zoodanige haatte hy tot ’er dood) dit gedaan hechte hy ’t rondom met vijftien of sestien naalde steeken; op dat het niet weder te vallen quam, ten laatsten smeerde hy’er rondom een weinig van een zeeker zalfje, dat hy weder opwekkend noemde.
    Onverwacht begon Epistemon weder aazem te haalen: weinig daar na sijn oogen te oopenen: [p. 409] daar na te geeuwen: voorts te niesen: en eindelijk een grooten scheet van voordeel te laaten loopen. Daar op Panurge gansch vroolijk uitriep; Waarachtig nu is hy onfeijlbaar geneezen: en gaf hem een goed groot glas zeer sterken witten wijn te drinken, en een gezuikert rooster-gebraatje te eeten.
    Op dese wijse wierd Epistemon wonderbaarlijk van den dooden verwekt, en van sijn geborste strot gansch geneesen, behalven, dat sijn keel over de drie weeken heesch en schor bleef, met een droogen hoest, daar van hy nimmer geneesen kon worden, dan door overvloedig drinken. [Tijding uit de Hel.] Soo haast hy begon te spreeken, verhaalde hy, dat hy de Duivelen gezien had: met Lucifer gemeenzaamelijk gesprooken: en in de Helle hem lustig met zuipen en vreeten vermaakt had: Dat hy ook in de Eliseesche velden was geweest: en verzeekerde voor een jegelijk, dat de Duivelen goede Gezellen waaren.
    Aangaande datmen zeggen wil van ’t lijden der verdoemde, verklaarde hy, dat het hem zeer speet, dat Panurge hem zoo haast in dit leven herroepen had: Want ik genoot, zeide hy, een bezondere geneugt en korts-wijl in haar te zien. Hoe dat doch? vraagde Pantagruel. Men handeltse, antwoordde Epistemon, zoo quaalijk niet, als gy wel meugt meenen; [Den staat der grooten in de Hel.] maar haar staat is verandert op een wonderlijke wijse: Want ik heb’er gezien, dat

    Alexander de Groote daar zat de ouwe koussen te lappen,
        en zoo zich zoberlijk geneeren.
    Xerxes liep langs straat met Mostaart te verkoopen.
[
p. 410]
    Romulus was een gezoute Visch-verkooper.
    Numa was een Spijkker man.
    Tarquinius was een Schagcheraar.
    Piso een schamelen Landman.
    Sylla een Schuitten-schuiver.
    Cyrus was een Koe-melker.
    Themistocles een Glaase-glas-verkooper.
    Epaminondas een Spiegel-kramer.
    Brutus en Cassius waren Land-meeters.
    Demosthenes was een Wijnstok-snoeijer.
    Cicero, een Vuur-stooker.
    Fabius een koraal-rijger.
    Artaxerxes was een Touw-slager.
    Aeneas was een Meulenaar.
    Achilles was een schurfden Schobbejak.
    Agamemnon een Lek-spit, of Pan-lekker.
    Ulisses was een Hanneke-meijer.
    Nestor een Overste van de Gau-dieven.
    Darius was een Stille-veeger of Beer-steeker.
    Ancus Martius een Oud-lapper van Scheepen.
    Camillus was een Stelt-maaker.
    Marcellus zat om Boonen te peullen.
    Drusus zat Zeillen te maaken.
    Scipio Africanus liep schreeuwen met Snoertjes tot tollen.
    Asdrubal riep ouwe Lanteerne dicht te maak.
    Hannebal was een Haane-melker.
    Priamus verkocht ouwe Laakens.
    Lancelot van der Meer was een Viller van doode Paarden.

    Alle de Ridders van de ronde Tafel waren arme straat-sloven,
en riem-trekkers, om over de Water-stroomen Cocytus, Phlegeton, Styx, Acheron en Lethe te zetten, wanneer Mee-jon- [p. 411] kers de Duivelen haar op ’t Water wilden verlustigen; gelijk de Boots-luy van Lyon, en de Gondel-voerders van Venetien. Maar voor yder overvoering genietense niet meer als een mooije niemendal en op den avond, als een beetje bolster-brood.

[Grooten, handwerksluyden.]
    Trajanus geneerde zich met Kikvorsch-visschen.
    Antoninus diende voor Voet-jongen.
    Commodus was een Potsemaker.
    Pertinax zat en pluisde de basten van de Nooten.
    Lucullus maakte Teene horden.
    Justinianus liep met Schellen en Bellen om.
    Hector was een ouwe Vodde verkoper.
    Paris liep als een armen Luys-bos.
    Ajax was een Hooy-loeger.
    Cambyses diende voor Muil-ezel-drijver.
    Nero liep voor blinde Lier-man door ’t Land en Fierabras
       was sijn Knecht: maar hy speelde hem duisend schelm-
       stukken, en deed hem niet dan bruin-brood eeten, en be-
       dorven wijn drinken, terwijl hy zelf het lekkerst at en
       dronk.
    Julius Caesar en Pompejus waaren Scheeps-sjouwers.
    Valentin en Oursson pasten op ’t Kagchel-stooken.
    Giglan en Gavian waren arme Swijne-hoeders.
    Godefroy met de groote tand was een Koop-man van
       Swavel-stokken.
    Godefroy van Bouillon, of Govert met den bult, liep te
       Flik-flooijen.
    Jason was een slecht Hand-werker.
[p. 412]
    Don Pietro de Castille was een Kruijer.
    Morgan was een Bier-brouwer.
    Hugon van Bourdeaux was een Kuyper.
    Pyrrhus was een Schommel-keuken.
    Antiochus was een Schoorsteen-vaager.
    Romulus lapte ouwe Schoenen op.
    Octavianus was een Papier-bereider.
    Nerva zat te Zadel-vullen.
    Paus Julius liep met Appel-taartjes om. Maar hy droeg
       niet meer dien langen bokken baard.
    Jan van Parys was een Leerse-vetter.
    Artus van Bretaigne was een ouwe Hoed-schoonmaaker.
    Perceforest droeg Buffels brand-hout.
    Paus Bonifacius de achtste, paste op ’t Keetel-schuimen.
    Paus Nicolás de derde was een Papier-molenaar.
    Paus Alexander was een Ratte-vanger.
    Paus Sixtus stond en smeerde de pokkige.

    Wel hoe! vraagde Panurge, weetmen in die plaatzen ook van pokken? Ja gewisselijk: Antwoordde Epistemon: ik heb nergens anders zoo veel pokkige gezien; daar zijnder meer dan honderd-duisend-maal-duisend: Wantje moet weeten, dat al de geene, die in dese wereld de pokken niet gehad hebben, die in de andere wereld moeten hebben.
    By gans-bloed, sprak Panurge, zoo ben ik’er daar voor-zeeker vry van: want ik hebse al hier wel louter gehad, tot aan ’t gat van Gilbathar, of Gibralthar: daar ik de sluisen van Hercules heb gevult, en de rijpsten af gewreeven. [p. 413] Toen Epistemon sijn verhaal her-vattende, zeyde;

    Ogier den Deen was in de andere wereld een Harnas-
       schuurder.
    De Koning Tigranes was een Kaas-jaager.
    Galienus de her-stelde was een Molle-vanger.
    De vier Aymyns- of Heems-kinderen, waaren Tand-trekkers.
    Paus Calixtus was een wan-schiklijk Baard-schrabber.
    Paus Urbanus hield gebraaden Spek te koop.
    Melusina diende voor Schootel-waschster in de keuken.
    Matabrune was een Loog-lekster.
    Cleopatra had zoo wat Look en Uijen te koop.
    Semiramis zat en luisde de Bedelaaressen.
    Dido was een oud touw-plukster, of werk-verkoopster.
    Penthasilea was een Groen-wijf.
    Lucretia hield Herberg en slaapers.
    Hortensia was een Linnen-naaijster.
    Livia was een Wied-ster.

    In dier voegen, dat de geene, die in dese wereld groote Heerschappen geweest waaren, hier beneeden zeer schaamellijk en schandelijk haar onderhoud moesten zoeken. Daar-en-tegen de Wijs-aarts, en die alhier behoeftig waren geweest, die zagmen daar op haar beurt groot Meester speelen. Want ik vernam daar Diogenes, hem op ’t heerlijkst voor-doende in een groot purper kleed, met een rijks-staf in sijn rechterhand die den grooten Alexander [p. 414] schier dol dee worden, toen hy hem sijn koussen niet fraay verzoolt had, en hem met harde stok-slagen betaalde: [Epictetus pragtig en dartel.] en Epictetus prachtig op sijn Frans gekleed, onder een lieffelijken lommer met meenigte van schoone jonge Juffertjes jokkende, drinkende, danssende, en alle geneugt genietende: en by hem stonden veele zakken vol zonne-kroonen. Boven aan ’t groene Lust-huys stonden tot een spreuk dese versjes;

    Hier danst, en springt en wandelt men door ’t groen:
    Hier eet en drinkt men, zonder iets te doen
Den ganschen dag, als zonne kroontjes tellen.
En volle lust genieten zonder quellen.


    Zoo haast Epictetus my gewaar wierd, noodigde hy my zeer heusselijk met hem te drinken, ’t welk ik zeer geerne deede: dus zaaten wy op sijn Preeke-broers [Theologalement] zeer zoetelijk te zeupelen. [Cyrus beedelt.] Onder tusschen komt Cyrus hem bidden om een penningtjen ter eeren van Mercurius, om daar voor wat Uijen te koopen tot sijn Avond-maal. Neen, neen: zeide Epictetus; ik geef hier geen penningen: maar, houd daar, Beedelaar, een gouwe Franze kroon; doch draagje wel als een Man. Cyrus was wel hertelijk verheugt, dat hy zoo goeden buyt bekomen had; doch de andere schelmze Koningen, die daar beneeden zijn, Alexander, Darius en andere ontstalen ’t hem by nacht.
    Ik zag daar Patelin, Rentmeester van Rhadamante, die kleine pasteijtjes zou koopen, daar Paus Julius mede omliep: Hy vraagde hem, hoe dier loofje ’t dozijn? drie-blanken, zeide [
p. 415] de Paus. Wel ja, zeide Patelin, drie klinken op je kop; geef hier, schelm, geef hier: loop maar heen, haal andere. De arme Paus ging al schreiende heenen: maar toen hy by sijn Meester de Pastey-bakker quam, en klaagde, dat men hem sijn pasteitjes ontstoolen had; sloeg hy hem met een dik touw zoo louter om sijn lenden, dat sijn huid niet meer en deugde om zakpijpen af te maaken.
    [Valze Paus.] Ik zag’er Meester Jean le Maire, die zich aanstelde als een Paus, en bood alle arme Duivels van Koningen en Pausen sijn voet te kussen: en alsse het den stumpert deeden, gaf hy haar ook den zegen; zeggende, schelmen gaat heenen, en win uw Aflaaten, bruy heen, sy zijn goed koop: Ik schenkje den Aflaat van brood en van pot-spijs: en geefje verlof van nimmermeer iets te deugen: ook riep hy Caillette en Tribolet voor hem, en zeide tot haar; Gy Heeren Cardinalen, verveerdig haar bullen; aan yder een slag met een dikke stok over haar lenden. ’t Welk terstond zoo verricht wierd.
    Ik zag’er Meester François Villon, die Xerxes ging vraagen; hoe duur dat maatje Mostaart? Een penning, zeide Xerxes. De derde daags koorts op je lijf, jy Luis-bos, zeide Villon, het zaad geld hier maar een mijtje, zulje ons zoo nu de eet-waare overlooven? Toen pisten hy in sijn bakje, gelijk de mostaard maalers tot Parys doen.
    Daar zag ik ook Francarchier de Baignolet, die een Navorscher van de Ketters [Inquisiteur] was, die ontmoette Perceforest, die tegen een muur stond sijn Water te maaken, daar men zeide dat ie- [p. 416] mant in huis was, die ’t vuur van Sint Antonis of de roos had. Daar over kreet hy hem terstond voor een Ketter uit: en zoud hem ook levendich hebben doen verbranden, indien ’er Morgant niet by gekomen was; die tot sijn verzoening, en de andere kleine rechts kosten, hem negen vaten bier vereerde.
    Voor dees tijd, zeide Pantagruel, zal ’t zoo genoeg zijn: spaar ons dese fraaije vertellingen tot op een andermaal. [Werk der woekeraars.] Zeg ons noch maar alleenlijk, hoe de Woekeraars daar worden gehandelt? Ik hebse, zeide Epistemon, al t’ zaamen zeer nyver zien loopen om verroeste spelden en ouwe spijkers langs straat midden uit de geuten te zoeken, zoo men in dese wereld de schaamele Kinderen wel ziet doen.
    Doch het geheele hondert pond van dese leurery bedraagt niet meer dan een sneedtjen broods, en dat konnense noch zomtijds zeer qualijk daar voor krijgen; zoo dat die schaamele verschovelingen zomtijds wel drie weeken zijn zonder een beetjen of kruimtjen te nuttigen; noch even wel werkende nacht en dag, verwachtende de aanstaande merkt dag: en al dit woelen, wroeten en ongevalligheid verveelt haar noch niet, ja komt haar nau eens in gedachte, zoo slaafachtig en vervloekt zijnse; en dat door de zoete inbeelding, datse ten einde van ’t jaar een zober stuyvertjen gewonnen hebben.
    Nu wel aan, zeide Pantagruel, laat ons met malkanderen eens ter degen lustig zijn, en in ’t rondom drinken, ik bidje mijn Kindertjes: want desen geheelen week is ’t goed
drin- [p. 417] ken. Daar mee haaldense by meenigte van flessen voorden dag: en waren wakker vroolijk over ’t innemen van de omwalling des Legers. [Koningh wech geschonken.] Doch de Koning Anarche konde zich geenzins verheugen. Derhalven Panurge zeyde; tot wat hand-werk zullen wy mijn Heer de Koning nu hier aanzetten? op dat hy daar in ervaaren mag weezen, wanneer hy daar beneeden by de Duyvelen zal zijn; Waarachtig, dat is wel voor u bedacht, zeyde Pantagruel; wel aan, doet gy daar in na uw welgevallen; ik schenk hem aan u. Ik bedankje zeer, zeyde Panurge. Dat brokjen is niet te vermuylen; te meer om dat het van u komt.



                XXXV. HOOFT-DEEL.

    Pantagruel komt in de Stad der Amau-
        roten: Panurge huwelijkt den Ko-
        ning
Anarche aan een oude Vrouw;
        en maakt hem uitroeper van de groe-
        ne zoppen.

NAa deze wonderlijke overwinning zond Pantagruel den knap-handigen Carpalim na de Stad der Amauroten, om aldaar bekend te maaken, dat de Koning Anarche gevangen was, en alle haare vyanden verslaagen.
    Welke tijding verstaan zijnde, quaamen alle inwoonders gezaamentlijk in goeden order, als in zeegepraal, met een on-uytspreekelijke vreugden-gejuich ter Stad uyt treeden, en haar voor hem vertoonen: voorts hem noodigen en [p. 418] geleyden na haar Stad; alwaarse veele vreugde-vuuren ontstaaken, en groote ronde taafelen, met allerley lekkere spijsen overvloedelijk verzien, op de straaten aanrichten. [Gelijkenis van de gouden eeuw.] Dit was als een vernieuwing van de oude gouden eeuw onder d’heersching van Saturnus; zoo lustig leefde een jegelijk aldaar.
    Doch Pantagruel, den geheelen Raad hebbende doen vergaaderen, zeyde tot dezelve, mijn Heeren; Men moet het yzer smeeden terwijl het heet is: Van gelijken, eer wy ons wijder tot brassen en zuypen begeven, en ons daar mee te lang verletten, zoud ik goed vinden en begeeren, dat wy ’t gansche Koningrijk der Dipsoden zoo daadelijk zoeken te overvallen en in te neemen: die dan geneegen is met my derwaarts te trekken, maak zich gereed tegens morgen naa drinken: want als dan is mijn meening den tocht te beginnen. Niet dat ik meer volks van nooden heb, om my te helpen om ’t zelve te overweldigen: (want de overwinning is my alzoo zeeker en licht, of ikze alreede had) Maar ik bemerk, dat deze stad zoo vol en overvloedig van inwoonders is, datze langs straat haar nauwelijks wenden of keeren konnen: derhalven wilde ik een gedeelte der zelver, als een nieuwe volk-planting geleyden na Dipsodie, en haar ’t geheele land ten besten geven; ’t Welk zoo schoon, zoo gezond, zoo vrugtbaar en vermaakelijk is, jaa meer als alle Landouwen van de wijde wereld; gelijk veele van u lieden wel weeten, die’er t’andere tijden wel geweest zijn. Een jegelijk van u lieden dan, die derwaarts gezint is mee te trekken, schik zich veerdig, zoo gezeyt is.
[p. 419]
    Dit voorstel wierd als een raads besluyt, door de gansche stad verkondigt: en des anderen daags bevonden zich op de groote plaats voor ’t Koninklijk Paleys een getal van achtien hondert ses en vijftig duyzend en elf menschen buyten de Vrouwen en kleine kinderen. Aldus begondense voort te trekken recht-aan na Dipsodie in zoo goeden oorde, datze wel geleeken na de kinderen Jsraëls, toense uyt Egipten toogen, om door ’t roode meer te gaan.
    Doch al-eer ik dezen tocht verder vervolg te beschrijven, wil ik u al vooren verhaalen, hoe Panurge zijnen gevangenen den Koning Anarche ging handelen. Hy herdacht aan ’t geene hy Epistemon had hooren vertellen, van den stand der Koningen en rijcke lieden deser werelt, wanneerse in de Eliseesche velden waaren komen woonen, en hoese dan armelijk haar kostje moesten winnen met geringen en verachte hand-werken.
    Dus deed hy den gevangen Koning op een zeeker tijd kleeden met een mooy klein linnen wambisje, gansch gehakkelt als de sleuijer van een Albaner, en braave kousjes op zijn bootsgezels, zonder schoenen: want, zeyde hy, zy mogten hem zijn gezicht bederven: een klein bly-blau-mutsjen zetten hy hem op zijn hooft, met een grooten haane-veer, (ik verzinme, want me dunkt dat hy’er twee had,) daar op: en een schoone peerze en groene gordel gaf hy hem om de middel; zeggende, dat die lievrey hem wel voegde, dewijl hy (pervers) verkeert geweest was. [Pers vert peers groen klinkt byna als pervers verkeert.]
    In deze toerusting bracht hy hem by Pantagruel: en zeyde kent gy deezen knappen gast [
p. 420] wel. Neen ik zeeker zeyde Pantagruel. Dit is dan (sprak hy) mijn Heer den drie deuyts Koning: Ik meen’er een man met eeren af te maken: deze Duyvelze Koningen die nu regeeren, zijn slimmer als beesten: wantse nergens afweeten of toe deugen, dan alleen alle leed aan haar arme onderdaanen te doen, en de gansche wijde weereld door oorlog te beroeren, om haar wetteloose en vervloekelijke lust te volgen.
    [Een Koning wort een armenmoes verkoper.] Ik zal dezen in een eerlijk ampt zetten, en maaken hem roeper van de groene kruydmoes pap. Nu lustig als een man, begin eens te roepen; Hebje geen groen moes-pap van doen? en den armen Duyvel riep mee zoo. Dat is me te zacht, zeyde Panurge (en rekte hem de ooren eens) je moet my een hooger toon zingen in G zol, re, ut. ziet zoo dommen Duyvel, je hebt een goeden keel; van alje leven benje zoo niet geweest, als nu je geen Koning meer bent.
    Met alle deze dingen was Pantagruel wel gedient: Ik derf u ook wel verzeekeren, dat hy het aardigste mannetje was, dat hier ontrent op een stoks lengte te vinden zou zijn. Aldus wierd de Koning Anarche een omlooper met groen moes.
    Twee dagen daar na gaf Panurge hem ten huwelijk uyt aan een oude Lantaarn-verkoopster: en hy zelfs bereyde de Bruyloft met schoone schaaps koppen, goede rook-stukjes met mostaard, en braave worsten met look; waar af hy vijf groote schootels vol aan Pantagruel zond, die hy altemaal wel schoontjes opsmulde; zoo lekker bevond hyse te zijn: en tot drank daar [
p. 421] toe zuyren blau-jan en peer-zop: En om de arme harten noch tot den dans te verheugen huurde hy een blinde Lierman, die haar met zijn liere-lierom fraaytjes na de voeten speelde.
    Naa het middagmaal deed hyse met hem gaan na het Coninklijk paleys, en toondese aan Pantagruel: en wijzende op de bruid, zeyde hy tot hem, deze heeft geen nood van vijsten. Waarom niet? vraagde Pantagruel. Daarom antwoorde Panurge, datse ontgonnen is. Wel wat een praat is dat? zeyde Pantagruel. Verneemje niet, zeyde Panurge, dat de kastaniën, die men op ’t vuur doet braaden, indiense niet ontgonnen, maar met den geheelen bast zijn, vijsten en barsten ofze dol zijn? en datmen om zulks voor te komen, haar ontgint door een steek met het mes door den bast te geven; alzoo is deze nieuw-getrouwde mee te vooren gesteeken, en van onderen ontgonnen, en daarom zalse niet vijsten.
    Pantagruel schonk haar een klein wooningtjen na by de Beedelaars Benthem, met een steenen mortier om haare groenten in te stampen: aldus begreepense haar kleine huis houding: en zoo wierd Anarche noch den voornaamsten Moes-verkooper, diemen oyt in Utopien gehadt heeft. Maar men heeft my naderhand gezeid, dat zijn Vrouw hem klopte als plaaster, en den armen dwaas derf hem niet verweeren, zoo blooden bloed is hy.



[
p. 422]

                XXXVI. HOOFT-DEEL.

    Pantagruel dekt zijn geheele leger met sijn tong
        tegen de regen: Rabelais gaat langs de zelve in
        zijn mond: en ziet daar ongelooflijke dingen.

WAnneer nu Pantagruel met alle zijne krijgs-benden de landen der Dipsoden intoog, waren alle volkeren, daarse by quamen te hoogste verheugt: en gaven haar daadelijk aan hem over; jaa uit haar vrije wil bragtense hem de sleutels van alle steeden daar hy ontrent quam, te gemoet: uytgenomen alleen de Almiroden; die voornamen haar ten uittersten te verweeren: en voort bescheid aan zijn gezondene krijgsbooden gaven; datse zig niet dan op zeer voordeellige verdrag-punten wilden op-geven.
    Wel hoe! zeyde Pantagruel, begeerense ook voordeeliger beding, als den hand in de pot, en het glas op de vuyst? ’t za, laat ons optrekken, en haar heel uitplunderen en vernielen. Daar op voegdense zig alle in geleederen, als veerdig en van voorneemen terstond den aanval te doen.
    Maar onder-weeg, wanneerse over een groot veld togen, wierdense van een geweldige regen-vlaag over-vallen. Waar voorse zich zochten te verbergen, en dicht aan malkanderen begonden te kruipen. ’t Welk Pantagruel ziende, liet door de hooftlieden haar weten, dat’er niets te vresen was; en dat hy wel boven de wolken zag, dat het niet dan een neer-sakkend douw-wolkjen zou zijn: en datse derhalven haar in goede orde zouden schikken en houden, terwijl hyse wilde overdekken. Daar op vervoegde zig elk weder in zijn gelid wel geslooten: en Pantagruel stak zijn tong slechts ten [
p. 423] halven uit; waarmee hy haar allen geheel overdekte, gelijk een hen haare kiekens met de vleugelen.
    Ondertusschen ik, die u dese zo waaragtige vertellingen doe, stond terschuil onder een klisse-blad dat ten minsten zoo breed was, als den boog van den brug tot Monstrible; dog toen ik haar zoo overdekt zag, liep ik mee na haar toe, om my ook onder soo schoonen schaduw en beschut te begeven: maar daar by komende, merkten ik datse zoo magtig waren, dat het tot my niet reiken kost, gelijkmen zeit; dat by ’t eind van de elle het laken afscheidt. Dies klom ik, zoo ik best kon, daar boven op: en wandelde wel twee mijlen langs het verdekt, of de tong van Pantagruel, als over een woeste heide heenen, tot dat ik binnen sijn mond quam.
    Maar, o Gooden en Godinnen! wat wonders wierd ik daar all gewaar! Jupiter slaa my met zijn drie-tandige bliksem, zoo ik’er aan lieg: het was ’er te reyzen even als in ’t land van den grooten Sophy van Perssen na Constantinopolen: ik zag’er zeer hooge steijlle rotzen, gelijk de bergen in Denemarken; ik denk dat het zijn tanden geweest zullen zijn: en daar ontrent digte bosschagien, sterke en groote steeden, niet minder dan Lion of Poictiers.
    Den eersten, dien ik daar ontmoette, was een man die besig was met kool te planten, dien ik seer verschrikt en beschroomt aansprak en vraagde; goede man, wat maakje hier? Ik plante, antwoorde hy hier wat koolen. Wel waar toe doch? vraagde ik weder. Ha mijn Heer, zeyden hy, wy konnen alle geen rijkelingen zijn; ik zoekme hier zoo slegtjes te geneeren, en ’t zobere kostje te winnen: Dese koolen breng ik ter markt om te verkoopen in de stad, die hier achter my uitleit. Is ’t mogelijk zeiden ik, hebje hier een geheele nieuwe wereld? [p. 424] Zeeker, zeyden hy, dat en is zoo veel nieuws niet: maar men zegt dat’er buiten dit noch een ander land is, daar ook Zon en Maan haar schijnzel geven: en daar ’t van alle fraaye dingen vol is. Doch dit land is het oudste. Maar zegmen eens, mijn Vriend, zeyden ik, hoe is de naam van dese Stad, daar gy u koolen te verkopen brengt? Zy is, zeyde hy, geheeten Aspharage: en zy word van Christenen bewoont, het is een goed eerlijk volk, en je sult by haar wel worden onthaalt, dit dee my besluyten ook derwaarts te gaan.
    Terwijl ik nu daar heen ging, vond ik in mijn weg een ander goed gezel, die een slagnet gezet had om Duyven te vangen; den welken ik vraagde, mijn Vriend, van waar komen u deze Duyven? Mijn Heer, gaf hy my ten antwoord; zy komen uit de andere wereld; na vermoeden op dien tijd, als Pantagruel nu of dan eens te geeuwen komt, dan komense by heele vlugten tot sijn keel invliegen, denkende dat het een Duyve-kot is.
    Van daar ging ik voort in de Stad, dien ik schoon, sterk, en van een gesonde lugt bevont: dog terwijl ik ter poorten in dacht te gaan, was ik wel verwondert, dat de poort-wachters my mijn vrybrief afvorderden: dies ik haar vraagde; mijn Heeren, heeftmen hier eenig gevaar van Pest? Och mijn Heer, antwoordense, hier om her stervender zoo veel, dat de wagen door de stad omrijdt, om de lijkken op te laden. Hoe kan dat mogelijk zijn? zeyde ik, en waar is zulken grooten sterfte? waar opse my antwoordden, dat het was tot Laringes en Pharinges ’t welk twee groote steeden waren, gelijk Rouan en Nantes, zeer rijk en magtig van koophandel.
    De oorzaak van dese pestilentie wierde gezeid [p. 425] te zijn een stinkende en fenijnige lugt en opdamping, die sedert weinig tijds uit den afgrond opgesteegen was; waar door meer dan twee en twintig hondert en zestig duyzend en sestien menschen zeedert agt dagen gestorven waren. Toen bedagte, bereekende, en bevond ik, dat het geweest was dien stinkenden azem, die uyt de maag van Pantagruel oprees, toen hy zoo veel look-zaus, by de Bruilofts-geregten, te voren gemeld, had gegeten.
    Van daar vertrekkende nam mijn reyse tusschen de steille klippen door, dien ik dacht zijn tanden te zijn; en dee zoo veel, dat ik op een der zelver klom: daar vond ik de lustigste plaatzen van de wereld; schoone ruyme kaats-baanen, vermaakelijke velden, veel verschiet van wijngaerden, met ontallijke lusthuysjes hier en daar langs de lieffelijke Landouwen op de Italiaanze wijze gebouwt: alwaar ik my wel vier maanden liet beletten; en noyt heb ik meer vermaak en wellust genooten, als in dien tijd aldaar.
    Toen bestond ik aan de achter-zijde der tanden neer te klimmen, om op den slijkkerigen grond te geraaken: maar in ’t afgaan door een groot woest woud, dat na de ooren strekt, wierd ik van een deel struik-roovers afgezet. Dog ik geraakte haast by een klein Dorpje (de naam is me vergeeten) beneede aan de valeye geleegen, alwaar ik noch grooter geneugte en soeter onthaal genoot, als ergens en oit van te vooren: en won daar noch een weinig geld, om af te leeven. Wilje weeten hoe? met slapen: want men huyrt’er de lieden by den dag om te leggen slaapen; waarmeese wel vijf of zes schellingen ’s daags verdienen: en die vervaarlijk konnen ronken, konnen wel zeven en een halve schelling winnen.
[p. 426]
    Ik ging’er mee aan de Overigheid aldaar mijn beklag doen, datmen my in ’t neergaan van het dal had afgezet; maar men zeyde my alleenlijk, dat het zeer wel al-om bekend was, dat de lieden, die daar ontrent woonden eerloos van leven, en gebooren gauw-dieven waren. Waar door ik bemerkte, dat eeven gelijk wy onse Landschappen hebben aan dees en geene zy van ’t gebergt, zy ook de haare hebben aan dees en geen zy van de tanden. Maar de Landouwen aan de ander zy sijn veel schoonder, en in lieffelijker lucht geleegen.
    Toen quam my in gedachten, dat het een waarachtig zeggen is; dat de helft der wereld-lingen niet en weet, hoemen in de andere wereld leeft, aangezien noch niemand van die Landen iets beschreeven heeft; hoewel’er meer dan vijfentwintig wel bevolkte Koningrijken in zijn; behalven noch de onbewoonde wildernissen en bosschen, nevens een grooten arm van de zee. Maar ik heb’er een overgroot boek van gemaakt, dat den Titel heeft van, De geschiedenis van Gorgias: want alzoo heb ik’t willen heeten; om dat het Landschap leyt, en de lieden woonen in den Gorgel van mijn Meester Pantagruel.
    Eindelijk dacht ik om eens weder te keeren; derhalven neder glijende by sijn baard, slingerde ik my op sijne Schouders, en van daar zakten ik zoetjes neder tot op de aarde, daar ik recht voor hem neer te vallen quam. Toen hy my in ’t oog kreeg, vraagde hy; van waar koomje Alkofribas? Ik antwoorde hem, uit uwen keel mijn Heer. Zedert wat tijd, zeyden hy, hebje daar geweest? van dien tijd af, antwoorden ik, dat gy tegen de Almyroden trokt. Dat is, zeiden hy weder, over de zes maanden geleeden. Maar waar af leefdeje so lang? [p. 427] en wat was uw drank? van ’t zelve mijn Heer, seiden ik, dat gy nuttigde, en wel van de lekkerste beetjes, die door uw keelgat gingen, daar nam ik den tol af. Maar, vraagden hy weder, waar loste gy u verteerde kost? in uwen hals, mijn Heer, antwoorden ik. Ha, ha, ha zeyden hy al lagchende je bent een braaf gezel. Wy hebben nu het geheele land der Dipsoden al in genomen. Ik schenk u het kasteeleynschap van Salmigoudin. Heb dank, mijn Heer, zeiden ik, gy doet me meer goeds, als ik aan u verdient heb.



