Pieter Bernagie: Het studenteleven. Amsterdam, Albert Magnus, 1684.
Titelvignet: ÔNiet zonder vlekken.Ơ
Uitgegeven door Marti Roos.
Red. dr. A.J.E. Harmsen, Universiteit Leiden.
Ceneton009210Facsimile bij Ursicula
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.
Continue
[
p. 1]

HET

STUDENTE-

LEVEN,

KLUCHTSPÉL.

[Vignet: Niet zonder vlekken]

T’ AMSTERDAM,

By ALBERT MAGNUS, op den Nieuwendyk,
in den Atlas, by den Dam. 1684.
Met Privilegie.



[p. 2: blanco]
[p. 3]

COPYE

Van de

PRIVILEGIE.


DE Staten van Hollandt ende Westvrieslandt doen te weeten. Also Ons vertoont is by de tegenwoordige Regenten van de Schouwburg tot Amsterdam. Dat sy Supplianten sedert eenige Jaren herwaerts met hunne goede vrinden hadden gemaekt en ten Toneele gevoert verscheiden Werken, soo van Treurspelen, Bleyspelen als Kluchten, welcke sy lieden nu geerne met den druck gemeen wilden maecken, doch gemerkt dat dese wercken door het nadrucken van anderen, veel van haer luyster, soo in Tael als Spelkonst souden komen te verliesen, ende alsoo sy Supplianten hen berooft souden sien van hun bysonder ooghwit om de Nederduytsche Tael en de Dichtkonst voort te setten, soo vonden sy hen genoodsaekt, om daer inne te voorsien, ende hen te keeren tot Ons, onderdanigh versoeckende, dat Wy omme redenen voorsz. de Supplianten geliefden te verlenen Octroy ofte Privilegie, om alle hunne werken reets gemaekt ende noch in ’t licht te brengen, den tydt van vyftien Jaren alleen te mogen drucken en verkopen of doen drukken en verkopen, met verbot van alle andere op seeckere hooge peene daar toe by Ons te stellen ende voorts in communi forma. Soo is ’t dat Wy de Zake en ’t versoek voorsz. overgemerkt hebbende, ende genegen wesende ter bede van de Supplianten, uyt onse rechte wetenschap, Souveraine magt ende authoriteyt deselve supplianten geconsenteert, gcaccordeert ende geoctroyeert hebben, consenteren, accorderen ende octroyeren mits desen, dat sy geduurende den tyt van vyftien eerst achter een volgende Jaren de voorsz. werken die reeds gedrukt zyn, ende die van tyt tot tyt door haer gemaekt ende in ’t ligt gebragt sullen werden, binnen den voorsz. Onsen Lande alleen sullen mogen drukken, doen drukken, uytgeven en verkopen. Verbiedende daarom allen ende eenen ygelyken de selve werken naar te drucken, ofte elders naer gedrukt binnen den selve Onse Lande te brengen, uyt te geven ofte te verkopen, op de verbeurte van alle de naargedrukte, ingebragte ofte verkogte exemplaren, ende een boete van drie hondert guldens daer en boven te verbeuren, te appliceren een derde-part voor den Officier die de calange doen sal, een derde-part voor den Armen der Plaetse daer het casus voorvallen sal, ende het resterende derde part voor den Supplianten. Alles in dien verstande, dat wy de Supplianten met desen Onsen Octroye alleen willende gratificeren tot verhoedinge van hare schade door het nadrucken van de voorsz. werken, daar door in geenige deelen verstaen, den inhoude van dien te Authoriseren ofte te advoueren, ende veel min de selve onder Onse protectie ende bescherminge, eenig meerder credit, aansien ofte reputatie te geven, ne- [p. 4] maar de Supplianten in cas daar in yets onbehoorlykx soude mogen influeren, alle het selve tot haren laste sullen gehouden wesen te verantwoorden, tot dien eynde wel expresselyk begerende, dat by aldien sy desen Onsen Octroye voor de selve Werken sullen willen stellen, daer van geene geabbrevieerde ofte gecontraheerde mentie sullen mogen maken, nemaer gehouden sullen wesen het selve Octroy in ’t geheel ende sonder eenige Omissie daar voor te drukken ofte te doen drukken, ende dat sy gehouden sullen zyn een exemplaer van alle de voorsz. werken, gebonden ende welgeconditioneert te brengen in de Bibliotheecq van Onse Universiteyt tot Leyden, ende daar van behoorlyk te doen blyken. Alles op peene van het effect van dien te verliesen. Ende ten eynde de Supplianten desen Onsen consente Octroye mogen genieten als naer behooren: Lasten wy ende eenen ygelyken die ’t aengaen mach, dat sy de Supplianten van den inhoude van desen doen, laten en gedogen, rustelijk en volkomentlyk genieten en cesserende alle beletten ter contrarie. Gedaen in den Hage onder Onsen groten Zegele hier aen doen hangen den XIX Septembris. in ’t Jaer onses Heeren en Zaligmakers duysent ses hondert vier en tachtig.

G. FAGEL.

Ter Ordonnantie van de Staten

SIMON van BEAUMONT.

    De tegenwoordige REGENTEN van de SCHOUWBURGH, hebben het Recht van de bovenstaande Privilegie, voor dit Kluchtspel, vergunt aan ALBERT MAGNUS, Boekverkoper tot Amsterdam.

In Amsterdam den 20. November 1684.

_________________________________________________

VERTOONERS.

ERNST, Vader
ANNA, Moeder
} van KAREL.
KAREL, een Student, Zoon van Ernst, en Anna.
HEINTJE, Knecht van Ernst.
GRIET, Meid van Ernst.
JOOST, Knecht van een Neef van Karel.
BOUWE, Hospes van Karel.

border = 0 cellpadding = 12>Continue[p. 5]

HET

STUDENTE-

LEVEN.

