Joannes Nomsz: Anthonius Hambroek

Voor deze editie is gebruik gemaakt van een exemplaar in particulier bezit.
Voor vindplaatsen in openbare bibliotheken zie Ceneton06235-7
Uitgegeven door Jung-chen Chen,
Redactie dr. A.J.E. Harmsen, Opleiding Nederlands, Universiteit Leiden.
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.
Joannes Nomsz (1738 - 1803) heeft voor het schrijven van dit treurspel gebruik gemaakt van een grote voetnoot in het eerste deel (tweede boek, zesde hoofdstuk) van de eerder in 1775 verschenen vierde druk van Reistogt naar en door Oostïndiën door Wouter Schouten. Hij noemt ook Valentijn, maar de passage over Hambroek in diens Beschrijving van oud en nieuw Oost-Indiën wordt in de herdruk van Schouten geciteerd; het zal juist deze opvallend uitvoerige annotatie zijn die Nomsz tot zijn toneelstuk geïnspireerd heeft.
Een artikel over dit treurspel door Bettina Noak verscheen in Neerlandistiek.nl 01.09.
Zie over de geschiedenis van Taiwan: Wikipedia Dutch Formosa en Taiwan history on line. Een negentiende-eeuwse Nederlandse vertelling over Hambroek werd gedicht door Petronella Moens, een korte biografie in het Latijn door Petrus Hofmann Peerlkamp en een nostalgisch heldendicht door Jan Frederik Helmers.



Continue
[fol. *1r]

ANTHONIUS HAMBROEK,

OF

DE BELEGERING VAN

FORMOZA,

TREURSPEL.

DOOR

J. NOMSZ.

[Vignet: een oude rechts, twee wezen links van de bijenkorf;
onderschrift: ‘De Byen storten hier, het eelste dat zy leezen
Om de Oude stok te voen, en de Ouderloze Weezen’].

TE AMSTELDAM,

By IZAAK DUIM, op den Cingel, tusschen de
Warmoesgracht, en de Drie-Koningstraat. 1775.
Met Privilegie.



Frontispice voor de eerste druk, door S. Fokke in 1776 vervaardigd
HerdrukHambroek

Frontispice van de herdruk van Anthonius Hambroek van 1795.
Continue
[fol. *1v: blanco]
[fol. *2r]

VOORBERICHT.

Dit Tooneelstuk heeft het voordeel van op eene welbevestigde geschiedenis gegrond te zyn. Heeft eenig Christenheld door eene luisterryke daad uitgemunt, het is de predikant ANTHONIUS HAMBROEK; eene daad waarvan, buiten het bekende geval van REGULUS, misschien geen voorbeeld in eenige geschiedenis te vinden is. Ik heb my in de behandeling van myn onderwerp voornamelyk geschikt naar het geen SCHOUTEN ons daarvan, in zyne Oostindische reizen, aan de hand geeft. Ik zal de gebeurtenis van den braven HAMBROEK hier een weinig omstandig ter nederstellen; my verzekerd houdende, dat de verrassingen in myn stuk voorkomende daardoor niet zullen worden benadeeld. Het was in de voorgaande eeuw, dat de Chineesche roover COXINGA, het bloeijend eiland Formoza, gelegen op de kusten van het Chineesche keizerryk, overrompelde. Hy landde zo onverwacht, dat hy den predikant HAMBROEK, zyne vrouw, zoon en dochter, benevens vele andere voorname Christenen, in handen kreeg, hebbende deze ongelukkigen geen middel kunnen vinden om zich binnen de hoofdsterkte Zelandia te bergen. De Nederlanders overvielen de rasopgeworpenen sterktens van den overrompelaar; doch moesten, ten naasteby op dezelfde wyze als ik het in myn Tooneelstuk heb voorgesteld, zich weder, hals over hoofd, binnen de vesting Zelandia werpen, nadat de dappre hoofdman PETEL, die zich [fol. *2v] wat te verre gewaagd had, met het grootste gedeelte der zynen, was omgebracht. De dood van den zoon dezes helds heeft zich byna op dezelfde wyze toegedragen, als ik door FREDRIK, in het tweede bedryf, doe verhalen. De Chineesche overste COXINGA, verstoord door den onverwachten tegenstand, besloot een’ anderen weg dan dien der wapenen in te slaan, ter verövering van Zelandia. Hy zond den gryzen HAMBROEK naar den opperbevelhebber der Nederlanders, FREDRIK CAJET, met last om de vesting op te eischen, met bedreiging van HAMBROEK te zullen dooden, indien de bevelhebber zich bleef verdedigen; daarby voegende, wanneer HAMBROEK niet binnen den tyd dien hy hem voorschreef in het Chineesche leger wederkeerde, de echtgenoote en kinderen van dien leeräar te zullen doen in stukken kappen. Deze boodschap bragt den dappren CAJET deerlyk in het naauw: HAMBROEK was zijn boezemvrind, en twee kinderen van dien predikant waren binnen Zelandia. De vrindschap sprak in het hart van den bevelhebber, en HAMBROEKS kinderen lieten niet na, door smeeken en kermen, hem tot de overgave der vesting te dringen. CAJET was daartoe niet ongenegen; doch, daar hy van alles voor langen tyd voorzien was, vond hy zich bekommerd wegens de veräntwoording by den raad van Java, van wien hy onderstand en ontzet had te wachten. Volgens eenige berichten, stelde hy evenwel zyn’ vrind HAMBROEK de overgave voor, als ’t eenige middel om hem te redden; [fol. *3r] doch deze grootmoedige man verwierp dat voorstel, met de uiterste veröntwaardiging, en moedigde CAJET en de bezetting aan tot een’ hardnekkigen tegenstand. En noch de voorstelling van CAJET en de verdere opperhoofden, noch de tranen zyner in de sterkte Zelandia geredde kinderen, konden den edelen held bewegen om zyn leven te behouden, voor het verlies der vesting. Hy vertrok dan eindelyk weder naar het vyandlyk leger, na een smartelyk afscheid van zyne vrinden te hebben genomen, en nadat hy zyne twee ongelukkige kinderen voor zyne voeten, van droefheid en wanhoop, had zien bezwyken. Naauwlyks was hy te rug gekomen in het leger der vyanden, of hy wierd, voor de oogen zyner vrouw en kinderen, onthalsd; overladende zyne beulen met eene eeuwigdurende schande. Men kan by Schouten, Valentyn, en anderen, alles omstandiger nalezen, wat tot deze beruchte daad, en verdere voorvallen der beroemde Formozaansche belegering, betrekking heeft.
      Ik heb eenige dichterlyke vryheden in de behandeling van dit treffend onderwerp gebruikt; doch tevens my bevlytigd zo na by de geschiedenis te blyven als my immer mogelyk was. Mogt het gedrag van den edelmoedigen Christenleeräar slechts één’ vyand van het Christendom met vrucht doen zien, hoe verre het ware Christendom den mensch kan brengen, en uit welke edele beginsels de ware Christen groote daden doet; mogt myn Tooneelstuk de menschen in het gemeen overreden, dat waarlyk de triomf [fol. *3v] van onzen redelyken en beminnelyken Godsdienst bestaat, in de menschen te bemoedigen en te vertroosten in de drukkendste rampen des levens: ik zou my voor mynen arbeid rykelyk beloond achten.
      Ik weet ondertusschen wel, dat ik, in onze dagen, meer lezers en verwonderäars voor myn stuk zou hebben, wanneer ik myn’ arbeid besteed had om de leeräars der Christenen bespottelyk te maken, en de Christelyke openbaring, zo niet als verächtelyk, ten minste als onäannemelyk voor verstandige lieden te doen voorkomen; doch welke lezers en welke verwonderäars! Ongetwyfeld betaamt het niemant de goedkeuring en toejuiching van menschen te zoeken, die hunne glori stellen om verächtelyk te maken alles wat den eerbied der stervelingen meest verdient, en zichzelven ten rechtmatigen spot en verfoeijing stellen. Geen waereldsche toejuiching kan opwegen tegen het edel genoegen dat een goed voornemen, en eene goede daad tot nut der maatschappy verricht, de ziel verschaft. De groote hertog van Luxemburg betuigde, op zyn sterfbedde, dat de errinnering van een’ beker koud water aan een’ ongelukkigen ter verkwikking te hebben toegereikt, hem meer streelde dan de erinnering van alle zyne overwinningen. Zie daar een voorbeeld waardig gedurig voor onzen geest tegenwoordig te zyn, in de uren van voorspoed! Wat baat glori, groote daden, vernuftige uitvindingen, verstand en uiterlyke bekwaamheden, als de bron onzer verrichtingen niet edel, het hart niet zuiver, en ons geweten niet over ons voldaan is!
[fol. *4r]
      Ik ben verder eenigen dank schuldig aan eenige aanzienlyke personen, die my tot de behandeling van dit deugdryk en aandoenlyk onderwerp hebben aangemoedigd. En de ongemeene graagte waarmede myne overige stukken, (zo die op de Schouwburgen van ons land zyn vertoond, als die welke nimmer op een Tooneel zyn uitgevoerd,) zyn ontfangen, en noch worden ontfangen, is voor my geen kleine aanmoediging, om myne geringe bekwaamheden, in weêrwil van alle afgunst, ten nutte myner medemenschen verder te besteden.
      Ik eindig met de woorden van den grooten meester der Tooneelkunde, den onvergelykelyken RACINE: ‘Het ware te wenschen dat onze Tooneelstukken zo bondig, verstandig, zedekundig en deugdbevorderend waren, als die van de meeste dichteren der oudheid. Indien onze Tooneelstukken zo vol leerzame onderwyzingen waren; mogelyk zoude men den afkeer waarmede eenige eerwaardige Godgeleerden, en andere personen, om hunne Godvrucht alle achting waardig, tegen het Tooneel zyn ingenomen, kunnen wegnemen, en hen met den Schouwburg en de Tooneelpoëzy bevredigen. Ten minste zou men hen gunstiger over een en ander doen oordelen, indien de Tooneeldichters van onzen tyd zich bevlytigden, om de lezers en aanschouwers hunner stukken meer te onderwyzen en te verbeteren, dan te vermaken; en dus meer aan het ware oogmerk der Tooneelpoëzy voldeden.’

Continue
[fol. *4v]

PERSONAADJEN.

ANTHONIUS HAMBROEK,predikant op Formoza.
FREDRIK CAJÉT,opperbevelhebber in de sterkte Zeelandia.
FREDRIK CAJET DE JONGE,zyn zoon.
CORNELIA HAMBROEK,dochter van den predikant; echtgenoote van Fredrik
XAMTI,afgezant van den Chineeschen veldheer Coxinga.
VAN DEN BROEK,een hoofdman, vrind van Fredrik.
ELIZABETH,vrindin van Cornelia.

Het TOONEEL is binnen het kasteel ZELANDIA, op het eiland FORMOZA.


Continue

[p. 1]

ANTHONIUS HAMBROEK,

OF

DE BELEGERING

VAN

FORMOZA,

TREURSPEL.



EERSTE BEDRYF.

EERSTE TOONEEL.

CORNELIA, ELIZABETH.

      CORNELIA, in eene droefgeestige gestalte, in een’
                                    armstoel zittende.

Vrindin, laat af: uw troost kan niet dan nutloos wezen;
Men troost vergeefs een hart dat alles heeft te vreezen.

                                        ELIZABETH.
Gy vreest misschien te veel.

                                CORNELIA, opstaande.
                                            Te veel? ach! welk een taal!
Wie vreest te veel voor ’t hoofd van vader en gemaal?
(5) Beseft gy ’t gruwzaam lot van myn geliefde moeder?
Denkt ge aan myn zusters wee, en ’t leed van mynen broeder?

