Nederlandse vertalingen van Horatius tot 1800

Uitgegeven door de Werkgroep Horatius: Usha Chotkan, Oskar Fernandez, Ton Harmsen en Els Meeuse.

Van gedichten van Horatius verschenen in de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw ongeveer 400 teksten in vertaling in het Nederlands. De vertalingen omvatten proza en poëzie, zijn soms letterlijk en soms vrij, soms voorzien van commentaar. Enkele dichters vertaalden een groot aantal Horatiaanse gedichten, anderen kozen één of enkele gedichten uit.
Zie hier voor een gedetailleerd overzicht, gerangschikt op de volgorde in de Opera van Horatius.
Hier volgt een chronologische lijst van de vertalingen:

1569Cornelis van Ghistele vertaalde Satire I, 1-10
1575Dirck Volkertsz. Coornhert vertaalde Epode 2
1578Jan van Hout vertaalde Ode II, 14
1599Abraham vander Myl vertaalde Ode I, 18, II, 10 en Epode 2
1610Pieter Janssoon Schagen bewerkte Epode 2
1612Jan de Hemelaer vertaalde de Ars poetica
1618Bredero maakte bijschriften bij de Emblemata Horatiana van Otto Vaenius
1622Jacob van Heemskerck vertaalde Ode I, 9 en 23, II, 2 samen met 3, 10 en 16; hij gaf een vrije bewerking van Epode 2
1631P.C. Hooft vertaalde fragmenten van Ode I, 31 en III, 29
1654Joost van den Vondel vertaalde de Oden en de Epoden, het Carmen saeculare en de Ars poetica in proza; en Ode I, 15 en IV, 2 in poëzie
1654Catharina Questiers berijmde Ode I, 4 en in 1665 Vondels vertaling van de eerste Ode van het eerste boek.
1656Jeremias de Decker vertaalde Ode I, 3 en 31; II, 6 en 14; III, 25 en IV, 7
1656Conradus Goddaeus vertaalde Ode II, 10; III, 1 III, 30
1657Jacob Westerbaen vertaalde Ode II, 16; III, 9; en Epode 2
1658Christoffel Pierson vertaalde Ode III, 4 en I, 26; en in 1669 Ode III, 3 en 30; IV, 3.
1659Henrick Bruno vertaalde Ode II, 17 en III, 9 en Epode 2 en 16
1660J. van Someren vertaalde Ode I, 10, II, 10, III, 9, III, 30, IV, 7 en Epode 2
1677Andries Pels bewerkte de Ars poetica
1678Pieter Rabus vertaalde Ode I, 4, 21, 22 en 26; II, 11; Epode 3
1678David van Hoogstraten vertaalde Ode I, 1, 3, 6, 19, 26, 30 en 31; Ode II, 8
1682Nil Volentibus Arduum: Bygedichten op Otto Vaenius zinnebeelden
1685Antonides van der Goes vertaalde 14 lyrische gedichten van Horatius: Ode 1:1, 5, 14 en 17, Ode 2:3, 10 en 17, Ode 3:3 en 9, Ode 4:10 en Epode 3, 6, 7 en 10.
1686Johannes Vollenhove vertaalde acht verzen uit Ode 1:1 en twee verzen uit Sat I, 1
1689Elisabeth Koolaart vertaalde Ode IV, 7
ca. 1695Anthony Janssen van ter Goes vertaalde 9 lyrische gedichten van Horatius
1696David van Hoogstraten vertaalde Ode I, 2, 7-9, 11, 19, 23 en 30; II, 9 en Epode 13
1697Pieter Nuyts bewerkte Ode IV, 5 en
1698hij vertaalde Ode I, 4, 9, 11, 14, 15 en 31; Ode II, 16 en 18; Ode 3, 16 en een fragment uit de Ars poetica.
1699Cornelis Boon vertaalde Ode I, 22 en II, 3 en 10
1703Florentius de Bruin vertaalde Ode I, 21 en IV, 8 en het Carmen Saeculare
1712Jacob Zeeus bewerkte Ode III, 4
1712Claas Bruin
1713In de Verzameling van uitgelezene keurstoffen staat een vertaling van Ode 3, 30 en een fragment van Ode I, 1
1714Jan van Hoven vertaalde de eerste zes Odes
1716Hubert Kornelisz. Poot gaf een vrije bewerking van Epode 2
1717Coenraed Droste vertaalde Ode I, 34
1717Pieter Dögen bewerkte Ode III, 6
1718A. Hoppestein vertaalde Ode II, 3; III, 9 en 21; IV, 3
1723Joan Pluimer vertaalde Oden I, 11 en III, 1
1726, 1737Balthasar Huydecoper vertaalde de hekeldichten, brieven en dichtkunst in proza en daarna in poëzie
1731J. Elias Mz. en Th. van Snakenburg vertaalden Epistula I, 4 en 10; Ode I, 4, 11 en 32; Ode II, 3; III, 9; en Ode IV, 3 en 13
1742J.T. la Fargue vertaalde Ode III, 1
1760Gerard Muyser vertaalde Ode II, 16
1762Everhard Kraeyvanger vertaalde Ode I, 4
1778Pieter van Winter vertaalde Ode IV, 7 (en vervolgens vrijwel alle Odes)
1778Willem Bilderdijk vertaalde Ode II, 2, 3, 10 en 13, III, 1, IV, 7 en 12
1778J. Houtman Thz. vertaalde Ode IV, 3
ca. 1780B. (Sine Labore Nihil) vertaalde Ode I, 1
1781J. Voorduin (Vlijt Volmaakt) vertaalde Ode II, 16
1782Pieter Huisinga Bakker vertaalde Ode II, 10 en 15, Epode 2 en Epistula I, 10
1793Een onbekende in de Kleine dichterlyke handschriften bewerkte Ode II, 2
1795P.G. Witsen Geysbeek vertaalde Ode I, 31
1795G. Outhuys bewerkte Ode III, 9
1798V.W. vertaalde Ode I, 22, Epode 7, en Ode I, 3
1799V.W. vertaalde Ode 4, 2 en Epode 16
Continue
Cornelis van Ghistele:
Het eerste boek van de Satiren Antwerpen, 1569.
Gebruikt exemplaar: UBA O 80-377 en UB Gent BL 6058 (books.google)
Voor een transcriptie naar de tweede druk (Leiden, 1599; ook bij books.google) zie GhisteleHoratius1599.html. Ook de heldinnenbrieven van Ovidius, vertaald en beantwoord door Van Ghistele, en zijn Terentiusvertalingen zijn op deze site uitgegeven.



[fol. A1r]

SATYRAE OFT
SERMONES
GESCREVEN IN LATINE,
duer den vermaertsten ende gheleertsten
Poeet Q. Horatius Flaccus, Nu eerst duer
Cornelis van Ghistele in onser duytscher
talen Rhetorijckelyck overghesedt,
weert ende profytelick met
verstant ghelesen.

Horatius

THANTWERPEN,
By Ameet Tavernier Lettersteker,
Inde Ghulden Roose.

CUM PRIVILEGIO.

M. D. LXIX.



[fol. A1v: wapen]



[fol. A2r]

BY DEN CONINCK.

DE Conincklycke Majesteit als Hertoghe van Brabant, nae dien hem van dit boecxken gheintituleert Satyrae oft Sermones Horatij, ghetranslateert wt den Latijn in duytsche, ghevisiteert, ende gheapprobeert by Heer Sebastiaen Baer Delphius opper prochiaen vande Collegiael kercke van onser liever vrouwen Thantwerpen, dat het goet is, niet quaets begrijpende: Soo heeft de voorszegde Conincklycke Majesteit toeghelaten, ende gheconsenteert Ameet Tavernier lettersteker, ende ghesworen boecvercooper Thantwerpen, te moghen tselve voerszegde boecxken printen en vercoopen, sonder daeromme te misdoene teghen syne Maiesteit. Verbiedende allen anderen Printers ende Bocvercoopers de voorszegde Satyren na te drucken, oft doen drucken, sonder consent van de voerszegde Tavernier, binnen den tijt van vier Iaren, op pene ende confiscatie vande selve boecken, ende daer en boven te vervallen inde amende van XX. Carolus Guldenen, tot behoef van sijnder Majesteit. Ghelijck dat breeder blijckt inde brieven van Octoye daer af sijnde. Ghedaen binnen der stadt van Antwerpen, opden .15. dach Septemb. inden Iare 1569.

                                                Onderteeckent, Ian.
                                                    van Halle.



[fol. A2v]



TEr eeren der stadt van Antwerpen vermaert,
    En de Edele Heeren ghepresen,
Heeft een Goutbloemken, na der Rhetorijken aert,
    Satyras Horatij ghetranslateert, weert om lesen:
Der Romeynen ghebreken heeft hy over al in desen
    Ghestraft, en een elcken gheraect op sijn vel.
Denct dat voer ons allen eenen spieghel sal wesen.
    Die hem aen een ander spiegelt, spiegelt hem wel.




[fol. A3r]

DEN EERWEERDIGHEN
Edelen, Wijsen, ende Voorsienigen Hee-
ren, mynen Heeren Borghermeesteren,
Schepenen, ende Raedt der vermaer-
der Stadt van Antwerpen,

Wenscht Cornelis van Ghistele
SALUYT.

WANT een yeghelijck mensche, Eerweerdighe Heeren, heeft eenen gheest, daer sijn natuere toe treckende ende gheneghen is, ghelijck P. Virgilius Maro seyt: Trahit sua quenque voluptas, &c. Een Krijschman heeft gheneuchte, als hy de trommele hoort slaen, al heeft hy oyt veel armoeyen besuert, nochtans daer af niet te trecken en is. Een Schippere can seer qualijck de Zee ghelaten, al heeft hy in menich perijckel gheweest van storm, wint, ende andersins. Een Musicien sal altoos behaghen int singhen hebben. Want soo Isocrates seit: Drye saken sijnder die eenen mensche wel tot arbeyt verwecken, dewelcke sijn, de Natuere, Gheleert- [fol. A3v] heyt en Exercitie. Maer wilt Natuere daer teghen opponeren, al verloren arbeyt, wat de mensche hem wilt pijnen oft beghinnen. Alsoo, Eerweerdighe Heeren, mynen gheest oyt gheneghen is gheweest tot Poëterye ende tot Rhetorijckelycke Conste, daer inne ick my altoos gheoeffent hebbe, alsoot uwer Eerweerdicheyt wel kennelyck is: Soo hebbe ick my weder onderwonden, ghemoeyt, ende daerinne ghelaboreert: (al ist sake dat den tijt noch turbulent is) want aerbeyt (alsoo Democritus schrijft) is huechelycker dan ledicheyt. Ende oock om dat de Rhetorijcke nu ter tijt heel stille ende vercout is, daerinne ick my jaerlycx plach te occuperene, om een duytsche Comoedie voer w Eerwerdighe Heeren te exhiberene ende te verrecreerene. Soo hebbick versint, ende mynen gheest (die qualyck ledich can sijn) heeft my daertoe verwect omme de Satyras Horatii Rhetorijckelyck in onser duytscher talen over te settene, de welcke vol gheleertheden ende wijser Sententien sijn, straffende der Romeynen vitien ende ghebreken, ghelijck ghiericheyt, overspel ende oncuysheyt, ende meer andere, die hier te langhe souden sijn omme te verhalen.
    Daerom hoepick dat my alsulcken arbeyt vanden verstandighen niet qualycken en sal afghenomen worden. Den onverstandighen en Zoilus ghebroetsele settick op dsye, want tis my alleenlycken ghenoech, als Horatius seyt,
Contentus paucis lectoribus, dat ick wey- [fol. A4r] nich menschen en den verstandighen mach behaghen. Soo hebbick Uwer Weerdicheyt, Eerweerdighe Heeren, dit toe ghescreven, hopende in dancke te nemene mynen arbeyt, dwelck ick wel seggen mach: Want ghelijck Hercules teghen den Reuse van Athenen street ende vocht, Soo hebbick oock met Horatium moeten arbeyden ende worstelen, soo dat ick int leste met grooter pijnen daer duer gheraect ben: want hy een Poeet gheweest is, die sware en diepe materien gheschreven heeft, ghelijck Ovidius seyt, Et tenuit nostras numerosus Horatius aures, meynende hy heeft altsamen ons ooren verdooft met sijn verstant. Persius schrijft oock: Omne vafer vitium ridenti Flaccus amico tangit, Horatius, listich sijnde, heeft yeghelycken al lachende, tsy vrient oft vyant, hooghe, ende leeghe, op haer zeer wel dorren nopen ende tasten, nochtans werdet hem wel afghenomen.

    Ende om dat ick betoonen soude dat ick my (naer mijn simpel macht) daerinne wel hebbe ghequeten, Soo hebbick Dlattijn in Margine doen setten, om dat een yeghelyck metten Duytsche dat confereren soude, ghelijck ick in Virgilio, Terentio ende Ovidio ghedaen hebbe, om dat ick my teghen de onverstandichheyt verantwoorden soude. Maer om dat myne Eerweerdighe Heeren nu daghelycx met sware saken ghemoeyt sijn, soo sal ickt hier mede laten, om
[fol. A4v] mynen Eerweerdighe Heeren niet te vervelen:
Dan bidde Godt almachtich, dat hy dese vermaerde Stadt wilt duer sijn ghenade wederomme stellen in heure oude voerspoet, fluer ende neeringhe. Ende Uwe Eerweerdicheyt laten ghesontheyt en duecht (soo ick wel hope) altoos aencleven.

Ghegheven Thantwerpen, den XIX. Septembris
            Anno XVC neghenentsestich.




[fol. B1r, fol. 1r]

Hier beghint de eerste
Satyra.

    In d’eerste Satyra de Poeet ons bewijst,
    Dat niemant met de sijnen en is ghepaeyt:
    Daer na hy de gierighe misprijst,
    Die welcke nimmermeer en sijn versaeyt.

Qui fit, Moecenas, ut nemo, quam sibi sortem
Seu ratio dederit, seu Fors obiecerit, illa
Contentus vivat: laudet diversa sequenteis?

WAerom ist Mecoenas dat niemant die leeft
Met sulck deel, dwelck hem by redelijckheden
God, of de Fortuyne voorspoedich gheeft
Elck int sijne niet en is te vreden?
(5) Maer altoos prijst (o ondanckbaer seden)
Eens anders conditie met kermen en claghen?
Een ruytere, die int orloghen met grooter onleden
Veel pijnen besuert heeft, out sijnde van daghen,
O salighe cooplieden is sijn ghewaghen:
(10) De coopman in dzee sijnde seet daer teghen
Als tschip moet storm, tempeest, en wint verdraghen,
De crijch is veel beter, een ruyterlijck pleghen
Op een uere worter menich duyst versleghen,
En een blye victorie moet hem dan ghebueren,
(15) Of een eyndeken quaets levens sy besueren.

[fol. B1v, fol. 1v]
    Een meestere inde rechten claecht oock, en is ontpaeyt
Als ieghelijck tot hem comt smorghens om raet,
Cloppende op de deure eer den haen craeyt:
Ick sou liever een boer sijn die vroech en laet
(20) Moet spitten, en ploeghen (seyt hy) dan een advocaet.
De lantman kermt oock, en is dickwils onstelt
Als hy ghelaeyen na de stadt niet gheerne en gaet,
En moet sijnen pacht betalen, tsy coren of gelt:
Alleene de steedselien hy dan gheluckigh spelt.
(25) Van dusdanighen volck, ’tsij duytschen of walen,
Vintmen soo vele (weerdich ghemelt)
Dat sy Fabium, die nochtans wel was ter talen,
Vervelen souwen, om altsamen te verhalen:
Want luttel iemant, voorwaer ick meent,
(30) Te vreden is met tghene dat hem Godt verleent.

    Maer op dat ick niet u niet te langhe en houwe,
Hoort waer toe ick mijn teme wil bringhen,
Of God sprake, en u alle gherieven wouwe,
Ick sal sulckx als ghy begeert ghehinghen.
(35) Ghy die u onder de ruyters hebt moeten minghen,
Gheneert u als een coopman, en weest ghesust:
Ghy aduocaet wilt u oock van daghen bedwinghen
En gaet de ploech mennen, ist dat u sulckx lust:
Vertreckt nu van hier, en blijft gherust,
(40) Want verandert is uwen staet en conditie.
Nu en willen sy dat niet doen: neen? en ick hebbe geblust
Haer begeerte, na huer eyghen petitie:
Waert wondere dat Godt met straffe punitie
Sijn gramschap baerde, en dat hy haer, hoe groot verheven,
(45) Niet meer soo lichtelijck en sou ghehoor gheven?

[fol. B2r, fol. 2r]
    Hoort noch, op dat ick niet alsoo door dien
Mijn materie en overloope, met spotten en scheeren:
Nochtans wie sal iemanden verbien
De waerheyt al lachende te vercleeren?
(50) Ghelijck de schoolmeesters eerst stillijck ghebeeren
En met soeticheyt de kinderen cleene
Aenhalen, om dat sy sonder verveeren
Ter scholen souwen comen, ghevende elck eene
Coerkens, of eenighe lieflijcheyt reene,
(55) En soo de eerste letterkens leeren kennen.
Maer nochtans laet ons nu hier alleene
Het lachen op d’sije setten, en soo u ontwennen
Van quade manieren, en tot deuchden u mennen,
Want een leeraer als de behende,
(60) Alst erust is set alle ghecken op een ende.

    De lantman die met den swaren ploech
Het landt omworpende is, t’sy avont oft coene*:
De loose tavernier, die oock spade en vroech
In de weere is, om profijt te doene:
(65) Dan de ruytere int velt, en de schipman coene
Doorseylende de zee, die breet is en wijt:
Dese alt’samen pijnen haer te spoene
Tot sulcken arbeyt is hunlie belijt,
Op dat sy in haer ou daghen moghen sijn bevrijt
(70) Van noot en commere, en haer ledich souwen stellen,
Vergadert hebbende haer nootdrust teghen den tijt:
Dies sy in haer joncheyt haer lichaem wat quellen:
Want een cleyn miere, soomen voorwaer mach spellen,
De welcke sy oock willen volghen naer,
(75) Gheeft ons een exempel* van sulcken arbeyt swaer.

[fol. B2v, fol. 2v]
    Want al dat sy met haeren monde can wech vueren
Vergaertse, en daer af eenen hoop makende, is
Seer voorsinnich, en niet sorchvuldighe cueren
Wel wetende wat tijt datter nakende, is
(80) Want als Aquarius de vreucht van den jaere stakende, is
En de stranghe wintere aertrijck benout
In haer hol sy dan altoos slapende en wakende, is
Niewers uytcruypende, en haer daer onderhout
Met t’ghene dat sy on de somer stout
(85) Vergadert heeft, en dat patientich verteert:
Maer ghy gierighe gheenen winter cout
Noch des somers hitte, noch vier, zee, noch sweert
En can u van geen gewin (d’welck altoos u hert begeert)
Ghetrecken: u en verdriet arbeyt, noch pijne,
(90) Meest elck wenscht altoos de rijckste te zijne.

    Wat helpt u, dat ghy in d’eerde gheborghen hebt
Eenen hoop silver en gout, van ghewichte swaer,
En daerom altoos t’herte vol sorghen hebt,
Nimmermeer gherust, noch sonder vaer?
(95) Ghy moecht segghen, soot somtijts blijckt voorwaer:
Sa lick dat minderen, en dranck en spijse
Daeromme coopen, het sou eer een half jaer
Tot niet comen, en smilten, slachtende den ijse.
Maer en wildy van dien schat dan, groot van prijse,
(100) Die ghy soo suerlijck hebt vercreghen
U nootdruft niet nemen ghelijck de wijse,
Of soo de mieren in de winter pleghen,
Wat soeticheyt is dan daer in gheleghen?
Jae als ghy sulcx en deert aentasten niet:
(105) Hebbende en te ontbeeren is een groot verdriet.

[fol. B3r, fol. 3r]
    Of ghy duysent Mudde corens na u begheeren
Jaerlijckx mocht dorsschen, ick moet u vraghen,
Sal uwen buyck daerom meer verteeren
Dan de mijnen, door u gierich behaghen?
(110) En of ghy oock moest onder de slaven draghen
Den sack met den broye op u schouweren alleene,
Ghelijck sij binnen Roomen ghewoonlijck plaghen
Te coop te comene groot en cleene:
Ghy en sult daerom oock soo ick meene,
(115) Niet meer dan connen eten voorwaer,
Of t’uwen deele nemen dan eene,
Die niet en heeft ghedreghen sulck pack swaer:
Hierom segh ick, soot oock is blijckelijck claer:
Des menschen natuere is haest ghepaeyt,
(120) Maer t’gierich herte en is nimmermeer versaeyt.

    Of seght wat macht helpen oft schaeyen
Hem die tamelijck na der natueren wilt leven,
Of hy maer hondert bunder lants en can besaeyen
Of duysent, als de machughe* verheven?
(125) Maer t’is heuchlijck, menchdy voor een antwoorde geven
Alsmen van den grooten tassen mach sijn voetsel halen.
Och hier in dunckt ghy my al te dwaeslijck sueven,
Als ghy van eenen cleenen hoop sonder falen
Soo veel meucht crijghen, om des nootdrusts qualen
(130) Te stelpene na den eesch der natueren:
Waerom prijsdy dan oock wilt my dan hier op talen
Meer u groote cooren solders, en u volle schueren,
Dan ons cleyn tonnen vol corens, daer wy t’allen ueren
Ons behoef af hebben, en patientich duycken?
(135) Sat is hy, die meer begheert, dan hy can ghebruycken.

[fol. B3v, fol. 3v]
    Ghelijck of ghy maer en hadt van doene
Een vaetken waters, of een croesken cleyne,
En dat ghy seyt, ick heb liever als de coene
Uyt een groote riviere, dan uyt een fonteyne
(140) Mijn behoef te scheppene: hier om ist certeyne
Deghene die veel meer begheeren dant betaemt,
Loopende tot de groote riviere ghemeyne
Dat haer de vloet Aufidus subitelijck praemt,
En verdrincken alsoo, hoe groot vernaemt:
(145) Maer die sijn nootdrust maer en neemt, t’sy man oft wijf,
En aen een fonteynken te gaene hem niet en schaemt,
Storm noch wint en sal hem letten, dits mijn motijf,
Noch trubbel water en scheyt, en niet en verlieft sijn lijf
Inde riviere, nemende sijn behoef als de gepaste,
(150) Grooten rijckdom brengt menighen in laste.

    Maer d’meeste deel van de menschen nu ter tijt
Door de begeerlicheyt die haer quelt dach en nacht
Segghen, nimmermeer ghenoech, want na hun belijt,
Hoe ghy meer goedts hebt, hoe ghy meer wort gheacht
(155) Wat wildy met hem doen die soo is bedacht?
Ghebruyckt hy niet gheerne een arm leven,
Want hy maer soodanighen vreucht verpacht?
Ghelijck ons van eenen rijcken deyn wort gheschreven
Woonende t’Athenen, een stadt in Griecken verheven,
(160) Die t’volcx spot met my, wats daerinne bedreven?
Sprack, t’volck spot met my, wats daerme bedreven?
T’huys schep ick in mijn herte een melodije
Als ick aensie heuchlijck tot elcken tije
Die gouwe penninghen in min kiste, my een solaes,
(165) Die t’sien boven t’ghebruyck prijst, is een arm dwaes.

[fol. B4r, fol. 4r]
    Tantalus dorstich is altoos gapende
Na d’watere, dwelck voorby sijn lippen vloeyt.
Waerom lachty? Ghy die na d’eersche goet sijt schrapende,
Sulcke fabele noopt u, dit wel bevroeyt,
(170) Al noem ick een andere, want ghy u soo gierich spoeyt
Om te vergarene sacken met gelde,
Van alle canten, hoe rijck nochtans ghegoeyt,
Levende vol onrusten als de onghestelde,
Slachtende Tantalum, soo ick u eerst spelde,
(175) Want u gierich herte tot allen tijen
Soo hongherich is, als Tantalum den dorts quelde,
Nochtans moet ghy uwen schat als heylichdom mijen,
Scheppende daer inne maer sulck verblijen,
Als die gheschilderde beelden aenschouwen,
(180) De gierighe t’gelt voor haren afgodt houwen.

    Weetty niet waer toe datmen t’ghelt sal gebruycken?
Laet broot copen, fruyt, en moest, ick segt u blotelijck,
Doet matelijck mijn halen, niet met groote cruycken,
En gheeft de natuere al dat haer is notelijck.
(185) Of dunckt u wesen een solaes grotelijck
Nacht en dach te sijne met sorghen belaeyen,
Vreesende voor quaey boeven die u dotelijck
Om u ghelt hinderen willen sonder lang beraeyen,
Oft voor dieven oft brant, die u mochten beschaeyen,
(190) Of voor u dienaers, datse u iet sullen ontdraghen,
En loopen de voer inne, en laten u na craeyen:
Schepty hier inne vreucht en een behaghen?
Certeyn als ick de waerheyt wil ghewaghen,
Alsulcken rijckdom en sou ick gheensins begheeren,
(195) Wel hun die goet hebben, en heuchelijck verteeren.

[fol. B4v, fol. 4v]
    Ghy meucht oock segghen, als iet let mijnen lichame
Sijnde qualijck te passé, t’sy verhit oft vercout,
Of dat eenich ongheval met misquame,
Soot dicwils ghebeurt, my vast te bedde hout,
(200) Dan hebdy altoos iemant, t’sy jonck oft out
Die by u steevast blijft sitten door desen:
De tweede maeckt u wat werms: de derde niet en slout,
En loopt om eenen medecijnmeester ghepresen,
Op dat ghy terstont weder sout op de beenen wesen.
(205) O ghy deyn want ghy soo vreck sijt van natueren,
Wijf, noch kint en wou dat ghy mocht ghenesen:
Al die u kennen haten u, maghen en ghebueren,
Geeft u dit wondere? Jae dat niemant tot geender ueren
(Want ghy niet dan t’ghelt en hout voor uwen vrient)
(210) U vrientschappe en bethoont, die ghy niet en verdient?

    Maer wildy oock vrienden en maghen behouwen
Die u natuerlijck sijn aengheboren
En niet door jonste, ick moet u waerschouwen,
Ghy doet voorwaer al arbeyt verloren,
(215) Ghelijck of iemant den ezel wou dwinghen met sporen
En na den toom leeren gaen int velt:
Want ghy t’ghelt hebt voor uwen Godt vercoren,
En niet dan vreckicheyt daghelijckx voortstelt.
Maer hoort waeromme dat dit van my wort vertelt,
(220) Om dat ghy ten lesten u giericheyt sout laten.
Als ghy meer dan ghenoech hebt, have en ghelt
En vreest voor geen armoeye, en wilt voortane haten
Meer te conquesteerne, want ghy t’uwer baten
Ghenoech vercreghen hebt, naer u wenschen,
(225) Die nimmermeer te vreden sijn, sterven arme menschen.

[fol. C1r, fol. 5r]
    Doet oock niet, als Vuidius (ten is gheen fabele)
Die soo rijck was, dat hy voorwaer
T’ghelt met maten schiep, maer soo vuyl en onabele,
Dat hy nimmermeer, t’sy thuys oft int openbaer,
(230) Beter ghecleet ghinck dan sijn dienaer,
En altoos vreesde tot de leste ueren
Dat hy noch lijden soude armoede swaer,
Den welcken sijn vrije dienstmaecht met wreede cueren
Met een bijle t’hoot cloof, die (soo de Poëten rueren)
(235) De stoutste was van Tyndaris gheslachte.
Wat rady my dan? Ben ick te Vroet van natueren?
Sa lick leven als Menius die by dagheb y nachte
Groot gelt vergaerde, of als de ongheachte
Nomentanus, diet ruyterlijck dorst te veuren gheven?
(240) Hoe salmen elcken te passé connen gheleven?

    Wildy noch twee contrarien teghen een nu schicken,
Die gheensins t’samen en connen accorderen?
Als ick u verbie gierich te sijne, wilt hier op micken,
Soo en beveel ick u niet dat ghy sonder cesseren
(245) U goet verquisten sout, of oncuysheyt hanteren,
En gaen na als een potboeve, soo sulcke pleghen,
Daerom laet af alsulck argueren:
In alle dinghen is een mate gheleghen,
En daer sijn uyterste palen, buyten welcke weghen
(250) En mach de rechtveerdicheyt niet staen eenpaer.
Nu come ick weer, daer ick wat af hebbe ghesweghen,
Op mijn eerste propoost, dat niemant voorwaer
Ghelijck de gierighe, soot blijckt openbaer,
Hem en belooft, int Oost noch int Weste,
(255) Hem dunckt altijt eens anders neeringhe is de beste.

[fol. C1v, fol. 5v]
    Dan benijt hy oock met hertsweerighe pijne,
Dies hy voor waer den afgunstighen slacht,
Dat eens anders coe meer melckx gheeft dan de sijne:
Noch en wilt geensins worden gheacht
(260) By den meesten schamelen hoop, maer dach en nacht
Arbeyt om desen, en dien te verhooghen
In rijckdommen, dies hy groote onruste verpacht:
Eenen rijckeren altoos hebbende voor ooghen
Daer hy na spuert, soo ick u wil betooghen:
(265) Wanneer de wagelie om ’t seerste ryen,
De verwindere wilt hem oock altoos pooghen
Om den voorsten te achterhalene sonder vermyen,
Niet achtende op de middelste die hy by tyen
Heeft verrascht, en wilt altijt voort voort,
(270) Alsoo steeckt een ieghelijck na dmeeste boort.

    Hierom ist datmen selden vinden can eenen mensche
Die segghen mach, van herten verfraeyt:
Dat hy voorspoedich gheleeft heeft, na sijnen wensche
Of als hy sterven sal is wel ghepayt,
(275) Als eene die vanden maeltijt coempt versaeyt:
Tis nu ghenoech, ick salt hier by laten,
Op dat ick niet en worde becraeyt,
En dat ghy niet en meent, dat ick tot mijnder baten
Crispinus kiste berooft hebbe, die alle staten
(280) Wou berispen, en veel claps cost uytlegghen,
Niet een woort en wil icker meer toe segghen.

                Hier eyndet die eerste Satyra.



[fol. C2r, fol. 6r]

Hier beghint
de tweede
SATYRA.

    Menich mensche (de tweede Satyra verclaert)
    Wilt een sonde schouwen, en tot arger is genegen,
    Daer naer wort ons bewesen den oncuyschen aert,
    En wat verdriet dat int overspel is gelegen.

    LIchtveerdighe vroukens en ydel tuyten,
Die altoos liever dansen, dan spinnen,
Quacsalvers, guygeleers, beroyde guyten,
Tafelvrienden, die haren buyk beminnen,
(5) Al dit gheselschap seer goet om kinnen,
Waren seer bedroeft, om Tigellius doot:
De welcke een sangere was blije van sinnen,
En seer liberael, t’gelt niet achtende groot.
Een andere, daer teghen, ter nauwer noot
(10) Sijnen schamelen vrient, om hongher en couwe
Te verdrivene niet een mijte en gaf, of en boot:
Vreesende dat hy gheacht sijn souwe
Voor een quistgoet, die t’sijne wech gheven wouwe,
En dat hy naemaels dan sou lijen ghebreck,
(15) Sulck mensche schout den mespoel en valt inden dreck.

[fol. C2v, fol. 6v]
    Of ghy den eenen vraechde, waerom hy sijn goet
Van sijn ouders verstorven, met groote hoopen,
Soo gulsichlijck, en soo onnuttelijck verdoet?
Ja dat hy noch tot de woekeraers moet loopen
(20) Om ghelt als hy spijse en dranck wilt coopen:
Hy sal u antwoorden, wel schijnende bedacht:
Dat doe ick, ick wil u den sin ontknoopen,
Om dat ick voor gheen deyn en sou sijn gheacht:
Of arm van herten, en daerom hy den milden slacht.
(25) De sommighe sullen hem hier inne prijsen,
Om dat hy soo liberael is, dach en nacht:
Een ander sal al gheckende op hem grijsen,
Ja achter rugghe met vingheren wijsen:
Dese seyt tis een stort schotele, dander tis een ghilde,
(30) Tis wijsheyt niet te vreck sijn noch niet te milde.

    Fvsidius* rijck van haven, vreest te sijne vernaemt,
Voor een quistgoet, en daerom soberlijck teert:
Maer ghelt op woecker te geven hy hem niet en schaemt,
Daer hy de vijfden penninck winninghen af begheert,
(35) En die de onnutste sijn, dese hy meest scheert,
En dan scherpelijckst maent als de coene:
Dees jonghe ruyters hy hem niet en verveert
Uyt te suypene, en gelt op woecker te doene,
De welcke by haer straffe vaders avont en noene
(40) Noch moeten te coste gaen, en heurlie ontsien:
Want sy noch wulps sijn, jonck en groene,
Och als iemant dit hoort, wie en sou door dien
Niet roepen. O Godt laetty dit gheschien?
My wondert dat ghy de sulcke niet en plaecht,
(45) Groote woeckere God en den mensche mishaecht.

[fol. C3r, fol. 7r]
    Men mocht oock segghen soot wel ghebeurt
Doet hy winninghen en groot profijt,
Hy hout te vrijere cost, en leeft onghetreurt:
Maer qualijck soudy ghelooven, hoe de sulcke t’elcker tijt
(50) Sijn selfs vyant is, en om t’goet hem ontvrijt
Nauwe derrende het lichaem sijn voetsel gheven,
Ghelijck Menedemus daer Terentius af belijt,
Die, om dat hy sijnene soone hadde verdreven,
Armelijck en cauvelijck* Woude leven,
(55) Hem selven cruycende nacht en dach,
Niet armelijcker soo ons wort beschreven
Dan dese, daer ick nu af maecke ghewach,
Soberlijck levende al heeft hy groot beslach
Want men seyt hedens daechs noch certeyn,
(60) Hoe rijcker boer, hoe vrecker deyn.

    Of nu iemant vraechde, waer toe dient sulc ontfouwen
Hoort waer ick henen wille: als de dwase vlien
Sommighe ghebreken en die willen schouwen,
Soo speurense (soomen daghelijcc mach sien)
(65) Na arghere quaet, contrarie van dien:
Malthinus die een ghemackelijck leven verpacht
Gaet met eenen rock openbaer voor de lien
Die hem tot op de hielen hangt: een ander slacht
Den lichtvoetkens, en maeckt oock dat ieghelijck lacht
(70) Draghende een rocken, d’welck nau de billen bedeckt:
Rufillus een fraeyaert, rieckt dach en nacht
Na musselliaet cruyt: Gorgonius wort oock begheckt
Die als eenen bock stinckt gaende besmeurt, bepleckt,
En van onachtsaemheyt in sijn vuylicheyt duyckt,
(75) Luttel iemant mate of maniere ghebruyckt.

[fol. C3v, fol. 7v]
    Men vinter die niet en willen converseren oock
Dan met gehoude vrouwen, als overspeelders coen,
Andere die sullen lievere boeleren oock,
Met openbaer hoeren, of sulck fatsoen,
(80) Dwelck profijtelijcker was na Catoes bevroen,
Want als hy eenen eerlijcken persoon sach gaen
Uyt het hoerhuys, wilt vrijlijck sulcr doen,
Dat en lastere ick niet was sijn vermaen,
Want soo haest wanneer den ionghen wast aen
(85) De oncuysche begeerte, soo is hen voorwaer
Wel gheorloft, na sulcken persoonen te staen,
En niet na ander mans vrouwen, maer
Sommighe soecken de schoone al sijnse oneerbaer,
Cupennius die met de sulcke al sijn goet verteerde,
(90) Den lof (t’was schande) daer af begeerde.

    Maer ghy die als overspeelders leeft by tijen,
Tis u wel ter pijnen weert, dat ghy oock aenhoort,
Wat grooter verdriet ghy dicwils moet lijen,
U brengende in laste als ghy nae de sulcke spoort
(95) En voor een Corte vreucht, en een cleyn confoort
Soo veel perijckelen anrtelijck verpacht:
D’eene die wort subijtelijck somtijts verstoort.
En moet ter vensteren uyt springhen inder nacht.
De tweede die wort sijn ribben onsacht
(100) Met geeselen gheslaghen, ja totter doot,
Van die ghene die hem hebben ghewacht.
De derde meenende te ontloopen sulck ghestoot,
Gheraeckt onder de boeven en soo comt in noot,
Dit ghebeurt henlieden, heymelijck oft openbare,
(105) Godt en geeft gheen gelt, maer betaelt mat ware.

[fol. C4r, fol. 8r]
    Een andere diet geensins ontloopen, can,
En op t’seyt schandelijck wordt bevonden,
Moet sijn correrie met ghelde afcoopen, dan,
Of neen hy wordt (ick moet vermonden)
(110) Confuyselijck beschaemt tot dien stonden
En van de schargianten onghenadich getracteert.
Ja sommighe woren ghelubt t’huys ghesonden
Van des vrouwen mans, daer sy by hebben geconverseert,
Wel weert dat sy soo worden ghecorrigeert
(115) Met goeden rechte na ieghelijer belijen:
Maer Galba daer teghen opponeert
Als datmense soo scherpelijck niet en sou castijen,
Want hy speurde oock sonder vermijen
Na ander mans vrouwen onghelaeckt,
(120) Niemant en is geerne op sijn seer gheraeckt.

    Maer tis min perijckels, als iemant secreet en stille,
Een vrije dienstmaerte goedertierlijck
Ghecrijghen mach tot sijnen wille,
Niet dat ick oock prijse Sallustium onmanierlijck
(125) Die niet min (ja seer onbestierlijck)
Dan een overspeeldere alsulcke heeft bemint,
En vrije dienstmaerten altoos was schoffierlijck:
Maer hddhy tameljck ghews ghesint,
En hem selven, en sijn macht bekint,
(130) En niet meer d sulcke ghegheven,
Dan soo redelijc wa, der mae ontrn,
Sulcken schand en soumen hem niet hebben na geschreven
T’sijnder schaden: maer wou noch hier om sijn verheven,
Want hy niet en vervolchde ander mans vrouwe
(135) Sulcke verdrincken in dwater, die t’vier willen schouwen.

[fol. C4v, fol. 8v]
    Ghelijck voormaels Marsaeus die beminde seere
Een openbaer hoere die Origohiet,
En al sijn erfgoeden, hem een grooter oneere
Daer me verteerde, merckt dit bediet,
(140) Gheensins sprac hy my sulcx en verdriet,
Want ick niet met ander mans vrouwen coene,
En hebbe geconverseert: maer ghy en schaemt u niet
Dat ghy met openbaer hoeren hebt te doene,
Waer deur u naem en saem, avont en noene
(145) Vermindert wordt, schadelijcker voorwaer
Dan al u goet, pijnt sulcx te bevroene,
Duncket u ghenoech sijn te schouwene eenpaer
De persoon, en niet t’ghene dwelck over al, dits claer,
Hinderlijck, t’sy aen dienstmaerte, of aen eens anders wijf is,
(150) Luxurie schadelijck aen siele en lijf is.

    U goede same te verliesene onvramelijck
Ws* vaders goet te verquistene met overtollicheyt,
Is dat niet altoos een groot quaet, en onbetamelijck?
Laetty u duncken datter is eenich onderscheyt
(155) Of ghy met een gehoude vrouw, t’sy van wat qualiteyt,
Of met een dienstmaerte misdoet int converseren,
Of met een ghemeyne, metten corsten gheseyt,
Ist niet al een oncuyschelijck hanteren?
Villius die oock wilde boeleren
(160) Met een edel vrouwe wert daer deur bedroghen,
Ja die gheslaghen wert meer dan hy cost herderen,
Met vuysten die dapper om sijn ooren vloghen,
En met blancke messen, dits ongheloghen,
Staende voor de deure als Longarenius was binnen,
(165) Den sulcken naect udriet*, als hy vreucht meent gewinnen.

[fol. D1r, fol. 9r]
    Of de vleeschelijke lust, tot hem, met woorden sprake,
Siende dat hem alsulck leet gheschiet:
O Villi waerom doedy u alsoot ongemake?
Al is natuere vlammich ontsteken siet,
(170) Ick en versoecke voorwaer op u niet,
Dat ghy na sulcken machtighen vrouwe sout sporen,
En u daerom brengt in dit verdriet:
Hy mocht antwoorden, het is een dochter gheboren,
Van eenen edelen vadere, weert vercoren,
(175) Dies my de begeerlijcheyt meer aencleeft.
Certeyn dat sijn al woorden verloren,
Want de natuere die crachten ghenoech heeft,
Veel beteren raet contrarie daer teghen gheeft,
Siet niet soo hooghe, want men seyt ghemeyne:
(180) Soo wel blust mespoel water, als schoon fonteyne.

    Maer ghy die tamelijck sulck werck wilt beleyen,
En schouwen dat onbehoorlijck is t’allen ueren,
Weetty niet, dat ghy moet onderscheyen,
Oft ghy sondicht door broosheyt der natueren,
(185) Oft door u brootdroncken wulpsheyt met stoute cueren,
Daerom wacht u, eert u naemaels berout,
En wilt nae gheen anders mans vrouwen spueren,
Waer deure ghy certeyne ghenieten sout,
Meer onrusten (dees leere van my onthout)
(190) Dan solaes, oft profijt: wilt oock niet meenen,
Al sijn de sommighe verciert met silver of gout,
En met diamanten, oft costelijcke steenen,
Dat sy daerom reynder sijn, en ghever van beenen,
Dan eene die slechtelijck gaet ghecleet altijt,
(195) Leelijcke ghebreken bedecke een schoon habijt.

[fol. D1v, fol. 9v]
    Dan oock is prijselijcker noch boven dien,
Alsulcken deerne die veyl is voor ieghelijcken.
En die haer als een hoere vertoont voor de lien,
Ja daermen gheen gheveystheyt aen en siet blijcken,
(200) Niet slachtende sulcke vrouwen, die in alle wijcken,
Hun eerbaer beroemen, en haer ghebreken
Met schoone habijten bedecken, voor den rijcken,
Ja t’herte hebbende der hoeren treken:
Der rijckerlie maniere is, verstaet mijn spreken,
(205) Als sy willen coopen een peert ercellent,
Die voeten sullen voor al wel worden onderkeken,
Niet eerst aensiende, soo menighe sijn ghewent,
Oft van lijve fris is, en van haire ient,
Cort van hoofde, wel ghebilt, en van halse hooghe,
(210) Tis dicwils misprijselijck, dat schoon is in d’ooghe.

    Daerom ghy die tot sulcke ghesint, sijt
Op t’schoon aensicht ghy scherpelijck u oogen slaet
Maer als Hispea, van ghesichte blint, sijt
Prijsende sulcx deur de liefde delicaet,
(215) En haren frisschen ganck als sy over strate gaet,
Maer ghy en cont gheensins aenschouwen
Al t’ghene dat haer boven dien mistaet.
Wat condy toch meer aen sulcke vrouwen,
Die haer soo beveyst, en eerbaer willen houwen,
(220) Dan d’aensicht ghesien: met haer langhe cleeren,
Bedeckende haer ghebreken, weert verspouwen:
Oft sy moesten Catia slachten vol oneeren,
Die bloot tot boven de knien ginck voor princen en heeren,
Moet hebbende op haer schoonheyt soot bleeck int clare,
(225) Eerbaerheyt, en schoonheyt, is een costelijcke ware.

[fol. D2r, fol.10r]
    Ghy die dan soo vleeschelijck sijt gheneghen,
Om te siene, daer ghy niet en moocht toegheraken,
Waer dat ghy haer speurt, in huysen in weghen,
Beschut met langhe cleeren, quaet om te ghenaken,
(230) (Dies men u te vlammigher siet blaken
En te hittigher sijt) want hoe ghy meucht tieren,
U dat belet wordt met veelderhande saken:
Altoos is sy bewaert met camenieren,
En met commeeren, die haer voor schoffieren
(235) Meenen te behoeden, haer altoos ontrent,
Soo dat u in gheender manieren
Het principaelste en mach worden bekent,
Dan alleene het aensicht dwelck u ooghen verblent,
En dan bedroghen wordt door alsulcken bedrijf,
(240) Een schoon aensicht verciert wel een leelijck wijf.

    Een andere slechte deerne is ongheveyst,
Haer lichaem en is nau met kerspen* doec bedeckt,
Soo dat ghy by nalijcr (hier wel om peyst)
Haer naectelijck over al meucht sien perfeckt,
(245) Of sy fraey van leden is, en onbevleckt,
Ja met minder moeyten moochdy sulcken persoonen
Ghebruycken, als natuere daer toe is verweckt,
Of wildy u lievere laten hoonen,
Van de sulcke die haer niet en willen vertoonen,
(250) Sy en moeten eerst van uwen schijven ghenieten:
En moet heurlie altoos te voren toonen,
En uwen buydel eerst openen, en uyt schieten:
Dwelck u dan naemaels moet verdrieten,
Want tis een sot coopman die gelt wilt bien,
(255) Eer hy sijn comenschap te deghe heeft besien.

[fol. D2v, fol. 10v]
    Ghelijck een Jaghere die den hase spaert,
Deur den sneeu, over de berghen hooghe en lanck,
En pijne, en grooten arbeyt besuert,
Om dien te crighene met snellen ganck,
(260) Maer als hem voor gheset wordt eenen met danck,
Op de tafele, dien en dunckt hem niet smaken,
Also is oock mijn liefde: is dees overspeelders sanck
Want een vrouwe die ghemeyne is, moet ick laken,
Maer die quaet om crijghen is doet my blaken,
(265) En op de sulcke wet ick meest mijnen tant:
O ghy dwaes, wilt alsucke leet staken,
Meendy so te verdrijven uwen hert sweerighen brant,
Doende der natueren gheen onderstant,
Maer daer deure u selven quelt dach en nacht,
(270) Die begeert, dat hem ongereet is, lijen verpacht.
Waert u niet betere dat ghy wout leven,
Haer alsucken reghele, ende mate,
De welcke de natuere heeft ghegeven
Der oncuyscher begheerten, tuwer bate?
(275) En om u te besnijen, vroech en late,
Van u broodroncken wulpsheyt merckt mijn vermaen,
Want de natuere leert u, t’sy van wat state,
Als haer yet wordt gheweyghert saen
Wat ghy meucht, oft niet en meucht wederstaen,
(280) Ghelijck als u lippen dorstich spaken,
Moet ghy wt* gouwe coppen uwen dorst verslaen?
Sout niet wt eenen steenen beker soo wel dan smaken,
En als u den honger ieuckt tusschen de kaken,
Muechdy niet dan pauwen van prijse groot?
(285) Den ruggen cant, blust honger so wel als t* broot.

[fol. D3r, fol. 11r]
    Als u dan de vleeschelijcke begeerte quelt,
En ghy vint een slechte dienstmaerte ghereet
De welcke al is sy niet rijckelijck ghestelt
Wel boeten can uwen vierighen lust heet.
(290) Oft hebdy lievere, (u selven doende leet)
Tentatie te lijene, en quellagie?
Certeyn ick niet, want ick altoos (God weet)
Beminne een Venus nichtken hoe slecht van linagie,
Die my ghereet is om cleyn gagie,
(295) En ghewillich daer toe met blijde cueren:
Philodemus sprack alsulcken vroulijcke personagie,
Daermen op wachten moet tallen ueren,
Ja tot dat den man gaet buyten de dueren,
En die haer so pruts hout, ionnick den walen,
(300) Die bidden en ghelt toegheven als sotten dwalen.

    Maer voor hem socht hy altoos een cleyne van prijse,
De welcke als sy ontboden wert, quam terstont,
De sulcke is te prijsene, oock nae mijnen advijse,
En die claer, en suyvere is, dit dunct my eenen vont:
(305) Die haer oock niet wittere en maect dan haer de natuere iont
Als ick sulcke een hebbe nae mijnen sinne
En beneven mijn sije leet van lijve ghesont,
Soo dunckt my dat ick hebbe een coninginne,
Oft dat Ilia, oft Egeria is de godinne,
(310) En gheve haer eenen naem, also ick wille,
Ick en vreese oock niet al ist dat ickse minne,
Dat heur man sal heymelijck en stille,
Ons comen verstooren, met grooten gheschille,
Loopende op de deure met een vremt ghedruys,
(315) Die ander mans vrouwen mint naeckt sulck consuys.

[fol. D3v, fol. 11v]
    Dulck* lief en sal my oock niet anctelijck onspringhen,
Uyt den bedde, soo ghehoude vrouwen pleghen,
Als sy van haer mans (die haer noode ghehingen)
Worden betrapt, t’sy in wat weghen
(320) Duchtende dat sy sat worden ghesleghen
Armen en beenen in stucken, roepende claghelijck,
Wee mijns, dat ick oyt hier toe was gheneghen,
Als een rampsalighe, haer selven mishagelijck.
Door sulck overspel, daer haer Godt om is plagelijck,
(325) En vreest te verliesene haer houwelijck goet,
rspeelder moet oock vlien niet trachelijck,
Bervoets, onghecleet, of daer laten moet
Van sijnen pluymen, oft verlieft sijn eere onvroet,
Alsoo te worden betraept, ist niet een arm leven?
(330) Fabius selve sou my hier inne ghelijck gheven.

   


[fol. D4r, fol. 12r]

Hier beghint
de derde
SATYRA.

    Hier wordense berispt die vol ghebreken sijn
    En laten haer duncken dat sy sijn de beste
    En by andere niet en willen gheleken sijn,
    Makende van cleyn vitien groote queste.

    DE sanghers hebben dit ghebreck alt’samen
Wanneer sy onder de vrienden sijn vergeert,
Dat sy haer dan om te singene willen schamen,
Hoe seer datmen heurlie bidt: maer alst niemant begeert
(5) Soo en isser niet dat hen let, of deert,
Qualijck sullen sy dan connen afghelaten.
Tigellius die voor een groot sangher wert vermeert,
Hadde sulcke conditie weert om haten.
Ja de Keyser selve en cost soo schoon niet praten,
(10) Noch nimmermeer daer toe hem bedwinghen,
Al dat hy op alle vrientschap ten mocht niet baten,
Gheensins en cost hy hem daer toe ghebringhen.
Maer alst hem van selfs luste, soo ghinck hy singhen,
Met luyder kelen, over tafel na sijn beste,
(15) Duerende van d’eerste gherechte tot het leste.

[fol. D4v, fol. 12v]
    Een heel auerechs mensche was dit voor waer,
Ja gheen dinghen ghebruyckende maniere
Dicwils liep hy achter straten openbaer,
Oft hy geiaecht werdt, dwaes van bestiere,
(20) Dan ginck hy weder als die goedertiere,
Ghelijck een bruyt die gepalleert ter Kercken gaet:
Dicwils had hy hondert knechten, dicwils nau viere,
Als nu sprack hy hoochmoedich, als een potestaet,
En als een Coninck hem houwende delicaet:
(25) Als nu hiel hy hem so schamel, met slechten avijse,
Ja dat eenen dryvoet stoel vroech en laet,
Sijn tafel was, verciert met sober spijse,
En met weynich te vreden was als die wijse,
Ja met eenen groven rock, voor de couwe alleene,
(30) Heden Vroet sijn, morgen sot, is een wijsheyt cleene.

    Hy beroemde hem dat hy was te vreden,
Met een cleynken, en scheen dan een splijtmijte:
Maer haddy hem gegeven duysent stuyvers heden,
Eer vijf daghen was hy die al quijte,
(35) En ydel van borsen (ick segt hem te verwijte)
T’snachs waeckte hy, dicwils tot smorghens vroech,
Heel daghen sliep hy dat hy ronckte met appetijte,
Noyt averechter creatuere d’eerde en droech,
Hem selven doende het meeste onghevoech:
(40) Maer nu mocht yemant tegen my seggen oft vraghen
Hebde ghy gheen ghebreken? ia ick ghenoech,
En ter avontueren, ick derst wel ghewagen,
Die niet minder en sijn, en den volcke mishagen,
Die daer af wilt vrij sijn, certeyn wel geck is,
(45) Wie leeft ter weerelt die sonder ghebreck is,

[fol. E1r, fol. 13r]
Maenius (als Nouium sijnde absent)
Berispen Woude, een ander die sprack
Hola! het schijnt dat ghy u selven niet en kent,
Of meendy dat wy van u ooc niet en weten eenich lack?
(50) Maenius antwoorde, en hem dat niet aen en track,
Dies ghetroost ick my, of de schade is mijne:
Vintmen oock sotter menschen onder t’hemels dack,
Door haer eyghen liefde weert veracht te sijne?
Die hun laeten duncken dat sy als Godt dwijne
(55) Sonder ghebreck sijn, of sonder maer,
Maer als ghy met soo duysteren oogen, t’elcken termijne,
Qualijck meucht sien ws* selfs ghebreken swaer,
Hoe condy dan met soo scherpen gesichte mercken daer,
Ghelijck den Arent heeft, ws vrients ghebreken?
(60) Maer als nijdt domineert, wordt liefde versteken.

    Meendy niet dat u sulcx oock ghebeuren, sal
En daerom diesghelijck sal worden ghedaen?
En dat sy vernemen oock, na u sotte cueren, al
En na u ghebreken die u mistaen?
(65) Ghy meucht segghen de sulcke is ghestoort saen,
En een onsoet mensche (merckt wat ick schrijve)
Nochtans, wantmen hem ongeschickt siet dagelijcr gaen,
Ja dat hem die cleeren hanghen vanden lijve,
En ghelijck een slomphose: deur dien bedrijve,
(70) Is hy voorwaer wel spottens weert,
Maer tis een goet mensche, ja gheen beter van wijve
Gheboren, en dan oock u vrient erpeert,
En hy heeft goet verstant, dies hem elck begeert,
En bemint wordt, wijs van inventie,
(75) Ja een plomp lijf, schuylt wel groote scientie.

[fol. E1v, fol. 13v]
    Ondertast u selven ghy, die om simpel vitien,
Eenen anderen blameren wilt, tot allen ueren:
En siet ofter gheen ghebrekelijcke conditien
In u verwortelt sijn, deur broosheyt der natueren
(80) Of deur de ghewoonte, quaet van cueren,
Want die somtijts niet en wilt wien,
Sijnen ackere, hoe groot van valueren,
Luttel vruchten sal hy crijghen van dien,
En tquaet cruyt soomen dicwils mach sien,
(85) Sal verwortelen en over al groeyen.
Daerom mach ick u wel vrijlijckverbien,
Wilt toch niet so haestelijck spoeyen,
Om te bespien (wildy slachten den vroeyen)
Tcaf van uwen vrient, t’sy leeghe of hooghe,
(90) Worpt eerst den balck uyt u eyghen ooghe.

    Laet ons nu weer op dat propoost keeren:
Ghelijck die ghene van minnen is verblint,
Sijns liefs ghebreken (al moghense haer onteeren)
Niet en aenmerckt, of niet en bekint:
(95) Maer dicwils dies te meer tot haer is ghesint:
Al was, Agnes neuse vuyl en mismaeckt,
Balbinus heeft haer dies te meer bemint:
Ick wou als wy onder de vrienden sijn gheraeckt,
Dat wy so verblint waren, en onghelaeckt,
(100) Jeghelijcr ghebreken lieten ongheblaemt,
Ja hoe rijck of hoe pover gedaeckt,
En dat sulck gebreck om sduechs wille waer ghenaemt,
Een eerlijck ghebreck: Want ons betaemt,
Vrients schande te bedecken: en men seyt ghemeene,
(105) Daer d begrijp groot is, daer is de vrientschap cleene.

[fol. E2r, fol.14r]
    Maer ghelijck een vadere niet en behoort,
Te verwijtene eenich ghebreck sijnen kinde,
So en meughen wy oock niet (hoe seere ghestoort)
Onsen vrient sijn lempten segghen dats slot en dinde:
(110) Maer manierlijck hem onderwijsen als de ghesinde:
Een vader en sal sijn kint dat losachtich siet,
Gheensins scheelaers noemen, half gelijckende de blinde
En die wanschappich, cort is, soot somtijts gheschiet,
En sal hy alsulck ghebreck verwijten niet:
(115) Dwelck hem aengeboren is, deur cracht der natueren,
Ghelijck Sisiphus was, soo ons wort bediet,
De sone van Marcus Antonius cleyn van statueren,
Een wijs vader en sal sijn kint tot gheender ueren,
Sijn natuerlijck ghebreck verwijten t’sijnder oneere,
(120) Een goet vrient moet altoos t’quaet in t’beste keeren.

    Daerom en moghen wy niet zijn verwijtelijck,
Onse vrienden haer gebreck: die spaerlick is, en vroet
En salmen niet gierich achten, maer een die profijtelijck
Binnen den huyse is: en die hem van sijn goet
(125) Somtijts wat beroemt, denckt dat zijn ionste dat doet,
Om zijn vrienden by te staen goedertieren:
En die int spreken is tot elcker spoet,
Vrijer dant behoort met stoute manieren,
Die salmen open van herten achten, deur sulck bestieren:
(130) Die hittich, en vierich is, in woorden in wercken,
Ja die niemanden nauwelijck en wilt vieren,
Desen salmen deur alsuck aenmercken,
Door een stout man achten, om sduechs verstercken,
Alsoo moetmen alle dinck slaen inde beste vouwe,
(135) Dit maeckt, en bint de vrientschap, in elcken landouwe.

[fol. E2v, fol. 14v]
    Maer al dat deuchdelijck is, en weert ghepresen
Verargheren wy, en met quaden ooghen aensien:
Lasterende al dat oprecht, en goet mach wesen:
En suyver, wat willen wy iemant deur dien
(140) Inficieren, soo dat de vrientschappe moet vlien.
De ghene die tamelijck en eerlijck leeft,
Niet hoochmoedich, wordt gheacht voor de lien
Slecht, en niet neerstich, of die niet veel en heeft:
En den welcken vetheyt van lijve aencleeft,
(145) Heeten wy traech en leuye, t’sy mans of vrouwen,
Al ist dat de natuere hen sulcx gheeft:
De ghene die alle bedroch wilt schouwen,
En niet geeren en hoort arch, oft quaet ontfouwen,
Niet verkeerende daer nijt, en boosheyt regneert,
(150) De sulcke heeten wy dwaes, en nochtans deucht tracteert.

    Die simpel is en slecht van aerde,
En ieghelijcken moeylijck int aenspreken,
Soo ick dicwils, die my noyt en vervaerde,
Voor u Mecoenas stout, en onbesweken,
(155) Weer ledich of onledich, tis dicwils ghebleken,
Oft alleene in u camer secretelijck,
Of sulcke deur sijn schijnende botte treken,
Sullen wy achten voor een, die sijns selfs is vergetelijck
En verwijten hem met woorden vermetelijck,
(160) Dat hy gheen sinnen en heeft, sot van manieren.
Hoe dwaselijck dan, en onwetelijck,
Oordelen wy iemanden na ons eyghen versieren:
Ja ons selven straffende door sulck bestieren,
Want ick segghe noch, soo ick spraeck te voren:
(165) Niemant en is sonder ghebreck gheboren.

[fol. E3r, fol. 15r]
    Maer de beste is hy, dien de minste ghebreken
Deur broosheyt der natueren aencleven,
Maer als mijn deucht wel wordt deurkeken,
En ghestelt by mijn ghebreckelijck sneven,
(170) Van eenen goeden vrient (ja siet hy leven)
Eenichsins deuchdelijck, sal die niet meer achten,
En hoogher weghen, en meer lofs gheven,
Mijn goede seden, ja wilt hy den ghetrouwen slachten?
En die oock geen schimpich leet en wilt verwachten,
(175) Begeerende, datmen tghene, dwelck hem mistaet
Niet en verwijte, dies moetmen ooc met goeden gedachten,
En met gheen quaey ooghe aensien, vroech noch laet,
Eens anders vlecke, oft eenich ghebreckelijck quaet,
Want metter maten (hoe weeldich gheseten)
(180) Daer ghy mede meet, daer salmen u mede meten.

    Hierom metten corsten gheseyt voorwaer,
Want qualijck canmen de gramschappe heet
Verdrijven, en noch meer andere ghebreken swaer,
De welcke den dwasen aenhanghen ghereet:
(185) Waerom en worter niet met redelijck bescheet,
Maniere ende reghele gheordineert?
Op dat elcr ghebreken, t’sy hem lief of leet,
Na dat sy swaer sijn werden ghecorrigeert:
Want alle ghebreken hier op gloseert,
(190) En sijn even groot niet, ick moet u ghewaghen,
Ghelijck als iemant sijnen dienaer ongenadich tracteert,
Den welcken belast wordt, van die tafel te draghen,
Een half schotel visch, en die (hongherich van maghen)
Vernielt, en tot schande brengt, een cleyn abuys,
(195) Want den honghere is der natueren een groot cruys.

[fol. E3v, fol. 15v]
    Die dan sijnen dienaer hierom scherpelijck castijt,
Salmen niet segghen dat hy is voorwaer
Crancker van sinne dan Labeo, die met verwijt
Den keyser Augustum wou staffen openbaer?
(200) Hoe veel dwasere syde ghy dan, dit is claer,
Als ghy eenen vriende hebt, die hem weynich ontgaet,
En om een vijsuase, die ghy acht seer swaer,
Hem sijt schouwende, met groot versmaet:
Meendy dat u dan sulcx oock wel staet,
(205) Certeyn ghy en sijt gheen vrient ghetrouwe,
Want ghy omeen cleyn sake crijcht den haet,
Op uwen vrient, al sijdy man oft vrouwe,
Hem vliende, int ruyme int nouwe,
Ghelijck de schuldenaers Drusonem pleghen,
(210) Die gelt op woeckere van hem hedden ghecreghen.

    Want als den dach quam eylaes, van betalen
Die dan gheen gelt iewers en cost fineren,
Desen viel hy straffelijck aen boort sonder dralen,
Hem dreygende met spijtich adhorteren,
(215) En wou hem als een ghevanghen man corrigeren,
Dies elck van hem moest vluchten tot elcker ueren.
Aldus schoudy uwen vrient oock, en hem wilt blameren
Om simpel ghebreken, die hun meughen ghebueren,
Ja hy heeft deur den dranck (niet sterck van natueren)
(220) Hem selven onreyn gemaeckt, of om dat hy als een geck,
Een eerden platteele met stoute cueren
Vander tafel wierp, een cleyn ghebreck:
Of dat hy hongherich sonder bespreck,
Een kieken uytter schotelen neemt, dwelc voor my leyt,
(225) Sal daerom mijn vrienschappe hem worden ontseyt?

[fol. E4r, fol. 16r]
    Sa lick om sulcken sake eenen vrient sijn verachtende?
Wat sou ick dan doen, dat hy een proye stale,
Of eenich secreet melde, den ontrouwen slachtende,
Dwelck hem beuolen is te swijgen, als vrient principale,
(230) Of de ghene die hy dat gheloeft heeft als de loyale,
Niet en wilt volbrenghen, en laet sijnen vrient in noot,
Daerom die segghen (merckt wat ick verhale)
Dat alle ghebreken sijn even groot,
Voowaer die dwalen, want alsmen die waerheyt bloot
(235) Wel wilt ondertasten, soo ist merckelijck,
Dat natuere, en de ghewoonte met redelijck erploot,
Daer teghen altoos strijen clerckelijck:
En dan t’ghemeyn profijt oock niet sterckelijck:
Achten sal even swaer alle vitien,
(240) Een moeder der rechtveerdicheyt, en der iustitien.

    Doen de menschen alder eerst op eertrijck quamen
Levende sonder Wet, als stomme dieren:
Met vuysten met stocken malcanderen te quellen namen,
Om nootdrust, en slaepsteden, quaet om bestieren,
(245) Daer nae sachmen hun oock wapenen hantieren,
Die haer de usancie leerde smeden,
Te lesten aenveerden sy met verstandiger manieren,
Een ghemeyn sprake, die hen stelde te vreden,
En beghonsten te sonderen sterckten en steden,
(250) Ordinerende, wetten en statuyten,
En wendende haer tot alle goede seden:
Dieven: moordenaers sloten sy buyten,
De overspeelders, werden oock cleyn van virtuyten
Gheacht, en wettelijck ghecorrigeert:
(255) Wee den landen daer een overspeelder domineert.

[fol. E4v, fol. 16v]
    Want eer Paris Helena ontschaecte, lange te vueren,
(Daer soo menich edelman om quam in sijn doot)
Soo waren die schoon vrouwelijcke figueren,
Van alle oorloghen een oorsaecke groot:
(260) Maer veel sijnder bleven, daer gheen schriften bloot
Al blijckelijck en sijn, die met ghewelt
Malcanderen ontwelchden die vrouwen minioot,
Want niemant by een eyghen vrouwe was verselt,
Maer de sterckste behiel dan altoos t’velt,
(265) Soo de stier inde weye, andere beesten vlien doet,
Hierom moeten wy kennen soo ons van outs is gespelt,
Dat rechten, wetten, en statuyten Vroet,
Eerst bevonden sijn, om datmen t’elcker spoet,
Het quaet en d’ongerechticheyt sou schouwen:
(270) Daer geen wet en is, daer en macht de deucht niet staende houwen.

    De natuere can oock qualijck onderscheyen
Het goet uyt den quaden, door d’brooschelijck plegen,
Al ist dat sy (soot blijckt in alle contreyen)
Meer tot een sake, dan tot een andere is ghenegen:
(275) De redene en sal oock soo groot niet wegen,
Als iemant eens anders wermoes hof ontvrijt,
Als de ghene die met diefachtigher segen
Godts tempel snachs berooft, die is ghewijt.
Daerom alle misdaet moet worden ghecastijt,
(280) Na ghelegentheyt der saken, en siet dat ghy daer inne
Reghele, en maniere ghebruyckende sijt:
Ghy en sult oock tot gheenen beginne
Die cleyn correrie verdient heeft, quaet van sinne,
Onghenadich met gheeselen, of met roepen slaen,
(285) Castijt een elcken na dat hy heeft misdaen.

[fol. F1r, fol. 17r]
    Daerom ghy die na Stoicus leere
Leven wilt, segghende dat alle ghebreken
Even swaer sijn, ick en derf niet vreesen seere,
Dat ghy een groote misdaet slechtelijck sult wreken,
(290) Want dieven, of moordenaers, na u spreken,
(Waert dat de menschen stonden onder u subiectie)
Ja of hoe cleyne misdaet, met straffe treken,
Soudy al gheven ghelijcke correctie:
En is hy rijck, die wijs is t’sy van wat sectie,
(295) Soo sou een schoenmaker wel mogen een Coninck wesen:
En waerom begeerdy met eergierighe affectie,
T’ghene dat ghy hebt, door u wijsheyt ghepresen?
Nu meuchdy segghen weetty niet by desen,
Wat Crsippus sprack, die ons leeringhe niet en laeckte,
(300) Een wijs man (al cost hy sulcx) noyt schoenen en maeckte.

    O ghy versufte Philosophen, hoe wildy dat by bringen,
Die noyt schoen maecte, hoe can hy sulc ambacht?
Al hoordy Hermogenem selden singen,
Nochtans wast een Musicien groot gheacht:
(305) Alfenus die eerst menighen schoen heeft ghewracht,
Wert naemaels te Roomen in den raet gheset:
Daerom wy Stoici sijn wel bedacht,
En segghen dat eenen wijsen man niet en let,
Maer is de beste werckman hoe slechten cadet,
(310) Ja een Coninck selve: Sijdy ghy dan alleene
Een Coninck, door u philosophelijcke wet?
De broodroncken kinderen, nochtans ghemeene,
Trecken u mettenbaerde, u achtende cleene.
Ist dat ghy haer met uwen stock niet van u en weert,
(315) Soo dat elck metten grooten Coninck spot en scheert.

[fol. F1v, fol. 17v]
    Maer hoort, op dat ickt niet te langhe en make,
Ghy die een Coninck wilt sijn, of een groot potestaet,
Deur u wijsheyt, soo ick verstae aen u sprake,
En als ghy om eenen cleynen penninck gaet
(320) In de baystove, en niemant u seere gade slaet,
Of van achter volcht dan een onbequaem guyt,
Ghelijck Crispinus die was in yegelijcr haet.
En al ben ick somtijts van manieren ruyt,
En mijn goey vrienden, vaet dit besluyt,
(325) Al misdoe ick yet, my sulcx haest vergeven:
Diesghelijcr ick oock deur der liefden virtuyt,
Ghewillich verdraghe haer ghebreckelijck sneven,
My dunckt dat ick soo gheruster sal leven,
(Al ben ick slecht) dan ghy die u als een Coninck acht,
(330) Die gherust is, eens Conincr leven verpacht.

   


[fol. F2r, fol. 18r]

Hier beghint
de vierde
SATYRA.

    Hier antwoort de Poët de ghene, die segghen,
    Dat hy te stoutelijck straft, sommighe persoonen,
    En daer na is oock sijn uytlegghen,
    Den oorspronck van alsulck betoonen.

    LUpolis, Cratinus, Aristophanes by desen,
Dwelcke al, waren gheleerde Poeten,
En noch meer andere, groot ghepresen,
Die inventeurs waren, (soo elck mach weten)
(5) Vander ouwer Comedien. Dese met stout vermeten,
Jeghelijcr ghebreck wel dorsten verclaren:
Ja dat hy valsch was, hoe hoghe in state gheseten,
En dese diefachtich, en onrechtveerdich waren,
Of die haer als overspeelders dorsten paren,
(10) Openbaer of stille, by ander mans vrouwen:
Of die andersins t’sy out of jonck van jaren,
Eenen quaden naem hadden, weert om schouwen:
Dit hoordemen stoutelijck altijt haer ontfouwen,
Dese oude Comedie schrijvers weer hy leer, of clerc was,
(15) De quade te straffen oyt een deuchdelijck werck, was.

[fol. F2v, fol. 18v]
    Lucilius in al heeft dese ghevolcht seere,
Schrijvende eenen anderen stijl alleene
Tamelijck en voerdelijck, cavelende eere,
En vrij en stoutelijck, want hy was eene,
(20) Die onstrafbaer wou sijn, en van vitien reene:
Maer swaer was hy in sijn schrijven, en in desen
Seer misprijselijck, alsoo ick wel meene:
Want hy op een uere (t’Scheen wonder te wesen)
Al staende twee hondert veersen heeft voorghelesen,
(25) En ghestelt: maer al was hy soo overvloedich
En veel overhoop schreef, wert nochtans mispresen
Om datmen veel redenen vant onvroedich
Diemen wel mocht uyt laten, want hy overhoedich
Te vele snaps hadde, met stout bestaen,
(30) Te seer vele en sticht niet, wel, is altijt veel ghedaen.

    Hy was seer mondich, en niet moghende de pijne
Om wel te schrijven, en sijn veersen te corrigeren,
Maer veel lapte hy by hoop, binnen Corte termijne,
Dwelck ick gheensins en can lauderen.
(35) Alsoo Crispinus beroep my oock, en wilt componeren
Teghen my, my achtende cleene:
Segghende neemt u schrijftafel sonder cesseren,
En laet ons een plaetse hebben alleene,
En maer een uere tijts, en toesienders ghemeene
(40) Soo salmen sien dan eer wy scheyden
Wie dat alleene, als geleert Poet reene,
Aldermeest schrijven can, van ons beyden:
Maer alsulcke schrijvers my verleyden,
Want die haer altoos met veel schrijvens quellen,
(45) Haer ongheleertheyt dicwils selve mellen.

[fol. F3r, fol. 19r]
    Hierom danck ick Godt, dat hy my heeft geschepen
Simpel en slecht, en cleyn van gheeste,
En luttel van woorden, soo en wordt ick niet begrepen:
My achtende als de minste, niet als de meeste,
(50) Maer ghy Crispine grof van keeste,
Lievere der smeden blaesbalcken wilt slachten,
Die vol wints sijn, als sy in Vulcanus foreeste
Arbeyden, om d’yser door t’vier met crachten,
Sacht te makene, men mach u oock achten,
(55) Soo wijs als Samnius, die, weert om ghecken,
Kisten met boecken brocht door eergierighe drachten,
En uyt sijn eyghen authoriteyt, op diversche plecken,
Om datmen van sijn gheleertheyt sou vertrecken,
Maer dwaes sijnse die door sulck vercloecken,
(60) Haeren eyghen lof, soo met crachten soecken.

    Maer al t’ghene dwelck ick schrijve voorwaer,
En leest niemant ’t sy bitter of soet:
Want ick vreese sulcx te brenghen int openbaer,
En dat hierom, d’welck ick bekennen moet,
(65) Wanter vele sijn t’sy wijs of onvroet,
Die in mijn schrijven scheppen cleyn verblijen:
Want sy weert zijn meest al, al schijnense goet
Ghestraft te wordene sonder mijen,
Oversiet den hoop aen alle zijen,
(70) En kiest iemanden daer uyte, ghy sult bevinden,
Dat d’eene is vol armer hoverdijen,
Of een ander laet hem door giericheyt verblinden:
En want ick zulcr te straffen my derf onderwinden,
Daerom worden mijn schriften van elcken ghelaeckt,
(75) Een schorft schaep is noode op zijn zeer gheraeckt.

[fol. F3v, fol. 19v]
    Dese rasende van liefden, daghelijcr spuert,
Na ander mans vrouwen, en daerom groot goet uteert
Een andere is met onnatuerlijcke oncuyscheyt becuert,
De derde niet dan gout en silvere begeert.
(80) Albius oock seer wonderlijck ghebeert,
Als hy vremde munte siet, en daer toe is ghesint:
De vierde als een coopman vermeert,
Oost en west reyst, door haghel, sneu, en wint,
Daer hem de giericheyt toe drijft (gelijckmen bevint)
(85) Dat grooten tempeest t’sy groot of smal:
Om dat sijnen rijckdom, die hy bemint,
Niet minderen sou, t’sy groot of smal:
Maer reyst over zee, over sant, over berch en dal,
Om t’zijne te vermeerderen met grooter viericheyt,
(90) Hoe meerder den rijckdom, hoe grooter de giericheyt.

    Al dese, cleyne metten grooten,
Haeten mijn schrijven, en dusdanighe poeten,
Hy slacht den gheteeckenden stier, hy sal u stooten,
Of vliet van hem (segghense) want hy is ghebeten
(95) Op alle man, gheenen vrient soo na gheseten,
En sat hy mijen, als hy mach spotten en scheeren,
En als hy iet gheschreven heeft, dat moet elck weten,
Ja kinderen en dienstboden die haer alom gheneeren:
Orsa, hier teghen moet ick my wat verweeren
(100) Met Corte woorden, al is slecht mijn doctrijne:
Maer aldereerst moet ick u vercleeren,
My niet int ghetal vanden Poeten te sijne,
Want t’en is niet ghenoech al canmen ten sijne,
Een simpel veers maken, voor sommighe een behaghen,
(105) Ten sijn al gheen kocr die langhe messen draghen.

[fol. F4r, fol. 20r]
    Die groot verstant, en eenen godlijcken gheeft heeft
En sijn woorden can uytlegghen, met graviteyt:
Dese voorwaer der Poeten keest heeft,
En sulcken naem weert is deur sijn gheleertheyt.
(110) Hierom hebben de sommighe gheseyt,
En ghetwijfelt of tusschen de poeterije
En de comedie is eenich onderscheyt,
Want in de comedien t’sy droeve, of blije,
Gheen diep verstant tot elcken tije
(115) Ghebruyckt en wort, in woorden noch in sententien,
Dan alleenlijck tusschen de prose, (dwelck ick belije)
En de comedie is wat differentien:
Want sy op seker mate, na der peoten inventien
Ghestelt wort, alsoo de Griecken pleghen,
(120) In mate is alle conste gheleghen.

    Nu mach yemant seggen, wy bevinden gemeynlijck
In de Comedien, dat een vader wreet,
Rijpe woorden spreekt, om dat sijn kint vileynlijck
De hoeren aenhangt even ghereet,
(125) Droncken loopende achter straten wijt en breet,
Sy schoonen daghe met tortsen, als blint van sinne,
Dwelck groote schande is, en den jonghers misteet,
Soo dat hem de vadere, deur dien beghinne,
Houwelijck goet weygert met sulcken vriendinne:
(130) Sou Pomponius, waer sijn vader int leven,
Slechter woorden hooren tot sijnen ghewinne,
Dan de comedien schrijvers hebben gheschreven,
Al was sijn vader gheen Poet verheven?
Noyt, en gramschappe, tis aen menighen ghebleken,
(135) Doen dicwils rijpe, en straffe woorden spreken.

[fol. F4v, fol. 20v]
    Hierom dan en ist niet ghenoech al canmen stellen
Een simpel veers, doorbonden met zijn mate:
Want als ghy dat na der prosen wilt spellen,
Elck vader sal wel met grammen ghelate
(140) Soodanighe redene (t’zy van wat state)
Connen uytspreken, als de zulcke gheleert
Die een personagie speelt, en neemt oock zijn bate,
Des acteurs werck, in consten vermeert:
Soo oock, al dat Lucilius (waer door hy wert gheeert)
(145) En ick gheschreven hebbe, na der consten aert.
Ist dat die woorden worden omghekeert,
En van zijn mate ghenomen, en ontpaert,
Ghy en sult daer, soo ick u hebbe voor verclaert,
Ghelijck of ghy Ennius veersen wout ontbinden,
(150) Den rechten gheeft niet van eenen Poet in vinden.

    Al ghenoech hier af, op een ander tijt en stonde
Sa lick breeder verhalen, oft oprechte poeterije
Dit schrijven is, daer ick u af vermonde.
Maer ick vraghe alleen nu, segt met goeden belije
(155) Of ghy mijn maniere van schrijven acht voor envije?
Sulcius met schriften elcken straflijck aentast,
En Caprus niet min, tot elcken tije,
Voor menighen quaet doender, en schalcken gast
Een gheessele: maer die zijn handen suyver wast,
(160) Eerlijck levende in alle wijcken,
De sulcke op haer beyder leeringhe luttel past.
Ick neme dat ghy u wilt ghelijcken
By Celi, en Byrrhi, die (soot mocht blijcken)
Menich quaet seyt, als deuchnieten oyt wrachten siet,
(165) Waerom vreesdy my? Ic en sal Caprus, of Sulcius slachten niet.

[fol. G1r, fol. 21r]
    Mijnschriften en worden oock niet vercocht,
In eenighe winckels (soo elck mach weten)
Noch oock op gheen pilaren ghebrocht,
Daer menighen sijn leet wort opelijck verweten.
(170) Mijn boecken en worden oock niet versleten,
Vander ghemeynten handen, groot noch cleene,
Noch van Hermogenes, al hevet hem ghespeten,
Voor niemanden en lese ick, dan voor vrienden alleene,
Mijn schriften, en dat bedwonghen: niet int ghemeene,
(175) Voor yeghelijcken: nochtans sijnder veel, en ghenoech,
Die int midden vander merct, voor elcken eene,
Deur schriften vertooghen, naer elcr ghevoech,
En oock in baeystoven, spade en vroech,
Een besloten plaetse, daer den voys mach clincken,
(180) De sulcke meer om dwaesheyt dan om wijsheyt dincken.

    Opgheblasen sotten, hebben hier in behaghen,
Niet ghebruyckende verstant of eere,
Noch bequamen tijt aensien, maer sulcx ghewaghen,
Tot allen stonden voor pagie, en heere.
(185) Nu meuchdy segghen u deucht is oock teere,
Want ghy u verheucht, en scheyt verblijen,
Als ghy elcken beschimpen meucht, deur u leere,
Van waer coemt dien scheut, daer ghy my me wilt bestrijen?
Isser yemant daer ick dicwils by tijen,
(190) Mede verkeert heb, die sulcx van my snappen?
Ick segghe altijdt, so sy sullen belijen,
De gheene die quaet achter rugghe wilt clappen
Van sijnen vrient, en sulck fenijn can tappen,
Of niet en verantwoort sulcke stucken,
(195) Dese, gheveysdelijck haren naesten verdrucken.

[fol. G1v, fol. 21v]
    En dan die gheerne heeft datmen met hem lacht
Door sijnen clap, om dat hy van de lien,
Voor een vroolijck man sou sijn gheacht.
En die can versieren dat hy niet en heeft ghesien,
(200) En gheen secreet en can heelen, wacht u voor dien,
Want hy een schalck is arch van natueren,
Wie dat ghy sijt wilt de sulcke vlien,
Ghy siet dicwils daer vrienden of ghebueren,
Onder haer twaleven met vrolijcke cueren,
(205) By malcanderen drincken en eten,
Datter altoos een is, die elcr ghebreck wilt rueren,
Mijende alleen hem, die als weert is gheseten:
Maer als den dranck int hooft is, wel, en onghemeten.
Dan moet hy des weerts lemten oock vertrecken
(210) Dat int herte verborghen leyt, can de wijn ontdecken.

    Ghy die gheen quade schalcken sien en meucht,
Dunckt u dat dese door sijn achterclappighe treken,
Een vroolijck coutere is, en u hier inne verheucht?
En hebdy my oock ghehoort spottelijck spreken,
(215) Als dat Rufillus (soot dicwils is ghebleken)
Na musselliaet stinckt, en dat ick Gorgonius aert,
Sy eenen stinckenden bock heb gheleken?
Word ick daerom van u vermaert
Voor een nijdich bijtere, die niemant en spaert?
(220) Maer ghy die tot achterclap sijt gheneghen,
Als ghy hoort datmen van Petillus dieverije verclaert,
Die soo schalckelijck hadde Jupiters croone ghecreghen,
Uyt t’rapitolium: naer u oude pleghen,
Suldy hem verantwoorden, als t’uwaerts lief en weert,
(225) Maer een valsch vrient steect altoos int lest sijnen steert.

[fol. G2r, fol. 22r]
    Capillus als hy t’capitolium verwaerde,
Was my seer familiaer (dits mijn vermaen)
Ja van joncr kints hy hem altoos by my paerde,
Als een vrient, en heeft met ghewillich bestaen,
(230) T’ghene daer ick hem om badt, altoos ghedaen:
Daerom in sijn welvaren schey ick verblijen:
Maer ick verwondere my noch dat hy cost ontgaen
Des Keysers vonnisse sonder castijen?
Is dit niet naer jeghelijcr belijen,
(235) Valsch soch, d’welck hem uytter herten vloeyt?
Daer hy hem niet af en can ghemijen,
Maer als een faem-bevleckere hier in groeyt,
Sprekende als een vrient, maer verfoeyt
Als een vyant sijnen naesten, door den valschen grot noch,
(240) Daer herte vol af is, tuycht int leste den mont noch.

    Welck ghebreck dat wil ick u eerst wel toesegghen,
Moec verre van mijn herte, en van schrifte wesen
Ja can ick iet anders noch van mijn uytlegghen
My beroemen, of vermeten: en al ben ick in desen,
(245) Wat te stout, of worde mispresen,
Om dat ick wat spotachtigher ben dant betaemt,
Wilt al t’samen ghy die mijn schriften lesen,
My sulcx toegeven: want mijn vader die was vernaemt
Voor een oprecht goet man, en voor niemanden beschaemt,
(250) Heeft my alsoo onderwesen en gheleert,
Door eremplen van ander lieg hebreken besaemt,
Daer sy merckelijck by worden onteert:
Van sulcke manieren u sinnen keert,
(Was sijn vermaen) soo wordy als de gheachte
(255) Die hem aen een ander spiegelt, spiegelt hem sachte.

[fol. G2v, fol. 22v]
    Als hy my wou vermaenen met goeden onderwijse,
Dat ick soverlijck sou leven, en sijn te breden
Met alsulcken dranck, cost, oft spijse,
Als hy my te veuren wont by matelijckheden,
(260) Wildy (sprack hy) de gulsighe seden,
Die Albius sone voorstelt openbaer?
En merckt hoe beroyt dat Barus nu gaet treden,
Een groote lesse, en eenen spiegel claer,
Dat niemant sijn patrimonie voorwaer,
(265) Onnuttelijck verdoen en sal, al is hy vanden rijcken:
En als hy my wou aeniaghen der hoeren vaer,
En wilt Sectanum (sprack hy) niet ghelijcken,
En om dat ick na gheen overspeelsters en sou kijcken,
Als ick vry mocht een eyghen wijf trouwen
(270) Wilt Trebonius (sprack hy) oneerlijck bedrijf schouwen.

    Dese wijse sal u voorts leeren, en doen kennen,
Wat ghy altoos best meucht doen, oft laten,
Tis my nu ghenoech dat ick u mach wennen,
Na ons ouders manieren (niet om haten)
(275) En dat ick u mach (wilt mijn woorden vaten)
Te wijle dat ghy noch eenen toesiender hebt van doene,
In deuchden op voeyen, tot uwer baten,
En eerlijck sonder diffame avont en noene:
Want ghy noch ionck sijt, teer en groene:
(280) Maer als ghy sult comen tot uwen daghen,
Die verstant en leden stercken, soo meuchdy als de coene,
Sonder hulpe van yemant, en sonder vraghen,
In deuchden voortvaren na u behaghen,
Aldus heeft hy my met woorden van ioncr ghemaniert,
(285) Wel hem die sijn kinderen in deuchden voortstiert.

[fol. G3r, fol. 23r]
    En als hy my yet beval te doene,
Dwelck deuchdelijck was en een eerlijck wesen,
Dan noemde hy my eenen uyt de wet coene,
Die deur sulcke daet oyt was ghepresen,
(290) Als een rechtveerdich man en uyt ghelesen,
Of als hy my yet oock wou verbien,
Twijfeldy sone (sprack hy dan) in desen,
Oft oneerlijck oock sou sijn alsulck gheschien,
Of dat u gheen profijt en sou bien,
(295) Als dese, en die comen tot grooter oneeren,
Deur alsulcke wercken, so wy daghelijcr sien,
Ghelijck de gierighe crancke crijcht groot verseeren
Deur sijns ghebuermans doot, d’welck hen doet leeren:
Tot giericheyt deur alsulcke quay maren,
(300) Eens mans doot, is somtijts eens anders welvaren.

    Soo oock die teere herten, en ionghe sinnen siet,
Verschricken hun somtijts deur eens anders blamatie,
En alsulcx en dorren dan beghinnen niet,
En hierom deur mijns vaders adhortatie,
(305) Kenne ick my claer sonder fallatie,
Van sulcke ghebreken de welcke souwen,
Mijn groote bederffenisse sijn met dolatie,
Maer simpel ghebreken, diemen can schouwen
Seer qualijck, en die mans of vrouwen,
(310) Sijn lichtelijck te verghevene voorwaer,
Daer af en can ick my altoos niet claer houwen,
Maer by lanckheyt van tijen (soomen siet openbaer)
Sulcke ghebrecken en sullen my niet volghen naer,
Of vrients berispinghe my daer af bevrijen sal,
(315) Of mijnen eyghen raet sulcx doen mijen sal.

[fol. G3v, fol. 23v]
    En oock als ick int bedde ligghe, en niet en slape,
Of onder een loove wandele alleene,
Dan overdenck ick somtijts met wijsen betrape,
D’welck is mijn salicheyt reene,
(320) Dat is rechtveerdigher denck ick, en meene,
Dats beter ghedaen, dats beter ghelaten,
Soo moet ick met vrienden leven ghemeene,
Dats qualijck gedaen, sal ick hun daerom haten,
Of meten hun oock met dierghelijcker maten?
(325) Neen ick, dat waer seer dwaselijck ghedaen,
Aldus arguere ick tot mijnder baten,
Teghen my selven met een inwendich vermaen,
Op dat ick van sulcke ghebreken sou afstaen
Want het heeft oyt gheweest der wijser bediet,
(330) Wel hem die hem selven van binnen besiet.

    En als ick somtijts niet en weet te doene,
En ledich my vinde soot dicwils ghebeurt,
Dan gaen ick sommighe ghebreken als de coene
Al lachende beschrijven vry en onghetreurt,
(335) En ditte is eene daer ick af hebbe ghereurt,
Van mijn simpel ghebreken die my aencleven,
En wildy sulcx niet ghedoogen, en daer tegen op speurt,
Veel Poeten die noch wonder hebben gheschreven,
Wantter meer sijn dan ghy meent, sullen u bedien,
(340) En my te hulpe comen cloeck en vaillant,
Die door u niet en sullen worden verdreven,
Maer wy sullen met ghesamender hant
U daer toe porren, dats mijn verstant,
Dat ghy sulcx wel sult moeten ghehinghen,
(345) Soo de Juen elcken tot haer ceremonien dwinghen.


[fol. G4r, fol. 24r]

Hier beghint
de vijfde
SATYRA.

    De reyse van Brundusium wordt hier beschreven
    Die Horatius uyt Roomen heeft ghedaen,
    Het ghene dat vele guyten hebben bedreven
    En meer andere saken doet hy ons verstaen.

    ALs ick uyt de stadt van Roomen was gegaen,
Groot en seer machtich sijnde vermeert,
Soo heeft my een cley stadt Aricia ontsaen,
Daer wy soberlijck hebben gheteert,
(5) Heliodorus een meester expeert,
Inder Griecser talen was mijn me gheselle:
Wiens eloquentie van elcken oock wert begheert.
Van daer quamen wy, tis weert dat ickt vertelle,
In de merct van Appia niet als de snelle,
(10) Vol schippers en herbergiers overvloedich,
Met veel ghespuys van quaden voort stelle
Op desen wech, ick moet u maken vroedich,
Wy twee daghen lieten, die een man cloecmoedich
Op eenen dach wel sou connen intreden,
(15) Maer ghemackelijck volck, soeckt gheruste leden.

[fol. G4v, fol. 24v]
    Voor traghe menschen, ick moet vermonden,
En schijnt den wech niet seer moeyelijck t’sijne,
Tot Appia, want wy over al vonden
Herbergen ghenoech met blijden schijne,
(20) Doen wy daer quamen, leet mijnen buyck pijne,
Ick speende hem van eten met beswaren,
Want t’wasser quaet water bitter als vrijne,
Ick verwachte mijn volck die niet kiem en waren,
En aten, en droncken, ick en dorst niet baren
(25) Dat my daer te etene niet en luste,
Want daermen me gescheyt is, moetmen me overvaren,
Ick hiel my properlijck als de ghesuste,
Tot dan den avont, die elcken gheeft ruste,
Begonste de duysterheyt aen te bringen,
(30) Die op reyse, al voort, voort, is sijn verlingen.

    Alst nu tijt was om van daer te veerene,
De ick ionghers, de welcke dienden haeren heere,
Beghinnen op de schippers schimpich te ghebeerene,
Roepende, brengt u schip aen landt haest u seere:
(35) De schippers en waren in haer tonge niet teere,
En hebben oock spijtich ghesproken daer teghen,
Als knechten sijnde sonder eere.
Roepende ghy sullet schip te seer verweghen,
Hout, dryhondert volcr heb ick int schip ghecreghen,
(40) Al menschen ghenoech, en te wijle sijn vrachte
De schipper eyschte, na t’ghewoonlijck pleghen,
En dan den muyl daer ghebonden aenbrachte,
Om t’schip voort te trecken, met pijnen onsachte,
Een heele uere bleefer, ick sacht voor mijn ooghen,
(45) Die buyten s’lants is, moet veel ghedooghen.

[fol. H1r, fol. 25r]
    De mugghen hebben voorwaer ons slapen,
In t’schip wel verdreven, t’was my een lijen,
Der vorsschen ghetier quam ons oock betrapen,
Soo dat wy ons van rusten wel moesten mijen,
(50) De schipper vol, sat sijnde, om sijn verblijen,
Sanck oock een amoreus liet van sijn lief absent,
De voetgangere die de muyl bestierde by tijen,
Sanck den schipper teghen so hy was ghewent,
Maer int leste, soo my wel is bekent,
(55) Traech, en moe sijnde, heeft hem begheven,
Tot slapen: de schipper heeft oock daerontrent,
Leuy sijnde den muyl in een weye gedreven,
En t’schip aen een plaet ghebonden, en daer beneven,
Op sijnen rugghe lach en sliep, na sijn maniere,
(60) De sulcke soecken luy dage, maer maecken quaey chiere.

    Den dach quam aene, en wy saghen d’lant,
En voelden dat schip met voort en voer, wy waren uflout*
Soo datter wten* schepe spranck, een hersseloos quant,
En den schipper heeft om sijn ooren gedout,
(65) En de muyl om sijn ribben met een willighen hout,
T’was na den dach meer dan vier ueren,
Eer wy noch wtgheset werden ionck en out,
Aen uwen tempel Feronia sterck van mueren,
Daer wy wieschen met blijde cueren,
(70) Handt, en aensicht wt* uwe fonteyne.
Als wy dan gheten hadden sonder trueren,
Tropen wy noch op dry mijlkens cleyne,
En quamen aende stadt van Anxur reyne,
Blinckende van vers deur d’ wit geberchte groot,
(75) Reysende lie crijghen menighen teghen stoot.

[fol. H1v, fol. 25v]
    Hier namen wy op den goeden Mecoenas vraechte,
By Cocceius die bey waren uytghesonden,
Als Legaten om groote saken van machte,
Die wel ghewent waren tot alle stonden
(80) Peys te makene, door haer wijs vermonden.
Hier begonst ick mijn ooghen wat te smeeren,
Die altoos liepen, want ick daer hadde vonden,
Sulcr als my dienden na mijn begheeren,
Hier en tusschen quam Mecoenas, ick moet vercleeren,
(85) Met Cocceius en Fonteius Capito t’samen,
Anthnius beste vrient, want in sulck gheneeren,
Was hy een man vol alder vramen,
Perfect van alle dinghen, en van grooter samen,
En als Princen en Heeren van sulcx bekinnen,
(90) Tis goddelijck datse sulcke mannen beminnen.

    Wy quamen tot Fundos, en daer deur passeerden,
Daer Aufidius overste was van dier steden,
Wy loeghen, en in ons selven murmureerden,
Dat een schrijver, t’dochtons sijn vremde seden,
(95) Was opperste daer, en met grooter weerdicheden
Daer gheeert wert, naer heur maniere.
Daer na vermoeyt en moe ins ons leden,
In der Mamurrarum stadt quamen wy schiere,
Daer verleende ons Murena goedertiere,
(100) Logys, maer my reden soomen plach,
By Capito, daer wy maeckten goy chiere,
Sanderdaechs alst licht wert, noyt blijder dach,
Want een vriendelijck gheselschap ick sach,
By Sinvesse ons comen int ghemoet,
(105) Geen meerder vreucht dant’ versame van vrienden soek.

[fol. H2r, fol. 26r]
    Plocius Varius, en Virgilius, dit waren
Mijn vrienden, gheen liever en kendick op eerden,
Daer ick wel schuldich was my onder te paren,
Als vrient met een crouwelijck volheerden,
(110) Och met wat blijschap, met wat grooter weerden,
Hebben wy malcanderen daer omvanghen,
Daer naer want wy vcort te sijne begeeren,
Al na Brundusium, was doen ons verlanghen,
Soo namen wy naer een cleyn dorp ons ganghen,
(115) Dwelck naest der bruggen van Campanen was gelegen,
Doverste van die vlecke hebben ons ontfanghen,
En gheschonken hout, en sout, alsoo sy legaten plegen,
Van daer maeckte wy ons na Capua op weghen,
Daer wy ons Muylen hebben ontladen tijlijck,
(120) Om met ons vrienden was te verheughen blijlijck.

    Mecoenas, en dander, ghinghen met den bal spelen,
Virgilius en ick, stelden ons om rusten wat:
Want sulck spel is een vervelen,
Voor die hebben loopende ooghen nat,
(125) Als ick oyt hebbe en langhe ghehat,
En voor, die cort op die dorst (als Virgilius) sijn.
Als wy nu reysden van daer uyter stat,
Soo quamen wy met een blijdelijck schijn,
In Cocceius dorp: daer planteyt was van spijs en wijn,
(130) En d’welck te boven ginck oock onghefaelt
De steedtse herberghen, na tgoetduncken mijn,
Want wy daer seer eerlijck werden onthaelt.
O Musa, ick begheeve dat ghy my nu vertaelt,
Den twist van Sarmentus en Messius veracht,
(135) De menighe wilt groot sijn, en is van cleynder macht.

[fol. H2v, fol. 26v]
    Aen haer afcomste, O Caliope minioot,
Daer sy om woorden maecten ons oock vercleert,
Messius was van die Campanen noyt groot
Gheacht, maer voor vuyl volck gheen eere weert,
(140) Sarmentus wou oock een edelman sijn erpeert,
(Maer was voortijts een slave gheweest als donvrije)
Want sijn vrouwe noch leefde groot sijnde vermeert,
Dese twee van sulcken afcomste (soo ick belije)
Quamen malcanderen met woorden ten strije:
(145) Sarmentus was eerst schimpich van spreken,
Ick segghe opelijck als dat ghije
By een wilt onbereden peert wort gheleken,
Wy loeghen: Messius spijtighe treken
Thoonde oock, Metten hope, schuddende van quaetheyt,
(150) Vyanden soecken altoos d’een, d’anders versmaetheyt.

    Ick verstaen u schimpen wel, waren d’antwoorden,
Van Messius: Sarmentus viel hem weder inne,
Hoe vileynlijck sprack hy, soudy met my accoorden,
Waer u flinck aensicht, schier totter kinne
(155) Soo niet mismaeckt, dies ghy vanden ghesinne,
Dan die van Campanen wel meucht wesen,
Op sijn leelijck aensicht telcken beginne,
Seer spottende, hem vraghende midts desen,
Of hy Poliphenium ongheschict mispresen,
(160) Den grooten schaepherdere conterfeyten wouwe,
En was daer toe een man uytghelesen,
Want hy gheen momaensicht behoeven en souwe.
Messius sprack oock veel hier op als de bouwe,
Draghende, waer sijn u boeyen als een slave bleven?
(165) Oft hy die den huysgoden oock hadde ghegheven.

[fol. H3r, fol. 27r]
    Al sydy een schrijvere, sprack hy, oock wat gheacht,
U meester en vrouwe daer ghy waert knecht,
En hebben dies niet te minder macht,
En meenen dat ghy onder haer noch sijt gherecht,
(170) Noch vraechde hy, waerom waerdy soo slecht,
Daer ghy soo cleyn sijt van statuere,
Dat ghy uyt te lande liept met een ghevecht,
Van honghere? t’was een dwase cuere,
Een pont broots wert u bycans te suere,
(175) En meer dan ghenoech, want ghy een slecht eter sijt,
En niet meer en mach, eylaes, u natuere,
Malcnaderen spraken sy dat schimpich verwijt,
Aldus schepte wy een heel vreucht in dees maeltijt,
En wy dachten in ons selven om een versoeten,
(180) Hy crijcht quaey antwoorden, die gheeft quaey groeten.

    Van daer trocken wy den rechten wech voort,
Na Beneventum, de naeste stat gheleghen,
Daer de weerdt, neerstich in sijn rappoort
Heeft den roost bijcans (dies hy was versleghen)
(185) Met sijn heel huys verbrant, wy die waren gheneghen,
Ter maeltijt te gane, stonden beanrt seere,
En knapen, en maerten hebben t’goet uytgedreghen.
Een yeghelijck was aent bhisschen cloeck als een heere,
Ons gherief en vreucht was doen heel teere,
(190) Dies wy sijn ghetrocken van daer:
En Apulia heeft ons met snellen keere,
Terstont ghetoont heur gheberchten claer,
Die my wel bekent waren openbaer,
En daer eenen heeten wint Attabolis genaemt, was
(195) Genererende peste, die wel befaemt, was.

[fol. H3v, fol. 27v]
    Wy die vermoeyt waren en souden soo haest, niet
Over dat gheberchte ghecropen hebben certeyn,
Maer wy dachten om een dorp dwelck aldernaest, siet
Trivicum* gheleghen, ghelijck een voorstadt cleyn,
(200) Daer wy in een roockgat quamen, ick segt u pleyn,
Ja dat ons dooghen liepen, want men stockent t’vier,
Met groen tacken en bladeren van boomen ghemeyn,
Hier was my van een ionck meysken fier
Wat toegheseyt, waer t’was een logenachtich dier,
(205) Ick dwaes verwachte haer tot inder middernacht,
Ick lacht int bedde ghequelt deur Venus bestier
Als een die sijn amoreusken vierich wacht,
De begheerlicheyt teghen my oncuyschelijck vacht,
Maer t’was al niet mijn haecken en toeven,
(210) Die somtijts vreucht verwacht, hem naeckt bedroeven.

    Van daer werden wy met kerkens ghebuert
Tot een cleyn stadt, daer wy wilden blijven,
Deu naem van dien en can niet worden geruert,
In mijn veerskens na tpoetelijck schrijven,
(215) Maer als ick teeckene des stadts bedrijven,
En haer manieren, so machmen lichtelijck weten
Wat stadt dat is, dwater hier mannen en wijven
Al om vercochten elcken, hoe groot gheseten,
Dwelck in ander plaetsen wel wort ghemeten,
(220) Als ongheacht goet, nochtans ons nootelijck,
Maer seer schoon broot vonden wy daer om eten,
Dwelck de voor sichte gangers altoos grootelijck,
Van daer vroegen, en hert als een steen, verstootelijck,
Want in Canusia was d’broot als water even diere,
(225) Deur treysen kentmen des lants maniere.

[fol. H4r, fol. 28r]
    Welcke plaetse voormaels van Diomedes gefondeert was
En van daer schiet Varius van ons seer bedroeft,
Dies al t’vredelijck gheselschap gemoveert was
Tot weenen, en schreyen, en hebben hem getoeft
(230) Int afdancken minnelijck, en daer na ons besoeft
Om voort te varene, soo dat wy namen
Tot Rubos den ganck daer elck heeft ruste behoeft,
Om dat wy seer vermoeyt waren al t’samen,
Want den wech was lanck die wy gegaen quamen,
(235) En den reghen vermoeyde oock ons leven.
Sanderdaechs docht ons d’weer beter betamen,
Maer den wech die wy quamen ghetreden,
Was quadere dan den wech voorleden,
Tot dat wy de stadt van Barus increghen,
(240) Daer schoon vijvers waren, maer quaey weghen.

    Van daer quamen wy tot Gnatia*, daer luttel waters
Ontrent is, en grootelijck van doene.
Hier wou ons t’volck met veel ghesnaters
Wijs maken, dat de wieroock coene
(245) Van selfs sonder vier, vremt van fatsoene,
Opden outaer wort brandende claer,
Wy loeghen dat t’volck soo d’waes was van opinioene,
En dachten, de Juen meughen voorwaer
Houwen alsulcke superstitie, maer
(250) Ick hadde daer een cleyn gheloove inne,
Want ick gheleert hebbe over menich iaer,
Dat Godt hem daer af stelt gherust van sinne,
Maer dat natuere met vremden beghinne,
Somtijts wat doet, is Godts ghehinghen,
(255)Hier mede wil ick t’stot van mijnder reysen volbringen.
Hier eyndet die vijfde Satyra.
   


[fol. H4v, fol. 28v: blanco]
[fol. I1r, fol. 29r]

Hier beghint
de seste
SATYRA.

    Den Eeldom en is niet gheleghen
    (Wordt ons hier gheleert) int hooghe ghestachte
Oft dat ons ouders waren groot van machte,
Maer deur de deucht wort den Eeldom gecreghen.

    O Mecenas, al en isser dan ghy gheboren
In Netruscia, gheen Edelder, so elck bekent,
En want we vaders, en moeders ouders vercoren
Waren oyt in Lydia machtich int regiment:
(5) Daerom (soo nochtans sommighe sijn ghewent)
En wildy gheen slechte persoonen verachten,
Ghelijck my, die u dickwils ben ontrent
Gheboren van een vader, seer cleyn van machten,
Die de vrijheyt heeft moeten verpachten,
(10) Als een slave eerst, soo menighe pleghen,
Ghy en wilt gheen acht slaen, van wat gheslachten
Een yeghelijck is, als hy is wijsselijck gheneghen,
En hem alleen tot deuchden wil beweghen,
En denct warachtich, tis dickwils ghesien,
(15) Tot eerlijcken staet, comen wel goey slechte lien.

[fol. I1v, fol. 29v]
    Ghy meucht u ooc dat wel laten duncken prijslijck
Want eer Tullius int Rijcks wert gheset
Als Coninck, met eenen raet avijslijck,
Doen men op den Eeldom niet seer en heeft ghelet,
(20) Datter menich te Roomen sat inde wet,
Sijnde van cleynen stamme, en quam tot grooter eeren,
Deur wel leven, en sijn verstandicheyt net.
Daer teghen, al was Leuinus van groote heeren
Ghesproten, want Valerius (die bracht int verseeren
(25) Tarquinium Superbum, uyt den rijcke dreef)
Was sijn gheslachte niet om vermeeren,
Nochtans hy van t’ ghemeyn slecht volck veracht bleef,
Om sijn onmanierlijcheyt, die elck wel schreef,
En merckelijck sach, soo u is bekent.
(30) Net slecht volck en is somtijts niet heel blint.

    D Welck volck nochtans met dwasen bestiere
Somtijts eere gheven sommighe persoonen,
Die sulcx onweerdich sijn, deur haer sotte maniere,
En deur hooghe same hem wilt croonen.
(35) Tschijnt, sijn wapenen hem meer dan de deucht verschoonen.
Wat sullen wy dan (o Mecenas) moeten doen,
Die meer verstants begrijpen, en toonen,
Dan slecht volck, die niet veel en bevroen
Nochtans sommighe dicwils berispen toen:
(40) Ick neme nu, dat t’ volck liever wilt eere bien
Leuino, en dat deur alsulcken opinioen,
Want alle sijn voorsaten waren Edel lien,
Al en was gheen vromicheyt aen hem ghesien,ô
En Decius die cloecheyt heeft bedreven,
(45) Om dat hy onedel is, en wort niet verheven.

[fol. I2r, fol. 30r]
    En dit heeft Appius den Rechter oock ghemoveert,
Niet sonder redene, soo hy hem liet duncken claer:
Hoe sou ick doch worden gheeralteert,
Als ick van slechten ouders waer
(50) Gheboren, en eenen hooheren staet openbaer
Wou aenveerden, wel weert om ghecken,
Slachtende den Esel, die den arbeyt swaer
Verdroot, en daerom een Leeus vel ginck aentrecken.
Maer nochtans, soo sietmen in alle plecken,
(55) Dat de glorieusheyt treckt yeghelijcken
Tot hoocheyt, en daer toe can verwecken
Soo wel d’ onedele, d’ arme, als rijcken.
Maer de sommighe laten dan blijcken,
Daer de menighe schimpich op spot,
(60) Hoe meerder boer eerst, namaels hoe hooveerdigher sot

    Daer, ô Tulli, wat grooter haet en nijt quaet
Aenwies u, doen ghy wederom quaemt, sitten in de wet
Ende aenveerde der Raetheeren staet
Nae t’ Keysers doot, die u schandelic hadde afgheset.
(65) Veel meerder eeren, hier op wel let,
Sou u voorwaer sijn toe gheschreven,
En min nijdicheyt sou u hebben besmet,
Haddy in uwen ghemeynen staet ghebleven.
Want als yemant met een moedich hert verheven
(70) En dwaes, hem als een Edelman wilt draghen,
[Vers met rijmwoord op -even ontbreekt]
    Wel, wat sot is dat? hoortmen elck vraghen
Wie was sijn vader? Wie sijn sijn maghen?
Hy hoort dicwils een spottelijck vermaen,
(75) Die boven sijnen staet voor t’ volck wilt gaen.

[fol. I2v, fol. 30v]
    Ghelijck Barrus, de welcke was onsteken
Met oncuyscher liefden, hem vertoonen wouwe
Voor de meys kens cierlijck, hy de elcken spreken
En den mont op doen, ja maecht oft vrouwe.
(80) Siet hem doch gaen als de bouwe,
Wat een aensicht heeft hy, siet wat beenen,
En wat braeyen, en wat voet daer touwe,
En oock wat haer, om sijn vercleenen:
Soo oock, hier by moet ick ghelijcken eenen,
(85) Die hem vermetelijck beroemt, t’regiment
Te hebbene van de stadt, en van de Sorghers alteenen
Als een Overste, en onedel is, en onbekent,
Doet hy de ghemeynte (die sulcx wel sijn ghewent)
Niet vragen, van wat geslachte mach desen man wesen?
(90) Menich dwaes, deur hoomoedicheyt, wilt sijn gepresen.

    Noch moet hy oock hooren vanden volcke spijtich
Sijdy ghy uyt Sirien vande slaven ghecomen?
Oft niet beter dan Damas sone, met woorden verwijtich,
Oft van Dionysius gheslachte, vol onvromen,
(95) En hebdy sulcken stouticheyt noch aenghenomen,
Dat ghy dorst noch condemneren,
Oft den Scherprechter leveren de borgers van Romen?
Nu meuchdy segghen, en daer op argueren,
Nonius diemen siet resideren
(100) Int recht, als mijn megheselle Vroet,
Eenen graet leeghere dan ick: dit eralteren
Mijnen gheeft, met goede redene doet:
En mijn dader en was van edelder bloet
Dan den sijnen: dies moetmen bekennen,
(105) Hy wordt gheeert, die hem tot eeren can wennen.

[fol. I3r, fol. 31r]
    Wildy u Daerom dan (vraegh ick) ghelijcken,
Als Paulus, Messala, seer edel gheacht,
Om dat Nouius u heeft moeten wijcken,
Sittende eenen graet leeghere: ghy sijt qualijck bedacht,
(110) Ja sou ick niet? want int spreken heeft hy sulcken cracht
Dat gheen ghetier, quaet om vertellen,
Ja van twee hondert waghens, een gheluyt onsacht,
En can synen welsprekenden voys letten oft quellen,
Ja noch gheen trompetten, oft gheluyt van bellen,
(115) En connen hem verdooven: en noch ben ick gheseten
Eenen graet boven hem: wat wildy dan rellen?
Als wy (mach yemant segghen) sulcke redenen weten.
Soo menghen wy te vreden sijn, naer u vermeten,
Dat ghy weerdich gheeert sijt, en seer ghesien
(120) Maer fortune jont dicwils meer den dwasen, dan wijse * .

    Nu* conie ick aen my selven, die ben gheboren
Van een dader die eerst was een onvrije,
Dies ick menich verwijt achter rugghe moet hooren,
Om dat ick (ô Mecenas) telcken tije,
(125) Met u seer familiaer ben: en voormaels ten strije
Als een opperste Capiteyn reet onder de Romeynen.
Maer d’een is onghelijck d’ander, al ist dat elck benije,
Met redene my sulcke eere vanden Capiteynen,
Om dat ick onedel gheboren was, met vercleynen,
(130) Daerom en can niemant my schande spreken,
Dat ick in u vrientschap ben, sou ick wel meynen,
Want u wijsheyt is oyt soo verre siende ghebleken,
Dat ghy (die sulcx weerdich sijt) niet en sult versteken:
Want die hoocheyt en eere soecken met loftuyten,
(135) De verstandighe altoos uyt haren hove fluyten*

[fol. I3v, fol. 31v]
    Ick en mach my daerom niet gheluckich noemen,
Dat ick by gevalle, oft deur der fortuynen cracht,
Come in u vrintschap: want ick my wel derf beroemen,
Dat ick deur fortuyne u vrintschap niet heb verpacht.
(140) Maer de goede Virgilius, weerdich gheacht,
En daer na Varius, hebben u wel verclaert
Wie dat ick was: en als ick wert ghebracht
In u presentie, al vreesende heb ick daer ghebaert
Schaemte, (ghelijck is der kinderen aert)
(145) Met luttel sprekens: ick en heb my niet vermeten
Edel te wesene, oft een groot Ridder vermaert.
Maer t’ghene dat ick was, liet ick u weten.
Ghy antwoorde my weynich, wijs van secreten,
Ghelijck u maniers is, want een verstandich pleghen
(150) Is meer in luttel dan in veel woorden gheleghen.

    Ick scheyde van u, en binnen negen maanden daer na
Hebdy my weder ontboden (t’bleeck over al)
En bevaelt, met een warachtelijck ja
My te wesene in uwer vrienden ghetal,
(155) Dwelck ick seker niet en achte cleyn, oft smal,
Maer seer groot, en weerdich, midts desen,
Dat ick u behaecht hebbe: die sonder groot gheschal
De eerlijckheyt (als een vroom man uytghelesen)
Weet te onderscheydens, van een oneerlijck wesen.
(160) Want altoos, die eerbaer is van leven,
En suyver van herten, hebdy meer ghepresen,
(Soot blijckt aen andere) en meer verheven
Dan die den Eeldom deur zijn Vader wort ghegeven.
Want een wijs man alleen aenmercken moet,
(165) Hy is Edel, die wijse wercken doet*.

[fol. I4r, fol. 32r]
    Maer seker, oft mijn nature wat besmet sy
Met luttel oft cleyn gebreken, nochtans rechtveerdich
My dunckt dat sulcx niet veel en let my:
Ghelijck oft ghy in een schoon lichaem erpeerdich
(170) Eenighe cleyn vlecken vont, sou daerom onweerdich
Sulcr gheacht moeten sijn? Ick laet my duncken neent.
Soo oock, als my niemant en can volheerdich
Van eenige giericheyt verwijten, daer menich op beent,
Oft dat ick vuyl van leven ben, weerdich vercleent,
(175) En dat ick mijnen tijt qualijck heb versleten,
(Ja oft ick my prijsen wouwe) en lieffelijck vereent
Met goede vrienden ben altoos gheseten,
Simpel, en oprecht, ick derfs my vermeten.
Mijn vader is oorsake altsamen van dien,
(180) Goey ouders geerne deucht aen haer kinderen sien.

    Mijn vader was schamel, en op een schamel hofstede
Hy woonde, simpel, slecht, en reyn
Hy en sandt my niet ter scholen, dat ken ick mede,
Tot Flauium den grooten meester certeyn:
(185) Daer groote Edel lie kinderen int ghemeyn,
Om te leeren cijferen, ter scholen ghinghen,
En den meester betaelden groot en cleyn,
Alle maenden: maer hy dorst my bringhen
Tot Roomen, om goede consten sonderlinghen
(190) Te leerene, die elck Raetsheere Vroet
Sijn kinderen dede leeren voor alle dinghen:
Die my dan sach, oft my kinde, telcker spoet
Soo puntich ghecleet, elck sey, dit goet
Is hem van sijn voor ouders ghebleven,
(195) Met cleynen cost can yeghelijck wel eerlijck leven.

[fol. I4v, fol. 32v]
    Mijn vader, weerdich om niet berispt te sijne,
Was altoos by mijn meesters seer diligent,
Niet met giften oft gaven, oft met samblant van schijne,
Soo sommighe ouders dicwils sijn ghewent:
(200) En onderhiel my (metten cortsten) soo partinent,
En so eerlijc, en puntich, dwelck is den eersten oorspronck
Der deuchden niet alleen, dat ick met mijn consent,
Sou moghen yet doene, al was ick ionck:
Maer met manierlijcheyt my soo dwonck,
(205) Datmen gheen onbetamelijcheyt en mocht verhalen
Van my: want dicwils deur nijdighen wronck
Menighe van de goede schande talen,
Want ten is niet ghenoech (oft de sulcke falen)
Die willen haer als suyver en perfecte houwen, oock.
(210) Een yeghelijck moet quaey suspitie schouwen, oock.

    Hy en vreesde oock niet voor eenich verwijt,
Dwelck heu de sommige souwen mogen na spreken,
Dat ick gheweest was in mijnen ionghen tijt,
Die om cleynen loon diende soot is ghebleken,
(215) En hy eenen schamelen uytroeper gheleken,
Ghelijck hy selve gheweest hadde, ick moet bekinnen,
En want ick oock daer deur hebbe ghestreken
Cleyn profijt, oft eenich groot ghewinnen:
En daerom nu (so elck wel mach versinnen)
(220) Moetmen hem te meerder lof gheven,
Want hy my heeft uyt vaderlijcker minnen,
Niet met grooten rijcdom verheven,
(Die den ionghers dicwils doet sneven)
Maer tot scientie opgenoept (diet al gaet te boven)
(225) Dies moet ick hem te meer oock dancken en loven.

[fol. K1r, fol. 33r]
    Also lange als in my wijs heyt is, oft verstant moet,
So en sa lick my niet van alsulcken Vader schamen,
Ende my oock niet (soo den meesten hoop in d’lant doet)
Soo verantwoorden, die segghen vol onvramen,
(230) Dat gaer Vaders schult is, dat sy niet groot van namen
En zijn, gheacht, oft seer gheeert:
Voorwaer ick wil schouwen alsulcke blamen,
Want mijn woort, en redene, sulck blat omkeert:
Want oft der Natueren Godt, diet al verheert,
(235) Jonde te herboren te zijne, ende te restituerene
Nieu ouders, daer heuren lof deur sou zijn hooch vermeert,
Voorwaer om de waerheyt te declarerene,
Met mijn ouders soudic my noch voegen te contenterene:
Want simpelijcke deucht acht ic meer, al en prijstmet* niet:
(240) Groote hoocheyt brengt menigen somtijts int verdriet.

    En daerom dan, en sou ick niet begeeren oft wenschen,
Van groote Neeren ghesproten te zijne,
Die gheeert waren voor alle menschen,
En op cussens saten, hooch van schijne:
(245) Ick en begheer sulcx niet (my nochtans cleyn pijne)
Ja al ist dat t’volck mach achter rugghe talen
My eenich schimp, tot elcken termijne.
Maer (Mecenas) wildy ghy de waerheyt verhalen,
Ghy en sout daer deur mijn wijsheyt niet smalen,
(250) Om dat ick niet en sou willen aenveerden
Eenen moyelijcken last, die ick sonder falen
Niet ghewoon en ben, cleyn van weerden,
Want dan sou ick moeten terstont met volheerden
Veel behoeven, en vueren eenen fraeyen staet,
(255) Swaren last soect hy, die begheert een hoogher graet.

[fol. K1v, fol. 33v]
    Ende dan soud ick yeghelijcken moeten oock
Tamelijck jonste betoonen, en bien:
Ende seer minnelijcken elcken groeten oock:
En om niet beschaemt te zijne voor de lien,
(260) En dan moest ick oock knechten hebben by dien,
Die my vercnapen souwen, binnen en buyten,
Hencxten op den stal houwen, moest oock gheschien:
En dan eenen schoonen waghen, gheseyt int sluyten.
Liever heb ick te reysen over al,
(265) En oock daerom niet gheacht te sijne by slechte guyten,
Ja al wou ick nae Trenten trecken, over berch en dal,
[... uyten]
    Met eenen slechten muyl, makende geen groot gheschal,
Die ick achter en voor laeyen sou, soot my lust.
(270) Die sijns selfs is, die is al te wel gherust.

    Niemant sal my daerom oock na spreken niet
Sulcken oneere, soomen u Tullius doet,
Als ghy gaet maer lancr den Tibur ghestreken siet,
En volghen dan wel vijf knapen na, deene die moet
(275) Uwen kackstoel na draghen: dander, om u behoet,
Draecht een flessche met wijne, oft dierghelijcke:
En daerom seg ick, dat ick tot elcker spoet
Gheruster leve sonder eenighe swijcke,
Dan ghy weerdighe Raetsheer, al en ben ic niet rijcke,
(280) En oock veel meer ander doen: ick gae alleene
Daert my lust en ghelieft in elcken wijcke:
En dinghe, en coope, my een schande cleene,
T’gheene d’welck my ghenoecht, als eene
Die geerne wat goets hebbe, t’sy fruyt, oft ander waer.
(285) Slecht en recht, prijs ick boven al, en eerbaer.

[fol. K2r, fol. 34r]
    Ick gae oock wel om hooren en te siene
Daer lichte vrouckens, oft dieven verkeeren,
Omtrent den avont (soot plach te gheschiene)
Daer hun schamen te verkeeren groote heeren,
(290) Oock niet dan tot mijnder oneeren,
Maer om dat ick sou sonder hoonen
Haer ondeucht mercken, maer niet na leeren,
En voeghe my oock by gheestelijcke persoonen,
Die haer als waersegghers vertoonen:
(295) En dan keeren ic na huys, tot een simpel avontmael,
Van loock en cruyt, oft erweten, oft boonen,
Oft dierghelijcke, met cort verhael:
En soo wel als Prelaet, oft Cardinael,
Te vreden ben, gherust, en wel ghepaeyt.
(300) Des menschen Natuere is al te haest versaeyt.