KLUCHTSPÉL.
_______________________________________

EERSTE TONEEL.

ANNA, GRIET.

ANNA.
GRiet, zal het lukken? zulje gaan, of zulje blyven?
Wel ’t is bedroeft, dat men eeuwig met de Meiden moet kyven!
GRIET. Van binnen.
Juffrouw ik kom.
ANNA.
                Juffrouw ik kom! Dat het nou al een kwartier uurs, ja langer noch geduurt.
Een mensch schrikt, datmenze eens om een bootschap stuurt
(5) Zulk een gestel hebbenze. Komje noch niet, zo zal ikje straks haalen!*
GRIET. Van binnen.
Juffrouw ik kom.
ANNA.
                    Daar speeld de droes mé. Dat is nou meer als vyftig maalen.
[p. 6]
Wilje niet gaan, zo zegt het? Hoe hebje ’t in ’t zin?
GRIET. Van binnen.
Juffrouw ik kom. Juffrouw ik kom. Juffrouw ik kom.
ANNA.
                    Daar vaart de pokken in.
Ik zie, jy wilt by my niet komen, ik kom strak by
Jou. * Schaamje jou niet, dat jy me zo lang laat wachten?*
* Griet komt op het Tooneel.
(10) Wat hebje daar mé voor? kleuter! wat zyn jou gedachten?
GRIET.
Ik roep ommers Juffrouw ik kom. Heb jy dat niet gehoord?
ANNA.
Ja Aschgat, ik heb ’t gehoord. Maar wat baat dat roepen? jy gaat ondertusschen niet voort.
GRIET.
Ik doe maar een schoone Boezelaar aan, en wou myn Kap wat verzetten.
ANNA.
Zo zyn de Meiden, alsmen ’er om een bootschap zal stuuren, moetenze ’er eerst een half uur paleeren, al zoudenzer de bootschap mé verletten.
(15) Jy Kap zetten! Kladdeuni! zoumen niet meenen, dat jy de zindelykste Meid waard, van de heele stad?
Ondertusschen ben jy, gelyk al die pronke pinkjes, een Morskefoe inje hart, en hebt nau een heele tad aanje gat.
[p. 7]
Alsmenze by de straat ziet gaan, zou de waereld wel meenen,
Dat ’et Puikjes waaren, ondertusschen zynze van ondren beklontert, en de slenters hangen by de beenen.
Jy lui geeft je geld aan Kantjes, Strikken, en zulke voddery,
(20) En je hebt nau een Hemd aan ’t lyf. Maar ik zou lang praaten, eer ik dat verandert kreeg. Ga na ’t Pakhuis, zegt myn Man, dat ik gereed ben, en zegt ’er by,
Dat onze Student van Franiker t’huis is gekomen.
Maar flatter onderwegen niet, komt ras wêer, of jy moogt schroomen.
GRIET.
Juffrouw, ik zal vliegen, en ben zo dadelyk wêer hier



TWEDE TOONEEL.

ANNA, KAREL, HEINTJE.


KAREL.
Bloed, Heintje, wy leeven als kleine Koningjes, wy denken om geen studeeren, maar maaken alle dagen goede sier.
(25) Holla! ik zie Mama, ik moet van toon veranderen.
Die studie...
[p. 8]
ANNA.
                Zoon, en Hendrik, hoe hebje ’t zo drok met malkandren?
KAREL.
Mama, ik verhaal Heintje, hoe pleizierig dat de studie is, hoe ik myn uuren verdeel.
Hy beklaagt hem, dat hy maar een knecht is. Want die studie, is zo êel.
WEESRIJMHa! die studie!
Zo dikmaal als Karel van de studie spreekt, wyst Heintje, de hand aan de mond brengende, hoe men drinkt.
HEINTJE.
(30) Juffrouw ik luister met verwondering, na ’t geen ik vanje Zoon de Student, zoo geleerdelyk hoor zeggen.
’t Is niet te begrypen, zo als hy de edele studie weet uit te leggen.
Ik heb ’er zulken lust toe, ik bender als op verzot.
Ik beklaag my met reden, van het onrechtvaardig lot,
Dat myn ouders my ontroofde, toen ik in ’t vyfde School was, om dat ik toen niet mê voort kon studeeren;
(35) Ik zou met vreugde my in de studie, daar jou Zoon van gesproken heeft, laaten promoveeren.
ô ’t Is zo vermaaklyk, zo aangenaam, zo schoon...
ANNA.
Je spreekter zo smaaklyk van, en hebt ’et nooit bezocht.
HEINTJE.
Wat smaak moet dan jou Zoon
Daar wel ingehad hebben, heb ik ’er zulken lust toe, door het hooren verhaalen?
[p. 9]
KAREL.
Ja Heintje, ’t is ongemeen. Het vermaak van de studie is niet af te maalen.
ANNA.
(40) Ik verheug my, dat ikje zo genegen tot de studie vind.
Jou Papa zal het gaerne hooren, maar weest voorzigtig myn kind,
Studeer ook niet al te veel, daar zyn ’er mal geworden, datze der herssentjes te veel werk hebben gegeven.
Neem het niet te hart op myn Zoon.
KAREL.
Ha! de edele studie is myn leven.
ANNA.
Met maaten, met maaten.
HEINTJE. tegen Karel.
Een pints roemer is een goede maat.
ANNA.
Zeker ik bender in begaan.
(45) Hendrik, je moet hem dat al teveel studeeren, af zien te râan.
HEINTJE.
Juffrouw daar heb jy gelyk in, dat is nodig; want gaat hy voort met zo sterk te studeeren,
Het zou hem op konnen breeken.
ANNA.
Je mostje tusschen beide wat diverteeren.
Alsje iet hebben wilt, en Papa het * toe begeerd te staan,
Schryf het Mama dan maar, ik zal ’t je bezorgen, gelyk ik tot noch toe heb gedaan.
[p. 10]
KAREL.
(50) Ik bedank Mama.
ANNA.
Heb jy al ontbeeten?
KAREL.
Neen Mama, ik ben noch nuchteren.
HEINTJE. tegen Karel.
Dan rekenje dat mutsje Brandewyn niet?
ANNA.
Armen bloed! heb jy noch gegeeten?
Onze Tafel is al opgenomen, achter staat een gebraade Hoen,
’t Is te middag warm geweest, daar kun jy jou maaltyd mé doen.
WEESRIJMIk zal ’t de Keukenmeid belasten. ’k Moet met Papa om een bootschap gaan
KAREL.
Ik bedank Mama.