[p. 2]
                                        ELIZABETH.
Ik denk als gy aan ’t lot van uw geliefd geslacht;
Doch waarom vóór den tyd voor hen het ergst verwacht?
Wy zien ons, ik beken ’t, erbarmlyk overvallen.
(10) De woedende Chinees heeft rondom deze wallen
Het alles overstroomt, zyn’ wreeden aart getoont,
En licht de plaats verwoest waar al uw maagschap woont;
Maar mooglyk zyn de geen waarvoor wy u zien beven,
By tyds ’t gevaar ontvlugt, en heden noch in ’t leven.
(15) De grond tot hoop, vrindin, is waarlyk niet gering.

                                        CORNELIA.
Een zwakke troost die steunt op loutre twyfeling!
ô Fredrik, myn gemaal! zo moedig uitgetogen,
Tot stuiting van ’t geweld van Chinaas krygsvermogen...
Licht roep ik reeds vergeefs!... myn boezem yst ’er van!

                                        ELIZABETH.
(20) Zyn ampt is vol gevaar, hy is een oorlogsman.
Wist gy niet toen zyn’ echt aan u wierd voorgeslagen,
Dat zich een oorlogsman, als nood het eischt, moet wagen?
En dat, daar de eer altyd zyne eene zy’ bekleed,
De dood, al dreigende, aan zyne andre zyde treed?

                                        CORNELIA.
(25) Wie brengt, wanneer men huwt aan ’t geen wy têer beminnen,
Zich ’t geen toekomende is in ’t echtverbond te binnen?
Ik zag toen Fredrik my zyn hand door ’t huwlyk bood,
De glori aan zyn zyde, en dacht niet aan de dood;
Doch nu Formoza beeft voor Chinaas oorlogsroede,
(30) Nu myn gemaal vertrok tot straf van ’s vyands* woede;
[p. 3]
Nu word ik, siddrende op ’t besef van zyn gevaar;
Niets anders dan de dood aan zyne zy’ gewaar.

                                        ELIZABETH.
Laat hy zyn’ pligt voldoen, Zeelandia verweeren...
Zo hem de Hemel spaart, wat zal hem kunnen deeren?
(35) En heeft de Hemel hem verwezen in den stryd,
Toon dat ge een’ krygsmans gade, en leeräars dochter zyt.

                                        CORNELIA.
Ik zal als krygsmans gade, en leeräars dochter toonen,
Dat moed en Christendom in dezen boezem wonen.
Wie een’ gemaal betreurt onteert geenszins haar’ moed,
(40) En ’t Christendom verbied geen’ eedlen tranenvloed.
Ik eer des Hemels wil, schoon hy my doemt tot treuren.

                        ELIZABETH, haar omhelzende.
Die rede doet me in u myn’ Hambroeks kroost bespeuren,
Die Christen zo vol deugd, die leeräar vol verstand...

                                        CORNELIA.
Ach! die erinnering verscheurt myn ingewand!
(45) Hoe sterk weleer de lof myns vaders my bekoorde,
Hoe gaarne ik ook voorheen zyn deugden roemen hoorde,
Het hooren van zyn’ lof toont me, in den tegenspoed,
Op ’t wreedst wat dierbren schat ik in hem missen moet.
ô Teêrgeliefd geslacht, waard voorwerp myner klagten!
(50) Wat ondergaat gy reeds? of wat hebt gy te wachten?...
Hoe schriklyk is myn lot! ’k Zie in myn’ jammerstaat,
Dat zelfs de Hemel my geen keur van wenschen laat:
Zodra ik wenschen vorm voor myner oudren leven,
Straks doet het denkbeeld van hun slaverny my beven...
[p. 4]
(55) Myn ouders! zo ge als slaaf, uw leven einden moet,
Dan is een rasse dood, ô smart! uw heerlykst goed.
Hoe yze ik!

                                        ELIZABETH.
                    Zo ons volk den vyand doet verloopen.
’t Geen mooglyk is,... Gy hebt in ’t vreezen iets te hopen:
Gy kent ons oorlogsvolk; licht rukt het uw geslacht,
(60) In ’t heetste van den stryd, uit ’s vyands wreede magt.
Gy kent uw’ echtgenoot... Vrindin! vertrouw te gader
Zyn dapperheid, en al de ervaarnis van zyn’ vader.

                                        CORNELIA.
’t Is juist die dapperheid die myne vrees vergroot.
Hoe weinig kent gy ’t hart van mynen echtgenoot!
(65) Hy mint myn’ vader teêr; en om hem op te sporen,
Zal hy aan geen gevaar, hoe vreeslyk ’t zy, zich storen;
En als de dapperheid door wanhoop is verzeld,
Waar word de dappre man dan niet aan bloot gesteld?
Waar heen ik de oogen wende, ik zie, aan alle kanten,
(70) Niets dan gevaar en wee voor al myn bloedverwanten.
    Maar, ach! het krygsgerucht komt, dunkt my, nader by.
Myn Fredrik legt geveld! myn hart voorspelt het my!
ô Hemel, Hemel! help!... myn krachten zyn bezweken...
Ban wanhoop uit dit hart, laat Godsdienst daarin spreken!

                                        ELIZABETH.
(75) Men komt. ’t Is van den Broek, die op uw’ Fredriks spoor...

                                        CORNELIA.
Myn hart wenscht om zyn komst... en echter ’t beeft ’er voor!



[p. 5]

TWEEDE TOONEEL.

CORNELIA, VAN DEN BROEK, ELIZABETH.

                                        CORNELIA.
Mynheer... maar, ach! uw schrik doet my genoeg beseffen
Het lot van u en ’t volk, en ’t geen my haast zal treffen!

                                VAN DEN BROEK.
Mevrouw! ach! dat ik u een ander naricht bragt!

                                        CORNELIA.
(80) Ach! spreek: is myn gemaal in ’t oorlogswee geslacht?
Ontzie geenszins myn’ schrik; ’k ben reeds gewoon te beven.

                                VAN DEN BROEK.
Ik liet uw’ echtgenoot by ’t krygsvolk noch in ’t leven...

                          CORNELIA, met vervoering,
Dank, Hemel! myn gebed voor Fredrik is verhoord!
Leer, leer my bidden voor myne ouders!... Ach! vaar voort,
(85) Getrouwe vrind! wat doet myn’ Fredrik hier niet komen?
Heeft hy, hebt gy niets van myne ouderen vernomen?
Ach! spreek; verklaar u ras; voldoe myn ongeduld.

                                VAN DEN BROEK.
Myn vrind, uw echtgenoot,* door woede en smart vervuld,
Nu Neêrlands oorlogsvolk zich ziet terug geslagen,
(90) Is bezig voor dees sterkte en ’t krygsvolk zorg te dragen.
Ik liet hem op den wal, terwyl zyn’ vaders hand
’t Chineesche krygsvolk stuit, bedwingt aan allen kant.
Het wilde voor deez’ wal ons van ter zy’ bespringen,
Om, met ons volk vermengd, dees muren in te dringen:
[p. 6]
(95) Doch niemant onzer vreest dat dit gelukken zal.
Uw moedige echtgenoot, gelegerd op den wal,
Kan de overrompelaars ter zyde wederstreven.
    Hoe gaarne wenschte ik u een goed bericht te geven
Van hen, wier duister lot uw teder hart doorsnyd;
(100) Van hen aan wie ge uw deugd en leven schuldig zyt!

                                        CORNELIA.
Hoe! geen het minst bericht!...

                                VAN DEN BROEK.
                                              Vanwaar zoude ik ’t bekomen?
Gy weet hoe onverwacht den vyand wierd vernomen;
Gy weet hoe ras ons volk is uit dees plaats gesneld,
Tot stuiting van den storm van Chinaas krygsgeweld.
(105) Cajet, ons opperhoofd, bedaard in oorlogswoede,
Was de eerste die, vol drift, zich naar den vyand spoedde,
Daar ’t vuur van zyn gelaat in ’t hart der benden drong,
En zelfs den zwaksten man tot heldendaden dwong.
Hy riep uw’ Fredrik toe: myn zoon! hou moed in ’t stryden:
(110) Laat ons den vader van uwe echtgenoot’ bevryden;
Hy worde door ons volk, met zyn geliefd geslacht,
In ’t sterk Zeelandia in zekerheid gebragt.
Men vlieg’ zyn huis ter hulp’! Maar, ach! het was te spade:
De vyand, die alom in ’t Christenbloed zich baadde,
(115) Had, voor onze aankomst, reeds uw’ vaders erf verheerd;
Wat zeg ik! ach! vrindin, ’t was reeds in puin verkeerd,
Daar alles wierd vermoord wat magtloos was tot vlugten!
Wy, zonder de overmagt van ’s vyands volk te duchten,
[p. 7]
Bestoken, aangevoerd in orde, aan allen kant,
(120) De ontschaarde plunderaars, verhit op roof en brand,
En dwongen voor een poos dien woesten hoop tot wyken.
Toen deed uw held zyn liefde omtrent uw maagschap blyken:
Hy dient zich van den tyd dat Chinaas krygsvolk week;
Zend kleine hoopen af in de omgelegen streek,
(125) Om van uw maagschap iets, zo ’t mooglyk waar’, te hooren,
En tracht, door hoop op loon, ’s volks yver aan te sporen.
Gy weet hoe sterk dit werkt op de inborst des soldaats.
,,Wie iets van Hambroek weet, bekomt een hoofdmans plaats!’’
Dus roept hy luidkeels uit. Naauw’ hoort hem ’t volk dus spreken,
(130) Of ’t waagt zich onbeschroomd in de omgelegen streken;
Terwyl ons opperhoofd des vyands woede in ’t veld,
Met goed gevolg bestryd, en roemryk palen stelt.
Intusschen trachtte ons volk de lyken uwer vrinden
In hun verwoest verblyf, in ’t smokend puin, te vinden;
(135) Maar, ach! terwyl men hier met allen ernst naar tracht,
Bezwykt Cajet in ’t eind’ voor ’s vyands overmagt!
Zyn nederlaag en vlugt doen ons den arbeid staken!
All’ wat ons overschiet is voor deez’ wal te waken!
Dees sterkte is al ons heil! De vyand, hoogst voldaan
(140) Door onze nederlaag, voert nieuwe benden aan.
Uw Fredrik zond my hier...

                                        CORNELIA.
                                            Myn vader! ô myn vader!
Myn moeder! myn geslacht!... wie treft uw lyden nader!

[p. 8]
                                VAN DEN BROEK.
Uw lot, verdrukte vrouw! verdient te zyn beschreid;
Doch wapen in uw smart u met gelatenheid.
(145) Bedenk nu ’t geen weleer uw vader ons deed hooren.
Zyn leer moet ieder uur een braaf gemoed bekoren:
Want wee den wuften man, die, met een koel gemoed,
Zyn pligten daaglyks hoort, en nooit daaraan voldoet;
De Hemel zal den geen’ met dubbel wee vergelden,
(150) Die aan zyn’ pligt slechts denkt zo lang hy dien hoort melden;
Hy eischt met recht van ons, dat wie zyn’ pligt ééns weet,
Daar steeds aan denken zal zo lang men de aard’ betreed.
Ziedaar uw’ vaders les den Christnen voorgeschreven;
Een les altyd door hem bekrachtigd met zyn leven!
(155) Hy leerde ons, dat de mensch, wat waan hem ook verblind’,
In nood geen’ zeekren troost dan in zyn’ Godsdienst vind.
Gy weet de tegenspoed deed hem Europe ontwyken,
En echter deed hy nooit de minste morring blyken;
Hy eerde ’s Hemels wil. All’ wat u overschiet,
(160) Is hem gelyk te zyn, in ’t midden van ’t verdriet.