                XXXVII. HOOFT-DEEL.

    Pantagruel wort ziek: en op wat wijze hy weder genee-
        zen word.

WEinig na dese tijd gebeurde het dat Pantagruel ziek wierd: en met zoo geweldigen pijn in de maag bevangen, dat hy eeten nog drinken kon. En alzoo, gelijk men zeit, geen ongeluk alleen komt, kreeg hy daar by, niet de kouwe, maar de heete pis, die hem meer dan gemeene smert veroorzaakte. Doch zijne geneesmeesters schaften hem schone verligting en hulp: en door veel en verscheiden verzagtende en pisdrijvende droogen of kruyderijen, deedense hem de ziekte en euvel uitpissen.
    Sin water was zoo geweldig verhitt, dat het zelve zeedert dien tijd, tot op dezen dag noch niet verkoelt is. En gy hebt’er noch af in Vrankrijk op verscheide plaatzen, na dat het dies tijds zijn togt nam; diemen nu noemt de warme baaden; als,
    Tot Coderets, Tot Limons, Tot Dast, Tot Ballerac, Tot Neric, Tot Bourbonnensi, en elders. Van gelijken in Italien; als, Tot Mons grot, Tot Appone, Tot Santo Petro di Padua, Tot Santa Helene, Tot Casa Nova, Tot Santo Bartholomeo, En in ’t Graafschap van Boulogne; Tot Porrette, en duyzend andere plaatzen.
[
p. 428]
    Dies ben ik ten hoogsten verwondert over een hoop Neske-bollen van Wijs-geeren, en Genees-heeren, die zoo veel tijd quisten en wind breeken met te reen-twisten over de oorzaak en eerste oorsprong der hitte, deser genoemde wateren; of het komt door de swavel, of door den Aluijn, of door den Salpeter, die in den grond of mijnnen is: wantse doen niet dan revel-kallen: en ’t zou voor haar beter zijn, datse haar schurfde gat gingen klouwen, als den tijd staag toe te brengen met haaperen en harrewarren over dingen daarse niemendal kennis of zeekerheid af hebben.
    [Vanwaar de heete baaden komen.] Voor my is de oplossing zeer licht, en daar over behoeft geen nader onderzoek gedaan te worden, als wel verzeekert zijnde, dat de zelve baaden daarom heet zijn, om datse zijn voort gekomen uit de heete Pis van den grooten Pantagruel.
    Om nu ten nauwsten te beduiden hoe hy van de eigentlijke quaale wierd geneesen, zal ik niet in breede verhaalen, dat hem tot een kleine voorbereiding ingegeven wierden vier hondert ponden Scammonie met Colophonié vermengt, ses-en-twintig en achtien wagens vol Cassie, elf duisend negen hondert ponden Rhabarber, buiten de andere melgel-moesery: Maar voor ’t voornaamste moetje weeten, dat door goed vinden van de Genees-heeren wierd beslooten, datmen zou zoeken de maag te zuiveren en te ontlasten van alle vuilicheden die hem dese ziekte en pijne veroorzaakten.
    Hier toe wierden bereijd en toegestelt zeven-tien groote kopere bollen (veel grooter als die te Romen op de graf naald van Virgilius staat) zooda- [p. 429] nig gemaakt, datmense in ’t midden kon open doen en sluiten met een val-deurtje; in een der zelver zettemen een van sijn Dienaars, by hem hebbende een lanteern met een ontsteken toorts daar in, den welken Pantagruel alzoo gelijk een klein pilletje door slokte: in de vijf andere zetten zig drie Boeren yder met een schop over den hals; in de zeven andere traaden zeven koorn-dragers, elk met een mand op sijn rug; en dese wierden mee aldus voor pilletjes in geswolgen.
    Toen se nu in de maag neergekomen waaren, oopende een yder sijn val-deurtje, en trad uit sijn hutje; en eerst die de Lanteern had: En alzoo zaktense noch meer dan een half mijl laager in een schrikkelijken kolk, veel stinkender en fenijniger als Mephitis, of den stink-poel van Camare, of het morssige meer van Sorbonne, waar van Strabo schrijft. En ’t en ware datse zich wel gewaapent hadden met hert-sterkingen en tegengiften, en verzien met een goeden kanne wijn, (diense daar caboche of kopje noemen) se zouden zeekerlijk verstikt en gestorven zijn door dese zoo verfoeylijke dampen: O wat gruwelijker reukwerk! o welk een walgelijken waasem, om, zelfs de neus stopsels der jonge-gasten te bevuilen.
    Daar ontdektense al tastende en snuffelende een giftig grond-zop, en veel bedurve vogtigheeden: en eindelijk quamense by een heelen hoogen heuwel van vuiligheden; toen teegen de aard-werkers aan ’t graven en hakken, om den vuilen bras los te maaken, en de andere met haar spaaden aan ’t scheppen, om de manden te vullen; en als alles wel gereinigt was, kroop elk weder in sijn hol.
    Daar op bestond Pantagruel uit al sijn kracht te [p. 430] braaken, en daar mee spoog hy haar en ’t geheele rommel-zootje gansch gemakkelijk uit, en ’t maakte hem geen meerder benauwtheid in sijn keel, als een veest in de uwe zou doen. Fluks quamen de arbeiders fris en vroolijk tot haar pilletjes weder uit springen; daar by my in gedachten komt, hoe de Grieken wel-eer binnen Troijen uit haar houte paard te voorschijn quamen. Door dit middel dan wierd hy geneesen, en weder tot sijn voorige gezondheid herstelt. Van dese koopere pillen is ’er een tot Orleans op de klok-toorn van de Kerk van ’t Heilige Kruis.



                XXVIII. HOOFT-DEEL.

    Het besluit van dit Boek, en de ontschuldiging
        des Schrijvers.

DAar hebje, mijn Heeren, nu gehoort den aanvang der vervaarlijke geschiedenisse van mijn Meester den Heer Pantagruel. Hier zal ik een einde maaken van dit eerste Boek: Het hoofd doetme een weinich wee: en ik gevoel wel, dat de verdeellinge mijner herssenen al eenigzins door dit zoore zop zijn verwart geworden. Het overige van ’t verhaal zalmen zien u te beschikken op de naastkomende Kermis van Frankfort. Waar in gy zult zien en verneemen hoe Panurge zich in den Echten-staat begaf, en in den eersten maand na sijn Bruiloft al hooren-drager was: en hoe Pantagruel den (lapis Philosophorum) kostelijken konst-steen vond, en op wat wijse die gevonden en gebruikt moet worden: Hoe hy over de Caspische gebergten toog: Hoe hy over de Atlantische Zee voer, en de Canibalen versloeg: Hoe hy de paarel-eilanden veroverde: Hoe hy sijn Dochter ten huwelijk uitgaf, aan den Ko- [p. 431] ning van Jndiën geheeten Presthan: Hoe hy vogt tegen de Duivelen; vijf Kamers van de Hel deed verbranden; en de groote swarte-kamer vernielde: Hoe hy de Helsche Koningin Proserpina op ’t vuur wierp, en Lucifer vier tanden in de mond, en een hoorn in sijn gat aan stukken sloeg. Hoe hy de Landschappen van de Maan ging besien; om te weeten of de Maan in der waarheid al geheel was, en of de Vrouw-lieden daar slechts drie vierendeel van een hooft hadden, met duisend andere aardige vertellingtjes, die al te maal even waarachtig zijn.
    Dit zullen schoone beezigheeden zijn. Goeden avond, mijn Heeren: (Perdonnate mi) duyd alles ten besten: en let niet zoo zeer op mijne mis-slagen, als wel op uw eygen gebreeken. Zoo je me zegt; Meester, me dunkt datje niet zeer wijs zijt, datje ons zulke beuselaryen en vermaakelijke Boerteryen beschrijft: Ik geef u ten antwoord; dat gy zelf niet veel wijser zijt, terwijl gy u beleedigt die te leezen.
    Niet te min, indien gyse tot een geneugchelijke tijdkorting leest, gelijk ikse om den tijd te onverdrietiger door te brengen geschreeven heb, zoo magmen u en my veel liever ontschuldigen, als een groote meenigte van Laak-schouwers, schimpers, schijn heiligen, flik-vlooijers; pan-lekkers, smeer-schoenen, en andere zulke zoorte van volk, dat als met mooije mom-aangezigten opgesmukt, al om gaat mommen om de wereld te bedriegen: want, terwijlse voor de gemeene man een schijn toonen, datse niet dan met Hemelsche beschouwingen, aandagtigheeden, vasten en vermaageren van haar gevoelige vleesch zich beezig houden, en niets nuttigen dan ter nauwer nood so [p. 432] veel als tot behoudenis van ’t leven, en zober onderhoud van haar brooze menschelijkheid behoeft: levense in tegendeel in alle weelde en wellust, God weet hoe verfoeylijk. (Qui curios simulant & Bacchanalia vivunt.)

Die veinsden voor elk een zeer veel te vasten,
En zoopen ’t zoetst, en meest en lekkerst
brasten.

    Dit kunje klaarlijk lezen in groote roode letteren, op haar peerze puystige bakkisen, by de verligting van haar vuirige snavels en hoender-naarsen, ten zyse zich met swavel berooken. Aangaande haar oeffening, die wort t’eenemaal besteedt in ’t leezen van Pantagruelische of diergelijke boerdige Boeken: niet zoo zeer om den tijd met vreugden te verslijtten, als wel om een yder schelmachtiglijk te beschaadigen; te weeten, met mugge-siften, hair-klooven, verdraaijen, misduyden, en duizend duyvelaryen daar by verzieren: dat is in ’t korte gezeit, met liegen en lasteren.
    En als se zulks doen gelijkense de Boere-kneukels en Dorp-fleegels, die als koevliegen wroeten en snuffelen in de kleyne kinderdrek, in den tijd als’er Kerssen en krieken zijn, om de steentjes daar uyt te zoeken, en die aan de kruyd-kraamers te verkopen, dieder oly af maaken. Zoodanige laat loopen, verfoeijse en haatse zoo zeer als ik doe: en gy zult’er u, op mijn trouwe, wel by bevinden: en begeerje goede Pantagruelisten te zijn; dat is, leven in vreede, vreugde, gezondheid, en altijd goed zier maakende; Vertrouwje noit op menschen die door een gat kijkken.

Einde van ’t tweede Boek.

Continue
[
p. 433]

De dappere Daaden

En

Deftige Reeden

Van den grooten

REUSE

PANTAGRUEL.

DERDE BOEK.



[
p. 434]

FRANCOIS RABELAIS

Aan de Geest van den KONING-
INNE van NAVARRE.

        VErhuysde Ziel! verrukt en opgetoogen,
            Die d’Hemelen, u oorsprong, weer bewoond,
        En zijt uw waarden huis-genoot ontvloogen,
            Uw geestig lijf, dat zich zoo zeedig toond
        Na uw bestier in dit (als) vreemd’lings leven,
            Gevoeleloos, en in beswijmenis;
        En zou j’u nu niet eens noch willen geven
            Uyt uw verblijf, dat Godlijk eeuwig is,
        Om hier beneen in ’t derde deels beschrijven
        Vervolgt te zien Pantagruels bedrijven?



[
p. 435]

VOOR-REEDEN

van den

SCHRIJVER.

ROem-rijke of rijklijk roemende Dronke-bolle, en gy gansch kostelijk begiftigde gigtigaarts, Hebje den hondschen Wiis-aart Diogenes oit gezien? Sooje hem gezien hebt, zoo hadje ’t gezigt noch niet verlooren; of ik ben zeeker buiten kennis, en rechte reen-besluit. Het is een heerlijke zaak te zien het flickeren van (wijn en geld) de Son. Dat getuige de gebooren blinde, door de heilige letteren zoo wel bekent; de welke keur hebbende, om te mogen wenschen wat zy wilde, door ’t believen van die gene, die almagtig was, en wiens zeggen in een oogenblik sijn volvoering en weesen heeft; niets meer en begeerde dan te mogen zien. Gy van gelijken zijt niet jong, ’t welk de rechte hoedanigheid is, om in den Wijn (niet in den wind) zelf meer dan natuur-kundiglijk de wijsheid naa te spooren: en van nu voortaan slemps-gezint te ziin: en al zuipende te verzinnen het wesen, de kleur, de geur, de deugd, de kracht, de werking en waardigheid van dat gezeegende en zoo zeer gezochte vogt.
    Sooje hem niet gesien hebt (gelijk ik lichtelijk te gelooven bewoogen word) ten minsten hebje van hem hooren spreeken: Want sijnen roem en groote naam door de lucht en ’t geheele heemels-rond verspreijd is, tot den teegenwoordigen tijd gedenk-waardig en vermaard genoeg gebleven. Daarom-en-boven benje al te maal uit Phrygiaanzen bloede gesprooten, of ik vergisme. En hebje zoo veel gouwe penningen niet als Mydas had; evenwel hebje iets (ik weet niet wat) ’t welk wel-eer de Persianen in alle haar Otacusten veel hooger roemden; en ’t geen de Keyser Antonius veel [
p. 436] liever wenschte; waar af naderhand dat langeslangestuk van Rohan wierd toegenaamt (Belles oreilles) braave ooren.
    Of hebje noch ook niet van hem gehoort; zoo wil ik je tegenwoordig een geschiedenis van hem vertellen, tot een aanvang, van den wijn? (drink dan eens) van mijn verhaal? (Hoor dan toe.) Voor af u bekend maakende (op datje door eenvoudigheid niet bedrogen mogt worden, als wan-geloovige Lieden) dat hy onder duizend een zeer zeldzaam, en korts-wyllig Wijzaard was. Soo hy eenige onvolmaaktheeden had; gy hebt ook de uwe: wy hebben de onse. Daar is Niets volmaakt, dan God alleen. ’t Is evenwel zoo, dat Alexander de Groote, hoewel hy Aristoteles tot een Leer-meester en huis-genoot had, hem in zoo hoogen achting hield, dat hy wenschte; Indien hy geen Alexander ware, dat hy een Diogenes mogt wesen.
    Toen Philippus Koning van Macedonien heen toog om de Stad Corinthen te Beleegeren en verdelgen, waren de Corinthiers door haare verspieders zoo haast niet gewaarschouwt, dat hy met een groote toerusting en een ontallijk Heir-leger op haar aanquam, of sy wierden alle (gelijkse wel reeden hadden) ten hoogsten verschrikt, en zuimden niet zich zorgvuldelijk, elk tot sijn ampt en pligt te begeven, om hem op sijn viandlijke komst weerstand te mogen bieden, en haar Stad te beschermen. Zommige voerden uit het Veld in de vesting haare huis-geraaden, beesten, graanen, wijn, vruchten, eet-waaren, en noodwendig voorraad: andere hermaakten de muuren, verbeeterden de Bolwerken, effenden de Dwingers, verdiepten de Grachten, groeven Tegen-mijnnen, vlochten Schans-weeren, leedigden de Sluip-gangen, beborst-weerden de Onder-wallen, rechtten Ruiter-benden op, staaken nieuwe Buiten-werken af, haalden de Wacht-huisjes hervoor, hieuwen Storm-paalen in, vernieuwden staakettingen en Schot-poorten, stelden Schild- [p. 437] wachters uit, versterkten de Poort- en Rond-wacht, elk was op sijn hoede, en beezig om iets by te brengen tot gemeene behoudenis. Andere schuurden haare Harnassen, Helmen, Storm-hoeden, Paarde gereiden, Ring-kragen, Arm- en Scheen-ysers, Spooren, Sleepen en Wetten haar Hand-geweer, van Hellebaarden, Spietsen, Lanssen, Pieken, Boogen, Slingers, Knodsen, Morgen-sterren, groote en kleine Hand-bussen, Roeren, Ringen, Swaarden, Houwers, Deegens, Daggen, Bardesaanen, Bijllen, Heijrhamers, en Schichten, elk verzorgde sijn Bandeliers, en schicte Kruid, Kogels, Lonten en alles terhand: De Vrouw-luy zelf, hoe oud en wijs sy waaren, zagmen overal in de weer en in swang; gelijc gy weet dat de oude Corinthische Vrouwen zeer moedig en strijdbaar waren.
    Diogenes ziende een jegelijc zoo beezig en hittig sijn huis-raad overhoop halen; terwijl hy door de Overigheid nergens toe te werc gesteld was: zag hy eenige daagen haar weesen en gewoel eens aan: daar na, als door een Martiallische of Oorlogs-geest gaande gemaakt, gorde sijn mantel om ’t lijf, stroop sijn mouwen tot aan den elleboog op; stelde zich toe als een appel-saamelaar, beval sijn knap-zak, boeken en brieven aan een van sijn oude Spits-broeders, trok daar op de Stad uit, na Craneum, een verheeven uitstek in Zee by Corinthen, waar op een schoon plein is; daar rolde hy sijn steenen vat, ’t welc hem voor een Wooning strecte tegens d’ongestuimigheeden des Luchts: en uit een heevige beweeginge des gemoeds, strecte hy de armen uit, en draaijde het, keerde het, wende het, wentelde het, schudde het, hobbelde het, tobbelde het, nette of bewaterde het, droogde het, stopte het, oopende het, hechte het, metzelde het, timmerde het, bond het, bewoelde het, liet het tuimelen, en van boven neer storten over ’t zand, daar na wederom arbeidde hy ’t al hygende van beneeden na boven; gelijk Sisiphus sijn steen doet; [p. 438] soo dat ’et zeer weinig scheelde, dat hy den bodem niet en brak.
    Yemand van sijn Vrienden, desen arbeid aanmerkende, vraagde hem, wat de oorzaak was, die hem bewoog sijn ligchaam, zijn geest en sijn vat, zoo te ontrusten en vermoeijen? Daar op den Wijs-aard ten andwoord gaf; dat dewijle hem van wegen ’t gemeene-best geen ander ampt gegeven was waar te nemen; hy op dusdaanige wijse sijn ton hanteerde, om onder zoo veel nijvere en onleedige-lieden, alleen niet leedig en zuim-achtig te zijn. Alzoo ic ooc, schoon zonder vervaarnis, evenwel niet buiten beswaarnis zijnde, nademaal ic bemerc; datmen my zoo veel niet en acht dat ic tot eenig werc van belang werd gebruict; en dat yder een, door dit gantsche zeer-eedele Koningrijk, aan dese en geene zy van ’t gebergt, by dese geleegentheid des tijds zeer beezig is in ’t arbeiden en sijn best te doen: eenige om haar Vaderland te versterken en verdeedigen: andere om den Viand af te weeren, en beleedigen, alles met zoo braaven beleid en wonder schoone schicking, en met zoo merkelijken voor-deel voor het toecomende, (want van nu af zal Francrijk trotselijc betuint, en de Franssen in vreed en rust verzeekert zijn) dat’er weinig is datme weer houd van eeven eens te gevoelen als den goeden Man Heraclitus, als hy zeit;

            Dat het dolle Oorlogs woeden
            Is den oorsprong aller goeden.