DERDE TOONEEL.

HEINTJE, KAREL.

HEINTJE.
(55) Jou Mama is bekommert voor te veel studeeren.
KAREL.
Die zorg is onnut Heintje, want gelyk ikje gezegt heb, ik kan wel zweeren,
WEESRIJMDat ik, in ’t gantsche jaar, dat ik te Franiker geweest heb, naauwlyks in een boek heb gezien.
WEESRIJMIn het eerst, mag ik zo een reis acht, of tien in het Collegie zyn geweest.
[p. 11]
HEINTJE.
Wat doeje den heelen dag?
KAREL.
Banketeeren,
(60) Eeten, Drinken, Fatoetiën, Piketten, Tiktakken, Verkeeren;
En alzulke exercitiën, die de Studenten gewoon zyn te doen,
HEINTJE.
Maar, dat doeje niet altyd? immers, dat kan ik niet vermoên.
KAREL.
Neen toch niet.
HEINTJE.
Wat doeje dan meer?
KAREL.
Vechten, kratsen, of slaapen.
Daar hebje de heele studie.
HEINTJE.
Je bent fyne knaapen.
(65) Maar vreesje niet voor Papa?
KAREL.
Vreesde ik daar niet voor, ik zou noch schoonder deunen zingen, en andere gangetjes gaan.
Ik kom nu hier om by jou te onderstaan...... ([daar wordt ge]scheld.)*
WEESRIJMMaar de droes, daar is hy



[p. 12]

VIERDE TOONEEL.

ERNST, KAREL, GRIET gaat voor* binnen.


KAREL.
Papa ik...
ERNST.

Al weer t’huis? wat is dat nou te zeggen?
’t Heeft de naam, datmen te Franiker om te studeeren zal leggen,
(70) En men is altyd t’Amsterdam.
KAREL.
Papa het is Vacantie.
ERNST.
My dunkt jou lui Vacantie duurt maar
Van den eersten January, tot den laatsten December, dat is het heele jaar.
De Ouders moeten Kamers, en alles voor het heele jaar ginter betaalen,
En de Jonkers zyn alle blaauw maandagen t’huis, en beelden ’er wel in, datmenze lustig behoorde te onthaalen;
De heelen dagh loopenze by de straat, met de degen op het gat:
(75) Die luyje bengels zyn noch groots inder Wapen, en byna te hovaardig, dat
Ze een boodschap voor de Ouders doen, of geen* brief zouden Copiëren;
’t Is strak; ik ben nou een Student, ’t zou schande zyn. Ben jy lui Studenten, zo moetje studeeren*.
Ik zou het niet langer zo verstaan.
’t Is pas acht weeken geleden, dat jyder na toe bent gegaan,
[p. 13]
(80) En al weer t’huis? Ik meende dat de Vacantie eerst tegens de Hondsdagen zou beginnen,
Hebje me zo niet gezeid? wanneer zalmen zo doende tot zyn promotie raaken, om zyn onderhoud te winnen?
KAREL.
’t Is een extraordinare Vacantie.
ERNST.
                Ordinaar, of extraordinaar, jy lui vordert ondertusschen niet.
Ik zeg noch eens, dat my al dat gevacantie verdriet.
’t Gaat niet aan, beter gezeid als gezweegen.
(85) Waar komt deze Vacantie van daan?
KAREL.
De Professor heeft een zwaare overval gekregen.
ERNST.
Waar is jou Neef, jou Contubernaal.
KAREL.
Die is mé gekomen.
ERNST.
’t Is wel, ga maar heen.
Flus zal ik jou nader spreeken.



VYFDE TOONEEL.

ERNST, ANNA.


ERNST.
Mama willenwe gaan?
ANNA.
Ik ben te vrêen.
[p. 14]
Als ’t je belieft Papa, maar wilje jou Zoon eerst niet eens spreeken?
ERNST.
Ik heb hem gesprooken, en met eenen lustig doorgestreeken
(90) Die Bengel is altyd hier.
ANNA.
Ja wel Hartje, ik weet niet watje bedryft?
Je doet zonden, datje zo een schiklyk Jongman bekyft.
Hy studeert eer te veel, als te weinig, Hendrik zouje kunnen zeggen,
Hoe vol dat zyn harssens vande studie leggen;
Ik weet niet hoe hy het al kan verdraagen in zyn hoofd,
(95) Hy is zo naerstig, en zo verstandig, dat ik het myn dagen niet had gelooft;
Als hy hem maar niet mal studeert, ik bender al heel in verlegen,
Daar zynder genoeg, die ’er een krankzinnigheid van hebben gekreegen.
WEESRIJMDie studie leit my zo zwaar op ’t hart.
ERNST.
Myn lieve Mama, weest daar niet eens bekommert voor, het studeeren gaat by de Studenten hedendaags zo niet aan,
(100) Datmen daar voor hoeft te vreezen. Maar ’t is hoog tyd, ze zullen wachten, laat ons gaan.
Hendrik! sluit de deur.