                                        CORNELIA.
Myn vrind, ik weet myn’ pligt; ik zal zyne inspraak hooren;
Maar, ach! gy zyt ook zoon: ware u myn lot beschoren;
Indien gy vreezen moest, dat een barbaarsche hand
Uw’ gryzen vader ’t staal had in het hart geplant;
(165) Of,’t geen het hart eens kinds met grooter recht moet duchten,
Dat hy voor eeuwig zoude in slaafsche ketens zuchten;
Zoud ge, op een denkbeeld zo afgryslyk, zo vol pyn,
[p. 9]
Gelaten van gemoed, min zoon dan Christen zyn?

                                VAN DEN BROEK.
Dit hart zou my gewis, als zoon, van droefheid breken;
(170) Maar ’t zou, als Christen, troost van ’s Hemels goedheid smeeken;
En ’t zou te vrede zyn, by ’t weenen om myn leed,
Met all’ wat jegens my de algoede Hemel deed.

                                        CORNELIA.
Ach! bid de Algoedheid liefst, dat nooit haar gunst gehenge,
Dat iets uwe ouderliefde op zulke proeven brenge.
(175) Wat eerbied ook dit hart voor pligt en Godsdienst voed,
’k Ben dochter, en ik voel niet min de kracht van ’t bloed!

                                VAN DEN BROEK.
Ik zie ons opperhoofd, Cajet, uw’ Fredriks vader.
Licht weet hy, door zyn’ zoon, van uw geslacht iets nader...

                                        CORNELIA.
Zyn droefheid zegt genoeg!


DERDE TOONEEL.

CORNELIA, CAJET, VAN DEN BROEK,
ELIZABETH.

                        CORNELIA, Cajet omhelzende.
                                                Myn vader...* ach! dat woord,
(180) Weleer zo streelend voor myn teder hart, doorboort
Dit gruwzaam oogenblik, ô smart! myne ingewanden...
Helaas! mynheer! helaas!... myn teêrstgeliefde panden!...
Zy valt in de armen van Elizabeth.

[p. 10]
                                    CAJET, met tederheid.
Myn kind, uw wee is groot; ik voel daarvan ’t gewigt;
Maar denk aan uwen moed, of liever aan uw’ pligt.
(185) Hoe sterk het lot uw’ moed ook heeft ter neêr geslagen,
Leer, als ’t een’ Christen past, uw leed gelaten dragen.
All’ wat ons troosten kan op aarde, in alle elend’,
Is hoop op hulp van Hem die troost in rampen zend.
Hy, die de Alwysheid is, werkt steeds naar wyze reden,
(190) Het voegt den sterfling niet in Zyn besluit te treden.
Beveel ons lot aan Hem. Wat rampen op ons woên,
Laat ons, op Hem gerust, aan onzen pligt voldoen.
’k Voldeed als oorlogsman en Christen aan myn pligten:
’k Heb voor uw bloed verricht all’ wat ik kon verrichten.
(195) Ik streed op ’t puin van’t erf uws vaders... Ach! myn kind!...
Dat Hambroeks dochter niets meer verg’ van Hambroeks vrind!

                                        CORNELIA.
Ik merk gy wilt myn smart op nieuw geen voedsel geven.
Na eenig tusschenpoozen.
Gy zwygt! Dit is den dolk my door het hart gedreven.
Hoe schriklyk is ons lot, als zelfs de deerenis
(200) Van ’t geen ons meest bemint voor ’t hart afgryslyk is!
Mynheer, ik bid u, spreek: uw hart is heimlyk zwanger...
Gy weet meer dan gy zegt... verscheur myn hart niet langer.
Indien gy deernis hebt met mynen jammerstaat,
’k Bid, dat gy langer my niet in ’t onzeekre laat.
(205) Spreek; is myn vader dood? Ontzie geenszins myn beven:
Benam hem ’t vuur zyns erfs, of ’t staal zyns vyands ’t leven?

[p. 11]
                                        CAJET.
Gy wilt dan dat ikzelf u griev’ met de ergste smart!

                                        CORNELIA.
Voor ’t laatst, myn vader! spreek. Uw zwygen grieft myn hart.

                            CAJET, met aandoening.
Uw waarde vader... leeft!

                              CORNELIA, ongerust.
                                      Hy leeft?...

                                      CAJET, in tranen.
                                                          Hy is gevangen!

                                        CORNELIA.
(210) Gevangen!... Hemel! moet een wreede boei hem prangen!
Zich, geheel wanhopig, in de armen van Cajet werpende.
Myn vader, in wiens arm ik om een’ vader ween...
Weet gy geen middel om hem vry te maken?

                                        CAJET.
                                                                                Neen.
’t Vyandelyk leger word door Coxinga geboden;
Zyn inborst is bekend!... Men meld ons van dien snooden,
(215) Dat hy, opdat zyn volk wanhopig stryden zal,
Gezworen heeft, dat wie in onze handen vall’,
Voor eeuwig in de magt van ’t Christen volk zal blyven.
En om hen hierdoor niet tot muitzucht aan te dryven,
Bezwoer de dwingeland, dat geen van ons, wie ’t zy,
(220) Die zyn gevangen word ooit rake uit slaverny.
Een krygsman, die door list den vyand wist te ontvlugten,
Deed door dit wreed bericht de stoutste helden zuchten.
Uw verder maagschap... Ach! men zoekt het noch alom!

[p. 12]
                                        CORNELIA.
Myn gryze vader slaaf by ’t woedend heidendom!
(225) Myn moeder licht vermoord, of nevens hem gevangen!...
Ware ik voor hem ontzield, of mogt hun boei my prangen!
’k Zal nooit weêr in hunn’ arm, in vreugd of ongeval...
Met levendigheid.
Ik zie hem namaals weêr, daar niets ons scheiden zal!

                                        CAJET.
Die hoop verrukt myn hart; die hoop betaamt een’ Christen!
(230) Zy die lichtzinnig ons die eedle hoop betwisten,
Dat eenmaal onze geest, verlost van ’s ligchaams juk,
Naarmate zyner deugd, een ongestoord geluk,
In beter vaderland dan ’t aardryk is, zal smaken,
Zyn wreedäarts, die ons hier op ’t hoogst elendig maken.
(235) Ik doe uw vroomheld recht, ik prys uw’ eedlen geest;
Doch waarom vóór den tyd, myn kind! het ergst gevreesd?
Schoon wy op heden niets vor Hambroek hopen kunnen,
De tyd zal ons misschien voor hem noch hoop vergunnen.
Met hoe veel vrees ons hart dit uur ook zy behebt.
(240) Een krygsman hoopt altyd, zo lang hy adem schept.

                                        CORNELIA.
Wat kunt gy van den tyd voor my, als krygsman, hopen,
Daar tot myn ongeluk het all’ schynt saam’ te loopen?
Ach! dat uw gunst den grond dier hoop my mededeel’;
Wat kan ik hopen voor myn’ waarden vader?

                                        CAJET.
                                                                      Veel!
[p. 13]
(245) Men zegt, en dit bericht doet my geen logen vreezen,
Dat in ’t vyandlyk heir veel Christnen zouden wezen,
Door zeekren Christenvorst, die ons dit land benyd,
Den veldheer toegevoegd tot raadsliên in den stryd;
Want zo verr’ gaat de nyd in ’t hart der Christenvorsten,
(250) Dat zy zelfs hen die steeds naar ’t bloed der Christnen dorsten,
Gebruiken tot bederf van hunn’ geloofsgenoot,
Die in hunne ogen of te ryk schynt of te groot.
De meeste Grooten zyn ondeugend, of onwetend;
De hoogmoed of de nyd houd meest hun hart geketend.
(255) Dit zwervend Christenrot, dat land by land doorloopt,
Om eigen voordeel aan barbaren zich verkoopt,
Is gantsch niet vreemd, myn kind! aan Christelyke hoven.
Uw’ vaders hechtenis zal hen veel goeds beloven;
Een gyzlaar zo beroemd als leeräar Hambroek is,
(260) Is Coxinga van nut, in dees gesteltenis:
Men zal den roover licht door reden doen begrypen,
Dat hy tot Hambroeks val den sabel niet moet slypen.
De sterkte van deez’ wal kent ieder oorlogsman;
Men weet, dat honger ons niet licht hier dwingen kan;
(265) In zeven maanden tyds behoeft men niet te vreezen,
Dat hier aan krygsbehoefte of spys gebrek zal wezen;
Ook niet aan oorlogsvolk. Dus zal, naar allen schyn,
’t Beleg langdurig en den vyand doodlyk zyn.
De raad op Javaas kust, bericht van onze elenden,
(270) Zal, boven dit, haast hulp naar deze muren zenden.
Zo trotse Coxinga, gedrukt door tegenspoed,
[p. 14]
Den nu gedreigden wal in ’t eind’ verlaten moet,
Kan niet uw vader hem ten gyzelaar verstrekken,
Wanneer de roover eischt om veilig af te trekken?
(275) Het eerloos Christenrot, dat ’s vyands heir verzelt,
Heeft dit ook zekerlyk den vyand voorgesteld;
Want waartoe anders ’t hoofd uws vaders juist te sparen,
Toen alles wierd vermoord, in spyt van kunne en jaren?

                                        CORNELIA.
Hoe streelt die taal myn hart! Gy hoopt niet zonder grond.
(280) Ach! dat de vyand zich alree’ gedrongen vond,
Om, voor een vry vertrek, myn’ vader vry te geven!...

                                        CAJET.
’t Zy ons voor eerst genoeg om in die hoop te leven.
’t Lot van uw ovrig bloed, van uw geliefd geslacht,
Ontdekt men mooglyk noch voor ’t einde van de nacht,
(285) Ten minste ik heb daartoe verspieders afgezonden.
Doch daar de zon reeds daalt, en ’s vyands looze vonden
En woeste stoutheid ons by duisterheid met recht
Het meest te duchten staan, dient alles overlegd,
Om list door list, en moed door moed, te wederstreven.
(290) ’k Heb my van ’t volk gescheurd, slechts om u troost te geven:
’k Voldeed myn’ pligt aan u; sta my dan heden toe,
Dat ik, als hoofd van ’t volk, by ’t volk myn’ pligt voldoe:
                    Tegen Van Den Broek.
Getrouwe vrind! ik meen, om ’t krygswee af te wenden,
Dees nacht een vaartuig naar Batavia te zenden.
(295) De brief waarin den raad ’s lands toestand word gemeld,
[p. 15]
Is reeds, op myn bevel, in ’t heimlyk opgesteld:
Men wacht me in myn vertrek; ’t is tyd dan ik dien teeken.
’t Gelukt één vaartuig licht door ’s vyands vloot te breken;
Te meer dewyl het stormt, en ’s vyands watermagt
(300) Geen orde houden kan, bestookt door storm en nacht;
Zyn vloot is reeds verstrooid, door ’t woest geweld der winden.
                      Tegen Cornelia.
Indien gy door myn hoop u mogt bedrogen vinden,
Myn dochter!.. Wees getroost: toon, in uw hoogsten nood...
Dat gy een Christen zyt, en uit een’ leeräar sproot.


VIERDE TOONEEL.

CORNELIA, ELIZABETH.

                                        CORNELIA.
(305) Vrindin, verlaat my niet... Myn vader! ô myn moeder!
Geliefde zuster... ach! beklagenswaarde broeder...
Geef, Hemel! dat dit hart, nu troostloos, ondervind
Wat troost de Godsdienst geeft aan ’t hart dat u bemint!

                    Einde van het eerste bedryf.


Continue
[p. 16]

TWEEDE BEDRYF.

EERSTE TOONEEL.

CORNELIA, alleen.