    En het daar voorhoud, dat den Oorlog in ’t Latijn genoemt word Bellum; (schoon) niet door een weerwoord [Antiphrasis], gelijc de oude op-lappers van versleeten Latijn gewaant hebben, als of’er in den Krijg niet schoons te crijgen of cijcken was; maar uit een ronde en onbewimpelde reeden en meeninge; als, dat in den Oorlog alle soorte van goed en schoon zich vertoonde, en alle soorte van quaad en leelijc zich verschool.
[p. 439]
    Dat dit zoo zy, zou ooc daar mee connen beweezen worden, dat de wijze en Vreedzame Koning Salomon ons de onuitspreekelijke volmaactheid der Goddelijce wijsheid door geen ding naarder en claarder heeft connen voorstellen, als door die te vergelijcen by een wel-uytgeruste, en schoon geschicte slag-oorde in ’t veld. Om dat ic dan niet gereekent, of in de rijg gestelt worde, onder onze bestrijders, die my voor niet mans genoeg, en te magteloos hebben aangezien: noch van de onse onder de verweerders in eenigen dienst word gebruyct, al zou ’t maar zijn om een mand te dragen, om vuylnis te bergen, of aard-clonten te breeken, ’t was my doch alle evenveel, zoo heb ic ’t voor geen gemeene smaad opgenoomen, een leedigen aanschouwer te zijn van zoo veel dappere, deftige en manhafte helden, die voor de oogen en in ’t aanzien van geheel Europa, dit zoo uytsteekende bly-eindig-Truurspel gaan speelen: en my van zelve daar toe niet te verpijnen, en alle mijn cleyntjen dat my overig was, daar by op te zetten.
    Want weinig eer dunken my die te behaalen, die alleenlijc haar oogen te werc stellen, en onder des haar crachten te rug houden, haar schilden verschuylen, haare penningen potten, met een vinger haar hooft craauwen, als die laffe lanterfanten [Landores], na de vliegen gaapen als nuchtere calven, de ooren opsteecen als de Esels van Arcadia na den deun der sangers en met stille gebaaren toestemmen al wat ’er mag voorvallen.
    Na dit alles wel overwogen te hebben, heeft my gedacht, dat ik geen onnutten noch ontijdigen oeffening ter hand zou neemen, indien ik mee mijn Diogenische ton, die my uit de schip-breuk, voor deezen aan-vuurtoren van ongeval geleeden, alleen is over gebleven. Doch wat dunktje, zal ik nu voor getobbel met mijn ton maaken? Ik sweerje, by de maagd, die haar mouwen opstroopt, dat ik ’t noch zelf niet eens weet. Wacht een weinig, dat ic een goeden teug uyt deze fles drink: deze is mijn [p. 440] waarachtige en eenige Helicon: deeze is mijn hengste-bron: deze is mijn eenigste in-geesting. Hier uyt drinkende overdenc ik, redeneer ic, los ik op en besluyt. Na de eind-reeden [Epiloge] lach ik, schrijf ic, dichte ic, drinc ik.
    Ennius [In symposiacis] schreef onder ’t drinken en dronk onder schrijven. Aeschylus (zooje Plutarchus gelooven wilt) dronc terwijl hy dichtte, en dichte terwijl hy dronk. Homerus schreef nimmer nuchteren: Cato schreef noyt als na een goeden dronc; op datje niet en zegt, dat ic aldus leeve buyten voorbeeld van loffelijke en groot-achtbaare Mannen. Indien gy lieden desgelijks een groote of twee kleine teugen in je gat lapte, je vind’er geen ongeleegentheid ter wereld in; mits dat God daar voor t’elkens gelooft en gedankt zy.
    Nademaal dan mijn lot of noodschicking zoodaanig zy, (want alle man mag ’t niet gebeuren na Corinthen te gaan of daar te woonen) ben ic van voorneemen aan de eene zy zoo wel als anderen mijne gedienstigheid te toonen; zoo veel scheelt het dat ic zuckelende zou achter- en onnutt blijven. Tegens de gravers, aardwerckers en wal-opwerpers zal ic doen ’t geene Neptunus en Apollo binnen Troyen onder Laomedon deeden, en ’t geene Reynout van Montalban noch onlangs geleeden dee. Ik zal de Metzelaars dienen: ic zal voor de Metzelaars doen kooken: en, de maaltijd onder ’t speelen op mijn ruys-pijp gedaan zijnde, zal ic afmeeten de draalingen der dralaarts.
    Tegens de oorlogs gasten gaa ic op nieuw mijn ton doorbooren: en met de schicht van mijn geschrift (’t welc u, door twee voorgaande Boeken, alree genoeg bekent zou zijn, zoo ’t niet door de mis-duydinge der laster-tongen verdrayt en bedurven waaren geweest) haar toeschieten een aartig darden deeltjen van onze tijdcortingen, en by vervolg noch een fraay vierde-deel der Pantagruelische, of (om mijnen ’t halven meugjese wel noemen) Diogenische spreuken: en alzoo sullense aan my hebben (nademaal ic haar makker niet [p. 441] mag wezen) eenen getrouwen Opper-opdisser; om haar na mijn gering vermogen wat te verfrissen en vervroolijken op ’t wederkeeren uyt gevaarlijke gevechten, en eenen onvermoeybaaren Lof-zanger van haar dappere en roem-waarde waapen-daaden. Ic zal u, by den spitsen zurkel beget, daar in niet zuym-achtig zijn; zoo Mars niet en mist in de vasten: maar dien hoeren-jager zal ’t zich wel wachten.
    My comt in gedachten nochtans geleezen te hebben, dat Ptolemeus de Zoon van Lagus op een zeeker tijd onder andere roof- en buyt-goederen van zijne Vyanden verkreegen, aan de Aegyptenaars in een openbaar Schouwspel vertoonde een Bactriaanze Kameel die geheel swart, en een slaaf die bont was; zo dat het eene gedeelte van zijn Lichaam swart, en ’t ander heel blanc was: niet in gelijke afdeeling van breedte over ’t middel-rift, gelijc die Indiaanze Vrouw, welke door den Tyaneesche Wijs-geer wierd bekent tusschen de rivier Hydaspes en den berg Caucasus; maar in een recht-draads neergaande door-deeling (een ding datmen noyt te vooren in Aegypten gezien had;) en hoopte door de aanbieding dezer nieuwigheeden, de geneegentheid des Volks t’hem waarts te vermeerderen: maar ’t viel heel anders uyt, op ’t voorbrengen van de Kameel wierdense altemaal vervaart en geërgert: en met het beschouwen van den bonten man hadden eenige den spot, andere verfoeyden hem, als een schandelijc schric-dier door dooling der natuur voort-geteelt.
    Zoo dat de schoone hoop die hy had van zijne Aegyptenaars een aangenaamen dienst te doen, en daar door de goede geneegentheid diense hem van natuure toedroegen, noch veel te vergrooten, hem heel uyt de hand viel. Dus bemercte hy, dat zijne onderzaaten meer vermaak en behaagen hadden in schoone, zierlijce en welgemaakte, dan in belagchelijke en wanschaapene dingen; dies zedert dien tijd zoo wel de slaaf als de Kameel by hem in wan-achting waaren; zoo datze [p. 442] zeer haast daar na door verwaarloozing en gebrec van gemeen onderhoud, van leevende in doode verwisselt wierden.
    Dit zelve voorbeeld doetme waggelen tusschen hoop en vrees; duchtende dat in stee van overdaadig vernoegen, ic wel ontmoeten mogt een groot afgrijzen, zoo dat myn gewaande schat in swarte coolen verkeerde: dat voor Venus, Barolt den hond my op de huyd quam: dat ic in plaats van haar te dienen, haar moeyelijc maacte: in stee van verlustigen, beleedigde: voor behaagen, mis-haagen gaf, en dat mijn ongeval ware even als dat van Euclions haan zoo becent by Plautus in sijn (Aulularia) clucht van de pot, Ausonius in zijn (Gryphen) griffioen en elders; dewelke om dat hy al crabbelende den begraven schat ontdect had, het met zijn hals betaalen moest. Dat my dit mee ontmoette, zou ’t niet om dol worden te doen zijn? t’Andere tijden is ’t gebeurt; ’t zou noch wel connen gebeuren. Ic en zal geen Hercules zijn. Doch ic erken in haar allen een eygen weezen en onafscheidelijke eygenschap, die onze Voor-ouders noemden Pantagruelistery of wel Slampampery; mits welken zy nimmer eenig ding ten quaaden zullen duyden: Sy zullen aanmerken, dat het uyt een goed vry en vroom gemoed spruyt: Ic hebse doorgaans een goeden wil voor goe betaaling zien aanneemen, en daar mee ten vollen vernoegt zijn, wanneerse met swacheid van vermogen vergezelschapt was.
    Van deze zorg en twijffeling my ontslaagen hebbende, keer ic weder tot mijn ton. ’t za lustig gezellen, daar op eens waccer wijn gedroncen by potten vol. Doch zooje ’t niet goed vindt, je meugt’ et ooc laaten. Ic en ben niet van die onbeleefde liffelaffers [Lifrelofres] en averechtze wijsaarts, die door dwang, overlast en en gewelt haar goede gasten perssen tot drinken en zouffen (gar-aus) al-uyt dat, altijd pis ’et pis is.
    Een jegelijc braaf drinc-broeder, en alle goede natgierige, dorstig tot mijn ton comende. Behoeven niet te drinken ofse willen: indiense wel willen en de wijn [
p. 443] behaagt aan de smaac van de Heerlijcheid haarder Heerlijcheden; laatze vryelijc, onbevreest, en met een frisse moed aandrincen, zonder iets te betaalen, of eenigzins te schroomen of verschoonen. Zoodaanig is mijn besluyt. En zijt niet becommert dat ’er wijn te cort coomen zal; gelijc op de bruyloft van Cana in Galilea: zoo veel ic u zal tappen door den craan, zal ic’er weer doen in-gieten door spond, alzoo zal ’t vat onuytputtelijc blijven, het heeft een levenden en altijt speuyttende spring-ader. Zoodaanig was den dranc in de cuyp van Tantalus, by verbeelding onder de wijze Brachmannen vertoont: Zoodaanig was in Iberien ’t gebergte van sout zoo vermaart by Cato: soodaanig was de goude tac aan de onderaardse Godin toegeheiligt, soo beroemt by Virgilius: ’t Is een rechten overvloeds-hoorn van verheuging en boerterije. Zoo ’t u somtijds dunct tot de moer afgetapt te sijn, ’t zal daarom niet droog worden: goede hoop leyt’er op de gront. gelijc in ’t doosje van Pandora; en niet de wanhoop, gelijc in de emmer der Danaïden.
    Letwel op ’t geene ic geseyd heb; en wat slag van volc ic noodige: Want (op dat’er niemand in bedroogen worde) na ’t voorbeeld van Lucilius, die verclaarde aan geen anderen, als sijn Tarentiners en spits-broeders, te schrijven: ic heb mee mijn vat niet opgeboort, als voor u pulle-broers van de versse ton, en wijn-vliegen van den vrijen aangang: de groote Teuytte-vaagers of Drinc-reusen en mist-opsloccers, hebben laadings genoeg in haar gat, en haar rop gereed tot wild-braad; laatse daar aan haar lust coelen, soo langse willen, ’t en is hier geen spec voor haar bec. Van gewrongde herssenen, revelaars van verbeetering en repme doch niet, dat bid icje om de wille en ’t ontzag der vier billen die u geteelt hebben, en de levend-maakende kegel, die haar des tiids t’saamen hechte.
    Van panleccers praatme noch minder: dewiilse alle versoopen, vervreeten, verhongerd en roppig siin, versien met een onlesseliike dorst en onversaadeliiken [
p. 444] vreetsucht. En vraagje, waar om, ’t is om datse niet van de vroome, maar van den boosen siin; en van die boose, daar wy daageliix God om bidden van verlost te ziin; hoe seer se zomtiids den Godvruchtigen veinsen: een oude aap, can geen schoone trooni toonen.
    Van hier reekels, buyten de baan: staa uyt de ligt van miin son: clootjes volc dat je de drommel haal. comje hier aan draay-aarsen om mijn wiin te pegelen en peuselen? en dan miin ton te bepissen? Ziet hier den stoc, die Diogenes by uytterste wil beval na siin doot by hem te setten, om zulce graf spooken en helhonden af te weeren en wech te jagen. Pacje van hier dan gy schiin-heiligen: Na de schaapen, gy schiit-honden: Blijf hier buyten gy pluym-striikers: dat je de Duyvel altemaal hier van daan voer. Heb ic je daar noch? Ic wild’er miin erf-gedeelte aan Papimanien om geven, dat ic je eens betrappen mogt. g22. g222. g222222. Voort voort al: zullense gaan? souje nimmer connen kakken, als na bloedig en blau met reepen gegeesselt te sijn? en nimmer connen pissen, ten zy half verhangen? en nimmer u warmen, als met meenigte van stoc-slaagen?

Continue
[
p. 445]

Vervolg van ’t leven en bedrijf
van den grooten


REUSE

PANTAGRUEL,

_____________________

DERDE BOEK.

Eerste Hooft-deel.

Pantagruel voert een groote-gedeelte der
Utopiërs over in ’t Koningrijk
van
Dipsodie

NA dat Pantagruel ’t geheele Land van Dipsodie verövert had, deed hy veele Utopiërs om dat te bewonen, derwaarts trekken, wel tot het getal van 9876543210. Mannen buiten de Vrouwen en kleine Kinderen, als Ambachts-lieden van allerley Hand-werken, Hoog-leer-meesters van alle eerlijke konsten, om ’t zelve Landschap te verversschen, bevolken en [p. 446] verzieren; alzoo ’t anderzins zeer qualijk bewoond, en voor een groot gedeelte verwildert was.
    [Vrugtbaarheid der Utopiërs.] Dese verplaatsing van Volk geschiede niet zoo zeer om de over-groote meenigte van Mannen en Vrouwen, die’er in Utopia waren; als zijnde vermeenigvuldigt als Sprink-haanen; je weet wel wat ik zeggen wil: ’t en is niet noodig u vorder te beduiden, dat de Utopische Mannen zoo vrugtbare teel-lieden hadden, en de Vrouwen zulke ruime, greetige en vasthoudende Baar-moeders droegen, en de holletjes der zelver zoo wel na goede Bouw-konst geschikt, dat’er ten einde van yder negende maand ten minsten zeven Kinderen zoo Knechtjes als Meisjes gebooren wierden uit yder Echt-genootschap; daar in na volgende het Joodze Volk in Aegypten, (Si De Lira ne delire) Soo den Schrijver De Lira daar in niet verbijstert is.
    ’t Geschiede ook niet zoo zeer om de vrugtbaarheid des Aards-rijks, de gezondigheid des Luchts, en de wel geleegentheid des Lands van Dipsodie, als om ’t zelve te beeter in dwang en onder gehoorzaamheid te houden door de nieuwe Volk planting van sijn oude en getrouwe Onderdaanen; die van aller geheugenis her noit eenig ander Over-heer gekent, erkent, aangenomen of gedient hadden, als hem: en die van den tijd af datse gebooren, en ter wereld gekomen waren, te gelijk, met de Melk haarer Moeders en Voesters, hadden in-gezoogen de zoetheid en zachmoedigheid van sijne regeering: en in de zelve tot zoo lang op gequeekt en gevoed waaren. ’t Welk een ge- [p. 447] wisse toe-verlaat was, datse veel-eer haar ligchamelijk leven zoude verlaaten, als dese eerste en eenige onderdaanigheid, diense van natuuren aan haaren Vorst verschuldigt waren; in wat plaats sy ook verstrooijt of verzonden mogten zijn.
    En niet alleenlijk zouden sy zoodaanig zijn, en de Kinderen uit haar bloed vervolgens voort komende: maar sy zouden ook in die getrouwigheid en goedwillige gehoorzaamheid onderhouden alle de nieuwe Volkeren, die onder sijn heerschappy gebragt mogten worden. ’t Welk in der waarheid ook zoo uit-viel; zoo dat hy in sijn bedenking geenzins bedroogen wierd: want in dien de Utopiërs voor de verplanting trouw-hertig en wel erkennende waren geweest; de Dipsodiërs, na datse zeer weinige dagen met haar hadden omgegaan, waren ’t noch veel meer, door (ik en weet niet wat voor) een natuurlijken yver, die doorgaans de menschen gevoelen in ’t aanvangen van alle werken, die haar wel gevallen. Alleenlijk beklaagdense haar daar over (tot getuigen neemende alle de Hemelen, en Verstandelijkheeden [Intelligences] als beweegsteers) dat niet eerder tot haar kennis was gekoomen den braaven roem van den vroomen Pantagruel.
    Hier meugje dan merken, mijn drink-gesellen, dat de rechte manier en ’t middel om een Land, nieuwelijks aangewonnen, in gehoorzaamheid te onderhouden en behouden, niet en is (gelijk zommige wreevele en tot dwinglandy geneegene geesten dwaaslijk, en tot haar eigen schaad en schande gewaant hebben) als men der zelver Inwoonders berooft, bedwingt, [p. 448] benaauwt, verarmt, mishandelt, en met ysere roeden regeert; jaa het Volk op-eet en verscheurt: na welke wijse van doen Homerus den wetteloosen Koning Demoberon, dat is, Volk-vreeter, noemt.
    Ik zal u, om dit te bewijsen, de aal-oude geschiedenissen niet uit den hoek haalen; alleenlijk zal ik in uw geheugenis herroepen het geene uwe Voor-vaders beleeft hebben, en gy zelve, zoo gy niet te jong en zijt. Zulke nieuw-verheerde Volken moet men als nieuws geboore Kindertjes zoogen, wiegen, en troetelen: als versch verplantte Boomen dient mense te onder-steunen, behoeden, en beschutten voor alle quaade toevallen, onheillen en ongemakken: Als lieden van een lange en swaare ziekte korts opgekomen, en een weinig weder gezond wordende, behoortmense te vieren, te schroomen, en te koesteren zoo zorgvuldiglijk, datse by zich zelven dese meening opvatten, dat’er geen Koning of Vorst ter wereld zy, die minder uw Viand, en meerder uwen Vriend zoekt te zijn.
    Alzoo nam Osiris den grooten Koning der Aegyptenaars dat geheele Land in; niet zoo zeer door geweld van Wapenen, als door vertroosting en bystand aan de benaauwde, door onderwijs om wel en gezond te leven, door zachte zeer dienstige wetten, door lief-talligheid, en weldaaden. Daar door is hy van sijn Onder-zaaten ver-eert met den toenaam van den grooten Koning Evergetes, dat is, Weldoender, en, door bevel van Jupiter, aan een Graf-spits gestelt.
    Des-gelijks wil ook Hesiodus in sijn Hierarchia, [p. 449] in de t’ zaamen-spraak met de goede Geesten, (of wiljese liever Engelen noemen) datse zijn in ’t midden en middelaars tusschen Goden en Menschen; hooger als de Menschen, en laager als de Goden: en dewijle door haar handen ons de rijkdommen en weldaaden van den Hemel toe komen, en datse zonder op houden ons goed-doende, geduurig voor alle onheil behoeden, datse aanneemen en bedienen de Ampten van Koningen: aangezien gestaadig goed, en nimmer quaad te doen, alleenlijk een recht koninglijk bedrijf is.
    Op dusdaanige wijse wierd Alexander den Macedoniër Heerscher over de geheele wereld. Aldus bequam Hercules de heerschappy over ’t geheele Vaste Land; door de menschen te verlossen van Ondieren; onderdrukkingen, uitputtingen en geweldenaarijen: en dan haar met minnelijke bejeegening te bestieren, by haar vrijheeden en Voor-rechten te behouden, een zacht-zinnige Staats-regeering, en wetten, wel met der Landen geleegentheid over-een komende, in te voeren; te vervullen ’t geen ’er gebrek was: en weder wech nemen ’t geen ’er t’ overtollig wierd: te vergeeven all het verleedene, met een eeuwige vergeetelheid aller voorgaande misdaaden; gelijk de algemeene misdaad-demping [Amnestia] der Atheniensers was, wanneer door de vroomigheid en vlijt van Trasibulus de dwingelanden verdreven waaren: welke naderhand tot Romen door Cicero wierd uit-gelegt, en onder den Keiser Aurelianus vernieuwt.
    Dese zijn de minne-drankjes, verlokkingen en verleidingen tot liefde, door middel van welken men vreedelijk behouden mag, ’t geen [
p. 450] men moeijelijk verovert had. En niet gewisser kan een Overwinnaar in welstand regeeren, Hy zy dan Koning, of Vorst, of Wijs-aard, als wanneer hy de gerechtigheid doet volgen op de vroomheid: Sijn vroomheid is gebleeken in de zeege en ver-overing: sijne gerechtigheid zal daar in blijken, dat hy met wil en goede geneegentheid des Volks wetten zal stellen, geboden doen af kondigen, Gods-diensten bevestigen, en recht doen aan een yder; gelijk den deftige Dichter Maro van Octavianus Augustus zeit,

            Hy, die verwon; met wil der overwonnen,
            Deed ook dat daar sijn Wetten gelden konnen.


    Hierom is’t, dat Homerus in sijn Troyaanze Oorlogs-gedichten de vroome Vorsten en groote Koningen noemt (Kosmitoras Laon) Optooijers des Volks. Dit was mee de meening van Numa Pompilius, tweede Koning der Romeinen, een rechtveerdig, staat-kundig, en wereld-wijs Man; wanneer hy verbood, aan den God Terminius [Scheidpaal], op des zelves Feest-dagen, diemen Terminales noemde, iets te Offeren, dat dood gevangen was. Waar meed hy ons wilde aanwijsen; datmen de Land-palen, grensen en aanhangzels des Rijks bewaaren en regeeren moet met vreede, vriendschap, en goedertierentheid, zonder sijn handen te bezoedelen met moord en roof.
    Die anders doet, zal niet alleenlijk verliezen ’t geene hy gewonnen had; maar zal ook moeten dragen dien smaad en laster, datmen hem houd, het zelve qualijk en t’ onrecht ge- [p. 451] wonnen te hebben; ’t welk daar uit beslooten word, dat het gewonnene hem onder de handen verdweenen is. Want

            t’ Onrecht verkreege Landen
            Verliest men weer met schanden.


    Doch of ’t al gebeurde, dat hy’er sijn geheele leven het vreedig gebruik afgenoot; indien evenwel ’t gewonnene by sijne Erf-genaamen verlooren gaat, den leelijken laster zal even zeer op den overleedenen daalen, en sijn gedachtenis zal tot een vervloekinge zijn; als van een ongerechtveerdigen Inschraaper. Men zeit ook voor een gemeen spreek-woord;

            Goed, met onrecht ingehaalt,
            Op geen derde Nazaad daalt.


    Merk nu mee, gy gigtige Leen-heeren, by dit Leen-punt; Hoe Pantagruel door dit middel van eenen Engel twee maakte: ’t welk een recht ander toeval is, als dat van Carel de Groote; die van een Duivel twee maakten, toen hy de Saxische in Vlaanderen, en de Vlaamingen in Saxen over zette: want, dewijl hy de Saxische, die, hy aan sijn Rijk gevoegt had, niet in dwang kon houden, datse niet alle oogenblikken in oproer raakten, zoo haast hy in Spanjen, of andere ver-afgeleegen Landen wierd opgehouden; heeft hy haar doen overvoeren in sijn Land, hem van natuur onderdaan, te weeten Vlaanderen: daar-en-tegen de Henegouwers en Vlaamingen, sijn ingeboorene Onderzaaten zette, hy over in Saxen; niet twiiffe- [p. 452] lende aan haare getrouwigheid, hoewelze in vreemde Landen vervaaren waaren. Doch ’t gebeurde dat het Saxische Volk volhardde in haar voorige wederspannigheid en hardnekkigheid: en de Vlaamingen woonende onder haar, naamen meede aan de boose zeeden en wrevelen aard der Saxische.



                II. HOOFT-DEEL.

    Panurge word gesteld tot Slot-voogd
        van
Salmingondin in Dipsodiè:
        en eet’er sijn Koorentje groen.

TErwijl Pantagruel de regeering over geheel Dipsodie bestelde, gaf hy de Slotvoogdy van Salmingondin aan Panurge; opbrengende yder jaar 678910789. Realen in gewis geld; daar onder noch niet gereekent den by-val van de op-komsten der Hanetone en Kakerollen, bedragende jaarlijks, de goede en quaade jaaren door malkanderen gereekent, wel 2435761. of 2435769. Schaap-stukken: zomtijds steeg het wel tot 1254554321. Seraph-stukken, als ’t eens een overvloedig jaar van de Kakerollen, en Hanetons was; maar dat gebeurde alle jaaren niet.
    Hier in droeg hem mijn Heer den nieuwen Burg-voogd zoo wel en wijsselijk, dat hy in min dan veertien dagen door-bragt alle de inkomsten, zeekere en onzeekere, van sijn Slot-voogdschap voor drie jaaren. Niet, dat hy ’t eigentlijk (dilapideerde;) ’t welkje duiden mogt [p. 453] aan steen besteedde; tot het stichten van Kloosters, opbouwen van Kerken, oprechtinge van Hooge-schoolen en Gast-huisen: of met sijn spek voor de Honden te werpen. Maar hy verquiste het aan allerley kleine Gasterijtjes en vroolijke Maaltijdtjes, half open-hof houdende voor alle komende en gaande, voornaamelijk aan goede Gezellen, of Tafel-vrienden, mooije Meisjes, en lodderlijke Diertjes: afhouwende heele bosschen, brandende de groote blokken, om den asch daar af tot geld te maaken: geld voor heenen opneemende: tot hoogen prijs inkoopende, en voor een geringen prijs weder verkoopende: en alzoo sijn koorentjen groen of onrijp op-eetende.
    Pantagruel van desen handel verwittigt; was ’er in sich zelve geenzins over gestoort, verdrietig of moeijelijk. Ik heb het je van te vooren gezeit, en her-zeg het noch een-maal, dat hy den besten, kleinen en grooten goeden bloed en zoetsten zulleman was, die oyt degen op zy droeg: Alle dingen nam hy in ’t goede, alle misdriif duidde hy ten besten: noyt bekommerde of quelde hy zich: noyt ergerde hy hem. Ook was hy zeer wel van den Hemel met vernuft en reeden begaaft, of hy zich al bedroeft en ontroert mogt hebben. Want alle goederen, die den Hemel dekt, en de Aarde in alle sijn af-meetinge van hoogte, diepte, lengte en breedte bevat, en zijn zoo veel niet waardig, dat onse geneegentheeden daar door bewoogen, en onse ziel en zinnen daar over ontzett zouden zijn.
    Alleenlijk trok hy Panurge ter zijden, en zeide hem zoetelijk; dat indien hy voortaan [p. 454] alzoo leven wilde, en niet zuiniger zijn, dat het onmoogelijk, of ten minsten zeer swaar zou weesen, om hem immermeer rijk te maaken. Rijk? Vraagde Panurge, hadje daar nu je zinnen op gezett? Hadje nu tot je bezorg genomen, om my rijk te maaken in dese wereld? Denkt gy slechts om lustig te leven, om Gods en der goeder Gezellen wil: ander bezorg, andere bekommering worde nimmer ingelaaten in het hoog heilig Huis van u Hemelsche herssenen: de helderheid der zelver zy nimmer verdonkert door eenige Wolken van belemmerde en verdrietige gedachten. Als gy maar fris, fraay en vroolijk leeft, zal ik meer dan rijk genoeg sijn. Alle menschen schreeuwen vast, spaar, spaar: maar meenig spreekt van spaarzaamheid, die der niet een bruy af weet wat het is.
    Met my is ’t, dat men te raade behoort te gaan: en van my zult gy te deser uur onderregting ontfangen, dat het geene men my als een misbruik te last leid, niet anders is geweest als tot naa-volging van den Opper-schoolen [Universite], en Geregts-hof [Parlement] van Parys: ’t welk plaatsen zijn, waar in bestaat de waarachtige oorsprong en levende schets van de gantsche God-geleertheid, en allerley recht-oeffening mee. ’t Is een Ketter die daar aan twijffelt, en dat niet zeekerlijk gelooft. Sy nochtans eeten in eenen in eenen dag haaren Bisschop, of de inkomst van der zelver Bisdom (dat is eeven eens) voor een geheel jaar, zuiver op: jaa zomtijdts wel voor twee jaaren; op den dag als hy daar ingewijd word en sijn intreed doet. En ’t is [p. 455] hem onmoogelijk zich daar af te ontschuldigen, ten zy hy terstond gesteenigt wil wesen.
    Al mijn bedrijf is ook geschied volgens de vier voornaamste deugden. Voor eerst was ’t uit Voorzichtigheid [Prudence]; dat ik onverscheenen geld vooraf opnam: want men weet niet wie doodt of wie gedood word: en wie weet of de wereld noch drie jaaren duuren zal? En of hy al langer stond; is ’er wel eenig mensch zoo zot, die zich zou durven belooven noch drie jaaren te leven?

            Geen mensch men by de Goon oyt zoo begunstigt zag,
            Dat hy zich’t leven kost verzeek’ren eenen dag.


    Ik dee volgens de wisselende Gerechtigheid [Iustice communative]; als ik dier in-kocht (ik meen te borg) en weder goed-koop verkocht (ik meen voor gereed geld.) Wat zeit Cato in sijn zuinige huis-houding hier toe? Een Vader des Huis-gezins, (zeit hy) moet een geduurig verkooper zijn. Zoo is ’t onmoogelijk, of ik moet door dit middel ten lesten rijk worden; indien de winkel-waaren maar altijd duuren.
    Ik handelde na de Uitdeelende Gerechtigheid [Iustice distributive]; toen ik mijn spijse schafte aan de goede (merk wel, goede) en braave Borsten; den welken ’t geval had geworpen, gelijk Ulisses, op den klip van grooten honger, zonder voor-raad van mond-kost ook aan de goed-aardige (merk wel, goed-aardige) en jonge (let-wel, jonge) zoete zusjes: want, na de spreuk van Hippocrates, kan de jongheid zeer swaarlijk honger verdragen; voornaamelijk alsse levende, lustig, wakker, beweegende, danssende en dartel zijn: [p. 456]
de welke geerne en van goeder harten alle eerlijke lieden geneugt aan doen. Sy zijn van de gezintheid van Plato en Cicero; zoo datse zich achten gebooren te zijn, niet voor haar zelven alleen; maar deelen mede haar eigen lijf en leeden aan haar weer-streevers, en aan haar vrinden.
    Ik oeffende mijn Sterkheid in ’t neder rukken van groote boomen, als eenen anderen Milo; verwoestende de donkere Wouden, zijnde slechts de schuil plaatsen van Wolven, wilde Swijnen, en Vossen; Herbergen van Struik-roovers, en Moordenaars; sluip-hoolen van Af-zetters en Gauw-dieven; winkels voor valsche Munt-slagers; vertrek-plaatzen van vluchtende Ketters: de zelve vereffenende tot luchtige Valeijen, en lustige Heijen voor Herders op de Schalmey en Ruis-pijp speelende, en de zeetels voor-bereidende tot den nacht des Oordeels.
    Ik leefde naa de Maatigheid; terwijl ik mijn Koorentjen noch groen zijnde op-at even als de Kluisenaars, die by Salaad en Wortelen leven. My zelve, ontslaande van de zinnelijke lusten: en alzoo spaarende voor de verminkte en behoeftige: want, aldusdoende bespaare ik de Wieders, die geld verdienen; de Maaijers, die geerne drinken, ook ongewaaterden Wijn: de Naa-leesers, diemen koeken toe bakken moet: de Dorsschers, die Look, Uijen, noch Schalonie in den Tuin laaten; volgens verklaaring van Thestilis by Virgilius. De Moolenaars, die doorgaans dieven zijn: en de Bakkers, die niet veel meer deugen. Is dat dan een kleine bespaaring? Behalven noch de be- [p. 457] schaadiging door de aard-muysen, ’t belaaken op de koorn-zolders, en de afknaagingen van kalander en mijtten.
    Van ’t groene Koorentjen maaktmen lekkere groene zoppe, de maag niet beswaarende, gemakkelijk te verteeren; dewelke u de herssenen zuyvert, de levend-maakende geeste vervroolijkt, ’t gezichte verklaart, de eet-lust verwekt, de smaak aangenaam is, het herte versterkt, de tonge kittelt, een gezonde kleur maakt, de spieren verwakkert, het bloed maatigt, het middelrift ruymt, de lever verfrischt, de verstopte milt opent, de nieren verzacht, de wervel-beenen rap maakt, de peesen leedigt, de zaad-vaten verwijdt, de kloot-zenuwen in trekt, de blaase reynigt, de teel-leeden opblaast, een goede Groot-schippers buyk maakt, wel rispen, vijsten, schijtten kakken, pissen, niesen, hikken, hoesten, spuygen, braaken, geeuwen, snotteren, aazemen, slorpen, ronken, sweeten, en duyzend andere zeldzaame werkingen doet.
    Ik verstaaje wel (zeyde Pantagruel daar op) gy wilt hier mee bewijzen, dat lieden van weinig geest en kennis niet zouden weeten zoo veele goederen in zoo korten tijd door te brengen. Gy zijt de eerste niet die met deze kettery besmet is geweest: De Keyzer Nero hanthaafde die wel hertelijk, en verwonderden hem meer dan iemand over zijn Oom Cajus Caligula; die in weinig dagen door een zeer zelzame vond verdaan had het geheele bezit en Vaderlijk erf-goed, dat door Tiberius hem naagelaaten was.
    Maar in stee van naa te komen de onkost [p. 458] wetten der Romeynen; (als de wet Orchia, Faunia, Didia, Licinia, Cornelia, Lepidana, en Antia; of van de Corinthiërs, door dewelke wel strengelijk aan een yder verbooden was, in ’t jaar meer uyt te geven, als zijn jaarlijks in komen uytreyken kon;) zoo hebt gy (Protervie) [Anders gezeit, brooddronkenheit] begaan: ’t Welke wel eer een offerhande onder de Romeynen is geweest; even als het Paasch-lam onder den Jooden; daar moest men op-eeten alles wat eetbaar was, het overige in’t vuur werpen, niets tot ’s anderen daags overhouden.
    Ik mag met recht van u nu zeggen ’t geene Cato eertijds van eenen Albidius zeyde; dat die, door overmaatige onkosten alle zijne goederen verquist en verteert hebbende, behalven een huisjen, daar in toen den brand stak, om te mogen zeggen; (consummatum est.) nu is ’t alles gedaan. Gelijk lang daar naa den heiligen man Thomas Aquinas mede zeyde, toen hy een Lamprey geheel op-gegeeten had. Nu daarom niettemin.



