Anna Corver-van Hattum: Cenie blyspel. Amsterdam, 1760.
Naar Cénie, pièce dramatique en cinq actes et en prose; par
    Madame de Grafigny
(1750) van Françoise d’Issembourg
    d’Happoncourt de Graffigny
.
Uitgegeven door drs. G.C. van Uitert.
Red. dr. A.J.E. Harmsen, Universiteit Leiden.
Ceneton020600Facsimile bij Ursicula en bij google.books
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.
Continue
[
fol. *1r: frontispice]

CENIE
BLYSPEL.

[fol. π1v: blanco]
[fol. *1r]

CENIE;

BLYSPEL.

Gevolgt naa het Fransche van Madame

D’HAPPONCOURT de

GRAFIGNY.

[Vignet: De Byen storten hier het eêlste dat zy lezen,
om de oude Stok te voên, en de ouderloze Wezen.
N. v. Frankendaal fecit, 1760.]

TE AMSTELDAM,

By IZAAK DUIM, Boekverkooper op de hoek van de Voorburgwal en Stilsteeg, 1760. Met Privilegie.



[fol. *1v]

TOT DE

AANSCHOUWERS.

Beschouw! deez’ Zwaanenzang van CORVERS Echtgenoot:
    Die, in de bloey’ des tyds, verslonden door de dood,
Van Amstels Schouwtoneel, t’ontydig is verdweenen:
    Dus zy haar naam en konst, (schoon ’t Lichaam legt in ’t graf)
(5) De onsterflykheid gewyd, die ’t Blyspel leeven gaf,
    En op het Treurtoneel al weenende deed weenen.
ZO LEEFT MEN NA DE DOOD.



[fol. *2r]

[Gravure: graftombe met opschrift:]

VIVIT INGENIO
CAETERA MORTIS
ERUNT.

                AAN DE
            E: E: HEEREN,
 Mr. JAN FREDRIK BEREWOUT,
        JAN BAPTIST VAN RENSELAAR,
        JACOB GUILLOT,
        CORNELIS VAN ROYEN,
        CORNELIS JACOB VANDER LYN,
        JOAN SERVAAS LYNSLAGER.
            Regenten van het Burger-Wees-Huis:

[fol. *2v]

Mr. JAN JACOB HARTSINCK;
Mr. JACOB DE LEEUW,
Mr. PELGROM TEN GROOTENHUYS
            BOENDERMAKER,
Mr. HENRICK BACKER.

Regenten van het Oude-Mannen- en Vrouwen-
Gasthuis, en, in die hoedanigheid, gezaamentlyk,
Regenten van den Schouwburg te Amsteldam.

MITSGADERS

DE HEEREN,

                        JAN DE MARRE,

                                        EN

                        WILLEM JACOB VONCK.

Op uwe alombekende aangeboorne Edelmoedigheid steunende, verstoute ik my nederig te verzoeken, dit nagelaate papiere Wees-Kind myner overledene Huisvrouw in UEd: genadige hoede te willen neemen. Waar zoude het tegens de bitsche Nyd, beter schuilplaats kunnen vinden, dan by rechtgeäarde en liefdadige Bezorgers van Wees en Ouden Stok, en by Aankweekers en Bevorderaars der Taal- en Dicht-Kunde? De Onnooz’le CENIE, on- [fol. *3r] der het Opzicht van zodanige Vaders gekweekt wordende, roemt in haar ongeluk op haare Beschermers, wel verzekert zynde dat de Laster op haar niets zal vermogen, en wenscht dat de Vertooning van haare rampspoeden eenig voordeel aan de Ouden en Ouderloozen, en genoegen aan den Aanschouwer mag toebrengen.
 UEDL: Onderdanige Dienaar,

M. CORVER.



[fol. 3v]

VOORREEDE.

    Die wyslyk ieder een toelaten kan wat wils,
    Die houd zig zelfs gerust, en voorkomt veel geschils.


                                    ROEMER VISSCHERS Zinnepoppen,
                                                    2. Schok, 1. Zinnepop.
Misschien zal het iemand vreemt voorkomen, dat wy het Tooneelstuk Cenie, van Madame de Happoncourt de Grafigny in prose op het Nederduitsch Toneel te voorschyn brengen: een nieuwigheid die mooglyk stuyten zal aan de kiesche ooren der liefhebberen, die verlekkert zyn op gladde en schelklinkende Vaerzen; maar als de goedgunstige Leezer gelieft te overweegen, dat een Toneeldichter zig meer moet bevlytigen, om het gemoed van den Aanschouwer te raaken, dan om door een hoogdravende of zoetvloeijende zangtoon enkel zyn gehoor te streelen, en dat dierhalven, hoe waarschynlyker en natuurlyker een Blyspel kan vertoont worden, hoe het kragtiger op het gemoed werkt: zo twyfel ik niet of hy zal my toestaan, dat zulks beter in Prosa dan in Dichtmaat kan geschieden, waarom het ook reeds voor lang by alle Natiën daar ’t Toneelspel bekend is, in gebruik is gebracht.
    Niemant verbeelde zig dat ik verwaantheid genoeg bezitte, om alle Blyspeelen in Dichtmaat te verachten en af te keuren: neen! in tegendeel, ik acht die Dichters de hoogste lof en achting waardig, wier Vaerzen kragtig, onbedwongen, op een levendige wyze ons de Caracters en Hartstochten afschilderen, zig zelven altoos gelyk, na de stoffe geschikt, en met dezelve een [fol. *4r] nette overeenkomst hebben. Maar hoe weinige zyn ’er, die het toegestaan word na Corinthen te gaan, want om hier in wel te slagen, word een sterke verbeeldings kragt, taalkundige rykheid en zuiverheid van woorden vereischt, welke niet dan door een onvermoeide arbeid, en langduurige bevlytiging verkreegen worden. Om dierhalven dit Fransche Tooneelstuk, (waar in de Caracters en Hartstochten, onzes oordeels zo krachtig zyn afgeschildert) door zwakke of lamme Vaerzen, niet van zyn natuurlyk schoon en kracht te ontblooten, heeft men goedgevonden het zelve in onrym ten Schouwtoneele te voeren, wenschende dat het genoegen mag geeven: en zyn ’er eenige Aanschouwers, die op de streelende taal der Zanggodinnen zodanig verlieft zyn, dat zy geen prose op het hooge Toneel mogen hooren, deze bid ik te denken, dat ’er ook lieden van een andere smaak zyn, en dat men, gelyk de oude Hollandsche dichter Roemer Visscher zegt, elk wat wils dient te geeven.
    Moogelyk zal het ook naaukeurige Taalkenners niet wel gevallen, dat er eenige onduitsche woorden in dit Stukje worden gevonden, dog ik oordeele beter my klaar en kragtig te verklaren in onduyts, ’t geen door het dagelyks gebruyk en conversatie in onze Taal ingelyft en als gewettigt is, dan door styve en gedwongene woorden my krachteloos of onverstaanbaar te maken, my dekkende met het gezag van den verstandigen Heer van EFFEN, Schryver van den Hollandschen Spectator, 1. Deel, N. 3, 5, 16.
    My is ook reeds voorgekomen, dat zommige keurige [fol. *4v] Toneel-Beminnaars niet gevoeglyk oordeelen, dat de Rol van CENIE door een Meisje van 10 Jaaren zoude uitgevoert worden, wyl het geen Taal voor zo een jong Kind is, dog hoope dat die Liefhebbers hier in dezelve goedgunstigheid zullen betonen, die niet geweigert word aan andere Toneelspeelders, welke schoon 50. of meerder Jaaren oud, de Caracters van jonge Minnaars en Minnaressen verbeelden, dit is een zaak waar in men aan het Theater kan toegeeven.
    Ziet hier, goedgunstige Leezer, het geen ik noodig oordeelde UEd. te berichten; ik hoope dat de Aanschouwer zal considereeren, dat deeze overzettinge, het proefstuk en met een de Zwaanenzang van een jonge Actrice, myne dierbaare overledene Huysvrouw is: had de Hemel haar langer leven vergunt, mooglyk zou het meerder beschaaft voor den dag gekomen zyn, en haar tot groter en moeilyker Werken opgeleid hebben. Ik beveel het in uwe gunst, hopende dat de uitvoering UEd. mag overtuigen, dat de Nederlandsche Speelders en Speelsters, niet minder dan de Fransche in staat zyn de Harten der aanschouweren te beweegen, en dus hunne achting en gunst te verdienen, welke ik my altoos zal trachten waardig te maken.

 UEd: Onderdanige Dienaar,

M. CORVER.



[fol. *5r]

COPYE

VAN DE

PRIVILEGIE.

DE Staten van Holland ende Westvriesland*doen te weeten: alzo ons te kennen is gegeeven by de Regenten van het Wees-en Oude Mannenhuys, der Stad Amsterdam, en in die qualiteiten te samen Eygenaars, mitsgaders Regenten van den Schouwburg aldaar; dat zy Supplianten, eenige Jaaren hebben gejouïsseert van ’t Octroy by ons den 27 May van den Jaare 1728. als meede van de pronlongatie van dien den 6 December 1742. aan de Supplianten verleent, waar by wy aan de Supplianten, goedgunstiglyk hadden geaccordert en geoctroyeert, om nog voor den tyd van vyftien agter een volgende Jaaren, de Werken, die ten dienste van het Toneel reets waren gedrukt; en van tyd tot tyd nog verder in het licht gebragt, en ten Tooneele gevoert zoude mogen werden, alleen te mogen drukken, doen drukken, uitgeeven en verkopen, dat de Jaren, by de voorsz. prolongatie van ’t gemelde Octroy of Privilegie vervat op den 6 December van deezen Jaare 1757. stond te expireeren; en dewyl zy Supplianten ten meesten dienste van de Schouwburg, (waar van hunne respective Gods huyzen onder andere meede moeten werden gesustenteert, de voornoemde Werken, zo van Treurspellen, Blyspellen, Klugten; als anders, die reets gedrukt, en ten Toneele gevoert zyn, of in het toekoomende gedrukt, en ten Toneele gevoert zoude moogen werden, gaarne alleen, gelyk voorheenen, zouden blyven drukken doen dukken, uitgeeven en verkopen, ten einde dezelve Werken, door het nadrukken van anderen, haer luister, zoo in taal, als spelkonst, niet mogten komen te verliesen, en dewyle haar Supplianten, zulks na de expiratie van de voornoemde prolongatie van ’t voorsz Octroy, niet gepermitteert was; zoo keerden de Supplianten haar tot Ons, reverentelyk verzoekende; dat Wy aan de Supplianten, in haar voorsz. qualiteyt, geliefden te verleenen prolongatie van het voorsz. Octroy, om de voorsz. Werken, zoo van Treurspellen, Blyspellen, Kluchten, als anders, reets gemaakt, en ten Toneele gevoert, of als nog in het ligt te brengen, en ten Toneele te voeren, nog voor den tyd van Vyftien eerstkomende, en agter een volgende Jaaren, alleen te mogen drukken, en Verkoopen, of te doen drukken, en Verkopen, met verbod aan alle andere op zeekere hooge Poene by Ons daar tegens te Statueeren, daar van te verleenen Octroy in forma; ZO is ’t dat Wy, de Zaake ende ’t voorsz. verzoek overgemerkt hebbende, ende genegen wezende, ter beede van de Supplianten, uit Onze regte wee- [fol. *5v] tenschap, Souveraine magt en authoriteit, dezelve Supplianten geconsenteert, geaccordeerd en geoctroyeert hebben, consenteeren, accorderen ende octroyeren, haar by deeze, dat Zy, geduurende den tyd van nog Vyftien eerst achter een volgende Jaaren, de voorsz. Werken, in diervoegen,*als zulks by de Supplianten is verzogt, en hier vooren uitgedrukt staat, binnen den voorsz. Onze Landen alleen zullen mogen Drukken, doen Drukken, uitgeeven ende Verkopen, Verbiedende daaromme alle en een iegelyken de voorsz. Werken, in ’t geheel ofte ten deele te Drukken, na te Drukken, te doen nadrukken, te Verhandelen, of te Verkoopen, ofte elders nagedrukt, binnen den zelven Onzen Landen te brengen, uit te geven of te Verhandelen en Verkoopen, op de verbeurte van alle de nagedrukte, ingebragte, verhandelde of verkogte Exemplaren, ende een boete van drie duyzend guldens daar en boven, te verbeuren, te Appliceren een derde part voor den Officier, die de Calange doen zal, een darde part voor den Armen der plaatsen daar het Casus voorvallen zal, ende het resteerende derde part voor de Supplianten: en dit telkens zo meenigmaal, als dezelve zullen worden agterhaalt, alles in dien verstande, dat Wy de Supplianten met dezen Onzen Octroye alleen willen gratificeren tot verhoedinge van hunne schade door het Nadrukken van de voorsz. Werken, daar door in genigen deele verstaan den innehouden van dien te autoriseren, ofte, te Advouëren, en veel min, dezelve onder onze protextie en bescherminge, eenige meerder Credit, aansien, of reputatie te geeven, nemaar de Supplianten in cas daar inne iets onbehoorlyks zoude influëren, alle het zelve, tot hunnen laste sullen gehouden wezen te verantwoorden, tot dien einde wel expresselyk begeerende, dat by aldien zy deze onze Octroye, voor dezelve Wercken zullen willen stellen, daar van geene geabbrevieerde of gecontraheerde mentie zullen mogen maken, nemaar gehouden weezen, het zelve Octroy in ’t geheel, en zonder eenige ommissie, daar voor te drukken, of te doen drukken, en dat zy gehouden zullen zyn, een Exemplaar van de voorsz. Werken, op Groot Papier, gebonden en wel geconditioneert, te brengen in de Bibliotheek van onze Universiteyt te Leyden, binnen den tyd van zes weeken, na dat zy Supplianten dezelve werken zullen hebben beginnen uit te geeven, op een boete van zes hondert gulden, na expiratie der voorsz. zes weeken, by de Supplianten te verbeuren ten behoeve van de Nederduitse Armen van de plaats alwaar de Supplianten woonen, en voorts op poene van met ’er daad versteeken te zyn van het effect van deezen Octroye, dat ook de Supplianten, schoon by het ingaan van dit Octroy een Exemplaar gelevert hebbende aan de voorsz. Onse Bibliotheek, by zoo verre zy geduurende den tyd van dit Octroy dezelve Werken zoude willen herdrukken met eenige Observatien, Noten, Vermeerderingen, Veranderingen, Correctien, of anders, hoe genaamt, of ook in een ander formaat, gehouden zullen zyn wederom een ander Exemplaar van dezelve Werken, geconditioneert als voren, te brengen in de voorsz. Bibliotheek, binnen denzelven tyd, en op de boeten [fol. *6r] en poenaliteit, als vooren. En ten einde de Supplianten deeze onzen Consente Octroye ende mogen genieten als naar behooren, lasten wy allen en een iegelyken, dien het aangaan mag, dat zy de Supplianten van den inhoude van dezen doen, laaten en gedogen rustelyk, vredelyk en volkomentlyk genieten en gebruiken, cesseerende alle belet ter contrarie. Gedaan in den Hage, onder onzen Grooten Zegele, hier aan doen hangen op den agtsten November, in ’t Jaar onzes Heeren en Zaligmakers duizend zevenhonderd zeven-en-vyftig.
P. STYN.
Ter Ordonnantie van de Staaten
C. BOEY.
Lager stond:
    Aan de Supplianten zyn, nevens dit Octroy, ter hand gestelt by Extract Authenticq, haar Ed. Gr. Mog. Resolutien van den 28 Juny. 1715, en 30 April 1728. ten einde om zig daar na te reguleeren.
    De Regenten van het Wees- en Oude Mannenhuis hebben, in hunne voorsz. qualiteit, het recht van deze Privilegie, alleen voor den tegenwoordigen Druk, van CENIE; Blyspel, vergund aan IZAAK DUIM.
In Amsteldam, den 3. April, 1760.
[In ex. UBGent BL 4605 getekend: G. De Visscher – schouburgregent na 1779]



