Herdruk van de elegie Ad judices Tholosanos, met vertaling door A. Kluit.
Leiden (Petrus van der Eyck en Johannes le Mair) 1765.
Gebruikte exemplaren: KBH 762 D 22 : 3, UBL 363 B 10 : 1.

Continue
[fol. A1r]

PETRI BURMANNI

SECUNDI

ELEGIA

AD

JUDICES THOLOSANOS,

SENIS INNOCUI

JOANNIS CALASI

CARNIFICES.

Altera editione auctior, et Belgicis numeris versa.



[fol. A1v, A2r]
AD

JUDICES THOLOSANOS,

SENIS INNOCUI

JOANNIS CALASI

CARNIFICES.


AAN

DEN BLOETRAAT TE TOULOUSE,

BEULEN

VAN DEN ONSCHULDIGEN GRIJZAART

JEAN CALAS.

Gevolgt naar het Latijn van den Hr. Mr. PIETER BURMAN,
Hoogleeraar der Welsprekentheid, enz. enz.
Vos Erebi pestes, Stygiique ministra Tyranni
    Turba, Acheronteis edita monstra vadis!
Gij pesten van de Hel! vorst Plutóos vloekgenoten,
    Uit ’s afgronts kerker opgedondert naar onze aard’.
Qualia nec generat latebrosis Daunia silvis,
    Nec rabido tellus foeta leone Jubae;
Gij, wien geen ondier uit het Daunisch wout gesproten;
    Geen Afrikaansche leeu in wreetheit evenaart;
(5) Qualia in Armeniis non rupibus ubere tigris,
    Asperave Arctoa non alit ursa nive.
(5) Geen woeste tijger voor haar welpen op zou kweken;
    Geen Noortsche boschbeerin zou zogen aan haar borst:
Niliaco soboles Busiride saevior, et qui
    Humano indomitos viscere pavit equos!
Voor wier verwoetheid zelf Busiris zou verbleeken,
    Met hem * die menschen voor zijn hengsten werpen dorst.
* Diomedes.
Concilium infandum, detestandumque tribunal,
    (10) Pollutum innocuo sanguine, turpe forum!
Vervloekte Bloetraat, tuk op heilloos vierschaarspannen,
    (10) Zoo schelmsch met menschenbloet, onoozel bloet, bevlekt.
[fol. A2v, fol. A3r]
Aeacus infernae quod judex devovet aulae,
    Horret et Eumenidum quod furibunda cohors.
Wien richter Aeacus zijn Helhof uit zou bannen:
    Die zelfs der Razernij’ tot enen gruwel strekt.
Foeda Tholosani, populisque invisa, Senatûs
    Opprobria, aeternis dedecorata notis,
Ontaart Toulouser hof, aan ’s werelt uiterste assen
    Gehaat, met zwarten inkt geteekent t’uwer blaam,
(15) Flumina quas numquam sinuosi tota Garumnae,
    Nec Rhodani rapida deleat amnis aqua;
(15) Een blaam voor eeuwig, die gij nooit met all’ de plassen
    Van Rhône of van Garonn’ zult wisschen uit uw’ naam;
Vel si Tectosagos imitata piamine dextra
    In patrios aurum mergeret omne lacus.
Noch, met den Tectosaag, verzoenen, af zult weren,
    Door al ’t Toulouser gout te plompen in den vloet. (*)
(*) JUSTIN. Histor. L. XXXII. c. 3 §. 9.
Ecquid adhuc oculos ad Solem tollitis altum,
    (20) Icta nec a radiis lumina vestra cadunt?
Hoe? durft gij ’t aangezicht noch naar ’t heldre zonlicht keeren?
    (20) Bezwijken de oogen niet, getroffen door dien gloet?
Ecquid tellurem pedibus calcare nefandis
    Pergitis, et stabili, qua lubet, ire via?
Hoe? durft uw snoode voet zich schroomeloos vermeten
    Langs de aard’ te treden? jaagt die aarde u, schok op schok,
Nec tremitis, terrae ne Vos compage soluta
    Tartarus in coecum devoret ore chaos.
Geen duizent angsten aan, dat de afgront, opgereten
    En losgeborsten, u in zijne kaken slokk’?
(25) Aut capita in scelerata repens ruat arduus aether,