                III. HOOFT-DEEL.

    Panurge verheft ten hoogsten den
        stand der Schuldenaars en Ontlee-
        ners.

PAntagruel vervolgende vraagde Panurge; maar wanneer denkje dan eens uit u schulden te geraaken? Tegen den tijd der Griekze Kalenden; antwoorde Panurge op Sint Nimmers dag; als de Ko- [p. 459] ning op de kruy-wagen rijdt; wanneer alle menschen rondom betaalt, en even rijk zullen zijn, en gy erfgenaam van u zelve zult worden. Ik bid, dat de Heere my behoede van immer uyt mijn schulden te geraaken: dan zou ik’er geen meer konnen vinden, die my eenen penning leende.

    Die op den avond geen zuurdeessem overlaat,
    Weet’s morgens, om zijn deeg te rijsen doen, geen raat.


    Sooje altijd aan yder-een schuldig zijt, zoo zullen die alle geduurig God voor u bidden, dat hy u doch een goed, lang en gelukkig leven wil verleenen, uyt vrees van te verliezen ’t geenje hem schuldig bent: In alle gezelschappen zullense gestaadig wel van u spreeken, en altoos nieuwe schuld-heeren verschaffen; op datje door de zelve een schuld-wisseling meugt maaken; en met een ’s ander mans aarde haar gracht gaan vullen.
    By oude tijden toen noch in Vrankrijk, door inzetting der Druyden of Heydensche Priesters, een gewoonte was, dat de slaaven, dienaars, en deur-wachters op de uytvaard van haar versturvene Heeren en Meesters mede leevendig verbrand moesten worden; haddense niet altijd een swaare zorg en schrik op haar hals, dat haar Heeren en Meesteres mogten komen te sterven? dewijlze dan mede al ter dood verweezen waaren? mochtense, jaa moetense niet geduurig met bidden aanhouden by haaren grooten God Mercurius, en Dis; den Vader der schatten, om haar in langduurige gezondheit te behouden? en hebbense [p. 460] niet zeer zorgvuldig geweest in haar te vieren en te dienen? wantse met malkanderen mochten leven, ten minsten tot haar dood toe.
    Geloof vryelijk, dat met veel meerder yver en aandacht uwe Schuld-heeren God bidden, datje by’t leven blijft, en bezorgt zijn, datje sterven mogt. Doch zoo, datse liever hebben den mouw, dan den arm, en het geld, als het leven. Tot getuygen daar af dienen de Woekeraars van Landerousse, die haar onlangs verhingen, om datse zaagen dat de graanen en wijn afsloegen in prijs, en dat het weder een goeden tijd wierd.
    Terwijl Pantagruel hier op niemendal antwoorde, voer Panurge voort; doch in der daad wanneer ik me wel bedenk, je wilt me met fronsten trooni weder tot het voorige stuk brengen, my voorleggende mijne schulden en schuld-eysschers. Wel aan; in deze hoedanigheid alleen, zoud’ ik my derven reekenen en roemen neven Augustus, zoo aanzienlijk en ontzagchelijk, dat hy, boven ’t gevoelen aller Wijs-geeren, (die’t voor vast stellen, dat’er niets uyt niet kan voortkoomen, of gemaakt is) niemendal hebbende, en alzoo geen eerste stoffen, een maaker en Schepper was; en geschaapen had, wat doch? zoo veel goede en schoone schuld-heeren.
    De schuld-heeren zijn (ik wil ’t beweeren tot den viere toe, doch daar buyten te blijven) schoone en goede schepselen: die niets uyt en borgt is een leelijk en boos schepsel, een schepsel van den grooten leelijken bullebak der hellen. Wat heeft hy meer gemaakt? Schulden. O ongemeen schoone en door veroudering [
p. 461] hoogwaarder zaak! Schulden, zeg ik, overtreffende het getal der woord-deeltjes die men zou konnen maaken uyt de ’t zaamen zetting aller mede klink-letteren, wel-eer op-gestelt en uytgereekent door den deftigen Xenocrates.
    Sooje de volmaaktheid der Schuldenaars schatten woud na de grootheid van ’t getal der Schuld-eisschers, het zouje in de uytreekening en vergelijkking verd ontschieten. Hoe bly meenje dat ik wel ben, wanneer ik alle morgens rondom my zie zoo veel schuld heeren, zoo ootmoedig, zoo gedienstig, zoo vol van eerbiedigheden: en als ik aanmerk, dat, wanneer ik den eenen met een blijer gelaat bejeegene, of wat beeter onthaal doe, als den anderen, den armen schelm zich inbeeld, dat hy de eerste voort-geholpen zal worden, en dat hy aller-voorst op’t gedenk-zeel staat, en mijn toelagchen al voor gereed geld reekent.
    Ik stel me schier voor als of ik noch voor God speel in de vertooning van ’t lijden onses Heeren tot Saumour, en dat ik met mijn Engelen en Cherubijnen omringt ben. Deze sijn mijne aan-zoekers, mijne pan-lekkers, mijne gunstelingen, mijne morgen-groeters, mijne geduurige reedenaars: en ik zou zeeker denken, dat in de schulden bestond die verheven berg der helde-deugd, door Hesiodus beschreeven, waar op ik den voorsten en oppersten zetel bezat; na welken alle menschen te staan en te steigeren scheenen, doch dat weinige daar toe geraakten; mits de moeylijkheid van den weg: want ik zie tegenwoordig al de wereld in de weer met een vierig verlangen en brullende lust om nieuwe schulden en schuld-heeren te maaken.
[p. 462]
    Nochtans is niet een jegelijk, wie maar wil, een Schuldenaar: en elk een, wie wil, maakt geen Schuld-eysscher. En gy zoektme van dit verheeven geluk te verstooten? en gy vraagtme, wanneer ik uyt mijn schulden zal zijn. Kostje ook wat ergers doen? Ik sweerje by Sint Babelin, den goeden heilig, dat ik al mijn leven lang in de waan geweest ben, dat de schulden waaren een t’ zaamenvoeging en aan een-binding van Hemel en Aarde, een eenigste onderhouding van ’t menschelijk geslagt; zonder welken (derf ik zeggen) alle menschen met’er haast verlooren zouden gaan: jaa, dat misschien de schulden zijn deeze groote ziel van’t heel-al; dewelke na ’t gevoelen der Hoogeschool-geleerden, alle dingen leevendigh maakt.
    Op datje meugt merken dat dit zoo zy, vertoon u eens in een zuyvere inbeelding een ontwerp en gedaante van eenige wereld: neen zoo ’t u goed dunkt, den dertigsten der zelver, welke den wijsaard Metrodorus zich inbeeldde, waar in noch schuldenaar, noch schuld-eisscher zou zijn: daar zulje zien, dat’er onder de gesternten gansch geen geseegelde loop sal wesen; alle dwaal-sterren zullen in wan-oorde geraaken: Jupiter zich niets verschuldigt achtende aan Saturnus, zal hem uyt zijn rond zetten: en met den keeten van Homerus, zal hy ophangen alle de Verstandelijkheden [Intelligences], de Goden, de Hemelen, de geesten, de geboort-Engels, de Helden, de Duyvelen, het aardrond, de zee, en alle hooft stoffen.
    Saturnus zal zich verbinden met Mars, die zullen de geheele wereld in verwarring brengen. [p. 463] Mercurius zal zich niet langer dienstbaar willen draagen aan de andere; en zal niet meer willen zijn haaren Camille; gelijk hy in de Hetrurische taal geheeten wordt; dewijle hy aan haar niets verplicht is. Venus zal niet (gevenereert) ge-eert en in weerden gehouden worden, door diense niemant iets by gezet zal hebben. De maan zal bloedig en donker blijven stilstaan; by welke gelegentheid de Son schijnsel en licht haar onthouden zal: want hy zal’er niets aan verschuldigt zijn. De Son zal op ’t Aard-rijk niet willen lichten: de gesternten zullen’er geen goede invloeijing doen; om dat de aarde zal ophouden door dampen en opwaasemingen voedzel te verschaffen; met welke Heraclitus zeyde, de Stoïsche wijsen beweezen, en Cicero staande hield, dat de sterren gevoedt en onderhouden wierden.
    Onder de Hooft-stoffen zal geen evendragtigheid, geen verpoosing, noch eenige omwisseling wezen: want den eenen zal zich niet verbonden dunken aan den anderen; indien hy hem niets zal by gezet hebben. De Aarde en zal geen water willen worden: Het Water zal niet in lucht willen verwisselen: De Lucht zal in geen vuur veranderen: Het Vuur zal de aarde niet verwarmen. De aarde zal niet voort-brengen dan gedrochten, Hemel-stormers, en Reuzen: daar en zal geen reegen vallen, geen licht schijnen, geen wind waaijen, en geen zoomer of herfst zijn.
    Lucifer zal zich los-maaken, en stijgende uyt den afgrond der hellen op met de raasernijen, plaag-geesten en gehoornde Duyvels, zal willen uyt den Hemel vernestelen alle Goden zo [p. 464] grooten als kleinen. Dit werelds rond niets leenende, zal niet zijn als een baijaard en blooten bol, veel ongereegelder als die van den School-voogd van Parijs: niet dan een drommelary veel verwarder, als die der speelen van Douay. Onder de menschen zal den eenen den anderen niet tot behoudenis willen helpen: Yemand zal’er lang genoeg mogen roepen, help! brand! waternood! moord! Niemand zal hem ter hulp komen, Waarom? hy had niets geleent; men was hem niets schuldig, niemand lee verlies by zijn verbranding, by zijn schip-breuk, by zijn hals breeken, of by zijn vermoording. Want, gelijk hy noyt iets ontleent had, zoo heeft hy daar naa mede niet mogen ontleenen.
    In ’t kort, van zulk een wereld zullen gebannen zijn Geloof, Hoop, en Liefde: want de menschen zijn gebooren tot hulp en bystand der menschen. En in haar steede zullen zich schikken wantrouwen, lastering, Haat en Wrok, met een heirleeger van alle onheijlen, alle vervloekkingen en alle jammeren. Het zal u schijnen eeven of Pandora daar haar doosjen had uytgestort. De menschen zullen ontmenscht en tot wolven worden: jaa tot weerwolven en bijttebauwen; gelijk Lycaon, Bellerophon, Nebucadnezar: of Straat-schenders, gehuyrde moordenaars, vergiftigers, quaad-doende, quaad denkende, quaad-willende, haat-draagende, een yeder tegen allen, gelijk Jsmaël, gelijk Metabus, gelijk Timon den Atheniaan; die daarom ook den toenaam (Misanthropos) mensch-haater gegeven wierd.
    Alzoo, dat het in de Natuur een moogelij- [p. 465] ker zaak zou zijn; de visschen in de lucht te doen leven, de herten op de grond der groote zee te doen weyden, als voor een mensch te verdraagen den ommegang met zulk een deugnietig gespuys en boeve-jagt van een wereld, die leent noch borgt. By mijn trouw, ik haatse wel hartelijk.
    En indien gy na ’t voorbeeld van deze verdrietige en hart-knaagende wereld, die niets en leent, eens af beelden gaat den anderen kleinen wereld, ’t welk de mensch is, gy zult een gruwelijke verwarring gewaar worden: het hooft zal ’t gezicht van zijn oogen niet willen leenen, om de voeten en handen te rechte te stieren. De Voeten zullen zich te weerdig houden om het hooft te draagen: de handen zullen ophouden daar voor te werken: het hart zal verdrietig worden over zoo veel beweegens, om alle slag-aaderen door de leeden aan ’t kloppen te houden, en zal haar niet meer willen by-zetten: de long zal’er zijn aadem tocht niet langer aan willen leenen: de lever zal’er geen bloed meer tot zijn onderhoud aanzenden: de blaas zal geen schuldenaarze aan de nieren willen wezen, de pis zal met magt in gehouden worden: Het brein bemerkende dezen onnatuurlijken gang, zal aan ’t dollen geraaken, en geen gevoelen aan de Zeenuwen, noch beweeging aan de spieren verschaffen.
    In ’t kort, in deze ontredderde wereld, niets leenende, niets ontleenende, zult gy een verderflijker t’zaamen-spanning gewaar worden, als Aesopus in sijn Fabel-schriften afgebeeld heeft: en hy zal zonder twijffel vergaan; niet alleen zal hy vergaan, maar hy zal zeer haast [p. 466] vergaan; al was ’t Aesculapius zelve: het Ligchaam zal schielijk aan ’t verrotten geraaken: de ziel zoo gebelgt, zal vaaren voor alle Duyvelen na mijn geld.



                IV. HOOFT-DEEL.

    Vervolg der reeden van Panurge tot
        lof der Vertrouwers en Schulde-
        naars.

VOrder sprak Panurge tot Pantagruel; verbeeld u daar-en-tegen eens eenen anderen wereld; waar in een jegelijk leent, en een yegelijk schuldig is: daarse alle Schuldenaars, en alle uytleeners zijn; O welk een zoeten over-een-stemming zal’er zijn onder de gereegelde beweegingen der Hemelen! (mijn dunkt, dat ik ’t zoo wel verstaa, als immer Plato gedaan heeft.) O welk een onderlinge neiging tusschen de hooft-stoffen! O hoe zal de Natuur zich daar vervroolijken over haare werken en voortteelingen! Ceres zal overlaaden zijn van graanen, Bacchus van wijnen, Flora van bloeyzel en bloemen, Pomona van Boom-vruchten, Juno zal zuyverlijk, gezond, en lieflijk sweeven in haar heldere lucht. O ik beswijk van verheuging in deze zoo zoete bepeinsing!
    Onder den menschen zullen Vreede, Liefde, vriendschap, getrouwigheid, gerustheid, vriend-maaltijden, gastmaalen, vreugde, blijdschap, [p. 467] goud, zilver, klein geld, keetenen, baggen, en allerley Koopmanschap omgaan van hand tot hand. Geen rechts-vorderingen, geen oorlog, geen gekijf zal’er zijn: geen woekeraar, geen uytzuyper, geen vrek-aart, geen weigeraar zalm’er vinden. Waarachtig God! zal dat niet sijn de Gulden eeuw? het rijk van Saturnus? De voorschaaduwing van de Heemelsche Rijken; in welken alle andere deugden ophouden, en de Liefde alleenlijk stand houdt, heerscht, regeert, en zeegepraalt?
    Daar zullense alle goed, alle schoon, alle oprecht zijn. O wel vaarende wereld! O gelukkige bewooners van zulk een wereld! O gy drie en viermaal gelukzalige! Ik beeld my in, als of ik’er al ben. Ik sweer u by den goeden Sint Bruyn, dat, indien ’er in deze wereld een Paus was, die de ruymt van Cardinalen had, verzelt met zijn heilige vergaadering, gy in weinig jaaren zien zoud de Heiligen veel meenigvuldiger, meer wonderwerken doende, met meerder leezingen, meer beloften, meer kruyssen, en meer keerzen, als’er nu niet en zijn onder de negen Bisschoppen van Bretaigne; uytgenoomen alleen Sint Jves.
    Ik bidje bedenk eens, hoe den goeden bloed Patelin, willende zich zelf tot een God verheffen: en door goddelijke lof-reeden tot in den derden Heemel zocht op te voeren den Vader van Guilleaume Jousseaume, niet een woord meer en zeyde; als; En hy borgde zijne waaren aan wiese maar wilde. O wat een wenschelijken woord! Na dit voorschrift teiken onze kleyne wereld eens af in alle zijne leeden; Uytleenende, te leen neemende, schuldig blijvende: ik wil [p. 468] zeggen, in zijn eygen aard en weezen: want de natuur heeft den mensch niet voortgebragt, dan om te borgen, en te leenen. De overeenkoming der Heemelen en is niet grooter, als die van der zelver bestier zal zijn.
    De ervinding van den Stichter dezer kleiner wereld is, daar in de ziel te onderhouden, (dien hy daar in als een bewooner gehuysvest heeft) en het leven. Het leven bestaat in ’t bloed het bloed is de zitplaats van de ziel; en alzoo heeftze niet dan enkel arbeid en moeite in deze kleyne wereld; te weeten, geduurig bloed smeeden, over dit smeeden zijn alle leeden in haar eygen bediening: en haar hoog bestier is zoodanig, dat zonder ophouden d’een den ander ontleent, den een den anderen uytleent, den een des anders schuldenaar is.
    [Nau’keurige beschrijving van de inwendige werkingen, tot voeding van ’s menschen ligchaam.] De stoffe en ’t gevoegelijk metaal, om tot bloed verandert te worden, wort daar toe van de Natuur verschaft, te weeten, Brood en Wijn. Onder deze twee zijn vervaat alle soorten van voedzel: en daar door is ’t in der Gotze taal geheeten Companage. Om ’t zelve te bekomen, toebereiden en kooken, arbeyden de handen, wandelen de voeten, en torssen ’t geheele lighaams gebouw: de oogen beleyden alles. Den honger komt, door middel van een weinig zuyrachtig swart bloed, uyt de milt in de mond van de maag gezonden, aanmaanen dat’er spijs geschaft moet zijn: De tong neemt’er den proef af: de tanden vermaalense: de maag ontfangtse, verteertse en maaktse tot een gijl: de dunne darm-scheils-aaderen zuygen’er’t best en bequaamste uyt; laatende den groven afgang blijven; die door de uytdrijven- [p. 469] de kracht word gelost langs bezondere daar toe ge-eygende geuten. Voorts word het fijnste gevoert na de lever; die verandert het wederom, en maakt’et tot bloed:
    Nu bedenk eens, welk een verheuginge onder deze bedienaars is, wanneerse verneemen dese gulden stroom, die haar eenig onderhoud en herstel-middel is? grooter kan de vreugd der metaal-stookers [Alchimistes] niet zijn, wanneerse na lange moeylijkheid, groote bekommering en kosten, alsdan stelt zich yder Litmaat schrap, en verpijnt zich op nieuw deze schoone schat te zuyveren en verfijnen. De Nieren trekken ’er door de melk-aadertjes de waaterigheid af, en doense door de water-pijpjes om laag loopen: daar beneeden vindtze dan een eygen ontvang-vat, dat is de blaas; die de zelve ter geleegener tijd weder uyt laat loopen. De milt trekt’er de aard-achtigheid en gist uyt, dien gy swarte gal [Melancholie] noemt. De galle blaas zuygt’er de overtollige en geele gal uyt.
    Daar na word dit overige overgebragt in een ander winkel, om noch fijnner gemaakt te worden; dat is het hart, ’t welk door zijn verwijdding en weder toe-trekking dat verdunt en verwarmt, zoo dat hy ’t door de rechter holligheid tot volkomentheit brengt, en door de aaderen aan alle leedematen om-zendt: en yder litmaat neemt na zich, en voedt zich op zijne wijse, voeten, handen, oogen, alles. En daar mede zijnse tot Schuldenaars gemaakt, die te vooren uytleeners waaren. Door de linker holligheid maakt het hert zoo zeer dun bloed, dat men ’t geestig noemt, en stiert dat na alle [p. 470] leedematen door zijne slag-aaderen, om het ander bloed in de andere aaderen te verwarmen en verluchten: De long laat niet af met zijn uytsteekzels en wind-pijpjes het hart te verkoelen: tot erkentenis van welke weldaad het hart hem ’t beste toedeelt door de slag-aaderlijke aader. Eindelijk wort het in’t wonder- of herssen-net zoo zeer fijn gemaakt, dat daar af en naaderhand de leevendige geesten voort-koomen, door welkers middel men denkt, inbeeld, spreekt, oordeelt, besluit, overlegt, reedekavelt, en herdenkt.
    Och helpme! ik verdrink, ik verzink, ik verbijster, zoo haast ik my in den diepen afgrond van zulk een wereld begeef, die alzoo uytleent, en alzoo zich schuldig maakt. Geloof, dat het een Goddelijke zaak zy uyt te leenen: en schulden te hebben, een helden-deugd: Dit is ’t noch niet al: Deze wereld, dus uytborgende, dus schuldig blijvende, dus ontleenende, is zoo goed-aardig, dat, deeze voeding gedaan zijnde, hy alreede denkt te leenen aan de geene die noch niet gebooren sijn, en door uytleening zich te vereeuwigen zoo hy kan: en te vermeeningvuldigen in beelden hem gelijkende, dat zijn de kinderen.
    [Tot voortteeling.] Tot deesen eynde neemt en snijdt een jegelijk lidmaat, een gedeelte van zijn fijnste voetzel af, en zendt dat na beneeden; alwaar de Natuur gevoegelijke ontvang-vaaten heeft toebereid, door welke het nedervloeijende nade teelleeden, in lange ommeweegen en kromten, de vereyschte gedaante bekomt, en vindt haar gevoegelijke plaatzen zoo wel in de mannen als in de Vrouwen; om het menschelijk geslagt te [
p. 471] behouden en te doen duuren. Dit alles geschiet door uytleeningen en schulden van den een aan den anderen; waar uyt de schuld of pligt des Huwelijks zijn naam gekreegen heeft. Aan den weygeraar van welken door de Natuur wort gedreigt een plaage en scherpe prikkelinge door de leeden, en dolligheid in de zinnen: en in tegendeel aan den goedwilligen uytleener belooft lustigheid, geneugte en wellust.



                V. HOOFT-DEEL.

    Pantagruel verfoeyt de Schuldenaars
        en Ontleeners.

MEt meer dan gemeen geduld had Pantagruel de wijd-weydende reeden van Panurge swijgende aangehoort, als hy eindelijk aldus antwoordde; Ik verstaaje wenken wel: en je schijnt my een goeden Heb-recht, en vry stijf op je stuk te staan; maar praat en preek en prijs van nu tot Pinxteren, je zult ten lesten wel verwondert wezen, hoe’t mogelijk is, datje me noch in ’t minste niet overreedt hebt: en door uw schoon praaten my niet meugt beweegen om my immer in schuld te steeken. Zijt niemant iets schuldig (zeyt den heiligen gezant) dan malkanderen lief te hebben, en onderlinge geneegentheid te toonen.
    Gy gebruykt my hier al schoone beschrijvingen en voor-beeldingen, die my mede wel [
p. 472] bevallen; maar ik zeg u, dat, indienje u eens voorbeelt een schaamteloos verongelijker en onbeschoft ontleener, nieuwelijks in een stad koomende, daarmen reede van zijn snooden handel verwittigt is, gy bevinden zult, dat de Burgers op sijn aankomst met meerder schrik en beeving bevangen zullen worden, als of’er de pest in quam in zoodaanigen kleeding, als den wijsgeer Appollonius van Tyana haar binnen Ephesen vond. En ik ben van gevoelen, dat de Parsianen daar in geenzins gedoolt hebben, datze het liegen voor de tweede ondeugd reekenden; maar in schulden te steeken de eerste want schulden en leugenen zijn gemeenlijk aan malkanderen gehecht.
    [Reeden van Plato om niet te leenen] Ik en wil daar mee niet besluyten, dat men nimmermeer iets schuldig mag zijn, en noyt iets uyt-borgen. Daar en is niemand zoo rijk, die niet t’eeniger tijd iets schuldig is, en ook niemant zoo arm, die op den eenen of den anderen tijd niet iets uytleenen kan: dog de geleegentheid daar toe diende zoodaanig te zijn, als Plato dien onder zijne wetten stelt; daar hy beveelt; Datmen den naa-buyren geen water tot zijnent zal laaten putten, zoo dezelve niet eerst in haar eygen grond hebben gegraaven, en zoo verre gediept, datse vonden een zoort van aarde, diemen (Ceramite) kley of potaarde noemde: en datse daarin niet ontmoet hebben eenige bron-aar of water-wel. Want dien aarde in zich zelven vet, vast, taay en dicht zijnde, wederhout het vogt, en zal niet lichtelijk eenige dampen of vogtigheden uytlaaten.
    [Wanneer men moet leenen] Het staat ook zeer schandelijk en onbeschaamt altoos, en op alle plaatzen van yder een te [p. 473] gaan ontleenen, liever als te willen werken, om alles wat men in de handen behoeft eerlijk te mogen winnen. Dan alleenlijk behoordemen na mijn bedunken, te leen uyt te langen, wanneer iemand werkende naa vermoogen, door al zijner handen arbeyd en neerstigheid geen genoegzaame nood-druft heeft konnen bekomen: of wanneer hy onvoorziens vervallen is in een onmijdelijk en onverwacht verlies zijner goederen. Laat ons derhalven hier mede dit gesprek daar by laaten. En van nu voortaan verbind u aan geen schuld-eisschers meer: van ’t voorleedene ontslaa ik u.
    Het minste, van ’t geen ik vorder vermoogen zal (zeyde Panurge) voor deze over groote goed-daadigheid, zal zijn u zeer te bedanken: en zoo de dankzeggingen moeten gemeeten zijn na de geneegentheid des weldaaders, zullense zonder eind en eeuwig-duurende wezen: want de liefde, die uwe goedertierentheid my toedraagt, is buyten alle bepaaling van waardeering; hy over-reykt alle gewigt, alle getal, alle maat: hy is oneindig en eeuwig.
    Maar moet ik die meeten na de hoedaanigheid des weldaads, en de vernoeging des genieters, dan zal de dank slecht en slordig genoeg vallen. Gy doet my overvloedig veel goeds, en al te veel na dat ik behoorde te genieten, meer dan ik aan u verdiend heb, meer dan mijne waarde vereyschte; ik ben’t gehouden te bekennen. Maar, niet tegenstaande wat bedenkingen gy over deze daad meugt hebben, dat en is ’t niet, datme deert: dat en is ’t niet dat me quelt en knaagt.
    Want van nu voortaan, naa dat ik van alle [p. 474] schulden ontslaagen ben, hoe zal ik my houden en aanstellen? Wat gelaat zal ik toonen? Geloof, dat ik in de eerste maanden groote ongewoonte en ondank hebben zal; aangezien ik’er niet toe opgevoedt, noch gewent ben; Ik heb’er grooten vrees voor. Daar-en-boven zal’er van dezen tijd af, door’t geheele Land van Salmigondin niet eenen veest voortkomen, dien zijn gezandschap niet naa mijn neus en strekt: alle vijsters ter wereld vijstende zullen zeggen; zie dat is voor je quijt-schelding.
    Met mijn leven zal ’t zeer haast gedaan zijn; ik zie ’t wel koomen: Ik verzoekje voor my een grafschrift te maaken. Ik zal sterven heel met veesten deur-rookt en bedolven. In gevalle t’eeniger tijd, om de goede Vrouwtjes, in haar heevigste quelling van windigen darmpijn [Colique], weder aan’t vijsten te helpen, geen gewoone genees-middelen den genees-heeren genoegzaame werking doen; dan zal het rottige vleesch van dit vervuulde en door-veesten ligchaam een gereed en heilzaam hulpmiddel zijn; al neemense zoo min als je meugt zeggen, zy zullen’er meer van vijsten, alsse kunnen begrijpen.
    Alwaarom ik u geerne gebeeden zoude hebben, datje me van alle mijne schulden maar een hondertje houden laat: gelijk Koning Louis de ellefden, den Bisschop van Chartres Milet de Jlliers uyt zijne rechtvorderingen [Proces] reddende door den zelven zeer aanhoudelijk gebeeden wierd, hem doch eenige te willen laaten, om zich in te oeffenen. Ik wil haar liever geven het gantsche gewas en gewin van Caquerollen met [p. 475] den geheelen preutel van Hanetons; niemendal voor my van den hooftzom af-trekkende. Ik heb ’t eenmaal gezeyd, zeyde Pantagruel, laat ons van deze reedenen eens een eynde maken.