[p. 15]

ZESDE TOONEEL.

HENDRIK, KAREL.


KAREL.
Zynze weg?
HENDRIK.
Ja, maar je moogt vreezen,
Zoje Papa het ontdekt. Bloed! hoe heeft hy jou de Grammatica geleezen;
KAREL.
Heintje, ik bender zo bang veur, dat ik van angst nau weet wat ik doe.
Ik vrees, dat Papa van alles onderrecht is.
HENDRIK.
Maar hoe?
(105) Op wat wyz’? van wie?
KAREL.
Ik zaltje zeggen.
De Hospes, daar Neef Lichthart, ik, en meer andere Studenten t’huis leggen,
Is op ons gebeeten, wy hebben hem bedrogen, uitgestreeken, en misleid.
Al myn vrees is, dat die ons een lelyke trek bereid.
Hy was van huis, men zocht het voor ons te verbergen, maar vergeefs. Zo ras wy dit hadden vernomen,
(110) Besloten wy op ’t spoedigste over te komen.
’k Geloof dat hy in deze stad is, ’k zal ’t aanstonds hooren van Lichtharts knecht, die ik ieder oogenblik verwacht.
Hy isser na gaan verneemen, op een plaats daar de Franikers logeeren.
[p. 16]
HEINTJE.
Jy hebt het al heel ver gebragt,
Datje byje Mama zo wel staat,
KAREL.
Dat moet ik jou dank weeten.
Hein ik zal ’t je zo beloonen.
HEINTJE.
Dat werd gemeenlyk als de dienst gedaan is vergeeten.
KAREL.
(115) WEESRIJMIk zweer dat ik het je vergelden zal.
HEINTJE.
Maar hoe kwam je aan ’t geld, daarje dat altemaal van hebt konnen doen?
Ik weet wel datje Mamâ je veel toesteekt, maar dat kan daar niet aan helpen, op wat fatsoen
Krygje ’t?
KAREL.
Ik zaltje vertellen.
We koopen somtyds, twintig, dertig, ja veertig gulden aan Boeken, die we op de reekening laaten stellen;
(120) WEESRIJMDie boeken verkoopen we voort weer by een andere Boekverkoper Contant, voor wat minder.
Al myn goed, de Gordynen van myn Bed, zelf al myn Dekens, op één na zyn verkocht.
HEINTJE.
Hoe hebje dan deeze koude winter deur gebrogt?
KAREL.
WEESRIJMHeel wel. Als ik koud wierd, kreeg ik een pakket met rekeningen voor den dag, die ik schuldig [p. 17] ben, aan de Waerden, Kaatsbaan-, Pok-meesters, Pasteibakkers, Wynkopers, enz. ik leize op myn Bed, die maakte me zo bang, dat ik aanstonds begon te zweeten;
Ja tienmaal meer, of ik een halve schelling Driakel had gegeeten,
(125) WEESRIJMSpyt Apteekers zweet drankjes.
HEND.
Maar zou het niet veel beter zyn, datje naerstig studeerde, om totje promotie te geraaken?
KAREL.
Wel neen.
Als ik nou al Dokter was, wat zou ’t dan wezen? van twintig is’er nau één,
Die in praktyk raakt. En stel, ik raaker al in; dan most ik alle dagen aan myn ooren,
Het krochen, en steenen vande Besjes, en van de Zieken hooren.
(130) Ik hou meer van vreugden, als verdriet.
Kermen, en klaagen te hooren gelykt my niet.
Daar heb ik geen lust toe. Ik wil veel liever een Roemer ouwe Rinse Wyn, als stinkende pis bekyken,
En onder de neus hebben. Zodat het Doktooren my niet zou gelyken.
HEND.
WEESRIJMWord Advokaat.
KAREL.
(135) Daar ben ik te Conscientieus toe; veele van dat volk winnen de kost, met valscheid, en bedrog.
Zynder niet, die pro, en Contra adviseeren? ik zou ze je noch
Wel konnen noemen. Maar waarom zou ik toch studeeren?
Myn Vader heeft meer geld, als ik me leeven kan verteeren.
[p. 18]
WEESRIJMHy is oud, ja al te oud. Want ik reken dat hy al in het myne zit. Ik ben een eenig zoontje.
HEINTJE.
(140) ’t Is wel inpertinent, dat hy noch niet sterft.
Zend hem om protrest* t’huys
KAREL.
Als iemand tot myn jaaren komt, en myn humeur heeft, is ’t nootzaaklyk, dat hy dikwils wat erft.
Daar zyn ook zo veel Advokaaten, datmen der de kakhuizen me zou bedekken.
Wat zietmen ’er alle dagen? En alsmen al gepromoveert most werden, ’t zyn groot* gekken
Die veel daarom studeeren; want alsmen een Professor op zommige Academien de handen maar smeert,
(145) Je werdt, en noch wel summa cum laude gepromoveert.
Maar wat helpt toch het promoveeren? hoe veele zietmen der met kakhielen loopen:
Die der bul wel om een twintig gulden daar na wêer zouden willen verkoopen;
Want ze winnender niet een duit mee.
Joost roept van buiten, hem! hem!
KAREL.
Doet op, ’t zal Joost zyn, ik hoor het aan zyn stem.
(150) WEESRIJMDe afspraak was, dat hy dit teeken zou doen.