    Vel Jovis Ultoris fulmina justa petant.
Of dat u ’t luchtgevaart d’onzaalgen schedel pletten,
    Of u de bliksem van Jupijn ter aard’ zal slaan?
Ecquid adhuc placidae secura per otia noctis
    Inriguo Morpheus corpora rore fovet?
Hoe? kuntge in stillen nacht u noch tot rusten zetten?
    Brengt u de Slaapgodt noch verkwikkent sluimren aan?
An membra adsiduo potius concussa pavore
    (30) Ponitis in duris inrequieta toris?
Of? doet een grilling door de leên u ijlings rijzen,
    Daar schrik en angst u steets bespringt op ’t harde bed;
Quum lacera, et multa saniet* foedata CALASI
    Exanimis somnos excutit umbra leves.
Daar, daar de ontzielde schim van dien vermoorden, grijzen,
    Onschuldigen CALAS u, slag op slag, ontzet;
Umbra Senis sancti, canis veneranda capillis,
    Lurida sed, tabo squalidaque ora gerens,
Zoo als hy, bleek en blaau, besmeurt, bebloet, beëttert,
    Afzichtig van gelaat, door onverdiende straf
(35) Supplicio indigno fractis vix ossibus haerens,
    Pro pudor! infami dilaniata rotâ.
Bezwaarlijk hangt aan een, verbrijzelt en geplettert,
    Toen hij op ’t gruwzaam rad den laatsten dootsnik gaf;
[fol. A3v, fol. A4r]
Vulneraque ostentans, vestro quae plurima probro
    Intulit inmerita carnificina nece.
En u zijn wonden toont, die schuldloos, t’uwer schanden,
    De moortbeul op ’t schavot hem toebracht zoo verwoet,
Sed negat, orbatam, Catilinae more nefandi,
    (40) Sanguine se prolis conscelerasse domum.
En uitkrijt, dat hij nooit, als Catilijn’, zijn handen
    (40) En huis bezoedelt heeft met eigen kinderbloet.
Ad latus innocui stat Filius ipse Parentis,
    Criminis inmunem qui probat esse Senem.
De Zoon, aan ’s Vaders zijde, ontdekt, verklaart voor zeker,
    Dat de oude Grijzaart nooit zulk schelmstuk dacht of wist:
Porrigit hic Vobis en pocula plena cruoris,
    Sanguineam valeant quae saturare sitim.
Duwt u den moortkelk toe, en eischt, dat gij dien beker
    Vol merg en etter zuipt, en uwen bloetdorst slist.
(45) Testaturque Deos, et vestrae conscia fraudis
    Numina, sacrilego quae violata foro;
(45) Hij neemt de Godheit tot getuigen, die ge, o snooden,
    Verfoeilijk hoont, maar wier uw schendaat is bekent.
Per Superos, quorum si Vos reverentia tangit,
    Et per Legiferae jura sacrata deae;
Bij Godeneerbiet, zoo gij eerbiet hebt voor Goden;
    By Themis, die niet duldt, dat men haar rechten schendt;
Per Mare, per Terras, per, qui videt omnia, Solem,
    (50) Et per Taenarii tristia regna specus;
Bij Zee en Aarde, en ’t licht der Zon, dat aarde en hemel
    Doortintelt; bij den Vorst van ’t aklig helgebou;
Per, si qua est umquam positis tellure sub ima,
    Quae jubeat dictis credere, habenda fides;
En, zoo den geesten van het onderaartsch gewemel
    (50) Bij ’t menschdom geene trou ontzegt is, bij die trou;
Per male mactati cineres genitoris adustos,
    Quos freta, vel celeres diripuere Noti;
Bij ’s vaders kout gebeent, veroordeelt ongenadig,
    In wint, in zee gestrooit, tot stof en asch verbrandt:
(55) Jurat honoratum non in sua viscera Patrem,
    Pro scelus! Aeaeas exseruisse manus.