                VI. HOOFT-DEEL.

    Waarom de Nieuw-gehuwde wierden
        vry gehouden van in den Oorlog te
        trekken.

AAngezien, zeyde Panurge, het u behaagt datwe van reeden veranderen; wilde ik wel eens weeten; in welken wet was gebooden en ingestelt, dat de geene, die nieuwe wijngaarden plantten, die nieuwe wooningen bouwden, en die nieuwelijks huys-vrouwen hadden getrouwt, ongehouden zouden zijn voor ’t eerste jaar ten oorlog te gaan? dat vintmen, antwoorde Pantagruel, in de wet Mosis. Maar waarom doch? vraagde Panurge, de nieuws-getrouwde? Met de planters van wijngaarden mag ik me niet bemoeyen, daar toe ben ik doch te oud: Ik laat die zorg op de Wijngaardeniers staan. De brave Bouwers der nieuwe Huyzen van doode steenen staan in mijn boek des Levens niet geschreven.
    Na mijn oordeel, antwoorde Pantagruel, was het tot dien eynde; datze voor ’t eerste jaar de geneugten van haar Huwelijk onverhindert zouden genieten, haar geheellijk zouden bege- [
p. 476] ven tot het voortsterken van haar geslagt, en voor-raad van erfgenamen op te doen; zoo ten minsten, dat, indiense het tweede jaar in den krijg quaamen te sneuvelen, haar naamen en waapenen noch behouden mogten blijven by haare kinderen. Ook, op dat men gewis weten mogt, of haare huys-Vrouwen onvruchtbaar of vruchtbaar waren: (want de ondervinding van een jaar dacht haar genoegzaam, in aanzien van de rijpheid des Ouderdoms, waar in se haar bruiloft gehouden hadden) om naa ’t afscheiden van den eersten man te beeter en lichter tot een tweede huwelijk te geraaken: de vruchtbaare aan zulke, die zochten een meenigte van kinderen te teelen; de queenen of onvruchtbaare, aan die dat niet en begeerden, maar alleenlijk haar hebben wilden om haar deugden, wetenschap, schoonheid, zoete zeeden, tot huyselijke hulp en gezelschap, voorts tot bestier van de geheele huis-houding.
    De preek-heeren van Varenes (zeyde Panurge) verfoeijen de tweede Huwelijken, als zot en oneerlijk. Die zijn (antwoorde Pantagruel) haar harde derden-daagse koortsen. Ik wil’tje bewijsen (herhaalde Panurge) met de woorden van Broeder Enguaignant, die in volle vergaadering preekende tot Parailly, en uytvaarende tegen de tweede Huwelijken, swoer, en zich overgaf aan den allerhappigsten Duyvel uyt de hel, by aldien hy niet veel liever wilde hondert jonge meisjes haar maagdom beneemen, als eenmaal by eene weduwe den huts-pot opwarmen.
    Ik vind uwe reeden goed en wel gegrond. Maar wat zouje zeggen, zoo deze vrydom haar was vergunt om reeden, datse haar ’t geheele [p. 477] eerste jaar lang, om haar liefde en nieuwe lief te voldoen, zoo zeer uytgeslooft hadden, (gelijk de billijkheid en huwelijks-plicht vereyscht) en haar zaad-vaten zoo ontvogtigt, datse t’eenemaal uytgemergelt, heel ontmant, gansch ontzeenuwt en verslapt bleven: Soo dat, den dag van den Veld-slag aankoomende, zy zich veel eer ter vlugt of ter schuil, als honden na den Duyker, begeeven zouden, by de legerpakken, als met kloekmoedige krijgers en manhafte helden haaren vyand het hooft bieden: en dat doch haar slaagen te swak en vruchteloos zouden vallen onder den standaard van Mars strijdende; dewijle de swaarste en hardste slaagen en treffingen gedaan waaren achter de gordijnen van Venus zijn Vriendinne.
    Dat dit zoo zy, zienwe tegenwoordig onder andere overblijfselen en gedenk-teekenen der oudtheid, aan de gewoonte van alle goede huisen, (zedert, ik weet niet hoe veel daagen) als, datmen deze nieuw-getrouwde jongmans uytzend om haar oom te bezoeken; op datze van haar Vrouwen wat afgescheiden mogten zijn, en ondertusschen haar uytrusten, en weder van voor-raad verzien, om op de wederkomst de minnestrijd te heftiger te hervatten, hoewel’t dikwijls gebeurt, datze noch Oom nog Moey in de werelt hebben.
    Op even gelijke wijze als den Koning Petaut na den Veld-slag der Cornabons, ons niet eygentlijk afdankte; (Ik spreek van my en Courcailler) maar ons verzond om te verversschen na onze huysen; hy is noch doende met het zijne te zoeken. Mijn Grootvaders peetje pleegme wel te zeggen toen ik noch een klein jongetje was, dat
[p. 478]

            Vader, Onsen en gebeeden
            Zijn voor diese konnen leeren

            Een maayer, die eerst uyt maaijen zal treden
            Is sterker, als twee die daar af weder keeren.


    Het geene my in deze meening brengt is, dat de wijngaard-planters ter nauwer nood druyven zouden konnen eeten, of den wijn van haren arbeyd drinken, geduurende het eerste jaar: en de huys-bouwers, haar nieuwe-gemaakte huisen het eerste jaar niet zouden durven bewoonen, uyt vrees van te verstikken door gebrek van tocht-gaten: gelijk Galenus geleerdelijk aangemerkt heeft in zijn tweede boek, van ’t beswaarlijk aazem haalen. Ik en heb deze vraag niet voorgestelt zonder gewigtige oorsaak noch zonder zeer reedelijke reeden. Datze u slechts niet mishaagen.



                VII. HOOFT-DEEL.

    Panurge heeft de vlooy in ’t oor: en
        laat-af zijn Heerlijke Latze langer
        te draagen.

DEs anderen daags liet Panurge na de wijze der Jooden het rechter oor door-steeken, en daar aan een klein ringetjen hechten, met veelerley verwen verziert, in welkers kas een vloo was bewerkt: en die vlooy was swart; op datje doch in geen ding onge- [p. 479] wis blijft: Het is een schoone zaak in alles wel bewust te weezen. De onkosten van welke in zijn Reeken-kamer gebragt, bedroeg voor een vierendeel weynig meer, als het Huwelijk van een Hircaanze Tygerin, of laat ik liever zeggen 609000. Malvedisen.
    Over zoo groote, en al te overdaadige kosten was hy zeer misnoegt, na dat hy van zijn schulden gevrijt was: en zocht dat weder in te halen op de wijze der geweld-heeren, en pleyt-drijvers [Advocats], uyt het sweet en bloed der onderzaaten. Hy nam vier ellen grof voeyer laaken; daar af hy hem een lange py zeer slechtjes dee t’zaamen rijgen: liet af van een broek te dragen, en hechte een bril aan zijn hoed. In dusdaanigen toerusting vertoonde hy zich voor Pantagruel; die deze vermomming zeer vreemd vond, voornaamelijk om dat hy niet vernam zijne schoonen en voortreffelijke Latze; waar in, als zijn laatste plecht anker, hy pleeg te stellen zijn uytterste toevlugt tegen alle schipbreuken en onspoeden.
    Den goeden Pantagruel deze verborgentheyt niet konnende doorgronden, vraagde hem, wat hy met deze zeldzaame stommen-spraak zeggen wilde? Ik heb antwoorde hem Panurge, de vlooy in ’t oor: ik meenme in den Huwelijken staat te begeeven. Daar slaa geluk toe, zeyde Pantagruel; dat is me zeer lief te hooren: waarlijk ik woud het yzer smeeden terwijl het heet was. Maar ’t en is de manier niet van verliefden, en die op haar vryen gaan, gescheurde bokzen te draagen en ’t hemd over de knijen te laaten hangen, zonder boven-broek aan te hebben: en daar by zulken grooven grauwen [p. 480] py, gansch geen gebruykelijke kleur van diergelijke lange nacht-tabbaarden voor fraaye en aanzienlijke lieden.
    Dat eenige kettersche menschen en van bezondere gezintheden, zich zomtijds zoo bijster bekleedt hebben, (’t welkmen meerendeel geduydt heeft tot bedriegery, verleyding, en naa-trachting van geweldenaary over’t eenvoudige volkje) dat wil ik zoo zeer niet tegenspreeken of misprijsen, en daar over een nadeelig oordeel vellen: een jegelijk doet doch na zijn zinnelijkheid; voornaamelijk in vreemde, uytwendige, en onverschillige zaaken, die in zich zelve goed noch quaad zijn; om datze niet voortkomen uyt het innigste van onze herten en gedachten, ’t welk de winkel is waar in alle goed en alle quaad ontworpen word: het goede, wanneer de geneegentheid door een goede en reyne geest geregeert wort; het quaade, wanneer ons gemoed door een boos-aardigen geest buyten alle billijkheid vervoert en verdurven word. Alleenlijk of meest mis haagt my de nieuwigheid, en ’t wraaken van ’t gemeen gebruik.
    De kleur; zeyde Panurge daar op, is ruw als die van de potten: in allen gevalle, het is mijn eygen py, sy is niet geborgt; ik zalze zoo voortaan draagen, en wat scherper op den oirbaar mijner zaaken toezien; na dat ik eenmaal van mijn schulden ontlast ben: Van je leven hebje geen bekommerder en beslommerder mensch gezien, als ik nu zal zijn, zoo me God niet en helpt; ziet daar mijnen bril tot een teyken. Zooje my van verre eens zaagt, zouje in der waarheid niet wel zeggen dat’t Broe- [p. 481] der Jan Burgerman was? Ik laatme voorstaan, dat ik noch het aanstaande jaar wel eens de kruysvaart prediken zal. De Heer behoe de ballen voor alle ongevallen.
    Zieje dit grove py-laaken wel? Geloof dat’er eenige verborgen eygenschap in schuylt, die weynig lieden weeten. Deze morgen heb ik’t eerst aangedaan, en alreede ben ik raasende, jachtig en jeukerig om gehuwt te zijn, en mijn bed-genoot te bearbeiden als een Drommel zonder vrees voor stok-slaagen. O wat wil ik een zuinigen huys-houder weezen! Naa mijn dood magmen my in een eerlijk lijk-vuyr doen verbranden; om den asch van my te mogen hebben tot een geheugenis en voorbeeld van een volmaakt huys-houder. Ik wilje wel verzeekeren, dat mijn Schat-meester over deese onkostelijke py geen potzen zal speelen met vermeerderen van de reekening: want vuyst slaagen zouden op zijn wangen wanken.
    Beziet my eens van vooren en van achteren: het is een maakzel, als dat van een ouwer-wetze tabbaart, die een kleeding der Romainen in tijd van vreede was. Ik heb het schik laaten neemen naa den pilaar van Trajanus binnen Romen aan zijn zeege-boog: beneffens die van Septimus Severus. Ik ben al moe van oorlogen, en die casakjes en korte rokjes al wars. Ik heb mijn schouwers gansch geschilt en gevilt door dikwils ’t harnas te draagen, laat de wapenen nu wijkken: laat de tabbarden heerschen, ten minsten voor dit geheele naastvolgende jaar, by aldien ik koom te trouwen, volgens’t geene gy gisteren by bragt, naa de wet van Moses.
[
p. 482]
    Wat belangt mijn boven-broek; mijn oud-moeye Laurenze zeyde my wel eer, dat die gemaakt was om de Latze. Ik geloof ’t mee wel, om gelijke beweegreeden als den deftigen Galenus in zijn neegende Boek van ’t gebruyk onzer Leedemaaten, voorstelt; daar hy zeyt, dat het hooft gemaakt is om de oogen: want de Natuur had ons hooft op de knijen of op de Elleboogen konnen plaatzen; doch dewijlse wilde dat het werk der oogen zou wezen al-om verre voor uyt te zien, hechttese het hooft als op een hoogen staak boven op het Licghaam; even als we zien de vuur-baaken, en hoogetoorens aan de zee-havens opgerecht, op dat het vuur-licht van verre zou gezien worden.
    Nu overmits ik van meening was my een wijle tijds, ten minsten een jaar, uyt te rusten van de oeffening des oorlogs, ik wil zeggen, te Huwelijken, zoo en draag ik mijn latze niet, en, by gevolg ook geen opperbokzen: want de latze is het eerste of voornaamste stuk van de gansche waapenrusting, om een Ruyter van den hoofde tot de voeten te waapenen. En ik wil beweeren tot den viere toe (doch daar buiten te blijven, datje’t verstaat) dat de Turken niet na behooren gewaapent zijn; alzoo’t in haar wet verboden is, eenige latze te draagen.



[
p. 483]

                VIII. HOOFT-DEEL.

    Waarom de Latze het eerste der wa-
        pen-stukken wordt gezeyt te
        zijn.

ZOuje, zeyde Pantagruel, wel durven instaan om staande te houden, dat de Latze het eerste stuk van eens ridders lijf-rusting is? het is een al te on-rechtzinnigen en nieuwen leer-stelling. Want wy zeggen, dat men van de spooren af aanvangen moet zich te wapenen. Ik houw het staande, antwoorde Panurge, en niet ten onrecht; dat wil ikje bewijzen.
    Zieje, niet hoe de Natuur, (willende de planten, Boomen, heesters, kruyden en bloemen eenmaal door haar voort-gebragt, voor altoos doen blijven en duuren door alle vervolg van tijden heen, zonder dat immer de zoorten zouden te niet te gaan; hoewel de enkele en ondeelige daar af ondergingen) zeer zorgvuldiglijk bewaart en waapent haar spruytjes en zaaden, in welken die geduurzaamheid geleegen is? en hoe zyse beschut en bedekt door een wonderbaare voor-zorg met schellen peullen, doppen, knoppen, schaalen, airen, huysjes, bolsters, basten en steekende doornen, die haar strekken, als schoone en sterke natuurlijke Latzen. Het voor-beeld daar-af is blijkkelijk aan de ertten, boonen, wikken, nooten perziken, quee-appelen koloquinten, [
p. 484] tarwe, maankop, citroenen, kastanien, en in ’t gemeen alle planten; inwelke wy klaarlijk konnen zien, het uytspruytzel en zaad veel dichter gedekt, bewaart en gewaapent te zijn, als eenig ander deel der zelver.
    Door zoodaanigen middel is’er van de Natuur geen zorg gedraagen tot duurzaamheid van ’t menschelijk geslagt: maar de mensch heeftze voort-gebracht naakt, teeder, broos, zonder eenige beschaadigende of beschuttende waapenen, in den staat der onnoozelheid en eerste Gulden-eeuw; als een bezield Dier, en geen aard-gewas. Als een Dier (zeg ik) gebooren tot Vreede; niet tot gevecht: een dier gebooren tot een wonderbaare genieting van alle beweeglijke gewassen: Een dier geboren tot een Vreedzame heerschappy over alle beesten.
    Wanneer met het vermeenigvuldigen der menschen de boos-heeden onder hen meede vermeerderden by ’t aankoomen van den Yzeren eeuw en ’t rijk van Jupiter, begost het aartrijk voort te brengen, neetelen, distelen, doornen en ander diergelijk beweegend wan gewas, ten teeken van wederspannigheid tegen de mensch: en aan de andere kant by na alle leevende gedierten door een nood-schikkelijke gesteltenis, zich van zijn gezag zochten te ontslaan, en gelijkelijk stilswijgende t’zaamen-spanden om hem niet meer te dienen, niet meer te gehoorzamen; maar tegenstaan zo veel als ze vermogten, en beschaadige alwaarse enigsins konden.
    Toen was het dat de mensch, zoekende zijn eerste recht en genot te hand-haven en behouden, en voorige heerschappy te doen volharden; ook niet wel konnende ontbeeren den [p. 485] dienstbaarheid van veele gedierten; genoodzaakt wierd zich op nieuw te waapenen. By den Heyligen vetten (Gans! schreeuwde Pantagruel uyt) benje zeder ’t het laaste reegenen zoo grooten (Lifrelofre) waan-wijze (Philosophe) waarwijze, wild ik zeggen, geworden?
    Aanmerk eens; (hervatte Panurge) hoe de Natuur den mensch ingaf zich zelf te beminnen: en welk deel van zijn Lighaam hy eerst begon te waapenen. Dat was immer wel gewisselijk zijnen Schrood-zak; en zijnen braaven
(Priapus) stander: toen sy dat gedaan had vergde hy haar niet meer. Al-dus verhaalt het ons den Hooftman, en Hebreeuzen wijs-aard Moses, betuygende, dat hy zich verzag met een braave breede Latze of voor-schoot, door een overaardige vond gemaakt van vijgebooms-blaaderen; dewelke zeer fraay en gansch gevoegelijk zijn in steevigheid, kerving, krulling, gladdigheid, grootte, kleur, reuk, deugd en kracht om te overdekken en beschutten den zaad-zak: uytgenoomen die louter lange der Lotteringers, die met lossen toom tot onder in de broek neer-loopen, die niet konnen verdraagen in de ruymste Latzen beslooten te worden) en buyten alle bepaaling zijn. Tot bewijs daar af dient Viardiere, een Valentiner Eedelman, dien ik eens op een eerste Meydag tot Nancy zag zijn zak schoon-maaken, zoo hy hem op een Tafel had uytgespreyd, even als een Spaanze mantel.
    Derhalven behoeft niemand van nu af te zeggen, die eigentlijk spreeken wil, wanneermen den vrijen Tauiner ten oorlog zal
zenden; Pofhans bewaarje wijn-pot, dat is, het hooft. [p. 486] Maar men moet zeggen; Blaas-kaak bewaarje melk-pot; dat is den Balzak verzeeker ikje by alle Drommelen der Helle. Al word het hooft verlooren, daar gaat niet meer dan dien eenen man verlooren: maar de zaad-zakken verlooren zijnde, zou de geheele menschelijke Natuur vergaan. Dat is’t geenen den deftigen Cl. Galenus bewoogen heeft, in zijn eerste boek (de spermate) van ’t zaad, tot dit braaf besluyt; als dat het beeter (hy wil zeggen een minder quaad) zou zijn, geen hart, als geen teel-leeden te hebben. Want daar in, als in een geheiligden Schat-kist, word bewaart den spruyt der behoudenis van ’t menschelijk geslagt. En ik zou wel durven wedden voor min dan hondert Guldens, dat deeze de eygentste steenen waaren, door welken Deucalion en Pyrrha het menschelijk geslagt herstelden, dat door den Sund-vloed verniettigt was. Dit is ’t ook dat den Dapperen Justinianus in ’t vierde boek (de cagotis tollendis) van de schijn-heiligen uyt te roeyen, dee stellen (summum bonum in braguibus & braguetis) het hoogste heil van behoudenis in broeken en Latzen.
    Om deze en andere reedenen was ’t dat den Heer van Merveille, eens aanpassende een nieu harnas, om zijn Koning in den krijg te volgen, (want zijn voorige, wel half verroest, kost hy niet meer gebruyken, om dat zeedert eenige jaaren het vel van zijn buyk te verre van zijn Nieren geweeken was) zijn Vrouw door een naa-speurenden [Contemplatif] Geest aanmerkte, dat hy weinig zorg had gedraagen voor hun gemeene pakjen en staf des Huwelijks: dies zy bedacht, dat hy ’t wel wa- [p. 487] waapenen en beschantsen zou met een dik-waapen-stuk wel-eer in ’t steek-spel gebruykt, ’t welk doch in zijn kaamer te vergeefs lag. Daar over deze verssen gemaakt en gestelt zijn in ’t derde Boek van de Chiabrene der maagden;

        Sy, die haar man nu gansch gewaapent zag,
    Doch zonder Lats, na ’t krijgs gevaar heen treeden,
        Seyd hem; mijn lief, uyt vrees dat men u mag
    Treffen, bewaar me doch dees liefste leeden:
        Hoe! zou men ook dees voor-zorg laaken? Neen;
    Na mijn gevoel; want haar vrees voor dat vrachje
        Te meer was, mits ’t haar toen op ’t schoonste scheen,
    Dien lieven worst, wat was ’t een lekker hachje!


    Houw op dan, u wijders te verwonderen over deeze mijne nieuwe snof van kleeding.



                IX. HOOFT-DEEL.

    Panurge vervolgt zijn reeden, en
        vraagt
Pantagruel raad; of hy
        zich behoort in’t Huwelijk te bege-
        ven.

VErmidts Pantagruel tegens alle voor-verhaalde reeden niet met allen inbragt, vervolgde Panurge, en zeyde met een diepe verzuchting; mijn Heer, gy hebt mijn voorneemen wel verstaan; ’t welk is, van my ten Huwelijk te begeeven. Maar, dat nu by [p. 488] ongeval alle gaten geslooten, toe geneepen of gestopt waaren: Ik bidje gedienstelijk, om de liefde die je my zoo langen tijd toegedraagen hebt, my te willen zeggen, watje dunkt dat ik daar in doen moet.
    Aangezien antwoorde Pantagruel, gy eenmaal den teerling daar over geworpen hebt, daarop besluyt gemaakt, en vast opzet genoomen; valt’er niet meer te vraagen, of te futzelen; daar is nu niet overig, als ’t zelve in ’t werk te stellen en volvoeren.
    Ia maar, zeyde Panurge, ik was niet van voorneemen ’t zelve te volbrenden buyten uwen raad en goede onderrichting. Zeer wel, antwoorde Pantagruel, ik vind het goed: en ik raad het u aan.
    Doch indienje, herhaalde Panurge, wiste, dat’et my beeter waare, in den staat daar ik tegenwoordig in ben, aldus te blijven, zonder eenige zaak van nieuwigheid of verandering te onderneemen; ik zoude liever willen my niet ten Huwelijk te begeeven. Begeef u dan niet in ’t Huwelijk! antwoorde Pantagruel.
    Wel wouje dan, vraagde Panurge, dat ik dus al mijn leven alleen bleef, zonder eenig echt-genoot of gezellin? Gy weet dat’er geschreeven staat, (Vae soli!) wee den Eenzamen! den Eenzaamen mensch heeft noyt zulken zoetigheid, als men ziet onder de getrouwde Lieden. Trouw dan in Gods naam; antwoorde Pantagruel.
    Maar by al dien, hervatte Panurge, mijn Vrouw my tot een Hoorendrager maakte, gelijkje weet, dat’et daar af een Vrugtbaar jaar [p. 489] is, dat zou genoeg zijn, om my alle paalen van geduld te doen overtreeden. Ik mag die jan-hennen wel lijden, en zy schijnen my goede gezellen te zijn, ook gaa ik’er geerne met om. Maar om mijn sterven zouw ik zelf zulk een niet willen weezen. Dat is een ding dat me te zeer naa ’t leeven dingt.
    Datje dan voor alle ding niet en trouwt, antwoorde Pantagruel: want het zeggen van Seneca is waarachtig, zonder eenige uytzondering; Het geene gy aen een ander gedaan hebt, zijt verzeekert, dat een ander dat of diergelijk aan u wederom zal doen.
    Segje dat, vraagde Panurge, zonder eenige uytneeming? zonder eenig buyten-beding is ’t gezeyd: antwoorde Pantagruel, Wel hey zeyde Panurge, hy mogt de Duyvel. Hy meent in deze wereld, of in de andere, Maar niet te min, nademaal ik my immers zoo beswaarlijk zonder Vrouw behelpen kan, als een blinde Beedelaar zonder stok: want het moet wezen, dat Lubbertje zijn gang gaa, anderzins zouw ik niet konnen leven; en zouw het dan niet beeter zijn, dat ik my ging paaren met een eerlijke en Vroome Vrouw, als dus dag aan dag te verwisselen, met geduurig gevaar van eenmaal louter af-gerost te worden, of wel de pokken aan ’t gat te krijgen, dat nog veel erger is? Want, Van eerbare Vrouwen, Plag ik heel niet te houwen. Hoe wel ik daarom niet te minder aan haar mannen behaag. Huw dan in ’s Heeren naam, zeyde Pantagruel daarop.
    Evenwel, teemde Panurge al wederom, dat’et God geliefde, en ’t zoo geviel, dat ik my [p. 490] met eenige eerbaare en fraaije Vrouw vereenigde, en zy my sloeg, ik zoud’er erger als den goeden Job aan zijn; ik zouw t’eenemaal rasende worden: want men heeft me gezeyd, dat deze zoo zeer Vroome en vijse Vrouw-luy gemeenlijk ook quaade koppen hebben, en goeden wijn-eedik in haar huys-houding gebruyken. Ik zouwse noch slimmer handelen, en slaan zoo zeer en allerzeerst haar kleyne gansje, dat zyn haar armen, dyen, hooft, long, lever en nieren; ’k zou haar kleederen aan flenters scheuren met gebrooke stok-stukken, dat den grooten post-duyvel na de verdoemde ziel al zou staan wachten aan de deur. Dusdanige bruyerijen zoud ik voor dit jaar wel mogen missen: en liever niet in den echt willen treeden. Wachtje dan wel van te trouwen; antwoorde Pantagruel.
    Maar nochtans, hervatte Panurge, zijnde in den staat daar ik in ben, vry van schulden, (merk wel: ik zegge schuldeloos ten allen ongeluk:) want terwijl ik noch diep in schulden stak, zouden mijn schuld-heeren meer dan te zeer bezorgt sijn voor my als haaren lieven Vader: maar nu, niet een schuld-eisscher noch eygen Huys-vrouw hebbende, is’er niet een mensch die sich met my zoo bemoeyen zou, en zulken liefde toedraagen en betonen, als men de echte liefde zeyt te zijn: en zoo ’t gebeurde, dat ik eens in ’t krank bed viel, ik en zou niet dan averechts gehand-reykt en bejeegent worden. De wijze-man zeyt; Alwaar geen Vrouw is (Ik verstaa daar onder een moeder, huysgezin en wettig Huwelijk) daar is de kranke in een swaare bestrijding. Dit heb ik [p. 491] door ervarentheid blijkkelijk bemerkt aan Pauzen, Gezanten, Kardinalen, Bisschoppen, Abten, Prijors, en Monniken; daar toe kan ikme mee gansch niet verstaan. Wel, antwoorde Pantagruel; haastje dan te huwen.
    Maar zeyde Panurge weder, indien ik swak en magteloos was tot de Huwelijks-pligt, mogt mijn Vrouw onverduldig over mijn onvermogen en flaauwigheit, haar aan eenen anderen ontuchtelijk over geven: en dan zouse my niet alleen niet te hulp komen en hand-reiking doen in mijn nood: maar ook spotten met mijn ellende: Ia (dat erger is) my berooven en berooyt maaken, gelijk ik meermaals heb zien geschieden. En dat zou de snoode schildery mijner ongevallen voort voltrekken, en my als zinneloos half naakt doen loopen land waart in. Och! (antwoorde Pantagruel daar op) dan moetje u voor al met geen Huwelijk belemmeren.
    Maar al wederom (voerde hem Panurge te gemoet) Ik zoude echter anderzins noyt eenige echte Soonen noch Dochteren konnen hebben, in de welk ik kon hoopen mijn naam en waapens in wezen te doen blijven, en aan wien ik mijn erffenissen en gewonnen goederen naa-laaten mogt. Ik zal ’er doch den een of den anderen morgen wel eenige braave maaken, heb daar geen twijffel aan; (ook zal ik rijkelijke renten en in komen trekken) waar meed ik my zal mogen vermaaken, als ’t my elders niet na mijn zin is vergaan; gelijk ik uw goed-aardige en zeer zachtzinnige Heer Vader met u daagelijks zie doen: En gelijk ook alle brave lieden doen in haar Hof en Huys-houding: [p. 492] Want in gevalle my, nu een vrijen hals hebbende, en ongehuwt blijvende, eenig ongeval en verdriet te treffen quam, zoud ik zorgen, datje in stee van my te vertroosten, om mijn leed lagchen zoudt. Zoekje dan daadelijk, sprak Pantagruel, met een Huys-vrouw te verzien in Godts naam.