    Van dry iongers word ick ter tafelen ghedient,
Welcke tafele is van slechten witten steene.
Twee oft dry drincvaten (oft my overquame eenen vrient)
Doen ick daer op setten, en in schencken ghemeene,
(305) Sulcx als ic hebbe, en dan eenige cruycrkens cleene
Staen daer, daermen uyt schinct manierlijck,
Neven een eerden vat, daermen in suyvert reene
De drincvaten, daer ic mijn volck toe ben bestierlijck
En al hebben andere groote huysen cierlijck
(310) Alsulcx van gout, oft silvere, ic en wils my niet schamen,
Al is mijnen huysraet (daer ic in ben goedertierlijck
Wel te vreden) van eerdewerck (my tot geender diffamen)
Het mijne is voorwaer meest al tsamen
Soo in Campania daghelijcr ghevseert* wort.
(315) Die hem hooverdich verheft, dicwils verneert wort.

[fol. K2v, fol. 34v]
    Dan begheve ick my tot slapen, wel sijnde te vreden,
Niet sorghende, als ick smorghens sal opstaen,
Dat iemant, t’sy op wat plaetsen oft steden,
Die my int ghemoete sou moghen comen saen,
(320) Daensicht wringhen sal, niemanden sijnde onderdaen,
Oft verveert, dat my sal aenschouwen
Maertia voor eenen woeckenaer, merct mijn vermaen,
Ghelijck een, de ioncrste van Nonius, vol ontrouwen,
Schaemde hem sijn hooft daer voor tontsouwen
(325) Oft te vertoonen, ghewonnen hebbende rijckelijck
Veel goets: alsoo, salmen dese dan houwen
Voor gheachte mannen? contrarie is blijckelijck:
Want die willen deur tgoet (vercregen soo practijckelijck)
Edel gheacht sijn, voorwaer sy sneven.
(330) Deur Eere en Deucht wort den Eeldom verheven.

    Dan slape ick smorgens tot den vieren, alst daecht,
En gae hier en daer wandelen, om svreuchs verstijven,
Oft ick lese, oft schrijve wat, soo my dat behaecht,
Ende strijcke my met olie van olijven,
(335) Niet met onsuyver olye, na Naecaes bedrijven.
Als my dan de Sonne te heet dunct schijnen,
Soo gae ick my weder wasschen en wrijven,
Schouwende de hons daghen talle termijnen,
Niet meer etende dan de maghe can verdwijnen
(340) Dien dach: en houwe my thuys gherust en ledich.
Dit is u leven van hun, die haer niet en pijnen
Tot eergiericheyt, maer ghebruycken den tijt sedich,
En hier op troost ick my, meer soeter, en vredich,
Dan oft mijn voorvaders gheweest waren van machte groot.
(345) Het brengt menighen tondere een gheslachte groot.


[fol. K3r, fol. 35r]

Hier beghint
de sevenste
SATYRA.

    Rupilus ghebreken worden hier vertelt,
    Die Coninck was ghetoenaemt,
    En hoe Persius teghen hem was ghestelt,
    Die een Grieck was, met woorden onbeschaemt.
ICk meyne dat alleen Barbiers wel is bekent,
En die deur gebrec van quay oogen daer verkeeren,
Hoe dat Persius een Griec heeft gewroken diligent
Rupilus valsch soch, en sijn fenijnich verseeren,
(5) Wiens toenaem Coninc was, maer niet weert veel eeren,
Uyt Roomen van Augusto synde verdreven,
Persius tot Clasomenis, seer plach om tgoets vermeeren
Te hanteren een stat in Asia, en met desen Coninc voorschreven
Grooten twist hadde, die sonder begeven,
(10) Deur nijt, sulcken Coninc seer straf wel cost verwinnen,
Opgheblasen, en in stoutheyt so verheven,
En in wreetheyt van spreken alsoo van sinnen,
Dat hy Senum en Berrum in al sijn beghinnen
Te boven ghinck, die in heur woorden seer straf waren.
(15) Veel zeghs canmen deur woorden openbaren.

[fol. K3v, fol. 35v]
    Nu wil ick tot desen Coninck comen,
Als elck doen toonde een herde partije
En haer verweerden, slachtende den vromen,
Met woorden deur haet en envije,
(20) Want sulcke volck tot elcken tije
Hoe sy moediger van aerde sijn, tis dickwils ghebleken,
Hoe sy malcanderen als de vrije
Min willen toegheven, maar teghen een opsteken:
Eenen grooten nijt wasser, niet om volspreken,
(25) Tusschen Hector en Achillem vrijmoedich,
En swoeren malcanders doot met nydighe treken,
Die haer int leste ghescheyden heeft seer spoedich,
Want elck eene de doot daer deure verwerf bloedich,
En om gheen ander sake, alsoo wy lesen,
(30) Dan elck wou die aldervroomste wesen.

    Daer sijnder twee twistich van moede cleene,
Oft dat deen machtigher dan dander is vele,
Dan sal altoos succumberen de eene,
En hem verveeren int leste van dien spele,
(35) En senden sijn overhoot, t’sy Ele oft onele,
Doch eenen schenck, om dat hy sou swichten:
Ghelijck Glaucus, (dwelck ick niet en hele)
Teghen Diomedem wou stoutelijck vichten.
Maer want hy niet vele en const wtgherichten,
(40) Soo gaf hy hem van selfs t’ondere,
En schonc noch sijn wapentuych (nae Homerus dichten)
Soo oock Rupilus en Persius (elck bysondere)
Het was voor de ghemeynte om sien een groet wondere.
En dit ghebeurde alsmen Brutus Asiam sach regeren.
(45) Herde partijen en willen haer selven niet verneren.

[fol. K4r, fol. 36r]
    Niet anders en waren sij met woorden ghestelt
Op malcanderen, dan Bachus cum Bitho, welc waren
Van de cloecste Schermeesters gherekent en ghetelt,
Sy liepen voor die wet, elck sonder beswaren,
(50) Persius ghinck eerst sijn sake verclaren
De heel vergaderinghe werdt lachen seere,
Hy prees Brutum als des lants bewaren,
En alle sijn adherenten, weerdich alle eere,
Een Sonne in Asia hiet hy als een Heere,
(55) En al sijn gheselschap heeft hy ghepresen,
Daer noemende vruchtbarige sterren telcken keere,
Die Bruto altoos jonste bewesen,
Sonder Rupilum, die hy onder desen
Niet en wou rekenen, maer verachte vileynlijck,
(60) Twee vyanden malcanderen lachteren ghemeynlijck.

    Hy sey hem, dat hy als een sterre was gecomen daer
Diemen Canicula hiet, welcke den lantlieden
Seer hinderlijc is, en dicwils veel profijts heeft benomen haer
Noch dat hy ooc daer quam bortelen, was ooc sijn bedieden,
(65) Gelijc een riviere t’swinters (daermen elck voor siet vlieden)
Van t’gebercht comt gedaelt, daer selden boschers comen beneven,
Daer na Rupilus uyt een erchertich bespieden
Heeft hem oock veel schimpige woorden deur gedreven,
Hem achtende een mensche rouw en straf van leven,
(70) Ghelijck eenen wijngaerdenier, die talle stonden
Teghen den voetghangher met ghekijf leven,
En dan hem naeroepen, tot alle stonden,
Coeckcoeck, met een verwijtachtich vermonden,
En soo doende en constense niet wel accoorden,
(75) Want nae quaey groeten comen quaey antwoorden.

[fol. K4v, fol. 36v]
    Maer als Persius de Grieck soo beschaemt sijnde
Nae de Italiaensche maniere, seer straf en wreet,
Hy hem oock te roepene seer spijtich pijnde,
Segghende: ô Brute, ghy hebt verstandt, en weet
(80) Hoemen Coninghen sou tonder brenghen ghereet,
Tis een werck d’welck ghy wel hebt gheploghen,
En desen ghenaemden Coninck, met goet bescheet,
Dit moet ick vraghen, waerom die uyt valscheyt heeft ghesoghen,
En brengdy dien om den hals met veel archeyt deurtogen?
(85) De menighe de valscheyt dicwils wijcken,
En aen de goede haer quaetheyt laten blijcken.

   


[fol. L1r, fol. 37r]

Hier beghint
de achste
SATYRA.

    De dwase sottinnen, die haer willen moeyen
    Met tooverijen, en sulcke manieren,
    Hy ontbint met een groot verfoeyen,
    Deur Priapum met poëtelijck versieren.

    HIer voormaels was ick een hout onprofijtelijc,
dWelcmen voor eenen vijchboom mocht aenscouwen,
Doen de beeltsnyder stont vertwijfelt subijtelijc,
Weer hy een bancke van my sou bouwen,
(5) Ja oft Priapum maken: hy dacht sonder flouwen
Dat hy liever eenen Godt van my woude maken,
Dies ic werde eenen God voor de dieven vol ontrouwen,
En voor de vogelen een verschrickelijck waken:
Want mijn rechte hant, gheseyt met corter spraken,
(10) Afkeert de dieven, die eens anders vruchten begheeren,
En mijn onhebbelijcke mannelijcheyt, verstaet de saken.
Dit is altoos mijn ghewoonlijck gheneeren,
En can de quellijcke voghelen verveeren
Die willen haer aes halen in besaeyde hoven,
(15) Dies my de lantlieden prijsen en loven.

[fol. L1v, fol. 37v]
    Eertijts was dees plaetse gheordineert,
Om dat elck zijnen medegeselle hier moest bringhen,
Gestorven zijnde in een pover plaetse, niet gheestimeert,
Want hier wert begraven, voor een ghemeyn gehingen,
(20) Het beroyt volck, dwelckmen haer sach mingen
By Pantalabum den schauvyt, niet seer gheacht,
En by Momentanum, die met onbehoorlijcke dingen
Alle zijne patrimonien hadde gulsich overbracht.
En dit kerckhof (voor sulcken doyen verpacht)
(25) Was duysent voeten inde breyde veure,
En drye hondert voeten inde lengde ghewracht,
Soot stont geteeckent, om dat niemant daer deure
Als erfghenaem aen sulcx sou vermoghen steure:
Want dat den schamelen ghejont is in elck lant,
(30) Daer moet den rijcken in consenteren, en doen afstant.

    Nu mach ick in dit gesont geberchte woonen, en my houwen.
Int groene, in die sonne, daermen eertijts te spatieren plach.
In een leelijc velt te zijne met een druckich aenschouwen,
Dwelck wit vanden dooden ghebeenten lach,
(35) Daer ic nu hebbe so groote sorge niet, en minder verdrach
Van die voghelen, oft van die dieven ghemeene,
Die dees plaetse altoos met een groot ghejach
Pleghen te quellene: dan voor onreene
Toovenaers, die de menschen, hoe groot, hoe cleene,
(40) Met haer tooverijen, en fenijnighe bestieren,
Willen, dickwils brengen tot schanden, en in weene,
Dese en can ick in gheender manieren,
Alsulcx beletten oft verbien met eenich craieren,
Want sy een vreeschelijc wonder toonen mannen en wijven,
(45) Ja en tegen Godt willen steken, en cracht bedrijven.

[fol. L2r, fol. 38r]
    Ick heb selve ghesien (al macht wonderlijck luyen)
Canidiam gaende tot menich termijn
Om der dooder gebeenten, en hinderlijcke cruyen
Te vergarene, als de mane heeft haren nieuwen schijn,
(50) Bruyckende daer deur haer valsch fenijn,
En daertoe metten blooten voeten
Ghegort met eenen mantel, soo ghemeynlijck zijn
Dees toovenerssen, om een valschelijck boeten,
Oock met den hanghenden hare, soo de labsoeten.
(55) En Sagana de outste wasser oock int spel,
Al huylende woudense de gheesten groeten,
Daer beyder bleeck verwich coleur was een helsch gequel
Jae en int aenschouwen grouwelijck en fel,
Want die hem te tooveren wilt bestaen,
(60) Die moet (seytmen) metten quaden omgaen.

    Sy begonsten met haer naghelen de eerde
Uyt te crabben: en een swert lam hebben metter spoet
Vernielt al bijtende, achtende sulcx groot van weerde,
Soo dat in den selven cuyl heeft hem gespreyt dat bloet,
(65) Om dat sy daer deure souden verwerken vroet
De doode gheesten, en hun antwoorde gheven.
De ghedaente van wollen wasser, d’welck scheen goet,
Om haer ondersaten te doen na haer onheblijck leven,
Dander van wasse, dwelck ootmoedich scheen int beven
(70) Als dienst, bey en onderdanich en cranckelijck,
Deene aenriep Hecaten, die was verheven
Als een goddinne inder hellen stanckelijck,
Dander aenriep Tisiphone oock daer ghevanckelijck,
Wreet, vreck, ghierich, en vol rasernijen.
(75) Daermen mede omgaet, daer moetmen me bedijen.

[fol. L2v, fol. 38v]
    Hy sou oock gesien hebben die daer geweest had ontrent
De helsche honden, en sulcke serpenten over al,
Hier en daer loopen draven, soot my is bekent:
En de Mane deur sulck wonderlijck gheschal,
(80) Heeft haer verborgen achter de groote sepulturen in een dal,
Om dat sy daer af gheen tuychenisse en sou wesen.
Ist dat ick Priapus iet lieghe int t’ghene dat ick by geval
Gesien, en vermaent hebbe, so wil ic dat de raven door desen
Op mijn hoot comen scyten: oft dat Iulius, een man mispresen,
(85) En Voranus die diefachtich is, my bepissen quamen,
Daer ick schandelijck om sou worden begresen.
Maer wat wil ick verhalen tregiment altsamen,
Dwelc ick gesien en gehoort hebbe, ick sout my schamen,
En hoe de gheesten met Sagana hielden de sprake.
(90) Veel segghens maeckt dickwils tot nijt een oorsake.

    Hoe druckich, hoe scherpelijck dat was heurlie gewagen
Ten zijn gheen dinghen al om vertellen,
En hoe sy eens wolfs baert met listelijcke laghen.
In der eerden berchden: en dan oock weert om mellen,
(95) Eender vremder slanghen tant, dit moet ick u spellen,
En dan een wassen beelt, dat te meer sou branden:
En ick moeste heurlie oock wat quellen,
Om dat geen ongewroken getuyge voor den verstanden
En sou wesen: want haer stemmen en wercken vol schanden
(100) Jaechden my eenen grouwel aen, dat ic (ic moet ontfouwen)
Eenen wint van achter liet sceeteren, gelijc alsmen met handen
Uyt een blase siet den wint weder uyt douwen:
Sy liepen na de stat, Canidia ontvielen haer tanden met benouwen,
Sagana heur haer, en de betooverde cruyen by dien.
(105) Boerdelijc sou hy gelachen hebben, die sulcx hadde gesien.

   


[fol. L3r, fol. 39r]

Hier beghint
de negenste
SATYRA.

    Onwetende clappaerts, Horatius in desen
    Is berispende, en ydele clappernije.
    Alsoo ghy hier merckelijck sult lesen,
    En die setten alle eere op d’ sije.

    BY fortuyne quam ick inde strate spatierende
Die na Tcapitolium strec, en na mijn maniere
Wat beuselen was ick fantaserende
Want ic daer altoos me doende ben, en met stouten bestiere,
(5) So quam my een int gemoete, en greep my als de goedertiere
Metter hant, zijnen naem was my bekent alleene,
Maer zijn wesen, hanteren, kendick min dan een siere,
Hoe doedy al, sprack hy oock, mijn vrient reene?
Redelijck wel, antwoorde ick, naden tijt ghemeene,
(10) En soo ghy wilt, soo wil ick oock voorwaer:
En doen hy my al na volchde, ghelijck eene
Die onbeleeft was, ick viel hem aen, ende sprack claer,
Belieft u mijns iet? om dat ghy my volcht naer.
En kendy my niet? sprac hy ic ben geleert en vol vramen
(15) Dwase clappers heur voor niemanden en schamen.

[fol. L3v, fol. 39v]
    Soo suldy van my te meer gheacht zijn
Sijdy gheleert, was mijn spreken:
Maer was hy my quellijck, ick dacht
Van hem te scheyene, siende zijn ghebreken.
(20) Dan was ick seere van hem gheweken,
Dan bleve ick wat staende, en sprack tegen mijn knecht
Heymelijc in d’oore, want t’sweet sachmen my af leken,
En sprack in my selven, ô Bollane, met recht
Moet ick u prysen, ghy en zijt niet seer slecht,
(25) Al sijdy wat hersseloos somtijts in u voeren,
Ghy sout sonder eenich groot ghevecht
Desen clappaert zijnen mont wel connen doen snoeren.
En als hy dan noch zijnen beck ghinck roeren,
En prees de Stadt, de straten, lustich int aenschouwen,
(30) D’onwetende (dacht ic) en salmen geen sprake houwen.

    Als hy dit sach dat ic hem niet en wou antwoorden,
Ic mercke wel (sprac hy) dat ghy van my wilt gaen,
Maer ghy en sulles niet doen, want int Suyen int Noorden
Sal ic u volgen, ghy en dorst geenen omstach gaen,
(35) Werwaert is uwen wech, dat moet ick weten saen.
Ick moet eenen besoecken, die ghy niet en kent,
Ziggende over den Tyber seer cranc was zijn vermaen,
Sy des Keysers hoven, oft daer ontrent:
Ic en heb niet te doene, was hy weer: en ick ben gewent
(40) Te wandelen, en sal u volghen tot daer.
Ick dit aanhoorende van den onwetende bent,
Ick liet mijn ooren inden neck hanghen, soo openbaer
Eenen quaden Esel, als hem den rugghe te swaer
Ghelayen is: want de sulcke vervelen my seere,
(45) Dis niet en achten op schande noch op eere.

[fol. L4r, fol. 40r]
    Ick kenne my wel, was weder zijn beroemen,
Kende ghy my soo, ghy en stout certeynlijck
Viscum, en Varum mach ick oock wel noemen,
Voor gheen grooter vrienden houwen ghemeynlijck
(50) Dan my: dit legge ick u pleynlijck.
Want wie isser doch, dan icke, van heur beyen
Die meer veersen rasch en behendelijck
Can maken: en dan dansen om een vermeyen,
En int springhen en sou ick oock niet eerst scheyen,
(55) En dan van singhen ben ick oock een heere:
Al ist dat Hermogenes, ick hoort wel verbreyen,
My daerom hoedt en benijt seere,
Die daer af hebben wilt de meeste eere.
Doen merckte ick wel, dat hy slachte den onwijsen.
(60) Want de sotten altoos haer selven prijsen.

    Ick aenhoorende dese woorden altemale,
Doen was ick verweckt omme te sprekene stout
En vraechde hem met heusche tale
Oft hy hadde oock een moeder out,
(65) Oft eenighe maghen die zijn benout,
Die ghy mocht wat goets doen door desen.
Ick en hebben gheene, sy zijn al begraven en lange cout.
Ick dachte, sy moetender dan wel aen wesen,
Datse met u groote dwaesheyt weert mispresen
(70) Niet meer en zijn ghequelt: maer ick lije nu verdriet:
Helpt my ooc wech, my dunct ick ben quaet om genesen,
En dat my t sterven schier naeckt deur dit clapachtich bediet,
En soo dunckt my dat my nu gheschiet,
Soo Sabella (doen ick cleyn was) eens heeft ghespelt,
(75) Wat isser pijnlijcker dan met sulck te zijne ghequelt?

[fol. L4v, fol. 40v]
    Sabella van my doen cost propheteren,
Een oude vrouwe die daerme cost omgaen:
Desen kinde en sal fenijn noch sweert mineren,
Noch gheenderhande sieckte, was heur vermaen.
(80) Maer onwetende clappaerts souden wel sulcx bestaen.
Daerom sulcke moet hy scouwen, als hy comt tzijnen dagen,
Is hy wijs: maer t wert gheacht voor een ydel vermaen
Doen ghinghen wy tot dat wy quamen en saghen
Aen den Tempel van Vesta, t was mijn behaghen,
(85) En t’ vierendeel van den dach was overleden,
En hy moeste alsdoen sonder vertraghen
Een int Recht antwoorden, na des techts seden,
Daer hy borge voor bleven was, qualic zijnde te vreden,
Oft trecht sou hy verliesen, was zijn belijt.
(90) Die rechten wilt, moet wel waernemen zijnen tijt.

    Ick bidde u als vrient (sprack hy) wilt hier inne
My wat behulpich wesen: so waer als ic ben int leven,
(Was mijn antwoorde) de rechten ick niet kenne,
En ick en ben oock daer niet bedreven,
(95) En ick moet gaen tot mijnen vrient verheven,
Die cranck is, soo ghy weet, seer uytermaten:
Ick ben in twijfel, sprack hy, nu ick u ben beneven,
Weer ick u, oft mijn profijt wille laten:
Ick sprack, alst sou zijn tot uwer baten,
(100) Acht op my niet, ick sal gaen mijnder veerden
Alleene, en ick en wil u daerom niet haten,
Want dat waer een sake van onweerden,
En ginck voort met een stout volheerden,
Ick volchde hem, als een slachtende den slechten,
(105) Want wie sal hem teghen sulcke dwasen oprechten?

[fol. M1r, fol. 41r]
    Mecenas (vraechde hy) hoe macht hijt al maken nu
Met u? is hy seer beleeft van seden?
Ick sey, om dat hy verstaen de saken sou,
Want hy grof onwetent was, en onbesneden:
(110) Hy en is met veel volcr niet wel te vreden,
Ghelijck de verstandighe altoos pleghen.
Want hy begaeft is met wijsheden.
O Horati, niemant en heeft meer ghelucx vercreghen
Dan ghye: maer meer soudy zijn bedeghen,
(115) Haddy my ooc by u altoos: want ic met goeder trouwen
U sou altoos voorstaen: en dan (wat batet ghesweghen)
Al die meest zijn vrienden zijn, wy souwen
De sulcke daer uyt keeren, en uyt zijnen huyse houwen.
En alsoo betoonde hy zijn natuerlijcke wercken.
(120) Aen de woorden canmen eenen pluymstrijcker mercken.

    Wy en leven niet (sprack ick) aldaer
Op alsulcken maniere als ghy wel meent,
Men vint gheen huys dat daer af voorwaer
Suyverder is: soo zijn wy tsamen vereent.
(125) Want met pluymstrijckers waer sulck hof vercleent.
Al isser daer die rijcker dan dander moghen wesen,
Oft gheleerder: ick, noch niemant, daer op en beent,
Die haet oft nijt soeckt, wort daer begresen.
Elc heeft zijn plaetse, en deen en wort niet meer gepresen
(130) Dan dandere: soo vredelijck ismen daer ghesint.
Dat dunct my seer vremt, ic verwonder my van desen,
T’ schijnt onghelooflijck: tis soo mijn vrint,
Want tis yegelijck, die daer verkeeren, wel bekint,
Daerom en wort dit van my versiert niet.
(135) De verstandige en is met pluymstrijkerije verciert niet.

[fol. M1v, fol. 41v]
    Maer vierigher word ic, nu ghy sulcx voor waer spelt,
En begheere te meer, dat ick mochte
Onder Mecenas vrienden worden ghetelt,
Soo verre als ghijt oft iemant versochte,
(140) En dat u deucht daer in wat vroechte,
Want deur u soudick sulcx wel ghenieten:
Dus waert sake dat u deurcht my daer toe brochte,
Soo sy (weet ick wel can) my en sou niet verdrieten,
Mijn jonste, al soudicker inne schieten
(145) Voor de dienaars ghiften en gaven groot,
Want ic weet wel (sot souwense zijn niet daerom lieten)
Dat het swaerste is den aldereersten aenstoot.
Ick sal eenen bequamen tijt soecken ter noot,
En hem int ghemoete comen in straten in weghen.
(150) Sonder arbeyt en wort hier int leven niet vercreghen.

    Hier is tusschen als hy dees woorden maeckte,
Friscus Aridius, mijn vrient ghemeene,
Ons hebben int ghemoete geraeckte.
En die desen gheck, gheacht cleene,
(155) Seer wel kende voor eenen beuseler reene,
Hy braechde my, van waer dat ick quam ghegaen,
En werwaerts ick henen ginck, met ons beyden alleene:
Ick begonst hem met den arm te houwen saen,
Op dat hy wat stille soude staen,
(160) En wencte met mijn ooghen, dat hy my vanden quant
Soude verlossen ende doch ontslaen:
Maer hy was so bot, tscheen hy en hadde geen verstant.
Oft hy spotte met my, t’ docht my, want
Hy gheveysdelijck scheen, dies was ick verstoort.
(165) Den eenen vrient den anderen te helpene behoort.

[fol. M2r, fol. 42r]
    Noch verstoute ick my, als vrienden pleghen,
En vraechde hem, wat secreet woudy my te kennen gheven.
Om dat ick desen dwaes soude zijn ontsteghen.
Tis mi wel gedachtich (sprac hy) laet dz nu zijn geswegen,
(170) Op een ander tijt alst past, sal dat worden opgheheven,
Tis heden eenen vierdach, die de Jode seer vieren:
Daerom moet wat anders van my worden bedreven,
En wildy de Joden deur sulcx bestieren
Niet onderdanich zijn in haer manieren?
(175) Want sy houwen heden eenen grooten dach
Van het besnijen: en desen dach multiplicieren
Met veel volcx, en maken daer af groot beslach.
Van sulcke Religie en make ick gheen ghewach,
Antwoorde ick, al schijnense divijne.
(180) Men bevint veel Religien ydel te zijne.

    Maer ick ben jonck, ick wil my houwen
Met de meeste menichte, wilt dat niet achten,
En verghevet my: anders wy souwen
Breeder spreecken, maer wy moeten eenen anderen tijt wachten.
(185) Doen creghe ick in mijn ghedachten,
Eenen quaden dach is heden teghen my opghestaen,
Want hy ghinck van my, en docht my oock slachten
Den onverstandigen, en liet my onder d’ mes (een out vermaen)
Dat is inden last, terstont quam daer ghegaen
(190) Die teghen hem int recht stont, en riep seer straf,
Wildy niet tuyghen, en u recht vervolgen saen?
Ick aenhoordent als ghetuyghe, om dat icker af
Sou comen, yeghelijck hem daer eenen roep gaf,
En eenen gheloop ghebeurdender onder de lien.
(195) Aldus heeft my Apollo verlost van dien.

   


[fol. M2v, fol. 42v]

Hier beghint
de thinde
SATYRA.

    Horatius verantwoorde hem hier poëtelijck,
    Om dat hy op Lucillus schriften had gesproken,
    Dwelck sijn beminders verstonden onwetelijck,
    Want deur den tijt wort alle dinghen herbroken.

    VOorwaer, ic hebbe geseyt, en moet bekennen certeyn,
Dat Lucillus veersen loopen t’inperfect, en te swaer:
Wie isser van zijnen beminders, t’sy groot oft cleyn,
Die dat oock niet en moet kennen openbaer?
(5) Maer dat hy de ghemeynte van Roomen claer,
Te seere wel haer gebreken straft, wort van my gepresen,
Oock in de selve Satyra voorwaer.
En niet alleene oock in desen,
Maer in andere dinghen, soomen in mijn Schriften can
(10) Ghelijck Laberius die yeghelijcr ghebreck cost mellen.
Dies hebbe ick oock seer begresen
Zijn veersen, niet prijsende oock int stellen:
So in veel saken, ick moet wel vertellen,
Heb ik goede poemata moeten lauderen.
(15) Ghebreck machmen wel misprijsen, en tgoet eralteren.

[fol. M3r, fol. 43r]
    Daerom en ist niet genoech, dat wy yemant verwecken.
Tot lachen, al isser const in geleghen:
Maer men moet oock een sake vertrecken
Met cortheyt, soo de verstandighe pleghen,
(20) Op dat den sin mach worden vercreghen
Met luttel woorden: en op datmen niet
Des hoorders ooren en verdoove deur sulcke seghen:
Dan moetmen oock met droefheyt maken het bediet,
Dan met gheneuchte oft boerde, alsoo den sin biet:
(25) En dan na een Rhetors maniere de sake aengaen,
Na der poeten maniere oock dan vliet.
Eerbaerheyt en graviteyt moeter oock bystaen.
Een boerde is oock dickwils een soet vermaen,
En beter een swaer sake int goet keeren can.
(30) Met genuechte men dickwils straffen en leeren can.

    Die oude Comedien pleghen te schrijven,
Hebben heur hier na ghevoecht, en ghewent,
De welcke Hermogenes (die in singhen can bedrijven
Wondere) en Demetrius, en hebbe niet ghekent,
(35) Noch oock ghelesen die poeten ercellent,
Niet dan Caluum, Catullum, daer zijnse op ghesint:
Daer sy haer toe wennen om te singhen diligent,
Want een elck die lichtveerdicheyt bemint,
Dan segghense van Lucilio haren vrint,
(40) Die het Griec onder D’lattijn can minghen.
O spaey scholieren, eenen traghen wint
Heeft u inder scholen comen bringhen:
Is dat niet wat vremts? Phitoleon lietmen oock sulcx gehingen,
Woorden zijn die saet, gemaect van twee spraken?
(45) Ja gelijcmen stercken en soeten wijn onder een can maken?

[fol. M3v, fol. 43v]
    Als ghy veersen wilt maken, ick u vraghe,
En met Petillus swaer saken hebt te doene,
Te wetene, wildy dan uwen behaghe
Vergheten u kints tale met herten coene,
(50) En ws vaders, dats d’lattijn, om wel te bevroene,
Suldy dan liever met gesochte Griecrsche woorden swaer,
Menghen u Latijnsche tale, soo Canusinus, die avont en noene
Dede nae des lants maniere openbaer:
Want sy spraken in zijn lant met twee tonghen aldaer,
(55) Dat was Griecr en Latijn, so wy weten:
Maer Pedius en Coruinus claer,
Inde Latijnsche tale hebben haer alleene wel ghequeten,
En haren tijt met arbeyt daer in hebben versleten,
Dwelck Orateurs waren groot gheacht.
(60) Daerom die veel weten wilt, dicwils den sotten slacht.

    Daerom als ick Griecrse veersen maken wouwe,
Als eene gheboren zijnde in Italien aenden zeecant,
Quirinus gheboot my dat ick sulck werc staken souwe:
Dat droomde my eens na middernacht, (want
(65) Sulcke fantasijen, naer sommighe lieden verstant,
Veel waer vallen) en sprack met woorden stout,
Wildy ghy als een dwaes quant,
Int Bosch, daert ghenoech is, draghen t’hout.
Dat is, der Griecken schriften oft sprake seer menich fout,
(70) Hebdy die liuere noch te vermeeren
Dan uwe eyghene tale? certeyn ghy flout.
Alpinus opgheblasen, die met zijn schriften cost onteeren
Memnonis doot, en met leelijck verseeren
Ghinck hier mede te werck, sonder fraudelijck schijn.
(75) Openbare ghebreken moghen wel ghestraft zijn.

[fol. M4r, fol. 44r]
    Mijn Satyren en sullen niet worden ghereciteert
In Apollinis tempel, dwelck ick hate,
Datmen dan om (daer Tarpa dordeel gheeft) argueert,
Noch in die Theatren vertoont worden, voor leege en hoogen van state
(80) En ghy Fondanus, van een hoer fier van gelate,
Subtijl condy ghy oock met heusch verwijt,
En hoe Davus Chremetem bedriecht, scryven met regel en mate
In u Comedien, daer ghy nu ter tijt
Die principaelste meester af sijt.
(85) Pollio can oock seer wel beschrijven
Der Coninghen gesten, menighen een spijt,
In zijn Tragedien, met constich bedryven.
Varius moet oock van de beste meesters blyven.
In zijn Epodos seer sterck en bequame.
(90) Yeghelijck crijcht na zijn werck een goey fame.

    Virgilius, die van de schaepherders heeft ghestelt,
En dan de lantbouwinge, fraey en soete,
Die wort oock van de principaelste ghetelt.
Daerom in mijn Satyras ick ook moete
(95) Verstant gebruycken, en dat ick niet oneerlijc en wroete,
GhelijckVarro, en meer andere hebben ghedaen
Te vergheefs: (teghen de beschimpers een boete)
En dat ick mach beter schrijven met goet vermaen,
Altoos wil ik minder zijn, en onderdaen.
(100) Lucilium, die hem de Satyras eerst heeft onderwonden,
En ick en wil oock niet, dwelck waer een dwaes bestaen,
Den laurieren hoet hem benyen tot gheenen stonden
Die hy tot grooten lof heeft (ick moet wel vermonden)
Verdient, wie sou daer segghen teghen?
(105) Met arbeyt en conste wort eere vercreghen.

[fol. M4v, fol. 44v]
    Dat ick geseyt heb, dat hy meer dant behoort
Overvloedigher is: tis waer, ick moet lijen,
Niemant van de zijne en moet daerom zijn ghestoort.
Ghy die geleert zijt, suldy een andere daerom benijen,
(110) In Homero, die een groot meester was in zijn tijen,
Oock gheen berispinghe vinden merckelijck.
Lucilius heeft hy in Accium sonder vermijen
Oock niet verandert, die nochtans clerckelijck
Heeft geschreven, en Ennium bespot sterckelijck,
(115) Om dat zijn veersen minder zijn van graviteijt
Dan de zijne: die nochtans schreef werckelijck
Hier voortijts, soo hy in zijn schriften verbreyt:
Maer al spreect Lucilius van hem (metten cortsten geseyt)
Straft hy zijn beter niet? Ia hy en daerom deur dien ooc,
(120) Dien een ander berispen wilt, moet hem selven besien ooc:

    Wat lettet, wy die Lucilius schriften overlesen,
Sullen wy niet moghen sien zijn boecken?
Oft zijn veersen? Die somtijts hert wesen,
En uyter natueren comen, en dat ondersoecken,
(125) Oft dat het werck sulcx eyscht met stout vercloecken,
Oft die soeter luyen en constich, oft behaecht u gelijc eene
Die voor den noene, weert om vloecken,
Twee hondert veersen maeckte, achtende cleene
Hoe dat sy waren, goet oft quaet, ick meene?
(130) En soo veel weder na de noene, met stoute cure,
Ghelijck Cassius Hetrusens verstant was onreene.
Die maeckte soo veel veersen, en gincker me dure,
Ghelijck een snelle loopende riviere tot elcker ure:
En zijn boecken werden verbrant, so de fame maeckte mentie.
(135) Weldoen, en veeldoen, is een groote differentie.

[fol. N1r, fol. 45r]
    Was Lucilius dan vrolijck, eerbaer in zijn stellen,
En oock overvloediger dan grovere voorwaer,
En deerste inventor (ick moet wel vertellen)
Van sulcke veersen, die de Griecken (tis claer)
(140) Noyt hebben ghebracht int openbaer,
Die langhe voor hem schreven als goey Poeten:
Maer dat hy nu in onsen tijt hier waer,
Hy sou veel dinghen (derf ick my vermeten)
Selve wtdoen, en al dat hem docht (soo hy sou weten
(145) Niet perfeckt te sijne) sou hy uytschrabben certeynlick:
En als hy om veerskens te maken waer gheseten,
Hy sou dicwils zijn hoot crauwen, alst niet net of reynlick
Na zijnen sin en waer, en op zijn nagelen bijten pleynlijck:
Want Lucilius oock sou bekennen moeten,
(150) Dat wy ons na den tijt al wennen moeten.

    Ghy die veersen schrijven wilt, die om lesen weerdich zijn,
Keert en herkeert uwen sin: noch doet pijne noch arbeyt
Om de gemeynte te behagen: maer wilt verdich zijn
Om alleene luttele (metten cortsten gheseyt)
(155) En de geleerde te behagen, en die groot zijn van digniteyt:
Oft wildy sot zijn, en daerom liever sulcx beghint,
Dat ghy u veersen in guyghelspelen verbreyt?
Voorwaer ick en den alsoo niet ghesint,
Tis my ghenoech, dat ick als een vrint
(160) Den verstandigen mach behagen, en andere niet achten:
Gelijt Arbuscula sprac, die onder de slechte nz en was bemint
En wert uyt Theatrú gesloten: Ic wil verpachten
Den lof vanden goeden, na mijn ghedachten:
En daer na behoort hem een elck te voeghen.
(165) Want d’onverstandige canmen seer qualick ghenoegen.

[N1v, fol. 45v]
    Meendy dat ick ben seer verveert oock,
Deur Pantilius berispinge, en my wilt versoeyen,
Oft dat my van Demetrius achterclap t’herte sweert ooc,
Ja oft dat Friuius ooc met sulc schimpen het wilt moeyen,
(170) Die Tigellius tafelvrient was, met onwijs bevroeyen:
Sulck volck en acht ick niet, gebruyckende geen verstant
Maer Plotium, Varium, die zijn van de goeyen
Moecenas en Virgilius oock, want
Die hebben wetenschappe, en Fuscus mede,
(175) Tis my ghenoech dat ick heuren lof hebbe valiant,
En twee ghebruers Visci begaeft met gheleerthede,
En dan Pollio, maer niet deur hooveerdighe sede,
En Messala met zijn broeder, in consten een heere.
Den wijsen te behaghen dat is lof en eere.

    (180) En ghy, ô Bibulus, Servius, en Furnus namelijck,
En noch veel meer andere, mijn gheleerde vrienden groot,
Die ick oversla, om dat te lanck sou vallen onbetamelijc:
Dese al t’samen begheere ick te ghenoeghen minioot,
Hoe dat mijn serifte zijn, in mijn herte sout zijn een gestoot
(185) Dat sy heur man behaechden, dan ick hope altijt:
Ghy Demetrius, en Tigellius moecht dan uwen noot
By u schoolkinderen claghen met verwijt,
Gaet mijn jonghen, schrijft dit subijt
By mijn andere schriften, niet om ydel glorie,
(190) Maer om alle saken te houwen in memorie.

                            FINIS.



[fol. N2r, fol. 46r]

¶ De Translateur aenden
goeden Leser.


Volghende de Latijnsche Autheurs van Horatio schrijvende, so heb ick oock het leven van Horatio op d’alder cortste hier in duytsche sprake aen ghevoecht.

QUintus Horatius Flaccus Venusinus, was gheboren in Apulia, in een stadt ghenaemt Venusinum, ende heeft ghehadt eenen vader, die om sijn eerlycke en deuchdelijcke manieren, van een onvrye, vry ghemaekt was, soo Horatius selve seyt: Quem rodunt omnes libertino patre natum, &c. En men seyt voorwaer, dat hy gheboren was twee Iaren te voren, eer Sergius Catelina daer oproer maeckte, ende in dien tijt datter veel Poëten ghefloreert hebben, ghelijck Catullus, Licinius Calvus, en noch vele Orateurs, ghelijck M. Cicero, Q. Hortentius, met noch meer andere, hier te langhe om te verhalen. Ende sijn vader heeft hem te Roomen ghebrocht, ende besteet by goede schoolmeesters (ghelijck [fol. N2v, fol. 46v] hy selve verhaelt) daer hy in alle scien- [p. 8] tien gestudeert en gheleert heeft, want hy van goeden verstande was. Ende doen hy daer ghenoech gheleert hadde, soo reysde hy na Grieckenlant te Athenen, om in die Philosophye oock te studeren. Hy was (soo men schrijft) eerlyck van manieren, en verstandich, soo dat hy daer deur van M. Brutus, een overste meester in theyr van Ruyters gemaect werdt: ende daer nae begaf hy hem weder tot de Poëteryen, dat hy een groot vrient van Moecenas werdt, de welcke een machtich ende gheleert Heere was. Ende daer nae soo gherecommendeert werdt aen Augustum den Keyser, die doen ter tijt noch int leven* was: En Valgius en Virgilius waren oock sijn groote vrienden. Men leest, dat hy van staturen niet seer groot en was, maer vollyvich, en met druypende ooghen. Sommighe segghen dat hy sterf in sijn .LVII. Iaren; Acron seyt in sijn LXX. Iaren: maer dat en connen wij voor gheen waer geseggen.



[fol. N3r, fol. 47r]
Ghy, eerbaer lesere, al hebben wij ons qualick gequeten
Hier int schryven oft int drucken correct, _ae duer qualyck toesien, laet dat onverweten, Sulcx oock niet te seer u aen en trect. ’_ is selden datmen vindt ghedruct perfect E enich boeck sonder fauten, en dan oock duer dien Liefde totter conste dickwils tghesichte bevlect. Een die hondert oogen hadde cost qualyck toesien.

IN ZOILUM

Zoile, quid rodis? Latius quòd Horatius aures
    En, modò Teutonica pulsitet arte tuas?
Non est quòd rodas: in vestros scripsimus usus
    Lusit & incomptum nostra Thalia melos.
(5) Nempe quòd Ausonius tibi sit plus durior aequò
    Flaccus, & is stomacho displicet ergo tuo:
Perlege Teutonicam (quamvis sit rustica) Musam,
    Convenit ingenio, Zoile, quippe tuo.
[fol. N3v, fol. 47v t/m fol. N4v, fol. 48v: blanco]
Continue
Vertaling door Jan van Hout van Ode II, 14.
In: Album Aelbrecht van Loo. UBL BPL 1753.

Hora: lib: 2. ode xiv.
Eheu fugaces Posthume Posthume

            Eylaes eylaes, hue vliegen zo
            Zeer snellic voort (o vrunt van Loo)
    Mit vlecken van de wint de schielic vliende jaren:
            Want d’un-betemde doot, vertrect
            (5) Geensins, of eerlic zijn bedect
    Met rumpels diep t’gesicht, den cop mit grize haren.
            Al waert ooc, dat op elcken dach,
            Gi offer-duende, dedet slach-
    ten hundert stieren vet, um d’altaers te verlaeyen
            (10) Des zwarten Pluto, die niet pleecht
            Van tranen brac te syn beweecht,
    ’t Gemuet is hem versteent, gi zult, hem, zo niet paeyen:
            Hem, die mit zyne druve vliet,
            Bedwungen hout, en geeft t’hebiet
    (15) Over dem Tityum en Gerions drie liven;
            Ja, allen die deur vruchten zuet
            Der vrucht-baer aerden, zyn gevuet;
    Langs zinen sulphur-re al tsamen mueten driven.
            Geen conings heerlicheit hue groot,
            (20) Geen fielen deerlicheit hue bloot,
    In dezen voor-deel heeft; gelijc zyn heer en bueren.
            Dan est vergeefs, dat men t’un-vreen
            Van t’bruyssen der bezeilde zeen,
    In ’t leven, zi geweest of um den crijch te vueren.
            (25) Dan est vergeefs, dat men (eylaes)
            Beangst was, voor t’dootlic geblaes,
    Biden geel-veruden uust, der midden-daechse winden:
            Uns lichamen een grote scha.
            T’ooch, muet doch later ofte dra,
    (30) Den zwarten Phlegeton, traech vlietende bevinden,
            Ooc Danaes un-zien geslacht,
            En Sisiphi verloren cracht,
    Daer tue hy es geduemt, voor eewen veel en tien.
            Uyt land’ en huis, werd gi gejaecht,
            (35) De scone vrou, die u behaecht,
    Als cumt de bleke strael, muet gi strax laten glien.
            Van al tgeboomt, by u gepoot,
            En volcht niet een, u in, de doot,
    U, haren corten heer, dan druvige cupressen.
            (40) Dan wert den alder-besten wijn,
            Die gi gesloten wildet zijn,
    Met sloten hundertfout, bi stopen veel en vlessen,
            Gedrunken, bi hem die geerft
            Zal hebben t’guet, dat gi nau derft
    (45) Eens pruven, ja de vluer, zal hi daer mede wassen.
            En tgelt, dat gi tsaem hebt gegaert,
            En uyt u buycxken hebt gespaert,
    Zal hi zeer gulselic, verslempen, en verbrassen.

            XI Sprockle XVCLXXVIII.
Continue
Vertaling door Abraham vander Myl van Oden II, 10; II, 18; Epode 2. In: Den slach van Lepanten. Des Conincx van Schotlandt, Iacobi des Sesten, tegenwoordich regerende. Van hem eerst beschreven in Schotsche Dicht, ende overgeset in Nederlantsche Dicht, deur Abraham van der Myl. Middelburg, Richard Schilders, 1593.
Gebruikte exemplaren: KBH 1704 A 24; Bibl. Thys. 1891.

[Herdrukt in Horatius’ Satyrae oft Sermones. Rhetorijkelicken overgheset door Cornelis van Ghistele. Tot Leyden, By Christoffel Guyot: In Salomons Tempel, 1599, p. 100-106.]



[fol. E2r]

Volgen noch sommige andere dingen,
overgeset ende gemaeckt deur den
selven A.V.M.

Horat. lib. 2. Carm. Ode X,

Datmen in alle dingen behoort maet te houden.

MEnsche, ghy sult beter leven
Wachtend’ u te veer te geven
    Op de diepte van het Meyr:
    Soo ghy oock niet voor tquaet weyr
(5) Vreesend’, al te nae de stranden
Qualick doet u Schip belanden.
    Die de gulden maticheyt
    Lief heeft, die pleecht wys bescheyt.
Die dan onder lecke daecken
(10) Niet en hoeft zijn woonst’ te maken
    Cruypend in een vuyle hutt’
    Welck den wint nau uyt en schut.
Die het haten end’ benijden
Van een groot Paleys can mijden,
    (15) Sijnde sober, end’ te vree’n
    Dat hy niet gantz wort vertree’n.
Dickmaels sietmen hoge bomen,
Worden deur storm wechgenomen:
    Hoe een Toorn heeft hoochte meer,
    (20) Hoe hy swaerder valt ter neer.
Veel eer sal den blixem treffen
Bergen die haer hooch verheffen,
    Dan een dal oft lege landt,
    Selden sticht hy daer zijn brandt:
(25) Een wel voorbereydet herte
Hoopt noch altijt inde smerte,
    Vant verdriet een beter tijt,
    Daermit dattet sich verblijt:
Alst oock siet al welgelucken
(30) Vreest het des Fortuyns loos’ tucken,
    Die haest voorspoet tegenspoet
    Maeckt, end’ quaet, dat rechs was goet.
Sietmen niet nu Winters-vlagen,
End’ dan weer schoon Somers-dagen;
    (35) Nu het weyr seer droeff te zijn,
    End’ dan weer der Sonnen schijn?
[fol. E2v]
Soo ghy nu t’quaet moet verdragen,
T’sal u daerom steets niet plagen.
    Phoebus meester vant gesanck
    (40) Vangt weer an het soet geclanck
Dat sijn Luyt had onderlaten,
Speulend’ lieflick boven maten:
    Hy en spant niet steets zijn boog,
    Noch en haelt hem op te hoog.
(45) Als u swaer benautheyt quellet
Ende tegen u sick stellet,
    Laet dan u sterck cloeck gemoet
    Blijcken inden tegenspoet:
Weerom, wilt u wijsheyt toonen
(50) End u soo met eer becroonen,
    Dat ghy wat u seyl inbint
    Als ghy’t al hebt voorden wint.



Tegen den Gierigen ende

Wellustigen.

Horat. lib. Carm. Ode XVIII.

TOt mijnent blinckt yvoor noch gout,
    Noch mijn gewelf siemen gout-stralen geven:
Geen balcken lanck van Cyperhout
    Bereicken daer mijn zuylen hooch verheven
(5) Van Marmersteen, welck was wel eer
    Int veerste deel van Aphrica gehouwen:
Ick hebbe niet het gelt oft cleer
    Noch t’Coninckrijck van Attalus behouwen,
Als Erfgenaem hem noyt bekent:
    (10) Ick heb oock geen eel joffers die my* spinnen
Fijn purpur-doeck, noch ben gewent
    In sachte zijd’ mijn harde huyt te winnen.
Maer goet geloof heb ick by my
    End van verstandt een passelicke mate,
(15) De rijcke man is selve bly,
    Dat ick sijnd’ arm, hem help’ ende niet verlate.
Nu ick en bidd’ van God niet meer
    Mijn rijcke vrient eysch ick geen grooter gaven,
Wel salich sijnde met dees eer,
    (20) Met mijn cleyn’ hoef end met mijn weynich haven.
Den eenen dach schuyft d’ander voort,
    End’ deene maent gaet d’ander maent wech iaegen:
[fol. E3r]
End’ noch gaet ghy (daer voor u poort
    De doot al staet) met d’arbeyts-lien verdragen,
(25) Dat sy voor u het Marmersteen
    Uythouwen, end’ seer kunstelick bewercken:
Ghy timmert huys’ soo groot als cleen,
    Daer ghy opt graf nu letten soudt end mercken.
Ghy poocht oock vast met swaer gebou
    (30) Den oever vast der Zee gaen wech te stoten,
Als of t’niet goets genoch sijn sou,
    Opt harde landt te hebben vele Sloten.
Jae, dat meer is, vant nabuerlandt
    Ruckt ghy, stout, uyt den schey-pael, end gaet halen,
(35) Ghy Momboor valsch, met diefsche handt
    Der Wesen Erf, om die an d’u te palen.
End’ ghy verjaecht naect ende bloot
    Uyt haer cleyn goet den armen man end’ vrouwe,
Welck dragen meed’ in haren schoot
    (40) Haer kinders cleyn, vol droefheyts end’ vol rouwe.
Doch dat ghy weet, ween wisser end’
    Sal immermeer den rijcke man verwerven,
Dan als hy sal met groot elend’
    Het doncker huys van Pluto gaen beerven.
(45) Waer wilt ghy heen? de aerd’ oprecht
    Wordt opgedaen niet meer den armen slaven
Dan s’Conincks soon, de swarte knecht
    Vant hel-huys heeft noch noyt, deur gulden gaven
Becocht, gheen Prins soo groot van macht
    (50) Deur d’ys’ren deur der hell’ uyt laten lopen:
Maer Tantalum end sijn geslacht
    Seer groots end trotz doe hy daer vast becnopen.
Den armen man, welck heeft volvuert
    Sijn moeyt end qwael, comt hy om te verhoren:
(55) T’sy dan dat hy met clagen truert,
    Oft niet, nochtans doet hy hem rust oorboren.


Den loff eens Landt-
mans levens.

Horat. lib. Epodon Ode 2.

O! Wel is dien, die verr’ vant Stadts-rommoer
Met lust bebout, als een rechtveerdig Boer
        Sijn landt end’ haef, dwelck hem heeft nagelaten
        Sijn vader cloeck, oft voor hem sijn voorsaten.
[fol. E3v]
(5) Gelijck t’out volck des eerste werelts plach:
Die niet behoeft te vresen s’woeckers dach.
    Noch als Soldaet geweckt wordt deur d’allarmen,
    Noch om den toorn der Zee behoeft te carmen.
Diet Richt huys mijdt, end nimmer nae en loopt
(10) Sijn voorspraeck valsch, noch s’gelts recht met recht coopt
    Maer die den ranck des wijnstocks vast gaet maecken
    An s’Populiers wijnstocks-trouwende staecken:
Oft inde leegt eens dals van verr’ aensiet
Sijn cudde gaen, dwelck hem neemt al verdriet:
    (15) Oft entend’ op zijn bomen vruchtbaer tacken
    Gaet d’onvruchtbaer met sijn capmes afhacken:
Oft giet sijn cruyck van nieuwen honich vol,
Oft van de ruyg’ schaepscud scheert af de wol:
    Of als den Herfst, verciert met rijpe vruchten,
    (20) Van sijn soet hooft een soeten reuck doet luchten,
Hy dan met vreuchd’ oft hier de peeren pluckt,
Oft daer een druyff schoon purpur-root afruckt,
    Met welcke gaeff hy Priapum gaet eeren,
    Die hy (slecht) meynt t’quaet van sijn Hoff te keeren.
(25) Nu lustet hem hier onder eenen booem,
Nu gins int gras te rusten mat end’ loom,
    Daer hy dan hoort een waterbeecksken srpingen,
    End int geboomt het bly gevogelt singen,
End dat deen stroom ruyst tegen dander stroom,
(30) Dwelck in hem baert een slaep end’ soeten droom:
    End’ soo mackt hy den Somer sick te nutte,
    End’ vindt sick rijck in sijn uytsteetsche hutte.
Maer als dan comt den stuyren winters tijt,
Welck snee end vorst verweckt van wijt end’ zijt,
    (35) Jaecht hy t’wilt swijn met honden inde netten,
    Die hy, daert’ heen moet lopen, weet te setten.
Oft hy hangt gins aent wit geboomt sijn haer,
Daer mit hy brengt de Quackel in gevaer,
    Oft hangend’ hier doornbeyers in de stroppen,
    (40) Vangt hy de Snip, die sich daer mit wil croppen.
Den Haes maeckt hy hier onclaer sijne baen,
Oft daer leyt hy een laeg duytheemsche Craen:
    End weet alsoo een soet loon te genieten,
    Dies hy sick niet en laet der moet verdrieten.
(45) Wie soud’ hier niet vergeten d’ongenoecht,
Der harde liefd’ die s’menschen hert deurploecht?
[fol. E4r]
    Soo hem dan noch een cuyssche Vrou helpt sparen,
    T’gewonnen goet, end’ kinders weet te baren,
Sulck een als is de goey Sabynsche vrou,
(50) Sijnd’ haren man in moeyt end’ arbey trou,
    Welck een goet vyer van goet drooch hout gaet boeten,
    Als haren Man vant velt comt met moe voeten,
End’ die de cud’ in hare horden sluyt,
End’ melckt de schapp’ haer stijve elders uyt,
    (55) End’ maeckt gereet haer ongecochte spijse,
    End’ tapt daer by haer selfs wijn goet van prijse:
O! dat’s een vreuchd’ daer voor geen leckerheyt
Ick wunschen soud’, hoe dats’ oock waer bereyt:
    Hier voor soud’ ick de truitten self versaecken,
    (60) De Makereel soud’ my soo wel niet smaecken,
Ooft wat oock meer de Zee beroert van visch,
Met een oost-storm mocht seynden op mijn disch.
    Een vogel dier my van seer verr’ gesonden,
    Soud my gewis ook gantz niet beter monden,
(65) Dan een Olijff rechts van haer tack geruckt,
Oft een salae’ versch uyter aerd’ gepluckt,
    Een Kervelmoes, daer in veel groenicheden,
    Den mensch gesondt, gescheerst sijn end gesneden:
Oft dan een Lam tot een boerfeest geslacht,
(70) Oft een iong bock getrocken uyt s’wolfs macht:
    O! hoe soet ist, dat dan men mach aenschouwen,
    Ter wyl men sit om dit banquet te houwen,
Gaen ras naer huys met eenen loomen moet
Eend’ d’ossen sterck met eenen loomen moet
    (75) Den ploech gekeert aen haer moe halsen slepen,
    Niet stootend’ hen aen ’thard’ gecnap der swepen:
Te sien alom langs tschoon en blinckend’ huys
(Als of het waer een woelich swarm-gedruys)
    Een groot getal van menich knecht end’ slave,
    (80) Welck gade slaen haer meesters goet end’ have:
Als Alphius de groote woeckenaer
Dit aldus seyd’ (gemaeckt een boer volvaer)
    Heeft hy sijn gelt alom vergaert met hoopen,
    Om stracks daer meed’ een Landt-hof te gaen coopen.

Continue
D.V. Coornhert: Lied-boeck, nu verbetert en verryckt. Amsterdam, Hermen Janszoon, [1575]. Vertaling van
Epode 2. [Herdrukt in Horatius’ Satyrae oft Sermones. Rhetorijkelicken overgheset door Cornelis van Ghistele. Tot Leyden, By Christoffel Guyot: In Salomons Tempel, 1599, p. 98-100.]



Lied-boeck
Dieryck Volckertzoons Koorn
herts: nu verbetert en verryckt.

Collossen. 3.
Leert ende vermaant u zelven met zangen
Lof zanghen ende Gheestelycke Liede-
kens inder ghenaden ende zingt den Here
in uwer herten.

t’ Amstelredam
By Hermen Janszoon, Fyguursnyder/
wonende inden verghulden Passer.



[fol. A7v]

Ode horatij. 2. lib. Epo. Beatus
ille. &c. Vertaalt.

Op de wyze: Psalm. 23.

Zaligh leeft hy met ons voor-Ouders rustigh
Die los en vry, van handeling onlustigh
Met ossen sterck, bouwt vaderlycke Landen,
Vant knagen vry, der woeckerighe tanden
(5) Hy scrikt niet door des krijghs trompetten bloedigh
En vreest oock niet der gholven toorn verwoedigh

    Des vierschaars twist, vermijt hy onpartydigh
En huizen hoogh, vol hovaardye nydigh
Hy houwelickt den Wynstock ryck volwassen,
(10) An Bomen hoogh, wiens rancken daarom passen
En ziet met lust zijn vette Melck-fonteynen,
Erkauwen tgroen van zyn grasreyke pleynen.

    Donvruchtbaar spruyt, zyn kloecke hand kan snoeyen
Die ent ghoey vrucht op stammen ghoed van groeyen
(15) Den Honingh zoet, perssen zyn trouwe knapen:
Die oock ontkleen zyn ruygh bekleede Schapen.
Als dherfst vruchtbaar, verghult de groene bomen
Met Appels gheel, die opten disch dan komen.

    Hy pluckt met lust veel nieu ghe-ente Peren,
(20) En druyven grof, als purper schoon vol eeren:
Daar met hy dan zy vrunden ghaat beschinken
Oock u Sylvam het vrolyck nat doet drincken
Int groene gras rust hy, bevryt van quaden
Een oude Eyck beschaut hem met veel bladen.

[fol. A8r]
    (25) Het pluymghediert zyn vrueghd met klank doet blyken:
Dat orghelt zoet natuurlyke muzyken,
Van klippen steyl verciert met wilde pruymen
Ruyscht snellyk daal, veel waters wit van schuymen
De Beexkens klaar al zuyzelende vlieten,
(30) Dees lust met rust, doen licht int slaap beschieten.

    Maar als het jaar treet op des winters weghen,
Met koude sneew, met haghel wind en reghen:
Sietmen hem rasch, met rassche honden jaghen
Het wilde zwyn, in zyn verborghen laghen.
(35) Of hy belaaght met dunn’ en blinde Netten,
Houtsnippen vet, die opt bedrogh niet letten.

    Een zoete vangst is oock de Haze duchtigh.
De valsche strick, bestrikt den Kraan hooghvluchtigh
Wie zoude niet in zulcke lust ghezeten,
(40) Wellustelyck des drux onlust vergheten?
Ja oock de Liefd, vol leeds door liefst ontberen,
Moet ruymen zelf, met al zyn zorghlyck deren.

    Is daar dan by, een Huysvrou kuysch en trouwe
Vruchtbaar en bli, daar blyft gheen druck of rouwe
(45) Een luchtigh vier van droogh hout ghaat zy stoken.
Teghen de komst haars mans vermoeyt van knoken.
Haar teylen breed, doet zy met melck vervollen
Vant vette Vee, en drooght dElders ghezwollen.

    uyt vaten groot zy vernen wyn doet trecken.
(50) Spys onghekocht laat zy den Disch bedecken.
Gheen Brugs Capoen, gheen roy Calcoensche Hanen
Gheen oesters vet, gheen Stuers verstuerlyck wanen
Verstuert haar Disch met twijffelycke spyzen.
Hoor eyghen kost zy voor de vreemd moet pryzen.

[fol. A8v]
    (55) Zy slaat een Lam, alst Lam voor ons most dogen:
Of teeder Gheyt, den fellen Wolff ontoghen
Men ziet met lust aan tafel ondert praten
De Schapen ruygh na tstal toecomen blaten:
En dOssen moed, met halzen neer ghesteghen,
(60) Den Ploegh verkeert sleypen tot rust gheneghen.

raas tal de werld, dees man leeft stil in luste,
velt God het hoogh, hy houdt hem neer in ruste
hof licke pracht, haat hy, en draaght hem buurlyck:
slach tende heel, ons Voorouders natuurlyck.
(65) coorn wyn en kleed vernoeght zyn Lijf gestadich
hert zin en moet danckt God, diet geeft genadich.

Continue

Pieter Janssoon Schagen bewerkte de tweede Epode in Den Nederduytschen Helicon, Eygentlijck wesende der Maet-dicht beminders Lust-tooneel. Jacob de Meester (Alkmaar), voor Passchier (I) van Westbusch (Haarlem), 1610. Gebruikt exemplaar: UBL 1196 E 37



[p. 233]
Dit t’aenhooren, [...] Ende also ick voonam dat te gaen ondersoecken, werde ick behindert, door dien ick daer tegen over eenen Lantbauwer (aen zijn werck staende) hoorde verre boven de Hofsche slavernije loven des
Landt-

Bauw-heers wel-leven.

WEl saligh duysentmaal is hy, die verr’ gaat woonen
Van ’tburgerlijc gewoel: die wijs hem gaat verschoonen,
Van ’tzwiergewuemel swart, des hoovlings, die verblind
Met staat-zucht heel beset, snackt na een hand vol wind:
(5) Die vry van gheld-zucht vlied d’onrustighe koophandel:
Die, wacker, haat der Rent-leegh-gaende luye wandel,
Om varsch krijg-logen-tieng: maar die als bauheer gaat
[p. 234]
Zijn Vader erflijck landt bebauwen vroegh end’ laat:
Diens land-lust oock bepaalt is, met zijn lendens palen:
(10) Die vry van hertstocht, end’ van het heet hoofdig malen
Des Nijds-venijn-tand, en sorgh-gierigheyts hert bang,
Gheniet de soete weeld’ van ’t Boere-leven langh,
In zijn slecht recht lant-huys, end’ eensaem vreden-woning,
Daer hy bemint, gheeert werdt als een kleyne Koning.
(15) De dodend’ Aconijt, het stieren-bloeds verghift,
’Tgheen Hercules aen nam van Dianires ghift:
En ’tbloedt-gheveselt, dat in plaets van minne-brocken,
Een eerbaar Maghet kan tot gheyle min-lust locken:
Kort om, noch Medeaas noch Candis konst ontijgh,
(20) Noch ’tgeen d’Italiaan braut met zijn Moorders vijgh,
(Om d’al te korten tijdt ons levens noch te korten)
En quam den Helschen Vorst noyt in de herten storten,
Van dit eenvoudigh volck, dat slecht end’ oock recht uyt
Dees Bauheer diend’ na wil, dies sorght niet dat hy uyt
(25) ’Tverweende goud-geschaalt, noch silver schoon plateelen,
Met dranc oft spijs, niet swelgt de doot door zijner kelen:
Want zijn Diog’nes schaal, vol van zijn beeckjens stroom,
Is zijn dranc-kroes en wijn, kaes, boter, melck en room,
End’ Aerd-vrucht, Boom-vrucht, van hem self bebauwt ten rechten,
(30) Zijn spijs zijn t’aller tijdt, end’ leckerste gherechten.
O wel gheluckigh Boer, die teer na neeringh stelt,
Die stats-bood, grjp-schout, noch verdaag-deurwaarder quelt,
Noch die Ploc-buersen niet en hoeft, om ’tgeen dat krom is
Te rechten door ’tschijn-recht, of t door het gelt dat stom is,
(35) Maar levende vernoegt, met ’tgeen hem God verleent,
Vindt niet dat hy begnort, noch min dat hy besteent:
Doch of hy schoon met druc, of t siect belaan mocht wesen,
Werdt hy haast van verlost, end’ soet’ljck van ghenesen,
Door ’t vroljc vederschoon, veelverwigh vlucht-gediert,
(40) Dat int geboomt springt, singt, vinct, quinct en tiereliert
So soet, dat ’tschijnt dat hy (als d’aldereerste Menschen)
[p. 235]
In’t lusthof woont, end’ bruyct het al na wil en wenschen:
Hier by komt ’truysoh-getier zijns beeckjens, dat soet lect,
Dat suyslend’, moeslend’, hem een slaep-lust soet verweckt,
(45) In ’t groen welrieckend’ gras, en boom-geblaarde lommer,
Daer hy geheel vergeet zijn druck, zijn sieckt end’ kommer,
Een vuyl bedremde lucht, in de stinck-straten langh,
En roert hem ’tbloedt niet om, in nare hettens bangh,
Als in’t Stee, daer men niet dan tusschen t’steyl gegevelt
(50) Een hantvol luchts anschout, beswalct, bedompt, benevelt,
Maer d’open Hemel, daar hy wacker onder leeft,
Hem staegh een grage maagh, end’ staghe eet-lust geeft,
So dat s’doots bitt’re krnys niet in zijn veld-hut komet,
dan heel spaad, als hy die (om d’Hemel-lust) niet schromet.
(55) Zijn sorglijck swervend’ schip, dwers drijvend’ op de Zee,
Is niet tot tijtverdrijf der licht draeywinden ree,
Noch als mallustigh, die bezeylen ’sweerelts hoecken,
Wil hy zijn eyghen doot soo verr’ niet loopen soecken,
Maar zijn melckpraempjen ranc, in’t ondiep water spoeyt
(60) na ’tvelt, daer hy het schuyft, oft daer hy’t kloet oft roeyt,
Veriatend’ nemmermeer zijn hofsteed’ uyt het ooghe,
Maar neemt zijn nacht-rust op zijn eygen bed in ’t drooge:
Hy kent gheen ander Zee, weet van gheen aar Rivier,
Dan van zijn beeckjen klaar, het gorgel-stroom ghetier:
(65) End’ dit zijn landt, dat hem in’t leven liet verwerven
Zijn levens onderhoudt, beaerd’ hem na zijn sterven.
Of nu zijn kassen niet altijt zijn vol ghepackt
Met purper kleeren, noch zijn gheld-kantoor niet sackt,
Van Spaansche kluyten veel, met eygen lammers volle
(70) Kleedt hy zijn huysghesin: zijn kelder leyt staegh volle
Met self ghemolcken dranck: zijn solders vol van graan:
Zijn schuer vol Hoy vol stroy, zijn stal vol beesten staan,
Hy brengt zijn leven niet in’t Hof ellendigh over,
Zijn wil en hangt niet aan het willen van zijn grover,
(75) Noch met gheld omghekocht, misbruyckt hy niet vol list
Zijn hoog begaaft verstant, tot schijndeugts kercken twist,
om door nieu waangeloof, ’tvreedsaem Gods volc te scheuren,
[p. 236]
Om t’oop’nen slands en ziels vyand, d’stads en ’sherts deuren.
Waalt hy van Heer, hy waalt van Evangely niet,
(80) Zijn huerlings-stijl en schrijft vleyboeck noch leugenlied,
Hy maeckt van muggen kleyn geen Oliphanten machtigh,
Maer levende sich selfs, en dienend’ Godt aendachtigh,
Is self zijn hof, zijn gunst, zijn Heer, die gants oprecht,
Singt, sonder aansien, ’tgheen hem boven ’therte leght.
(85) End’ of hy schoon den dagh heel overbrengt met ploegen,
Met saeyen, maeyen, oft met speten, delven, loeghen,
so vind hy doch staeg t’huys zijn huysvrau trau en vroed,
Die (teghen als hy komt uyt ’tveld, mat, af en moed)
Een vyer aenleyd, en koockt haar niet ghekochte spijse,
(90) En slacht een lam (dat ’tschaep geoond heeft) na lants wijse
Oft een stuck Ossen-vleesch, dat hy heeft self gheweyd,
Oft een salaadjen versch ghepluckt, end’ self ghezeyt,
Oft wel een kervelmoes, daar in veel groenigheden,
Tot ’s Mensch gesontheyt goed, gescherft zijn en gesneden,
(95) Hier toe schenckt sy hem dan haer niet gebraude dranck,
Maar ’toverlecker bloed van zijn hof s wijngaard-ranck,
Oft biedt hem, na zijn lust, uyt ’teenoord potjen aerdigh
’tsoet-sure wey, dat (voor die ’t wel mach) veel is waerdig:
Maar ’tsoetste noch van al, is, dat hy, alst hem lust,
(100) Snachts sonder ommesien in haar blancke armen rust.
daer hy syn suycker-vreugt (hoewel schaemroot int doncker)
Niet wislen soud’, om ’tbruyd-lofs bed van een groot Joncker.
Hy schrict niet ’smorgens voor d’allarems trommelslagh,
Trompets gheblaes en rust zijn lichaem niet ten slagh,
(105) Noch ooc zijn Hopmans straf bevel jaeght onvoorsichtigh
Hem niet uyt ’twarme bed, in’t koude graf so schichtigh:
Zijn soete sluymer-slaep, werdt selden eer ghesteurt,
Dan als zijn Haan hem kraeyt de melcktijd, dies hy peurt
Heel wacker uyt zijn bed, om ’trieck-geblomt t’anschauwen,
(110) Het welck den daag’raad vreemt met paarlen gaat bedauwen,
End’ op dees nieuwe dagh weer nieu vermaec bedenckt,
En vint noch uer noch stond, die zijn lust niet meed brengt:
Want de naar achterdocht hem dag noch nacht niet knaget,
[p. 237]
Oock zijn vyanden veel hy nemmermeer belaghet,
(115) Dan soo hy laghen leyd, zijn niet dan netten blindt
Voor ’twild, oft dat hy voor de snippen stricken bindt,
Oft schakelt een sood-baers, end’ Ael met d’elger sticket,
Oft dat hy met ’troer na een pot vol bouten micket.
Zijn bed-ghenoodtjen blijft niet loyen lang alleen,
(120) Maer trotsende de slaep, springt luchtigh op de been,
End’ kleedend’, hoeftse niet, talck, loodwit, noch biaken,
Om haer lijfs smetten op het cierlijckst op te maken.
Oft om met salf-vernis, oft cier-bedrieghlijck stof,
Te krjghen hier een maar gheleende schoonheyds lof,
(125) Noch geen bruyn-glad Christal, om (als een Pauw’ hovaerdigh)
Te spieglen thienmael sdaeghs haer wormen aes swartaerdigh:
Maar is vernoeght met haar natuers schoont ongehuert,
Die Godt haar heeft verleent, end’ onvernist lang duert,
Veel min in kleeding gaats’ (als pronxters) haar op toyen,
(130) Om sien end’ om ghesien te zijn als malle doyen,
Die savonts, smorgens, sdaags, gaan slingren over straet,
Recht of sy boven Mans, heel waren doen en laet,
Maar als huyshoudster kloeck, met opgestroopte armen,
End’ opgeschorte rock, gaat sy haar haast verwarmen,
(135) Aan ’thuys te schicken op: oft d’elders van het Vee
Te leghen van de melck, end’ maackt die weder ree,
(Dewijl sy vrolijck gaat een lieflijck lof sanck singhen)
Om Butter ende kaes te karnen end’ te wringhen.
Wie soud’ niet zijn belust, om soo landtwerck te doen,
(140) Na dien ooc Hooftmans, ja selfs Kaysers daer na spoen:
Als Scipio, die warsch van ’sHofs veyns-eer vertoning,
En ooc dien Keyser groot, die van een slaaf werd Koning,
End’ weer van Koning, Boer, haar ouderdom in’t woud
Beyd’ eyndighden, end’ soo ’tlandt hebben self beboud:
(145) So oock in d’eerste werld, al ons Voor-vaders heyligh,
Als Adam, Abraham, end’ Noach, die heel veyligh
In’t landt haar levens tijdt heel hebben overbracht,
Als kloecke bauluy, oft schaepherders, groot van macht:
[p. 238]
Want of de werld vast raast, dees Man leeft stil in ruste,
(150) Ghebruyckend’ eerlijck van zijn haaf zijns herten luste,
En danckt Godt, die hem gheeft te leven (tot zijn deel)
Hier als in’t Aerdsch, end’ hier na Hemels lust-hof eel.

                                        Door Ghenaa, is Christ onse Open.

Continue
I. de Hemelaer vertaalde de Ars poetica (Haarlem, 1612) — Ursicula

Huydecoper noemt hem Jan; er is ook een Joannes de Hemelaer, kanunnik in Antwerpen, met wie Hugo de Groot een aantal brieven wisselde en een Paraeneticon (dringend advies) van de Beschermengel bij de ontsnapping uit Loevestein publiceerde; maar het lijkt niet waarschijnlijk dat deze de auteur is van deze in Haarlem verschenen vertaling.



[
fol. A1r]

Q. HORATII FLACCI

Latijnschen Poeets Boexken,

DE ARTE POETICA,

Dat is:

Vande Wel-dichtens kunst,
Aende Pizones toegeschreven.

Ende in Nederlandschen rijme tot een proef stux-
ken van des gheests-spelige oeffenynge
vertaeld, duer I. de Hemelaer.

Voor KAREL van MANDER.

                     

Die met verstand goed onderwijs
End oeff’nyng liefd, kan worden wijs
Tot lof end nut: Maer weird veracht
Is hy, die dit niet t’zaem betracht.

[Vignet: drukkerij]

Gedrukt tot Haerlem, by Vincent Kasteleyn,
                                                                               
Voor Daniel de Keyzer Boekverkooper, op ’t
Zand in’t vergulden A.B.C. 1612.




[fol. A1v: blanco]
[fol. A2r]

Den

Gunstigen ende verstandigen


LEZER

S.

DIt Proef-stuk ongeciert, jae haestelyk ontvallen
Hem, die van dichtens-kunst int minst zijn werk niet maekt
Vrémd ist niet, zoo ’t by d’een of d’ander werd gelaekt,
Of spottelijk bestraft by veler waen-wijs kallen.

    D’een zal’t te duyster zijn, den ander slecht met allen,
Om dat het overhands maer simp’le slagen raekt:
De zulk’ ’tvry woords-gedraey of stoute vond niet smaekt:
D’a’er zal op spellen-wyz’ of taels onzuyv’rheyd rallen.

    D’onkond van ’sschryvens eeuw bryngt by de duysternis:
In lang werk simpel dicht licht te vergeven is:
In’t wél’ge woords gekeer men graeft uyt rijkdoms mijne.

    Som bastaerd-woorden zijn in ’serfdeels vry besit.
Elk spell’ op ’t klaerst’: en treff’ wat naer ’tvertalens wit.
Zoo dit maer een behaegd, dan yg’lijk zeg vry ’tzijne.
I. D. H.



[fol. A2v]

Aenden
Konst-rijken Dichter, ende kloeken
Schilder
KAREL van MANDER.
mijnen goeden vriend, op de vertalinge van deze Horatij Wel-dichtens-konst.

S.

WAt dwingt Themistokles, dat hy, noch kleyn in d’oogen
Van’t Griexsche Vaderland, gaet zwermen ’snachts langs straet?
En of de Zonne rijz’ of gae te Gode spaed,
Geen zoete-slaeps gemak, noch rust hy kan gedoogen?


    (5) Miltiads wapen-roof, die tot zijns naems verhoogen
Hem zég-rijk héft gesteld in zoo vermaerden staet,
Dat elk een die voorby zijn schoon’ Trophéen gaet
Moet zijn beroemde eer in d’Hemel t’heffen poogen.

    ’Tis recht: en insgelijx (hoewel in ander stof)

(10) Uw’s arbeyds zoet beloon met Klaer vermaerden lof
Vermander uyt mijn geest verjaegt héft ’tzorg’loos dromen.

    Zoo dat ik ’sDichtens-konst heb durven vangen aen:
Hoewel ik onder u wel lang most ’tschole gaen
Eer ik het minste blad uw’s lauw’rhoeds zou bekomen.

2.
DAer dólter meer met my, die in konst onbedreven
Yet boven schouders last waen-wyzelijk bestaen,
Maer u goed-aerdigheyd my moed géft onbelaen
Dat d’eerst verzoekens feyl zal lichtlijk zijn vergeven.


[fol. A3r]
    Horatij oordeel scherp in dezen Boek beschreven
Met wel-gegronden zin, en woorden wel gedaen,
’Tgemeen vermetel dicht ontblinthokt van zijn waen.
En ’tsticht niet slechts de penn’, maer ’tregeld ook ons leven.

    Doch wat ’tmijn is of niet, hoe kleyn ’took is van weirden:
U gonst het héft verwekt, u gonst zalt ook aenveirden,
Niet als een vondeling, maer als een wettig kind.

    Ik draegt u gantch’lyck op, en stelt heel uyt mijn zinnen:
En, wan ’tmaer in u huys een kleyne plaetz’ mag winnen,
Kastijd het vry in ernst zoo gy’t te rade vind.


Na eirde Hemel.



[fol. A3v]
’t Inhoud dezes Boeks.

Flacci verstand spits-vindig ons hier leerd.
Wat kloeker kunst vereyscht ’tverstandig dichten:
Hoe een Poëet vermaken zal, en stichten.
Wat hem geeft prijs, en wat zijn werk onteerd.



[fol. A4r]

Q. HORATII FLACCI

DE ARTE POETICA,

Dat is:

Vande Wel-dichtens kunst,

Aende
Pizones toegeschreven.

Uyten Latijnschen in Nederlandschen rijm vertaeld
voor KAREL van MANDER.

INdien een Schilder slecht een menschen-hoofd gyng trekken
Op eenen peirden-hals, en dan vél ved’ren strekken
Langs ’tlichaam onbeschoft van alle kant geraept:
Zoo dat een vrauwen-béld van boven naer-ge-aept
Quaem onder in een vischs geschobde steirt te enden:

(5) Wat dunkt (mijn Vrienden) u, men gyng dan om u zenden
Om ’twerk ter kuer te zien, en dat gy’t hadt beschoud,
Of g’u van lachen ook wel houden konnen zoud?
Geloofd
Pizones my, dat zulk een Tafereele
(10) Dat Boek gelijk zal zijn, dat met verscheyden veele
Lap-stukken is gewracht, eens ziekens droom gelijk,
Zoo dat noch hoofd noch steirt doe eenes lijfs geblijk.
Maer, zegt gy, ’tis van ouds het recht (zoo wy bevinnen)
Dat Schilder en Poeet elk volgt zijn eygen zinnen.

(15) ’Tis waer, ook dat verlof ik licht’lijk géf en ném:
Maer niet dat streken straf fluks volg’ een zoeten tém,
Niet dat Serpenten fel hen met ’tgevogelt paren,
Of dat de Tygers wreed by Lammeren vergaren.
    Wy zien dat meesten-tijd in een stuk-werks begin,

(20) ’Twelk schijnd vél treff’lijkheyds te zullen hebben in,
Een moyen lap of twee van purpur fijn geweven
Werd aengeflikt, die wijd een klaren glants komt geven.

[fol. A4v]
Gelijk wel alsmen ’tbosch of ’toutaer van Diaen,
Of ’t Bérken dat om ’tland komt ruyslijk spryngen aen,
(25) Beschrijven gaet, of hoe den Rijn-stroom neder-vlietet,
Of hoe den regenbóg zijn vochte wolk uytgietet.
Maer ’t quam hier niet ter staeg: Of kond gy maer alleen
Naebootzen een Cypres? hoe komt dat inde re’en,
Indien hy die u ’twerk bestéd, begeird na ’tleven

(30) Hoe hy in schéps verlies quam naekt aen land gedreven?
Begonnen wast een kruyk daer ’twiel-gedraey behend,
Wat maekt gy dan daer uyt een water-pot int end?
Het zy dan wattet zy, en hoe gy’t myngt of brouwet,
Maekt dattet simpel is, en eenen voet behouwet,

(35) Bryngt altijds ’teerst met ’tlest en ’tmiddelst t’zamen rond
En dat de leden zijn van’t lichaem gantsch gezond.
    Wy Dichters alle meest, ’tzy Vaders ofte kinders,
Ons oordeel inde kuer van’t best, doet ons meest hinders.
Ik zoek een korte strek, maer duyster werd met een

(40) Mijn reden: Hy zoekt ’tzoet, zijn dicht héft pit noch zé’n.
Een ander doet zijn moed en groot voornemen razen,
Maer ’tis maer ydel wind, dat zijne kaken blazen.
Die weder hem by d’eird voor hooge stormen wacht,
Hy tréd maer voet voor voet, en kruypt al vél te zacht.

(45) Dez’ wil een zake rijk verscheydelijk vercieren,
Hy maelt Dolphijns in ’t wout, en Beyren in Rivieren.
Zoo ’tschuwen eenes feyls niet schied’ met goed verstand,
Gemeenelyk men valt van d’een en d’ander schand.
    Ontrent
Emilij schól de minste bélde-gieter
(50) Zal fijn de nagelen, en ’thayr van Jan of Pieter
Naebootzen met een grép, en ’teen of ’tander deel
Maer om een goed vertoog van’t lichaem in’t geheel:
Dan isser niemant t’huys. Zoo’k dan yet dichten woude
Zoo noode ik voorwaer, den zulken slachten zoude,

(55) Als of ik hadd’ ’tbruyn hayr en d’oogenbruyn verzeld
In’t aenzicht met een nues heel krom en slim gesteld.
    Gy schryvers dan, op dat g’yet lésbaers bryngt voor oogen,
Némt een matery elk gepast nae u vermogen,

[fol. A5r]
En overlegt wel scherp, jae wégt met juyst gewicht
(60) Wat tot u schouders last te zwaer is of te licht.
Die zoo ’tverkozen stof, héft met zijn macht verleken,
Hem zullen schoone woord, noch ’tklaer vervoeg gebreken.
Dit is de rechte duegd en gracy (zoo ik gis)
Van goede ordenyng, datmen niet volge wis

(65) Een even rechten draed, maer datmen ’teen nu zegge
Zoo’t eerst gezeyd wil zijn, en dikwyls wel verlegge
Op een bequamer pas ’tgen’ datter volgde naer:
Dat hier men ’teen verkiez’, en ’tander volgde naer:
    Ook in u woordens kracht gy moet zeer kuer-wijs wezen

(70) ’Tvoegt wel indien een woord met oordeel uytgelezen,
Hem voordoet in u re’en nieuw snoflijk t’zaem geknocht,
Byzonder alsmen yet verborgens héft bedocht,
Dat men met nieuwe woord’ op’t duydlixt kan verkonden.
Zoo buerd dat dik den strék gevoeg’lyk word gevonden

(75) Die by ons oud’ patroons bekend was noch gehoord.
Zoo gy dez’ vryigheyd met goed verstand oorboord,
’Tzal u gelukken wel, en ook de nieuw-verzierde
Duyd-woorden, alsmen die wat draeyende bestierde
Gantsch op den nieuwen aerd, zy krygen haest kredijt.

(80) Hoe zal Vergilij oft Varij verwijt
En schand zijn, dat ons volk
Plaut’ en Cecijl toelaten?
Ik med’, indien ik wat kost vinden t’onzer baten,
Waerom benijdmen my? zoo doch
Katonis tong
En
Enni geest ons spraek gerykt héft, en vél jong’
(85) Sprék-woorden héft gebaerd? ’tis g’órlofd en ’tzal’t blyven
Met nieuw gevalueerd’ woord-munte ’tnieu beschryven.
    Even gelijk als’t bosch ’tloof jaer voor jaer verschiet,
’Toud’ rijst, en* ’tnieuwe groeyd, niet anders ist ook ziet,
Met woorden: zoo dat dez’ duer oudheyd achterblyven,

(90) En d’ander juegdig groen schoon bloeyen en beklyven:
Wy altezaem, en al dat ons of roerd of raekt
Zijn even te gelijk ’sdoods schuldenaers gemaekt.
’Tzy dan of schoon de zee binn’ d’aerdsche wal gekeeret,
(Een Koninx-stuk) ons vloed van noorder buyen weeret,

[fol. A5v]
(95) Of dat een staende Meyr met riemen vaek duersne’en
’Tploeg-kouter nieuw gevoeld, en spijsd de naeste ste’en:
Of dat een snel Rivier, quaed vriend van’t groen-bezaeyde,
Zijn ouden bodem moed’ elwaerts zijn loop verdraeyde.
Jae alder menschen werk vergank’lijk isset al:

(100) Vél min dat blyv’ in stand het lichte spraeks geschal.
Vél woorden die nu gantsch vertré’n zijn onder d’voeten
We’r zullen ryzen op, ook zullen haest’lyk moeten
Versterven zulke nieuw’ als nu zijn in haer eer,
Zoo ras ’tgebruyk beliefd te nemen zijnen keer.

(105) In welkens macht het is glants, kracht, bequame streken
Te gunnen al de re’n, die onze tong’ kan spreken.
   
Homerus héft voor ’teerst’ ons wel gewezen aen,
Met welke rijm en voet men zal te recht bestaen,
Te schryven ’toorlóg droev’, end al de kloeke daden

(110) Van menig Vorst en Heer in krijgs-tocht wel beraden.
    Met vérsen lang en kort in’t eerst men zong maer klacht:
Daer nae zoo héftmer ook wel bly-stoff’ ingebracht.
Maer doch wie eerst in’t licht gebracht héft d’
Elegien
Onzeker ist, zoo noch de Wyzen daerom stry’en.

    (115) Men weet dat aldereerst Archilochs haet en nijd
Zijn
Iamben steld’ in’t werk ot wapen van zijn spijt.
Dez’ nu het Batement en ook het truer-spel grootzig
Hebben t’hemwaerts gekeerd, gebruykt bequaem en bootzig.
Want ’tis een maet gepast in wood en weder-woord,

(120) Om boven ’tvolx geraes geschichten stellen voord.
Op’t snaer en lieden-spel
Urani’ heeft gegeven
Te zyngen Gode lof, Gods kind’ren ook verheven.
Of hier de eer’ eens helds in kampen-zég gekroont,
Of daer de snelste ren eens roschs met palm beloont.

(125) Of ook des jong-volks minn’, en onbezorgde zorgen
Of ’t vrolijk wijn-gelag, en ’tschertsen tot den morgen.
Indien ik niet en kan wel voegen ’twerk in een,
Of ook wel schoon in d’oog opsmoken zijne le’en,
Wat groetmen my, Poeet? wat wil ik eer met schamen

(130) Onwetend’ blyven, dan noch leeren naer ’tbetamen?
[fol. A6r]
Het boertig batement, wil niet met moeyge re’en
De truer-spelen bequaem gedicht zijn, noch ’tgeween
Van een
Thyests banket beschreven niet gedichte
Als meenteluyden klap, licht-vloeyend’ zonder wichte.

(135) Het moet zoo ’teen als ’ta’er gevoegd zijn in zijn sted’,
Zoo hoog of nederig als elke zaek brengt med’.
Somtijds ’twel buerd nochtans, dat bly Komedy-spelen
Verheffen haren stijl, byzonder als komt quelen
Een
Chremes moeyelijk, en kijft met volle mond,
(140) Gelijk Tragedy-spel in klacht wel zijgt te grond.
Peleus en Telephus, elk balling arm met allen
Laet haest zijn trotzen moed, en grootsche worden vallen,
Indien hy wil dat ’thart des schouwers zy ontzet.
’Tis ook niet al genoeg, dat by ons word gelet

(145) Op redens schoon cieraet, zy moet ook hebben smake
Zoo, dat zy duer het oor des hoorders hert gerake.
Zulx ist, dat als een lacht, hem werd ook toegelacht:
Schreyt een, des anders hert bewégd hy ook tot klacht.
Daerom gy moet met ernst bedroefd zijn wel te degen

(150) Wild gy meedoogentheyd in mijne borst bewegen.
Ghy
Teleph, en Peleu zoo gy gemaekt en loom
U klacht sprékt, ’tmoeyt my niet, ik lach of val in droom.
Een wezen vol van druk betaemd de droeve woorden:
Een toornig dreygement betaemd recht den verstoorden:

(155) En jokkend’ bootzig woord op dertel-geest wel snaert,
Den strangen, strang re’en met wyzen ernst gepaert.
Want zelfs eerst ons natuer ons vormd genoeg van binnen
Tot alderley geval, zy drijfd met kracht ons zinnen
Tot blydschap, of tot toorn, of werpt ons hooge moed

(160) Wel haest duer zwarigheyd ter ne’er onder de voet.
En dan zoo stouw’t zy licht voor dag duer tolk der spraken.
Al zulke storingen als ’therte heftigst’ raken.
Indien de re’en dan niet geparst zin naer ’tgeval,
Zoo e’elman als one’el u Dicht bespotten zal.

    (165) ’Tzal wezen groot verschil of daer een rijk komt spreken
In wéldens dertelheyd, of d’arm’ als vol gebreken:
[fol. A6v]
Of dan een treff’lyk man bedaegt en wit behayrd,
Of ’tvloeyend’ boblend’ hert eens Jong’lngs ongebaerd
Of een matroon van staet, of een bezorgde minne,

(170) Of Koopman wijd bezeyld, of ’tboerig land-gezinne:
Een
Kolcher rouw en koud, of zachte Assyriaen,
Een Griek in’t kloeke
Atheen gevoed, of een Thebaen.
    Volgd in u werk de faem, of volgd het best betam’lyk.
Hebt gy
Achillem voor, béld zynen aerd bequaem’lyk,
(175) Fluks, wakker, groot van moet, heet, onverbidlyk, straf,
Hy pass’ op recht noch re’en, dat zy hem vél te laf,
Hy zy (ontwassen als) in rechts dwang onbeladen:
Hy achte’t al goe prijs voor kloeke wapen-daden.
U zy
Medea wreed, Ino met droeve wang,
(180) Ixion valsch, Io wilt-loops, Orestes bang.
    Bryngdy wat op’t tooneel dat nooyt en is verschenen,
En dat ghy u verstout een nieu persoon met eenen
Te toonen in u werk, bryngt hem als voor zoo nae
Eenparig zijns gelijk, zoo gy eerst vond te rae.

(185) ’Tis al geen kleyne konst wat eygens wel te toonen.
Gy zoud ook d’
Ilias met eer of minder hoonen
Bryngen in’t batement vél beter dan gy zoud
Yet eerst en ongezeyd voord-doen met moede stout,
Gemeen geschiedenis u eygend gy met pryze,

(190) Treft gy niet slechtelyk ’tgemeen gemeentens wyze,
Maer zoo gy ’te’elste stuk of merkelijkste daed
Uyt-kippend’ met verstand bequam’lyk vooren slaet.
    Als gy ook yet vertaeld, gy moet niet angstig poogen
Met al te houten dwang woord maer voor woord vertoogen,

(195) Op dat gy niet met re’en onaerdig en gemaekt,
Duer een te nauwe Wet in schaemtens strik geraekt.
    Als
Cyklikus ook niet u aenvang zy bevonden:
Ik
gae Priaems fortuyn, en ’tedel oorlóg konden.
Wat zal den blaes-kaek doch voord bryngen zulk gedruys?

(200) De Bergen zwanger gaen, zy baren dan een muys.
Hoe vél te beter hy die’t zelfde héft begonnen,
Hy, die geen eenig point onschiklijk héft verzonnen?
[fol. A7r]
,, Zegt my, o Konst-Godin dien man die na den val
,, Van Trooyen gantsch verwoest, zeer menig berg en dal
,, (205) Duer-dwaeld héft, en geleerd verscheyder volken zeden,
,, En met opmerk beschauwd haer wonsten, land, en steden.
Ziet hoe hy geenen rook géft nae een klaren glans
Maer uyt een slechte wolk een licht voord bryngt te hans,
Op dat hy gae daer nae de scoone en vrémde dyngen

(210) Antiphates, Charybd, Schyl, en den Cyklop zyngen.
Diomeds wederkomst hy niet zoo verr’ begind
Van
Meleagers dood, ook ’tklo’en hy niet ontwind
Van
Trooyens lang beleg, vant eird dat Leda ’teye
Met eenen drylings doyr duer ’tzwaens bevochlen leye.

(215) Hy dryngt al voords na ’teynd en trekt d’hoorders behend
In’t midden des gezichts, of ’teerst al waer bekend.
En ’tgen’ hy zorgd dat niet wel blynken zouw te degen
Dat gaet hy licht voorby, of laet het achter wegen.
Zoo liegt hy dan te mets, of meyngd de waerheyd vél

(220) Dat ’teerste niet van ’tmid, noch ’tmid van ’tend verschél.
    Voords hoord wat ik en ’tvolk met my op’t liefste hooren,
Indien gy met geduld gebruyken wild ons ooren,
En gaern zaegt datmen zat’ tot dattet spel waer uyt,
En tot den Zanger roept, maekt handschal overluyd.

(225) De zeden gy voor’t eerst elks ouderdoms moet kennen,
En hoe hem elks natuer en jaren stéds verwennen.
    ’tKind dat zoo eerst begind te klappen, en nu vast
Zijn voet-tre’en drukt op d’aerd’, op’t spelen ist gepast
Met zijne even-oud ’tis haestlyk gram en stuyre,

(230) Strax wé’r gepaeyd, en zoo veranders t’elker uyre.
    Een jongman ongebaerd, wiens leydsman paspoort héft,
Zijn zin is ros en hond zeer gaern in’t veld hy léfd,
Hy is niet dan een wasch om ter onduegd te keeren,
Wé’rspannig is hy dien die ’traedzaem goed hem leeren:

(235) ’tprofijt zeer traeg hy ziet duerbryngig wulpsch en wild,
Ook moedig, vol begeirts, haest latend’ ’teerst gewild.
    Hier tegens ’tmanlijk hert en ouderdom gaet trachten,
Nae ’t goed, nae vrienden gunst, nae hooge staetsche prachten
[fol. A7v]
Nae eer’, nae mogentheyd, geen dyng het nooder zouw’

(230) Bestaen, dan ’tgen’ hem bryngt veranderlijk berouw’.
    Den ouden gryzaert queld hem zelfs met moeylijkheden,
’Tzij dat hy zoekt het goed, en niet en derf besteden
Tot nood-drufts kleyn behoef, of dat hy al zijn doen
Vreez-hertig kouw’lijk doet, en nimmermeer kan spoen:

(235) Dwersdryvig, klagens vol, en stedig tot verwijt
Der jong’ luyd’, pryzend’ slechts den oud’ voorleden tijd.
    De jaren wassende vél oorbaers bryngen meden,
Z’ontnemen ons ook vél als zy afwijkig treden.
Op dat dan niet ’tbetaem van elk eeuw werd gestoord,

(240) Zoo moetze ’sommestands bequaemste bryngen voord.
    Ofmen spéld voor ’tbehang des schau-plaets onderlyngen
Yet schi’end’ in ernsten moed, ofmen verhaeld de dyngen
’Tgen’ slechs maer door ’tgehoor in ons verstandendaeld
Op nergens nae zoo vél beroerts in’t herte maeld,

(245) Als ’tgene datmen ziet met trauwe eygen oogen,
En ’tgen’ d’aenschauwer zelfs hem in-béld onbedrogen.
Nochtans en zult gy niet ’tgen’ binnen moet geschien
Vertoonen op’t tooneel ten aenzien vande li’en,
Maer achterhouden ’tgen’ bequam’lyk zonder falen

(250) De tong’ des waerheyds tolk flus komen zal verhalen.
Gelijk als oft Medee haer kind’ren most verdoen,
Dit schiede niet voor ’tvolk: Ook
Atreus niet zoo koen
U werd, dat hy daer ’tvleesch der kinders koken hange:
Of
Progn’ een vogel werd, en Kadmus eene slange
(255) Of zulx wat wonders, ’twelk d’aenschauwend’ nieuteman
In ernsten moet te schien hem niet inbélden kan.
Want al dat gy my daer zoo bott’lyk komt vertogen,
Ik g’loov’t niet of ik’t zie, ja weet het is gelogen.
In’t spel ook dat geschauwt mag worden ende wé’r

(260) Op zijn bequame tijd zal wachten eens zijn keer,
Om noch te zijn ge-eyscht, houd dit voor eene loze,
Dat het juyst kom’ ten eynd’ met zyne vijfde poze.
Dat ook geen God zoo haest hem toon’, dan by gebrek’
Van een’ge zware zaek, dat ook de vierd’ niet sprek’

[fol. A8r]
(265) Dan weynig en ter nood: Hier by onthoud een leere,
Dat des Poeets persoon het Choor dan presentere:
Dat ook der Kralen stem niet tusschen beyd’ en zyng’,
Dan woonden ten propoost en heel bequame dyng.
Hier kan hy bryngen in tot sticht der wel-bezinden,

(270) Den lof eens goeden daeds, ’tverzoenen van goed’ vrinden,
En hoe een toornig hoofd in gierig wraeks verlang
Zijn evel koelen moed, en houden ’thert in dwang.
Hier liefd hy die die zijn afschrikkig vande zonden:
Hier prijst hy ’tkort banket’ in sob’rheyds maet bevonden,

(275) En dan duer ’theylzaem recht een onbesloten duer,
’Tsekrét hy hier bewaerd, en bid God ook ter kuer
Voor der verdrukten spoed, en dat hy’t trotzig leven
Duer ’savontuers gedraey wil straf na werken geven.
    De fluyt was voortijds niet met zilver nochte goud

(280) Beslagen, ook niet groot schalmeye-wijs, maer ’thout
Kleentjens zeer slecht en recht, en niet met zoo vél gaten
Quam fraeykens ’tkoor-gezang met zijn geblaes te baten
Niet boven-schreeuwende de stemmen over al
Noch quetzende ’tgehoor met een te hell’ geschal:

(285) Maer zoo vermakelyk aenslaend’ in’t stoelte d’ooren,
Vant kleyn en telbaer volk, dat vroed en ze’ig quam hooren.*
Nae dattet héft begonst de grenssen zynes lands
Zég-rijk te breeden uyt, en dat der wallen schans
Is wyder om de stad verleyd, dat daer beneven

(290) Men héft vry opens duers vél overwélds bedreven,
Vierend’ elk heyl’gen dag met goed’ cier inde wijn,
Zoo héft m’ook in’t Muzijk vryder begonst te zijn,
Want anders zoud’ by boer de stee-luyd’ pruets bedorven,
Nae werx verlof gemyngt, in’t spel genuychte worven?

(295) Dies héft den Pyper dan zijn konst duer wéld’ vermeerd,
En sleypt lichtveirdig nu langs ’tstoelt’ zijns tabbaerts steert.
Zoo héft dan ’tsnaren-spel wijl ernstig hem verwéldet,
Ook d’oud’ welsprekens gaef konst-vloeyig sich verbéldet:
Zoo is gevijld ten lest’ ’tvernuft voorzichtig wijs,

[fol. A8v]
(300) Dat het jae nauwlyks gund het Delphsch’ orakel prijs.
    Die eerst met truerspel-dicht om eenen bok gyng wedden
Gyng fluks daer aen ook bloot de wilde Satyrs redden,
En (onbekroond zijn ernst) als ’tzinne-spel was uyt,
Dacht ook daer voegen by d’ouboll’ge zotte-kluyt,

(305) Duer dien te houden was met nieuw’ en lachbaer vonden
Den kijker, naer den dienst beschonk’n en ongebonden.
    Maer ’tschimpig Satyr-spel na ’twijs men zoo bryngt best,
Datmen niet voor en stel, noch toe en laet op’t lest
Dat of dan eenig God, of grooten Heer van weirde

(310) Met laege woorden cruyp in een stroy-hut by d’eirde:
Of dat hy niet verwaend zoo ’tlaeg te schuwen poog,
Dat inde wolken yl hy fluks vervlieg om hoog.
Zoo zal’t Tragedy-spel dan met bedachte zeden
By ’tzotte Satyr-schimp, zoo wijs en kuerlyk treden,

(315) Als een duegd-rijke vrauw niet legt haer schaemte gans,
Wan zy des heyl’ge daegs haer vind aen eenen dans.
    Zoo ik ook Satyr-dicht zouw schryven, ’kzal niet minnen
Vél ongecierde re’en en trotze namen vinnen,
Zal ook niet poogen zoo te toonen wat verschil

(320) Dat héft dit schamper-rijm van’t hoog Tragedy-spil
Datmen niet eens en merk het onderscheyd van woorden,
’Tzy ofmen
Dani re’en, of d’arge Pithias hoorden,
Als zy den
Symon oud aflurkt een goud-stuk zwaer,
Of datmen hoor
Sileen des wijn-gods minnevaer.
    (325) Ik zal ook zoo mijn slot bekenderwijs vervoegen,
Dat yderman (hem dunkt) zal’t nae-doen tot vernoegen:
En als hy’t dan al héft begonnen op zijn waen,
Dat hy zijn arbeyd spild, en ’twerk moet laten staen.
Want in’t vervoeg en kuer is zoo vél konst te toonen,

(330) Datmen gemeene spraek maekt weirdig ’slofs beloonen.
    Ook myden moeten zeer de
Faun’ uyt ’tbosch gebrocht,
Dat zy niet als gevoed in sted’, duer rijm gewrocht
Met al te teere woord’ en delikate dichten,
Of al te boefsche re’en haer toehoorders onstichten,

(335) Want zulks de Ridderschap en luyd’ van macht en staet
[fol. B1r]
Hem belgen’t: ende niet ’tgen’ hier een vent aenstaet
Die komeny van gort en rijs houd, oft van noten,
En geven zy den prys, maer dikst aen zullks z’hen stooten.
    Een Syllab’ lang nae kort vervolgend
Iamb men heet.
(340) ’Tis eenen voet zeer rad, daer duermen de dry breed,
Slach-regel Iambisch noemd, alst géft zes volle slagen.
Elk slag den eerst gelijk, zoo m’in voorleden dagen
Gebruykt héft, maer daer nae ist niet geleden lang,
Dat het om vast te gaen met eenen trag’ren gang,

(345) Héft in d’oneffen plaets ontfangen lang spondëen,
Hem voegend’ nae den eysch, niet dat’t uyt zijn gele’en
Van tweede en derde plaets licht wijke: zulkes bin
Acci Trimetren schoon of Enn’ ik zelden bin.
    Die versen diemen meest komt op’t tooneel verkonden,

(350) Gemeenlyk haestig werk, wanslepen, ongebonden,
Of wel een werk geblokt y’el van verstand beschaemd.
Doch yeg’lyk oordelaer niet straks de fauten raemt,
En ons gemeene tael men licht yet toe wil geven,
Zal ik des onbeschaemd my niet vermyden ’tsneven?

(355) Of zal ik dynken eer mijn fauten yeg’lyk spoord.
Doch blijf ik onbela’en op oorlofs hope voord.
Maer wat ist, ’kmag zoo wel ontgaen des straffens wyze,
Maer des en heb ik noch behaeld geen roote pryze.
    Dus gy die zoekt yet fraeys te werken met verstand,

(360) Némt Griecksche Dichters werk dan en nacht inde hand.
    Hoewel u voorders ooyt
Plautissche maet te zamen
Geprezen hebben zeer, en dan zijns ’sherts betamen,
My dunkt dat zy te wvél goegunstig, jae te slecht
Waren in beyd’ bedocht, zoo gy of ik te recht

(365) ’Tplomp schieten kennen uyt het aerdig joks vermeten,
En licht een goede slag met oor en vinger meten.
    Men zeyd, dat
Thespis eerst van’t hooge truer-gedicht
De wyz’ gevonden héft, spél-wagens ook gesticht,
Daer op men voerd’ om ’tLand ’tgezang en spelsche treken,

(370) Het aenzicht al ontkend met wijn-moer verw’ bestreken.
    Daer nae zoo
Aeschilus hier by vond ’tmomgewaet,
[fol. B1v]
En ’teerlijk lange kleet bequaem naer elkens staet,
Zoo héft hy ook met een stellagien fijn verzonnen
Al laegskens by der eird, héft ook als d’eerst’ begonnen

(375) Te bruyken overmooy’en hooge trotse re’en,
En met gelijken gang op hoog’
Sappinen tre’en.
    Daer by volgd’ inde plaets, van d’ernst van dez’ tragedy
Niet zonder grooten prys, diemen noemd d’oud’ Komedy:
Maer in te grooten schimp, en vryigheyd van spot

(380) Dez’ wies, en hem ontgyng, zoo dat des Wets verbod
D’onkondigheyd des tongs most met eenbreydel dwyngen,
En ’tkoor alzoo verliet daer duer zijn schotig zyngen.
    Ons dichters hem dit niet ontzuyren lieten na,
Maer hebben’t al verzocht om eer te winnen dra,

(385) Jae hebben durven wel der Griekscher stappen laten,
En ons geschichten ’thuys met lof gegaen te baten:
’Tzy by haer ’tbatement van een gemeene boots
Wierd voordgebracht, of ’twerk van eenig Heere groots.
En zeker ’tis ook zoo, dat ’tLand van ons Latijnen

(390) Niet minder in taels eer, als wapen-lof zoud schijnen,
En halen noch de krans, jae vander Grieken hoot,
Indien niet elk Poeet den arbeyd zoo verdroot,
En ’tdik bepeynzen, of ’tverstellen vande vyle,
Met moey’lyk traeg bedrijf tot een konst-rijken style.

(395) Daerom Pompili bloot, versmaet vry ’sDichters werk
Dat niet en is besne’en met vél duer-schrabbens merk.
    Om dat d’oud’
Demokrijt ’tverstand meer hield gelukkig
Dan onderwyzings leer, en ook de geesten drukkig
Van’t al te wyze volk verboot der
Musen berg:
(400) Zoo is daer duer meest elk geworden waen-wijs erg,
En kort zijn nagels niet, zijn baert ook niet afsnijdet,
Dwaeld in een eenzaem plaets, ook d’bads gewoonte mydet.
Want, meent hy, haest hy zal zijn voor Poeet bekent,
Zoo ’tscheer-mes niet en komt zijn zin-loos hoofd ontrent,

(405) ’Twelk in tRabarbar-drank, of nies-kruyd gepurgeret,
Ja drymaels ov’r en wé’r noch even keyig zweret.
Ik dan, hoe zot ben ik, die in’t eerst vande Lent
[fol. B2r]
Mijn ongeregeld bloed te zuyv’ren ben gewend.
Jae, zeydmen, niemand ook zoud bet’r in dichte stellen

(410) Dan gy, mocht gy de pijn u zin daermed’ te quellen.
Dus wil ik hier al nu den wet-steen volgen dan
Die ’tyzer snydend’ maekt, en zelfs niet snyden kan.
Ik zelfs die niet en dicht, zal d’and’ren dichtens wetten
Verkonden: wat het zy dat Dichters voord kan zetten

(415) Tot rijkdom en tot eer, wat hen betame voord,
Waer duegd of doling drijfd, en wat hier toe al hoord.
    ’Tbeginsel alder-eerst van wel en konstig dichten,
Is wijsheyd en verstand, om’t welke te verlichten,
U dienen zal ’tgeschrijf van
Sokratische li’en,
(420) En dan als gy van stof op voordeel zijt voorzien,
Zoo zullen hem zeer licht de woorden daer toe spoeyen,
En wel ter kuer van ’tzelfs tot u gedachten vloeyen.
Een man die ’tonderwijs héft ingedronken klaer,
Wat dat hy ’tvaderland, wat dat hy mo’er en va’er,

(425) Wat dat hy zyn vriend trauw en lieven bro’er is schuldig
Ook hoe hy zijnen gast onthalen moet zorgvuldig:
Wat ook ’tbetamen zy van Schout, en van Raetsheer.
Hoe ook een Vorst gesteld ’thoofd ov’r een machtig heyr,
Hem zal met eer en vrucht behooren te gedragen:

(430) En voords met goed bescheyd verstaet meer zulke vragen
Voorwaer de zulk een zal ’tbetamen licht lyk van
Een ydermans persoon bewaren konnen dan.
Want, ziet, een regel rond en allesins t’onthouwen
Is, datmen ’slevens béld’ en zeden moet beschouwen,

(435) En dan met oordeel rijp het zelve bootzen naer,
Zoo dat de stemme léf, en ’tleven sprék’ aldaer:
Daer duer ist dat een spel wat boertig en bequam’lyk,
En dat des levens wijs nae-apen kan betamlyk,
Hoewel niet met verstand gewrocht, noch wijsheyd groot

(440) En dat van konst en van spitsvindigheyd is bloot
Vél meer des volx gemoed bewegen kan heel merk’lyk,
Dan verssen wel gecierd, maer y’l van stoffe werk’lyk.
De Konst-godin, maer, héft den Grieken goed verstand
[fol. B2v]
En reden-rijke vrucht gegund met voller hand,

(445) Beneffens ’tvloeyend’ woord, hen die met al ’tbegeeren
Niet gierig zijn, dan slechs nae glory en naer eeren.
    Maer ons Romeynsche juegd die leerd maer hoe ’tgeheelt
Van een pond gelds of wichts werd honderd-werf gedeeld,
En hoemen ’treken-boek en tel-konst stel te werke.

(450) Vraegt u Albini Zón, als een ervaren klerke,
Getrokken van tien pond een vijfde wat daer rest?
Gy antwoord acht pond net: hey zoo gy zult op’t lest
Zijn wijs genoeg om ’tgoed by een te konnen sparen.
Legt noch een vijfde-deel by tien pond hoe zal’t varen?

(455) ’Twerd ’tzamen twaelf, en zoo al voords, wat slechtheyd ’tes,
Als ons gemoed dez’ wijs des knagend’ geld-zuchts les,
En garen-goetsche zorg geboeyd héft, dat wy even
Noch hoopen goed gedicht by ons te zijn geschreven:
Ook verskens die den tijd niet krynk, maer blyven waert,

(460) Dat z’een Cypresse-kas of Ceder-guer bewaerd.
    ’Teynd’ van eens Dichters werk diend, of om te vermaken,
Of met goed onderwijs des hoorders hert te raken,
Of ’tzamen ’toorbaerlijk zoo myngen met genuegt,
Dat hy de zinnen sticht, en ook ’tgemoed verhuegd.

(465) In’t gen’ gy onderwijst, wést kort, op dat ’tgezeyde
Sich zekerlijk en vast in ’shoorders hoofd verspreyde,
Want alle ’tgen’ met woord onnutlijk werd verzwaerd,
’Tloopt over in ’tgemoed en werd niet wel gegaerd.
    ’Tgen’ datmen om genuegd verzierd, moet altijds wezen

(470) Waerschijnlijk. Niet dat ’tspel (om wel te zijn geprezen)
Verheysche datmen ’tal geloove dat het wil,
Of datmen daer een kind uyt
Lamie buyk hael stil.
Dan ook de oude luyd’, die straffen al t’onstichtlyk,
Ook gaen spot-wijs voorby de jong’ al ’tstraf gewichtlijk.

(475) Maer die het zoet vermaeck kan voegen met ’tprofijt
Dez’ krijgt zijn lof ter kuer van allerstanden zyd.
Zulk boek zijn drukker rijkt, ’tmag over zee wel varen
En nae zijns Dichters dood verleend hem noch vél jaren.
[fol. B3r]
    Nochtans der feylen zijn die wy vergeven zaen:

(480) De snaren ook altijds recht zulk geluyt niet slaen,
Als of ons hand begrijpt, of onzen zin bryngt vooren,
En alsmen ’tgrof ver-eyscht het fijn hem dik laet hooren.
Den bóg ook ’taller tijd niet treft dat hy bemikt.
Maer als het meesten-deel eens dichts is wel geschikt,

(485) Zoo zal ik my aen een gebrek, of aen heel weynig
Niet stooten, zoo’t gebuerd duer misverstand alleynig,
Of onbedachtheyd, zulks den mensch wel dag’lyks buerd,
Maer even als een plomp schribent dik werd bekuerd
Al in een zelfde feyl, men mag hem niet ontschulden:

(490) Als ook een luytenist ’sgelijx niet is te dulden,
Die stéds op eene snaer en ’teener plaetze faeld.
Zoo med’ de gen’ die stéds in zijn gedicht-werk dwaeld,
Hy schijnd m’een
Cherilus, dien ik zeer vaek verwonder
Als hy zoo hier zoo daer temets wat goeds myngt onder.

(495) Gelijk het my dan spijt, en zelfs is hertlyk leet,
Als in zommige plaetz’
Homerus hem vergét.
Maer in een lang stuk werks het is geen schand met allen
Indien de oogen klaerst zomtijds in slape vallen.
    ’Tgedicht is even eens gelijk de Schildery.

(500) Het eene konstig stuk beschauwt wil zijn van by,
Het and’r héft meerder aerds indien men’t ziet van wyde.
’Teen wil de duysterheyd, het ander ’tlichte blyde,
Het welk hem niet en schroemd voor ’srichters oordeel teer.
Het een bevalt in’t eerst’, het and’r langs hoe meer.

    (505) Gy Pizons oudste zón, hoe wel ’svaers onderwyzen
U wel te rechte stuyrd, hoe wel ik ook moet pryzen
U eygen kloek verstand, onthoud nochtans van my
Dez’ les, dat zommige konsten toelaten vry
Een middelmatigheyt. Gelijk een Rechtsgeleerde

(510) Of Advokaet gemeen, hy is wel niet in weerde,
Zoo als
Massalla kloek of Kassels* tonge wijs:
Nochtans men bruykt hem med’, hy héft ook al zijn prijs.
Maer Dichters die zoo hé’n tusschen twee wat’ren varen,
De luyden lydenz’ niet, noch God, noch de Pilaren.

[fol. B3v]
    (515) Gelijk op’t stacy-mael diskoord Muzijk gespuel,
En
Nardus oly dik, ook ’tzap van koude Uel.
Gemyngd in Honig zoet, ons dikwyls werd afzienlyk,
Om dat de maeltijd wel dien zonder schiet gemienlyk:
Alzoo Poeetsche konst, daer med’ men ’thert vermaekt,

(520) Is zy d’uytnémste niet strax werd zy heel gelaekt.
    Die ’tschermen niet en kan, hy raept niet op ’tgeweere,
Ook rust hy die van’t huel of kaetspel héft geen leere,
Op dat hy niet zoo verr’ den ryng des baens hem strekt
Van al d’aenschauwers he’n en weder werd begekt.

(525) Maer elk een of hy schoon in konst in onervaren
Hy moet al med’ wat rijms en zijne Lie’kens baren.
En waerom zoud’ ik niet, meent hy, zoo doch ik bin
Eens vryen borgers Zón, en niet van slaefs gezin
Byzonder zoo ik heb eens Ridders goeds genoegen,

(530) En datmen myne faem met waerheyd niet kan wroegen?
    Geen dyng gy muegt bestaen tegen
Minervaes dank.
Dit zy u eerste less’, en zoo gy over lank
Yet wat geschreven hebt, laet zulx in
Metij ooren,
In ’s Vaders, inde myn’ hem vrylyk laten hooren,

(535) En dan noch muegt gy’t wel stil houden negen jaer.
Want zulx dat nooyt in’t licht gebracht is, ’tis niet zwaer
Te bet’ren, en te mets met oordeel fatsonneren:
Maer ’twoord eenmael gehoord en kan niet wederkeeren.
   
Orpheus héft alder-eerst, als heylig en Gods tolk,
(540) Ontwend van’t beestig doen het wreed’ en wilde volk:
Daerom men zeyd hem na, dat hy de Tyger-dieren
En tfelle Leeus gebroed héft zacht’lyk konnen stieren.
Amphion, die de Borgt van Theben héft gebout,
Gezeyd hy wierd duer ’tspel ook van zijn harpe stout,

(545) En met een zoeten toon de steenen te bewegen,
Dat hyze waer hy woud te hoope héft gekregen.
    Voortijds prijs van verstand en wyzen naem hy won
Die ’teygen van’t gemeen, en ’theylig scheyden kon
Van ’twer’ltlyk: en dan voords ’tbyslapen, eerst int honderd

(550) Verbie’n: te kruyen ook (een zaek die my verwonderd)
[fol. B4r]
Op d’ongetoomden hals, ’tjok van een echte vrauw,
Die zulk een schuldig is te blyven stéds getrauw.
Dan ook de Steden schoon te bauwen hier beneven,
Een goed’ geregeldheyd van wetten die te geven.

(555) Alzoo is een Poeet allangskens langs hoe meer
Wel sprekende verhoogt met Goddelyker eer.
Hier nae
Homerus kloek is voor den dag gekomen,
En dan
Tyrtaei rijm héft d’herten zonder schromen
Gewakkert duer den lof tot bloed’ge oorlógs prijs,

(560) Men is d’verholen spoed ook zoo geworden wijs,
En zaken diep bewolkt, by dicht gebrocht in’t lichte;
Vertoogt ook hoe den mensch zijns levens loop best richte.
Men héft ook fijn daer nae der Vorsten hulds geluk
Gewonnen dik met konst van eenig
Musen-stuk:
(565) Daer by, duer hare gunst, een Dichter word verheven
Zoo, dat hem goed noch eer gebrékt voor gantsch zijn leven.
    Men héft ook in’t gedicht voor een benevelt hert
Gevonden zeker heyl t’afdryven zorgen-smert,
En nae ’tverdrietig werk een lustig zins vermeyden

(570) Om hem tot meerder last geest-voed’lyk te bereyden.
Dit zeg ik, dat gy u des Dichters konst niet schaemd,
Of zoo gy in’t gemeen een Dichter werd genaemt.
Dynkt niet dat t’uwer schand konst-rijke Zang-godinnen
En
Phoebus wijs haer hoofd in laewerier-loof winnen.
    (575) Een vraeg ist of den prijs ’sgedicht-werks aldermeest
Hangt aen des leerings less’ oft aenden goeden geest,
En of hier meer natuer of ’tonderwijs moet werken?
Ik zeg voor mijn advijs, dat noch des Konsts bemerken
Verlaten vande a’er van’t Reden-rijk verstand

(580) Noch d’ongeleerden geest, als hem niet reykt de hand
’sGoed onderwyzens les, yet prijs-weirts voord en keeren,
En dat des anders hulp het een niet kan ontbeeren.
    Die in des ré-baens park tracht na d’olijf-krans e’el,
Al van zijn kindschen dag’ hy led’ en dede vél,

(585) Hy most dik ’tzweetig heet, dik ’tgrillig koud verdragen:
Lof-durst hem kost des wijns en vrauwen-lust verjagen.
[fol. B4v]
Den Fluyter die den lof
Apollons zang-rijk roemd,
Hy héft eerst lang geleerd en ’s Meesters roed’ geschroemd.
Maer nu ’tis ons genoeg te zeggen: Ik ben mede

(590) Een Kompionist, in’t gild des red’rijks heb ik stede,
Ik heb wat wonders voor, ik werk gedichten zoet:
Die hier de leste blijft de droes hem halen moet.
Ik loop al met mijn hoofd zoo voords, want ’twaer my schande
Indien ik achterbléf: ja al trek ik ter hande

(595) Een werk dat ik doch nooyt te degen heb geleerd:
Bekend’ ik mijn onkund, mijn léfdaeg ’kwaer onteerd.
    Maer wét gy? als wel haest d’uyt-roeper ’tvolk doet scholen
Ten boelhuys, daer elk een de winst hem acht bevolen:
Zoo krijcht ook hoorders vél dis-vriend’lyk die Poeet,

(600) Die gronden groot bezit, en vél héft in gereet:
Die zekers alle jaers zijn woeker, winst, en pachten
Gast-vry duer tafel-gonst, doen by de zyn’ groot achten:
Is hy dan voords zoo mild, en ’tbusken kost’lyk zalf
Ruym-hertig darf zijn vriend met deelen half en half:

(605) En die voor d’arme hals oft kael-vynk licht werd borge,
En dien ontlast (verblijd) van ’srechts-dwangs zwarte zorge:
Mirakel ist zoo hy kan spooren ’tonderscheyd
Van een oprechten vriend, en van die schijn’lyk vleyd.
    Gy maer indien gy ooyt van zin zijt yet te schynken,

(610) Of yet geschonken hebt om by u te gedynken,
En bryngt niet strax u man met vroolykheyd vervuld
Om hooren u gedicht zulx als gy maken zult:
Wat kan hy roepen doch, dan hey hoe fraey! hoe konstig!
Hy zal jae werden bleek van wonder, en zeer jonstig

(615) Van vreugden, op zijn wang traen-druppels bigg’len doen,
En spryngen hemel recht d’aerd’ stampend’ met zijn schoen.
Want recht als die int lijk gehuyrd den rauw beklagen,
Zy doen ja meer dan die in’t hert de droefheyd dragen:
Zoo ist dat die vél eers plasdankig u bewijst,

(620) Maekt schempig meer bohaeys, dan een die waerlyk prijst.
    Men zeyd ’tis een manier in zwang by groote Heeren,
[fol. B5r]
Om ’thert van een persoon genoeg te kennen leeren,
Met wellekomen groot en bekers vol van wijn,
Zy proeven of hy ook haer vriendschap weird mag zijn.

(625) Zoo gy, indien g’u wild vél oeffenen in’t dichten,
Melt ’tvossen-hert vermomt en doet het voor u zwichten.
    Zoo wie
Quintilio yet voor te lezen placht,
Strax zeyd’ hy, dat en dat om te verand’ren tracht:
Antwoorde gy, ’ken kan’t op ander-wijs niet vinden,

(630) Twee drymaels gyng ik’t doch vergéflyk onderwinden:
Hy zeyd wé’r, schrapt het uyt, of wiltet heel versmé’n.
Maer woud’t gy noch ’tgebrek ontschuldigen met ré’n,
Eer dan verbeteren: Hy brak zijn hoofd noch zinnen,
Maer liet u in u vred’ u werk alleen beminnen.