[p. 19]

ZEVENDE TOONEEL.

KAREL, HEINTJE, JOOST.
JOOST.
                    Hem! hem!
KAREL.
Joost hoe hebje ’t gevonden?
JOOST.
Myn Heer het kan niet slimmer, ’k vrees dat ’et zal honden.
KAREL.
Is de Hospes in de stad?
JOOST.
Noch arger.
KAREL.
Hoe kan het arger zyn?
JOOST.
Wel tienmaal arger!
KAREL.
Helpme uit de pyn.
JOOST.
(155) Hy is in de stad, en zal byje Papa zo dadelyk komen.
Ik hebt ’t uit de mond van de Waardin vernomen.
KAREL.
Zo heeft hy Papa noch niet gesprooken?
JOOST.
Neen.
KAREL.
Weet jy ’t wel?
[p. 20]
JOOST.
Ja.
HEINTJE.
Maar mag ik der vast op gaan?
JOOST.
Ja, ja, ja, ja, ja; zeg ikje tienmaal, weest te vrêen.
KAREL.
Och Heintje! hoe stel ik het! je kend Papa, hoe zal ik het klaaren?
(160) Ik weet myn leeven geen raad, hy zal hem zulke staaltjes openbaaren!
HEINTJE.
Wat slag van een Vent is het, snedig, of bot?
KAREL.
Hy gaat veel met Amsterdamsche Schippers om, daar door spreekt hy, gelyk wy. Hy weet zyn woord redelyk wel te doen, maar’t is anders een Ezel, een zot.
Hy heeft hier in Holland, noch in Amsterdam nooit meer geweest. Men kan hem wys maaken wat men wil.
HEINTJE.
Laat my dan maar begaan, ik zal hem een rad voor de oogen draeijen,
Zo hy komt eer jou Papa t’huis is.
KAREL.
Wat zulje doen?
HEINTJE.
Die naad zal ik wel naijen.
(165) Griet is arg, zy heeft in den Haag by een groot Heer gediend, zy moetme helpen, Joost ook, ik wou dat hy maar kwam.
[p. 21]
Ik zal ’t hem heugen doen, dat hy geweest is t’Amsterdam.*
KAREL.
Zieje kans Heintje?
HEINTJE.
Ja, je moet Griet, jou Mamaas kleeren aan laaten trekken;
Ik zal voor jou Papa speelen. Indien Joost zyn reden dan maar zo weet te bedekken,
Dat hy ’t niet merkt, zal de bui, die jou dreigt pleisierig over dryven.
KAREL.
De vont is goed, ik wou, dat ik hem al zag;
(170) want hy moet weg zyn eer Papa wêer t’huis komt.
word gescheld.
HEINTJE.
Daar is hy, verbruid het maar niet, door je gelach.
Past datje gaauw bent, daar zal ’t heele werk aan hangen.
Joost laat hem in, maar houd hem op, tot ik verkleed ben.
KAREL.
Repje. Ik ben in vreeze, en verlangen.
JOOST.
WEESRIJMIk zal hem zo onthaalen, dat hy nooit wêer na dit huis om zal zien.



[p. 22]

ACHTSTE TOONEEL.


JOOST, BOUWE.
BOUWE.
Woond myn Heer Ernst hier? verexcuseer my. Zie, ik ben hier noit geweest, ik ben in Amsterdam niet bekent.
JOOST.
(175) Ja hier woond myn Heer Ernst. Aan jou weezen zou ik wel zeggen, dat jy een Franiker bent.
BOUWE.
Dat ben ik.
JOOST. geeft hem een klap.
Zyt dan hertelyk welkom uit den naam van myn Heer.
BOUWE.
Wel karel* benje bezeten?
JOOST.
Vrind, jy lykt de mannieren van myn Heer niet te weeten.
BOUWE.
Wat heb ik met zyn manieren te doen, gy slaatme dat het kraakt.
JOOST.
Ik ben ten hoogsten verheugd, dat ik zo deftig heb geraakt.
BOUWE.
(180) Ik niet. ’t Zyn verbrutste parten, dat gy in schyn van te groeten,
My slaat.
[p. 23]
JOOST.
’t Is de gewoonte van myn Heer, en zyn huisgenooten de vremdelingen, met alle eerbiedigheid te ontmoeten.
Myn Heer zou ’t kwalik neemen, zo ik jou niet na behooren had gerespecteert.
BOUWE.
Ik lach met dat respecteeren, ik hou niet van zo te werden geëerd.
Roepje Heer, ik moet hem spreeken.
JOOST.
Daar komt Juffrouw, zulje ’t die niet konnen zeggen?



NEGENDE TOONEEL.
GRIET, JOOST, BOUWE.