                X. HOOFT-DEEL.

    Pantagruel vertoont aan Panurge,
        dat’et een swaare zaak zy tot een
        Huwelijk te raaden: en wijst hem
        aan de Lot-verssen van
Homerus en
        Virgilius.

UWe Raad-geevingen (zeyde Panurge tot Pantagruel) gelijken, onder verbeetering na dat Liedtje van Ricochet, wille-we, ja: willen-we, Neen, ’t En zijn niet dan schimp- en scherts-reeden [Sarcasmes], achternaa-zeggingen [Epanalepses], en tegen-strijdige weer-woorden: den eenen verniettigt den anderen; zoo dat ik niet en weet aan welken ik my houden zal.
    Daar en tegen is ’er (antwoorde Pantagruel) zoo meenigen maar en indien in uwe voorstellingen, dat ik’er niets op zou weeten te grontvesten of besluyten. Benje zelf van je wil al wel verzeekert? Het voornaamste stuk is daar in alleen geleegen; alle ’t overige is onzeeker en hagchelijk, hangende aan ’t nood-schikkelijk beleyd des hemels. Wy zien wel zom- [p. 493] mige zoo gelukkig in desen gevalle, dat in hunne Huwelijken, schijnt te glinstere een schets en uytbeelding der Vreugden des eersten Lusthofs: Andere daar-en-tegen zijn daar in zoo ramp-zaalig, dat de Duyvelen, die de kluysenaars in de wildernissen van Thebaïde en Montferrat bestrijden, niet erger daar aan zijn.
    Men moet het Huwelijk op ’t goed geluk aangaan, met verbonden oogen, geboogen hooft, kussende de aarde, en zich zoo aan God beveelende. Wat het overige aangaat, wanneermen zich eenmaal daar toe begeven wil, zoud ikje geen ander verzeekering ter wereld weeten te geven. Niet te min my valt iets in, datje doen kont, zoo ’t je goed dunkt. Haalme hier eens de Werken van Virgilius: en door driemaal met de naagel die te oopenen, zullenwe onderzoeken uyt de verssen van zulken getal, als wy met malkanderen besprooken zullen hebben, het toekoomende lot; en geluk van u Huwelijk. Want wel-eer heeftmen door zulk loten in de Schriften van Homerus, zijn noodschikking wel getroffen en uytgevonden: daar af Socrates tot getuyge kan dienen, dewelke in zijn gevangenis hoorende opleezen dit vers van Homerus, dat hy Achilles doet uytspreeken.

        Emati ken tritáto Phthien eribolon ikoimen. [Iliad. 9.]
Dat is,
        ’k Zal na drie dagen (zonder schroomen)
        In ’t schoon en Vruchtb’re Phthie koomen.

[p. 494]
    Daar uyt besloot, dat hy des derden daags daar-aan sterven zou; gelijk hy dat voor vast schreef aan Aeschines, zoo Plato schrijft: en na hem Cicero, [In Cicerone] in zijn eerste Boek van de voorzegging: ook Diogenis Laërtius.
    Tot bevestiging hier van dient mee het voorval van Opilius Macrinus; dewelke wenschende te weeten, of hy ook Roomsch Keyzer zou worden, by raaming raakte deze verssen.

        O Geron e mala de se neoi teirousi machetai.
       
Ze de bie lelutai chalepon de se geras opazei.
[8 Iliad.]
Dat is,
        O oude man! gewis de jonge krijgers knellen
        U zeer: uw kracht verswakt, u jaaren grafwaart snellen.

    Hy was in der waarheid oud: en ’t Keyzer-rijk bekomen hebbende, behield hy ’t maar een jaar en twee maanden; toen wierd hy door Heliogabalus, een jong en kloek keerel, verdreeven en gedoodt.
    Tot blijk kan noch strekken den dapperen Brutus; die, begeerig zijnde door ’t lof na te speuren den uytkomst van den Veldslag by Pharsalien, waar in hy om quam, dit vers trof door Patroclus uytgesprooken.

        Alla me moir’oloe, Kai Lethous ectanen yios. [
16 Iliad.]
Dat is,
        Mits onvermijdelijken nood,
        Bragt my Latona’s zoon ter dood.

[p. 495]
    Apollo was de zoon van Latona: en dien naam was dien zelven dag van den Veld-slag tot een Wachtwoord of Leus gegeven.
    Alzoo zijn ook, door zulk looten of grijpen van versen uyt Virgilius by-ouds bekent geworden, en voorzien verscheiden treffelijke zaaken, en voor-vallen van grooten gewigte, zelfs tot het verkrijgen des Keyzers-rijks van Romen; gelijk gebeurde aan Alexander Severus; dewelke op deze wijze van Loting toeviel, dit vers;

            Tu, regere imperio populos, Romane, memento.

Dat is,
Als gy Romein den Roomschen Rijks-staf sweyt.
Gedenk dan ’t Volk te heerschen met beleyd.

    En wierd ook na verloop van eenige jaaren zeekerlijk en met’er daad tot Roomsch Keyzer verkooren.
    Desgelijks aan Hadrianus, eer hy noch Keyzer van Roomen wierd, in twijffel en nieuwsgierig zijnde om te weeten wat gevoelen de Keyzer Trajanus van hem hebben mogt, onderzocht zulks mede door diergelijk lot uit de verssen van
Virgilius, en wierd geweezen op deze regelen.

            Quis procul ille autem ramis insignis Olivae
            Sacra ferens? nosco crines, in canaque menta
            Regis Romani.


[p. 496]
Dat is,
    Wie is ’t die ginder met Olijf-loof zoo eerwaard
    Gaat offeren? Ik ken aan ’t grijze hair en baard
    Den Roomschen Keyzer.

    Naderhand is hy van Trajanus tot zijn zoon en wettig erfgenaam aangenomen, en ook zijn na-volger in ’t Keyzerrijk geweest.
    Vorder aan D. Claudius voorzaat van den Roomzen Keyzer Aurelianus, den welken mede zulken onderzoek doende, aangaande zijne naakoomelingen, dit vers voor-quam.

            Hic ego nec metas rerum nec tempora pono.
Dat is,
        Aan dezen stel ik perk noch maat
        Van tijd, van hoog gezag en staat.

    Ook heeft hy een langen reeks van naavolgers uyt zijn geslagt gehadt.
    Van gelijken geschiede aan Claudius de tweede loffelijk Roomsch Keyser; den welken te deel viel dit vers.

        Tertia dum Latio regnantem viderit aestas. [Aeneid 1.]
Dat is,
    Wanneer hem zal den derden zomer zien,
    Als Keyzer van het Roomsche rijk, gebien.

[
p. 497]
    Waar na hy maar twee jaaren de Heerschappy behouden heeft.
    Den zelven, mede willende naa-speuren, wat in ’t toekomende van zijnen Broeder Quintius geworden zoude; alsoo hy hem tot bestier van ’t Keyzer-rijk te vorderen zocht, ontving zijn bescheid door dit vers;

        Ostendunt terris hunc tantum Fata.
Dat is,
    Het noodlot liet hem slechts eens zien.
    Den Landen, daar hy moest gebien.

    ’t Welk ook alzoo geschiede: want hy wierd zeeventhien daagen naa, dat hy de heerschappy des Roomzen Rijks had aangevaard, om hals gebragt. Dat zelve lot viel ook te beurt den Keyzer Gordianus den jongen.
    Aan Claudius Albinus, begeerig zijnde zijn geluk voor-heenen te verstaan, quam dit vers voor. Aeneid. 6.

        Haec rem, Romanam magno turbante tumultu,
        Sistet Eques, &c.

Dat is,
Dees’ Held zal ’t Roomze rijk erhouden in sijn stand.
Wanneer den oproer woelt en woedt door’t heele land.

    Soo gebeurde by onzen tijd aan M. Pierre [p. 498] Amy, als hy wilde weeten, of hy ook ontkomen zou de loose laagen der booze gasten en geesten, dat hem dit vers ontmoette;

        Heu fuge crudeles terras: fuge littus avarum.
Dat is,
        Ay vlucht uyt deeze wreede Landen:
        En wijk van dees roof-gier’ge stranden.

    En hy ontquam ook behouden en gezond.
    Duyzend andere dusdanige lootingen zijn’er gedaan, waar af ’t verhaal der uytkomsten, na den zin der verssen gevolgt, veel te lang zou vallen. Nochtans is mijn meening niet hier mee by gevolg te beweeren, dat deze loting in ’t algemeen onfeilbaar zou zijn, op dat j’er niet door bedroogen en wort;



                XI. HOOFT-DEEL.

    Pantagruel vertoont, dat het lot door
        den dobbelsteen ongeoorloft is.

DEeze Loting (sprak Panurge) zoude veel gereeder gedaan en beschikt zijn door drie braave dobbel-steenen: O neen: antwoorde Pantagruel. Dat lot is een misbruik, ongeoorloft en gansch ergerlijk. Vertrouw’er u nimmer op. Dat vervloekte boek van tijd-verdrijf der teerlingen is al voor langen tijd uytgevonden door den vyandigen valschen ver- [p. 499] klikker den Satan, eerst opgebragt in ’t Landschap Achaja by Bourra: eertijds gebruyktemen ’t alleenlijk voor ’t opgerechte beeld van den Bourraischen Hercules: en nu ter tijd worden’er op alle plaatzen bynaa, veele eenvoudige zielen door aan ’t doolen gebragt en in Duyvels strikken gevoert.
    Gy weet hoe Gargantua mijn Vader de zelve door zijn gantsche Koningrijk heeft doen verbieden, en verbranden met de formen en afteykeningen, ook t’ eenemaal verbannen, onderdrukt, vernielt en verniettigt als een zeer gevaarlijke pest. [Dobbelaars geluk waar toe.] Het geene ik u van de dobbelsteenen heb gezeyt, meen ik mede van de kooten. Het is een lot van gelijken misbruyk. Daar tegens en behoefje me niet te gemoed te voeren den gelukkigen worp van kooten, die Tiberius eens deed in de Fontein van Apone aan de God-spraak van Gerion. Dit zijn hengels en hoeken daar mee de Duyvel de slechte lieden in ’t eeuwige verderf trekt.
    Om u evenwel te voldoen, wil ik je niet weygeren, datje eens drie Teerlingen op deezen tafel werpt, en volgens ’t getal der geworpen oogen zullen wy de verssen verkiezen van ’t blad, daar by gy ’t boek geoopent zult hebben. Hebje hier dobbelsteenen in je zak? Wel jaa ik, antwoorde Panurge, een geheel beursje vol. Dat is Duyvels groente, daar hy geern in graaft; gelijk het Merl. Coccajus verklaart in zijn tweede Boek van ’t Vaderland der Duyvelen. De Zathan zoume zonder groente wel wegneemen, zo hy my maar ontmoete zonder teerlingen.
[
p. 500]
    Daar op haalde hy de dobbel-steenen voor den dag, wierpse op de Tafel, en se vielen op vijf, zes, vijf. Dat zijn, zeyde Panurge, zesthien: laat ons den zestienden regel of dicht-vers van ’t blad neemen: dat getal staatme wel aan: en ik vertrouw dat we wat goeds zullen grijpen. [Ysselijke Reden.] Ik mag wel dwers door alle Duyvelen wentelen, gelijk een geworpen kloot door ’t midden der keegelen, of als een geschoten kogel dwers door een slag-oorde van voet-volk; en datme vatte wie Duyvel maar wil, indien ik mijn toekomende vrouwtje, den eersten nacht onzer Bruyloft, niet zoo meenigmaal mooy en maak.
    Daar willenwe niet aan twijffelen, antwoorde Pantagruel: ’t en hadde daarom niet behoeft zoo gruwelijken verwensching te doen. De eerstemaal zal een mis-greep zijn, en zal slechts vijfthien uytbrengen: by ’t hervatten zulje ’t verbeeteren, en dan zullen’er zesthien zijn. Zoo zouwje ’t zeyde Panurge, misschien wel willen hebben. Doch dezen kloeken kamper, die onder aan mijn lijf op verloore schild-wacht staat, heeft nimmer eenig mis-steek gedaan. Hebje me wel oyt bevonden in de broederschap van de feilers? voor zeeker noyt, jaa noyt van je leven. Ik derft vraagen aan mijn medespeelers.
    Daar naa wierden de werken van Virgilius voortgebracht: en eerse die noch oopenden, zeyde Panurge tot Pantagruel; het hart kloptme in mijn lijf als een vogeltje. Zouwje niet goed vinden dat we, eer wy wijder voort-vaaren, Hercules te hulp riepen? en de Lot-godinnen, die men zeyt, de voorzitting te hebben in de [p. 501] de Kamer der Loting? Noch den eenen, nog den anderen, antwoorde Pantagruel: oopent slechts met je nagel.



                XII. HOOFT-DEEL.

    Pantagruel onderzoekt door ’t Virgi-
        liaanze lot, hoedanig het Huwe-
        lijk van
Panurge zal zijn.

ALs Panurge daar op het gedicht-boek van Virgilius ging oopenen, vond hy op de zestiende ry dit vers;

    Nec Deus hunc mensa, Dea nec dignata cubili est.
Dat is,
    Dees was niet weerd aan Goden dis te treeden:
    Noch op de koets van een Godin geleeden.

    Zeeker, zeyde Pantagruel, dit en valt voor u niet voordeelig uyt. Dit beduyt dat uw vrouw niet veel zal deugen, en gy by gevolg een Hooren-draager zult worden. De Godinne, die u niet wel geneegen zal zijn, is Minerva; een zeer ontzagchelijke maagd, een vermoogende Godin, bliksemende, vyandinne van de koekkoeks, van de verwijfde, en de overspeelers: gelijk ook een haaterse van hoerachtige Vrouwen, die haar beloofde getrouwheid aan haare mannen niet en houden, en haar zelven van andere laaten gebruyken. De God is Ju- [p. 502] piter donderende en bliksemende van den Hemel. En je moet weeten, dat de Vulcanische blikzem-scheuten, volgens de leer der oude Hetruriërs, aan Minerva alleen mede toe-gelaaten, en aan alle andere Hemel-goden ongeöorloft zijn. Al-waaromse ook te minder van de menschen ontzien zijn.
    [Verhaal van ’t hemelstormen.] Ik zal u noch meer zeggen, en je meugt het aan neemen als getoogen uyt de treffelijke verdichtzels der fabelen; Toen de Reuzen onderstonden de Goden te beoorloogen, dreevense met den eersten de spot met zulke bespringers, en zeyden, dat’er niets ten besten was voor haare Voet-jongens. Maar zoo haastze zagen dat door de moeyte en magt der Reuzen den berg Pelion al gezett was op ’t gebergte van Ossa, en den berg Olympus reede opgeheeven wierd, om boven op die beyde geplaatst te worden, begondense altemaal bang te kijkken.
    Daar op riep Jupiter den breeden raad der Goden by-een, waar in eendragtelijk beslooten wierd, datze zich manhaftelijk tot tegenweer zouden stellen. En alzoose meer maalen gezien hadden, dat, door de belemmering van de Vrouwen, die haar in beleegeringen of Veld-leegers bevonden, de gevechten zeer ligt verlooren wierden, heeft hun dienstig gedagt voor dien tijd uyt den Hemel in Aegypten ontrent de grensen van den Nijl te doen vertrekken dit gantsche gesnor van Godinnen. verandert of vermomd als geyten, katten, weezels vliermuyzen en andere ongedierten. Alleen Minerva hieldense by haar om met Jupiter te bliksemen; als een Godinne van de wijs- [
p. 503] heid en wapen-handel, van raad en uytvoering, een Godin in de waapenen gebooren, een Godin, ontzagchelijk in den Hemel, en op de aarde.
    By den dubbelden Buykje-vol-zielen, zeyde Panurge, zoud ik wel dien Vulcanus weezen, daar de Dichters af spreeken? Neen ik ben geen mankebil, geen valschen-munter, noch zoo swarten Smid, als hy was. Misschien zal mijn Vrouw alzoo schoon en aanvallig zijn, als Venus; maar niet hoerachtig, gelijk zy: nochte ik een hooren-draager, gelijk hy. Den schelmzen scheef-been liet zich by openbaare af kondiging voor koekkoek verklaaren, op den buyk van alle Goden geteikent.
    Derhalven meugje met my recht anders verstaan; als, dat dit voor duydend lot wil aanwijzen, dat mijn Huysvrouw deugdzaam, eerbaar en getrouw zal zijn: niet vervaarlijk gewaapent, waan-wijs, herssen-loos en uyt de herssenen getrokken, gelijk Pallas: en dat dezen jeukerigen Jupiter mijn meede-vryer niet zal weezen, noch zijn brood doopen in mijne zoppe, wanneer wy ’t zaamen aan Tafel zullen zitten. Beschouw my eens zijn schoonste stukken en braave daaden: hy is geweest den snoodsten en eerloosten roffiaan; jaa, ik derf zeggen, den hittigsten hoer-jaager en vuylsten bordeel-brok die der oyt is geweest, altoos stinkende als een swijn: ook wierd hy wel eer door een Verken gevoedt in ’t Eyland van Candia (indien ons Agatocles den Babylonier slechts geen leugenen wijs-maakt) veel bok-achtiger als een Bok.
    Daar zijn ook zommige die zeggen, dat hy [
p. 504] by Amalthea door een geyt is gezoogt. En ’t is waarachtig, dat sweer ik je by den stinkenden poel Acheron, dat hy eens op eenen dag een heel derdendeel der wereld schoffeerde met menschen, beesten, bergen en waterstroomen, ’t welk was Europa. Ter eeren van deeze schaaking en schending deeden de Ammoniters hem afbeelden in de gedaante van een stootend hooren-beest van een ram. Maar ik weet hoemen zich hoeden moet voor deezen stootaart. Geloof vry, dat hy geenen nesken Amphitryo voor zal hebben, of eenen achteloosen Argus met zijn brillen: of ook een gehoornden Acrisius, eenen Lycus Lanteern-maker tot Theben, eenen duttenden Agenor, eenen snoterigen Aesopus, eenen ruyg-pootigen Lycaon, eenen slechten bloed Corytus Toscaner, of eenen Atlas elf-rib met zijn groot rugbeen.
    Hy mag hondert en hondertmaal zijn gestalte verwisselen, dan in eenen hond, dan in een stier, dan in een Satyr, dan in een goude reegen, dan in een koekkoek (gelijk hy dee toen hy zijn Suster Juno ontmaagde) dan in een Arend, dan in een ram, dan in vuur, dan in een slang, ook zelf in een vlooy, ja in nau zichtbaare ziertjes [Atomes] van Epicurus of tweede voorneemens [Secundus intentions] van Magistro nostro, onzen Weet-al: ik zalje hem hangen aan den haak: En weetje wat ik hem dan doen wil? ’t zelve beget, dat Saturnus aan zijn Vader Coelus dee: Seneca heeft dat van my voorzeyd: en Lactantius bevestigt. Het zelve, dat Rhea deed aan Athys, Ik zal hem den geheelen huts-pot met zijn aanhang by zijn gat afternen, dat’er niet een lapje noch velletje van [p. 505] blijven zal; zoo dat hy voor zeeker geen Paus zal konnen worden: want (testiculus non habet) geen ballen heeft.
    Al zachtjes, mijn zoon, zeyde Pantagruel, al zoetjes, niet hooger: maar oopent noch eenmaal. het welk hy doende dit versje greep.

    Membra quatit, gelidusque coit formidine sanguis
Dat is,
        De leeden beeven, en beklemt
        Van vrees, het bloed in d’aad’ren stremt.

    Dit zal zoo veel te zeggen zijn, zeyde Pantagruel, dat uw toekoomen vrouw u wakker om kop en kinnebacken klinken, en uw lijf van voor en achter als stokvis beuken zal. In tegendeel, antwoorde Panurge, is het van my, dat hy die voor-zegging doet: en meent, dat ik haar met slaagen op de huyd zal zitten, en handelen als een Tyger, zoose my maar gaande maakt. Martin Baston, of Koert Knuppel, zal’er heslijk huys-houden en ontzag maaken: en by gebrek van een stok, zal ik (of de drommel magme vreeten met huyd en met hair) haar levendig verscheuren, even als de teeve den Koning Caudaules van Lydien op at.
    Gy zijt, zeyde Pantagruel, wel eenen dullen haan: Hercules zouwje in zulken oploopentheit niet durven wederstaan. Maar ik zie op ’t geen men voor een spreuken zeyt;

        Een goeden Jan,
        Een dubbel man.


[
p. 506]
en Hercules durfde nimmer alleen tegen twee in gevecht treeden. Hoe (zeyde Panurge) ben ik dan zulken goe Jan? wel neen, niemendal antwoorde Pantagruel: mijn gedachten waaren by’t grabbel-spel en tiktacken. Daar na noch de derdemaal het lot verzoekende, zaagense haar dit vers voor koomen.

    Foemineo praedae & spoliorum ardebat amore.
Dat is,
        Door Vrouwelijke lust was zy
        Verhitt op roof en plondery.

    Dit beduyt (sprak Pantagruel) datse u ook besteelen zal. En me dunkt je bent ’er de man al na, om dese drie loten uyt te staan; Je zult gekroont worden met hoornen, je zult geloont worden met slaagen, je zult geplukt en geplundert worden door u vrouw. Recht anders, antwoorde Panurge, is dit vers te verstaan: want het voorseyt, datse my zal beminnen met een volmaakte liefde.
    Den Hekel-dichter liegt’er niet aan, als hy seyt, dat een Vrouw haar man op ’t meeste beminnende, veeltijds vermaak neemt hem iets af-handig te maaken. Weetje wat? Een hand-schoen, of nestel, om hem te doen zoeken, zijnde een geringe zaak van geen belang. En deze kleyne tergingen en verstooringen, die voor eenigen tijd tusschen geliefjes ontstaan, zijn nieuwe opwekkingen en prikkelen van liefde. Gelijk men, by voorbeeld, aan de mesmakers merken mag, als se haar slijp-stee- [
p. 507] nen al te mets met den Hamer bikken, om te beter het yzerwerk te scherpen.
    Alwaarom ik deze drie loten grootelijks tot mijn voordeel duyd. Anderzins zoud ik’er my af beroepen [Appeller]. Nimmer magmen, zeyde Pantagruel zich beroepen van vonnissen door ’t lot of geluk geweezen; gelijk onze oude Rechts-geleerden dat betuigen: en Baldus dat aanwijst; l. ult, C. de leg. De reeden is, om dat het Avontuur geen hooger rechter kent, tot welken men van haar, en haar verleende loten, zich zou beroepen kunnen: zoo dat in zulken gevalle de gedoemde niet in zijn geheel herstelt zou mogen worden. Gelijk hy duydelijk verklaart L. ait Praetor. Par ult. ff. de minor.



                XIII. HOOFT-DEEL.

    Pantagruel raadt Panurge het geluk
        of ongeluk van zijn Huwelijk te on-
        derzoeken en voor-zien door droo-
        men.