    (635) Een wijs en ernstig man zal straffen ’tlamme werk,
Verwyzen streken hard en al t’onlyd’lijk sterk,
Hy zal met oordeel straf een zwarte schrabbe jagen
Duer ’tgen’ dat ongecierd diend meerder glants te dragen
Hy zal afsnijden ras ’tonmatig prachts cieraet,

(640) Wé’r ’tgen’ te duyster is, hy te verklaren raed.
Een ander vers hy wroegt te zijn te dobbel-zinnig
’Tgen’ anders diend hersteld, haest zal hy’t zien spitsvinnig.
Somm’ hy werd Aristarch ombuyg’lijk in’t gericht,
Hy zeyd niet, waerom doch in zaken alzoo licht

(645) Zoud’ ik mijn goeden vriend duer tegenspraek ontzetten?
Want zulke buezelyng (dit staet alhier te letten)
Die leyden eenen man in sterken schad en spot,
Want inde wandeling m’hem rekend half voor zot.
    ’Tis even, zoo een mensch het krauwig schorfte pranget,

(650) De gélzucht, of de key, die hem los-zinnig hanget,
Of zoo hy werd geplaegd duer de verbolgen maen:
Niemand wil by hem zijn, elk trekt hem daer van daen:
Zoo schouw’t elk dien Poeet, die niet en is de wijste,
Men géft hem strax een plaets op schroeveloozer lijste:

(655) De kind’ren strax op straet jae loopen hem al na:
Indien hy duer geval of vroeg of t’zavonds spa,
Dewijl hy zijn gedicht herkauwend’ peynst met allen
[fol. B5v]
Als een die Maerlen schiet, komt in een put te vallen:
Al riep hy burgers helpt, met voller kéls geluyd,

(660) Niemand hem’s moeyen zoud’ hem daer te trekken uyt:
En of noch yemand quaem kompaslijk daer ter stede,
Die om hem helpen uyt een goed dik tau bracht mede,
Wat wét gy (zoud dan zijn) of gy de hand al bied,
Of hy in dezen kuyl zelfs is gesprongen niet:

(665) En dat hy niet begeird hier uyt te zijn getogen:
Van een
Siciliaens Poeet ’kmoet ongelogen
Verhalen ’tleste eynd:
Empedokle (duer dien
Hy gaern woud’ voor een God geacht zijn vande li’en)
Héft met een waen-wijs hert in
Aetnaes vyer geschreden,
(670) Om zoo zijn Godlijkheyd nieuw-schijnlijk te verbreden:
Op dat zoo wan op d’aerd’ hy haestlyk wierd gemist,
Hy zoud’ ten Hemel-waert gestegen zijn gegist:
’Tkomt dez’ schribenten toe, laet haer dit recht doch blyven,
Dat zy na haren lust haer zelven dus ontlyven.

(675) Want wie een tegens dank trekt uyt des stervens-nood,
Doet even zoo vél goeds, als die een ander dood,
’Tis ook niet d’eerstemael, dat hy dit héft begonnen.
En of gy schoon al docht gy had een ziel gewonnen,
Des hy doch niet te meer hem steld in beter staet,

(680) Noch van ’tberoemde end zijn opzet hy verlaet.
Men kan ook weten niet wat evel dat hem quellet,
Waer duer dat hy zijn zin op’t dichten héft gestellet:
’Tzy of hy héft bezeykt zijns va’ers gebeent’ en asch,
Of dat hy als een schelm héft opgegraven ras

(685) ’Tverborgen offerhand tot blixem-schaeds afkeeren.
’Tis zoo vél, hy is dol: en even als de beeren
Wan z’hebben opgewrekt de spillen van haer nest,
Geleerd en ongeleerd elk schuwt hem als de pest.
Want zoo een ichel hem het vel niet laet ontglyden

(690) Tot dat hy rond van bloed daer henen rold bezyden:
Dien dezen eenmael krijgt hy houd hem vast by’t hoofd,
En léfd’ zoo lang dat hy zijn oor versuft verdoofd.

Na eirde Hemel.

EYNDE.



[fol. B6r]

KAREL van MANDER

Op’t woord des vertaelders

Na eirde Hemel.

SONNET.

HOog uyt een donker woud op arbeyds harde klippen
De klaer-bekroonde duegd verheven blyde lacht:
Wie vander eirden stijgt tot haer doet wonder macht,
Uyt duyzent hier toe een den geest en lust nau kippen.

    Wie stéld doch ’t Hemel vier? die onder Pallas slippen
Geborgen niet en werd en daer van haer gebracht?
’Tschiet weynigen, ten zy hy zy van Gods geslacht
G’ambrosijt, ook dat ruyck al ’tlijf, hand, mond, en lippen.

    Ziet ’tHemelsch komt hier af, en ’t voerd de eirde zwaer
Verklaerd ten Hemel op. Is dit zoo wonderbaer?
Niet als door ’naelden-oog zien henen gaen een Kemel.

    ’tEen noodig wel betracht zy om te komen daer:
D’aenboden hemel-hand trek zijnen Hemelaer,
Dat hy met planten nieuw betre’e Na eirde Hemel.

Een is noodig.



[fol. B6v, fol. B7r, fol. B7v, B8r, B8v: blanco]

Continue
Jacob van Heemskerck vertaalde zes Odes in vijf gedichten: Ode I, 9 en 23, II, 2 samen met 3, 10; van Ode II, 16 vertaalde hij alleen de eerste 28 verzen. Verder maakte hij een bewerking van Epode 2 verschenen voor het eerst als appendix bij zijn vertaling van Ovidius’ Minne-kunst (Amsterdam, Dirck Pietersz Voskuyl, 1622); deze bundel werd herdrukt in 1626 en 1660; later zijn deze vertalingen nog opgenomen in de Gedichten van Caspar Barlaeus e.a. in 1828.
Voor onderstaande tekst is gebruik gemaakt van ex. UBL 1479 H 12 (ed.-1622)



[fol. R2v]

Horat: Carm: Lib: 1. Od: 23.

Aen CLORIS.

GHY vlucht voor my, veel snelder als de wind,
Al even eens gelijck een vresigh Hind
    Dat door ’t gebergt loopt na sijn moeder soeck?,
    En sich verschuylt in holen en in hoecken,
(5) Hier van een rots, en daer van ’t woeste wout,
Alwaer ’t door anghst hem selven stille houwt,
    So langh als ’t hoort de groene telgjes beven,
    En langhs ’t geboomt een labbrigh koeltje sweven.
[fol. R3r] Of recht also gelyck het schrickigh vliet
(10) Als een haegh-dis ter dooren hegh wt-schiet.
    Het knicke-beent en ’t hert en leden trillen,
    En zyn in langh niet wederom te stillen.
’k En ben nochtans geen bloet-gewende Beer,
Noch wreede Leeuw, die uwe doot begeer:
    (15) ’k Vervolgh u niet om u van een te scheuren,
    Maer om dat u van my sou goet gebeuren.
Wat! loopt niet meer so kindts heen na u Moer,
Steunt op u selfs, en neemt in handen ’t roer.
    U çierlijck kleet, u langh-en-dichte kragen,
    (20) Sijn niet gemaeckt om Moertje te behagen:
U fiere tret, u boesem uyt gepuylt,
Die ons doet sien wat ghy daer in verschuylt,
    U staen voor deur, en u eerbiedigh buygen;
    Aen die niet blindt al-willens is, getuygen
[fol. R3v]
(25) Dat ghy zyt oudt, en groot, en wijs genoegh,
Om met een man te trecken ’s huwlijcks ploegh.
Daerom en sijt voortaen niet meer so schouw,
Soo ghy geen Klop wilt zyn, maer Bruyt en Vrouw



[fol. S8r]
Bewerking van
Epode 2.

LOF

Van ’t Landt-leven, aen


Martijn Snouckaert

van Schauwenburgh.

GEluckigh is hy die bevrijd
Van wreede krijgh en bitse nijd,
    Verr’ uyt ’t gewoel der Steden
    Bebouwt zijn land met vreden.
(5) ’t Geluyt van trommel noch trompet
Zijn soete slaep hem niet belet,
    Hy hoeft niet staegh te vresen
    Dood of gewond te wesen.
[fol. S8v]
Hy heeft geen wrev’ligh na-gebuur
(10) Die hem beluyster en begluur,
    Of met zijn qualyck spreecken
    En kyven ’t hooft koom breecken:
Maer ongemoeyt, en hem oock weer
Met niemand moeyende te seer,
    (15) Slaet gae zijn eygen saecken
    Met naerstigh op te waecken.
Want als de soete tijt begint
Hy ’t swacke wijngaert-ranckje bint,
    En gaet de boomen snoeyen
    (20) Die al te weeldrigh groeyen.
Nu poot hy kunstigh onder een
’t Gebloemt dat ’s winters lagh vertreen;
    Nu gaet hy ’t koren zaeyen,
    Om dat met winst te maeyen.
[fol. T1r]
(25) En als de Mey het al verheught,
Wat dat hy siet dat baert hem vreught:
    Ia sou dan niet begeeren
    De pracht der groote Heeren:
Want by aldien (als ’t wel gebeurt)
(30) Een soete droom zijn slaep hem steurt,
    En hy siet na de Wagen,
    Of ’t haest begind te dagen;
So merckt hy hoe te mets de lucht
Ontblood word door der sterren vlucht,
    (35) En ’s morgen-Sters vertrecken
    Den dagh begind t’ ontdecken,
En hoe Aurora vast breeckt aen,
Van haren Tithon op-gestaen,
    Wiens oude koude leden
    (40) Haer eer uyt ’t bed doen treden;
[fol. T1v]
Daer na hoe Phoebus lustigh ment,
En ’s Hemels ruyme velt door-rent,
    En hoe hy met zyn stralen
    Den dauw gaet na hem halen,
(45) Geen steyl gebouw noch gevel hoogh
Belet de wellust van zyn oogh:
    So dat het na begeeren
    Syn vry gesicht kan keeren.
Komt hy dan af! so gaet hy sien
(50) Hoe Flora heeft zyn hof-versien
    Met bloemen, die beschamen
    De Schilders, grootst van namen;
Wiens schoon zyn oogen t’hun-waerts treckt,
En soeten reuck hem lust verweckt
    (55) Te plucken zyn Vriendinne
    Een ruyckertjen van Minne.
[fol. T2r]
Somwijl gaet hy betreden ’t velt
Met ’t wit-gevlockte vee verselt,
    En siet die weeldrigh dwalen
    (60) Door d’ongemaeyde dalen.
Als dan de Son het Zuyden naeckt,
En op den middagh vinnigh blaeckt,
    Gaet hy om die t’ontwijcken
    Na koele lommer kijcken,
(65) Al waer hy onder ’t dicht geboomt
By een Fonteyn die lieflijck stroomt
    In ’t groene gras geseten
    Syn middagh-mael gaet eten;
En etens grage lust die maeckt
(70) Dat een stuck kaes-en-broot hem smaekt
    Veel beter als ’t gebraden
    Den even staegh-versaden.
[fol. T2v]
Daer na verlustight door ’t gequeel
En soet gefluyt van vogels veel,
    (75) Die met haer sang de ooren
    Der Goden selfs bekoren;
Geseten aende water-kant
Neemt hy zijn fluytjen inde hand,
    En speelt daer op wat lyen
    (80) Hy heeft gehad in ’t vryen,
Met dit gepeyns eer hy sich mijdt
Is hy den heelen middagh quijt,
    En siet de Son verbergen
    Zijn aenschijn inde bergen.
(85) Dies spreeckt hy dus zijn schaepjes aen,
Kom, kom, mijn beesjes laet ons gaen,
    Siet, d’Avont-Ster die spoedet,
    En ghy zijt wel gevoedet.
[fol. T3r]
Dit tijd-verdrijf de Lenten heeft;
(90) En als de Somer komt, die geeft
    Dan weder nieuwe saecken,
    Om nieuwe vreught te maecken.
Want als den Oest ’t verwachten loont
En ’t koren schoon op d’acker toont,
    (95) De vruchten doen vergeten
    Hoe ’t ploegen hem deed sweten.
Als dan ’t gewas is inde schuur
So nood elck bouw-man zijn gebuur,
    En gaen verscheyde malen
    (100) Malkandren wel onthalen.
Daer na so komt de Herfts-tijd aen
Met vruchten om en om gela’en,
    Die ’s land-mans disch verçieren
    Op veelderley manieren.
[fol. T3v]
(105) Want Bacchus schenckt hem mild’lyck wijn
Die uyt hert iaeght sorg en pijn,
    Pomona daer beneven
    Hem lecker ooft gaet geven.
Hoewel daer na de tijd verloopt,
(110) Wanneer de kou de boomen stroopt,
    En ons de Winter dagen
    Met vorst en hagel plagen.
Die woont op ’t land heeft altoos ijt
Waer me’e dat hy verdrijft de tijt,
    (115) Staech weet hy te versinnen
    Wat nieuws om te beginnen,
So haest hy voelt de eerste kouw
Brengt hy te voorschijn ’t vincke touw,
    En gaet zijn boogen hangen
    (120) Om Lijsters in te vangen.
[fol. T4r]
Hoe meent ghy dat hem zijn gemoet
Verheught wanneer de vangst is goet,
    En hy mach t’samen voegen
    ’t Gewin en ’t wel-genoegen?
(125) Wat tijd-verdrijf, wanneer de snip
Loopt plomp-verloren inde knip,
    En door zijn domme gangen
    Hem selven gaet verhangen?
En als ’t bedriegend-soet gefluyt
(130) ’t Onnoosel pimpeltje lockt uyt,
    Dat om de mees te hooren
    Zijn vryheyd laet verloren?
Wanneer dan Boreas fel raest,
En uyt ’t Noord-Oost so dapper blaest,
    (135) Dat hy doet ’t water stremmen
    Waer in men pleegh te swemmen:
[fol. T4v]
En als betreet de fluxe voet
’t Kristal van een bevrosen vloet,
    Waer onlanckx noch de boeren
    (140) Met schuytjes over-voeren;
So bind hy met een stout bestaen
Zijn vlugge schaetsen kunstigh aen,
    En schijnt de lucht in ’t ryen
    Met vleugels te door-snyen.
(145) Of soo ’t hem lust, den bal hy slaet
En met zijn maets uyt kolven gaet,
    Elck trachtend’ in ’t genaecken
    Het paeltjen eerst te raecken:
Dus spelen zy vast in ’t gelagh
(150) Tot dat verloopen is den dagh,
    Dies zy dan t’huyswaert keeren,
    En gaen de winst verteeren,
[fol. T5r]
Gepaert elck met zyn Herderin
Die sy toe-dragen trouwe min,
    (155) Waer by zy sonder vresen
    En nadocht mogen wesen.
Soo maeckt dees ongeveynsde Ieught
Den gantschen nacht van herten vreught,
    En poogen door het kussen
    (160) Malkanders brandt te blussen.
Veel anders als te hoof geschiet,
Of inde steden, daer men niet
    En vindt dan ialousije
    Vermenght met rasernije,
(165) Waer dat geveynstheyd is het stier
Van ’t ongegronde Minne-vier
    Waer ’t hert leyt vande woorden
    So wyd als Zuyd en Noorden;
[fol. T5v]
Waer anders schier niet omme-gaet
(170) Als afgunst en vermomden haet;
    Waer een moet doen of lyden
    Het geen men hoort te myden;
Waer dat een angstigh sorgen ’t hert
So vinnigh knaeght en gansch verwerdt,
    (175) Dat selfs de leck’re spysen
    Hun walgen en afgrysen,
Hun, wien de soete slapens lust
Noyt so kan brengen inde rust,
    Dat haer de sorg in ’t dromen
    (180) Niet soud te voren komen.
En nydige quaet-willigheyd
Staegh haer gemoed ter pijnbanck leyd,
    Staegh hebben zy van binnen
    Veel wreede vyandinnen.
[fol. T6r]
(185) Geluckigh is hy dan die leeft
Op ’t land een gulden Eeuw, en heeft
    Die rust, waer by de prachten
    Van ’t Hof niet zijn te achten.



[fol. T7r]

Horat: Carm: Lib: 2. Od: 10.

AEN
IACOB VERBURGH.

VERBURGH, wilt ghy wel stellen aan
U leven, laet u schip niet gaen
In ’t diepste van de baren,
Noch wilt oock niet te seer bevreest
(5) Voor storm, voor onweer en tempeest,
Te na langhs ’t strande varen.

Wie dat bemindt de middel-maet,
In vuyle huysingh niet vergaet,
En kan oock willigh derven
(10) Het hof vol kostelijke pracht;
[fol. T7v]
Waer voor hy wyslijck meerder acht
t’ Huys onbenijt te sterven.

Wanneer de windt haer fel verheft
Sy meest de hooge boomen treft;
(15) Met swaerder val en slagen
De steyle toorens storten neer;
De blixem sal de bergen meer
Als lage heuvels plagen.

Een wel gestelt gemoet dat hoopt
(20) Wanneer ’t geluck hem tegen loopt;
En weder als ’t hem geven
Gaet alles wat men wenschen mach,
So denckt het om den quaden dagh
Die ’t noch wel mocht beleven,

[fol. T8r]
(25) God is ’t die ons de plagen sendt,
Hy is ’t oock die ’t gele’en ellendt
Daer na weer wegh gaet sturen:
In dien het ons nu qualyck gaet,
’t Is niet geseyd dat desen staet
(30) Sal eeuwigh blyven duren.

In Tegenspoet een manlyck hert,
Dat nieuwers door mismoedigh wert,
Volstandelyck laet blycken:
En weder, als ghy seylt voor wint
(35) Voorsichtigh dan een reef in bint,
En wilt u zeyl wat strycken.



[fol. V1r]

Horat: Carm: Lib: 2. Od: 2. & 3.

Aen IACOB van MONTFOORT.

MOntfoort houd altijd goeden moed
In lyden en in tegenspoet,
En matight weer u vrolijckheden
Wanneer ’t geluck u mede loopt,
(5) En heyl op heyl mildadigh hoopt,
En wacht u van uyt ’t spoor te treden.
    ’t Sy dat ghy al u levens tijd
Met sorgh en kommer angstigh slijt,
En willens u geluck gaet derven:
(10) ’t Sy dat ghy vrolyek en goets moets
U selven soeckt te doen wat goets,
Ghy moet, hoe dat ghy ’t maeckt, eens sterven.
[fol. V1v]
Daerom, terwijl ’t u beuren mach
So neemt somtijds een goeden dagh
(15) Van ’t geen dat God u heeft gegeven:
En van u overschot versiet
Den geen die niet veel overschiet,
Dit ’s ’t recht gebruyck van haev’ en leven.
    Het gelt begraven onder d’aerd,
(20) Of in een duystre kist bewaert,
Dat d’eygenaer niet derf gebruycken;
Heeft niemand nut noch voordeel af,
Ia ’t dient den vreck maer tot een straf,
Als hy daer door geen oogh kan luycken.
    (25) Die zyn begeerten temt met re’en,
En met zyn kleyntjen leeft te vre’en,
Is rijcker, en heeft midner wroegen,
Dan of hy al de dierb’re schat
[fol. V2r]
Van China en Peru besat,
(30) Met een gemoet niet om vernoegen.
    Het gelt en stopt geen giericheydt;
En die veel heeft, noch meer verbeydt;
Recht als die watersuchtigh quynen,
Hoe datmen hun meer nats in stort,
(35) Hoe dat haer dorst noch grooter wort,
Tot dat sy in haer sucht verdwynen.
    Woelt, draeft, en schraept het al by een,
En zyt dan noch al niet te vreen,
Koopt hoef aen hoef, bouwt huys by huysen,
(40) En pot u langh vergaerde gelt,
Als ’t al sal wesen wel getelt,
Sult ghy uyt al u goet verhuysen.
    Ghy moeter af, u tijdt is uyt,
De doodt wort door geen goet gestuyt,
[fol. V2v]
(45) En gaet te seecker in haer schieten.
De vruchten van al u gesloof,
Dat u gemaeckt heeft laf en loof,
Die sal u erfgenaem genieten.
    Daer leyd niet aen, of ghy geweest
(50) Zijt over-rijck, en vande meest’;
Dan of ghy arm hebt moeten woonen
In een verschoven kleyne hut,
Naeuw voor de wind en ’t weer beschut,
De dood sal u noch hem verschoonen.
    (55) Wy moeten alle dit pat heen,
Dat niemand heeft te rug getreen,
Ons’ treck-korf word noyt rust gegeven,
Na dat het rolletjen uyt-gaet,
Van d’een wat vroegh van d’aer wat laet,
(60) Moet yeder scheyden uyt dit leven.



[fol. V8v]

Horat: Carm: Lib: 2. Od: 16.

Aen ERNST NOYEN.

OM rust de Zee-man bid,
Die vande Noorder golven
Omringht, mistroostigh sit
Wanneerde maen bedolven

(5) In swarte wolcken leydt,
En ’t licht in duysterheyd.

Om rust de Ruyter draeft,
In ’t midden van het vechten;
Om rust de Pleyt-gier slaeft

(10) In zyn verwerde rechten:
Om rust, die niemand koopt
Met schaten op gehoopt.

Want noch ’t gekiste Goudt,
Noch groot gesleep van booden

(15) De sorgh uyt ’t herte houd;
Die tegen haer geboden
Den rijcken meest omtrent
Te wesen is gewent.


[fol. X1r]
Met weynigh hy wel leeft,
(20) Die matigh derft verteeren
Het geen hy eygen heeft;
En wien geen vuyl begeeren
Noch vrees meer als ’t behoort
Syn dunne slaep en stoort.


(25) Wat trachten wy doch veel
Met moeyten te beiagen
t’Onvreden met ons deel,
In onse korte dagen?
Wat loopen wy na ’t Land

(30) Daer d’Ooster Son ons brant?

Wie kan wanneer hy vliedt
Van hier sich selfs ontvlieden?
De sorgh klimt in de spriet,
En wil op ’t Schip gebieden.

(35) In ’t loopen zy verwint
De ruyters, ia de windt.

Een vrolijck bly gemoet
Sal ’t verder sorgen haaten;
En weer zyn tegen-spoet
*
(40) Met een soet lacchen maten;
Want men ter wereldt niet
In all’s geluckigh siet.




[fol. X2v]

Horat: Carm: Lib: 1. Od: 9.

AEN
IOHAN BROSTERHVSEN.

GHY siet hoe over al de straet
Is wit door ’t sneeuwigh vlocken,
En hoe men niet te les en gaet,
En niet en heeft te blocken:
(5) Wat Rapen-burgh dat is en blijft
Door dese harde vorst verstijft.
    Veriaeght de koude van den haert
Met lustigh op te stoocken,
Voor vrienden dient geen broot gespaert;
(10) Dies haelt hier in de koocken
Een kannetjen van ’t rynsche nat
Wt ’t beste Baccherachse vat.
[fol. X3r]
    Beveelt de goede God de rest,
Die ’t alles wel sal voegen,
(15) En die alleen weet alderbest
Wat yeder kan vernoegen;
Die ons verwerde Vader-landt
Weer brengen kan in goeden stant.
    Wat u hier na gebeuren mach
(20) En soeckt dat niet te weten,
Maer reecken ’t voordeel elcken dagh
Die u word toe gemeten:
Hy doolt, die ’t geen ’t geluck hem biedt
Door vorder sorgen niet geniet.
    (25) Terwijl u ieught noch niet veroudt,
En u de gryse hayren
Niet maecken gemelyck en kout,
Gebruyckt u ionge iaren,
[fol. X3v]
En stelt uw ongebonden sin
(30) Tot ’t soete vryen en de min.
    Myn Brosterhuysen, ’t is nu tijd
Dat wy eens gaen na buyten,
Om sien wie daer op schaetsen rijdt;
En als de poorten sluyten,
(35) So sullen wy eens heen en weer
Langhs ’t lieve Steen-schuur doen een keer:
    Misschien wie dat ons daer verwacht,
Of wie wy daer betrappen,
Waer by wy tot de klock slaet acht
(40) Wat mogen Minne-klappen;
En waer wy met een soet gesoen,
Ons grage hartjes mogen voen.
    Doch om met eeren onsen voet
Weer by haer in te krygen,
[fol. X4r]
(45) Men stout en aerdigh wesen moet,
Om met een stille swygen
Of van haer hooft of van haer hant
Te rooven eenigh Minne-pant.
    Wanneer men komt om ringh of naelt
(50) Haer wederom te geven,
Wie kan dan qualijck zyn onthaelt
En voor zyn dienst bekeven?
Wat valter op, als ’t is geschiet?
En kyven sy, sy meenen ’t niet.
    (55) Dewijl het ons nu beuren mach,
So laet ons al wat mallen;
Want licht kan komen sulcken dagh,
Dat ’t niet sou willen vallen.
En machmen ’t mallen niet ontgaen,
(60) So’ is ’t beter iongh als out gedaen.

Continue
Twee gedichten van P.C. Hooft: Horatius Ode 1, 31 en 3, 29 (vs. 29 sqq.)

I.

Horatius.

Frui paratis, et valido mihi
Latoe dones ac simul integra
Cum mente, nec turpem senectam
Degere, nec cythara carentem.

Latonaes zoone jont
Mij dat jck mach gesont
Genieten het bereide;
En met een vol verstandt
(5) Mijn outheit sonder schandt
Niet sonder vreuchden leijde

[uit Hs. A]

II.

[...] ende dit met Horatius:

Prudens, futuri temporis exitum,
Caliginosa nocte premit Deus,
    Ridetque, si mortalis
    Ultrá fas, trepidat.

’T welk ick ter vlucht aldus vertolk,

Voorzichtiglijk bewimpelt Godt
Met dikke wolk, ’t genaekend lot,
En lacht ’er om, wanneer het vleisch
Meer siddert, als nae redes eisch.

[uit Brief 448 aan Baeck, 1631]


Continue
Vertaling van Oden en Ars poetica door Vondel. Amsterdam, 1654.
Gebruikt exemplaar: UBL 1498 G 19; UB Gent Her 865 bij
books.google



[fol. π1r: frontispice]



[fol. π1v: blanco]
[fol. *1r]

Q. Horatius Flaccus

LIERZANGEN

En

DICHTKUNST.

In het rijmeloos vertaelt

Door

J. v. VONDEL.

[Fleuron]

t’AMSTERDAM,
__________________________

By Luidewijck Spillebout, Boeck-verkop.
op den Dam, Anno M DC LIV.



[fol. *1v: blanco]
[fol. *2r]

AEN DE

KUNSTGENOOTEN

van

Sint Lukas, t’Amsterdam,

Schilders, Beelthouwers,
Tekenaers, en hunne
begunstigers.

HOewel elcke Kunst haer eige bepalinge heeft, nochtans worden zommighe Kunsten door eenerhanden bant van onderlinge gemeenschap verknocht, en gelijck vermaeghschapt; hoedanige zijn Poëzy, Schilderkunst, Beelthouwery, en [fol. *2v] andere Kunsten, die, te gelijck op maet en getal gegront, de Wiskunst niet ontbeeren mogen: en zeker dit vermindert zoo weinigh den luister van deze Kunsten, datze hierom te goddelijcker te achten zijn: want van Godt zelf, aller dingen Schepper, wort gezeit, by het Orakel der wijsheit, dat Hy alle dingen, in mate, getal, en gewighte, geordineert heeft. Van Plutarchus heeft elck nu in den mont dat schildery stomme Poëzy, de Poëzy spreeckende schildery is: want de Schilder beelt zijne gedachten met streken en verwen, de Dichter zijne bespiegelingen met woorden uit, en hare muzijk zweeft, met hooge middelbare en lage, droeve en blijde, statige en [fol. *3r] dertele klancken, op de pennen des Dichters, en volght scherp met hare galmen zijnen geest en vernuftige vonden, de ziel der zangkunste. De Poëzy wederom, behalve datze doorgaens een Gezang genoemt wort, heeft zich, van outs her, van bommen, tamboeren, liere, snaren en fluiten, zingende en danssende Reien gedient. Horatius, in deze zijne Dichtkunste, paert menighmael de Poëzy en Schilderkunst te zamen, gelijckt d’een by d’andere, en begaeftze beide even rijckelijck met eene zelve overoude hantvest der vryheit van alles wat ter zaecke dienen kan te durven bybrengen. De Poëzy, Schilder- en Beeldekunst, hebben niet alleen van outs [fol. *3v] Koningklijcke en Vorstelijcke Hoven, maer zelfs Godts tabernakel en tempel verheerlijckt, en hare Heiligen gehadt; gelijck onder de godtvruchtige Hebreen, Moses, Hiob, David, en Salomon, met hunne lofzangen, en gedichten; en Oöliab, en Bezeleël, van Godt geroepen, en door zijnen Geest begaeft met wijsheit, en kennisse, in allerhande kunst, en beeldewerck, om het Heilighdom te versieren. Onder het Heidendom hebben Homeer, Hesiodus, Orfeus, Kallimachus, Pindarus, Nonnus, Virgilius, Ovidius, Horatius, en zoo veele anderen, welcker naem en faem de weerelt verduren zal, zulx uitgebloncken, dat zelf de Heilige Geest, in [fol. *4r] Sint Pauwels brieven, met de spreucken van Aratus, en Epimenides, tot grootachtbaerheit en onsterflijcken lof der Poëzye, de goddelijcke waerheit bevestight. Sedert hebben de Grieksche en Latijnsche lofzangen het Christendom gesticht. De geluckighste kunst-eeuwen hadden voorhene moedt gedragen op Apelles, Timantes, Zeuxis, en andere doorluchtige Schilderhelden; oock op Praxiteles, den beelthouwer, Fidias, den beeltsnijder, en Lyzippus, den beeltgieter. Dewijl dan de Poëzy, Schilder- en beeldekunst, van outs her, gelijck noch, in onderlinghe gemeenschap verknocht waren, docht het my niet ongerijmt uwe E. op te [fol. *4v] dragen Horatius Flakkus Lierzangen, en Dichtkunste, eenige jaren geleden, by my, tot een eerlijck tijtverdrijf en oefeninge, by wintersche avonden, in ’t rijmeloos vertaelt, met hulpe van wijlen den Heere, Daniël Mostert, Secretaris dezer stede, en Joan Vechtersz. of Victorijn, beide Rechtsgeleerden, en zonderlinge begunstigers mijner Poëzye. Uwe E. ontfange dan dit werck tot een blijck van de goede genegenheit, die ick uwe edele kunste toedrage, terwijl ick blijf

                                                Uwer aller dienstwillige

                                                        J. v. VONDEL.

t’Amsterdam.
    1653. den 27
    van Slaght-
    maent.




[fol. *5r]

DE

ROOMSCHE LIER.

Aen

DANIEL MOSTERT,
Sekretaris van Amsterdam.

WIe Flakkus lier wil steecken naer de kroon,
Die tart, als Pan, Apolloos hoogen toon,
En krijght in ’t endt den welverdienden loon
                Van Midas ooren.

(5) De Venuzijnsche vogel, blanck van pluym
Gaet bruizen, als een schip voor wint door ’t schuim;
Of schept zyn’ adem op het luchtigh ruim,
                En laet zich hooren.
Ghy, Mostert, saus van onze Poëzy,

(10) Bestemde dit niet reuckeloos, toen wy
Verdroncken in Latijnsche leckerny
                Hem zingen hoorden.
Hy mengelt onverdrietigh hoogh en laegh,
En maeckt de doffe en laffe geesten graegh

[fol. *5v]
(15) Door zonneschijn, of eene guure vlaegh,
                Verweckt van ’t Noorden.
Zijn maet is uitgeleert, wanneerze vrijt:
Zy janckt van hartepijn, of kropt haer spijt,
Of pracht om ’t mondekijn, of walght, of bijt

                (20) Verslete boelen:
Of stoejende op ’t onbloedigh velt van Mars,
Verslijt den spaden avont met geschars:
Of d’ouderdom komt bloet, van minne wars,
                En ’t vier verkoelen.

(25) Nu levert hem de milde Klio stof
Om op te stijgen in het hemelsch hof,
En uit te meten aller Goden lof,
                En heerlickheden.
De Vader, die door winter zomer lent

(30) En herfst der dingen beurten stadigh ment,
En wijslijck matight, is Begin en ent
                Van ’s dichters beden.
Tyrannenvlegels, helden, vroom en trots,
Gewassen tegens stormen, als een rots,

(35) En dapper in de weer met zwaert en knods
                En scherpe schichten,
Op dezen klanck ten hemel varen in;
Gewelkomt van ’t onsterflijck hofgezin,

[fol. *6r]
Vooruit gespoeit met uitgesteecke kin
                (40) En aengezichten.
Indien het voorhooft zet een wijze kreuck,
Men leest’er in een goude Godenspreuck,
Die Delfis voeght, en overtreft in reuck.
                De roozenhoeden,

(45) Daer, op haer feest, de liefelijcke May
De pruick meê ciert; wanneerze gaet te
n rey,
Om, in het velt met dartel veltgeschrey
                Haer vreught te voeden.
Hy scheurt der feilen kanckerigen roest,

(50) Die staele glanssen opeet en verwoest;
Hy zaeit en maeit een’ deughdelicken oegst
                Van jongelingen,
Die met hun schoudre
n stutten ’t Roomsche ryck,
Den quaên tot schrick, den vromen tot een wyck;

(55) Geneight tot Recht, verhit om ’t ongelijck
                Den roof t’ ontwringen.
Zijn schatrend gastmael, wel vernoegt in ’t kleen,
Onthaelt met zang den maghtigen Meceen,
Die zich ontslaet de zorgen van ’t gemeen,

                (60) In koele lommer:
Hier schaft de boeredisch geen hoofsch bancket,
Met slangenspogh en blaeu vergift besmet;

[fol. *6v]
Maer veltgerechten, naer Pytagors wet,
                Bevrijt van kommer.

(65) Wie treurt niet wanneer dees Melpomen treurt?
’t Zy datse de Trojaensche weelde steurt;
Of ’t hair om Varus bloende neêrlaeg scheurt;
                Of deerlick schreie
Op ’t natte lijck, noch laeu en versch gestrant,

(70) Na wreede schipbreuck, op den oeverkant
Daer ’t aenhoudt, dat men ’t doch in ’t zoute zant
                Een graf bereie.
Onnutte zorgen spoelt hy rustigh af
Met vernen wijn, dien d’eelste wijnstock gaf;

(75) En boet en bezight, tusschen wiegh en graf,
                Zijn lieve lusten.
Vermaekt met frisschen geur en bloeient veil,
Mishaegt hem ’t geen verdrietig valt en steil.
Zijn hoop die droomt na ’s levens licht geen heil

                (80) Als ’t eeuwigh rusten.
Op dit geluidt vaert Cezar, als een Godt,
Ter poorten in, op ’t hoogh verheven slot;
En voert voor zich de streng geboeide rot
                Der trotse necken,

(85) Getuchtight door zijn’ schitterenden dolck:
Zoo wort hy opgenomen in de wolck

[fol. *7r]
Des wijzen Raets, en van ontelbaer volck,
                Vermoeit van trecken.
Hy smaeckt al zingend hoe hem is bereit,

(90) Om zijner vaerzen heilge majesteit,
Een zetel midden in d’onsterflijckheit.
                Hy klapt zijn wiecken,
En boven ’t wisselbare licht der maen
Opstijgend, durf den jammerpoel versmaên;

(95) En zet sich neffens de Dirceesche zwaen,
                Den roem van Griecken.
Verheft die goddelicke luitesnaer
Het leven der geruste boereschaer,
Soo zamelt Alf, de vrecke woeckeraer

                (100) Zijn lomberdgelden,
En krijght een’ treck tot hofsteên en tot lucht,
Tot zon en bron en beeck en vee en vrucht,
Gezonden ackerbou,* en jaght en vlught
                Door bosch en velden.

(105) De horen toet afgrijslijck, wan hy quist
In dien beschreielijcken burgertwist
Het burgerbloet, tot moorden aengehist
                Van Razeryen.
Terwijle Rome dus de Romers kruist,

(110) Zoo lachen Meed en Parten in hun vuist.
[fol. *7v]
De troni is van stof en bloet begruist
                Door heiloos stryen.
Zoo menigh liedt, zoo veelerhande slagh
Van stof van wijzen, midden in ’t gelagh,

(115) Op vrienden welkomst of geboortedagh,
                Op Godenfeesten,
Op zegestaetsi en gemeene vreught.
’t Gebreck is hier mismaeckt’er by de deught.
Hier steent de grijzert: hier krioelt de jeugt,

                (120) Gepropt van geesten.
Hoe dunckt u, Daniël? hoe klinckt die klank?
Ick wed ghy weet uw gantse leven lanck
De vriendelicke ringelduiven danck,
                Die ’t wichtje deckten

(125) Met aengedragen myrt en lauwerier;
Daer ’t zachtjes sliep, belaegt va
n menig dier;
Op dat de deuntjes der Tuskaensche lier
                Ons kortswijl streckten.








[p. 3]

DE

GEZANGEN

van

Q. HORATIUS FLAKKUS.

Uit Latijn in proze vertaelt.

Het eerste boeck.

AEN MAECENAS. Het eerste Gezang.

Andere staen naer wat anders, Horatius staet of steekt
naer den naem van Dichter, voornamelijck
van Lierdichter.
O MECENAS! die uit Koninglijcke Voorouderen gesproten, mijn beschermer en waerde roem zijt; zommigen scheppen lust het Olympische stof met den wagen om hunne oren te doen stuiven, en den perkpael met barnender wielen te mijden, om door den edelen palm van lantsheren tot Goden verheven te worden. Dezen, indien de schare der wispeltuirige gemeente hem pooge te verheffen tot de hoogste Eerampten; dien, indien hy zoldert al het koren dat in Lybie gedorst wort, vermaekt met zijne erfakkers te bouwen, zoudge met al het goet van de wereld niet daer toe brengen, dat hy, beangst voor schipbreuk, zich ter zee begeve. De Koopman, beducht voor den Noorden wint, die met de Jönische baren worstelt, looft de rust en het lantleven, t’hans geen kommer kunnende lijden, kalfatert zijne lekke kiel. Men vindt’er die geerne vernen wijn drinken, en daer eenen halven dag mede konnen doorbrengen; nu met uitgestrekte leden onder een groene linde, dan het hooft zachtjens op den kant van een ruischende beek leggende. Veele hebben zin in den oorlogh, en het gemengde geluit van [p. 5] trommels en trompetten, en de wapens, een gruwel voor een moeders hart. De Jager onthout zich onder den blauwen hemel, en denkt niet eens om zijn lieve vrou, het zy zijn trouwe honden een hinde op spoor hebben; het zy het wilde zwijn het gespande net doorboore.
    Het veil, een belooninge van geleerde harssenen zet my onder de Goden. Het koele woudt en de huppelende reien van Nymfen en Saters scheiden my van ’t gemeene volck, overmits Euterp my op hare fluit, en Polymnia op hare luit spelen laten. Indienge my onder de Lyrische Poëten rekent, zoo zal ick met opgeheve kruin de starren stooten.


Aen Augustus. Het II. Gezang.

Veel onweers en stormen uitgestort over ’t Roomsche volck, tot wrake des vermoorden J. Caesars. ’s Rijcx eenige hope rust op de gezontheit van Augustus.
JUpijn heeft nu lang genoeg tot een waarschouwing vervloekte sneeuw en hagel op ons neergestort, en met zijn gloeiende vuist de Roomsche sloten beschietende, de Stadt vervaert. Het verbaesde volk vreesde dat die benaeude tijd van Pyrrha, over nieuwe gedroghten kermende, wederom voor handen was; waer in Proteus al zijn vee op de hooge bergen ter weide dreef, en de visschen aen de hooge olmen hangen bleven, waer in te vore de duiven nestelden, en de blode dassen over de verdronken landen zwommen. Wy zagen den blonden Tiber, met kracht van den Hetrurischen oever te rugge gedreven, het Koningklijke slot en de kerken van Vesta overstulpen; terwijl hy tegens de jammerende Ilia stoft haer ongelijk te willen wreken: en die stroom, ter liefde zijner vrouwe, overlopende, bevloeit Stadts slinke zijde, om dat Jupijn vertorent is. Het kleene overschot der Jongelingen zal ter ooren komen dat de burgers tegen [p. 7] elkanderen den degen geslepen hebben, waer door het nutter waer dat de Persianen sneefden. Hun zal ook ter ooren komen, dat hunne ouders oorzaak waren van dit gevecht. Welken Godt zal het volk aenroepen, om den vallenden staat des Rijks te stutten? met wat gebeden zullen de heilige Nonnen aenhouden by Vesta, die naer geene lofzangen luistert? door wien zal Jupijn dit schelmstuk verzoenen? Koom ghy dan eens, dat bidden wy u, ô waerzeggende Apollo! wiens schouders met een witte wolk behangen zijn: of liever gy, ô lachende Venus! om wie scharssende Minnegodekens zweven: of indien gy uw verwaerloost geslacht [en nakomelingen] gade slaet, ô Vader Mars! die dit al te langdurige spel wars zijt, en lust schept in veldtgeschrey en gladde helmen, en in ’t barsse gezicht des Mauritaenschen Soldaets, tegens den bloedigen vyant. Of gy, ô gevlerkte Godt! zoon der koesterende Maja, die den naem van Caesars wreker wilt dragen, en des Jongelings gedaente nabootst; vaer spader ten hemel, en verkeer langen tijdt vrolijk onder het Roomsche Volk, en laet een snellen wint u, die over onze boosheyt vergramt zijt, niet van ons wech nemen. Verlustig u liever hier in treffelijke triomfen, en in vader en vorst genoemt te worden; en, ô Caesar, gedoogh niet dat de Medische ruiterye, onder uwe veldtheerschappye, ongewroken op onzen bodem kome draven.


Aen het schip. Het III. Gezang.

De Poëet wenscht het Scheepken, waerin Virgilius naer Athenen vaart, behoude reis: Voort haelt hy der menschen vermetenheyt en stoutheit dapper over.

Ik bidde, ô Schip! ’t welk gezonden zijt te leveren Virgiel, die u toebetrout is, dat de Godin, die Cyprus beheerscht, en de Gebroeders van Heleen, die blinkende gestarrenten, en den Windvoogd alle andre winden gekluistert houdende, behalve den Westenwint, u zoo sture, dat gy mijne halve ziele behoed, en hem behouden overvoert aen de Attische kusten. Hy was een hardvochtig en onvertsaagt man, die allereerst de brosse kiel de felle zee betroude; en niet vreesde de hollende zuider stormen, die met de Noortsche buien worstelen, nochte de mottige Hyades, nochte de dollicheit des Zuyden wints, boven wien geen storm meer gewelts heeft over de Adriatische baren; het zy dat hyze beroeren of stillen wil. Wat slagh van sterven heeft hy gevreest, die met drooge oogen de zwemmende gedroghten, de gezwolle zee, en de beruchte rotsen van Albanie aenschoude? De voorzichtige Godt scheide vergeefs de aerde van d’onbuurlijke zee, indien evenwel reuckelooze kielen over de gevaerlijke zanden heene vlooten. Het vermeten menschelijck geslacht, alles durvende bestaen, slaet den onwegh in. De stoute zoon van Japeet heeft den menschen het vier diefachtigh toegestopt: na dat het vier den hemel ontdragen was, is de weerelt overvallen van tering, en eene bende van nieuwe koortsen; en de noodzakelijke doot, die te vore lang aenquam, heeft zich sedert verylt. Dedael heeft d’ydele lucht doorsneden met wieken, die den mensche oneigen zijn. Herkules arbeitzaamheit doorboorde den afgront. Niets valt den menschen te lastigh. Uit verwaentheyt beklimmenwe den hemel. Onze schelmery gedooght niet, dat Jupijn zijne vergramde blixems uyt de handen legge.


Aen L. Sextius. Het IV. Gezang.

De lieflijkheit der lente beschreven, en ’s levens algemeene brosheit voorgestelt hebbende, vermaent hy Sextius tot een wellustigh leven.

De felle winter ontdoit, door d’aengename aenkomste der lente en des weklevens, en men wind de drooge kielen uit de haven: het vee is de stallen moe, en de boer den haert, en de weiden zijn niet meer wit van rijp. De Cyterische Venus heft alree met de nieuwe maen de reien aen. De bevallige Gratien trippelen met de Nymfen hant aen hant dat het dreunt: terwijl de nyvere Vulkaen de logge Reusesmis gloeiende maekt. Nu is het tijt de blinkende pruik met eenen groenen myrt, of een bloem, die van d’ontlate landouwe voortgebroght wort, te bekransen. Nu is het tijt datmen Pan offere in de lommerige bosschagien; het zy hy een lammeken of een boksken eischt. ô zalige harsenen. De bleke doodt klopt zoo wel aen der Koningen hoven, als aen der armen hutten. O zalige Sextius, ’s levens oogenblik leert ons het lange leven mistrouwen. Terstont zal u de nacht overvallen, en de logenachtige hel, en Plutoos nare huis, alwaer eens geraekt wezende, zultge daer met lekkeren wijn gene gezontheden instellen, nochte den teeren Jongeling belonken, daer nu alle de jeugt om blaekt, en die korts de maegden zal ontfonken.


Aen Pyrrha. Het V. Gezang.

Horatius de verlockingen van Pyrrha als een schipbreuk ontswommen, schat zulke ellendig, die in hare minne verstrikt zijn.

O Pyrrha! wat ranke Jongeling, stinkende van Civet en muskeljaet, omhelst u op gestroide roozen, in een genoegelijk prieel? ghy pronkstertje, voor wien snoertge uwe blonde vlechten! ô hoe menighmaal zal hy beschreien uwe trouweloosheit en lichtvaardige eeden, en als een onervaren zich verwonderen over de harde buien van uwe norsse hevigheit, die uw blanketsel nu te lichtgelovich liefkoost; die, niet kennende uwe bedriegelijke gunst, altijt hoopt u eens alleen en vriendelijk te vinden. Ellendigh zijnze, dien gy onverzocht schoon in ’t oogh schijnt. De kerkmuur getuight met het gewyde tafereel dat ick mijne natte kleederen ter eere des maghtigen Zeegodts opgehangen hebbe.


Aen Agrippa. Het VI. Gezang.

De treurspeler Varius zal Agrippaes oorlogen zingen. Horatius voelt zich slechts bequaem tot beschrijvinge van banketten en minneworstelingen.

O Agrip! ghy manhaftige overwinner der vyanden, Varius zal beschrijven, met een hoogdravende dichters pen, al wat de forsse soldaet te water en te lande onder uw beleit, bedreven heeft. Wy lage verstanden onderwinden ons niet zulke treffelijke zaken te verhalen, nochte de groote verbolgenheit van Achilles, die niet te verzetten was, nochte het zwerven over zee van den dubbelen Ulysses, nochte Pelops wraekgierigheit; overmits schaemte en de Zanggodin, alleen op de weerloze luit afgerecht, beletten uwen en Caesars voortreffelijken lof, door vernufts gebrek, t’ontluisteren. Wie kan Mars met zijn diamanten harnas naer waardye beschrijven? of Merion, van het Troyaensche stof bekrozen? of Diomedes, door hulp van Pallas, den Goden gelijk? wy ledigen zingen banketten, en stoeyingen van vrysters tegens vryers dapper in de weer, met gekorte nagelen; het zy datwe koel zijn, of blaken, niet lichtvaerdigh buiten gewoonte.


Aen Munatius Plancus. Het VII. Gezang.

Boven alle andere steden en lantschappen, prijst hy Tibur, de geboorteplaets van Plancus, welken hy vermaent met wijn de zorgen af te spoelen.

Andere zullen het doorluchtige Rhodes loven, of Myliteen, of Efesus, of de vesten van Korintus, van wederzijde met zee bespoelt, of Tebes, door Bacchus, of Delfis, door Appollo vermaert, of de Tessalische Tempe. Men vint’er die al hun werk maken stadigh met vaerzen te verheffen de stadt der ongerepte Pallas, en den olijf boven alle andere bomen te achten. Vele prijzen, Juno ter eere, Argos te paerde afgerecht, en het rijke Mycenen. Ik hebbe tot het geduldigh Lacedemon, nochte tot de vette weiden van Larisse, zulk eenen trek niet, als tot de woonstede der ruischende Albunea, en den waterval Anio, en het wout van Tiburnus, en de boomgaerden bewatert met stromende beken. Gelijk de heldere Zuiden wint dikwils de nevels van den duisteren hemel afvaeght, en niet altijdt tot regen genegen is, zoo zijt, ô Plancus, verdacht, wijselijk uwe droefheit en ’s levens moeielijkheden met een molligh wijntjen te verdrijven; het zy datge u onthout in een leger, dat van wapens schittert, of rust onder het dichte lommer uwes Tiburs. Hoewel Teucer, Salamin, en zijnen vader ontweek, nochtans zeitmen, dat hy zijne harsens, zat van wijn, met eenen populierkrans bevlechtende, zijne droevige vrienden aldus aansprak: O makkers en spitsbroeders, werwaert Fortuin, die ons gunstiger als vader is, ons voeren zal, daer zullenwe gaen. Onder Teucers beleit en raet hoevenwe niet te vrezen, want Apollo belooft ons zekerlijk een ander Salamin, in een nieuw landt. O ghy dappere mannen, die dikwils meer gevaers met my uitstondt, verdrijft nu de zorgen met wijn, morgen zullenwe ons weder op de wilde zee begeven.


Aen Lydia. Het VIII. Gezang.

Hy roskamt den Jongeling Sybaris, bedorven door de minne van Lydia, en in wellusten versmolten.

O Lydia! ik bid u, om Gods wil, zeghme eens: waerom yltge zoo om Sybaris, die op u verslingert is, te bederven? waerom schuwt hy, die weder en wint verduren kan, het worstelperk? waerom rijd hy niet ridderlijk met zijns gelijken? waerom temt hy niet Fransche paerden met den muilprang? waerom durf hy den blonden Tiber niet genaken? waerom vliet hy den worsteloli, omzichtiger als adderen bloet? waerom draegt hy niet zijne armen blaeuw van de wapenen, die dikwils meesterlijk de schijf en den worppiek voorby den merkpael geworpen heeft? waerom verberght hy zich, gelijck men zeit, dat de zoon der Zeegodinne Tetis voor de beschreielijkeuitvaert van Troje dede, op dat het mannelijke kleet hem niet mede zoude slepen, in de neerlaeg der Frygiaensche benden?


Aen Taliarchus. Het IX. Gezang.

Hy maent hem op tot een lustig winterleven.

Gy ziet hoe blank en dik Sorakte van sneeuw leit, en dat de bosschen nu schier onder dien last bezwijken, en alle vlieten dicht toegevrozen zijn. Verdrijf de koude, en leg lustig hout aen den haert, en schenk, ô Taliarch, rustig vernen wijn uit Sabynsche kruiken. Beveel de rest den Goden, die, zoo haast zy de winden, in de barnende zee worstelende, gestilt hebben, zoo worden cypressen en oude olmen niet meer bewogen. Onderzoek niet wat morgen gebeuren zal; en reken elcken dach, die u Fortuin verleent, voor winste; En terwijlge jong zijt, speen u niet van zoete vryagien, en dansen, zoo lang gy bloeiende van gemelijke grijsheit vry zijt: laet nu het worstelperk, en andere oeffenplaetsen weder verzocht, en de zachte fluisteringen ter gezette avontuure hervat worden, en ook het aengename lachen, meldende uit een schuylhoekje het verborgen meisken, en den armring tot pant van den arm, of eenen ring van den quansuis weygerenden vinger afgerukt.


Aen Merkuur. Het X. Gezang.

Dien hy verheft wegens zijne welsprekentheit, afkomste, worstelkunste, en vindinge der liere; oock om zijne loosheyt in ’t stelen, en om d’ampten die hy bedient.

O welsprekende Merkuur, Atlas neef, die schrander door uwe stem en het heerlijke worstelspel, de zeden der eerste menschen besnoeide; u zal ik loven, die des grooten Jupijn, en der Goden gezant, en vinder der ronde luite zijt, doortrapt om boertige diefte naer uwen lust te heelen. Apollo eertijdts, terwijl hy u, in Jongskens gestalte, dreigde te quetsen, indiengehem de gestole ossen niet wederleverde, most lachen, om dat hy zich van pijlkoker berooft vondt. De rijke Priaem oock, uit Ilium gaende, verschalktemede door uw beleit, de groote zonen van Atreus, en de Tessalische schiltwachten, en ’s vyands leger voor Troje: En ghy, bemindt van Goden en ongoden, zet de godtvruchtige zielen in vrolijke rustplaetsen, en geleit de zwevende schaer met uwe goude roede.


Aen Leuconoe. Het XI. Gezang.

Hy verbiet Leuconoë voor ’t aenstaende te zorgen, gebiet haer vrolijck te zijn, nemende zijn bewijs van de snelheit en kortheit des levens.

O Leukonoë, onderzoek niet eens (want ’t is ongeoorloft te weten) wat einde de Goden u of my beschoren hebben; ende en laet uwe planeet niet lezen, op datge te beter leert verduren alles wat u overkomen zal; het zy u Jupiter meer jaren toeleit, of dat dees winter de leste zy, waer in de Tyrrenische zee gebroken wort op de uitstekende rotsen. Laet den wijn vloeien. Laet varen de lange hoop om eenen oogenblik levens. Al pratende verloopt de nijdige tijdt. Neem den huidigen dagh waer, minst betrouwende den dagh van morgen.


Aen Augustus. Het XII. Gezang.

De Goden, Helden en doorluchtige mannen geprezen hebbende, treet hy endelijck tot den lof van Augustus.

O Klio! welken man of helt neemtge voor op uwe luit of schelle fluit te loven? of welken Godt, wiens naem van den oubolligen weergalm nagebaut wort, in het beschaduwde geweste van Helikon, of op Pindus, of op den killen Hemus? van waer de bosschagien van zelfs den zangerigen Orfeus navolgden, die met moederlijke kunste snelle watervallen en vlugge winden stuite, en al vleiende scherp luisterende eiken, door zijne luidende snaren leide. Wat zal ik best eerst verhalen, tot gewoonen lof des Vaders, die den staet van menschen en Goden, die zee en aerdtrijk, en de werelt door verscheide Jaertijden bestiert? uit wien niet groters geboren wort als hy zelf, nochte niets bloeit dat hem gelijkt, of by hem halen magh. Pallas evenwel is de naeste by hem in eere. U zal ik ook niet verzwijgen, ô Bacchus, die stout ten oorlog zijt, en u niet, ô Maegt, die een vyandin der wilde dieren zijt, nochte u, ô Phebus, ontzichtelijk door uwe fixe pijlen. Ik zal ook van Alcides spreken, en Ledaes kinderen, van welken d’een een vermaert meester te paerde, d’ander in het kampvechten is: wier heldere starre, zoo ras zy den zeelieden verschijnt, het gedreven vocht van de klippen doet afschieten, de winden gaen leggen, en het zwerk drijft wech, en de dreigende golven, om dat het hun belieft, bedaren op zee. Ik twijffel of ik na dezen eerst Romulus of het geruste Rijk van Numa, of de trotse bijlen van Tarquyn of Katoos doorluchtige doot zal gedenken. Ik zal Regulus en de Scauren, en Paulus, die vermeestert van den Peen, zijn groote ziel ten beste gaf, en Fabricius dankbaerlijk ophalen, in een hoogdravende gedicht. De bittere armoe, en het vaderlijk erf, met een beknopte woning teelden dezen man, en Curius ongehavent van hair, en Kamil, alleen bequaam ten oorlogh. Marcels faem groeit, als een boom stilzwijgende met der tijt op, en het gestarnte van Julius glinstert onder allen, gelijk de maan onder de mindere lichten. ô Vader en wachter des menschelijken geslachts, die van Saturnus gesproten zijt, het nootlot beveelt u de zorge van den grooten Caesar: Caesar sal neffens u heerschen, het zy hy de Parten, die Latium op den hals leggen, als een verwinner in eenen rechtvaerdige zegestaci omvoert, of de Seres en Indianen, ingezetenen van ’t Oosten, hy, zeg ick, zal minder als ghy de wijde werelt rechtvaerdelijk regeeren. Gy zult den hemel doen daveren met uwen zwaren wagen. Gy zult den Blixem slingeren, die verbolgen is over de besmette woudautaren.


Aen Lydia. Het XIII. Gezang.

Hy kan het niet verduwen, dat Telefus zijnen medevryer, van Lydia boven hem gestelt wort.

O Lydia! wanneerge Telefs roosverwigen nek, Telefs wasse Armen looft, zeker dan zwilt mijne blakende lever van overlopende galle; dan ontstelt mijn brein en bloet; dan biggelen my de tranen schielijk langs de wangen; meldende, door hoe langsaem een vier ik geheel verteer. Ik blaek, het zy een vinnig dronkemans gevecht uwe blancke schouders geschent hebbe: het zy die dolle jongeling een lidteken in uwe lippen gebeten hebbe. Indienge naer my luisteren wilt, denck niet dat zijn liefde eeuwigh duren zal, die onbeschoft de liefelijcke kuskens schendt, welke Venus in het eelste van haren Nektar gedoopt heeft. Drie en vierwerf geluckigh zijnze, die verknocht zijn door eenen onverbroken bant, en welcker liefde, niet gescheurt door booze krackeelen, voor den sterfdagh eindight.


Het XIV. Gezang.

Op Brutus, zich toerustende tot den burgerlijcken oorloogh.

O Schip, een nieu onweder zal u weder in zee jagen. Och wat gaetge aen? hou met kracht de haven in. Zietge niet datge zonder riemen drijft? en de mast, door den fellen storm, eenen krack wegh heeft? en de raen kraken, en de kielen zonder takels naulijks het gewelt der zee verduren konnen? Gy hebt niet een zeil heel. Gy hebt uit by de goden, diege, van noot geparst wezende, zoud mogen aenroepen. Hoewel gy Pontische pijnboom, dochter van het edele bosch, op uwe afkomste en ydelen naem stoft. De bloode zeeman betrout zich niet op geschilderde jaghten. Zie voor u, indienge den winden niet ten guigelspele wilt strecken: ghy die my onlanghs tot hartzeer diende, en nu tot blijschap, en geen kleene zorge gedijt. Schuw de barningen, die tusschen uitsteeckende Cyklades storten.


Het XV. Gezang.

Nereus voorspellinge van den ondergang van Troje.

TOen de trouwlooze harder, met Ideesche schepen, zijne huyswaerdin Heleen over zee medesleepte, heeft Nereus de snelle winden tegens hunnen danck ingebonden, op dat hy het wrede nootlot aldus zoude spellen: Ter quader uure voert ghyze t’huis, die met een maghtigh heir weder geeischt zal worden van Grieken, het welck met eede verbonden is uwe bruiloft en het oude Rijk van Priaem te steuren. Och! hoe zweten ruiters en knechten? wat haeltge den Dardanischen volcke al neerlaeg op den hals? Pallas rust alree helm, beukelaer en wagen toe, en geraeckt aen het woeden. Vergeefs, op Venus hulp moedt dragende, zultge uw perruick kemmen, en spelende op uwe weerlooze luit aengename wijzen voor de jofferen daer onder zingen: vergeefs in uwe kamer vlieden de zware spietsen, en de punten der Knossische pijlen, en het gedruisch van Ajax, die u kort op de hielen is. Maer helaes! ten leste zultghe uw overspeeligh hair met stof begruizen. Zietge niet om naer Ulysses, den verdelger van uwen huize, nochte naer Nestor van Pylus? d’Onvertzaegde Teucer van Salamin, en Stenelus ten strijde afgerecht, en die, als het op ’t paerdemennen aenkoomt, geenlogh wagenaer is, zijn u op de hielen. Merion zultge ook leeren kennen. Zie den forssen Diomedes, die zijnen vader overtreft, raest om u te vinden; voor wien gy suffert al hijgende vlughten zult, gelijk een hart, dat ter zijden af, in het dal, den wolf verneemende, zijn grazen vergeet. Dit is ’t niet, datge uwe liefste beloofde. Achilles verbolgen vloot zal Iliums beleg, en der Frygiaensche joffrouwen leven verlengen. Na zekere jaeren zal het Achaische vier de Trojaensche huizen verbranden.



NEREUS voorspellinge

Op den ondergang van TROJE
.

Uit HORATIUS.

In: J. v. Vondels ondergang van Troje. Virgilius tweede boeck van Eneas, in Nederduitsch gedicht. Amsterdam, Thomas Fontein voor wed. Abraham de Wees, 1655. UBL 1203 B 28.

TOen de trouwelooze Herder
    Zijne huiswaerdin Heleen
    Met de vloot van Ide heen
Over zee sleipte, altijt verder,
    (5) Bondt Godt Nereus, naer zijn’ zin,
    Dus de snelle winden in,
Om dien droeven val te spellen:

Och, ghy voert, ter quaeder uure,
    t’Huis, die met een’ oorloghstoght
    (10) Wort hereischt, en t’huis gebroght,
Van den Grieck, en nagebuure,
    Die, gestoort om ’t ongelijck,
    Zwoer ’t aeloude Priaems Rijck,
En uw bruiloftsfeest te stooren.

(15) Och, hoe zweet soldaet en ruiter!
    Och, wat haeltghe den Dardaen,
    En zijn volck al plaegen aen!
Pallas wapent den vrybuiter.
    Wagen helm en beuckelaer
    (20) Rustze toe, en raest. voorwaer
Ghy zult u vergeefs verlaeten

Op den bystant der Godinne,
    En uw locken kemmen fier,
    Speelende op uw bloode lier
(25) Wijzen, die uw lief en minne
    D’ooren kitlen, en om niet
    In uw kamer vliên ’t geschiet
Van den Griekschen boog en schichten;

Voor Kretenzer punt en pezen,
    (30) En ’t gedruisch van Ajax vaen,
    Die u kort volght achter aen:
Maer ten leste, als een verwezen,
    Zultghe uw overspeligh haer
    Zien begruist van stof, te naer.
(35) Zietghe Ulysses niet van achter,

Die uw huizen komt vernielen?
    Ziet ghy ouden Nestor niet,
    Die van Pylus derwaert schiet?
Teucer zit u op de hielen,
    (40) Van zijn eilant Salamin.
    Sthenelus zet dapper in,
Afgerecht op oorelogen;

Afgerecht op paerdemennen,
    En den wagen in den slagh.
    (45) Wat vorst Merion vermagh
Zult ghy levend leeren kennen.
    Forsse Diomedes zwaert,
    Trotser dan zijn vaders aert,
Raest, en streeft om u te vinden.

(50) Ghy een suffert, en vol schroomen,
    Zult, al hygende van smart,
    Voor hem vlughten, als een hart,
Dat den wolf in ’t dal ziet komen,
    En zijn grazen ras vergeet.
    (55) Anders luidt de heilige eedt,
Uwe schoone bruit gezworen.

De verbolge vloot en kielen
    Van Achilles recken lang
    Trojes tijt en ondergang,
(60) En der jofferen tijt en zielen.
    Na tien jaeren wederstant
    Zal de Griecksche torts den brant
In de Troische daecken steecken.


Het XVI. Gezang.

Hy bidt het meisken, door zijn lasterdicht tweemael gequest, om vergiffenis.

O Dochter, schooner dan uwe schoone moeder, gy moogt met mijne lastervaerzen leven, zooghe wilt; het zy gy lust hebt die te branden, of in de Adriatische zee te drencken. Cybele noch de Pytische Apollo, nochte ook Bacchus schudden de papeharssens zoo niet in ingewijde plaetsen. De Koribanten verdubbelen zoo ’t geklanck van hun luidende beckens niet, als droeve gramschap, die niet schrikt voor Norische lemmers, nochte schipbrekende zee, nochte verteerende vier, nochte Jupijn zelf, die met eenen sidderenden donder van boven schiet. Men zeit dat Prometheus genootzaeckt was een stucksken alsins afgesneden, tot zijn eerste klay te voegen, en de kracht eenes dullen leeus in onzen boezem gesteken heeft. De toorne heeft Tyëstes ten zwaren val gebrogt, en was hooftoorzaeck dat treffelijcke steden in den gront verdelgt wierden, en het uitgelaten leger den vyandelijcken ploegh door de vesten liet gaen. Bedaer wat: d’oploopentheit der zinnen heeftme mede in mijn zoete jeugt verruckt, en uit dolligheit tot reuckelooze vaerzen vervoert. Nu zoeck ick die hardigheit te verzachten, mits ghy uwe scheltwoorden in den hals halende, my weder vriendtschap toont, en moedt geeft.


Aen Tyndaris. Het XVII. Gezang.

Hy noodightze op zijn hoeve by Lucretilis.

De gezwinde Faunus verwisselt dikwils den genoegelijken Lukretil om Lyceus, en beschut mijne geiten altijt voor het steecken der zonne en regenachtighe buien. De verdwaelde wijfkens der stinckende mannekens zoeken onbeschadigt, door het veilige wout, dichte laeningen en tijm: en de boeken schromen niet meer groene slangen, en bijtende wolven, daer, o Tyndaer, dalen en gladde rotsen van den lenenden Ustika op de zoete fluit wedergalmen. De Goden beschermen my. Mijn godtvruchtigheit en zanggodin gaet den Goden ter harte. Van hier zal u vol op toevloeien uyt eenen milden hoorne, de rijcke vloet der ackerglori. Hier zultge, in een afgescheiden dal, de hitte der hontsdagen ontwijcken, en speelen op eene Teische snaer van Peneloop, en de glazige Circe, beide, om eenen man, even verlegen. Hier zultge, in schaduwe, een licht wijntjen van Lesbium leppen: en Tioneus, Semeles zoon, zal met Mars niet vechten, en ghy zult, hier verdacht, niet hoeven te vreezen, dat de dartele Cyrus onbeschoft zijn baldadige handen sla aen u, die zijns gelijck niet en zijt, en hy den om het hooft gevlochten krans, en het onnozele kleedt scheure.


Aen Quintilius Varus. Het XVIII. Gezang.

Het matigh gebruick des wijns verheught den geest; het onmatigh drincken verweckt krackeel.

O Vare, plant voor alle boomen den heiligen wijnstock, op den zachten gront van Tybur, en by de vesten van Katilus: want het leven valt nuchtere keelen zuur, en knaegende zorgen willen op gene andere wijze verschoien. Wie klaagt dat oorlogh of armoe lastig valt, wanneer hy beschoncken is? wie spreeckt niet liever van u, o Vader Bacchus, en van u, o bevallige Venus? maer het Centaurische krackeel met den Lapiten, door den wijn ontstaen, vermaent ons de maet van drincken niet te buiten te gaen: dat vermaent ons oock Evius, niet weinig gesteurt op de Sitonen: toen zy, van geilheit blakende, luttel onderscheits tusschen eer en schande maeckten. O blanke Bassareus, ick zal u niet tegens heugh en meugh inslorpen, nochte’t geheim, dat onder veelerley leet schuilt, aen den dag brengen. Bedwing de dolle bommen, en den Berecintischen hoorne; dien blinde eigeliefde navolgt, en verwaentheit, die d’ydele kruin al te hoogh in de lucht steekt; en trouwe, de geheimmeltster, doorluchtiger dan glas.


Van Glycera. Het XIX. Gezang.

Hy klaeght dat hy van hare minne blaeckt.

De wrede moeder der minnegodekens, en de jongen der Thebaensche Semele, en dartele ongebondenheit, belasten my de verkoude vryagien wederom te ontfonken. My blaeckt de luister van Glyceer, zuiverder glinsterende als Parischen marmer: my blaeckt aengename dartelheit, en het aenschijn, dat al te glibberig in ’t oog is. Venus, my met gewelt op ’t lijf vallende, heeft Cyprus verlaten, en gedoogt niet, dat ik dichte van Scyten en Parten, moedigh op deizende paerden; en van ’t geen ter zaecke niet dienstig is. O jongers brengt hier een groene zode: brengt offerkruit en wierroock, en eenen beker met tweejarigen wijn, na het slaghten der offerhanden zalze leeniger worden.


Aen Maecenas. Het XX. Gezang.

Hy noodight hem op een onkostelijck gastmael.

Gy zult uit kleene kroezen kleenen Sabijnschen wijn drinken, dien ick in een Griecksche kruick met peck toegestopt hebbe, toen, o waerde Mecenas, de schouburg, met een hantgeklap u zoo voor ridder uitriep, dat de oever des vaderlijcken vliets, en met eenen de boertige nabauwer van den berg Vatikaen uwen lof weergalmden. Ghy zult Kampanischen wijn drincken, en druiven die te Kalene geparst zijn. Tot mijnent drincktmen geenen wijn van Falernische wijngaerden, nochte Formiaensche heuvelen.


Aen Diane, en Apollo. Het XXI. Gezang.

Eeuwdicht.

Ghy teere joffertjes, zingt Diaen; ghy jongelingen, zingt den ongeschoren Cyntius, en Latoon, daer d’opperste Jupijn zoo zeer op verslingert is. Gy vrysters verheft met lofzangen haer, die vermaeck schept in vlieten en boschloof, ’t welck uitpuilt op den killen Algidus, of in de bruine wouden van Erymant, of groenen Kraeg. Ghy vryers, looft niet min Tempe, Delos, Apolloos geboorteplaets, en zijn schouders, door zijnen pijlkoker en broederlijke lier vermaert. Dees, door uwe gebeden bewogen, zal beschreielijken oorloogh, erbarmelijken honger en pest, van den volcke en Caesar den vorst, den Persianen en Britten toedrijven.


Aen Aristius. Het XXII. Gezang.

Onnozelheit en trouw zijn over al veiligh.

O Fuskus, die oprecht van handel en wandel is, behoeft schicht nochte boogh van Mooren, nochte koker, zwanger van vergiftige pijlen; het zy hy doorreize de heete en zandige woestijnen van Lybie of den ongastvryen Kaukasus, of de plaetsen, die geleckt worden van den Hydasp, daermenveele sproockjes van verziert: want terwijl ick van mijne Lalage zing, en onbekommert omzwerve, buiten mijnen hoefslagh, zoo vlught in ’t Sabynsche bosch voor my, die weerloos ben, een wolf, hoedanigh een gedroght van het strijdbare Daunia niet in de wijde eekelbosschen gevoed wort: nochte hoedanig Jubaes landouwe, de dorre leeuwenvoester, niet voortbrengt. Zetme daer geen boom op de dorre velden door een zomerluchje verfrischt wort; welck gewest van nevels en quade luchten geplaegt wordt: zetme in een onbewoont lant, onder de middellijn, noch zal ick Lalage, dat lachebeckje, dat zoet praetstertje, beminnen.


Aen Chloe. Het XXIII. Gezang.

Naerdienze huwbaer is, heeftze geenen man te schuwen.

O Chloë, gy vlughtme, als een hindeken dat zijn bevende moeder zoekt, op ongebaende bergen, niet zonder ydele vreeze van windekens en loof: want het zy dat de bladen door de aenkomende lente trillen; het zy groene haeghdissen door de bremhage booren, het harte jaeght en de beentjes knicken: en ick nochtans vervolgh u niet, als een wrede tiger, of Getulisch leeu, om u te verscheuren. Nughe eens huwbaer geworden zijt, laet af van moeder na te loopen.


Aen Virgilius. Het XXIV. Gezang.

Hy beschreit de doot van Quinctilius Varo.

O Melpomen, godin der treurzangen, aen wie de vader een liefelijcke stem en cyter vereerde, leer ons wanneer wy ophouden zullen uit schaemte te verlangen naer zoo waert een hooft. Zal dan een eeuwige slaep Quinctilius oogen luicken? wanneer zal schaemte en onomgekochte trou, een zuster van rechtvaerdigheit en naeckte waerheit yemant zijns gelijck vinden? hy is gesneuvelt, dat beklaghelijck is voor veele vroomen: maer voor niemant beklaeghelijcker, o Virgijl, als voor u. Helaes! vergeefs eischt ghy den godvruchtigen Quinctilius van den goden, die maer geleent was. Al kontghe vleiender als de Tracische Orfeus speelen, op de snaren, daer de boomen naer luisterden; nochtans zou de ziel niet weder in het ydele beelt keren, het welck van Merkuur (door geene gebeden vermorwt, om het noodlot te ontsluiten) eens, met zijne ysselijcke roede, by de zwarte schare gedreven is. Hardt valt het, doch watmen niet beteren kan, valt lichter door gedult.


Aen Lydia. Het XXV. Gezang.

Hy beschimptze, die nu out en afgesolt, wederom van de jeught versmaet wort.

Dartele vryers kloppen zeldener op de geslote vensters, en steuren uwen slaep niet, en de deur is altijt dicht toe, die te vore den meesten tijt op de klinck stont: ghy hoort nu hoe langher hoe min. Slaeptge, o Lydia, den heelen nacht over, terwijl ick, uw lief, vast verloren ga? hier tegens zult ghy ritse best, in een eensaem slopje, om de verwaende overspeelders, schreien, terwijl het Tracische onweder meer by donckere maen buldert; wanneer blaeckende minne en geilheit, die de merrien pleegh hengstigh te maecken, de verrotte lever zal koocken, niet zonder hartzeer, om dat de vrolijcke jeugt vermaeckt is, met den bloeienden veilkrans en donckergroenen myrt, en wijdt het dorre loof den Hebrus, een spitsbroeder van den winter, toe.


Van Elius Lamia. Het XXVI. Gezang.

Hy begeert Lamia uit een rustigh en lustigh hart te prijzen.

Ick, een vrient der Zanggodinnen, zal den onstuimigen winden bevelen droefheit en vrees in de Kretenser zee te storten, en my gants niet bekreunen wat Koning onder de kille Noorder as gevreest wort: wat Tiridates vervaert. O zoete Zanggodes, die in onbesmette bronnen uwen lust schept, vlecht bescheene bloemen: vlecht eenen krans voor mijnen Lamia: mijn glori isme zonder u ondienstigh. Het voeght u en uwe zusteren dezen op nieuwe snaren, dezen met lierdichten in te wyen.


Aen zyne spitsbroeders. Het XXVII. Gezang.

Hy verbietze, onder het gelagh, met woorden of kroezen, als Barbaren te krackeelen, of te vechten.

De Traciers zijn gewoon met kroezen te vechten, die alleen tot vrolijckheit gemaeckt zijn. Wegh met die uitheemsche wijze, en verweckt geen bloedigh krackeel, in een eerlijck gelagh. Hoe qualijck passen Medische sabel en gastmalen by elckanderen. O spitsbroeders, stilt dat godtloos gebulder, en blijft aen den disch. Wiltghe dat ick mede eens eenen kroes strengen Falernischen wijn drincke? laet den broeder van Megille van Lokris zeggen, door welcke wonde, door wiens minnepijl hy ter goederuure geschoten is. Wil hy ’t niet zeggen? ick zal anders niet drincken. Wat vryster u quelt, zy blaeckt u met geen minnevier, daerghe schaemroot om hoeft te worden; en altijt zetghe uwe zinnen op eene vrygeboorne. Zegh op hoe het daer mede gelegen is, ghy mooght het my vry betrouwen: het zal by ons beide blijven. Och! elendige jongeling, die hooger behoorde te zien, in hoe groot een gevaer steecktghe? Wat kol, wat tovenaer, wat Godt kunnen u door Tessalisch vergif bevrijden? Pegaes zou u, die aen eene drievormige Chimeer gekoppelt zijt, naulicks konnen redden.


Op Archytas. Het XXVIII. Gezang.

De Geest van Archytas eenen zeeman antwoordende, zeit dat alle menschen sterflijck zijn, en bidt dat men hem niet onbegraven late, maer zijn lichaem de aerde of het zant bevele.

O Archyta, een gering loon van luttel stofs besluit u, die by den Matinischen oever een meester van zee en ontelbaer lant en zant zijt; en het baet u na uwe doot niet, datghe in de starren keeckt, en uw geest den ronden hemel doorzweefde. Pelops vader, der Goden gast, is mede gesneeft, Titon in lucht verdweenen, Minos in Jupijns geheimraet toegelaten, en Pluto heeft den zoon van Pantois, die eens ter helle uitgelaten was, weder in zijn gewoudt: hoewel hy met opgehangen beuckelaer aenwees, dat hy ten tijde van Troje geleeft, en niet als huit en zenuwen de zwarte Doot ten bestegegeven had; naer uw oordeel geen onaerdigh doorsnuffelaer van natuur en waerheit. Maer een zelve nacht hangtze allen over ’t hooft, en het padt der doot moet eens betreden zijn. De Razeryen geven zommigen den barssen krijgh ten schouspele over. De zee verslint de gierige zeeluiden. Der jongelingen en oulingen lijcken liggen door elckanderen opgehoopt. De felle Proserpijn verschoont niemants hooft. De gezwinde zuidewint, macker van den ondergaenden Orion, overstulpteme mede in de Ilyrische baren. Maer ghy, o zeeman, laet, u boosaerdigheit, mijn gebeente, en onbegraven rif geen aerde gebreck hebben. Laet alzoo, ghy behouden wezende, de Venusijnsche bosschen boeten al het geene Eurus den Hesperischen golven dreight. Een groot loon vloeie u toe van den rechtvaerdigen Jupiter, die het vermagh, en van Neptuin, den wachter van ’t heilige Tarente. Verzuimtghe dat, zoo zultghe een bedrogh begaen, het welck namaels uwen onschuldigen nakomelingen nadeeligh zal wezen. Misschien zal u zelf een verdiende straf wel dapper te beurt vallen. Mijn gebeden zullen niet onverhoort, en ick niet ongewroken blijven, en geen zoenoffer zal u bevrijden. Hoewelghe uhaest, ghy zult niet lange opgehouden worden. Ghy moogt vry t’zeil gaen, indienge maer drie schoppen aerde op my worpt.


Aen Iccius. Het XXIX. Gezang.

Het dunckt hem vreemt dat Iccius zijn boecken en de schoolgeleertheit aen wapens en oorlogh verwisselt.

O Iccius, ghy vlamt nu op geluckige Arabische schatten: ghy reedt eenen gestrengen oorloogh toe, tegens d’onverwonne koningen van Saba, en smeet ketens voor den ysselijcken Meed. Wat uitheemsche maeght zal uw slaevin wezen, na haeren bruidegoms moort? wat hoofsche pagie, afgerecht, naer zijn vaderlands wijze, op Serische pijlen te schieten, zal met zijn welrieckende hair u voor dischschencker dienen. Wie kan lochenen dat vlieten, van hooge bergen afstortende, te rugge keeren, en de Tiber deizen kan? Dewijl ghy alsins de vermaerde boecken van Panetius en het Sokratische gezelschap opgekocht hebbende, die pooght te verwisselen voor Spaensche pantsers, daerghe ons wat beters belooft had.


Aen Venus. Het XXX. Gezang.

Hy bidt Venus datze zich gewaerdige ter kapelle van Glycere te laten vinden.

O Venus, Koningin van Knidus en Pafos, verlaet het beminde Cyprus, en vervaer in de heerlijcke kappel van Gliceer, die u veel wieroocks opoffert. Laet het blaeckende jongsken, en de bevalligheden met ongegorden gewaede, en de nymfen, en de Godin der Jeugt, luttel in haer’ schick zonder u, en Merkuur zich herwaert spoeden.


Het XXXI. Gezang.

De Dichter bidt Apollo niet om rijckdom, maer een rustigh en lustigh leven.

Wat eischt de poeet van den ingewyden Apollo? waerom bidt hy, die nieuwen wijn in de schale giet? niet om het vette gewas van ’t vruchtbaere Sardinie; niet om aengename runders van het heete Kalabrie; niet om Indiaensch gout of yvoir; niet om ackers, die van Liris, dien gerusten vliet, met eenen stillen stroom, gekabbelt worden. Laet hun, wien natuur met wijnstock begaefde, den wijn parssen, die met een Kaleensch snoeimes gesneden is, en laet de rijcke koopman, die den Goden zelfs lieftalligh is, als een die drie of viermael ’s jaers d’Atlantische zee schadeloos bevaert, uit verguldeglazen wijn drincken, die voor Syrische waeren vermangelt zijn. Laet olyven my voeden, cikoren en lichte maluwe, en, o Latoe, ick bidde verleenme dat ick, gezonts lijfs, en met vollen verstande, mijn eigen gewas nuttige, en geenen oneerlijcken ouderdom bereicke, nochte mijn cyter derve.


Het XXXII. Gezang.

Hy prijst zijne lier en lierdichten.

Wy verzoecken, indienwe in schaduwe yet op u gespeelt hebben, dat het dit jaer en noch veele jaren leve. Wel op, zegh ons een Latijnsch gedicht, o mijn lier, waer op de Lesbische burger eerst gespeelt heeft; die gestreng ten oorloogh, het zy onder de wapens, het zy hy zijn gesolt schip aen den natten oever meerde, altijt zong van Bacchus, en de Zanggodinnen, en Venus, en het wicht, dat aen haren riem hangt, en Lykus, die schoon is, door zijn bruine oogen, en zwart hair. Zijt gegroet, o luit, Apolloos glori, en aengenaem op het bancket van den hooghsten Jupiter. O zoete verzachtinge der zwarigheden, zoo menighmael ick u roep, daer het te passe komt.


Aen Albius Tibullus. Het XXXIII. Gezang.

Hy wil dat Albius zich niet belge een jonger te zien boven hem in de gunste van Glycere.

O Albius, bedroef u niet te zeer, door het gedencken aen d’onvermorwelijcke Glyceer, en zing geen jammerklaghten, om dat een jonger by die trouwelooze, meer als ghy, gezien is. Cyrus minne ontvonckt Lykoor, die schoon is, door haer laegh voorhooft. Cyrus heeft treck tot die spijtige Foloë: maer eer zullen de geitkens paeren met Appulische wolven, dan Foloë zich zal verloopen met dien vuilen overspeelder. Zoo belieft het Venus en denfellen minnegodt, die lust scheppen ongelijcke gedaenten en gemoeden onder een yzeren juck te koppelen. Toen een aerdiger vryster naer my stont, hielme de vrygelate Myrtale, die wreeger is als de Adriatische zee, welcke den boght van Kalabrie afspoelt, vrywilligh geboeit.


Het XXXIV. Gezang.

Het berouwt hem dat hy, Epikuur volgende, de godtvruchtigheit verwaerloosde.

Terwijl ick, ervaren in raezende wijsheit, en een koel kerckyveraer, vast omdwaele, zoo word ick nu geparst te rug te zeilen, en den ouden koers aen te gaen: want Jupijn, die gemeenelijck met schitterende vier door de wolcken breeckt, dreef zijn donderende paerden en vluggen wagen door den helderen hemel; waer door het logge aerdrijck en stroomende vlieten, waer door Styx en de ysselijcke zetel des gehaten afgronts [en de kaap van Atlas] daverden. Godt kan het onderste boven keeren, en het duistere voor den dagh halende, verkleent de grooten. De horrende Fortuyn is vermaeckt met hier het zeilin top te halen, en daer te strijcken.


Aen de Fortuin. Het XXXV. Gezang.

Hy bidt haer datze Cesar, zich ten oorloogh tegens Britanie toerustende, toch behoede.

O Godin, die het aengename Antium beheerscht, maghtigh zijt de menschen, uit het stof, in top te verheffen, of trotse triomfen in lijcken te veranderen; de arme landman smeeckt u zeer bekommert, en alle die de Karpatische zee met Bytynische kielen kruissen, bidden u, o Zeegodes, oock aen. De strenge Dakus, de omzwervende Scyten, en steden, en volcken, en het forsse Latium, en de moeders der uitheemsche Koningen, en gepurperde dwingelanden ontzien u. Schop met eenen nijdigen voet de staendezuil niet om verre. Laet het te zamenrottende volck, de genen, die de wapens nedergeleit hebben, niet tot de wapens opruien, en het rijck verwoesten. De felle noot stapt voor u heene, draegende, in hare yzere handen, boutenen beitels, en den wreeden klavier met het gesmolten loot. Hope en zeldsaeme trou, met wit laken omhangen, eeren u, en weigeren u haer gezelschap niet: hoewel ghy een vyandin geworden zijnde, met verwisselden kleede, de maghtige huizen verlaet. Maer het trouwelooze graeu en de meineedige boel deist. Bedriegelijcke vrienden bezwijcken om het juck te helpen dragen, zoo haest de vaten op het hef lopen. Behoe Cesar, die naer de Britten, op het einde der weerelt, trecken zal; en den frisschen zwarm van jongelingen, daer het Oostersch geweste en de roode zee voor schrickt. Och, ick schaem my der lidtekenen en schelmeryen en gesneuvelde broederen. Wy menschen van eenen zueren tijdt, wat ontzienwe ons? wat laten wy heiloozen ongeschent? Waer heeft de jeught, uit godtvruchtigheit, de handen afgehouden? Wat autaeren heeftze verschoont? Och, of ghe uw stomp lemmer op een nieu anbeelt tegens Arabiers en Massageten smeede.


Ter eere van Pomponius van Numidie. Het XXXVI. Gezang.

Hy verheught zich om zijn wederkomst uit Numidie.

Het lustme met wierroock en snaren, en belooft kalverbloet de Goden, behoeders van Pompoon, te paeien; die nu behouden wedergekeert zijnde, van ’t uiterste geweste van Spanje, veele kuskens aen zijne waerde mackers omdeelt; doch aen niemant meer als aen de zoete Lamia; indachtigh datze, onder eenen meester, hare kintsheit doorgebroght en tabbert verwisselthebben. Laet dezen blijden dagh niet ongetekent. Laet de kruicken vol tappen. Laet de voeten trippelen gelijck de Priesters van Mars. De Tracische Damalis, die veel wijns stuwen kan, Bassus, met eenen snirs te drincken, niet overtreffen: en laet over het bancket geene roozen, nochte groene petercelie, nocht licht verflenste lelien gebreck zijn. Alle slaenze hunne puilende oogen op Damalis: maer Damalis, die weeldiger kringkelt dan dartel veil, zal van haren nieuwen pol niet af te rucken zijn.


Aen zyne spitsbroeders. Het XXXVII. Gezang.

Datmen zich verheuge over den zeestrijt en Actiaschen zege.

O Spitsbroeders, nu gedroncken: nu eens lustigh omgesprongen: nu met priesterlijcke bancketten den disch der Goden aengerecht. Voor dezen was het ongeoorlooft Kampanischen vernen wijn te tappen; toen de koningin het Kapitool ’t uiterste bederf, en den rijcke een lijck toereede, met dien vuilen bezoedelden hoop, die alles dorst bestaen, en door haren voorspoet droncken was: maer naulicks een schip uit den brant geborgen, is hare dolligheit gestuit; en de harssens, door Mareotischen wijn, aen’t hollen geraeckt, zijn tot bedaren gebrogt, door Cesar, die haer, van Italie vliegende, met riemen nazette, gelijck een havick de teere duiven, of een gezwint jager den haes, op de velden van ’t besneeude Aemonie; op dat hy het lantbederffelijck gedroght zoude ketenen; het welck groothartiger zoeckende te sterven, niet wijfachtigh voor het lemmer geschrickt, nocht met de gezwinde vlote zich naer heure kusten begeven heeft, om daer te schuilen; maer zy durf onbeschroomt, met een blygeestigh gelaet, het vervallen hof bezichtigen, en de felle slangen aengrijpen; op datze het zwart vergift in het lijf zoude drincken, forsser door een opgezette doot; als die den fellen Liburnischen schepen benijde, dat zy, geen geringe vrou, gelijck eene staetelooze in den trotsen triomf omgevoert zoude worden.


Aen zynen knaep. Het XXXVIII. Gezang.

Dat hy met weinighs toestels best gedient is.

O Jongeling, Persiaensche gerechten haet ick: hunne gevlochte kranssen mishagen my. Onderzoeck niet waer de spade roozen groeien. Ick bekommerme ernstigh datge slechs myrten alleen weeft: want nadienge een dienaer zijt, zoo voeght u de myrt niet qualijck, nochte oock my, die in wijngarts schaduwe drincke.

Continue
[p. 59]

HORATIUS

GEZANGEN.

Het tweede boeck.

AEN C. ASINIUS POLLIO.

Het eerste Gezang.

De lierdichter wil dat Pollio met zijn schriften van den
burgerlijcken oorloogh zich buiten gevaer houde, en
den tijt aenzie.

O Pollio, ghy beschrijft het burgerlijck oproer, van Metellus burgemeesterschap af, en d’oirzaecken des krijghs, en de gebreecken, en wijze, en het spel der fortuine, en de schadelijcke verwantschap der Vorsten, en de wapens dus lang met onverzoenden bloede geverft; een werck van zeer gevaerlijcke kansse; en ghy stapt over assche, die een smeulend vier bedeckt. Dat uwe Zanggodin het vertoonen van wreede treurspelen liever een weinigh staecke: flus wanneerghe het gemeen beste gered hebt, dan zult ghy (een dapper voorvechter der bedruckte gevangenen, en van ’t om raet verlegen hof, en wien de laurier een eeuwige glori, door den Dalmatischen triomf, heeft toegebroght) dien treffelijcken arbeit, met Griecksche brooskens, hervatten. Alree tuiten mijn ooren van het dreigende getoet der kromhoornen. Alree wort de trompet gesteecken. Alree verschrickt het schitteren der wapenen de schichtige paerden en het aenzicht der ruiteren. Alree duncktme dat ick hoor de groote veltoversten, begruist van geen oneerlijck stof; en den gantschen aerdtbodem vermeestert, behalven Katoos onbuigelijck hart. Juno en wat Godt het oock zy, die den Afrikanen gunstiger was, most ongewroken dat [p. 61] lant verlaten, maer sedert hebbenze de nakomelingen der overwinneren ten slaghtoffer aen Jugurta overgelevert. Wat velt, met Latijnschen bloede gemest, getuight niet met de graven de godlooze neerlagen, en het dreunen van den Hesperischen val, by de Meden gehoort? wat kolck of wat vlieten zijn onbewust van den beschreielijcken oorloogh? wat Daunische zee is niet van moort bevleckt? wat oort is vry van onzen bloede? Maer op dat ghy, dartele Zanggodin, de boerteryen verlatende, niet weder jammerklaghten aenheft, zoeck met my, in Venus speloncke, deuntjens van lichter stoffe.


AEN SALUSTIUS CRISPUS.

Het II. Gezang.

Hy prijst Proculeius miltdadigheit neffens zijne broeders, en verheftze tot Koningen, die hun begeerlijckheit en goutzucht intoomen.
O Krisp Salust, vyant van staten, het zilver, van gierigaerts in aerde begraven, is zonder glans, ’t en zy het blincke door een maetigh gebruick. Prokuleius, vermaert door het toonen van zijn vaderlijck harte, over zijne broeders, zal eeu in eeu uit leven. De Faem zal hem, na zijn doodt, op onbezweecke vleugels, omvoeren. Indienge uwe geltzucht temt, zoo zultge wijder heerschen, dan ofghe Lybie en het veergelegen Spanje aen een hechtte, en beide de Penen onder een hooft brogt. De vervloeckte waterzucht, den schoot van haren lust vierende, groeit immer aen, en lescht geenen dorst, ’t en zy d’oirzaeck der zieckte d’aders, en het waterachtigh quijnen het bleke lichaem verlaete. De Deught, die by ’t graeu niet te vinden is, telt Fraätes, op Cyrus troon gezeten, onder de geluckigen niet; en verleert het volck tittels te gebruicken; en draeght alleen het Rijck en den veiligen tulbant, en den daer toe passenden laurier aen [p. 63] hem op, die geweldige geltstapels met onbegeerlijcke oogen aenschout.


AEN DELIUS.

Het III. Gezang.

Hy vermaent hem tot gelijckmoedigheit in vooren tegenspoet ten opzichte van onzer aller sterflijckheit.
O sterflijcke Delius, hou in voorspoet en tegenspoet eenen zelven moedt, gemaetight van dartele vreughde; het zy datghe altijt bedruckt hebt geleeft; het zy datge op feesten, ter zijden af, u zelven gezegent hebt met den uitgemerckten wijn van Falerne, daerghe in het gras leght; daer de hooghe pijnboom en witte populier de gastvrye schaduwe liefelijck met tacken paeren; daer het stroomende water bezigh is langhs den vochtigen oever te dobberen. Belast hier wijn, balssem, en al te haest verwelckende geurige roozebladen te brengen; terwijl de tijdt en uwe jaren, en de zwarte draeden der drie gesusteren dat gedoogen. Ghy zult toch verlaten uwe gekochte boomgaerden, huis, en hof, het welck van den zandigen Tibur bespoelt wort. Ghy moet ’er af, en d’erfgenaem zal het genot van uwe hooge geltstapels strijcken. Niets scheelt het, ofghe rijck gebooren van den ouden Inachus, of arm en van slechte afkomste, onder den blaeuwen hemel sterft, als een offerhande van den onbarmhartigen Pluto. Alle wordenwe derwaert gedreven. Elcks lot leit in den korf, en wort getrocken, het zy wat vroeger of spader, en het zal ons in den boot zetten, om naer een eewige ballingschap te vaeren.


[p. 65]

Aen Xantia Foceus. Het IV. Gezang.

Het is geen schande dat hy zijne dienstmaeght bemint: vele treffelijcke mannen gingen hem voor.

O Xantia Foceus, schaem u niet een dienstmaeght te beminnen. Briseis de slaevin ontstack met hare blanckheit den kieschen Achilles. De schoonheit der gevange Teckmesse ontstack Ajax, Telamons zoon, haren heer. De zoon van Atreus blaeckte midden in den triomf, door een geschaeckte maegt, na dat d’Aziaensche benden gesneuvelt waren, door den Tessalischen overwinner; en d’omgebrogte Hektor Troje den vermoeiden Griecken overgelevert hadde, om dat gemackelijcker te verwoesten. Ghy weet niet of de geluckige ouders der blonde Fyllis u, als hunnen zwager, eeren. Zy betreurt gewis haer koningklijck geslacht, en het ongelijck van haren huize. Geloof niet datze voor u uit een oneerlijck maegschap verkoren zy; en dat zoo een trouhartige en afkeerighe van een snoot gewin uit een oneerbaere moeder zou konnen geboren zijn. Ick loof zonder argh armen, aenzicht en langworpige schinckels. Heb geen achterdencken van my, wiens oude vreest in ’t een-en-veertigste jaer te treden.


Het V. Gezang.

Men moet zijnen zin niet zetten op een onhuwbare.

Haer hals kan noch het opgeleide juck niet draegen, nochte zy is den dienst van hare weerga machtigh, nochte zou tegens den last van den springenden bul opmogen. Op de groene velden is het hart uwer vaerze, die nu de groote hitte in den vliet verkoelt, nu weder toghtigh is, om in vochtige wilgen met kalveren te speelen. Speen uwen lust naer onrijpe druyven. De herfst, met veelerley purper geverft, wijst u alree blaeuwe trossen. Alree zalze u volgen. De forsse oude verloopt snel, en zal haer de jaeren byzetten, dieze u beneemt. Alree zal Lalage met dartele lonckjes u ten man aenzoecken; zy die zoo zeer bemint is, als geene weigerige Foloë, als geene Kloris; en zoo met haere blancke schouderen blinckt, gelijck de zuyvere maen by nacht in zee schittert, en de Knidische Gyges: wiens kleen onderscheit, indienge hem onder de maegdereien verstaeckt, de doorsnuffelende gasten dapper zou bedriegen, door zijn losse vlechten, en het twijffelachtigh aenschijn.


Aen Septimius. Het VI. Gezang.

Hy prijst de vermaeckelijcke gewesten van Tibur, en Tarente.

Septimius, die met my zult reizen naer Kalis, en den Spanjaert, onervaren om ons juck te draegen, en de Libysche zanden, daer de Mauritaensche zee altijt bruischt; Och, of Tibur, van den Grieckschen ackerman gesticht, de stoel en rustplaets van mijnen ouderdom moght wezen, nu ick te water en te lande, en in den oorlogh ben afgemat. Indien d’onrechtvaerdige Parken my hier uit keeren, zoo treck ik naer den zoeten vliet Galesus, rijck van gewolde schapen, en d’ackers, beheerscht van den Lakonischen Falantus. Die hoeck lants behaeghtme boven al, daer de honigh de Hymettissen niet en wijckt, en de groene olijf de Venafrisse tart: daer Jupijn een lange lente en laeuwe winters verleent, en de vriendelijcke Aulon, weeldigh van wijngaert, allerminst de Falernische druiven benijt. Die plaets en zalige lustprieelen wenschen u daer met my. Daer zultghe de heete assche van den poeet, uwen vrient, met schuldige tranen besprengen.


Aen Pompeius Varus. Het VII. Gezang.

Hy verwelkomt hem op zijn wederkomste.

O Pompejus, mijn liefste spitsbroeder, die menighmael met my, onder de veltheerschappye van Brutus, in ’t uiterste gevaer geraeckt zijt; wie heeftu, als een Roomschen burger, weder t’huis en in Italie gebrogt? Menighmael heb ick, bekranst en begoten van Syrischen balssem, met u heele dagenlang in den wijn doorgebrogt. Met u heb ick oock gesmaeckt den Filippischen slagh, en de snelle vlught; mijnen schilt niet eerlijck genoegh achterlaetende; toen de dapperheit gekneust wiert, en de stoffers schandelijck met den mont op de aerde vielen. Maer de gezwinde Merkuur voerdeme al bevende, in een dicke wolck, door den vyant heene. Slorpende watersleepte u, met holle deiningen, weder in den oorloogh. Betael dan Jupijn het beloofde bancket; en betrouw uw lichaem, dat van den langduurigen krijgh vermoeit is, onder mijnen laurier; en spaer het vat niet, dat voor u ten beste is. Drinck uit de bekers, die van onbekommerden Massischen wijn glimmen. Giet balssem uit de vloocke Parlemoere schelpen. Wie laet ons vochtige peterceli of myrtekranssen vlechten? Wie zal Koning getrocken worden? Ick zal niet wijzer hollen als de Edonen. Het krieoelen is zoet, nu ick mijnen vrient wedergekregen hebbe.


Tegens Barine. Het VIII. Gezang.

Men moet haer meineedigheit niet gelooven. De goden straffen geen meineedigheit van schoone vrouwen.

O Barijn, zooghe oit om meineedigheit gestraft waert; zooghe aen handen of tanden oit in ’t minste getekent waert; ick zou u gelooven: maer zoo ras ghy uwe ziel verzworen hebt, blincktghe veel schooner, en treet voor den dagh, als eene, op wie alle vryers verslingert zijn. Het is u oirbaerlijck moeders assche, en de stille gestarnten, by nacht, met den gantsen hemel en d’onsterflijcke Goden te bedrieghen. Ick zegh Venus zelf lacht hierom: d’eenvuldige nymfen lachen, en de wreede minnegodt, die zijn altijt blaeckende pijlen, op den bloedigen slijpsteen, wet: ja alle de jeught valt u toe: dienst wort u op een nieu aengeboden; en de vorigen, hoewel zy ’t u dickwijl dreighden, verlaeten het huis hunner lichtvaerdige Joffrouwe niet. De moeders ontzien u, om haere zoonen; en de kaerige bestevaders, en d’arme maeghden, die eerst getrout zijn, vreezen datghe hare mans met uwen adem zult ophouden.


Aen Valgius. Het IX. Gezang.

Hy vermaent niet langer om den overleden Mystes te treuren.

Mijn vrient Valgius, de plasregens storten niet altijt uit de wolcken op beyzelde ackers; en onstuimige buien plaegen gestadigh niet de Kaspischer.


AEN LICYN. Het X. Gezang.

De middelmaet, en gelijckmoedigheit in voor- en tegen-
spoet wort geprezen.

O Licijn, ghy zult geruster leven, zooghe u niet altijdt te diep in zee begeeft, en te schroomhartigh, voor de buien yzende, al te dicht den gevaerlijcken oever genaeckt. Wie de goude maetigheit bemint, ontbeert veylighlijck het stof eener bouvallige hutte; en derft nuchteren het benijde hof. De hooge pijnboom wort dickwils van den winden geschud; en verheve torens storten met eenen zwaerderen smack ter neder; en de hooghste bergen worden van de blixems geslagen. Een wel bereit gemoed hoopt in ramp, en vreest in voorspoet op en voor veranderinge van lot. Jupijn schept mottige winters: die zelve verdrijftze weder. Al gaet ’t u nu niet wel, daerom zal het namaels zoo niet gaen. Zomtijts weckt Apollo zijn zwijgende Zanggodin met de cyter; en spant altijt den boogh niet. Hou u kloeckhartigh in tegenspoet: wederom wanghe voor wind zeilt, zoo bint een rif in.


AEN Q. HIRPYN. Het XI. Gezang.

Men behoort zorgeloos en vrolijck te leven.

O Quinct Herpijn, onderzoeck niet wat de strijtbare Kantaber, en de Scyt, die van ons door d’Adriatische zee gescheiden wort, voor heeft: en weest niet verlegen om ’s levens geringen nootdruft. Lichthartige jeugt en schoonheit, die, door den dorren ouderdom, geile minne en gemackelijcken slaep verjagen, deizen te rugge. De lentebloemen staen niet altijt even schoon, en de blozende maen blinckt niet stadigh even helder. Wat queltghe uw kleen begrijp met der Goden raetslagen? Waerom drinckenwe niet, onder den hoogen masthoutenboom of dezen pijn, door elckanderenleggende; en ’t grijze hair, geurigh van roozen, en begoten met Assyrischen balssem, terwijl het ons gebeuren magh. Bacchus verdrijft de knaegende zorgen. Wat jongen zal gezwint de schalen, vol van warmen Falernischen wijn, met bronwater verkoelen? Wie zal Lyde, die achter afwoont, ten huize uitlocken? Wel op, zegh haer, datze zich spoede, met hare yvoire lier, en het hair, als een Lacedemonische vrou, uitgekemt en opgeknoopt.


Aen Mecenas. Het XII. Gezang.

Dat hooghdravende en treurspelige stof in geen lierdicht past. Mecenas zal zelf Augustus daden in proze beschrijven. Horatius alleen van zijn schoone Lycimnie zingen.

Beveelme niet dat ick den langduurigen oorlogh van ’t felle Numantie, nochte dien vervloeckten Hannibal, nochte de Siciliaensche zee, gepurpert van den Kartagischen bloede, op mijne liefelijcke cyter speele; nochte de wreede Lapiten, en Hyleus in wijn verzopen, en het aerde gebroetsel, ’t welck van Herkules hant getemt wiert, waer door het blinckende huis vanden ouden Saturnus sidderde van gevaer. Ghy Mecenas zult treffelijcker, in rijmelooze historien, vertellen Cesars veltslagen, en de hoofden der dreigende Koningen, in triomf omgevoert. Mijn Zanggodin begeert dat ick verhale het zoete gezang van mevrou Licinnia, haere klaer blinckende oogen, en het hart, getrou in onderlinge liefde: aen wie het ten reie gaen niet qualijck voeghde, en het boerten om strijt, en onder het danssen aen de glinsterende maeghden de hant te geven, op den heiligen dagh der doorluchtige Diaene. Zoudghe de schatten, die de rijcke Achemenes bezeten heeft, of de Mygdonische rijckdommen van ’t vette Frygien, of de volle packhuizen des Arabiers wel willen tegens Licinniaes hair vermangelen, wanneerze haren neck naer uwe geurige kuskens draeit? of die met een gemaeckte wreetheit weigert? dieze liever zich van den pracher laet ontsteelen, en zomtijts met kussen voor u gereet is.


Op den boom waer onder hy bykans verplet bleef. Het XIII. Gezang.

Dat den mensch nimmermeer weet wat ongeluck hy beschuwen zal. De lof van Saffo, en Alceus.

O Boom, wie het was, die u eerst plante, ten bederve der nakomelingen, en ter schande van het dorp, hy heeft u, op eenen rampzalighen dagh, en met heilooze handen, gedoopt. Ick geloof dat hy zijnen eigen vader den neck brack, en zijn waerts slaepkamer by nacht met bloed besprengde. Hij moet met Kolchisch vergift, en allerleie schelmstucken, diemen immermeer bedencken kan, omgegaen hebben, die u, o droevig en verrot hout, op mijnen acker zette, om op het hooft des onschuldigen heeren te vallen. Nimmermeer weet de mensch te vore waer hy t’aller uure zich voor hoeden moet. De Kartagische zeeman yst voor Bosforus, en behalve dat vreest hy van elders voor geen onvoorzien ongeluck: de soldaet voor pijlen, en de gezwinde vlucht der Parten: de Part voor ketenen, en de maght van Italie; maer het onvoorzien gewelt des doods heeft de menschen wechgeruckt, en zalse wechrucken. Hoe na zagenwe het rijck der beroockte Proserpijne, den rechter Eakus, de bescheide rustplaetsen der godvruchtigen, Saffo, klaegende met Eolische snaren, over hare speelnooten, en u, o Alceus, deftiger speelende, met eenen gouden strijckstock, de harde rampen der zee, der ballingschappen, en des oorlooghs? De schimmen verwonderenzich, dat zy beide zeggen dingen, die men heilighlijck behoorde te verzwijgen: maer de ooren des gemeinen hoop van ’t graeu, joocken meer naer oorloogen, en het schoppen der dwingelanden. Wat wonder is het? naerdien het honderthoofdige dier, verbaest door de vaerzen, zijn zwarte ooren laet hangen; en de slangen, die in de perruick der Razereien verwart zijn, daer vermaeck in scheppen; ja oock Prometeus en Pelops vader worden, door het zoete geluit der vaerzen, verleit, en Orion bekommert zich nietmet leeuwen of bloode lossen te jagen.


Aen Postumus. Het XIV. Gezang.

Datmen de doot niet vermijden kan.

O Postumus Postumus, deur gaen de slippende jaren, en de godvruchtigheit zal de rimpels en den aenstaenden ouderdom en d’onverbiddelijcke Doot niet keeren: schoon ghy dagh op dagh, mijn vrient, met driehondert stieren, den onbeweegelijcken Pluto paeide; die den drielijvigen Geryon, en Tityus in den jammervliet ringeloort: dienwe allen, die by het gewas der aerde leven, het zy wy Koningen of arme huislieden zijn, overvaren moeten. Te vergeefs derven wy den bloedighen oorloogh, en de gebrokenbaeren der heesche Adriatische zee: te vergeefs vreezen wy in den herfst voor den Zuiden wint, die den lichamen schadelijck is. Wy moeten toch bezichtigen den zwarten Kokytus, dwaelende met eenen traegen stroom; en het eerlooze geslacht van Danaüs, en Sisyfs, Eools zoon, ten langen arbeit verdoemt. Wy moeten huis, hof, en aengename vrou verlaten; ende geen van alle deze boomen, daerghe zin in hebt, zal u, die’er heer af zijt, en wiens leven kort is, volgen, behalve die gehaete cypressen. Een rustiger erfgenaem zal den wijn, die met hondert sloten bewaert is, doorjagen, en den kostelijcken vloer beplengen met beteren most, als op den papendisch geschaft wort.


Het XV. Gezang.

Tegens d’overdaet zijner eeuwe.

Nu zullen de koninglijcke gebouwen luttel lants voor den ploegh laten, en alsins zalmen de vyvers wijder uitgestreckt zien als het leck van Lukrijn, en d’ongehuwde masthouteboomen zullen in getal de olmen overtreffen; en violen, en myrten, en al de geurige overvloet door vruchtbare olijfgaerdenhunnen reuck in den neus des voorigen eigenaers spreien: oock zal de dichte laurier met zijne tacken het steecken van de zon uitsluiten. Zoo luit het voorschrift van Romulus en den ongeschoren Kato niet, en de regelder voorouderen. Hunne eige middelen waren kleen, de gemeene groot. Gemeene burgers hadden geene galeryen van tien voeten breedt, om Noorder koelte te scheppen; en de wetten gedoogden niet datmen weigerde ergens op een zode neêr te zitten; bevelende steden op gemeene kosten, en de kercken der Goden met moppen te vercieren.


Aen grosfus. Het XVI. Gezang.

Datze alle de gerustheit des gemoeds zoecken, die niet in rijckdommen en eere bestaet, maer in het breidelen van ’s menschen begeerlijckheit.

O Grosfus, die in de wijde Egeesche zee benepen is, bid de Goden om rust; zoo ras een zwarte wolck de maen verberght, en de schippers geene bekende starren zien blincken. Om rust bid de Trax, die een dol krijghsman is. De Meed, met zijnen pijlkoker verciert, bid om rust, die voor gout, purper nochte gesteenten veil is; want schatten nochte burgemeestersdienaers stillen d’ellendige ontsteltenis des gemoets niet, en de bekommeringen, die om gewelfde daken zweven. Hy leeft wel in het kleen, wiens geërfde zoutvat op zijn lichte tafel glimt, en wiens geruste slaep van vreeze nochte snooden lust gesteurt wort. Wat micken wy stercken in eenen korten tijdt op veele dingen? Wat verwisselen wy de landen, die van een andre zon bescheenen werden? wat balling ’s lants ontvlught oock zich zelven? De snoode zorge beklautert groote schepen, en zy verlaet de ruiterbenden niet, gezwinder als de harten, en gezwinder als den oosten wint, die de wolcken jaeght. Een gemoet, met het tegenwoordige vernoegt, haet voor het overige te zorgen, en mengt het bitter met eenen zoeten lach. Niets is ’er in allen deelen volmaeckt. Een snelle doot heeft den doorluchtigen Achilles weghgeruckt; een hooge ouderdom Titon [p. 85] gesleten; en de tijt zal misschien my verleenen het geenze u weigert. Hondert kudden, en hondert Siciliaensche koeien loeien rondom u; en de merri, die bequaem is om voor de koets te spannen, briescht u toe. Ghy zijt bekleet met wolle, die tweemael in Afrikaensch purper gedoopt is. Het onbedrieghelijck nootlot heeftme gegeven luttel lants, en een weinigh geests van Griecksche Poëzy, en de boosaerdige gemeente te versmaden.


Aen Maecenas. Toen hy kranck lagh. Het XVII. Gezang.

Hy wenscht hem niet te overleven.

O Mecenas, ghy treffelijcke glory en zuil van mijnen staet, waerom vermoortghe my met uwe klaghten? het is den Goden nochte my aengenaem datghe eerst sterft. Och, zoo een rijper gewelt u, de helft mijner ziele, weghruckt, wat sammel ick de weerhelft langer, die nochte my zelven zoo lief ben als te voren, nochte geheel overschiet? Een sterfdagh zal ons beide ten val brengen. Ick heb geenen valschen eet gedaen. Het zy wanneerge voorgaet, wy zullen wy zullen vergezelschapt gaen, bereit om de jongste reize te aenvaerden: nochte de geest eener vierbraeckende Chimeer, nocht de honderthandige Gyas, zoo hy al verrees, zalme van u afscheuren. Aldus heeft de maghtige rechtvaerdigheit en ’t nootlot dat bestemt. Het zy de weegschael, het zy het vreesselijcke Scorpioen, een geweldiger deel van d’ure der geboorte, het zy de Steenbock, een dwinger der Spaensche zee, my aenzie; beide onze starren stemmen wonderlijck over een. Jupijns schitterende vooghdy heeft u den heiloozen Saturnus ontruckt, en de vleugels, van ’t vlugge noodlot verlet; toen de drang des volcks, in den schouburgh, u driemael vrolijck toeschaterde. Een stam, op mijne harssens vallende, hadme om ’t leven gebrogt, ’t en waere Faunus, de wachter der geleerde Merkuristen, den slagh, met zijnen arm, geschut had. Hierom verzuim niet te offeren, en, gelijckge belooft hebt, een kappel te wijden: wij zullen een onnozel lammeken slaghten.


Het XVIII. Gezang.

Dat hy met zijn gering lot te vrede is: maer anderen geen maet ramen in bouwen, rapen en schrapen, zonder op hunnen sterfdagh te dencken.

In mijnen huize blinckt ivoir nochte vergult gewelfsel; geene pylaren, gehouwen in het uiterste geweste van Afrika, dragen hier balcken van Hymet; en, als een onbekent erfgenaem, heb ick de schatten van Attalus niet onder my geslagen. Eerlijcke gebuurvrouwen spinnen voor my geen Lacedemonisch purper: maer mijn trou en vernuftader verwecken my nutte gunst: en schoon ick arm ben, nochtans worde ick gewilt by de rijcken. Om meer dingen val ick den Goden niet moejelijck: en wel vernoeght, met mijnen eenigen Sabynschen acker, verzoeck ick niet wijders van mijnen maghtigen vrient. d’Een dagh jaeght den anderen, en de nieuwe maen neemt stadig aen en af. Ghy besteedt marmer te zaeghen, daerghe met den eenen voet in ’t graf gaet; en bout huizen ofghe eeuwigh leven zout; en onvernoeght, met den vasten oever, pooghtghe zeewaert in te bouwen, daer de baren tegens over Baien bruissen. Wat is dit, datghe de scheitpalen van uwes naesten acker uitruckt, en, als een gierigaert, over uwergebuuren gront springt? man en vrou, huisgoden en ongehavende kinders op den arm dragende, worden op den dijck gezet. Een rijck heerschap heeft nochtans geen zekere wooning te verwachten, als die hem in het einde, in den inhalenden afgront, beschoren is. Wat begeertge meer? de aerde staet zoo wel opgedolven voor konings kinderen, als voor den armen: en Plutoos veerman, met gout omgekocht, heeft den vernuftigen Prometeus niet weder overgevoert. Dees ringeloort den trotsen Tantalus, en zijn geslacht. Dees geroepen of ongeroepen verlicht den armen, die altijtslaven moet.


Aen Bacchus. Het XIX. Gezang.

Het staet hem vry, van Bacchus Godtheit bezeten, haer ter eere uit de borst te zingen.

Ghy nakomelingen gelooft my dat ick Bacchus, ter zijden af op de klippen, heb zien vaerzen leeren, en Nymfen, en scharpe ooren van bockvoetige Satyrs werden van hem onderwezen. Evoë, mijn hart beeft van versche vreeze, en ’t gemoet, van den heelen Bacchus bezeten, wort van blijschap beroert. Evoë, o Liber, die vreesselijck zijt, door uwe zware wijngaertspiets, gena, gena. Het staetme vry van d’ongebonde Thyades, en de wijnbron, en de vlieten, die van melck vloeien, te zingen, en weder op te halen den honigh, die van holle struicken afloopt. Het staetme oock vry de glori uwer zalige gemalinne, die onder de starren gezet is, en de daecken, van Penteus, met geenen lichten smack ter neer gesmeeten, en het bederf van den Tracischen Lykurgus te vermelden. Ghy beweeght de vlieten, en d’Indiaensche zee. Ghy in wijn gedoopt, op afgescheide heuvels, vertuit de vlechten der Bacchanten met eenen adderknoop, zonder datze u beschadigen. Toen de heillooze reuzerot in de hooghte uw vaders rijck beklom, hebt ghy Rekus, met leeuwsklaeuwen en een ysselijck backhuis, van boven neer gestooten: hoewel men hiel datghe tot danssen, boerten en speelen bequamer dan tot oorlogen waert: maer ghy verstont u op vreede en oorloogh. Cerberus zonder u leet te doen, zagh u met den gouden hoorenverciert, en zoetelijck quispelstaertende, leckte, met zijnen drietongigen muil, in ’t scheiden, uwe voeten, en beenen.
reuzerot: de bende Giganten, die de Olympus bestormden en teruggeworpen werden. Bacchus hielp daarbij in de gedaante van een leeuw.


Aen Mecenas. Het XX. Gezang.

Dat zijn naem en faem eeuwigh in eere zal blijven.

Ick tweevormigh dichter zal door d’ope lucht met geen gemeene nochte zwacke veder gevoert worden, en niet langer op aerde blijven, en, den Nijt te boven geraeckt, de steden verlaten. Waerde Mecenas, ick, dienghe noemt het bloedt uit arme ouders gesproten, zal niet sterven, nochte van den jammerpoel besloten worden. Alree worden mijn beenen met ruige vellen overtrocken, en het bovenlijf in een witte zwaen verandert, en vingers en schouders vlugh van pluimen. Nu zal ick, een zangerigh vogel, als Ikarus, de zoon van Dedael, de stranden van den steenenden Bosforus bezichtigen, en de Getulische plaetsen, en Noortsche wildernissen. Kolcker, en Dakus, veinzende voor geene Marsische benden te vreezen, en de vergelege Gelonen zullen my leeren kennen: [p. 93] oock d’ervaren Spanjaert en Rodaendrincker. Wegh met die ydele lijckklaghten na mijne doot, en schandelijcken rou, en misbaer: staeck dat kermen, en laet de noodelooze lijckstaetsi achter.

Continue

Q. HORATIUS

GEZANGEN.

Het derde boeck.

Het eerste Gezang.

Dat geene rijcdommen, nochte eer, nochte staeten, maer
een gerust gemoet, den mensch in eenen geluckzali-
gen staet stellen.


ICk haet den onwetenden hoop, en sluitse buiten. Geeft gehoor. Ick, der Zanggodinnen priester, zinge voor vryers en vrijsters noit gehoorde vaerzen. d’Ontzichelijcke Koningen hebben heerschappy over hunne eige onderdaenen, Jupijn over de Koningen zelfs, die doorluchtigh is, door zijnen reusentriomf, en met eenen wenck alles bestiert. Het gebeurt dat d’een man meer lants dan d’ander met geboomte, op de rye, bepoot. Dees, naer het kussen staende, laet zich voor het raedthuis vinden. Dees, vroom in handel en wandel, biedt’er oock een bodt naer. Een ander heeft meer volcks op zijne hant. De doot treckt by lot hooge en lage zonder onderscheit. In den ruimen korf worden allerleie naemen omgehutselt. Hem, boven wiens godloos hooft een bloote sabel hanght, zal geen Siciliaensch bancket lecker smaecken. Vogelezang nochte snarenspel wiegen hem niet in slaep. De geruste slaep walgt niet van der ackerluiden lage hutten, nochte van den beschaduwden oever, nochte van de Tempe, waer door de westen wint ritselt. Wie zich met nootdruft genoegt, wort niet ontrust van d’onstuimige zee; nochte het woeste gewelt des daelenden wagens, en ryzenden bocks; nochte door wijngaert, van den hagel geslagen, nochte den acker, die bedriegelijck is, naerdien d’ooftboom nu over plasregens klaeght, dan over hitte, die het gewas verbrant, dan over quade winters. De visch gevoelt dat de zee te enge wort, door de groote gebouwen, wier grontvesten in de diepte geleit worden. Hier laet d’aenneemer met zijnen knechten, en het heerschap, wars van ’t lant, de grontsteenen zincken: maer vreeze en gevaer steigeren daer het heerschap klimt; en de zwaermoedigheit verlaet de galey niet, en zit achter den ruiter. Indien dan Frygiaensche steen, nochte ’t gebruick van purper, schooner als starrenluister, nochte Falernische wijnstock, en Persiaensche balssem geene droefheit verzachten; waerom zal ick zalen, hoogh van verdiepingh, op de nieuwe manier, met nijt verweckende posten bouwen? waerom zou ick mijn Sabijnsche hoeve voor lastige rijckdommen verwisselen?


Aen zyne vrienden. Het II. Gezang.

Datmen de jeught van jongs op moet oeffenen in den wapenhandel, en in een arbeitzaem leven.

Myn vrienden, laet den jongeling, in den gestrengen oorloogh, hartvochtigh geworden, honger en kommer leeren lijden, en, als een ruiter, ontzaghelijck door zijne speer, de forsse Parten plagen, en onder den blaeuwen hemel zijn leven wagen, daer het de noot vereischt. Laet de gemalin des strijtbaren dwingelants, en de volwasse maeght, hem van zijn vyants vesten in ’t gezicht krijgende, aldus over hem zuchten: och! dat de Koningklijcke bruidegom, onervaren in den strijt, niet en sarre den fellen leeu, die van zijn bloedige verbolgentheit, midden door de neerlage, wort aengevoert. Het is zoet en eerlijck voor ’t vaderlant te sterven. De Doot vervolgtze oock, die het oploopen aenzetten, en verschoont de schinckels der weerlooze jeught nochte den blooden rugh niet. De deught, die schimp nochte smaet kan lijden, blinckt in onbezwalckte eere, en neemt geen ampten aen, noch slaetze af, naer het goetduncken van ’t wispeltuurige volck. De deught, den hemel openende voor dien, die niet behoorden te sterven, streeft door ongebaende wegen, en versmaet met een vlugge veder den gemeenen hoop, en de vochtige aerde. Het getrou zwijgen wort oock beloont. Ick wil niet lijden dat een, die Ceres geheimenis melt, met my onder een dack schuile, en schimp nochte smaet kan lijden: zich in mijn gezelschap op een zelve jaght ter zee begeve. d’Onaengebeden Jupijn heeft dickwils den kuischen als den onkuischen gestraft. d’Uitgestelde straf zit den voorvluchtigen schelm altijdt op de hielen.