Getuige van myn smart, ô akligste aller nachten!
(310) Dit hart kan dan geen rust zelfs van uw stilte wachten!
Helaas! uw duisterheid, die meest de rust verzelt,
Bedekt voor myn gezigt het leed niet dat my kwelt;
En, ach! hoe schoon de zon na uw vertrek moog’ ryzen,
Een duistre wolk van ramp zal echter my doen yzen!
(315) Myn vader zweeft geboeid voor myn bedwelmd gezigt,
Daar al myn moed om ’t lot myns ovrig maagschaps zwicht;
Myn echtgenoot, op nieuw ten prooije aan ’s vyands slagen,
Genoopt om andermaal den uitval te onderschragen...
Hoe wreed verwyst het lot, ô teêrgeliefd gemaal!
(320) Myn hart tot eindloos wee, uw hoofd ten prooi van ’t staal!
Ach! moest de Hemel ons, myn Fredrik! dan veréénen,
Opdat wy om elkaêr in ’t einde zouden weenen?
Hoe treft myn’ vaders wee uw edelmoedig hart!...
Maar, nu de Hemel ’t wil, verdragen we onze smart.
(325) Wat ook de Alwysheid doe, haar schikking zy geprezen,
Schoon zy my mooglyk haast doe wees en weduw’ wezen!



[p. 17]

TWEEDE TOONEEL.

CORNELIA, ELIZABETH.

                                CORNELIA, ongeduldig.
Vrindin, myn Fredrik... Spreek: hebt ge iets van hem verstaan?

                                        ELIZABETH.
Hy is ten tweedemaal, vol moeds, ten stryd gegaan.
Hy toog langs ’t Nieuwe Werk, in ’t heimlyk, uit dees wallen:
(330) Van Ypren en Petel zyn met hem uitgevallen.
Des laasten jongste zoon is, zo ons krygsvolk gist,
Gevangen, of vermoord; voor ’t minst hy word vermist.
Dit doet des vaders hart in felle woede ontbranden.
Men meent dat Coxinga het bolwerk aan wil randen,
(335) Dat naast dit sterk kasteel den mond der haven dekt,
Vanwaar ons scheepsgeschut zyn heir veel ramps verwekt.
Petel heeft, zo men zegt, uw’ Fredrik voorgeslagen,
Om van dien kant op ’t heir een stoute kans te wagen;
En wil in ’s vyands bloed, het bloed zyns zoons ten zoen,
(340) De wraak die hem verteert door ’t wrekend staal voldoen;
En Fredrik, die niet min dan hy de wraak hoort spreken,
Tracht in het heidensch bloed u en uw bloed te wreken.

                                        CORNELIA.
Gy hebt, ô Hemel! ééns, by ’t woeden van den moord,
Myn’ Fredriks hoofd beschermd, en myn gebed verhoord;
(345) Verhoor ten tweedemaal, in ’t krygswee, myn gebeden:
Doe Fredrik andermaal behouden herwaarts treden!

[p. 18]
                                        ELIZABETH.
Indien uw echtgenoot op Chinaas vloekgespan,
De post die hy bespringt naar wensch verövren kan,
Zal ’t wreeden Coxinga gewis bezwaarlyk vallen,
(350) Een’ algemeenen storm te wagen op dees wallen.
Zo Fredrik aan dien kant waar hy nu ’t heir bespringt,
Den vyand overvalt, en hem tot wyken dwingt,
Kan ’s vyands oorlogsvolk, hoe talryk, zelfs niet hopen,
Dat dit beleg voor hem gelukkig af zal loopen;
(355) Ten minste zal het dan voor hem, naar allen schyn,
Zo hy daar sterk op dringt, wreed en langdurig zyn.
Hy, van de zee verjaagd, moet daadlyk al zyn benden
Juist tegen ’t sterkste deel van deze vesting wenden;
Daar eenen onwinbre hoogte, en onbeklimbre wal,
(360) Zyn’ stouten toeleg zelfs hoogst hagchlyk maken zal.

                                        CORNELIA.
Zo ’t myn’ gemaal gelukt!... Helaas! ik heb te vreezen,
Dat hy in zyn ontwerp zal ongelukkig wezen!
De vyand zal een post van zulk een groot belang
Verdedigen met kracht, niet ruimen dan door dwang,
(365) En, zo wy slechts zyn heir aan dezen kant genaken,
Den toegang voor ons volk voorzeker doodlyk maken.
’t Beleg is van geen vrucht, wat waan hem ook verblind’,
Zo hy de sterktens aan den kant der zee niet wint;
Hy moet, wanneer hy ons met vrucht hier wil bespringen,
(370) Ons ’t bolwerk Middelburg, vóór alles, ’t eerst ontwringen.
[p. 19]
’t Is dus hoogst denklyk, dat zyn krygsvolk, ons ten val,
Voor deze sterkte meest zyn post verweeren zal;
En Fredrik zal gewis, om hem vandaar te jagen,
Door drift en wraak verblind, zyn hoofd slechts roekloos wagen!

                                        ELIZABETH.
(375) Hy heeft de nacht te baat...* Men was reeds handgemeen...

                                        CORNELIA.
My dunkt ik hoor ’t geschut!... Och! mogt ik derwaarts treên,
En ’t hoofd van myn’ gemaal, zo veel ik kon, verweeren,
Bezwyken nevens hem, of met hem herwaarts keeren!

                                        ELIZABETH.
My dunkt het grof geschut, en ’t krygsrumoer verflaauwt.

                                        CORNELIA.
(380) Myn angst groeit meer en meer!... Hoe is my ’t hart benaauwd!
Men komt.


DERDE TOONEEL.

CORNELIA, FREDRIK, ELIZABETH.

        CORNELIA, met vervoering haar’ gemaal omhelzende.
                    ô Myn gemaal!

        FREDRIK, haar in zyne armen ondersteunende.
                                            Beminlyke echtgenoote!

                                        CORNELIA.
Myn Fredrik!...

                              FREDRIK, met aandoening.
                              Dat myn komst uw droefheid niet vergroote!

[p. 20]
                                        CORNELIA.
Hoe! daar gy leeft!..
      Zich met drift uit zyne armen rukkende, en eenige
                        treden van hem afdeinzende.

                                  Maar, ach! wat naricht brengt ge my?

                                        FREDRIK.
Ik voel voor ’t lot uws bloeds, helaas! niet min dan gy...
(385) Ik weet dat Fredriks smart Cornelia doet treuren!
Ach! moest het lot zo wreed uw edel hart verscheuren!
Moet ik u zien gedoemd tot eindeloos verdriet?...
Bestorm met uw geween het hart van Fredrik niet!
Nu ik voor uw geslacht byna geen hoop mag kweeken,
(390) Besta myn hoop voor ’t minst in uw geslacht te wreken;
Versterk daar toe myn’ moed. De toorn’, de wraak, de spyt,
Uw ramp, en ’t leed uws bloeds, ontvonken, als om stryd,
Myn’ yver, toen wy ’t volk dat ons bespringt aanschouwden.
Zo ik ons wreken zal, laat my myn’ moed behouden.
(395) ’s Lands vyand heeft beproeft, in dezen jongsten slag,
Wat Neêrlands volk, gespoord door Fredriks moed, vermag.

                                        CORNELIA.
Indien ge ons volk met vrucht den vyand zaagt bestryden,
Hoopt ge uit uw zegepraal niets voor myn’ vaders lyden?
Zo gy den vyand sloegt, zal hy, naar allen schyn...

                                        FREDRIK.
(400) Hoop van bespringers niets die zulke monsters zyn.
Ach! hoor hun wreedheid aan; ’k zou vruchtloos u verzwygen
’t Geen gy van andren toch haast moet te weten krygen.
    De vyand, overtuigd hoe nut het voor hem is
[p. 21]
Het bolwerk Middelburg, in dees gesteltenis,
(405) Eer ’t verder word versterkt tot dekking dezer wallen,
Door list of door geweld ten snelste te overvallen,
Nam straks de hoogtens in, vanwaar hy met veel nut
Die sterkte beuken kon door kracht van grof geschut.
Myn dappre vrind Petel kwam my, met nadruk, smeeken,
(410) De dood of slaverny zyns zoons te mogen wreken;
En sloeg my moedig voor, om ’s vyands oorlogsmagt,
Die op de hoogtens lag, begunstigd van de nacht,
Te dwingen aan dien kant die hoogtens weêr te ruimen.
Ik stemde in zyn ontwerp, en deed geen’ tyd verzuimen.
(415) Men ylde uit dezen wal, en komende aan de plaats
Die ’t volk bespringen moest, was de yver de soldaats
Voor my, Petel en hen aan wie zy zich vertrouwden,
Zo groot, dat geen van ons dien yver kon weêrhouden.
Men greep dan onverhoeds, meer stout dan welbedacht,
(420) Twee van die hoogtens aan, en doodde ’s vyands wacht.
Petel vocht als een leeuw: al wie hem dorst belagen,
Wierd door zyn wrekend staal zeeghaftig neêrgeslagen,
Daar ’t woedend oorlogsvolk wraakzugtig nederslaat,
All’ wie ’t by toortslicht ziet in een Chineesch gewaad;
(425) Terwyl een andre drom, daar ’t schroot en kogels hagelt,
Des vyands werken slecht, en zyn geschut vernagelt.
Toen vatte ons krygsvolk post. Terwyl vond ik geraên,
Op ’s vyands derde hoogte op ’t spoedigst los te gaan;
Wanneer een naar gekerm dien stouten toeleg stoorde,
(430) Een akelige kreet die aller hart doorboorde!
[p. 22]
De vyand, dol van spyt dat hy zich zag verrast,
En met een goed gevolg zyn sterktens aangetast,
Besloot om, vóór zyn vlugt, een schouwspel na te laten
Dat schrik verwekken zoude aan Nederlands soldaten;
(435) En op welks naar gezigt het hart, beklemd door rouw,
De lust tot verdere zege éénsslags ontvallen zou.
De wreede list gelukte. ô Ramp! onze oogen zagen,
By toortslicht, ’t Christenvolk, gevallen in de lagen
Des vyands, in het uur der overrompeling,
(440) Mishandeld, of vermoord door ’s vyands dolk of kling.
Men vond ’er eenigen de handen afgesneden;
Een ander kermde op ’t naarst om ’t breken zyner leden;
Men vond ’er eenigen zo jammerlyk gesteld,
Dat eer en menschlykheid verbieden dat men ’t meld.
(445) Myne brave vrind Petel heeft ook zyn’ zoon gevonden,
Met de armen afgekapt, en om den hals gebonden,
De beenen onder ’t lyk gebroken; ach! wat smart
Voor dat meêdoogend, voor dat vaderlyke hart!
Wraak, Hemel! riep hy uit, met opgeheven handen;
(450) Myn volk, blyf my getrouw, straf onze dwingelanden!
Straks vliegt hy van myn zy’, van eenig volk verzeld,
De roovers grimmig na; maar word ter neêrgeveld;
Het zelfde lot, helaas! trof al zyn volk te gader.

            CORNELIA, de handen ten hemel heffende.
Dit zyn, ô Hemel! dan de meesters van myn’ vader!...
(455) Hoe word dit hart verscheurd!

[p. 23]
                                        FREDRIK.
                                                        ô Myn Cornelia!

                                        CORNELIA.
Uw vader hoopt nochthans...

                                        FREDRIK.
                                                  Op gunst van Coxinga?
Op gunst van dien barbaar, die uit zyn land verdreven
Om gruwzame euveldaen, tot veldheer wierd verheven
Door volk dat, nevens hem, zelfs in hun vaderland,
(460) Zich heeft berucht gemaakt, door roof, door moord en brand;
Dat, nevens hem, den beul in tyds noch zynde ontkomen,
Uit snood belang hem heeft tot hoofdman aangenomen;
Dat, zwervende op de zee, alom verbannen leeft;
Dat enkel aast op roof, geene andre schuilplaats heeft,
(465) (Vanwaar het ieder schrik en afkeer in moet prenten,)
Dan een geducht getal van dobbrende oorlogstenten!