Betuigt en zweert hij, dat zijn Vader nooit moortdadig,
    o IJslijk denkbeelt! wroette in eigen ingewant.
Quod vita integrum, diversaque sacra colentem,
    Nec solitum fictis sternere membra Deis,
Ook schreeuwt hij wraak, dat men een gijzaart, rein van wandel,
    Aan enen andren dienst en heiligdom verknocht,
Judicio informi, diraeque tyrannidis astu,
    (60) Perdere sub falsa proditione Senem,
Die nooit voor valsche Goôn zich boog, door slinkschen handel
    En roekloos pleitgeding verwoet om ’t leven brocht;
Nec puduit scenae mentitam obtendere caussam,
    Vindictam Natus, quo decet, ore petit.
Noch schroomde, zulk bestaan een’ valschen glimp te geven,
    Als stont hij schuldig aan ’t verfoeilijkst gruwelstuk.
[fol. A4v, fol. B1r]
Quis licuit vobis insontem extinguere poenis,
    Vertat in auctores has Libitina, vovet.
Hij wenscht, dat all’ die straf, die de onschult dede sneven,
    Noodlottig op den kop u neêrstorte, u verdrukk’.
(65) Spondet et Ultorem, qui dedecus eluat, & qui
    Sulfure Aquitanas lustret & igne domos.
Hij spelt een’ Wreker, die dees bloetvlek af moog’ spoelen,
    En loutren Languedok door vuur en zwavelstank.
Illa namque die, qua, judice tortus iniquo,
    Carceris inpuro debilitata situ,
Men wil, dat, toen CALAS, door ’s richters schenziek woelen,
    Door ’s kerkers zwarten damp, door pijn- en folterbank
Et serie annorum titubantia menbra CALASUS
    (70) Inposuit rigidae dilaceranda cruci;
Gemartelt, stram van leên, en afgeleeft van dagen,
    Al wagglende aantradt, en zich binden liet op ’t rad;
Concita spectaculo confinia montibus altis
    Culmina Pyrenes intremuisse ferunt;
Het hoog Pyreensch gebergt’, van schrik om ’t hart geslagen,
    Op ’t aklig schouspel beefde en daverde! ja dat
Terrificumque cava pendentes rupe Gehennas
    Murmur ab adtonito sponte dedisse jugo.
De holle rotzen der Cevennes hem betreurden
    Met ijselijk geloei, gezucht, gekraak, gesteen.
(75) Non sic Deïphobum trucatum vulnere multo
    Misit ad infernos dira lacaena lacus.
Het helsch Spartaansche wijf zondt den aan stuk gescheurden
    Verminkten Deïphoob niet wreeder helwaart heen.
Non ita Dardanios foedavit sanguine muros
    Tractus Achilleis flebilis Hector equis.
Niet wreeder deedt Achill’, die Hector, aan zijn rossen,
    Langs de aard’ sleept, dat zijn brein de Troische muren verft.
Nec sic Absyrti discerptos Phasias artus
    (80) Caede cruentatis effera sparsit agris.
Noch ook Medéa, die langs struiken, stranden, bosschen,
    De leden van Absyrt, haar’ broeder, strooit en kerft.
Pro Superi! tantumne nefas, rabiemque pudendam,
    Vix Laestrygonio facta probanda gregi,
Kon Godsdienst, hemel! zulk een moortstuk, zulk een razen,
    Zulke aartsverwoetheit, die naau Laestrygoner prijst,
Quae fugiat Steropes, inmansuetusque Pyracmon,
    Ipsa vel Antiphatae regia dira tremat,
Daân, die Pyracmon zelf en Steropes verbazen,
    Waar ’s menscheneeters hof van Antiphaat voor ijst;
(85) Religio tantum potuit suasisse furoris,
    Religio facinus tam perperisse ferox!
Kon Godsdienst zulke een uitgelaten dolheid raden?
    Heeft Godsdienst zulk een drieste ontzintheit voortgebracht?