BOUWE.
(185) Ja. Juffrouw, ik hadje wel een zaak uit te leggen.
GRIET. Een Japonse rok aan hebbende.
Wat ben jy voor een kaerel?
BOUWE.
                Ik ben Bouwe Jarigs van Franiker, Hospes van uw zoon.
GRIET.
Ben jy Bouwe Jarigs van Franiker, Hospes van myn zoon. Dan moet ik met jou spreeken op een andere toon.
Excuseert my, dat ik jou zo fors toe heb gegraauwt, Pagie, onthaal die vrind na behooren,
Doet hem dubbelde eer aan.
[p. 24]
BOUWE.
Dat behoeft niet, ik bedankje.
GRIET.
Bewyst hem dubbeld respect, of verwacht myn ongena en tooren
JOOST. geeft hem noch een klap.
(190) Zyt nochmaals wellekom, myn Heer.
BOUWE.
ô bloed! ô bloed!
Wat duiker doeje?
JOOST.
Hy is verwelkomt.
GRIET.
Goed.
Introduceer hem ter Audientie.
BOUWE.
Ik hou daar niet van. ’t Zyn drommelse grillen.
Wie het zyn leeven van zulke dingen gehoord.
GRIET.
Jou behoorlyke eer, en respect...
BOUWE.
Ik zegje noch eens, dat ik die eer liever zou missen willen.
GRIET.
Geensins Heer Bouwen, vergeef het my, myn goede vrind,
(195) Zou ik de Hospes van myn kind,
Niet na behooren onthaalen?
BOUWE.
Zeker, ik kan niet tegens die Complimenten, myn [p. 25] hoofd begint ’er af te maalen.
Wy zyn dat niet gewent. Ik ben maar een burgerlyk man.
GRIET.
Wel om dat jy ’t zo ernstig verzoekt, sta ik het toe, maar onder Conditie, datje dan
(200) Jou daar na niet beklaagd, dat jou geen eer genoeg is beweezen.
BOUWE.
Juffrouw gy hoeft daar voor niet te vreezen.
Ik bedank u meer, of ik het genoot. My is al te veel Eer, en Complimenten geschied.
Ik verklaar u, dat het my voorlang al verdriet.
GRIET.
WEESRIJMWel nu, wat is de bootschap?
BOUWE.
(205) Uw Zoon... maar ik durf het kwalyk openbaaren.
GRIET.
Spreek maar vry. Het zy, wat het zy, wilt het vry verklaaren.
BOUWE.
Uw Zoon heeft een jaar by me gewoond, en hy heeft me noch niet een duit, verschoten geld noch Kamer huur gegeeven, ik bid...
JOOST.
Hoe! jy spreekt staande, wat is dit?
Geen mensch mag tegen onze Juffrouw anders, als knielende spreeken.
(210) Buigje knien, of ik zalze met stokslagen breeken.
BOUWE.
’t Is hier een drommels huishouden. Nou om ’er af te raaken. Juffrouw hebt gy wel verstaan,
[p. 26]
Wat ik verzoek?
GRIET.
Zegt het man, daar komt hy aan.



TIENDE TOONEEL.
GRIET, HEINTJE, Een Japonse rok aanhebbende,JOOST, BOUWE.


GRIET.
Hartje, zie daar de Hospes van onze zoon.
HEINTJE.
Is by al verwelkomt na behooren?
BOUWE.
Jan* myn Heer, zeker ik heb meer eer genoten als ik verdiend heb.
HEINTJE.
De tyd is dan eindelyk gebooren,
(215) Dat ik de Hospes van myn zoon, in myne armen verwellekomen mag!
ô Gelukkige uur! ô aangenaamen dag!
BOUWE.
Myn Heer, laat los, laat los ik smoor! gy drukt me aan flerden.
HEINTJE.
Zyt hertelyk wellekom.
BOUWE.
Laatme toch een weinig aasem scheppen ik kan ’t niet herden.
HEINTJE.
Ga zitten myn Heer. Joost geeft noch een stoel.
(220) Myn huishouding is groot, verveelt jou ook ’t gewoel,
[p. 27]
Zo zullen wy in een andere kamer gaan.*
BOUWE.
Neen, ik zal u maar in ’t kort verhaalen,
Waarom ik hier ben gekomen. De Ouders hooren menigmaalen
Niet gaerne de fouten van de Kinders. Maar van myn Heer
Heb ik andere gedachten.
HEINTJE.
Myn vrind, ik begeer,
(225) Dat jy de waarheid zegt. Studeert myn zoon naerstig?
BOUWE.
Ja, al te naerstig.
HEINTJE.
WEESRIJMDat is myn lief.
BOUWE.
Maar datje me wel verstaat, ’t is niet in de boeken.
HEINTJE.
Waar in dan?
BOUWE.
Inde Kaatsbaanen, Hoerhuizen, Trokken, Troeven, sies sinken in de hoeken.
(230) zo*
HEINTJE.
WEESRIJMKan hy dat?
BOUWE.
Ja wonderlyk. Glazen uitsmyten, Kloppers af draijen, en Schellen steelen kan hy ook.
Ze zetten hy* Vaatje op de Tafel, en scheyden niet voor dat het uit is, dan loopenze ’s nachts langs de straaten, hy ranst de Vrouluy aan, zetze af, [p. 28] en doetze voor hem vlugten, als voor een spook.
Zo Studentje te speelen, de lui af te zetten, en te krassen is zyn dagelyks werk, ’t is niet om te beschryven,
(235) Wat een baldaadigheid, dat die moetwillige Messieurtjes op de Academien bedryven.
Ik kan geen huis met hem houden, daar by, heeft hy me noch niet een duit aan geld
Gegeven. Hoe wel ik weet, dat gy het hem al toe hebt geteld.
De Professors, betaalen zy ook niet. De Boekverkoopers rekeningen zyn vol valsche praktyken.
De Ouders hier t’Amsterdam, meenen dat die dingen zyn gelykze gelyken,
(240) En ’t isser ver van daan. Ze maaken met de Boekverkoopers een Accoord,
Die gevender een deel Contant geld, ik heb het zelf gezien, en gehoord:
En men zet dan Boeken op de rekening, die nooit voor ’er zyn gebonden,
En zo werd de reekening na de Vader gezonden.
Om kort te gaan myn Heer, en u niet langer op te houden, daar hebt gy brieven, één in ’t Fransch, en één in ’t Latyn.
(245) Ze komen van een Professor, en van een ander Heer, ik weet wel, dat den inhoud u niet aangenaam zal zyn.
WEESRIJMMaar......
HEINTJE.
            Kun jy Latyn?
[p. 29]
BOUWE.
Neen.
HEINTJE.
Fransch?
BOUWE.
Neen.
HEINTJE. Ziet in de Brief.
Wel Kaerel scheerje de gek met my, hoe is het gelegen?
Altyt in de Latynsche Brief werd myn Zoon geprezen.
BOUWE.
Leest hem eens te degen.
HEINTJE.
Of ik hem ééns, of duizend maal lees, zie, daar staat; nebulo, dat is te zeggen, een schikkelyk knecht.
(250) En daar staat; nequam, en daar, ebriosus, deze woorden recht,
En naaukeurig overgezet, beteekenen zo veel, als nuchteren, vroom, met goede zeden.
En daar, staat Dignus patibulo, dat is te zeggen, waerd een hooge plaats te bekleeden.
BOUWE.
Ik bidje, datje de Fransche Brief dan eens ziet.
HEINTJE. Ziet in de brief.
Die getuigd het zelfde, dat hy naerstig studeert.
BOUWE.
Studeert hy naerstig! dan versta ik het me niet.
(255) WEESRIJMMaar het kan niet weezen.
[p. 30]
HEINTJE.
Daar staat, un filou. Dat beteikent kloek in het studeeren.
En daar, je kont het zien, un traitre, un Coquin, un bougre, un deboché. Dat is, die al de Studenten te boven gaat in ’t leeren.
Un sauvage, un ivrongne. Dat is, nuchteren, en bequaam.
Wel vrind, die brieven zyn my ten hoogsten aangenaam.
BOUWE.
(260) Jawel, al watze van hem schryven is gelogen.
HEINTJE.
Wat meende jy datze schreeven?
BOUWE.
Ze hebben me bedrogen.
Zy klaagden nog meer over hem, als ik. Ze zeggen, dat hy het heele Collegie ontstichte, zy hebben my zelve aangepord
Dat ik hier na toe zou gaan. Ja wel, hoe datmen uit gestreeken word!
Zyn dat Professors? Wel hoe komt dat schryven over een met de woorden,
(265) Die wy voor myn vertrek van haar hoorden?
HEND.
Maar Kaerel, in ernst, kunje geen Frans, noch Latyn?
BOUWE.
Neen, zeker niet.
[p. 31]
HEINTJE.
Ik kan het zo veel te beter. Bestia. Dan ben jy ook niet waerd, Hospes van zo veel geleerde Studenten te zyn.
Quid asino? vous calangeer? Jy zo te spreeken
Van Studiosi docti? Men behoorde jou de beenen te breeken.
(270) Het Respectum personarum, heb jy, in de vierde graad geledeert.
Je vous payerai, bougre, datje myn Zoon zo hebt gescandalizeert.
BOUWE.
Myn Heer...
HEINTJE.
He! que de myn Heeren.....?
Je vous jure, fatal! ik zalje zo dadelyk de rug laaten smeeren.
GRIET.
Nou Hartje, vergeeft het hem deze maal.
HEINTJE.
(275) Per intercessie van myne Gemalinne pardonneer ikje. Zy is Cause movet,* dat ik het niet op jou verhaal.
He!
BOUWE.
Myn Heer...
HEINTJE.
Past my zo dadelyk uit de stad te retireeren.
Zy verzekerd, zo ikje weer rencontreer, dat ikje zal anatomizeeren.