DEs niet tegenstaande, vervolgde Pantagruel, naademaal wy met malkanderen niet over een konnen komen in de uytlegging der lot-verssen uyt Virgilius, laat ons een ander wijze van waarzegging kiezen. Hoedaanigen, vraagde Panurge? Een goede, oude en geloofwaardige, antwoorde Pantagruel, dat is door Droomen: want, wanneermen droomt op zeekeren wijze en voorwaarden, (dewelke [p. 508] beschreven worden door Hippocrates in zijn boek (toon Enypnioon) van de Droomen, ook door Plato, Plotinus, Jamblichus, Synesius, Aristoteles, Xenophon, Galienus, Plutarchus, Artemidorus, Daldanius, Herophilus en andere) de ziel dikwijls zaaken voor-ziet, die ons zullen overkomen.
    [Gelijkenis.] Het zal nu niet noodig zijn u ’t zelve in ’t breede te bewijzen: gy zult’et door een gemeen voor-beeld licht konnen begrijpen; wanneerje ziet, dat, terwijl de kleine kindertjes wel schoon-gemaakt, verzaad en gezoogt, zoet en zacht liggen slaapen, de voedsters vrijelijk haar gaan verlusten, als voor dien tijd vierdag hebbende, om voor haar zelf na lust te leven, dewijle het waarneemen van de wieg niet noodwendig schijnt.
    [Als’t ligchaam slaapt verlust zich de ziel.] Op even gelijken wijse gaat onze ziel, terwijl het Ligchaam slaapt, en dat de verteering door alle leeden volbragt, en tot den tijd der ontwaaking niets meer te doen is, zich vermeyen, en weder begeven na zijn Vaderland; dat is, den Hemel. Van daar bekomtse wederom meede-deeling, in een bezondere manier en maate, van haar eerste en Goddelijke oorsprong in de beschouwing van dat oneyndig rond, waar aan niets toe en valt, niets voor by-gaat, niets afgaat, en alle tijden tegenwoordig zijn; (merk wel) niet alleen de dingen die voor by zijn in de beweegingen hier beneeden, maar ook de toekoomende: en als se dezelve aan haar Ligchaam overbrengt, en door de zinnen en werktuygen der zelver aan de vrienden verklaart, wordse waar-zeggende en voor-spellende gezeyt te zijn.
[p. 509]
    Maar nademaalse die geziene zaaken niet zoo zuyver overdraagt, als se dezelve ontfangen heeft, als verhindert door de onvolmaaktheyd en broos heyd der Lichamelijke zinnen; even gelijk de Maan haar licht zoo helder, zo klaar, zoo flammende en flikkerende aan ons niet overzendt, alsse ’t zelve van de Son ontvangen had: Dieshalven is’er tot deze droom-waar-zegginge en uytlegger noch van nooden, die kloek, gaauw, naspeurende, ervaren, goet van oordeel en een volkomen (Oneirocrites & Oneiropolos, zoo de Grieken die noemen) droom-beduyder en droom-raamer is. Daarom is het dat Heraclitus zeyde, dat ons door droomen niets wierd geoopenbaart, ook niets verhoolen gehouden, doch dat ons alleenlijk gegeven was de beteykening en aanwijzing der toekomende dingen, tot geluk of ongeluk van een ander.
    Ook betuygen dat de heylige Letteren: de wereldsche geschied-boeken bevestigen het; ons veele en verscheyde voorvallen verhaalende, die volgens de droomen zijn uytgevallen; zoo aan de perzoon zelf die droomde, als aan anderen van gelijken.
    [Lieden die noyt droomden.] De Atlantische Volkeren, en de inwooners van ’t Eyland Thasos, een der Ciclades, zijn van dit gerijf berooft; door dien in der zelver Land noyt eenig mensch droomde. Soo waaren ook Cleon van Daulie, Thrasimedes, en by onzen tijd den geleerden Villanovanus den Fransman, die van haar geheele leven niet eens en droomden. Morgen dan, tegen den tijd, dat de lieffelijke Aurora, met roos-verwige vingeren, de donkere nacht-gordijnen wech zal schuyven, [p. 510] begeef u dan ter degen tot een diepen slaap. Doch voor al dienje u te ontslaan van alle menschelijke geneigtheeden, van liefde, van haat, van hoop en van vrees: want even als wel-eer den grooten waar-zegger Protheus, terwijl hy verandert en verformt was in vuur, in water, in een tyger, en een Draak en andere vreemde gedaanten, noyt iets toekoomende voorzeyde: [Hoe den Geest van Waarzeggen aan te nemen.] Maar om tot zulke voorzegging bequaam te zijn, moeste hy noodzaakelijk in zijn eygen en natuurlijke gestalte zijn herstelt. Alzoo kan ook de mensch niet goddelijks, of geen weetenschap van waar-zegging aanneemen, dan alleen wanneer dat gedeelte, dat in hem het goddelijkste is (te weten (mens) het gemoed) gerust, stil en bedaard zy; niet belemmert noch verrukt door innerlijk tochten of uytwendige beweegzelen.
    Dat wil ik mee wel eens beproeven, zeyde Panurge: maar zal ik dan ’t avond weynig of veel moeten eeten? Ik en vraag het niet zonder oorzaak: want indien ik een ruym avondmaal doe, zoo slaap ik heel niet dat deugt, en doe al den nacht niet dan reevelen: Anders, na dat ik mijn meug, en buyks maat gegeten heb, slaap ik diep en vast genoeg. ’t Zou best zijn, zeyde Pantagruel, nu ’t avond niemendal te eeten, ten aanzien van uw vol-lijvigheid en goede ligchaams stand.
    Amphiaraus, een oud Waar-zegger, wilde, dat de geene, die door droomen sijne voorspellingen ontfangen zouden, dien geheelen dag niet souden nuttigen, nog eenige wijn drinken in drie daagen van te voorren. Wy willen zoo strengen en uyttersten leef-regel [Diete] niet in ge- [p. 511] bruyk brengen. Ik geloove wel, dat een mensch, met eeten en drinken opgevult en overlaaden, zeer qualijk kan koomen tot kennis van geestelijk zaaken: nochtans ben ik niet van gevoelen, als die geene, dewelke na een lang en hardnekkig vasten, te eerder en meerder meenen in te dringen tot beschouwing van Hemelsche zaaken.
    U zal noch zeer wel indagtig zijn, dat mijn Vader Gargantua (dien ik ter eeren noeme) ons dikwijls verhaalt heeft, dat de Schriften van deeze vastende kluysenaars zoo ruw onrijp, nuchteren en smaakeloos waaren, als haare ligchaamen, toense die’t zaamen-stelden: en dat het niet wel te gelooven is, dat de geesten fris en helder zouden blijven, wanneer het ligchaam zoo gansch leedig gemaakt was; dewijle de wijs-geeren en genees-heeren vast-stellen, dat de ziellijke geesten gemaakt worden, voortkomen en werken door het slag-aaderlijk bloed, gezuyvert, verdunt en tot volkomentheid gebragt zijnde in het wonderlijk net, dat onder de herssen-holen leyt.
    [Reeden waarom ’t vasten tot oeffening ondienstig is.] Daar toe hy ons ten voorbeeld by bragt een Wijsaard, die, in de wildernis waanende buyten alle gewoel en stoornis te zijn, om te dieper te overdenken, en aandachtiger te bidden en zijne Schriften te stellen, onder des moest dulden, dat rondom hem de honden basten, de wolven huylden, de Leeuwen brulden, de Paarden brieschten, de Olifanten balderden, de slangen schijffelden, de Eezels rugchelden, de kreekels snorden en de tortel-duyven kirden; zoo dat hy zich meer ontroert en gestoort vond, als of hy tot Fontenay of Niort in de ker- [p. 512] mis was: want hy had den honger in den hals; om welken te doen wech neemen de maag vaste, het gezicht schemerde, de aaderen zoogen zelf het zap en de zelfstandigheid der leedemaaten uyt, die als hoorn verhardden: en hield alzo t’onder dien sweevenden geest, onachtzaam zijnde behoorlijke hand-reyking en onthaal te doen aan zijn eygen huis-weerd en voedster-Heer; ’t welk het Ligchaam is. Even of een vogel op den vuyst zittende, een vrye vlugt in de ruyme lugt zocht te doen, en terstond door den draad of band weeder te rug en lager neergerukt word.
    Hier by voegde hy noch een kragtig bewijs uyt Homerus, den Vader van alle wereld-wijsheid; alwaar hy verhaalt, hoe de Grieken niet eer van traanen te storten hadden opgehouden over de droeve dood van Patroclus, den grooten vriend van Achilles, als toen haar den honger bestreed, en haar holle buyken weygerden meer traanen te verschaffen: want haare ligchaamen door lang vasten geleedigt zijnde, en was’er geen vocht of voedzel van ’t geween meer.
    Maatigheid is in allen gevalle loffelijk en in hoog-achting; en by deze geleegentheid zult gyse gebruyken: gy zult tot uw avondmaal geen boonen, noch haasen, of ander Vleesch eeten: ook geen vleesch-spieren, geen Kool of andere kost, die uwe levende geesten zou moogen ontroeren of bedompen en verdonkeren: want even als de Spiegels de voor-gestelde en aangebooden beelden niet wel vertoonen, indien haar gladtheid door den aazem, of neevelig weer bewaazemt en verduystert is; alzoo ook de geest en ontvangt niet de ge- [p. 513] daanten van voorzegging door droomen, indien het ligchaam is ontrust en beroert door den rook en dampen der ingenomen spijze, ter oorzake van’t mede gevoel, dat by hun beiden onafscheidelijk is.
    [Watmen doen moet om waar te droomen.] Gy zult eeten goede appelen, ried-peeren en bargamotten of zoppige groentjes, een kortgesteelde- of kantjes-appel, eenige pruymen van Tours en eenige karssen uyt mijn Boomgaard. Zoo zulje niet hebben te zorgen dat uw droomen twijffelachtig, verdacht of bedriegelijk zullen voortkoomen; gelijk zommige Peripathetische wijzen die in den Herfst zeyden te zijn: en men weet zeer wel, dat de menschen dan veel meer vruchten eeten, als op eenig ander tijd van ’t jaar; ’t geene de oude Heylige Voorzeggers en Dichters verborgener-wijze ons te verstaan gegeven hebben, als se zeyden, dat de ydele en bedriegelijke droomen geschoolen leggen onder die blaaderen die ter aarden gevallen sijn, om dat in de herfst-tijd de bladeren van de Bomen afvallen. Want die natuirlijke hitte, die in de nieuwe vrugten overvloedig is, en die door zijn opbobbeling lichtelijk uytwaazemt in ziellijke deelen (gelijkmen ziet geschieden in de most) is door langheid van tijd al ontdaan en vervloogen. Daar op zulje dan eens een dronkje schoon water uyt mijnen springbron drinken.
    Dat beding, sprak Panurge, dunkt my al wat beswaarlijk; nochtans neem ik ’t aan zoo te doen, ’t mag kosten wat’et wil. Doch ik verzeekerje, dat ik morgen wel heel vroeg ontbijtten zal, daadelijk na mijn droomeryen: aangaande ’t overige beveele ik my aan de twee poorten van Homerus; aan Morpheus, aan Jcelus, [p. 514] aan Phantasus en Phabetor. By aldiense my tot mijn behoef helpen en voordeelig zijn, zal ik haar een Heerlijk altaar oprechten van den zachtsten dons gemaakt.
    [Schrijvers over ’t droomen.]Voorts vraagden hy Pantagruel; zoud ’t ook niet dienstig zijn, dat ik eenige Laurier-takken onder mijn hooft-kussen leyde? dat is, antwoorde Pantagruel, voor dit maal niet noodig; het is slechts by-geloovigheid, en niet dan misbruik, ’t geene Serapio, Ascalonius, Antipho, Philocous, Artemon, en Fulgentius Plantiades daar af geschreeven hebben. Even ’t zelve zoud ik u zeggen van den linker schouder des krokodijls en kameleons; behoudens de eer van den ouden Democritus. Desgelijks van den steen der Bactrianers genaamt Eumetrides. Als mede van den hoorn van Hammon, zoo noemen de Aethiopiers een kostelijke steen, van kleur als Goud, en van gedaante als een rams-hoorn, even gelijk den Hoorn van Jupiter Hammon; waar van se durven zeggen, dat de droomen der gener die den zelven by zich draagen, niet min waarachtig en onfeilbaar zijn, als de Hemelsche God-spraaken.
    Misschien is’t het geene Homerus en Virgilius schrijven van de twee poorten der droomen, waar aan gy u bevoolen hebt; den eenen is van Elpenbeen, door welken de verwarde, ongewisse en bedrieglijke droomen inkoomen: gelijkmen dwars door ’t yvoir, ’t mag zoo zijn als ’t wil, onmoogelijk iets zien kan: haar dichtigheid verhindert het doordringen der gezigt-geesten en ’t ontvangen van zichtbaare gedaanten.
    Den anderen poort is van Hoorn, door [p. 515] welken de waare, gewisse en onbedriegelijke droomen in-gaan; gelijk door het hoorn, vermits des zelfs weerschijn en doorlugtigheid, alle gedaanten duydelijk en onderscheydelijk verschijnen en zich vertoonen. Hier uyt (zeide Broeder Jan) wilje dit gevolg trekken, dat de gehoornde Hoere-boeven, gelijk Panurge door goe hulp van zijn Vrouw wel haast zijn zal, altoos onfeilbaar en zeeker zijn.



                XIV. HOOFT-DEEL.

    Den Droom van Panurge en de uyt-
        legging der zelver.

ONtrent zeven uuren des volgenden morgens vertoonde zich Panurge voor Pantagruel, by welken alreed in de kaamer gekoomen waaren Epistemon, Broeder Jan, van Entommeures, Ponocrates, Eudemon, Carpalim en andere; tot den welken Pantagruel, op ’t intreeden van Panurge, zeyde; ziet hier onzen droomer. Daar op Epistemon voegde; dit woord heeft wel eer veel gekost; en heeft de kinderen van Jacob zeer dier gestaan.
    Toen sprak Panurge, Ik staa zeer wel by Guillot den Droomer: Ik heb al wel en veel gedroomt; maar ik kan’er niets van begrijpen: als alleen, dat ik in mijn Droomerijen een jonge, lustige, schoone en volmaakte Vrouw na mijn zin had, dewelke my vriendelijk handelde en onderhield, gelijk een klein poppetje.
    Noyt was’er mensch meer vermaakt en van [p. 516] herten verheugt; zy vleyde my, zy kittelde my; zy voegde haar hooft aan het mijne, zy betaste my, zy kuste my, zy omhelsde my, en uyt korts-wijl maakteze my twee mooye kleyne hoorentjes boven aan ’t voorhooft.
    [Waar de hoornen behooren te staan.] Ik verzocht haar al gekkende, datze my die behoorde te planten beneeden de oogen, om te beeter te moogen mikken op ’t geene ik stoten wilde; op dat Momus daar in geen onvolmaaktheyd en reeden van berisping vinden mogt, gelijk hy deed over ’t zetten van de horens der Ossen. De dartele niet tegenstaande mijn verzoek, zettese my noch al vorder en hooger op, zonder my evenwel eenig leed of pijn aan te doen, ’t welk een verwonderens-waarde zaak is.
    Weynig daar na dacht my, dat (ik en weet niet hoe) men my verandert had in een Trommel, en haar in een kaauw: daar wierd mijn droom gesteurd, en ik schrilde schielijk uyt mijn slaap gansch verdrietig, bedroeft en verstoort. Daar hebje nu een schoonen schootel vol droomen, vermaak’erje mee, zoo veel als je meugt: en leg hem uyt zoo je ’t verstaat. Laat ons gaan, mijn Heer Meester Carpalim, om ons te ontnuchteren.
    Ik verstaa, sprak Pantagruel, indien ik eenige kennis heb in de konst van voorzegging door droomen; dat uw Vrouw, niet in der daad en uytterlike vertoning, u hoornen aan ’t voorhooft zal zetten, gelijk de Satyrs draagen: maar zy zal u geen geloof of echte getrouwheyds beloften houden; maar aan anderen haar ten besten geven, en u tot een Koekoek maaken. Even gelijken droom is aldus klaar- [p. 517] lijk uytgeleyt gelijk ik ’t gezeyd heb, door Artemidorus. Ook zal ’er aan u geen daadelijke gestalt-wisseling geschieden van een mensch in een Trommel: maar uw huyd zal als een trommel-vel van haar geslagen en tot een Bruylofts Trom gebruykt worden. Noch zy zal waarlijk in een Kaauw worden verwisselt; maar zy zal u besteelen, gelijk den aard der kaauwen is. Ziet nu eens, hoe uwe Droomen t’eenemaal met uwe Virgiliaanse loten over een komen: Gy zult een Hooren-draager worden, gy zult geslaagen worden, gy zult bestolen worden.
    Daar op gaf Broeder Jan een schreeuw, en riep, hy zeyt’er, beget, de vierkante waarheid aan; gy hupse keerl zult een koekkoek worden, dat wil ik je verzeekeren, gy zult’er een paar mooye hoorentjes hebben: Ha, ha, ha, onze Meester (de cornibus) van Hoornenburg. Mijn goede maat, maak ons maar twee woorden van een preeke, en ik zal voorje den omgang doen door ’t geheele Karspel.
    In tegendeel, zeyde Panurge voor-zeyt mijnen droom, dat ik in mijn Huwelijk zal hebben vol-op van alle goederen, door den hoorn des overvloeds. Gy zegt dat het hoornen van Satyrs zijn; (Amen, amen, fiat fiatur, ad differentiam Papae) wel laat’et zoo weezen, en laat ’et zoo worden, daar men de Pauzen aan kent, zoo zal ik dan den dompelaar geduyrig op zijn best en onbeswijkkelijk hebben, even als de Satyrs; een zaal die alle man begeert, maar weynigen gegunt word: by gevolge zal ik nimmer koekoek zijn: want het derven [
p. 518] der zelver is die eenige oorzaak, die de echte mannen tot Koekkoeken maakt.
    Wat doet den Koekkoeken beedelen? datze niet in haar Huys hebben, waar-meese haar zak konnen vullen. Wat doet den Wolf het woud verlaaten? gebrek van Vleesch-aas. Wat brengt de Vrouwen op ’t wild en tot ontucht? Je weet wat ik zeggen wil. Ik vraag het aan de Heeren Geestelijken, aan mijn Heeren de Voorzitters, de Raads-heeren, de Voor-spraken, de zaak-zorgers en andere ontvouwers van de Eerwaardige (Rubrica de frigidis & maleficiatis) Rood teykening of wetwijzinge van de koele lusteloose en betooverde.
    Gy schijnt (verschoonme zoo ik my begrijp) wel oogen-schijnlijk verdoolt te zijn, als gy met hoornen te hebben, zoo veel meent te zeggen als een Koekkoek of Jan-hen te wezen. Diana pronkt’er mee aan ’t voorhoofd, in gedaante van een schoone wassende maan; is Sy dan daarom mee een Koekkoekkinne? Hoe drommel zouse ’t konnen weezen, die noch noyt een man gehadt heeft? Ey lieve, spreek doch recht; uyt vrees, datse u het hooft hulle naa ’t maakzel datze Actaeon opzette. Den braaven Bacchus voert van gelijken hoornen: ook Pan, Jupiter Ammon en zoo veel anderen: zijn ’t daarom Koekkoeks? zou dan Juno een Hoer zijn? want, volgens de Figuur (Metalepsis) overneeming, zou zulks daar uyt beslooten worden: gelijk, wanneermen een kindt scheldt voor een aterling of Hoere zoon, in ’t by zijn van Vader en Moeder, het even zoo veel is, of men den Vader een Hoorendraager en de Moeder een hoer zeyde te zijn.
[
p. 519]
    Laat ons schikkelijker spreeken: de Hoornen, die mijn Vrouw my maakte, zijn overvloeds-hoorens en beduyden vol-op van alles; dat meugje voor vast gelooven: aangaande het overige; ik zal altijd in Vreugde zijn, gelijk een Trommeltjen op een Bruyloft; altijd bly geluyd slaande, snorkende, snorrende en schijttende. Geloof dat’et een geluk ’t mijnen besten is. Mijn Vrouw zal bevallig en vrolijk weezen, als een mooy klein kaauwtjen. Die ’t niet gelooft, loop van d’hel naa de galg. Dat is een nieuw nieuwtjen.
    Ik let, zeyde Pantagruel, op ’t laaste punt daar af gy gesprooken hebt, en vergelijk het met’et eerste. In ’t begin waar ’t gy geheel in wellust wentelende door uwen droom; in ’t eind ontwaakte gy schielijk, zeer verdrietig, droef en gestoord. Of dat beduydt niets goeds, of het voorzeydt iets quaads, dat is te zeggen, van een inge-ergerde, quaad-aardige, pestige krankheyd, schuylenden en verborgen in ’t middelpunt des Ligchaams, dewelke door den slaap, die geduyrig de verduwende kragt versterkt (volgens de leerstukken der Geneeskonst) zich begost te oopenbaaren en te beweegen naa boven; op welkers droeve opwelling de rust gesteurt, en het eerst gevoelige vermaand was zich derwaarts te voegen en daar tegen te voorzien. Gelijk men voor een spreekwoord zeyd; der horssel te zarren, de krabbe te tergen, den slaapenden Kaater te wekken.
    Het voorzeydt eenig quaad; dat is te zeggen, zoo veel de werking der ziele, en de stoffe van droom-raming aangaat, en alree be- [p. 520] reydt is, ’t Welk in korten tijd staat uytgewerkt te worden. [Waare droomen] Een voorbeeld daar af hebben wy aan den droom en vervaarlijke ontwaking van Hecuba: aan den droom van Euridice de Huys-vrouw van Orpheus; dewelke Ennius duydelijk zeyd, datze schielijk opschietende verbaasdelijk wakker geworden zijn. Waer naa ook Hecuba zag hoe haar man Priamus, haar kinderen en Vrienden vermoord en mishandelt wierden. En Euridice quam weynig daar na zeer ellendig te sterven.
    Aeneas droomende, dat hy met den overleeden Hector sprak, quam daar op onvoorziens te ontwaaken. Waar naa noch dien zelven nacht de stad Trojen geplundert en verbrand wierd. Den zelven op een ander tijd droomende dat hy zijn huys- en heerd-goden zag, en voorts schielijk met verschrikking ontwaakende, quam hem des anderen daags een vervaarlijken storm in zee overvallen en by na vernielen, en duisend diergelijke. Terwijl ik hier verhaal van Aeneas, merk aan, dat Fabius Pictor van hem zeyd, dat hy niets verrichtte of aanving, en dat hem niets was overgekoomen, ’t welk hy niet voor-heenen onderzocht en voorzien had door droom-raaming.
    Deze voorbeelden zijn ook niet zonder reeden en ongegrond; Want ’t is waar, dat de slaap en ruste een zonderlinge gaave en weldaad der Goden is; gelijk de tegenwoordige Wereld-wijzen beweeren, en den dichter dat bevestigt zeggende,

’t Was toen de slaap, dien Goden gaaf, na wenschen
Verkwikken kwam de moeylijk-heen der menschen.


[
p. 521]
    Zoodaanigen gave in onwil en weer-zin kan niet anders, als tot een voorgespeld ongeluk uyt vallen: want anderzins zou rust geen rust, en gaave geen gaave zijn. Niet voortkoomende van de Goden, als Vrienden, maar van de Duyvelen, als Vyanden; volgens dat gewoone spreek-woord (Echthron adora dora) Vyanden gaaf is gaveloos.
    Even als wanneermen een Vader des huisgezins, wel gezeeten zijnde aan zijnen Tafel vol lekkere gerechten, en met goeden honger eerst aanvangende te eeten, onvoorziens zeer verschrikt zag oprijsen; iemand, die de oorzaak daar af niet en wist, zeer verbaast en verwondert zou zijn. Maar hoe? hy had misschien gehoort, dat sijn dienaars riepen Brand! Brand! of zijn dienstmaagden, dief! dief! of zijn kinderen, moord! moord! daar was het tijd de maaltijd te staaken, en derwaarts te loopen, om daar in te voorzien en zorg te draagen. Hier by word ik indachtig, dat de geheim-konstenaars [Caballistes] en Hebreeuze Schrift-uytleggers
[Massorets], aanwijzende waar door men bescheydelijk kon onderkennen de waarheyd van de verschijningen der Engelen (want dikwijls verandert zich een Engel des Satans in een Engel des Lichts) zeggen, dat het onderscheid deezer twee daar in bestaat; dat den goeden en goddelijken Engel aan den mensch verschijnende, in ’t begin hem verschrikt, maar in ’t eind vertroost, en hem gerustheid en vernoeging geeft: daar en tegen de boos-aardige en verleydende geesten in ’t aankoomen den mensch verheugen: en by ’t scheyden hem ontroerd, verbaast en bedroeft laaten.



[
p. 522]

                XV. HOOFT-DEEL.

    Ontschuldiging van Panurge en ver-
        klaaringe van de Geheym-konst
[Cabale]
        der Monnikken aangaande’t gezou-
        ten Osse-vleesch.

GOd mag hem te hulp koomen (zeyde Panurge) die wel kan zien, en heel niets hooren. Ik zie u alle zeer wel, maar ik en hoorje niet, en weet niet watje zegt: den hongerigen buyk en heeft geen ooren. Ik brul beget, van raazenden honger. Ik heb al te ongewoonen werk zonder voordeel gedaan. Het zal wat meer sijn als Meesters Mug die my dit jaar aan de droomerijen geholpen heeft. Geen Avondmaal te eeten; de Drommel mogt zoo gebruyt weesen.
    Laat ons gaan, Broeder Jan, datwe aan den ontbijt koomen. Gy eet gaarn zopjes van den eersten zood: ik heb liever haase zopjes verzelt met een goed hachjen van een gezouten arbeyder van negen lessens. Ik weet watje zeggen wilt, antwoorde Broeder Jan: deze leen-spreuk [Metaphora] is getrokken uyt de Klooster-keetel. Den arbeyder is den os, die arbeyd of gearbeyt heeft: van negen lessens, is te zeggen, volkoomen gaar-gekookt.
    Want de goede Godsdienstige Vaders volgens zeekere cabalistike instelling der Ouden, niet beschreeven, maar overgeleevert van hand tot hand, ’s morgens opgestaan zijnde by mij- [p. 523] nen tijd, maakten voor de wetten zeekere voor-spelen eerse noch in de kerk gingen; zy kakten op het kakhuys, zy waterden op de watersteen, zy rogchelden in ’t rogchel-vat, zy hoesten in de hoest-pot, en zy zweette zoetelijk in den reevel-stoof; op datze doch niet onreyns mochten brengen in de Gods-dienst.
    [Clooster dienst] Deeze dingen dus verricht zijnde, begaavense zich aandachtelijk naa de Heylige kapelle, (zoo wierd in haar spot-spraak de Klooster-keuken genoemt) en hielden met aandachtig bidden en smeeken aan, datmen van dien tijd af het gezouten Osse-vleesch over ’t vuur wilde hangen, tot het ontnuchteren van de geestelijke Broeders onzes Heeren; zy zelve stookten dikwijls het vuur onder de keetel. Nu was ’t, nademaal de Metten negen lessen of leezingen hadden, datze wel wat vroeger opstonden om reeden, datze haar honger en dorst des te meerder maakten in ’t aanbassen van de parkemente rol; zoo dat de Metten dikmaals met een of drie leezingen uitgebulkt wierden.
    En hoese na die zelve geheim-kund vroeger van ’t bed opstonden, hoe het Osse-vleesch vroeger te vuur raakte: hoe het daar langer was, hoe het langer kookte, wat het murwer wierd, watmen’er de tanden min op vermoeyde, wat’et lekkerder smaakte, en te minder de maag beswaarde, en te meerder de geestelijke broedertjes voedde: het welke ’t eenigste oogmerk en voornaamste toeleg der stichters en instellers is geweest: aangemerkt, datze geenzins eeten om te leven, maar leven alleen om te eten, en niets boven haar lekker leeven in p. 524] deeze wereld hebben. Laat ons haastig heen gaan, Panurge.
    Nu heb ikje eerst recht verstaan, zeyde Panurge, mijn fullepe posje, mijn cabalike klooster kulletje, Het gaat me naa de zelve cabala. De hooft-schuld, woeker en rente scheld ik u quyt, ik ben te vreeden met de onkosten, nadien gy ons zoo welspreekenden verhaal hebt gedaan over ’t zonderling hooftstuk van de keuken-geheymenissen der Monniken. Laat ons gaan Carpalim, Broeder Jan mijn beste maat, kom gaanwe: goeden dag zy u allen, mijn goede Heeren. Ik heb al lang genoeg van drinken grdroomt.
    [Waar door niemand sijn eygen gebreeken ziet.] Panurge had nauwlijks deeze woorden geëyndigt, als Epistemon met luyder stemme riep, zeggende; het is wel een gewoone zaak en zeer gemeen onder de menschen eenes anders ongeval na te vorsschen, voorzien, weten en voorzeggen: maar hoe zelden geschiet het, datmen zijn eygen ongeval voorziet, voorzeyt, kent en begrijpt? Het welke Aesopus in zijn Fabel-boek zeer aardig afbeeldt, daar hy zeyt; dat een jegelijk mensch in deeze wereld koomende, eenen dubbelen zak aan zijn hals heeft hangen: in den eenen, die voor hangt, heeft hy de gebreeken en mis-vallen van een ander gestaag voor zijn gezicht en kennis gestelt: in den anderen zak achter op zijn rug hangende, heeft hy zijn eygene ondeugden en mislagen, dien hy noyt te bemerken of te kennen koomt; ten zy zonderling van den Hemel begunstigt.<



[
p. 525]

                XVI. HOOFT-DEEL.

    Pantagruel raadt Panurge de Sibyl-
        le van Panzoust raad te vraa-
        gen.