Ut probus ille Senex, sub atrocis imagine culpae,
    Sacrilegis caderet victima caesa focis!
Datge, onder deksel van verzonnen’ euveldaden,
    Den braafsten Gijzaart op vervloekte outaren slacht!
[fol. B1v, fol. B2r]
Talis in Euboica Grajorum insania quondam:
    (90) Aulide, Ulyxeis exstimulata dolis,
Een zelfde dolheit, door Ulysses list besteken.
    Deedt eer, in Aulis, met de mom van godsvrucht aan,
Fraude pia Triviae foedavit turpiter aras,
    Sanguine conspersas, Iphigenia, tuo.
Uw bloet, o Iphigeen’, langs schendige outers leken,
    Den Griek u eischen tot een offer voor Diaan.
Ah miseri! quorum servili pondere pressa
    Libertas domino sub pede trita jacet!
Rampzalig, ach ! wiens nek door slaafschen last gebogen,
    Wiens vrijheit, door gewelt, vertrapt ligt met de voet!
(95) Ter quater infelix! ferri cui terror et ignis
    Flectit inhumano colla recurva jugo!
Maar noch rampzaalger, die, met vuur en zwaart voor de oogen,
    Zijn’ vrijen hals voor’t juk eens wreedaarts buigen moet;
Qui famulam ingenio circumfert corpore mentem,
    Cogitur et rigidi jura subire fori,
Die ene slaafsche ziel in ’t vrij lijf om moet dragen,
    En, aan een vierschaar van gewetensdwang verpandt,
Cujus ad arbitrium, ritus venerata nefandos,
    (100) Dexra dat invitis non sua tura focis.
Met godloos kerkgebaar, naar ’s drijvers welbehagen.
    Op ’t outer wietook plengt met een gedwongen hant;
Ingestosque Deos animo licet abnuat, horret
    Carnificum audaces in sua fata minas.
En die, ofschoon zijn hart de Goôn, hem opgestreden,
    Verloochent, foltertuig en schittrent staal ontziet.
Sed caput et vitam, vel Sortis dona benignae,
    Quidquid et in terris dulce piumque fuit,
Maar hij, die kloek den doot durft onder de oogen treden,
    Goet, bloet, eer, aanzien, staat, en al wat dierbaar hiet,
(105) Objicere inpavido vultu qui sustinet, ut sit
    Liber, et e puro pectore sacra colat;
Met onverschrikt gelaat durft wagen, overgeven,
    Om vrij en rein van ziel te leven tot Gods lof;
Hunc manet heroae virtutis adorea merces,
    Huic patet in superas semita certa domos.
Die heet eerst recht, naar ’t loon van heldenmoet te streven;
    Dien is het spoor gebaant naar’t blinkent hemelhof.
Hac Belgae ratione feri dictata Tyranni
    (110) Sprevimus; hoc proavûm robore fractus Iber:
Onze ouders trotsten dus des Dwinglants wreede wetten.
    Hun kloekheit heeft d’ Ibeer gefnuikt, zijn’ trots verneêrt.
Bruta Quirinali nec fulmina vertice missa
    Terruerunt populum vincula ferre rudem:
Geen stompe bliksems uit het Vatikaan ontzetten
    Dat moedig volk, door boei of ijzers nooit gedeert.
Scita Tridentini neque sanguine scripta senatus
    Mentibus incussit Pontificalis apex.
Hen deedt geen Mijterkroon naar ban of vloekwet luisteren.
    ’t Bloetdorstig Trente stelde aan hunne ziel nooit wet.
[fol. B2v, fol. B3r]
(115) Serva cruentatis qui vult vincire catenis
    Pectora, et ad nutum ducere vulgus iners;
Wie slaafsche harten wil aan bloetroode ijzers kluisteren;
    Wie ’t blint gepeupel naar zijn hand wil zien gezet;
Subjectosque adigit vanas procumbere ad aras,