Het III. Gezang.

Een dapper en deugtzaem man hoeft nergens voor te vreezen.

De yver der burgeren die op boosheit uit zijn, het aengezicht des doorrdringenden dwingelants, nochte de Zuiden wint, een onstuimigh voogt der Adriatische zee, nochte de krachtige vuist des dondergods, verzetten het vaste gemoedt des rechtvaerdigen mans niet van zijn bestendigh voornemen: en of de hemel in duigen viel, hy schrickte voor den val niet. Pollux en d’omzwervende Herkules, op deze deught steunende, zijn ten bestarnden hemel opgevaren; onder welcken August, ter tafel aensittende, de necktarschael aen zijnen koralen mont zet. Hier door, o vader Bacchus, hebben uwe tigers, het juck met hunnen hardleerigen neck treckende, u, die het verdiende, mede derwaert gevoert. Hier door is Quirijn den afgront met Mavors rossen ontkomen; toen Juno, daer de Goden te rade zaten, aldus, tot hun aller genoegen, aenhief: De lantbederfelijcke en bloetschendige rechter, en een uitheemsche vrou hebben, sedert Lacedemon den Goden hunnen bedongen loon onthiel, Ilium in d’assche geleit; Ilium, het welck van my en de kuische Minerve, met zijn volck en bedriegelijcken vorst, veroordeelt was. Nu blinckt de eerlooze gast der Lacedemonische echtbreeckster niet; en Priaems meineedigh huis verslaet met hulpe van Hecktor de strijdbare Achiven niet; en d’oorloogh, door ons oproer verlengt, is nu beslecht. Ick zal voortaen mijnen wrock en gehaten neef, geteelt by de Trojaensche Priesterin, aen Mars opdraegen. Ick zal gedoogen dat hy ten helderen hemel inga; necktersap drincke, en onder de Goden gerekent werde; zoo slechts de groote zee, tusschen Rome en Ilium, bruizen blijve. Laet de ballingen alsins geluckighlijck heerschen; zoo slechs het vee op Priaems en Paris graf huppele, en de dieren daer ongesteurt hunne jongen bergen. Laet dan het Kapitool vry staen blincken, en het forsse Rome den overwonnen Meden wetten voorschrijven. Laet de gevreesde Stadt haren naem wijt uitstrecken in d’uiterste gewesten; daer de straet van Gibraltar Europe van Afrika scheit; daer d’overloopende Nijl de ackers bevochtigt: dat Rome, het welck rustiger afslaet het ongevonden gout, en dat nutter in de aerde verborgen leit, dan het al wat heiligh is, met roofgierige handen, tot het gebruick der menschen aenleit. Wat geweste der weerelt zich hier tegens kant, laet Rome dat met wapens bestoocken; haeckende om te bezichtigen in wat oort de zon op het heetste steeckt, en waer het meest sneeut en hagelt. Doch ick spel den Quiryner zijn geluck met dit beding, dat hy, door al te groot eene zucht tot zijn vaderlant, en op den Staet te veel betrouwende, zich niet onderwinde het oude Troje weder op te bouwen. Trojes fortuin, ter quader uure verrijzende, zal wederom jammerlijck verwoest worden; dewijl ick, Jupijns gemalin en zuster, d’overwinnende scharen zal aenvoeren. Indien de kopere vest, door Febus bestel, driemael verrijze, zoo zalze, verdelght door mijne Griecken, driemael uitgeroeit worden; en de gevange vrou zal driemael man en kinders beschreien. Deze dingen voegen mijne boertige lier niet. Waer heene, mijn Zanggodin? ghy dartele, staeck Godentael te spreecken, en deftige zaecken met lichte wijzen te verkleenen.


Aen Kalliope. Het IV. Gezang.

Hy zeght dat hy, door de beschuttinge der Zanggodinnen, een groot gevaer ontvlught is, en hoopt door hare hulp altijt veiligh te leven.

O Koningin Kallioop, wel aen, dael van den hemel, en speel op uwe fluit een lang zoet liedeken; het zy u lust met een schelle keel te zingen, of op Febus cyter en snaren te spelen. Hoortgheze niet? of beguicheltme een zoete razerny? my dunckt dat ickze hoor door de heilige wouden dwalen, waer in liefelijcke beecken en luchjes ruischen. Ringelduiven, waer van men veel vertelt, hebben my, in mijne kintsheit, vermoeit van slaep en spel, met frisch loof bedeckt, op den Apulischen Vultur, buiten de grenzen van Apulie, mijne voetster. Het scheen wat wonders by een yeder, die het nest van ’t hooghgelegen Acherontia, de Batijnsche bosschen, en het vette lant van Ferente bewoont; hoe ick lagh en sliep, zonder dat mijn lichaem van zwarte adders en beeren beschadigt wiert; hoe ick, moedigh kint, niet zonder de hulp der Goden, met heiligen laurier en aengedraege myrtetacken, bedeckt wiert. O Zanggodinnen, het zy ick in ’t hooge Sabynen gevoert werde; het zy my het koele Preneste, het zy het steile Tibur, het zy de bewaterde bajen my behagen; ick ben en blijf uw eigen. De verloren veltslagh te Filippen, de vervloeckte boom, nochte de baren der Siciliaensche zee hebben my, uwer bronnen en reien vrient, niet omgebrogt. Zoo lang alsghe my byblijft, zal ick vrywilligh zeeman den raezenden Bosforus, en te lande het dorre zant der Assyrische stranden bezoecken. Ongeschent zal ick d’ongastvrye Britten bezichtigen, en Konkanus, vermaekt met paerdebloet; oock de gepijlkokerde Gelonen, en den Scytischen vliet. Ghy verquickt den grooten Cesar, in de Pierische speloncke, wanneer hy pooght van zijnen arbeit te rusten; zoo ras hy zijne afgestrede benden in bezettinge geleit heeft. Ghy, koesterende Zanggodinnen, geeft goedertieren raet, en verblijt u daer in. Wy weten hoe hy, die de logge aerde, d’onstuimige zee, de droeve rijcken en steden breidelt, en alleen, met een rechtvaerdige heerschappye, over Goden en sterfelijcke menschen, gezagh heeft, de godlooze Reuzen, en den bloetdorstigen hoop, met blixemslagen uitgeroeit heeft. Die gruwelijcke jeugt, op hare armen betrouwende, en die gebroeders, poogende Pelion op den beschaduwden Olymp te stapelen, hadden Jupijn eenen grooten schrick aengejaeght. Maer wat vermoghten Tyfaeus, en de machtige Mimas, of Porfyrion, verschrickelijcker door zijn grootheit, of Retus, en Enceladus, een stout schutter, met hun uitgeruckte stroncken tegens Pallas rammelenden beuckelaer, toenze ter neder storten? De verteerende Vulkaen, mevrou Juno, en de Patareesche en Delfische Apollo, die nimmermeer den boogh van zijne schouderen leit, zijn los hair in zuiveren Kastalischen dau doopt, en de kreupelbosschen en wouden zijner geboorte in Lycie bezit, hielden het met Jupijn. Radelooze maght valt door haer eige zwaerte. De Goden vermeeren oock zelfs een gematighde maght, en haeten het gewelt dat allerleie schellemstucken brout. De honderthandige Gyas, en Orion, de schenner der ongerepte Diane, van den maeghdelijcken pijl doorschoten, zijn vermaerde getuigen van mijn zeggen. De aerde, haer eige gedroghten bestulpt hebbende, klaeght en kermt dat haer gebroedsel in den afgront gestooten is: het gezwinde vier kan niet bijten door Etna, waer onder zy bestulpt leggen: de gier, tot een wachter over de boosheit gestelt, verlaet de lever van den geilen Tityus niet: Piritous, de snoeper, zit met driehondert ketenen geboeit.


Augustus lof. Het V. Gezang.

Markus Attilius Regulus stantvastigheit, en zijn wederkeeren naer Karthago.

Wy gelooven dat de Dondergodt in den hemel heerscht: nu Britten en lastige Persianen onder het rijck gebrogt zijn, zal August voor eenen zichtbaeren Godt gehouden worden. Heeft niet de soldaet van Krassus, door het uitheemsch huwelijck, schandelijck het leven behouden? En zijn niet (och raet en verkeerde zeden!) Marsers en Apulers, vergeetende hunne dapperheit, faem, waerdy, en eeuwigen godsdienst, terwijl Jupijn en Rome noch behouden waren, grijs geworden, onder den Medischen Koning, in de wapenen der vyanden, hunne schoonvaderen? Dit hadde de voorzichtigheit van Regulus verhoet, niet toestemmende die schandelijcke voorwaerden, en het voorbeelt, dat de toekomende eeuw in haer bederf slepen zoude, ten waer de gevange jeugt zonder deernis verging. Hy sprack: ick heb de standaerden en wapens, zonder bloedstorting den krijghslieden ontweldight, zien in de Punische kercken ten toon gehangen. Vrye burgers heb ick gevleugelt gezien, en de poorten ongesloten, en de ackers bouwen, die wel eer by onzen oorloogh geplondert waren. O ja de soldaet, om gout gelost, zal moediger wederkeeren. Ghy behaelt schade by schande. Misverfde wol krijght hare voorige zuiverheit niet weder, en de ware deught, eens gebluscht wezende, wil in veraerde menschen niet weder tieren. Indien een hinde, die zich uit het dichte net geredt heeft, vecht, zoo zal dees oock dapper zijn, die zich den trouweloozen vyant vertrout heeft; en op eenen voorspoedigen toght de Penen vertreden, die verbluft, met gevleugelden armen, de bolpees gevoelt, en de doot gevreest heeft. Dees niet weetende hoe hy zijn leven zoude bergen, heeft al vechtende om pais gebeden. O schande! o groot Kartago! die heerlijcker zijt, door den smadelijcken val van Italie. Men zeit dat hy, als een vervooghde, zijn kuische gemalin enen kus afgeslagen, zijn kleene kinders van zich geweert, en nors het mannelijck gezicht ter aerde geslagen hebbe; tot dat hy zelf, als een raetsman, de twijfelmoedige Raetsheeren bevestighde met eenen noit gehoorden raet, en, een befaemt balling onder zijne bedruckte vrienden wezende, spoede te vertrecken: hoewel hy wel wist wat de uitheemsche scherprechter voor hem bereide; nochtans heeft dees zijne bloetverwanten, die hem tegen hielden, en ’t volck dat zijn wederkeeren belette, niet anders afgewezen, dan of hy, na een gestreecken vonnis, de lange rechtshandelingen zijner meesteren verliet; tyende naer de ackers van Venafra, of het Lacedemonische Tarente.


Aen de Romainen. Het VI. Gezang.

Hy bestraft de bedorve zeden zijner eeuwe.

O Romer, onschuldigh zultghe uwer voorouderen misdaden boeten, tot datghe kercken en vervalle kappellen der goden en de beroockte beelden herstelt hebt. Ghy heerscht om datghe u den Goden onderworpt. Hier her is uw oirsprongh, derwaert strecke uw einde. Verwaerloosde Goden hebben het erbarmelijcke Italie veele rampen toegezonden. Monesis en Pakorus heir heeft nu tweemael onzen ongezegenden intoght vermorsselt; en grenickt dat het by zijn kleene halsketens noch eenen buit verovert heeft. Dakus en Moor hebben de stadt, van oproer bezeten, bykans uitgeroit; dees ontzaghelijck om zijne vloot; die op schieten beter afgerecht. Eeuwen, vruchtbaer van boosheit, hebben eerst huwelijck, huis, en geslacht bezoedelt. Uit deze bron ontsprong de neerlaegh, die over volck en vaderlant vloeide. De huwbaere dochter schept lust Jonische danssen te leeren, en wort alreede met kunst onderwezen, en leit, van kintsbeen af, op bloetschendige minne toe. Flus trachtze naer jonger overspeelders in hare bruiloft: en zy weet’er geenen keur in, wienze by duister met der vaert een ongeoorloofde vrientschap gunt: maer opentlijck niet zonder haer mans kennis ontboden zijnde, rijstze op; het zy een winckelknecht, het zy een zeeman, die op Spanje vaert, een kostelijck koopman van oneere, haer roept. De jeught, van zulcke ouderen gesproten, verfde de zee met Punischen bloede niet; nochte versloegh den grooten Pyrrus, Antiochus, en den vervloeckten Hannibal niet: maer de mannelijcke afkomst van het boeren leger, afgerecht om de klay met Sabellische spaden om te spitten, en, op het believen der strenge moeder, branthout te torssen; wanneer de zon der bergen schaduwe veranderde, en den afgesloofden ossen het juck afnam, terwijlze den aengenamen nacht op haren wegvarenden wagen aenvoerde. Wat verslint de schadelijcke tijdt niet? Onzer ouderen, slimmer dan onzer bestevaderen, eeu heeft ons noch boozer voortgebrogt, die wel haest noch een gebreckelijcker afkomst zullen voortbrengen.


Aen Asterie. Het VII. Gezang.

Hy troostze, die om haer mans afwezen bedruckt en bekommert is.

O Asterie, wat beschreitghe Gyges, den getrouwen jongeling, die rijck van Bitynische waeren, door den helderen westen wint, in ’t begin der lente, u weder toegevoert zal worden. Hy, van den Noorden wint naer Orikum gedreven, en het onweêr des Steenbocks uitgestaen hebbende, brengt slapeloos de koude nachten, niet zonder veele tranen over. Maer een loos bode der bekommerde waerdinne verzoeckt hem, op duizenterleie wijze, zeggende, dat d’ellendige Chloë in uwe minne blaeckt; en verhaelt hoe de trouwelooze vrou den al te lichtgeloovigen Pretus, met valsche aenklaghten, daer toe gedreeven heeft, om den doot des kuischen Bellerofons te verhaesten. Hy vertelt dat Peleus bykans ter hellen gevoert is, terwijl die eerlijcke voor de Magnesische Hippolyte vlughte: en de bedrieger brengt te vergeefs geschiedenissen by, die tot overtreden raden: want uw oprechte man, onbeweeghlijcker dan de klippen der Ikarische zee, laet het zijn doove ooren hooren. Maer zie toe dat uw gebuur Enipeus u niet boven behooren behage; hoewel op het marcktvelt niemant gezien wort, die zoo wel een paert berijden, en sneller in den Tiber zwemmen kan als hy. Sluit uwe deur tegens den nacht toe, en zie niet af op straet, terwijl men klaeghlijck op de fluit speelt; en of hy u al dickwijl wreet noemt, blijf even hardt.


Aen Maecenas. Het VIII. Gezang.

Waerom hy, die ongehuwt leeft, evenwel op den eersten Maert offert, en bancketteert.

O Mecenas, geleert in beide taelen, ghy verwondert u wat ick ongetroude op den eersten dagh van Maerte doe; wat de bloemen en het volle wierroockvat, en de kole, op de groene zoden geleit, beduiden. Ick hadde, toen ick bykans van den slagh des booms om hals gebrogt was, een zoetbancket en eenen witten bock aen Bacchus belooft. Dees dagh, die altijt om het jaer eens geviert wort, zal het bepeckte stopsel nemen van de wijnkruick, die van Tullus burgemeesterschap af heeft beginnen aen te zetten. Drinck hondert schaelen op de gezontheit van uwen vrient, en drinckenwe den heelen nacht over. Alle geroep en gramschap zy verre van u. Laet stadts bekommeringen vaeren. Het heir van den Dacischen Kotison is verslagen. De onderling gesteurde Meden zijn droevigh tegens elckanderen in ’t harnas. De Biscaier, een out vyant in ’t Spaensche geweste, ten leste geboeit, is dienstbaer. De Scyten hebben alree voor met ongespannen boogh het velt te ruimen. Bekreun u niet, al mort het gemeene volck ergens over, en weest niet al te zorghvuldigh. Gebruick vrolijck het gene u de tegenwoordige tijt verleent, en ontsla u zaecken van belang.


Aen Lydia. Het IX. Gezang.

Gespreck tusschen Horatius en Lydia.

HO. Zoo lang ick u in mijne jeugt beviel, en geen jongeling uwen blancken hals liefelijcker omarmde, leefde ick geluckiger dan de Koning van Persen. LY. Zoo lang ghy niemant vieriger beminde, en Lydia niet om Chloë most achter staen, leefde ick, wijt vermaerde Lydia, doorluchtiger dan de Roomsche Ilia. HO. De Tracische Chloë, meestres in ’t lieflijck zingen, en afgerecht op de citer, beheerscht my nu, voor wie ick niet zou schromen te sterven, indien de doot haer zieltje slechts sparen wou. LY. Ick, en Kalaïs, de zoon van den Turijnschen Ornit, blaecken in onderlinge minne; voor wien ick gaerne tweemael sterven zou, indien de doot zijn zieltje sparen woude. HO. En of de eerste liefde wederkeerde, en ons, gescheide gelieven, onder een metaelen juck sloegh? Indien de blonde Chloë verstooten wort, en de deur weder voor de geschopte Lydia openstaet. LY. Al waer hy schooner dan een star, ghy lichter dan de wint, en oploopender dan d’onstuimige zee, noch zou ick liever met u leven en sterven.


Op Lyce. Het X. Gezang.

Datze hare hardigheit afleggende, eenighzins zich uit medoogen over hem ontfarme.

O Lyce, die aen eenen wreeden man getrout zijt, al droncktghe uit den veergelegen Tanais, zoo zoude het u nochtans moeien, datghe my, voor uw wrede deuren, in de bittere kou liet leggen. Ghy hoort hoe de deur kraeckt, en het geboomte, dat tusschen de schoone huizen leit, van den wint ruischt, en Jupijn met een heldere lucht het sneeu bevriest. Legh af de fierheit, die Venus mishaeght, op dat het radt der fortuine niet en keere. Ghy zijt geene strenge Peneloop tegens de vryers van uwen Tyrrenischen Vader geboren. O Lyce, hoewel giften, nochte gebeden, nochte de dootverf der pimpelpaersse vryers, nochte uw man, gewont van die welzingendeboel, u beweegen; en ghy niet buighzamer zijt, dan de harde eeckelboom, nochte zachtmoediger dan Mauritaensche slangen; verschoonze die u bidden. Mijn lenden zal niet altijt dit leggen, voor uwen drempel, in weêr en wint konnen uitharden.


Aen Merkuur. Het XI. Gezang.

Dat hy hem zangen leere, om Lyde te vermurwen.

O Merkuur, want de leerzame Amfion heeft, toen ghy zijn meester waert, door zijnen zang, de steenen bewoogen; en ghy o luite, die geestigh met zeven snaren klinckt, eertijts stom en onaengenaem, nu ter tafel en ter kercke gewilt; speel ons liedekens, waer naer Lydes hardneckige ooren luisteren, die, als een driejarigh paert, op het ruime velt al springende speelt, en noch maeght niet wil aengeroert worden, alte onrijp voor eenen dartelen man. Ghy kunt tigers en bosschen te zamen trecken, en snelle vlieten schutten. Cerber, de poortier van ’t gruwzame hof, weeck voor u, toenghe hem vleide; hoewel zijn hooft van duizent slangen krielt, en zijn giftige adem en vervuilt bloet ten drietongigen muil uitvloeit: ja oock Ixion en Tityus loegen tegens hunnen danck. Terwijlghe de dochters van Danaus, met een aengenaem liet, streelde, stont haer emmer een luttel stil. Lyde aenhoore dat schelmstuck, en de bekende straffe der maeghden, en het bodemlooze vat, dat geen water hout, en de langzaeme Wraeck, die de misdaden in den afgront oock hebben te verwachten. Want wat konden die wreeden erger bedrijven? Die wreeden hebben haer eige bruidegoms met een hardt lemmer kunnen doorstooten. Een van allen, waerdigh gehuwt te zijn, was loflijck logenachtigh tegens haren meineedigen vader, en is eeuwigh een befaemde bruit gebleven; die tegens haeren nieuwen man sprack: op op, op datghe den langen slaep, daerghe niet voor vreest, niet en slaept. Bedriegh uwen schoonvader, en schelmsche zusters, die, helaes! yeder haren man verscheuren, gelijck leeuwinnen, die een kalf onder de klaeuwen hebben. Ick, weeckhartiger dan zy, zal u niet dooden, nochte gesloten houden. Mijn vader maghme wreedelijck ketenen, om dat ick genadigh mijnen ellendigen man gespaert hebbe; of hy maghme over zee in het uiterste van Numidie bannen. Ga daer uwe voeten en de winden u draegen kunnen; terwijl Venus en de nacht u gunstigh is. Ga ter goeder uure, en hou tot gedachtenis een klaeghdicht op mijn graf.


Aen Neobule. Het XII. Gezang.

Datze verslingert op Hebrus den jongeling zich tot luie ledigheit begeven hehbe.

O Neobule, het zijn elendige vrouwen, die in liefde geenen lust scheppen, en met zoeten wijn hare bekommeringen niet dorven van ’t harte spoelen, of zich ontzetten om haer ooms kyvagie. Cypris gevleugelt wichtje ontdraeght u den breikorf. Het webbe en hantwerck der bezige Minerve raeckt aen een zijde, door de schoonheit van den Liparischen Hebrus, die beter ruiter is dan Bellerofon, en in loopen en worstelen noit overwonnen, zoo ras hy zijn beolide schouders in den Tiberstroom gewasschen heeft; oock fix om gejaegde harten, door het vlacke velt, in eenen drommel rennende, te schieten, en gezwint om het wilde zwijn, in een dicht struickelbosch, te verrasschen.


Aen de bron van Blandusie. Het XIII. Gezang.

Hy prijst hare vermaeckelijckheit.

O Blandusische bron, die doorluchtiger dan glas, en zoeten wijn waerdigh zijt, ick zal u morgen met bloemen eenen bock opofferen, wiens horens eerst ten stern beginnen uit te botten, en die vergeefs aenvangt geil enstoots te worden: want het jongk der weelige kudde zal uw kille beecken root van bloet verwen. De benaude hitte der hontsdagen kan u niet deeren. Ghy verschaft den afgeploeghden stieren, en het weidende vee een aengename koelte. Een vermaerde bron zultge worden, naerdien ick van den eicken boom zinge, die op holle rotsen groeit, daer uwe ruischende wateren van afvlieten.


Augustus lof. Het XIV. Gezang.

O Volck, Cesar, die onlangs gezeit wert, gelijck Herkules, gestaen te hebben naer den laurier, die niet als door doots gevaer kan gekocht worden, koomt triomfeerende wederom t’huis van de Spaensche kusten. Laet de vrou, die met eenen man vernoeght, en bezigh is met den rechtvaerdigen Goden te offeren, te voorschijn komen, met de zuster des doorluchtigen veltoversten, en de moeders der dochteren, en onlangs gebergde jongelingen, met demoedige hairbanden verciert. O ghy nieugehouwde mannen, en vrouwen, staeckt onnutten kout. Dees dagh, my waerlijck een feestdagh, zal alle zwaermoedigheit verdrijven. Zoo langh Cesar op de weerelt heerscht, zal ick voor geen oproer nochte geweldige doot vreezen. Ghy jongen, ga hael balssem, kranssen, en wijn, die van den Marsischen oorloogh heught; indien men ergens een kruick voor den zwervenden Spartakus heeft konnen verschuilen. Zegh dat die schrandere Neaera zich haeste, om het blonde hair op te knopen. Indienge door den nijdigen deurwachter verlet wort, ga door. Het grijze hair temt ’t gemoedt, tot twist en dartel krackeel genegen. In het heetste mijner jeught, onder Planckus burgemeesterschap, zoude ick het niet geleden hebben.


Op Chloris. Het XV. Gezang.

Datze nu een oude best geworden, ten minste eens hare vuiligheit en geilheit nalate.

Ghy vrouwe van den armen Ibikus, stel uwe geilheit en eerlooze ontucht eens mate. Staeck, nughe met uwen eenen voet in ’t graf gaet, het speelen onder de vrysters, en de heldere starren, door uwen nevel, te verduisteren. O Chloris, wat Foloë wel voeght, dat voeght juist u niet. Uw dochter magh beter het huis des vryers bestoocken: gelijck een paepin van Bacchus, gedreven door het getrommel der bomme. Notus minne prickelt haer, als een ritzige geit, te speelen. Wol spinnen, by het vermaerde Lucerie, en niet het cyterspeelen, past u; de roode roozekrans, en het vaetje tot den bodem toe uit te poien, geene oude best.


Aen Mecenas. Het XVI. Gezang.

Dat hy zich in zijne kleenigheit genoeght.

Een koperen toren, massyve deuren, wreede schiltwachten van waeckende honden verzekerden d’opgeslote Danaë genoegh voor de overspeelders, die by nacht loopen; hadden Jupiter en Venus Akrisius den angstvalligen wachter der weghgesteecke maeght niet uitgelachen: want zy wist dat de toegang vry en open stont, voor den in gout veranderden Godt. Gout wil wel midden door de hellebaerdiers gaen, en krachtiger dan de blixem door de steenen dringen. Het geslacht des Grieckschen wichelaers is ter neêr gestort, en om gewin in zijn bederf verzoncken. De Macedonische helt heeft de poorten der steden gekloven, en jeloersche Koningen met schenckadien overstulpt. Schenckadien verstricken gestrenge Amiralen. Zorgh en honger naer meer volght het aengroeiende gelt. O Mecenas, pronck der ridderen, met recht yze ick het hooft in de lucht te steecken, om gezien te worden. Hoe yemant min van den Goden begeert, hoe hy meer verkrijght. Beroit loop ick naer het leger der geenen, die niets en begeeren; en als een overlooper haeck ick de zijde der rijcken te begeven; zijnde, door het versmaden van middelen, een doorluchtiger heer, dan of men zeide, dat ick mijne schuuren vol hadde van alles, wat de neerstige Appuler ploeght; arm onder de groote rijckdommen. Een zuivere waterbeeck, weinige bunderen houts, en de zekre hope van mijn gewas, geluckiger dan de heerschappy van het vruchtbare Afrika, is hem onbekent, die door de Fortuin bralt: hoewel geene Kalabrische byen mijn korven met honigh vullen, en mijn wijn niet verslapt in de Lestrigonische kruicke, en mijn vette schapen niet groeien op Fransche weiden. Kommerlijcke armoe ontbeer ick evenwel, en begeerde ick meer, ghy zoudme niet weigeren te geven. Den kleenen tol zal ick beter met een ingetoomde begeerlijckheit betalen, dan of ick het rijck van Alyatikus aen de Mygdonische velden hechtte. Wie veel begeert, ontbeert veel. Het gaet hem wel, dien Godt met een spaerzame hant zoo veel bestelt, dat hy genoegh heeft.


Aen Elius Lamias. Het XVII. Gezang.

Hy looft en noodight hem tot een rustigh en lustigh leven.

O edele Elius, gesproten van den ouden Lamus, (naerdien men zeit dat d’eerste Lamien van hem hunnen naem voeren, en al het geslacht zijner nakomelingen, gelijck in de kronijcken blijckt, van hem eerst afgekomen zijn, die gezeit wort, als een Vorst, de Forminiaensche vesten, en, als een wijt heerschende Koning, Liris, die zich loost op de stranden van Marika, bezeten te hebben.) Morgen zal een onweêr, uit den oosten, het wout met veele bladeren, en den oever met veel onnut wier bespreien; ’t en zy my de veeljarige kray, een zeewichelaer, bedrieght. Legh droogh hout aen den haert, terwijl het u gebeuren magh. Morgen, met uwen knechten heilighavont hebbende, zultghe uwen buick vol wijn drincken, en van een speenvarckentje eeten.


Aen Faunus. Het XVIII. Gezang.

Dat hy hem begunstige.

O Faunus, vryer der vlughtige Nymfen, tree zachtelijck over mijn erf, en ope velden, en ga heene, zonder mijn zuigende geitkens te beschadigen; want eens om ’t jaer sneeft’er een bocksken voor u, en de beker, Venus macker, is altijdt vol wijn: het oude autaer roockt van veel wierroocks: al het vee huppelt, op het grazige velt: wanneer uw hooghtyt den vijfden van Wintermaent verjaert, viert het dorp, dat uwen feestdagh met den ledigen os in de beemden hout: de wolf dwaelt onder de stoute schaepen: het bosch stroit wilt loof u ter eere: de delver vermaeckt zich op de lastige aerde te trippelen.


Aen Telefus. Het XIX. Gezang.

Dat hy, beslommert met oude geschiedenissen te beschrijven, niet verzuime vrolijck te leven.

Ghy beschrijft hoe veel verloop van tijt dat’er is, tusschen Inachus en Kodrus, die niet vreesde voor ’t vaderlant te sterven; en het geslacht van Eakus, en den oorlogh, die voor het heilige Troje gevoert is; en ghy zwijght hoe dier wy een vat wijns van Chius koopen: wie het badt warmen, in wiens huis en om wat uur ick de Samnijtsche koude verdrijven zal. Ghy jongen, haest u, en geef ons eenen avontroemer, of slaepdronck, ter eere van Mureen, den wichelaer. Schenck ons drie of negen middelmatige roemers. Een beschoncken poeet, die oneve Zanggodinnen bemint, laet driemael drie schaelen eischen. De Bevallijckheit vergezelschap met hare naeckte zusteren, voor krackeel bevreest, laet niet toe dat men meer dan drie schalen drincke. Het lustme dol te drincken. Waerom blaest men niet op de Berecijntische pijpe? Waerom hangt de fluit by de stomme lier? Ledige handen haet ick. Stroy roozen. De nijdige Lykus hoore het dolle krieoelen, en de gebuurin, die ongalijck is voor Lykus, den ouden man. O Telefus, de tijdige Chloë roept u, die met uw dick hair blinckt; my verteert de langduurige minne van mijne Glycere.


Aen Pyrrus. Het XX. Gezang.

Dat hy niet en pooge den schoonen knaep het maeghdeken te onttrecken.

O Pyrrus, mercktghe niet met wat gevaer ghy de Getulische leeuwinne hare jongen poogt te ontrucken? Eerlang zultghe, als een bloo roover, den wreeden oorloogh ontvlieden; wanneerze heenegaet door de hinderlijcke scharen der jongelingen, om Nearchus weder te krijgen. Een groote strijt zal’er wezen, of ghy of zy den grooten buit bekomen zal. Terwijl ghy de vlugge pijlen voor den dagh haelt, en zy hare vreesselijcke tanden wet, zeit men dat hy, als scheider van ’t gevecht, de zege in zijn gewelt heeft, en met een zoet windeken de schouders verkoelt, die met geurige vlechten bespreit zijn: hoedanigh Nireus was, of die op den bewaterden Ida geschaeckt is.


Aen de kruick. Het XXI. Gezang.

Dat hy Korvijns halve ouden wijn opzette.

O vrolijcke kruick, die met my geboren zijt, toen Manlius burgemeester was; het zy ghy klaghten of boerten of krackeel en razende minne, of gemackelijcken slaep werckt; waerdigh op eenen feestdagh voor den dagh gehaelt te worden; het zy in wiens naem ghy van Massische puickwijn zwanger zijt; koom te voorschijn, dewijl Korvijn gebiet ouden wijn te tappen. Hoewel die man vol is van Sokratische leeringen, nochtans zal hy zoo afkeerigh van u niet wezen. Men zeit dat de deftige oude Kato zich dickwils met wijn verheught hebbe. Door een zoet pijnigen verzetghe menighmael een straf gemoedt. Door u, o boertige wijn, ontdecktghe dickwils de bekommeringen der wijzen en den geheimen raet. Ghy sterckt en verquickt de benaeude herten met hope; en alsmen u in heeft, steeckt deberoide zijn horens op, die niet en vreest voor de majesteit der gesteurde Koningen, nochte de wapens der krijghslieden. Bacchus, en indien ’er de blijde Venus by is, en de noode gescheide Bevallijckheden, en de brandende lichten zullen u ophouden, tot dat de rijzende zon de starren verjage.


Aen Diane. Het XXII. Gezang.

Hy wijdt haer den pijnboom toe, die by zijn hoeve staet.

O bewaerster der bergen, en woutmaeght, driekoppige Godin, die driemael aengeroepen, in arbeit gaende dochters verhoort, en voor de doot bevrijt; ick wil dat de pijnboom, die over mijn hoeve hangt, u toegewijt zy, dien ick jaerlijcks met den bloede eenes beers, toeleggende om ter zijden uit te bijten, u opoffere.


Aen Fidile. Het XXIII. Gezang.

Datze de Goden met zuivere handen en een gerust geweten eere.

O boersche Fidile, indienge, by de nieuwe maen, uwe gevouwe handen ten hemel heft; indienghe uwe huisgoden, met wierroock, nieuw gewas, en een vraetige zeuge, paeit, zoo zal uw vruchtbare wijnstock den bederfelijcken zuidewint, nochte uw gewas de dorheit, nochte uwe zoete kinders eenen bedroefden ooftijdt gevoelen: want het beloofde offervee, het welck op den besneeuden Algidus, tusschen eicken en eeckelboomen, weit, of in d’Albaensche beemden gevoet wort, zal de priesterlijcke bijlen met zijnen neck verwen. Ghy, die de kleene Goden met roozemarijn en brosse myrten bekranst, behoeftze met het slaghten veeler schaepen niet te verzoenen. Indien ghy met onschuldige handen het autaer aenroert, dat zal de huisgoden, die u tegen zijn, vermorwen, en niet min aengenaem zijn, door godvruchtige garst en sparckelend zout, dan door een kostelijke offerhande.


Tegens de Gierigaerts. Het XXIV. Gezang.

Al waert dat ghy, maghtiger dan d’onveroverde schatten van Arabie, en het rijcke Indie, al de Tyrrenische en Pontische zee met uwe gebouwen besloeght; en schoon de vervloeckte noot diamante spijkers in de hooge daecken hechtte; noch en zoudtge uwen hals niet van de stricken des doots, nochte het gemoedt van vreeze bevryen. De Veltnooren, gewoon hunne huizen op wielen voort te trecken, en de ruwe Geeten, wier gemeene ackers vrye vruchten en koren voortbrengen, hebben een beter leven, en bouwen maer voor een jaer, en verlichten elckanderen by beurte van den ploegh. De zachte stiefmoeder is daer niet hardt over de voorkinders, en de rijcke vrou ringeloort haren man niet, nochte betrout op haren pol. Der ouderen deugt is een groote bruitschat, en de vast verbonde kuischeit, ang voor eenen anderen man: en het is ongeoorlooft zich te buiten te gaen, of men moet het met den hals betaelen. O die zoude willen goddelooze dootslagen en burgerlijck oproer weghnemen, indien hy begeert datmen onder zijn pronckbeeldt schrijve: Vader des Vaderlants: die moet het hart hebben dat hy d’ongetemde ongebondenheit breidele, en hierom by de nakomelingen doorluchtigh werde. Zoo byster als wy, nijdige menschen, deughdelijcke mannen, o gruwel! geduurende hun leven haten, zoo byster roepen wy om hen wanneerze doot zijn. Waer toe droeve klaghten, indien de misdaet ongestraft blijve? Wat baten ydele wetten zonder zeden, indien het geweste, dat van hitte braet, en het uiterste van ’t Noorden, en het aerdrijck van sneeu bevrozen den koopman niet afschricken, en d’ervaren zeeman op d’ysselijcke zee niet en past? Armoede, de grootste schande, doet alles bestaen, en lijden, en verlaet den steilen wegh der deught. Brengenwe dan juweelen, gesteenten, en onnut gout, oirzaeck der grootste ellende, op het Kapitool, daer ons het prijzen en de gunst der gemeente toeroepen; of in de naestgelege zee. Indienwe waerachtigh berou van onze schelmstucken hebben, zoo moetenwe de beginsselen der booze begeerte met den wortel uitrucken, en al te teere gemoeden met strenge oefeningen hervormen. Het edele kint, onbedreven den toom te mennen, kan geen paert berijden, en vreest voor het jagen, als beter afgeregt op spelen, het zy met den Grieckschen tol, of den verboden terling: wanneer de trouweloze vader den vennoot en zijnen gast uitstrijckt, en zich verhaest om voor zijnen onwaerdigen erfgenaem schatten te vergaderen: O ja, de godlooze rijckdommen groeien, en nochtans altijt schort’er ick weet niet wat aen.


Aen Bacchus. Het XXV. Gezang.

Dat hy van hem gedreven van Augustus nieuwe en noitgehoorde zaken wil ophalen.

O Bacchus, waer sleeptghe my, die van u vol ben, heene? In wat wouden en speloncken worde ick, bezeten mensch, snellijck heenegedreven? In wat holen zalmen my, die toelegh den eeuwigen lof des braven Cesars in de starren en Jupiters Raet te zetten, hooren? Ick zal wat nieus, wat treffelijcks, en dat noit te voren gesproken is, verhalen. Gelijck de waeckende Evias raest, wanneerze Hebras en Tracie, wit van sneeu, en Rodope van uitheemsche voeten bewandelt, aenschouwt. Hoe lust het my, ter zijden af, over rotsen en ledige wouden my te verwonderen? O ghy vooght over Veltnymfen en Bacchanten, die met hare handen scheutige esscheboomen konnen uitrucken, ick zal van geene geringe of sterffelijcke zaecken met eenen laegen stijl spreecken. O Leneüs, het is gevaerlijck doch zoet den Godt te volgen, die zijn hooftslaepen met groen wijngertloof bekranst.


Aen Venus. Het XXVI. Gezang.

Dat hy nu out en grijs zijn minnegeweer Venus wil opdragen.

Onlangs kon ick de meiskens paeien, en hebbe niet zonder eere gevochten: nu zal ick mijn wapens en afgestrede lier ophangen aen dezen wandt, die aen de slincke zijde staet van Venus, uit der zee geboren. Leght hier leght hier uw brandende fackels, en koevoeten, en boomen, die toegeslote deuren dreigen. O Godin, die, als een Koningin, het vruchtbare Cyprus en Memfis, vry van Sytonisch sneeu, bezit, tref de verwaende Chloë eens met uwe opgeheve zweep.


Aen Galatea, die reisvaerdigh staet. Het XXVII. Gezang.

Hy houdtze op, voornamelijck door het voorbeelt van Europe.

Het teken van het zingende koningske, en een teef met jongen, of rosse wolvin van den Lanuvijnschen acker loopende, en een bespronge vos geleide den godloozen; en eene slang behindere de voorgenome reize, indienze, gelijck een pijl dwers voorby schietende, de wagenpaerdekens verschrickt. Ick, voorzichtigh wichelaer, voor wien zoude ick vreezen? Eer een goddelijck vogel der boven ons hooft hangende plasregens weder naer de staende wateren vlieght, zal ick, met den dageraet, door gebeden de krassende rave opwecken. O Galate, weest geluckigh, en onzes gedachtigh; het zy waerge liefst zijt: en geen specht, langs de slincke zijde vliegende, of wufte kraey behindere uwe reis. Maer zietghe niet met wat een geraes de overleenende Orion beeft? My is bekent wat in den troebelen Adriatischen boezem steeckt, en wat quaet de heldere Iapix pleegh aen te rechten. Der vyanden vrouwen en kinders moeten gewaer worden het verholen gebulder des opstaenden zuidewints, en de storm der verbolge zee, en d’oevers, bevende van den slagh. Zoo heeft Euroop oock hare sneeuwitte leden aen den bedriegelijcken stier betrout; en de stoute bestorf om de zee, die van gedroghten krielt, en het bedrogh, daerze midden in stack; onlangs noch, in de bebloemde beemden, bezigh met eenen krans te vlechten, die ze de Nymfen schuldigh was, zaghze, in den schemerenden nacht, niet dan zee en starren; die zoo haest zy lande in Kreten, vooghdes over hondert steden, al vervaert van kranckzinnigheit, sprack: o vader, waer is de naem van dochter en plicht gebleven? Van waer, en waer toe ben ick gekomen? Een doot is te lichten straf voor het verlies des maeghdoms? Beschrey ick oock waeckende mijn schandelijcke misdaet? Of maeckt de ydele schijn, die de droomen door d’ivoire poort uitlaet my diets dat ick onschuldigh ben? Was het beter midden door de zee te vaeren, of frissche bloemen te lezen? Indien yemant nu den eerloosen bul my, die vergramt ben, overleverde, zoo zoude ick poogen de hoorens van den onlangs zeer beminden var met stael, te scheuren, en te breecken. Onbeschaemt verliet ick de vaderlijcke huisgoden: onbeschaemt verwacht ick de doot. O zoo yemant van den Goden dit hoort! och of ik naeckt onder de leeuwen dwaelde! Ick schoone maeght wensch der tigeren spijze te worden, eer een leelijcke magerheit mijn schoone kaecken ontciere; eer het zogh van my, die een teere roofben, verdrooge. De vader der onteerde Euroope raest in haer afwezen: waerom sterftghe niet? Ghy kunt aen dezen olmboom u by den neck ophangen aen den gordel, dienghe wel te passe mede genomen hebt; ’t en waer het u luste op klippen en scherpe rotsen te sterven. Ga toe, worp u in d’ongestuime baren, ’t en waer ghy, koningklijck bloet, liever woudt uwer vrouwen wol spinnen, en, als een boel, onder een uitheemsche vooghdesse staen. De trouwelooze Venus lachende, in ’t bywezen haeres zoons, die met ongespannen boogh by de bedruckte stont, sprack, na datze genoegh met haer geboert hadde: hou op van gramschap en hevigheit: want de vergramde stier zal u zijn hoornen laeten scheuren. Weetghe u niet, als een gemaelin des onverwinnelijcken Jupijns, aen te stellen. Laet dat nocken varen. Leer u groot geluck maetigh draegen. d’Afgescheide weerelt zal naer uwen naem genoemt worden.


Aen Lyde. Het XXVIII. Gezang.

Datmen Neptuins feestdagh met blijschap moet vieren.

Wat zal ick best op Neptuins feestdagh aenrechten? Ernstige Lyde, tap ons van den opgesloten wijn, en overweldigh de gebolwerckte wijsheit. Ghy ziet dat de dagh ten avont loopt, en gelijck of de gezwinde tijt stil stont, ontzietghe uit uwe schure voor den dagh te halen de kruick, die’er van Bibels burgemeesterschap af gestaen heeft. Wy zullen by beurte van Neptuin en de groene perruicken der Nereiden zingen. Ghy zult op de kromme lier van Latoon, en de schichten der snelle Cyntia zingen, en met hooghdraevende vaerzen oock haer, die Gnidos en de uitstekende Kyklades beheerscht, en Pafos met gepaerde zwaenen bezichtight: oock zal men met een behoorlijck klaeghliet van den nacht zingen.


Aen Mecenas. Het XXIX. Gezang.

Hy noodight hem ten avontmael.

O Maecenas, spruite der Tyrrenische Koningen, al overlang heb ick voor u een licht wijntje gespaert, in een kruicke, daer noit uit geschoncken is, met roozen en balssem uit dadelkernen voor uw hair geperst. Sammel niet: beschou niet altijt het vochtige Tibur, en de gloeiende ackers van Efula, en de bergen van Telegoon, den vadermoordenaer. Verlaet den walgenden overvloet, en uw gevaert, dat de wolcken bereickt. Hou op te verwonderen over den roock, de rijckdommen, en ’t gewoel van het weeldige Rome. Veranderingen zijn den rijcken veeltijts aengenaem, en d’onkostelijcke maeltijden der armen, onder een laegh dack, zonder tapijten en purper, ontrimpelen een bekommert voorhooft. Andromedaes heldere vader toont alree zijn verborgen vier. Procyon, en de starre des dullen leeuws woeden alree, nu de zon met bange hitte blaeckt. De moede harder zoeckt nu, met zijn hygende kudde, de schaduwen, beken, en heggen des ruigen Silvaens, en de stille oever is vry van wufte windekens. Ghy bezorght het geen tot het gemeenbeste dient, en zijt bekommert voor de stadt, wat de Seres en Baktren, van Cyrus beheerscht, en de tweedraghtige Tanais brouwen. De voorzichtige Godt bedeckt met eenen duisteren nacht d’uitkoomste der toekomende zaecken, en hy lacht’er om, zoo de sterfelijcke mensch buiten behooren siddert. Beschick gelijckmoedigh hetgeen voorhanden is: de rest vloeit voorby, als een stroom, die nu stillekens, met zijne kil, in de Hetrurische zee loopt; nu uitgegete steenen en uitgeruckte stroncken, vee en huizen te gelijck met zich wechsleept, niet zonder gedreun van bergen, en het nabuurige bosch: wanneer een hooge watervloet de stille vlieten ommeroert. Zich zelven machtigh en vrolijck zal hy leven, die zeggen magh: ick heb tot op dezen dagh geleeft. Jupijn magh morgen schoon of leelijck weder aen den hemel scheppen; nochtans zal hy het geene voorby is niet tot niet maecken; nochte breecken het geen de verstreecken tijt eens voortgebrogt heeft. Fortuin, met wreede schouspeelen vermaeckt, en hardneckigh in ’t spelen van ongewoon spel, verandert de onzekre staten; nu my, nu eenen anderen gunstigh zijnde. Ick loofze, die stant houdt. Indienze haer snelle wiecken klappende, wech vlieght, zoo geef ick haer weder het geenze my gegeven heeft, en bekleede my met mijn eige deught, en zoeck deughdelijcke armoede, zonder rijckdom. Wanneer de groote mast van de Zuider stormen kraeckt, dan tracht ick niet tot ellendige gebeden te loopen, om door bedeloften te bedingen, dat de Cypersche en Tyrische waren de gierige zeen niet tot rijckdommen gedyen: dan voertme een koeltje, en Pollux, de tweeling, veiligh, met een roeischuitje, door het geruisch der Egeesche zee.


Het XXX. Gezang.

Dat zijn vaerzen eeuwigh leven zullen.

Ick heb een gedachtenis voltoit, die koper verduuren zal, en hooger uitsteeckt dan het punt der koningklijcke naelden. De vratige slaghregen, d’uitgelaten Noorden wint, nochte d’ontelbare reecks der jaren, en het verloop der tijden zullenze niet konnen [p. 151] uitroien. Ik zal niet geheel sterven. Mijn grootste deel zal de Doot ontvlieden. Mijn lof zal hier na altijt even frisch aengroeien, zoo lang d’Aertspriester met de zwijgende maeght het Kapitool opklimme. Ick, van lagen staet opgekomen, zal geroemt worden d’eerste te wezen, die een Latijnsche wijze op Eolische vaerzen gezet hebbe, daer de Aufidus geweldigh bruist, en daer Daunus, arm van water, over boersche volcken geheerscht heeft. O Melpomen, treck uw verdiende glori aen, en omring gewilligh mijn hair met Delfischen laurier.

Continue

Q. HORATIUS

GEZANGEN.

Het vierde boeck.

AEN VENUS. Het eerste Gezang.

Dat hy nu een oude bereickt hebbe, waer in zijn gemoedt zich van Venus behoort te spanen.

O Lang gevierde Venus, ghy roert alweer de trommel. Och, och, verschoonme: ick ben nu zulck een man in het velt niet, als toen ick diende onder de goetaerdige Cynara. O ghy wreede moeder der zoete minnegodekens, staeck my, die nu out en kout in het vijftigste jaer ga, tot uwe liefkoozeryen te buigen. Ga daer de vleiende gebeden der jongelingen u noodigen. Ghy, die gezwint van purpere zwanen gevoert wort, zult ten huize van Paulus Maximus beter onthaelt worden; indienge een bequaem hart zoeckt te ontvoncken: want een edel en schoon jongeling, en welspreeckende voor de bekommerde misdaedigen, en in veelerleie kunsten geleert, zal uwe oorloogsvaenen wijt laeten vliegen: en wanneer hy lacht, om dat hy meer by haar vermagh dan de medevryer, met zijn milde geschencken, zal hy u, neffens het Albaensche leck, een marmoren beeldt oprechten, in uwe cypresse kerck. Daer zultge veel wierroocks riecken, en u vermaecken met gezangen, vermengt met spel van lier, Berecyntischen kromhoren, en fluite. Hier zullen de jongelingen met de tangere maeghdekens, tweemael ’s daeghs, uwe Godheit loven, en drimael trippelende met hare blancke voetjens de aerde doen daveren, gelijck de priesters van Mars. Ick schep nu geenen lust in vrouwen, jongelingen, nochte lichtgeloovige hope van weerliefde, nochte om strijt wijn te drincken, nochte de hooftslapen met frissche bloemen te kranssen. Maer och, Ligurin och, waerom biggelen de tranen langs mijne wangen? Waerom hapert mijn welspreeckende tong, midden in mijn rede. My dunckt dat ick u ’s nachts in mijnen droom omhelze. O ghy harde, nu duncktme dat ick u voorvlughtige volgh, over velden en vlietende stroomen.


Aen Antonius Julus. Het II. Gezang.

Hy looft Pindarus, en zeit dat het gevaerlijck zy hem naer te streven.

O Julus, wie toeleit Pindarus naer zijn kroon te steecken, die weeght zich op wasse vleugels, op zijn Dedaels, om de glaze zee te vernoemen. Pindarus bruist, gelijck een vliet ten bergh afschietende, dien de plasregens op de vermaerde oevers hebben doen aengroejen; en stroomt en barnt met eenen diepen boezem; waerdigh om met Apolloos laurier vereert te worden, het zy hy nieuwe woorden door zijn trotse vaerzen rolt, of op rijmeloose voeten treet; het zy hy van Goden zinge, of Koningen van goddelijcken bloede; waer door de Centauren rechtvaerdigh omgekomen zijn, en de ysselijcke vierbraeckende Chimeer sneefde; het zy hy prijze die vergodet, met den palm by Elis verkregen, te huis komen; of worstelaer, of renstrijder, en beschencktze met een gave, die beter is dan hondert pronckbeelden; het zy hy beschreie den bruidegom, die de bedruckte bruit ontschaeckt is; en de krachten, en gemoeden, en goude zeden hemelhoogh verheffe, en haer den duisteren afgront benijde. De Tebaensche zwaen vliegt hoogh in de lucht, zoo menighmael, o Antoni, als hy verheven door de wolcken streeft. Ick geringer dichte mijn vaerze met moeite; gelijck de Matijnsche bie, lezende aengenamen tijm, met veel arbeits, ontrent het wout en den oever van het vochtige Tivoli. Ghy poeet, zult met eenen hooghdravender stijl van Cesar zingen, wanneer hy, met den verdienden laurier verciert, de forsse Gelderschen in triomf naer het Kapitool sleept; boven wien het nootlot en de goede Goden noit yet grooters of beters ter weerelt voortgebrogt hebben, nochte voortbrengen zullen, schoon de goude eeuwen weder te voorschijn quamen. Oock zultge zingen de feesten en gemeene stadts blijschap over de verkrege wederkomste van den dapperen August; en de vierschaer, die van pleiten viert. Indien ick wat zeggen kan, dat hoorens waerdigh is, zoo zullen mijne vaerzen mede daer by komen, en geluckigh door het wederkeeren van Cesar zal ick zingen: o schoone zon: o loflijck licht! en terwijl de veltheer voortga, zullenwe dickwils zingen: Jö triomfe! De heele stadt zal Jö triomfe! roepen; en wy zullen den genadigen Goden wierroock opofferen. Tien stieren, en zoo veele koeien zullen u van uwe bedeloften bevryen, my een teer gespeent kalf, het welck in de ruime beemden groeit: dat met zijne star (waerin het een sneeuwitte blaer voert, en voort ros over het heele lijf is) het gehoornde licht der nieuwe mane nabootst.

AEN

ANTONIUS IULUS.

Horatius twede gezang van het vierde boeck.

In Hollantsche Parnas (Amsterdam, 1660), eerste deel, blz. 364.

WIe toeleght, o Iülus, met zyn’ toon,
Zelf Pindarus te steecken naer de kroon,
Betrout zich, als de reuckelooze zoon,
                Op wasse vlogels;
(5) Daer ’t hemelsch vier het was versmilte en praem’,
Om ’t kristalyn der watren met zyn’ naem
Te helpen aen de spiegelnutte faem
                Van stoute vogels.
Helt Pindarus komt bruissen, als een vliet,
(10) Die met gedruisch ten steilen bergh afschiet,
En aengegroeit van regen, dat het giet,
                Op waterkanten,
Befaemt om ’t nut van hunnen rycken stroom.
Hy bruischt en stroomt heel diep, en zonder toom,
(15) Verdient den krans van Febus lauwerboom
                En groene planten;
Het zy hy keur van nieuwe woorden vint,
En door zyn vaers, dat trots is, rolt, of bint
Zich aen geen maet, en wet, en treet gezwint;
                (20) ’t Zy hemelheeren
Te rade gaen, en dryven op zyn maet,
Of koningen van ’t goddelycke zaet,
Het welck met recht Centauren nederslaet,
                En dempt Chimeeren,
(25) Die blaeu vergift uitbraecken, vlam en vier;
Het zy hy looft, die, onder Goden hier
Getelt, met palm van Elis keeren fier
                Naer huis, vol weelden,
Als worstelaers, of in den renstryt braef
(30) Beschoncken met een zegenrycke gaef,
Die beter is, hoe hoogh een ander draef,
                Dan hondert beelden;
Het zy zyn klaght den bruidegom beween’,
De droeve bruit ontschaeckt, en fors ontstreên,
(35) Of dapperheit en kracht en goude zeên
                In top verheffe,
Haer Styx benyde, en d’eeuwigh duistre hel.
De zwaen van Thebe, ANTOON, ontvlieght ons, snel
En hemelhoogh door ’t zwerck, en draeght te wel
                (40) Wat zy beseffe.
Ick, min begaeft, met moeite u vaerzen wy,
Vergaêrt als geur, van een Matynsche by
Gezogen uit den tym te Tivoly,
                Met moeite, en zweeten,
(45) Ontrent zyn woudt en oevers, koel en vocht.
Ghy dichter zult, gesteegen in de locht,
Met trotser styl, wat Cezars zwaert vermoght
                In zang uitmeeten;
Als hy, met dien verdienden lauwerier
(50) Omvlochten, voor zyn standert en bannier
Den Geldersman in staetsie omvoert hier,
                Als triomfeerder
Op ’t Kapitool: want noch de gunst der Goôn
Noch ’t nootlot oit op d’aerde iet broght ten toon
(55) Dat beter is en grooter en zoo schoon
                Als ’s Rycks vermeerder.
Al quam een eeuw van gout, gelyckze plagh,
Verwacht geensins iet grooters aen den dagh.
Oock zal uw zang ons melden, na den slagh,
                (60) De blyde feesten,
De vreught van Stadt en Raet en burgery,
Wanneer August, de helt, ons naeckt zoo bly,
En Klio weckt met al de poëzy
                Der Roomsche geesten;
(65) Terwyl het recht van pleiten viert en rust.
Indien ick iet ontvouwe van August,
Dat d’ooren streelt en keetlen kan met lust,
                Ick zal myn dichten
Met d’uwe paeren, en, geluckigh door
(70) Augustus komst, u volgen op zyn spoor,
Om met dees wyze een iegelycks gehoor
                Aldus te stichten:
O schoone zon! o loffelycke glans!
Terwyl de Helt vooruit rydt met den krans.
(75) Dan styght ons stem aldus in ’s hemels trans,
                Om ’t feest te stercken:
Iö triomf. de heele Ryckstadt zal
Iö triomf vast roepen met geschal.
Wy wierroocken den Goden overal
                (80) In hunne kercken.
Tien stieren, zoo veel koejen op een ry
Ontslaen u van uw kerckbelofte, en my
Een teder kalf, gespaent, aen ’s moeders zy
                Geweit by ’t grootste,
(85) En dat, heel ros doorgaens op al zyn vel,
In zyne star een blaer voert, wit en hel,
En ’t nieuwe licht der maene wonder wel
                Op ’t hooft nabootste.

Aen Melpomen. Het III. Gezang.

Dat hy door de dichtkunst eenen onsterflijcken naem zal bereicken.

O Melpomen, dienghe in zijne geboorte eens met gunstigen oogen toegelonckt hebt, die zal geen doorluchtigh worstelaer worden: geen gezwint paert zal hem triomfeerende op den Grieckschen renwagen omvoeren: nochte de oorloogh zal hem, als veltoverste, met Delfische laurieren verciert, niet aen het Kapitool toonen, om dat hy der Koningen opgeblaze dreigementen kneusde: maer de wateren, die door het vruchtbare Tivoli vloeien, en het dicke woudtloof zullen hem edel maecken, door Eolische vaerzen. Het volck van Rome, de hooftstadt der werelt, kent my waerdigh onder de beminde reien der poëten gezet te worden: en nu ben ick den nijt te boven geraekt. O Zanggodin, die liefelijk op de goude luite slaet: o ghy die, indien ’t u luste, oock de stomme visschen zoudt kunnen zingen leeren, als een zwaen, dat men in ’t voorby gaen my met vingeren nawijst: zie daer gaet de Roomsche lierspeelder; dat heb ick alleen door u: dat ick leef en gewilt worde, zoo ick gewilt worde, dat magh ick u dancken.


Drusus lof. Het IV. Gezang.

Hy viert over zijn zege, op Graubunders en Zwaven behaelt.

Hoedanigh eenen vogel, schiltknaep des blixems (wien Jupiter, de Koning der Goden, heerschappy over de wufte vogels gaf, om dat hy hem getrou bevondt, in het schaecken van den blonden Ganimedes) de vaderlijcke kracht en jeught eertijts, eer hy vlugh was, uit het nest joegen, de lentewinden, toen de winter voorby was, het vliegen, ’t welck hy ongewoon was, al bevende leerden; de levendige kracht flus, als eenen vyant, naer de schaepskoyen stierde, en de lust tot aes en gevecht nu tegens de weerendedraecken aendreef: of hoedanigh een leeu, onlangs van zijn moeders rosse speen afgeruckt, van het geitken, grazende op de weeldige weide, gereet om met de eerste tanden verslonden te worden; gezien wert, zoodanigh zaegen de Graubunders, en edele Zwaben Drusus beneden de Alpes oorloogen; van welcken ick niet wil onderzoecken, door wienze een bijl tot geweer leerden bezigen, gelijck de Amazonen: oock is ’t onmogelijck alles te weeten. Maer de wijt en zijt overwinnende benden, door zijnen raet weder overwonnen, gevoelden wat geest en vernuft, in een geluckigh hof wel opgevoedt, en wat Augustus vaderlijck hart over de jonge Neronen vermoghten. Vromen worden van vromen, goeden van goeden geboren. In kalvers en veulens blijckt des vaders deught, en fiere adelaers teelen geene weerlooze duif: maer leering drijft den ingeboren aert uit, en goede opvoeding sterckt het gemoedt. Waer de zeden afneemen daer onteeren de ondeughden de goede inborst. Wat ghy, o Rome, den Neronen schuldigh zijt, dat getuight de vliet Metaurus, en de vrome Asdrubal, en die heldere dagh, op wien de duisternis uit Latie verdreven is; die allereerst ons toeloegh met eenen vruchtbaren zege, toen de vervloeckte Afrikaen door d’Italiaensche steden vlughte, als een vlam langs de fackels, of de Oosten wint over de Siciliaensche zee. Hier na groeide de Roomsche jeugt door voorspoedige toghten altijt aen; en de kerckbeelden, door het goddeloos oproer der Penen, verwoest, raeckten weder over ent; en de meineedige Hannibal borst ten leste aldus uit: [Wy harten, een roof van verscheurende wolven, volgen van zelfs hen, die, door ons te leiden en t’ontvlughten, heerlijck triomferen.] Dit volck het welck kloeckhartigh, uit het verbrande Troje, het heilighdom, gesolt op de Tuskaensche zee, kinders, en afgeleefde vaders binnen d’Ausonische vesten gedraegen heeft, is gelijck een galnotenboom, die met scherpe bijlen afgeknot, op Algidus, vruchtbaer van bruin loof, door het verlies en afhouwen zijner tacken, oock na het snoeien, meer bot, en uitspruit. Hydra, door het onthoofden, groeide niet stercker aen, tegens den onverwinnelijcken Herkules: en Kolchis, nochte het Echionische Teben hebben geen grooter ondier gedempt. Dompelt het in zee, het zal schooner worden: kampt ghy ’er tegens, het zal den overwinner, die noch in zijn volle kracht is, met grooten lof ter aerde vellen, en oorlogen voeren, daer de vrouwen den mont vol af zullen hebben. Ick zal nu geen hoovaerdige gezanten naer Kartago mogen zenden. Alle onze hope en het geluck onzes naems leit ’er toe, nu Asdrubel gesneuvelt is. Niets is ’er dat der Klaudien armen niet volvoeren konnen, die van Jupijns goedertiere godtheit beschermt, en door hunne doortrapte treken in allerlei oorlooghsgevaer gered worden.


Aen Augustus. Het V. Gezang.

Dat hy zich naer Rome spoede.

O allerbeste wachter van ’t Romulische volck, gesproten uit den goedertieren goden, te lang blijftge wech. Koom weder, ghy die den heiligen Raet der Vaderen een spoedige wederkomste belooft hebt. O goede Vorst, verlicht het vaderlant met uwen glans: want waer u aenschijn, als een lente, den volcke bestraelt, daer daeght het liefelijcker op, en de zon schijnt ’er schooner. Gelijck een moeder altijt het oogh naer den boghtigen oever heeft, en met bedeloften, gebeden, en geluckwenschen om haren zoon roept, die aen de overzijde der Karpatische zee te lange vertoeft, naerdien hem Noortsche buien met tegenwint over het jaer buiten ’s lants ophouden; zoo verlangt het vaderlant, aengeport door getrouwe begeerten, oock naer Cesar: want dan gaet de os veilig door de beemden weiden: Ceres en het vruchtbare geluck voeden de velden: de zeeluiden kruissen gerustelijck de zee: de Trou is ang voor laster: het kuische huis wort niet bevleckt door schennis: gewoonte en wet hebben het smettelijck overspel getemt: de kraemvrou wort door haer kroost geprezen: straf volght de misdaet op de hielen. Wie vreest voor den Parth? Wie voor den killen Scyth? Wie voor het ysselijck Duitsche bloet nu Cesar noch leeft? Wie past op den oorloogh des fellen Spanjaerts? Elck brengt den dagh ten avont op zijne heuvels, en huwt den wijnstock aen den olm. Van daer gaet hy vrolijck ter maeltijt, en wanneer het tweede gerecht opgezet is, drinckt hy ter eere van u, zijnen Heiligh: voor u stort hy lange gebeden, en wijn, en stelt uwe godheit onder zijne huisgoden; gelijck Griecken de gedachtenis van Kastor en den grooten Herkules houdt. O goede Vorst, och ofge Italie eenen langduurigen vrede beschafte. Aldus spreeckenwe nuchteren vroegh morgens: aldus spreeckenwe beschoncken zijnde, wanneer de zon onder is.


Aen Apollo en Diane. Het VI. Gezang.
Eeuwgedicht.

O Godt, die Tityus, den schaecker, en Niobes vermete tong aen haere kinders gewroken hebt; wiens wraeck oock de Tessalische Achilles gevoelde, die bykans overwinner van ’t hooge Troje, en grooter dan anderen, maer tegens u een ongelijck kamper was: hoewel hy, een strijtbaer zoon der zeegodinne Tetis, de Dardanische torens met zijne drillende speer schudde. Hy plofte ter aerde, gelijck een pijnboom, van de scharpe bijl getroffen; of cypres, van den Oosten wint gedreven, en viel op zijnen mont in het Trojaensche stof. Hy zoude, besloten in den paerde, het welck Minerve geveinsdelijck toegeheilight was, de t’ontijdt vierende Trojanen, en Priams vrolijck danssende hof niet bedrogen hebben; maer op de verwonne menschen gebeten, voor de vuist, de zuigelingen, oock de vruchten, daer de moeders noch van zwanger waren, o gruwel, door het Griecksche vier verteert hebben; ’t en ware de vader der Goden, bewogen door uwe en Venus aengename gebeden, Eneas zaecken begunstigende, bestemt hadde dat de vesten met een beter geluck zouden opgebout worden. O Febus, ghy lierspeelder, ghy leermeester der schrandere Talye, die uw hair in den vliet Xantus dompelt: O ongebaerde Apollo, bescherm de eere der Latijnsche Zanggodinne. Febus heeftme den geest der dichtkunste, en den naem van poeet gegeven. O ghy puick der maeghden en jongelingen uit doorluchtige vaders gesproten, die onder de beschuttinge der Delische Diane staet, die door haren boogh vlugtende losschen en harten temt; bewaer de Lesbische dichtmaete, en mijn vingerspel, die naer gewoonte loven Latonaes zoon, en de maen, op haren tijt wassende, het welck de vruchten voorspoedigh doet groeien, en de rollende maenden gezwint voortrolt. Wanneerghe getrout zijt, zultghe zeggen: ick, die de maet van den Poeet Horatius leerde, hebbe op de hondertjarige feest een liet gezongen, dat den Goden aengenaem is.


Aen Torquatus. Het VII. Gezang.

Na het voorstellen van d’aenkomste der lente, noodight hy hem tot een vrolijck leven.

De sneeu is gesmolten: het velt krijgt weder gras, en ’t geboomte loof. De landou is verandert, en d’afloopende vlieten glyen langs de oevers. De Bevallijckheit met de Nymfen en beide haere zusters heffen naeckt de reien aen. Het jaer en de uur, die met den koesterenden dagh heneglipt, vermanen u op geene onsterflijckheit te hoopen. De westewinden verzachten de koude: de zomer, die zoo haest vergaet als d’ooftijt vruchten draeght, verdrijft de lente: en korts daer na komt de logge winter weder: nochtans vergoeden de snelle maenden de schade van ’t jaer: wy, eens nedergedaelt, by den godtvruchtigen Eneas, den rijcken Tullus, en Ankus, zijn stof, en schaduwe. Wie weet of de Goden daer boven den dagh van morgen aen den dagh van huiden knoopen zullen. Alles watghe met een vriendelijck hart gegeven hebt, dat zal uw verlangende erfgenaem ontbeeren. Wanneerghe eens gestorven zijt, en Minos eens een deftigh vonnis over u gesproken heeft, dan zal, o Torquaet, uw geslacht, welspreeckentheit, uw godvruchtigheit u het leven niet wedergeven: want Diane zelf verlost haren kuischen Hippolijt uit de duisternis des afgronts niet, en Teseus is niet maghtigh zijnen vrient Piritous uit de ketenen des Doots te verlossen.


Aen Martius Censoryn. Het VIII. Gezang.

Niets krachtiger dan gedichten, om zijnen naem en faem de vergetenisse t’ontrucken.

O Censorijn, ick zoude gewilligh schaelen schencken, en bekers, die mijnen spitsbroederen aengenaem zijn; oock drievoetstoelen, een belooninge der dappere Griecken: en ghy zoudt de allerslimste gaeven niet genieten, waer ick gestoffeert van kunst, door Parrasius gewrocht, of Scopas; dees vernuftigh, om nu eenen mensch dan eenen Godt in steen te houwen; die, in ’t schilderen met vloeiende verwen: maer ick hebbe die maght niet, en ghy maeckt’er geen werck af, en uwe zinnelijckheit streckt tot die fraeicheit niet. Ghy zijt met vaerzen vermaeckt; vaerzen kan ick u bestellen, en die gifte waerdeeren. Geene uitgehouwe marmorsteenen, van het gemeenebeste opgerecht, waer door vroome helden naer hunne doot herleven; geene gezwinde vlught, en Hannibals te rugh gedreve dreigementen, nochte de brant van het godlooze Kartago, maecken den lof van hem, die Afrika dwingende, den bynaem van Afrikaner kreegh, niet doorluchtiger dan de Zanggodin van Kalabrie: nochte ghy zult geenen loon van uwe braeve daden genieten, indien de schriften zwijgen. Wat waer Mavors, en Iliaes zoon, indien het nijdige stilzwijgen Romulus verdiensten hinderlijck waer? Gunst, en deught, en de tong der maghtige poeeten rucken Eakus uit den vergetelpoel, en dragen hem den Elysiaenschen velden op. De Poëzy laet niet toe dat den lofwaerdigen man sterve. De Poëzy verheft hem ten hemel. Zoo is de wackere Herkules aen Jupijns disch gezeten. De klare Tweelingstar ontruckt de diepe zee de lecke kielen. Bacchus, zijne hooftslaepen met groene wijngaerdrancken bekranst hebbende, brengt de bedeloften tot een goet einde.


Aen Lollius. Het IX. Gezang.

Dat zijne nochte de vaerzen van andere Poëten nimmermeer vergaen zullen.

Op datghe misschien niet gelooft dat de woorden, waerdigh om onder de lier te zingen, die ick, geboren by den luit ruischenden Aufidus, door noit gehoorde kunsten, spreeck, vergaen zullen, hoewel de Meonische Homeer boven aen zit; nochtans leit de Pindarische en Ceesche Poëzy, nochte het dreigende gedicht van Alcëus, en het deftige van Stesichoor niet achter de banck: en de tijt heeft niet uitgewischt hetgeen Anakreon eertijts speelde. De minne schept noch adem, en de blaeckende liefde, de snaren der Eolische jongkvrouwe toevertrout, is noch in ’t leven. De Lacedemonische Heleen blaeckte niet alleen door de getoide perruick des overspeelers, en verwonderde zich niet alleen over kleeders met gout geborduurt, en de koningklijcke gewaeden, en zijnen stoet. Teucer heeft oock niet eerst met zijnen Cydonischen boogh geschoten. Troje is niet maer eenmael besprongen. De groote Idomeneus, of Stenelus hebben niet alleen een oorloogh gevoert, waerdigh om van Poëten gezongen te worden. De forsse Hecktor, en dappere Deifobus zijn niet eerst gewont geweest om hunne kuische vrouw en kinders te beschutten. Veele groothartige mannen zijn ’er voor Agamemnon geweest; maer zy worden alle onbeweent en onbekent in eenen langdurigen nacht van vergetenheit gedompelt, om dat het hun aen heilige poëten ontbrack. De ongepreze deugt scheelt luttel van een begrave vadzigheit. O Lollius, ick zal u in mijne schriften niet onvereert laten, nochte gedogen dat de nijdige vergetenheit ondanckbaerlijck alle uwe braeve daden vermindere. Ghy zijt voorzichtigh in uwe zaecken, en evenmoedigh in voor en tegenspoet; een verfoeier van bedriegelijcke gierigheit, en een vyant van het gelt, dat alles naer zich sleipt; en geen Burgemeester van een jaer, maer zoo menighmael ghy, als een goet en getrou rechter, het eerlijck boven het oirbare stelde, en groothartigh de geschencken der misdadigen verfoeide, en als een triomfeerder de vaendels liet vliegen door de aendringende schaeren. Men magh met recht hem niet geluckigh noemen, die veel bezit. Beter voert hy den naem van geluckigh, die wijsselijck de gaven der Goden gebruicken, en bittere armoede dragen kan, en banger voor een schelmstuck dan voor de doot is. Zulck een schroomt niet voor zijn lieve vrienden en het vaderlant te sterven.


Aen Liguryn. Het X. Gezang.

O die dus lange wreet en krachtigh waert door Venus gaven, wanneer u hoovaerdige, eerghe het waent, de baert eerst zal uitbreecken, en het hair, dat nu om uwe schouders waeit, uitgevallen is, en de verwe, die nu de roode rooze overtreft, Ligurius aenzicht in borstelen verandert hebben; dan zultghe zeggen, wanneerghe u zoo in den spiegel verandert ziet: och hadde ick in mijne jeught dat verstant gehad, ’t welck ick nu hebbe! of waerom krijgh ick die gladde kaecken niet weder, nu ick van zinnen verandert ben.


Aen Fyllis. Het XI. Gezang.

Hy noodightze ter maeltijt.

O Fyllis, ick hebbe een vaetje vol Albaenschen wijn, die over de negen jaren out is. In mijnen hof is petercelie genoegh om kranssen te vlechten, en menighte van veil, om uw blinckende hair te omringen. Mijn huis blinckt van zilver. Het autaer, met kuisch yzerkruit bevlochten, verlangt om met den bloede eenes offerlams besprengt te worden. Alle handen reppen zich. Maeghdekens en knechtjens onder een loopen herwaert en derwaert. De vlam, den vuilen roock boven uitwentelende, beeft vast. Op datghe nochtans weet tot wat blijschap ghy geroepen wort: de Iden moetghe vieren, welcke dagh April, de maent der zeegodinne Venus, midden doorklooft; dien ick met recht alle jaren houde, en bykans heiliger acht dan mijnen eigen geboortedagh, om dat mijn Mecenas, van dezen dagh af, zijne groeiende jaren op eene rye telt. Een rijcke en dartele dochter heeft Telefus aen haer snoer, daer ghy zelf naer staet, een jongman niet naer uwen staet, en zy houd hem met zijnen wille geboeit. De verbrande Faëton leert u yzen van uwe gierige hope. De vlugge Pegaes, die Bellerofon den zandruiter noode wou ophebben, streckt tot eenen deftigen spiegel, op datghe altijt staet naer het gene u past; en achtende ongeoorlooft iet hoogers te hopen dan u betaemt, u onthout van eene die u ongelijck is. Wel aen dan, o einde mijner vryagie (want ick zal na dezen door geene andere vrou ontvonckt worden) leer wijzen, om die liefelijck na te zingen: het zingen zal de zwaermoedigheit minderen.


Aen Virgilius. Het XII. Gezang.

Hy schildert d’aenkomste der lente af.

De Tracische wecklevens, lentegezellen, die de zee bezadigen, drijven nu de zeilen voort. De beemden zijn nu niet bevrozen, en de hooge vlieten, van wintersneeu gezwollen ruischen niet. De rampsalige vogel droevigh Itys beschreiende, en de eeuwige schande van den Cekropischen huize, om dat het zijner Koningen vuile lusten qualijck gewroken heeft, bouwt zijnen nest. De harders der vette schapen speelen in het teere gras, op hun fluitje, en vermaecken den godt, die lust schept in vee en de bruine heuvelen van Arkadie. O Virgijl, een dronck begint nu al te smaken. Indien ghy, die een pagie der edele jongelingen zijt, druiven wilt drincken, die te Kalene geperst zijn, by my kuntghe wijn voor nardus koopen. Voor een kleen potteken nardus, kuntghe bekomen een vaetje wijns, ’t welck nu in Galbaes schuren leit, en milt is om nieuwe hoop te verwecken, en maghtigh om droeve bekommeringen te verdrijven. Indienghe naer deze blyschap haeckt, koom haestigh met uwe waren. Ick meen u, zooghe met ledige handen koomt, niet op te vullen, gelijck de rijcken in hunne huizen, daer het vol op is, gewoon zijn. Maer laet het sammelen en uwe baetzucht vaeren: en, op het lijckvier denckende, terwijl het u gebeuren magh, meng uwe ernstige zaecken met een korte boerterye: het is zoet mallen, wanneer het pas geeft.


Tegens Lyce. Het XIII. Gezang.

Hy beschimpt Lyce, die, nu een oude best, en noch even geil, van de jonge jeught veracht wort.

Lyce, de Goden hebben verhoort, de Goden, Lyce, hebben mijne bedeloften verhoort. Ghy wort een oude best, en wilt nochtans schoon schijnen, en ghy speelt en drinckt onbeschaemt, en droncken zijnde, prickeltghe den verstorven minnegodt met een bevende keel. Hy houdt schiltwacht op de schoone kaecken van de bloeiende en zangkundige Chia: want wispelturigh vlieght hy over dorre eicken, en schuwt u, om dat uwe slijmige tanden en grijze hairen u leelijck maecken. Het purper van Koös, nochte de kostelijcke gesteenten zullen u den verstreecken tijt niet wederom brengen, die van den vluggen dagh eens in stadts kronijcken geschreven is. Waer is uwe schoonheit gebleven? och waer is die schoone verwe? waer uwe wackerheit? wat schiet’er over van dat schoon, van dat schoon, het welck de liefde verweckte, en my buiten my zelven voerde? Dat geluckige, naest Cynara; dat bekende en bekoorlijcke aenschijn? Maer het noodlot nam Cynara ras wegh, willende Lyce zoo lange sparen, als een oude kraey leven kan; op dat de vierige jongelingen moghten, niet zonder veel lachens, den glans der schoonheit zien in d’asschen gevallen.


Aen Augustus. Het XIV. Gezang.

Hy zeit dat de Raet en het Roomsche volck Augustus geene eer kunnen opdragen, gelijck zijne deught en dapperheit vereischen. Hy verheft de triomfen, by Augustus stiefzonen, tegens verscheide volcken gewonnen, als mede te gelijck aen ’s Keizers geluck en lof gehecht, naerdienze onder zijn gezagh en beleit deze oorlogen volvoerden. Endelijck sluit hy dat allerhande volcken, oock in de verregelegenste gewesten des aerdtbodems gezeten, zijn heerschappye kennen, en eeren.

O August, wat vader of burgers zullen bezorgen dat uwe deughden met overvloedige eergiften door byschriften en kronijcken in eeuwige gedachtenis blijven? O allergrootste Vorst van de Vorsten der bewoonbare weerelt, de Zwaben, de Roomsche wetten niet onderworpen, hebben onlangs geleert wat ghy in den oorloogh vermooght: want de gestrenge Drusus heeft meer dan eens door uw heir de Lombarden, een onverzoenelijck slagh van menschen, en de gezwinde Brennen, en de ysselijcke sloten op de Alpes verdelght. Terstont daer na heeft d’outste der Neronen eenen geweldigen slagh geslagen, en verdreef, door eenen geluckigen toght, de onmenschelijcke Graubunders; hy die waerdigh was dat men in den strijt zagh, met hoe groote neerlagen zijn volck afmatte de harten, die zich getroosten voor de vryheit te sterven: bykans gelijck de Zuidenwint de wilde zee aen ’t hollen helpt; wanneer de rey der Pleiaden het zwerck scheurt: zoo plaeghde die wackere helt de benden der vyanden, en rende met zijn brieschende paert midden door het vier. Gelijck de gehoornde Aufidus bruist, die door het gebiet van den Apulischen Daunus stroomt, wanneer hy woet, en de geploeghde ackers met eenen schrickelijcken watervloet dreight; alzoo velde Klaudius, met eenen woesten aenval, de yzere drommels der vyanden; en, als een overwinner, de voorsten en achtersten ter neêr maeiende, bedeckte de aerde, zonder verlies der zijnen; naerdien ghy uwe maght, raet en Goden daer toe beschafte: want op den zelven dagh, toen de haven van Alexandrye u te voet viel, en het ledige hof opende, heeft de gunstige Fortuin, na vijftien jaren, u eenen geluckigen uitgang des oorloogs en den prijs wedergegeven, en in ’t einde der veldheerschappye u de gewenschte eere toegeigent. De noit getemde Spanjaert, Meed, Indiaen, en wilde Scyth verwonderen zich over u, o tegenwoordige beschermer van Italie, en het heerschende Rome. Naer u luisteren de Nijl, die zijnen oirsprong verberght, de Ister, de snelle Tigris, d’Oceaen vol gedroghten, die d’afgescheide Britten bespoelt, de Vrancken, onvervaert voor de doot, en de harde Spanjaert; de Gelderschen, die lust in moorden scheppen, eeren u met neergeleide wapenen.


Augustus lof. Het XV. Gezang.

Hoewel Apollo hem van oorlogen hebbe afgeschrickt, nochtans wil hy in dit gezang Augustus lof ophalen, voornamelijck om het herstellen van den vrede, en de bedorve zeden, en wetenschappen, waer door de voorouders de palen van het rijck wijder uitbreiden.

Toen ick op mijne lier veltslagen en veroverde steden wou spelen, belette my Febus dat ick met kleene zeiltjes niet door de Tyrrenische zee zou vaeren. O Cesar, uwe eeuw verleent onze ackers overvloedige vruchten, en hangt in onzen Jupijns kercke weder het wapentuigh op, het welck weder der Parten hoovaerdige posten ontruckt is; sluit Janus tempel te Rome, van oorloogh ontlast; toomt en tuchtight de woeste ongebondenheit; verjaeght de boosheit, en haelt weder de voorige deughden in, waer door de maght van Italie groeide; en de majesteit en faem des rijcks bereicken Oosten en Westen. Onder Cesars beleit zal de dolle burgertwist, nochte gewelt de rust niet steuren; nochte de gramschap, die zwaerden smeet, en de steden jammerlijck tegens een ophitst. Die den diepen Donau drincken, geene Goten, geene Seres, geene trouweloose Persianen, geene, die by den vliet Tanais geboren zijn, zullen Augustus plackaten afscheuren; en wy zullen op werck en heilige dagen, na datwe de Goden naer behooren aengebeden hebben, by den genoegelijcken wijn, met onze vrouwen en kinderen, met zang en spel, naer der voorvaderen wijze, de dappere veldoversten, Troje, Anchises, en de afkomst der koesterende Venus verheffen.


Q. Horatius Flakkus Toezangen.

Aen Mecenas. Het eerste Gezang.

Hy wil Mecenas, treckende naer den Actiaschen oorloog, geleiden, niet om uit zijn tegenwoordigheit eenig genot te trecken, maer om min bekommeringe voor zijn behoudenis te hebben.

Myn vrient Mecenas, ghy zult met een roeischuitje, tusschen de groote oorlooghschepen, henevaren, bereit al Cesars gevaer met het uwe te wagen. Wat zullen wy doen, wien ’t leven lust zoo lange ghy behouden zijt, en u dervende verdrietigh valt? Zullenwe op uw bevel onze rust houden, die zonder u onlustigh is? Of zullenwe dezen arbeit dragen, met zulck een gemoedt als geenen teeren mannen betaemt? ja wy, en wy zullen u moedigh over d’Alpische geberghten volgen, of over den ongastvryen Kaukasus, of tot den uitersten boezem van ’t Westen. Vraeghtge wat mijn arbeit den uwen baeten zal, dewijl ick zoo zwack en weerloos ben? Ick zal in uwe tegenwoordigheit min dan in uw afwezen vreezen: gelijck een vogel, die zijne ongevederde jongen broet, meer den aenval der slangen vreest, wanneer hy van honck is: hoewel hy daer by wezende hun niet meer hulps zoude kunnen bewijzen. Ick wil gaerne dezen en al den oorloogh helpen voeren, op hope van uwe gunst; niet op dat ick veele ossen moght hebben, omze in den ploegh te spannen; of dat mijn vee de Lukaensche voor de Kalabrische weide verwissele, eer de hontsdagen komen; niet op dat mijne marmere hoeve zich uitstrecke tot aen de vesten van ’t hooge Tuskulum, door den zoon van Circe gebouwt; uwe milddaedigheit heeftme aen rijckdom genoegh geholpen. Ick zal niet staen naer het gene ick, gelijck de gierige Chremes, in der aerde begraeven, of als een ongebonden spilpenning verslempen zal.


Het II. Gezang.

Hy prijst het leven des ackermans, inzonderheit om de matigheit, en gerustheit des gemoedts.

Geluckigh is hy, die verre van alle handeling, gelijck de eerste weerelt, de vaderlijcke ackers met zijn eigene ossen ploeght, die vry van allen woecker is, en niet, als de soldaet, door de moorttrompet geweckt wort; die oock niet voor de verbolge zee yst; de vierschaer en hoovaerdige poorten der rijcke fockeren schuwt, den hoogen populier aen den volwassen wijngaert huwt, en onnutte rancken met zijn snoeimes afsnijdende, vruchtbaerder enten daer op ent; of in een boghtigh dal zijne loeiende koeien dwaelen ziet, of gepijnden honigh in zuivere kruicken giet, of de teere schapen scheert; of wanneer de herfst zijn hooft met rijpe appelen verciert, uit den acker opbeurt, zich verheught met ge-ente peeren te plucken, en druiven, die het purper tarten, waer mede hy u, o Priaep, en u, o vader Sylvaen, beschermer der hoven, vereert. Nu lust het hem onder eenen ouden galnotenboom te leggen, nu in het lange gras: terwijl het water van de steile klippen afschiet. De vogels tierelieren, en de bronnen ruischen met vlietende beecken; waer door hy gemackelijck in slaep valt. Maer wanneer de donderende Jupijn des winters by beurte sneeuwt, en regen afstort, dan jaegt hy hier en daer felle wilde zwijnen, met veele honden in de gespanne netten, of hangt hier en daer stricken om de hongerige lysters te vangen, of vangt eenen blooden haes, of overzeesche kraey, die in zijne stricken gevallen is, een genoeghelijcke belooninge van zijnen arbeit. Wie vergeet hier door de booze minnezorgen niet? Indien dan een kuische huisvrou, gelijck een Sabijnsche, of eene van de zon verbrande dochter eenes wackeren Apulers mede huis en zoete kinders gade sla, en droogh hout aen den gewyden haert leit, tegens de koomste van haren vermoeiden man, en het vrolijcke vee met gevlochte horden afheinende, de gespanne uiers melcke, en zoeten most uit een versch vat tappende, ongekochte spijze bereide; zoo zouden my geene Lukrijnsche oesters, noch tarrebotten, noch scharren, indienze het wintersche onweêr uit de Oostersche baren in onze zee joegh, zoo wel smaecken, en geen Afrikaensche faisant zoo wel monden. Geen Jonisch patrijs smaeckt zoeter dan een olijf van den verschen tack gepluckt; of liefelijcke surckel, die gaerne in de beemden groeit, en maluwe, gezont voor een kranck lichaem, of een lam, op de feest des ackergodts geslagen, of een bocksken, den wolf ontjaeght. Hoe genoegelijck is het onder deze leckernyen de zatte schapen te zien naer huis spoeden; de vermoeide ossen den omgekeerden ploegh met hunnen bezweten hals nasleipen, en de rustende slaven, eenen zwarm van den rijcken huize, rontom het vier aen den haert zitten. Na dat Alfius de woeckeraer dit gesproocken hadde, heeft hy, als of hy datelijck een ackerman wilde worden, al zijn gelt ter halve maent ingetrocken, en zoeckt het op den eersten dagh der nieuwe maent, weder uit te zetten.


Aen Mecenas. Het III. Gezang.

Hy vervloeckt den knooploock.

Wie eertijts, met een godlooze hant, zijn ouden vaders hals brack, die eete loock, vergiftiger dan dolle kervel. O harde maeiers darmen! hoe woet dit venijn in het ingewant! of heeft dit adderenbloet, in kruiden gekoockt, my bedrogen? Of Kanidia de spijze mishandelt? Gelijck Medea, die boven alle anderen op den blancken Vorst verslingert was, Jäson hier mede bestreeck, toen hy de stieren onder het onbekende juck zoude slaen; hier mede door bestreecke geschencken wraeck nemende over zijne boel, ontvlootze met vliegende draecken. Zoo groot een hitte der hontsdagen heeft in het dorstige Apulie noit gebroeit: en de gifte van Dianier ontstack de schouders des arbeitzamen Herkules noit krachtiger. Maer o boertige Mecenas, indienge immermeer yet diergelijcks eet, laet het maeghdeke de hant voor uwen kussenden mont houden, en in den wandt leggen.


Tegens Menas, den vrygelaten slaef van den grooten Pompejus. Het IV. Gezang.

Hy hekelt zijn verwaentheit met de veranderinge van zijne gelegenheit.

Tusschen u en my is zoo groot een haet, als ’er natuurlijck tusschen wolven en schapen is. O ghy, wiens rugge door Spaensche bolpeezen, en wiens scheenen door harde boeien geschonden zijn; hoewel ghy moedigh op uw geldt stapt, goet verandert geen bloet. Zietghe niet hoe de voorbygaende luiden u de guigh nasteecken en nakijcken; wanneerghe met eenen sleependen tabbaert naer het Kapitool treet? Dees, die van de tuchtmeesteren met zweepen vol stramen gegeesselt is, zoo dat’er de provoost af walght, laat duizent bunderen lants te Falerne bouwen, en rijdt in de karros, en zit, ter schande van Otto, boven aen in den schouburgh, gelijck een groot ridder. Wat baet het zoo veele zwaerwichtige galeien, en eenen hoop slaeven, tegens de zeeroovers, toe te rusten, wanneer dees vogel kornel zal wezen?


Tegens de Toveres Kanidia. Het V. Gezang.

O Goden, wieghe zijt, die in den hemel het aertrijck en menschelijck geslacht beheerscht, wat wil dit gedrang? en waerom zijn aller aengezichten tegens my alleen ontstelt? Ick bidde u, om uwer kinderen wil, indienghe oit kinders gebaert hebt; om deze ydele purpere pracht, om Jupijn, wien dit mishaeght; waerom zietghe my aen, gelijck eene stiefmoeder, of als een geschoten dier? Na dat het jongsken, zoo teer van lichaem, dat het een godvergeten Tracisch hart vermurwen zoude, aldus met een bevende stemme geklaeght hebbende, staen bleef, berooft van al zijn cieraet, zoo beval Kanidia, korte adders in heur hair en ongetoide vlechten gevlochten hebbende, met tovervier te verbranden wilde vijgeboomen uit den kerckhove geruckt, en doodse cypressen, en eiers van eenen beslijmden vorsch, met bloet bestreecken, en veders van een vleermuis, en kruiden, gepluckt in Jolkos en Iberie, vruchtbaer van vergift, en gebeenten, die eenen nuchteren hont ontjaeght zijn: en de afgerechte Sagaen, het geheele huis met helsch wywater besprengende, zoo rijst heur hair over ent, gelijck een zee-egel en de borstels van een vlughtigh wilt zwijn. Veia, door geen gewisse afgeschrickt wezende, groef al hygende met heure yzere schop eene grop in der aerde; op dat het begraven kint, door het aenschouwen der twee of driemael veranderde spijze, van langer hant moght sterven; terwijl het met den mont boven de aerde uitstack, gelijck een zwemmend lichaem met de kin uit den water; op dat het uitgezogen mergh en de dorre lever een minnedranck moghten verstrecken; terwijl de oogen eens op de verbode spijze starrende uitteerden. Het ledige Napels, en alle naburige steden gelooven dat de Arminiumsche Folia, die heete teef, daer oock by was; die met Tessalische vaerzen de starren betovert, en de maen van den hemel af doet stijgen. De felle Kanidia, bits op hare duimnagels bijtende, wat sprackze en wat sprackze niet? O nacht, en Diaen, getrouwe getuigen mijner zaecken, die gebodt hebt over de stilte, wanneer de geheime offerhanden geschieden; weest nu, weest nu tegenwoordigh. Keert nu uwe maght en gramschap tegens de huizen der vyanden; terwijl de vervaerde dieren, door den zoeten slaep bevangen, in het bosch schuilen. Laet de roffiaens honden, datzer alle om lachen, den ouden overspeelder nabassen, die met zulck eenen nardus bestreecken is, hoedanigh ick noit met mijne handen gewerckt hebbe. Wat gebeurt’er? Waerom is mijn vervloeckt vergift onkrachtiger dan dat van d’uitheemsche Medea? waer door zy, zich over de hoovaerdige boel, des grooten Kreons dochter, gewroken hebbende, heenevloot; toen de mantel, een geschenck in vuilen bloede gedoopt, de nieugetroude door den brant om het leven brogt. Ymmers heeftme kruit nochte wortel, die in ruige velden schuilt, niet onbekent geweest. Hy, alle zijne boelen vergeten hebbende, slaept in de bestreecke kamer. Och och, hy treet daer heene, bevrijt door de vaerzen eener kundiger toveresse. O Varus, wien noch groote zwarigheit over het hooft hangt, ghy zult tot my komen door ongewoone drancken, en het geroep der Marsen zal u niet weder by uwe zinnen brengen. Ick zal wat sterckers toemaecken, en u eenen grooter beker toeschencken, hoewel ghyer af walght: en de hemel zal eer lager dan de zee, en de aerde hooger dan de hemel wezen, eerghe niet zoo zeer in mijne minne blaeckt, gelijck de smitskolen in het zwarte vier. Onder dit spreecken verzachte het jongsken nu niet de goddeloozen met zoete woorden, gelijck te vore; maer twijfelende wat het eerst zeggen zou, vloeckte het ysselijck: watghe doet of laet, geen vergift kan de menschelijcke natuur veranderen. Ick zal u met vloecken plaegen. Een gruwelijcke vloeck wort met geenen offer verzoent. Wanneer ick door uw bedrijf mijnen geest gegeven hebbe, zal ick u, als een nachtspoock, ontmoeten, en als een schim met kromme klaeuwen u in ’t aenzicht vliegen, waer in ’t gewelt der gestorve zielen bestaet, en nestelende in uw ongerust harte, zal ick door schrick uwen slaep steuren. Het volck van allen kanten zal u, ongeschickte besjes, met steenen worpende, verpletten. Daer na zullen de wolven en Esquilijnsche ravens uwe onbegrave lichamen verscheuren; en mijne ouders, na mijne doot, wee mijns! zullen dit schouspel zien.


Het VI. Gezang.

Op Cassius Seveer, een’ lasterachtigh Dichter.

Ghy hont, waerom plaeghtghe d’onschuldige gasten, daerghe bloode tegens wolven zijt? waerom dreightghe my niet met vergeefs blaffen, indienghe de maght hebt, en rant my aen, die weder bijten kan? Want ick zal, gelijck een Molos, of rosse Lacedemonische hont, wiens kracht den harderen dienstig is, met opgesteecke ooren al het voorvlughtigh wilt door het diepe sneeu drijven. Wanneerghe het wout met een gevaerlijck gehuil vervult hebt, dan snuffeltghe aen eenen voorgeworpen brock. Zie toe, zie toe: want op de boozen gebeeten zijnde, steeck ick mijn beide hoornen op: gelijck als de verachte zwager tegens den trouweloozen Lykambe; of de bittre vyant tegens Bupal. Zal ick ongewroken, als een kint, schreien, indien yemant my gebeeten hebbe?


Het VII. Gezang.

Op het burgerlijck oorlogh, tegens Brutus en Cassius gevoert.

Waer heene? waer heene, ghy booswichten? Waerom rucktghe heimelijck den degen uit? Of is’er luttel Roomsch bloet te water en te lande vergooten? Niet op dat de Romain de trotse sloten van het nijdige Kartago zoude verbranden; of d’ongetemde Brit geboeit naer het Kapitool gesleipt worden; maer deze stadt moght ondergaen, door hare eige hant, naer der Parten wensch. Wolven en leeuwen gebruickten noit deze gewoonte, dan tegens dieren van eenen anderen aert. Vervoert u blinde dolligheit, of eene hooger drift, of uwe misdaet? Antwoort my. Zy zwijgen, en besterven in het aenzicht, en staen verbaest voor ’t hooft geslaegen. Zoo is ’t. Het bittere noodlot, en het schelmstuck des broedermoorts drijven de Roomsche burgers voort, sedert des onschuldigen Remus bloet, tot der nakomelingen vloeck, vergoten wert.


Het VIII. Gezang.

Op een geile oude best.

Wilt ghy, oude pry, al mede vragen, wat mijne krachten zoo heeft uitgeput; naerdien uwe tanden zoo zwart zijn, en uw voorhooft verschrompelt van ouderdom, en uw vuil stinckvat, tusschen uwe verschroockte billen, gaept, gelijck een kuchende os? maer uw boezem en verrotte mammen, een merrienuier gelijck, prickelen my, en uw weecke buick, en dunne heup op uw dicke bombeenen. Weest rijck, en laet de triomfbeelden voor uw lijck gedraegen worden; nochte laet’er geene gehuwde wezen, die met ronder parlen behangen zij: en of de Stoische boecken gemeenelijck al onder uwe fluweele kussens leggen, staen de ongeleerde zenuwen te minder? of hangt het tuigh te slapper? zoo dat ghy, &c.


Aen Mecenas. Het IX. Gezang.

O geluckige Mecenas, wanneer zal ick met u in den hoogen hove wijn drincken, die tot heilige bancketten gespaert is; verheught zijnde door Cesars overwinninge, die Jupijn behaeght: speelende een vaers op mijne lier, onder de fluit, gestelt, dees op een uitheemsche, die op een Griecksche wijze? Gelijck onlangs, toen d’Amirael, op zee gedreven, met brandende schepen vlughte, na dat de stadt gedreigt was met de boeien van hem, dieze den meineedigen slaven, daer hy het mede hiel, ontruckt hadde. Een Romain (och nakomelingen, ghy zult het niet geloven) vervooght van een vrou, draeght de palissade, en, als een soldaet, de wapens, en kan den verschrompelden lubbelingen ten dienst staen; en de zon aenschout het schandelijck vliegenet onder de vaendels. De Gallen, die stadigh Cesar roepen, zetten met twee duizend brieschende paerden op hem aen. De snelle zeilen schuilen ter slincke zijde in de haven van ’s vyants schepen. Jo triomf! ghy behindert de gulde wagens, en ongerepte vaerzen. Jo triomf! ghy voert nu geenen overste, als in den oorloogh van Jugurta; nochte Afrikaen, wiens graf door de deught op Kartago gebout is. De vyant, te water en te lande verwonnen, heeft voor den purperen wapenrock eenen routabbert aengeschoten. Hy, zullende heenegaen tegens den wint op, zoeckt Kreten, om zijne hondert steden vermaert, of de zantplaeten, daer de Noortsche baeren op barnen, of drijft op der Goden genade. Jongen, breng hier grooter bekers, en wijnen van Chios, of Lesbos, of schenck ons Kampanischen wijn, die het walgen der mage belet. Het lustme de zorgh en vrees voor Cesars zaecken met zoeten most te verdrijven.


Op Mevius. Het X. Gezang.

Hy wenscht hem eenen zeestorm en schipbreuck.

Het schip, dat den stinckenden Mevius in had, steeckt ter quader uure af. O Zuidewint, passe tegens beide de zijden met ysselijcke baren aen te slaen, en de donckere Oostewint smijte door d’onstuimige zee takels en riemen in stucken. De Noordewint steke oock zoo heftigh op, gelijck hy op het hoogh geberghte de bevende boomen ter aerde velt; en geen troostelijcke star verschijne in dien duisteren nacht, waer in de droevige Orion ondergaet; en hy werde met geenen stiller stroom gedreven; dan de triomfeerende Griecksche vloot, toen Pallas hare gramschap van het verbrande Troje wende tegens het godlooze schip van Ajax. O hoe zullen uwe schippers moeten zweeten, en wat een dootverf zultghe zetten, en wat een wijfachtigh misbaer en gekarm aen den vergramden Jupijn zal men hooren, wanneer de Jonische zee, loeiende door den vochtigen zuidenwint, de kiel gebroken heeft? dat indien ghy, als een vette buit, op den boghtigen oever uitgestreckt, de duickers mest, zoo zal’er een geilen bock en een lammeken opgeoffert worden.


Aen Pettius. Het XI. Gezang.

Hy met minne bevangen, kan zich niet tot vaerzen beledigen.

O Pettius, het lustme niet, gelijck eertijts, vaerzen te dichten, nu ick met groote liefde bevangen ben; met liefde die my boven al om teere knechtjes en maeghdekens doet blaken. Dees derde winter, sedert Inachia my niet meer ontvonckte, schudt het loof van de boomen af. Wee mijns! want ick schaem my over zoo groot eene misdaet: wat heb ick op de tong geloopen, door de geheele stadt! en my verdriet dier maeltijden, daer het quijnen, stilzwijgen, en diep zuchten my meldden dat ick vryde: ick klaegde u met schreiende oogen, dat mijne oprechte inborstige armoede niet opmoght tegens den rijcken; zoo haest als d’onbeschaemde Godt ontdeckt hadde het geheim van my, die door den heeten wijn verhit was. Indien de overloopende gal om mijn hart ziedt, op datze deze stovingen, die de booze wonde niet verzachten, den winden ten buit geve; zoo zal de schaemte, aen d’eene zijde gezet, ophouden te kampen tegens hen, die my ongelijck zijn. Na dat ick voor u deze dingen ernstigh geprezen hadde, en ghy my belaste t’huis te gaen, brogten my mijne twijfelachtige voeten by de onvriendelijcke posten, en helaes harde drempels, waer op ick lijf en leden gebroken hebbe. Nu ben ick op Lycisk verslingert, die zich roemt aller vrouwen dartelheit te overtreffen: waer uit my de trouhartige raden der vrienden en harde scheltwoorden niet kunnen redden; maer een andere minne van een blanck maeghdeken, of eenen scheutigen jongeling, die zijne lange locken vlecht.


Het XII. Gezang.

Op een stinckende out vel, dat hem aenzocht.

Ghy vrou, die waerdigh zijt van olyfanten bereden te worden, wat begeertghe? Waerom zentge geschencken en brieven aen my, die een zwack jongeling, en noch te scherp van reuck ben? Want ick alleen rieck nauwer of ghy een neusgezwel, of eenen bockestanck onder uwe borstelige ockselen hebt, als een snuffelende hont daer een zeuge leit. Wat zweet en vuile stanck groeit’er over alle haere verschroockte leden, wanneerze pooght d’ongetemde dolheit te bedaeren met eene hangende zenuwe, en zy houdt haer blancketsel niet, nochte de blozende verwe, uit krokodils dreck gepuurt; en met het roeren van hare vellen breecktze de onderlaegen, en het gehemelte der ledekant; of als zy mijne walging met harde woorden hekelt. Ghy zijt hitsiger by Inachia dan by my. Driemael des nachts kuntghe Inachia helpen, en altijt zijtghe af, wanneerghe het my maer eens gunt. De plaegh hael Lesbia, die my, die eenen stier zocht, u gewezen heeft, die onbequaem zijt, toen de Koösche Amyntas by my was, wiens zenu beter rees in het &c. als een nieu gewosse boom, die op de heuvels staet. Voor wien heb ick de purpere kleederen tweemael in de wol geverft bereit? juist voor u? op dat’er geen gast onder uwe mackers zou wezen, die meer bemint zou zijn van zijne liefste, als ghy van my. O ick ongeluckige, voor wien ghy vlught, gelijck een lam voor felle wolven, en de geit voor de leeuwen vreest.


Aen zyne vrienden. Het XIII. Gezang.

De hemel is betrocken, een gruwelijcke storm steeckt’er op: regen en sneeu valt uit de lucht: zee en wouden ruischen van den Tracischen Noordewint. O vrienden, laet ons de gelegenheit van dezen dagh waernemen, terwijl het ons past, en wy noch wel te voet zijn. Laet ons het voorhooft ontrimpelen. Schenck ghy wijn, die onder het burgemeesterschap van Torquaet geperst is. Laet andre praetjes vaeren. Misschien zal Godt deze dingen genadigh te recht brengen. Nu lust het my met Achemenischen Nardus begoten te worden, en met Cyllenische snaren het hart van benaude bekommeringen te verlichten; gelijck de edele Centaurus den grootsten voesterkinde toezong: Onverwonnen jongeling, sterfelijcke zoon der Godinne Tetis, het rijck van Assarakus, ’t welck gedeelt wort door den vliet des kleenen Scamanders, en den glibberigen Simois, wacht op u; daer het nootlot uwe wederkomste belet, door het zeker afsnijden van den draet uwes levens: en uwe zeegroene moeder u niet weder zal kunnen t’huis voeren. Verzacht daer alle rampen door zang en spel, een liefelijcke vertroosting voor mismaeckte zwaermoedigheit.


Aen Mecenas. Het XIV. Gezang.

Dat de minne van Fryne hem hindert de beloofde vaerzen te leveren.

Oprechte Mecenas, ghy dootme met dickwils te vragen; waerom de teere minne het diepste mijner zinnen in zoo groot eene vergetenheit gedompelt heeft, als of ick met eene drooge keel den beker des dootslaeps uitgezopen hadde: want een Godt, een Godt beletme de begonne jambische vaerzen, een eertijts belooft gedicht, te voltoien. Men zegt dat om den Samoschen Batyl de Teische Anakreon aleveneens blaeckte; die dickwils op de kromme lier, met gezangen, niet naer de kunst doorwrocht, zijne minne beschreide. Ghy zijt oock jammerlijck ontvonckt, indien geen schooner vier het belegerde Troje in brant stack, genoegh u met uw lot. De vrygemaeckte Fryge, die met eenen niet te vrede is, doet my quijnen.


Aen Neaera. Het XV. Gezang.

Hy klaeght over hare trouweloosheit.

Het was nacht, en de maen scheen onder de mindere starren helder aen den hemel, toen ghy, willende der groote Goden maght schenden, op den eet, dien ick u voorstaefde, zwoert, my met geslote armen omhelzende, vaster dan een eikelboom van het scheutige veil omvat wort, dat wy elckandere onderling zouden beminnen, zoo lang als de wolf op het schaep gebeeten zal zijn; en Orion, een plaegh des zeemans, d’ongestuime zee omroeren; en een koeltje in Apolloos ongeschore locken speelen zal. O Neaera, mijn deught zal u noch smarten; want zoo in Flakkus yet mannelijcks is, zal hy niet gedoogen datghe alle nachten zult slapen by eenen, dienghe liever hebt; en vergramt zal hy zijns gelijcken zoecken; en zijne stantvastigheit zal niet wijcken voor uwe schoonheit, die hem eens versteurt heeft, wanneer zijn wrock eens gezet is. Maer ghy, die nu geluckiger zijt, en om mijn ongeluck fier henetreet; hoewelghe rijck zijt van vee en lant, en Pactool in uw kantoor vloeit, en ghy de geheimenis van den herboren Pytagoras kent, en Nireus in schoonheit overtreft; helaes ghy zult beklagen de liefde, die op een ander gezet is, en dan zal ick weder lachen.


Het XVI. Gezang.

Hy klaeght dat de burgerlijcke oorlogen blijven duren.

Nu wort de tweede eeu met burgerlijcken oorloogh gesleten, en Rome valt van zelf om zijn overwightigheit; het welck van den aengrenzenden Marsen niet kon vernielt worden; nochte door de Hetrurische maght van den dreigenden Porsenne; nochte door de dapperheit van Kapua, dat naer de kroon stack; nochte door den bitsen Spartakus, nochte door den Savojart, die trouweloos is in ’t aenrechten van nieuwigheden: en ’t welck oock het woeste Duitschlant met zijne blaeuooghde jeught, nochte Hannibal, der ouderen vloeck, niet konden temmen; dat zullen wy goddeloozen van verwaeten bloede verwoesten, en wilde dieren zullen weder het lant beslaen. Helaes! een uitheemsch overwinner zal d’assche treden; en de ruiter zal door de stadt met zijnen klinckenden hoef rennen; en een baldadige zal, een gruwel om te zien, Quirijns gebeente, van zon en lucht versteken, in den wint stroien. Misschien vraeghtghe alle, of de besten onder u; wat het ontbeeren dier zwarigheden u baten zal? Dit zy het beste besluit: gelijck de vervloeckte stadt der Focensen vlughte, laetende ackers, eigene huizen, en de kercken, hunner Goden woonsteden, den wilden zwijnen en grijpenden wolven; te gaen daer de voeten u dragen, de woeste winden u over zee drijven zullen. Behaeght u dat? Of weet yemant wat beters by te brengen? Waerom sammelen we ter goeder tijt in den schepe te treden? Maer laet ons zweeren, dat het vry zal staen weder te keeren, zoo ras de gezoncke steenen weder boven komen drijven; en datwe weder naer huis zullen zeilen, wanneer de Po de Matijnsche toppen gewasschen zal hebben; of de hooge Apenijn in zee loopen; en eene zeldsaeme minne het ongedierte met eene nieuwe geilheit paeren; zoo dat het hart den tiger bespringe, en de kieckendief de duif betrede, en het lichtgeloovige vee geene blonde leeuwen vreeze, en de gladde bock zich in de zoute zee vermaecke. Wanneer de heele stadt, of het beste deel der zelve, [’t welck beter is dan al de onleerzame hoop;] dit, en al het geen onze zoete wederkomste noch zoude kunnen afsnijden, gezworen zal hebben, laet ons dan gaen, en de suffer en hopelooze in hun vervloeckt nest blijven. Ghy, die deughtzaem zijt, laet varen het vrouwelijck gekerm, en vlieght voorby den Tuskaenschen oever. De groote zee, die om de geheele weerelt loopt, staet voor ons open. Zeilenwe naer de landen, de geluckige landen, en rijcke eilanden; daer d’ongeploeghde landou jaerlijcks koren voorbrengt, en d’ongesnoeide wijngaert altijt bloeit; en de altijt vruchtbaere olijftack uitspruit, en de bruine vijgh haren stam verciert; de honigh van den hollen eick afdruipt; en het klare water, zachtelijck ruischende, van hooge bergen afschiet. Daer komen de geiten ongelockt naer het melckvat; en de d’aengename kudde brengt gespanne uiers t’huis; en de beer gromt des avonts om de schaepskoy niet; en de gront zwelt niet op door de adders: en geluckighlijck zullenwe ons over meer dingen verwonderen; hoe de waterige Oostewint d’ackers niet door menighte van slaghregens schaeft, en het vette zaet niet in de drooge klay verdort; dewijl de Koning der hemellieden het beide matight. Hier lande het pijnhout met Argosche roeiers niet; en d’onkuische Medea zette hier haeren voet noit. Sidonische zeelieden hebben hunne sprieten niet herwaert gewent, nochte Ulysses gesolde gezelschap. Geene besmetting beschadight het vee. Geene blakende hitte der hontsdagen braet de kudde. Jupiter scheide die kusten af voor godvruchtige lieden, na dat hy de goude eeuw door een kopere bedorven hadde: daer na veranderde hy de eeuwen in yzer; welcke eeuwen de vroomen met eenen voorwint zullen ontvlughten, indienze gelooven het geen ick spelle.


Aen Kanidia. Het XVII. Gezang.

Datze zich zelve eens genadigh zy.

Nu geef ick het u gewonnen met uwe krachtige wetenschap; en smeecke u by Proserpijns rijck, en by Diaens onverbiddelijcke Godheit, en by de toverboecken, waer door ghy de vaste starren van den hemel kunt doen afstijgen, o Kanidia, spaer eens uwe bezweeringen: helpme, helpme haestighuit den toverkreits. Telef heeft Nereus neef bewogen, tegens wien hy vermetelijck de Mysische benden hadde toegerust, en op wien hy met scherpe pijlen mickte. De Trojaensche moeders hebben den manslaghtigen Hektor, die den wilden vogelen en honden ten aeze toegeëigent was, gebalssemt; na dat de Koning, zijne vesten verlaten hebbende, den halstarrigen Achilles te voet gevallen was. Ulysses arbeitzame roeiers hebben, met Circes believen, hunne borstelige huiden uitgetogen; toen kregenze hun verstant en spraeck en eerste menschelijcke gedaente weder. Al te veel strafs heb ick van u geleden; van u, die van maetroozen en kassiers vierigh bemint wort. Mijne jeught glipt heene, en de blozende verwe heeft het geraemte begeven, ’t welck met eene doodse huit overtrocken is. Het hair is grijs door uwe besmeeringen. Geene rust verlicht my van den arbeit. De nacht plaeght den dagh, en de dagh den nacht, en ick kan van benautheit geenen adem scheppen. Ick ellendige worde dan geperst het ontkende te gelooven, dat de Sabynsche Kanidia met haere tovervaerzen het gemoedt ontstellen, en door Marsische bezweeringen het hooft scheuren kan. Wat wiltghe meer? O hemel en aerde, ick brande meer dan Hercules, met Nessus zwart wondenbloet bestreken; en meer dan de heete vlam, die in den Siciliaenschen Etna gloeit: en ghy, o smisse, barnt van Kolchisch vergift, tot dat ick in drooge assche ten guigelspele der winden henestuive. Wat einde of wat loon heb ick te verwachten? Zegh op, ick zal d’opgeleide straf getrouwelijck lijden; bereit die te boeten, schoon ofghe hondert vaerzen eischte; ofghe van de logenachtige lier woudt geprezen worden: ghy kuische, ghy deughtzaeme, zult als een gouden gestarnte, onder de starren gaen treden. Kastor, om Heleens ongelijck gesteurt, en des grooten Kastors broeder, hebben, door gebeden bewogen, den poeet zijn berooft gezicht weder gegeven. Ghy dan (want het staet in uwe maght) verlos my van mijne dollicheit. O ghy, die door uw vaders oneerbaerheit niet bezoedelt, en geene best zijt, die tuck is, om de negendaegsche begrave assche in der armen graven te verstroien. Ghy zijt beleeft van aert en zuiver van handen; en uw buick wascht een anders vrucht, en het vroetwijf de doecken, root van uwen bloede; zoo dickwils ghy, als een stercke kraemvrou, ten bedde uitrijst.

Kanidia antwoort.*

Wat stortghe gebeden uit voor mijne [gestopte] ooren? De wintersche zeestorm beuckt met het grondelooze pekelschuim geene dovere rotsen voor den naeckten zeelieden. Waentghe ongewroken de ontdeckte nachtgeheimenis, des wuften Kupidoos heilligdom, te beschimpen? en ongestraft, als priester, over de Esquilijnsche vergiftmengers mijnen naem door de geheele stadt te dragen? Wat baet het u datghe de Sabijnsche kollen verrijckt, en dootlijck vergift gemengt hebt, indienghe langer leven moet dan ghy wenscht? Ghy ellendige zult een onrustigh leven leiden om altijt nieuwe smart [te] lijden. Tantael, Pelops trouwelooze vader, altijt nooddruftigh by volheit van spijze, wenscht om rust: Prometeus, aen den vogel geketent, wenscht’er mede om. Sisyf wenscht zijnen steen op het opperste des berghs te rollen, maer Jupijns wet is’er tegen. Nu zultghe willen van den hoogsten toren afspringen: dan weder een Norisch lemmer in uwe borst stooten, en vergeefs u willen verhangen, droevigh van walgende benautheit. Dan zal ick op mijn vyants schouders rijden, en de aerde zal voor mijne baldadigheit wijcken. Zal ick die (gelijck ghy op het nauste weet) wasse beelden buigen, de maen van den hemel door mijne tovervaerzen trecken, de verbrande lijcken opwecken, en minnedrancken bereiden kan, my beklaegen, dat mijne kunst op u geen vatten heeft?


EEUWGETYDE.

Voor den welstant des Roomschen Rijcks.

O Febus en Diaen, ghy woudvooghdes, blinckende eere des hemels, die ge-eert waert, en ge-eert zult blijven, verleent ons het geenwe bidden op het heilige feest, waer op de vaerzen der Sybillen belasten aen d’uitgeleze maeghden en kuische jongelingen, den goden, die lust scheppen in de zeven heuvelen, een gedicht toe te zingen. O koesterende zon, die op uwen blaeckenden wagen den dagh aen en afvoert; en altijt een andre schijnende de zelve blijft, nimmermeer moetghe yet grooters als Rome zien. O Ilitya, of het zy datghe liever Lucijn of voortteelster wilt genoemt worden; die gewoon zijt, op zijnen tijt eenen zachten arbeit te verleenen, bescherm de moeders. O Godin, breng de vrucht voort, en zegen der vaderen besluit over het besteden der dochteren, en de huwelijckswet, die het geslacht vermeert: dat na het verloop van hondert jaeren gezangen en spelen, drie dagen en drie nachten lang, met grooten toeloop zekerlijck vernieuwt werden: en ghy, o Parken, die waerachtig in uw voorspellen zijt, laet het geene eenmael gezeit is eenen vasten voet grijpen, en schakelt het volgende aen het voorige geluck, en de landou, vruchtbaer van vee en vruchten, vlechte Ceres een kroon van airen. Gezonde lucht en water moeten de zuigelingenvoeden. O Apollo, goedertieren en genadigh uwe pijlen weghgesteken hebbende, verhoor de smeeckende jongelingen. O gehoornde maen, Koningin der starren, verhoor de maeghden. Indien Rome uw werckstuck is, en de Trojaensche benden in Tuskanen gelant zijn; een schare aen wie belast was huis en hof, op toezegginge van behoude reis, te verlaten: voor wie de kuische Eneas, zijn vaderlant overlevende, door het brandende Troje zonder bedrogh eenen vryen wegh gebaent heeft, om haer meer te geven danze verlaten hadden; O Goden, geeft de leerzaeme jeught goede zeden. O Goden, geeft den stillen ouderdom ruste. Geeft den Roomschen volcke goet, kinders, en allerleie heerlijckheit; en Anchises en Venus doorluchtigh bloet, het welck u sneeuwitte ossen opoffert, heersche triomfeerende in den oorloogh, en genadigh over de verwonne vyanden. De Meed ontziet alree, te water en te lande, hunnen dapperen arm en de Albaensche bijlen. De Scyten alree, en onlangs de hoovaerdige Indianen komen om wetten te ontfangen. Alree durven vrede, en trou, en eere, en de oude eerbaerheit, en de verwaerloosde deught wederkeeren; en de geluckige overvloet verschijnt met vollen vruchthoren; en Febus de wichelaer, met zijnen blinckenden boogh verciert, en aengenaem by de negen Zanggodinnen, die door heilzaeme kunst de maghtelooze lichaemen verlicht. Indien hy de Palatijnsche sloten gunstigh aenzie, zoo breide hy den Staet van Rome en het geluckige Italie uit tot in eene andere en altijt betere eeuwe: en Diaen, die den Aventijn en Algidus bezit, sla de gebeden der vijftien mannen gade, en neige hare goedertiere ooren naer de beloften der jongelingen. Wy, een gezelschap, afgerecht om Febus en Diaens lof te zingen, dragen een goede en zekere hope t’huis, dat Jupijn en alle Goden dit bestemmen.


Q. HORATIUS FLAKKUS

VAN DE

DICHTKUNST.

AEN DE PISONEN.