[6v]
VERTOONERS.
DORIMOND, Oom van Mericourt, en van Clerval
    Monsr. SCHMIT.
MERICOURT, } Monsr. EVERTZ.
    }Neeven van Dorimond.
CLERVAL, } Monsr. CORVER.
CENIE, Juffr. MARIA SCHMIT.
ORPHISE, Gouvernante van Cenie, Juffr. FOKKE.
LIZETTE, Kamenier van Cenie, Juffr. EVERTZ.
DORSAINVILLE, Vriend van Clerval, Monsr. STARRENBURG.
Het Spel speelt in het Huis van Dorimond.
Continue
[p. 1
]
CENIE;
BLYSPEL.
___________________
EERSTE BEDRYF.
EERSTE TOONEEL.
LIZETTE.
Zou Mericourt my zyn ontsnapt? Ik dagt hem de weg naar dit vertrek te hebben zien neemen.
Neen: ik bedrieg my niet. Mynheer, Mynheer....
TWEEDE TOONEEL.
MERICOURT, LIZETTE.
MERICOURT.
Hoe! vind ik die beminnelyke Lizette hier?
LIZETTE.
Ja, Mynheer, het is die Lizette, die steeds aan uwe belangens getrouw is gebleeven, en die seedert een uur heeft gewacht, om u een oogenblik te mogen onderhouden.
MERICOURT.
Myn zoete kind, dat onderhoud zullen wy tot op eene andere tyd moeten verschuiven. In het aftreeden van myne Chaise, heeft myn Oom my opgehouden, Ik heb nog geen mensch gezien.
LIZETTE.
Ik wil de eerste zyn die u spreekt. Alles is hier in huis nog in diepe rust, uitgenoomen uw Oom: en ik
[p. 2]
wil het vermaak hebben van u wakker te bekyven. Zeg my eens, kan men ooit zoo lang afweezig zyn, daar alles u hier te rug roept?
MERICOURT.
Ik heb niet eerder kunnen wederkeeren. Gy weet, dat myn Oom, door de boode, die ik met de tyding van den dood van Melisse had afgevaardigd, my liet zeggen, dat ik de Provincie niet moest verlaaten, zonder het begonnen proces ten einde te brengen.
LIZETTE
Ik had u goeden raad gegeeven, van zelfs den dood van zyne Vrouw aan hem bekend te gaan maken, en my aldaar te laaten om de begraffenis te bezorgen.
MERICOURT.
Die raad was zeer kwaad. Dorimond is van zulk een oprecht gemoed, dat hy de dingen aanziet, zoo als zy natuurlyk behooren te zyn. En ik zoude hem ten hoogsten vertoornd hebben, als ik zyne orders niet had afgewacht, en de laatste plichten beweezen aan eene Vrouw, die hem zoo waard was. Maar zeg my, is de rouw reeds afgelegt?
LIZETTE.
Ja, zedert gisteren is de tyd verstreken. Wat uw Oom aangaat, die geloof ik, dat ze tot zyn dood zal dragen.
MERICOURT.
Ik heb hem nog bedroefder gevonden als ik had gedacht. Hoe heeft hy konnen besluiten van u hier te houden? Gy, die hem zyn verlies gedurig te vooren doet komen.
LIZETTE.
Goed, heeft hy wel ooit iemand wederom gezonden? De goede oude man zeide my al snikkende, op myne aankomst, dat ik uit zyn huis niet moest
[p. 3]
gaan. Ik bevond het ook voor u van groot belang te zyn dat ik bleef, en daarom bleef ik hier.
MERICOURT.
Voor my van groot belang! Zyt gy dan by Cenie?
LIZETTE.
Ja, als of ik ’er niet by was. Want Mevrouw haare Gouvernante, met haare beleefde en heerschzuchtige manieren, verwydert my van haare Elêve zo veel, als het moogelyk is. Maar alhoewel zy my daar door belet om u van zoo veel dienst te zyn als ik wel zoude willen, ben ik nogtans ten minsten in staat, om u te onderrichten wat ’er omgaat.
MERICOURT.
Wel nu, Lizette?
LIZETTE.
Uwe zaaken staan slegt.
MERICOURT
Hoe dat?
LIZETTE.
Zeer slegt, zeg ik u.
MERICOURT.
Spreek dan.
LIZETTE.
Wat gedult, vóór dat ik spreek moet ik nog eerst een geheim weeten. Vind gy u in staat om dat aan my te vertrouwen?
MERICOURT.
Gy hebt maar te spreeken. Ik heb geen geheimen voor u.
LIZETTE.
Die u niet kende, zoude denken die reeds te bezitten.
MERICOURT.
Hoe kan ik daar aan voldoen, wanneer gy my niet zegt wat gy weeten wilt?
LIZETTE.
Waart gy verlieft op Melisse?
[p. 4]
MERICOURT.
Zyt gy gek, Lezette?
LIZETTE.
Zy is nu dood, zo dat ’er nu geen geheim meer in is.
MERICOURT.
Gy denkt ’er niet om; hoe, ik verliefd op een Vrouw, die door myn oom, aan wien ik alles ben verschuldigd, wierd aangebeden?
LIZETTE.
Wat de nauwe bezetheid van uw hart aangaat, die zullen wy daar laaten; ik heb ze niet veel by u ondervonden.
MERICOURT.
Ik ben geen monster; maar gy zoudt ’er een zyn, als uw gezegde ernst was.
LIZETTE.
Laat ons eens zien of ’er zoo weinig onwaarschynelykheids is in myne gedagten: Melisse, zynde van een zeer slegt caracter, verblinde door haare gewaande deugd een oud Man, van een beproefde opregtheid, by uitsteekendheid goedaardig, verslaafd aan de eer, een vyand van de agterdocht, en wiens vreeze van onrechtvaardig te zyn, ligtelyk is te bedriegen. Zy maakte zig in ’t geheel van hem meester, met uitsluiting van alle andere menschen. Zy geeft hem een kind, en werpt uw gansche fortuin daar door onder de voet. Gy zyt eerzuchtig, daarom behoorde gy haar te haaten, in plaats van u voor haar te verneederen. Gy zyt het valschte of het verliefste mensch van de gansche wereld.
MERICOURT.
Twee woorden zullen’t gansche geheim ontdekken. Dorimond zag niet, dan door de oogen van Melisse, dierhalven kost ik niet dan door haar zyne gunst genieten. Zy had, zoo als gy zegt, myn fortuin omvergeworpen. Doch zy kon dat herstellen met
[p. 5]
aan my haar Dogter ten huwlyk te geven. Ik toonde veele achting voor haar. Zie daar heb je ’t eenvoudig.
LIZETTE.
Wel de drommel, wat is dat eenvoudig!
MERICOURT.
De agterhoudentheid is geene ondeugd, maar eene al te groote openhartigheid is een misslag.
LIZETTE.
Neen, die misslag zal u nooit doen bloozen. Maar kost die vriendschap met Melisse niet in ’t openbaar gehouden worden? Waarom, in haar leven, elkander zoo veel in ’t oor geluisterd, en, op haar sterven, zoo veele geheime gesprekken?
MERICOURT.
Lizette gaa niet verder, en matig uwe nieuwsgierigheid wat.
LIZETTE.
Welaan, ook is de party niet egaal. Nu schiet my niet over dan u te onderrechten. Eerstelyk, dat gy op Orphize niet moet vertrouwen, zy is u niet genegen.
MERICOURT.
Wat aanbelangt, de ongunst van Mevrouw Orphise, daar stoor ik my weinig aan. Laat ons dat overstappen. Hoe staat myn broeder met myn Oom?
LIZETTE.
Zeer wel; sedert zyne t’huis komst heeft Dorimond zyne geneegentheid voor hem verdubbeld. Hy denkt hem niet genoeg te konnen herstellen van zyne vergeefsche reys.
MERICOURT.
Hoe? Clerval.....
LIZETTE.
Clerval heeft van zyne reyzen over zee niets anders mede gebragt, dan de sterke verzekering, dat ’er voor uw beiden geene aardsche schatten overgebleven
[p. 6]
zyn: maar met al dat zoude ik u niet beklagen, als hy niet verliefder was als inhaalig.
MERICOURT.
Hoe! zou myn Broêr verliefd zyn op Cenie?
LIZETTE.
Nog meer. Hy word van haar bemind.
MERICOURT.
Bemind! dat gaat wat ver, en is myn Oom van dien handel onderrigt?
LIZETTE.
Neen ganschelyk niet; want van zyn humeur zynde, zoude hy haar reeds hebben doen trouwen.
MERICOURT.
Misschien; na maate, mogelyk, van de wyze, waar door hy zulks had vernoomen. Clerval ontrukt my Cenie!..... Hy!.. Dat zal men nog eens moeten zien. Maar zyt gy wel verzeekert van ’t geene gy daar hebt gezegt?
LIZETTE.
Zeer wel verzeekerd, ik ben ’er van bewust.
MERICOURT.
Wat! heeft Cenie met onverschilligheid myne zorgen ontfangen? die haar hadden moeten doen besluiten....
LIZETTE.
Van eene Min, die gy niet gevoelde?
MERICOURT.
Ik gevoelde die reets* in myne eerste jeugd.
LIZETTE.
De jeugd heeft zomtyds eene ingeschaapenheid, die sterker is dan de ondervinding.
MERICOURT.
Maar, laat zy Mynheer en Broeder slegts beminnen! zy zal met haar believen daar van moeten afzien.
LIZETTE.
Ik verzeeker u, dat zal zoo ligtelyk niet geschieden.
[p. 7]
Clerval is beminnelyk, en zoo jong als hy is, heeft hy in den oorlog veel roems verkregen, waar door hy zeer wel staat aan ’t Hof: en dat laat niet na by de jonge Juffrouwen van veele verdiensten te zyn.
MERICOURT.
Konnen wy geene wapenen vinden om zulks tegen te gaan.
LIZETTE.
Voor my ik zie geene andere uitvlugt, als in de vriendschap die Melisse u heeft bewezen. Haar geheugen is nog zoo waard aan uw Oom, als het ooit is geweest. Bedien u van die omstandigheid. Daar is hy, ik laat u by hem alleen.
DERDE TOONEEL.
DORIMOND, MERICOURT.
DORIMOND.
Myn waarde Neef! Ik kan niet aflaaten om u te zien. Ik heb u moeten verlaaten om my te herstellen, van de ontroering die my uwe aankomst heeft veröorzaakt. Ik zoek u nu weer; helaas, wie weet waarom? misschien om my op nieuws te bedroeven.
MERICOURT.
Het is natuurlyk,* Mynheer, dat myne komst uwe droefheid heeft vernieuwd. Zy is regtmatig.
DORIMOND.
Gy weet beter als iemand, hoe ik deeze deugdzaame Vrouw myn gantsche levenstyd moet beweenen. Gy wilt gaarne die zwakheid verschoonen: by u alleen, kan ik aan myne droefheid den vryen toom geven, nochtans wilde ik niet gaarne u daarmeede lastig vallen.
[p. 8]
MERICOURT.
Ik neem waarlyk veel deel daar in...
DORIMOND.
Dat is het geene my nog weêrhoud. Maar laat ons dat voor een oogenblik ter zyde stellen, en raakende uw belangen spreeken. Myn waarde Mericourt, ik heb duizend verpligtingen aan u. Gy hebt myne zaaken beter geschikt, als ik zelfs had konnen doen. Maar op het allerlevendste gevoel ik de zorg, die gy aan Melisse, op haar laatste levens uur, hebt bewezen. Ik wil uwe vlyt vergelden, en zulks wilde ik wel doen naar uwe eige begeerte en wensch. Want aan de geene, die men verpligt is, een weldaad te doen, is geen weldaad.
MERICOURT.
Zoo ik iets verdien, Mynheer, zoo is zulks verrigt door de verbintenis...
DORIMOND.
Ik heb met ongeduld uwe wederkomst afgewacht, om een voorneemen, dat ik, zedert langen tyd, by my zelfs had uitgedacht, ter uitvoer te brengen. Gy toonde voordezen genegentheid voor Clarice; haar vrienden zyn de mynen, zy zullen haar aan my niet weigeren: ik heb haar aan u toegeschikt met een vierde part van myn goed. Myne Dochter zal voor uw Broeder zyn, haare jaaren koomen het beste met elkander over een. Behaagd u deze schikking?
MERICOURT.
Waarom dit te doen, Mynheer? Waarom u te ontdoen van een gedeelte van uw goed? Behoudt uwe schatten, zy hebben u te veel gevaar en moeiten gekost!
DORIMOND.
Zoude ik die behouden? Ik wil u-allen gelukkig maaken.
[p. 9]
MERICOURT.
Ach! Mynheer, wat hebt gy niet al voor ons gedaan? hebben uwe Neeven, in uw huis, geen Vaderlyke* zorg en goedheid gevonden, eene opvoeding, een overvloed?......
DORIMOND.
Ik reeken dat voor niets, zulks was voor my een pligt.
MERICOURT.
Een pligt!
DORIMOND.
Ja een pligt. Ik had myn best gedaan tot het huwlyk van myne Zuster, die ik dacht gelukkig te maaken. Dog zulks is verkeerd uitgevallen. Op het verlies van haar’ Man heeft zy de ongevallen in haare zaaken niet konnen overleven. Was het dan niet billyk, dat ik de zorg voor haare kinderen op my nam.
MERICOURT.
Mynheer, uwe zogenaamde pligten zyn, door al het geene gy hebt verrigt, dan ten vollen voldaan: Nu staat het aan ons om te werken aan ons geluk.
DORIMOND.
Waarom zoude ik u die moeite geeven, als ik u die kan spaaren? Is het huwlyk, dat ik u heb voorgesteld, naar uw’ zin?
MERICOURT.
Mynheer.... myn gehoorzaamheid....
DORIMOND.
Laat ons niet spreeken van gehoorzaamheid, zulks is een last; en die wil ik niemand opleggen.
MERICOURT.
Zonder zig te bedwingen, kan men gehoorzaamen...
DORIMOND.
Ja, maar als myne aanbiedingen worden aangenoomen, bespeur ik gaarne op het weezen zeekere vreugd, die my verzekering geeft van zo veel vergenoegen, als ik denk te hebben toegebragt.
[p. 10]
MERICOURT.
Gy behoorde te zien, Mynheer....
DORIMOND.
Ik zie niet dan ’t geene my mishaagt. Gy weet, dat ik de openhartigheid zoo veel bemin, als de geveinstheid haat.
MERICOURT.
Wat de openhartigheid aangaat, ik meen dat ik daar omtrent de proef heb doorgestaan.
DORIMOND.
Niet altyd. Ik verdacht u eertyds van dat soort van geveinstheid, die andere lieden, meer achterdenkend zynde dan ik, voor eene valsheid zouden hebben genomen. Maar Melisse heeft my overlang van dien waan geneezen.
MERICOURT.
Maar, Mynheer! Zoo ik uwe geneezing aan Melisse verschuldigt ben, zy is niet meer, wie zal nu in ’t vervolg voor my verantwoorden....
DORIMOND.
Myn hart. Behalven dat het my aangenaam is, myn Neef te beminnen, verveelt my ook de achterdocht; en van alle nootzaakelyke gebreken in den ommegang van de menschen, is de achterdocht, in myn zin, de alleronverdraagelykste.
MERICOURT.