    Et dare fictilibus munera jussa Deis,
Wie onderdanen voor brosse outers wil doen knielen,
    En Goôn doen smoken, die de kunstnaar droomt en smeedt;
Imperet Hyrcanis, vel inhospita litora Ponti,
    (120) Et Scythiae gentas sub ditione trahat.
Die dwing’ ’t Hyrkaansche wout: temm’ de ongastvrije zielen
    Van Pontus: die betoom’ den woesten Scyth of Geet!
Non animum Batavus ferrata compede necti,
    Aut patitur freno libera colla premi;
Nooit dulde een Batavier, dat zijne ziel aan banden
    Gelegt wierde, of zijn hals door breidel wierd’ bezwaart;
Pignoraque haec caro transmittere sacra nepoti,
    Vivat ut in memori posteritate, vovet.
Hij wenscht, aan ’t nageslacht te laten de eêlste panden,
    Waardoor zijn naam in ’t hart des naneefs blijf’ bewaart.
(125) Non fora, non fuso manantia sanguine passim
    Templa, nec esuries aequa, Sagunte, tuae,
Geen kerk, noch marktpleijn, waar steets bloetrivieren vloeien,
    Geen pest, noch hongersnoot, wiens de uwe niets gelijkt,
Nec laquei, nec ligna rotae, nec stricta securis,
    Albani aut feritas prodigiosa Ducis,
Sagunt; noch strop, noch rad, noch drijgent zwaard, noch boeien,
    Noch Albáas wreetheit, die in wreetheit niemant wijkt,
Indociles servire, jugo submittere Belgas,
    (130) Subdere et imperio non valuere caput.
Kon ’t vrije Hollantshart ooit dwingen ’t juk te dragen,
    Aan snôo geweldnaars en tyrannen onderdaan.
Audiat hoc, quisquis civi nova retia nostro
    Tendere, vel Batavis regia sceptra parat.
Dit hoore, wie van nieus ons wou met zieldwang plagen,
    En onder dwinglants wenk den Batavier doen staan.
Atque utinam aeternum Patriae dos ista superstes
    Perpetuet privum non violata decus!
Die godsdienstvrijheit moet’ noch lange in Neêrlant prijken!
    O! datze onkreukbaar dure, in ouden luister wass’.
(135) Sed macula occisi pro religione CALASI
    Exsulet e fastis saeva Tholosa, tuis.
Bleef maar die bloetvlak, o Toulouse, uit uw Kronijken
    Van dien om godsdienst wreet gesneuvelden CALAS!
Ut Phalaris Siculis fuit exsecratus in oris,
    Ut Periandreae vis odiosa manus,
Was Phalaris verwenscht in der Sikaner oorden;
    Was Perianders woede afschuwlijk en gedoemt:
Fama tuis semper diris devota rigoris,
    (140) Nomen et horrori, qua patet orbis, erit.
Uw naam, Toulouse! zal, om zulk verfoeilijk moorden,
    Een schrik, een vloekwoort zijn, zoo wijt men menschen noemt.
[fol. B3v, fol. B4r]
Foedaque si serae sit posteritatis in ore
    Curia; clamabit, sanguinolenta fuit.
En mag ’t ons nakroost noch den naam uws Raats gebeuren
    Te hooren; ’t roept ,, Hij was bloetdorstig, nooit verzaadt!
Judicis, et dicet, bonitas erat illa togati,
    In placidas pecudes quae solet esse lupis.
,, Der wolven medelij’, die ’t weerloos vee verscheuren,
    ,, Was ’t medelijden van dees’ goedertieren Raat!
(145) Justitiamque omnes inmiti e corde fugarant,
    Perque nefas tetrum contemerata Themis.
,, Het recht was uit hun hart verjaagt, verschopt, vertreden,
    ,, En Themis jammerlijk geschonden en verkracht”.
At Vos pro scelere inmani, et crudelibus ausis,
    Digna suo quondam tempore poena manet.