INdien de schilder een menschenhooft op een paerts hals woude zetten, en met veelerleie vederen schakeeren, en van allerhande leden te zamen voegen, zulx dat het bovenlijf een schoone vrou geleeck, en het onderste in eenen mismaeckten visch eindighde; zoudtghe, o vrienden, dit ziende u van lachen kunnen onthouden? Ghy Pisonen, gelooft dat zulck een boeck, wiens ydele beelden, gelijck eenes krancken mans droom, gebootzeert werden, dat hooft nochte voet tot een gedaente passen, zodanig een tafereel gelijcken zal. Schilders en poëten hadden altijt eene gelijcke maght van alles te durven bestaen. Dit wetenwe, en verzoeken oock deze vryheit, en vergunnenze u wederom. Maer niet in dier voegen dat het harde by het zachte gevoeght werde; nochte slangen met vogelen, en tigers met lammeren zich mengen. Den meesten tijt wort een purperen stroock of twee, die verre afsteken, op deftige beginsselen, en die geweldige zaecken beloven, gezet; wanneer een woudt, en Diaens autaer, en d’ommeloop eenes waters door genoeghelijcke velden vlietende, of de Rijnstroom, of regenboogh beschreven worden. Maer nu geeft dit geen pas, en misschien kuntghe wel eenen cipressen boom malen. Wat beduit dit, zoo hy, die om gelt van u uitgeschildert wort, hopeloos de schipbreuk ontkome? Ghy hebt een groote kruick beginnen te draeien; waerom komt het op een klein potteken uit? Endelijck een yeder werckstuck zy slechts enckel, en eenwezigh. Wy, het meeste deel der poëten, ghy vader, en ghy jongelingen, die dien vader waerdigh zijt, worden door schijn [van waerheit] bedrogen. Ick trachte kort te zijn, en worde duister. Zenuwen en zin beswijcken dien, die lichte zaecken volght. Die groote dingen voor heeft, is opgeblazen. Die al te veiligh wil gaen, en voor onweder vreest, kruipt langs de aerde. Die dan een zelve zaeck zoo byster wil veranderen, doet eveneens of hy Dolfynen in den woude, en wilde zwijnen in zee schilderde. Die het gebreck vermijt, vervalt in het gebreck, zoo het hem aen de kunst ontbreecke. Een slecht beelthouwer, beneden het Emilische schermschool wonende, zal wel nagels uitbeelden, en het zachte hair in koper nabootsen, maer in het voltoien van het werk ongeluckigh zijn, om dat hy het geheel niet wel weet te stellen. Indien ick iet woude maecken, ’k zou dezen niet meer willen gelijcken, dan dat ick leven zoude, en gezien worden met eenen krom gebochelden neus, zwarte oogen, en zwart hair. Ghy die schrijven wilt, kies een stof, die met uwe maght overeenstemt; en legh te deeghe over wat uwe schouders draegen kunnen of niet: die dan een stof naer zijne maght gekozen heeft, dien zal welspreeckentheit nochte duidelijcke orden ontbreecken. Indien het my niet en mist, zoo zal hier in de deught en schoonheit des ordens bestaen, dat hy nu zegge het geen gezeit moet zijn, en veele dingen, die te zeggen zijn, uitstelle, en voor dien tijdt oversla. De heldendichter volge dit en vliede dat; omzichtigh en spaerzaem in zijne woorden. Het zal braef gezeit zijn, indien een geestige te zamenstellinge een nieu woort bekent maecke. Zoo het by geval noodigh zy der dingen geheimenissen door nieuwe tekens aen te wijzen, zultghe moeten nieuwe woorden verzieren, die de gegorde Cetegen noit hoorden; en het zal u vry staen, indienghe het slechts bescheidelijck doet: en de nieuwe en onlangs verzierde woorden zullen gangbaer worden, zooze, uit de Grieksche bron vloeiende, weinigh gebogen worden. Doch wat zal het Roomsche volck aen Cecilius en Plautus toestaen, het geenze in Virgijl en Varius niet en willen lijden? Waerom benijt men het my, indien ick eenige Latijnsche woorden kan vinden, naerdien Katoos en Ennius tong ’t lants tale verrijckt, en nieuwe namen der dingen voortgebrogt heeft? Het was en zal altijt geoorlooft zijn gelt van gangbare munte uit te geven. Gelijck de bosschen jaerlijcks hunne bladers veranderen, en de eerste afvallen, zoo vergaet oock de oude eeuw der woorden; en die onlangs opquamen, groeien en bloeien, gelijck de jeught. Wy en alle onze wercken zijn den ondergang onderworpen; het zy ’t lant de zee inruimende, de vlooten voor de Noordewinden beschut; dat een koningklijck werckstuck is: of dat een lang onvruchtbaar moerasch, en bequaem voor de galeien, de nabuurige steden voedt, en omgeploeght wort: het zy een vliet, eenen beteren wegh vindende, zijn kil, de vruchten nadeeligh, door kunst verleit hebbe; al dit en wat menschen gemaeckt hebben zal vergaen: hoe veel te min is de eere en levendige bevalligheit der woorden geduurzaem. Veele woorden, nu niet gangbaer, zullen in zwang komen, en die nu gangbaer zijn zullen slijten, indien het gebruick, waer by het gezagh, Recht en regel van spreken bestaet, dat zoo believe. Homeer heeft aengewezen met wat eene maete der Koningen en Vorsten daden en droevige oorlogen beschreven mogen worden. Voor eerst is de klaghte, in vaerzen met ongelijcke voeten gepaert, beschreven; daer na oock vrolijcke zaken, die naer wensch gingen. Wat dichter nochtans de nederige klaghten eerst uitgaf, daerom twisten de letterkunstenaers, en de zaeck hangt noch in ’t Recht. Een dolheit wapende Archilochus met jamben, gelijck eigen. Blyspelen en hooghdraevende treurspelen hebben dezen voet bequaem tot gespreck, en om ’t geraes des volcks te verdooven, en tot spelen geboren, aengenomen. De Zanggodin leerde met Lyrische vaerzen verhalen Goden en Godenkinders, en den kampvechter, en het paert, dat in den renstrijt triomfeerde, en der jongelingen bekommeringen, en vrye gelagen. Waerom geef ick my voor eenen poeet uit, zoo ick niet kan nochte weet alle deelen naer den eisch, en de veranderingen waer te nemen? Waerom wil ick, my t’onrecht schamende, liever niet weeten dan leeren? Een blyspel wil met geene treurvaerzen beschreven worden. Tyestes gastmael wil mede niet met slechte vaerzen, en die bykans den blyspele passen, verhaelt worden. Elcke zaeck, voegelijck uitgekozen, laet behoorlijcke plaets hebben naer zijne stof: En nochtans klinckt somtijts het blyspel deftigh; en de vergramde Chremes kijft met een’ verheven stijl; en de treurspeler klaegt veeltijts met gemeenenkout. Zullen Telef en Peleus, daerze beide arm en balling zijn, eenen hoop opgeblaze en trotse woorden uitworpen, indienze ’t hart des aenschouwers door hunne klaghten willen beroeren? Het is niet genoegh dat gedichten schoon zijn; laetze oock vriendelijck wezen, en ’t gemoedt des toehoorders voeren waerze willen. Het menschelijck aenzicht weet, gelijck het met den lachenden lacht, oock met den weenenden te weenen. Wiltghe hebben dat ick schreie, zoo moetghe zelf eerst schreien. O Telef, o Peleus, dan treffen my uwe ongelucken. Indienghe uw rol qualijck speelt, zoo zal ick slaepen, of u uitlachen. Droeve woorden passen een bedruckt aenzicht; den verbolgen, woorden vol dreigementen; den spelenden, dartele; den deftigen een ernstige reden: want Natuur geeft ons inwendigh eene ploy van allerhande fortuin. Zy verweckt ons tot blyschap, of gramschap; of zy benaut ons, en slaet ons door droefheit neder: daer na uitze de hartstoghten door de tong, ’s gemoedts tolck. De Ridderschap en het gemeene volck van Rome zullen lachen datze schateren, indien de woorden met des spreeckers staet niet overeenstemmen. Veel scheelt het of meesterof knecht spreeckt; of een bedaeght out man, of een die noch in de hitte zijner bloeiende jeught is; of eene vrou van staet, of eene naerstige voester; of een reizent koopman, of een ackerman; een Kolcher, of een Assyrier; een Tebaen, of Argiver, of de schrijver zal het gerucht volgen, of iet verzieren dat daer mede stemt. Indienge Achilles verheerlijcken wilt, bootzeer hem wacker, verbolgen, onverbiddelijck, straf: hy lochene dat hy onder de wetten sta: hy sta door zijne wapens naer alles. Medea zy wreet, en onverzetbaer; Ino bedruckt; Ixion trouweloos; Jö omzwervende; Orestes droef. Indienge wat ongemeens op het toonneel brengt, en ghy een nieuwe personaedje wilt ten toon stellen; die volharde ten einde toe, als hy van den beginne was, en zy altijt zich zelven gelijck. Zwaer valt het van gemeene zijne eige dingen te maecken. Beter zultghe van Troje doen spelen, dan ofghe onbekende en te vore noit gehoorde dingen aen den dagh zoudt brengen. Ghy mooght van gemeene stoffe wel uw eigen maecken, indienghe niet stip blijf staen op de slechte orden, die voor elck een open staet; en hen niet al te getrou, van woort tot woort, zoeckt te vertaelen; en als een navolger u in zulck eene engte begeeft, waer uit ghy u door schaemte en de wet des wercks niet zult kunnen redden; nochte ghy zult zoo beginnen gelijck eertijts die omlooper:
    Ick zal Priams fortuin, en eedlen oorlogh zingen.
Wat zou dees stoffer, ’t geen tot zoo groot eenen boha paste, voor den dagh kunnen brengen? Bergen willen baren, en daer koomt een belachelijck muisken voor den dagh. Hoe veel te beter dees, die niet ongerijmts voorneemt?
    Verhaelme, o Zanggodin, den man, vol listigheden,
    Die na den Troischen val zagh veeler lieden zeden,
    En zinlijckheen, en steên.
    Hy pooght niet roock uit glans, maer glans uit roock voort te brengen, om glimpelijk hier uit wonderen te laten spruiten; namelijck Antifaet en Scylle en Kyklops en Charybdis: en hy begint Diomedes wederkomste niet van Meleagers omkomen; nochte den Trojaenschen oorloogh van het paer aieren: altijt haest hy naer het einde, en verruckt den toehoorder tot het middenste zijner vertellinge; gelijck ofze bekent was; en laet na die dingen, waer van hy wanhoopt die cierlijck te kunnen uitbeelden; en liegt, en mengt waerheit en logen zoo onder een, dat het middenste van het eerste, en het laetste van het middenste niet verscheelt. Hoor ghy eens, hoe ick en het volck het hebben willen. Wiltghe dat de tapijten hangen blijven, en de toehoorder zitte, tot dat de speeler roept: klapt in de handen, zoo moetghe op de zeden van ieders oude letten, en elcks licht veranderlijcke natuur en jaeren hare eigenschappen byzetten. Het kint, dat nu spreecken kan, en alleen gaen, heeft eenen treck om met zijns gelijcken te spelen: wort gram, en lichtelijck gepaeit, en verandert alle oogenblicken. Endelijck d’ongebaerde jongeling, buiten meesters bedwang, is vermaeckt met paerden, en honden, en [een luchtige] oefenplaetse; zoo buighzaem als wasch tot ondeught; vyant van onderwijs; een traegh kenner van zijn oirbaer; een spilpenning, fier, begeerigh en wispelturigh van zinnen. De mannelijcke oude, en het gemoedt, van oeffeninge veranderende, tracht naer rijckdommen, vrientschap, en eere; wacht zich te begaen het geen haest moght berouwen. Veel ongeval komt den ouderdom over, om dat hy goedt zoeckt, en ellendig zich van ’t verkregen onthoudt, en vreest het te gebruicken: of om dat hy alles beschroomt en koeltjes bedient, een uitsteller, groot van hope, een suffer, en begeerigh naer het toekomende, korzel, moeielijck, een prijzer van zijnen voorleden tijt, toen hy een kint was, een bestraffer en bediller der minderjaerigen. De wassende jaren brengen veel gerijfs mede, de afneemende beneemen het. Op dat men een out man niet een jongmans rol late spelen, en een kint een mans rol, zoo moet men altijt blijven in de eigenschappen, die yeders oude passen: of de zaeck wort gespeelt, of vertelt op het toonneel, als geschiet wezende. Het gehoorde raeckt min het gemoedt dan ’t geene men met zijn oogen gezien heeft, en van den ziender zelf ingenomen wort: nochtans zultghe niet op het tooneel brengen het geen binnen behoort te geschieden; en veele zaecken zultghe voor den oogen verbergen, die flus van den tegenwoordigh spreeckenden vertelt zullen worden. Medea vermoorde hare kinders voor den volcke niet; nochte de schendige Atreus koocke het menschelijck ingewant niet in ’t openbaer: nochte Progne werde in vogel, Kadmus in eene slang verandert. Al watghe my zoo vertoont, dat haet ick, als een die het niet gelooft. Een spel, dat aengenaem zal zijn, en dickwils gespeelt worden, zij korter nochte langer dan vijf bedrijven: nochte mengt’er geenen Godt in, ’t en zy dat ’er een knoop t’ontwarren is: nochte daer spreecke geene vierde personadie. De Rey neeme den persoon eenes speelers waer, en zy deftigh, en mannelijck: en zinge niet midden onder de bedrijven het geen ter zaecke niet diene, en niet bequaem daer op passe. Hy begunstige den vromen, en rade de vrienden ten beste, en breidele de vergramden, en heb ze lief, die schuw voor gebreken zijn. Hy prijs korte maeltijden, heilzaeme rechtvaerdigheit, en den vrede met ope poorten. Hy bedecke ’t vertroude, en bidde, en smeecke de Goden dat het geluck den ellendigen zijn aenschijn biede, en den hoovaerdigen verlaete. De fluit was toen niet als nu met koper overtrocken, en geene nabootster der trompette, maer dun en enckel met weinige gaetjes, dienstigh om te blazen en de reien te helpen; en niet bequaem om de noch niet al te dicht bezette zitplaetsen met geluit te vervullen, daer het kuische zuinige en stemmige volck in zoo kleen een getal vergaderde, dat het telbaer was. Maer sedert het, als overwinner, begon lant te winnen, en den kreits der vesten wijder uit te dringen, en den geest op vierdagen onbestraft by dage met wijn te toeven; toen kregen vaerzen en gezangen meer vryheits. Want hoe zou de ruwe boer, van zijnen arbeit rustende, onder het stedevolck, en d’oneerlijcke met den eerlijcken gemengt, zich kunnen bestieren? Alzoo heeft de pijper gebaer en overdaet by de oude kunst gevoeght, en heene en weder zwierende zijn gewaet langs het toonneel gesleipt. Alzoo zijn oock de toonen met de deftige snaren aengegroeit, en de vloeiende welspreeckentheit heeft eene ongewoone tael voortgebrogt, en het nutkundigh voorstel, een voorspeller van toekomende zaecken, verscheelde niet van de Delfische Godspraeck. Die met treurzangen naer den prijs van eenen slechten bock stont, heeft korts daer na oock wilde Saters naeckt op het toonneel gebroght, en die eerst hart was heeft er, behoudens de deftigheit der treurspelen, boertery gezocht in te mengen; om dat de aenschouwer geoffert en wel gedroncken hebbende, en uitgelaten zijnde, en met aenlockingen en aengename nieuwigheit most opgehouden worden. Maer men moet de schimpers en kakelachtige Saters zoo op het toonneel brengen, en het ernstige met het boertige zoo mengen, dat niet, zoo wat Godt of helt, met koninglijck gout en purper uitgestreecken, eerst te voorschijn koome, geenen komenypraet spreke; of terwijl hy schuwt te gemeen te spreecken niet dan wint en roock voortbrenge. Het treurspel, dat geene slechte vaerzen uitworpen wil, zal schaemachtigh onder de dartele Saters verkeeren; gelijck een staetige vrou, die op feesten tot danssen gedrongen wort. O Pisones, indien ick schimpdichten wou schrijven, ’k zou niet alleen ongebloemde en oncierlijcke eige woorden gebruicken, nochte poogen zoo veel van de treurspelige deftigheit te verscheelen, dat ’er geen onderscheit zy of Davus spreecke; of de stoute Pytias, die Simon voor eenen talent gesnoten heeft; of Sileen, een dienaer en wachter van den alvoedenden Godt. Ick zal een schimpgedicht verzieren van bekende zaecken, dat ieder hoopt het zelfde te kunnen doen, en die het durf bestaen, daer over te veel zweete en te vergeefs arbeide. Zoo veel vermagh de ordre en de t’ zamenvoeging. Zoo veel luisters krijgen de gemeene dingen. De Faunen, uit den bosschen op het toonneel gebrogt, hoeden zich, mijns oordeels, datze door al te doorwrochte vaerzen nietdartel zijn, als ofze onder hovelingen en grooten verkeert hadden; nochte vuile of lasterlijcke woorden uitsmijten: want de Ridders, de treffelijcksten, en rijcksten stooten zich hier aen: en zy hooren niet gaerne, en prijzen niet het geen de gemeene man prijst. Een korte lettergreep voor een lange wort een jambes genoemt, een snelvoet; waer van de jambische vaerzen oock den naem van trimeter gekregen hebben, wanneerze zesvoetigh waren. Eerst waren de jambische vaerzen van begin tot het einde al eveneens; onlanghs hebbenze oock voegelijck kunnen lijden, dat ’er vaste spondeen tusschen zijn gevoeght; zulx datze uit de tweede of derde rustplaets niet gestooten werden, om wat langsamer en wat deftiger te klincken. In Attikus edele trimetren worden de jamben zelden gebruickt, in de tweede of vierde rustplaetsen; en het brantmerckt Ennius vaerzen, die met eenen grooten boha op het tooneel quamen, datze al te haestigh of achteloos, of zonder kennis van de kunst gemaeckt zijn. Alle oordeelaers zien de feilen der vaerzen niet, en de Romainen loopen’er al te ruigh over. Zal ick daerom in mijne dichten buiten het spoor loopen? of achten dat het my te vry staet en wel afgenomen [zal] worden van allen die mijne feilen zullen zien? Endelijck ick heb wel misslagen vermijt, maer geenen prijs behaelt. Doorsnuffelt ghy nacht en dagh de boecken der Griecken. Maer onze voorouders hebben Plautus vaerzen en boerteryen zeer geprezen; al te jammerlijck op dat ick niet zegge al te dwaes, zich over beide verwonderende; indien ick en ghy maer kunnen een onbeschoft van een geestigh woort onderscheiden, en een goet geluit, op onze vingers, en met den ooren oordeelen. Men zeit dat Tespis het onbekende slagh van treurspelen eerst gevonden, en op wagens gevoert hebbe die gedichten, welcke gezongen en gespeelt werden van personaedjen, wier aengezichten met wijnmoer bestreecken waren. Hier na heeft Eschilus, vinder van grijns en heerlijcke kleedinge, een toonneel van lichte balcken gebout, en hooghdravende leeren spreken, en op broozen treden. Na dezen is het oude blyspel met grooten lof opgekomen: maer de vryheit verviel tot misbruick, en tot een gewoonte diemen met wetten toomen most. De wet is aengenomen, en de Rey wert stom door verbodt van schimpen. Onze Latijnsche poëten, die treur- en blyspelen dichten, hebben niets onbezocht gelaten, en geenen kleenen prijs behaelt, om datze de voetstappen der Griecken dorsten verlaten, en hunne eige daden verheffen: en Italie zoude niet maghtiger door zijne dapperheit en befaemde wapens worden, als door zijne welspreeckentheit, indien den poëten het vylen en beschaven van hun werck, en het wachten van uitgeven niet verdroot. Ghy lieden van Pompiliaenschen bloede berispt de vaerzen, die niet lange onder handen en veel verbetert en tienmael uitgeschrabt zijn geweest. Om dat Demokrijt gevoelde dat het vernuft meer vermoght dan de arme kunst, daerom heeft hy de wijze poëten buiten den Helikon gesloten. Zommige dichters willen hunne nagels niet korten, nochte den baert laeten scheeren. Zy zijn altijt eenzaem, en schuwen de badtstoven; want zy zullen den titel en naem van poeet krijgen, indienze noit het hooft, ’t welck met geen nieskruit van drie Anticiren te genezen was, van Licijn hebben laeten scheeren: en ick ben dwaes, die mijne gal in de lente zuivere; niemant zou anders beter vaerzen dichten: maer dit is my de pijn niet waert. Ick zelf, niet snedigh zijnde, zal dan een wetsteen verstrecken, die het yzer kan scherpen. Niet schrijvende, zal ick nochtans zeggen watze behooren te doen, die schrijven willen: waer door men geest krijge: wat eenen poeet aenqueecke, en onderwijze: wat betame of niet: waer schoonheit en gebreck in besta. Wijs wezen is de bron en oirsprong van het schrijven. Filosoofsche boecken kunnen u stof leveren, en de woorden zullen de zaeck van zelf volgen, by eenen die geleert heeft wat hy den vaderlande en vrienden schuldigh zy; met wat liefde hy zijne ouders, broeder en huiswaert moet beminnen; wat eenes Raedsheeren en Rechters ampt zy; wat eenes veltheeren plicht in den oorloog vereische. Zulck een weet voorwaer elck persoon naer behooren te doen spreecken. Ick wil dat hy, die kunstelijck wil nabootsen, lette op het voorbeelt van leven en zeden, en daer van de tael ontleene. Zomtijts zal een onaerdigh spel, schoon van spreucken, en wel uitgebeelt, en zonder kunst en geest, het volck meer vermaecken, en langer ophouden dan vaerzen zonder wijsheit en ratelende grollen. De Zanggodin bestelde den Griecken, nergens naer staende dan na eere, vernuft, en een deftige uitspraeck. De Roomsche jeught leert met lange redenen een geheel in hondert verdeelen. Laet Albijns zoon zeggen, indien een van vijf genomen is, wat’er overschiet? Vier. Ja ghy zult uw goedt wel kunnen bewaren. Doet een by vijf, wat koomter uit? Zes. Wanneer gelt en goetzucht het hart eens ingenomen heeft, meenenwe dat’er onsterfelijcke vaerzen zullen kunnen gedicht worden. De poeten willen nut of vermaeck toebrengen; of te gelijck nutte en genoegelijcke dingen zeggen. Al watghe voorschrijft weest daer kort in, op dat leerzame zinnen haest begrijpen het geen gezeit wort, en dat getrouwelijck onthouden. Al wat overtolligh is, vloeit uit een volle borst. Laet het verzierde om ’t vermaeck bykans geloofwaerdigh wezen; en de fabel juist, in al watze wil, geene waerheit schijnen; en het verslonden kint niet weder levendigh uit Lamiaes buick trecken. De Raetsheeren walgen van vruchtelooze dingen. De Roomsche jonge Ridders versmaeden harde poëzy. Wie den oirbaer met het genoegelijck mengelt, den lezer vermaeckende, en te gelijck onderwijzende, die heeft het rechte wit getroffen. Dit boeck wil aen den man: dit gaet over zee, en reckt de faem des vermaerden schrijvers. Nochtans vint men feilen die men over ’t hooft moet zien: want altijt klinckt de snaer niet zoo als het hant en gehoor hebben willen; en dickwils schreeuwtze te fijn, wanneermenze grof hebben wil: en men treft niet juist altijt het wit, daermen met den boogh naer mickt: maer waer het meestedeel van een gedicht uitsteeckt, daer zal ick my aen weinige feilen niet stooten, die uit geen verzuim spruiten, of die men van nature niet verhoeden kon. Wat dan? Gelijck een letterzetter, zoo hy altijt in het zelfde mist, hoewel hy berispt is, niet kan verschoont worden; en een cyterspeeler bespot wort, die altijt op eene zelvige snaere mist; zoo acht ick hem die dickwils mist, en hy wort Cheriles gelijck; over wien ick mij al lachende verwonder, wanneer hy twee of driemael een goet vaers dicht; en my jammert, wanneer de goede Homeer eenen misslagh begaet. Maer in een lang werck kan men zich lichtelijck vergrijpen. Poëzy moet wezen als schildery, van dewelcke eenige u meer vermaecken zal, indienge dichte bystaet, en andere zooghe van verre staet: deze wil in het doncker staen; de andere, die het scherp oordeel des kenners niet vreest, wil in ’t licht gezien wezen: deze wil maer eens aenschout, de andere tienmael met lust gezien worden. Hoewel ghy, o outste broeder, van uwen vader terecht gestuurt wort, en van u zelven wijs genoegh zijt, zoo onthout nochtans dit: dat zekre dingen eenen middelwegh hebben, en iet daer in te verdragen is. Een tamelijck rechtsgeleerde en woorthouder verscheelt wel van den welspreeckenden Messala, en weet zoo veel niet als Aulus Kascel; maer evenwel houtmen iet van hem. Middelmatigh in Poëzy te zijn laeten Goden, nochte menschen, nochte schouburgen toe. Gelijck een ontstelde muzijck, op groote maeltijden, dicke balssem, en mankop met Sardischen honingh, onaengenaem zijn; om dat men wel zonder die maeltijt houden kan; zoo wort oock de Poëzy, die om het hart te verquicken opgekomen en gevonden is, indienze een weinigh van de volmaecktheit afwijcke, gansch niet geacht. Die niet kan speelen, onthoude zich van kampvechten; die op den bal, worp en tolspel niet is afgericht, houde zijn rust, op dat de menighte der toezienderen hem niet met reden uitlachen. Die geen verstant van dichten heeft, wil evenwel vaerzen maecken. Waerom niet? Ick ben een vrye en welgebooren, byzonder daermen my schattende bevint dat ick Ridders goet hebbe, en niemant wat op my te zeggen heeft. Hebtge natuur niet te baet, onderwint u niet te zeggen nochte te dichten. Ghy hebt het oordeel wel, en de voorzichtigheit. Indienghe nochtans voor dezen iet geschreven hebt, laet Metius uw vader en ick dat hooren, en daer van oordeelen, en hou u schriften negen jaren by u t’huis. Wat niet uitgegeven is kan men t’elckens uitschrabben. Een eens gesproken woort wil niet weder te rugge. De heilige Orfeus, der Goden tolck, heeft de woeste menschen van moort en het goddelooze leven afgeschrickt; hierom zeit men dat hy tigers en verslindende leeuwen temde; en Amfion, de bouwer van het Tebaensche slot, de steenen met zijn luitspel en vleiende gebeden leide, waer hy wilde. Dit was de wijsheit van outs, het gemeen van ’t eigen, het heilige van ’t onheilige te scheiden: te beletten dat men zonder onderscheit niet by elckanderen sliep: huwelijcksregels voor te schrijven: steden te bouwen: wetten in te stellen. Aldus zijn de heilige poëten en vaerzen aen naem en faem geraeckt. Hier na hebben de treffelijcksten, Homeer, en Tyrteus, de manhaftige harten met hunne vaerzen ten oorloogh aengestoockt. De orakels zijn door vaerzen uitgesproken, en zoo is de wegh des levens aengewezen: der Koningen gunst is door dichtmaet verkregen: de tooneelspelen gevonden, en de rest des langen arbeits gevonden; opdatghe u immers der Zanggodinne, op de lier uitgeleert, en om Apolloos gezangen niet behoeft te schamen. Men heeft onderzocht, of men door natuur of door kunst een goet vaers dicht. Ick zie niet wat voordeel het staen naer de kunst, zonder eene rijcke ader, inbrenge; nochte oock niet wat nut een ongeslepen vernuft bare. Het een behoeft des anders hulp, en zy passen wel te zamen. Wie tot zijn voorneemen wil komen, moet in zijne jongkheit veel lijden, en doen; veele hitte en koude uitstaen; van wijn en minnespel zich onthouden. Die, in Pytische spelen, op de fluit speelde, leerde eerst, en ontzagh zijnen meester. Nu is het genoegh datmen zegge: ick dichte wonderlijcke gedichten: de kramp vaer hem in zijne knie, die de leste is: ick achte het schande achter te blijven, en te bekennen dat ick, het geen ick niet geleert hebbe, niet wete. Gelijck de stadts roeper de lieden om iet te koopen te zamen roept, zoo doet de poeet, die lantrijck is, en veel gelts op woecker zet, de vleiers tot het gewin loopen. Is het een die iemant wel toeven, en voor den lichtbewogen armen hals borgh blijven kan, en hem uit een verwert pleit red den, het zal my wonder geven, zoo die zalige man eenen logenachtigen, uit eenen waren vrient kan onderkennen. Ghy, het zy ghy iemant wat gegeven hebt, of geven wilt, laet die, vol van vreugt, tot uwe gedichte vaerzen niet gebrogt worden; want hy zal schreeuwen: schoon, fraey, braef: hy zal’er om besterven, oock tranen uit zijne oogen storten: hy zal opspringen, met zijne voeten op de aerde stampen; gelijck die gehuurt zijn om het lijck te beschreien, meer misbaers bedrijven dan de van harte bedroefden; alzoo ontstelt zich de schimper meer dan de waerachtige prijzer. Men zeit dat de Koningen met veel wijns opvullen, en tot drincken parssen dienze willen doorgronden of hy hunne vriendschap waerdigh zy. Wiltghe vaerzen dichten, laet u met geen vossenvel bedriegen. Wanneerghe iet voor Quinctilius laest, zoo sprack hy: ay, lieve, verbeter dat en dat: indienghe zeide datghe niet beter kont, en te vergeefs twee of driemael onderzocht had; dan beval hy het uit te wisschen, en de qualijck gedichte vaerzen te hersmeden. Indienghe uw gebreck liever woudt voorstaen dan verbeteren, zoo sprack hy niet een woort meer, of dede geene verlore moeite, op datghe te min u en uwe vaerzen zonder naeryveraer alleen zoudt liefkoozen. Een goet en voorzichtigh man zal kunstelooze vaerzen berispen, de harde bestraffen, de oncierlijcke doorhalen, al te overdadige cieraden besnoeien: die niet helder genoegh zijn, zal hy eenen luister geven: het twijfelachtige wraecken: en het geen verandering eischt aenwijzen. Een Aristarchus zal hy worden, en niet zeggen: waerom zal ik mijnen vrient om beuzelingen versteuren? Deze beuzelingen zullen den eenmael beschimpten en qualijck onthaelden tot groote gebreken vervoeren. Wijze lieden ontzien eenen dwazen poeet te genaecken, en vlieden voor hem, als van eenen, die met schurft of geluwe, of zinneloosheit, of bezetenheit geplaeght wort. De jongers jagen hem, en neskebollen volgen van achter. Dees, terwijl hy hooghdravende vaerzen uitrispt, en dwaelt, valt, gelijck een vogelaer, die op merlen gaept, in put of graft. Hoewel hy lange schreeut: helpt burgers helpt! niemant wil hem uithelpen. Indien iemant hem wil helpen, en een tou nederlaten, ick zal zeggen: wat weetghe of hy al willens hier ingesprongen is, en geholpen wil wezen? en ick zal u het omkomen des Siciliaenschen poeets vertellen. Terwijl Empedokles, voor eenen onsterflijcken Godt, wil gehouden wezen, springt hy al kout in den brandenden Etna. Laet de poëten, lust het hun, sterven, en bederven. Wie iemant tegens zijnen danck behoudt, doet zoo veel of hy hem doot sloegh; en hy heeft het meer als eens gedaen: en of hy al uitgetrocken waer, hy zal evenwel geen mensch weder worden, en de liefde eener schandelijcke doot niet afleggen: en het blijckt niet genoegh waerom hy vaerzen dicht: of hy in zijn vaders asschen gepist heeft: of hy bloetschendig eene bezoedelde plaets, van den blixem getroffen, omgewroet heeft. Zeker hy raest, en de moeielijcke opzegger van zijne vaerzen verjaegt geleerden en ongeleerden; gelijck de beer, die de tralien van zijn kot gebroken heeft: maer dien hy by de slippen krijgt, houdt hy, en vermoort hem met lezen, en als een bloetzuiger, laet het vel niet los, voor dat hy droncken van den bloede is.

                                            EINDE.


AMSTELODAMI,
________________________

Impressit CHRISTOPHORUS CUNRADUS,
Typographus in fossà vulgò dictâ de Negelan-
tiers-gracht, Anno 1654.

Continue
Henrick Bruno: Epode 2 en Ode 3:9
In: Ovidii wapen-twist van Ajax en Ulysses. Hoorn, Isaac vander Beeck en Gerbrant Martenz. 1659. UBL 1198 H 24 : 2
Idem: Latijnse parodie op Ode 3:9; Epode 16 en Ode 2:17
In: Henrick Bruno: Mengel-moes. Eerste deel. Leiden 1666.
UBL 1200 F 10

OVIDII
WAPEN-TWIST
VAN
Ajax en Ulysses,
En veranderingh van Ajax bloedt in
een Hyacinth.

Vertalinghe van Horatii Epodôn,
Tweede Epodos,
Beatus ille qui procul negotiis.
t’Samen-spraeck tusschen
HORATIUS en LYDIA,
Over-geset en na-gevolght uyt, Donec gratus
eram tibi.
In Nederduytsche Rijm vertaelt door Henrick
Bruno, Conrector der Latijnsche schole tot Hoorn.
[Vignet: fleuron]
Tot Hoorn,
________________________
Gedruckt voor Isaac vander Beeck en Ger-
brant Martensz. Boeck-verkoopers. In
Compagnie. Anno 1659



[p. 24-27, tweetalige tekst; de vertaling is opnieuw afgedrukt in Mengel-moes, p. 38-40]
[p. 25]

Lof van ’t Landt-leven,
uyt Horatius Epod. 2.

GEluckigh is hy, die verr’ van bekommernissen,
    (Gelijckerwijs het volck van d’eerste wereldt was)
Met eygen’ ossen ploeght, op Vaderlicke landen,
    En die vry van de schuldt en alle woecker leeft.
(5) Noch door de Moordt-trompet, als de Soldaet, geweckt wert,
    Die oock geen schrick en heeft voor de verstoorde zee;
Die ’t op-geblasen hof, en die het vier-schaers twisten,
    En d’hooghe poorten van de rijcke fockers schuwdt,
Die daerom dan of aen vol-wasse wijn-gaerdts rancken
    (10) De hooghe Populier huwdt en te samen hecht,
En rancken, die onnut sijn, met sijn mes af-snoeyend’,
    Vruchtbaerder enten in der selfder plaetse steldt;
Of, leggend’ in een laegh’ en bochtighe valleye,
    Sijn loeyend’ koeyen-vee van verre dwalen ziet,
(15) Of in ene zuyv’re kruyck giet hoonigh uyt de korven,
    Of scheerdt de schaepjes, die onsterck, swack, teder zijn,
Of als de herfst sijn hoofdt, gekroondt met rijpe vruchten,
    Heeft op het cierlickst’ langhs den acker op-gebeurt,
Hoe bly is hy, door sijn ge-ente peeren plucken!
    Door’t plucken van de druyf, die selfs het purper tart
Waermede hy u, o Priaep, en u, o Vader
    Sylvaen, beschermer van sijn huys en hoef, beschenckt
Nu lust ’t hem onder d’oud’ Gal-nooten boom te legghen,
    En dan eens in het tay’ aen d’aerde klevend’ gras,
De waet’ren onderwijl gaen van de bergen schieten,
    En van de vogels werdt in ’t bosch getiereliert,
En daer is brons-geruysch, door ’t vlieten van de beecken,
    Op dat hy daer door in ’t gemack’lijck slaepen vall’.
Maer als het winter-jaer van Jupiter met dond’ren
    Plas-regen neder-stort, en ’t velt met sneeuw bedeckt,
Dan jaeght hy hier en daer de felle wilde swijnen,
    Met veele honden, met het uyt-gespannen net,
Of hanght aen stockjes hier en daer de vogel-stricken,
    Opdat hy lijsters, die verhongert syn bedriegh.
Of vanght een blooden haes, of over-zeesche kranen
    In stricken, ’t welck hem is genoeglijck arbeyts loon.
[p. 27]
Wie isser doch, die hier niet in en soud’ vergeten
    De boose sorge, die de Min in sich begrijpt?
Soo dan een kuysche vrouw ten deel te hulpe kome
    Aen ’t huys, aen ’t zoete kroost van kind’ren gaede slae,
(Gelijck als een Sabijnsch, of van de sonn’ verbrande
    Vrouw van de Apulier, die wacker is ter been)
En den gewijden-haert bestoockt met oude houten
    Een weynigh voor de komst van haer vermoeyde man,
En sluytend’ ’t vroolijck vee met saem-gevlochte horden
    De uyers uyt-melckt die van melck gespannen staen,
En tappende de most van ’t jaer uyt soete vaeten,
    De spijsen toebereydt, die niet en zijn gecocht,
Soo souden wy niet meer Lucrijnsche oesters smaecken,
    Noch oock de tarrbot, noch de kostelijcke scharr,
Soo ’t onweêr, donder, end’ op d’Oosterlantsche baeren,
    Die by geval van daer op dese zee verdreef.
Geen Africaens Phasant en soudt soo wel my monden.
    Noch ick hebb’ meer smaecks in d’Jönische patrijs,
Dan in d’olijven, van de tacken uytgelesen
    Die aen de boomen van de aldervetste zijn
Of lieflijck men wel-cruydt, dat geern groeyt inde beemden,
    En maluwe, die is gesont voor ’t siecklijck lijf.
Of ’t lam, ’t welck is op ’t feest des Acker-godts geslagen,
    Of ’t bockje, ’t welck de wolf is uyt sijn keel ont-jaegt,
O hoe genoeghlijck is ’t in dese leckernijen
    Te zien hoe ’t satte schap zich spoeden gaet nae huys,
Te zien, hoe d’ossen, die vermoeyt syn, d’omgekeerde
    Ploeg sleepen, met haer moê end’ afgesloofden hals:
En slaeven, als een swerm, in rijckerluyden huysen,
    Te zien rontom het vier en wel-gestoockten haert.
Als Alphius dit hadd’, die woeckeraer, gesproocken,
    Die ’t scheen, als of hy strackx een lantman wilde zijn,
Heeft hy ter halver maent sijn gelt heel ingetrocken,
    Om ’t uyt te setten op d’eerst’ van de nieuwe maend.



Ode 3,9 in: Wapen-twist p. 28-29, tweetalige tekst.
[p. 29]

t’Samen-spraeck tusschen Ho-
ratius en Lydia, van hare vorige Liefde,
en van de vernieuwinge der selve.


Over-geset uyt Ode ix. Carm: 3. Boek.

HORATIUS.
SOo langh ick by stondt in ’sherten witste bladt,
En ghy geen liever Heer, dan my, uw’ dienaer, hadt,
Die om uw’ blancke hals sijn lippen quam ververssen,
Koos ick voor yeder kuss’ gene Koningh-rijk van Perssen.
LYDIA.
Soo langh uw koude vier niet door een heeter brandt
Verdooft was, en uw hert geen liever Vrouw in ’t landt
Aen-badt, noch Lydia nost achter Chlöe wijcken,
Had Ilia geen glants, by mijne te gelijcken.
HORATIUS.
Nu is mijn Chöe-lief mijns herten Coningin,
Haer’ held’re Keel, en Lier voedt mijn oprechte min,
Voor welck’ ick willigh waer mijn leden op te geven,
Soo haer’ tijdt reck’lick waer, door ’t krimpen van mijn leven.
LYDIA.
Ick brand’ in weder-min met Calaïs, de Soon
Van Ornithus; sijn’ naem spandt by mijn ziel’ de kroon,
Die Calaïs, voor wien ick dubbeldt wilde sterven,
Indien hy door mijn doodt kon dubbeldt leven erven.
HORATIUS.
Hey! ofmen weder quam tot d’oude Venus-brandt,
Die ons verdeelde twee leyd’ aen metale bandt?
Of ick die geele Meer, die Choë, wêer liet loopen,
En deedt voor Lydia mijn minne-deur weer open?
LYDIA.
Schoon hy veel schooner is, dan de gepruyckte Son
Gy lichter, dan een pluym, of windtje wesen kon,
En korsseler van kop, dan wilde, woeste baren,
Wil ick noch geern met u mijn doodt, mijn leven paren.

Amantium irae, amoris integratio est. Ter. And.


[Mengel-moes, p. 36]

Dialogi inter Horatium & Lydiam
Parodia.

                Bruno ad Hofferum.
DOnec gratus ero tibi,
    Nec quicquam potior pectore candido
Candoris genium colet,
    Cunctis laetus ero sorte beatior.
              Hofferus ad Brunonem.
(5) Donec non alium magis
    Ardebis, neque erunt nomina prae meo,
Quae, Bruno, propius coles,
    Affectu faciam perpete mutuum.
                        Bruno.
Me dum mens melior reget,
    (10) Dotis docta tuas, & menti sciens,
Pro te bis cupiam, Roche,
    Si parcat capiti Parca tuo, mori.
                        Hofferus.
Me terret face mutua
    Bruno, dimidium: pars melior mei;
(15) Pro quo bis cupiam mori,
    Si servent juvenem fata superstitem.
                        Bruno.
Sic nos prisca animet fides,
    Conjunctosque jugo servet aheneo,
[p. 37]
Si nunquam (en manus, en fides)
    (20) Discordi pateat janua jurgio.
                        Hofferus.
Quanquam non opus est loqui,
    Cum res lingua sibi, testis, & arrha sit,
Hoc dicam tamen unicum,
    Tecum vivere amem, tecum obeam libens.



[Mengel-moes, p. 67]

Over-geset uyt Horatii Epodôn lib. Od. 16.
Altera jam teritur, &c.

Met burger-krijgh gaet men den tweeden eeuw verteeren,
    En Roomen valt nu door sijn’ eygen macht in ’t sandt,
’t Welck noch ’t nae-buurigh volck der Marssen kon verheeren,
    Noch ’t dreygen van Porseen met sijn Toskaensche handt.
(5) Het welck noch Capua, noch Spartacus kon dwinghen,
    Noch den Savoyaerdt, door nieuws-gierigheydt niet trouw.
[p. 68]
Noch ’t wreede Duyts-landt, met blaeuw-ooghde Jongelingen,
    Noch Annibal wel eer vervloeckt van man en vrouw.
Wy boose sullen ’t, als ter doodt geswoor’n, verslinden,
    (10) En ’t wildt sal weder hier in sijn besittingh gaen.
Ah! de Barbaer sal staen of d’ass; zich meester vinden.
    Den ruyter sal de stadt door het hoef-yser slaen.
En sal (ô schandts-gezicht) Quirijns ass doen verdwijnen,
    (Die windt noch son en heeft) heel buyten sijn’ gewoont.
(15) Maghschen soeckt gy, best deel, of all’, diekomt verschijnen,
    Een eynde van d’ellend’, die burger-krijgh betoondt.
Geen beter raedt dan dees’. gelijck het puyck der Steden
    Marseille, met een vloeck wegh-vluchtende, liet zijn
Haer landt, haer eygen huys, en ’t huys der Godtlickheden
    (20) Voor ’t grijpen van de wolf, en voor het wilde swijn.
Al daer ’t pad wijst, te gaen, al waer ons door de baeren
    Den een of and’ren windt van hier dan voeren sal.
Is het soo wel, of kan men beter raedt verklaren?
    Wat wachten wy te scheep te gaen op ’t goedt geval?
(25) Maer laet ons sweeren, dat, als steenen uyt zees gronden
    Zijn sullen op-gelicht, men weder keeren magh,
En wenden ’t zeyl nae huys; wanner sal zijn bevonden,
    Dat oyt de Po Matijns top spoeldt door waeter-slagh.
Of dat den Apennin sy in de zee gedreven,
    (30) En on-gehoorde min de monsters t’saemen voeghdt;
Soo dat den tyger sich wil onder ’t hert begeven,
    En ’t duyfje, paerend’ met de meeuw, is ver-genoeght.
Noch dat het groove vee sal voor de leeuwen vreesen,
    En dat de bladde bock de zee beminnen sal.
(35) Dit, en al ’s geen kan tot weêr-keers af-snijdingh wesen,
    Eerst hebbende geswoor’n, laet ons gaen heel en al.
Of gaet, die beter zijt, dan ’t bot volck; die wan-trouwen,
    Wensch ick altijdt te zijn op ’t on-spoedts ledekant.
Gy, dappere, leght af de rouw-klacht van de vrouwen;
    (40) Set ’t zeyl op, en gaet vlieght langhs het Toscaensche strandt.
[p. 69]
Zee-kruyssen moeten wy. laet ons nae ’t landt vol zegen,
    En eylanden, vol van geluck eens heenen gaen,
Daer jaerlicks sonder ploegh het kooren werdt gekregen
    Daer men de wijngaert ziet groen sonder snoeyen staen.
(45) En daer d’olijf-tack groeydt, die noyt sal schuldigh bhjven,
    En daer de rijpe vijgh verçierdt sijn landt-aerdts boom;
Daer booms-vloedt hoonigh geeft; daer uyt de bergen drijven
    De waet’ren met geruys van lieffelijcke stroom.
De geytjes koomen daer van selfs om melck te geven;
    (50) De lieve cudde brenght gespannen uyers t’huys,
Daer zijn geen beeren, die de schaepen staen nae ’t leven,
    Noch d’aerde sweldt daer op, door ’t adderen gespuys.
Meer wonders salmen zien, hoe dat met ooste-winden
    ’t Landt tot af-spoelingh niet door regen-plassen raeckt.
(55) Noch dat daer brandt sal kluyt en ’t drooge zaet verslinden,
    Om de gemaetigtheyt, van Jupiter gemaeckt.
Het Argonauten schip is dit niet heen gekoomen,
    Medea, Colchis hoer en quam hier noyt ontrent,
En Cadmus wende noyt sijn schip nae dese stroomen,
    (60) Noch oock Ulysses, met sijn suckelende bend’,
’t Vee werdt hier niet besmet, en geen gesterntes schooten
    Verzenghen hier de cudd’, door felle warmtes kracht.
Voor vroome heeft Jupijn die stranden afgeslooten,
    Toen hy dien gulden eeuw ten koopren heeft gebracht.
(65) Eerst gaf hy koop’ren tijdt; toen tijdt van ys’re lieden.
    Elck vroome man kan die door mijne raedt ont-vlieden.


Uyt Horatii Ode 17. lib. 2.
Ad Moecenatem.
Cur me querelis, &c.

By gelegentheyt van d’Heer R. HOFFERS
sieckte.

WAerom ontzieldt en doodt gy my doch, door uw klaeghen
[p. 70]
’t Is noch my lief, noch ’t is der Gooden wel-behaegen;
Dat gy, Moecenas, eer dan ick, de aerd’ verlaet.
O groote luyster en stut van mijn’ saecken staet.
Oh! mijns ziels deel, soo u eer Parquen over-vielen,
Dan my, waer bleef ick dan met ’t tweede deel der zielen?
Ick soud’ mijn selfs niet soo beminnen, en niet heel
Zijn ooverigh; dien dagh sal trecken deel en deel,
Door laetste t’saemen reys, (ick hebb’ niet valsch geswooren)
Die sullen, sullen wy gaen, schoon gy gaet te vooren.
Noch ’t vier, geblaesen uyt Chimeers drie-dubb’le mondt,
Noch, soo dien honderdt-handt, dien Gyges weêr op stondt,
Sal d’een of d’ander my af-trecken van die zinnen.
Dit is het machtigh rechts wil, en der Schick-goddinnen.
’t Sy my de weegh-schael, of de scorpioen bestraeldt,
Daer aen ’t geweldigst’ deel van mijn’ geboort’-dag paeldt,
’t Sy dat de steen-bock de Tyran van d’Hespers landen,
My komt met regen en met waeter-plas aenranden;
Soo is ’t, dat uw’ sterr’ en mijn’ on-gelovelijck
Eens zijn; beschermingh van Jupijn deedt daer van blijck,
Door sijn beschut en glans; toen hy heeft wegh-gedreven
Saturni sterren kracht, die u stondt na het leven.
’t Snell’ noot-lot hieldt hy op; Hy heeft uw doodt gestuyt,
My had een boom, op t hoofdt gevallen, wegh-genoomen,
Indien dat Faunus my niet waer te hulp gekoomen,
Af-keerende de slagh met sijne rechter-handt;
Die Fanus, die beschut de mannen van verstandt.
Wildt, off’ren en beloft’ van tempels bouwen achten,
Wy sullen, kleyn van Staet, het kleyne Lamtje slachten.

Continue
J. van Someren in Uyt-spanning der vernuften. Nijmegen, Nicolaes van Hervelt, 1660.
Gebruikt exemplaar: UBL 1206 A 3.



[p. 276]

Het tweede gezangh

VAN

HORATIUS TOE-ZANGEN,

Beginnende:

Beatus ille qui procul negotiis.

GEluckigh is de man te noemen,
Die verr’ van alle handelingh,
Gelijck’t in d’eerste Werelt gingh,
Op ’s Vaders ackers sich mach roemen,
(5) En die met eygen Ossen ploeght,
Wiens hert van woecker niet en wroeght,
Die niet wert uyt zijn rust getógen,
Gelijck het gaet een soldenier,
Noch vreest (hoe seer de baren vlógen)
(10 Voor moort-trompet een zee-getier.
    Die voor geen vyer-schaer hoeft te schricken,
Noch voor geen rijck-mans hooge poort,
Maer die zijn boomtjes fockte voort,
En bind met groen gevlochte stricken
(15) Den wijngaerd aen den Populier,
Alst snoey-mes snijt een ranck int vyer,
En weet een beter end te vinden,
Die’t oude ranckje leven doet,
[p. 277]
Terwyl het Koeytje by de Linden
(20) Int dal van verre dwalen moet;
    Of stort den versch-gepijnden honingh,
In suyv’re kruycken op en neer,
Ontwolt het schaepje met een scheer,
Of dat syn selfs geboude wooningh
(25) Met schoone app’len staet verçiert,
En druyf, die naer het purper swiert,
En peeren van syn ent gewassen,
Daer hy u Vaders van den Hof,
Priaap, Silvaen komt mé verrassen,
(30) Wanneer hy seyd: haer komt de lof.
    Nu lust het hem onder d’oude bomen,
Waer op de gal-noot staet en bloeyt,
Terwijl het weeligh graesje groeyt,
Langh uytgestreckt te leggen dromen,
(35) Daer ’t water uyt de klippen schiet,
En ’t ruysend beeckje henen vliet,
De vogels rondom tierelieren,
Waer door hy verder raeckt in rust,
Terwijl die om hem henen swieren,
(40) Soo wert hy vast in slaep gesust.
    Indien Iupijn zijn hagel-buyen
Met stage regen neder-stort,
De winter-tyt, het daeghje kort,
Noch schrickt hy voor geen we’er uyt Zuyen,
[p. 278]
(45) Dan jaeght hy met den hondt het Swijn,
Of Lijster met een qualster-lijn,
Of weet een blooden Haes te vangen,
Of licht een overzeesche Meeuw,
Die in syn strick valt half gehangen,
(50) Dus loont syn arbeyd oock de sneeuw.
    Wie sou geen wulpse sorgh vergeten,
Wanneer hy doelde op de min
Van een oprechte Bed-vrundin,
G’lijck in Sabinie syn geseten;
(55) Of g’lijck als Appul teelden voort,
Schoon van de Son wat swart gemoort,
Die huys en Kind’ren wist te hoeden,
En droogh hout op den haert-steen spreyd,
Wanneeer s’haer mans komst gaet vermoeden,
(60) En vrundlijck in haer armen leyd.
    Die’t vrolijck vee dan in de horden,
Waer meed het af-gescheyden staet,
Met eyge handen melcken gaet,
En leck’re most niet suur geworden,
(65) Wt versche vaten vlieten doet,
En spijs neemt op haer werf gebroet:
Lucrynsche Oesters, Bot, noch Schollen,
Noch Scharren, schoon de Zee die sond,
Noch geen Faisand souw my soo bollen,
(70) Noch smaken aen myn grage mond.
[p. 279]
    Geen Kallekoen souw beter smaken,
Schoon uyt Ioonie hier gevoert,
Dan een Olyf niet aengeroert,
Oft kruyd dat beemden kan vermaken,
(75) Of Maluw voor de krancken goet,
Oft Lam voor d’Acker-godt gebroet,
Oft Bockje noch de Wolf ontsprongen.
Wat ist een wonderlijcke schat
Te sien de Schapen met haer Iongen,
(80) Naer huys gevoerdt van grasen zat.
    En dat den Os vermoeyt gedreven,
Noch sleept de omgekeerde ploegh,
Terwyl hy naer zyn aessem joegh,
En dat de Knechten rustich leven
(85) Rondom het vuur, ontrent den haerd,
’t Recht teken van een rijcke Waerd.
Naer Alphius dit had gesproken,
Soo scheen het dat hy bouwen wouw;
Maer doen syn woecker was gebroken,
(90) Soo had hy haestighlijck berouw.



[p. 290]

Het thiende gezangh

VAN ’T EERSTE BOECK VAN HORATIUS,

AEN MERCUUR.

Beginnende:

Mercuri facunde nepos Atlantis.

O Atlas Neef! wel-sprekende Mercuur,
Die door u stem de welige natuur
Der eersten mensch, en door het worstel-vuur
        Wist te besnoeyen.
[p. 291]
(5) U blijft de lof, o! Iupijns afgezant,
En Goden, die de boert’ge diefte vant,
En die de Luyt op ronder-toonen-bant,
        Wist vast te boeyen.
Wanneer Apoll’ u met een hart gebaer,
(10) In d’eerste jeught quam dreygen met gevaer
Te quetzen, soo ghy niet zijn ossen daer,
        Deed’weder keeren.
Soo kittelt ghy syn longen dat hy lacht,
En hebt zijn toorn soo listelijck verkracht,
(15) Om dat hy sagh, door pijl en kokers macht,
        Sich niet te weeren.
Doen Priaem selfs tradt uyt zijn Ilium
Verraschten hy, door u beleyd, rondom,
De grootste Soons van Atreus* Vorstendom
        (20) En Thessals wachten.
Ghy leght de laegh aen ’svyandts leger-tent,
En werd bemint, waer dat ghy henen went,
Bewaert de ziel der vromen voor ellent
Door’t * roeytjes krachten.

* Tum virgam capit, has animas ille evocat orco
    Pallentes, alias sub tristia tartara mittit.
            Virg: 4. Aen:



[p. 292]

Het thiende gezangh

VAN’T TWEEDE BOECK VAN HORATIUS
GEZANGEN.

Beginnende:

Rectius vives LICINI,

GHy sult Licijn geruster zijn altoos,
Soo u gemoet niet ’t holste water koos,
Noch te vervaert voor buyen golveloos
        Den ouver naeckte.
(5) Wie dat de gulde matigheyt bemint,
Ontbeert gerust een hut vol stof en wint,
En sober derft een hof by veel besint,
        Daer d’hooghmoet blaeckte.
Den grooten Pijn wert van de wint verdruckt,
(10) De hooghste toorns met swaerder val verruckt,
En ’tspits gebercht zijn steyle punt misluckt
        Door blixems krachten.
Een wel-bereyd gemoet, dat hoopt in ramp
En vreest in weeld, kent voorspoet voor een damp
(15) En ydel lot, een uytgebrande lamp
        In duyst’re nachten,
Iupijn die schept een droeve winters-tijt,
Verdryft de kouw, als op een nieuw verblijt,
En schoon u hayl de Luck godin benijt
        (20) Stelt dat ter zijden.
[p. 293]
Somtijts soo weckt Apoll’ syn Zangh-godin,
En spant nict staegh zijn boogh en pesen in,
In tegenspoet hout kloeck u hert en sin,
        Leert voorspoet mijden.


Het negende gezangh

VAN’T DERDE BOECK VAN HORATIUS

AEN LYDIA.

HOR: SOo langh ick u in myne jeught beviel,
        En geen gezel u blancken hals mocht drucken,
        Noch sulcken schoonheyt plucken,
        Geen Perssen Vorst soo grooten schat behieL
LYD.    (5) Soo langh ghy niemant met u minne-gloet
        Ontfonckt had, en geen Lydia most wijcken,
        Daer Chloë in quam strijcken,
        En ruyld’ ick om geen ll’aes stacy-stoet.
HOR.    Die Chloë ist die my myn sinnen dwinght,
        (10) Voor wien ick niet sou schromen stracks te sterven,
        Mocht sy het leven erven,
        Wanneer sy op haer Cyter sit en singht.
LYD.    Wy blaken nu met Kaläis, de soon
        Van d’oud’ Ornit hier van Turin gekomen,
        (15) Voor wien ick niet sou schromen
        Een dobb’le doot, was ’tlevcn hem te loon.
HOR.    En of noch d’eerste min weer stont in brand,
        En onse zieltjens weer te samen voeghdc,
[p. 294]
        En ’toude veurtje ploeghde
        (20) ’tMetale juck dat ons te samen band.
            Dat Chloë noch most weerom buyten staen,
        En ’t* deurtje gingh voor Lydia weer open.
LYD.    Geen liefde souw ons sloopen
        Al blonck hy als ’tgedternt by de Maen;
            (25) En dat ghy waerd veel lichter dan de windt.
        En holden selfs gelijck de wilde baren,
        ’k Wouw liever met u paren,
        Ick stierf met u, wierd ick van u bemindt.


Het sevende gezangh

VAN’T VIERDE BOEK VAN HORATIUS
AEN TORQUATUS.

Beginnende:

Diffugere Nives.

DE snee gesmolten leyt, het velt kryght weder gras,
En ’tboomtje wert zijn loof soo groen alst immer was,
Verandert is de aerd’, en d’afgedaelde vlietcn,
Door keytjens en door ’tsandt, langhs d’oevcrs henen schieten,
(5) ’tBevallijckst (1) Meysje’, derft nu naeckt ten reye gaen
En leyden Nymfen beyd’ haer Susters lustigh aen,
Het jaer vermaent op geen ontsterflijckheyt te hopen,
En ’tuur dat henen slipt eer dat het schijnt aen’t loopen,
[p. 295]
Het Weste wintje heeft de felle kouw versacht,
(10) De Somer vlucht, soo haest als d’oof-tyt vruchten bracht
En dryft de Lente voort, en doet weer Winter groeyen,
De vlugge Maenden helpen echter scha verhoeyen,
Als wy syn neer-gedaelt, waer naer Aeneas vloor,
En rycke Tullus volght en Ancus, seyd de doot,
(15) Dat wy syn schim en stof, wie weet doch of de Coden,
Den dagh, die morgen komt, ons hebben aengeboden,
By die daer heden is, al wat ghy immer geeft,
Ontbeerd u erfgenaem, terwyl ghy vrundlijck leeft,
Met een oprecht gemoet. die naer u doot mocht haken,
(20) Als ghy gestorven syt, en Minos hol van kaken
Het vonnis heeft geuyt, dan sal welsprekentheyt
Noch u geslacht Torquaat, noch u godvruchtigheyt
U ’tleven schencken weer; noyt kon Diaen bevryden
Hier haren Hippolijt, noch Theseus doen ontryden
(25) Syn vrundt Perithous, dit staegh gekluystert hol,
Daer selfs de droefheyt yst en naerheyt ryd te kol.


Het dertighste gezangh

VAN’T DERDE BOECK VAN HORATIUS.

Exegi monumentum aere perennius.

ICK heb volbracht, dat noyt vergaet,
Maer ter gedachten eeuwigh staet,
Het kooper en het hert metael,
Verduurt myn Lierzangh t’eene-mael.
[p. 296*]
(5) Dit eer-punt wyckt geen Koninghs naeldt.
Noch pyramied die lof behaelt,
Geen regen-buy, hoe seer die valt,
Geen Noorden-wint, hoe seer die bralt,
Geen jaren-tal hoe hoogh oock klom,
(10) Noch tyts verloop en wierpt die om.
    Ick sterf niet al myn grootste deel;
Ontvlucht de doot en blyft geheel,
Myn lof die groeyt geduurigh aen,
Soo langh d’Aertz-Priester sal bestaen
(15) Te klimmen op het kapitool,
Met swygend’ Meysje op haer zool.
En schoon ick van een laegen staet
Ben op-gekomen, waer men gaet,
Blyft echter noch myn hooghste eer,
(20) Dat ’tRoomsche voosje op en neer
Nu huppelt op ’t EooIsche liet,
Daer d’Aufidus* gcweldigh vliet,
Daer Daunus schoon niet water-rijek,
De Boeren dwinght als Vorít gelijek,
(25) Melpomine treckt aen u gloor
Die u alleenigh toe behoor,
En bind myn hayr-tuyt met een vlechc
Van Delfischen Laurier gehecht.

Continue
Catharina Questiers: Ode I, 4 in Het tweede deel van Olipodrigo (1654) en Ode I, 1 in Lauwer-stryt (1665)





[p. 101]

HORATIUS I. Boek, het IV. Gezang,
aan L. SEXTIUS.

TOON: Qui je suis Travaljé. Of:
Aan ’t grond’loos diep der Zee.

DE Winter fel ontdooit, door d’aankomst van de Lent;
Men windt de drooge Scheepen
Ter Haven uit, in ’t ent,
Het Vee in Stal beneepen,
(5) Van vreugde blaart, ter Weije waart ://:
De Boer is moê den heeten haart.

    2.    De Cyterische Venus, met de nieuwe Maan,
Heft aan met lust de Reijen;
[p. 102]
Graty en Nimphen gaan
(10) Elkaâr ten dans geleyen,
Trip’len op ’t Veld, dat ’t Gras zig velt, ://:
Terwijl Vulkaan het Yzer smelt.

    3.    Nu is ’t de rechte tijdt de blinkende Paruik
Met Bloem en Mirt te kranssen,
(15) Die uit d’ontlaate struik
Gebott’ is, en ook danssen,
Ter eere van, den Bosch-god Pan, ://:
Die ons veel heil en vreugt brengt an.

    4.    Nu is ’t de rechte tijdt dat wy ten offer gaan,
(20) En smooken Pan ter eeren;
Lam’ren en Bocken slaan,
Of wat hy zal begeeren,
In lommer groen, tzaa wilt u spoen, ://:
Wy zullen daar den offer doen.

[p. 103]
    5.    (25) De bleeke dood klopt zoo wel aan een Konings Hof,
Als arremer gebouwen,
Zaal’ge Sextius lof
’t Lang leve leert mis-trouwen,

Door doodse schrik, elk oogenblik, ://:
(30) De dood past staag op ’t nood-geschik.

    6.    Terstond zal u de nacht met hare duister snel
En schielijk overvallen;
Wie in de hoogen Hel,
En Plutoos hooge wallen,
(35) Maar eens geraakt, wordt nooit ontslaakt, ://:
En geen gezonde Wijn daar smaakt.

                            Catharina Questiers.



LAUWER-STRYT

Tusschen

CATHARINA QUESTIERS,

EN

CORNELIA van der VEER.

Met eenige By-dichten aan, en
van haar geschreeven.

[Typografisch ornametnt]

T’AMSTERDAM,
By ADRIAEN VENENDAEL, Boek-
verkooper in de Molsteegh. 1665.




[
p. 75]

Horatius I Boeck I Gezangh
Aan
MECENAS.

Mecenas grote spruyt van Konincklijke Oud’ren.
    Bescherremer van my, en mijne waarste lof:
[p. 76]
    Veel scheppen lust, om het Olympis waagen stof
Te wroeten, dat het stuyft om ooren en om schoud’ren:
    (5) En met een barnend wiel de perckpaal mijd, om door
De Palm van wereldts Heer tot Goôn te zijn verheeven.
Indien het wufte graauw hun poogt haar stem te geeven
    Tot ’t allergrootste ampt, en brenght op ’t Gooden spoor.
Indien hy zoldert al het Lybiaansche kooren
    (10) Met moeyte daar gedorst; hy lijt zigh met den bou
    Van zijn geerfde lant: geen schat des wereldts zou
Hem daar toe brenghen, of zijn zinnen zoo verdooren.
    Hy die voor schip-breuck vreest zich ’t Zee gaf onder zeyl.
De koopman zeer beducht voor felle Noorde winden,
(15) Die met ’t Jönisch nat vaak worst’len, wel beminde
    Het zoete leeven op het lant gerust en veyl,
En tans geen kommer of geen onrust kunnend’ lijden,
    Kalfatert zijne kiel. Men vinter oock, die zijn
    Verslingert op een dronck van leck’re verne wijn,
[p. 77]
(20) En wel een halve dagh daar meede zich vermeyden,
    Nu met ghestreckte leên in schaduw van een boom,
Dan weer het hooft geleyt op d’oever by het mom’len
Van ’t ruyschend beeckje: en een ander prijst de trom’len
    En schel Trompet geluyt en ’t knersen van de toom
(25) En waapens, schrick en vrees voor ’t Moederlijke herte.
    De Jagher houdt zich in de oopen lucht, en denckt
    Niet om zijn lieve Vrou, het zy de hont hem brenght
Een Hinde op het spoor, of dat hy ziet met smerte
    Het wilde Zwijn door zijn gespanne netten boordt.
(30) Het veyl, beloningh van geleerde hersenvaaten,
Dat zal my het getal der Goôn vermeeren laaten:
    Het koele Wout, dat zoet vermaack’lijk, eensaam oort,
De huppelende rey van Nimfe en Saters scheyden
    My van ’t gemeene volck; Euterp geeft my haar fluyt,
    (35) En Polyhymnia gheeft haar vergoode luyt,
En komen my vol gunst altijt tot speelen leyden.
[p. 78]
    Indien gy mijne naam met deese naam vergroot
Van lyrische Poëet, en my daar by wilt stellen,
Geen aangenaamer kon my immermeer verzellen,
    (40) Zy maakt, dat ik mijn kruyn tot aan de starren stoot.

                                            Catharina Questiers.

Continue
Andries Pels: bewerking van de
Ars poetica (1677).



[fol. *1r]

Q. HORATIUS FLACCUS

DICHTKUNST

Op onze tyden, én zéden gepast;

Den Edelen Groot-achtbaaren HEERE

KÓRNÉLIS GEELVINK,

Heere van Kastrikom, Burgermeester én Raad
der Stad Amsterdam, énz.

Én den HEEREN zynen ZOONEN

toegeeigend,

Door

A.PÉLS.

[Vignet: typografisch ornament]

Te AMSTERDAM,
______________

By JAN BOUMAN, in de Kalverstraat,
naast het Weeshuis. 1677.




[fol. *1v]

Op de
TYTELPLAAT.

    Het woedend raazen van Onweetenheid, én Nijd
Vind wég, nóch middel, om de Dichtkunst te belétten
De Vlag te voeren, én zich op de Troon te zétten,
    Al haaren haateren, én vyanden ten spijt.

    (5) Zy, achter ’t Wapenschild van KASTRIKOM bevrijd
Voor ’t vinnig schieten der vergifte lastersmétten,
Geeft aan Mélpomené, geeft aan Thalia wétten,
    En aan de Saters, wier schéndschriften zy niet lijdt.

Dés deeze toornig op den Overzétter smaalen,
    (10) Heel schóts bespóttende zyn’ pén mét eenig récht;
Omdat hy ’t zwaarste wérk van Flaccus durft vertaalen;

    En door zijn’ vaerzen nóch de naam van GEELVINK vlécht;
    Om, als Horatius mét Pizoos naam, zo slécht
Eene overzétting mét die luister te bestraalen.



[fol. *2r-*2v: Copye van de Privilegie.]
[fol. *3r]

VOORRÉDE

Aan den

LEEZER.

IK geef u hier de Dichtkunst van Horatius, in Néderduitsche vaerzen vertaald, op sommige plaatsen wat uitgebreid, én op onze tyden, én zéden gepast; van wélk alles ik u, Leezer, vervólgens de rédenen zal geeven, die my daar toe bewoogen hébben.
    Dat ik Hém vertaald héb, is by toeval geschied, alzo ons Kunstgenootschap, bekénd door de Zinspreuk van NIL VOLENTIBUS ARDUUM, voor eenige jaaren bézig zynde mét in het Néderduitsch eene verhandeling van de Tooneelpöezy te maaken, veele plaatsen in zyne Dichtkunst vond, dienstig om de meeste, én de voornaamste wétten, die een Tooneelspéldichter te onderhouden heeft, door het gezag van dien grooten Man te bekrachtigen; dierhalven oordeelden wy, dat het niet onaangenaam zoude zyn die plaatsen op maat, én rym te verduitschen, wélk wérk my te beurte gevallen zynde, wierd my in bedénking gegeeven, én naderhand verzócht, zyne geheele Dichtkunst in vaerzen [fol. *3v] over te zétten, het wélk ik zeer onbezonnen aannam, niet dénkende, dat het zulk een moeijelyk wérk zoude weezen, als ik daarna door de érvaarenheid wél bevonden héb.
    Want ik had naauwelyks begonnen, óf ik zag veele zwaarigheeden, daar ik te vooren niet op gedacht had; dewyl ik, om de meining van dien Dichter aan onzen Landsgenooten klaarlyk bekénd te maaken, niet alleen grootere vryigheid, als in het gemeen by andere Overzétters geschiedt, in het bewoorden, héb moeten gebruiken, omdat onzen Dichtlievenden meer gelégen is aan het geene die Dichter zéggen wil, dan hoe hy het zégt: Maar ook, omdat ik my genoodzaakt oordeelde eenige plaatsen uit te breiden, als voornaamlyk van de Reijen, van de Saters, én van de op- én voortgang der Tooneelspélen.
    Van de Reijen had Horatius weinig gesproken, én niets, dan heure plichten aangeroerd, omdat men te zynen tyde daar van niet teenemaal onkundig was, daar1 men in tégendeel hédensdaagsch zeer weinig kénnis van de zélve heeft. Om deeze réden héb ik heur gebruik, eigenschap, én uitvoering wat omstandiglyk, én wydloopig moeten beschryven, opdat onze Tooneeldichters de zélve in hunne Spélen niet in en voeren, door dien zy op onze Tooneelen niet na behooren konnen uitgevoerd worden.
    Hoe de Saters by de Ouden gebruikt wierden, én waarom zy by ons niet gebruikt behoorden te worden, héb ik [fol. *4r] gevoegd by het geene Horatius daar van geschreeven heeft, én het zyne wat breeder verhandeld.
    Ook héb ik van de opgang der Tooneelspélen vry wat meerder, als Horatius, gezégd, én der zélver voortgang tót onze tyden toe gerékt; omdat my voeglyk dacht daar ter plaatse te verhaalen, hoe het vervólgens, van den beginne tót den einde, mét de Schouwspélen afgeloopen is.
    Bij wélke gelégenheid ik méde had behooren te spreeken van het gebruik, én het misbruik der zélve; maar my kwam zo veel van die stóf voor, dat ik raadzaam gevonden héb daar van een byzonder wérkjen op te slaan, het wélk op dit wel in het korte vólgen mogt.
    De oorzaak die my bewoogen heeft zyne Dichtkunst op onze tyden, én zéden te passen, is, dat ik mynen Landsgenooten eene Néderduitsche geeven wilde, gelyk hy den zynen eene Latynsche gegeeven heeft; daarom bén ik, ter plaatse daar hy het maaken der Latynsche vaerzen leert, eene ruuwe schéts van de hédendaagsche Rymkunst genoodzaakt geweest in te voegen, van de wélke myns weetens nóch niets geschreeven is; én om de zélfde réden héb ik overgeslagen het geene hy zégt van de Muzyk der Ouden in hunne Tooneelspélen, alzo het niet dan eene onnoodige naauwkeurigheid alhier ter plaatse zoude weezen.
    Het dunke derhalven ook niemand vreemd, dat ik veele Latynsche eigene naamen in Néderlandsche veran- [fol. *4v] derd héb. Weinige weeten, dat Métius3 een oordeelaar van fraaije schriften, én gedichten, óf dat Méssala, én Cassélius Aulus uitsteekende pleiters geweest zijn; maar de Heeren Hóp, Six, én La Mine zyn by ieder één bekénd; én die maar eenige goede schryvers in het Néderduitsch geleezen heeft, érként zo wél Spiegel, Koornhart, Visscher, Hoofd, Vondel, énz.voor verbéteraars van onze taal, als Ennius, Caecilius, Plautus, Cato, Virgilius, énz. voor de Opbouwers van de hunne gehouden worden.
    Echter schynt eenige réden van aanstootelykheid te geeven, dat ik ons Kunstgenootschap in de plaats van Aristarchus, én Dókter Meijer, die een lid van het zélve is, voor Quintilius invoer, als riekende naar eigene lóf.
    Maar ik héb het niet wél kunnen myden, omdat ik niemand wist te vinden, die zonder eigen belang zo vrymoedig van schriften, én gedichten oordeelt, als by ons, én hém gewoonlyk gedaan wordt: want in deeze eeuw is onder de meeste van de weinige, die bekwaamheid hébben, die zótte heuschheid van alles goed, óf die érbarmlyke nydigheid van alles kwaad te keuren.
    En, alhoewel de zélfde réden van de verandering der eigene naamen my genoegzaam ontschuldigt, dat ik die van de PIZOOS in die van de GEELVINKEN verwisseld héb; zo zal het échter in my eene groote stoutigheid schynen, dat ik onderneem een wérkje van zo kleen een belang aan zo veele, én zo voornaame Heeren toe [fol. **1r] te eigenen. Want by u zal geen onschuldiging vinden het geene ik in de verklaaring van de tytelprént aanroer, dat hunne groote naam myn slécht wérk verheerlykt: dewyl zulks, in plaats van verschoonen, myne schuld verzwaart, én ik my mét iets waerdigs voor het ontfangen van die eer behoorde te kwyten. U zal ook niet voldoen, dat ik hier in het voorbeeld van Flaccus vólg: want, alhoewél ’er groote overeenkomst is tusschen de waerdy van die Roomsche, én deeze Amsterdamsche Heeren; échter is ’er al te wyd een verschil tusschen die onnavólglyken Dichter, én my onbedreevenen nieuwling; temeer doordien zyne Dichtkunst eigen opstél, én het myne maar eene overzétting uit het zyne is. Maar weet, Leezer, dat myn inzigt minder my zélve, dan de algemeene zaak der Kunstlievenden raakt; én dat ik, onder zo veele andere voornaame geslachten, de Stam van den Heere van Kastrikom uitgekoozen héb, om de talrykheid zyner braave Looten; én bezéf eens, wélk een luister het der Dichtkunste, én anderen haar onderhoorigen kunsten byzétten zou, als het my gelukte dien Heer Burgemeester, én de Heeren zyne Zoonen, die alle beminnaars van kunsten én weetenschappen zyn, nóch meerder aan te moedigen, om byzondere beschérmers, opkweekers, én voortzétters dier oeffening te weezen, én oordeel dan, óf de roekeloosheid van myne toeëigening te doemen, óf te pryzen is.
    Dit zyn de rédenen, Leezer, die ik u in den be- [fol. **1v] ginne beloofd had te geeven van myne vertaaling, uitbreiding, én toepassing der Dichtkunst van Horatius; waarby ik u nóch iets héb bekénd te maaken, aangaande zyne órde, aangaande eenige kleine vryigheid, die ik in het rymen, én eenige ongewoone wyzen, die ik in het spéllen gebruik.
    In de órde, op de wélke zyne Dichtkunst tót ons gekomen is, héb ik niets durven veranderen; alhoewél ik, op het voorgaan van veele geleerde mannen, wél geloof, dat Horatius niet alleen de zélve niet gehouden heeft, maar ook dat ’er veel van verlooren is; want te weinig is ’er van het Héldendicht aangeroerd, in vergelyking van het geene gezégd wordt van de Tooneelspélen; en beide die stóffen zijn in het begin zeer verwardelyk onder een gemengd; ook wordt hier op twé plaatzen van het vaerzenmaaken gesproken, én op de twéde plaats schynt het als uyt de lucht te komen vallen, én niet te passen ontrént de stóf, die voorgaat, én navólgt.
    Wat myne vryigheid van rymen aanbelangt, ik schyn myne eigene léssen, die ik in de Rymkonst gegeeven heb, niet overal waar te neemen, wanneer ik in zommige van myne vaerzen na de dérde voet geen snyding maak; dóch ik doe zulks nérgens, dan in saamengestélde woorden, maakende de snyding, daar die gekóppeld zyn, op het voorbeeld van verscheidene zeer vloeijende Rymers, aangezien het dan ganschelyk niet en stuit in het leezen.
[fol. **2r]
    Ook verstout ik my ééns het woord Windverkooper zodaanig te scheiden, dat het eerste woord, waar uit het te zaamen gestéld is, een vaers sluit, én het andere een nieuw begint; alzo het insgelyks niet schynt te stuiten. Daarenboven rym ik ook over ’s hands op bykans; én diergelyk een op kyken, omdat die woorden op het einde évenééns uitgesproken worden: wélk alles ik maar schaarselyk doe, én niet om daar méde te pronken. Die bétere snyding waarneemt, én nétter rymt, zal niet te laaken zyn; hoewél my dunkt, dat men, om zulke kleinigheeden te myden, geen uur, óf anderhalf aan een vaers behoorde te spillen, veel minder één, dat fraaij van zin, én zwier is, daarom te veranderen.
    Eindelyk héb ik eenige meerder naauwkeurigheid in het spéllen van sommige léttergreepen, én het schrijven van sommige woorden, dan in het gemeen gedaan wordt, aangewénd, vólgens de régelen, die ons Konstgenootschap, na lang overlég, daar op gevonden heeft; waar van ik sléchts iets ter loops aanroeren zal.
    Omdat de verdubbelde a nu by de meeste, én béste Schryvers in gebruik is, zét ik ae, wanneer ik het geluid van de Grieksche η wil afbeelden; alzo wy de zélfde klank in onze taal, én daar toe geen teiken hébben.
    Ik maak doorgaans onderscheid tusschen e én é; zéttende de eerste daar zy dof, de andere, daar zy hélder klinkt; als blykt in Blyspél én haspel. En omdat ’er dikmaalen twyfel valt, waar het woord een maar een lé- [fol. **2v] deken is, óf waar het een getal beduidt, schryf ik altyd één, wanneer het iets anders beteikent, als het lédeken, alwaar men beide de ee, als óf het maar eene doffe e was, klinken hoort, wélk onderscheid ik in andere diergelijke klanken, om de onnoodzaakelykheid, nalaat.
    Het verschillen tusschen o én ó is al bekénd, door de voortréffelyke schriften van den Heere Drossaard Hoofd, die het zélve ook in acht neemt, als hy die létteren verdubbelt, dat ik niet doe, omdat ik dat verscheiden geluid, dat zommige zéggen te zijn in kool een gewas, én kool, als ’t vuur beteikent, niet hoor uitspreeken, én daarom niet weet, waar die schrapkens staan moeten; die onderscheid in die klanken weet, zal wél doen dat te teikenen.
    De Boekdrukkers zétten y, wanneer zy my, zy, en ij, als zy mijn, zijn drukken, daar van zy geen andere réden geeven, als dat het zo gebruiklyk is. Omdat wy dat teiken y hébben, én het reeds bekénd is voor eene klinklétter, gebruik ik het overal, daar ik die klank ontmoet, zéttende i én j of ij nérgens anders by malkander, dan daar men die médeklinker hoort; als in maaijen, reijen, tooijen, buijen, enz. aan wélke opmérking ik échter eerst gedacht héb, toen de eerste acht zyden al afgedrukt waaren.
    Ik gebruik geen c, omdat het by ons eene overtóllige létter is, die wy altyd mét de k óf s uitdrukken konnen.
    De ch, die gy ziet, zyn wél twé tékens, dóch by my [fol. **3r] maar ééne létter, die wat schérper luidt, dan de g, én in het Grieksch χ geschreeven wordt.
    De q, én x versmyt ik om de zélfde oorzaak, én zét ’er kw, én ks voor, het wélk onze natúurlyke létters zyn, geen andere klank uitbeelden konnen, én nu al veel gebruikt worden.
    Het bekénde onderscheid in s, én z neem ik méde in acht, wélker verscheidene klank in het woord sullen, als het glyen betékent, én zullen, het hélpwoord, klaarlyk blykt.
    Dóch dit alles zy gezégd van woorden, die oorspronkelyk Néderduitsche, óf door lang gebruik zulke geworden zyn. Den woorden, én voornaamlyk den eigenen naamen van andere taalen laat ik hunne létters houden. Want hoewél ik op het voorgaan van de béste Schryvers Fébus én Faëton zou kunnen spéllen, zo zoude ik échter geen wég mét Sisero, Séres, én Kwintus weeten, zonder eene zeer groote anstoot te geeven. Dóch wanneer de naamen, óf woorden van andere spraaken de onze geworden zyn, als in Kryn, Kwieryn, Sander, die van Quirinus, én Alexander komen, daar zyn wy aan de q óf x niet gebonden: zo schryft men ook tytel, Sater, Dókter heel wél, in plaats van titul, Satyr, Doctor.
    Gy zult ook veele woorden op verscheidene wyzen gespéld vinden; maar neem dat voor geen slordigheid, nóch oneenpaarigheid; want ik zal mét grond van réden schryven, ô wreede, gy bekleedde de léden van het kind, dat zit, én bidt; om vólgens de régelen der Spraakkunst de Buiging, [fol. **3v] (Declinatio) én de Vervoeging (Conjugatio) der woorden uit te drukken; waarom ik dat onderscheid maak, daar het vereischt wordt, houdende échter in gelijke gelégenheeden eene gelyke wys van spéllen.
    De groote vryigheid, die de allerbéste Schryvers, ja Hoofd, én Vondel zélve neemen in de Bynaamen (Adnomina óf nomina adjectiva) wélke op en eindigen, de zélve niet wél in hunne geslachten (genera) veranderende, durf ik niet gebruiken. Zy schryven dikwils eige man, eige vrouw, eige wyf; verlaate man, verlaate vrouw, verlaate wyf in plaats van eigen man, eigene vrouw, eigen wyf, én verlaaten man, verlaatene vrouw, én verlaaten wyf, waar in klaarlyk gemist wordt, omdat men niet zoude durven zéggen, die vrouwe is verlaate, maar verlaaten, het lachchen is den ménschen eige, maar eigen, nóch de deur is ope, voor open.
    Boven dit alles zyn ’er nóch veele andere dingen waargenomen, die der woorden Spélling, Oorspronk én Saamenschikking (Orthographia, Etymologia, én Syntaxis) raaken, waar van, indien ik maar weinig zeide, zou ik deeze Voorréde nóch zeer lang moeten rékken, én daarby eene overtóllige arbeid doen, alzo ’er eene Néderduitsche Spraakkunst, waar in van alles breedelyk, én naauwkeuriglyk gesproken wordt, onder handen is.
    Van zo veele dingen héb ik u willen onderrichten, Leezer, opdat gy niet te voorbaarig in hét oordeelen zoudt weezen, én lichtelyk deugden voor gebréken aan- [fol. **4r] zien, zo gy niet naauwkeurig zyt in het toezien. Niet dat ik zo waanwys bén van te gelooven, dat’er nu niets gebrékkelyks in gebleeven, én niets aan te verbéteren is.
    O neen; ik zou zélf buiten twyffel na eenige tyd mét vérsche oogen veele gebréken ontdékken, die ik nu door de gewoonte van leezen, én hérleezen over het hoofd zie; ik laat staan, dat onder zo groot een getal van gaauwe mannen, die de Latynsche, én Néderduitsche spraak verstaan, gedichten én vaerzen maaken, én van taal, dicht, én rym oordeelen, niet weinige zullen weezen, die niet alleen feilen, daar ik niet op gelét héb, zullen zien, maar ook berispen, én verbéteren zaaken, én zinnen, bewoordingen, én spéllingen, trant, én rym, daar ik door onkunde, óf onmagt in gemist héb.
    Evenwél kittel ik my eenigsins mét die eigenliefde, dat de misstallen, die ’er nu nóch in zijn, niet heel stérk uitsteeken, nóch in zeer grooten getale zullen weezen; want eer ik het onder de pérs bragt, héb ik geen gelégenheid verzuimd na Leezers te zoeken, die myne misslagen zouden kunnen, willen én durven aanwyzen, én ik héb het geluk gehad van eenige zulke aan te tréffen, voornaamlyk onder de léden van ons Konstgenootschap, zonder wélker aanmérkingen het wérk vry ruuwer voor den dag zou gekomen hébben; alzo men’er, toen het eerst uit myne handen kwam, zo veel op te zéggen gevonden heeft, dat my het maaken minder moeite geweest is, [fol. **4v] dan het verschaaven; één der oorzaaken, dat het eenige Jaaren laater in het licht komt.
    Wat ’er nu nóch gebrékkigs in is, Leezer, hoop ik van u te verneemen, én ik zal u dan eerst gunstig én bescheiden achten, als gy, niet de minste misslag over het hoofd ziende, strénglyk oordeelen, én klaarlijk aanwyzen wilt, wat’er nóch aan schort, én hoe het verbéterd behoort te worden, dewyl ik mét dit wérk uit te geeven voorhéb niet alleen andere te leeren, maar ook van andere geleerd te worden.



[p. 1]