                                        CORNELIA.
Zo ’t slechts een roover is, die enkel met bedrog
Hier landde uit Chinaas naam, dan hoopt uw gade noch.
Zo wreede Coxinga uit China is verdreven,
(470) Laat ons dan straks bericht aan Chinaas keizer geven,
Dat hier een banneling, een schuldige onderdaan,
In zyner vrinden land de tenten op durst slaan.
Zo hy dees sterkte wint, heeft Chinaas vorst te vreezen,
Dat hem dit roofgebroed zal hoogst gevaarlyk wezen.

                                        FREDRIK.
(475) Gy vleit u zonder grond: gy kent den toestand niet
[p. 24]
Van Chinaas opperheer, en van zyn ryksgebied.
Die naauw’ verheven vorst voert in zyn nieuwe staten,
Noch dagelyks den kryg met woelzieke onderzaten;
Want, schoon de ryksstad hem, aan ’t hoofd zyns heirs ontfing,
(480) En hem erkent voor vorst, hy is een vreemdeling.
Veel Grooten zyn ’er noch die hem zyn’ rang betwisten,
Die, schoon zy zonder vrucht en schat en volk verkwisten,
Om hem het hoog gezag te ontrukken door geweld,
Hem daaglyks werks genoeg verschaffen in het veld.
(485) De nood, die hem verpligt om op zichzelv’ te denken,
Belet hem buiten ’t land aan iemant hulp te schenken.
Men make op Chinaas vorst dan geen’ den minsten staat;
Hoop, zo gy hopen wilt, alleen op Javaas raad.
Een vaartuig heeft de reis naar Java aangenomen,
(490) En is, gelyk men zegt, des vyands vloot ontkomen.
Denk ook niet, dat het hoofd van Chinaas keizerryk,
Al had hy magt, ooit stryd’ voor Neêrlands ongelyk.
Het listig opperhoofd der wreedaarts die ons prangen,
Dient loos, om zyn belang, zyn’ keizers staatsbelangen:
(495) Hy weet dat Chinaas vorst, hoe fel hem ’t volk bestryd’,
Moet triomferen en regeeren, door den tyd;
En dat die keizer, ééns gevest in ’t ryksvermogen,
Zyn stoute roovery nooit strafloos zal gedoogen.
Hy weet ook dat het volk van Chinaas kust dit land
(500) Niet dan met nyd en wrok beschouwt in onze hand.
Hy heeft de dood verdiend, dus zal hy heftig dringen,
Om ons dit land, ter gunst van Chinaas vorst, te ontwringen:
[p. 25]
Opdat hy, zo hy ons voor dien monarch verwint,
Zyn’ grammen opperheer verandere in zyn’ vrind.

                                        CORNELIA.
(505) Myn vader, wat hebt gy van dien barbaar te vreezen!

                                        FREDRIK.
Niets dan ’t geen u en my afgrysselyk zal wezen.
Doch, schoon de Hemel ons in zynen toorn’ kastyd,
Myn lotgenoot! betoon dat gy myn gade zyt.
Betoon, door deugd en moed, u boven ’t lot verheven.
(510) Zo gy myn’ moed verdooft, zal niet al ’t krygsvolk beven?
’t Betreurt uw’ vaders lot; en ’t strekt my tot vermaak,
Dat deze zucht tot hem hunn’ moed ontvonkt ter wraak.
Ik doe daar voordeel mede... Ik zie myn’ vader komen.


VIERDE TOONEEL.

FREDRIK, CORNELIA, CAJET, ELIZABETH.

                                        CAJET.
Myn dochter! ’k heb terstond voor u iets goeds vernomen:
(515) Uw moeder, broeder en uw zuster zyn gespaard.

                                        CORNELIA.
Wat zegt gy my, mynheer?

                                        CAJET.
                                          Zy worden sterk bewaard,
Genieten goed onthaal, en gy moogt vast vertrouwen,
Dat gy hen eenmaal weêr in vryheid zult aanschouwen.
Tegen Fredrik.
En gy, myn dappre zoon! die deeze nacht uw’ moed
(520) Zo roemryk hebt betoond, u baadde in ’s vyands bloed,
[p. 26]
En zyn geducht geweld van Middelburg deed wyken,
Dat deze omhelzing u ’s lands dankbaarheid doe blyken.
Het is uw vader min die u zyn’ dank betoont,
Dan de Oostermaatschappy, die trouw met eer beloont.
(525) Maar zo ge als zoon in ’t einde uw’ vader wilt verpligten,
Doe in uw moedig hart de bittre droefheid zwichten.
Neem, op myn voetspoor, deel in ’t geen uw gade lyd;
Doch toon ook, op myn spoor, dat gy een krygsman zyt.
Toon minder smart dan moed aan ’t hoofd der oorlogsvanen.
                                  Tegen Cornelia.
(530) Beneem uw’ echtgenoot zyn krygsdeugd niet door tranen.

                                        FREDRIK.
Myn vader, hoe de raad, door u, myn’ dienst erkenn’...
Ik zal als krygsman doen het geen ik schuldig ben.
Hoe ’t wee van myne gade ook op dit hart moog’ werken,
’k Zal tegen haar geween myn zuchtend hart versterken.
(535) Ja, Neêrlands strydbaar volk vliegt, daar ’t zyn vryheid geld,
Uit de armen van de liefde in ’t bloedig oorlogsveld.
Maar mogt ik, die met grond voor Hambroek meen te vreezen.
Zo ryk in hoop als gy voor ’t lot diens leeräars wezen!
Van wien hebt gy ’t behoud van zyn geslacht verstaan?
(540) Wie meld hun goed onthaal?

                                        CAJET.
                                                      Een moedig Formozaan;
Een krygsman, die, op hoop van ryklyk loon te erlangen,
Zyn leven heeft gewaagt; zich listig heeft doen vangen;
[p. 27]
En die, op ’t weeren van zyn lyfsgevaar bedacht,
Voor overlooper speelde, en heirwaarts wierd gebragt:
(545) Want wie tot ’s vyands heir van hier wil overloopen,
Heeft niet slechts lyfsbehoud, maar zelfs op loon te hopen.
En dees verspieder heeft, in ’t hevigst van ’t gevecht,
Zyn nieuwe meesters, door de vlugt, vaarwel gezegt.

                                        CORNELIA.
Myn ouders, ach! gy leeft...

                                        FREDRIK.
                                                  De vyand mag’ hen sparen,
(550)’k Hoop echter niets voor hen van ’t hoofd der moordenaren.
Een wreedäart is steeds wreed; mistrouw zyn zelfs bedwang;
Zo hy een’ vyand spaart, hy doet het uit belang.
Verwacht dat hy, te leur gesteld in zyn verwachting,
Zyn zelfbedwang eens wreek’ door de ysselykste slachting.

                                        CAJET.
(555) Uw argwaan gaat te verre. Ik denk als gy, myn zoon:
Een wreedäart is steeds wreed, wat gunst hy ook betoon’;
Maar Coxinga heeft veel in dit beleg te vreezen...
’t Zy hem belang of deugd doe goedertierend wezen,
Is ’t niet voor ons het zelfde, indien hy Hambroek spaart,
(560) En hem voor gyzelaar in dit beleg bewaart?
En, als men ’t wel bedenkt, ’t is tegen zyn belangen
Dat hy, door moordery, zich wreke op een’ gevangen
Wiens leven immers nooit zyn’ meester nadeel doet,
Maar zelfs hem dienstig is voor borg in tegenspoed.



[p. 28]

VYFDE TOONEEL.

CAJET, FREDRIK, CORNELIA, VAN DEN
BROEK, ELIZABETH.

                                VAN DEN BROEK.
(565) Ik vrees verraad, mynheer. De vyand tracht dees wallen,
Eer ons de zon beschyn’, voorzeker te overvallen.
Van Ypren, die alom met roem bevelen geeft,
Denkt dat des vyands raad den storm besloten heeft.
Hy zend my hier om hulp. Maar ’t geen my meest doet schroomen,
(570) Is dat de vyand, die ons stil tracht op te komen,
In ’t oogenblik dat hy zyn benden herwaarts wend,
In ’t midden van de nacht! u hier gezanten zend.

                                        CAJET.
Gezanten, in de nacht! dit komt my vreemd te voren.

                                        FREDRIK.
Hy heeft zyn sterke post voor Middelburg verloren;
(575) Die onverwachte slag ontsteekt zyn ongeduld.

                                        CORNELIA.
Uw zege heeft zyn hart met dolle spyt vervult.
Myn maagschap, dien triomf zult gy met bloed betalen!

                                        CAJET.
Denk aan uw’ pligt, myn kind! Stel uwe wanhoop palen.
                    Tegen Van Den Broek.
Waar is ’t gezantschap?

                                VAN DEN BROEK.
                                      ’t Volk heeft in de duisterheid
(580) Die afgezanten straks in een vertrek geleid.
[p. 29]
Hy die de poort bewaakt heeft daadlyk twee soldaten,
Met uitgetogen staal, voor dat vertrek gelaten;
Opdat dit roovers rot niet heimlyk ons bespied’.
Ik vloog tot u, en zag die afgezanten niet;
(585) Maar zo de duisterheid ons volk niet heeft bedrogen,
Is de eenen een Christen; schoon onkenbaar...

                                        CAJET.
                                                                        Laat ons pogen,
Myn zoon, om ’s vyands list, die zeker op ons loert...

                    FREDRIK, met levendigheid.
’t Geen gy volvoeren wilt dient in der yl volvoert.
Ons dient geen tydverlies. Men komt ons ligt bedriegen:
(590) Dit loos gezantschap dient om ons in slaap te wiegen.
Het zy ’t ons opëische, of koom’ handlen van verdrag,
Wees op uw hoede: ik ducht een’ onverwachten slag.

                                        CAJET.
Dit snood gezantschap dient om slechts ons op te houên.
De vyand hoopt gewis iets van ons dwaas vertrouwen;
(595) Doch welk een vrucht hy ook van zulke treken wacht’,
Ik hoor ’t gezantschap niet in ’t midden van de nacht.
Gaan wy, laat ons met kracht zyn’ loozen aanslag stooren,
En daarna by den dag zyne afgezanten hooren.

                                        CORNELIA.
Myn vader! myn gemaal!... Ach! staat voor ’t minst my toe,
(600) Dat ik, eer gy vertrekt, u ééne bede doe:
Licht durf ik me een verzoek dat u mishaagt vermeten!
Die Christen zal gewis iets van myne ouders weten;
[p. 30]
Staa toe, dat ik hem spreeke. Ik smeek ’er om.

                                        CAJET.
                                                                        Welaan,
Ik sta ’u toe.
                                    Tegen Fredrik.
                        Laat ons den vyand gadeslaan.

            CORNELIA, met treurige oogen Fredrik ziende
                                  vertrekken, vervolgt, na een wei-
                                  nig zwygens:

(605) Schoon tot myn’ vaders val zo veel schynt saam’ te loopen,
Vrindin! dit zuchtend hart durft in den nood noch hopen.
’k Weet niet wat wondre drift myn bevend hart beving,
Op ’t hooren van den naam van Christenzendeling!
Wat mag naar zyn gesprek zo sterk my doen verlangen?...
(610) Wat heimelyke vreugd heeft myn gemoed bevangen!...
De wacht geleid’ terstond den Christen naar dees zaal.
Intusschen, Hemel! waak voor ’t hoofd van myn’ gemaal.

                    Einde van het tweede bedryf.


Continue

[p. 31]

DERDE BEDRYF.