Maar U staat eerlang straf, voor die moortdadigheden
    En wreetheên, voor de deur. De wraak neemt tijt in acht.
Pasta Meduseae mens conscia felle colubrae
    (150) Flagitii memores sentiet usque vices;
’t Ontroert geweten, ’t welk Medusáas adders knagen,
Zal stont aan stont zich zelf zijns misdrijfs zijn bewust,
Et furiis vexata suis, formidine pectus
    Adsidua stimulis punget ab ipsa novis.
Den boezem prangen, ’t hart met prikklen, nieuwe plagen,
    En angsten, teisteren, door schrik op schrik ontrust.
In se transfundet miseri tormenta CALASI,
    Et peragent partes noxa furorque suas.
De foltring van CALAS zal uwe foltring wezen.
    De naarste treurrol speelt bereits de woede en schult:
(155) Ora quoque insano gemitu, tristique ululatu,
    Inplebunt vacuas nocte dieque domos.
Daar nu ’t gehuil, ’t gekrijsch, ’t gejammer, opgerezen,
    Vol naarheit, nacht en dag, uw aklig huis vervult.
Et quicumque pedum strepitus penetrabit ad aures,
    Vindictae augurium terga prementis erit.
De minste ritzeling van voeten, ’t minst geschater
    Zal ’t schrikbeelt zijn der wraak, die op de hielen zit.
Et ferro et laqueis animas tentabitis, alto
    (160) Vel saltu in Stygios praecipitare lacus.
Gij tracht door steilen sprong, door pook, door strop, of water
    Uw ziel te braken, door die wroegingen verhit.
Sed frustra: innumeros vitam extendetis in annos,
    Ne sit inexhaustis meta modusve malis.
Vergeefs! gij zult tot straf een aantal jaren tellen,
    Die eindloos uwe ellent verzwaren boven maat;
Fata retardabunt aerumnis ponere finem:
    Optatae veniet serior hora neci.
En ’t nootlot weigren aan uw worstlen paal te stellen.
    Hoe zeerge uw sterfuur wenscht, ’t komt echter niet, dan laat.
(165) At quum pallida Mors effoetos solverit artus,
    Et Lachesis lentas ruperit atra colos;
Als dan de bleeke doot u, afgeleeft, zal smooren,
    En zwarte Lachesis uw’ taaien leefdraat kort,
[fol. B4v, fol. C1r]
Damnatae tenebras quum jam perrumpere noctis
    Tempus, et ulvosae stagna paludis, erit:
En de uur komt, om den nacht der schimmen te doorbooren,
    Een’ nacht, die eeuwig u in jammerpoelen stort;
Atque ubi Tartarea Porthmeus Vos subvehet unda,
    (170) Cocytus tumidas gurgite volvet aquas.
En gij in Charons boot den Styx zult overvaren,
    Zal Styx zijn holle golf onstuimig staan op ’t strant:
Cymbaque in adversae steterit quum margine ripae,
    Noxiaque ad Ditis venerit umbra domos;
En, als uw snoode ziel, ter naauwernoot de baren
    Op de overzijde ontslipt, aan Plutóos rijkshof landt;
Inruet invisos manes, et dente minaci
    Adpetet horrendas janitor ante fores:
Zoo zal de helhont op gehate schimmen passen;
    En voor de poort in u zijn bitze tanden slaan,
(175) Latratusque ciens, scaevum stridente catena,
    Injiciet validos ore vel ungue metus.
En jaagt, door ’t rammlen van zijn keetens, door zijn bassen,
    Door muil en klaauwen u een bevent siddren aan.
Exitiale dabunt Furiarum sibila murmur,
    Ex Orco accensas concutientque faces.
De Razemijen doen een doodlijk schuiflen opgaan,
    En kletzen u haar toorts vol helvuur in ’t gezicht.
Persephone ultrices Vobis meditabitur iras,