Q. HORATIUS FLACCUS
DICHTKUNST,
Op onze zéden én tijden gepast.

INdien een schilder aan een ménschenhoofd wou héchten
Een’ paerdshals, én door één verscheiden’ léden vléchten,
Verscheidendlijk bepluimd; zo dat het schijnen zou
Om laag een’lompe visch, om hoog een’ schoone vrouw:
(5) Zoud gy niet lachchen, als hy u zijn stuk liet kijken?
Men mag mét réden, ô GEELVINKEN, vergelijken
By dat taf’reel een boek, wiens woeste deelen, gansch
Verschillende, gelijk de droom eens dronken’ mans,
Die hoofd, nóch staert heeft, zich verwarren, én verwild’ren.
    (10) Maar, zégt men, hoe? is dan den dichteren, én schild’ren,
Van allen eeuwen af, de magt niet toegestaan,
Stoutmoedig, wat hén in den zin schiet, aan te slaan?
O ja, dat weeten we; én wy willen niemand weeren
In ’t récht der vryheid, dat we ook voor ons zélf begeeren:
    (15) Dóch niet, dat water zich verméng’ mét vuur én vlam,
Een’ slang mét vogels paare, een’ tyger mét een lam:
    Nóch dat hy, die ons in zijn’ wérken grootsche zaaken
Doet wachten, hier én daar een’ lap naay’ van scharlaken,
Die vinnig afsteekt, én ons flikkert in het oog;
(20) Wanneer hy ons den Rijn beschrijft, óf Régenboog,
[p. 2]
Of’t Bosch, én ’t Outer van Diane, óf klaare Vlieten,
Wier dartele ad’ren door wéllustige akkers schieten.
’t Is alles fraay; maar hoe komt zulks hier nu te pas?
Omdat ge een doodshoofd, óf’t een doodshoofd waarlijk was,
(25) Kunt schild’ren, zult ge dat by wulpsche Bachchanaalen,
Of by het overspél van Mars, én Venus maalen?
Toen gy het hout begont te klieven, was’t besluit
Een voedervat, hoe komt het op eene émmer uit?
Wat gy dan voorneemt, laat dat één én énkel weezen.
(30) Wy dichters meestendeel, ô Vader nooit volpreezen
Na waarde, én Zoons, die zulk een’ Vader waardig zijt,
Bedriegen ons door schijn van fraayheid. ’k Doe mijn’ vlijt,
Om kort te weezen in mijn schrijven, én ’k word duister.
Deeze acht de gladheid in een vaers de grootste luister,
(35) En ’t wérk wordt zénuwloos, én laf aan één gestéld.
Die oogt op grootschheid in zijn’ stijl, wanneer hy zwélt.
Een ander vreest een’ stórm, én kruipt, om die te ontwijken
In veiligheid, langs de aarde. Een dérde wil verrijken
Zijn wérk mét weitsch sieraad, én schildert een’ dolfijn
(40) Wanschikkelijk in ’t bosch, in zée een éverzwijn.
Dus ziet men, die de kunst ontbeeren, schipbreuk lijden
Op vreesselijker klip, dan die zy wilden mijden.
De onnozelste van all’ de schilders weet het Haar,
De Nagels ménigmaal nét af te beelden; maar
(45) Maakt niet een stuk, dat deugt; waarom? zijn’ zinnen strékken
Zo wijd niet, dat hy zich verstaat op d’ommetrékken;
’t Heeft niet van ’t goed, van ’t grootsch; hy doelt maar op een deel,
Ként maat, nóch schikking, én verstaat niets van ’t geheel.
Als ik iets maaken wilde, ik zou niet minder vreezen
(50) Dien baas gelijk te zijn, dan óf ik met een weezen
Gebooren waar’, wiens neus mismaakt was, krom, óf plat;
Schoon ’t krullend haar, én zeer bevallige oogen hadd’.
[p. 3]
Neemt dan een’stóf, zo ge iets wilt schrijven, die uw’ krachten
Niet overtréft; én wikt, én weegt in uw’ gedachten,
(55) Of uwe schouders ook bekwaam zijn, óf te zwak,
Den last te draagen van hun opgeleide pak:
Wie na zijn’ magt een’ stóf verkiest, om van te spreeken,
Dien zal ’t aan órde, nóch wélspreekendheid ontbreeken.
    ’t En zy ik misse, is dit de deugd, én fraayigheid
(60) Van de órde, dat niet al, ’t geen noodig dient gezeid,
Malkand’ren vólge. Die een groot gedicht wil schrijven,
Zégge een gedeelte, én laat’ het ander overblijven
Tót voegchelijker plaats; hy mijde vaak den draad
Der zaaken, zo als die vervólgen in der daad,
(65) Die geen geschiedenisbeschrijver mag verliezen.
Men moet met oordeel iets voorby gaan, iets verkiezen.
    In ’t woordensmeeden wees omzichtig, én zeer schaars.
’t Geschiedt mét aartigheid, wanneer gy in uw vaars
Door fraaye schikking van uw’ réde een woord doet kénnen,
(70) Dat nieuw gemaakt is, én daar gy ons toe wilt wénnen.
Moet gy ook zaaken, die den Ouden lang voorheen
Verborgen waaren, mét een’ nieuwe naam bekleên;
U wordt de vryigheid, in dat geval genomen,
Licht toegestaan; doet gy ’t schaamachtig, én mét schroomen.
(75) Ja ’t nieuwgesmeede, komt het uit het Hoogduitsch voort,
Wordt, wat geboogen zijnde, een goed gebruiklijk woord.
’t Verlóf, dat Korenhart krijgt van den Néderlander,
Zal dat aan Vondel, Hoofd, aan Meijer, óf een ander
Geweigerd zijn? waarom benijdt, én doemt men my,
(80) Zét ik een woord, óf twé, mijns Moeders taale by;
Daar Roemer Visschers, én daar Spiegels pén doen blijken,
Dat zy, tót hunne lóf, het Néderduitsch verrijken,
En veele dingen mét een woord, nieuw opgebragt,
Uitdrukken. Want het is van alle tijd geacht,
[p. 4]
(85) ’k Laat staan geoorlófd, als men ongewoone zaaken
Benoemen moet, daar toe een’ nieuwe naam te maaken.
    Gelijk als alle jaar de bosschen ander lóf
Van blad’ren krijgen, de eerste afvallen in het stóf;
Zo is ’t mét de ouderdom der woorden ook gelégen:
(90) Veel’ zijn vergaan, veel’ nieuwe in hunne plaats gesteegen,
Die weeld’rig bloeyen, én opgroeyen, als de jeugd.
Wy, onze wérken, staat, gebouwen, rijkdom, vreugd,
’t Is al vergangklijk; ’t zy men ongemeeten’ meeren
Uitmaale; óf eene stroom in haaren loop gâ keeren,
(95) En élders heenen ley’ door hulp van sluis, én graft;
Of maak’, dat ons die plaats nu kaes, én boter schaft,
En kruid, én ooft, én brood, én wordt bebouwd van boeren,
Waar in voor weinig tijds ontélb’re schepen voeren;
Al dit, én wat wy doen, moet éndelijk vergaan.
(100) Hoe zou een’ zelfde zwier der spraak dan lang bestaan?
Veel’ woorden over lang verworpen, óf verlooren,
Zal ééns de vólgende eeuw aanneemen, als hérbooren;
Veele and’re, nu by ons in achting, én in zwang,
Verwérpt heel lichtelijk de vólgende eeuw eerlang,
(105) Belieft’er sléchts ’t gebruik zijn zégel aan te steeken,
Waar bij het récht, de magt, én régel is van ’t spreeken.
    Dan dient ’er op het rijm in ons gedicht gelét,
En op de trant, die op de vaerzen wordt gezét.
    Een’ zélfde klank op ééne, óf meerder léttergreepen
(110) In ’t énd van ’t vaers heet Rijm, én moet óf staan, óf sleepen.
    Men rijmt op ééne greep, óf twé maar; want, wanneer
Men nu zou rijmen op dry greepen, óf op meer,
Als huldigingen op het woord beschuldigingen,
Zou ’t rijm niet déftig gaan; maar huppelen, en springen.
    (115) Als ’t rijmt op één’ greep, wordt het rijm gezégd te staan.
    ’t Heet sleepend, als ’er twé zo op twé and’re slaan,
[p. 5]
Dat gy de laatste dof, én de eerste schérp hoort luiden.
    Men wilde ’t onlangs tót sieraad, én fraayheid duiden,
Wanneer men ’t sleepend rijm meer rijmen deê, dan ééns,
(120) Als blootstaan, grootgaan; ja het scheen wat ongemeens:
Maar ’t zijn, mijns oordeels, heel verkeerde fraayigheeden,
’t En zy ge een dicht zo rijmt van boven tót benéden;
Want hoort ge in ’t rijm verschil tót twémaal toe, zo gaat
Het voor geen sleepend, maar voor dubbel rijm, ’t welk staat.
    (125) Men rijmt ook ’t zélfde woord in twé verscheiden’ zinnen
Niet op malkand’ren, als de spinnen op het spinnen.
Want alhoewél het rijm in ’t Néderduitsch niet sluit,
’t En zy de greepen slaan op een gelijk geluid
Aan ’t énd: zo moet nóchtans ’t begin der létt’ren scheelen,
(130) Of anders is ’t geen rijm, maar ’t zélfde in allen deelen.
    Het sleepend rijm, wanneer men ’t saamenhaalt uit twé
Verscheiden’ woorden, op het einde, wraakt men meê;
Gelijk als baat heeft, én gehaat heeft; wijl voor’t béste,
En zoetste rijm nu wordt gehouden, als de léste
(135) Der léttergreepen, in het sleepen, zachtlijk smélt.
In baat heeft doet de laatste een al te groot gewéld.
    Men bindt ons échter niet aan zulke naauwe wétten,
Dat juist in ’t rijm op élk een’ létter sta te létten;
O neen; wanneer de klank maar ééns is, rijmt het woord;
(140) Zo mag men kindsch mét prins berijmen, noord mét voort,
En kap mét krab; als van gelijken kleedden, visschen
Wordt wél, én voegchelijk berijmd mét léden, missen:
Maar bot op zót, én vol op hól rijmt ganschlijk niet;
Hoewél men in den schijn de zélfde létters ziet,
(145) Omdat wy groot verschil van klank in de O bemérken.
    Nu twist men, óf men vréde op léden rijmt. Veel’ wérken
Van oude schrijvers zijn op deeze wijs gedicht,
Waar tégen het gebruik der jong’re dicht’ren ligt;
[p. 6]
Want Vondel, Vollenhove, en die in deeze tijden
(150) Het vloeyenst rijmen, ziet men het mét voordacht mijden.
By hén zou paden op genade een’ misslag zijn:
Zulks is nu ’t oordeel van de meeste, en ’t is ook ’t mijn’.
Het ander wordt nu meest van ruige rijmsgezinden
Gebruikt, om ’t rijmwoord mét wat meer gemak te vinden.
(155) My klinkt ook walglijk, én onaangenaam in ’t oor,
Wanneer ik niet, dan staand, óf sleepend rijm en hoor
In een gedicht, dies zult ge bést doen, ’t bey te méngen.
Een keurig kénner wil nóch naauwelijks gehéngen,
Dat gy mét sleepend rijm (schoon ménig ’t anders waant)
(160) Na sleepend rijm begint, óf ook mét staand na staand.
Tót drymaal, én somtijds tót viermaal toe de slagen
Eéns rijms te hooren, zal gemeenelijk behaagen
In Kléppelvaerzen, als de Alleenspraak van een Spél:
Daar vindt men ’t fraay, daar klinkt hét aangenaam, én wél.
(165) Maar in het Héldendicht, én by den Samenspreeker
Zou ’t kwaalijk voegen: ’t is niet noodig, dat een zéker
En stérk geluid van rijm daar’s hoorers ooren tréff’,
En dat het zich alom byzonderlijk verhéff;
Daar alle de andere gedichten zeer na neigen:
(170) Want onberijmde taal is nader, én meer eigen
Aan Héldendichten, én Tooneelstóf. Hoort men dan
Te dikwijls ’t rijmwoord, óf ook steeds op ’t einde van
Den zin het eind uws rijms; zo schijnt ge ’er meê te prijken;
’k Laat staan, dat uwe taal naar onrijm zou gelijken.
(175) De Trant bestaat by ons alleenlijk in de toon,
En alle vaerzen zijn in ’t Néderduitsch gewoon
Op éénerleye wijs van trant, óf dans te weezen,
Als vaerzen, dienstig tót opzéggen, óf tót leezen;
Want in de Lied’ren is zo veel’ verscheidenheid
(180) Van tranten, als’er wel verschil, én onderscheid
In maat, én toonen van de nooten wordt gevonden:
Omdat de Lied’ren aan de Zangkunst zijn gebonden,
En niet aan de Opzégkunst; waar in door ’t gansche land
Geen onderscheidene, maar éénerleye trant
(185) Gebruikt wordt; én ’t verschil van onze vaerzen moeten
Wy leeren kénnen uit de veelheid van de voeten.
Twé greepen maaken zulk een’ voet in ’t Neêrduitsch uit,
Van wélke de eerste laag, de twéde hooger luidt.
Het grootste vaers is van zés voeten, ’t wélk gemeenlijk
(190) De Héldendichter, én het Treurspél niet alleenlijk;
Maar ook het Blyspél eischt, ja alle pöezy
Lijdt in het Néderduitsch dat slag van rijmery.
Het zésvoetsch vaers in een Tooneelspél is gebonden,
Als ook in ’t Héldendicht aan deez’ geringe gronden;
(195) Men moet op ’t eerste vaers, het zy het sleepe, óf stâ,
Eerst rijmen, eer men tót een ander overgâ;
En voorts daar in, tót aan het einde toe, volharden.
Op deeze régel hoeft gansch niet gelét te wérden
In and’re dichten; maar men rijmt die over ’s hands,
(200) Of na malkander, zo als ieder wil bijkans.
Men kan ook vaerzen van vijf voeten voeglijk maaken,
Op treurige, érnstige, en geheel verheeven’ zaaken;
Acht slaande, dat ’er een’ verpoozing zy in bey
Dat slag van vaerzen, die hén om hunn’ léngte schey’,
(205) Of ’t zou niet deugen. Die verpoozing wordt geheeten
De Sneê van ’t vaers, waar van men dit behoort te weeten;
Dat dat van zéssen, na de dérde voet altijd,
En dat van vijven, na de twéde, óf dérde snijt.
Viervoetsche vaerzen voorts, waar in geen sneê mét allen
(210) Vereischt wordt, zullen ons gemeenlijk wélgevallen
Op alle stóffen, in een kort gedicht bevat.
Nóch is’ er geestig slag van vaerzen boven dat,
Waar in wel boertige gedichten, én paskwillen,
Ook minneklachten van een’ herder vallen willen.
(215) Als ’k Lach mét hém, die om te prijken, Als een haan,
In’s Lands kronijken, Zich wél dood zou laaten slaan.
Deez’ zijn van vierdhalf voet; omdat’er één der léden,
Of eene halve voet, vooraan is afgesneeden;
En dat men ’t laatste lid in ’t sleepend rijm niet télt
(220) In alle vaerzen, dan voor eene galm, die smélt.
Men vindt ook vaerzen van drie voeten, én van minder,
Gelijk als Snikken: maar men wraakt ze, omdat ze hinder
Aan ons gehoor doen, én dat ook gemeenlijk in
Die trant gedwongenheid van rijm blijkt, én van zin.
(225) Voorts rijmt men al dat slag van vaerzen in het honderd,
Zo korte, als lange, door malkand’ren; uitgezonderd
Het vierdhalfvoetsche, ’t wélk om ’t missen van één lid
Voor aan, niet luidt, gelijk verwacht wordt; waarom dit,
Gestéld by d’andere, die al te zaamen klinken
(230) Op ééne wijs, in plaats van dansen, schijnt te hinken. - -
Het geeft aan uw gedicht een ongemeen sieraad,
Als gy naauw acht op all’ die kleinigheeden slaat.
Niet dat men ’t altijd zo gedaan heeft; neen, wy weeten
De onachtzaamheid, die by d’uitsteekendste pöeeten
(235) In zwang gaat; maar dat slijt alléngskens meer én meer.
Mét récht wordt somtijds nu veroordeeld, ’t geen wéleer
Scheen toegelaaten; want men moet in laater’ tijden
De groote vryigheid van ruuwere eeuwen mijden.
Hoe kan men, zo men deeze omstandigheên niet weet,
(240) Met réden d’eernaam zich toeschrijven van pöeet?
Men leer’ dan rijm, én trant op zijn gedicht te zétten
Naar eisch; maar maak’ vooral op stijl, en stóf te létten.
Een’ treurstijl voegt niet in een Blyspél; laage taal
Zou kwaâlijk passen op Thyéstes avondmaal.
(245) Na waarde van de zaak, die gy u hébt verkooren,
Zal daar een’ déftige, óf een’ laage styl behooren.
’t Gebeurt nóchtans wél, dat een Blyspél hooger’ toon,
En taal vereischt; wanneer een vader op zyn’ zoon,
Of meester op zyn knécht vertoorend raakt aan ’t kyven.
(250) ’t Voegt in een’ treurról ook den klaager laag te blyven.
Wil Télephus, dat ik my zyner rampe erbarm,
Of Péleus, als hy droef, gebannen is, én arm;
’t Voegt hém geen woorden van een’ halleve él te zwétsen;
Dat zou, in plaats van ’t hart te roeren, de ooren kwétsen.
(255) Een dicht zy niet alleen fraaij, sierlyk; maar ook zoet,
En vloeijend; én het leij’, waar heen men wil, ’t gemoed.
Gelyk een aangezicht, dat lacht, ons meê doet lachchen;
Zo weet een schreijend ons meêlyden af te prachchen.
Begeert ge, ô Télephus, óf Péleus, dat ik ween?
(260) Ween zélf: zo neem ik deel in uw’ wémoedigheên.
Maar zo men, buiten uw’ karakter, u in ’t speelen
Doet spreeken, dan zult gy my walgen, én verveelen,
Dat ik mét u, én mét uw’ dichter lachchen zal;
Zo ik uit wanlust niet aan ’t sluimeren en val.
(265) Een treurig weezen past een’ droeve wys van spreeken;
Veel’ dreigeménten, die verbólgen zich wil wreeken:
By ’t boertig aanzicht voegt een snaaksch, én kóddig woord,
Gelijk een érnstig by het déftige behoort.
Want eerst geeft ons Natuur een hart, bekwaam te ontfangen
(270) Na de uiterlyke stand een innerlyk belangen
Van alle zaaken; dus verrukt zy dat tót vreugd,
Of drukt het plat ter neêr door wigt van ongeneugd:
Daarna gebruikt ze voorts de tong, om uit te spreeken
De ontroeringen, die zy heeft in ’t gemoed ontsteeken.
(275) Maakt dan een dichter, dat zyn speeler anders spreekt,
Dan zulk één, in wiens staat, én kleederen hy steekt,
’t Ruim, Galeryen, Bak, én Huisjens zullen schat’ren
Van lachchen, om zulk mal, én buitenspoorig snat’ren.
Veel zal het scheelen, óf een meester spreekt, óf knécht;
(280) Of ook een staatig man, die weet, het geen hy zégt,
Of dartel jong’ling; een’ vorstin, óf minnemoeder;
Een sneedig koopman, óf onnozel schaapenhoeder;
Een Spanjer, óf een Pool; een Fransman, óf een Deen.
Daar by is ’t noodig, dat een Dichter vólge, ’t geen
(285) Aan ieder is bekénd van Hélden, in geschichten
Befaamd; én alles, dat hy daar wil by verdichten,
Wél overéénstemm’ mét de zéden van zyn’ héld.
Wanneer ge op uw tooneel den Vórst Achilles stélt,
Verbeeld hém dapper, onverbidlyk, straf, verbólgen;
(290) Hy weig’re wétten, récht, én rédenen te vólgen,
En laate, al’t geen hém raakt, afstuiten op zyn’ kling.
Médéa toon’ zich wreed van aard, door geenig ding
Omzétlyk. Ino moet tót schreijen zyn geneegen;
Ixion trouweloos; én Io aller wégen
(295) Omzwérvende achter lande; Oréstes droef te moê. -
Of légt ge ’t op een’ stóf, die onbekénd is, toe,
En wilt gy een persoon verdichten, daar voordeezen
Nooit op tooneelen van vertoond is; doe hém weezen,
Tót aan het eind toe, als van de aanvang; en hy wyk’
(300) Nooit daar van af, maar zy zich zélf doorgaands gelyk.
Dóch ’t heeft zijn wérk in een tooneelstuk op te stéllen
Van eigen’ stóffe, én daar geen Ouden van vertéllen.
Gy doet veel béter, dat gy uit Homeers Ulis,
Of Ilias, óf uit de Métamorphosis
(305) Van Naso, uit Virgiels AEneïs, óf uit boeken,
De waereld overlang bekénd, de stóf gaat zoeken;
Dan óf gy de eerste, uit drift van uw’ vermételheid,
Iets uit woudt geeven, ’t geen nooit Dichter heeft gezeid:
Dewyl gy tóch die oude, én vaak beschreeven’ zaaken
(310) Tót eigen’ stóf, mét récht, ja tót uw lóf kunt maaken;
Zo ge, in den opstél van uw wérk, niet in en slaat
De sléchte wég, én wys, die ieder open staat;
Nóch dat ge u zo niet bindt, gelijk een Overzétter,
Die, buiten ’t voorschrift, niet een énkel woord, óf létter
(315) Verand’ren durft; nóch u zo naauwe paalen zét
In ’t vólgen, dat gy uit beschroomdheid eene wet,
Die gy u zélven hébt gegeeven zonder réden,
Niet breeken durft, óf in het minst te buiten treeden.
In ’t Héldendicht wordt ook begékt, die als een Wind
(320) Verkooper, Marktgék, of Kwakzalver, dus begint,
’k Zal Priaams Heldenlót, en edele oorlóg zingen.
Belooft die blaaskaak ons geen wonderlyke dingen
Mét zulk opsnyen? Ja, de bérgen gaan kwansuis
Mét angst in arbeid; maar wat baaren zy? een muis.
(325) ’t Is béter, dat gy niet mét al te groot eene yver,
Maar zédig dus begint, gelijk de Grieksche schryver;
Bestier, ô Zanggódin, myn’ pén, dat ik den man
Beschryf, gelyk’t behoort, die, na de tyden van
’t Verwonnen’ Troje, in zyn omzwérven, veele stéden
(330) Bezócht heeft, én ontdékt veel’ vrémder volk’ren zéden.
Hy trékt geen rook uit vlam; maar wél uit rook een licht,
Een’ vlam: opdat hy, in ’t vervólg van zyn’ gedicht,
Mét Poliphémus, mét Charybdis op kom’ dond’ren,
Met Schille, Antiphatés, en diergelyke wond’ren,
(335) Wier byst’re daaden hy vervaerelyk verhaalt.
Dat ook, die zyn begin te vér gaat zoeken, dwaalt,
Kan ons het voorbeeld van den zélfden dichter leeren.
By Méleagers dood begint hy ’t wéderkeeren
Van Diomédes niet; nóch Trojes ondergaan
(340) By Hélenaas geboort. Hy spoeit geduurig aan
Na ’t énde, én, zonder lang zyn’ leezer moê te maaken,
Voert hém, als wist hy ’t eerste, in ’t midden van de zaaken.
Wat hy niet voeglyk af kan schild’ren, laat hij na;
En weet zo geestig, én zo zonder wedergâ
(345) ’t Waarschynelyk in zyn’ verzieringen te bréngen;
’t Geen waar is, én verzierd, zo onder één te méngen;
Dat midden, én begin, nóch einde, én midden niet
Verscheelen; ’t zy het nooit, óf waarlyk is geschied.
Hoor nu, wat my, én meest een’ ieder zal behaagen.
(350) Zo ge, ô Tooneelpöeet, daar op uw’ roem wilt draagen,
Dat uw beschouwer pal blyv’ zitten, én zich wél
Vernoegd achte, én voldaan, tót aan het eind van ’t spél;
Dient ge op de zéden van élks ouderdom te létten,
En uwen speeleren een’ wélstand by te zétten,
(355) Die ieder ééns natuur, én jaaren nét bepaal’.
Een’ jongen, die nu méde uit wand’len gaan, én taal,
En antwoord geeven kan, speelt graâg mét zyn’ partuuren;
Is haast versteurd, én haast weêrom gepaaid; alle uuren,
Elk oogenblik wil hy wat anders, dan hy wil.
(360) Een eerstaankomeling, nu eindlyk van ’t bedil,
En de onderdaanigheid zyns Pédagoogs ontslaagen,
Is graâg in ’t véld; heeft zin in visschen, vliegen, jaagen;
Is buigchelyk, als wasch, tót ondeugd; én wordt kwaad,
Als hém een wyzer tót de deugd, én ’t wéldoen raadt;
(365) Bezórgt zyn oorbaar traag, als stond’ hém niet te vreezen
Voor de oude dag; én acht het géld geen waar te weezen;
Is tróts; in alles maakt hy gading; maar, zodra
Hy ’t lang gehoopte heeft, taalt hy’er niet meer na.
Een man, die zyn verstand, én jaaren heeft, wiens zinnen
(370) ’t Gewoonlyk tydverdryf der jeugd niet meer beminnen,
Zoekt géld, én vrinden aan te kweeken; doelt op staat,
En aanzien; wacht zich wél, dat hy niets aan en slaat,
Het geen hém lichtlyk zou berouwen na ’t volénden.
Veel ongemaks omringt den ouden, veele élénden
(375) Verteeren hém; hy zy hy altyd spaart, én ’t goed
Niet durft gebruiken, ’t geen hy gaârt in overvloed;
’t Zy hy geen dingen kan verrichten, dan mét schroomen,
En altyd uitstélt óf hij nooit te laat zou komen.
Zyn’ hoop voorziet nóch veel; hij is een suffer, heet
(380) Na ’t weeten van ’t aanstaande; één, wien het niemand weet
Van pas te maaken, ’t is een knorrepót; een pryzer
Zyns kinderlyken tyds, als was men toen veel wyzer;
’t Is een bediller, een bestraffer van de jeugd.
Het opgaan onzes tyds baart ons gemak, én vreugd;
(385) Het afgaan ongemak; opdat zich dan niet houde
Een’ jongen, als een man, een jongling, als een oude;
Zo lét, dat uwe kunst élk voorstélle in dien schyn,
Gelyk de ménschen in natuure, én jaaren zyn.
Men voert vertoonende, óf vertéllende de zaaken
(390) Ten schouwtooneele, maar ons zal veel minder raaken
Het geen men zéggen hoort, als ’t geen men zéllef ziet,
En in ons byzyn, als óf ’t waarheid was, geschiedt.
Men wacht’ zich échter iets op een tooneel te bréngen,
Zo ’t voeglykheid, én schyn van waarheid niet gehéngen.
(395) ’t Geen niet vertoond dient, zy dan door wélspreekendheid
Van woorden in ’t gemoed gedrukt, én uitgeleid.
Dus mag Médéa voor het vólk haar kroost niet dooden;
Nóch Atreus, om op ’t vleesch der kinderen te nooden
Hunn’ eigen’ vader, die den hals afsnyen, braân,
(400) En kooken voor het oog. Veel minder mag ’t bestaan,
Dat Prógné wérde tót een’ vogel, én krijg’ veêren;
Of dat men Kadmus zie zich in een’ slang verkeeren.
Al, wat vertoond wordt op die wys, én in dien schyn,
Zal ongelooffelyk, én walglyk by my zyn.
(405) Wanneer ge nu uw Spél zult schikken in Bedryven,
Deel dat in meerder, noch in minder, dan in vyven;
Indien ge toelégt, dat het vaak wérde opgehaald.
Bréngt ge ook een’ Engel, Geest, óf Gód in ’t spél, gy dwaalt,
’t En zy de déftigheid van ’t wérk geen minder open,
(410) Of uitkomst aanwyst, om de grootsche knoop te ontknoopen.
Zo gy vier spreekers by malkand’ren op ’t tooneel
Wilt bréngen, is’er één, voor ’t allerminst, te veel.
De Grieken dienden zich mét groote lóf van Reijen,
Om hunne Spélen in Bedryven te onderscheijen,
(415) Door zang, én snaargeluid; óf ook, als ’t pas gaf, wél
Om ze in te voeren, als bedryvers van het spél.
De plicht der Reije was, het zy ze zong, óf speelde
Op wind-, of snaartuig; ’t zy ze een’ speeler zélf verbeeldde,
Den vroomen haare gunst; den vrinden hulp, én raad
(420) Te reiken; ’t gram gemoed te stillen; die het kwaad,
En kwaad doen haatten, lief te hébben, sober leeven,
Geréchtigheid, én tucht, én vréde lóf te geeven;
Zy heelde het vertrouwde; én riep de Góden aan,
Dat voorspoed, én geluk den trótsen mogt ontgaan,
(425) En by onschuldiglyk verdrukten wéderkeeren.
Een Dichter mogt hierom geen and’re Reij begeeren,
Dan die, ten aanzien van de tyd, én van de steê,
De wélbetaamlykheid, én moogelykheid leê.
Want, als zy eenmaal was op zyn tooneel getreeden,
(430) Verliet zy ’t niet; ’t en waar’ men om noodzaaklykheeden
Haar élders heen zond, óf de nood het zélf beval.
Maar waar zy heen ging, wat zy deê, wierd heel én al
Bekénd gemaakt; zo dat ze in tyds daar wéderkeerde;
En, ô Tooneelpöeet, u door dit voorbeeld leerde,
(435) Hoe gy uw stuk aan één moet héchten; plaats, én tyd
Waarneemen, dat gy deez’ verléngt, nóch die verwydt.
Dit maakte ook, dat ze op hunn’ tooneelen meest beslooten
Voor Témpels, Ténten, óf Paleizen van de Grooten
Te speelen, daar de Reij dan alle ding vernam,
(440) En wist; als óf ze by geval daar was, óf kwam.
’t Is ongelooflyk, wat al kósten de Ouden deeden
Aan deeze Reijen, wat ze al tyds, én vlyts besteedden
Aan dit uitsteekendst, aan dit allerschoonst vermaak
Van ’t schouwspél, nu by ons eene onbekénde zaak.
(445) ’t Getal der ménschen, daar deez’ Reijen uit bestonden,
Is wél niet zéker; maar, myns oordeels, was ’t gebonden
Aan tienen, twintigen, nóch vyftigen; gelyk,
In deeze tyden, een voortréffelyk muzyk
Geen kunstenaar verwérpt, wanneer hy zyne snaaren,
(450) Of windgeluid, óf stém by de and’re zo kan paaren,
Dat hy niet uitsteekt: zo dat hunne Reij bestondt
Uit zo veel’ meesters, als men wél érvaaren vondt,
Die, na des Dichters wil, gelyklyk t’zaamen speelden,
Te zaamen zongen, óf zich in twé hoopen deelden.
(455) Deez’ grootste meesters, hoe doorleerd in spél, én zang,
Hoe zeer érvaaren in tooneelstóf, moesten lang,
En naerstig blókken, om de harten te beroeren
Door klank, én mynen, én hunn’ ról wél uit te voeren.
Want élk byzonder stuk had zyn’ byzond’re toon;
(460) Zo dat men schatten spilde in al dat kóstlyk loon;
Omdat de meester van de Zangkunst, na der zaaken,
En stóffen aart, én eisch, het maatgezang moest maaken.
Men voeg hier by de zwier, hét toestél; al die pracht
Van kleed’ren, élk op ’t grootschst, én kóstlykst uitgewracht;
(465) De konstgevaerten, óf machienen, na de waarde
Der stóffen ingevoerd; waar aan men arbeid spaarde, -
Nóch kunst, nóch kósten: wyl hier door de waardigheid,
Het aanzien van een’ Staat verbeeld wierd, én verbreid:
Waarom zy dat verval meest uit haar’ schatkist haalde,
(470) En all’ die kóstlykheid van zwier, én pracht betaalde;
’t En zy een Véldheer aan zyn Vaderland, óf Stad
Die gunst wou schénken uit zyne overwinst, én schat,
Naar een’ behaalde zeege op vyandlyke vésten.
Want alle aangrénzende, én omliggende gewésten
(475) Vergaderden zich by de spélen van dat feest;
En ieder deê zyn bést, om boven de and’re meest
In kunst, én kóstlykheid, én grootschheid uit te steeken.
Maar sint de liefde tot de kunst begon te ontbreeken;
De dartelheid wat nieuws begeerde; óf dat de nood,
(480) Of dom-, óf gierigheid der Grooten beurzen sloot;
Vervielen éndelijk de Reijen, daar voorheenen
De tréffelyksten zich meê moeiden, in verscheenen,
En speelden zonder schande; als Aristophanés,
Die zyne Reijen leide; én Plato zélf, die lés
(485) En onderwys gaf, om zich wél daar in te kwyten;
Ja, vér van dat zulks stóf zou strékken tót verwyten,
Of onderworpen zyn der stréngen Wyzen straf,
Zich daar in oeffende van zyne jonkheid af.
Dus achtte Griekenland wéleer de Reijen, die men
(490) Te dwaas verzétte, én ruilde aan Miemen, Pantomiemen,
En Embolarien, alleen om ’t weelig oog
Te streelen, daar de ziel nóch vreugd, nóch vrucht van toog.
Dit was een geestig slag van dansen, meest in mynen
Bestaande, om liefde, toorn, bekommeringen, pynen,
(495) Verwond’ring, blydschap, hoop, én vrees, én al hetgeen
Men hartstógt noemen kan, voor’t oog van ieder één,
Door buigingen van ’t lyf, grimmassen, vreemde sprongen
Zo uit te drukken, als door hulp van ménschetongen.
Deez’ Miemen spaarden, schoon de kunst hier niet ontbrak,
(500) Veel’ kósten; toen men die uit eens byzond’ren zak
Moest haalen; én de lust der Grooten, én der Stéden
Zo klein wierd, dat ze om de eer der kunst niet meerder streeden.
Door die onachtzaamheid is eerst de grond gelégd,
Dat by den Griek de Reij nooit weêr wierde opgerécht;
(505) Dat ze ook te Rome nooit in droeve, óf blyde spélen
Wél ingevoerd is, op hunn’ trótsche Schouwtooneelen:
Want, of men Séneca doorgaands mét Reijen leest,
Nooit zyn ze op ’t Roomsch tooneel naar eisch vertoond geweest.
Men ga ze ééns keurig by de Grieksche vergelyken,
(510) En zie, hoe vér ze in kunst van deeze Reijen wyken.
Zy doen geen wérk by hém, én kunnen al zo wél
Daar buiten blyven, als gevoegd zyn in zyn spél.
Schoolmeester, ’k gun u hier uw voorhoofd nors te kreuken.
Prys, gy hébt récht, zyn’ goude, én góddelyke spreuken,
(515) Zyn doorgewróchte wys van zéggen, zyne kracht,
En kortheid, zyne kunst, én grootsche styl: maar wacht
U zélven, my mét veel ontzaglykheids te kwéllen;
Zo gy dien Létterhéld my wilt tót voorbeeld stéllen
Van Schouwtooneelpöeet, omdat ik mét u lach,
(520) Niet meer verplicht zynde aan ’t schoolmeesterlyk gezag.
Nóch Treur-, nóch Blyspél in Latynsche taal beschreeven,
’t Zy ons van Séneca, óf Plautus nagebleeven,
Of and’re, op hunne naam, aanschouwt het licht (ik sluit
Alleen Teréntius den Afrikaaner uit)
(525) ’t Geen ons tót voorbeeld van tooneelkunst kan verstrékken.
Al zyn ’er geestigheên, én grootschheên uit te trékken;
De stélling zonder kunst, óf overlég bewyst,
Wanneer men de Ouden blind in hunne wérken pryst,
En mist hunn’ régels, dat men eeuwen lang blyft steeken
(530) In dikke onweetenheid; én alzowél gebréken,
Als deugden voortplant- wyl maar ééne wég, én wét,
Niet min aan ons, als de Oude, is op- én voorgezét.
Die by Teréntius, in veel’ voornaame deelen
Naauwkeuriglyk gevólgd, ook uitblinkt in zyn’ spélen:
(535) Hoewél hy fluit, én dans van Pantomiemen lydt
In plaats van Reijen, als vergeeten by zyn’ tyd,
Om dus de gaaping der Bedryven af te mérken.
Maar om de plicht der Reij behoorlyk te bewérken
Door ’t gansche spél heen, heeft hém ook de kunst gefaald;
(540) Wén hy ten overvloed in ’t spél een’ speeler haalt,
Als Sosias, dien hy, om Simo aan te hooren,
Alleen in de Andria tót speeler heeft verkooren,
En ingevoerd gelyk een’ dienaar, waard, én trouw;
Opdat hy voeglyk eene Alleenspraak myden zou;
(545) ’t Wélk in der Reijen plaats wél waare in acht genomen,
Deed hy hém in het spél, doorgaands te voorschyn komen: -
Zo als in Vrankryk nu in droeve, én blyde stóf,
Quinault, Racine, én twé Córneilles, tót hunn’ lóf,
De hoofdpersoonen doen bedienen van vertrouwden,
(550) Die door het gansche spél verhandelen, ’t geen de Ouden
Door Reijen deeden; én het wit was nét geraakt
In deezen deele, indien een spél zo wierd gemaakt,
Dat ieder speeler zyn belang had in de dingen,
En ’t eind bewerkte, in plaats van die vertrouwelingen.
(555) Want om de Reijen, met heure oude kunst, én kracht,
Weêr in te voeren, is vér buiten onze magt.
Men moet, in ’t scheiden der Bedryven, zich belyden
Met een’ muzyk, gelyk de élénde van de tyden
Ons nalaat; én men vólg der Fransche dicht’ren wys
(560) Door ’t spél, in plaats der Reije, óf steek na hooger’ prys. -
Het dartel misbruik, eer de Reij nóch wierd vergeeten,
Had ook al tucht, én leer van ’t Schouwtooneel versmeeten,
En de ongebondenheid van ’t schimpschrift ingevoerd
Door Saters, die by ons mét récht onaangeroerd,
(565) Ten minsten ongevólgd, behoorden wég te blyven;
Want, als men ze op de voet der Ouden zal beschryven,
Zo brógt men Saters in een Treurspél, om ’t vermaak,
Gelyk in deeze tyd een Hófnar, Schalk, óf Snaak
Op Itaaljaansche, Spaansche, én Engelsche tooneelen
(570) Zich méngt in treurstóf, én in Vórstelyke spélen;
Men voegde ze ook in plaats der Reijen, tusschen twé
Bedryven, ’t geen te slécht der Reijen plicht voldeê.
Maar ’t slimst was, dat zy ze, om byzonderen te steeken,
Invoerden, wélke wys, én vryigheid van spreeken,
(575) Van ouds al, ’t Schouwtooneel gebragt heeft in de haat
Der tuchtigen; gelyk ’t in die gehaate staat
Nóch aangézien wordt by den zédigen, én vroomen,
Met réden tégen zulk een misbruik ingenomen.
Waarom men billyk schimp, én Saters in ’t geheel
(580) Behoort te bannen van een leerlyk schouwtooneel.
Dat ge ook in treurstóf méngt een’ gék is ongeraaden;
Want hy ontzénuwt al de déftigheid der daaden
Eens Treurspéls; ’t zy men hém mét anderen persoont,
Door ’t spél, óf tusschen twé Bedryven in vertoont.
(585) Dóch óf misschien een’ drift u kittelde, én verrukte,
Op hoop, óf voor den vólke uw’ dwaasheid wél gelukte,
Om, in uw déftig spél, door de ééne, óf de and’re boots,
Een woord, dat schérsend leert, te méngen onder ’t grootsch:
Wacht u, op ’t leeven van byzonderen te schimpen;
(590) Met wélk een’ schyn, wat slag van vérwen, wélke glimpen
Gy ’t ook wilt mommen. Toon in ’t algemeen het kwaad;
Bestraf, berisp het; maar verzwyg hém, die ’t begaat.
Zo ge iemands naam, óf doen, bekénd door straatgeruchten,
Ten toon stélt, zo zyn uw’ verfoeijelyke kluchten
(595) Brandmérken, uw toonee een openbaar schavót,
En, dichter, gy de beul, die géselt, als gy spót. - -
Lét voorders, als ge een’ Gód, een’ Héld, óf Prins mét Boeren,
Of Gékken t’zaamen op uw schouwtooneel wilt voeren;
Dat hy, die daadelyk hoogdraavend was bespraakt,
(600) Van purper gloeit, én van den goude blinkt, én kraakt,
Zo niet van styl vervalle, als óf hy, onder ’t kitten,
En zwélgen, in een’ kroeg, óf bierkuf scheen’ te zitten;
Nóch ook dat hy zo schuuw de laage styl vermy’,
Dat zyn’ hoogvliegendheid de wólken streev’ voorby,
(605) Niet vange, als lucht, én wind, zo hoog in tóp gereezen,
Als óf ’t hém schand was van een’ ménsch verstaan te weezen.
Hy vly’ dan zyne styl mét eenig onderscheid
Na hém, mét wien hy spreekt, dóch houd’ zyn’ déftigheid;
Gelyk somtyds bejaarde, én staatige Mevrouwen,
(610) Wanneer heur’ kinders, óf naneeven bruilóft houwen,
Ter eeren, én ter gunst des nieuwgetrouwden mans,
Gansch ingetoogen zich vervoegen aan den dans.
In mynen schértser wil ik ook alleen niet lyen
Gemeene straattaal, ongesierde boerteryen;
(615) Nóch trachten zo vér van de treurstyl af te gaan,
Dat my niet scheelen zoude, óf ik een’ Roffiaan
Deê spreeken, die op ’t slag een’ doffer had gesnooten
Voor vyf, zés gulden; óf een’ Hófnar, die by Grooten
In ’t Hóf verkeert, én daar een boelschap heeft ontdékt:
(620) Schoon de ééne, én de and’re snaak de ontuchtigheid begékt.
Ik zal de schértsery, die ’k voorhéb te verzieren,
Mét zo bevallig een’ natuurlykheid versieren,
Mét styl, én woorden, al de waereld zo gemeen,
En na élks eigenschap bekénd; dat ieder één
(625) Zich in zal beelden, heel gemaklyk diergelyk een
Gedicht te maaken, die éléndig zal staan kyken;
Indien hy ’t eens begint; wanneer hy, die alreeds
Gedaan achtte, eer hy ’t werk begon, dat na veel zweets,
Zal staaken, én vergeefsch zich martelen, én moorden.
(630) Zo veel vermoogen de órde, én schikking van de woorden;
Zo groot een’ wélstand kan de hand eens Dichters vaak
Byzétten aan een’ sléchte, én zeer gemeene zaak;
Weet hy de deelen maar gevoegchelyk te schikken
En daartoe de eigene spreekwyzen uit te pikken.
(635) Een Boer dan, die gy, van zyn’ ploeg, óf uit een woud
Gehaald, op uw Tooneel wilt bréngen, voer’ geen kout,
Gelyk een pleiters klérk, óf diergelyk een praater;
Nóch als een koopwyf van de Vygendam, óf ’t Water;
Nóch kozel téder, als een dartel hóveling.
(640) Uw Boer blyve altyd boer; dóch my’ voor alle ding
Ontuchtig spreeken, vuile, onhébbelyke naamen
Te noemen; ’t boersch, én niet het vuil, moet hém betaamen.
Want, schoon een’ plug, die door der Hoofden zótte gunst,
En av’réchtsch overlég van spaarzaamheid om zunst
(645) Voor stom gespeeld heeft, én aan twé, dry and’re funnen
(De een’ gunst is de and’re waard) om zunst weêr mag vergunnen
De vrye toegang tót de Zydelgalery,
Of ’t Ruim van Schouwburg: schoon een Sleepersknécht, die by
Half achten, om zyn vólk te haalen, aan komt zétten,
(650) En laat een’ jongen op zyn paerd, én sleedtje létten;
Terwyl hy, hoopend’ nóch een’ brók van ’t spél te zien,
De Géldontfangers aan de poort mét acht, óf tien
Fluweele woorden weet op zyn’ manier te paaijen,
Om zo zich zélven in de Staanplaats in te draaijen:
(655) Schoon zulk een slag van vólk, én diergelyk een ruigt’
Om ’t aller ongeschikst, én schandlykst lacht, én juicht;
De béste zullen ’t zich aantrékken, én verfoeijen
Een eerloos tydverdryf, ’t geen ’t aangezicht doet gloeijen
Aan hunnen dóchteren, én vrouwen. Neem dan acht,
(660) Dat niemand zich behoev’ te schaamen, dat hy lacht,
En dus uw Schouwspel voor een schandlyk schuuwspél houde.
De trant der vaerzen eens Tooneelspéls was by de oude
Latynen, als by ons. Het béste vaers was, dat
Zés voeten, ieder van twé léttergreepen, had,
(665) Van wélke de eerste kort, de twéde lang moest luiden;
Dit voerde toen de naam van Jambus, én is huiden
Nóch in gebruik by ons, daar diergelyk een’ voet
In de aanvang laag, én hoog in ’t énde klinken moet.
Maar van deeze ouden zyn de jongere Latynen
(670) Geweeken, willende zich zélven niet verpynen
Tót die gebondenheid; én daar men altemét
Een’ lange greep, in plaats eens korten, had gezét
Mét overlég, én kunst; opdat men ’t vaers den ooren,
Mét meerder langzaamheid, én grootschheid zou doen hooren;
(675) Is deeze vrijigheid te vaak by hén misbruikt,
En ménig voet in ’t vaers ontzénuwd, én verstuikt.
Heel anders is ’t gegaan mét Néderlands pöeeten;
De voorste hébben min, dan de achterste geweeten,
Hoe ’t vaers behaaglykst vloeide; én, zonder onderscheid,
(680) Van voeten, het ten dans al hinkende geleid,
Met, vérre van op hooge, óf laage toon te létten,
Twé léttergreepen sléchts voor eene voet te zétten.
Indien ge, ô dichter, dan zo hard, én kwastig zyt,
In uwer vaerzen trant, als die van de eerste tyd,
(685) Toont ge, als een bott’rik in de Rymkunst, u te draagen;
Of dat ge uw wérk te ras, én lós hébt opgeslaagen.
Maar alle Leezers, zégt ge moogelyk, zyn juist
Altyd geen kénners. Zal ik daarom voor de vuist
In ’t wild heen schryven? óf van mynen leezer hoopen,
(690) Dat hy licht over myn’ misslagen heen zal loopen,
En myne feilen, als niet hébbende om het lyf,
Zien door de ving’ren, wén ik maar gedichten schryf?
Heel fraaij! Men zal my licht van gróf, én bot te dwaalen
Vrykeuren; maar wat lóf, wat eer zal ik behaalen?
(695) Doe gy dan anders, ô voortréffelyk Geslacht;
Doorblader Grieken, én Latynen, dag én nacht;
Doorsnuffel Itaaljaan, én Franschman; doe uw voordeel
Mét Néderduitschen, dóch mét overlég, mét oordeel:
Niet als onze Ouders, die zich over Breêroôs trant,
(700) En boertery vry lós, ik zwyg, mét onverstand
Verwonderden, als waard in tóp te zyn verheeven;
Is anders u, én my verstands genoeg gegeeven,
Om ’t geestig loopje van het boersch, én ongeschikt
Te kunnen schiften; én zo wy, waar ’t vaers maar schrikt,
(705) In trant, óf rólt, én slaat, op onze vingers weeten
Te téllen, én mét monde en ooren na te meeten.
’k Wil évenwel niet, dat ge een’ oud’ pöeet veracht,
Al mist hij in de zwier, in zuiverheid, óf kracht.
O neen, ’t zyn de Ouden, na wiens voorgaan, als langs trappen,
(710) Men óp moet stygen tót de tóp der weetenschappen.
Zy zyn de vinders, zy de vaders van ’t gedicht,
En by ’t gevondene iets toe te voegen, valt ons licht.
Wy zouden lichtlyk, door ’t gebrék van ’t nutte baken
Der oude Dichteren, in gróver dwaaling raaken.
(715) Zy zyn de Leidstar, die wy vólgen, buiten ’t kwaad:
Dan zyn ze een’ spiegel, om te schuuwen, ’t geen misstaat.
Geen’ kunsten hébben ooit het hoofd om hoog gestoken,
Of ’t een, óf ’t ander heeft in de aanvang heur ontbroken,
Behalven ’t ongemak, de stribb’ling, die de kunst
(720) Bejégend is, na maat van afgunst, óf van gunst
Der eeuwe; én na de trék van boozen, óf van vroomen,
Door de onweêrstaanb’re kracht der Dichtkunst ingenomen.
Men zégt, dat Théspis de eerste een slag van Treurdicht vond,
Toen onbekénd, dat hy door ’t land op wagens zond,
(725) Mét Speelers, wien ’t gelaat mét wynmoêr wierd bestreeken,
En dien hy ’t voor den vólke opzingen deede, én spreeken.
Na hém vond AEschylus de mom, én ’t voeglyk kleed,
En bouwde op balkjes een’ verheeven’ grond, en kweet
Zich zélve, om niet alleen te speelen voor de boeren;
(730) Maar hooger styl, én wys van spreeken in te voeren.
Dit wierd zo wélkom by den Griek door ’t gansche land
Ontfangen, dat men, om tót achting van verstand
Te steigeren, geen wég zo zéker, én zo veilig,
Als die, kon inslaan: want het vólk hield, als voor heilig,
(735) De Lés, én Spreuken, die het Schouwtooneel ter straf
Der góddeloosheid, én ten lóf der deugden gaf.
Deeze opgang deê de moed der Dichteren zo groeijen,
Dat zy zich tót hun lóf, ’k zwyg strafloos, durfden moeijen
Alleen niet ondeugd, zonde, én schande in ’t algemeen
(740) Te heek’len; maar ook deeze, én geene op ’t zeer te treên.
Ja deeze vryheid wierd gepreezen, én geleeden,
Zo lang zy lieden trof, wier buitenspoorigheeden,
Door Griekenland bekénd, het wélverdiende loon,
Naar aller vroomen wénsch, ontfingen door die hoon.
(745) Maar, toen het misbruik van der Dicht’ren schérpe pénnen
Den Burger, om een kleen gebrék, begon te schénnen
Uit wraak, óf dartelheid, verzag de Wét daar in;
Zo dat de Reij, die al de luister, die ’t begin
Van ’t schouwspél was, door dit verbieden, uit de spélen
(750) Geraakte, én zich niet meer vertoonde op schouwtooneelen:
Want alles, wat het spél tót lóf der deugden zei,
Of laster van het kwaad, geschiedde door de Reij. -
En op de wys is ’t spél van Griekenland te Romen
Gebragt, én, onvoorzien van Reijen, aangenomen;
(755) Alwaar’t, schoon ’t nimmer tót die hooge luister steeg,
Die ’t in zyn aanwas eerst in Griekenland verkreeg;
Nóchtans groote achting had; dóch éndlyk door de weelde
Des Roomschen vólks, aan wélk alle eer, én tucht verveelde,
Gevórmd op ’t voorbeeld van het dartel Vórstendom,
(760) Zo schandlyk neêrwaarts daalde, als lóflyk opwaarts klom.
Toen nu dat magtig ryk door eigen’ zwaarte zakte
In zynen ondergang, én zo alom verzwakte
In heersch- in krygskunde, én in wétten, dat het tót
Gemakkelyke buit verstrékte aan Hun, én Got;
(765) Verviel Európe, door de woeste, én gróve hardheid
Dier Noordsche vólk’ren, in zo byster een’ verwardheid,
En dik een’ domheid, dat na twé, dry honderd jaar
Een man van doorzicht wierd geschat voor toveraar,
Voor tovery alle ongemeene weetenschappen.
(770) Zo wist de Geestlykheid dat ruuwe vólk te kappen
Door schyndeugd, dat zy al de wéllust, al de schat
Der waereld, ja ’t gebied op’s vólks gemoed bezat.
En lichtlyk had men nooit die vloek van hier doen vluchten,
Maar zou nóch onder ’t juk dier slaavernye zuchten,
(775) Had Laurens Kósters geest de nutte Drukkunst niet
Gevonden, én onze eeuw geréd uit dat verdriet.
Wy weeten, waar zich Méntz, én Bazel van beroemen;
Wie zy de vinders van onze éd’le Drukkunst noemen:
Maar u, ô Haarlem, komt die onverganklyke eer,
(780) Die tyd, ondankbaarheid, nóch afgunst immermeer,
Zo lang deeze aardkloot staat, zal machtig zyn te wisschen,
Door al de waereld, uit der ménschen heugchenissen.
Deeze éd’le kunst, door gansch Európe in ’t kort verspreid,
Verdreef de névelen van alle onweetendheid,
(785) En gaf aan ieder, door het middel van de boeken,
’t Gemak, om alle kunst onkóstlyk te onderzoeken;
Zo dat de Dichtkunst, die heel zwak was, krank, én lam,
Méde uit het ziekbéd raakte, én weêr te voorschyn kwam,
En haast zo frisch wierd, én zo schoon; dat ze alle landen
(790) Doorwandelde, én, alom gedraagen op de handen,
Meest in ’t Latynsch, én Grieksch verwélkomd, én gevierd,
Byna in de eerste stand, én glans verheeven wierd.
In and’re taalen, al ontbrak het aan geen geesten,
Wierd zy zeer magerlyk ontfangen by de meesten,
(795) Of wél by allen: want de brabb’ling was alom
Zo ingekroopen, én de styl, én taal zo dom;
Dat, wien ’t alleenlyk in die tyden wou gelukken,
(’k Ga sierelyk voorby) zich klaarlyk uit te drukken
In eigen’ taal, zich wél genoegde aan zulk eene eer.
(800) In ’t Neêrlandsch, om iets fraais te zéggen, had men meer
Verbasterde, én uitheemsche, als ingeboor’ne woorden,
Die veeler ooren meer, dan de eigene, bekoorden;
Zo onderwierp zich zélve, ô schande! ô slaaverny!
Inheemsche lafheid aan uitheemsche heerschappy.
(805) Al dit belétte niet, óf ’t vólk, in liefde ontsteeken
Ter Dichtkunst, wilde dat vermaak ook aan den leeken
Deelachtig maaken, dies men door gansch Néderland
Vergaderplaatsen tót dien einde heeft geplant;
Wier kunstgenooten zélf zich Réderykers noemden,
(810) En mét zinspreuken, én blaazoenen zich beroemden
Elk van de meeste liefde, én zucht tót deeze kunst.
In wélke broederschap men aannam, zonder gunst,
Geleerde, én ongeleerde, als de oeffening, én zéden
Niet mét de voeglykheid eens goeden burgers streeden.
(815) Uit deeze Kamers, daar ’s Lands Opperhoogheid veel’
Voorréchten aan vergunde, ontstond dat Landjuweel,
By Meet’ren aangeroerd, als wél gedénkens waerdig;
Waar in de meeste, meer op zwier, én pracht hoovaerdig,
Als wél op taal, óf kunst, te wagen, schépe, én schuit
(820) Verscheenen, léverende een slag van dichten uit,
Meest zonder trant, versierd mét zulke vreemde naamen,
Dat hunn’ waerdy daar uit zeer lichtlyk is te raamen;
In wier verscheidenheid bestond het grootst sieraad,
Als rétrograden, én baladen intrikaat,
(825) Mét rikkerakken, én sonnétten, én simplétten,
Ook bagenauwen, én kreeftdichten, én doeblétten,
En kokarullen; daar de boeren nu ter tyd
Zich hier in ’t land nóch stérk in oeffenen om stryd.
Ook gaf de Kamer, die beriep, verscheiden’ pryzen
(830) Van waerde uit, om aan zulk een’ Kamer toe te wyzen;
Zo die het grootst getal van Réderykers bragt;
Als die zich voordeê mét de kóstelykste pracht;
Ook die ’t kortst antwoord op een’ zinvraag wist te zéggen:
Als méde aan die, wiens gék het geestigst af kon léggen:
(835) Maar nooit een’ prys aan die ’t bekoorelykst gedicht
Van stélling, styl, én taal, én maatklank gaf in ’t licht.
Alleen blonk te Amsterdam, mét ménig tréflyk Dichter
Voorzien, de Dichtkunst vry wat hélderer, én lichter.
Hier létte men op stóf, én stélling, styl, én trant;
(840) En hier schreef Spiegel zyn’ Hartspiegel, vol verstand,
Zyn’ zuiv’re moedertaal eerst zéttende in de zétel.
Hém vólgden Korenhart, Plémp, Visscher, Kóster, Kétel,
En Breederode, mét Kamphuizen, én Reaal,
En Hoofd, én Vondel, puik van Schryvers al te maal,
(845) Door wélke taal, én kunst die luister heeft verkreegen,
En tót zo hoog een’ tóp van achting is gesteegen.
Hier proefde de één, hoe vér zyn ingestort vernuft
Kon reiken; de ander trachtte uit de oudheid, hoe vermuft,
En diep bedékt de grond der Dichtkunst op te zoeken.
(850) Van hier sproot eerst het zaad, dat ons zo veele boeken
In eigen’ taale, sint eene eeuw, gegeeven heeft,
Waar in de Dichtkunst zo bekoorlyk leeft, én zweeft.
Het Schouwspél échter, schoon ’t al by de Réderykers
Begonnen was mét loop, én groot gedrang van kykers,
(855) Wierd, néffens, ’t Héldendicht, nooit in de grond verstaan;
Al spaarde men daar tyd, nóch vlyt, nóch zinnen aan.
En, schoon men voorhad op het réchte spoor der Ouden
Récht toe te gaan, én zich aan hunne wys te houden;
’t Behaagde zélden, óf schier nooit op ’t Schouwtooneel.
(860) ’t Is waar, dat onderscheid van land, én eeuw hier veel
Toe hielp: maar ’t kunstigst, én daar ’t meest was aan gelégen,
Al kroop men de Ouden door, begreep men niet ter dégen,
Als, wat de Reij in ’t spél bedryft; hoe veel sieraads
Bestaat in de eenheid van geschied’nis, tyd, én plaats;
(865) Hòe dat, én waar de knoop beginnen moet, én énden,
Het éénigst doelwit, daar het al op moet belénden;
Hoe zich het één tooneel aan ’t ander binden moet
In één bedryf; waarom vier spreekers niet voor goed
Gekeurd zyn by malkand’re op één tooneel; de réden,
(870) Waarom geen’ persoonaadje op ’t schouwtooneel mag treeden
Na ’t eerst uitkomen, dan geroepen, óf verwacht;
En and’re omstandigheên, nooit na den eisch in acht
Genomen by de bloem der dicht’ren, óf zeer zélden.
Neemt myn’ vrymoedigheid, ô groote Létterhélden,
(875) My, bid ik, gunstig af, dat ik in dit geval
Myn’ meening rondlyk uitte. Een ieder kan ’t niet al.
Want overal, uit zucht, der bésten wérk te pryzen,
En geen’ gebréken, schoon ze’er schuilen, aan te wyzen,
Vermeêrt hun lóf sléchts by de zótten, én bedérft
(880) De kunst in korten, dat ze alléngskens kwynt, én stérft.
Dewyl de vólgers, meest een slaafsch gebroed van aapen,
Niet létten op de grond der kunst; maar zich vergaapen
Aan ’s meesters voorbeeld, goed én kwaad gelyk ontzag
Toedraagende, éven óf de kunst in vólgen lag.
(885) En óch! wat zou men nóch van Schouwtooneelkunst weeten,
Had Vrankryk zich hier in niet dapperer gekweeten;
Sint dat de Kardinaal van Richelieu zyn’ gunst
Zo mildlyk toonde den liefhébberen der kunst;
Toen hy hén lókte mét belooningen van gélde,
(890) En eere, én dus zyn kunstgenootschap innestélde;
Toen hy, die, als de Gód der Zanggódinnen, blonk,
Het Koninklyke school den kunsten bouwde, én schonk,
Dat worstelstrydpérk van geleerdheid, én van wysheid,
Door wiens ontsteeken licht men in de aaloude grysheid
(895) Zo klaar, én hélder ziet, dat zo Euripidés
(Gelyk ’t kon weezen) had gemist, óf Sophoclés;
Men zulk een’ misslag, als een’ misslag, aan zou merken,
En blindeling, nóch stom voorbygaan in hunn’ wérken.
En schoon Córneille, die Tooneelzon, niet méde in
(900) Het kunstgenootschap was; nóchtans is in’t begin
Door ’t yv’ren tusschen hém, én deeze kunstgenooten
Een’ vonk ontstaan, waar uit veel’ straalen zyn gesprooten,
Wier héld’re klaarheid zo het Schouwtooneel beschynt,
Dat nacht, én nével van onweetendheid verdwynt.
(905) En ’t was het minste in ’t kunstgenootschap na te speuren
Wat hén te vólgen, óf wat hén stond af te keuren,
Of steeds op ’t voorbeeld van de aaloudheid aan te gaan.
Daar wierd iets grooters, én vry stouters onderstaan:
Want ze op ’t Latynsche spoor zich op hunne eigen’ wieken
(910) Vertrouwende, én de wys van Romen, én van Grieken
Mét wil verliezende uit het oog, tót hooger vlucht
Zich zélf begaaven in de ruime, én ópen lucht.
En dus is in het Fransch niets onverzócht gebleeven.
Wat zou ’t aan Neêrland ook een’ glans, een’ luister geeven,
(915) Dat iemand, wykend’ van der Ouden daaden af,
Zich aan ’t vermaaren van ons Vaderland begaf,
Mét onze Hélden, en hunn’ dappere oorlógsdaaden
Te kroonen, op het Duitsch Tooneel, mét Laurebladen.
De Néderduitsche taal wierd haast zo hoog geacht,
(920) Als onze Koopmanschap, en alzo vér gebragt,
Wén wy ons maar de moeite, én arbeid van ’t verschaaven
Getroosten wilden, én ons wérk niet uit én gaaven
Mét zulk een’ driftigheid. Gy dan, ô braave stam,
Geelvinken, édel bloed van ’t magtig Amsterdam,
(925) Maakt staat, nóch achting van gedichten, opgeslagen
In weinig uuren, én voltooid in weinig dagen.
Elk woord zy ménigmaal verbéterd, én verschrapt,
Versmeed, veranderd; én ’t onnoodige uitgekrabt.
De meeste ménschen, dat ’s te zéggen zeer veel’ zótten,
(930) Die alle kunsten, én bespiegeling bespótten,
Gelooven, dat alleen de geest pöeeten maakt,
En kunst, óf oeffening de pöezy niet raakt;
Zo dat ze lieden van verstand, én oordeel buiten
De bérg van Hélicon, én haare grénzen sluiten.
(935) Dit maakt veel’ jonge maats zo driftig, én zo heet
Op straatlóf, dat ze, als dol na de eernaam van pöeet,
Om wys te schynen, mét geen ménschen willen praaten;
Op Dam, nóch Beurs, nóch Brug verschynen; dootsche Straaten,
En Burregwallen gaan bewand’len. Ik, helaas!
(940) Bén, als men zo pöeet moet worden, wél een’ dwaas,
Dat ik een’ maijdrank drink in ’t voorjaar, en myne ad’ren
Doe openen; wie zou me in ’t rymen durven nad’ren?
Men vond geen man in ’t land, die ’t opnam tégen my.
Maar daar is weinig aan gelégen; ik bely,
(945) Dat ik niet voorhéb, my die fratsen te onderwérpen.
’k Zal, als de slypsteen, doen, die ’t yzer wel kan schérpen,
Al blyft zy zélve bot; ’k zal onderwyzen, hoe
Men wél moet schryven, alhoewél ik ’t zélf niet doe;
’k Zal toonen, waar de schat der dichtkunst is versteeken;
(950) Wat braave dichters maakt, én voort weet aan te kweeken;
Wat wél, wat kwaalyk voegt; hoe hoog de kundigheid
Een’ dichter zét, hoe vér de dwaaling hém verleidt.
De bron, én grond van wél te schryven is het weeten.
De Filozoofen moet gy opslaan, ô Pöeeten.
(955) Want als gy u, naar eisch, van zaaken hébt verzien
By die gelétterde, en die doorgeleerde liên,
Zo hoeft ge u weinig om de woorden te bemoeijen;
Zy zullen u van zélfs uit brein, én véder vloeijen.
Al die geleerd heeft, hoe hy aan zyn vaderland
(960) Verbonden is; hoe vérre aan zynen vrind verpand;
Hoe hy zyn’ huiswaerd, hoe zyn’ broeders, hoe zyne ouders
Beminnen moet; wat pak ligt op der recht’ren schouders;
Hoe vér de plicht gaat van een’ raadsheer; hoe een héld
Zich heeft te draagen in de krygsraad, én in ’t véld;
(965) Die weet ook élk zyne aart, én eigenschap te geeven.
’t Is dan hoognoodig, dat hy ’t voorbeeld van het leeven,
Van ’s waerelds zéden, én gewoontens gade slâ,
En, bootsende natuur in allen deelen na,
Zyn’ kunst van zéggen uit de zuiv’re bron gâ haalen,
(970) Die iets geleerdlyk, én behaaglyk af wil maalen.
’t Gebeurt somwyl, dat een Tooneelspél zonder kunst
Van tooisel, zonder wigt van woorden, meerder gunst
Behaalt, én ons gemoed meer vreugd geeft, én genoegen,
Wanneer ’t zich geestig, én natuurlyk weet te voegen
(975) Na ’s waerelds zwier, dan grootsche, én trótse vaerzen, yl
Van zaaken, brommende mét een’ verheeven’ styl.
By de Oudheid was de kunst van ’s ménschen aart, en zéden
In hunne schriften zeer natuurelyk te ontleeden,
Van nét, én sierlyk te bewoorden hunne stóf;
(980) Omdat zy nérgens op uit waaren, dan óp lóf.
Maar waar in wordt de jeugd in Hólland onderweezen?
In plaats van boeken vol geleerdheid door te leezen,
Leert zy ’t verschillen van dry vyfde, én vyf oktaaf
Persénto, én die dit kan reek’nen, dat gaat braaf,
(985) Roept luids keels man, én maagd; ’t is ’t liefste van myn’ kind’ren,
Zégt Vader: want hy zal het zyne niet vermind’ren;
Hy weet de rékening van Intrést, én Rabat
Nét op te maaken; hy verstaat zich op ’t Barat.
Maar meent men, als die roest, én zórg van géld te winnen
(990) Eéns ingevreeten, én doorkankerd heeft de zinnen,
Dat iemand mooglyk, in zyn’ dichten, menig jaar,
Of eeuw na zyne dood zou leeven? vér van daar.
Een prysselijk gedicht moet stichten, óf vermaaken;
Of liever, ’t geen ons vrucht én vreugd geeft, beide raaken.
(995) Zo ge onderwyzen wilt, vooral zyt kort, én klaar,
Opdat men haast uw lés bevatte, én lang bewaar’:
Wat overtóllig is, wordt lichtelyk vergeeten;
’t Geheugen walgt van ’t geen onnoodig is geweeten.
En zo ge iets geestigs wilt verdichten, om ’t vermaak,
(1000) Gy dient te maaken, dat het schyne een’ waare zaak.
Zy missen gróflyk, die voor schoon, en wonder schatten,
’t Geen ongelooflyk is, óf ’t geen men niet kan vatten,
Als, wén een’ tooverés, óf ongebooren wyf
Een kind vreet, én het weêr trékt leevend uit haar lyf.
(1005) Al, wat geen nut geeft, kan den ouden niet behaagen,
Al, wat vermaak dérft, kan de jonkheid niet verdraagen;
Wie dan vermaaklyk sticht, én stichtelyk vermaakt,
Heeft nét op ’t middelpunt van ’t waare wit geraakt.
Een Boekverkooper raakt mét winst van zulke boeken;
(1010) Want and’re Landen gaan zy over zé bezoeken,
En rékken eeuwen lang ’s bekénden schryvers eer.
Niet dat ik een gedicht juist zo volmaakt begeer,
Dat ik geen misslag in den dichter zou verschoonen.
In ’t luitslaan geeft somtyds een’ snaar wél and’re toonen,
(1015) Als hart, én hand begeert; men grypt by aventuur,
Al dénkt men in B mól te grypen, in B duur:
Ook tréft de pyl niet steeds, daar oog, én boog op mikken.
Dus weet ik ééne vlék, óf twé wel in te schikken,
Die uit verzuimenis, óf ’s ménschen zwakheid spruit;
(1020) Steekt maar het grootste deel des wérks voortréflyk uit.
Maar, éveneens gelyk een drukker, óf een zetter
Gansch onverschoonlyk is, die in een’ zélfde létter,
Al is ’t hém ménigmaal gezégd, geduurig mist;
En zo belachlyk, als ons schynt een luitenist,
(1025) Die altyd misslaat op een’ zélfde snaar; zo éven
Dunkt me een pöeet te zyn, die lós, én onbedreeven
Rymt by de tast, om wien ik mét verwond’ring lach,
Heeft hy een vaers, óf twé, dat door de beugel mag:
En ’t moeit me in ’t hart, als Hoofd, óf Vondel somtyds missen;
(1030) Dóch in een groot wérk mag men zich wél ééns vergissen.
Verbeeld u het gedicht gelyk een schildery.
’t Eén staat zeer wél van vérre, én ’t ander van naby;
Dat zal in ’t duister bést, dit bést in ’t licht behaagen,
’t Geen ’t keurig oordeel van een’ kénner kan verdraagen;
(1035) Dat staat ons ééns aan, dit zo ménigmaal men ’t ziet.
O braave Zoons, hoewél ge in ’t wit, daar gy op schiet,
De wég na kunst, én deugd, geleid wordt door uw’ Vader;
En zélf door uw vernuft betoont, een’ vrugtbaare ader
Dier milde bron te zyn, verwérpt tóch, nóch veracht
(1040) Deez’ nutte lés niet; maar houdt die in uw gedacht.
In veele zaaken wordt iets middelbaars geleeden.
Dus mag een pleiter, schoon hy niet zo rijk van réden
Is, als la Mine, én hy de kunst juist niet verstaat,
Als Hóp, wél doorgaan voor een’ gaauwen Advokaat.
(1045) Maar zyt ge een middelbaar pöeet, een tusschenlooper,
Gy wordt veracht van klérk, van leek, ja boekverkooper.
Als ge op een tréflyk maal veel’ Heeren had genood,
En daar een vidd’ler van den Overtoom ontboodt,
Om op te zaagen, én uw’ schaffer liet belasten,
(1050) Verrótte Ansjovis, weeke Olyven aan uw’ gasten
Te disschen, daar al dit niet noodig was geschaft,
Wierdt gy niet uitgelacht mét réden, én bestraft;
Omdat gy al ’t vermaak der gasten door dien sléchten
Onnooz’len speelman, én verdorven’ bygeréchten
(1055) Verbande, én zélf onteerde uw groot, én kóstlyk maal.
’t Is mét de Dichtkunst zo, als mét een braaf onthaal;
Zy is gevonden, om de zielen te vermaaken;
Wykt zy van ’t hoogste, zy zal in den afgrond raaken.
Die niet kan schérmen, slaat zyn’ hand niet aan ’t florét;
(1060) Die niet kan danssen, houdt zich buiten het ballét,
Opdat mét réden hém de omstaaners niet begékken.
Eén échter, die ’t niet kan, wil méde aan ’t rymen trékken.
En waarom niet? hy is van tréffelyk geslacht,
Van groote midd’len, van geen schéllemstuk verdacht.
(1065) Dóch, gy, dicht niets, zo gy Natuur niet hébt te voordeel;
Gelyk ik weet, dat zulks uw’ neiging is, én oordeel;
Of hébt gy eertyds iets geschreeven, dat het oor
Van Schépen Six, én van uw’ Vader ’t eerst eens hoor,
En ’t myne; mag my zo veel eer, én gunst gelukken;
(1070) En laat het dan nóch na de négen Jaar eerst drukken.
Wat niet in ’t licht is, kunt ge altyd, indien ’t behoort,
Verand’ren. Nimmer keert het eéns gesproken woord.
Voor ’t ov’rig hoeft gy u der Dichtkunst niet te schaamen,
Als óf zy kwaâlijk aan den Grooten zou betaamen.
(1075) O neen; want Orpheus, zo in zyne tyd geacht,
Die tólk der Góden, heeft het ménschelyk geslacht
Door vaérzen afgeschrikt van moord, én beestig leeven;
Waarom die braave naam den héld is nagebleeven,
Dat hy de Leeuwen, én de Tygers témmen kon.
(1080) Ja vórst Amphion, die oud Thébe zélf begon
Te bouwen, kreeg die naam, dat hy de harde steenen
Kon leiden door zyn’ luit, én vleijend dicht waar heenen
Hy wilde. In deeze kunst stak eertyds het verstand,
De magt, het récht, dat zy ’t bezonder eigen van ’t
(1085) Gemeen, én ’t heilig van ’t onheilig onderscheidde;
Ja de ongebondene in hét wéttig huuwlyk leidde;
Het huuwlyk naauw verbond door voorrécht, én door straf;
Geheele stéden bouwde, én ’t vólk hunn’ wétten gaf.
Dit zyn de trappen, dit de middelen, én wégen,
(1090) Daar dicht, én dichters zulk eene eernaam door verkreegen.
Een’ wyl na deeze kwam de uitsteekende Homeer,
Daar na Tyrthaeus, om het manlyk hart tót eer
Van oorlógsdaaden op te hitzen, én te wétten
Door vaerzen. ’t Gódlyk woord liet zich in vaerzen zétten,
(1095) Door koning David, én door koning Salomon,
Door Mozes, Mirrhiam, Marie, én Simeon.
In lófgedichten wordt Góds naam alom gepreezen
Op maat, én ons de wég des leevens aangeweezen.
En niet alleen schuilt eer, maar voordeel in die kunst;
(1100) Want veele hébben in der grooten Heeren gunst
Zich ingewikkeld door voortréffelyke dichten.
En éndelyk is ook het Schouwspel, tót verlichten
Van langen arbeid, én ’t verkwikken van den geest,
In zórgen afgesloofd, op maat gestéld geweest.
(1105) Bezéf nu, óf gy u der Dichtkunst hoeft te schaamen,
Als óf zy kwaâlyk aan den Grooten zou betaamen.
Men heeft van ouds getwist, én twist nóch op dit uur,
Of iemand dichter wordt door kunst, óf door Natuur.
Voor my, ik oordeel, wien de Zanggódinnen haaten,
(1110) Dat hém nóch oeffening, nóch blókken iets zal baaten:
Ook is ’er, dunkt me, niets van waerde aan de and’re kant
Te hoopen van een gaauw, maar onbeschaafd verstand:
De een heeft des and’ren hulp van doen; een’ vruchtbaare ader
Zo van natuur, als kunst behooren beij te gader
(1115) Verzéld te weezen, eer men in ’t beroemd getal
De grootste Dichteren een’ plaats verkrygen zal.
Veel’ hitte, én koude moest wel in zyn’ jonkheid lyden;
Veel doen, veel uitstaan: zich van wyn, én vrouwen myden,
Die by den ouden zich het worst’len onderwond;
(1120) Of sléchts na de eerkrans van een’ wéddelooper stond.
Men wordt mét kracht, mét geest; maar niet mét kunst gebooren.
Als we iemand heerlyk op het órgel speelen hooren,
Die heeft zyn’ meester lang gediend, gevierd, geëerd,
Zyn’ konst na lange tyd mét groote vlyt geleerd.
(1125) Maar nu, nu is ’t genoeg, dat iemand sléchts durft zéggen,
’k Maak wond’re vaerzen, ’k wil by niemand achterléggen,
Of minder weezen, als een ander, gewaardeerd.
Ik kan ’t gelyk de béste, al héb ik ’t niet geleerd.
Gelyk Plakkaris ’t vólk by één lókt om te koopen,
(1130) Zo lókt zyn’ vleijers, om na ’t snood gewin te loopen,
Een dichter wél begoed, voorzien van land, én zand,
Van reede pénningen, én brieven op het Land.
Indien die rykaard dan wat mild is in bankétten
Te geeven, én somtyds zyn’ gasten zacht te zétten;
(1135) Of bórg blyft voor een’ bloed, die niet betaalen kan,
En dus de maaners paait van deezen armen man;
Of iemand weet door hulp van nichten, én van neeven
Een pleit te winnen, een óffiesitje kan geeven:
Het zal me nieuw doen, heeft die rykaard het beleid,
(1140) Dat hy een’ schynvriend van een’ waaren onderscheidt.
Gy dan, myn’ Heeren, hébt ge aan iemand iets geschonken,
Of wilt ge iets schénken, ziet wél voor u, dat hy dronken
Van blydschap, over uw gedicht geen oordeel vél:
Want hy zal blindelings uitschreeuwen, tréflyk, wél,
(1145) Puik, heerlyk; hij zal van verwondering bestérven,
Opspringen, stampen; én, gelyk als ménigwérven
Eens buurwyfs droefheid in een rouwhuis grooter schynt,
Als dien ’t verlies eens mans, óf vaders waarlyk pynt;
Zo wordt een vleijer, om een’ plasdank, in uwe oogen
(1150) Meer, als die waarlyk uw’ gedichten acht, bewoogen.
De Grooten, om het hart van iemand door te zien,
En af te meeten, óf hy hunne gunst verdien’,
Onthaalen hém, doen hém mét groote glazen toeven,
En stéllen door de wyn zyn hoofd op losse schroeven.
(1155) Gy ook, als ge op uw wérk eens anders oordeel vérgt,
Lét, óf zyn lamm’retong een vóssenhart verbérgt,
Of récht ronduit spreekt; óf hy vriend is, óf verleijer.
Indien gy een gedicht vertoont aan Dókter Meijer,
Die zal u zéggen, daar, verbéter dit, én dat.
(1160) Geeft gy tót antwoord, ’k héb al veel papiers beklad,
En twé, drymaal verzócht, óf ik het kon vermaaken;
Maar na vergeefsche vlyt myne arbeid moeten staaken.
Wél, zégt hy, kunt gy ’t niet verand’ren, schrab het uit;
Of smeê het, én hérsmeê ’t zo lang, tót dat het sluit’.
(1165) Maar, zo ge liever, dan verbét’ren, uw’ gebréken
Wilt voorstaan, zal hy niet een énkel woord meer spreeken,
Nóch ydel wérk doen; maar hy gunt u mét uw’ pop
Alleen te speelen naar uw’ zin, én schiet u op.
Wie wys is, én de plicht eens wyzen wil betrachten,
(1170) Zal al, wat kunstloos is, bestraffen, én verachten,
Den vaerzen, die hy hard, onsierelyk, óf gróf,
Of al te zeer gesmukt, óf dubbelzinnig, óf
[p. 38]
Te duister vind, zal hy een’ schrab, een teiken geeven,
En heel vrymoediglyk berispen durven; éven
(1175) Als ’t Kunstgenootschap, door de zinspreuk, én de prént
Van NIHIL ARDUUM VOLENTIBUS bekénd.
Die zéggen nooit, zou ik een’ vrind om beuz’len steuren?
Voorzéker; érnstig kwaad spruit vaak uit zulke leuren;
Als hy, die anders was geacht by wyze liên,
(1180) Nu om zyn’ vaerzen voor een’ gék wordt aangezien.
    Gelyk men iemand schuuwt, die dol, óf die bezeeten,
Of schurrefd is, óf van een’ dollen hond gebeeten,
Zo mydt, die wys is, zulk een’ raazenden pöeet,
Opdat hy hém niet smétte, óf aan doe eenig leed.
(1185) Het graauw, de jongens zyn op hém als uitgelaaten.
    Als deeze nu, terwyl hy, zwérvend’ langs de straaten,
Zyn’ weidsche vaerzen braakt, én opsnydt, gansch vervoerd,
Gelyk een vogelaar, die op de vogels loert,
Valt in een’ put, óf kuil; al roept hy, burgers, vrinden,
(1190) Hélpt! hélpt! hy zal nóch hulp, nóch médelyden vinden.
    Zo iemand mét een touw aanloopen komt, én wil
Hém hélpen, dien zal ik dit zéggen, houd u stil,
Hoe kunt gy raaden, óf mét willen, én mét weeten
De man zich zélf niet heeft in deeze put gesmeeten,
(1195) En al gebérgd wil zyn; ’k zal hém mét eenen gaan
Het sprookje van Pöeet Empédoclés verslaan,
Die, om onstérflyk, én een Gód geacht te weezen,
In Etnaas vuurkólk sprong koels moeds, én zonder vreezen.
Men gunn’ den Dicht’ren dan ’t vermaak, het stâ hén vry
(1200) Te sneuv’len in hunn’ waan, én zótte raazerny;
Want iemand tégen wil, én dank, in ’t leeven spaaren
Is, óf men ’t iemand nam, die ’t gaeren zou bewaaren.
    ’t Is ’t eerst niet, dat hy in een’ put viel, én al is ’t,
Dat gy meêdoogend hém daar uit hélpt, ô! gy mist!
[p. 39]
(1205) Indien ge dénkt, dat hy zyn’ zótheid ooit zal dérven,
En dolle drift, om een’ vermaarde dood te stérven.
    Ook weet men niet, waarom hy zich in ’t rymen steekt,
En dag, én nacht zyn hoofd mét vaerzemaaken breekt;
Of hy zyn’ handen aan zyne ouders heeft geschonden,
(1210) Of zich bezoedeld mét afgrysselyker zonden.
    Dóch ’t zy daar meê, zo ’t wil; hy raast. En éven, als
Een’ beer, die zyne boeij’ gescheurd heeft van den hals;
Zo doet die moeijelyke opsnyer voor hém vlieden
Geleerde, én ongeleerde; óf houdt, én moordt de lieden,
(1215) Indien hy ze achterhaalt, wier vél hy niet verlaat,
Dan van hun bloed, als een bloedzuiger, eerst verzaad.

Continue

Vijf odes door Christoffel Pierson: twee bij zijn Ovidiusvertaling en drie bij zijn Vergiliusvertaling.
Christoffel Pierson:
Antwoorden der Griecksche Vorsten op twaelf van Ovidius Nazoos Treurbrieven der Blakende Vorstinnen. Ter Goude, [1658].
Gebruikte exemplaren: Gouda, Streekarchief Midden-Holland: 566 E 26 : 1; UBL MC 1019 G 32 : 2 en 1201 G 17.

[p. 73]

HORATIUS

Vierde Gezangh van zijn
derde Boeck.


Hy, door der Zanggodinnen hoede, groote perikulen
ontkomen, hoopt door haer hulp altijt
veyligh te leven.

    KOningin Kalliopé
Dael toch van den hemel neder,
    Zinght een langh zoet liedjen uyt
    Onder ’t spelen van uw’ fluyt;
(5) Of is uwe lust gereeder
Om uw’ schelle keel te paren
Met god Febus cijtersnaren,
    Hoe gy ’t maeckt wy luyst’ren meê.

    Hoort, ey stil, hoort gy haer niet?
(10) Of beguyg’len mijmerkluchjes
[p. 74]
    Mijn verstant? ’k denck ick ’er door
    Heyl’ge wouden dwalen hoor,
Waer in waterloop en luchjes
Lieflijck ruyschen op haer zingen.
(15) Ringelduyven, daer veel dingen
    Ons met praet van wort bediet,

    Hebben (toe ’k noch was een kint,
En, vermoeyt van slaep en spelen,
    Langhs den vultur lagh gestreckt)
    (20) My met jeugdigh loof bedeckt,
Langs den vultur in de deelen
Van Apuli’, daer ick onder
Ben gevoet. het scheen een wonder
    By een yder, woonende in ’t

    (25) Steyl en hooggelege gat
Acheronti, en de bosschen
    Der Batinos, en die van ’t
    Vette Ferentijnsche lant;
Alle menschen was ’t een wonder
[p. 75]
(30) Hoe ick lach te slapen, zonder
Dat geen swarte adders losschen
    Quamen haer fenijn, of dat

    My geen beeren leet en deên;
Hoe ick, moedigh kint, van Goden
    (35) Dus beschut en bygestaen
    Met gewijde laureblaên
En verzaemde mijrte telgen,
Wiert bestommelt voor ’t verdelgen.
Zanggodinnen, die my nooden
    (40) Tot uw’ dienst, het zy ick heén

    Na het hoogh Zabijnen tij,
’t Zy ick keer na ’t koel Preneste,
    Of, het steyle Tibur my
    Tot zich lockt, of dat het zy
(45) Ick na ’t wat’rich Bayen neyge;
Waer ick ben ick blijf u eygen.
’t Strijden voor Filippes vesten
    Met verlies van Brutus zy,

[p. 76]
    Nochte den vervloeckten boom,
(50) Noch de Ciciljaensche baren,
    Hebben my, die lust en zin
    In u rey en bronnen vin,
Niet geholpen om het leven;
Waer gy my niet wilt begeven
(55) Vrees ick oock voor geen beswaren.
    ’k Zal den barren bosforstroom,

    Als een willigh zeeman, graegh
Overvaren, en te lande
    Het onreysbaer dorre zant
    (60) Van d’ Assiriaensche strant
Oock bezoecken. zonder schennis
Zal ick in ’t bezighten, kennis
Nemen van de Britsche stranden,
    En ’t ongastvrijvolck, dat staegh

    (65) Valt aen ’t muyten; en Konkaen’,
Die met paerdebloet vermaeckt is;
    Oock van de Gelonen, vlugh,
[p. 77]
    Met pijlkokers op den rugh,
En den vliet van ’t noortse Scijten
(70) Gy die Cesars zorgh doet slijten
Als dien grooten vorst geraeckt is
    In Piërus welfde paên.

    Om te rusten van zijn last,
Wen zijn afgestrede benden
    (75) In bezettingh zijn gebracht.
    Zanggoddinnen, zoet geslacht,
Koestervoedsters van ons leven,
Ey wilt goede raden geven
En met blijdschap tot ons wenden
    (80) Wy bevroên en weten vast

    Hoe hy, die logge aerd’
En de ongestuyme baren,
    Lant en rijcken door den druck
    Toomen kan met ongeluck;
(85) Die alleen kan evenaren
Zij bestieringh, heel rechtvaerdigh
[p. 78]
Over Goden groot en waerdigh
    En den mensch van sterfflijcke aert;

    Oock ’t bloetdorstige geslacht,
(90) En de godvergete reuzen,
    Met zijn snelle blixemstrael
    Uytgeroeyt heeft altemael;
Deze gruwelijcke gasten
Torsten op haer armen lasten
(95) Om den hemel heel te kneuzen;
    Die gebroeders groot van kracht,

    Poogend’ Pelion op ’t spits
Van Olijmpus top te zetten,
    Hadden Jovis door dat stick
    (100) Aengejaeght en groote schrick
Maer, schoon zy haer moedwil wetten
Wat kon Tifus stout vermeten
En ’s ontzigb’ren Mimas sweten,
    Of Porfirion, heel bits

[p. 79]
    (105) En verschricklijck groot, vol waen,
Retus met verscheurde stroncken
    Of Enceladus, vermaert
    Voor een schutter stout van aert,
Tegen ’t rammelen van Pallas
(110) Beuckelaer, die haer ten val was
Toenze ’t zaem ter neder zoncken?
    De alverterende Vulkaen

    En Vrouw Juno de goddin;
Hy die alle tijt zijn boge
    (115) Op zijn schouders houd, en klaer,
    (Die zijn ongebonden hair
In het zuyver nat komt doopen
Van Kastalis waterloopen,
Die, met al bekijkende oogen,
    (120) Kreupelbosch en woudt, waer in

    Hy te Licie is gebaert,
In bezit heeft die van Delfis
    En Patare voert den naem)
[p. 80]
    ’k Meen Apollo; hielden ’t zaaem
(125) Met Jupijn. Raloze machten
Vaeck van eygen last versmachten
Maer der goden zegen zelf is
    Over macht van matige aert,

    En zy haten het gewelt
(130) Dat, van boosheyt overgoten,
    Allerleye schelmery
    Vint en brout aen allen zy.
Gijas met zijn hondert handen;
En hy (a) die Diaen’ tot schanden
(135) Zocht te brengen, neêrgeschoten
    En van haren schicht gevelt;

    Nu voorneme aenwijzers zijn
Van mijn waer en zeker zeggen.
    De Aerde ’t monsterlijck geslacht,
    (140) Van haer boezem voortgebracht,
Weêr bedolven ziende leggen

(a) Orion.

[p. 81] In haer schoot, die hoortmen huylen
Dat haer broetzels in de kuylen
    Zijn van ’s afgronts diepe mijn:

    (145) ’t Snelle vier kan Etnás top,
Daer de reuzen onder sticken,
    Niet doorbraên: de gauwe gier,
    Uytgestelt ten wachter fier
Over boosheyt, laet geen picken
(150) Van des geylen Titi’s lever:
Piritous dien snoepreysswever
    Sluytmen voor verwaent getier
    Met drie hondert ketens op.




[p. 82]

HORATIUS

Zesentwintighste Gezangh
des eersten boecks,


Elius Lamia ter eeren.

    ICk, der zanggodinnen vrint,
    Zal de ongstuyme wint,
Laten vrees en droef beswaren,
Storten inde Kreetse baren,
    (5) En bekommeren my niet
    Welcken Koning zijn gebiet
Vreezen doet aen d’uyterste oorden
Onder d’ As van ’t kille noorden;
    Of wat Tiridaet vervaert.
    (10) Zanggodesse, zoet van aert,
[p. 83]
Die vermaeck vint in ’t geklater
Van het zuyver bronnewater,
    Swiert beschene bloempjes reê
    Tot een kransjen, om daer meê
(15) Mijnen Lamia te kroonen;
Wilt u hier in gunstich toonen.
    Zonder u is eer en faem
    My niet nut noch aangenaem.
’t Past u en uw’ zusterrijen
    (20) Dezen op nieu snaer geklangk,
    Dees met Lesbisch liergezanck,
T’zamen waerdigh in te wijen.



In Eneas overwinningh en Turnus doodt, zynde P. Virgilius Maroos twaelfde boek. Gouda, Gedrukt by Kornelis Dyvoort in ’t ABC., 1669. UBL 1197 E 32 : 3.
[fol. E6v]

JUNOOS GEBODT

Aen de Roomsche

TROYANEN;

Uyt Horatii derde gesangh des derden
boeks.

DE rechter, die het lant door bloedtschand heeft bedurven,
En een uytheemsche vrouw (na voormaels den versturven
            Laomedon de goon
            Onthil ’t bedonge loon)
        Heeft Ilium in as geset;
    Dat Ilium, van my en kuyssche Pallas, met
Den trouweloosen vorst en ’t volk gedoemt. D’onteerder,
Der Sparts’ echtbreeksters gast en flikkert nu niet meerder:
            En het meindeedigh saet
            Van Priamus, verslaet,
        Door hulp van Hector, in ’t gevecht
    Geen strijtb’re Grieken meer. Den oorlogh is geslecht
Die onsen oproer steef. ’k draegh voorts mijn wrok van binnen
En mijn gehaten neef, by Troyens Priesterinne
            Geteelt, aen Mavors op;
            ’k Gedoogh dat hy ten top
        Des held’ren hemels klimt, en smaekt
    Het Nectar-sap. En in ’t getal der gooden raekt:
Blijft tusschen Troy’ en Room’ de groote zee slegt bruysenn.
De balling heersch’ alsins met luk, soo ’t vee mach huysen
            En hupp’len op en af,
            Priaems en Paris graf,
[fol. E7r]
        En daer hun jongen ongstoort
    Verbergen.’t Kapitool dat staet dan vry en gloort,
’t Fors Roome schrijft de wet voor d’overwonnen Meeden:
Laet die gevreesde stadt haer naem wijt uyt verbreeden,
            Rondom, aen ’t lest van ’t landt,
            Daer Middelzee en strandt
        Euroop’ en Africa verdeelt;
    Daer d’overlope Nyl met vocht op d’akkers speelt.
Dat Roome, rustiger in ’t afslaen van de waerde,
Des ongevonden gouts, ’t geen nutter school in d’aerden,
            Dan ’t eenigh heilich pandt
            Met een roofgier’ge handt
        Tot menschelijk gebruyken houdt,
    Wat werelts-oort hier noch is tegens aengestouwdt
Laet dat de wapenen van Roomen aen gaen randen:
Verlangend’ om te sien in welk gewest der landen
            De son meest steekt en straelt,
            Of sneeuw en hagel daelt;
        Doch ’k spel met sulk een voorbestek
    ’sQuirijners luk, dat hy, door al te grooten trek
Tot ’t vaderlandt, en door te grooten staet-vertrouwen,
Oudt Troyen zich niet weet en onderstaet te bouwen.
            Soo Troyens avontuur
            Verrijst, ter quader uur
        Wort ’t weder deerlijk neergevelt:
    Terwijl ik, Jovis vrouw, en suster, ’t krijgsgewelt
Der overwinners, weer tot haer verderf sal halen.
Indien de koop’re vest door Febus last drie malen
            Verrijst, soo salse weêr,
            Door mijner Grieken heer
        Driemael vernielt zijn, en de vrouw
    Gevaên, om man en kint driemael bedrijven rouw.



[fol. E7v]

Aen de zang-godin

MELPOMENE.

Het leste gesang des derden boeks
van Q. Horatius Flakkus.

’k VOltoyd’ een heughenis die kop’ren duur noyt haelde,
En hooger steekt dan ’t punt der koninklijke naelden.
Slachregens vratigheyt, ontsloote noorde windt,
Noch telloos jarensnoer, of tijd-verloop, en vindt

(5) Daer op verdelgens-macht, ik sterf niet t’ eenemaelen,
’k Sal meerendeels de doodt ontvliên en hier na pralen
Met staegh-fris groeyend’ lof; soo langh d’ Aertspriester, met
De stille maeght, den voet ten kapitool’ op set.
Daer forss’ Aufidus* bruyst, en Daunus arm van stroomen

(10) ’t Boers volk heeft overheert, men my (hoogh opgekomen
Uyt lagen staet) als d’ eerst sal geven roem en prijs
Die het Eolisch vaers steld’ op Latijnsche wijs’,
Neemt glory uws verdienst, Melpomen’, swiert mijn haeren
Gewilliglijk rondom met Delfos lauwerblaeren.




Derde gesang des vierden boeks Horatii.

    MElpomen’; die gy maer
In sijn geboort’uyr eens belonkt met gunstig’ oogen,
    Wort geen doorluchtigh worstelaer,
[fol. E8r]
Noch van ’t geswinde paert seeghaftigh omgetoogen
        Op Grieksche wagenraên:
Noch d’oorlogh sal hem niet aen ’t Kapitool vertoonen,
    Verciert met Delfôs lauwerblaên
Als veltheer die den trots van koningen en kroonen,
        Vol dreiging, bracht ten val:
Maer’t water datt’er vloeyt door ’t vruchtbaer Tibur heenen
    En ’t dikgewasschen woudtloof sal
Hem door Eoolsch gesangh sijn edelheyt verleenen.
    Het volk van Roome, ’t hooft
Der wereltsteeden, ken my waerdigh by beminde
    Poëtenrey te staen; nu slooft
De nijt vergeefs, en ik my haer te boven vinde.
    ô Sang-goddin; die sacht
De goude luytsnaer slaet; ô gy, hadt gy ’t begeeren,
    Die self de stommse visch wel bracht
Aen ’t singen als een swaen; dat men in ’t gaen en keeren
    My vingerwijsend’ eert
Voor Roomsch lierspeelder, is door u alleen bedreven;
    En dat ik leef en wort begeert
(Gelijk ik wort begeert) is aen u dank te geven.

                                UYT.
[fol. E8v: blanco]
Continue
Jeremias de Decker: Gedichten. Versamelt en uytgegeven door J.K. Amsterdam, Jaob Colom, 1656. Ex. KBH 787 K 8.
Ode I, 3 (aan het schip) en 31 (aan Apollo); II, 6 (aan Septimius) en 14 (aan Posthumus); III, 25 (aan Bacchus) en IV, 7 (aan Torquatus).



[p. 113]
LIER-SANGEN

uyt Horatius vertaelt.

Aen APOLLO.
                Quid dedicatum poscit Apollinem
                Vates?
WAt vor fortuyn, wat luck of levens lot
Wenscht de Poët? wat vordert hy van God
Apollo doch? en nieuwen offerwijn
Vast plengende wat mag sijn’ bede zijn?

    (5) Hy wenscht voorwaer geen vet Sardinisch graen:
Geen hoopen vees, die ’t van de Son gebraên
Calabre queekt: het wit van sijn’ gebeên
En is noch Goud, noch Indisch elpenbeen.

[p. 114]
    Noch d’ackeren die Liris stil en soet
(10) En slecht van stroom steeds knaegt met sachten vloed:
Een ander nutte en pluck de lieflijckheid
Der wijngerden van ’t luck sich toegeleyt.

    De Koopman rijck in schatten sonder tal,
En van de Goôn getroetelt overal,
(15) Als die gerust en veylig voor verdriet
Dry viermael ’s jaers d’Atlantsche golven siet,

    Suyge als ’t hem lust, en onbenijd van my,
Uyt gouden kop de weelde en leckerny
Der wijnen frisch gewisselt of gekocht
(20) Voor waeren verre uit Syriën gebrogt.

    ’t Is my genoeg wanneer my tuyn of wey
Schaft luchte Malue, Olijf en Cicorey.
O geef, Apoll, dat ick gesond en frisch
Van lijf en geest mijn’ haest bereyden disch

    (25) Met blyschap nutte, en vorder bid ick, laet
Mijn’ ouden dag niet eerloos noch versmaed,
Noch treurig zyn, noch onversien van lied
En cyterspel; en meer en wensch ick niet.



Aen ’t SCHIP.
                Sic te diva potens Cypri.
SOo neem u Venus in behoed,
Soo moeten u van ree gescheyen,
    En aengerand van wind en vloed,
Die klare tweeling-sterren leyen,
    (5) Gebroeders eertijds van Heleen;
Soo, bid ick, moet de voogd der winden
    (Noord wester uitgeseyt alleen)
Alle andren trachten in te binden;
[p. 115]
    Dat ghy, ô Scheepken, teeder hout
(10) Gesond, welvarend en behouwen
    Virgilius, u toevertrout
Meugt levren d’Attische landouwen,
    En dat ghy doch op hechte kiel
Bedroefde sand- en zee-gevaren
    (15) Mijn’ vriend de weêrhelft van myn’ siel,
Geluckelijck meugt doen ontvaren.
    Hy had voorwaer de borst wel styf
En met drydobbel stael beslagen,
    Die eerst met brosse plancken ’t lyf
(20) Op felle zee bestond te wagen;
    En zag noch ’t buld’ren noch het slaen
Van wester tegens noorderbuyen,
    Noch droeve * regen-sterren aen, [* Tristes Hyades]
Noch dulle stormen uit den zuyen,
    (25) Die op den Adriaschen vloed
Alleen den meester spelen willen,
    ’t Sy datt’et hun sijn’ grammen moed
Lust op te ruyen of te stillen.
    Wat stervens wijse of slach van dood
(30) Vermogt dien stoutaerd te verbazen,
    Die ’t zeegedrocht soo wreed als groot
En ’t meir door stormen opgeblasen,
    En die steenrotsen onbeducht
En sonder tranen dorst aenschouwen,
    (35) Die langs Epyrschen boord berucht
Door ramp, den kielen staen te schouwen?
    Vergeefs vergeefs heeft God bestaen
Des aerdrijcks schoot aen alle sijên
    Te schiften met den Oceaen,
(40) En wijsselijck van een te snyên;
    Nadien de volcken, niet te vreên
Met eyge palen, andre hoecken
[p. 116]
    Als Godverachters over zeen
En sorgelijcke sanden soecken.
    (45) ’t Stoutaerdig menschelijk gebroed,
All watt’er dreigt getroost te lijen,
    Streeft staêg met reukeloozen moed
Door dier verbode schelmeryen.
    ’t Geslacht van Japhet stout en sier
(50) Ging zweven boven alle wolken,
    En stal met quade listen ’t vier,
En brocht ’et neder tot de volken.
    Als ’t vier den Hemel was ontschaekt,
Strax overquamen nieuwe ellenden,
    (55) Strax vielen koortzen schrael gekaekt
Op ’t aerdryk neêr met heele benden:
    ’t Noodwendig sterven, traeg van gang
En’voormaels langzaem in ’t vernielen,
    Vermelde zynen tred eerlang,
(60) En volgde korter op ons’ hielen.
    Dedael heeft wind en lucht doorsneên.
Met vlerken, noit aen menseh gegeven:
    Ja door verdoemden helstroom heen,
Dorst d’Herculynschen arbeid streven.
    (65) Daer is voor ’t stersselyk geslacht
Nset hoogs,.niet wigtigs asgeschoten.
    Ons’ stoute dwaesheid droomt en tracht
Wel zelfs den Hemel te bestooten:
    En onze boosheên onbesuist,
(70) Die noch om heil noch plagen zwichten,
    En dulden niet dat Jovis vuist
Neêrleg haer’ gramme blixemschichten.



Aen SEPTIMIUS.
                Septimi Gades aditure mecum.
SEptimi vriend, ghy die op mijnen eysch
U troosten soud een Gaditaensche reis
                Met my te wagen,
Die, soo de nood my na de grenzen trock
(5) Des Cantabers, wiens stijve neck ons jock
                Ontseyt te dragen,
Getrouwelijck en nimmer dolens moe
Met my tot daer, ja tot de Syrtes toe
                Soud durven varen,
(10) Dat wild gewest daer d’Africaensche vloed
Gedurig bruist, en tegens d’oevers woed
                Met felle baren:
’t Soet Tibur van ’t Argivisch volck gebout,
Och of wy daer ten lesten mat en oud
                (15) Eens smaken mogten
Gewenschte rust, en vollen stillestand
Van krijgs-gewoel, van soo veel sware land-
                En water-tochten.
Soo evenwel der Parken bitterheyd
(20) Myn’ ouden dag dat lustig oord ontseyt,
                De versche randen,
Waer langs de stroom Galesus speelt en swiert
Vermakelijck om ’t sneewit wol-gediert,
                En d’ackerlanden,
(25) Waer van Phalant wel eer is heer geweest,
Sal ick gerust en wel getroost van geest
                Dan gaen besoecken:
Dat hoecxken lands dat lacht my vrolijck an,
Dat lockt, dat treckt, dat dunckt my ’t soetste van
                (30) All ’s weerelds hoecken:
[p. 118]
Daer groeyt en vloeyt den honig overal,
Honig vol geurs, die geen’ Hymetschen sal
                Hoe lecker, wijcken:
Daer derf d’olijf soo frisch en groen als gras
(35) In goedheid by ’t Venafersche gewas
                Sich vergelijcken:
Daer stort de lucht schier staege lentens neer,
En levert laeu en matig winterweer:
                Daer siet men snijën
(40) Op Aulons kruin en wijngerdrijcken top
Wijnen, die ’t mild Falernsche druivensop
                Geensins benijên.
Die plaetse, vriend, dat salige gewest
Roept ons tot sich: daer zult ghy voor het lest
                (45) Na ’t bitter scheyen,
Op d’assche van uw’ eertijds lieven vriend,
Gelijck sijn’ trouw en vriendschap heeft verdient,
                Uw’ tranen spreien.




Aen POSTHUMUS.
                Eheu fugaces, Posthume, Posthume,
                Labuntur anni.
ACh! Posthume, ah! wy sien de jaren
Ons met gezwinder vaert ontvaren,
En schoon men tot den autaer vlied,
De rimpelen en silvre hairen
(5) En komen dies te spader niet.

    d’Aenstaenden ouder vol van qualen
Sal u niet trager achterhalen,
Ook sal d’onmijdelijcke slag
Der ongetemde dood niet dralen,
(10) O vrind, al gingt ghy dag aen dag
[p. 119]
    Dryhonderd offer-stieren slachten,
En mengelde gebeên met klachten
Soo vierig als oyt iemand kon,
Om Plutoos strengheid te versachten,
(15) Die den drylijfden Geryon

    En Titius, hoe grof sy waren
Omringelt met de droeve baren;
Die ’t all wat sich op aerdrijck voed,
Die Koningen, die bedelaren,
(20) Die elck voor hoofd bevaren moet.

    ’t Is al om niet dat wy voor ’t woeden
Van den bloed-dronken Mars ons hoeden.,
’t Is al om niet het schor geschal
Geschuwt der Adriasche vloeden,
(25) De dood betrapt ons overal:

    ’t Is al om niet gevreest de plagen
Der ongesonde suydervlagen
By herrebsttijd: ’t is al om niet
Voor ’t teeder lichaem sorg gedragen:
(30) Cocytus met sijn’ tragen vliet

    Dient eens gezien, gekent, geweten.
En all’ den arbeid ongemeten
De Belides niet waerd genoemt,
En Sisyphus tot eeuwig sweeten
(35) En steenomwentelen gedoemt.

    Ghy moet, ghy moet u eens bereyen,
Van aerde en huis en hof te scheyen.
Ia van uw’ Eegae frisch van leên
En van die lommermilde meyen,
(40) Die ghy hier viert, en sald’er geen

    Syns Heeren treurig lijck geleyen
En hem de laetste schaduw spreyen,
[p. 120]
Behalven ’t droef Cypressen groen.
Dan sal uw erfgenaem gaen weyen
(45) Op ’t breedste, en ruiterlyk verdoen

    Den wyn, bewaert met honderd sloten:
Dan word het vloer-albast begoten
En met veel bet’ren drank besmet,
Als oit van monden wierd genoten
(50) Op prachtig priesterlyk banket.



Aen BACCHUS.
                Quo me, Bacche, rapis tui
                Plenum?
WAer ruckt ghy my, ô Bacche, vol
Van uwe Godheyd hoog verheven?
    In wat voor schemerachtig hol,
Of schaeurijck bos word ick gedreven
    (5) Door nieuwe geesten vlug en licht?
In wat spelonk of achterpaden,
    Sal ick met helder heldendicht
Den lof van Caesars hooge daden,
    En d’eeuwige eer van sijn’ tropheen
(10) En nimmer dorre segepalmen,
    Doen klinken door de wolken heen,
En tot in ’t sterredak doen galmen,
    Ja zelfs tot in den raed der Goón?
’k Sal eenmael vry en onbedwongen
    (15) Gaen singen vaersen hoog van toon,
En noyt van and’ren mond gesongen,
    Soo schiet op hogen heugel-top
Ook Evias uit haere droomen
    En diepen staep verwondert op,
(20) Wanneerse versch ontwaekt de stroomen
[p. 121]
    Van Hebrus siet dien kouden vloed,
En Thrace wit van winter-vlagen,
    En Rhodope van woesten voet
Alom betrappelt en geslagen.
    (25) Hoe lust ’et myn nieus-gierig oog
Ver buytens weegs ontlast van kommer,
    Hier rotsen steyl en hemel hoog,
Daer eensaem’ bosschen mild van lommer
    Met veel verwondrens aen te sien!
(30) O ghy die voogd aen alle kanten
    En vliet-goddinnen meugt gebiên,
En teug’len dulle nacht-bacchanten,
    Die magtig sijn van u geraeckt
Hoog essche-stammen om te wringen:
    (35) ’k En zal niet dat na leegheid smaeckt,
Niet kleens, niet sterffelijcx gaen singen.
    ’t Is sorglijck, ó Lenaee, en soet
Dien God te volgen groot van daden
    Die ’t hoofd beslaet met eenen hoed
(40) Van altyd groene wyngerd bladen.



Aen TORQUATUS.
                Diffugere nives.
DE grijse sneeu heeft nu de wijck genomen,
            Het sachter lente-weêr
Kleed alle veld in ’t groen, geeft alle boomen
            Hunn’ blader-vlechten weer.
(5) ’T aerdrijck vernieut, d’ontswolle beken stroomen
            Weer tusschen d’oevers heen.
Geen’ Charites, geen’ teere Nymphen schroomen
            Nu naeckt ten rey te treên.
[p. 122]
De dag, die flux in uren is verstoven,
            (10) De snelle jaer-loop seyt,
Sich onder maen iet eeuwigs te beloven
            Is wind en ydelheyd.
Zephyr temt eerst de koude noordervlagen:
            Dan komt de somer-gloed
(15) Vermeesteren de lauwe lente-dagen,
            Tot dat hy wijcken moet
Den appel-rijcken herrebst met sijn’ vruchten,
            Die oock ten lesten sal
Voor ’t snuyven van den tragen winter vluchten:
            (20) Dan rijst, dus daelt’et all.
Doch ’t Mane-rond met rollen op en neder
            Door ’s Hemels Teecken-ry
Vergoed die schade, en roept de tijên weder:
            Maer wy, och arme! wy,
(25) Wy, als wy eens gaen glippen na beneden,
            Waer Tullus groot en rijck,
Waer Ancus, waer Aeneas is gegleden,
            Stracx smelten wy tot slijck.
Men wordt’er noyt in ’s werelds licht herropen.
            (30) En, och! wat weten wy,
Of ’s Hemels Goôn den morgen sullen knoopen
            Aen onser dagen ry?
All wat ghy dan genut hebt na betamen,
            Of met een’ milden sin
(35) Hebt uytgedeelt, daer slaen geen’ erfgenamen
            Hunn’ grage klaeuwen in.
Wanneer ghy ligt van ’s levens licht versteken
            En van de dood verkracht,
En Minos eens het vonnis heeft gestreken,
    (40) U sal noch hoog geslacht,
Noch milde tong, noch deugd in ’t licht herstellen,
            Torquate; want gewis
[p. 123]
Diane en kan van onder uyt der hellen
            Bedroefde duysternis,
(45) Dien Hippolijt hoe kuysch en vry van schanden
        Niet weder op doen staen:
En Theseus is niet magtig van doods banden
            Pirithöus t’ontslaen
Continue
Conradus Goddaeus: Nieuwe gedichten. Harderwyk, 1656.
In de voorrede vertalingen van Ode II, 10, III, 1 en 30.



[fol. **1v=
Goddaeus: Ode 2, 10:
Rustiger sal zyn Licius, uw’ bedryven,
Soo gy uw’ schuit niet te ver op de diept brengt,
Noch te seer hengelt om en aen de vlotte
                        Kante des oevers.
[...]
[fol. ***2v]
[...] Men hore hierover oordeelen en brallen den vermaerden Latynsen Poëet Horatium, toen hy ook de eerste geweest was, die eenige Grixe formen op de Latynse Dich-konst gebracht hadde: schoon hy alreeds andere treflike Poëten voor hem, ende de voortreffelste neffens hem, als Varium, Virgilium, Pollionem, Ovidium, &c. in syn tyd gehad heeft, die hy eenigsins mede konde volgen in ’t eerste instellen van syn Oden, ofte Lyrise Gesangen, daerin hem de Latynse spraak al soo wel syn moederlikke taal was, als ons nu de Neder duitse is. Aldus laat hy dan synfaem de gantse wereld door galmen, als hy eenige verssen van syn nieuwe ervindige ten voorschyn gebracht hadde, Ode ult. lib. III. Carminum.
Asclepiadéa.

            Exegi monumentum aere perennius,
            Regalique situ pyramidum altius,
            Quod non imber edax, non aquilo impotens
            Possit diruere, aut innumerabilis

            (5) Annorum series, & fuga temporum.
            Non omnis moriar, multaque pars mei
            Vitabit Libitinam. Usque ego postera
            Crescam laude recens, dum Capitolium
            Scandet cum tacita virgine Pontifex.

            (10) Dicar, qua violens obstrepit Aufidus,
            Et qua pauper aquae Daunus agrestium
            Regnator populorum, ex humili potens
            Princeps Aeolium carmen ad Italos
            Deduxisse modos. Sume superbiam

[fol. ***3r]
            (15) Quaesitam meritis, & mihi Delphica
            Lauro cinge comam Melpomene, volens.


Dat is: op deselve verssen overgeset.

            ’K hebb’ een werk nu voleindt, duiriger als metal,
            Als de hoog-spitsige toorns hoger en heerliker,
            ’T welk geen wolke-nat, of bystere hoorde-wind
            Kan verpletteren, of ’t lopende jaer-getal
            Noch die vluchtige tyd weet te veranderen.
            ’K sterf niet gantselik, en ’t meeste gedeelte van
            Rondom blyde met een cierlike Laure-krans.

    Niet dat Ik my of myne Gedichten by sulk een hoogberoemden en bondigen Poëet wil vergeliken; waermede ik op eenen dag niet eens te noemen ben: Maer om daermede te doen blyken, dat ’er al meer aen vast is, als de gemeine man in Griex en Latyn onervaren sal konnen begrypen of oordeelen. Waerom ook den selven Poëet, soodanig, als daer tot onbequem, doet afwysen, Ode I. lib. III. Carm.
[fol. ***3v]
Asclepiadéa.

Goddaeus: Ode 3, 30:
’K hebb’ een werk nu voleindt, duiriger als metal,
Als d’ hoog-spitsige toorns hoger en heerliker,
UB Gent
Continue
Jacob Westerbaen vertaalde Ode
II, 16; III, 9; en Epode 2
Gebruikte exemplaren: KBH 3176 G 29; UBA 1046 F 13; UB Gent Acc 9843; UBL 1198 F 17 : 1



GEDICHTEN

van

JACOB WESTERBAEN,
Ridder, Heer van Brandwijck en
Gybland &c.

VERDEYLT
in
VYF BOECKEN.

I.
II.
III.
IV.
V.
Minne-dichten.
Helden-dichten.
Mengel-dichten.
Ockenburgh.
Farrago Latina.

In ’s GRAVEN-HAGE,
_______________________________

By ANTHONY, JOHANNES ende PIETER
TONGERLOO,
Boeckverkoopers, 1657.




[p. 485]

LAND-LEVENS LOF
Of
Naevolginge vande tweede Epode van Horatius,
Beatus ille, qui procul negotiis.

    GEluckich is die man te achten
Die sich op’t land in stilheyd houwt
En daer zyn eygen acker bouwt,
Gelijck s’in ouden tyden plachten.
    (5) Die buyten het gewoel der vesten,
Leeft zonder ampten of bewindt,
En sich daer onbeslommert vindt
Van schulden en van interesten.
    Die, als den trommel werd geslagen,
(10) Op ’t Kalfs-vel niet te passen heeft,
En voor geen zee noch stroomen beeft,
Noch daer zyn lyf behoeft te wagen.
    Die schuw is van het Procederen,
Noch loopt den Pleyt-vos achter aen:
(15) Noch (om in haere gunst te staen)
Bedraeft het huys van groote Heeren.
    Nu is hy in zyn tuyn aen’t pooten:
Nu slaet hy zyne wijngert gae,
En snydt en snoeyt: verwerpt de quae,
(20) En houdt en fockt de beste lootcn.
[p. 486]
    Of siet in weyen en in daelen
Van ver syn koeyen graesen gaen,
Of gaet, daer syne korven staen,
De rentjes van syn Byen haelen,
    (25) En breekt het werck der kleyne knaepjes,
En perst’er uyt het soete nat,
En vult’er mee syn kruyck of vat,
Of scheert de wol van syne schaepjes.
    Of, als den Herfst nu is gekomen
(30) En toont syn cierelijcke hooft
Rondom gelaen met lecker ooft,
Pluckt peer en appel van syn boomen.
    Of snydt de druyven van de rancken
Die ’t purper ver te boven gaen,
(35) Om u, Priaep; en u, Sylvaen,
Voor tuyn-en-hof-zorg te bedancken.
    Nu lust het hem ter neer te leggen
In ’t lieffelijcke klaver-gras,
Nu onder ’t hooge boom-gewas
(40) Of onder koele dichte heggen.
    De beeckjes vallen ondertussen
Ter bergen af, en’t pluym gediert
Dat quinckeleert en tireliert
En soeckt syn vlammetjes te blussen.
    (45) De Bronnen met kristaele stroomen
Die loopen neer met kleyn gedruys,
En door cen dun en deun geruys
Doen hem de vaeck in d’oogen koomen.
    Maer als nu in de wintcr-daegen
(50) De lucht ons regen geeft en snee
Maeckt hy zyn tuygn en gaerens ree
Omv’t wilde zwijn daerin te jaeghen,
    Of stelt syn booghjes en syn stricken
Wanneer de graege lyster vlieght
(55) Die hy met qualster-aes bedriegt
En doets’ in hayre stropjes sticken.
[p. 487]
    Of tydt te veld met wind’ en bracken
Om in ’t geberght, in grient, in hey,
In riet en ruyght, in braeck en wey
(60) Het bloode haesje te verlackcn.
    Wie is er, die niet onderwylen
Vergeeten sou al ’t moeylijck quaed
Waer mee de liefde swanger gaet,
En ’t smerten van de minne-pylen?
(65)     Heeft hy daerby een vrou met eeren
Die sorge draeght voor huys en kind,
En dat hy ’t vyer aen ’t branden vind,
Wanneer hy moe te huys sal keeren:
    Die in het bocht, van rys gevlochten,
(70) De dick-geweyde koeyen sluyt
En treckt de melck ter speenen uyt
Die sy met styve elders brochten:
    En tapt hem uyt het beste vaetje,
En koockt syn pot van ’t geen sy heeft,
(75) Daer men geen gelt om uyt en geeft.
Van vruchten van syn eygen laedje:
    So vond ick smaeck noch leckernyen
In bisques noch in fricasseen
Loop vry met alle schilp-visch heen:
(80) Den oester kon my niet verblyen.
    Patrijs, noch korhoen, noch fasanten,
Hoe kort van vleesch, hoe murw, hoe mals,
En smaeckte niet so lieflijck, als
Salaet of kool van eygen planten.
    (85) Als peeren, die ick selfs mocht schudden,
Als vleesch en speck oyt myne schouw,
Als ’t kalfje dat ick snyden souw,
Als schaep of geyt van eyge kudden.
    Wat is ’t een vreugd, te sien syn schaepen
(90) (Terwylmen dus vast bancketeert)
Hoe al het goed nae huys toe keert
Om in haer hock te koomen slaepen!
[p. 488]
    Te sien syn paerden, uytgeslaegen,
Des avonds moede koomen aen
(95) Van uyt de ploegh of eg van daen
En het gareel nae huys toe draegen!
    Te sien een swarm van graege boden
Aen taefel of ontrent den haert,
Die voor de wormen ’t speck bewaert
(100) En ’t schimmel houdt uyt uwe brooden!
    Dus heb ick onlanx hooren spreeken
Hier in de Stad een woeckenaer
Die sich tot bouwen maeckte klaer,
En dacht syn huys daer op te breecken:
(105)     Des dee hy al syn geld opseggen
Op half September, sonder fout,
Nu heeft hy rou-koop, en hy sou’t
Weer tegen Baefmis gaern beleggen.


van de

GERUSTHEYD des GEMOEDS

of

Naevolginge van de xvi. ode lib. ii. Carm. Horatii

beginnende

Otium dives rogat in patenti &c.


Aen

RYCKERT.

DE schipper, Ryckert, bidt de Goon, te mogen leven
In stilheyd, als het stormt, en dat de dulle wind
Hem in|de volle zee sit in syn boeg en steven,
En hy noch ster noch maen by donckre nachten vindt.

[p. 489*]
(5) Het alderstrydbaerst volck wenscht oock om rust en vrede:
Maer recht gerust te syn en vindtmen niet te koop
Om paerl noch diamant, hoe veel j’er aen bestede,
Noch om de purper-verw, noch om een gouwen hoop.

Want schat of staet kan ’t hert voor onrust niet bewaeren
(10) Noch knecht, noch helbardier, die voor of achtergaet:
De sorgen wijcken niet voor goude kandelaeren
En vliegen om de kaers, oock die op kroonen staet.

Die sich met weynich paeyt kan wel en heerlijck leven
Schoon op syn kleynen disch geen gulde sout-vat staet:
(15) Die als hy slaepen gaet voor niemand heeft te beven
En die door hebbens-lust syn nacht-rust niet en laet.

Waerom verkracht men sich om veel slechs te bejaegen
Daer doch ons leven is maer van een korten tyd?
Wat soeckt ghy landen, daer de Son maeckt andre daeghen
(120) Als s’ op de hooghte doet daer ghy gebooren zyt?

Wie laet syn land, die sich niet elders mee sal vinden?
Bekommeringen gaen met haeren man te scheep:
Geen paerd ontrydt de zorgh: s’is snelder als de hinden,
Als buyen, die de wind drijft als een staege sweep.

(125) Syt gy van daegh verblijdt, wat vreest gy voor de morgen
Wat u ontmoeten sal? en hebt ghy droefenis
So breeckt met zoet gelach het bitter uwer zorgen.
Noyt is ’t geluck so groot dat het volkomen is.

Een jong en dapper man raect somtyds rasch om ’t leven:
(130) Een swaeker siet men wel op oude beenen gaen:
Den tyd sou mogelijck aen my wel kunnen geven
Het geen sy lichtelijck aen u niet toe sal staen.

Gy hebt veel lands,veel gelds, veel inboels en veel huysen,
Veel beesten in de wey, veel paerden op uw stal,
[p. 490]
(135) Ghy steeckt altyds in’t goud, in ’t sammet en in pluys’en
En volgt op ’t kostelijckst het kostelijcke MAL:

Ick bouw maer weynigh lands, en schryve dicht’ en deunen
Nae de geringe geest die in myn-rym pen steeckt,
En voorts heb ick geleert my weynich te bekreunen
(140) Wat het quaedwillig grau uyt haet en wangunst spreect.


Donec gratam eram tibi, od. ix, lib. iii,

HORATIUS en LYDIA.

HO. SOo langh ick welkom was, en dat gheen lieve Vryer
        Om uwen blanken hals Zyn armen quam te slaen,
    So was ick in my n zin geluckiger en blyer
Als of een konings-kroon had op myn hooft gestaen.
LY. (5) So langh ghy niemand meer als Lydia beminde i
    Als my, die so vermaert was door de gansche Stad:
    So langh ick nict en had te wycken voor Clorinde,
    So waller, nae my dacht > niet een die hooger trad*
HO. Nu heeft Clorinde my, die aerdigh weet te zingen
    (10) En slaet de snaeren wel: voor wien ick sterven wouw
    Indien ick van te voor kon van de Goon bedingen
    Dat, als ick voor haer stirf, zy eeuwich leven zouw.
LY. Nu brandt Amynt en ick door min van wederzyden:
    Amynt, voor wie dat ick wel tweemaels sterven wouw
    (25) So ick hem door myn dood kon van de dood bevryden
    En, als, ick voor hem stirf, hy nimmer sterven souw.
HO. Maer of ick u weerom gelijck voor heen beminde
    En Venus my aen u met staele banden bond,
    En ick om Lydia de schop gaf aen Clorinde,
    (20) En of myn hert voor u van nieuws weer open stond?
[p. 491]
LY. Ick souw om uwe min de syne willen derven
    Al is hy blanck en blond en witter als de snee:
    En waar getroost met u te leven en te sterven
    Al syt ghy licht als kaf en booser als de Zee.
Continue
P. Rabus en D. van Hoogstraten: Rijmoeffeningen, bestaende in verscheide stijl en stoffe van vaerzen. Amsterdam, Jan Claesz. ten Hoorn, 1678.

Pieter Rabus vertaalde Ode I,
4, 21, 22 en 26; II, 11; Epode 3
David van Hoogstraten vertaalde Ode I, 1, 3, 6, 19, 26, 30 en 31; Ode II, 8

Gebruikt exemplaar: KBH 8 C 27


P. RABUS
EN
D. VAN HOOGSTRAATENS
Rijmoeffeningen,
Bestaende in verscheide stijl en stoffe van
VAERZEN
Gepast op allerhande gelegentheden
en voorvallen.

[Typografisch ornament]

TOT AMSTERDAM,
____________________
By JAN CLAESZ ten HOORN, Boeck-
verkooper over het oude Heerelogement. 1678.



PIETER RABUS:
[p. 10]

HORATIUS

Lookvervloeking, zijnde het derde van
zijne Toezangen.


Parentis olim si quis impia manu senile guttur fregerit, &c.

Aldus by ons nagevolgt.

WIe eertyds goddeloos, en vals,
Brak zijn stokoude vaders hals,
Laet die vervloekte knoplook eten.
Hoe heeft me dat vergift gebeten,
(5) En in mijn ingewand gewoed!
Wat is ’t? of is het add’ren bloed,
Gekookt in groene kruyderijen;
Dat my die rampen heeft doen lijen?
Of heeft Kanidia de spijs
(10) Mishandeld op haer tooverwijs?
Gelijk Medea afgestreden
[p. 11]
Van liefde, op Jazons minzaemheden,
Den held met dit venijn verwon:
Nooyt heeft de brand der zomerzon,
(15) Al was ze in ’t heetste van haer gloeijen,
Het droote Apulie zoo doen broeijen;
Noch ’t barre hemd van Dianier,
Heeft Herkules, zoo fel, door ’t vier
De sterke schouderen verslonden,
(20) Als my dit lookvenijn geschonden
En deerelijk gepynicht heeft;
    Daerom Meceen, die altijd leeft,
En zweeft in dart’le boerteryen,
Ey wilt het booze kruyd vermyen.
(25) Of anders, als g’een meysken kust;
Laet die, (voor alle minnelust
Te plegen) uwen mond toe stoppen,
Om van die lookdamp niet te kroppen.



[p. 35]

HORATIUS

Twee en twintigste Gezang van’t I. boek.

Integer vitae, scelerisque purus non eget Mauri jaculis &c.

Aldus nagevolght.

Zang: O Kerstnacht!

AL wie op aerde, oprecht van handel,
Getrouw, en vroom in al zijn wandel,
Den eysch van zijn gemoed voldoet:
Behoeft geen schicht, of boog van Mooren,
(5) Om zijnen vyand te doorbooren;
En vreest niet schoon de boosheyd woed.

                            2.
    ’t Zy hy alle onrust stelt ter zij’en,
En reist door dorre woestinijen
Van Libyen; of’t vreeslijk pad
(10) Van Kaukazus, of daer beneden.
Langs den Hydaspes derft betreden:
Hy word hier door niet afgemat.

                            3.
    Want als ik, vry van slaefsche dingen,
Van mijne Lalage mach zingen,
(15) En buiten mijnen hoefslag, derf
Spansseren: heb ik niet te schroomen,
Van door gedrochten om te komen:
Daer ik nochtans als weêrloos zwerf.

[p. 36]
                            4.
    Dan heb ik geen gevaer te duchten,
De leeuw en wolf zal van my vluchten,
(20) In Jubaas droog gewest gevoed.
Komt zet me vry op nare* streeken,
Van alle zomerlucht versteeken,
Noch blijve ick echter wel gemoed.

                            5.
    (25) Komt zetme op onbewoonde wegen,
Omtrent den Middellijn gelegen,
Noch staet het praetstertjen altijd
Dat lachebekjen in mijn zinnen,
Noch zal ik Lalage beminnen,
(30) Met onvermoeide zorg en vlijt.



[p. 36]

HORATIUS
Zes en twintigste Gezang van ’t I. boek.

Musis amicus, tristitiam & metus
Tradam protervis in Mare Creticum
Portare ventis &c.
Aldus nagevolgt.

Zang: O Kerstnacht!
’K Wil langer geen verdriet beminnen,
Maer, als een Vriend der Zanggodinnen,
De vreez’ en droefheyd, schrik, en smart
Bevelen aen de felle winden,
[p. 37]
(5) Om door haer woeden te verslinden,
Ick wilze bannen uyt mijn hart.

                            2.
    Ik wil de zorgen laten vaeren,
In ’t midden der Kretenzer baeren,
’k Bekreun my niet het Vorstendom
(10) Van ’t kille noorden, en haer machten:
’K wil niet als vroolijkheyd betrachten,
By ’t zoete Zanggodinnendom.

                            3.
    O Zangnimf! die in frisse beken,
By altijd groene en koele streken,
(15) Vermaek schept; vlecht ons eenen krans
Van riekende onverlepte bloemen,
Ik wil mijn’ LAMIA gaen roemen,
Deze is mijn troost, en lust althans.


HORATIUS
Vierde Gezang van ’t eerste boek.


Solvitur acris hyems, grata vice Veris & favoni:
Trahuntque siccas machinae carinas: &c.


Aldus nagevolgt.

Zang: O Kersnacht!

Nu komt de lente weêr verschijnen,
En doet de winterkou verdwijnen;
Men hijst de kielen van de ree,
Het vee jookt uyt het stal te wezen,
[p. 38]
(5) De Boer in ’t veld, gelijk voor dezen,
De weyde is niet meer wit van snee’.

                            2.
    Vrouw Venus wil alree met reyen,
Zich in de nieuwe maen vermeyen,
De nimfen tripp’len hand aen hand,
(10) En willen zich ten dans begeven,
Men springt dat d’aerde schijnt te beven,
Op zulk’ een aengenaemen trant.

                            3.
    Terwyl Vulkaen de smis doet gloeijen,
En ’t Reuzenrot al ’t land doet loeijen,
(15) Met hu vernvaerelijk geklop;
Nu is het tijd om eens te danssen,
Het hoofd met groene myrt te kranssen,
Het bloempje zwelt reeds uit de knop.

                            4.
    Nu moet men Pan een Lam vereeren,
(20) ’t Zy hy een bokjen zou begeeren;
Wel aen, de vroolijkheid gaet los,
Laet ons zoo lang ons ’t lieve leven,
Tot ons bezitting is gegeven,
Hem offeren in ’t lomm’righ bos.

                            5.
    (25) De dood ontziet geen trotze koppen,
Maar komt zoo wel aan hoven kloppen
Der Koningen: als aen de deur
Van lage en ongeachte menschen,
De dood doet alle glans verslenssen,
(30) En haelt den Vorst uyt ’s levens fleur.

[p. 39]
                            6.*
    Het oogenblik van ’t korte leven,
Kan ons geen uurtje zeker geven.
Daer hangt u ’t noodlot over ’t hoofd,
Men word na Plutoos rijk gezonden,
(35) Het aerdsch vermaek is gantsch verslonden,
En alle lusten uytgedooft.


HORATIUS
Een en twintigste Gezang van ’t I. boek.


Dianam tenerae dicite virgines, &c.

Aldus nagevolgt.

Zang: O Kersnacht!

KOmt Juffertjes, en Jongelingen,
Ter eeren van Diane zingen,
Van Cinthius, en van Latoon,
Die zelfs Jupijn van min doet blaeken:
(5) Komt, wilt dit Godendom vermaeken,
De vreugd word u althans geboôn.

                            2.
    Ghy Vrysters, wilt doch met gezangen
Haer glory aen uw’ snaren hangen:
Al wie in ’t bosch- en vlietendom
(10) Vermaeck schept; of in bruyne wouden,
Of bronnen: komt vry jong’ en ouden
Verbreyd, en zingt haer lof alom.
[p. 40]
                            3.
    Komt, roem Apol, en zingt ter eeren
Van Delos: wilt de glans vermeeren
(15) Van zijn geboorteplaets: kom vier’
Zijn feest. Komt frisse jongelingen,
Wilt van zijn boog en pijlen zingen,
Zingt van zijn broederlijcke Lier.
                            4.
    Zoo zal hy door ’t gebed bewogen,
De ramp der bloedige oorlogen,
Als stramen van zijn straffe roe,
En alle burgelijke ellenden
Van Cezar, en het volk afwenden,
En drijvenze den vijand toe.


HORATIUS
Elfde gezang van ’t tweede boeck.


Quid bellicosus Cantaber, & Scythes
Hirpine Quinti, cogitet. &c.


Aldus nagevolgt.

Zang: O Kersnacht!

HERPYN, wilt niet uit vreemde hoeken,
De daên van and’ren ondersoeken,
Van styd’b’ren Kantaber, noch Schyt,
Wat machje doch zoo bezig wezen?
(5) Wat machje voor uw’ nooddruft vreezen?
Weest liever vroolijk en verblijd.
[p. 41]
                            2.
    De lichte jeugd is dra verdweenen,
De schoonheid vliegt als nevel heenen,
De grijze en barren ouderdom
(10) Genaekt, en brengt verdrietigheden,
Waer door ’t vermaek werd afgestreden;
En maekt den mensch van zorgen krom.
                            3.
    De lente kan niet altijd bloeyen,
Noch ’t bloempje even cierlijck groeyen,
(15) De maen blinkt niet gestaedig klaer:
Wat queltge u niet den raed der goden?*
Wat hebje hun geheim van nooden?
Haer Grootheid is voor u te zwaer.
                            4.
    Waerom niet liever eens gedronken,
(20) En lustig nektar omgeschonken,
Hier onder dezen masthoutboom
Of pijn: wat hebben wy te treuren?
Terwijl de Vreugd ons mag gebeuren,
Wy konnen leven zonder schroom.
                            5.
    (25) Kom laet ons eens den beker pooyen,
En ’t hair met roozen geur bestrooyen,
Of balzem: waer voor zorgen wy?
Laet ons zoo lang ’t ons is gegeven,
By ed’len vocht in vreugde leven,
(30) Wy zijn van alle kommer vry.
[p. 42]
                            6.
    De Wijn-God kan de last verjagen,
En ramp die ons gemoed komt knagen:
Wat jongen zal my dienstig zijn
In lout’re schaelen vol te schenken,
(35) Om my in Bachusnat te drenken?
Kom’ brengt me een kroes vol heete wijn.

Continue
DAVID VAN HOOGSTRATEN:
[p. 133]

Q. HORATIUS eerste Lierzang
van het eerste Boek.


Maecenus, atavis edite regibus &c.

Aldus nagevolght.

MECEEN, uit ouderen gesproten,
Het uitgeleze puik van Grooten,
    Den glans van Rijken; waerde bloem
Van Liefde, en zoete minlijkheden,
(5) Waer mede uwe harte word bestreden,
    In velen is de zucht, om roem
Door lauwertakken weg te dragen,
En yders oogen te behagen,
    Door ’t wijt beroemde Olimpsche stof
(10) Te wekken, en door keurlijk rijden
Den perkpael sierelijck te mijden
    Met heete wielen, tot hun lof:
Om door de glory van Lantsheeren
In aertsche Goden te verkeeren.
    (15) Een andren; zoo de lossigheid
Der borgers hem tot eere en staten,
En agtbaerheden boven maten,
    Hem ruim en vrolijk toegeleid,
Verheffen wil; dien, zoo hy ’t koren,
(20) Dat Lijbie uit haer rijken horen
    Hem toezend, op zijn’ zoldering
[p. 134]
Geladen heeft, vermaeckt in ’t bouwen*
Van ’s Vaders lant, kan niets weerhouwen
    (Baert u dat geen verwondering?)
(25) Om van die oeffening te scheiden.
Niets is bequaem hem af te leiden
    Van zulk een’ vreugd door goed of schat.
Niets kan hem eenigsins bewegen;
Dat hy in vreezen en verlegen
    (30) Voor schipbreuk, zich begeve in ’t nat
Der zee, en in de woeste baren
Zich onderwerpe die gevaren.
    De Koopman, vreezende den wint,
Die worstelt met de felle golven;
(35) In zuure kommering bedolven,
    Prijst ’t akkerleven, en bemint
De rust en wrange sukkelingen,
Die zijn ellendig hart omvingen,
    Niet lijden kunnende, begint
(40) Zijn’ lekke kielens te kalfateren,
Om weer met niewe moed de wateren
    Te treen, en wagt na weer en wind.
Ge vinder mee, die door de wijnen
De droefheid kunnen doen verdwijnen,
    (45) En koestren zig een goeden tijd.
In zulke malse zoetigheden,
En nu met uitgestrekte leden
    (Terwijl alle onlust word gemijd)
In schaduw van de lindeboomen,
(50) En dan aen koele waterstroomen,
    Ter neder leggen. Deze heeft
Met gordelen van moedt omtogen
Een’ zin in bloedige orelogen,
    Daer ’t hart van anderen voor beeft,
(55) En leeft in schelle Krijgstrompetten,
[p. 135]
Bequaem, om eene vrees te zeggen
    In ’s moeders ongeruste hart.
De wakkre Jager brengt zijn’ dagen
Met yver door, noit moede in ’t jagen
    (60) En denkt om hartverdriet, nog smart.
Misschien zijn’ huisvrou wedervaren,
Het zy zijn’ honden ’t Hart, in ’t garen
    Verwart, aenvallen met een’ kreet,
Het zy het Zwijn het net vermande
(65) Met volle kragten, dat hy spande,
    En zig verloste van het leet,
In ’t aenzien van de vlugge beesten.
Het Veil, een loon van fraje geesten
    Zet my in ’t Godendom. Het woud,
(70) En ’t huppelen der dartle reien
Van Saters ende Nimfen scheien
    My van het graeuw. Euterpe houd
My lessen voor, en leert my quelen.
’k zuig uit Polijmnie haer’ spelen
    (75) Op d’aengename en lichte luit.
Indienge nu, MECEEN! my rekent,
En onder Lierpoëten teekent,
    Beur ik het hooft ten wolken uit,
En wraek hoogmoedig hun gewemel.
(80) Ik stoot met mijne kruin den hemel.


HORATIUS derde Lierzang
van het eerste Boek.

Sic te diva potens Cypri,
Sic Fratres Helenae, lucida sydera;
Ventorumque regat Pater &c.

Aldus nagevolgt.

ZOo sture u venus met haer’ handen,
    Op mijne driftige gebeen,
[p. 136]
    In gunst der broeders van Heleen;
Zoo sture Eool u, door de banden
    (5) Der winden, die met groot geluit
    Opbulderen ten kerker uit,
Te dubblen. alleen het blazen
    Der Westen wind bestiere uw’ reis
    Met frisse koelten na den eisch,
(10) En brenge u veilig door het razen
    Der woeste golven, en gerust,
    O schip, aen uw’ gewenschten kust!
Gy, die de helft van my zult dragen
    Virgijl! Hy had een’ kloeke ziel,
    (15) Die allereerst de brosse kiel
Heeft op de baren durven wagen;
    En zag geen Zuiderstormen aen,
    Gewoon ten bittren strijt te gaen
Met uitgelate Noortsche buijen:
    (20) Nog beefde op ’t zien der regenstar,
    Hem droevig dreigende van verr’,
Of dolligheid, gewekt in ’t Zuijen,
    Die al het onweer overtreft,
    Wanneerze zich op zee verheft.
(25) Ze weet het grondzand om te roeren;
    En maekt op nieus het pekel stil,
    Met volle magt wanneerze wil.
Heeft hy dan ooit geschud voor ’t loeren,
    En ’t mikken van de wisse dood,
    (30) Of zig vervaert in bangen nood,
Die monsters zonder schreijende oogen
    Heeft aengezien, en ’t gramme zout,
    En heeft zig moedig toevertrout,
Door geen’ beletselen bewogen,
    (35) D’Albaensche rotsen aen te zien,
    En alles moedig ’t hooft te bien?
[p. 137]
’k Zie, dat de vader van de zielen
    Door Godlijcke voorzienigheid
    Vergeefs de zee van d’aerde scheid,
(40) Indien de reukelooze kielen
    Veragten durven al het leet,
    Daer ’t Zeegodinnendom van weet.
De stoute mensch durft alles wagen,
    Het geen’ hem kome in zijnen zin,
    (45) En slaet verkeerde wegen in.
Prometheus heeft het vier ontdragen
    Uit ’s Hemels wenschelijke zael,
    En meegedeelt aen altemael.
Toen wiert de werrelt overvallen
    (50) Van Tering, en geen kleenen hoop
    Van koortsen, pesten, nam een’ loop,
En overrompelde in dat brallen
    Den sterfelijken, en de dood
    Verwarde zig in zijnen schoot.
(55) De dood, te voren aengekomen
    Al slepende met tragen voet,
    Verhaeste zig met sneller spoet.
Dedael dorst, zonder iets te schroomen,
    Voor ramp nog ongval bedugt,
    (60) Met wieken vliegen door de lugt.
De noit gelijcke dapperheden
    Van Herkles, drongen fier en fel
    Tot in het diepste van de hel,
Vergeefs van Cerberus bestreden.
    (65) Niets valt de gaeuwe menschlijkheid
    Te zwaer, hoe vol van moeilijkheid.
We klimmen zelf uit zottigheden
    Ten Hemel vreugdig, vrolijk, bly,
    En dartel. Onze schelmery,
(70) Van d’oppervoogden werd bestreden,
[p. 138]
    Gedoogt niet, dat de blixems zijn
    Oit uit de handen van Jupijn.



HORATIUS zeste Lierzangh

Van het eerste boek.


    Scriberis Vario fortis, & hostium
Victor, Maeonii carminis alite &c.


            Dus nagevolgt.

DEn wijzen Varius, bequaem,
Om zuivre deugden af te drukken,
En af te beelden, zal ’t gelukken
    Te pronken met uw’ Heldennaem
(5) Daer hy den naneef mee zal deelen
    De glory, daer gy mede praelt,
    Op uwe vianden behaelt
In ’t woeden van de Staetkrakkeelen.
    Wy, ô Agrippa! derven niet,
(10) Te zwak, die dapperheen verhalen,
De toorn van Thetijs zoon ophalen,
    Zich wentelende in zijn verdriet,
Nog ’t zwerven over zee, en ’t dolen
    Van d’onbedriegbren Ithakees,
    (15) Nog Pelops wraeklust; want een’ vrees
Doet mijne zanggodin, verholen
    Door schaemte, daer zy afgericht,
Alleen op werelooze luiten,
En ongesierde boersche fluiten,
    (20) Langs d’aerde kruipt, voor ’t helder ligt
Van Cezars lof en uwen strijken.
[p. 139]
    Wie kan ons Mavors, daer hy fier,
    Al brandende in het oorlogsvier,
In ’t volle harnas staet te prijken,
    (25) Beschrijven? Wie kan Merion,
Van het Trojaensche stof bekrozen,
Afmalen? wie word uitgekozen,
    Om als een’ glinsterende zon
Tydides deugden te doen schijnen?
    (30) Wy zingen niet, dan van banket,
    Het Jongelingschap voorgezet,
Niet vreemd van heete minnepijnen.
    In ’t stoejen van het Vrijsterdom
Met hare Vrijers op te zingen,
(35) En diergelijke stof van dingen,
    Is onze tonge nimmer stom;
Het zywe koel zijn, ’t zy de zinnen
Een oogwit hebben, dat zy minnen.



[p. 142]

Navolging van het dertigste Lierzang
des eersten boeks

Van HORATIUS.

O Venus, regina Cnidi, Paphige. &c.

Not in Geerebaert?
KOm Venus, kom dan Knidus koningin,
Verlaet dan eenmaal Cyprus hofgezin,
En tre met lust den schoonen tempel in
            Van mijn’ Glicere,
(5) Die u veel wierookoffers heeft bereid.
Breng ’t Wichje mee, wiens lof ik heb verbreid,
Zoo menigmael, en magt, hem toegeleid
            Met roem en eere.
Bevalligheen, en Nimfen af en aen,
(10) Gewoon ten uitgelaten rei te gaen,
Daer Saters in verwondert blijven staen
            Met heete longen;
Merkuur, de Jeugtgodin, vol zoetigheen,
Begeven zig met onvermoeide schreen
(15) Mee hier. Dan worden die weldadigheen
            Eens opgezongen.



[p. 143]

Navolging van HORATIUS

Eenendertigste Lierzang des eersten boeks.

                Quid dedicatum poscit Apollinem
                    Vates? &c.


Wat eischt de Digter, gietende in de schalen
Den nieuwen wijn, van hem, die met zijn stralen
Beschijnt het rond des werrelts, door gebeen?
Wat smeekt hy van Apollo? niet het geen
(5) Sardinie aen ons geeft met ruime handen;
Noch ’t vette vee der vrugtbare akkerlanden;
Nog ’t landschap, dat van Liris word gelikt,
Wanneer hy vloeit met zagte en stille stroomen.

Continue
Tien andere Horatiusvertalingen van David van Hoogstraten in: Gedichten Amsterdam, J. van Hardenberg, 1696. UB Utrecht Z oct. 2592.
Titeluitgave Amsterdam, J. van Hardenberg, 1697, KBH 758 C 20; UBL 1072 G 25.

D. VAN HOOGSTRATENS

GEDICHTEN.

[Vignet: fleuron]

T’AMSTERDAM

Gedrukt by JACOBUS VAN HARDENBERG.

Boekverkoper, in de Stilsteeg. 1697.




[p. 324]

VERTALINGEN.
__________________________

Uit het I. boek der Liergezangen van
HORATIUS
II. GEZANG.
Aen Keizer
AUGUSTUS.

AL sneeu genoeg gezonden naer om laeg,
En hagelsteen, en felle dondervlaeg.
De Godheid heeft de stad met plaeg op plaeg
        Genoeg doen schrikken.
(5) En, schietende met haer vergramde hant
De schichten neêr en heeten blixembrant,
Bracht zy het al in een benaeuden stant
        Alle oogenblikken.
Het volk ontstelt door zulk een zwaren slag
(10) Was weêr beducht, of die benaeude dag
Weêr komen mocht, dien Pyrrha eertyts zag
        In oude tyden:
Wanneer zy vont gedrochten, vremd voor ’t oog,
Toen Proteus al zyn vee dreef naer om hoog
(15) Ten berg op, en geen plaetsen bleven droog
        Aen alle zyden:
Toen d’olm ontfing de vissen uit het meer,
Waer op de duif haer nesten had weleer,
De das den vloet met zwemmen ging te keer,
        (20) Door noot gedwongen.
[p. 325]
Elk zag verbaest, en siddrende van schroom,
Den hollenden en dollen Tiberstroom,
Weêrom gerukt van d’oever zonder toom,
        En voortgesprongen,
(25) En voortgejaegt uit zyn bekende perk
Naer ’t Koningslot en Vestaes oude Kerk:
Terwyl hy stoft door zulk een driftig werk
        Het leet te wreken
Van Ilia, die om haer onheil klaegt,
(30) En dus verwoed en schielyk voortgejaegt,
Ter liefde van zyn vrou, die hem behaegt,
        De slinke streken
Der stad bevloeit, nu dus de Dondergod
Vertorent is. Het weinig overschot
(35) Der jeugt zal eens verstaen het droevig lot,
        En groote rampen
Der borgers, aengespannen tegen een,
En woedende door droeve oneenigheên
Met zwaerden in hun onderlinge leên
        (40) In ’t haetlyk kampen;
Met zwaerden, daer de wreede Perziaen
Door sneven moest. Het zal met een verstaen
Dat dit gevecht alleen is aengegaen
        Door schult der Vaderen.
(45) Wat God roept nu het volk om bystant aen?
Eer Jupiter het Ryk komt nederslaen?
Met wat gebed zal nu de Non voortaen
        Eens Vesta naderen?
Zy luistert naer geen zangen, heet op wraek.
(50) Wien zal Jupyn nu kiezen in dees zaek
Om ’t schelmstuk te verzoenen? O vermaek
        Der hemelingen,
O Febus, kom met uwe profecy,
Kom ons te hulp. sta ons medogent by,
[p. 326]
(55) Dael neder uit het hemelsch hof. of gy
        Verhoor ons zingen,
O Venus, o verheugde Mingodin,
O moeder van de dartelende Min,
Die alles voed, en blaest het paren in,
        (60) Om welke zweven
De Boertery, en kleene Minnegoôn;
Of zoo u ook, o Vader Mars, gewoon
Te groejen in het krygsgevecht en doôn,
        En ’t oorlogsleven,
(65) En steeds vermaekt door ’t onbevreest gezicht
Des Mauritaens, die voor geen vyand zwicht,
Nog uw geslacht, nu droef, aen ’t harte ligt,
        Gezint te blussen
Dit droevig spel, zoo langen tyd gespeelt.
(70) Of gy, o God, van Maja voortgeteelt,
Die u aen ons als wreker nu verbeelt,
        Om ’t leet te sussen
Van Cesar, en des jonglings wezen draegt.
Vaer spader heen, dewylge ons zoo behaegt,
(75) Ten hemel, daer het al van u gewaegt
        In deze streken;
En spoei niet heen op vleugels van den wint,
Op ons vergramt, om dat wy zoo verblint
Afdwaelden in de zonden, die gy vint
        (80) En snoode treken.
Vermaek u eer in schoone zegeprael,
Daer ’t volk u met een aengename tael
Voor Vader groet en Vorst, en altemael
        U wenscht veel zegen:
(85) En laet niet toe, o Cezar, noit vervaert,
Dat onder uw gebiet het Medisch paert
Kom draven op ons kusten, onbewaert
        En heel verlegen.



[p. 327]

VII. GEZANG.
Uit het zelve boek.
Aen
MUNATIUS PLANKUS.

EEN ander zal ’t beroemde Rhodus pryzen,
Of Mitylene doen door zang ten hemel ryzen,
    Of Ephesus verheffen met veel lof,
Of doen Korintens muur opklimmen uit het stof:
    (5) Of Thebe van den milden Bachus eeren,
Of d’eer van Delfis, daer Apol op roemt, vermeeren.
    Een ander heft met zeldzaem lofgerucht
De wydberoemde stad van Pallas aen de lucht,
    En stelt d’olyf ver boven alle boomen.
(10) Dees kan tot Junoos eer zyn driften niet betoomen,
    Pryst Argos, dat gezwinde paerden voed,
En ’t groot Mycenen, zulk een lant van overvloet.
    ’T Lakonisch lant kan my zoo niet verleiden,
En my bewegen niet zoo zeer Larisses weiden,
    (15) Als ’t ruischen van Albunea my trekt,
Of als de waterval van Anio my wekt,
    En sleept tot zig, gelyk Tiburnus wouden,
En als de boomgaerts, die de beken vochtig houden.
    De zuidewint vaegt menigmael de locht
(20) Van dikke nevels, en verdryft het dompig vocht;
    Zoo moet gy meê, gelyk de wyze mannen,
De nare droefheit en bekommering verbannen,
    O Plankus, door den lieffelyken wyn:
Het zyge in ’t leger, dat van wapens krielt, zult zyn,
    (25) Het zy gy in uw Tibur zacht zult rusten.
Toen Teucer Salamis ontweek langs vremde kusten,
[p. 328]
    En ’s Vaders toorne ontvluchtte in veel gevaer,
Bekranste hy nochtans met populier zyn haer,
    En sprak aldus tot zyne metgenooten:
(30) Waer ons een beter lot dan Vader heen zal stooten,
    Och makkers, och wy volgen uit verdriet.
Maer zoolang Teucer u zal leiden, wanhoopt niet.
    Apolloos mond met onverzierde woorden
Heeft ons een Salamis belooft op andre boorden.
    (35) O dapperen, die meer hebt uitgestaen
Met my, en volgt my nu met zwaren druk belaên,
    Spoelt af met wyn de nare zorgen.
Wy kiezen wederom de wilde zee op morgen.



VIII. GEZANG.
Uit het zelve boek.
Aen
LYDIA.

O Lydia, waerom tracht gy door minneryen
Het hart van Sybaris te brengen in het lyen?
        Om Gods wil, zeg het my.
        Waerom, waerom schuwt hy,
(5) Die gansch niet teêr van aert de zure en gure vlagen
Van ’t winterweder en de winden kan verdragen,
        Het worstelperk? wat myd
        Hy d’arbeit? waerom ryd
Hy niet met zyns gelyk, en moedig opgezeten
(10) Betoomt het Fransche paert? Heeft hy zig zelf vergeten,
        En zynen dappren moet,
        Dat hy den Tibervloet
Ontvliet, en ’t worstelzant ontziet als bloet van slangen?
Waerom geen wapenen aen zynen arm gehangen,
[p. 329]
        (15) Daer hy zoo meesterlyk
        Zoo velerhande blyk
Gegeven heeft van met de schyf en piek te stryden?
Waerom verbergt hy zig, gelyk in oude tyden
        De jonge Achilles deed,
        (20) Voor Trojes droevig leet,
Opdat het mannelyk gewaed hem niet ontdekken,
En in den ondergang van Troje meê zou trekken?



IX. GEZANG.
Uit het zelve boek.
Aen
TALIARCHUS.

Sorakte, ziet gy, legt geheel met sneeu bedekt,
Die aen de bosschen nu tot last en zwaerte strekt.
        De vorst bevloert de stroomen,
        Zoo hevig aengekomen.
(5) Verdryf de koude, en stook een houtmyt aen den haert,
En schenk een helder glas van uwen wyn, gespaert
        Nu twee paer volle jaren.
        Dat wil u vreugde baren.
Beveel het ovrige aen de Goden, die, wanneer
(10) De winden leggen op hun wenken op het meer,
        Flus hevig aen het bruisschen,
        Geen boomen meer doen ruisschen.
Bekommer u niet, wat op morgen beuren zal.
Maer reken elken dag, geschonken door ’t geval,
        (15) Voor winst. laet zorgen varen
        In ’t groenen van uw jaren.
Bemoei u vry met spel, en dans, en minnery,
O Taliarch, zoo lang uw hooft van grysheit vry,
[p. 330]
        U nood tot zoete werken.
        (20) Nu weêr de worstelperken
En oeffenplaetsen en de fluistering hervat
Van ’t lieve maegdeken, en zoete lacchen, dat
        Haer schuilplaets kan ontdekken.
        Begin weêr af te trekken
(25) Haer ring of armring tot een minlyk liefdepant,
Al veinst zy kunstig, en weêrhoud quansuis haer hant.



XI. GEZANG.
Uit het zelve boek.
Aen
LEUKONOE.

LEUKONOE, laet af te vragen, wat geval
Aen u of my ’t besluit der goden geven zal.
        Dat staet geen mensch te weten.
Geen wichelaer voorspelle uw einde, los van gront.
(5) Dus zult gy beter, daer gy zwerft op ’t aertsche ront,
        Uw zorg en leet vergeten:
Het zy u Jupiter nog geeft een langen ry
Van winters naer zyn gunst: ’t zy dees de laetste zy,
        Waer in de woeste baren
(10) Op rotsen breken. Stort de lieffelyken wyn.
Laet af, Leukonoë, van lange hoop te zyn
        In ’t leven, kort van jaren,
Voortvluchtig als de wint. de tyd, de vlugge tyd,
Die ons de duurzaemheit op aerde hier benyt,
        (15) Verloopt, terwyl wy spreken.
De dag mocht licht, zoo gy dien niet gebruikt met vlyt,
        U morgen wel ontbreken.



[p. 331]

XIX. GEZANG.
Uit het zelve boek.
Aen
GLYCERA.

DE Moeder van de teedre Minnegoden
Verlokt my: en de Zoon van Semele,
De dartelheit en wulpsche weelde meê,
        Komt my weêrom tot d’oude liefde nooden,
            (5) En zet myn ingewant,
            Gelyk voorheen, in brant.

        Nu smelt ik weg door ’t vier der wondende oogen
Van Glycera, zoo zuiver als albast.
En deze vlam, die alle dagen wast,
        (10) Heeft al myn hart en al myn ziel bewogen.
            My blaekt in dezen staet
            Dat dartele gelaet:

        Dat schoon gelaet, gevaerlyk om t’aenschouwen.
(15) De Mingodin, die Cyprus kust verlaet,
Bestookt my met haer krachten zonder maet,
        En dwingt my fors myn dichten in te houwen,
            Als ik het stout bedryf
            Van Scyt of Part beschryf:

        (20) Als ik iets melt, het welk geen minnestryen,
Geen woeden raekt van ’t hevig minnevier.
O knapen, brengt, brengt groene zoden hier.
        Brengt wierook aen, en offerkruideryen.
            Brengt offers aen en wyn.
            (25) Dan zalze zachter zyn.



[p. 332]

XXIII. GEZANG.
Uit het zelve boek.
Aen
CHLOE.

GY vliet my als een hinde, die gevat
Van vrees haer moeder zoekt door afgelege dalen,
En bosch en berg en weide, en overal loopt dwalen,
En beeft, zoo dra de wint zig rept in telg of blat.

    (5) Want ’t zy de Lent de bladen trillen doet
Door hare komst, het zy de groene hagedissen
Heenboren door de hage in bosch en wildernissen,
Het harte klopt van vrees, en zy verliest den moet.

    Maer ik, o maegt, vervolg u niet nochtans,
(10) Gelyk een tiger of een bergleeu, die verbolgen
Het al verscheurt. Wat hoeftge uw moeder steeds te volgen?
Beantwoort eens (’t is tyt) den minnebrant eens mans.



XXX. GEZANG.
Uit het zelve boek.
Aen
VENUS.

O Moeder van de dartelende min,
Laet Ciprus staen, O Paphos Koningin,
Myn Glycera noot u ten tempel in
    En biet u eere
[p. 333]
(5) En wierookgeur. Uw knaep kome aen uw zy,
De Nimfen en Bevaligheên daer by,
En God Merkuur, en Jonkheit, nimmer bly,
    Zo ze u ontbere.



IX. GEZANG.
Uit het tweede boek.
Aen
VALGIUS.

GEEN regenbui bezwaert het velt in alle tyden.
En ’t Kaspisch meer word niet altyt door storm beroert.
Ook legt Armenie niet steeds met ys bevloert.
    Geen Noordewint komt steeds d’ Apulische eik bestryden,
            (5) Nog d’ esscheboomen schaden,
            En schudden al de bladen.

    Maer gy blyft eewig om uw’ lieven Mystes weenen,
U afgeplondert door het noodlot, al te wreed,
O Valgius, en gy herkaeut gedurig ’t leet,
    (10) Wanneer de zonne heeft al ’t aerdryk overschenen,
            En als zy met haer stralen
            In Thetis bron gaet dalen.

    Zoo deed niet Nestor, die drie eewen bleef in ’t leven.
Hy treurde niet altyt om zyn’ Antilochus.
(15) En d’Ouders schreiden niet altyt om Troïlus.
    Hou op van zuchten, en wil u tot vreugt begeven.
[p. 334]
            Al dat geween en klagen
            Zal minderen uw dagen.

    Kom laet ons eer den glans der krygstriomfen zingen
(20) Van Vorst Augustus, en hoe d’yzige Nifaet,
En stroom van Medie belemmert kruipen gaet,
    En hoe Gelonen, die de Veltheer wist te dwingen,
            En fors te rug te dryven,
            Nu op hun bodem blyven.



XIII. GEZANG.
Uit het vijfde boek.
Aen zyne
VRIENDEN.

EEN yslyk onweêr heeft de gantsche lucht betrokken.
        Jupyn daelt neêr met zware vlokken
Van sneeu, en regen; daer het ysselyk gewelt
        Der winden al de zee en ’t bosch ontstelt.

(5) Laet ons, o vrienden, ons van dees gelegenheden
        Bedienen, en dees dag besteden,
Terwyl het ons nog past, in vrolykheit en spel,
        Eer d’ ouderdom ons rimpelt al het vel.