EERSTE TOONEEL.

CORNELIA, ELIZABETH.

                                    ELIZABETH.
Bedwing uw ongeduld en rouw, die u doen kwynen.
De Christen zal terstond voor uw gezigt verschynen.
(615) Ik had hem gaarn’ gezien, hemzelv’ uw’ wil gemeld;
Maar wierd in d’uitvoer van myn’ wil te leur gesteld.
Men dient zich op den wal van Nederlands soldaten;
Een Formozaansche wacht is ons hier nagelaten,
Meest landvolk, ruuw en stug, daar ’t hart van hoogmoed brand;
(620) En deze heeft zyn post by Chinaas afgezant,
Belettende elk, wie ’t zy, in zyn vertrek te komen.
De Christen heeft nochtans door hen uw wil vernomen.
Hy komt terstond. Dat dus uw ongeduld verdwyn’.

                                        CORNELIA.
Bestryd geen vrees, vrindin! die licht gegrond kan zyn.
(625) Een ongelukkig hart laat lichtlyk zich verblinden;
Het zoekt in zyn verdriet aan alles troost te vinden;
Wenscht waar te zyn ’t geen hoop vertoont aan ’t flaauw gezigt;
En is een’ mensch gelyk die in het water ligt,
Die alles driftig grypt, zelfs tot de kleinste dingen,
(630) Om zich den arm der dood met zekerheid te ontwringen.
Dus is ’t met my gesteld! Vrindin, toen ik verstond
Dat Coxinga ons hier een’ Christenzendling zond,
[p. 32]
Wierd straks uit ouderliefde in my de hoop geboren,
Dat ik een heugchlyk nieuws zou van myne oudren hooren:
(635) En, als ik ’t wel beschouw, dan kan, naar allen schyn,
Die hoop niet anders dan eene enkle schaduw zyn.
Wat Christen kan ’s lands beul, de bron van myne elenden,
Ooit tot verzagting van myn smarten herwaarts zenden?
’t Kan geen der Christnen zyn gevallen in zyn hand:
(640) Geen dwingland kiest een’ slaaf tot zynen afgezant.
’t Zal een dier Christnen zyn, ik durf niet anders hopen,
Die zich, uit zelfbelang, aan ’t heidendom verkoopen;
Een van die monsters, die, tot steun van Chinaas magt,
Een’ roover dienen, die de menschlykheid veracht.
(645) Een ondier van dien aart zal, wat hy me ook doe weten...

                                        ELIZABETH.
Men komt. Het is...

                                        CORNELIA.
                                  Hoe word dit hart vanéén gereten!
Verlangen, siddring, hoop, de blydschap en de schrik,
Bestormen beurtelings my in dit oogenblik (*) !
        Met het hoofd eenigzins afgewend, op eene schroomach-
                                        tige wyze:

Gezant van Coxinga!... Wie gy ook zyt, kom nader.

        (*) Hambroek verschynt achter op het Tooneel.


[p. 33]

TWEEDE TOONEEL.

HAMBROEK, CORNELIA, ELIZABETH.
Een Formozaansche wachter.

                            ELIZABETH, Hambroek ziende.
(650) ô Hemel!...

            HAMBROEK, op zyne dochter toeschietende.
                              ô Myn kind!

            CORNELIA, door zyne stem verrast, hem schielyk
                                      aanziende, valt magtloos in zyne
                                      armen.

                                                  Myn vader!... ô Myn vader!

                                    HAMBROEK.
Ik leef, myn kind, ik leef!... Herneem uw kracht... ik keer...

                    ELIZABETH, geheel verbaasd.
Bedriegen wy ons niet? zyt gy het zelf, mynheer?

                                    HAMBROEK.
Ik ben ’t... Myn dochter, ach! hoe grieven my uw pynen!

                CORNELIA, in de armen van haar’ vader
                                    allengs bekomende:

Myn vader!... in uw’ arm voel ik myn smart verdwynen.
(655) De vreugd bestelpt myn hart! De goede Hemel heeft
Myn bede in ’t eind’ verhoort... Myn waarde vader leeft!
Hy keert!... Bericht my iets van myn geliefde moeder:
Leeft zy, myn zuster en met haar myn lieve broeder?
Is’t waar, heeft Coxinga hen, nevens u, gespaart?

                                    HAMBROEK.
(660) Zy leven, ja, myn kind, en worden heusch bewaard.

[p. 34]
                            CORNELIA, tegen Elizabeth.
Vlieg heen, doe myn’ gemaal myn’ vaders weêrkomst hooren.
                                Tegen haar’ vader.
Door uwe wederkomst worde ook zyn vreugd herboren.

                                    HAMBROEK.
Blyf. Fredrik heeft gewis myne aankomst reeds verstaan.
De brave Van Den Broek zag my in ’t herwaarts gaan,
(665) En kuste my de hand, door blydschap ingenomen.
Door hem zal uw gemaal myn komst te weten komen.
Hy weende, was ontroerd, verliet my met veel spoeds...

                        CORNELIA, met levendigheid.
Dat Coxinga u zend voorspelt my alles goeds!
De vader myns gemaals heeft geenszins my bedrogen!
(670) Zyn hoop was wel gegrond, hoe zwak in Fredriks oogen!
ô Blydschap! Coxinga, die aartsgeweldenaar,
Word grooter’ tegenstand dan hy ooit dacht gewaar:
Verslagen door ’t bericht van zyn verslagen benden,
Zal hy zich inderdaad tot zagte midlen wenden!
(675) Myn langgefolterd hart, dat al uw vrees verdwyn’!
Myn vader zal gewis een vredebode zyn!
Ja, myn gemaal! uw moed geeft ons eerlang de vrede,
In spyt van ’s vyands woede!

                                    HAMBROEK.
                                                  Ach! vlei u daar niet mede.
Wat heusch onthaal ons ook in ’s vyands heir geschied’,
(680) Schoon ik hier zendling ben, vertrouw den dwingland niet.
Indien hy tot verdrag in waarheid waar’ genegen,
[p. 35]
Waarom my’t oogmerk myns gezantschaps dan verzwegen?
Denk vry, myn waardste kind! dat onze dwingeland
My hier eer zend als slaaf, dan als een’ afgezant.

                                        CORNELIA.
(685) Zo hy als afgezant een’ slaaf had afgezonden,
Dan had hy inderdaad ontzind zyne eer geschonden.
Verwacht zo laag een daad van trotse heidnen niet.
Myn vader vreest te veel, gedrukt door ons verdriet!
De heidensche Chinees is uit den aart hoogmoedig:
(690) Het gaat hem in ’t beleg, tot noch toe, niet voorspoedig;
Dus tracht hy een verdrag den Christnen voor te slaan.
Dat gy van zyn ontwerp uit hem niets hebt verstaan,
Is aan de hovaardy des veldheers toe te schryven.
Hy hoopt gewis door u den voorslag door te dryven,
(695) Waarmee’ zyn’ afgezant in ’t heimlyk is belast.
Daar hy dees nacht zyn volk door Fredrik zag verrast,
Hoopt hy, door vrees geprangd, dit durf ik zeker hopen,
Voor uwe vryheid een verdrag van ons te koopen.

                                    HAMBROEK.
Myn dochter! ach! gy kent den aart der wreedheid niet.
(700) Geen laagheid is zo groot die zich een wreede ontziet,
Zo hy zyn oogmerk door geweld niet kan bekomen.
De vreugd van my te zien doet u te weinig schroomen.
’t Is eigen aan den mensch, en dus in ’t minst niet vreemd,
Dat hy een schyngeluk in nood voor waarheid neemt;
(705) Het kost de hoop niet veel om ons in slaap te wiegen;
’t Vernuft is nooit zo scherp dan als ’t ons moet bedriegen,
[p. 36]
Byzonder in de jeugd, in uwe levenstyd.
Maar gy, myn kind! betoon dat gy verstandig zyt.
Men komt door ’t Christendom meer menschlyk zwak te boven,
(710) Dan dwaze haters van het Christendom gelooven.
Men noemt de Christnen laf, hunn’ troost niets dan een’ schyn,
Daar juist het Christendom den mensch een held doet zyn.
’t Leert ons in vreugd en druk ons aan geen’ schyn vergapen;
Het geeft den menschen moed; maar de ootmoed is zyn wapen.
(715) De ware Christen vind in tegenspoed zelfs vreugd,
Omdat hy dien beschouwt gelyk een toets der deugd;
Ja, hoe veel rampen hem, aan allen kant, doen vreezen,
Hy dankt, bemint en eert den wil van ’t Opperwezen.
Zie daar, myn waardste kind! het voordeel van uw leer’:
(720) Bedien u thans daarvan. Doorzoek myn lot niet meer.
Laat my het woord voldoen aan Coxinga gegeven.

                                        CORNELIA.
Uw woord!... wat vreemd bevel is u dan voorgeschreven!

                                    HAMBROEK.
In ’t byzyn van Cajet geef ik daarvan bericht.

                                        CORNELIA.
Voldoe myn ongeduld.

                                    HAMBROEK.
                                      ’k Voldoe aan mynen pligt.

                                        CORNELIA.
(725) Gy pynigt myn geduld! Ik bid, verklaar u nader.
Uw vreemd gezantschap... Maar ik zie myn’ Fredriks vader,
[p. 37]
Cajet, uw’ boezemvrind. Verlicht nu myn verdriet.

                                    HAMBROEK.
’k Zal doen ’t geen eer en pligt en Godsdienst my gebied.


DERDE TOONEEL.

HAMBROEK, CAJET, CORNELIA, ELIZABETH.
Een Formozaansche wachter.

                            CAJET, Hambroek omhelzende.
Myn halsvrind! hoe! gy keert! mag ik myn oog vertrouwen!
(730) ’k Heb Fredrik op den wal met moeite wederhouên:
Al ’t volk wenscht, nevens hem, hunn’ leeräar weêr te zien.
’t Bewaren van elks post moest ik op ’t strengst gebiên;
Elk wenschte, om stryd, het eerst u in deez’ wal te groeten.
Maar wat geluk, myn vrind! doet ons u hier ontmoeten?

                                    HAMBROEK.
(735) ’s Volks liefde is’t heerlykst loon voor een deugdlievend hart...*
Dat uwe en hunne vreugd niet slechts verkeere in smart!

                                        CAJET.
Hun blydschap zou in smart, myn hoop in rook verkeeren,
Daar we u als afgezant van Coxinga zien eeren!

                                    HAMBROEK.
Vertrouw dat de eer, myn vrind! die ons een dwingland schenkt
(740) Uit wreeden nooddwang spruit; dat zy zyn’ hoogmoed krenkt,
Zyn zwakheid hem verwyt, en dat ik, vroeg of spade,
De dood te wachten heb, ten loon dier schyngenade.

                                        CAJET.
Gy scheurt myn hart vanéén! Wat last gaf uw tiran...