[p. 32]

ELFDE TOONEEL.

BOUWE, JOOST.


BOUWE.
Myn.......
JOOST.
            Zwyg kort, en ga voort. Je komt ’er gelukkig af.
Had Juffrouw niet voorje gesprooken, jy waard al tot kaf.
BOUWE.
(280) Gelukkig af! ik heb de huit vol slagen, en geen geld gekreegen, en zou ik zo moeten vertrekken?
JOOST.
Ja, ten zy gy lust hebt, omje noch dicht af te zien dekken.
BOUWE.
Ik ga, maar ik ben in een stad van recht.
JOOST.
Jy myn Heer dreigen! Kaerel weetje wel watje zegt?
Maar ik hoor iemand aan de deur, dat zal de Broêr zyn van myn Heer, het is hem half in de harssenen geslagen.
(285) Nou meugje denken, dat de beenen jou niet uit dit huis zullen draagen.
BOUWE.
Waarom? wat scheeld hem?
[p. 33]
JOOST.
                        Hy beeld hem in, dat dit zyn huis is, en noch veel andere zotterny.
Tegens ons is hy wel, je zoud zeggen, hy is wys; maar wy
Zyn hem gewent. Al die geen Frans kan, wil hy vermoorden.
Kunje zo niet tien, twintig woorden?
BOUWE.
(290) Neen. Hoe stel ik ’t?
JOOST.
                    Daar schiet me wat in.
Houje stom, ik zal wel zien hoe ik het begin.



TWAALFDE TOONEEL.

ERNST, ANNA, JOOST, BOUWE.

Ernst opend de deur van buiten.

JOOST.

Dagh myn Heer.
ERNST.
Wel Joost? wat komje zeggen?
Wat is dit voor een man?
ANNA.
Papa, ik zal myn Kapers eens af gaan leggen.



DERTIENDE TOONEEL.

ERNST, JOOST, BOUWE.