Nauwlyks verzeekert uwe goedheid my, tegens het ongeluk van uwe achting te verliezen. Ik die myne eenigste studie maak, om die van de geheele wereld te mogen verdienen.
DORIMOND.
Gy hebt groot gelyk. Onthouw dit van my. Met de Achting van de geheele wereld kan men in ’t geheel niet ongelukkig zyn. In myne tegenspoeden heeft zy my ondersteund, aan haar ben ik verschuldigt myn rykdom, en het vergenoegen, dat ik niets heb verlooren van het recht myner geboorte,
[p. 11]
door een handel, die ik, door myn eerlykheid, in achting heb gebragt; voor het overige, maak u niet verlegen over het gepasseerde, Zoo ik u niet achtte, zoude ik u goed konnen doen zonder met u om te gaan of u te zien. Laat ons weder tot onze zaaken over gaan, en spreek oprecht.
MERICOURT,
Gy begeert zulks, myn Heer? Welaan, ik heb staat genoeg gemaakt op uwe goedheid, om my te vleijen, dat ik uw Schoonzoon zoude worden.
DORIMOND.
Bemint gy Cenie?
MERICOURT.
O Ja, myn Heer, myne genegentheit voor haar, en het verlangen, dat ik gevoel om noch naauwer aan u verbonden te worden, doen haar het voorwerp myner wenschen zyn.
DORIMOND.
Ik ben daar blyde om. Alhoewel Cenie wat jong voor u is. Ik zoude verheugd zyn.... Maar mint zy u?
MERICOURT.
Zulks is my onbekend, myn Heer; het voegde my niet, daar omtrent iets te doen, zonder alvoorens uwe toestemming daar toe te hebben.
DORIMOND.
Men kan zig met geen meer voorzigtigheid, en behoorlykheid gedragen, myn waarde Neef! de vergenoeging, die gy my geeft, is u onbewust. Ik zoude reeds over lang myne Dochter aan u hebben voorgedragen, zoo ik niet gevreesd had, uwe neiging voor Clarice te bepaalen.
MERICOURT.
Kunt gy twyffelen aan myn gedachten?
DORIMOND.
Welaan, ik gaa zoo terstond u aan Cenie voorstellen.
[p. 12]
MERICOURT.
Ik geloof, Mynheer, dat het niet raadzaam is, haar te spreeken, in ’t byzyn van haare Gouvernante. DORIMOND.
Waarom?
MERICOURT.
Het is altyd voorzichtig, zyn voorneemen niet te vertrouwen aan eene Bediende.
DORIMOND.
Gy kent Orphise niet. Het is een Vrouw van veel verdiensten, en die niets heeft van de laagheid van haaren staat.
MERICOURT.
Dat is waar; maar dewyl dat vertrouwen niet nodig is, kan men het vermyden, als zynde eene onnutte zaak.
DORIMOND.
Zeer wel. Ik gaa zien of myn Dochter reeds by de hand is, en haar ons voorneemen mededeelen.
VIERDE TOONEEL.
MERICOURT alleen.
Nu staan, de Hemel zy geloofd, myne zaaken op een’ goeden voet! maar Dorimond is zoo toegevend.... De weigering van zyne Dochter, kan hem van zyn voorneemen doen afgaan.... Ach! Cenie! zoo gy Clerval bemind, om mynen hoogmoed te trotzeeren, dan beef ik voor uw noodlot. Eene ingetoogenheit van vyftien Jaaren, zal ik niet ongestraft verliezen. Ik heb iets, waar meede ik my van uwe verächting kan wreeken.
VYFDE TOONEEL.
MERICOURT, LIZETTE.
LIZETTE.
Wel nu myn Heer, ik heb Dorimond daar zien vertrekken; hoe staan uwe zaaken?
[p. 13]
MERICOURT.
Myn Oom is gegaan om my aan Cenie voor te dragen.
LIZETTE.
Dat ’s goed; maar zoo zy u afslaat?
ERICOURT.
Zulks zal zy niet durven doen. In haare Jaaren moet zy maar gehoorzaamen.
LIZETTE.
Zy is wel jong, myn Heer, maar haar geest....
MERICOURT,
Ik ben geen gek, Lizette.
LIZETTE.
Ik staa ’t u toe, maar zy mindt Clerval.
MERICOURT.
En Dorimond mindt my.
LIZETTE.
Laaten wy ons niet vleijen, gy hebt van dien goeden Man geene andere vriendschap, dan die door alle konsten verkreegen is; en hy mindt uit de natuur Clerval, zulks is een groot verschil.
MERICOURT.
Ik ben over al tegens gewapend, en zal alles weten af te keeren.
LIZETTE.
In zulk een geval zyn myne kleine raadgevingen onnut. Houdt u maar, als of ik u niets heb gezegt.
MERICOURT.
Gy schynt verstoord, Lizette.
LIZETTE.
Ja, ik maak my kwaad. Men moet schrikkelyk de gewoonte hebben van valsch te zyn, zoo men het tegens my wil zyn.
MERICOURT.
Ik, valsch?
LIZETTE.
Ja, welke houding gy ook moogt aanneemen, zoo
[p. 14]
schynt gy nochtans verleegen. Ik had voorgenomen, om u een middel voor te slaan. Maar....
MERICOURT.
Zeg het nochtans.
LIZETTE.
Ik kan my niet weêrhouden om in uwe belangen te treeden. Ik heb eene volkoome haat tegens Mevrouw Orphise. Indien men aan Dorimond eens kost doen weeten, zekeren ommegang van uw’ Broeder, dat zou zyne rekening vry wat afslaan. Ik verbeel my dat zy in ’t belang is van Clerval. Wat zoude het my vermaaken, zoo ik haar kost dwarsboomen! dat zou een heerlyke zaak zyn!
MERICOURT.
Hoe, Lizette, zoude het gedrag van myn Broeder niet behoorlyk zyn? Ach! spreek ras.
LIZETTE.
Ik ben op de zaak noch niet recht gevat. Alleenlyk zie ik rondsom waaren, een soort van een Soldaat, met wien uw Broeder geheime zaaken verhandeld.
MERICOURT.
Wel nu, die Soldaat?
LIZETTE.
Wat gedult, het is iemand, die hy uit de Indiën heeft meede gebragt.
MERICOURT.
En dan?
LIZETTE.
Ik weet niet veel meer. Tot dus verre hebben zy zoo veel voorzigtigheit gebruikt, om met malkander te spreeken, dat ik niets anders heb konnen verneemen als de woorden van gracie..... van minister.....
MERICOURT.
Dat geheim moet men zoeken te ondekken. Clerval,
[p. 15]
is een onvoorzichtig Jongeling. Hy zoude zich ligtelyk in eene gevaarlyke zaak konnen wikkelen.
LIZETTE.*
Waar uit gy hem, zonder twyffel, wilde redden? O schoone ziel!
MERICOURT.
Hoe, Lizette!
LIZETTE.
Daar is de man, die zich verschuilt. Ik wil hem eens ondervraagen.
MERICOURT.
Gebruik alle uwe bekwaamheit, om dit geheim te ontdekken, myn waarde Lizette, ik bid ’er u om.
LIZETTE.
In zommige ogenblikken zyt gy openhartig; gaa heen.
ZESDE TOONEEL.
LIZETTE, DORSAINVILLE.
LIZETTE.
Kom nader. Ik ben nu alleen.
DORSAINVILLE.
Mejuffrouw, weet gy of Clerval hier is?
LIZETTE.
Clerval! gy zyt wel gemeenzaam met malkander?
DORSAINVILLE.
Ik heb ongelyk. Maar is hy alleen? kan ik boven by hem gaan?
LIZETTE.
Gy zyt wel haastig. Laat ons wat praaten. Hoe is ’t, gy schynt bedroeft.
DORSAINVILLE.
Ik ben zelden vrolyk.
LIZETTE.
Dan zyt gy wel ongelukkig? Hoor, ik heb het hart
[p. 16]
wel geplaatst, ik neem veel deel in u. Gy houd u op met een geheime handel, ik bemoei my daar ook meede: spreek dan openhartig met my, ik zoude u dienst konnen doen.
DORSAINVILLE.
Op een ander tyd zal ik eens weder koomen.
LIZETTE ter zyden.
Uit die drommelsche vent zal ik niets haalen.
(tegens Dorsainville)
Wacht wat! Clerval is in gezelschap, ik zal u aandienen, gy kunt hier maar wachten.
ZEVENDE TOONEEL.
DORSAINVILLE alleen.
Wat heeft het disfortuin verscheiden deelen, die niet als aan ongelukkigen zyn bekent! Met standvastigheid houd men een groote tegenspoed staande: de moed vervalt onder de verächting der geenen zelfs, die men verächt.
ACHTSTE TOONEEL.
DORSAINVILLE, CLERVAL.
CLERVAL.
Ik heb u met veel yver gezocht: Den Minister heb ik gisteren avond gezien; uwe gracie staat vast.
DORSAINVILLE.
O waardig vriend voor ongelukkigen! Gy verpligt my al te veel.
CLERVAL.
Gy zyt my niets verpligt. Het Hof heeft met my begreepen, dat, wanneer een zaak van eer, een Man van uwe geboorte, tot den rang van een-
[p. 17]
voudig soldaat heeft gebragt, en die zyn moed heeft doen blyken, het een billykheit is, hem aan zyn Vaderland weder te geven, en geen gracie, die men hem doet.
DORSAINVILLE.
Helaas! Wat kan deeze wederkomst van geluk my helpen, als eene Echtgenoot, die zoo beminnens waardig was, daar geen deelgenoot van kan zyn?
CLERVAL.
Welke tyding hebt gy daar van vernomen?
DORSAINVILLE.
Altyd dezelve: men heeft haar gemist, terzelver tyd als ik haar miste, na dat zy aan een ongelukkige het daglicht had doen zien, die zy, gebooren wor dende, terstond heeft verlooren. En onze kennissen weeten sedert vyftien Jaaren niet wat haar is wedervaaren.
CLERVAL.
Gy moet nog niet wanhoopen. Gy zult meer gemak in uw nazoeken vinden, als gy uw’ naam weder hebt aangenomen, en opentlyk durft verschynen.
DORSAINVILLE.
Het is reeds lang dat ik zulks heb gedaan. Ik zal haar nimmer weder vinden.
CLERVAL.
Hoe! begeeft u de moed, nu gy het einde van uwe zwarigheden bereikt?
DORSAINVILLE.
Myn waarde vriend, vegeef het my, zoo ik de waarde van uwe goedheden niet genoeg gevoel. Myn Vrouw was alles voor my, zonder haar, is voor my geen geluk.
CLERVAL.
Gy zult haar weder vinden.
[p. 18]
DORSAINVILLE.
Hoe, zoude zy niet bezweeken zyn, in den verschrikkelyken staat, waar in ik haar liet? Ik rukte my uit haare armen, ter zelver tyd, toen zy aan de eerste Vrugt van onze tederheid het dagligt deed genieten; ik liet haar zonder goed en zonder bystand. Wat kon ’er in dit uiterste van haar worden?
CLERVAL.
Voor Vrouwen van haaren staat, die door de tegenspoed vervolgd worden, zyn ’er altyd nog schuilplaatsen.
DORSAINVILLE.
De Kloosters zyn eerder schuilplaatsen voor de welvoeglykheid, als voor de tegenspoed. Het uiterste gebrek word daar niet zeer gekoesterd, en zulks is de staat waar in ik myn Vrouw heb gelaaten. Nogtans heb ik niets verzuimd, doch alles vrugteloos doorzocht.
CLERVAL.
Mogelyk dat zy, gelyk gy, haaren naam heeft verandert?
DORSAINVILLE.
Dit zo zynde, waarom heeft zy my dan niet geschreven?
CLERVAL.
Gy weet, dat de Oorlog alle gemeenschap heeft afgesneeden. Uw beider brieven konnen zyn vermist. Ik heb zelf geene tyding van myne famielje ontfangen, zoo lang ik my in de Indiën heb opgehouden.
DORSAINVILLE.
Wat heeft de zorg van een vriend op eene wanhoopende ziel al kragt! Uwe redenen troosten my, en gy hersteld myne hoop.
[p. 19]
CLERVAL.
Ik zal die ondersteunen. Laat my eerst uwe zaaken voleinden, dan zullen wy t’zamen overleggen, de belangens van uw hart. Uwe brieven van gracie zullen deezen avond worden uitgegeeven. Alleen is ’er eene omstandigheid over. De Minister wil dat gy u heden nog niet vertoont. Tot meerder verzekering, blyf deze dag in myn kamer laaten wy elkander niet verlaaten, ik zal het vermaak hebben van u daar te zien. Ly dat ongemak alleen tot myne eige gerustheid.
DORSAINVILLE.
Wat is het aangenaam, aan u te zyn verplicht! Ach! Waarde vriend! de erkentenis, die gy my doet gevoelen, valt niet zwaar: onder den last der weldaaden, verneedert zy een edel hart niet: zy verwydert de afschuwlykheid der vreeze van onbescheiden te zyn, en gy zult nooit ondankbaaren maaken.
CLERVAL.
Ik heb heden Cenie nog niet gezien, wy hebben elkander niets meer te zeggen; sta toe dat ik u verlaat.
DORSAINVILLE.
Ga heen, zoo uwe aanminnige Minnaares de waarde van uw hart zoo wel kent als ik, zoo zyt gy na uwe verdiensten gelukkig.
CLERVAL.
Gaat gy niet na myn Kamer?
DORSAINVILLE.
Neem niet kwalyk, dat ik alvoorens nog iemand ga spreeken, die eenige zekere tyding van myn Vrouw zou kunnen weeten. Daar na zal ik terstond by u komen.
Einde van het Eerste Bedryf.
[p. 20]
TWEEDE BEDRYF.
EERSTE TOONEEL.
CENIE, ORPHISE.
ORPHISE.
Hoe is ’t? wat scheelt ’er aan Cenie? gy verlaat uw Vader met traanen in de oogen. Zoud gy het ongeluk hebben gehad van hem te mishagen?
CENIE.
Neen, myn waarde, hy heeft my nooit meer goedheên betuigt. Zyne tederheid maakt my bedroeft.
ORPHISE.
Hoe dat?
CENIE.
Hy heeft my verklaard, van my te willen verbinden aan Mericourt; meenende my daar meede gelukkig te maaken.
ORPHISE.
Waarom zoud gy dat niet zyn. Mericourt heeft verstand en goede manieren; en dat is ’t, waar mede hy zich aangenaam kan maaken.
CENIE.
Ik ben nogtans verzeekerd, dat ik hem nooit zoude konnen beminnen.
ORPHISE.
Mogelyk is ’er wat vooröordeel in uwe afkeerigheid. Zulks is een zwakheid van den geest, ’t geen de reden zal verbeteren.
CENIE.
Neen, Mevrouw, in tegendeel, het schynt dat de reden veel deel heeft in die afkeerigheid. Zoo gy in my plaats waart, ben ik verzekerd, dat gy zoudt denken als ik.
[p. 21]
ORPHISE.
Het komt op myn gevoelen niet aan.
CENIE.
Vergeef het my, myn waarde. Ik schep vermaak om de geene te achten, die door u geächt worden: en zekerlyk myn Neef word onder dat getal niet gerekend.
ORPHISE.
Hoe dat? Zoo gy oordeelt uit de verachtelyke houding die hy omtrent my heeft, zoud gy u ligtelyk konnen bedriegen; zulks is eene onaangenaamheid, die aan mynen staat is verknocht, maar niet aan zyn caracter.
CENIE.