    (180) Nec satis ad plagas tortor et uncus erunt.
Proserpina doet all’ haar wrange wraak in top staan;
    En te uwer straf zijn beul en kruishaak noch te licht.
Letiferae visu formae, portenta ferarum,
    Obscura cingent undique valle latus.
Daar wordtge in ’t donker wout door schrikgediert bevochten,
    Dootbrakent schrikgediert, op wier gezicht gij gruwt:
Hydrarumque greges aderunt, Scyllaeque bimembres,
    Et patula flammas fauce Chimaera vomens,
Tweelijfde Scylláas, Slanggebroetsels, Helgedrochten,
    Chimeren, welker keel gesplitste vlammen spuwt;
(185) Centaurique truces, et Gorgones, Harpyiaeque,
    Quae mox supplicii nuntia signa dabunt.
Centauren, Gorgóos, en Harpyien, die u drukken,
    En voorboôn strekken van geduchte smart en pijn.
Hae famulae rapient vos ad Minoïda sellam.
    Justius in Stygia fede tribunal erit.
Dees dienaars zullen u naar Minos rechtbank rukken.
    De hellerechtbank zal gerechter rechtbank zijn.
Hic cum Fratre suo posita si sederit urna
    (190) Aeacus, in poenas promtus et aequus erit.
Zoo Aeacus hier met zijn’ Broeder ’t recht zal spreken,
    De stembus opent; is u straks uw loon bereidt:
Mollia non Vobis, sed convenientia factis,
    Jura dabit, rigidas exhibitura vices.
Hy zal u straffen; op’ zijn beurt uwe ondaat wreken,
    U wreken op het strengst, maar in gerechtigheit.
[fol. C1v, fol. C2r]
Hic etenim inferni nulla est clementia Regis,
    Hic Rhadamanteae scita severa domus;
De Helvorst is hier niet gewoon genâ te schenken.
    Hier wordt de willekeur van Rhadamant gehoort.
(195) Et grave supplicium vindex Rhamnusia poscit,
    Si quis ab injusto Judice caesus erit.
’t Rhamnuser wraakgeding weet pijnen uit te denken
    Voor zulk een Vierschaar, die onnoozelen vermoordt.
More Perilleo sic Vos cruciatibus illis,
    Quîs libuit miseros ante necare reos,
Wierdt eer Perillus met zijne eigen roê geslagen,
    De slagen van die roê, waarmeê gij andren sloegt,
Quos insons annisque gravis senioque CALASUS
    (200) Debuit ex vestri lege subire fori;
De marteling waarmeê gij de onschult, zat van dagen,
    CALAS, hebt dootgebeult, en lijf en ziel doorwroegt;
Numina torqueri laceros Erebea jubebunt;
    Quaelibet in poenas ingeniosa suas.
Zal ’t Vloekgodinnendom u deerlijk doen bezuren.
    Elk harer is op straf geslepen en geleert.
Oraque percutiet taedis furialibus usta,
    Incoquet et tostas igne Megaera genas.
Megeer blaakt u ’t gezicht met helsche fakkelvuren,
    En oog en wang wordt u verschroeit, verbraân, verteert.
(205) Tisiphone anguinis scindet latus omne flagellis,
    Alecto et laqueis guttura clausa premet.
Tisiphoné doorkerft u ’t lijff met addrenzwepen.
    Alecto wringt u bars de keel toe met den strop.
Corpora tum ferro contusa Ixionus orbi
    Injicient, celeri diripienda rotâ.
Men zal uw lichaam naar Ixions galgrad sleepen,
    Gebrijzelt en gekneust het wenden om en op.
Sed tibi, sancte Senex, sedes habitare piorum,
    (210) Elysio et placida colle quiete frui,
Maar U, eerwaarde Grijze, U gunt men zaalger oorden.
    In ’t Elyseër velt woont zoeter heilgenot.
Et purgare datur liquidis jam vulnera lymphis,