[p. 38]
                                    HAMBROEK.
’t Is me onbekend; doch denk wat die behelzen kan.
(745) Gy hoopt; maar gis myn’ last uit al de omstandigheden
Waarmee’ de dwingeland my heeft doen herwaartstreden.
            Toen Coxinga vernam, dat Chinaas oorlogsmagt
Voor ’t bolwerk Middelburg een’ slag was toegebragt,
Waardoor hy alle hoop om deze post te winnen,
(750) En zyn besluit ten storm, moest bannen uit zyn zinnen,
Riep hy zyn’ krygsraad saam’. Men maakte my bekend,
Dat my de veldheer deed ontbieden in zyn tent,
Met Ampzing en Van Kamp, myne ampt- en lotgenooten.
Wy traden in de tent, vervuld met legergrooten,
(755) Uit wier gelaat niets blonk dan wraakzucht, spyt en moord.
Gy hebt, sprak Coxinga, de woede uws volks gehoord.
’t Heeft door verraad myn volk van Middelburg doen wyken;
Het heeft meer haat dan moed, meer list dan kracht doen blyken;
Ik kon, dit oogenblik, het bloed myns volks ten zoen,
(760) Op u en ’t Christenvolk myn woede en wraak voldoen;
Maar Coxinga heeft u een ander lot beschoren.
Gy, Hambroek, zult Cajet terstond myn’ wil doen hooren.
Die blyke uit dezen brief (*). Stel dien Cajet ter hand,
In tegenwoordigheid van mynen afgezant.
(765) Geef my uw woord van eer dat gy zult wederkeeren.
Hy heeft myn woord van eer my heilig doen bezweren.
Wat kan nu de inhoud zyn van dit barbaarsch geschrift, (*) Hy toont Cajet een’ brief; doch houd dien in handen.

[p. 39]
Gesproten uit een brein beheerscht door helsche drift!

                                        CAJET.
Gy grieft my meer en meer; gy pynigt myn verlangen...
(770) Ik beef om dezen brief van uwe hand te ontfangen!
Ik sidder, als myn hart uw’ toestand gadeslaat!
Is zelfverweering by den dwingeland verraad,
Dan kan men niet veel goeds van zynen kant verwachten;
Een braaf gemoed zal steeds een’ dappren vyand achten.

                                        CORNELIA.
(775) Hoe meer ik denk, helaas! hoe meer myn hoop vervliegt!

                                    HAMBROEK.
Niets is zo wreed voor ’t hart dan hoop die ons bedriegt.
Maar...


VIERDE TOONEEL.

HAMBROEK, CAJET, CORNELIA, ELIZABETH,
VAN DEN BROEK. Een Formozaansche wachter.

                              VAN DEN BROEK.
            Chinaas afgezant, door ongeduld gedreven,
Mynheer, eischt dat gy hem terstond gehoor zult geven.
Zyn hoogmoed schynt gebelgd dat gy zo laat hem hoort.

                                        CAJET.
(780) ’t Laaghartig heidendom toont spoedigst zich gestoord.
Hy kome.
                            Van den Broek vertrekt.

                      CORNELIA, tegen Hambroek.
                        Ach! deze komst zal ons uw lot verklaren.
ô Hemel! eisch myn bloed, en doe myn’ vader sparen.

[p. 40]
                                    HAMBROEK.
Wat ook myn lot moog’ zyn, waar Coxinga naar tracht,
Myn dochter! wees zo groot als ik van u verwacht.
(785) Leef, om door deugd en moed ons hoofd met eer te kronen,
Of liever om de kracht van ’t Christendom te toonen.


VYFDE TOONEEL.

HAMBROEK, CAJET, CORNELIA, XAMTI,
ELIZABETH, VAN DEN BROEK. Een
Formozaansche wachter.

                                      XAMTI (*).
Gy, krygsliên zonder moed, gy, Christnen zonder deugd,
Die om een kleine zege op ’t spoorloost u verheugt,
En, trots op dezen wal, belachlyk saam’ durft spannen,
(790) Om, met een hand vol volks, ruim dertig duizend mannen,
Van alles wel voorzien, en tot den kryg gehard,
Te stuiten in ’t beleg; zult ge eindlyk uit de smart
Die gy inwendig voelt om ’t lot van uwe vrinden,
Niet leeren door wat waan ge uw oogen laat verblinden?
(795) Verwyt uw eerloos hart, doorboord door hun verdriet,
U ’t snood bezit eens lands dat ge ons ontroofd hebt niet?
Wat heeft u uit Europe aan Chinaas kust gedreven,
Tot rooving van een land ons door natuur gegeven?
Is ’t niet uit vuig belang, de God van ’t Christenvolk,
(800) Dien gy hoogst yvrig dient door snood verraad en dolk?

    (*) Zodra Xamti op het Tooneel verschynt, doet Cajet
den Formozaanschen wachter vertrekken.


[p. 41]
Hebzuchtig roofgebroed...

                                        CAJET.
                                      Laat af ons meer te hoonen.
Wy zullen Coxinga den aart der Christnen toonen.
Ja, gy kunt zeker zyn, dat hy voor dezen wal
De deugd- en moedloosheid der Christnen kennen zal.
(805) Hoe Neêrland dit gewest deed bukken voor zyn vanen,
Staat niet aan ’t onderzoek van Neêrlands onderdanen:
De raad die ons regeert is, wat die ook verricht’,
Den Hemel rekenschap, geenszins aan ons, verpligt.
De Christen volgt zyn’ pligt, schoon de overheden dolen,
(810) Volbrengt getrouw all’ ’t geen door hen hem word bevolen;
En acht zich nooit bevoegd daartegen aan te gaan,
Dan als ’t bevel niet kan met zyn gemoed bestaan.
Dees sterkte is my vertrouwd, en, hoe ge ons moogt betichten,
’t Verweeren van myn post is de eerste myner pligten;
(815) En ik, ik zweer u, dat geen vyand in deez’ wal,
Dan langs myn lyk en ’t puin der muren komen zal.

                                        XAMTI.
Die taal, (die inderdaad u zou tot eer verstrekken,
Zo gy u wettig erf voor overval moest dekken,
Zo gy geen land verweerde alleen door krygsgeweld
(820) Ons wetteloos ontrukt,) zy op de proef gesteld.
                                Tegen Hambroek.
Gy, slaaf van Coxinga, doe zyn bevelen hooren.

[p. 42]
        HAMBROEK, op eene grootmoedige wyze, tegen
                        Cajet, die eenigzins aarzelt.

Aanvaard deez’ brief, myn vrind! Zie wat my is beschoren.

                                  CAJET, leest.
            Zo ge u niet overgeeft eer ’t weder avond word,
Vermetel Christen! beef voor ’t hoofd van deez’ gevangen:
            (825) Zyn leven word door u en niet door my gekort.
Gy zult voor dezen muur hem daadlyk op zien hangen,
            Of ’t hoofd van ’t ligchaam slaan. Dat dees gevangen slaaf,
Uw’ krygsraad doende zien wat wy van u begeeren,
            Zo hy zyn leven mint, u noop’ tot de overgaaf.
(830) Zo hy zyn woord verbreekt, en niet mogt wederkeeren,
            Dan zal zyn gade en kroost, die trouwloosheid ter straf,
Uw’ meesters wraak voldoen. Zyn lot hangt van u af!

                                                                          COXINGA.

        CORNELIA, zich wanhopig aan de voeten van
                            Cajet werpende.

In ’s Hemels naam, mynheer! doe my geen hoop verliezen...

      HAMBROEK, tusschen haar en Cajet toeschieten-
                            de, en haar, met levendigheid,
                            opheffende:

Wat wil myn dochter dat haar vader zal verkiezen?
(835) Het geld myn leven, ’t geld myne eer; de tyd eischt spoed:
Zeg, wat een eerlyk man het hoogst waardeeren moet.

                                        CORNELIA.
Zo ik die uitspraak deed naar ’t geen ik van u leerde,
[p. 43]
Dan waar’ ’t uw dochterzelf die uw verderf begeerde.
Verwacht gy van uw leer’ voor ’t menschdom zoveel moeds?

                                    HAMBROEK.
(840) Bekroon uw’ vaders leer’ door ’t uitstaan van den toets.

                                        CORNELIA.
Myn rampen zyn ten top! Wiens boezem zou niet yzen!
Myn vader dringt my aan, dat ik hem zal verwyzen!
                              Tegen Cajet.
En gy, zyn boezemvrind, die ook myn vader zyt,
Gy zwygt in’t gruwzaam wee dat myne ziel doorsnyd!
(845) Wiens overstraffe deugd staat my hier meest te vreezen?
Wiens strengheid zal voor my het onverbidlykst wezen?
Gy, die my zwygend grieft, en redden kunt, mynheer,
Duld dat het hart eens kinds, uit pligt, zich te uwaarts keer’.
Het geld myn’ vaders eer, het geld myn’ vaders leven,
(850) Hy is uw boezemvrind... Gy kunt ons uitkomst geven.
        Zich aan de voeten van Cajet werpende.
Myn vader! dat uw gunst myn laatste toevlugt zy:
’k Bid, geef de vesting op.

                          CAJET, haar opheffende.
                                          Myn kind, wat vergt ge my!
’k Beken, ’k stond sprakeloos; wie zou geen’ moed verliezen,
Als pligt hem noopt het ergste, en vrindschap ’t zagtst te kiezen?
(855) Ik voel den wreeden stryd van vrindschap en van pligt;
Uw ramp, uw ramp, myn kind! is van geen min gewigt...
Wat zyde ik ook verkiez’, wat kan ik anders vreezen,
Dan dat myn keur voor u of my zal doodlyk wezen?
[p. 44]
Zo ik my overgeef, hoe zal ik by den raad
(860) Myzelv’ verschoonen van die schandelyke daad?
Ik ben een oorlogsman.

                                        CORNELIA.
                                    Maar mensch en vrind metééne.

                                        CAJET.
Ach! dat uw deugd het oor aan uwe vader leene:
Dat ons nu, meer dan ooit, zyn uitspraak heilig zy;
Zyn deugd bepaal’ het lot van hem, van u en my.

        CORNELIA, haar’ vader te voet vallende.
(865) Gy, die myn vader zyt, ontzeg me, in myne elenden,
Den troost niet van myn klagt tot u te mogen wenden.
Verbeeld u dat, schoon hier uw dochter tot u spreekt,
Haar moeder, zuster en haar broeder door haar smeekt.
Gun die elendigen door my u aan te manen,
(870) Dat gy uw deugd min hoort dan onzer aller tranen.
Vergun den vader van myn’ dierbren echtgenoot,
Dat hy, om u en ons, u redde van de dood.

        HAMBROEK, haar doende opstaan.
Ik vind my in myn hoop dan eindlyk wreed bedrogen!
Cajet hoort min zyn’ pligt dan ’t avrechts mededoogen!
(875) Het is myn dochterzelf die hier haar’ moed verzaakt,
Voor ’s vyands afgezant zich hoogst verachtlyk maakt,
Door tot een lage daad haar’ vader aan te dryven,
Wier smet in eeuwigheid in zyn geslacht zou blyven!
                  Op Cajet wyzende.
    Myn dochter, ach! wat vergt gy dien bedrukten held?
(880) Op welk een zware proef word hy door u gesteld?
[p. 45]
Gy tracht, daar ’s vyands zwaard dees vesting niet kan dwingen,
Door tranen, door gekerm de vesting hem te ontwringen!
Gy eischt, dat hy zyn’ pligt als oorlogsman verzaak’,
Voor eeuwig zich ontëere, en zich doodschuldig maak’;
(885) Slechts om een’ oude vrind van ’t sterven vry te koopen,
Wiens leven inderdaad welhaast ten eind’ zal loopen,
Ten minste niet meer lang tot nut verstrekken kan.
Uw liefde is dus meer wreed dan ’t woên van myn’ tiran.
                        Tegen Cajet.
Gy, die hier meester zyt, wiens vrindschap my verëerde,
(890) Wiens deugd myn vrindschap won, van my uw pligten leerde,
En die getrouw volbragt; kan ’t mooglyk zyn, dat gy,
Noch twyflen kunt wat hier voor my te kiezen zy?
Hoe! waant gy, dat uw vrind het leven zou verkiezen,
Als gy voor ’t zyne uwe eer en leven zoud verliezen?
(895) Ik leven met de blaam dat ik myn’ vrind verried!...
Gy kent my: wacht van my die snoode laagheid niet.
Zo gy myn vrindschap acht, gelyk in vroeger dagen,
Laat noch door tranen noch door vrindschap u vertsagen.
De vrindschap en natuur, hoe hoog by my geacht,
(900) Zyn niets, als een van haar van my iets snoods verwacht.
Ik eisch ’t, het is uw pligt, gy zult u post verweeren.