Maar, Mevrouw, zoo het waar is, dat de valsheid eene verächtelyke ondeugd is, hoe kunt gy Mericourt dan achten?
ORPHISE.
Hy is by my weinig bekend. Blyvende in de paalen van mynen pligt, ben ik niet in staat om hem te kennen, maar zoo hy de valsheid bezit, waar mede hy door u word betigt, zulks is dikwils meer een gebrek van de wereld, als van het hart. Uwe openhertigheid zal hem tot de waarheid doen neigen, gy zult hem wel verbeteren.
CENIE.
Zoo dat ongeluk, ’t geen ik vrees, my mogt overkomen, zal ik my wel wachten van hem te verbeteren. Zoo ik hem de valsheid ontnam, zou ’er in hem geen schynzel van deugd meer overblyven.
ORPHISE.
In uwen ouderdom, maakt men zulke diepe overweegingen niet.
CENIE.
Vergeeft het my, Mevrouw, wanneer een sterk eige belang ons daar toe brengt. Het voorneemen van
[p. 22]
myn Vader sedert langen tyd voorziende, heb ik gemeent het caracter van Mericourt niet genoeg te konnen doorgronden. Helaas! Ik heb daar niets ingevonden dan dat tegenstrydig was met myn geluk.
ORPHISE.
Het geluk is niet altyd, daar men het denkt, te vinden. En de deugd heeft altyd haar gezichtpunt gevestigd, volg dezelve en gehoorzaam uw Vader, van zulk een offer zult gy de vergelding in u zelf wedervinden.
CENIE.
Welk eene vergelding! Mevrouw, wanneer gy my zoodanige raad geeft, denkt gy dan wel aan de afschuwlykheid, die ’er is in zich te verëenigen met een’ Man, die men niet kan beminnen?
ORPHISE.
Helaas! het is somtyds een geluk, dat men maar eene gemaatigde genegenheid voor zyn Man hebbe.
CENIE.
Ik heb my een ander denkbeeld van het Huwlyk voorgesteld. Een Man die niet beminlyk is, komt my voor als een gedugt Meester. De deugden, de plichten, de gedienstigheden, niets kan ons in hem bekoren; alles word tyrannig, men buigt onder het Juk, en men heeft geene andere verdienste dan die van een needrige slaaf. Maar zoo men in een Man het voorwerp van zyne wenschen vind, geloof ik, dat de begeerte om hem te behaagen, de deugden lichter maakt, men oeffent die door de gevoelens; waar van de algemene achting de vrucht is, en men verkrygt zonder geweld die glorie, daar het ons geoorloofd is naar te dingen.
ORPHISE.
Helaas! Uwe dwaaling is zeer natuurlyk, De on-
[p. 23]
dervinding alleen kan ons de verdrietelykheden, van eene al te tedere verbintenis ontdekken. Maar dat geluk, wiens verbeelding u misleid, is al te veel afhangklyk van het leven, van de gevoelens, ja, van het geluk zelfs van dat beminde voorwerp, om bestendig te zyn. De genegentheid verdubbelt onze aangeboore gevoeligheid, zy vermeenigvuldigt de zwarigheden der benoeming, waar van de herhaaling ons lastig is. De waare ongelukken zyn die van het hart.
CENIE.
Ach, myn waarde! Gy word bewoogen: zoud gy ook tegenspoed beproeft hebben, waar door gy zo ontroerd schynt te zyn?
ORPHISE.
Vergeef het my, myn lieve Cenie, zoo my eenige gevoelens ontvallen, welke de staat, waar in gy zult komen, my doet herdenken. Ik vrees die om uwent wille.
CENIE.
Gy denkt, dat ik uw vertrouwendheid nog niet verdien? nochtans gevoeld myn hart, dat ik die waardig zou weezen.
ORPHISE.
Aanminnig Kind! neem liever deel in de zoetigheden, die gy my meenigmaal doet smaaken. Daar zyn oogenblikken... Laat ons daar van afstappen, uwe Jaaren zy noch niet voor die droefheden geschikt.
CENIE.
Ik ben zoo ongelukkig, dat ik aangenaamheid vind, in het beklagen van rampspoedigen.
ORPHISE.
Gy maakt my bewogen. Ik wenschte wel dat de reden u met een ander oog het noodlot, dat u staat te wachten, deed beschouwen.
[p. 24]
CENIE.
Zulks kan ik niet.
ORPHISE.
Hebt gy met dat uitblinkende geluk, waar in gy geboren zyt, konnen denken, dat gy Meesteresse zoudt zyn van uwe keuze?
CENIE.
Daar heb ik my mede gevleid.
ORPHISE,
Zoud gy dan eene keuze hebben gedaan?
CENIE.
Ja, myn waarde.
ORPHISE.
Hoe Cenie! Hebt gy over uw Hart eene schikking gemaakt?
CENIE
Spaar die verwyting, ik heb alleen uw’ raad nodig.
ORPHISE.
Myn raad zoude u misschien mishaagen. Ik beklaag u.
CENIE.
Hoe, Mevrouw, zoud gy weigeren my te leiden in een tyd...
ORPHISE.
Ncen, ik zal u niet verlaaten. Uw gelukkige inborst heeft tot dus verre voorgekomen, ’t geen myn raad u zoude hebben konnen inboezemen: In dit oogenblik hebt gy myne hulp nodig, om de offerhande, die gy, wegens uwe verkiezing, aan de deugd staat te doen, kloekmoedig te ondersteunen.
CENIE.
Is ’er dan niet maar eene wyze om die te hebben?
ORPHISE.
Daar zyn rampspoedige gelegenheden, waar in de keuze ons niet geöorloofd is, in den staat, waar in gy zyt, is u niets overig dan te gehoorzaamen.
[p. 25]
CENIE.
Welaan, Mevrouw, myn Vader is goed; misschien zou het hem, als hy myne gevoelens wist, onverschillig zyn, aan wien van zyne twee Neeven hy my gaf.
ORPHISE.
Het is dan Clerval dien gy bemind?
CENIE.
Ja, Mevrouw; veröordeelt gy myne keuze? Gy acht Clerval, en gy weet, dat hy waardig is, bemind te worden. Welk een onderscheid!
ORPHISE.
Is hy van uwe gedachten onderrigt?
CENIE.
Neen, Mevrouw, ten minsten heb ik hem die niet doen blyken.
ORPHISE.
Wat hebt gy aan uw Vader geäntwoord?
CENIE.
Helaas, niets. De onsteltenis en de smert hielden mynen mond gesloten. Daar kwam iemand in de Kamer, en ik vertrok om myne traanen te bedekken. Nochtans geloof ik dat myn Vader daar iets van heeft gemerkt.
ORPHISE.
Dat is my niet onaangenaam.
CENIE.
Gy laakt myn voorneemen dan niet, dat ik myn gedachten aan hem ontvouw!
ORPHISE.
Ten hoogste laak ik dat. Aan eene wel opgebragte Juffrouw past het wel haare afkeerigheid te toonen, maar nooit haare genegentheid.
CENIE.
Ach, Clerval! wat zal ’er van u worden?
[p. 26]
ORPHISE.
Gy beklaagt hem?
CENIE.
Ja, Mevrouw; met kloekmoedigheid kan ik myn ongeluk aanschouwen. Maar ik kan het denkbeeld van de rampen, daar ik hem in stort, niet wederstaan.
ORPHISE.
Zie daar het vertrouwen van uwe jaaren! De ondervinding zal u leeren, dat de liefde de ongelukken, die zy in het hart van een mensch veröorzaakt, zelfs vertroost.
CENIE.
Wel-nu, Mevrouw! spreek hem zelfs aan; indien gy hem zoo wispelturig vind als gy van hem oordeeld, zal ik my blindeling overgeven aan de party, die men my heeft voorgesteld, niet tegenstaande de afkerigheid die ik daar voor heb. Daar is hy, ik laat u met hem.
TWEEDE TOONEEL.
ORPHISE, CLERVAL.
ORPHISE.
Blyf een ogenblik, Mynheer; ik heb u wegens Cenie iets te zeggen.
CLERVAL.
Zy vlied voor my, de droefheid is op haar aangezigt te lezen, en uw wezen schynt my een ongeluk te voorspellen; spreek, Mevrouw: ô Hemel! wat zult gy my doen weeten!
ORPHISE.
Dat Cenie uwe genegentheit voor haar aan my heeft toevertrouwd; en dat die moet worden geblust.
[p. 27]
CHERVAL.
Heeft zy u gelast, zulks aan my te zeggen.
ORPHISE.
Ja, Mynheer.
CLERVAL.
Ik moet by Cenie weinig in achting zyn, dat zy zig niet verwaardigt my zulks zelfs te melden! Mevrouw, verschoon myne wantrouw: Ik kan niet gelooven dat ik zo ongelukkig ben als gy zegt.
ORPHISE.
Cenie trouwt met uw Broeder: Zie daar de waarheid.
CLERVAL.
Myn Broeder! ach, Mevrouw! hoe grooter gy myn ongeluk vermeerdert, hoe onwaarschynelyker my dat voorkomt.
ORPHISE.
Misschien vleid gy u bemind te zyn?
CLERVAL.
Neen, Mevrouw; maar ik had geen Meedeminnaar verwacht.
ORPHISE.
Zoo gy ’er al een had, zou hy nogtans niet bemind worden. Het komt my voor, dat Cenie haaren Vader gehoorzaamd, en dat zy haar pligt volgt.
CLERVAL.
Ach! dat hersteld my wat. Moogelyk zal myn Oom nog wel te bewegen zyn.
ORPHISE.
Hoe, Mynheer! neemt gy voor om iets uit te voeren?
CLERVAL.
Wie zou my zulks beletten? Ik ben myn Broeder niets verschuldigd.
ORPHISE.
Neen, maar gy zyt aan u zelfs verschuldigd, om geen moeijelykheden in uwe Familie te veroorzaaken,
[p. 28]
ter voldoening van een drift, die op het eerste voorwerp kan veranderen.
CLERVAL.
Ik zou my zelf laaken, zoo ik de gevoelens had waar mede gy my beschuldigd. Neen, Mevrouw, ik had altyd een afgryzen van de lafhartigheid die ons aanspoord om van de goede trouw, omtrent de Vrouwen, af te gaan. Zoo men geen geloof geeft aan een eeuwigduurende Minnevlam, moet men nogtans gevoelen wat een teedre genegentheit vermag op een deugzaam hart. De aangroeijende beminnelykheden van Cenie, deed my de Min kennen; de ontwinding van haar Carakter deed my die voor altyd bepaalen. Het is haar hart en Ziel die ik aanbid, aan de schoonheid alleen word men ontrouw.
ORPHISE.
Nogtans moet gy afzien van Cenie, hoe meer gy haar bemind, hoe meer gy haaren roem moet bewaaren. Die ons van onze pligt verwydert, bedriegt ons wezentlyk meer, dan die ons ontrouw is.
CLERVAL.
Zou ik Cenie bedriegen, wanneer ik my werp aan de voeten van Dorimond, hem openbaarende myne genegentheid voor zyne Dochter, en hem smekende om zyn goedheid?
ORPHISE.
Dat zou ten minsten de goedtste man des werelds, en de allertederste weldoender konnen bedroeven. Neem wel in acht, Mynheer, dat de erkentenis en de ondankbaarheit t’ zaamen niet gepaart konnen gaan. Men vermengt dikwils te veel de behandelingen van den een met de gevoelens voor den ander. Wat scheelt het Dorimond, dat gy de waarde van zyne goedheên in ’t binnenste van uwe Hart gevoeld,
[p. 29]
terwyl gy u ondankbaar toont, door zyne voornemens te dwarsboomen, zyn gemoed te bedroeven, en hem te beroven van de eenigste geneugte die zynen ouderdom overig is, te weten, om met zyne begeerte en goederen naar zyn welgevallen te handelen.
CLERVAL.
Ach, Mevrouw! wat wapenen gebruikt gy om myne Min te bestryden? Dit zyn de eenigsten die my tot zwygen dwingen, waar van de dood de vrugt zal zyn.
ORPHISE.
Ik ben aangedaan over de Edelmoedigheit van uwe gedagten. Mynheer, ik heb eenige macht op de geest van uw Oom. İk zal zyn vertrouwen spaaren, dat hy in my steld. Ik zal my alleen bedienen van.....
CLERVAL.
Gy geeft my het leeven weer! Ja, Mevrouw, spreek Dorimond; spaar zyn Hart en zyne goedheden. Ik maak staat op de uwe. Verlaat my niet.....
ORPHISE.
Ik verbind my niet omtrent het belang uwer liefde. Alleenlyk beloof ik u, om de waare gevoelens van uw Oom te doorgronden, en te onderstaan of hy by zyn voorneemen volhard: dan zult gy zien hoe gy u verder moet gedragen.
DERDE TOONEEL.
DORIMOND, ORPHISE, CLERVAL, LIZETTE.
LIZETTE, tegens Dorimond.
Daar is hy, Mynheer; ik wist wel dat hy hier moest zyn.
[p. 30]
DORIMOND.
Ik zogt u, Clerval, om u te zeggen, dat ik zeer te onvreeden over u ben.
CLERVAL.
Waar in, Mynheer, zoude ik het ongeluk hebben, van u te mishaagen?
DORIMOND.
Dat myn Huis niet is geschikt, om luiden van een’ geheimen handel daar in te neemen, van wien ik nooit had gedagt, dat gy beschermer waart.
CLERVAL.
Mynheer, ik verstaa van wien gy wilt spreeken. Zoodanige laster doet my beeven.
DORIMOND.
Durft gy zeggen dat ’er niet zeker onbekend Persoon in myn Huis komt, met wien gy deeze morgen nog een geheim gesprek heb gehouden?
CLERVAL.
Neen, Mynheer. Maar in ’t kort zal ik u de allereerlykste man, en de allerongelukkigste vriend leeren kennen.
LIZETTE, ter zyde.
Nu is alles verlooren; vrienden, ongelukkigen; tegen dat alles konnen wy niet.
DORIMOND, tegens Clerval.
Een vriend, die men niet durft kenbaar maaken, geeft altyd achterdocht. Ik weet daar iets van....
CLERVAL.
Men bedriegt u, Mynheer; zoo ’t my geöorlooft was te spreeken, zoude ik deeze haatelyke achterdogt ligtelyk konnen verbreeken.
DORIMOND.
Ik zoude u tog niet gelooven. In eerlyke zaaken gebruikt men nooit zoo veel geheimen.
CLERVAL.
Wel aan, myn Oom, het geheim van deze ongeluk-
[p. 31]
kige moet morgen ruchtbaar worden, zoo gy my ondertusschen een ogenblik vergunt, zal ik u doen kennen de dwaaling, waar in men u heeft gebragt, door u te herinneren de naam en droevige gevallen van een Man, wiens rampen gy dikwils hebt beklaagd.
DORIMOND.
Ik zal u verpligt zyn. Het is veel gewonnen als men de achterdocht kan vernietigen. Wy zullen terstond in myn Kabinet gaan. Ik moet u ook spreeken wegens een Huwlyk, dat u zeer wel zou lyken.
CLERVAL.
Voor my, Mynheer.
DORIMOND.
Ja, voor u. Ik heb Clarice voor u geschikt: zy heeft veel verdiensten, gy kent haar.
CLERVAL.
Ik bid, Mynheer.....
DORIMOND.