    Fractaque Lethaeis membra novare vadis.
Hier wascht ge uw wonden af aan Lethes heldre boorden.
    ’t Vergetelnat vernieuwt de leên, u afgeknot.
Supplicii pretium toleratorumque dolorum
    Hic tibi pro senio pulchra juventa redit.
Hier wordt u, voor dien hoon, die smert, dat ledeblaken,
    Uw bevende ouderdom in prille jeugt verkeert.
(215) Hic abigit luctus numquam satiata voluptas:
    Palma tibi huc domita de feritate manet.
Hier zultge, in plaats van druk, volop van wellust smaken,
    Nuge over kloekgedempte ontmenschtheit triumfeert.
Nam solamen habes: duram tua Patria sortem
    Et Rex sanguineum damnat et horret opus.
Zulk dempen troost: zie, hoe uw lantgenoten gruwen;
    Uw Vorst die bloetrol wraakt; de walg van ’t schouspel steekt:
[fol. C2v, fol. C3r]
Ossa tua et gemitu et lacrimis defensa tuorum,
    (220) Vindicat extinctum publica cura rogum.
’s Rijks hooge macht uw kout gebeente, uwe asch, door de uwen
    Verdadigt met geween, in eer herstelt en wreekt.
Haec tibi sit meriti merces extrema triumphi,
    Haec cineri spiret grata medela tuo.
Dit zij uw zege; dit uw loon; dit’s triumfeeren;
    Dit kroont uwe asch, die reets den martelgeur verspreidt.
Caussa perorata est: tutamen nobile quaevis
    Suscipit adflictae lingua manusque domus.
Elk wilde uw treurig huis met mont en pen verweren;
    Elk muntte treflyk uit: uwe onschult is bepleit.
(225) Umbra tua accedit felix Heroibus illis,
    Seu fuerit priscis, seu sociata novis;
Uw schim gaat vrolyk thans ten rei bij brave Zielen,
    Bij u, ô Zielen, die, in vroege of later tijt,
Quos male damnatos, et iniquo judice laesos,
    Ante diem saevae Fata dedere neci;
Voor uwen dag, door schuim van eetvergeten’ fielen,
    Door richters, valsch beticht, en wreet veroordeelt zijt:
Quorum Naupliades, ficto sub crimine pressus,
    (230) Secretis laetum vallibus agmen agit.
Waar Palameed’, om opgedicht verraat verwezen,
    Den blijden zangrei leidt in afgezondert oort:
Hic alii, ob purae qui Religionis amorem
    Carnificum tetra disperiere manu,
Waar andren, die de zucht voor zuivren godsdienst prezen,
    En stonden voor de leer, door beuls hant vuil vermoordt,
Te comitem excipiunt alacres, animamque beatis
    Innocuam gaudent inseruisse choris;
U gul als metgezel ontvangen, vol genoegen,
    Dat weêr een reine schim hun zalig koor vereert,
(235) Inque nemus ducunt, quod nulla invadit Erinnys,
    Nec Mors atrata condita nube caput.
U voerende in een’ beemt, wien Razernij, noch wroegen,
    Noch Doot, met aklig floers omhangen, ooit braveert:
Hic ubi non saevi metuenda est Judicis ira,
    Tincta nec insonti terra cruore madet.
Daar, waar noch ’t vinnig woên eens Richters is te duchten,
    Noch ’t schuldelooze bloet langs de aarde ooit stroomen zal.
Ite pii Manes, melioris gaudia vitae
    (240) In fortunatis ducite vera locis.
Vaarwel! oprechte Ziel: geniet de zoete vruchten
    Van beter leven in ’t volzalig geestendal.

A. KLUIT.               

LUGDUNI BATAVORUM,
APUD PETRUM VAN DER EYK,
MDCCLXV.

TE LEIDEN,
BIJ JOHANNES LE MAIR,
MDCCLXV.

Continue

Tekstkritiek:

vs. 31: saniet er staat: sanie