Laet ons den naren angst en kommer doen verdwynen.
        (10) Kom, jongen, schenk ons puik van wynen,
Geperst, wanneer Torquaet hier Burgermeester was.
        Spreek van geen zorg. Jupyn zal mooglyk ras,

[p. 335]
En rasser dan gy meent, deze onlust doen bedaren.
        Kom, giet my nardus in myn haren.
(15) ’T lust my een vreugdeliet te spelen op myn luit,
        En dryven dus de nare zorgen uit.

Aldus liet Chiron voor zyn Voesterkint zig hooren:
        O knaep, uit Thetis zelf geboren,
En noit van iemants hand verheert, of afgestreên,
        (20) Godinnezoon Achilles, ga vry heen.

’T lant van Assarakus, gescheiden door twee stroomen,
        Verwacht u aen zyn zoomen.
Van waer gy (nademael ’t de Schikgodin begeert,
        Daer ’t alles zig voor buigt) noit wederkeert;

(25) Al wilde uw Moeder zelve u helpen met haer krachten.
        Daer moet gy al uw rou verzachten
Door wyn en snarenspel, gestelt op zoeten trant,
        Dus schuift men best de zorgen aen een kant.

Continue
Antonides van der Goes:
Ode 1.1, Ode 1.5, Ode 1.14, Ode 1.17, Ode 2.2, Ode 2.3, Ode 2.10, Ode 2.17, Ode 3.3, Ode 3.9, Ode 4.10, Epode 3, Epode 6 en Epode 7, Epode 10.
KBH 346 F 23; UBL 423 F 26 : 1 en 1205 B 11 : 1


GEDICHTEN

VAN

J. ANTONIDES,
vander GOES

[Vignet: Omnibus]

t’AMSTERDAM
_________________________
By JAN RIEUWERTSZ., PIETER ARENTSZ.,
en ALBERT MAGNUS, Boekverkoopers, 1685.



Tweede deel.
[p. 284]

I. BOEK I. LIERZANG,

Van

HORATIUS FLAKKUS,

Aen

MECENAS.

Hy tracht na de naem van LIERDICHTER.

Mecenas atavis edite regibus.

MYn waerdste toeverlaet en lof
MECEEN, van hand tot hand uit Koningen gesproten,
    ’t Lust zommigen ’t Olimpysch stof,
Terwijl zy, om zich aen de renpael niet te stooten,
[p. 285]
    (5) Den wagen stuiten in haer vaert,
Met heete wielen aen haer lenden te doen kleven.
    De palm en stevenkroon bewaert,
En aen de vaderen van ’s weerelt magt gegeven,
    Voert haer omhoog in ’t godental,
(10) Indien het wufte rot der Roomsche burgeryen
    Met een driedubbel eergeschal,
Zijn lof uitschateren, ten trots van die ’t benyen.
    Of zoo hy in zijn schuuren tascht,
Het koren, uitgedorscht in Lybysche landsdouwen,
    (15) Geen mensch maekt hem door vrees vermast,
Zoo stout, dat hy de zee met hobblent hout zal bouwen.
    De koopman prijst de rust van ’t land,
Terwijl ’t Ionis nat vast worstelt met de winden,
    En heel den oever barnt en brant,
(20) Door ’t beuken van de zee, dan kan hy oorzaek vinden:
    Want hy ontziet het zeegevaer,
Om, nevens ’t stille land, de troeble stad te prijzen.
    Flux maekt hy tuich en takel klaer,
Kalfatert sloep en kiel om d’armoede af te wijzen.
    (25) Daer zijnder die geen ouden wijn,
Geen berkemeier tot de boorden vol geschonken,
    Te veel kan opgedragen zijn,
Terwijlze een lustig gat in d’achtermiddag ronken.
    Of, onder lommer van een boom,
(30) In ’t natbedauwde gras, of daer de beekjes spelen
    Aen een gewijden waterstroom.
Vele andren scheppen lust in orelogskrakkeelen,
    Van vrome moeders fel gevloekt.
Met schorre krijgsklaroen en steekende bazuinen
    (35) De Jager steets in ’t velt, verkloekt,
Niet denkende om zijn vrouw, het wild in bosch en duinen:
    Het zy zijn honden ’t vluchtig hart
Aenranden op de weg, ’t zy ’t boschzwijn net en banden,
[p. 286]
    Waerin ’t benart stont en verwart
(40) In stukken trekt. het veil van teere maegdehanden,
    Gevlochten van ’t gelettert volk
Mengt mijnen groten naem met tittels van de Goden.
    De minsten in haer waterkolk,
De Satyrs in ’t gebergte en hare dartle boden,
    (45) Verscheiden my van ’t burgerrot.
Geeft my Euterpe nu haer net besnede fluiten
    En Polyhymnie ’t genot
Van haer beroemde Lier, wie zou mijn eernaem stuiten?
    Indien gy my dan, ô MECEEN!
(50) Den naem van Lierpoëet niet wrevel komt te weigren,
    Zoo zal ik langs hoe hooger treen,
En eindlijk met mijn kruin aen ’t stargewelfzel steigren.
                                                                            1666.



LIERZANGEN,

II. BOEK III. GEZANG.

Aen

DELIUS.

Hy vermaent hem tot gelijkmoedigheit.

Aequam memento rebus in arduis. &c.

DEwijlge ô DELIUS! toch eenmaal sterven zult,
                Verwin noit onheil uw gedult.
Geen matelooze vreugt doe u in voorspoet zwellen:
            Het zy ’t u luste uw zelven meest te quellen;
      (5) Het zy gy feestdaegs in het riekent lentegroen,
            Uw zelven goet wilt doen
Met frissche vernenwijn. daer witte popelboomen,
            Op ’t ruisschen van de stroomen
[p. 287]
      Haer bruine schaduwen vermengelen althans,
                (10) Met takken breet van trans.
Kom breng ons bloemen aen en spesery en wijnen,
            En frissche rozen die te dra verdwijnen.
      Terwijl de jeugt ons nood’t en uwe staet het lyd
                En zusters, die den tyd
(15) Des levens spinnen. het is eenmael afgesponnen.
            Gy zult toch eens uw aengename bronnen
      En vorstlijk huis en hof, waer langs den Tiber glyt,
                Verlaten op zijn tijd.
Uw erfgenaem zal toch uw schat, zoo hoog gestegen,
            (20) Bezitten, en braveren in zijn zegen.
      Het helpt niet of gy zijt van ouden Inachs bloet,
                Verzien met vorstlijk goed:
Of dat gy, naekt en bloot, van ongeachte volken,
            Sterft onder ’t dak der ongestuime wolken,
      (25) Een offerande van het noitverzade graf,
                Een algemeene straf.
Hier wordenwe altemael geroepen, en gedreven,
            Het zy wy kort of langer willen leven,
      De dood gaet haren gang. ons noodlot heeft eens uit:
                (30) Wy zullen Karons schuit.
Betreden, en niet vry met eene werf te sterven,*
            Als ballingen in eeuwigheit gaen zwerven.

                                                                    1666.



[p. 288]

Veertiende Liergezang van HORATIUS

Op

BRUTUS,

Den burgerkrijg hervattende.

O Navis referent, &c.

O, Staethulk u drijft weer een nieuwe vloet in zee.
        Wat doet gy? lustig zoek een ree.
    Of ziet gy niet hoe d’overloopen zwieren,
        En mast en kabelen geknakt,
            (5) En over boort gesmakt,
    Op ’t juilen van de noordewinden gieren?
En hoe de kielen, bloot van touwerk, zich niet meer
        Betrouwen in ’t onstuimig weêr
    En dolle golven, meer dan oit verbolgen?
        (10) Gy vint geen goden schoon gy treurt:
            Uw zeilen zijn gescheurt,
    En weggewaeit. gy kunt den krijg niet volgen.
O Pijnboomschip, van dat zoo wijt vermaerde hout,
        Getimmert in het Pontisch wout,
    (15) Gy roemt vergeefsch op namen en geslachten,
        En trots kampanje, uit ydle gunst,
            Geschildert na de kunst,
    Waerop voortaen geen bloode Schippers achten.
Zie toe dat u niet eens, noch onlangs mijn verdriet,
        (20) En nu mijn kleenste kommer niet,
    De winden tot geen deerlik schouspel maken.
        Begeeft u uit den oceaen,
            Daer zoo veel rotzen staen,
    En barre zanden, zwaer om af te raken.



[p. 289]

Tweede LIERGEZANG in het tweede BOEK, van HOR.

Aan

KRISPUS SALUSTIUS,

Nullus argento* color est, avaris &c.

SALUST die schatten haet,
    Van gierigaerts begraven onder d’aerde,
        Het zilver heeft geen waerde,
Indien ’t geen gloet ontfangt door een gebruik na maet.
        (5) De roem zal altijt staen
    Van Prokule, bekent om ’t eerlijk harte,
        In zijner broedren smarte
Bewezen, zulk een faem zal om den aertkloot gaen,
        Die gierigheit verwint,
    (10) Heerscht verder als de Lybiaensche stranden
        Hecht aen de Spaensche landen,
En bei de Peenen aen zijn dwinglandy verbint.
        Vervloekte waterzucht
    Vleit zich vergeefsch, verslaet geen dorst door drinken,
        (15) Voor ’t quaet begint te zinken,
En d’onlust tevens uit het bolle lichaem vlucht.
        De deugd erkent geen druk
    Van ’t graeuw, en sluit Fraäet ten troon verheven,
        Na Koning Cyrus leven
(20) Uit d’adelijken sleep der Vorsten, vol geluk.
        Zy leert het volk zijn waen,
    Dat kroon en staf hem opdraegt en laurieren;
        Die, zonder ’t oog te zwieren,
Met onverdraeit gezicht de schatten kan zien staen.



[p. 290]

Q. HORATIUS, tiende LIERGEZANG,

Aan

LICINIUS,

Hy verheft de middelmaete, en bezadigtheit des
gemoets in spoet en onspoet.

Rectius vives Licini &c.

LIcyn gy zult gelukkig leven,
Met niet te reukeloos in bare zee te streven.
            Of, al te bang voor ongeval,
                Te zwerven om de wal.
        (5) Hy smoort niet onder vuile daken,
Noch kan zich met de pracht van ’t dartel hof vermaken,
            Die lust heeft in de middelmaet,
                Te vreden met zijn staet.
        Het groote schip heeft meest op zee te dragen.
(10) Een hooge toren stort met zware nederlagen.
            Het blixemen treft meest den kruin,
                Van een verheve duin.
        Een ziel, gehart aen alle zyden,
Vreest onspoet in geluk, hoopt beter staet in lijden;
            (15) Jupijn, die ’t onweer op doet staen,
                Doet ’t zelve ook overgaen.
        De druk is morgen licht verbannen.
Apollos taeie boge is niet altijd gespannen.
            Hy haelt zomwijl de zanglust op
                (20) Aen Pindus hoogen top.
    Zijt fier wanneer u rampen quellen;
En bint voorzichtelijk, wanneer uw zeilen zwellen,
            In voordewinden van gewin,
                Zomtijts een reefjen in.



[p. 291]

Q. HORATIUS FLAKKUS

Vijfde LIERGEZANG,

Aan

PYRRHA.

Datze rampalig zijn die op haer verlieven; en hy hare
valscheit als een schipbreukige ontzwommen is.

Quis multâ gracilis te puer in rosâ? &c.

WAt knaepje PYRRHA drukt in ’t groene dal uw zy
Daer hy in rozen legt en ruikt na specery?
        Voor wien knoopt gy, niet zeer gewoon te hoven
            De gele haerlok op na boven?
(5) Helaes! hoe menigmael zal hy, verkropt van rouw,
De goden schelden, en uw wankelbare trouw:
        En staen bedeest als ongewone stormen,
            De stille zee hervormen.
Die nu uw schoonte vleit, en steets u lieflijk hoopt
(10) Te vinden, onverdacht hoe drae dat weer verloopt.
        Rampzalige die zonder u te kennen,
            Tot uwe min gewennen!
Neptunus tempel zal getuigen, hoe ik pas
De doot ontslipt, in die gevarelijke plas,
        (15) Mijn nat gewaet, ontzommen uit het lijden,
            Den grooten zeevorst wijde.



[p. 292]

Darde Liergezang van HORATIUS
in het boek der Toezangen


Hy vervloekt de KNOPLOOK

Parentes olim siquis impia manu?

MEn schaf nae dezen hem vergifte knoplook op,
    Die met een schelmsche hant zijn ’s grijzen vaders krop
        Heeft omgedraeit. ô yzere ingewanden
De maejers! hoe moet dat vergif de darmen branden!
    (5) Of eete ik slangenbloet met knoplook opgekookt?
    Of heeft een toveres mijn tafelen bespookt?
        Medé heeft Jazon met dit zap bestreken,
Die haer veel blanker dan zijn spitsbroers heeft geleken,
    Toen hy de Stieren sloech in ’t ongewoon gareel.
    (10) Haer doodelijke gifte aan Krëons kroost, was heel
        Bestreken met dit kruit, daer zy gewroken,
De wederwraek ontvloot met snelgewiekte spooken.
    Geen hontstar blakert Appuleie in zulk een gloet,
    Noch Herkles wiert zoo fel geroost van Nessus bloet.
        (15) En eet gy zelfs Meceen dit ondertussen;
Zoo wensche ik dat een maegt haer hant hou voor uw kussen:
    En, schuilende in een hoek van ’t Ledekant,
        U van haer zy weerhoude met de hant.



[p. 293]

Zeste LIERGEZANG der TOEGEZANGEN.

Op

KASSIUS SEVEER,

Een quaetsprekende Poëet.

Quid immerenteis hospites vexas canis?

GY hont die in het wout den wolf ontziet,
        Wat blaft gy op onnoosle vreemdelingen?
        Kom hier: waerom begrimtge my doch niet
Die u met klaeu en tanden zal bespringen?
            (5) Want als een wolfshont groot van faem,
        En vlugge dog, den harders aengenaem,
Zal ik al ’t ongediert, met opgestekene ooren,
Vervolgen door de sneeuw, tot ik hen raek’ te vooren.
        Nu hangt gy op het toegeworpen aes,
    (10) Die flus al ’t bosch deed op uw blaffen spreken.
        Zie toe, zie toe, ik hate dit geraes,
    Mijn hoornen zijn gereet om toe te steken,
            Gelyk Lykambes schoonzoon de,
        En Bupal van zijn bitschen vyant le.
(15) Of zal ik schreien, en gelijk een kint de handen
In ’t haer slaen, alsmen my verwoet dreigt aan te randen?



[p. 294]

Zevende LIERGEZANG.

Aen de

ROMEINEN.

Op de Burgeroorlog tegen
BRUTUS en KASSIUS.

Quo? quo, scelesti, ruitis?

WAer heen? waer heen, ô schelmen: waerom weer
De degens uitgehaelt met eervergeten handen?
                Of is het Roomsche bloet weleer
Niet reukeloos genoeg geplengt op zee en landen?
        (5) Niet om dat Rome zich zou warmen by het vuur,
                Geslingert in Kartage’s muur:
        Of dat de Brit, gewoon in vre te leven,
        Geketent worde in ’t kapitool gedreven:
        Maer om den wensch der Parthers te voldoen,
(10) Dat deze stad zichzelfs door eigen kracht verderve.
                Dus ziet men leeu noch wolven woên,
Als tegen ongediert ban andren aert en verve.
        Is ’t razernie en schult, of nootlot dat u schent?
                        Zy zwijgen: ’t is my nu bekent.
                (15) De wroeging van hun overtuigt gewisse,
                Kan ik uit hun bestorven aenzicht gissen.
Zoo is het ook: een zwaer en jammelyk gety
                Volgt Romen na, om broederslachtery.
Zoo dra ’t onschuldig bloet, uit Remus borst gebroken,
(20) Om wraek riep: dat nu op den neven wort gewroken.




[p. 295]

Tiende LIERGEZANG,
Van Q. HOR:
In zijn TOEZANGEN,


Op

MEVIUS.

Hy wenscht hem onweer en schipbreuk.

Mala soluta Navis exit alite.

            Ter quader uur verlaet het schip de ree
            Dat MEVIUS, die schantvlek, voert op zee.
O Zuidewint, beroer weerzijts d’onstuime baren!
Het oosten breke riem en kabels onder ’t varen,
            (5) En rukkeze in de golven overboort.
            De Noordewint verhef zich op mijn woort,
Gelijk hy d’eiken schud op hoge heuveltransen.
Geen aengenaem gestarnt’ verleen hem ’s nachts haer glansen,
            Tot dolle Orion plompe in d’oceaen.
            (10) Zoo moet’ de zee voor hem niet stiller gaen
Als voor het overschot der zukkelende Greeken,
Toen Pallas razerny, van Trojen afgeweeken,
            Haer krachten spolde op godloze Ajax kiel.
            Wat angst volgt uw matroozen op de hiel!
Hoe dootsch en bleek zult gy besterven om de kaken,
En deerlijk kermen om Jupijn uw vrient te maken,
            Die gy te meer verbittert door uw be,
            Wanneer de boezem der ïoonsche zee
Afgrijslijk ruisschende op t gedruisch der westewinden,
Uw omgezolde kiel zal breken en ontbinden.
[p. 296]
            Indien dan uw verzopen ingewant,
            Den duiker kan verzaden op het strant,
Zal ik een geilen bok en lam met zwarte vachten
Aan ’t buldrende onweer en de zeeorkaenen slachten.



Tiende LIERGEZANG, in ’t vierde BOEK.

Van

Q. HORATIUS.

Op

LIGURYN.

O Crudelis adhuc!

O Wreedaert, hoe zult gy, verwaent op Venus giften,
Als d’overwachte baert uw opgeblaze driften
    Zal toonen, en de lok die om uw schouwders zwiert
    Vervalt, en ’t roozebloet, dat uwe wangen siert,
(5) Haer gloeientheit herschept in borstelige kaeken,
            Van ongenoegen blaeken:
    En zeggen, als gy voor uw spiegel staet,
            En ziet dat ongedaen gelaet,
Ach! hadde ik in mijn jeugt dit wijs beleit ontfangen,
(10) Of was ik nu verzien met jeugdelijke wangen.



[p. 297]

Negende LIERGEZANG

Van

Q. HORATIUS

Derde BOEK.

Donec* gratus* eram tibi.

                              HORATIUS.
ZOo lang ik u behaegde en niemand uwe borst
                    Omhelsde, en op uw wangen
                Geen liever jongeling bleef hangen,
Week ik in mijn geluk geen Perziaenschen Vorst.

                                  LYDIE.

(5) Zoo lang u niemant blaekte als ik, en Chlöe niet
                    Mijn plaets had ingenomen,
                Moght LYDIE by alle menschen komen,
En Ilia was min vermaert in ’t roomsch gebiet.

                              HORATIUS.

Kretenzer Chlöe, door gezang en lier vermaert,
                    (10) Heerscht over my volkomen,
                Voor wie ik ’t sterven niet zal schromen
Indien het sterflot, na mijn doot, haer zieltje spaert.
[p. 298]
                                  LYDIE.

Turiner Ornitszoon heeft my zijn min betoont.
                    Ik mijne menigwerven:
                (15) Voor wien ik tweemael wensch te sterven,
Zoo ’t sterflot na mijn doot den jongeling verschoont.

                              HORATIUS.

Maar zoo ons Venus weer verknochte in een verbont,
                    Gelijk weleer genooten?
                Zoo gele Chöe wiert verstooten,
(20) En wederom de deur voor LIDIE openstont?

                                  LYDIE.

Als is hy schooner dan een ster: gy licht ontrust
                    Als pluimen die vervliegen,
                En minder als de zee in slaep te wiegen,
’K wil met u leven, met u sneuvelen, met lust.



[p. 299]

Zeventiende LIERGEZANG,

Van

HORATIUS,

Aen

MECEEN,

ziek zijnde.

Cur me querelis exanimas tuis?

WAarom vermoort gy my met uwe klachten?
        Het is den Goden, noch my aengenaem,
    Dat u het sterflot zou voor my verkrachten,
        MECEEN, mijn waertste stut en faem.
(5) Ach! zoo my vroeger doot mijn halve ziel ontrukt,
        Waarom wort me niet d’ander helft geplukt?
                Die hier, na uw ontlyven,
                        Niet wenscht te blijven.
    Een zelfde dagh zal alle beide smooren,
        (10) En storten my met u gelijk ten val.
    Ik heb dien dieren eed niet valsch gezworen,
        Waar hene gy my voorgaet, zal
Ik gaen, al waer ’t met u, mijn trouwe metgezel,
        In d’allerlaetste reize na de hel,
                (15) Geen vierige Chimere
                        Kan my doen keeren:
    Noch Gyas zal my met zijn hondert handen
        In eeuwigheit afrukken van uw zy:
    Al quam hy my uit d’afgront aen te randen.
        (20) Dit eischt gerechtigheit van my,
En ons geboortestont. want ’t zy den Evenaer,
        Of schorpioen verryze met gevaer,
[p. 300]
                En zee en schippers zarren
                        De felste starren:
    (25) Of dat de steenbok d’Italjaensche baeren
        Beroere, en storte een zee van regen neer:
    Hoe ’t zy: ons beider starren evenaren.
        G’ontvloot den kindereeter weer,
G’ontvloot door Jovis hulp, Saturn in zulk een noot,
        (30) Hy wederhielt de wieken van de doot:
                Daer ’t volk, door alle straten,
                        Als uitgelaeten,
    Den hoogen Schouwburgh driewerk weer deed galmen.
        Een boom had my de herssenen verplet,
    (35) Zo ’t Faunus niet gestut hadde op zijn palmen,
        Die schrandre geesen altijt red.
Volbouw den Goden nu ’t beloofde tempeldak.
        Slacht menige offerhande op uw gemak.
                ’K geve een’ der kleine rammen,
                        (40) Aen d’offervlammen.




Derde LIERGEZANG des darden BOEKS,

Van

Q. HORATIUS FLAKKUS.

Een godvruchtig helt vreest niet.

Justum & Tenac. propositi virum.

EEn helt van inborst vroom en niet licht om te zetten,
    Ontziet geen dollen drift van ’t volk, noch moordende oog
Van dwingelanden dat hem schielijk dreigt te pletten,
        Noch zuidewint op ’t Adriatisch meer,
                (5) Dat hem erkent voor heer,
    Noch blixem van Jupijn geslingert van omhoog.
[p. 301]
Al viel het hemelhof uit spillen en gewrichten,
    ’t Zal d’onverzaegden maer vermorzelen tot drek.
Die moed bracht Pollux in ’t getal der hemellichten,
        (10) Met Herkules, waer by Augustus blinkt
                En zoeten Nektar drinkt.
    Dus bracht u ’t Tygerspan, met wreveligen nek,
Geslagen in ’t gareel, ô Vader Bachus, boven
    In ’t oppergodenhof, om uw verdienste en eer.
(15) Hier quam Quyrijn met Mars klinkvoeten aengestoven,
        Toen hy de hel ontvloot, daer ’t breede hof
                Der Goden, Juno stof
    Tot spreken gaf; out Troje, out Troje legt ter neer;
Gelijk ook ’t dertel huis van haer Laömedonen,
    (20) Van my en van Minerf met al haer volk gehaet:
Sint hy der Goden loon besnoeide al t’onbezonnen,
        Door Paris op zijn valschen rechterstoel,
                En zijn uitheemschen boel.
    Hy lecht’er toe, die wytvermaerden onverlaet.
(25) Die groote gast der overspelige Helene;
    En Priaem zart den Griek niet meer door Hektors macht:
De krijg, door onzen twist zoo lang gesleept, is henen.
        Mijn tooren is gesust. dat Mars zijn zoon
                Vry breng by ons ter woon,
    (30) Schoon hy van een priestrers uit Troje is voortgebracht.
Ik ly dat hy betree de lichte hemelzalen,
    Den nektar drinke, en zy een lit der godenraet,
Zoo lang de wilde zee de Roomsche en Troische palen
        Vaneen scheit, gunne ik hun den hoogsten trap
                (35) Van weelde, in ballingschap.
    Zoo lang als Paris graf, dien ik afgrijslijk haet,
Van kudden wort verwoest, en duistere spelonken
    Het brullende ongediert verschuilen in hun hol,
Verryze ’t Kapitool uit marmersteen geklonken,
        (40) En trede Rome, trou in dit besluit,
[p. 302]
                Den Meders op den huit,
    En make door haer roem de heele werrelt vol,
Tot daer de middelzee Euroop scheit van Afrijken,
    Tot daer de trotsche Nijl de dorstige akkers laeft;
(45) Dat Rome, dat veel meer zijn moedigheit laet blijken,
        En op die lof, dat zy het gout veracht,
                En laet in ’s aertryks nacht,
    Noch handen slaet aen ’t goet der gôon, ten hemel draeft.
Zy breke met het stael door alle werreltsassen,
    (50) Die ’t hooft verheffen, en haer wapens tegenstaen;
En zie waer vier en sneeu niet op haer wetten passen,
        Nu daer de kreeft het lant verbarnt tot as,
                Dan daer de zee in glas
    Herschept wort, zonder zonne of heldre wintermaen.
(55) Dit noodlot spelle ik aen de strijtbare Italjaenen:
    Op dat zy Trojen noit herbouwen, daer het stont,
Al ’t opgeblazen op gelukkige* oorlogvanen;
        Of ik, de zuster van Jupijn en gemaelin,
                Vlieg ’t nieuwe Trojen in:
    (60) En stort de stad, tot ramp getimmert, in den gront.
Al was de muur driemael, door Febus hulp, aen ’t wassen,
    Ik zalze driewerf met mijn Grieken nederslaen.
De Vrouw zal om haer Man driemael in tranen plassen.
        Maer stil, de spraek der Goden, hoog van zwier,
                (65) Past geenzints aen mijn lier.
    Haer deftigheit wort door mijn zang te kort gedaen.

                                                                                            1666.
Continue
Johannes Vollenhove: Poëzy. Amsterdam, 1686.
[p. 764]

JAGTLUST.
UIT HORATIUS LIERZANGEN, I, I.

DE jager schroomt, van huis noch dak
Voor kou beschut, geen ongemak;
En denkt niet om zyn lieve vrou:
Het zy de jagthont, snel en trou,
Een hinde ontdekke, en volge op ’t spoor
Of ’t wilde zwyn het net deurboor’.


[p. 770]

GOUDE MIDDELMAAT.

UIT HORATIUS SCHIMPDICHTEN, I, I.

ELk ding bestaat in mate, en heeft gezette palen:
Wie verder uitspat, of te kort schiet, slaat aan ’t dwalen.
Continue
Elisabeth Koolaart, geboren Hoofman (1664-1736).
In: Matthijs Siegenbeek: Museum: of Verzameling van stukken ter bevordering van fraaije kunsten en wetenschappen. Tweede deel. Haarlem 1812. UBL: 1169 E 20 : 2.

De zevende Ode uit het IV boek der Lierzangen van Horatius.

[p. 169]
De sture winter vlugt, geboomte en velden roemen
    Op loof, en gras, en bloemen:
Nu ’t lenteluchtje de aard, na ’t uitgestane leed,
    Met nieuwen glans bekleedt.
(5) ’t Lust nu den zilvren stroom, bedaard van toomloos hollen,
    Langs’ d’ eigen zoom te rollen.
Nu durft de blonde Aglai blootsvoets het kladerveld
    Bewandlen, en, verzeld
Met beide Zusteren, der Veldgodinnen reijen
    (10) Ten luchten dans geleijen.
Deze ommezwaai van jaar en dag, die haastig keert,
    En weder draait, verleert
Den sterveling hier iets onsterfelijks te hopen.
    De noord-vorst is verloopen:
(15) Nu streelt de lentewind de lucht, in ’t kort beknelt
    De zomerhitte ’t veld;
Dan blaakt het dorre zand, de vette beemd wordt mager.
    Fluks volgt hem de appeldrager,
De milde herst; die schudt, zijn’ boezem naauwlijks uit,
    (20) Of de oude grijsaard fluit
Het hek. Dat tijdverlies kan ’t naaste jaar weêr boeten.
    Maar wij, als we eenmaal moeten
Verhuizen, werwaarts de godvruchtige Trojaan
    Ons lang is voorgegaan,
[p. 170]
(25) Waar rijke Tullus woont en Ancus, varen henen,
    Tot stof en schim verdwenen.
En wie kan weten, schoon hij deze dag beleeft,
    Of God den morgen geeft?
Leef vrolijk, dan leef mild: al wat ge aan goede vrinden
    (30) Ten beste geeft, dat vinden
Geen gierige erven: ’t is vooruit hun klaauw onthaald.
    Gij, als ge zijt gedaald
In Plutoos duister rijk, en, tot uw schade of voordeel,
    De helsche Minos ’t oordeel
(35) Regtvaardig streek, staat pal: geen heldenrijk geslacht,
    Geen godsvrucht, geene kracht
Van rede zal u ooit den jammerpoel ontwringen.
    Die kon Diana dwingen
Den kuischen Hippolijt te laten in dien nacht:
    (40) Noch Theseus had de magt
Door ’t overwonnen staal zijn’ trouwen medewerker
    Te rukken uit dien kerker.
Continue
Antony Janssen van der Goes: negen gedichten. In: De leermeester
der zeden, Vertoont in Horatius Zinnebeelden, Lierzangen, enz.

Amsterdam, Jacob van Royen, ca. 1695.
Gebruikt exemplaar: UBL 1078 G 34.

[p. 55]

Aan ’t SCHIP
Dat Virgilius overvoerde. Hy hekelt der
Menschen vermetelheid.

ZO neme u Venus in behoed.
Zo moeten u, van ree gescheien
    En aangerand van wind en vloed,
De klaare tweelingstarren leien,
    (5) Eertyds gebroeders van Heleen:
Zo, bid ik, moet de voogd der winden
    (Noordwester uitgezegt alleen)
Alle andre trachten in te binden;
    Dat gy, ô Scheepje, teder hout
(10) Gezond, welvarende, en behouwen,
    Virgilius, u toevertrout,
Moogt levren d’Attische landdouwen,
    En dat gy doch op hechte kiel
De droeve zand- en zeegevaren,
    (15) Myn vriend, de weêrhelft van myn ziel,
Gelukkiglyk moogt doen ontvaren.
    Hy had voorwaar de borst wel styf,
En met drie dubbel staal beslagen,
    Die eerst met brosse planken ’t lyf
(20) Op felle zee bestond te wagen;
    En zag noch ’t bulderen, noch ’t slaan
Van wester- tegen noorderbuijen,
    Noch droeve regensterren aan,
Nog dolle stormen uit den zuijen,
    (25) Die op den Adriaatschen vloed
[p. 56]
Alleen den meester speelen willen,
    ’t Zy dat het hen zyn gramme moed
Lust op te ruijen of te stillen.
    Wat stervens wyze of slag van dood
(30) Vermocht dien stoutaard te verbazen,
    Die ’t zeegedrocht, zoo wreed, als groot,
En ’t meir, door stormen opgeblazen,
    En steile rotzen onbeducht
En zonder traanen dorst aanschouwen
    (35) Die langs Epierschen boord, berucht
Door ramp, die kielen staan te schouwen?
    Vergeefs, vergeefs heeft God bestaan
Des aardryks schoot aan alle zyden,
    Te schiften met den Oceaan,
(40) En wysselyk van een te snyden;
    Indien de volken, niet te vreên
Met eige palen, and’re hoeken,
    Als Godverachters, over zeên
En zorgelyke zanden zoeken.
    (45) ’t Stoutmoedig menschelyk gebroed,
Al wat ’er dreigt, getroost te lyën,
    Streeft staag met reukeloozen moed
Door dier verbode schelmeryen.
    ’t Geslacht van Jafet, stout en fier,
(50) Ging zweven boven alle wolken,
    En stal met kwaade lusten ’t vier,
En bracht het neder tot de volken.
    Als ’t vier des Hemels was ontschaakt,
Vernam men aanstonds nieuwe ellenden.
    (55) Straks vielen koortsen, schraal gekaakt,
Op ’t aardryk neêr met heele benden:
[p. 57]
    ’t Noodwendig sterven, traag van gang,
En voormaals langzaam in ’t vernielen,
    Versnelde zynen tret eerlang,
(60) En volgde ons korter op de hielen.
    Dedaal heeft wind en lucht doorsneên
Met vlerken, menschen nooit gegeven,
    Ja door verdoemden helstroom heên
Dorst Herkles moed en arbeid streven.
    (65) Daar is voor ’t sterffelyk geslagt
Niet hoogs, niet wichtigs afgeschooten.
    Ons stoute dwaasheid droomt en tracht
Wel zelf den hemel te bestooten:
    En onze boosheên, onbesuist,
(70) Die noch voor heil noch plagen zwichten,
    Gedogen niet dat Jovis vuist
Neerlegt zyn gramme blixemschichten.



Aan LICIUS SEXTIUS.

Hy beschryft den ingang der Lente,
en ’s levens broosheid.

DE felle vorst is door de lente ontdoit,
Die aangenaam de velden weêr voltoit,
    En los koomt meuken.
Men wind het schip alreê den golve toe:
(5) Het blaatrend veê is zyne stallen moe:
    De boer de keuken.
Geen ryp zal nu de weiden meer beslaan.
Vrouw Venus heeft weer met de nieuwe maan
    De maagdereijen.
[p. 58]
(10) Bevalligheên, ontsteeken door dien brand,
Rinkinken met de Nymphen hand aan hand
    Op groene meijen:
Terwijl Vulkaan zyn winkel gloeijend maakt.
Welaan, nu is de blyde tyd genaakt,
    (15) Om ’t hoofd te cieren
Met eene kroon van groene mirteblaên,
Of bloemen, die alreë nu open gaan,
    Of met laurieren.
Nu is het tyd om in het lommrig woud
(20) Aan Pan, daar hy de Nymphen onderhoud,
    Een bok te geven.
De bleeke dood, daar elk ik voor begaan,
Spreekt alzoo wel de koningshoven aan,
    Hoe hoog verheven,
(25) Als ’t boeren huis, hoe slecht gebouwt op slik.
O Sextius, het levens oogenblik
    Leert ons mistrouwen
Dien langen tyd, die men te leeven acht.
Terstont zult ge u bestulpt zien van de nacht
    (30) Met ziels benouwen;
Gy zult dan nooit, wanneer ge in ’t nare huis
Van Pluto zyt, by ’t onderaards gespuis,
    Met lekkre dronken
Meer drinken op de welvaard van uw’ vriend,
(35) Geen Jongling, die der maagden gunst verdiend,
    Ooit meer belonken.


[p. 59]

Aan KRISPUS SALUSTIUS.

Hy pryst die hunne begeerlykheid en
goutzucht intoomen.

SALUST, die schatten haar,
    Van Gierigaards begraven onder d’aarde,
    Het zilver heeft geen waarde,
Indien ’t geen gloet ontfangt door een gebruik naar maat.
        (5) De roem zal altyd staan
Van Prokule, bekent om ’t eerlyk harte,
In zyner Broed’ren smarte
Bewezen: zulk een faam zal om den aardkloot gaan.
        Die gierigheid verwint,
    (10) Heerscht verder als die Lybiaache stranden
    Hecht aan de Spaansche landen,
En bei de Peenen aan zyn dwinglandy verbint.
        Vervloekte waterzucht
    Vleid zich vergeefs, verslaat geen dorst door drinken,
    (15) Voor ’t quaad begint te zinken.
En de onlust tevens uit het bolle lichaam vlucht.
        De deugd erkend geen druk
    Van ’t graauw, en sluit Fraäat ten troon verheven,
    Na Koning Cyrus leven
(20) Uit de adelyke sleep der Vorsten, vol geluk.
        Zy leert het volk zyn waan,
    Dat kroon en staf hem opdraagt en laurieren;
    Die, zonder ’t oog te zwieren,
Met onverdraait gezicht de schatten kan zien staan.



Aan DELIUS.

Hy vermaant hem tot gelykmoedigheid in
voor- en tegespoet.

DEwyl ge, ô DELIUS! toch eenmaal sterven zult,
    Verwin nooit onheil uw gedult
[p. 60]
Geen maatelooze vreugd doe u in voorspoed zwellen:
    Het zy ’t u luste u zelven meest te quellen:
(5) Het zy gy feestdaags, in het riekend lentegroen,
        U zelven goet wil doen
Met frissche Vernen Wyn, daar witte Popelboomen,
    Op ’t ruisschen van de stroomen,
Haar bruine schaduwen vermengelen althans,
        (10) Met takken breet van trans.
Koom breng ons bloemen aan, en specery en Wynen,
    En frissche rozen, die te dra verdwynen.
Terwyl de jeugd ons nood, en uwe staat het lyd,
        En zusters, die den tyd
(15) Des levens spinnen. het is eenmaal afgesponnen.
    Gy zult doch eens uw aangename bronnen,
    En vorstlyk huis en hof, waar langs den Tiber glyt,
        Verlaten op zyn tyd.
Uw Erfgenaam zal toch uw schat, zoo hoog gestegen,
    (20) Bezitten, en braveeren in zyn zegen.
Het helpt niet, of gy zyt van ouden Inachs bloed,
    Voorzien met vorstlyk goed:
Of dat gy, naakt en bloot, van ongeachte volken,
    Sterft onder ’t dak der ongestuime wolken,
(25) Een offerhande van het nooit verzade graf,
        Een algemeene straf;
Hier worden we altemaal geroepen, en gedreven,
    Het zy wy kort of langer willen leven,
De dood gaat haren gang. Ons noodlot heeft eens uit.
        (30) Wy zullen Karons schuit
Betreden, en, niet vry met eenewerf te sterven,
    Als ballingen in eeuwigheid gaan zwerven.



[p. 61]

Aan SEPTIMUS.

Hy pryst de vermakelyke gewesten
van Tibur en Tarente.

SEPTIMUS, gy die op mynen eisch
U troosten zoud een Gaditaansche reis
    Met my te wagen,
Die, zo de nood my naar de grenzen trok
(5) Des Kantabers, wiens styve nek ons jok
    Ontzeit te draagen;
Getrouwelyk en nimmer dolens moe
Met my tot daar, ja tot de Syrtes toe
    Zoud durven varen,
(10) Dat wild gewest, daar d’Africaansche vloed
Gedurig bruist, en tegen de oevers woed
    Met felle baren:
’t Zoet Tibur, van ’t Argivisch volk gebout,
Och, of wy daar ten lesten mat en oud
    (15) Eens smaken mochten
Gewenschte rust, en volle stillestand
Van krijgs gewoel, van zo veel zware land
    En watertochten.
Zo evenwel der Parken bitterheid
(20) Myn ouden dag dat lustig oord ontzeid,
    De versche randen,
Waar langs de stroom Galesus speelt en zwiert
Vermakelyk om ’t sneeuwit wolgediert,
    En d’akkerlanden
[p. 62]
(25) Waar van Phalant wel eer is heer geweest,
Zal ik gerust en wel getroost van geest
    Dan gaan bezoeken:
Dat hoeksken lands lacht my nog vrolyk an,
Dat lokt, dat trekt, dat dunkt my ’t zoetste van
    (30) Al ’s wereld hoeken;
Daar groeit en vloeit de honig overal,
Een zonnedauw, die geen Hymetsche zal,
    Hoe lekker, wyken:
Daar durft d’olyf, zoo frisch en groen als gras,
(35) In goedheid by ’t Venasersche gewas
    Zich vergelyken:
Daar stort de lucht schier staage lentens neer,
En levert laau en maatig winterweer:
    Daar ziet men snijen
(40) Op Aulons kruin en wyngaardryken top
De Wynen, die het mild Falernsche sop
    Geenszins benijen.
Die plaatze, vriend, dat zalige gewest
Roept ons tot zich: daar zult gy voor het lest
    (45) Na ’t bitter scheijen,
Op d’assche van uw eertyds lieven vriend,
Gelyk zyn trouw en vriendschap heeft verdient,
    Uw tranen spreijen.



Aan LICINIUS.

Hy verheft de middelmaat en bezadigdheid
des gemoeds.

LICYN, gy zult gelukkig leven,
Met niet te reukeloos in bare zee te streven,
[p. 63]
    Of, al te bang voor ongeval,
    Te zwerven om den wal.
(5) Hy smoort niet onder vuile daken,
Noch kan zich met de pracht van ’t dartel hof vermaken,
    Die lust heeft in de middelmaat,
    Te vreden met zyn staat.
Het groote schip heeft meest op zee te dragen.
(10) Een hooge tooren stort met zware nederlagen.
    Het Blixemen treft meest de kruin,
    Van een verheve duin.
Een ziel, gehart van alle zyden,
Vreest onspoet in geluk, hoopt beter staat in lyden;
    (15) Jupyn, die ’t onweer op doet staan,
    Doet ’t zelve ook overgaan.
De druk is morgen licht verbannen.
Apollos taaye boog is niet altyd gespannen.
    Hy haalt zomwyl de zanglust op
    (20) Aan Pindus hoogen top.
Zyt fier wanneer u rampen quellen;
En bindt voorzichtelyk, wanneer uw zeilen zwellen
    In de voordewinden van gewin;
    Zomtyds een reefjen in.



Aan POSTHUMUS.

Dat ’er niet zekerder is dan de dood.

ACh! Posthumus, wy zien de jaren
Ons met gezwinder vaart ontvaren,
En schoon men tot den altaar vlied,
De rimpelen en zilvere hairen
(5) En komen dies te spader niet.

    d’Aanstaande ouder, vol van kwalen,
Zal u niet traager achterhaalen,
Ook zal de onmydelyke slag
[p. 63]
Der ongetemde dood niet dralen,
(10) O vrind, al gingt gy dag aan dag

    Drie honderd offerstieren slachten,
En mengelde gebeên met klachten
Zoo vierig als ooit iemand kon,
Om Plutoos strengheid te verzachten;
(15) Die den drielyfden Gerion

    En Titius, hoe grof zy waaren,
Omringelt met de droeve baaren;
Die ’t al wat zich op aardryk voed,
Die Koningen, die bedelaaren,
(20) Die elk voor hoofd bevaren moet.

    ’t Is al om niet, dat wy voor ’t woeden
Van den bloeddronken Mars ons hoeden,
’t Is al om niet, het schor geschal
Geschuwt der Adriaatsche vloeden,
(25) De dood betrapt ons overal:

    ’t Is al om niet, gevreest de plaagen
Der ongezonde zuidervlaagen
By herrefstyd: ’t is al om niet
Voor ’t teder lichaam zorg gedraagen:
(30) Cocytus met zyn traagen vliet

    Diend eens gezien, gekend, geweeten,
En al den arbeid ongemeeten
Der Belides niet waard genoemt,
En Sisyfus tot eeuwig zweeten
(35) En steen omwentelen gedoemt,

[p. 65]
    Gy moet, hy moet u een bereijen
Van aarde en huis en hof te scheijen,
Ja van uw Ega frisch van leên,
En van die lommermilde meijen,
(40) Die gy hier viert, en zal ’er geen

    Zyns Heeren treuriglyk geleijen,
En hem de laatste schaduw spreijen,
Behalven ’t droef Cypressen groen.
Dan zal uw erfgenaam gaan weijen
(45) Op ’t breedste, en ruiterlyk verdoen

    De Wyn bewaard, met honderd slooten:
Dan word het vloeralbast begooten,
En met veel betren drank besmet,
Als ooit van monden wierd genooten
(50) Op prachtig Priesterlyk banket.



Aan TORQUATUS.

Hy vermaant hem alle onnutte zorge
te bannen.

DE gryze sneeuw heeft nu de wyk genomen,
        Het zachter lenteweêr
Kleed al het veld in ’t groen, geeft alle boomen
        Hun bladervlechten weer.
(5) Het land vernieuwd, de ontzwolle beken stroomen
        Weer tusschen de oevers heen.
Geen Charites, geen teere Nymphen schroomen
[p. 66]
        Nu naakt ten rei te treên.
De dag, die flux in uuren is verstoven,
        (10) De snelle jaarloop zeid,
Zich onder maan iets eeuwigs te beloven
        Is wind en ydelheid.
Zephyr temt eerst de koude noordervlagen:
        Dan koomt de zomergloed
(15) Vermeesteren de laauw lente dagen,
        Tot dat hy wyken moet
Den appelryken herrefst met zyn vruchten,
        Die ook ten lesten zal
Voor ’t snuiven van de traage winter vluchten:
        (20) Dus ryst, dus daalt het al.
Doch ’t Maanerond, met rollen op en neder
        Door ’s Hemels Teekenry,
Vergoed die schade en roept die tyden weder:
        Maar wy, och arme! wy,
(25) Wy, als wy eens gaan glippen naar beneden,
        Waar Tullus, groot en ryk,
Waar Ancus, waar Aeneas is gegleden,
        Straks smelten wy tot slyk:
Men word ’er nooit in ’s waerelds licht herroopen.
        (30) En, ach! wat weeten wy,
Of ’s Hemels Goôn den morgen zullen knoopen
        Aan onzer dagen ry.
Al wat gy dan genut hebt na betamen,
        Of met een milden zin
[p. 67]
(35) Hebt uitgedeeld, daar slaan geen erfgenamen
        Hun graage klaauwen in.
Wanneer gy ligt, van ’s levens licht versteken
        En van de dood verkracht,
En Minos eens het vonnis heeft gestreeken,
        (40) Zal u nog hoog geslacht,
Nog milde tond, nog deugd in ’t licht herstellen,
        Torquatus; want gewis
Diane kan van onder uit der hellen,
        Bedroefde duisternis,
(45) Dien Hippolyt, hoe kuisch en vry van schanden,
        Niet weder op doen staan:
En Thezeus is niet machtig van doodsbanden
        Pirithous t’ontslaan.



[p. 102]

LANDLEVENSLOF.
Horatius nagevolgt.

GElukkig is die man te achten,
Die zich op ’t land in stilheid houd,
En daar zyn eigen akker bouwt,
Gelykze in ouden tyden plachten.
    (5) Die buiten het gewoel der vesten,
[p. 103]
Leeft zonder ampten of bewind,
En zich daar onbeslommert vind
Van schulden en van interesten.
    Die, als de trommel werd geslagen,
(10) Op ’t kalfsvel niet te passen heeft,
En voor geen zee noch stroomen beeft,
Noch daar zyn lyf behoeft te wagen.
    Die schuw is van het procederen,
Noch loopt den pleitvos achter aan:
(15) Noch, om in hare gunst te staan,
Bedraaft het huis van groote Heeren.
    Nu is hij in zyn tuin aan ’t pooten:
Nu slaat hy zyne wyngaard gâ,
En snyd en snoeit: verwerkt de quâ,
(20) Een houd en zoekt de beste looten.
    Of ziet in wegen in en in dalen
Van ver zyn Koeijen grazen gaan,
Of gaat, daar zyne korven staan,
De rentjes van zyn Byen halen.
    (25) En breekt het werk der kleine knaapjes
En perst’er uit het zoete nat,
En vult ’er uit zyn kruik of vat,
Of scheert de wol van zyne Schaapjes.
    Of, als de Herfst nu is gekomen,
(30) En toont zyn cierelyke hooft
Rondom gelaân met lekker ooft,
Plukt peer en appel van de ranken
    Of snyd de druiven van de ranken
Die ’t purper ver te boven gaan,
(35) Om u, Priaap, en u, Sylvaan,
Voor tuin en hofzorg te bedanken.
[p. 104]
    Nu lust het hem ter neêr te leggen
In ’t lieffelyke klavergras,
Nu onder ’t hooge boomgewas,
(40) Of onder koele dichte heggen.
    De beekjes vallen ondertussen
Ter bergen af, en ’t pluimgediert
Dat kwinkeleert en tiereliert
En zoekt zijn vlammetjes te blussen.
    (45) De bronnen met kristalle stroomen
Die loopen neer met kleen gedruis,
En door een dun en deun geruis,
Doen hem de vaak in de oogen komen.
    Maar als nu in de winterdagen
(50) De lucht ons regen geeft en sneê,
Maakt hy zyn tuig en gaarens reê,
Om ’t wilde zwyn daar in te jagen.
    Of stelt zyn boogjes en zyn strikken,
Wanneer de grage lyster vliegt,
(55) Die hy met kwaalsteraas bedriegt,
En doetze in haire stropjes stikken.
    Of tyd te veld met wind’ en brakken,
Om in ’t gebergte, in ’t grient, in hei,
In riet en ruigt, in braak en wei,
(60) Het bloode haasje te verlakken.
    Wie is ’er, die niet onderwylen,
Vergeeten zou al ’t moeilyk kwaad,
Waar meê de liefde zwanger gaat,
En ’t smerten van de minnepylen?
(65)     Heeft hy daar by een vrouw met eeren
Die zorge draagt voor huis en kind,
En dat hy ’t vuur aan ’t branden vind,
[p. 105]
Wanneer hy moe te huis zal skeeren:
    Die in het bocht, van rys gevlochten,
(70) De dikgeweide koeijen sluit,
En trekt de melk ter speunen uit,
Die zy met styve elders brochten.
    En tapt hem uit het beste vaatje,
En kookt zyn pot van ’t geen zy heeft,
(75) Daar men geen geld om uit en geeft,
Van vruchten van zyn eigen laadje.
    Zo vind ik smaak noch lekkenyen
In bisques noch in fricasseen,
Loopt vry met alle schilpvisch heen:
(80) De oester kon my niet verblyen.
    Patrys, noch korhoen, noch fazanten,
Hoe kort van vleesch, hoe murf, noe mals,
En smaakte niet zo lieflyk, als
Zalaat of kool van eigen planten.
    (85) Als peeren, die ik zelfs mocht schudden,
Als vleesch en spek uit myne schouw,
Als ’t kalfje, dat ik snyde zou,
Als schaap of geit van eige kudden.
    Wat is ’t een verugd te zien zyn schapen,
(90) Terwyl men dus vast bankketeert,
Hoe al het goed naar huis toe keert,
Om in haar hok te komen slapen!
    Te zien zyn paarden uitgeslagen,
Des avonds moede komen aan,
(95) Van uit de ploeg of eg van daan,
En het gareel naar huis toe dragen!
    Te zien een zwarm van grage booden
Aan tafel of ontrent de haart,
[p. 106]
Die voor de wormen ’t spek bewaart,
(100) En ’t schimmel houd uit uwe brooden!
    Dus heb ik onlangs hooren spreeken
Hier in de stad een woekenaar,
Die zich tot bouwen maakte klaar,
En dacht zyn huis daar op te breken.
    (105) Des deê hy al zyn geld opzeggen
Op half September, zonder fout,
Nu heeft hy roukoop, en hy zou ’t
Weêr tegen Baafmis gaan beleggen.
Continue
Pieter Nuyts: Bewerking van Ode IV, 5 (1697); vertaling van Ode I, 4, 9, 11, 14, 15 en 31; Ode II, 16 en 18; Ode 3, 16 en een fragment uit de Ars poetica (1698)



De Bredaasche Klio, uitdeelende verscheide gedichten, betreffende de stad, het land en de aangehoorigheid van Breda, door Pieter Nuyts, officier der Vryheid Etten, Leur en Sprundel. [Vignet: Perseveranter]. Te Amsterdam, by de Erfgen: van J. Lescailje, op de Middeldam, op de hoek van de Vischmarkt, 1697.
Gebruikt exemplaar: UBL 1206 B 29.
[p. 16]

Het vyfde Gezang uit het 4. Boek
van Horatius aan
AUGUSTUS.
Vertaald en toegepast op de Wederkomst
Van zyn
MAJESTEIT.

O Trouwste Zorger, voor ’t Bataafsch Geslacht,
            Door Goden voortgebragt,
[p. 17]
Gy wacht te lang: keer weêr in alleryl
            Met uwen Stoet, dewyl
(5) ’t Uw Majesteit den Achtb’ren Raad toezei.
            Gy, goede Vorst, versprei
Doch over ’t Vaderland uw gonstig Licht;
            Want waar uw Aangezicht,
Een lieve Lent gelyk, bestraald uw Volk
            (10) Daar dryft nooit duist’re wolk;
De Morgenzon daar schoonder weezen draagd,
            En lieffelyker daagd.
Gelyk een Moeder om haar waarde Kind,
            Dat, door den sterken wind
(15) Van Boreäs, en ’t bulderende weêr,
            Aan de overzy van ’t Meer
Wert opgehouden langer, als zyn tyd,
            Met driften roept en kryt,
En rekhalst staadig langs het bogtig strand;
            (20) Zo wenscht ook ’t Vaderland,
Door trouwe zucht geprikkeld in haar borst,
            Te aanschouwen haaren Vorst:
Wyl onder hem het Vee dan veilig weid,
            En Ceres vruchtbaarheid
(25) Een milden Oegst beloofd; dan vaart gerust
            De Zeeman van de Kust;
Heus en oprecht elk handeld; dan blyfd ’t Huis
            Van schennis vry en kuis;
De Wet en Keur, geraamt op uw bevel,
            (30) Weert schandig overspel;
Men pryst het wyf, wyl ’t Kind de Man gelykt;
            Geen kwaad de straf ontwykt.
Wie vreest de Parth? En wie den Schyt? Wie beefd,
            Als onzen Caezar leefd,
(35) Voor ’t woeden van Louis? Wie staat verzet
            Voor ’t wreede Moordtrompet
[p. 18]
Van Ottoman? elk slyt zyn dag gerust
            In de Akkerbouw met lust;
Of huuwd zyn Wynstok aan den Populier;
            (40) Of met een blyde zwier
Voegd zich elk aan den disch, en roemd aldaar,
            By een verheugde Schaar,
Uw groote Daân, en plengt tot uwer eer
            Gebeên en Wyn ter neêr.
(45) Elk een verheugd zich in uw Kroon en Troon,
            Als ’t Grieksche Volk, gewoon
Den grooten Herkulies en Kastors Feest
            Te vieren onbevreest.
O, groote Vorst, keer ’t onheil van ons Land,
            (50) Geef ’t Vrede door uw Hand!
Zo wenschen wy te zaamen ’s morgens vroeg,
            Noch nuchteren genoeg:
Zo wenschen ’s avonds wy na Zonneschyn,
            Bestooven met de Wyn.



In Het elfde schimpdicht van Juvenalis, Amsterdam, J. Lescailje, 1698.
Gebruikt exemplaar: UBL 1203 H 13.


HET
ELFDE SCHIMPDICHT
VAN
JUVENALIS,
Zinvolgelyk vertaald, en op
onze tyden toegepast.
En eenige
LIERZANGEN
Uit
Q. HORATIUS FLACCUS.
In Nederduitsche Vaerzen vertaald
Door
Pr. NUYTS,
Officier der Vryheid Etten,
Leur en Sprundel.


[Vignet: Perseveranter].

Te AMSTELDAM,
_________________
By de Erfgen: van J: Lescailje, op de Middeldam,
op de hoek van de Vischmarkt, 1698.


[p. 13]

LIERZANGEN

Van

Q: HORATIUS FLACCUS.



[p. 14: blanco]
[p. 15]

LIERDICHTEN VAN
HORATIUS
_________________

LENTEDICHT.

1 Boek 4 Gezang.

Solvitur acris Hiëms grata vice Ceris
& Favoni, &c.

    ’tAAnkomen van de lieve Lent,
En Zefyrus verkwikkend blaazen
Komt nu den Winter Vorst verbaazen,
    Ontdooit ’t bevroozene Element.
(5) Men sleept de Kielen uit de Haven
    Dus lang gestremd; aan ’t wollig Vee
    Verveelt de Stal; den Bouwman meê
De heeten Haard; in Sneeuw begraaven
    Zyn nu niet meêr de Weiden wit.
(10) Vrouw Cythere begint haar Reijen
Ter nieuwe Maan ten dans te leijen.
    Der Nymfenschaar, staande in ’t gelit,
In ’t byzyn der Bevalligheden,
    En t’zaâm gekoppeld hand aan hand,
    (15) Vast hipplen op ’t ontdooide Land,
Terwyl Vulkaan, de God der Smeden,
    In ’t Reuzenhol vast heet den Haard.
Nu is het tyd de Pruik te groenen
Met Myrtekrans, of met Festoenen
    (20) Van Bloemen, die het Aardryk baart
Uit zyn ontlaaten bruine boezem;
    Nu is het tyd op te off’ren Pan
    Een Lam, of Bok, of wat men kan
In ’t lomm’rig Bos, met geurge bloezem
    (25) Door Vrouw Natura geboorduurt.
De Dood bezoekt zo wel de Wooning
[p. 16]
En ’t Hof van een gevierden Koning,
    Als strooijen Hutte, of arme Buurt.
’t Ras rollen onzer korte dagen
    (30) Verbied de hoop van langen tyd
    Te zullen leeven hier verblyd;
Daarom wil droefheid van u jaagen;
    Want eêr men ’t weet zyn wy verrast.
De Dood zal schielyk by ons koomen.
(35) Wat eens gedompeld in de Stroomen
    Van Lethe legt, blyft eeuwig vast.
Daar zal men niet in moogen stellen,
    Met Fluit, of Kroes, ter Kim vol Wyn,
    Genaamt na ’t Lelyryk of Ryn,
(40) Gezondheên, aan zyn Meêgezellen,
    Van Lief, van Staat, van Vorst, van Vrind;
Daar zal men in geen Liefde blaaken
Tot de een, of de anders roode Kaaken,
    Noch iemand vinden, die men mind.
(45) Dus schroom niet eerb’re vreugd te pleegen;
Noch jeugd, noch jaartyd zyn u tegen.


WINTER DICHT.

1 Boek 9 Gezang.

Vides ut alta stet nive candidum, &c.

GY ziet hoe dik en hoog Zorakte
        Nu legt van Sneeuw bedooven grys;
Hoe schier bezwyken dichtbetakte
        Boschadien door wigt van Ys;
(5) Hoe Waterbeeken en Rivieren
        Zyn toegestremt door felle Kouw,
Keer dan den Vorst door groote Vieren
        Te onsteeken; heet den Haerd en Schouw;
[p. 17]
Schenk uit Zabynsche Kruik en Vaten
        (10) Bejaarde Verne Wynen mild;
Wil voor de rest den Goden laaten
        Bekomm’ren, en geen zorgen spilt.
Als zy de fellen Noorder buijen,
        Welke op de ontstelden Oceäan
(15) Den Golven tegen een opruijen,
        Bevoolen hebben stil te staan,
Noch loof, noch blad men ziet vervoeren;
        Geen dorrende Ollemen hun kruin,
Of geen Cypres hun takken roeren
        (20) In Dal, op Bergen, of op Duin.
Ei! maak geen onderzoek naauwkeurig
        Wat morregen geschieden zal;
Hou elken dag, ’t zy blyde of treurig,
        Voor Winst, verkreegen van ’t Geval.
(25) Staak ’t eerbaar vrijen niet, noch ’t streelen,
        Terwyl gy jong en jeugdig zyt;
Speen u van Dansjen, Rei, noch speelen,
        Zo lang gy bloeijende en bevryd
Bent van de stuursche gryze Hairen;
        (30) Wil Oeffenplaats en Worstelperk,
Noch min’lyke Avondpraatjes spaaren
        Daar ’t Lief u wacht; wil ’t Vrijerwerk
Met graage lust weêrom bezoeken;
        Dat u de lieve Lonk en Lach,
(35) U meldende achter wat voor Hoeken
        Uw zoete Lief te schuilen plag,
Weêrom vermaak; ruk met een slinger
        Van haaren Arm een Brazelet,
Of, van haar niet onwill’gen Vinger,
        (40) Een Ring, of Strikje van ’t Toppet.



[p. 18]

1 Boek. 11 Gezang.

Tu ne quaesieris scire (nefas) quem mihi,
quem tibi, &c.

MYn Vrind, wil toch niet onderzoeken
        Wat eind de Hemel heeft aan my,
Of u beschooren. Toverboeken,
        (’t Is ongeöorlooft) Wichlary,
(5) En and’re Giskonst wil staâg myden,
        Op dat het u te lichter val
Geduldiglyk te leeren lyden
        Al, ’t geen het Lot u zenden zal.
’t Zy God aan u schenk meerder jaaren,
        (10) Of dat deez’ Winter, die ’t geweld
Temt van de ontstelde woeste Baaren,
        En tusschen Rots en Klip beknelt,
De laatste zy. Wil wyzer weezen,
        Als ’t Volk, dat bygeloof bekroop:
(15) Pleeg maatig Vreugd met uitgeleezen
        Zop uit een Rynsche of Fransche Stoop:
Laat vaaren ’t lang en staadig trachten
        Na ’s leevens korte en slibb’rige uur.
Al praatende vervliên de nachten
        (20) En dagen, nydig zonder duur:
Op een onzeek’ren dag van morgen
        Geen staat maak, of stel iets gewis;
Gebruik maar wel, ontdaan van zorgen,
        Den tyd, die tegenwoordig is.



[p. 19]

1 Boek. 14 Gezang.

O Navis, referent in mare te novi, &c.

NIeuw onweêr zal, ô Staatshulk, u doen dryven
        Weêr t’zeewaarts in. Wat wilt gy toch bestaan?
Tracht veilig in uw Havenen te blyven.
        Ziet gy niet dat uw Boorden onbelaân
(5) En bloot van Riemen zyn? Dat felle Winden
        Aan splinters slaan uw Masten en uw Reên?
Dat uwe Kiel niet, zonder splissen, binden
        En Want, verduuren kan ’t geweld der Zeên?
Gy hebt geen Zeil meêr heel, of ook geen Goden,
        (10) Dien gy, als ’t Stormweêr nood en ramp u brouwt,
Door bidden kond tot uwe bystand nooden,
        Schoon gy, gemaakt van Pontische Pynboomhout,
Op dat vermaarde en edel Bosch gaat stuiten,
        En stoffen op een yd’le Naam en Stam.
(15) Op ’t blinken van geschilderde Kajuiten
        Een bloode Zeeman nooit betrouwen nam.
Dus, zo gy niet aan de ongestuime Buijen
        Wilt strekken tot een schimp of guiggelspel,
Of tegen u die toorenig opruijen,
        (20) Bidde en vermaane ik ernstig wacht u wel.
Gy, die my kort tot hartewee en lyden,
        En nu geen kleine zorg verstrekte en lust,
Wil, raade ik u, de barreningen myden
        Omtrent de uitsteekende Cyclades Kust.



[p. 20]

NEREUS VOORZEGGING

van

TROIJENS ONDERGANG.

1 Boek. 15 Gezang.

Pastor cum traheret per freta navibus, &c.

            ALs de trouweloozen Herder
                Wou zyn Huiswaardin Heleên
            Met Ideesche Scheepen verder
                Voeren na ’t oud Troijen heên,
            (5) Sloot de Zeevoogd fluks de Winden,
                Tegen hunnen dank, in ’t Slot,
            Op dat hy mogt stilte vinden,
                Om te melden ’t wreede Lot.

Onzaal’ge Paris, by vervoert ter kwaader uur
(10) Die Schoone, die u door het schrikk’lyk Oor’loogsvuur
En magtig Grieksche Heir (verpligt uw Feest te steuren,
En het aloude Ryk van Priämus te scheuren
En uit te roeijen, door hun diergestaafden Eed)
Zal werden afgeëischt. Ei! zie hoe hygt en zweet
(15) De Zoudenier en ’t Ros. Wat brouwt gy aan uw Volken
Al doodelyken ramp? Zie Pallas in de Wolken
Rust reets haar Wagen toe, met Helm en Beukelaar;
Raakt heftig aan het woên, en gy in groot gevaar.
Uw laffe Cyter zal vergeefs uw Poppendeunen
(20) Verliefde Liedekens, en gy op Venus steunen,
Vergeefs versierende met geurig stof uit Pruik.
De scherpe Speeren zyt gy niet ontvliên ter sluik;
[p. 21]
Noch myden door de vlucht den punt der Knossche Pylen.
Vorst Ajax met gedruis zal yv’rig na u ylen,
(25) Verstoord op ’t onecht Bed. Maar, Ach! met weinig lof
Gy ’t overspeelig Hair begruist zult zien met stof.
Vreest gy niet voor Ulys, de Uitroeijer van uw Staaten?
Of Nestors wyzen raad? die Troijen niet verlaaten
Zal voor hy ’t heeft gesloopt. Vorst Teucer onverzaagd
(30) Zal dringen op u aan, zo fel, dat alles waagd,
Met Stenelus, die sneêg, zo wel in ’t Paardemennen,
Als ’t Wagenstryden is. Meriön zult gy kennen.
De straffen Diömeed, veel kloeker als die geên,
Die hem heeft voortgeteeld, raast van uitzinnigheên,
(35) En loost, om u te zien, een drang van wreekend zuchten,
Voor wien gy, halve Vrouw! al hygende zult vluchten,
Gelyk een weidend Hert in groene Dal of Beemd,
Wanneer het van ter zy den wreeden Wolf verneemt,
Vergeet zyn Gras en wykt. Geenzins gy dit beloofde
(40) Aan uw geschaakte Bruid, dien gy haar Man ontroofde.
Alleen Achilles Vloot, verbolgen om den hoon,
Door Hector hem gedaan met Patroklus te doôn,
Is al te rouwig, om zich in Gevecht te mengen,
En zal noch voor een tyd ’t Troijaansch beleg verlengen,
(45) En ’t haat’lyk leeven van uw Snollen; Maar de vlam
Van het Achaische Vuur verdelgen zal uw Stam,
Na kort verloop van tyd uw schoon Gebouw verbranden,
En sloopen Priäms Muur, ten schrik van and’re Landen.



1 Boek. 31 Gezang.

Quid dedicatum poscit Apollinem, &c.

APol, gy Deugd en Vreugde Stichter,
        O Godheid! van elk een geëert;
Zeg toch wat dunkt u, dat uw Dichter
        Met zyn gebeên van u begeert,
[p. 22]
(5) Wanneer hy komt voor u verschynen,
        Kerkplegtig, met de Priesterschaar,
En plengt het puikst van nieuwe Wynen
        Eerbiedig voor uw Hoogaltaar?
Geen mild Gewas der vruchtb’re Bund’ren,
        (10) Zardeinjes Oest, of Korenschuur:
Geen Kalabreesche vette Rund’ren:
        Geen Goud, van daar het Zonnevuur
Roost half gebraadene Indiänen
        Met haar Yvoor en Elpenbeen:
(15) Of ook niet de Akkeren, die baanen
        De Minturnenzen, en langs heên,
De stille Liris komt ververssen.
        Laat hen, dien Vrouw Natura heeft
Begaaft met Wynstok, Wynen perssen,
        (20) Dien ’t heete Kales aan hun geeft;
Laat ryke Koopluî, van de Goden
        Gelieft, wyl zy wel tweemaal ’s jaars
’t Att’lantisch Meir, als snelle Boden,
        Heelhuids doorkruissen, uit niet schaars
(25) Vergulde Koppen lustig veegen
        Bejaarde Verne Wynen, voor
Zyreesche Waar, met vlyt verkreegen.
        My zal de frissche Olyf, Chichoor,
En lichte Malva rustig voeden.
        (30) O Vrouw Latones waarde Zoon!
Ik bad u nooit om groote goeden;
        Vernoegt te zyn ben ik gewoon.
Wil my slechts met gegronde reden,
        Gezond lyfs, en ter goeder uur
(35) Verstrekken doen tot nuttigheden
        Het weinig, ’t geen bewaart myn Schuur;
Laat my voor ’t laatst geen gryze Hairen,
        Met schand bevlekt eêr dat ik sterf,
In mynen ouden dag weêrvaaren,
        En geef dat ik nooyt Rymlust derf.



[p. 23]

2 Boek. 16 Gezang.

Otium Divos rogat in patenti, &c.

DIe beneepen is van Buijen,
        Storm en Wind, onhandzaam Weêr,
Groeijend tegen over ’t Zuijen
        In het woeste Egeesche Meer,
(5) Die het maanlicht ziet verdonk’ren;
Geen bekende Sterren flonk’ren
        Voor de Schippers, om de Kust
        Te bezeilen, bid om rust
Aan de groote Hemellieden:
        (10) Om gerustheid ’t Trachisch Wyf,
Door den Oor’log heel aan ’t zieden,
        Wenscht en bid met ziel en lyf:
Ja de felle en strydb’re Meder,
Trots op Koker, Pyl en Veder,
        (15) Tracht na rust. Rust die voor Goud,
        Purper, Paer’len, Esmarout,
Noch geen kostelyke dingen
        Veil is, want geen Schat of Praal
Loost ’s Gemoeds bekommeringen,
        (20) Die vaak in een Hoofsche Zaal
En in hoog gewelfde Daken
Hert en Ziel vol onrust maaken;
        Noch de Borgermeesters Staf
        Neemt den Mensch de Zorgen af.
(25) Daar leeft elk in rust en vreden,
        Daar men Besjes Zoutvat zet
Op zyn Dis, schoon niet gesneden
        Na de konst, maar onbesmet:
Daar geen Zorg of snoode Lusten
(30) Den gerusten Slaap ontrusten.
[p. 24]
        Wat slaaft elk zich moede en mat
        Om ’t gewin van grooter Schat
In deez’ korte en droeve dagen?
        Waarom wiss’len wy van Land
(35) En van Lucht zo vaak by vlaagen
        Daar een and’re Zonne brand?
Waarom wykt men van zyn Zeden,
En van zyn gewoon’lykheden,
        Van zich zelven, als ontaard,
        (40) Door lang afzyn van zyn Haard?
Daar het schadelyke Zorgen
        Ruiterbenden zelfs berent,
Snelder, als de Wind in ’t Morgen-
        Land de Wolken dryft en ment;
(45) Daar het welbemande Vlooten
Durft beklimmen en bestooten
        Rasser, als een Reê of Hert,
        Dat voor Honden vluchtig wert.
Dat is lustig rustig leeven,
        (50) Als het Menschelyk Gemoed
Met het dag’lyks Weinig even
        Is te vrede, als met veel Goed,
En verfoeit het haat’lyk Zorgen
Voor ’t onzeker uur van Morgen;
        (55) Als men een bedroefden Dag
        Maatigt met een blyden Lach,
Denkende, dat in deez’ dagen
        Niets geheelyk is volmaakt,
Wyl Achil, vol welbehaagen,
        (60) Vast om Priäms Dochter blaakt,
Moest hy schielyk ’t leeven laaten;
Geen onsterfbaarheid kon baaten
        Tithon, wyl hem Ouderdom
        Afsloofde, en boog loom en krom;
(65) Ja de Tyd misschien zal geeven,
        ’t Geen gy missen zult, aan my,
[p. 25]
Schoon of honderd Kudden zweeven
        Om uw rechte en slinke zy;
Schoon Ziciliäansche Koeijen,
(70) In uw Weiden, om u loeijen,
        En uw Merry briest en hinkt
        Voor uw Koetzen, dat het klinkt;
Schoon of dobb’le Purperkleden,
        In het Afrikaansch Gebied
(75) Kostelyk geverft, uw Leden
        Dekken, en de myne niet.
’t Wisse Noodlot heeft gegeeven
My nochtans om van te leeven,
        Weinige Gemeeten Lands,
        (80) En daar by noch wat verstands
Van de Grieksche Rymerijen,
        En (het geen ik ’t meest waardeer)
Niet te kreunen Klappernijen
        Van Jan Hagel, zonder eer.


2 Boek. 18 Gezang.

Non ebur, neque aureum, &c.

TOt mynent ziet men nimmer blinken
    Yvoor, of Welfzels van schoon Goud:
    Geen Marmervloer myn Zaal verkoud,
Noch zilv’re Vaten hoort men klinken:
    (5) Geen kostelyke Pylaar schraagt,
Gebragt uit de uitterste Gewesten
Van Afrika voor ons ten besten,
    Hier Balken, op Hymet gezaagt.
’k Heb te onrecht niet tot my getrokken
    (10) Den groote en onwaardeerb’re Schat,
    Welke Attalus weleêr bezat;
Ook Purp’re Borgermeesters Rokken
[p. 26]
    Ik nimmer voor my weeven doe.
De Trouw en Rymkonst my verwerven
    (15) Des Rykaarts gonst, die my niet derven
    Wil, schoon ik leef in Arremoê.
Om meerder goed wil ik den Goden
    Niet bidden, noch myn grooten Vrind
    Verzoeken, schoon hy my bemind;
(20) Want meerder heb ik niet van nooden.
    Ik ben ten hoogsten vergenoegt
Alleen met myn Zabynschen Akker,
Dewyl ik telkens zie hoe wakker
    De een dag zich aan den and’ren voegt;
(25) Hoe ’t Licht der nimmerstaande Maanen
    Nu groeit, nu breekt, nu klimt, nu daalt,
    En eindeling ’t Hoofd eens onderhaalt.
Na Goed te wenschen is maar waanen.
    Schoon onze dagen neemen af,
(30) Men bouwt Paleis gewelf en Muuren,
Als zoude ons leeven eeuwig duuren;
    En, die met een voet gaan in ’t Graf,
Bekomm’ren zich met Marmer zaagen.
    Een ander Giergaard, onvernoegt
    (35) Met ’t vaste Land, den Oever ploegt:
Een ander gaat zyn Nabuur plaagen,
    En met zyn Scheidspaal te onrecht voort
Op ’s Naastens Akker; en een ander
Helpt Man, Vrouw, Kind, al met malkander
    (40) In het verderf, ’t geen niet behoort.
Doch ’s Rykaards loon en zek’re Wooning,
    Dien hy daar voor te wachten heeft,
    Wert hem verschaft, daar ’t alles beeft
Staâg voor den Onderaardschen Koning.
    (45) Wat wil men meêr? Een Graf en Aard
Zo wel de Armen doode Lyken
Als die der Magtigen en Ryken
    In haaren zwarten Schoot bewaart.
[p. 27]
Nooit zag men Veerman Karon doolen;
        (50) Hy, door Geschenk of Goud bekoord,
        Brengt niemand weêr; maar ringeloort
In zyn gevreesde duist’re Hoolen,
        Op ’t hevigste met zyn Geesselroê,
Tierannen, en hun trotze Neven,
(55) En wil, gebeên of niet, rust geeven
        Aan Armen, die zyn slaavens moê.


3 Boek. 16 Gezang.

Inclusam Danaën turris ahenea, &c.

DE Yz’re Deur en Kop’re Tooren
Hecht gebouwt, en na behooren
Met een Wacht van wreede Honden,
        Staadig, wakker, wel voorzien,
(5) Wierd wel sterk genoeg bevonden
        Om de Vrijers te verbiên,
        Te bekruipen in die stê
        De opgesloote Danaë,
Zo hy, die de Maagd verborgen
(10) Hadde, en haar staâg, met veel zorgen,
Deed bewaaken, niet bedroogen,
        Door Vrouw Venus en Jupyn,
Was geworden, wyl ’t vermoogen
        Van in Goud verkeert te zyn,
        (15) Licht ontsluiten kon het Slot,
        Veilig voor dien Gouden God.
’t Goud kan door Trouwanten dringen;
’t Goud doed harde Rotzen springen
Felder, als des Blikzems straalen:
        (20) ’t Goud heeft ’s Griekschen Priesters huis
Tot in ’t Grondverderf doen daalen,
        En gebreukt tot puin en gruis:
[p. 28]
        Door het heilloos Goud en Geld
        Heeft de Macedoonsche Held
(25) Vaste Sterkten overrompelt,
En zyn zwaard in ’t bloed gedompelt,
Van veel belligzieke Vorsten:
        Ja zelfs Zeevoogds, streng en wreed,
Deed het sneuv’len. Winst doet dorsten
        (30) Staag na meêr. De zorg en ’t leet
        Volgt den Anwas van het Goed,
        Voor verliezen ’t vreezen doet.
ô, Mecenas! Roem der Ridd’ren,
Zou men dan met recht niet zidd’ren
(35) ’t Zeiltjen in den top te steken,
        En, om groote Schatten staâg
Te vergâren, ’t hoofd te breeken?
        Neen, ik duik veel liever laag;
        Want hoe minder ons begeer,
        (40) Hoe de Goden geeven meêr.
Wrekke Rykaarts wil ik vlieden,
En my voegen by die lieden,
Die na Geld noch Schatten trachten;
        Maar met weinig zyn te vreên,
(45) En my meêr gelukkig achten
        In myn slechten Kleinigheên,
        Dan als of ik ’t al bezat
        En myn Schuur verborgen had
’t Geen de Appuler neerstig zaaide,
(50) Ploegde, teelde en yv’rig maaide,
Arm in ’t midden van zyn Schatten.
        Wat vermaaken ik geniet
In myn Bosjens, licht te omvatten;
        In myn held’re Watervliet,
        (55) Zachtjens ruischende door ’t Gras;
        In de hoop van myn gewas,
Weet geen Oppervorst of Koning
In zyn Afrikaansche Wooning.
[p. 29]
Schoon geen wakk’re Bie met vreemden
        (60) Honing maakt myn Korven vol;
Noch in graaz’ge Fransche beemden
        Groeit myn vette Lamm’re Wol;
        Schoon uit acht’looze Overdaad
        Myne Wynvocht niet verslaat
(65) In de Lestrigoonsche Kruiken,
Dat men die niet kan gebruiken,
Echter kwam my nimmer krenken
        De Armoê; wilde ik meêrder Goed,
Gy zoud my met meêr beschenken;
(70) Maar met ingetoogen moed
        Zal ik ’t kleine Cynsken best
        Kwyten, of ik vet gemest
Van veel talleloozen Zommen,
Alyatikus Prinsdommen
(75) Aan de Mygdonische Haagen
        Hechten wou. Wie veel begeert
Veel ontbreekt. Hy heeft geen klaagen,
        Wien God, die het al bekeert,
        Matiglyk slechts zo veel geeft,
        (80) Dat hy ’s leevens nooddruft heeft.


Horat: de Art: Poëtic:

Parturiunt Montes, &c.

DE Bergen gaan met groot bezwaaren
        In arbeid; elk wacht met verdriet
Wat wonder zy toch zullen baaren
        Na zo veel steenens, en men ziet
        (5) Een Muisken slechts, en anders niet.

                    EYNDE.

Continue
Cornelis Boon vertaalde Ode I, 22 en II, 3 en 10 als bijlage bij zijn Heidensche grootmoedigheden. Rotterdam, Pieter vander Veer, 1699.
Gebruikt ex.: SB Haarlem 127 A 41 : 1



[p. 71]

Het twee en twintigste Lierdicht

van

HORATIUS

Eerste Boek.

ô FUskus, wie oprecht, en vry van euveldaên,
Zyn leven leid, behoeft geensints omgordt te gaan
Met mooren pylen, boog, noch koker, vol van schichten
Bezwangerd, voor wier gif de levensgeur moet zwichten.
(5) ’t Zy hy gaat reizen door de heete woesteny
Van Libiën, door Kaukazus, zo ongastvry,
Of woeste plaatzen, dien Hydaspes steeds komt lekken,
Waar van veel’ dingen voor verzieringen verstrekken:
Want my, weer’looze, schuwt in het Zabynsche woud
(10) Een wolf; terwyl ik van myn’ Lalage vast kout
En buiten myne streek ga vrolyk, onbekommert
Omzwerven, van geen vrees of droeve zorg bekommert:
Hoedanig ondier noch in ’t land van Juba, meest
Een drooge voedster van de leeuwen, steeds gevreesd,
(15) Noch in de onmeetbare en gevaar’lyke ekelbossen
Van ’t stydbaar Daunia is immer opgewossen.
Brengt my, waar op ’t dor veld geen lieflyk streelen van
Een’ zomerkoelte ’t droef geboomte opbeuren kan,
Welk weerelds deel steeds kwynt, en zich in treurgewaaden
(20) Van zwarte wolken steekt, met schreijend’ weêr beladen
Breng my vry onder de onbewoonb’re middellyn,
Waar, om het steeken van de zon geen menschen zyn.
’k Zal Lalage, zo zoet van lach, en taal, met zinnen,
En ziel, het allersnoodst’ gevaar en trots, beminnen.



[p. 72]

Het derde Lierdicht

van

HORATIUS

Tweede boek.

ô DElius, dewyl gy een maal sterven moet,
Houw een gelyke ziel in voor en tegenspoed
Een ziel, die, schoon ’t geluk haar aan de wolken voerde,
Noit vreugde, die de maat te buiten gaat, ontroerde.
(5) ’t Zy gy geduriglyk in duizend zorgen leeft:
’t Zy gy op hoogtyd u in’t lieflyk groen begeeft,
En met Falernen wyn, zo aangenaam van smaaken,
In ed’le vreugde gaat u zelven bly vermaaken.
Waar de arm des trotze Pyns, en zilv’re Popels, in
(10) Gastvrye schaduw, lief elkaër uit lout’re min
Omhelst, daar ’t schuwe nat met lieffelyk geschater
Bly huppelende streelt de kromme kant van ’t water.
Gebie, dat hier gebracht word spesery, en wyn,
En geurige roozen, die te vroeg aan’t kwynen zyn;
(15) Terwyl u uwe jeugt, en staat, en zwarte draaden
Der drie gezusteren vergunnen die genade.
Gy zult verlaaten eens uw huis, gebouwt uit lust,
En dart’le hoef, wien steeds de gulde Tyber kust.
En de erfgenaam zal heet de mag’re vingers dryven
(20) Op’t goud, en wienden langs de Olympen van uw’ schyven.
Niets helpt het, of gy ryk daalde uit het vorst’lyk bloed
Van Inachus, of uit gering volk zonder goed
Geteelt, sterft daar de zon uwe oogen luikt, den wreeden
Helvorst ten offer, wiens geen zuig’lings traan kan kneeden.
(25) Hier worden we alle heen gedreven, yders lot
Legt in de bus, en valt daar vroeg of spade uit tot
Ons nadeel, en dryft ons in’t bootje om voort te vaaren
Naar de eew’ge ballingschap door woeste solfer baaren!



[p. 73]

Het tiende Lierdicht

van

HORATIUS

Tweede Boek.

MEn leeft geruster, mijn Licicius, wanneer
Continue
Florentius de Bruin vertaalde Ode
IV, 6, Ode I, 21 en het Carmen saeculare in De eeuw-spelen der oude Romeinen. Amsterdam, G. Bortius, 1703. Gebruikt exemplaar: SBH 44 F 7.


DE
EEUW-SPELEN
der
OUDE ROMEINEN.
Met derselver Plegtelijkheden, ende andere
mengelstoffen,

UIT D’ALOUDE GEDENKPENNINGEN

en Gewijde ende Ongewijde geheugnissen, aangeteikend, ter gelegen-
heid van het Openen der Nieuwe, en besluiten der Oude Eeuwe.


Uit Psalm CIII. en Levit. XXI.

DOOR
FLORENTIUS DE BRUIN
Dienaer van Jesus Christus tot Gorinchem.

[Vignet: gravure ’Imp. Philippus Aug. // Saeculum novum’]


Te AMSTELDAM,
___________________

By GERARDUS BORSTIUS, Boekverkooper op de
hoek van de Nieuwendijk aan den Dam. 1703.



[Ode IV, 6]
[p. 88]
Gy God, wiens wraak Niobes kroost moest smaaken
Om ’s moeders tong, en Tityus om ’t schaaken
Uws zusters, en Achil, die trots dee kraaken
                            Het hooge Troje,
(5) Dog, elk te groot, voor uw geweld moest wijken:
Hoewel hy voor zyn speer, zoo zegenrijke,
’t Dardaansche toorn-gevaart byna dee stryken
                            Den Griek ten proije.
Gelijk den Pijn, door ’t scherp eens byls aan ’t beeven,
(10) Of een Cypres, door oosten wind gedreeven,
Ter neer ploft, zoo zag ’t Teucers stof hem sneeven,
                            In bloed gewassen.
Hy had, in ’t paerd, Minerve toe te wijten,
(Zoo loog men) ’t hof van Priamus, t’ontijen
(15) Aan ’t vieren met gezang en blye Rijen,
                            Niet gaan verrassen,
Maar ’t kind in ’s moeders buik, of ’t overwonnen
Gevangen volk (oh! oh!) te fel geschonnen,
En ’t zuigeling gaan smyten onbesonnen,
                            (20) In Griekschen vuure.
[p. 89]
Zoo niet den Vader van de Goôn, bewoogen
Door uwe’ en Venus bêe, met gunstige oogen
Enee vergund had vesten, opgetoogen
                            Ter betere uure.
Leermeester van Thaly, gy, die van kinne
Glad, uw paruik ter Xanthus dompeld inne,
Bescherrem mijn Latijnsche Zang-godinne,
                            Maak haar roemrugtig.
Den Geest my Febus, God der Henxste-springen,
God Febus, my de naame gaf van zingen.
O puik van Maagden, en gy Jongelingen
                            Van tam doorluchtig,
Gy, welker doen Diaan, die ’t Losch doet bukken
En ’t Hert voor haren boog, al wel doet lukken,
Volg-op de Lesbische digtmaate, en ’t tukken
                            Van mijne vingeren,
Om naa gewoonte Apollos lof te uiten,
En ook Diaans, die als ze haar rond gaat sluiten,
De vrugt rijpt, en de maanden, niet te stuiten,
                            Snel om doet slingeren.
Getrouwd, zoo zult ge zeggen, ’k hielp verrigten,
Den dienst, toen d’Eeuw haar feest-tijd op dee ligten,
Op maat-trant van Horatius, met digten,
                            Den Goôn behachelijk.

Tot dien Lof van Diana en Apollo zet wederom Horatius de Roomsche Jeugd der beider kunne aan in een ander gezang, ’t werke ingelijks geagt word ter gelegenheid der Eeuw-spelen van hem gemaakt, en misschien op den tweeden dag daar van, geijk het voorgaande op den eerste gezongen te zijn. En zie hier is het.

[p. 90]
[
Ode I, 21]
Zing, Zing Godin Diaan, o Maagden kuisch en teer,
Zing, Jongelingen, op, God Cyntius ter eer,
        En vrouw Latoon, genooten
    In minne van God Jupiter den grooten.
Loof haar, o Maagden, die in bosch-loof, en in vliet
Lust schept, daar d’Algidus haar opdoet in ’t verschiet,
        Of d’altijt-donkre bosschen
    Van d’Erimant, of Kragus, groen bewosschen.
O Jongelingen kuis, loof Tempe, en Delos mee,
Loof Delos met gezang, Apols geboorte-stee,
        En broederlijke lier, en
    Pylkoker, die zyn rugge en schouder cieren.
Zoo drijv’ hy van den volke’, en Caesar, ’t straffen moe,
Verr’ heen, den Persiaan en Briannoisen toe,
[p. 91]
        Door uw gebeên bewogen,
    Pest, honger, en beklaaglijke oorelogen.

[Carmen saeculare]
Dog ziet hier nog een adere gezang van dien Prince der Latijnsche Lierdigteren, ’t welk buiten kijf een Eeuw gezang is, en van dien Rije der Roomsche Jongelingen, en ongehuwde Maagden, daar Zosimus van spreekt, op den derden dag van Augustus Eeuwspelen in den tempel van Apollo opgezongen wierd. Het luid, als volgd:

[Latijnse tekst met commentaar]

[p. 93]

Den Rije der Jongelingen, en jonge
Juffers te gelijk.

O Febus, o Diaan, voogdes van wijde
En bosch, schoone hemels-ligten, steeds ge-eerd,
Altijd te eeren, geev ter heil’ge tijde
                            ’t Gene elk begeerd.
Nu ’t puik van Maagden kuis, en Jongelingen
De Goôn, aan welke het Zevenbergsche Stigt
Gehaagd, naa eisch van ’t Sibyllijnsch gedigt,
                            Hun Lofzang zingen.

Den Rije der Jongelingen alleen.

O Zonne-voerman, die den dag mend aan
En af, gy, dienwe’ een ander op zien gaan,
En dog den zelve’, ei, laat voor u niets komen
                            Zoo groot als Romen.

Den Rije der jonge juffers alleen.

Gy, die de vrugt voldraagen ’t ligt doet zien,
Goede Ilithy, geen moeders wilt vergeeten,
’t Zy dat ge Teel-godin, of liefst Lucien
                            Wilt zijn geheeten.
Godinne’, helpt ’t kind ter werreld, niets ’t besluit
Der vaders in der dogtren trouw laat hinderen,
[p. 94]
Huwdze
[...]
[p. 96]
Huwdze onder wet, vrugtbaar van nieuwe kinderen,
                            Gelukkig uit.
Op dat den kring van tienmaal ellef jaaren
Vast blijve’, en telkens onder zang en snaaren
Drie dagen lang, en zoo veel nagten schoon,
                            Zijn spelen toon.

Den Rije der Jongelingen alleen.

En gy, O schikgodinnen, in ’t ontknoppen
Zoo wis van’t gene’ eenmaal gezegd is tot
Der dingen paal en perk, hegt aan ’t verloopen
                            Een lukkig lot. Der dragbaare’ Aerde veel mog vrugt ontbreeke:
Ze vlegte’ een airen-krans om Ceres pruik:
Gezonde lugt, en water versch en puik,
                            Het zuig’ling queeke.

Eenige Jongelingen en Juffers te zaamen.

Hoor, o Apol, met pylen, weg-gedaan,
Uit gunst de beê der Jongelingen aan.
Toon aan de maagden, o gehorend Maanligt,
                            Een gunstig aanzigt:
Zoo Roome’ uw werk is, en ’t Tuskaansche strand
’t Trojaansche heir zag landen met elkanderen,
Belast ter goeder uur van huis en land
                            Te gaan veranderen,
En voorgestapt van vorst Eneas, die ’t,
Na ’t vaderland nog ovrig, veilig streeven
Door ’t brandend Trojen deê, om ’t weer te geeven
                            Meer dan ’t verliet.
Der Jeugd leerzaam, o Goden, goede zeden,
Den stillen ouderdoms, o Goden vreden,
[p. 97]
[...]
[p. 98]
Ik afgeregt Dianas op te zingen
                            En Febus lof.
Continue
Jacob Zeeus: bewerking van
Ode 3, 4.
Gebruikt exemplaar: UBL: 1199 F 5


[fol. A1r]

HET IVde

GEZANG

uit het

IIIde BOEK

VAN

Q: HORATIUS FLACCUS,

Naar onze tyden geschikt en uitgebreit

DOOR

JAKOB ZEEUS.

[Typografisch ornament]

TE ROTTERDAM,
_______________________________

By ARNOLD WILLIS, Boekverkooper
over den Rystuin. 1712.


[fol. A1v: blanco]
[fol. A2r]

Den

EDELEN, GESTRENGEN

HEERE

M.R KORNELIS BOON,

HEERE TE ENGELANDT, BAL-
JUW EN DYKGRAAF VAN HEEN-
VLIET, LEENMAN VAN DEN
LANDE VAN VOORNE,
ENZ.

MEt hoe veel rechts deed’ Flakkus zyn beklag;
Hoe zou hy ’t zich niet belgen, wen hy zag
Dat ik, als hy, op ’t veldt te slaapen lag,
                            Voor ieders oogen,


[fol. A2v]
(5) Met mirten en laurieren overdekt;
Waar uit de Merk geen kleine kortswyl trekt,
Daar hem ’t gekor des duifjes, dat my wekt,
                            Houdt opgetoogen!

Maar hebbe ik u (de Venuzynsche Zwaan

(10) Vliegt elk vooruit) in myn gezang voldaan,
Zal ik, ô
BOON, de straffe licht ontgaan
                            Van Febus toren.

Ik zong geenzins den Lierpoëet ten hoon:

Want al wie hem wil steeken naar de kroon,
(15) Die tart, als Pan, Apolloos hoogen toon.
                            Dus laat zich hooren

’t Orakel van de Duitsche Poëzy.
Ik aasde op ’t zoet der Roomsche lekkerny,
Zo eêl van geur, als d’ onvermoeide by

                            (20) Op boekweitbloemen;

En offere u den honig, dus gegaârt;
U, op wiens toon myn toon zich hemelwaart
Verhefte, als ik, langkmoedig en bedaart,
                            My hoorde doemen


[fol. A3r]
(25) Van Monsters, dien het daglicht zelf verveelt,
In wier gemoedt, dat duizendt gruuwlen teelt,
De dulle haat een helsche bloedtrol speelt,
                            Nooit zat van ’t woeden.

Beschouw nu eens den staat van myne jeugdt,

(30) Beleefde BOON; beschouw met welk een vreugdt
Het Zusterdom, verliest op kuische deugt,
                            Myn’ geest kon voeden.

Beschouw ook ’t heil van eene oprechte ziel:
Zy hebbe, al schokt de zee haar brooze kiel,

(35) En of het scheen dat zelfs de hemel viel,
                            Geen’ ramp te duchten.

Heel anders is de toestel van het hart,
In doodsche vreeze en wroegingen verwart,
Dat altyt tracht, door ongeduldt gesart,

                            (40) Zichzelf ’t ontvluchten.

Wikt Flakkus dus de menschelyke schaal,
En spelt hy zoo der Vroomen zegepraal,
Hoe billyk schikt onz’ tong zich naar zyn taal
                            In laater tyen.


[fol. A3v]
(45) Dat d’ Afgunst nu het oogwit vry bedil’
Van myn gezang. zy zegge wat zy wil:
Wy durven ’t u, als Rechter van ’t geschil
                            Met eerbiedt wyen.


                        JAKOB ZEEUS.



[fol. A4r, p. 1]

HET IVde

GEZANG

uit het

IIIde BOEK

VAN

Q: HORATIUS FLACCUS,

Naar onze tyden geschikt en uitgebreit.

KAlliope, doorluchte Koningin,
Van my zo vierig aangebeden,
Daal uit den hemel na beneden;
En speel een deuntje, zoet van zin.
(5) Hef op: hou aan: haal niet te ras uw’ adem in:
Het zy gy wilt luitruchtig kweelen,
Of Febus cyter en zyn goude snaaren streelen.
Ai, hoor! beantwoordt zij alreê
Myn’ hartewensch? ik hoor haar zingen.
(10) Zy groet my in de ry van haare lievelingen,
Gewillig op myn’ beê.
[p. 2]
Maar hebbe ik ’t wel? en worde ik niet betovert,
Van zoete raazerny verovert?
Zy, naar ’t my toeschynt, dartelt bly
(15) En onbekommert door de lommerige dalen.
Wat hoore ik? wat bejegent my?
Zou ik met haar wel, zy aan zy,
Door godtgewyde wouden dwaalen?
Door wouden, in wier lieve streek
(20) De zwoele luchjes ruisschen;
En in wier zilverblanke beek
De dunnen golfjes langs de groene randen bruisschen.
    Toen ik, noch jongk en teêr,
Den toom eens had geviert aan myne lusten;
(25) En, moê getobt, lag aan myn’ moederstroom te rusten,
Viel op myn kruin een vlugt van Ringelduiven neêr.
Zy dekten my met jeugdig groen.
En welk een groen? een groen van mirten en laurieren.
Denk hoe zy tuimelden in ’t nederdaalen, toen
(30) Zy kwamen om my heenen zwieren,
En, dartel korrende, vast zwoegden, of de dag
Haar met een rassen avondt dreigde,
En ’t zongespan om rust na ’t westen neigde;
Tot ik in’t loof begraven lag.
(35) Dit zag de Merk, die, arm en onvermaart,
Nochtans vermaagschapt aan doorluchte wateradel,
Uit zyne kruik weleer het Bourgonjonsche paerdt
[p. 3]
Verfrischte, en zag Filip, op zynen zadel
Gesteegen, vlammende op Jakobaas wettig erf.
(40) De Gryzaart lachte met een overluit geschater,
Naadat hy, een- en anderwerf,
Zyn hoofdt stak uit het water.
Ondanks zyne armoê, die hem nooit tot ongeduldt
Vervoerde, wierp hy my een kransje toe van biezen,
(45) Van wier en waterlisch. wat kon hij beter kiezen?
De handen van een kind zyn licht gevult.
Maar had zyn gryze kruin met paerlen mogen pronken,
Koralen, paerlemoer, of ander stroomgewas,
(Sieraaden, die hy nooit zag dryven in zyn’ plas.)
(50) Hy hadze my geschonken:
Want van dien tydt af aan,
Hebbe ik (wie weet waarom?) in zyne gunst gestaan.
Hy heeft misschien geweeten
Dat ik zyn’ naam,
(55) Al overlang vergeeten,
Noch zou doen zweeven op de wieken van de Faam.
    Myn buurluî, ruuw en ongebonden,
Die, wars van grootscheidt en gezag,
Op Brabandtsch afgestroopte gronden
(60) Verkeeren, hebben my, terwyl ik sliep, gevonden,
Daar ik op ’t veldt ten prooi voor dier en ondier lag.
Men sloeg verwondert in de handen.
’t Scheen vreemdt dat ik, dus zorgeloos,
[p. 4]
En onbevreest voor wolvetanden,
(65) In d’ope lucht myn leger koos.
’t Scheen vreemdt dat my geen ongediert dorst naderen,
Dat in deeze onbezochte streek,
Op ’t ruisschen van een klaare beek,
Zoo’dikwyls quam vergaderen.
(70) De kringkelende Slang,
Die hier haer schuilnest plag te kiezen,
Lagh in het gras niet meêr te biezen.
De bruine Padde ook wierd wanneer ik ronkte bang.
Geen kruipende Haagdis, door Ceres handt, geprikkelt
(75) Van wraakzucht; op haar geele huit gespikkelt,
Genaakte my, maar kroop bloohartigh en vervaart
Na d’aardtkloof, daar zy schuilt met ingetrokken staart.
Men hoorde zelfs geen heesche Krekel zingen.
De Kikvorsch zat verborgen in het riet:
(80) Hy schroomde door het gras te springen,
Te borrekikken in den vliet,
En dorst zich reppen noch verroeren.
Hy dagt misschien, hier legt een zoon
Te sluimeren van vrouw Latoon,
(85) En ik draag noch de straf der Liciaansche boeren.
Dus rustte ik ongestoort,
En sliep al zachtjes voort.
Elk riep, hoe kan het wezen,
Dat zulk een teder wicht
[p 5]
(90) Zich kan verzekeren, door ’s hemels gunst verlicht,
Dat een gerust gemoedt geen onheil heb te vreezen!
Niet zonder hulpe van de Goden, die ik eer’,
Werd ik bevryt voor schade en ongemakken.
Hun gunst daalde op my neêr
(95) Als d’aangebragte mirtetakken
My dekten, met den heiligen laurier,
Waar mede ik noch myn kruin versier:
Niet om verwaant met dat gewyde loos te pronken;
Maar tot een blyk wat ik genoot
(100) Uit ’s hemels milden schoot,
En welk een gift my van de Goden is geschonken.
    ô Zanggodinnen, die op Pindus u vermeit;
Die met de klanken uwer snaaren
Uw kiesch en kuisch gehoor staâg vleit,
(105) En, zingende, de ziel ten hemel op doet vaaren;
0 Zanggodinnen, op wier zuiver maatgeluit
Geen Thyas onderstondt ooit Evoë te zingen;
Gy doet geen’ Nachtbacchanten springen,
Noch lokte door uw stem ooit geile Saters uit.
(110) Ô Zanggodinnen, in wier ongeveinst gezigt
Ik zag de geinsters van oprechte liefde glimmen,
Toen gy my moedigde ten Zangberg op te klimmen,
Wat ben ik aan uw gunst verplicht!
Gy deedt op ’t maatspel uwer vingeren
(115) En uw gewyde tovertaal,
[p. 6]
Gewoogen in de redenschaal,
Myn teere jeugdt verslingeren.
Ik volgde uw’ tret met een’ beschroomden gang.
Myn yver scheen u te behaagen.
(120) Een zachte wint quam myn gezang
Eerbiedig tot uwe ooren draagen;
En onder al het wangeluit
Blonk staâg het edel dichtvuur uit.
Rekte ik somtyts de cytersnaaren,
(125) En sloegenze eenen valschen toon;
Gy schooft het op myn kindtsche jaaren,
Het hoog muzyk nogh ongewoon.
Gy leerde my de toonen kennen;
De maat naer eisch der klanken slaan;
(130) Myn’ vingren naar de greep der kunstklawieren wennen,
Belust om op myn’ toon noch eens ten rei te gaan:
Maar, schoon de waan my paait met moedige gedachten,
Ik durf zoo groot eene eer niet hopen of verwachten.
Myne ouders, schuuw van Poëzy;
(135) Myn maagen, wel geneigt tot andre wetenschappen,
Weêrhielden en beschimpten my
Als ik naar Helikon wou stappen.
Zy dreigden, op die eedle kunst
Gebeeten, my t’ontrekken hunne gunst;
(140) En stelden ’t voorbeeldt van Homeer my vaak voor oogen.
Ik zei Parnas vaerwel; maar schoon ik buiten dwang
[p. 7]
Van dichtmaat schryven wou (een wonderlyk vermogen
Beheerschte my!) al wat ik schreef was maatgezang;
En wat op maat klonk hieldt myn’ geesten opgetogen
(145) Ik hielp (myn plicht belastte ’t my)
Hun lykbus onder d’ aarde brengen;
Maar ’k heb hunne asch niet willen mengen
Met droppels van myn Poëzy.
Ik vreesde dat zy zelfs myn’ lyktoon zouden wraaken.
(150) De rouw was hun genoeg
Die ik in ’t harte droeg:
Dies wilde ik hen niet wakker maaken.
In zulk een lichte en lieve slaaverny
Hebbe ik steets onvermoeit, myn’ yver willen toonen.
(155) Gy wout my met uw gunst beloonen,
En stont my, waar ik ging, met uwe hulpe by.
Het zy ik in bespiegelingen,
Op’t spoor van Archimeed, my zelfs somwyl verlies;
Of, om noch verder door te dringen,
(160) My met Euklides in ontelbre hemelkringen
Verwart vinde, en in’t end de ruime lucht verkies;
Het z_ ik tracht myn brein te slypen
Om ’t diep geheim van vrouw Natuur
En al haar’ wondren te begrypen,
(165) Niet schroomende myn handt te branden aan dat vuur:
Daar breekebeenen, dommekrachten,
Zich dapper stellen in de bres,
[p. 8]
Misleit door d’ydele gedachten
Van grootvaâr Aristoteles,
(170) En, spreeke ik waerheidt, my in ’t openbaar staâg schelden,
Op dat hun lastertaal by ’t slechte volk zou gelden;
Het zy ik my stouthartig waag’
Daar huichelaers my met een’ ydlen bliksem dreigen,
Dat onweêr schynt my maer een zomerregenvlaag)
(175) Ik ben en blyve altyt u eigen.
    ô Zanggodinnen, (ach, hoe lief is ’t my uw’ naam
Te melden!) wat verwekt ge al leeven in myne aderen!
En met wat kracht sterkt gy myn’ aâm,
Als my de zwarte haat komt naderen,
(180) Die, uitgelaten en verwoedt,
Zich tracht te mesten met myn bloedt;
Die al myn’ luister uit wil dooven;
Myne eer, my waerdiger als ’t lieve leeven, rooven!
De woede van dat heilloos monsterdier,
(185) Bestuuwt van raazende gedrochten,
Die onder zyne nachtbanier
Zo hevigh myne onnozelheidt bevochten,
Wordt door uw handt gestuit.
Ik daag myn’ vyandt stout voor uwe vierschaar uit;
(190) Voor uwe vierschaar, die alle onrecht wil verhinderen:
Zy straft zo wel ’t onlydelyk gezag
Der Wichelaaren en hun ergerlyk gedrag,
Als ’t kwaadt van meerderen en minderen.
[p 9]
Geen aangeschonne macht
(195) Heeft my, die zich op u gerust stelde, omgebragt.
Van toverrym, van toverdranken,
Van doodtsgevaar op zee of landt
Werdt ik niet aangerandt:
Uw schaduw dekte my: dies hebbe ik ’t u te danken.
(200) ’k Ben uwer reien vriendt:
Zy zyn met my gedient.
Ik mag, op dat uw gunst te grootscher uit zou blinken,
De bronvocht, altyt klaar en frisch,
Uit Aganippe en Kastalis
(205) Vrymoedig, zonder vraagen, drinken.
Zo lang ik vrank en vry
mag hangen aan uw’ zy ;
Zo lang gy my wilt als uw troetelkindt omarmen,
En in uw kuisschen schoot verwarmen,
(210) Streeve ik, in weêrwil van het naare zeegehuil,
Den Bosfor in den muil.
Een bange zeeman zett’ de dootverwe op zyn’ lippen;
Hy zoeke veergelt buiten noodt;
Hy stappe uit zyne kiel in Charons sulferboot;
(215) Ik vreeze geen’ Euxyn of Cyaneesche klippen.
Wanneer ik wandele, onverzelt,
Langs ’t onbewoonde veldt
Of akelige woestynyen,
Daar ’t wild gedierte aen alle zyen
[p. 10]
(220) My toelacht, welk een ruime stof
Ontmoete ik dan in uwen lof!
Dan durve ik uit de borst en onbekommert zingen,
Dan klinkt myn stem zoo schel,
Als zonge ik in myn sel
(225) Ten roem van Febus lievelingen;
Daar andere, van vreeze in ’t hart
Getroffen, angstigh en benart,
Met bleekbesturve wangen,
Staan siddren voor het ruisschen van een bladt;
(230) Of, als een zachte windt in ’t hellend zeiltje vat,
Het hoofdt straks laten hangen.
Wat paerleschat, hoe schoon van gloedt,
Wat diamant, hoe ryk van straalen,
Wat goudt kan by den rykdom haalen
(235) Van een gerust en rein gemoedt?
’k Zal ongeschonden wederkeeren,
Naa ik Euroop, door kryg ontrust,
Door kryg, onmooglyk af te weeren,
Heb doorgekruist van kust tot kust.
(240) ’k Ontzie de woede niet der Middelandtsche baaren,
Wen ik, om ’t pleit van Karel en Filip
Te hooren, streef langs bank en klip,
Van daar Gibralter boogt op Herkules pilaaren,
Tot ik, gewelkomt van den Taag,
(245) Laurieren vlecht om ’t hooft der Helden,
[p. 11]
Die, fel gebeten op Louis, die waereldtplaeg,
De moordtgedrochten nedervelden,
En in triomf (triomf! met zoo veel bloedts
In ’t midden van den brandt verkreegen)
(250) Meêsleepten aen hun’ zegekoets.
Geen dreigend onheil hout my tegen.
    ô Zanggodinnen, gy verkwikte Cezars geest
Als hy zich, wen hem d’eenzaamheidt kwam vleien,
Ging in ’t Piërisch woudt vermeien,
(255) Op wiens geboomt’ men al uw naamen leeft;
Dat woudt, wiens Nimfen vaak ontvouwden
Uw’ lof, naa ge in zyn schaauw het moederlicht aanschouwden.
August, van niemant overheert,
Van niemant, dan Jupyn, te dwingen,
(260) Wordt door uwe oogen geregeert:
Hy, onverwonnen, wordt verwonnen onder ’t zingen,
Terwyl hy voor uw outer bukt,
Door u bekoorlykheên verrukt:
Wanneer hy, na ontelbre zegepraalen,
(265) Als d’afgestredene soldaat
In ’t winterleger poort en vesting gade slaat,
Eens lustig wil zyn hart ophaalen,
Zien wy hem vrolyk, op uw’ wenk, in ’t zangperk treên.
Dan schuimt de goude schaal van louter Hipokreen;
(270) En ’t schynt hem te behaagen
Den naam van Lierpoëet te dragen.
[p. 12]
De nyvre Staaman, moê
En afgeslooft in ’s ryks belangen,
Went d’oogen na uw outer toe,
(275) En boet zyn zorg met zorgelooze zangen.
Zoo graaft de Groot (nooit groot genoeg geroemt;
Veel min geacht by vrienden dan by vreemden.)
In Grieksche en Roomsche letterbeemden:
Dies hy op Pindus noch met eerbiedt wordt genoemt.
(280) De gryze Kats, vermoeit het juk van Staet te draagen,
Bemerkte waar men gal
Uit muskadellen perst; en slyt zyn laatste dagen
De dichtkunst te geval.
Hoe welig weit de jeugdt in zyne vaerzen!
(285) En op dat zy hem vaak
Navolge met vermaak
Treet hy haar voor in laaggehielde laerzen.
Een kindt dat naauwlyks spreeken kan,
Spreekt van dien arbeitsaamen man.
(290) Dus straalt zyn dichtvuur noch, ten spyt van grooter lichten,
Uit zyne eenvoudige gedichten;
En Zorgvliet, trots op dat gerucht,
Beurt fier zyn’ kruinen in de lucht.
Hoe of Apol de vreugde om ’t harte was geslaagen;
(295) Wat blydtschap of men niet op Helikon vernam
Toen Hooft te. voorschyn kwam
(Die roem, die bloem van zyne dagen)
[p. 13]
Uit burgermeesterlyken stam!
Hy, vroeg verlieft op eedle glory, achtte
(300) Het Ridderlyke teken min
Dan zyne Zangheldin,
Die met alle ydle zorgen lachtte;
Die hem verpoosde, wen zyn geest,
Geneigt in Staathistoryschriften
(305) De waarheidt van den schyn te schiften,
Wou schoeien op een’ ongewoonen leest,
En zingen op noch ongewooner wyze,
Trots Sofokles, heldt Batoos naem ten pryze.
Schoon wy hem, met den wakkren Westerbaan,
(310) Niet zien in eewig goudt of duurzaam marmer staan,
Nooit zal men ( ’t is de pen der dichtren dank te weten)
Den naam van Muiden of van Okkenburg vergeeten.
En Huigens, Huigens, op wiens letterlekkerny
Ik hangen blyf, gelykTde noeste honigby
(315) Op versch ontlooke lentebloemen,
Is om zyn wyze Poëzy
In eewigheidt te roemen.
’k Verzwyg (het zwygen voegt my thans)
Zo veel doorluchte Lettergrooten,
(320) In Hollantsch schoot gekweekt, uit Pallas brein gesproten:
Op dat myn wieken zich niet zengen aen hun’ glans.
’k Beleeve eene eeuw van liefde gansch verbastert.
De braave man, wiens weerloos overschot
[p. 14]
In ’t duister graf verrot,
(325) Wordt om zyn deugt gelastert.
Men pryst nu maar alleen om tydelyk genot.
    ô Zanggodinnen, gy geleit my t’ allerwegen.
Gy geeft my vaak gehoor.
Gy wyst my ’t rechte spoor,
(330) Wanneer ik, spoorloos, ben om raadt os daadt verlegen.
’t Is u geen kleine vreugdt
Wanneer ik, op uw wenken,
De malsche lippen kus der zilverblanke deugt,
Door geen geweldt te krenken.
(335) Hadt gy u doof en stom
Op myn gebedt gehouwen,
Wat waar ik blindt en dom!
Gy leerde me op wiens gunste ik myne hoop moest bouwen.
Ik weet door u voor wiens gezag
(340) Monarchen moeten wyken ;
Voor wien het alles moet bezwyken
En wat een sterflyk mensch vermag.
    Jupyn, die geene kracht ontbeert,
Die aarde, zee en lucht regeert,
(345) Verheven op een’ troon van wolken,
Dwingt staaten, steden, landen, volken.
Hy straft der vorsten overmoedt.
Zyn heerschappy kent maat noch paalen.
Niets kan by zyn vermogen haalen.
[p. 15]
(350) ’t Is alles billyk wat hy doet.
Wat brein bestondt zyn wondren te doorgronden,
Dat in dien Oceaen zich zelven niet verloor?
Den Goden schryft hy wetten voor,
En zy zyn aan zyn’ wil gebonden.
(355) Geen reukelooze magt
Verkrachtte ooit zyne kracht.
Zyn vuist, die niemant kan bedwingen,
Bedwong ’t bloedtdorstig Reuzendom
Dat langs een’ trap van bergen klom,
(360) Om dus den hemel te bespringen.
De schaduwryke Olymp gevoelt
Des grooten Donderaars vermogen,
Die ’t met zyn’ bliksem uit den. hoogen
Heeft op zyn kruin gedoelt.
(365) De trotse Pelion moest voor zyn’ toorn ook bukken:
Want als hem Jupiter
Den zwaren Ossa quam ontrukken,
Viel ’t gansche berggevaerte omver.
Een doodtschrik vloog het Reuzenrot door d’aderen,
(370) Zo ras het Pallas met haar’ beukelaar zag naderen.
Tyseüs ploft ter aerde neêr,
Naa hem de doodtverf stondt geschildert op de wangen;
En kloeke Mimas, trots op zyn vervloekt geweer,
Werdt van een duizeling bevangen.
(375) Zelfs wat vermogt Porsyrion
[p. 16]
Wanneer ’t gevecht begon?
Al deed zyn grootheidt ieder beeven,
Hy moest zo wel als Retus sneeven.
En grofgespierde Enceladus,
(380) Die zo baldadig en vermeetel
Met zynen knots nog flus
De Godtheidt dreigde op haaren zetel,
Spuuwt vuur en vlam ten gorgel uit;
En wil hy maar zyn lichaam reppen,
(385) Om lucht of ademtocht te scheppen,
Beeft gansch Sicilje op zyn geluit:
Dan hoort men hem afgryslyk ronken
Uit Etnaas duistere spelonken.
    Jupyn heeft eene ry
(390) Van Goden en Godinnen op zyn zy:
De grove Mulciber stondt hem kloekmoedigh by,
Wiens adem alles af kan weeren:
Want wie kan tegenstaan
De woede van Vulkaan
(395) Die, wat hem weêrstandt biedt, in assche doet verteeren.
Vrouw Juno stelt zich bloot
Om ook den hoon van haar gemaal te wreeken;
En Godt Apollo, onbezweeken,
Kwyt zich als Jovis bontgenoot.
(400) Apollo, die zyn losse haaren
Besproeit met daauw uit Kastalis;
[p. 17]
Gewoon de bosschen door te waaren
En ’t wout daar hy gebooren is;
Altyt met bus en boog omhangen;
(405) Die van Patare met een zegenend geluit,
En Delfis, in wier kerk hy zyne orakels uit,
Met vreugde wordt ontfangen,
Biedt Godt Jupyn de handt
In zulk’ een’ tegenstant.
(410)     Een magt, hoe wigtig, die op eige wigt durft brallen,
Die met voorzigtigheidt en raadt
Niet vergezelschapt gaat,
Zal ook door eige zwaarte vallen.
Maar al wie, zacht van aart,
(415) Met maatigheidt al zyn vermogen paart,
Wordt van de Goôn bewaart.
Zy zien hem aan met gunstige oogen,
En sterken hem in zyn vermogen.
Zy haaten, ja verdoemen het geweldt
(420) Dat zich betrouwt op onrechtvaerdigh geldt.
Z’ Ontzenuwen zyn’ krachten, vaak genegen
Om schelmery op schelmery te plegen.
En twyffelt ge? beschouw eens, hoe
De sterke Gyas onder ’t beeven,
(425) My wenkt met honderdt handen toe,
Om aan de waarheidt van myn zeggen kracht te geeven.
Orion, steunende op zyn magt,
[p. 18]
Moest voor te groot een’ weêrstandt buigen;
En hy, rampzalig omgebragt,
(430) Verstrekt my mede tot getuigen.
Zelfs d’ aarde dekt met geen geringe smart
Gedrochten, die zy heeft gedragen onder ’t hart;
Terwyl zy deerlyk schynt te klagen
Dat zy haer eigen kroost,
(435) Dat onder ’t wigtig pak benaauwde zuchten loost,
Ziet door den bliksem in den afgrondt neêrgeslagen.
Het vuur, hoe hevig, hoe verwoedt,
Dat uit zyn’ gorgel op komt springen,
Kan niet door Etnaas schoorsteen dringen:
(440) Dus strafte Jupiter zyn’ dullen overmoedt.
Zoo moet ook Tityus gedoogen,
Dat hem de gier, een wachter over ’t kwaadt,
Komt op den romp gevloogen,
En zynen klaauw in long en lever slaat.
(445) Piritoüs, die ’t geil gezigt dorst wenden
Op Proserpyn, werdt ook gestraft.
Drie hondert ketenen omarmen zyne lenden. .
Hoe beeft hy als de helhondt blaft,
Die noch met zyn’ bebloede tanden
(450) Zaagt op de brokken van zyn’ heillooze ingewanden!
De Godtheit zit te hoog;
Te diep laet zy de straalen
Van haar doordringend oog
[p. 19]
In onzen boezem daalen;
(455) Te heerlyk is haar heerschappy,
Dan dat wy zouden denken,
Dat onze hovaardy,
Die haare magt wil krenken,
Voor haar verborgen zy.
(460) Wie, wie kan haar belaagen?
Wat licht heeft ooit haar’ glans verdooft ?
Wie haare kroon van paerelen berooft,
Daar duizendt Goden haar’ gewyden zetel schraagen.
Veel kleiner dan een mier
(465) Of ’t allerkleinste dier
Verkleinen we in haare oogen.
Hoe zyn wy dan bedroogen,
Wanneer we voor den spiegel staan,
En onze schimmen zien voor kloeke reuzen aan!
(470) Een schip, dat met gezwolle zeilen
Het woedend water weêrstandt biedt;
Den storm, hoe dul, in d’ oogen ziet,
Zal haast de diepte peilen
Der bodemlooze zee.
(475) Wat zien we thans al trotse koppen,
Zo buigzaam, zo gedwee,
Dat zy, reikhalzende na d’ aangenaame vreê,
Uit onmagt op hun’ monden kloppen;
Terwyl de hemel zyn rechtvaerdig zwaerdt gebruikt!
[p. 20]
(480) Kan ons de LeLizon, voorheen zoo hoog gereezen,
En die nu naar de kimmen duikt,
Hier van geen voorbeeldt weezen?
    De Staatzucht treedt alom te veldt.
Hoe zoop zy zich aan ’t bloedt der onderdaanen dronken!
(485) Hoe slurpte zy het merg uit d’afgeknaagde schonken,
Toen zich ’s Lants Vryheidt in haar’ banden zag beknelt!
Zy kreunt zich niet aan ’t leet der zuchtende gemeente,
Terwyl.zy struikelt op het schuldeloos gebeente
Dat haaren hoogmoedt paait,
(490) Daar zy den sabel zwaait.
Zy zweeft op eige schachten;
Vraagt raadt aan heur gedachten;
En vleit zich, daar zy steunt op ingebeelde krachten.
Nooit knielt zy voor ’t altaar,
(495) Als met geveinst ontzag en ydel handtgebaar.
Denk hoe dit Gode moet mishaagen,
En of hy kan dien hoon verdragen.
    Wie weet of om die reên
’s Landts Vryheidt zo veel leets niet heeft geleên;
(500) Toen zy zich ging verpanden
Aan ’t hoofdtgezag der wreedste Dwingelanden;
Aan Dwingelanden, wier gerucht
Noch lastigh valt aan Hollandtsch vrye lucht!
ô Nederlandt, dat hun geraamte
(505) Noch herbergt, bloos uit eedle schaamte:
[p. 21]
Gy dekt, als Etne, uw eigen kroost
Dat op der oudren spoor den hemel dorst bespringen;
De Vryheidt zocht de keel moordtdadig toe te wringen,
Toen Hollandts Voorspraak, die, ontbloot van hulp en troost,
(510) Geene uitkomst mogt verwerven,
Gelyk een martelaar voor ’t heilig recht moest sterven.
Een gruweldaadt, die noch, hoe jammerlyk betreurt,
Van huichelaars wierdt goedgekeurt.
Maar, Gode lof, ons is eene eeuw verscheenen,
(515) Waar in die nevels zyn verdwenen.
    Hoe zal ik u, Kalliopé,
Die my verhoorde op myne beê,
Voor uwe gunst bedanken!
Ik twyffele of ik u voldoe.
(520) Ai, knik my eens van Pindus toe,
Behaagen u myn klanken.

                        EINDE
Continue
Verzameling van nagelatene keurstoffen. Amsterdam, by Johannes Oosterwyk en Hendrik van de Gaete, 1713, p. 197. UBA O 61-7905; UBL 1196 D 10 : 1.
Ode III, 30 en een fragment uit Ode I, 1.



[p. 196]
Evenwel, om dat gy ’t begeert, heb ik een afschrift van eenige weinige myner overblyfzelen, die ik gerred aan de hand had, hier by ingeslooten: als eerstelyk het
30. Liergezang van Horatius Flaccus.
            Exegi monumentum, &c.
[p. 197]
Aldus in Nederduitsche vaerzen vertaalt:

        ’k Heb een gedagtenis den volken
            Voltooit, die ’t staal verduuren kan:
            Diens kruin zich hooger uitsteekt, dan
        De Piramiden door de wolken:
            (5) Ten trots der Koningen geboud.
        Die d’uitgelaten Noordewinden,
        Nog kragt van regen kon verslinden:
            Nog het verloop des tyts: hoe stout
        Die sloopt d’ontelb’re reeks van jaren.
            (10) De wreede dood zal my niet heel
            Uitroejen: want myn grootste deel
        Zal zeker dat geweld ontvaren.
            Myn agting zal, altyt ten top
        Gevoerd, hier naar nog schoonder leven;
        (15) Zo lang men ziet d’Aardspriester streven,
            Met maagdenreijen, ’t Autaar op.
        Ik, van een lage stam verheven,
            Ben op myn Roemgerugt Parmant,
            Als d’eerste, die een Roomschen trant
        (20) d’Eölsche vaerzen heb gegeven;
            Daar d’Amfidus in vollen ren
        Geweldig neêrbruist met geschater.
        En Daunus, met zyn arm van water,
            Het volk beheerd. ô Melpomen!
            (25) Neem uw verdiende glory aan,
            En krans myn hooft met Lauwerblaân.