Hoe nu? nog al een weigering? zulks begint my te verveelen. Het verwondert my niet dat de Wereld zoo vol ondeugden is: de drift tot kwaad is altyd verzekerd van wel te slagen: men kan ongelukkigen maaken zelfs zonder die te kennen. Maar het is zo gemakkelyk niet om gelukkigen te maaken, welke genegendheit men ook daar toe hebbe. Dat maakt moedeloos, en men word ongevoelig, als het niet gelukt.
LIZETTE.
Ey, Mynheer, verstoor u niet; uw Neef is niet in staat om u ongehoorzaam te zyn; zoo gy in ’t minste laat blyken dat gy uw besluit hebt genoomen, zal hy terstond het zyne neemen.
DORIMOND, tegen Orphise.
Niet tot myn Dochter toe.... Mevrouw, het smert
[p. 32]
my, dat ik verpligt ben my op u te verhaalen. Ik acht u ten hoogsten, en ik dacht, dat gy u niet ophielt met de stookerytjes der Vrouwen, die gedurig de rust in ’t huishouden stooren.
ORPHISE.
Spreekt Mynheer tegen my?
DORIMOND.
Ja, tegen u zelf, en ik herhaal het u nog eens. Het is my leed, dat ik de groote gedachten, die ik van u heb, moet verliezen; maar de raad, dien gy aan Cenie geeft, is my niet onbewust.
ORPHISE.
Zoo gy dien weet, Mynheer, moet die my by u rechtvaardigen. Verder heb ik niets te antwoorden.
DORIMOND.
Neem het niet op dien toon. Ik heb zelfs de tegenzin op haar wezen gezien, die gy haar inboezemd tegens lieden die ik bemin. Ik heb de tyd nog niet gehad, om haar daar over te onderhouden; maar.... om kort te gaan Mevrouw, voor de weinige tyd, die zy u nog nodig heeft, verzoek ik, dat gy u niet gelieft te bemoeijen met onze zaaken.
CLERVAL.
ô Hemel! wat ongeval!
ORPHISE.
Ik moet u gehoorzaamen, gy zult te vreeden zyn.
DORIMOND.
Clerval laat ons gaan. Ik ben bereid om u te hooren. Doe my het vermaak van u te verontschuldigen.
VIERDE TOONEEL.
ORPHISE, LIZETTE.
LIZETTE.
Ik kan nauw bekomen van de verwondering, die my
[p. 33]
het kwaade humeur van Dorimond heeft veroorzaakt! Mevrouw, ik heb ’er althans geen deel aan.
ORPHISE.
Gy zyt met hem binnen gekomen, de reden daar van zoude u konnen bekend zyn?
LIZETTE.
My? gantsch niet. Mynheer zocht Clerval; ik wist dat hy hier was, ik heb hem hier gebragt zonder een woord te spreeken. Ik zie dat ik by u ben verdacht. Dog zulks is te vergeven na de kleine vernedering, die men u straks heeft gegeven.
ORPHISE.
Zoo ik minder genegentheit had voor Cenie, zoude ik minder daar van aangedaan zyn.....
LIZETTE.
Ja, Mevrouw, gy bemind haar zeer sterk, dat weet men. Maar sta my toe te zeggen, dat gy verkeerd bemind. Waarom belet gy haar, haar’ Vader te gehoorzaamen?
ORPHISE.
Als ik haar zulks belette, zoude ik daar toe myn reden hebben, en die zoude ik ook niet verbergen. Ik vermaan haar tot gehoorzaamheit, nogtans kan ik de keuze van Dorimond in den grond van myn Hart niet pryzen.
LIZETTE.
Mag men weeten, wat u in Mericourt mishaagt?
ORPHISE.
Zyne Jaaren. En schoon die nog zoo verre niet zyn verloopen, zyn ze nogtans weinig overeenkomende met die van Cenie, ’t geen een groote hinderpaal behoorde te zyn.
LIZETTE.
Zoo gy het belang van uw Voedsterkind verstond, zou het dat juist zyn, dat u zulks zou doen wenschen, en Méricourt zoude u nog te jong schynen. Ik
[p. 34]
ken de wereld wat. Een jonge Juffrouw trouwende een Man van jaaren, word een Vrouw van achting. Zoo haar gedrag geregeld is, beklaagt men haar, men verwondert zich over haar, zy krygt verdiensten, haare bekoorlykheden luyken op door de grysheid van haar Man. Hy sterft. Zy blyft altyd eene jonge Weduw, al was zy veertig Jaar. De zwakheid van een oud Man vereeuwigt onze jeugd. Maar gy luistert niet na my? Ik ben uw Dienaares.
VYFDE TOONEEL.
ORPHISE, alleen.
Dat Dorimond onredelyk word, strekt tot myne uiterste vernedering! Helaas! was ik dan geschikt tot smadelyke behandelingen? Dat zyn de vrugten van den Staat, waar toe de rampen my hebben gebragt..... Vergeef het my, Dorsainville: om het leeven te spaaren van eene Vrouw, die u waard was, bleef ’er niets overig dan de keuze tot een van de allerlaagste diensten. Gy zult ’er niet beschaamd over worden, ik heb uw naam en de myne van smaad gered..... Ongelukkige echtgenoot, moest gy my verlaaten?..... Wat afgelegen gewest u ook mag dienen tot schuilplaats, dezelve is nogtans die van de eer. De schaamte, die dwingeland der edele zielen, huisvest niet als by de menschen: laat ons die ontvlugten..... Maar hoe meer ik my verwyder van Cenie, hoe meer myn raad haar nodig is. Laat ons zonder Dorimond te belgen, aan zyne Dochter, haar vertrouwen op my, en myne vriendschap, zoo veel het in myn vermoogen is, wederom verschaffen. Men is niet geheel ongelukkig, wanneer ons het weldoen noch overig blyft.
Einde van het Tweede Bedryf.
[p. 35]
DERDE BEDRYF.
EERSTE TOONEEL.
DORIMOND, MERICOURT.
DORIMOND.
Het smert my ten minsten zoo veel als u; maar men moet daar niet meer aan denken.
MERICOURT.
Ik onderwerp my, Mynheer, zonder tegenspreeken. Is het my alleenlyk geoorlooft te vragen, waar op Cenie haare weigering vestigt? Is het haat, is het verachting tegens my?
DORIMOND.
Het is ’t een noch het ander: zy heeft my geen woord tot uw nadeel gezegt.
MERICOURT.
Gy wilt myn ongunst bedekken, Mynheer; uwe goedheit straalt over al in door.
DORIMOND.
Daar is geen goedheit in, het is de zuivre waarheit. Cenie heeft my een algemeene tegenzin betuigt voor een verbintenis, die haar doet schrikken.
MERICOURT.
En deze afkeerigheit is zonder twyffel wel natuurlyk?
DORIMOND.
Ach! twyfel daar niet aan.
MERICOURT.
Cenie kan mogelyk eene heimelyke genegentheit hebben?
DORIMOND.
Ik wenschte wel dat zy beminde; zy zoude geen kwaade keuze hebben gedaan, en wel haast..... Zoudt gy daar op iets weeten?
[p. 36]
MERICOURT.
Dat moet gy niet denken, Mynheer. Cenie is al te voorzigtig, om zonder uwe toestemming eene keuze te doen, en al te openhartig, om bekwaam te zyn eene hartstocht te verbergen. Gy zoudt zulks wel gemerkt hebben.
DORIMOND.
Ik! gansch niet: ik zoude op dat stuk zoo ligt te bedriegen zyn, als in andere zaaken. Ik zoude by my zelfs niet konnen besluiten, om doorsleepen te zyn, alzoo de doorsleepenheit doorgaans gepaard gaat met bedrog. Wat ’er ook van mag zyn. Ik heb myn woord gegeven en zal dat houden. Wanneer het aankomt op eene verbintenis, die voor altoos moet zyn, kan men de toegeventheit niet te verre laaten gaan: misschien zal Cenie op een ander tyd van andere gedachten zyn. Dan zal ik haar aan uw’ Broeder geven.
MERICOURT.
Myn Broeder!.....
DORIMOND.
Hy is nog jong. Hy kan wel wachten.
MERICOURT.
Myn Broeder! ik kan..... Ik kan ’t niet vergeeten.
DORIMOND.
Gy verwondert my. Gy behoorde verheugd te zyn dat ik het oog op uw’ Broeder liet vallen, nu gy myn Schoonzoon toch niet kunt worden.
MERICOURT.
Ik zoude zulks zyn, indien het belang meer vat op my had; maar ik ken geen ander dan het uwe, en zekerlyk Clerval.....
DORIMOND.
Luister, gy moet weten, dat het my zeer mishaagt als ik kwaad van hem hoor spreeken. Gy had my
[p. 37]
deze morgen iets gezegt, waar van hy zig ten vollen heeft verontschuldigd.
MERICOURT.
Ik heb my konnen bedriegen, Mynheer, dat komt door eene al te vierige drift. Ik verneem met vreugd, dat Clerval geen duisterheid heeft overgelaaten in zyn gedrag.
DORIMOND.
Zulks dan zoo zynde, moet gy met het zelve oog het geluk aanzien, dat ik voor hem berey.
MERICOURT.
De tedere Melisse heeft zulks voorzien; de smert waar mede zy ten grave is gegaan, was al te wel gegrondt.
DORIMOND.
Hoe! zoo zy zig heeft geuit omtrent het huwlyk van haare Dogter, waarom daar een geheim van gemaakt?
MERICOURT.
Moest ik denken, Mynheer, dat haar voorneemen u onbewust was? en dat het was buiten uw overleg, zoo zy een Man voor haare Dogter had gekoozen?
DORIMOND.
Het is waar, dat het Huwlyk van Cenie zeer dikwils een voorwerp van ons gesprek was. Die deugdzaame Vrouw, wier gevoelens zoo bepaald waaren, had voorgenomen van haar niet te geeven, als aan een van u beiden. Maar ik heb haar altyd onzeker gezien in de keuze van den een of den ander. Zoo gy daar iets meer van weet, doet gy kwalyk zulks te verzwygen.
MERICOURT.
Het is zeldsaam, dat een stervende, omtrent het beschik van haare Famille, zig niet verklaard.
[p. 38]
DORIMOND.
Wel nu! spreek dan.
MERICOURT.
Neen, Mynheer, in den staat, waarin de zaaken zich bevinden, zoudt gy moogelyk konnen denken.....
DORIMOND.
Ik verstaa ’t: zy heeft zig voor u geuit?
MERICOURT.
Ja, Mynheer, Melisse liet my, op ’t laaste van haar leven, aan haar bed komen: Mericourt, zeide zy tot my, met eene half gebrooke stem; in ’t kort zal ik ’er niet meer zyn, luister na myne laatste meening. Ik beminde myn Man ten hoogsten. Aan hem ben ik myn geluk verschuldigd. Gy mint hem, neem nog eene van myne genegentheden voor hem over, word de Echtgenoot van myne Dogter, wees Zoon van Dorimond; sta my in voor de rust zyner dagen, en verleng de bestendigheid daar van, ik verlies de myne zonder berouw.
DORIMOND.
Houd op, myn waarde Neef..... Helaas, wat zoude ik geven, dat Cenie.....
MERICOURT.
De laatste wil van haare Moeder is haar onbekent. Zoo gy my toelaat, Mynheer, een geheim gesprek met haar te hebben?
DORIMOND.
Zeer gaarne; blyf. Ik zal haar by u* zenden. Denk, dat, zoo gy haare toestemming kunt verwerven, gy my de allergrootste dienst zult doen.
MERICOURT.
Ik zal niets nalaten.
DORIMOND.
Nogtans verbie ik u, haar bevreesd te maaken, door de schrik van my te mishaagen. Laat ons alles
[p. 39]
door tederheid en niet door strengheit zien te verwerven.
TWEEDE TOONEEL.
MERICOURT, alleen.
Dit is nu het ogenblik dat alles zal uitwyzen. Ik heb niets te ontzien..... Ik voorzie dat de hartnekkigheit van Cenie my zal nootzaaken om de wapenen, die Melisse my heeft nagelaaten, tegens haar te moeten gebruiken. Mogelyk konnen zy wel tegens my zelfs werken. Maar men kan een onmeetbaar geluk niet te duur koopen?
DERDE TOONEEL.
MERICOURT, CENIE.
CENIE.
Men heeft my gezegt, dat myn Vader na my vroeg?
MERICOURT.
Blyf Cenie: het is op zyn bevel dat ik u hier verwachte. Dorimond, aangedaan door de verächting, die gy voor my hebt getoond, heeft my toegelaaten, om nog eens te zien of ik die kan overwinnen.
CENIE.
Is het u verächten, Mynheer, wanneer men uwe kiesheit bewaard voor de smerte van iemand ongelukkig te maaken?
MERICOURT.
Gy trotseert my, ondankbaare, gy triompheert: gy meent, dat gy om de groote toegevendheit van Dorimond nergens voor behoeft te vreezen. Zoo gy wist, hoe verre ik de edelmoedigheid t’uwaards uitstrek, zou deeze hoogmoedige schertzing haast van toon veranderen.
[p. 40]
De verpligting die ik aan u heb, Mynheer, is my onbekend: zoo gy my daar van wilde onderrigten.....
MERICOURT.
Gy zult die maar al te schielyk weeten. Moogelyk zult gy u in een ogenblik beklagen, my gedwongen te hebben, die aan u te openbaaren.
CENIE.
Gy zoudt my doen beven, zoo ik iets aan my zelve had te verwyten.
MERICOURT.
Cenie, luister na myn raad; bewillig in my de hand te geven. Uw eige belang nootzaakt my, om op myne kniën u daar toe aan te spooren. Misbruik myne zwakheit niet: het is geen tyd meer om te overwegen, spreek.
CENIE.
Ik overweeg niet meer, Mynheer.
MERICOURT.
Wat zyde kiest gy dan?
CENIE.
Die van een gesprek af te breeken, dat zoo lastig voor de een als voor den ander is.
MERICOURT, haar by de arm tegenhoudende.
Neen, neen: dit ogenblik moet uw noodlot uitwyzen.
CENIE.
Hoe! gy zyt vry stout.... Mericourt, tel minder op de goedheit van myn Vader; hy zal my niet weigeren te hooren.
MERICOURT.
Neen, gy zult van hier niet vertrekken vóór dat ik een volstrekt antwoort heb.
CENIE.
Wilt gy zulks? wel aan: myn Vader heeft my zyn woord gegeven van my nooit te dwingen; niets kan my van besluit doen veranderen.
[p. 41]
MERICOURT.
’t Gaat te ver; het is tyd, zoo veel verachting te doen eindigen. Kent gy dit schrift?
CENIE.
Ja, het is dat van myne Moeder.
MERICOURT.
Het is aan Dorimond gerigt: doch zulks is het zelve.
Hy leest.
,, Ik heb u bedrogen, Mynheer, en myn berouw kan niet met my ten grave gaan. Het groot verschil van onze Jaaren, heeft my doen duchten, om wederom te vervallen in de gebrekkige staat waar uit gy my getogen hebt. Om dan myn geluk te verzekeren heb ik een vreemd kind aangenoomen. Uwe laatste reys, heeft my het middel verschaft, om Cenie voor uwe Dochter te laaten door gaan. De dood dwingt my om dit geheim te openbaaren. Vergeef my.....”