JOOST, trekt Ernst ter zyden.
’t Is een Franschman. Myn Heer zend* hem, dat jy hem een weinigje byzetten zoud,
[p. 34]
(295) Hy heeft hem ook wat gegeeven. Hy heeft een Vader, die is oud.
ERNST.
Monsieur, d’ou vienne vous?
JOOST. stil tegen Bouwe.
                ,, Merkt hy, dat jy ’t niet kond spreeken,
,, Hy zalje de hals, en beenen breeken.
ERNST.
Parlé. Hy moet beschaamt zyn. Parlé Franche-man.
Joost, hy antwoord niet, misschien dat hy niet wel hooren kan.
(300) Monsieur d’ou vienne vous, Parlé! hoe heeft hy het niet in ’t zin.
Quoi! vous, vous mocque de moi! hy houd de mond toe, hoe ik begin.
Que Diable.....
JOOST. tegen Bouwe.
,, Daar komt het hem weer aan.
ERNST.
Ou est vostre langue?
’t Is een Bedrieger, men behoorden de gemaakte Landloopers te hangen.
JOOST, tegen Bouwe.
,, Heb ikje het niet gezeid?
ERNST.
(305)                 Parlé, parlé, te diesje.
BOUWE.
                Mom...
ERNST.
                                Parlé.
[p. 35]
BOUWE.
                                                Mom...
ERNST.
                                                                Ha! que de Mom, Mom?
JOOST.
Myn Heer, ik had hetje vergeeten te zeggen, hy is stom.
ERNST.
WEESRIJMHoe weetje, dat hy stom is? daar schuild dikwils bedrog onder.
JOOST.
                Neen toch niet, want hy heeft het me zelve gezeid.
ERNST.
Dat hy stom is?
JOOST.
                Ja.
ERNST.
                                Indien hy stom is, hoe heeft hy ’t jou dan konnen zeggen?
Neen, Neen; hier moet wat anders achter leggen.



VEERTIENDE TOONEEL.

ANNA, ERNST, GRIET, HEND. BOUWE, JOOST.


ANNA. Van binnen.

(310) Jou vod, jou guit!
ERNST.
Mama wat is ’er te doen?
ANNA.
Dat is een guit, dat is een fatsoen!
Ter goeder uur zyn wy t’huis gekomen.
[p. 36]
Hy het jou, en zy myn kleeren genomen
Gelykje ziet. ’k Loof datze Commeditje speelen, ’k Zal heur leeren.
ERNST.
(315) Daar moet iet schuilen. Wat doeje met deze kleeren?
GRIET.
Myn Heer vergeef ons...
BOUWE.
                Hoe zyt gy hier de Heer?...
ERNST.
                                Ja. Ben jy niet stom?
Wat doeje hier?
BOUWE.
                Wat zyn die twe dan?
ERNST.
                                Myn Knecht, en myn Meid.
BOUWE.
                                                Is ’t waar!
                                                                HEND. en GRIET.
                                                                                Ja.
BOUWE.
Wel myn Heer, ik heet u dan wellekom.
ERNST.
In myn eygen Huis
BOUWE.
(320) Ja. Ze hebben me zo gebruid, en haar voor de Heer, ende Juffrouw uitgegeeven.
Ik kom hier van Franiker, om u ’t ongebonden leven
Van uw Zoon Karel, daar ik de Hospes van ben, te doen verstaan.
[p. 37]
Uit deze twe brieven zulje ’t zien. Guit ik zal u betaalen voor uw slaan.
ERNST. De Brief geleezen hebbende.
Vrind ik blyf dankbaar, en zalje beloonen.
(325) Maar die vagebond, en pry zal ik toonen,
Hoemen zulk volk straft. Ga me achter, ik zalje doen zien voorje oogen,
Hoemen een Zoon moet kastyden, die zyn Ouders zo schandelyk heeft bedrogen.
tegen Joost.
Ik zal ook maaken dat jou Heer, jou niet zal laaten ongestraft.
BOUWE.
                Nou staatmen en kykt.
ANNA.
                                Papa, ik bid.....
ERNST.
Spreekt me niet voor hem, daar moet raad zyn in verschaft.



VYFTIENDE TOONEEL.*

ERNST, ANNA, BOUWE, JOOST, HENDRIK,
GRIET, KAREL.

KAREL, Knielende.
(330) Papa, ik weer ik heb misdreeven,
Ik bid wilt my die fout vergeeven,
’t Zal nooit na deeze weêr geschien.
ERNST.
Daar zal ik ook wel in voorzien;
[p. 38]
’k Zal jou die parten wel beletten
(335) En jou vandaag noch in een Apotheekers, of Barbiers winkel zetten.
En zo jy dan, de alderminste fout wêer begaat,
Smyt ik jou op een Oost-Indisch Schip, en zend je weg voor Soldaat.

EINDE.
Continue

Tekstkritiek:

De verzen zijn niet metrisch en verschillen onderling van lengte. Wij hebben vss. 29, 54, 57, 58, 67, 98, 115, 120, 123, 125, 134, 139, 150, 173, 204, 227, 231, 246, 255 en 307 als weesrijmen beschouwd. De tekst is opmerkelijk onzorgvuldig gezet. In de druk met het titelvignet: Latet Quoque Utilitas komen de meeste van de volgende zetfouten niet voor:
vs. er staat:
p. 9 : het toe lees: het niet toe (als in alternatieve druk)
p. 12 : voor lees: voort (als in alternatieve druk)
[handmatige verbetering met potlood: naar]
: geen lees: een (als in alternatieve druk)
: stndeeren lees: studeeren (als in alternatieve druk)
p. 18 : protrest lees: protest (of een doelbewuste verbastering?)
: groot lees: groote (als in alternatieve druk)
vs. 166 Amsterdam er staat: Amsdam p. 26 : Jan lees: ja (als in alternatieve druk)
vs. 221 andere er staat: andete
: Volgens de handmatige aantekening hoort zo bij de volgende regel
: hij lees: het (als in alternatieve druk)
p. 31 : handmatige verbetering met poltlood: movens
v——r vs. 330 vyftiende er staat: veertiende