    Volgt nog een gedeelte van
een myner vertaalde Lierzangen uit Horatius.

De looze Jager komt zyn warnet uit te zetten,
    Eer dat de blonde zon het hooft beurd in den dag:
[p. 198]
(En denkt om Vrouw, nog kint) onthoud zich by ’t gewemel
Der trouwe honden; wyl de blaauwasuren hemel
    (5) Hem tot een Nagtsprei strekt: tot dat het zwyn, als rag,
Met zyne tanden komt het digte net verscheuren.
Continue
Jan van Hoven vertaalde zes Odes van Horatius (1714)
In: De treurende Theems hersteld, door de krooning van George den Eersten.
Ceneton040380, books.google.



[p. 23]

ZES LIERZANGEN,

VAN

Q. HORATIUS FLAKKUS,

Uit het Eerste Boek.

EERSTE GEZANG.

MEcenas! waarden vrient, geteelt uit ’s konings looten.
    Die steets myn roem, en myn beschermer zyt in noot:
Den eenen, om zyn lust, en waan te doen vergrooten,
    Rent met een trots gespan, daar hem een wisse doot,
(5) Kort op de hielen treet, met barrenende raden,
    Bezyden ’t rechte spoor, dat hem ’t Olymphus stof,
Om kop en ooren stuift, en vint in zulke daaden,
    Wyl ’t hair te berge ryst, onsterffelyke lof.
Een ander wien ’t geval ten top van eer wil tillen,
    (10) Daar hy zyn zolders vult, met ’t Libiaansche graan,
En weelige akkers bouwt, zal om geen schatten willen,
    Wyl hy voor schipbreuk vreest, beploegen de Oceäan.
De koopman is bezorgt, wen noorder winden speelen,
    Op het Iöonsche meir, ’t geen ’t water zwellen doet,
(15) Kalfatert dies zyn kiel, en weet het lek te heelen,
    Eer hy ’t bezwangert vlot vertrouwt aan ebbe, of vloet.
Eene ander weet zyn smaak, en grootste lust te vinden,
    In schoone verne wyn, en doet het rusten goet,
Met uitgestrekte leên, omtrent de groene linden,
    (20) En ’t ruizent beekje, dat van ’t lommer wert begroet.
De krygsman vint zyn vreugd, by trommels en trompetten,
    En gespt de wapens aan, daar ’s moeders hart voor deist:
Het oorlogs bliksemvuur, kan hem in ’t minst verzetten,
    Daar hem zyn weêrparty, in’t open veld uit eist.
[p. 24]
(25) De jager laat zyn vrouw, en kindren, gaan verlooren,
    Als hy slegts op de jagt, een hinde heeft op ’t spoor:
Of dat het wilde zwyn* het net zoekt door te booren,
    De huisplicht sta te rug, en ’t jaagen gaat steeds voor.
Het veil, het koele woud, en huppelende reijen,
    (30) Van Nimphen, Saters, maakt my aan de Goôn gelyk,
En kunnen van ’t gemeen met regt my onderscheijen;
    Te meer wen Euterpe, en Polymnia, zeer ryk
Van gaven, my op luit, en fluit, van haar doen speelen,
    Zo gy my in ’t getal der Liersche dichtren stelt,
(35) Zo ben ik ruim voldaan, en zal heel vrolyk kweelen,
    En met geheven kruin, trotszeeren ’t starrenvelt.



TWEEDE

GEZANG.

JUpyn heeft lang genoeg, met sneeu en hagelvlagen,
    En gloeijent blikzemvuur, op ’t Roomsche Volk gewoet:
’t Verbaasde volk dat vreest, als dat weêr op mogt dagen,
    De lang versleetene eeuw van Pyrrha, toen de vloet
(5) Proteüs, met zyn vee, dreef op de steile kruinen
    Der bergen, ’t watervee hing vast aan één verwart,
Aan hooge olmen, trots de hemelhooge duinen,
    De dassen zwommen op ’t verdronken land; het hart
Van ’t menschdom kromp in een: men zag hoe langs hoe droever,
    (10) De blonde Tyber, voortgedreeven door de kragt
Van den Hetrurischen en koninglyken oever;
    De kerken en het slot van Vesta, in zyn magt.
Hy stoft om Ilia haar ongelyk te wreeken,
    Derhalven hy die stroom, om zyne gemalin,
(15) Op ’t vinnigste overvloeit, en vult uit zyne beeken
    Stads slinker zyde, en stort daar zyne waatren in.
’t Kleen overschot der fiere,* en frisse jongelingen,
[p. 25]
    Komt haast ter ooren, dat de burgers op elkaâr
Gesleepen hebben hun gevleimde dagge en klingen,
    (20) ’t Geen nutter had geweest voor ’t Perziaans gevaar.
Hen zal ook mede haast op ’t droefst te voorschyn komen,
    Als dat hun ouders zelf zyn oorzaak van ’t gevegt.
Wat offer dient ’er nu het eerst ter hand genomen,
    Waar door deez’ krygstwist wert bevredigt en geslegt?
(25) Wat Godheid zal men nu om zyn bescherming smeeken?
    Wie maakt dat Jupiter met ons weêr wert verëent?
Wat Nonnen zullen nu boetvaardig voor ons spreeken,
    Aan Vesta, die haar oor aan geene lofzang leent?
Kom gy dan eens Apol, ô oorzaak van het leeven,
    (30) Wiens schouders steets bedekt van witte wolken zyn.
Of Venus, om wier koets de minnegoodjes zweeven,
    Uw lachchende aanzicht kan ons troosten in de pyn.
Of gy, ô Vader Mars, die de oorlogs donderbuien,
    Doet klaatren tegen een, langs ’t veld, of de oceäan,
(35) Wilt liefst den Mouritaan in ’t open veld opruijen,
    Om met bebloede vuist zyn vyand te verslaan;
Dit kan u immers meêr als burgertwist behaagen;
    Een enkle hand vol bloed kan u toch niet voldoen.
Of zo gy wilt de naam van Cesars wreeker draagen,
    (40) Gevlerkte God Merkuur, ai red ons uit dit woên.
Vaar spader hemelwaart, en laat geen snelle winden,
    U van ons rukken, hou, hou u in ons gezicht,
Gy zult u vergenoegt by Roomsche Volk’ren vinden,
    Die aan uw heusheid zyn in eeuwigheid verplicht.
(45) Men zal u, Vader, Vorst, in Romens wallen noemen,
    O Cesar! ei gedoog dat uwe ruitery,
Het Medisch heirkracht, waart om keurig op te roemen,
    Niet ongewrooken komt in onze Monarchy.



[p. 26]

DERDE

GEZANG.

’t UItzigtig Zeepriëel, moet met zyn vlotte kiel,
U langs Neptunus vloet, ô waarden vrient Virgiell’,
Behouden in Athene, op ’t spoedigste overvoeren:
Geen dolle Zeeörkaan moet uwe rust ontroeren.
(5) De broeders van Heleên, en Cypris koningin,
Begunstige u, de windvoogt kluistert om onz’ min,
Zyn vlugge blazers, maar hy geef u weste winden,
Die u de Attische kust gelukkiglyk doen vinden.
Het was een reukeloos, en meêr als stout bestaan,
(10) Van hem, die eerst de rug van vader Oceäan,
Met zynen kiel doorsneê, en vreezende geen buijen,
Van ’t Noorden voortgestuuwt, of stormen uit het Zuijen,
Wien ’t grootst gebiet bezit op de Adriaat’sche vloed,
’t Zy, hy ze ontstellen wil, of weêr bedaaren doet.
(15) Wat voor een doot, dagt hy, dat hem zou wedervaaren,
Die’t brullent zeegedrocht, en opgezwolle baaren,
En steile rotzen van Albanien bezag,
Daar hy met Eölus, om stryt te worst’len lag!
Jupyn ging dan vergeefsch met zorg en moeite aanvaarden,
(20) Om ’t buurelooze nat te scheiden van der aarden,
Indien men evenwel noch brosse kielen boud,
Waar op men reukeloos zich zelven thans vertrouwt.
Het menschelyk geslacht op zynen drift hovaardig,
Slaat vaak den omweg in, en waant zich ’t alles waardig.
(25) Japhetus Zoon heeft loos, aan ’t Goddelyk geslacht,
Het hemelsvuur ontrooft, en ’t menschdom toegebragt:
En naaulyks was het vuur het Godendom ontdragen,
Of de aardboôm is vervuld met allerhande plaagen.
Dedaal doorsneê de lucht met wieken, zynde een daat,
(30) Onëigen aan den mensch; dus wekt men ’s hemels haat.
En Hercules bestont den afgrond te doorbooren:
[p. 27]
Niets valt den mensch te zwaar, noch lastig na te spooren.
Wy klout’ren naar de Olymp, daar Jupiter op stoft,
Uit enk’le waandrift, die ons trots weêr neder ploft.
(35) Met recht is ’t Godendom by wylen gants verbolgen,
Wen zy met hunne straf ons op de hielen volgen.
Ja onze schelmery gedoogt niet, dat Jupyn,
Zyn streng vergramde vuist laat zonder blikzems zyn.



VIERDE

GEZANG.

Wat meerder uitgebreit als de anderen.

En speelende op dien tyd daar het in gemaakt is.

De lieve lente koomt ons weder op te dagen,
Bevreyt van guure vorst, en felle wintervlaagen;
Ze ondooit ’t bevroze nat, en baart weêr jeugdig groen,
Om ’t wollig vee, dat reets de stal verveelt, te voên.
(5) De weiden zyn niet meêr met sneeu, en ys bedolven,
’t Gestremde water, bruischt met glatgekemde golven.
De bouman zit niet meêr in ’t hoekje van den haart,
Gedost met dikke py, en ruig bewosse baart.
Men sleept de kielen weêr met blytschap uit de haven,
(10) En laat het zeeros op de bruine stroomen draaven,
Te wet gaan inden vloed van vader Oceaan,
En weeldrig speelemeije in zulk een ruime laan,
Terwyl matroos het voert door spoorelooze wegen.
Vrouw Venus, ziet men met de nieuwe maan genegen,
(15) Om met haar Nimphjes, elk te wekken uit de rust.
Met lonkjes, lachjes, vol van aangenaame lust,
Die vrolyk hand aan hand, met haare maagde reijen,
Al trippelende op ’t land de Gratien geleijen:
De blonde Zephyrus, en Aura, gaan voor uit,
(20) En blazen de eelste geure uit bloem, en heilzaam kruit.
[p. 28]
Terwyl dat Mulciber, van’t krygsvolk aangebeden,
Doet in zyn reuzenhol voor Mars de wapens smeden.
Het gelt u Lodewyk, uw jongsten tyd genaakt;
Voltrek de vreê, terwyl uw gantsche landstreek haakt
(25) Om eens verlost te zyn van Mavors ysre roeden.
De degen van Eugeen, doet u de lenden bloeden,
Daar gy in ’t purper praalt op Vrankryks hoogen Troon.
De Britze Veltvoogt, steekt u t’eevens naar de kroon,
En ’t hart, hy blaakt van toorn, en meent u op te koomen.
(30) De Friese Achilles, zal uw ryken overstroomen,
Gelyk een waterval geweldig bruischt voor wind,
Gebouwen rukt uit de aard, en mensch, en vee verslint.
Hebt meededogen met uwe arme landgenooten.
De wraak die eertyds was aan kluisters fors geslooten,
(35) Heeft lange uwe euveldaân, met ryp beraat gewikt,
En los geborsten van zyn ketens, staat en mikt,
Om u de laatste steek in ’t taaije hart te drukken;
Zy dreigt u plotzeling de kroon van ’t hooft te rukken,
Te bonzen, beuken, en rammeijen uwe steên,
(40) Uw hof te slopen; en uw lykasch te vertreên.
De blikzem, door de wraak geslingert op uw wallen,
Door donder nagejaagt, doet kerk, en torens vallen,
En door ’t geklater en ’t geloei van dat gerugt,
Slaan bergen, hemelhoog, een yzelyk gezugt.
(45) De gantsche waerelt dreunt, en davert: alle stranden,
En rotzen, zwaar van top, staan droef te klappertanden,
Wanneer de vuurge wraak dreigd hand aan ’t werk te slaan.
De lang getergde wraak ziet menfeh noch onmensch aan.
Wie zal die trotsche naam dan van Bourbon noch hooren!
(50) Die zal, als de † Assyrier in eigen puin versmooren.
            [† Sardanapalus]
En meede een nagalm slaan van ondaân zonder ent:
Wie eige heil verzuimt genaakt een groot elend.
Gy kunt geen oorlogswoên verduuren in uw steden:
Gy zyt lang door een drang van helden afgestreeden,
(55) Wier daaden steigeren tot aan het starrendak.
Noch eens, wagt u voor deeze, en de allerlaatste smak,
[p. 29]
Die u gehelyk dreigt te storten op de lenden.
Wyl ik myn Lierzang ga met zoeter toon volenden.
Bekrans nu vry de pruik met lieflyk bloemgewas,
(60) Met myrthe kranzen, en het eelst dat Flora las.
Nu is het tyd om Pan, een lam, of bok, te slagten,
In weelige landsdouwe, en lommer, door de kragten,
Van vrouw natuur geteelt. De doot bezoekt het hof
Eens Konings, alzo wel, als slegte hutten, of
(65) Eene arme buurt, men kan ons op geen tyt verlaaten;
Dies willen wy met vreugd de logge droefheid haaten,
Eêr dat de snelle doot onz’ leevensbloem afmaait.
Die eens by Pluto, wien de helsche Septer zwaait,
Wert door de dood gevoert, zal niets met vreugd vertellen:
(70) Gy iult daar met uw vrint, en uwe metgezellen,
Op geen gezontheid van uw lief, de koele wyn,
Indrinken na gewoonte, en lustig vrolyk zyn.
Geen frisse jongeling zal daar een maagt toelonken;
Noch teder maagdeken, een jeugdig hart ontfonken;
(75) Dies schroom geen eerbre vreugde, en neem uw tyt in acht,
Terwyl uw blonde jeugd op ’t minlykst u toelacht.



VYFDE

GEZANG.

WAt ranke jongling, is zo veel
Op u verlieft, die u ziet bloozen
Vol geilheit, om op ’t bed van roozen
    U in een vrolyk lustpriëel
(5) Te streelen? zeg, waar siert gy heden
    Uw vlechten voor? hoe menigmaal,
    Zal hy, om al uw nors onthaal,
En troulooze, en ligtvaardige eeden,
    Zich zelf verwondren? hoe zal hy,
(10) Noch zuchten als eene onervaaren,
[p. 30]
Wanneer hy dobbert op de baaren
    Van uw blanketzel? ligte pry!
Hy hoopt u vaak alleen te vinden
    Heel vrindelyk, en wel gemoed,
    (15) By ’t ruischen van een heldren vloed,
Beschaâud van lommerryke linden.
    Hoe ongelukkig moet hy zyn,
Die gy door uw betoovrende oogen,
    Hebt lachende in uw strik getogen?
    (20) Daar al uw schoont, niets is als schyn!
’k Heb laast met vreugde noch gezongen,
    Hoe dat ik uit uw liefdens net,
    Rondom met doornen digt bezet,
Ter goeder uur ben uit gesprongen.
    (25) De tempelwanden, en het koor,
Getuigen, hoe ’k myn natte kleêren,
Den grooten Gaffelgod ter eeren,
    Heb op gehangen; om daar door
Te toonen, dat ik ben ontvlooden,
(30) Die schipbreuk, machtig my te dooden.



ZESDE

GEZANG.

UW Faam Agrippa, stoft tot in het kille noort,
Hoe gy uw ’s vyands vloot hebt in den grond geboort:
De schrandre Varius, zal met hoogdravent dichten,
U marmre zuilen door eerzangen op gaan richten,
(5) Die tot aan ’s waerelts eind uitbreiden uwe daan,
En eeuwig, trots de nyt en tyden, zullen staan:
En melden hoe gy hebt met uw gepunte sabel,
Het woedend oorlogsvolk, gekluistert aan de kabel
Van ’t moordziek blikzem vuur, door uwe hand gebraakt,
(10) Die door geen donderbui kan ooit wenêr zy u geslaakt.
[p. 31]
Myn pen is krachteloos uw daaden af te maalen,
Noch kan de gramschap van Achilles niet verhaalen,
Die onverzetlyk was. Noch’t zwerven op het ruim
Dat eer Ulisses deede, in ’t spoorelooze schuim.
(15) Noch Pelops wraakzucht stout en over fier in ’t rennen.
Myn lage Zangnimph, durft dien trant zich niet gewennen,
Als zynde onafgeregt op zulk een hoogen toon;
Wie zal de Krygsgod Mars, gezeten op zyn Troon,
In ’t Dyamante schild, wanneer de God der vonken,
(20) Zyn beuklaar heeft versmeed, en hecht aan één geklonken,
Door grofgeschonkte smits, naar regt beschryven? of
Verdwaalt niet met zyn brein in de al te ruime stof?
Of wie zal Diomeet, door Pallas hulp gefteven,
De Goden zelf gelyk, zyn regte luister geeven?
(25) Wy kunnen anders niet, als op een laage trant,
’tZy van banketten, of van liefde, en minnebrand,
Een lierzang zingen, hoe de vryers zaamen stoeijen
Met hunne vrysters, en verheugd elkaar vermoeijen:
Doch ’t zy wy koel zyn, of sleeds blaaken van de min,
(30) Nooit sluipt ligtvaardigheid onz’ hart, noch boezem in.
EINDE.



Herdrukt in J. van Hovens
Leedige Uuren. ’s-Gravenhage,
Pieter van der Burg, 1720, p. 43-59. Hier staat na de
vertalingen, op p. 60, een afsluitend gedicht:

SLOT

OP DE

LIERZANGEN.

Om de bladzyde te vullen.

DUs ver, heb ik naar myn vermoogen,
    De lier van Flakkus na gegaan:
En schoon haar luister is vervloogen,
    Zy heeft nochtans myn vrind voldaan.
En zo ’t den leezer kan bekooren,
    ’t Zal buiten myn verwachting zyn;
Elks tong verscheeld, als ook elks ooren:
    ’t Gezicht zelf wort misleid door schyn.

Continue
Akkerleven. Leiden, Joh. Arnold. Langerak, 1720. UBL 1205 B 21 : 2.
Vrije bewerking van Epode 2.

[fol. A1r]

H.K. POOTS,

AKKERLEVEN,

AEN DEN HEERE


CORNELIS S’GRAVEZANDE,

RECHTSGELEERDE.

[Vignet: gravure]

Te LEYDEN,
By JOH: ARNOLD: LANGERAK. MDCCXX.

[fol. A1v: blanco]
[fol. A2r]
Hoe genoechlyk rolt het leven
Des gerusten Lantmans heen,
Die zyn zalig lot, hoe kleen,
Voor geen Konings kroon zou geven?
(5) Lage rust braveert den lof
Van het grootste Konings hof.
Als een Boer zyn hygende ossen
’t Glimpend kouter door de klont
Van zyn’ erfelyken gront,
(10) In de luwt’ der hooge bossen,
[fol. A2v]
Voort ziet trekken of zyn graen
’t Vet der klai met gout belaën;
Of zyn gladde mellekkoeien,
Even lustig, even bly
(15) Onder ’t grazen, van ter zy
In een bochtigh dal hoort loeien,
Toon my dan, ô arme stadt,
Zulk een wellust, zulk een schat!
Welige akkers, groene boomen,
(20) Malse weiden, dartel vée,
Varsche boter, zoete mée,
Klare bronnen, koele stroomen,
Frissche luchten, overvloet,
Maeken ’t buitenleven zoet.
(25) Laet een Koopman koopmans waren
Huis en hof en kas en gout
[fol. A3r]
Wagen op het schuimend zout
Daer de witte zeilen varen,
Varen maer met groot gevaer,
(30) Veemans rykdom blyft van daer.
Laet de drokke Pleitzael woelen,
Menigh vreezen dat de schael
Van de vierschaer ryze of dael’
Voor de strenge Rechterstoelen;
(35) Veeman houd zich by zyn Vee,
En daer blyft zyn zorreg mé:
Zaeien, planten en verzetten
Geeft hem werk; hy vist of jaegt;
Dikwils valt hem eer, het daegt,
(40) Vliegend wilt in looze netten;
Dikwils voert hy met zyn raën
Grazig zuivel steêwaert aen.
[fol. A3v]
Appels enten, peren plukken,
Maeien, hooien, schuur en tas
(45) Stapelen vol veltgewas,
Schapen scheren, uyers drukken,
Zeven Kinders en een Wyf
Zyn zyn daeglyx tydverdryf.
Vork en riek en schup en spade
(50) Zetten zyne lusten pal;
’t Zy de welgemeste stal,
’t Zy de boomgaert hem verzade,
’t Zy de kruithof, niet te loom,
Op zyn lage tafel koom!
(55) Als de lente ’t lant beschildert,
Als de Zomer zweet en gloeit,
Ploegt en spit hy onvermoeit:
Als de Winter ’t woud verwildert,
[fol. A4r]
Houdt hy den berookten haert
(60) Met zyn vrienden ront van aert.
’t Herfst saisoen voor al te danken,
Snyt hem druiven, perst hem most,
Most, die slechts wat moeite kost;
Hemelwaerde wyngaert ranken
(65) Vullen dan zyn kuip en ton;
Onlangs schutten ze ook de Zon.
Want des Zomers, na veel zwieren,
Neemt hy om zig goed te doen
Onder ’t loof een slaepje in ’t groen;
(70) Daer de vogels tierelieren,
Daer een levendige vliet
Van de steile rotsen schiet.
ELS, zyn liefste door het trouwen,
Wiegt met zang hem daer hy slaept,
[fol. A4v]
(75) Schoon zy vry al wyder gaept
Dan de hoofsche Staetjonkvrouwen,
En hy kust’er Elsje voor;
Dus brengt Melker ’t leven door.
    Zeg my nu, ô S’GRAVEZANDE,
(80) Die behalven meer, ook weet
Hoe een Boer zyn tyd besteet,
Toon me, ô Rechtlicht in den lande,
(Zoo zy u myn zang gewyt,)
Wie zyn leven zachter slyt.
Continue
Pieter Dögen: De bedorvene zeden onzer eeuw, gevolgt na het 6de Lierdicht uit Horat: 3de boek. Dordrecht, Jacob van Hamelenberg, 1717.
Gebruikte exemplaren:
UBGent BL 7207 UBL 1199 F 6



[p. 3]

DE

BEDORVENE

ZEDEN

ONZER EEUW,

GEVOLGT

NA HET 6de LIERDIGT

UIT HORAT: 3de BOEK.

    AL braakt gy wrevle klagten uit,
    ô Landtgenoot, en schoon ’t geluit
Van uwe stem, de starrebogen
En zon en maan voorby gevlogen,
    (5) Des Hemelkap weêrgalmen doet;
    Gy zult nochtans den fellen gloet,
Den onweêrstaanbren sulfuroven
Van Godts getergde wraak, niet doven;
[p. 4]
[p. 16]
    Thans wel te vinden? neen, ô neen!
    De vlugge tydt sleept alles heên.
Der Vadren leeftydt snel in ’t glyden,
Veel bozer dan de aaloude tyden,
    Baarde ons nog bozer dan wel eêr,
    En wy ontaarden langs hoe meer,
En zullen, binnen korte jaren,
Nog gruwelyker nazaat baren.

Continue
Koenraet Droste: Ode 34 van het eerste boek. In: De harderskouten, en andere dichten van de Heer Koenraet Droste. Rotterdam, Pieter de Vries, 1717. UBA OBR 1476.



[p. 75]

UITGEBREIDE VERTALING

UIT

HORATIUS


XXXIV. LIERZANG DES EERSTEN BOEKS.

BEGINNENDE:

Parcus Deorum cultor & infreqens, &c.
    SOo lang ik heb gedwaelt, door dwaese leer verleit,
Die ’k ingesogen had uit Epicurus boeken,
    Beken ik dat ik was traeg in Godsdienstigheit,
En dat ik selden ging de Tempelen besoeken.
    (5) ’K herroep die dwaling nu. Dat my weer keeren doet,
Tot het geloof, dat ik uitsinnig had verlaten:
    Vast stellende dat men de Goden eeren moet,
En dat men, als vergift, moet de vrygeesten haten.
[p. 76]
    Nadien dat Jupiter, de Vader van het ligt,
(10) Het menschelyk geslacht doet voor den Blixem beven,
    En ingeboren vrees heeft in ons hert gestigt,
Soo ras hy teikenen van gramschap schynt te geven.
    Wanneer hy d’aerde schud, door storm de lucht ontstelt,
Den mond der Hel ontsluit om Vlammen uit te braken,
    (15) Met vuer en as vervult een ongelukkig velt,
En een verwoesting komt van dat gewest te maken.
    Of als ’t onstuimig meir vloeit hooger als het land,
Dies meenig sterveling in ’t water moet verdrinken,
    Mits God niet langer dwingt de golven door het strand,
(20) Soo dat door hun gewest de dyken meder sinken.
    Of als hy van een Stad somtyds een puinhoop maekt,
Paleisen werkt om ver, de Torens neer doet vallen,
    De sterkste vesten slecht, wanneer men hem versaekt,
En ’t ongeloovig Volk hem niet te voet wil vallen.
    (25) ’t Is Hy wiens hand men klaer in dese plagen merkt,
Die men hoort Donderen daer boven in de wolken:
    Die de hooftstoffen schikt, die wonderheden werkt,
En ook verdelgen kan de machtigsten der volken.
    Die ’t onderst boven keert, de grooten vallen laet,
(30) En uit de duisternis aerdwormen voort doet komen;
    Geringe schepselen verheft tot hoogen staet,
Dien hy de Vorsten heeft, in ongenade, ontnomen.
    Maer hy werd weêr versoent, als men hem wierook geeft,
En dat men met ontsach hem om syn hulp komt smeken;
    (35) Dan boet gy het verlies, dat men geleden heeft,
En segent, als aen hem is ons berouw gebleken.

Continue
Drie vertalingen van
A. Hoppestein - books.google



MENGELPOËZY,

BESTAANDE IN

HERDERSZANGEN, MINNEDICHTEN,
BRIEVEN, MENGELDICHT, EN
VERTAALINGEN.

[Vignet: Dum audes, ardua vinces.]

TE LEIDEN,
By JOHAN ARNOLD LANGERAK,
MDCCXVIII.




[p. 155]

VERTAALINGEN.

HORATIUS IIde BOEK IIIde LIERZANG.

Aequam memento rebus in asperis, &c.

GY stervelingen! ’t zy ’t geluk
U toelacht, óf te fél verbólgen
Door tegenspoed u wil vervólgen;
    Ei! maatigt steets uw vreugde of druk.
(5) Betracht een zelfde hart en wezen:
    Een zoete staatigheid van oog,
Daar voor- noch tegenspoed tot vreezen,
    Of buitenspoorig juichen boog.

    Het zy ge uw’ gantschen levenstyd
(10) Besteedt in klagten, traanen, zuchten:
’t Zy ge op het land in zielsgenuchten
    By zomer stil uw daagjens slyt.
U zelf met de allerbeste wynen
    In ’t malsche klaver zoet verheugt,
(15) Daar gy de zorgen doet verdwyen,
    Gezaligt door een zuiv’re vreugt.

    Daar Eyke en blanke Polulier
Door takken dicht in een geweeven,
[p. 156]
Zo gastvry u een schaduw geven,
    (20) In een gevlochten vol van zwier:
Terwyl de kronkelende stroomen
    Van eene kristallyne beek,
Al beevend kabb’lende aan de zoomen,
    U rust veschaffen by haar streek.

    (25) Men breng hier koelen wyn vol geur
En smaak: men strooy hier versche roozen
En bloempjens, midden in heur bloozen
    Te ras berooft van glans en kleur.
Zo lang die vreugd u mag gebeuren,
    (30) In ’t bloeijenst van uw jeugd en staat,
En u de dood, bevryd van treuren,
    Nog rekt den veegen levensdraad.

    De tyd koomt, dat ge uw schoon Paleis,
Uw Hofstêe, Bossen, ryke landen,
(35) Daar gy den Ryn steets aan ziet stranden,
    Zult laaten moeten op één reis.
’k Verbeeld my, hoe uwe Erfgenaamen,
    Aan schatten, die* als bergen staan
Op één gehoopt, met vreugd te saamen
    (40) Haar handen greetig grabb’lend slaan.

    Wat baat het, of men overstort
[p. 157]
Van Rykdom, uit het bloed der Grooten,
Of oude Keizers is gesprooten:
    Dan of men arm en ned’rig wordt
(45) Van slegte lieden laaggebooren?
    Als gy ter slagtbank van de Dood,
Die onmêedoogende, uitverkooren,
    Moet bukken voor haar’ wissen schoot.

    ’t Is waar, wy moeten ’t pad betrêen,
(50) En, schoon de Lótbus van ons leven
Wordt omgeschut; die ’t eerst zal sneeven
    Krygt eerst zyn lót, en vaart daar heen.
Elks lót koomt vroeg of laat te vooren,
    Na ’t wordt getrokken; als de Doot
(55) Ons, tot haar ballngschap beschooren,
    Voor eeuwig wegvoert in haar’ boot.



[p. 158]

’t IIIde BOEK. IXde GEZANG.

T’SAAMENSPRAAK TUSSEN

HORATIUS EN LYDIA.

Donec gratus eram tibi: &c.

HORATIUS.
ZO lange, als u myn jeugd geviel
    En gy geen’ Vryer waarder hiel
Om aan uw’ blanken hals te hangen,*
Kon myn geluk geen Ryk ontvangen.
LYDIA.
    Zo lang gy op geene ander meer
    Verslingert waart dan my: klonk de eer
Van myn’ vermaarden naam, ver boven
Der Goden Moeder, hoog te looven.
HORATIUS.
    Nu heerscht de uitheemsche Chloë alleen
Op my: zo lieffelyk in ’t zingen
Ervaaren, en in ’t snaarendwingen:
    Voor wie ik nimmer schroom te trêen.
[p. 159]
Den doot in ’t aanzicht, zo het leven
Daar voor haar ziel mogt zyn gegeeven.
LYDIA.
    Maar Calaïs myn minnend hart
    Ontsteekt door wederzydsche smart,
Voor wien ik tweemaal wens te sterven,
Zo hy daar ’t leven voor mogt erven.
HORATIUS.
    Maar of eens de oude minnebrand
    In ons verkreeg wêer de overhand,
En onze harten nu gescheide
Van één, ’t metaale juk opleidde,
    En knoopte die voor eeuwig s’saam.
Zo blonde Chloë wierdt verstooten,
    En op den nu verachten naam
Van Lidia, myn deur ontslooten?
LYDIA.
    Schoon hy in glans één star verwint,
    Gy lichter zyt dan kurk op wind:
En ’t woeden der onstuime baaren,
Uw’ gramschap nooit kon evennaaren.
    ’k Verkies met u in minnepyn,
    ’t Zy ’k leeve of sterf veréént te zyn.
                                                    1705.



[p. 160]

XXIste GEZANG. Van verre nagevolgt.

O Nata mecum Consule Manlio. &c.

O VIERENTACHTIGER, met my gelyk gebooren,
    Beroemde Rynsche vocht! ’t zy gy krakéél verwekt,
            Of zoete Jókkerny laat hooren
                En ’t dart’le minnevuur ontdekt:
            (5) Of zagte slaaplust aan kunt kweeken.
                ’k Moet u op de aankomst van myn vrind
                Myn’ Reinhart, die myn Ziel bemint,
            In gulle vrolykheid ontsteeken.
    Hy, die als Socrates in zedenkunde praalt,
(10) Is niet zo stuursch van aart, dat hy de zoete vreugde
                Verbant, als hem een Vriend onthaalt.
            Men zegt, dat Cáto, zich verheugde,
                Die strenge Cáto, door den wyn,
            Hy kan den geest vol duffe dampen,
                (15) Verligten van zyn zielerampen,
                En quetst ons met een zagte pyn.
O Bagchus vo van boert! Gy lacht met alle zorgen,
    Waar in één Wyze nacht en dag zich zelf verwart:
            ’t Geheim ontdekt ge, hoe verborgen,
[p. 161]
                (20) En heeft wêer hoop aan ’t anxtig hart.
            Den armen leert gy stout wêerstreeven
                ’t Gewéld der Vorsten, noch voor ’t zwaard,
                ’t Geen tuk op bloed, geen menschen spaart,
            Van uitgelaaten krygsliên beeven
    (25) Koom Rynhart, laaten we ons verheugen, ’t is nu tyd:
God Bagchus voert met zich de drie Bevalligheden,
                Wat schaadt het, of men ’t nachtje slyt,
            ’k Heb nóg één vrolyk hart gebeeden.
                Maar, hoe, myn Rozemond geraakt
            (30) Van pas, verzélt met twee Vriendinnen,
            Die vreugde en kuische weelde minnen,
                Zo wordt de Liefde ’t spél volmaakt.

                                                                        1715.



[p. 162]

’t IVde BOEK IIIde LIERGEZANG.

Quem te Melpomene semel &c.

    WIen gy Melpomene, eens belonkt
Zult hebben, toen hy wierdt gebooren,
    En met een gunstig oog ontvonkt
De ziel tot uwen dienst verkooren;
    (5) Zal nooit beroemt in ’t worstelperk
Een’ wydberuchten naam behaalen,
    Noch door een lóf’lyk heldenwerk,
Als Overwinnaar zegepraalen.
    Daar de open kar, óf ’t moedig paard
    (10) In ’t rennen zyne kunst vermaart.

    Nóch wordt als Veldheer, tróts bekroont
Met onverwelkbaare Laurieren,
    Aan ’t hooge Capitool vertoont,
Wyl Vólkeren al juichend vieren
    (15) Zyn groote en dappere Oorlogsdaên,
Die ’t tróts geweld der Dwingelanden
    Kon kneuzen en te plett’ren slaan,
En hun kloekmoedig bragt te schanden;
[p. 163]
    Die hy geboeit doet voor hem heen,
    (20) Tot roem zyn’s overwinnings treên.

    Maar ’t zagt geluit van eebe Beek,
Die met zoetkabbelende stroomen
    Besproeit op ’t land een vruchtb’re streek,
En ’t digtbewasse loof der boomen,
    (25) Die zullen zyn’ vermaarde naam
Door zielbeweegende Gedichten
    Alleen verbreiden: en de Faam
Zal zyne roem een Tempel stichten,
    Daar hy voor eeuwig in het hart
    (30) Des nazaats aangebeeden werdt.

    Nu belgt zich ’s waerelds Konngin
De Roomsche stad niet, my te tellen
    By ’t kunstbeminnend vólk, en in
De ry der Dichteren te stellen,
    (35) Zo vredelievende uit der aart.
Terwyl met haar scheurzieke tanden
    De Nyt alreets myn Dichten spaart,
En my veel minder aan komt randen.
    Zy knaage vry haar eigen hart
    (40) Van spyt, en groeije in yd’le smart,

[p. 164]
    O Zanggodin! die op uw luit
Van goud, de góddelyke snaaren,
    Met een zielroerend teêr geluit
Weet lief’lyk na de maat te paaren.
    (45) O Gy, die als ’t u lust een klank
Aan stomme Vissen weet te geeven,
    Volmaakter, dan der Zwaanen rank,
Beroemt in ’t ende van heur leven,
    ’t Geluit van een vergoode toon
    (50) Te heffen op, te zyn gewoon.

’k Heb door uw gunst alleen verkreegen,
    Dat elk my met den vinger wyst,
Die in ’t voorby gaan my kwam tegen,
    En als Romeinsch Lierdichter pryst:
(55) Gy zult allen ’er dank af draagen,
    En dat ik leef, en kan behaagen.

                                                        1705.

Continue
J. Pluimer: Gedichten. Tweede deel. Te Leiden, by de Janssoons vander Aa, 1723.
Oden III, 1 en I, 11. Gebruikte exemplaren: UBL 1205 B 7;
books.google.



[p. 194]

Q. HORATIUS

HET DERDE BOEK,

HET EERSTE GEZANG.


DAT GEEN RYKDOMMEN, NOCHTE EER, NOCH-
TE STAATEN, MAAR EEN GERUST GE-
MOET DEN MENSCH IN EEN
GELUKZALIGEN STAAT
STELLEN.

IK Haat d’onwetenden, en sluitze uit myn gedachten;
Ik Priester, en Poëet van ’t Zang-godinnendom,
Ik zinge iets ongehoorts, dat niemand zal verwachten;
Komt Jonge Vryers hoort, komt Jonge Vrysters kom.
    (5) De ontzigt’bre Koningen gebien hunne onderdaanen,
Jupyn de koningen, die word geëert, geviert,
Der Reuzen nederlag deed hen een eerweg baanen,
Terwyl hy alle ding met eenen wenk bestiert.
Den een bezit meer lands, bepoot, beplant met dreeven,
(10) Als d’ander, een die staat na ’t kussen, slaat steets ga,
Dat hy zich dagelyks voor ’t Raadhuis moet begeeven,
Die vroom van wandel is, bied ook een bot daar na.
De Dood trekt steets by ’t lot, ’t zy hoog of laag van Staaten,
’t Gaat zonder onderscheit. Hen wien steets boven ’t hoofd
(15) Een bloote sabel hangt, wat is ’t dat hem kan baaten?
Hem walgt het zoet banket, hy is van smaak beroofd.
Noch zang noch snarenspel zal hem de slaap verwekken,
Daar de Akkerman nooit walgt van slaapen noch van lust
[p. 195]
Die door de schaduwen belommert zich mag rekken,
(20) Terwyl een weste wind hem inblaast stilte en rust.
Die niet den Nootdruft eist, vreest nooit voor holle baaren
Noch ’t dalende gewelt der wagens, in de lucht,
Noch voor den steilen Bok, noch andere gevaaren,
Noch d’ongena van ’t weêr daar d’ Ooftboom onder zucht,
(25) Door groote hitte, of kouw, of guure regenvlaagen.
De visch voelt dat de Zee al daaglyks erger word.
Men vester huizen in, die het gezicht vertzagen;
Terwyl den Bouheer werd door vrees en angst geport.
Indien de steenen dan, van Frigiaansche stranden,
(30) Noch purper, dat in glans de gouden starren dooft,
Noch den Falenschen wyn, noch Persiaansche Landen,
Wiens bosschen zwanger gaan van onwaarderlyk Ooft:
De droefheid slyten doen, waarom zal ik dan Zaalen
Optrekken tot de lucht, van zilver en van gout;
(35) Want wat kan rykdom, staat, of eer, of grootheid haalen
By een gerust gemoet, dat zich op ’t land onthoud.


AAN

LEUCONOË,

XI. ZANG VAN HORATIUS.

VERBIEDENDE VOOR ’T AANSTAANDE TE ZOR-
GEN, GEBIEDENDE VROLYK TE ZYN,
NEMENDE ZYN BEWYS VAN DE
SNELHEID EN KORTHEID
DES LEVENS.

Ei onderzoek niet eens, LEUCONOË, te weeten,
Wyl ’t ongeoorloft is, de lankheid van uw tyd,
[p. 196]
Noch moei u immer met het leezen van planeeten,
Op dat ge in meerder rust uw korte tyd verslyt.
(5) Het zy dat Jupiter verlangen wil uw dagen;
’t Zy deeze Winter mogt uw laatste winter zyn.
Spoel liefst, met versche wyn, van ’t bittre plagen;
Leef zelfs geen ogenblik, (om lange hoop) in pyn.
De tyd loopt als de wind. Verdryven wy de zorgen;
(10) Bedien U van de tyd die tegenwoordig is;
Betrouw, ik waarschouw U, niet op den dag van morgen,
Maar dien U van ’t vermaak op ’t bet, en aan den dis.


Continue

Balthazar Huydecoper publiceerde in 1726 een vertaling in proza van de Satyrae en de Epistulae, en maakte daarvan een bewerking in dichtvorm die hij in 1737 uitgaf; de bewerking in poëzie bevat ook de Ars poetica.
Voor de volledige tekst van beide uitgaven, inclusief voorredes en ander bijwerk, zie: Huydecopers Horatiusvertaling van 1726 in proza en van 1737 in poëzie

Prozavertaling. Gebruikte exemplaren:
KBH 234 F 48 , UBL 1178 B 11.



[fol. *2r]

HEKELDICHTEN

EN

BRIEVEN

VAN

Q. HORATIUS FLACCUS

Uit Latynsch Dicht in Nederduitsch
Ondicht overgebragt

DOOR

B. HUYDECOPER.

[Gravure: Bijenkorf]

T’AMSTERDAM,

By WILLEM BARENTS, Boekverkooper op de Voorburg-
wal, over de Nieuwestraat, 1726.




[fol. *2v, *3r blanco]
[fol. *3v]
[Gravure: Wapen]

        ’t Volk, zegt Horatius, betaalt de schuld der Heeren.
            Zo is ’t. maar als de Deugd der Heeren, kloek van raad,
        Ten Hemel opvliegt, als een
AREND, vlug van veêren;
            Dan strekt zy ’t volk om laag een
BURG, en toeverlaat.

B.H.


[fol. *4r]

DEN

WEL EDELEN

GROOT ACHTBAAREN HEERE,

DEN HEERE

EGIDIUS VAN DEN BEMPDEN,

REGEEREND BURGERMEESTER DER STAD
AMSTERDAM; BEWINDHEBBER
DER OOSTINDISCHE MAAT-
SCHAPPYE: &c. &c. &c.

    WEL ED: GROOT ACHTB: HEER;
PArturiunt montes, nascetur ridiculus mus:

zegt deeze zelfde Horatius in zyne Dichtkunst, het welk de Heer Andries Pels, in zyne fraaie vertaalinge, aldus uitgedrukt heeft:

——— ——— De Bergen gaan kwansuis
Met angst in arbeid. maar wat baaren zy? Een muis.

[...]
Continue
[
p. 1]

HEKELDICHTEN

VAN

Q. HORATIUS FLACCUS.

EERSTE BOEK.
___________________________

EERSTE HEKELDICHT.

Hy berispt de ongestadigheid der menschen, en de verscheidene dekmantelen der gierigheid.

WAt is de oorzaak, Mecenas, dat niemand met dat beroep, het welke, of hy zich zelven uitgekooren, of het noodlot hem opgeleid heeft, te vrede is, en altyd den staat van anderen pryst? ô gezegende Koopluiden! roept een Soldaat, die nu oud, en door eenen veeljaarigen dienst verminkt en kreupel is. In tegendeel zegt een Koopman, wanneer zyne schepen door storm geslingerd worden: Gelukkig zyn de Soldaaten; want handgemeen geworden, genietenze in een oogenblik, of een schielyke dood, of een gewenschte overwinninge. Een Rechtsgeleerde, die voor het kraeien van den haan door zyne raadvraagers ten bedde wordt uitgeklopt, roemt het geluk van den Landman. deeze weder, borg’ gesteld hebbende van op gezetten tyd voor den rechtbank te zullen verschynen, en genoodzaakt deswegen naar de stad [p. 2] te gaan, roept, dat niemand gelukkig is, dan die in de stad woont. Maar men zou hieromtrent zoo veel konnen zeggen, dat’er de snapachtige Fabius zelf zich moe aan zou praaten.
    Om u dan niet lang op te houden, zo hoor waar ik heene wil. Indien een van de Goden zeide: Ziet, ik ben gereed te doen, wat ge begeert. gy, Soldaat, zult een Koopman worden: gy, Rechtsgeleerde, een Landman. gaat nu heene, en verdeelt uwe rollen onder elkandere, gelyk gyze speelen wilt. lustig! wat vertoeftge nu? nu zou ’er niemand veranderen willen, schoon ’t alleen van hun zelfs afhing, om gelukkig te zyn. Is ’t niet wonder, dat Jupyn, met reden tegen zulk een volk verstoord, om zyn hoofd niet zwelle van kwaadheid, en zweere, noit weder zo zachtmoedig te zullen zyn, van naar hunne gebeden te luisteren? Daarenboven (om deeze stof niet, gelyk men beuzelingen gewoon is, te verhandelen: trouwens, wat kan ons beletten, al Iagchende de waarheid te zeggen? gelyk de schoolmeesters van ouds gewoon zyn, den kinderen wat zoets in de hand te stoppen, om hen de eerste beginselen zo veel te naarstiger te doen leeren. laat ons dan, alle spotternye aan een kant gezet, het begonnen ernstig vervolgen.) hy, die het scherpe kouter door den harden grond dryft, een bedriegelyke waard, een soldaat, een zeeman, die onverzaagd alle wateren bouwt; allen spreekenze uit eenen mond, en zeggen; Datze die ongemakken gewillig uitstaan, om in hun ouden dag veilig en stil te mogen leeven, wanneerze hunne schaapjes op ’t droog zullen hebben: gelyk de mier (waarelyk een leerzaam voorbeeld) die, hoewel klein van lighaam, een grooten arbeid doet, alles watze tillen kan, met haar bek naar het hol sleepende, daarze een grooten stapel en voorraad [p. 3] van eetwaaren verzamelt; voorzigtig, en niet onbewust dat de winter den zomer volgt. Maar zoras de waterman velden en landeryen met geduurigen regen overstroomt, komt zy nergens voor den dag kruipen, en bedient zich wysselyk van het geenze te vooren vergaderd heeft: daar noch brandende hette, noch koude, noch vuur, noch water, noch staal u van uwe winzucht kan aftrekken; en u niets te moeielyk zou vallen, om te maaken, dat niemand ryker bevonden wierd, dan gy. Wat baat het u, dat gy, steelswyze en beschroomd, heele potten met goud en zilver onder de aarde begraaft? gebruiktge uw geld, zo vreestge dat het haast te niet zal gaan. maar gebruiktge ’t niet, wat schoons heeft toch dat begraaven goud in zich zelf? Al gaven uwe landeryen u honderdduizend mudden koren, uw maag zal daarom niet meer nuttigen, dan de myne; even als een slaaf, die den broodkorf op zyn schouders draagt, waar van hy evenwel niet meer genot heeft, dan zy, die niets te draagen hebben. Of zeg my, wat verscheelt het iemand, die binnen de paalen der Natuure leeft, of hy honderd, dan of hy duizend bunderen lands beploegt? Doch ’t is aangenaam, zult gy zeggen, iets uit zynen overvloed te gebruiken. Maar, dewyl ik uit myn middelmaat myn genoegen zo wel krygen kan, als gy uit uwen overvloed; om wat reden toch verheft gy uwe pakzolders en korenschuuren zo ver boven myn proviziekamertje? eveneens of gy slechts een kleinen dronk waters noodig hebbende, zeide: Ik wil dien liever uit een groote rivier, dan uit dit bronnetje scheppen. Hier komt het van daan, dat veelen, die meer begeeren, dan hunne nooddruft vereischt, met oever met al van den onstuimigen Aufidus verslonden worden: daar een ander, te vrede met het geen hy noodig heeft, geen troebel water be- [p. 4] hoeft te drinken, noch gevaar loopt van zyn leeven in den stroom te verliezen.
    Maar een groot gedeelte der menschen, van eene verfoeijelyke begeerlykheid ingenomen, roept; Niets is genoeg, daar men geschat wordt naar het geld dat men bezit. Wat wiltge met zulk volk doen? laatze loopen, en ongelukkig zyn, dewylze ’t weezen willen: doende, gelyk men van dien vuilen rykaard te Athene verhaalt, die op deeze wyze gewoon was de praat van het volk te verachten: De menschen wyzenme met vingers naar: maar ik verheugme by my zelven, zoras ik t’huys komende myn volle geldkist aanschouwe. De dorstige Tantalus, staande tot zyn keel toe in ’t water, reikhalst vergeefsch naar het nat, dat zyne lippen ontvlucht ... Lachtge? ’t is uw eige Historie, die ’er verhaald wordt, doch onder een anderen naam. benaauwd en bekommerd bewaaktge uwe van alle kanten te zaamen geschraapte rykdommen; bewaartze niet anders, dan ofze, om hunne heiligheid, niet aengeroerd mogten worden; en hebt ’er niet meer nut van, dan ik van ’t beschouwen myner schilderyen. Weetge niet, tot wat einde men het geld gebruiken moet? waertoe het dient? gaa, koop ’er brood voor, groente, wyn, en verder alles, wat de natuur niet wel lyden kan dat men haar onthoude. Lust het u, bevreesd en angstig altyd te waaken, nacht en dag te zorgen, voor dieven, voor brand, voor uw’ slaaven, datze, u ontvluchtende, niet het een of ’t ander meêneemen? is dit uw vermaak? zo wensch ik altyd gebrek te hebben aan zodanige rykdommen. Maar gy verbeeldt u mogelyk, dat men u, wanneer gy aan een koude koorts legt, of door eenig ander ongemak genoodzaakt zult zyn het bed te houden, wonderlyk oppassen, en altyd byblyven zal, om u de middelen te be- [p. 5] reiden, en toe te dienen, den geneesmeester te smeeken, dat hy u doe herleeven, en aan kinderen en waarde bloedvrienden gezond wedergeeve. Maar noch uw’ vrouw, noch uw zoon, wenscht u weer gezond te zien; buuren en bekenden, mans en vrouwen, haaten u. Verwondert gy u, daar gy het geld boven alles stelt, dat niemand u die genegenheid betoont, die gy niet verdient? Maar wees verzekerd, welke moeite gy ook moogt aanwenden, om uwe bloedverwanten, aan de welke de natuur u, buiten uw toedoen, verbonden heeft, te believen, en hunne vriendschap te bewaaren; gy doet vergeefschen arbeid: alzo zeer als hy, die in een open veld een ezel zou willen doen wenden en draaien, op het roeren van den toom. Het opstapelen moet eens een einde hebben, en hebt gy reeds veel byeen gebragt; denk, datge zo veel te minder reden hebt, om voor armoede te vreezen. Staak eens uwen arbeid, dewyl gy hebt watge wenschte; en doe niet gelyk Umidius, die (de vertelling is niet lang) zo ryk was, dat hy zyn geld mat; zo gierig, dat hy noit beter in de kleederen was, dan de minste slaaf; die tot het laatste uur van zyn leeven beducht was, noch eens gebrek te zullen lyden: maar eene vrygemaakte slaavin, dapperer dan de dochters van Tyndarus, maakte zyne vrees ydel, toenze dien vrek met een byl in tweën kloofde.
    Wat zoudtge my dan raaden? dat ik leeve als Menius, en als Nomentanus, die alles verkwistten watze hadden? zo gaat het: als u ’t eene uiterste verboden wordt, dan vervaltge tot het ander. Als ik u de gierigheid, als een kwaad, afschildere, is myn inzigt niet, om u de overdaad en verkwisting, als een’ deugd, aan te pryzen. Daar is een midden tusschen Tanais en den schoonvader van Visellius. daar is een maat omtrent alle dingen; daar zyn zekere paalen, [p. 6] die niets, wat deugd heeten zal, noch aan de eene noch aan de andere zyde te buiten mag gaan.
    Ik keer weder tot het geen ik in ’t begin gezeid heb. Is ’er iemand, die in zyne manier van leeven, den gierigaard niet gelyk is? of, om klaarer te spreeken, is ’er iemand, die den staat van anderen niet boven den zynen verheft? die niet bleek wordt van nyd, als hy ziet, dat de uiers van zyn buurmans vee meer gezwollen zyn, dan die van ’t zyne? die niet denkt, dat hy zo veel behoorde te weezen als zy, die meerder zyn; zonder eens zyne oogen te slaan op dat groot getal van menschen, die duizendmaal minder hebben, dan hy? zo staat eenen, die voort wil, altyd een ryker in ’t licht: gelyk een voerman, die zyne paarden in het renperk aannoopt, om die geenen, die noch voor hem zyn, voorby te streeven, zonder eens te denken om hen, die achter zyn. Dit is de oorzaak, dat men zelden of noit iemand vindt, die zeggen zal, gelukkig geleefd te hebben; en deeze werreld zo vrolyk verlaaten kan, als een gast, die, wel gegeeten en gedronken hebbende, vergenoegd van tafel opstaat. Maar ’t is genoeg; en op datge niet denken moogt, dat ik den leepoogigen Crispyn eenige papieren ontfutseld hebbe, zal ik ’er niet een woord meer by doen.


TWEEDE HEKELDICHT.

Hy stelt de gebreken van verscheiden menschen, maar voor-
naamelyk die der overspeeleren, ten toon.

DE vergaderingen der Fluitspeelsters, kwakzalvers, bedelaars, tooneelspeelsters, leegloopers en deugnieten, en wat meer van dit slach van volk is, zyn bedroefd en schier [
p. 7] troosteloos over de dood van den muzikant Tigellius: want hy was milddaadig. In tegendeel zal een ander, vreezende voor een kwistal door te gaan, niets aan eenen armen vriend geeven, om hem tegen de koude en wreeden honger te beschermen. Vraag deezen eens, waarom hy al het kostelyke goed van vader en grootvader met zulk een’ verfoeielyke gulzigheid door de billen lapt, geld tot hoogen interest opneemende om zyn’ tafel te stoffeeren: hy zal u antwoorden, Dat hy den naam van vrek of kleinhartigen niet verdienen wil Van den eenen wordt hy gepreezen, van den anderen gelaakt. Fufidius, ryk in landeryen en uitgezette gelden, vreest den naam van verkwister en lichtmis; daarom zet hy zyn geld niet minder dan tegen vyf ten honderd ’s maands uit; en hoe meer hy ziet, dat het iemand kwaalyk gaat, hoe meer hy dien ongelukkigen prest en vervolgt: hier toe heeft hy altyd een lyst van de naamen dier jongelingen, die, even den mannelyken tabberd aangenomen hebbende, onder het opzigt van strenge ouders naauw bepaald en gebonden zyn. Wie, die zulks hoort, roept niet uit, ô groote Jupyn! Maar gy zult mogelyk denken, dat hy een staat voert naar zyn inkomen, en ’er wel van leeft. Och! ’t is kwaalyk te begrypen, hoe weinig die man zich zelven te vriend is; ja zo zeer, dat die vader, dien ons Terentius afbeeldt, zich na de vlucht van zyn zoon, niet meerder gekweld kan hebben, dan deeze zich dagelyks doet. Vraagt nu iemand, waar toe dienen alle die woorden? ik zal ’t hem zeggen: om te toonen, dat een dwaas, als hy ’t eene kwaad ontloopen wil, zich gemeenelyk in een ander werpt, dat ’er recht tegen over leit.
    Malchinus gaat met klederen, die langs den grond sleepen; terwyl een ander zich belagchelyk maakt, met de [p. 8] zyne tot boven de dyen op te schorten. Rufillus geeft een lieffelyken geur van zich, en Gargonius stinkt als een bok. De middelmaat is niet bekend. Sommige zouden geen vrouwen willen aanraaken, dan die met een geboorden rok haare voeten bedekken; anderen weer geene, dan die in openbaare huizen ieder ten dienste staan. Men zegt dat de wyze Cato, als hy op zekeren tyd een bekend man uit een hoerhuys zag komen, aldus tot hem sprak: Gy doet wel, groei zo op in alle deugd: want het is beter, dat een jongman hier zyn lust boet, dan in de armen van eens anders vrouw. Ik begeer op die wyze niet gepreezen te worden, zegt Cupiennius, die het alleen met getrouwde vrouwen houdt. ’t Is waard om te hooren voor hun, die wenschen, dat het den overspeeleren niet wel gaa, hoe dikwils en op hoe veelerhande wyzen zy gestraft worden; door hoe veele ongemakken hun vermaak gestoord wordt; en hoe klein dat is, in vergelykinge van de gevaaren, die het verzellen. Dees heeft van boven van het dak moeten springen; dien heeft men zo lang gegeesselt, tot ’er ’t leeven byna uit was; een ander is, daar hy zich door de vlucht meende te bergen, in handen van straatschenders vervallen; sommigen hebben hun leeven met geld moeten koopen; anderen zyn van straatjongens met drek en vuiligheid gesmeeten: ja zelfs is ’t gebeurd, dat men eenigen dat geene ontnomen heeft, ’t welk hen op die plaats hadt doen komen. ieder zegt, dat ze ’t verdiend hadden: Galba ontkent zulks. Maar hoe veel veiliger is het, zich met een tweede soort te belyden? ik zeg, met vrygemaakten, waarmede Sallustius zich niet minder te buiten gaat, dan anderen met gehuwde vrouwen. maar indien hy mild en weldaadig was, daar gelegenheid en reden zulks [p. 9] eischen, en daar hy ’t met eere weezen kan; hy zou niet meer weggeeven, dan noodzaakelyk was, noch zich zelven tot schade en schande zyn. doch dit is zyn eenigste vermaak, hiermede kittelt, hierop beroemt hy zich, dat hy noit met een andermans vrouw te doen gehad heeft: gelyk eertyds Marséus, minnaar van de tooneelspeelster Origo, die zyne huizen, en landeryen aan haar ten beste gaf, en ondertusschen wenschte, dat hy zich noit met getrouwde wyven verloopen mogt. maar hy is zo zeer verslaafd aan de liefkoozeryen van tooneelspeelsters en hoeren, dat zyn naam daardoor grooter afbreuk geleden heeft, dan zyn geld of goed. Is het u genoeg, dat gy slechts deezen of geenen persoon mydt, zonder het kwaad zelf te myden, dat u naderhand overal voor de scheenen springt? zyn goeden naam te verwaarloozen, zyn inkomen t’zoek te maaken, is overal en altyd kwaad. Wat onderscheid is’er, of gy met een’ getrouwde vrouw, een’ slaavin, of bekende hoer zondigt? Villius, verliefd op Fausta, en misleid door den naam van Syllaas schoonzoon, heeft, buiten deur geslooten, met vuisten geslaagen, en met degens vervolgd, meer straf geleeden, dan hy misschien verdiende; terwyl Longarenus binnens huys was. Indien nu iemand, die deezen Villius in dien staet ontmoette, hem vroeg; Wat begeert gy? moet gy juist een Burgermeesters dochter, of een’ der edelste vrouwen hebben, om uwen brand te blusschen? wat zou hy antwoorden? Haar vader is een groot Heer geweest? Maar hoeveel betere, en van deezen verschillende zaaken, kan u de Natuur, met haaren eigen rykdom te vrede, niet leeren? Indien gy uwe zaaken slechts wel aanleggen wilt, en onderscheid weet te maaken tusschen ’t geene men myden of zoeken moet, [p. 10] zo zultge haast begrypen, dat het een groot onderscheid is, of gy zondigt door gebrek van zaaken, of door uwe eige schuld. derhalve, op dat het u namaals niet berouwe, laat af van edele vrouwen aan te zoeken, wier liefde meer nasleep van moeite en ongemak, dan van oprecht vermaak heeft. en, ofschoon zy van parelen en gesteenten blinke, denk niet, ô Cerinthus, schoon dit uwe ziekte is, datze daarom zachter dyen, of welgemaakter beenen hebbe: de slechtste kleederen dekken veeltyds de fraaiste lighaamen. Voeg hier by, dat deeze zich voor u vertoont gelykze is, en de waaren, dieze te koop veilt, onverhinderd zien laat; datze zich noit beroemt op het geen haar wel, noch moeite aanwendt om te verbergen wat haar kwaalyk staat. Het is een’ gewoonte onder de grooten, alsze een paard willen koopen,datze ’t eerst een kleed over ’t lyf laaten werpen, en dan bezien; op dat, gelyk dikwils gebeurt, een welgemaakt lyf niet lichtelyk op losse voeten staa, en de kooper, verblind door een korten kop, rechten hals en fraai gat, zich ontrent de beenen bedroogen vinde. Hieromtrent doen zy voorzigtig: gy in tegendeel, die met de oogen van Lynceus beschouwt al wat uw liefste welstaat, zyt omtrent haare gebreken blinder dan Hypséa. gy staaroogt op haar’ welgevormde kuiten en armen, en ziet niet, datze magere billen, een gebogchelden neus, een kort lyf, en lange voeten heeft. van vrouwen van aanzien zietge niets dan de tronie, het overige is bedekt onder haare kleederen, tenzyze zo onbeschaamd waare als Catia. Indien gy iets zien wilt, dat u verboden, en voor u bedekt is, want dit is ’t dat u zinneloos maakt, honderd zaaken zultge ontmoeten, die u in den weg zyn; haar’ draagers en draagstoel, haare aschjongens. en sleep van [p. 11] gevolg, behalve het kleed, dat haar over de enkels hangt, en den sluyer, dienze daar noch boven heeft; al ’t welke u belet, dat geene te zien, daar uwe gedachten op speelen. De mindere geeft u meer vryheid: door de Cossische zyde kunt gy haar bezien, als ofze naakt waare, of’er iets aen haar’ beenen, iets aan haar’ voeten misstaa, en gy kunt haar middel met uwe oogen meeten. of wiltge liever dat men u laagen legge, en geld afeische eerge uwe waar eens gezien hebt? Gelyk een jaager door de dikste sneeuw vliegt, om een loopenden haas te achterhaalen, zo versmaadt hy den zelfden, als hy hem in zyn leger opstoot; dit is het deuntje der Liefhebberen, en zy besluiten: zo gaat het ook met myne Liefde; wat zy gemakkelyk krygen kan, verachtze; en vervolgt, wat haar onvlucht. Denkt gy door zulk een gezang uwe ongemakken te verminderen, en uwen boezem van dien brand en zwaare zorgen te bevryden? Is ’t niet beter, te onderzoeken, welk eene maat de Natuur aan onze begeerten gesteld hebbe? watze gemakkelyk, watze niet dan met smarte, missen kan? en een afscheidsel te maaken tusschen het weezendlyke en den schyn? als de dorst uw verhemelte en keel doet branden, moetge dan juist een gouden beker hebben, om uit te drinken? als gy rammelt van honger, moetge dan juist een paauw of een tarbot hebben, om u te verzadigen? en wiltge liever, wanneer uwe driften aan ’t gaan raaken, van verlangen sterven, dan u met een’ slaavin behelpen? Ik niet: want ik houd veel van gemakkelyke en licht te bekomene vermaakjes. Philodemus zegt, dat zy, die altyd praat: Wacht noch wat: Ik moet zo veel meer hebben: Als myn man uit is: goed voor de Gaulen is: voor zich zelven houdt hy meer van eene, die haare waar op geen al [p. 12] te hoogen prys stelt, en gereed is, wanneerze genoodigd wordt. Datze slechts blank zy, recht op haar lyf gaa, en zinnelyk voor den dag kome; alsze maar niet langer of blanker schynen wil, danze van natuure is. Als ik zodanig eene in myne armen mag drukken, is zy my eene Ilia, of eene Egeria; en ik geef haar de liefste naamtjes die ik bedenken kan. ook vrees ik niet, terwyl ik alleen by haar ben, dat haar man van zyn landgoed t’huys komen, de deur open geloopen worden; het gebas der honden my verklikken zal: ik ben niet bekommerd dat’er om mynent wil een oproer in huys veroorzaakt zal worden, dat myn schoone halfdood van het bed springe; dat onze vertrouwde dienstmaagd van droefheid beginne te weenen. neen; deeze hoeft voor haar ruggebeen, de vrouw voor haar huwelyksgoed, noch ik voor myn leeven te vreezen. Daar ’t ’er zo op aan komt, moet men barrevoets, en met den broek op de hielen, gaan loopen, om niet in de beurs, noch aan het lyf gestraft te worden, en om zyn goeden naam niet te verliezen Die betrapt worden zyn ongelukkig, en is’er iemand, die’er aan twyffelt, hy vraage ’t Fabius, die my gelyk zal geeven.


DERDE HEKELDICHT.

Hy hekelt die geenen, die, om hunne eigene gebreken niet
denkende, die van anderen berispen; en in hun vrienden
zelfs niets door de vingers konnen zien; en eindelyk de
Stoïschen, die voorgeeven, dat alle kwaad even groot is.

HEt is een’ gemeene ziekte onder de liefhebbers der Zangkunst, in ’t gezelschap van vrienden, noit te [p. 13] willen zingen. alsze ’er toe verzocht worden: ongevraagd, altyd te zitten neurien. Hierin muntte de Sardyner Tigellius uit. Cezar, die ’t hem hadt konnen gebieden, rechtte niets uit, als hy ’t hem, om de vriendschap zyns vaders, en om zyne eige verzocht. als hy’er lust toe hadt, zong hy, nu met eene doorklinkende, dan met een’ zachte stem, die zich lieffelyk onder het geluid van zyn snaartuig vermengde, Io Bacche! van dat het eerste gerecht opgezet, tot dat het laatste afgenomen werdt. Daar was niets in dien man, dat zich zelven gelyk was: dan liep hy eens, alsof hem de dood op de hielen volgde; dan tradt hy weder zo parmant, alsof hy belaaden waare met de heiligdommen van Juno: somtyds hadt hy tweehonderd, somtyds tien slaaven: nu sprak hy niet anders, dan van groote zaaken, van Koningen en Vorsten; dan weder; Ik zal altyd wel te vrede zyn, als ik slecht een drievoet tot myn’ tafel, een schulp tot myn zoutvat, en een’ ruige py hebbe, om my tegen de koude te dekken. Al hadtge deezen spaarzaamen man, die met zo weinig te vrede was, vyf en twintig duizend kroonen gegeeven, vyf dagen daarna zou hy weer even kaal geweest zyn: ’s nachts zat hy op tot het licht wierdt, en over dag lei hij te ronken. niets is zich zelf immer zo ongelyk geweest. Hierop zal my mogelyk iemand vraagen; Maar hoe staat gy’er meê? hebt gy uwe fouten ook niet? Zekerlyk; maar die van eene andere soort, en misschien van minder belang zyn. Wanneer Menius eens bezig was, met den afweezenden Novius lustig over den hekel te haalen, duuwde hem iemand van ter zyde toe: Eilieve hoor eens hier; kent gy u zelven niet? of denktge, dat wy u niet kennen, en gy ons alles op den mouw kunt spelden, watge [p. 14] wilt? Maar Menius antwoordde: Ik zie myne eigen gebreken over ’t hoofd? zodanig eene eigenliefde is dwaas, snood, en bestraffenswaardig. Daar gy uwe oogen toesluit, om uwe eigene misstallen niet te zien, waarom ziet gy op die van anderen zo scherp, als een Arend, of eene Epidaurische slang? doch al wat gy hiermede wint, is dat anderen weder de uwe zo veel te naarstiger onderzoeken. Hy is wat te licht geraakt; hy is weinig bekwaam, om met snedige breinen te verkeeren: men zou mogen lagchen, om dat hy zo slordig geschooren is, om dat zyn’ kleederen hem om ’t lyf hangen, ofze ’er om gegooid waaren, en zyn’ schoenen veel te groot voor zyn’ voeten zyn. maar hy is een eerlyk man, en zo hups als’er een op den aardboden leeft: hy is u een goed vriend; en bezit een groot verstand in zo ongeschikt een lighaam. Eindelyk bezie u zelven terdeeg, en onderzoek eens; of u geene fouten van natuure aangeboren zyn; en of gy’er geene door eene kwaade gewoonte aangenomen hebt: want distelen en doornen groeien in landen die niet wel bezorgd worden.
    Laat ons, eerwe verder gaan, eens overweegen, hoe een blinde minnaar door de mismaaktheden van zyn’ liefste bedroogen worden, jaze zelfs dikwils fraai vinden kan; gelyk Balbinus den neus van zyn’ Hagna, zo rykelyk met karbonkelen bezet, schoon noemt. ’t Waar te wenschen, dat men zulke dwaalingen in goede vrienden bespeurde, en men zouze billyk onder de deugden mogen plaatsen. gelyk een vader leeft met zyn zoon, dien hy om een klein gebrek niet zal haaten, zo behoorden wy met onze vrienden te leeven. Indien een zoon scheelziet, zyn vader zegt, dat hy lonkt; is hy een dwerg, als de ontydig geboren Sifyphus, hy noemt hem zyn kleintje; staan hem [p. 15] zyn’ beenen scheef onder ’t lyf, hy noemt hem Varus; steeken hem zyn’ hielen te veel uit, hy geeft hem vleiende den naam van Scaurus. Leeft iemand wat alte zuinig, men behoorde te zeggen, dat hy zyne zaaken wel aanlegt: is iemand op eene gemaakte wyze aardig, en beeldt hy zich wat meer in, dan hem toekomt, denk dat hy toonen wil wel opgebragt te zyn; is hy wat onbesuisd, en zegt hy wat meer, dan hem past, zie hem aan als eenen, die openhartig en onbevreesd is; is hy wat haastig, tel hem onder die geenen, die leevendig van aard zyn. Dit, dit is, naar myn oordeel, het beste middel om vrienden te maaken, en te bewaaren. maar wy smyten de deugden zelfs onder den voet, en doen ons best om vuil te maaken, wat uit zich zelf schoon is. Is’er iemand die vroom en oprecht met ons leeft, wy zeggen dat hy een man zonder geest is, een jabroer. zien wy een ander, die wat langsaam in zyn doen is, wy noemen hem een luyen vlegel. bevindenwe, dat iemand zich voor alle laagen te wachten weet, en zich voor zyne vyanden noit bloot geeft, (want wy leeven in eenen staat, daar de bitse nyd en alle zonden heerschen) in de plaatse van wys en niet onvoorzigtig, noemen wy dien man geveinsd en bedriegelyk. Is ’er een, wat eenvoudiger, en stoort hy iemand, die te leezen, of in gedachten zit, door eene ontydige aanspraak, gelyk my omtrent u, ô Mecenas, misschien nu en dan gebeurd is; wy zeggen, dat die man zyn natuurelyk verstand niet heeft. och! hoe lichtvaardige en verkeerde wetten maaken wy ons zelfs! want niemand wordt zonder fouten geboren: hy is de beste, die de minste begaat. ’t Is billyk, dat een goed vriend myne deugden tegen myne ondeugden opweege, en, ziet y dat ’er meer goed dan kwaad in my is, [p. 16] aan de beste zyde overhelle, indien hy zich bemind maaken wil: op die voorwaarde zal ik hem in de zelfde schaal weegen. Die eenen vriend verzoekt, dat hy zich aan zyne gezwellen niet stoore, zal een anders vratten ook niet zien: want het is redelyk, dat hy, die zelf om verschooning bidt, haar aan anderen niet weigere. Eindelyk, naardien de gramschap, en andere gebreken, die den dwaazen onafscheidelyk aankleeven, onmogelyk heel en al uitgeroeid konnen worden; waarom gebruikt de reden haar maat en gewigt niet, om op ieder misdaad zekere straf, naar der zelver grootheid geschikt, te zetten? Zo iemand een slaaf, belast zynde een schotel weg te draagen, wilde doen ophangen, omdat hy iets van ’t overschot van eenige visschen, en een weinig laauw sop, gesnoept hadt, zou hy van verstandigen niet dwaazer gehouden worden dan Labeo? hoeveel redenloozer en erger is het dan, indien een vriend iets tegen u misdreeven heeft, dat gy hem noodzaakelyk ten goede moet houden, tenzyge voor ongemakkelyk wilt doorgaan, hem daarom te haaten, en te myden; even als een schuldenaar zynen maaner Rufo; die, zoras de eerste dag van de maand verscheenen is, en hy zyn Capitaal, of de vervallen interesten, op de eene of de andere wyze, niet krygen kan, zyn ongelukkigen schuldenaar dwingt, met uitgestrekten halze, als een gevangen man, te luisteren naar het voorleezen van zyne pynelyke historien? zal ik, om dat een van myn’ vrienden, te veel gedronken hebbende, in zyn bed gepist; of eene oude kom, daar Evander zich wel eertyds van bediende, aan stukken laaten vallen; of, omdat hy hongerig een kuiken, dat voor my in den schotel lei, naar zich genomen heeft; zal ik daarom dien vriend met minder goede oogen aanzien? wat zal ik dan [p. 17] doen, als hy my bestolen, of een vertrouwd geheim ruchtbaar gemaakt, of eene plegtige belofte verbroken heeft?
    Die staande houden, dat alle kwaad even groot is, vinden zich zeer verlegen, als men de waarheid naauwkeurig wil onderzoeken: de zinnen, en de zeden stryden ’er tegen: ja, de nuttigheid zelve, de moeder van rechtvaardigheid en billykheid. Toen de allereerste menschen, een stom en onhebbelyk gedierte, uit den schoot des aardryks voor den dag kwamen, streeden zy voor hunne eikels en slaapplaatsen, eerst met nagels, toen met vuisten, naderhand met stokken, en vervolgens met wapenen, die hen de ondervinding leerde maaken; tot datze eindelyk woorden, om hunne gedachten uit te drukken, en naamen, om de zaaken te onderscheiden, uitvonden.* toen namen die wilde gevechten een einde; zy begonnen steden te bouwen, dieze met muuren omringden, en maakten wetten tot voorkominge van dievery, straatschendery, en overspel; want Helena is de eerste vrouw niet geweest, om wie men een bloedigen oorlog gevoerd heeft. daar zyn overspeelers voor haaren tyd geweest, die als wilde en woeste dieren hunnen driften den ruimen teugel vierende, gedood zyn van eenen sterker, die, als een stier onder de kudde, den meester speelde: maar hun naamen zyn met hunne lighaamen verdweenen. Indien gy de geschiedenissen der aloude en eerste tyden wilt naargaan, gy zult moeten bekennen, dat de wetten uit vreeze voor onrecht in de werreld gekomen zyn. en ofschoon de Natuur ons leert onderscheiden, wat ons goed en wat ons kwaad zy, wat men zoeken en wat men myden moet; zy kan ons evenwel niet leeren, waarin de rechtvaardigheid van de onrechtvaardigheid verschilt; noch de Reden zal ons over- [p. 18] tuigen, dat de misdaad van eenen, die eenige jonge planten in een andermans tuin uitgeroeid heeft, zo groot zy, als van dien, die by nacht den Tempel eener Godheid bestolen heeft. Daar zy dan een regel, volgens welken men de strafbaare, naar de grootheid hunner misdaad, kastyde; opdat men iemand, die slechts eene kleine geesseling verdiend heeft, niet half dood slaa. want ik ben niet ongerust, dat gy hem, die de zwaarste straf waardig is, met de lichtste zult vryhouden; dewyl gy zegt, dat een geringe diefstal, en ’t rooven op de gemeene wegen, even groote misdaaden zyn; en voorgeeft, dat gy de groote en de kleine overtreedingen met het zelfde staal uitsnyden zoudt; te weeten, zo ’t volk u koning maakte. Indien een wyze alleen ryk, alleen een goed schoenmaaker, alleen schoon, alleen Koning is, wat wenschtge dan naar iets, datge reeds hebt? Maar gy verstaat niet, zegtge, wat vader Chrysippus zeggen wil. schoon een wys man geen schoenen of muilen maakt, hy is evenwel een goed schoenmaaker. En hoe dat? Gelyk Hermogenes, schoon hy zwygt, echter een voortrefffelyk zanger is; gelyk de gaauwe Alfenus, schoon hy zyn winkel toesloot, en al zyn gereedschap weg smeet, echter een baardschrapper was; op die zelfde manier is een wys man een meester in allerleie handwerken; ja een Koning. Maar gy, ô grootste van alle groote Koningen, wordt langs straat van de speelende jongens bespot en uitgejouwd, enze zouden u, zo gy hen met uw stok niet afweerde, wel haast onder den voet dringen, terwyl gy staat en schreeuwt, en van boosheid stampvoet. Om ’t kort te maaken, terwyl gy, ô Koning, wiens gansche gevolg bestaat uit eenen dwaazen Chrispyn, gaan, en een oortje besteeden zult, om u te wasschen: zo zullen myne vrienden, indien [p. 19] ik onvoorzigtiglyk ergens in misdaan hebbe, my mynen misslag gulhartig vergeeven, en ik hun den hunnen niet verwyten. Aldus leef ik, een gemeen burger, veel gelukkiger, dan gy met uwen Koninglyken naam.


VIERDE HEKELDICHT.

Hy spreekt van zyn Hekeldichten: zegt dat hy minder scherp
is dan Lucilius, die de oude Blyspeldichters naarvolgde.
Waarom Hekeldichten weinig geleezen worden. dat hy
zonder kwaadwilligheid den menschen het kwaade
afraadt, en daartoe, op ’t voorbeeld zyns vaders,
somtyds eenigen, tot een voorbeeld, ten toon stelt.

EUpolis, Cratinus, Aristophanes, en andere oude Blyspeldichters, hekelden ieder, dieze dachten dat het verdiende, ’t zy hy een bedrieger, een dief, een overspeeler, een moorder, of anderszins kwaalyk berucht was, met de grootste vryheid der werreld. Anders vindt men ook niets by Lucilius, die deezen naarvolgde, veranderende alleen het soort van vaarzen, waar aan hy een byzonderen trant wist te geeven. hy was gesleepen van oordeel, maar hard en gedrongen van styl: want hierin hadt hy mis, dat hy zich verbeeldde, iets groots gedaan te hebben, als hy, op één been staande, in één uur, twee honderd vaarzen gemaakt hadt: maar hoe slechtze ook waaren, daar was altyd iets in, dat verdiende naargevolgd te worden. hy was ryk van woorden, en gaf zich geen tyd om te schryven: ik zeg om wel te schryven; want veel te schryven, is geen kunst. Maar zie daar, Crispyn wenkt my, en daagtme uit: Gaa zitten, gaa zitten, hebtge lust: [p. 20] dat men ons papier geeve, wachters noeme, plaats en tyd stelle, om te zien, wie van ons de meeste vaarzen kan maaken. Ik dank de Goden, datze my een klein en bepaald verstand, en geen grooten lust tot spreeken gegeeven hebben. maar gy, volg, zo lang ’t u belieft, den blaasbalg, die gestadig uitblaast alles wat hy inheeft, tot dat het yzer door het vuur week begint te worden. Gelukkig is Fannius, wiens werken en beeltenis het volk vrywillig in de Boekzaal van Apollo geheiligd heeft: terwyl niemand de mynen leest, en ikze in ’t openbaar niet opzeggen durf, omdat ik weet dat’er veelen zyn, wien myn soort van schryven niet behaagt. ’t welk nergens anders van daan komt, dan omdat ’er weinigen zyn, die niet somtyds verdienen, wat geroskamd te worden. Noem maar iemand uit den hoop, wienge wilt, hy zal, of van gierigheid, of van elendige staatzucht zwanger gaan: deeze is een minnaar van getrouwde vrouwen, die van schoone jongens: een ander is verliefd op den glans van zilvere, Albius op dien van kopere vaten: dees vliegt naar Oost en West, om zyne koopmanschappen te verwisselen, en wordt geslingerd door duizenden gevaaren, gelyk het zand dat op den oever der zee door den wind heen en weder gedreeven wordt, om van zyn Capitaal niets te verliezen; of om het, is ’t mogelyk, te vermeerderen. A1 dit soort van volk is bang voor vaarzen, en haat de Poëeten. Uit den weg! hy heeft stroo op zyn’ hoornen; hy zal, om eens te lagchen, zyn beste vrienden niet spaaren; en als hy maar iets op ’t papier geflanst heeft, hy zal niet rusten, voor dat het kinderen en oude wyven, ja de slaaven zelfs, van den bakoven en riviere wederkeerende, van buiten kennen, en zingen.
[p. 21]
    Maar staa my toe een woordje tot myn’verschooning te zeggen. Vooreerst tel ik my niet onder het getal van die geenen, die ik Poëeten noem. Want gy moet niet denken, dat het genoeg zy, om Poëet te weezen, een vaars op zyn’ voeten te konnen zetten; of te schryven, gelyk ik doe, in een styl, die byna de dagelyksche manier van spreeken gelyk is. Neen; hy moet een verheven verstand, eenen uitmuntenden geest, en eenen mond, die groote zaaken uitbrommen kan, bezitten, dien gy deezen eernaam met recht geeven zult. Hierom hebben eenigen getwyffeld, of het Blyspel een gedicht genoemd moet worden, of niet: want men vindt’er dien geest, en die kracht, noch in woorden, noch in zaaken; en het verschilt niet anders van de dagelyksche spreekwyze, dan omdat ieder regel op zekere voeten geschikt is. Maar men ziet’er dikwils een vader, die yverig en driftig is, omdat zijn zoon, op een’ hoer verzot, een eerlijk meisje, dat hem groot goed ten huwelijk zou meebrengen, weigert te trouwen; zich vol en zat zuipt, en (dat een groote schande is) by klaarlichten dag met flambouwen langs straat gaat. ’t Is zo; maar zou Pomponius, indien zyn vader leefde, die zelfde taal ook niet moeten hooren? ’t is dan niet genoeg, met ongezochte woorden een vaars te maaken, het welk, indien gy ’er de voetmaat van vernietigen wilde, niet verschillen zou van de taal, die een kyvende vader tegen zynen zoon gewend is te uiten. Indien gy zodanigen vaarzen, als ik tegenwoordig schryf, en als Lucilius voor deezen geschreeven heeft, hunne gezette toonen en wyzen ontneemen, het achterste voor, en het voorste achter plaatsen wilde, noit zoudt gy ’er de overblyfselen van een mishandelden Poëet in gewaar worden; gelyk in [p. 22] deeze, indien gy die op dezelfde wyze zoudt willen verschikken:

    Nadat de helsche twist zyn fakkel hadt ontstoken,
    En de yz’re deuren van den oorlog opgebroken.


Dit voor dees tyd: op een andermaal zal ik eens naauwkeuriger onderzoeken, of het Blyspel een rechtmaatig gedicht zy, of niet; nu alleen zien, of men met reden zo tegen deeze manier van schryven ingenomen zy.
    Sulcius en Caprius, die naarstige verklikkers, nu al heesch van hun schreeuwen, wandelen met hunne registers in de hand. de straatschenders beeven, als ze hen zien; terwyl een eerlyk man, die zyn’ handen onbesmet houdt, met hun lacht. of schoon gy de roovers Celius en Birrius gelyk zyt; zo lang ik de verklikkers Sulcius en Caprius niet gelyk ben, waarom vreest gy my? Men vindt myne werken in geen’ winkels te koop, noch aan pilaaren aangeplakt; zy worden niet gehandeld van het gemeene volk, noch van Hermogenes Tigellius; ik leesze voor niemand, dan voor myn’ vrienden, en dat noch meesten tyd gedwongen, niet overal, noch voor allen. Veelen zyn’er, die hun vaarzen op ’t midden van de markt opzeggen; veelen doen zulks in de baden; trouwens in een’ besloote plaats klinkt de stem wel eens zo aangenaam. dit is ’t vermaak van onbezonnen schryveren, die zich weinig bekreunen, ofze iets met oordeel doen, en of het te pas komt of niet. Hierop zegt men, dat ik vermaak vinde in anderen te beledigen, en ’er myn werk van maake. Wat reden heeftmen, om zulks van my te zeggen? is’er oit iemand geweest, met wien ik gemeenzaam verkeerd heb, [p. 23] die my zulks nagegeeven heeft? Die in het afweezen van zyn vriend kwaalyk van hem spreekt; hem niet beschermt, als hy van een ander beledigd wordt; die ieder wil doen lagchen, en den naam hebben, van aardige kwinkslagen voor den dag te brengen; die iets te verhaalen weet dat hy noit gezien heeft; die niet zwygen kan, wat hem onder vier oogen vertrouwd wordt; dat, dat is de man, die gevaarelyk is, en voor wien gy u, ô Romeinen, behoort te wachten. Daar twalef gasten aan tafel zitten, zal’er gemeenelyk een onder zyn. die niets zoekt, dan zich ten koste van alle anderen te vermaaken, niemand ontziende, dan wiens brood hy eet; tot dat de wyn, hem in ’t hoofd beginnende te loopen, zyn’ tong geheel los maakt, en hem alles doet zeggen, wat hy denkt. Zodanig een schynt u, die met geen’ gevaarelyke lui te doen wilt hebben, vriendelyk, aangenaam en openhartig; en ik, om dat ik met Rufillus, dien welriekenden, en met Gargonius, dien stinkenden, gescherst hebbe, schyn u nydig en bytende te zyn? Wanneer men in uw byzyn iets van den diefstal van Petillius Capitolinus rept, aanstonds stelt gy u, naar uw’ loffelyke gewoonte, voor hem in de bres: Capitolinus is van kindsbeen af myn beste vriend geweest; we hebben langen tyd te zaamen gegeeten, en hy heeft veeltyds iets op myn verzoek, en om mynent wil gedaan: ik verheug my dat hy veilig in de stad woont; hoewel ik niet begrypen kan, op wat wyze hy toen de handen van ’t gerecht ontkomen zy. Zie daar de kwaadspreekendheid met haare eige verf afgeschilderd; zie daar dat venyn, het welk ik beloof, zo ik iets van my zelven belooven kan, noit plaats in myne schriften, veel minder in myn harte, te zullen geeven. heb ik iets wat te vrypostig, wat te scherssende gezeid; [p. 24] het is een recht, dat ik hoop, datge my gunstig zult toestaan. Als myn eerelyke vader my vermaande, zuinig, sober, en met het geen hy gewonnen hadt vergenoegd, te leeven, was hy gewoon, en deeze gewoonte heb ik van hem overgenomen, my nu den eenen, dan den anderen ten voorbeeld te stellen, om my dat kwaad, dat hy wilde dat ik myden zou, leevendig te vertoonen: Zietge niet, hoe elendig de zoon van Albius tegenwoordig leeft? hoe arm Barus is? twee voorbeelden, bekwaam om iemand te leeren, de nalaatenschap zyner ouderen niet te verspillen. om my een afschrik te geeven van de schandelyke liefde eener hoere, wees hy my op Scetanus. om my de liefkoozeryen van getrouwde wyven te doen ontvluchten, wanneer ik geoorloofde vermaakjes krygen kon, zei hy; ’t Is niet fraai, dat ons zulk een gerucht naargaat, gelyk Trebonius, sints hy in overspel betrapt is. Een wysman zal u reden geeven, waarom gy het eene myden, het andere zoeken moet; my zal ’t genoeg zyn, zo ik u leeren kan, de zeden onzer voorouderen naar te volgen, en uw leeven en goeden naam schadeloos te bewaaren, zo lang gy een leidsman noodig hebt. wanneer de jaaren uw lighaam en uw gemoed versterkt zullen hebben, dan zultge op uwe eigen’ wieken moeten dryven. Door diergelyke woorden heeft hy my, noch een jongen, onderweezen. Als hy my iets belastte te doen, noemde hy my eenen der verkoorene Rechteren, en sprak: Deeze kan u tot een voorganger dienen. als hy my iets verboodt, zei hy; Kunt gy twyffelen, of dit te doen u nadeelig en schandelyk zou zyn, daar gy hoort, hoe kwaalyk men om dat zelfde van deezen en dien spreekt? Wanneer een afgesloofde zieke hoort, dat’er iemand in zyn’ buurt begraaven wordt, begint hy te vreezen, en [p. 25] wendt alle vlyt aan, om de dood te ontvluchten; zo worden de jonge gemoederen, door de schande van anderen, menigmaal van het kwaad afgeschrikt. Hierdoor ben ik verloscht van die gebreken, die gevolgd worden van een onherstelbaar verlies: kleiner, en die men lichtelyk door de vingers kan zien, heb ik nevens anderen; en mogelyk dat langheid van tyd, waarschouwing van ongeveinsde vrienden, en eigen onderzoek, my noch van veelen zullen ontdoen. want hetzy ik te bed legge, of my in de wandelgallerye verlustige, noit ben ik ledig. Dit is billyker; zo doende zal ik beter leeven; zo zal ik myn vrienden aangenaam weezen; dit is iemand kwaalyk bekomen, en zou ik zo onvoorzigtig zyn, van iets diergelyks te bestaan? Dit zyn de overdenkingen, die ik zwygende by my zelven maak. Als ik een uurtje leeg tyd heb, vermaak ik my met dichten; en dit is een van die kleiner en vergeeffelyke gebreken. Het welk zo gy my niet wilt toestaan, zo zult gy ten eerste een geheelen zwerm Poëeten op uw dak krygen; want wy zyn grooter in getal, dan gy wel denkt: en wy zullen u, gelyk de Jooden doen, zo parssen en aandringen, datge onze zyde wel haast zult moeten kiezen.


VYFDE HEKELDICHT.

Hy beschryft zyne reis van Rome naar Brundisium.

UIt het groote Rome vertrokken zynde, kwam ik in een’ gemeene herberg te Aricia; myn reisbroeder was de redenaar Heliodorus, de geleerdste onder alle de Grieken. hiervandaan kwamen wy aan de Markt van [p. 26] Appius, daar ’t krielde van matroozen, en bedriegelyke waarden. wy, den tyd aan ons zelfs hebbende, verdeelden onze reis in twee dagen; hoewel men ’t gemakkelyk in één doen kan. de Appische weg is vermaakelyk voor een reiziger, die geenen haast heeft. Hier zeide ik myn’ maag den oorlog aan, dewyl het water zo slecht was, dat ik ’t niet drinken kon; wachtende ondertusschen met ongeduld, tot myn’reisbroeders gegeeten hadden. Nu begon de nacht zyne schaduwen over het aardryk uit te spreiden, en den hemel met starren te bezaaien; als wy de jongens en de schippers elkandere wakker hoorden schelden en uitmaaken. Leg hier aan, riep’er een. Gy hebt’er al driehonderd in, schreeuwde een ander, al volks genoeg, ja de helft te veel. eer elk zyn’ vragt betaald hadt, en de muilezel voor de schuit was, was’er een geheel uur verloopen. de steekende muggen en zingende kikvorschen hielden ons den slaap uit de oogen. terwyl de jaager, een hartsterkingje genomen hebbende, en een der reizigers, om stryd, den lof hunner liefsten in de ope lucht uitgalmden; raakt het vermoeide gezelschap eindelyk in slaap. de jaager, zulks bemerkende, liet zyn ezel gaan graazen, na hy hem met de lyn aan een grooten steen vastgebonden hadt, en ging zelf, zo lang als hy was, leggen ronken. Nu was het reeds dag geworden, als wy zagen, dat de schuit stillei, en den ganschen nacht niet veel gevorderd was: aanstonds sprong’er een, die wel de heethoofdigste scheen te zyn, aan land, en beproefde de zwaarte van een willigen tak op kop en rug van den armen ezel, en zynen luien meester. eindelyk zetten wy ’s morgens omtrent tien uuren voet aan land, en waschten te Feronia onze monden en handen. wat gegeeten hebbende, deeden wy op ons gemak drie mylen af; en kwamen [p. 27] tot Anxur, ’t welk op een hoog gebergte, dat zich van verre wit opdoet, gebouwd is. Hier moesten de oprechte Mecenas en Coccejus in ’t kort mede komen; beide afgezonden om groote zaaken te verhandelen, en gewoon de verschillen tusschen goede vrienden in der minne by te leggen. hier streek ik myn’ loopende oogen met zekere graauwe zalf. ondertusschen komen Mecenas en Coccejus, en met hun Fontejus Capito, een man, daar niets aan ontbreekt, en de beste vriend, dien Antonius oit gehad heeft. Te Fundi hielden wy ons weinig tyds op, om niet lang gekweld te weezen met den Schout Aufidius Luscus; hartelyk om dien grootsen gek Iagchende, die, eertyds schryver geweest zynde, nu met een rok met purper geboord, en den Raadsheerelyken sluyer gaat, en een bekken met vuur voor zich laat draagen. Eindelyk kwamen wy in de * stad der Mamurraas, daarwe beslooten onze vermoeide leden wat uit te rusten, dienende ons Murena van zyn huis, en Capito van zyn keuken. De volgende dag was my de aangenaamste ter werreld; want tot Sinuessa gekomen, ontmoetten my Plotius, Varius en Virgilius, drie van de eerelykste lieden, die den aardbodem betreeden, en aan welke niemand meer verbonden is, dan ik. ô hoe vriendelyk omhelsden wy elkandere! hoe gevoelig was onze wederzydsche vreugd! zolang ik gezond van oordeel ben, zal ik niets by een lieffelyken vriend vergelyken. Den volgenden nacht bleeven wy in het posthuis, naast aan de Campaansche brug, slaapen, daar de bedienden ons, gelykze schuldig zyn, van vuur en zout voorzaagen. daarvandaan bragten onze muilezels ons intyds binnen Capua, daar Mecenas [p. 28] in de kaatsbaan speelen, Virgilius en ik slaapen gingen; want dat spel is niet goed voor iemand die met zeere oogen, of met een’ kwaade maag gekweld is. Vervolgens kwamen wy in een landhuis van Coccejus, boven de herbergen van Caudium gelegen, daar wy overvloed van alles vonden.
    O Zanggodin, verhaal my hier kortelyk den stryd tusschen den bootsemaaker Sarmentus, en Messius Cicirrus, en meld my, van welke ouders deeze helden geboren zyn. Messius leidt zyne afkomst af van de beroemde Osciers; en de vrouw, wier slaaf Sarmentus geweest is, leeft noch. zodanig was de geboorte van deeze twee, die moedig ten stryde kwamen. Sarmentus begon eerst, zeggende: Je ziet’er uit als een wild paard. Zulk een groet deedt ons lagchen, terwyl Messius zich in staat stelde om te antwoorden, en zyn hoofd schudde. Och! voer Sarmentus voort, wat is ’t goed, dat men u dien hoorn van den kop geslaagen heeft; hoe vreesselyk zoudt gy anders niet stooten, daarge, verminkt, noch zo vinnig dreigt? want Cicirrus hadt aan de linkezyde van zyn hoofd een groot lidteken, dat, met hair bewasschen, hem afschuwelyk maakte. voorts, hem lang over zyne Campaansche landziekte, en lelykheit, bespot hebbende, verzocht hy hem; dat hy een Cyclops wilde danssen, hem verzekerende, dat hy geen tooneellaarzen, noch momaanzigt, zou noodig hebben. Cicirrus liet dit niet onbeantwoord; maar vroeg hem, of hy, volgens belofte, zyn’ keten al aan de Huisgoden betaald hadt; daar by voegende, dat het recht zyner oude meesteresse op hem niet verminderd. schoon by schryver geworden was. eindelyk vroeg hy hem, waarom hy uit zyn dienst geloopen was, daar een pond graan daags [p. 29] immers eeten genoeg was voor een zo schraal en mager kareltje. aldus bragten wy deezen maaltyd met veel vermaak door.
    Hiervandaan begaven wy ons recht naar Beneventum, daar onze nyvere waard, terwyl hy eenige magere lysters aan ’t vuur hadt, zyn huis byna in lichten brand zag: want de vonken, in den vervuilden schoorsteen vuur gevat hebbende, begonnen boven het dak al aan te steeken. Toen zoudtge de hongerige gasten, en vreesachtige slaaven, om het zeerst de handen hebben zien roeren, om het eeten te bergen, en de vlammen te blusschen. Daarvandaan onze reis voortzettende, begonnen wy het gebergte van Appulie, dat door zynen landwind Atabulus verzengd wordt, en my zeer wel bekend is, van verre te onderscheiden; maar daar wy noit overgekomen zouden zyn, hadden wy ’t geluk niet gehad, van in ’t nabuurige stedeke Trivicum onder dak te raaken; schoon wy daar van den rook meenden te stikken, door het groen en vochtig hout, dat aan den haard lei te smeulen. Hier lei ik, zot als ik was, tot over midnacht te wachten naar de meid, die my beloofd hadt, te zullen bykomen: doch ik raakte eindelyk in slaap, en zag, droomende, den schyn van het geen ik, waakende, leevendig had meenen te zien. Daarvandaan reeden wy vier en twintig mylen ver, om in een klein * steedje, dat ik in myn’ vaarzen met zyn naam niet noemen, maar wel door tekens beduiden kan, te vernachten. ’t water, ’t geringste van alle dingen, wordt ’er voor geld gekocht: maar ’t brood is’er zeer goed, ja zo, dat de reizigers zich de moeite niet ontzien van ’er voorraad van op te doen, alsze naar Canusium gaan, [p. 30] welke plaats weleer van den dapperen Diomedes gebouwd is: want daar is het hard en steenachtig, en het water is’er alzo schaars, als daarwe van daan kwamen. Hier nam Varius, tot aller droefheid, zyn afscheid van ons. Vervolgens kwamen wy, vermoeid van een’ lange reis, dewyl de weg door een geduurigen regen geheel bedorven was, tot Rubi. ’s anderen daags hadden wy beter weer, maar een elendigen weg tot aan de poorten van het vischryke Barium. Vandaar kwamen wy tot Gnatia, een’ stad, die in den vloek der brongodinnen gebouwd schynt, daarwe ons vermaakten met de sprookjes, die ons de inwooners verhaalden; wantze wilden ons wysmaaken, dat de wierook aan den ingang des tempels zonder vuur begint te branden. Dat mag de Jood Apella gelooven; niet ik, die al geleerd heb, dat de goden een stil en gerust leeven leiden; en dat, zo de speelende Natuur al iets voor den dag brengt, waarover wy ons verwonderen, zulks ons niet van boven van de verstoorde goden toegezonden wordt. Brundisium was het einde van onze lange reis, en zal ’t mede van myn gedicht zyn.


ZESDE HEKELDICHT.

Van den waaren Adeldom. hoe hy by Mecenas in kennis
en in gunst gekomen is. van de voordeelen van zyn
stil leeven, de welke hy aan de goede zorg zyns
vaders zegt verschuldigd te weezen.

MEcenas, schoon niemand, onder alle de Lydiers van geheel Toskane, by u in adel te vergelyken is; schoon uwe voorouders, van vaders en moeders zyde, het gebied [p. 31] over geheele legers gevoerd hebben; ’t is evenwel uwe gewoonte niet, hoewelze gemeen is, op het gezigte van onbekenden, en zoonen van vryelingen, gelyk ik ben, uw neus op te haalen, enze met verachtinge aan te zien: want gy zegt, dat het weinig tot den persoon doet, wie zyn vader geweest is, indien hy slechts een eerelyk man zy. gy gelooft, en ’t is de waarheid, dat’er voor de heerschappy, en het onedele gebied van Tullius, veele braave mannen, wier voorouders men zo weinig kende, als ofze ’er noit geweest waaren, door hun vroom leeven, tot eer en staatampten verheven zyn. Daar in tegendeel Levinus, een nakomeling van dien dapperen Valerius, die Rome van de dwingelandye des trotsen Tarquyns verloscht heeft, als een onbekende en verachte wordt voorby gegaan van het volk, wiens aard gy kent; dat dikwils dwaasselyk een onwaardigen verheft, zich van gemeene geruchten leiden, en door eertitelen en beelden verblinden laat. Wat behooren wy dan te doen, die zo ver boven het gemeen verheven zyn? Want al is ’t, dat het volk liever een eerampt aan Levinus, dan eenen nieuwen Decius, zou willen geeven: al is ’t, dat de Tuchtmeester Appius my, uit geen vrygeboren vader gesprooten, beletten zoude, naar eenig aanzienelyk ampt te staan (en wel met reden, als die hooger zou willen vliegen, dan myne vleugels reiken konnen) evenwel leert ons de ondervinding dat de gloriezucht zo wel den onedelen, als den edelen, aan haaren blinkenden kar in triomf omvoert. Wat baat het u, Tillius, den breeden sluier ten tweedenmaale aangenomen te hebben, en Gemeensman te zyn? dit; datge nu benyd wordt, waarvange, stil leevende, bevryd zoudt geweest zyn. want zo ras iemand zich schoeien wil met [p. 32] zwarte broozen, die de halve beenen bedekken, en zich kleeden met den Raadsheerelyken sluier, hoort hy terstond rondom zich mompelen: Wat is dit voor een man? wie was zyn vader? gelyk iemand, die aan ’t zelfde euvel hinkt met Barrus, welke zich inbeeldt een schoon karel te zyn, daardoor de meisjes oorzaak geeft, om hem, waar hy gaat of staat, van het hoofd tot de voeten te bekyken, en zyn weezen, kuiten, voeten, tanden, hair en alles naauwkeurig in acht te neemen: zo geeft iemand, die zich aanstelt, als of hy de rust van de stad en haare burgeren, het Keizerryk, geheel Italie, en de Tempels der Goden wilde bezorgen, ieder gelegenheid, om op hem te letten, en te onderzoeken, wie zyn vader geweest zy, en of hy zyne moeder wel noemen durve. Durft gy, ô zoon van eenen Syrus, Damas, of Dionysius, durft gy een Roomsch burger van de rots werpen, of in de handen van Cadmus overleveren? Maar myn amptgenoot Novius is noch een trap laager in geboorte, dan ik; want hy is, het geen myn vader geweest is. schynt gy u daarom een Paullus of een Messala te zyn? maar hy zou zich, schoon’er tweehonderd wagens, en drie begraavenissen op de markt waaren, zo klaar konnen doen hooren, dat zyn’ stem alleen het geschal van trompetten en hoornen zou verdooven: en dat behaagt ons.
    Maar ’t wordt tyd, eens van my zelven te spreeken; van my, zeg ik, die de zoon ben van eenen vrygemaakten. Dagelyks duuwt my de een of de ander toe, dat myn vader een vrygemaakte geweest is: ze konnen ’t niet vergeeten; nu, omdat gy, Mecenas, my een’ plaats aan uwe tafel vergunt; eertyds, omdat ik ’t gebied over een’ bende soldaaten had. doch daar is een groot onder- [p. 33] scheid tusschen deeze twee redenen; want, schoon men my, en mogelyk met schyn van recht, het ampt van overste heeft konnen benyden, echter kan men my niet benyden, dat gy my onder uwe vrienden hebt willen tellen; voornaamelyk, omdatge, alle inzigten van eigen voordeel ter zyde stellende, niemand met uwe vriendschap vereert, dan dienge zulks gelooft te verdienen. Ik acht my gelukkig om ’t bezit van deeze vriendschap: maar myn geluk bestaat niet daarin, dat ik dat bezit by geval verkreegen hebbe. neen; ’t geval heeft geen deel gehad, in my by u bekend te maaken. eerst heeft u de oprechte Virgilius, naderhand Varius, gezeid, wie, en wat ik was. Toen ik de eerstemaal voor u verscheen, sprak ik weinig; want myne aangebore vreesachtigheid sloot my den mond. ik zocht u niet wys te maaken, dat ik de zoon van een groot heer was, noch dat ik op een Saturejaansch paard rondom myne landgoederen reed; maar zei u openhartig, wie ik was. gy antwoordde my, volgens uw’ gewoonte, met weinig woorden; en daarop vertrok ik. negen maanden daarna ontboodt gy my weder, en stelde my onder ’t getal van uwe vrienden. Dit acht ik iets groots te weezen, dat ik u, die een onderscheid tusschen het eerelyke, en het schandelyke weet te maaken, heb konnen behaagen; niet door myne geboorte, maar door myn onbesproken leeven, en zuiveren wandel. Dat my van natuure alleen eenige weinige en middelmaatige gebreken overgebleeven zyn, anderszins rein en onbesmet (even als eenige kleine vlekjes in een schoon lighaam) dat men my met geen recht van gierigheid, vuile ontuchtigheden, noch schelmstukken beschuldigen kan; dat ik een zuiver en onschuldig leeven leide, gelyk ik my beroemen durf; en de ge- [p. 34] negenheid myner vrienden weet te bewaaren: hiervoor heb ik niemand te danken, dan mynen vader; die, sober leevende van een klein stukje lands, my niet school wilde laaten gaan by Flavius, daar de zoonen der grootste hoplieden, met hunne schryfkasjes en penningen onder den linken arm, naar toe vloeiden, om wel te rekenen, hoe veel interest men op de helft van ieder maand van zyn geld trekken kan: maar hy verstoutte zich, my, in myne eerste jeugd, naar Rome te brengen, om die kunsten en weetenschappen te leeren, waarin Ridders en Raadsheeren hun eigene zoonen laaten onderwyzen. Die myne kleeding en gevolg van slaaven aanschouwden, gelyk zulks in eene volkryke stad, als Rome, van veelen gedaan werdt, moesten gelooven, dat myne voorouders my groot geld nagelaaten hadden. onder ’t opzigt van welke meesters ik was, hy zelf liet noit zyn waakend oog van my afgaan. Om kort te gaan, hy heeft my de eerbaarheid, het sieraad aller deugden, zo wel ingeprent, dat ik my niet alleen van alles wat schandelyk was, maar zelfs van al wat’er naar geleek, gewacht hebbe: hy was niet beducht, dat men kwaalyk van hem gesproken zou hebben, schoon ik, in vervolg van tyd, als roeper, of (dat hy zelf geweest was) als gadermeester, met een klein winstje te vrede had moeten zyn; en ik zelf zou’er my niet van beklaagd hebben: en hierom ben ik hem tegenwoordig te grooter lof en dank schuldig. zolang ik gezond van harssenen ben, zal het my noit leedweezen, zulk eenen vader gehad te hebben; en ik my noit verdedigen met het zeggen van den grootsten hoop; die voorgeeven, dat hun groot ongelyk geschied is, om dat zy uit geene vrygeborene noch doorluchtige ouderen gesprooten zyn. myn’ woorden en [p. 35] redenen verschillen veel van diergelyke. Want zo de Natuur eens geboodt, den voorleden tyd, van zekere jaaren af, weder te hervatten; en dat elk zich ouders zoude uitkiezen, naar maate zyner opgeblaazenheid: hoedanige anderen voor zich zelfs ook wenschen mogten; ik, met de mynen te vrede, zou’er geene begeeren, die om hunne bondels en stoelen van staat geëerd werden; dwaas, naar het oordeel des volks, doch misschien wys, naar het uwe; dat ik geen pak, ’t welk my door ongewoonte mogelyk zou doen bezwyken, op mynen hals zou willen laaden. want dan zou ik genoodzaakt weezen, aanstonds grooter middelen byeen te zamelen; by deezen en geenen myn hof te gaan maaken; altyd den een of den ander by my te moeten dulden, zodat ik noit alleen noch naar myn landgoed, noch elders, zou konnen gaan; meer knechts en paarden den kost te geeven, en wagens gereed te hebben. Zynde die ik ben, heb ik de vryheid, om op myn ezel, dien ik de schouderen, en dien myn reiszak de lendenen drukt, te ryden, waar het my lust, al wilde ik heel naar Tarentum gaan. My zal men noit zulke stukjes verwyten, als men u doet, schout Tillius, wanneer u op den weg naar Tibur vyf slaaven, met potten en wynkruiken, achteraan volgen. om deeze en duizend andere zaaken, leef ik veel gemakkelyker dan gy, ô beroemde Raadsheer. Ik gaa my in eenzaamheid vertreeden, waar ’t my lust; ik vraag naar den prys van groente en koren: dikwils vermaak ik my in het Renperk, daar ’t krielt van bedriegers; of gaa ’s avonds op de markt wat wandelen. en luister somtyds wel eens naar de sprookjes der waarzeggeren. Als my dat verveelt, gaa ik naar huis, daar ik myn maaltyd doe met een schoteltje prei, en cicers, [p. 36] en een gebakje toe: dit wordt my door drie slaaven opgedischt. naast my staat een marmere tafel, met twee bekers, en een schenkkan; hier nevens een slechte spoelbak, een oliekruik, en een drinkschaal; Campaansch maaksel. vervolgens gaa ik slaapen, niet zwaarhoofdig, omdat ik ’s morgens vroeg ten bedde uit moet, om my te vervoegen by het beeld van Marsyas, uit wiens oogen te zien is, hoe node hy ’t gezigt van den jongsten Novius verdraagt. omtrent tien uuren verlaat ik myn boekvertrek, gaa wat wandelen, en vermaak my in eenzaamheid met het geene ik geleezen, of geschreeven hebbe. voorts zalf ik my; maar niet met lampolie, gelyk de morssige Natta. Als de zon, hooger klimmende, begint te steeken, verlaat ik het veld en het kaatsspel, en begeef my naar ’t bad. een weinig gegeeten hebbende, niet gulzig, maar alleen zo veel als ik noodig heb, om den dag met geen’ leege maag te verslyten, rust ik, en beschik wat’er te doen is omtrent myne huisselyke zaaken. Zo leevenze, wier zielen door geene elendige staatzucht gepynigd worden. En ik troost my hiermede, dat ik, op die wyze, een aangenaamer leven leide, dan of myn grootvader, vader of oom schatmeester geweest waare.


ZEVENDE HEKELDICHT.

Beschryving van den twist tusschen Rupilius en Persius.

OP hoedanig een’ wyze de tweeslachtige Persius zich van den laster en scheldwoorden van de verweezen Rupilius, den Koning genaamd, gewroken hebbe, is nu, geloof ik, in alle barbierswinkels en allen zeerogige bekend. Deeze [p. 37] Persius, die veel geld hadt, en sterk op Clazomene handelde, hadt een’ groote moeilykheid met Rupilius. hy was een ongemakkelyk mensch, en in zyn haat noch onverzoenelyker, dan de ander, vol inbeelding, opgeblaazen, en zo scherp van tong, dat hy de Sisennaas en Barrussen met witte paarden voorby vloog. Ik keer weder tot onzen Koning. Deeze twee, elkandere niet konnende verstaan (want dit hebben de schreeuwers met de dapperste helden gemeen, datze, eens een’ zaak opgevat hebbende, die zelden laaten glyden. Tusschen Hector, Priamszoon, en den moedigen Achilles, was een zo doodelyke haat, dat’er geen’ verzoening te wachten was, zo lang alsze leefden; om geene andere reden, dan omdatze beide in dapperheid uitmuntten. wanneer een bloodaard met een bloodaard, of een stoute met een vreesachtigen, verschil heeft, als, by voorbeeld, Diomedes met den Lyciaanschen Glaucus, zal de zwakste den stryd eerst staaken, en zyn tegenstreever met geschenken zoeken te bevredigen) deeze Rupilius en Persius, zeg ik, kwamen, in dien tyd, toen Brutus stedehouder in Azie was, met een zo gelyken moed ten stryde, dat Bithus en Bacchius noit paller tegen elkandere stonden. vol vuurs kwamenze beide voor het recht, en verstrekten den toekykeren een vermaakelyk schouwspel. Persius doet een voorstel van de zaak, en wordt van de gansche vergadering uitgelagchen. hy pryst Brutus, en zyn volk: Brutus, zegt hy, is de Zon, zyne vrienden, de starren van Azie, den Koning hier niet onder gerekend: deezen noemt hy den Hond, voor wien de landluiden gruwen. Zyn’ woorden vloeiden, als een driftige stroom in den winter, aan wiens boorden weinig hout te hakken valt. Op deeze scherpe en voorthollende [p. 38] redenen van Persius antwoordde de Prenestyner met de sierelyke welspreekendheid van eenen plompen en halstarrigen wynleezer, tegen wien geen voorbyganger, hem met den naam van koekkoek begroetende, het in schelden kan uithouden. Maar de Grieksche Persius, lustig op zyn Italiaansch over den hekel gehaald, borst eindelyk in deeze woorden uit: Ik bid u, in aller Goden naam, Brutus, die gewoon zyt den Koningen de wieken te fnuiken, waarom helpt gy deezen Koning niet mede van kant? geloof my, dit is een werk, dat u toekomt, en voor u bewaard is.



[...]

Continue



B. Huydecoper: Hekeldichten, brieven en dichtkunst (in dichtvorm). Amsterdam 1737.
Gebruikte exemplaren: BL 11355 G 6; UBL 1204 A 8.



[fol. *1r]

HEKELDICHTEN

BRIEVEN

EN

DICHTKUNST

VAN

Q. HORATIUS FLACCUS

In Nederduitsche vaarzen overgebragt

DOOR

B. HUYDECOPER.

[Vignet: portretmedaillon van Horatius]

t’AMSTERDAM,

          By  {d’ERVEN J. RATELBAND en COMPAGNIE,
en HERMANUS UITWERF,
}  1737.         


[fol. *1v: blanco]
[fol. *2r-***2v: voorwerk]
Continue
[p. 1]

HEKELDICHTEN

VAN

Q. HORATIUS FLACCUS.

EERSTE BOEK.
_______________________________

EERSTE HEKELDICHT.

WAt mag de reden zijn, Mecenas, dat geen mensch
Vernoegd is met zijn’ staat; ’t zij hy dien naar zijn’ wensch
Heeft uitgekoozen, ’t zij toevallig aangeslagen?
Elk, dien van andren prijst? Nu hoortge een’ Krijgsman klaagen,
(5) Die, als hy, oud en zwak, ’t geleeden leed beseft,
’t Geluk des Koopmans tot den hemel toe verheft.
Dan roept een Koopman weer, als hem de holle baaren
Nu doen tot aan ’t gestarnte, en dan ten afgrond vaaren;
Gelukkige Soldaat! die, in den grootsten nood,
(10) Een blijde zege vindt, of eene korte dood!
Een Rechtsgeleerde, als hy door een’, die raad komt vraagen,
Ten bedde uit wordt geklopt, zo ras ’t begint te daagen,
[p. 2]
Denkt: Hoe gelukkig leeft een Boer op ’t eenzaam land!
De Boer, als hy zijn vee ter markt drijft; met zijn hand
(15) Den riem in ’t water ploft; of, op zijn kar gezeten,
Door dik en dun rijdt, en zijn beestjes vast ziet zweeten,
Roept: Hoe gelukkig leeft een Burger in de stad!
Zo scheelt’er, alsge ziet, aan yder altijd wat.
Zo ik u alles, watmen hieromtrent kan zeggen,
(20) In orde, en achtereen, doen zien, en uit wou leggen;
De dag viel my te kort. maar hoor; hier wilde ik heen.
    Zo een der goôn dit volk eens aansprak in dees reên:
Welaan! ik ben gereed, te doen, wat gy begeerde.
Soldaat, gy zult voortaan een Koopman; Rechtsgeleerde,

(25) Gy zult een Landman zijn. Valt u uw lot te kwaad,
Gaat, ruilt nu onderling, en wisselt uwen staat,
Zo als gy ’t goedvindt, naar uw eigen welbehaagen:
Maar wacht u, na dees tijd, my weer aan’t hoofd te klaagen.

Wat, denkt gy, zouden zy toch doen, na deezen raad?
(30) Net als te vooren; zich beklaagen van hunn’ staat.
Ondankbaaren! die steeds gelukkig wenscht te leeven;
En vaak de middelen, u aan de hand gegeeven,
Verwaarloost en verzuimt! wat klaagt, wat zuchtge toch?
Gy wet de gramschap van Jupijn door dit bedrog,
[p. 3]
(35) Die zijn getergd geduld in ’t einde moet verliezen,
En mooglijk u hierna niet weer zal laaten kiezen.
    Maar zienwe eens verder in het doen van deezen hoop:
(Opdat ik deeze stof niet lagchende doorloop,
Gelijk een beuzeling. nochtans, wat kan ons hindren,
(40) De waarheid lagchende te zeggen? ’k Zie, dat kinderen,
Wanneer hun meester hun wat zoets steekt in de hand,
Zich oefnen met meer vlijts: zo zal een rijp verstand
De nutste lessen eer aanneemen, meerder achten,
Indien een lagchend woord haar strengheid kan verzachten.
(45) Nu lust my ’t lagchen niet; maar, met meer ernst en vlijt,
Te zien, waar toch de mensch naar zoekt, en wat hy mijdt.)
    Matroos, gewoon op zee de werreld door te vliegen;
Een waard, die, zo hy kan, geen mensch niet zal bedriegen;
Een landman, die den ploeg al zweetend volgt, en stuurt;
(50) Een krijgsman, die in ’t veld en hitte en kou verduurt;
’t Spreekt al uit eenen mond: en elk zal u verhaalen,
Hoe hy dien arbeid, al die zorgen, al die kwaalen,
Verdraagt, alleen op hoop, van, in zijn’ ouden dag,
Te vinden eene rust, die hy noch nimmer zag.
(55) De Mier (zo spreeken zy, en al wie met my oordeelt,
Is ’t met hun eens, en neemt genoegen in dit voorbeeld)
[p. 4]
Hoe klein van lighaam, slaaft den ganschen zomer sterk,
Is onophoudelijk, en onvermoeid, in ’t werk,
Sleept, wat zy sleepen kan, naar heur verborgen holen,

(60) Daar zy den winter slijt voor ons gezigt verschoolen.
Dan leeft zy, schoon de sneeuw het aardrijk gansch bedekk’,
Van haaren arbeid, en lijdt geenes dings gebrek.

Een leerzaam voorbeeld, zo gy ’t wel wist toe te passen.
Dees Mier, die ’s zomers werkt, voelt naauwelijks de plassen
(65) Des regens in den herfst, des winters bode, of geeft
Zich in haar hol, daar zy van ’t eensvergaarde leeft,
En niet naar meerder zoekt. daar gy, hoe hoog van jaaren,
Hoe veel gy in uw jeugd reeds wist byeen te gaaren,
U noit tot rusten kunt begeeven, noit vernoegd;
(70) Altijd naar meerder tracht; geduurig slaaft, en zwoegt;
En water, vuur, noch staal ontziet, om, kon ’t geschieden,
Den allerrijksten zelf in rijkdom ’t hoofd te bieden.
Wat is u toch een schat van goud of zilver waard,
Dienge, als een dief, bevreesd verborgen hebt in de aard?
(75) Gebruiktge uw geld, zo vreestge uw’ rijkdom te verslinden:
Maar, zoge ’t niet gebruikt, wat kuntge ’er schoons in vinden?
Schoon ’t kooren, dat gy maait, het gansche land kan voên,
Wat heeft toch uwe maag meer dan de mijn van doen?
[p. 5]
Gy zijt den slaaf gelijk, die hijgen gaat en zweeten,
(80) En bukken onder ’t pak van brood, en ander eeten,
Waarvan hy evenwel, hoe hem die moeite plaagt,
Niet meer genots heeft, dan zijn makker, die niets draagt.
Maar ’k bid u, zeg my eens; wat kan het hun toch scheelen,
Die eeten, als ’t hun lust, en noit, met drooge keelen,
(85) Verlangen naar een’ dronk van water, of van wijn;
Of zy tien morgen lands, of duizend, meester zijn?
Ik weet het wel, het is vermaakelijk voor oogen
En handen, in het goud tot aan zijne elleboogen
Te tasten, schoonmen maar een’ stuiver heeft van doen.
(90) Maar wijl mijn middelmaat my al zo wel kan voên,
Als u uw overvloed; waarom is ’t aangenamer,
Uit ruime schuuren, dan slechts uit eene enge kamer,
Of kelder, ’t noodige te haalen? Alsge in ’t veld,
Vermoeid door ’t gaan, van dorst en hitte wierdt gekweld,
(95) Zoudt gy een kleine beek voorbijgaan, en u pressen,
Om in een’ grooten stroom uw’ dorst te mogen lesschen?
Ja: dit is de oorzaak, dat zo menig, die begeert
Meer, dan hy noodig heeft, of zijn natuur ontbeert,
Met oever, land, en al, in eenen draaikolk zinken,
(100) En in den woênden stroom elendig moet verdrinken:
[p. 6]
Daar hy, die niet meer neemt, dan ’t geen hy noodig heeft,
Noch troebel water drinkt, noch in het water sneeft.
    Maar ’t grootst gedeelte van de menschen, ingenomen
Door een verleidende begeerte, en valsche droomen
(105) Van zwakke harssens, zegt: Niets is genoeg, nu elk
Geschat wordt, naar het geld dat hy bezit.
Met welk
Een rede zult gy toch dat volk tot reden brengen?
Laat, laatze loopen: wil u niet met hun vermengen.
Daar is geen helpen aan. dwaas zijnze, en willen ’t zijn.
(110) Hun hart is reeds te diep doorkankerd van ’t venijn.
Zy zijn gelijk die vrek, daar elk te Athene om lachte,
Doch die op deeze wijs den praat van ’t volk verachtte:
Dat my het volk belagche, en schimpe naar zijn’ lust.
Als ik mijn’ rijkdom zie, dan is mijn hart gerust.

(115) O! ’t geld, dat scho