CENIE, in flaauwte op een stoel vallende.
Ik sterf.
MERICOURT.
Cenie, hoor na my. Erken ten minsten in dit ogenblik de groote blyk van myne liefde; het is nog tyd. Myn hand u aanbiedende, herstel ik de schande van uw geboorte, en bedek voor eeuwig uw geheim door den band des Huwlyks.
CENIE.
Wat zou het my baaten, zoo ik de Wereld al bedroog? Zou ik my zelfs konnen bedriegen? Laat my dees Brief eens zien. (nader gelezen hebbende*) Myn ramp is maar al te zeker.
MERICOURT, de Brief wederom neemende.
Wel nu! wat zyn uwe gedachten?
CENIE.
Dezelven.
[p. 42]
MERICOURT.
Wat trotsheit! kunt gy nog wederstreevig zyn, wanneer myne Min alle hinderpaalen te boven komt? al zou ik moeten bloozen......
CENIE.
Bloos dan; maar over het bedrog, waar in gy geen schaamte hebt, om my daar van deelgenoot te doen worden. Zoude ik de beste van alle menschen bedriegen! ik onrechtvaardig na my neemen de goederen van een Huis! gy doet my yzen.
MERICOURT.
Het is Dorimond beminnen, wanneer men hem in zyne dwaaling laat. Melisse, my uw geheim betrouwende, heeft u gelukkig willen maaken, en het goed van myn Oom weder brengen aan den regten eygenaar.
CENIE.
Herstelt men dan het eene Schelmstuk door het ander? Ieder ogenblik maakt my Medepligtig van zoo veele misdaaden. Ik zoude niet schielyk genoeg.....
MERICOURT.
Blyf. Ik merk uw voorneemen. Gy wilt my verdacht maaken. Wacht u wel de beweging uwer gramschap te volgen.
CENIE.
Ik zal niets volgen dan myn’ pligt.
MERICOURT.
Neen, neen, ik weet heter de reden van uw afkeer als gy denkt. Het is minder de eer, dan de liefde, waar door gy word geleid. Gy denkt dat Clerval.... Gy moet daar van afzien..... Wanneer hy laf genoeg zoude zyn..... Zoo zyn ’er nog Wapenen voor my over..... De laatste raad, dien ik u nog geef, is dat gy uw geheim bewaard. Ik laat u daar op denken. Zet myne wraak niet verder aan; of vrees dat gy ’er meer van hooren zult.
[p. 43]
CENIE.
Wat kan my meerder overkoomen?..... ô Hemel! wat zie ik?
VIERDE TOONEEL.
CENIE, CLERVAL.
CLERVAL.
Cenie, gy schreid! myn waarde Cenie, hoe is ’t?
CENIE.
Clerval, ik ben verlooren.
CLERVAL.
Myn Broeder gaat van u af, heeft hy de toezegging van Dorimond gekregen?
CENIE.
Gy moet van my afzien. Geen ander geluk is voor u overig.
CLERVAL,
Hoe! myn Broeder! ik gaa my werpen aan de voeten van Dorimond; hy zal, myne wanhoop ziende, wel bewogen worden.
CENIE.
Wacht u van hem te spreeken.
CLERVAL.
Cenie, zyt gy het, die my weêrhoud! ik had my nogtans gevleid dat ik niet gehaat was. Gy hebt my gezegt dat gy my zonder tegenzin uw Echtgenoot zoudt zien worden.
CENIE.
Toen was ik ’t waardig.... Doch zulks ben ik niet meer.
CLERVAL.
Zyt gy zulks niet meer! mint gy dan myn Broeder?
CENIE.
Ik? zoude ik Mericourt beminnen! gy doet my beven.
[p. 44]
CLERVAL.
Wel aan! zoo gy hem niet bemind, zeg dan dat gy my bemind. Verzeker myn twyfelend Hart, en laat my tegens myn’ Broeder de goedheit van myn’ Oom betwisten.
CENIE.
Myn lot hangt niet meer van Dorimond af.
CLERVAL.
Gy doet my wanhoopen. Wat beduit die duisterheid? Laat ik ten minsten de reden van myn ongeluk weten?
CENIE.
Die is voor my alleen, en berust eeniglyk in myn verschrikkelyk lot. Verg my niet te bloozen in uw by zyn.
CLERVAL.
Gy vreest te bloozen? Ach! gy verraad my.
CENIE.
Zoo gy wist... Clerval, geloof my, ik ben niet schuldig.... Vaar wel.
CLERVAL.
Cenie, wat gaat gy doen? zoo deernis nog op uw Hart vermag, zoo verklaar my myn lot, op dat ik het uit uwen mond mag hooren.
CENIE.
Gy zelf heb deernis met my, zie myne droefheit en ontsteltenis. Helaas! ik durf myne oogen niet voor u opslaan.
CLERVAL.
In den naam der allertederste liefde, bevry my van de smerte die ik uitstaa: spreek.
CENIE.
Neen, ik zal het wreede vonnis, dat ons van een scheidt, niet uit spreeken.
CLERVAL.
Dan spreekt gy dat van mynen dood uit. Vrees van my
[p. 45]
aan myne wanhoop over te laaten. Ik staa voor myn leven niet in.
CENIE.
Wat vreesselyke bedreyging voor een Hart, dat niet anders als voor u wilde leven!
CLERVAL.
Cenie, gy mint my dan? Ik heb niets meer te vreezen. Die bekentenis is my genoeg. Wreede! waarom myn geluk zoo lang verschoven? Twyfelt gy aan myne Min? Oordeel dan anders, door myne uitermaate vreugde.
CENIE.
Dat is ’t geene ik het meeste heb gevreesd. Deze droevige bekentenis, stelt uwe Rampen in den hoogsten top. Clerval, wees indagtig, dat gy my zulks hebt afgeperst.
VYFDE TOONEEL.
CENIE, DORSAINVILLE, CLERVAL.
DORSAINVILLE.
Myn vriend, neem deel in myne blydschap. Myn Vrouw is niet dood, en ik heb reden om te hoopen.... Wat zie ik!.... Ik doe eene onvoorzichtigheit.
CENIE, tegens Dorsainville.
Mynheer, gy kost niet beter te pas komen. Ik denk in u de vrind van Clerval te zien, wiens tegenspoeden hy my heeft verhaald; zy hebben my getroffen, dierhalven moeten die van een ander u ook gevoelig aandoen, verlaat uw vriend niet. In een ogenblik..... Ik laat u hier. Vaar wel, myn waarde Clerval, volg my niet.
[p. 46]
ZESDE TOONEEL.
DORSAINVILLE, CLERVAL.
DORSAINVILLE.
Myn waarde Vriend, verschoon myne nieuwsgierigheit; ik gevoel niets sterker dan uwe smert. Wat ongeluk is het waar mede Cenie u dreigt?
CLERVAL.
Dat is my onbekend. Zy wil de smerte ontgaan van my die te melden. Helaas! het zou my minder wreed zyn, als ik het uit haaren mond mogt verstaan, zoo ik haar moest verliezen! Neen, ik kan niet blyven in de vreeselyke onzeekerheit waar in ik my bevinde.
DORSAINVILLE.
Ik verlaat u niet.
CLERVAL.
Laat my alleen, myn Vriend; ik moet dat schrikkelyk geheim trachten te ontdekken. Cenie heeft my verboden haar te volgen, ik zal haar byzyn myden: maar een ander zal my mogelyk daar van onderrigten. Myn vriend, houd my niet op; ik bid u gaa my wachten, mogelyk zal ik u nodig hebben.
Einde van het Derde Bedryf.
[p. 47]
VIERDE BEDRYF.
EERSTE TOONEEL.
CENIE, ORPHISE.
ORPHISE.
Ja, ik wachte u. Kom, grootmoedige Cenie, kom in myne Armen de vrugten smaaken, van de overwinning die gy op u zelve hebt behaald.
CENIE.
Ik heb Dorimond zoodanig getroffen, dat ik vrees, dat die edelmoedige oude Man het niet zal overleven.
ORPHISE,
Gy hebt uwe onschuld voor altoos vereeuwigd, door het getuigenis geven der waarheid. De roem is het loon voor de Deugd.
CENIE.
Welke roem! wat is zy vernederend! Ach, Mevrouw, wat ben ik ongelukkig!
ORPHISE.
In de allergrootste tegenspoeden moet de moed aangespoord worden: meenigmaal word die, door de klagten, vermurwd.
CENIE
Hoe! zouden my die zyn verbooden; wanneer de Hemel my berooft van ’t geene den allerlaagste stervelingen is toegestaan! ik zal de aangenaame naam van Vader en Moeder niet meer noemen. Ik gevoel uit myn Hart verdwynen het vertrouwen dat zy my ingaaven. Geen steunsel, geen beschermer, geen geleyde meer voor myne wil! myne onafhangkelykheid baart my een vrees. Ik behoor aan niets, en niets behoord aan my. Mevrouw, zult gy my ook verlaaten?
[p. 48]
ORPHISE.
Neen, myne waarde Cenie; gy verliest veel, maar gy behoud nog een Hart. Zoo myn leven aan u nodig is, zal het zelve my van veel dienst zyn.
CENIE.
Welke edelmoedigheid! wat ben ik u verschuldigd?
ORPHISE.
Ach! zeg eerder, welk een geluk voor Orphise!
CENIE.
Mevrouw, zult gy dan deernis met my hebben?
ORPHISE.
Myn waarde Cenie, myne tedre genegentheit kan niet sterker worden uitgedrukt, dan door myne traanen.
CENIE.
Zy zyn my veel waard, zy verbannen de vreeze waar door myn Hart wierd bekneld. Wil my toch beschermen, my geleiden, en by my de plaats van Moeder bekleeden; en laaten myne diensten de laagheit uitwisschen van die geenen, die gy my altyd hebt bewezen.
ORPHISE.
Gy my dienen, Cenie! draag zorg, dat gy de achting voor u- zelfs niet verliest. De verslaagentheit is het vergif voor de Deugd. Wie weet aan wie gy uw geboorte schuldig zyt.
CENIE.
Ach, Mevrouw! van welke Ouders kan eene ongelukkige gebooren zyn, die men niet waard heeft geacht van te durven erkennen; van wien men heeft afgezien om een gering belang? Wat is ’er sterker proef van myne nietigheit? Op welken grond kan ik my vleyen?....
ORPHISE.
Op de verhevendheit van uwe Ziel, op de edelmoedigheit van uw Hart, en op uwe gevoelens.
[p. 49]
CENIE.
Die zyn, zoo als gy my die hebt ingeboezemt. Ik ben niets anders als uw werk. Wat Ziel, wat Hart zouden uw zorg en raad niet opgevoed hebben? Ik ben u alles verschuldigd, en ben niets meer.
ORPHISE.
Myn waarde Cenie, ik heb alles verlooren. Gy zult alles voor my zyn. Maar zal Dorimond kunnen besluiten om u te verlaaten?
CENIE.
Hoe, Mevrouw! indien zyne goedheên zoo ver strekte om my by hem te houden, denkt gy dat ik zoude blyven? Zoude ik Mericourt zonder een afgryzen konnen aanzien? Is ’er een moed die de proef kan uitstaan, tegens de vernederende aanschouwing der Bediendens, en tegens het versmaadende medelyden der Menschen van de Wereld? Myn droevig noodlot zal op alle tongen zyn, en ik zal het voorwerp zyn van alle nieuwsgierige Menschen. Ik durf myne Oogen naauwlyks op my zelfs slaan, dit tooisel ’t geen my niet meer past, doet my yzen. Laat ons vlieden, Mevrouw, laat de allerdiepste spelonk en schuilplaats het geheugen van het geene ik meende te zyn, voor Eeuwig begraven.
TWEEDE TOONEEL.
CENIE, ORPHISE, DORIMOND.
DORIMOND.
Myn waarde Cenie, gy laat my over aan myne droefheit; kom geef my moed tegens het bedrog. Gy zyt myn Dochter, zulks gevoele ik aan de tederheit, die ik voor u heb.
[p. 50]
CENIE.
Helaas, Mynheer! het is maar al te waar, dat ik de beste van alle de Vaders heb verlooren!
DORIMOND.
Uwe traanen hebben my bevangen, uwe smert heeft myn oordeel verbysterd: de overweging verlicht my; zoodanig een misdaad is niet eens waarschynelyk. Myn waarde Kind, men bedriegt u, of gy bedriegt u zelve.....
CENIE.
Ik heb ’t gezien, Mynheer, ik heb die wreede waarheit geschreven gezien, door de hand van Melisse.
DORIMOND.
Die trouwlooze! my zoo vreesselyk te verraaden, my, die haar aanbad! Neen, ik kan het niet geloven. Wie zouden de medepligtigen zyn van dit afgrysselyk Schelmstuk?
CENIE.
Mericourt kan u daar van onderrigten; ik heb u reeds gezegt dat hy de Bezitter daar van was.
DORIMOND.
Mericourt! kan het..... Hy verschynt niet? Ik zal hem laaten zoeken, zonder twyfel vreest hy myn byzyn. Ach! Cenie, moest gy my dit droevig geheim ontdekken.
CENIE.
Kost ik dat verzwygen? kost ik u bedriegen?
DORIMOND.
Maar gy beneemt my het leven: zoo ik u verlies, ben ik alles kwyt.
CENIE.
Ach, Mynheer! uwe goedheên voeren myne smerten in den hoogsten top. Beschouw in my niets meer dan een ongelukkig slagtoffer van de hoogmoed. Ik ben uwe tederheit niet meer waardig; geef my alleenlyk uw meedelyden: maak my aan my zelve
[p. 51]
niet haatelyk, door my te belaaden met het ongeluk van uw verlies.
DORIMOND.
Is het dan over u, myn waarde Kind, dat ik my beklaag? Zyt voor altoos myne Dochter, dan zullen myne dagen verzekerd zyn. Mericourt verschynt niet! hy tergt myn ongeduld. ô Hemel, daar is hy, myn zinnen verwarren op zyn gezigt. (tegens Cenie.) Gaa niet heen. (tegens Orphize.) Blyf, Mevrouw. ô Hemel! Wat zal hy zeggen?
DERDE TOONEEL.
CENIE, ORPHISE, DORIMOND, MERICOURT.
DORIMOND.
Kom nader; kom, verbreek het vermoeden van een ondaad, waar van ik niet kan gelooven, dat gy medepligtig zyt.
MERICOURT.
Ik, Mynheer!
DORIMOND.
Wat is ’er van een voorgegeven Brief van Melisse, die u-beiden even strafbaar zoude maaken? Zoo gy u kunt rechtvaardigen, wacht daar niet meede.
MERICOURT.
Om my te rechtvaardigen, moet ik weeten waarmede ik word beticht.
DORIMOND.
Zulks heb ik u gezegt: men spreekt van een Brief van Melisse, die een haatelyk geheim in zig bevat. Zoo gy bewyzen van het tegendeel hebt: overweeg dan niet om die te openbaaren.
MERICOURT.
Wie kan zoo stout zyn, om aan u over te brengen?....
[p. 52]
CENIE.
Ik, Mynheer; de waarheid zal altyd myn wet zyn.
DORIMOND.
Zie dan wat gy tegens deze beschuldiging kunt inbrengen; spreek.
MERICOUT.