WEynig tijds daar na zond Pantagruel iemand om Panurge by hem te haalen: en toen zeyde hy tot den zelven; de verouderde liefde, dien ik u by lang vervolg van tijd altoos toegedraagen heb, beweegt my op uw welvaart en voordeel te denken: en hoor eens wat ik bedacht heb: men heeft my verhaalt, dat’er tot Panzoust dicht by Crolay, een zeer voortreffelijke Sibylle of Waar-zegster woont, dewelke alle toekomende dingen voorzeggen kan. Neem Epistemon tot gezelschap, vervoeg u derwaarts by haar, en hoor eens watze u zeggen zal.
    Dat zal, zeyde Epistemon misschien den eenen of den anderen hex, of hey-wijf, eenig waar-zegster of tooveresse zijn. Het gene my zulx doet vermoeden is, dat die plaats ter on-eer is vermaard, datze krielt van tooveressen, meer dan oyt Thessalien gedaan heeft. Ik zou’er niet geerne heenen gaan, door dien ’t een ongeoorlofde zaak, en in de wet van Moses verboden is. Wy zijn, zeyde Pantagruel, in ’t minste niet Joodsch, en ’t en is noch niet bekent of beweezen, dat zy een tooveresse zou zijn. Laat ons ’t gesprek en nader verklaaring [p. 526] van deze zaak uytstellen tot uw wederkoomst. Hoe konnen wy weeten, of zy niet een elfde Sibylle, of een tweede Cassandra zy? en nu’er geen Sybille meer is, of zy den naam van Sybille niet wel verdiende. Wat verlies kunje’r by hebben, datje haar gevoelen vraagt over uw beteutertheyt? voornaamelijk naa diense daar voor gehouden wort, datze met meerder verstand en weetenschap begaaft is, alsmen in dat landschap, of onder dat vrouw-volk gewent is. Wat schaadt het altoos iets te verneemen, altoos iets te leeren, al was’t ook van een sot, van een pot, van een schoffel, van een moffel of van een pantoffel?
    [Alexander berouwt gehoor geweygert te hebben.] Denk eens te rug, hoe Alexander de Groote, de overwinning verkreegen hebbende over den Koning Darius en Arbeles, eens gehoor weygerde aan een zeeker man, daar af hy naaderhand wel duyzend en duyzend-maal vergeefs berouw betoonde. Hy had wel de overhand in Persien; maar van zijn erf-koningrijk Macedonien was hy zoo verre verscheyden, dat hy hem hertelijk bekommerde en bedroefde, door dien hy geen middel wist uyt te vinden, om van daar tijding te bekomen. Zoo ter oorzaake van de overgroote tusschen-wijdte der plaatzen, als het tusschen koomen van groote vloeden, verhinderinge van Woestijnen, en tegenstelling van gebergten.
    [Waarom.] In dezen zorg en kommerlijke bedenking (die zeeker van geen gering belang was: want men had zijn land en Koningrijk konnen inneemen, en daar eenen nieuwen Koning en nieuwe volk-planting in voeren, eenen langen tijd te voren, eer hy daar af verwittigt kon wor- [p. 527] den; om daar tegen in de weer te weezen), kwam zich voor hem vertoonen een man uyt Sidonia, een ervaaren en verstandig Koopman, maar aangaande ’t overige zeer arm en van weinig aanzien, dewelke hem deed aanzeggen en verzeekeren, dat hy een wech en wijze verzonnen had, doorwelken zijn land van zijne Indiaanze overwinningen, en hy wederom van den toestand van Macedonien en Aegypten in min dan vijf daagen, kennis bekoomen konde. Hy achtte die toezegging zoo onwaarschijnlijk en gansch onmoogelijk, dat hy niet eens het oor daar toe leenen, of hem gehoor vergunnen wilden. Wat konde ’t hem gehindert hebben, dat hy eens aangehoort en verstaan had, wat die goede man voor een middel mogt bedagt hebben? Wat leed of schaade kond’er hem af overgekoomen hebben, dat hy den weg geweeten had, dien de man hem meende aan te wijzen?
    De Natuur, dunkt my, heeft niet zonder reeden onze ooren altijd oopen staande gemaakt, en geenen deur of dekzel daar voor gestelt; gelijkse gedaan heeft voor de oogen, voor de tong en andere oopeningen des Ligchaams. De eind-oorzaak daar af meyn ik te zijn, op datmen al den dag, en al den nacht zou mogen hooren: en door het gehoor geduyrig iets aan leeren: want het is een zin, die boven alle andere dienstig is tot onderwijs te ontfangen. En misschien is deeze man een Engel (dat is te zeggen, een boode van God) geweest, gezonden gelijk Raphaël aan Tobias. Al te haast versmaade hy hem, al te langen tijd daar na had hy’er leed-wesen over.
[
p. 528 ]
    Gy zegt zeer wel, antwoorde Epistemon, maar nimmer zulje my wijs-maaken, dat’et een zeer voordeelige zaak zy, raad en onderrichtinge te neemen van een Vrouw, en van zulk een Vrouw, en in zulk een Land. Ik (zeyde Panurge) bevindme zeer wel by den raad van Vrouwen en voornamelijk van oude. Na haren raat doe ik altijd een stoelgang of twee buiten gewoonte. Ik zegje, mijn Vriend, zy zijn de rechte Stoof-hoden, en roode rechts-aanwijzingen. Die haar (Sages femmes) vroede of wijze Vrouwen noemen, spreeken zeer eygentlijk. Mijn gewoonte en wijze is, haar te heeten (Presages femmes) voor-wijze of voor-weetende Vrouwen. (Sages) wijs zijnse: want in weetenschappen zijnse zeer behendig: dog ik noemse (Presages) Voor-weetsters; dewijlse als Godlijk voorzien, en zeekerlijk voorzeggen de dingen die noch staan te geschieden. Zomtijds geef ik haar wel den naam niet van (Maunettes) morsse-bellen, maar van (Manettes) vermaansters, als de Juno der Romeinen: want van haar komen ons heylzaame en voordeelige vermaaningen.
    Dit meugje verneemen by Pythagoras, Socrates, Empedocles en onzen Meester Ortuinus. Van gelijke prijze en verhef ik tot den hoogen Hemel toe de oude instelling der duytschen, die even waard als het Heiligdom hielden, en hertelijke eerbieding beweezen aan den raad der oude wijven: door der zelver onderwijs en antwoorden zijnse zoo gelukkelijk in voorspoed gevordert, alsse die wyselijk aangenoomen hadden. Dit kan blijkken aan den ouden Antinoë en de goede moeder Vellede, ten tijde van Vespasianus.
[p. 529]
    Geloof vryelijk, dat de vrouwelijke ouderdom altoos overvloedig is inde (soubeline) zeeveragtige (ik sou zeggen Sibylline) waarzeggelijke hoedanigheid. Nu dan laat ons ten lesten eens met kreupels kracht haastig heen-stappen: za, dat is gang: Vaar wel Broeder Jan: ik beveelje mijn Latze. Wel, zeyde Epistemon, ik zalje volgen; maar met beding, dat, indien ik te merken koom, dat zy eenige hoetelery of hexery in haar antwoorden te werk stelt, ik u aan de deur zal laaten, en uyt uw gezelschap deurgaan.



                XVII. HOOFT-DEEL.

    Panurge komt met Epistemon by de
        Sybille van Panzoust; vraagt haar:
        en vindt sijn bescheid geschreeven
        op Booms bladeren.

HAar reyze duurde zes daagen: des zevenden daags wierd haar des Waarzegsters huysje geweezen achter aan een berg, onder een groote en breede kastanieboom. Zonder schroomen en swaarigheid tradense binnen ’t laage strooyen huttje heel slordig gebouwt; en van binnen noch slechter met huys-raad voorzien, en overal swart berookt. Wat zoo, zeyde Epistemon; den grooten duysterling Heraclitus een diepsinnig wijsgeer, ontzette zich niet toen hy in diergelijken wooning quam treeden: zijne navolgers [p. 530] en Leerlingen beduydende, dat daar in zoo wel de goden haar onthielden, als in de Heerlijkste palleyzen vol vermaaklijkheden.
    Ik geloof, dat dusdanig was de woonplaats van Hireus en oenepion, alwaar zich Jupiter Neptunus en Mercurius niet verontweerdigden in te koomen, ook spijze en huys-vesting te neemen.
    In den hoek van de heerd vondense de oude Vrouw zitten; daar op Epistemon begost te schreeuwen, dit is de waarachtige Sibylle en de rechte uyt-teykening door (TE KAMINOI) den asschen-puister van Homerus afgebeeldt. De oude Vrouw was heel ongedaan, met vuyle vodden en lappen om haar dorre schraale leeden; zy was krom in een gekrompen, tandeloos, leep-oogig, druyp-neusig, loom en loof: Sy kookte eenig moes van groene koolen, met een sneede geel spek, en een ouwe met worst. By St. Schijtgeel-groen- en blaau riep Epistemon, nu is ’t altemaal noch niemendal en om niet: wy zullen van haar geen antwoord konnen bekoomen: want wy en hebben den gulden tak niet. Daar heb ik (antwoorde Panurge) al in voorzien: Ik heb hem hier in mijn knap-zak aan een staafje dicht goud, met een deel mooye lieve Carolussen.
    Na datze deze reeden al ingaande geeyndigt hadden, ging Panurge haar zeer neederige groetenis doen, en daar by aanbieden zes gerookte ossetongen, een groote boter-pot vol koskotons, een grooten borl of barkemeyer met goeden drank, een rams-klootzak vol nieuws geslaagen Carolussen, eindelijk met een diepe eerbiedenis stak hy haar aan den voorsten vin- [p. 531] ger een seer schoonen gouden ring, daar in een paddesteen van Beusse zeer konstig gezet was. daar na verhaalde hy haar in weynig woorden wat hem bewoogen had daar te komen, haar heusselijk biddende hem te willen zeggen haar bedunken, en wat goed geluk of gevolg zijn voorgenoomen huwelijk hebben zou.
    De oude queene stond een wijle tijds stilswijgende, diep in gepeynsen, en met de tanden gniesende: daar na gingse zitten op een omgekeerde kooren-maat: en greep in haar handen drie oude spillen, die draayde en wendese op verscheyde wijzen, toen beproefde-se de scherpte der zelver: het scherpste behieldese in haar hand; de andere twee wierpse onder een gerste stamp-trog: toen vattese haar spoelraden en draaydese tot negen maalen rondom, op de negende draaying namse zeer neerstelijk acht, zonder aan de raaden meer te roeren, en verwachte haar volkomen stilstand. Naderhand vernam ik, datze een van haar holt-schoenen (wy heetense klompen) uyttrok: en haar schorte-kleed over ’t hooft dee, gelijk de Priesters haar hooft-doek doen, alsse misse willen zingen; voorts ’t zelve met een ouwerwets geweeven veel-verwigen band onder haar keel toe-bond. Dus befommelt dronkse eenen hartelijken toog uyt de groote wijnpul, en nam drie Carolussen uyt de rams-buydel: en leydese in drie noote-doppen, dieze op een omgekeerde pluym-pot plantte: dee drie streeken met den beezem langs de schoorsteen: wierp een half bos groove tijm met een takjen drooge Laurier op ’t vuur, en merkte met stilligheid den brand aan: en zag dat [p. 532] het in ’t branden geen gespartel of eenig gerucht maakte.
    Daar op begonse schrikelijk te schreeuwen, en tusschen haar tanden te mommelen eenige barbaarze en bijster-luydende woorden; invoegen dat Panurge tot Epistemon zeyde, by gants bloed, ik tril en beef: ik geloof dat ik betoovert ben: de ooren tuytten my: my dunkt dat ik Proserpina hoor raasen: de Duyvelen zullen op deeze plaats wel haast komen opbarsten. O die leelijke beesten! laatze ons ontloopen, help God! ik sterf van vervaartheid. Ik heb geen behaagen aan de Duyvels. Sy zijn me verdrietig; en zeer onaangenaam: laat ons toch weg loopen; Vaar wel, mee-juffer: grooten dank voorje dienst. Nu wil ik niet Huwelijken, o neen ik. Ik wil’t wel verzeggen nu en altoos.
    Aldus dacht hy ter kamer uyt te vluchten; maar de oude tabelonke kwam hem noch voor haar spil in de hand houdende, en ging uyt in een klein Hofjen of tuyntjen, dicht aan haar huys: daar stond een zeer ouden wilden Vijgeboom; dien deedse tot driemaal schudden: en op acht blaaden, die daar af vielen, schreefse in aller haast met de spille eenige korte veersjes; diese voorts in de wind-wierp, tot haar zeggende, gaatse weder op-zoeken zooje wilt; vindse weder, zoo je kunt. Het nood-schikkelijk lot van u huwelijk is’er opgeschreeven.
    Deeze woorden gesprooken hebbende, keerdese wederom in haar wooningen of hol: en aan den ingang van de deur raaptese haar rokken en hemd van achteren tot de oxelen op, [p. 533] en liet haar de bloote billen zien. Panurge die ’t eerst gewaar wierd, zeyde tot Epistemon, O elemalementen, zie daar het naakte gat van de Sibylle. Alwaar’er meenig om hals is geraakt, om dat hy’er na toe ging te bekijkken; wacht u voor dat gat, Onder des sloopse binnen en grendelde de deur achter haar toe: sedert zagen zyse niet meer: maar liepen al haar best de bladeren achter na, en verzaameldense ten lesten niet zonder veel zoekens en moeyten: want de wint hadse verstroit door de heggen en doornbosschen van het dal, en die voegende den een na den anderen tot een vervolg van zin, bevondense daar op deze rijm-versjes;

Sy sal te kort
    Uw eere doen, van nu.
        Sy zal begort
            Van kind zijn: niet van u.
                Sy zal tot buyt
                    Uw goed doen zijn, ten deel.
                        Sy zal uw huyt
                            Afstroopen, doch niet heel.



[
p. 534]

                XVIII. HOOFT-DEEL.

    Pantagruel en Panurge leggen de
        verssen van de
Sibylle tot Pan-
        zoust verscheydentlijken uyt.

EPistemon en Panurge de blaaderen by een verzaamelt en geschikt hebbende keerden weder na ’t Hof van Pantagruel, ten deele verheugt, ten deele met ongeneugt; Verheugt over haar behouden wederkomst, met ongeneugt over de moeylijkheid van den weg, diese zeer scherp, oneffen, steen-achtig en quaalijk gelegt bevonden hadden. Van haar reyze en den toestand der Sybille bragtense een breed bericht aan Pantagruel: ten lesten toondense hem ook de blaaderen van den wilden Vijgen-boom: en weezen hem aan het geschrift daar op aan kleyne versjes.
    Pantagruel alles ten vollen geleezen hebbende, zeyde al zuchtende tot Panurge; gy zijt zeer wel te rechte geraakt. De voor-zegging van de Sibylle legt duydelijk uyt het geene u is beteekent, zoo door de Virgiliaanze looten, als ook door uwe eygene droomen; te weeten, dat gy door uw eygen Vrouw ter schande gebragt zult worden, datse u tot een hooren-beest zal maaken door haar te laaten gebruyken en beswangeren van een ander: datze u een goed gedeelte uwer goederen zal ontrooven: en datse u ook slaagen toe [p. 535] zal geven, stroopende en mishandelende een gedeelte van uw ligchaam. Gy verstaat u (antwoorde Panurge) op deze nieuwe waar-zegging even zoo weynig, als het swijn op de graanairen; verschoonme dat ik zoo rond of ruw spreek: want ik gevoel’er my wat over te onvreeden. Het tegendeel van uw voor-geeven is waarachtig. Neem mijne reedenen eens recht. De ouwe Vrouw wil zeggen, dat, eeven als de boon niet gezien wort, zoo langse niet uytgepeult en word; mijn deugd en volmaaktheid nimmer tot roem en vermaartheid zal geraaken, zoo lang ik niet gehuwt zal zijn.
    Hoe dikwijls heb ik u hooren verhaalen, dat het overheids-ampt of eenige hooge bediening den man ontdekte, en bloot voor aller oogen stelde al’t geener in zijn krop stak of in zijn boezem verborgen was? dat is te zeggen, datmen dan eerst gewis en in waarheid kan weeten den rechten aard en imborst van eenig perzoon, en hoe veel hy deugt of waardig is, wanneer hy tot het bewind en hand-haaving van hooge zaaken beroepen word: te vooren, te weeten, terwijl hy noch een enkel en staateloos man is, konmen van zijne hoedaanigheid niet zeekers zeggen; niet meer als van een boon in zijn peul. Daar hebje wat belangt het eerste stuk. Anderzins, zouje wel willen beweeren, dat de eer en goede naam van een deugdelijk en deftig man aan het gat van een Hoer zou hangen?
    Ten tweeden voor-zeytse; dat mijn vrouw bevrugt zal worden (aanmerk hier het eerste geluk des Huwelijks) maar niet van my. Wel de Drommel, dat zou men zeeker zeggen: dat wil ik heel [
p. 536] wel gelooven: het zal van een klein kindetje zijn, datse swanger zal worden. Ik wensch het alree hartelijk, en ben’er al t’eenemaal op verzot. Het zal mijn klein speel-poppetje wezen. Geen swaarigheid ter wereld zoo geweldig zal’er van nu af in mijn gemoed moogen komen, die niet zal verdwijnen, alleenlijk door ’t zelve te zien en te hooren babbelen in zijn kinderlijk gestamel. Ik gun alles goeds aan die ouwe sloof: Ik wilse waarachtig eenige goede rente toeleggen in ’t Landschap van Salmingoudin; geen loopende, gelijk de half gebakken (Bakelaars) byloopers [Bacheliers licentiaten]; maar vaste, gelijk gezeetene Vol-leerden, voorspraken en rechters.
    Zouje ’t andersins zoo wel willen hebben, dat mijn Vrouw my zelf zoud ontvangen, binnen haar buyk besluyten en draagen, en eindelijk my baaren? zoo dat men zeggen mogt; Panurge is eenen anderen Bacchus: hy is tweemaal gebooren: hy is wederom gebooren, eeven als Protheus; eenemael van Thetis; en andermael uit de Moeder van den Wijsgeer Apollonius. Of gelijk de beide Palisci, Zoonen van Jupiter en de Nymph Thalia, by de rivier Simethos in Sicilien. En te recht zeggen kon, zijn Huysvrouw is van hem swanger: in hem is vernieuwt de over-oude herroepen gevoelen [Palinodie] van de Megarensers, en herleeving [Palingenesie] van Democritus. Wech met die dooling: spreekme daar doch niet meer af.
    Het derde deel der voorzegging luydt; mijn vrouw zal my een goed deel uytzuigen. Al wel: daar op voorzien ik my zelven alree: gy verstaat wel wat ik meen; de stok aan een eind, die my tusschen de beenen hangt. Ik wilje [p. 537] wel beloven en sweeren, dat ik hem altoos van sap en voorraad wel verzorgt onderhouden zal. Zy zalme zeeker niet te vergeefs zuygen, altoos zal’er zoo wel een klein maatjen, of meer, ten besten zijn. Gy verklaart deeze plaats by-spreuks-wijze [Allegoriquement]: en duydtse op dieverij en roof. Ik prijs uw uytlegging, de gelijk-spreuk gevaltme wel; maar niet volgens uw gevoelen. ’t Mag zijn dat de oprechte geneegentheid, die gy my toedraagt, u trekt na de verkeerde kant. Gelijk de Gods-geleerden zeggen; dat de liefde een wonder bekommerlijk ding is; en dat de ware liefde nimmer zonder zorgen kan zijn.
    [Gestoole beetjes smaake zoets.] Maar na mijn meening, kunt gy by u zelven wel begrijpen, dat diefte op deeze, gelijk ook op zoo veel andere plaatzen, van de Latijnsche en oude Schrijvers, de vrucht van de minnerijen beteykent; dewelke Venus wil dat in ’t heymelijk en steels-wijse zal geplukt worden. Ey lieve, waarom doch? Daarom; dat een minne-kuyrtje, bedreeven ter sluyp, tusschen twee deuren, tegen een trap, achter een behangzel in haast, al hurkende, of op een verslingert rijs-bos, den Cyperzen Min-godin veel gevalliger is (en my zelve mee, buyten nadeel van een’s anders beeter oordeel) als een min-geneugtje genoomen in’t gezicht van de Zon, op zijn hondsch, of tusschen zeer dierbaare deekens, achter vergulde gordijnen, wijd van den anderen, in zijn vollen toestel met een zije karmosijne vlieg-lap, en een Veder-bos van Indiaanze pluymen, om de vliegen daar rondom af te weeren.
    Anderzins wouje zeggen, datze my berooven zou al inzuygende, zoo men de oesters [p. 538] uyt de schelp inslorpt, en gelijk de Vrouwen van Ciciliea (naa ’t getuygenis van Dioscorides) de greynen van Alkarmes verzaamelen. Dat zoud een groote misslag zijn: die steelen wil, en zuygt niet; maar grijpt en haalt aan: en slokt niet; maar zakt, pakt, plundert en ontbijstert.
    Ten vierden zeyt de voorzegging; Mijn vrou zalme ’t vel afstroopen, doch niet geheel. O! wat een lieffelijken woord! gy duydt het op slaan en mishandelen. Dat is, denkje, wel getroffelt: de Heer behoede voor een mislukte Metzelaar te worden. Ey lieve, mag ik bidden, hef uw geesten eens hooger op, van aardsche gepeynsen, tot een Hemelsche beschouwing van de wonderen der Natuur: en daar zult gy u zelven veroordeelen over de mis-greepen, die gy begaan hebt in ’t uytleggen van de waarzeggende woorden der heylige Sybille. Nu, genoomen; maar in ’t minste niet toegestaan, dat mijn Vrouw, door vervoering des vyands van der hellen, wilde en zich onder-wond my te belasteren, my tot een Koekkoek te maaken tot mijn gat toe, my te berooven, en alle hoon en smaad toe te drijven: noch zouse zoo tot haar wil en voorneemen niet koomen.
    De reeden, die my tot dit gevoelen en voor-stel beweegt, is op dit laatste stuk gegrond: en getoogen uyt het diepste van de algemeene monnikze God-geleerdheid. Broeder Artus Culletant, heeft’et my voor deezen eens gezeyd; het was op een maandag morgen, datwe met malkander druyven aaten, als’t regent, denk ik’er aan: God geef hem den goeden dag.
    In den aanvang van de wereld (verhaalden hy) of weynig daar na, hadden alle Vrouwen [p. 539] gelijkelijk te zaamen-gespannen, om het manne-volk al leevende te villen, om datse over al haar te beheerschen en te bemeesteren trachtten: en dit besluyt was by haar bestemt, bevestigt en beswooren by Sint Sambregoy. Maar, o ydele voorneemens van de Vrouwen! o groote broosheid van ’t Vrouwelijk geslagt! Sy vingen eens aan de mannen te villen, of (zoo het Catullus noemt) te stroopen, aan dat deel, ’t welk haar best ter hand quam; te weeten, het zeenuw-achtige en pijpige lid, het is nu al zes duyzend jaaren geleeden; nochtans zedert dien tijd tot nu toe hebbense niet meer daar af gestroopt, als alleen het hooft. Derhalven de Jooden, uyt enkel spijt, zich zelven in de besnijdenis dat gestroopte vel af-knippen of snijden; liever hebbende te heeten gevilde of besneedene Maraanen, als gestroopte door haar Vrouwen, gelijk andere Lands-luyden. Mijn vrouw, niet vreemd van deezen algemeynen toeleg, zal ’t my mede stroopen, zoo ’t niet gestroopt is. Ik staa het haar uyt vryen wille toe; maar niet geheel; dat verzeeker ik je, mijn goede Koning.
    Gy maakt (zeyde Epistemon) geen gewag van dat de dorre Lauwertak (terwijle wy ’t zaagen, zy ’t nau gade sloeg, en daar over zoo fel en vervaarlijk uytschreeuwde) zonder eenig geknap of gekraak kon branden. Gy weet immer, dat dit een droevig voor-spook en zeer vreeslijk teyken is; gelijk dat voor vast gestelt wordt, by Propertius, Tibullus, Porphyrius dien scherp-zinnigen wijs geer, Eustachius, over de Troijaansche oorlogs-schriften van Homerus, en andere. Waarlijk, antwoorde Panurge, gy [p. 540] brengt daar tot bewijs al braave kalvers by: Sy waren immers maar dwaase Dichters en revelaars van wijs-geeren; zoo vol van gezuyverde zottigheid, als haar betrachting der wijsheid is geweest.



                XIX. HOOFT-DEEL.

    Panurge prijst den raad der Stom-
        men.

NAa datze dus haare reeden al geëindigt hadden, sweeg Pantagruel noch eenen langen tijd: en scheen zeer peynsachtig te zijn: daar na sprak hy tot Panurge; Ik heb geleezen, dat het in voorleeden tijd de waarachtigste en gewiste waarzeggingen niet en waaren diemen by geschrift uytgaf, of met woorden voortbragt. Menigmaal hebben misslaagen daar in begaan de geene, die voor gau en vernuftig gehouden wierden; zoo ter oorzaake van de dubbel-zinnigheid [Amphibologie], gelijk-naming [Aequivoques], en duysterheyd der woorden, als om de kortheid der spreuken. Daarom ook Apollo den God der voor-zeggingen, toe-genaamt (Loxias) dwaarsaart. Maar diemen door teekenen beduydde, wierden voor de onfeylbaarste en zeekerste gehouden: zoodanig was ’t gevoelen van Heraclitus: en dus deed Apollo zijne voor-zeggingen onder de Assyriers. Om deeze reeden schilderdense hem met eenen langen baard en gekleed als een bedaagd man met bedaarde zinnen: niet naakt, jong en [p. 541] zonder baard gelijk de Grieken deeden.
    Laat ons deze wijze in ’t werk stellen: en neem eens raad door teykenen zonder spreeken van eenen stommen. Dat wil ik ook al onderzoeken sprak Panurge. Maar het moest zeyde Pantagruel, zulk een stommen weezen, die zedert zijn geboorte doof was, en by gevolge ook stom: want daar en was noyt eygentlijker stomme, dan die nimmer gehoort en heeft. Hoe (vraagde Panurge) verstaaje dat? Indien ’t waar was, dat die mensch noyt sprak, die nimmer spreeken gehoort had; zoo zoud ik u aanleyding geven, om volgens de reedenkonst in te voeren een voorstel, da