Ja, ik zal spreeken: ik zoude ondankbaare, die u den dood wil aandoen, niet ras genoeg kunnen straffen. Weet dan dat zy uwe Dochter niet is; Melisse, door eene wroeging bezwaard zynde, geeft in deze Brief de waarachtige getuigenis van de waarheit.
DORIMOND, geleezen hebbende.
Wat heb ik gelezen? kan het zyn dat ’er zoo veele vreesselykheden?.... Wreede Melisse! wat had ik u gedaan van my te werpen in een twyfeling, of om my daar uit te brengen? myn dood zal het loon zyn van uwe misdaaden!
MERICOURT.
Zy heeft gevreest uwe genegentheit te verliezen.
DORIMOND.
Met welk een valsheid bragt zy my tot eeneVaderlyke liefde, my overlaadende met haare liefkoozingen. Helaas! al te wel gevestigd!..... Myn Hart word verscheurd door dat vreesselyk herdenken.
CENIE.
Mynheer, matig uwe droefheit.
DORIMOND.
En gy, ontaarde, die sedert zes maanden dit geheim voor my verborgen hielt, wat reden had gy daar toe?
MERICOURT.
Ik had voorzien, dat ik u een doodelyke slag zoude toebrengen, zoo ik u deeze droevige waarheit ontdekte. Gy weet hoe verre ik was gekomen, eêr ik daar toe kon overgaan. Ik trouwde eene onbe-
[p. 53]
bekende, zonder maagschap. Wat zoude ik niet al opgeoffert hebben om u in die twyffeling, die u zoo aangenaam was, te laaten?
DORIMOND.
Waarom my daar dan uitgebragt? Waarom* dan u te bedienen van deze vreesselyke wapenen, om Cenie te bederven? En om haar een Huwlyk, waar voor zy schrikt, te doen aanneemen? Mericourt, uw Hart ontdekt zig..... Laat ons afbreeken. Gy zult de vrugten van uwe verradery niet smaaken. Cenie, ik neem u voor myn Dochter aan.
MERICOURT.
Wat hoor ik!
CENIE.
Ik! Zoude ik uw Dochter zyn!... Mynheer.... Ach! maatig uwe goedheên; ik ben die eer onwaardig.
DORIMOND.
Gy zyt myn hart en genegentheden waardig! Myn waarde kind, tree wederom in al uw recht.
CENIE.
Neen, Mynheer; uw roem is my meer waardig dan myn geluk. Laat toe dat eene eenzaame plaats met my begrave de onkunde, waar in ik my bevind, omtrent de ongelukkige aan wien ik myn leven verschuldigt ben.
DORIMOND.
Alhoewel uw Maagschap ongelukkig is, nogtans is ze achtens waardig. Laat onze droefheid verdwynen.
Tegens Orphise.
Mevrouw, dit alles oopent myne oogen, wegens de kwaade behandeling, waar mede men u beschuldigde: blyf by ons, en aanvaard wederom uw werk by myne Dochter.
CENIE.
Mynheer?....
[p. 54]
DORIMOND.
Ik luyster niet meer na u: Ik geef u myn’ naam en myn goed; en daar en boven de liefde van een tedere Vader.
CENIE.
Ik val voor u te voet.
MERICOURT, tegens Cenie.
Vertoef nog een ogenblik om uwe erkentenis uit te drukken. (tegens Dorimond,) Gy zoudt my rechtvaardiglyk verwyten, zoo ik langer wachte, om u het waardige voorwerp van uwe aanneeming te doen kennen. Deze brief is voor die Juffrouw; doch gy kunt dien lezen.
DORIMOND, leest.
,, Het is zonder medelyden, dat ik uwe geboorte u openbaar: maar ik ben genadert tot aan het punt der waarheid. Uw Moeder geloofd u dood te zyn, en haare dwaling verzekerde myn geheim. Gy kunt haar daar van onderrigten. Wetende dat zy vervallen was tot de uiterste armoede, heb ik haar daar uit gered, met haar als Gouvernante over u aan te stellen. Nu stel ik u weder in haare handen.”
CENIE, in de armen van Orphise.
Gy zyt myn Moeder! alle myne onheilen zyn geëindigt.
ORPHISE.
Myn waarde Dochter! Hoe, zyt gy het die ik omhels?
CENIE.
Myn Moeder! Wat is dien naam my aangenaam!
ORPHISE.
ô Al te ongelukkig Kind! Helaas, wat zyt gy te beklaagen!
CENIE.
Aan de deugd zelfs ben ik myne dagen verschuldigt: myn lot is heerlyk genoeg.
[p. 55]
DORIMOND.
Dit is de laatste slag, die de ontrouwe voor my bewaarde. Eene doodelyke schrik...
tegen Cenie.
ô Al te aanminnig Kind... Ik kan niet spreeken.... Ik sterf...
CENIE, tredende na Dorimond.
Ach! Mynheer.
MERICOURT.
Laat af: men hoeft zich niet meer van uwe zorg te bedienen; gy zyt hier niets meer.
VIERDE TOONEEL.
CENIE, ORPHISE.
CENIE.
Myn Moeder, heb deernis met my. Myn moedt begeeft my. Ik kan de verachting niet meer lyden.
ORPHISE.
Myne waarde Dochter, herneem uwen moedt.
CENIE.
Hoe bemin ik u! Ik behoorde niets dan alleen myne tederheid te gevoelen. Ach! oordeel, in dit ongelukkig ogenblik, niet van myn hart: de vreugd, de smert, en de verächting werken met zoo veel kracht....
ORPHISE.
Die beweegingen zyn natuurlyk, myn waarde Kind. Gy hebt de voorspoed gezien, maar die is verdweenen. Wanhoop ondertusschen niet; de Hemel zal mogelyk, minder streng....
CENIE.
Ach! Ik beklaag my over niets; uwe goedheên, zullen in my plaats voor alles houden. Maar laat ons vertrekken uit dit huis, daar ik niets anders vind dan schaamte en verächting.
[p. 56]
ORPHISE.
Laat ons een schuilplaats gaan zoeken, daar wy ongelukkig konnen zyn, zonder ons daar over te beschaamen.
CENIE.
Myn Moeder, mag myne agting, tederheid en onderwerping de plaats vervullen van ’t geene gy hebt verlooren! Ik durf u het herdenken aan myn Vader niet in de gedachten brengen.
ORPHISE.
Myn waarde Cenie, het is geen tyd om daar over te spreeken. De allersterkste ziel is niet altyd in staat om zoo veele wederwaardigheden te gelyk te konnen verdraagen. Gy zult wel nader verneemen met welk een moedt uw Vader zyn geluk en eer heeft opgeofferd. Welk een Vader! welk een Echtgenoot!
CENIE.
Wat zie ik? Het is Clerval! Ach, laat ik hem ontvlieden.
VYFDE TOONEEL.
ORPHISE, CLERVAL.
CLERVAL.
Ach! Mevrouw, wat ontmoet ik u wel te pas! myn Oom heeft my gelast Mericourt te zoeken: Ik heb alle de Huizen, daar hy gewoon is te komen, vergeefs doorzocht, en heb hem nergens gevonden. Ik ben onbewust van het geene is voorgevallen. Heeft hy het lot van Cenie verklaard? spreek:
ORPHISE.
Ja, Mynheer; haar ramp is bevestigd.
[p. 57]
CLERVAL.
ô Hemel! Mevrouw verberg my niets; wat zyde gaat zy kiezen?
ORPHISE.
Die van haar vertrek: daar is geene andere voor haar over.
CLERVAL.
Welaan! Ja, Mevrouw, die van het Klooster is de gevoeglykste schuilplaats voor haar. Maar zult gy de goedheid niet hebben van haar aldaar te verzellen?
ORPHISE.
Kunt gy daar aan twyffelen?
CLERVAL.
Ik ken de goedheid van uw hart. Welaan! Gy zult haar dan volgen. Maar in deze onrustige tyd kunt gy voor dit nieuwe verblyf, de nodige zorg niet hebben: sta toe dat myne diensten.... Ik neem alles op my, ik ga alles bezorgen.
ORPHISE.
Zagt, Mynheer: zulk eene drift om ongelukkige te dienen, zoude my uw beleeftheid doen achten, indien dezelve gansch ontbloot was van eigen belang. Maar gy bemint Cenie. Uwe zorg kan niet anders dan nadeelig voor haar zyn, in de omstandigheden waar in zy zich bevind.
CLERVAL.
Ach! Mevrouw, wat durft gy zeggen? Ja, ik aanbid haar. En het Klooster, alwaar ik u bid, van haar te willen verzellen, moet u tot een vaste borg verstrekken van myne gedachten. Gy zult haar tot Moeder zyn, en ik zal haar niet meer zien dan gy zelfs zult goedvinden. En zoo dat nog niet genoeg is, zoo verbind ik my, dat ik haar niet zal zien, dan wanneer ik myne hand haar aan zal bieden.
[p. 58]
ORPHISE.
Gy! Cenie trouwen! denkt gy wel Mynheer?....
CLERVAL.
ô Ja, Mevrouw. Ik weet wat gy my kunt tegen werpen. Maar alle die Menschelyke hersenschimmen verdwynen voor myn gezicht, zoo dra zy met de deugd worden vergeleeken.
ORPHISE.
Deze edelmoedigheid is niet genoeg voor een Man als gy: in de keuze van zyn hart moet hy zich zelf waardeeren. Zoo de geboorte van Cenie eens zoo laag en duister was, dat gy u moest schaamen?....
CLERVAL.
Neen Mevrouw; de Menschen verneederen niet als door haar eige laagheid. De tyd zal u leeren....
ORPHISE.
Ik verwonder my over de hartstochten, met welk eene behendigheid zy haare wenschen weeten te veranderen in deugden! Eene al te sterke genegentheid is dikwils het vaardigste om zich te misleiden; een nieuw ongeluk verhit de verbeelding: De heldhaftigheid maakt zich meester van den geest, en men wil alles voor ongelukkigen onderneemen: ongevoelig gewend men zich die te zien, men verflaauwt, en word eindelyk gelyk als alle andere Menschen.
CLERVAL.
Ach! Mevrouw! my overstelpende door droefheid overstelp my niet door verachting. Ik zal geene Echtgenoot hebben, als Cenie, ontfang daar op myn woord van eer.
ORPHISE.
Ik neem dat aan, mynheer. Cenie is myn Dochter.
CLERVAL.
Zyt gy haar Moeder? Alle myne wenschen zyn vervuld.
[p. 59]
ORPHISE.
Neen, Mynheer. Erken de werking van uwe blinde drift: Laat u dit tot eene les dienen. Ik geef u uw woord weder te rug.
CLERVAL.
En ik, ik bevestig dat by al ’t geene de eer het heiligst heeft. Mevrouw, vertrouw op myne geringe diensten, en geef my tyd om uwe achting te konnen verdienen.
ORPHISE.
Ik acht u hoog, Mynheer: en zal u daar van de proef geven. De afgrysselyke omstandigheden waar in ik my bevinde nootzaaken my op uwe zorg te vertrouwen: in dit eerste oogenblik, aanvaar ik de diensten die gy my aanbied. Zoek eene afgelegen plaats voor ons; en geef my eenen Leidsman om ons derwaarts te brengen. De welvoeglykheid dult niet, dat gy ons daar verzeld. Ga heen; ik zal alles tot ons vertrek bereyden, en van Dorimond afscheid neemen.
CLERVAL.
En ik, ik vlieg om uwen last te volvoeren, en zal wederkomen om u te verwittigen.
Einde van het Vierde Bedryf.
[p. 60]
VYFDE BEDRYF.
EERSTE TOONEEL.
CLERVAL, DORSAINVILLE.
DORSAINVILLE.
Berust op my: ik zal voor alles zorgen.
CLERVAL.
Gy moet haar niet als ongelukkigen aanbieden. De tegenspoed is niet altyd een goede aanbeveling.
DORSAINVILLE.
Ik weet wat ik moet zeggen.
CLERVAL.
Dat zy toch wel mogen behandeld worden: Zoo de som niet groot genoeg is, zal men die verdubbelen.
DORSAINVILLE.
Gy hebt my dat alles gezegd.
CLERVAL.
Booven al, laaten zy u doen weeten, wanneer Cenie iets het minste mogt over komen.
DORSAINVILLE.
Daar zal niets aan ontbreeken.
CLERVAL.
Beduy haar toch, dat het Vrouwen zyn van hooge geboorten. Dierhalven, zoo gy haar veel achting bewyst, zult gy die haar doen verkrygen.
DORSAINVILLE.
Ik zal niets vergeeten.
CLERVAL.
Het is moeyelyk, dat men in zekere omstandigheden de zaaken zelfs niet mag behandelen!
DORSAINVILLE,
Hoe twyfelt gy aan mynen yver?
[p. 61]
CLERVAL.
Neen, myn waarde Vriend. Maar gy kent die menschen niet. Zy verdienen, dat men op ’t allersterkste in haare belangen treed.
DORSAINVILLE.
Zy worden van u bemind: dat is my genoeg.
CLERVAL.
Men moet ongelukkigen met zoo veel omzichtigheid als achting dienen!
DORSAINVILLE.
Wie is beter, als ik, in staat om zulks te doen?
CLERVAL.
Dat is waar: maar een Man van moedt neemt voor zich zelfs, een zeekre ruwheid aan, die hy zelfs, zonder dat hy het merkt, over anderen uitbreid; daar zyn duizend kleyne oplettentheden, die men niet kan voor by gaan, zonder de geenen, die daar recht toe hebben, te beledigen.
DORSAINVILLE.
Ik geef u myn woord van eer; ik zal niets nalaaten.
CLERVAL.
Wat zwaarigheid zoude ’er zyn, dat ik u by deze samenkomst verzelde? Ik zoude driftig spreeken: het eerste oogenblik beslist: het is van veel aangelegendheid....
DORSAINVILLE.
Van niet te veel te zeggen. Verre dat gy haar zoudt dienen, zouden uwe Jaaren, uwe houding van eene kwaade uitwerking zyn. Ik vrees, dat de schikking die gy maakt, reeds schadelyk is aan haare achting.
CLERVAL.
Hoe dat?
DORSAINVILLE.
Door een pragt, die my niet wel gepast voorkomt. Het is zeer moeyelyk dat haar geval niet rugtbaar
[p. 62]
word; wat wilt gy dan dat men denke van ’t geen gy voor haar doet?
CLERVAL.
Zulks raakt my niet meer; ik doe nu niet anders, dan de bevelen van myn Oom te volbrengen.
DORSAINVILLE..
Niet tegenstaande dat, zoude het allervoorzichtigste zyn geweest, van haar op eene wyze te stellen, die met haaren staat overeen kwam.
CLERVAL.
Haar staat! Ach! wacht u wel te denken, dat die zoo is, als het u wel toeschynt.
DORSAINVILLE,
Hebt gy verzeekering daar van?
CLERVAL.
Dat is niet nodig: Alles spreekt voor haar, alles toont wat zy zyn.
DORSAINVILLE.
Ik geloof dat de Moeder en de Dochter duizend hoedanigheden bezitten; maar dat zyn geen bewyzen.
CLERVAL.
Orphise heb ik lang verdagt gehouden, dat zy haare geboorte verborg; en al wat ik zie heeft my daar in versterkt. Zy is niet verwondert, over myne eerbiedigheid. De wyze, op welke ik tot haar spreek, is haar als aangebooren; zy raad zonder twyfel wel wat ik van haar denk, en echter is ze my niet tegen.
DORSAINVILLE.
Zy heeft u de gunst gedaan van u daar in te bevestigen. Daar is weinig volk van dat soort, die geen welgeschikte Historie, van de rampen, die haar tot dienstbaarheid hebben gebragt, weeten te verhaalen.
CLERVAL.
Myn Vriend, denkt gy, door de geene die ik Min te verachten?...
[p. 63]
DORSAINVILLE.
Ik heb ongelyk. Vergeef een drift die moogelyk al te ver uitziende is. Ik vreeze dat gy, getrokken wordende door uwe driften....
CLERVAL.
Ik versta u: gy vreest dat ik Cenie zal trouwen? welaan! weet dan dat ik myn party heb genomen, en dat ’er niets is ’t geen my daar van zal doen afgaan, zullende zy myne Vrouw worden, zoo dra haar Moeder daar in bewilligd.
DORSAINVILLE.
Alhoewel myne reedenen u belgen, zoude myn zwygen u nogtans verraden.
CLERVAL.
Dat is ’t, dat is het geene dat ik voorzag! Van de Moeder en de Dochter niet hebbende dezelve gedachten als ik, zoo zullen uwe zorgen daar geen acht op geeven, en uwe beleeftheid zal tot haar vernedering uitloopen. ô Hemel! Zoo het u ontviel....
DORSAINVILLE.
Ach! houd op met my te verongelyken! Ik ben niet wreed genoeg om ongelukkigen te vernederen. Ik acht te veel ’t geen gy bemindt: maar ik ben niet laf genoeg, om niet te durven tegen gaan eene genegentheid die u verbystert.
CLERVAL.
Welaan! gy zult die tegengaan. Maar voor dit ogenblik, ontrek my de hulp niet, die ik van uwe Vriendschap nodig heb; en draag toch zorg dat Cenie niets merkt van uw gevoelen: smoor uwen yver. Dorimond komt daar; uw byzyn zoude hem moogelyk onaangenaam zyn. Ik bid u dat gy niet verre gaat.
[p. 64]
TWEEDE TOONEEL.
DORIMOND, CLERVAL.
DORIMOND.
Cerval; zy maakt zich gereed om te vertrekken! Ik bid u bevry my van een afscheid, dat ik niet zoude konnen wederstaan. Gy ziet een ongelukkig Oud-Man tot wanhoop gebragt.
CLERVAL.
Waarom geeft gy u aan de droefheid over, Mynheer? Zyt gy geen meester om Cenie te behouden? Wie belet u zulks.
DORIMOND.
Haare weygering; ik heb de betamelykheid noch het mededogen voor haar en voor my zelf niet konnen overwinnen.
CLERVAL.
Zoo gy wilde, Mynheer?...
DORIMOND.
Neen; het zoude te wreed zyn, om haar in een huis te willen houden, alwaar alles haar tegenspoed zoude doen herdenken.
CLERVAL.
Maar, Mynheer! zou ’er geen middel zyn, om haar door banden aan u te verbinden, die zoo heilig zyn, dat ’er nooit?...
DORIMOND.
In ’t begin heb ik daar op gedacht; maar de aanneeming van Cenie zoude u van myn goed versteeken; en dat zoude eene onrechtvaerdigheid zyn, waar aan ik my nimmer schuldig wil maaken.
CLERVAL.
Maar, Mynheer! wat kan uw goed my verschillen?
[p. 65]
handel daar mede na uw welgevallen, ik staa daar van af, zulks zal ik met myn bloed onderteekenen.
DORIMOND.
Uwe Edelmoedigheid ontschuldigt my niet. Zoo ik my aan uwe begeerte overgaf, zoude uwe groothartigheid veranderen in buitenspoorigheid en myne toegevendheid in zwakheid.... Ik zal maaken dat Cenie en haare Moeder beschut zullen zyn voor de slagen van ’t Fortuyn. Geef deze Brievetas aan Orphise, dit is alleenlyk, tot dat ik het overige zal hebben geschikt. Ik wil ook dat Cenie, in haar afgezondert leven, niet alleen het nodige in overvloed heeft, maar ook de dingen die tot vermaak strekken: op allerhande wyze moet men haaren tegenspoed zoeken te verzagten.
CLERVAL.
Myn Oom, volvoer uw werk; en stel geene paalen aan uwe goedheên.
DORIMOND.
Op u, myn Neef, moet ik die nu uitstorten; ik wil myn misslag verbeteren, en u een bestendig geluk doen genieten.
CLERVAL.
Ja, Mynheer; dat hangt van u af. Door een woord kunt gy alle de wenschen van myn hart vervullen.
DORIMOND.
Zoo gy bemint, waarom spreekt gy dan niet?
CLERVAL
Mynheer.... (ter zyde,) wat ben ik ontsteld.... (tegens Dorimond.) Ik durf niet uiten....
DORIMOND.
Uwe onsteltenis, maakt de helft uit van uwe vertrouwentheid: besluit. Noem my myn Nicht.
CLERVAL.
Cenie....
[p. 66]
DORIMOND.
Cenie!
CLERVAL.
Ja, ik kan niet leven zonder haar te aanbidden. Gy mint haar, en vreest haar te verliezen; geef haaren staat aan haar weder; helder haare deugden op, en dat ons geluk uwe dagen verlenge.
DORIMOND.
Ik verneem uwe drift met smert, zonder die nogtans te laaken. Cenie is al te wel waardig bemind te worden; doch zy kan uwe Vrouw niet zyn.
CLERVAL.
Welk een onoverkomelyk beletsel....
DORIMOND.
Haare geboorte.
CLERVAL.
Gy wilde haar tot Dochter aanneemen?
DORIMOND.
Ik meen dat ik u zulks heb gezegt. Wanneer ik die gedachten had, was het droevige geheim nog maar ten halven ontdekt. Haare onbekende verwandschap, kon myne famillie geen schande aan doen; maar haare Moeder....
CLERVAL.
Orphise is niet gebooren tot dien staat, waar in zy zich bevind. De ongevallen en tegenspoeden hebben haar zekerlyk gebragt tot die laagheid, die gy haar verwyt.
DORIMOND.
Maar, myn waarde Neef, gy bedriegt u; zoo zy van geboorte was, zoude zy daar geen geheim meer van maaken. De vernedering is de allerdroevigste smart, en men draagt die niet, als men ’er zich van kan ontdoen.
CLERVAL.
Zy is mogelyk van zoo hooge geboorte, dat de zedigheid zelfs haar verpligt die te verbergen.
[p. 67]
DORIMOND.
Welaan, om te toonen hoe zeer ik verlang na uw geluk; zie eene verzekering te vinden van uwe twyfeling. Helaas! Ik verlang meer als gy na het geene ik niet hoopen kan.
CLERVAL.
Ik vlieg; maar daar is zy.
DERDE TOONEEL.
DORIMOND, CLERVAL, CENIE, ORPHISE.
CENIE.
Het is aan uwe kniën, Mynheer, dat ik kom dankzeggen voor zoo veele weldaaden. Ik zal nooit vergeten, dat ik de eer heb gehad, van uwe Dochter te zyn: en gy zult niet beschaamt behoeven te zyn dat gy myn Vader zyt geweest.
DORIMOND.
My van u scheidende, ruk ik my van my zelfs, en ik ben niet minder te beklagen.
CLERVAL, na stil tegens Orphise te hebben gesprooken.
Neen, Mevrouw; gy zyt de geene niet, die gy wilt schynen: spreek een woord, dan verzekert gy myn geluk.
ORPHISE.
Zoo zulks van my afhing, Mynheer....
CLERVAL.
Het hangt daar alleen van af, vertrouw aan myn Oom het geheim van uwe afkomst. Twyffelt gy aan zyne bescheidentheid? of aan zyne voorzigtigheid? Ach! Mevrouw! Spreek.
ORPHISE.
De moed, en ’t zwygen zyn de Adeldommen der ongelukkigen. Beny my de eenigste roem niet, die my nog overig is.
[p. 68]
DORIMOND.
Mevrouw, dewyl gy het zoo begeert, zal ik u niet aanspooren, om uw geheym te ondekken. Maar hoe komt het, dat uwe Dochter u is ontrooft, zonder dat eenige argwaan u heeft genoopt, om onderzoek daar na te doen, ’t geen ons beiden veele moeite zoude hebben gespaard?
ORPHISE.
De allerrampzaligste omstandigheden waaren voor af gegaan, eer deze ongelukkige ter wereld kwam. In dit afgrysselyk ogenblik wierd zy van my afgerukt. Ik was op den Oever van de dood, maar de Hemel op my verbolgen, spaarde my in ’t leven, doch gaf my myne Dochter niet wederom, en men maakte my haaren dood bekend. Wat reden zouden my verplicht hebben te twyfelen aan een voorval, dat zoo algemeen is? het overige is te bekend.
DORIMOND.
Ja, ik weet genoeg om te konnen besluyten. Mevrouw, geef my myne Dochter weder, en laat het Huwelyk van Clerval ons vereenigen.
CLERVAL.
Ach! Myn Oom!
DORMOND:
Gy antwoord niet, Mevrouw?
ORPHISE.
Mynheer, ik durf een voorneemen by na niet uiten, dat u misschien vreemd zal voorkomen. In alle omstandigheden zoude Cenie, door uwe goedheên vereerd zyn geweest, doch in deze, waar in wy ons tegenwoordig bevinden, is ons vertrek, de eenigste weg die ons overig is.
DORIMOND.
Hoe, Mevrouw, gy weigerd my?
ORPHISE
Ik verwonder my over uwe dengden, en betaal met
[p. 69]
myne traanen ’t geen ik daar aan schuldig ben; doch ik kan de aanbieding niet aanneemen die in een gelukkiger tyd, het eenige voorwerp van myne wenschen zoude zyn geweest.
Tegens Clerval.
Mynheer, gy had my een Leidsman belooft, een weinig langer wachtens zoude onze smert verlengen, waar voor wy ons beiden moeten wachten.
CLERVAL, met scherpheid.
Ja, Mevrouw, ja, gy zult gehoorzaamt zyn.
I
VIERDE TOONEEL.
DORIMOND, ORPHISE, CENIE.
ORPHISE.
Ik zie, Mynheer, dat myne weigering u beledigt. Wat kunt gy, in der daad, denken van de party die ik neem? Terwyl gy niets anders moest verwachten dan erkentenis? Ik ben ’er van aangedaan, uwe achting is my te veel waard, om die niet door een gedeelte van myn geheim te verkrygen. Oordeel, Mynheer, kan ik den Vader van Cenie, het recht ontneemen, om met zyne Dochter naar zyn welgevallen te handelen.
CENIE.
Hoe! Myn Vader nog in ’t leven? waarom is hy hier niet? Laat ons haasten om hem te zoeken.
ORPHISE.
Ongelukkige Cenie! Alle uwe rampen zullen u bekend worden.
[p. 70]
VYFDE EN LAATSTE TOONEEL.
ORPHISE, DORIMOND, CENIE, CLERVAL, DORSAINVILLE.
DORIMOND.
Clerval, zyt gy daar wederom? in dit verschrikkelyk ogenblik verdubbelt myne tederheid. Mevrouw breng haar niet weg, ik gevoel de waarde van ieder ogenblik. Mynheer, gy zyt mogelyk de vriend van Clerval, die zich in deze droevige omstandigheden, waar in wy ons bevinden, wel wil laaten gebruyken? Hoe kan ik uwe diensten vergelden.... Zoo Clerval my eerder had toevertrouwd....
DORSAINVILLE.
Mynheer....
DORIMOND.
Mevrouw, eer dat wy van elkander scheiden, laaten wy ons klaarder uitdrukken; ik bid ’er u om. Gy dreigt Cenie met nieuwe rampen! moeten die voor my verborgen zyn? zoude ik die konnen vóórkomen.
ORPHISE.
Neen, Mynheer. Het noodlot, dat ze op haar hooft heeft uitgestort, is alleen in staat om die te konnen doen ophouden. Laat toe dat ik de vertrouwendheid spaar, die niet moet gedaan worden als aan ongevoeligen.
DORSAINVILLE.
Wat stem!.... Zy brengt my eene ontroering in de zinnen....
DORIMOND.
Mynheer, ik beveel haar ten hoogsten aan u: word haar Vriend en de myne.
[p. 71]
DORSAINVILLE.
Mynheer, de erkentenis en de vriendschap verbinden my, sedert langen tyd, aan uwe familie.
ORPHISE.
Wat hoor ik?.... Wat gevoel ik!....
DORIMOND.
Myne waarde Cenie!....
CENIE.
Laat ik in uwe armen sterven!
ORPHISE.
Wat hebben de tegenspoeden hem doen veranderen. Maar die stem, my zoo waard... Is ’t een droom?
CENIE.
Vaar wel, Clerval.
CLERVAL, neemende met verrukking de band van Cenie, tegens Dorsainville.
Myn Vriend, geeft aan Mevrouw de hand.
DORSAINVILLE.
Wat zie ik?.... Ik kan niet meer twyfelen.
ORPHISE.
Hy is ’t!.... Ik sterf!
DORSAINVILLE
ô Ongelukkige Echtgenoot! Open uwe oogen: erken de allergelukkigste der Menschen, en de allertederste man.
ORPHISE.
Dorsainville!.... Waarde Man!.... Door wat geluk?.... Cenie, omhels uw Vader.
DORSAINVILLE.
Hoe! Cenie myn Dochter? Hemel, gy overlaad my met weldaaden!
DORIMOND.
Hoe! Mynheer....
CLERVAL,
Ja, Mynheer. De Marquis Dorsainville vind in uw huis het einde van zyne rampen, en zyn geluk.
[p. 72]
DORIMOND.
Ik sterf van blydschap! Mevrouw, hoe moet ik my tegens u verschoonen? Mynheer, zult gy Cenie weigeren aan de wenschen van Clerval.
CENIE.
Myn Vader, gy hebt gelezen in myn hart. Ben ik uwe goedheên waardig?
DORSAINVILLE.
Zoude ik die gevoelens, die zoo rechtmatig zyn, konnen laaken? Gy zyt aan Clerval uw goed, uw staat, en uw Vader verschuldigd.
Tegens Dorimond.
Mynheer, wanneer ik aan hem myne Dochter geef, voldoe ik nog in geenen deele, aan ’t geen ik hem schuldig ben.
CLERVAL.
Cenie.... Mevrouw.... Myn Oom, nu gy my gelukkig maakt, zult gy, hoope ik, aan myn broeder het verschrikkelyk ongeluk van uwe ongunst niet laaten?
DORIMOND.
Ik zal hem zoo veel geven, dat hy rykelyk kan leven in zyn Vaderland. Maar ik zal hem nooit zien. Kom aan, laat ons t’zamen leven, tot dat de dood ons scheidt.
ORPHISE.
Geniet, Mynheer, de vruchten van het geluk, dat gy over al de geenen, die rondsom u zyn, uitstort. Schoon de allergrootste goedheid somtyds word bedroogen, zy is nogtans de eerste der deugden.
Eynde van het Vyfde Bedryf.
Continue

Tekstkritiek:

fol. *5r Westvriesland er staat: Westvrieslad
fol. *5v diervoegen er staat: diervoegeu
p. 6 reets er staat: reest
p. 7 natuurlyk, er staat: uatuurlyk,
p. 9 Vaderlyke er staat: Vaderlylyke
p. 15 LIZETTE. er staat: LILETTE.
p. 38 u er staat: n
p. 41 hebbende er staat: bebbende
p. 53 Waarom er staat: Waaarom