                                        XAMTI.
Bedenk, uw dood is ’t loon van ’t vruchtloos wederkeeren.

                                    HAMBROEK.
Ik weet het: ’k vrees geen dood. Kom, dat uw opperheer
[p. 46]
Het waarlyk groot zyn van zyn’ slaafschen Christen leer’.

                            CORNELIA, tegen Xamti.
(905) Zal uw barbaarsche heer dit heldenbloed dan plengen?

                        XAMTI, op Hambroek wyzende.
Vraag eer, zal die barbaar hem tot dat uiterst brengen?
Ter zyde, met verwondering, op Hambroek ziende.
Ik sta op ’t hoogst verbaasd om zyn groothartigheid!...
Had Coxinga myn’ last een’ ander’ opgeleid!

                            CAJET, tegen Xamti.
Dit is voor de eerste maal dat me iemant in myn leven,
(910) (’k Verberg myn siddring niet) in ’t krygswee heeft zien beven,
Mynheer. Uw opperhoofd verkiest in dit beleg,
In waarheid, ons ten val, een’ zonderlingen weg!
Hy, die met ons den stryd, zo ’t schynt, in ’t veld wil myden,
Doet door myn’ vrind myn’ moed in dezen wal bestryden.
(915) ’k Beken, die vreemde storm is schrander uitgedacht:
Hy treft te meer, dewyl dien niemant heeft verwacht.
Het geld myn hoofd of eer, het geld myn’ halsvrinds leven:
’t Voegt Coxinga my tyd tot zulk een keur te geven;
Doch daar ik in den nood van hem niets hopen kan,
(920) Hoop ik één gunst van u, gy schynt een eerlyk man;
Ondanks den trotsen aart uw landgenooten eigen,
Doet de eedle deugd myns vrinds uw hart tot deernis neigen;
Het welgetroffen hart vermomt zich niet zo licht;
Gy hebt geen’ wreeden aart, maar zyt gestreng uit pligt.
(925) Laat ons één uur alleen, om alles te overleggen.
Die bede is waarlyk klein, gy kunt die niet ontzeggen.
[p. 47]
Verpligt een’ vyand, die uw deugden waarlyk eert.

                                        XAMTI.
Welaan! ik sta u toe ’t geen gy van my begeert.
’k Beken, uw vrind is groot: zyne eedle doodsverachting,
(930) En liefde tot zyn’ vrind, gaan boven myn verwachting.
Hoe dwaas men in myn land den Christen ons verbeeld,
’k Zie dat de Christenheid ook ware helden teelt;
En hoe uw geestlykheid u te onswaarts moog’ verblinden,
Gy zult my voor de deugd niet ongevoelig vinden.
(935) ’k Denk dat de priesterschaar’, zo wel by u als my,
Meer voor ’t verketteren dan voor ’t bewyzen zy.
Wat my betreft, ik die voor ’t eerst met Christnen handel,
Sta, wat hun leere ook zy, verbaasd om hunnen wandel.
Gy houd uw’ plicht in ’t oog; ik zie ’t met vreugd! Sta toe,
(940) Dat ik, myn volk ten roem, ook aan myn’ plicht voldoe:
Ik eisch uw woord van eer, dat Hambroek niet zal vluchten.

                                        CAJET.
Gy hebt van hem noch my een laffe daad te duchten.
Ga, keer naar uw vertrek. Vertrouw gerust, mynheer,
Dat wy ons leven min waarderen dan onze eer.
                    Xamti vertrekt, met Van Den Broek.
                    Waarna Cajet, tegen Cornelia, vervolgt:

(945) Gy kunt uw’ echtgenoot in deze zaal verwachten.
Dat hy zichzelv’ bezitt’; bestorm hem niet met klagten.
Meld hem, ik smeek ’er om, met alle omzigtigheid,
Het lot uw’ vadren door den dwingland opgeleid.
                              Tegen Hambroek.
Laat ons, in myn vertrek, in eenzaamheid, beramen
[p. 48]
(950) Wat wegen u en my in dezen nood betamen.

                                    HAMBROEK.
Myn dochter, schoon myn ziel met smart uw droefheid ziet,
Vlei u met myn behoud, ten koste eens halsvrinds, niet.
’k Zal voor ’t belang myns volk, ik zal als Christen sneven.
De Hemel wil het zo: ’k moet Hem voldoening geven.
(955) Toon, als ’t een’ Christen past, het ongeloof ten spyt,
Hoe edel ’t Christenvolk zyn smart met vrucht bestryd.
Hy vertrekt, met Cajet.

                                        CORNELIA.
Hoe treft die taal myn ziel! Myn’ vaders bloed zal stroomen!
Ik word gedoemd myn smart deswegens in te toomen!...
ô Hambroek! ô Cajet! ô Fredrik! Coxinga!...
(960) Gy allen grieft myn hart!... Geef, Hemel! my genaê!
Zy bezwymt, in de armen van Elizabeth.

                    Einde van het derde bedryf.


Continue


[p. 49]

VIERDE BEDRYF.

EERSTE TOONEEL.

CORNELIA, alleen, zittende.

Myn Fredrik!... Ach! uw gade, om ’t leed haars bloeds bezweken,
Verlangt om u te zien, en schrikt om u te spreken!
Is dit, ô Hemel! ’t loon voor een deugdlievend hart?
Zyn uw beproevingen verzeld van zo veel smart?
(965) De vader myns gemaals moet zelf myn’ vader doemen,
Of waagt zich dat de raad hemzelv’ zal eerloos noemen;
Ik moet myn’ vaders hoofd...’k Moet hem ter dood zien gaan,
Wil ik myn gantsch geslacht niet zien ter nederslaan!...
ô Hemel! zo de geen die deugd en Godsdienst achten,
(970) Geen beter leven na dit leven konden wachten,
Dan waar’ myn grootste troost, helaas! niets dan een schyn!
Dan waar’ myn wreedste straf uw evenbeeld te zyn!



TWEEDE TOONEEL.

CORNELIA, ELIZABETH.

        CORNELIA, opstaande, en met drift naar Eli-
                                zabeth tredende.

ô Myn vrindin!...

                                        ELIZABETH.
                            Bedaar. Uw echtgenoot zal komen.
Bedenk, mevrouw! hier dient een goed beraad genomen:
(975) Dat Fredrik uit uw’ mond uw’ vaders lot versta,
[p. 50]
Maar dat zyn deernis niet tot wanhoop oversla.
In ’s Hemels naam, vrindin! ik bid, bezit uzelve;
Dat uwe droefheid ons geen’ nieuwen afgrond delve.
Zo ’s Hemels oppermagt uw’ vaders val besloot,
(980) Bewaar, zo ’t mooglyk is, uw’ dappren echtgenoot.
Zyn drift, om uw verdriet, ten hoogsten top gerezen,
Zal naauwlyks door Cajet te wederhouden wezen.
Tref hem niet onvoorziens, wees moedig met beleid.
Mistrouw dit uur vooral zyne edelmoedigheid;
(985) Die licht in ’t jeugdig hart door drift te verr’ gedreven,
Hem noopt, voor Hambroek, zich in ’s vyands magt te geven.

                                        CORNELIA.
Gy scheurt myn hart vanéén!

                                        ELIZABETH.
                                            Uw ramp is waarlyk groot!
Uw vader, uw gemaal, zyn vader zyn in nood,
Uw moeder loopt gevaar; wat weg men ook moog’ kiezen,
(990) Het lot wil dat gy één van allen zult verliezen.
Daar gy nu één’ van hen onfeilbaar missen moet...

                                        CORNELIA.
Erinner my geen keur die zelf u yzen doet.
Nochtans wat wolk van ramp myn zinnen hebbe omtogen,
Eén enkle straal van hoop komt éénslags my voor de oogen:
(995) De vader myns gemaals is een staatkundig man,
Van wiens gespitst vernuft men veel verwachten kan.
Hy heeft beraad verzocht: licht zal hy iets verzinnen,
Om in dit groot gevaar behendig tyd te winnen;
Hy treft met Coxinga misschien een vergelyk...
[p. 51]
(1000) Verstand gescherpt door nood is altyd vindingryk.
            Na een weinig peinzens.
Maar door wat hoop, vrindin, dit hart ook word’ bezeten,
Myn Fredrik moet nochtans den eisch des dwinglands weten.
De vader myns gemaals, hoe moedig eischt van my,
Dat ik by myn’ gemaal hiervan de bode zy;
(1005) Hy hoopt dat huwlyksliefde een woede zal betoomen,
Waarvan men inderdaad het ergste heeft te schroomen.
Maar hoe veel vreeslyks doet in dezen last zich op!
De vreugd van Fredrik is gewis ten hoogsten top,
Om Hambroeks wederkomst; verbeeld u daarenboven
(1010) Dat hy van deze komst zich zal veel goeds beloven;
En dat hy meer dan ooit zyn glori stellen zal,
In ’t welverweeren van den felberenden wal.
Hoe zal zyn vreugd en hoop in smart en spyt verkeeren!

                                        ELIZABETH.
’t Is zeker dat de spyt zyn’ boezem zal verteeren;
(1015) Maar... Iemant nadert ons. Uw echtgenoot verschynt.

                                        CORNELIA.
Wat siddering bevangt me!... Ach! al myn moed verdwynt!



DERDE TOONEEL.

CORNELIA, FREDRIK, ELIZABETH.

                                        FREDRIK.
Het is dan waar, myn lief! uw vader is ontslagen?
’t Lust Coxinga door hem iets goeds ons voor te dragen?
[p. 52]
Myn hart voed eindlyk hoop! De trotse dwingeland
(1020) Verkiest uw’ vader dan tot zynen afgezant?
Dank zy myn zegepraal, voor dezen wal bevochten!
Men ziet op ’t klaarst den schrik van Chinaas krygsgedrochten:
Wy hebben van hun woede, op ’t einde van de nacht,
Op myn gewonnen sterkte een’ fellen storm verwacht;
(1025) Doch ’t leger houd zich stil, verr’ van ons aan te vallen.
Van Ypren waakt met roem alom; en dekt dees wallen,
In myne afwezendheid, zo ’t heir al iets besta.
Waar is uw vader? duld dat ik hem spreken ga.
Dat hy my zelf ontdekk’ wat hem deed herwaarts komen.
(1030) Myn hart, op zyne komst door blydschap ingenomen,
Verlangt om in zyn’ arm de vrucht der zegepraal,
Verkregen door myn’ arm... Gy beeft!

            CORNELIA, zich met aandoening in zyne ar-
                                men werpende.

                                                              ô Myn gemaal!...

                                        FREDRIK.
Wat wil die tranenvloed? Wat doet u heimlyk beven?
Daar ’t lot myn hart voor ’t eerst vergunt op hoop te leven,
(1035) Bestormt myn gade, die altyd heeft hoop gevoed,
Myn naauw’ ontloken hoop door haren tranenvloed!

                                        CORNELIA.
De hoop verheugt uw hart!... zy deed het ook het myne...
,,Ik sidder!’’... Dat uw hoop, met myne vreugd verdwyne!

                                        FREDRIK.
Gy slaat myn hart met schrik! ik bid, verklaar u vry...

[p. 53]
                                        CORNELIA.
(1040) Ik beef... maar meest voor u!

                                        FREDRIK.
                                                      Hoe nu! gy beeft voor my?..,
Doch waartoe tyd verspild? Doe my uw’ vader spreken.

                                        CORNELIA.
Uw vader is met hem in ’t ginds vertrek geweken;
Hy is het die door my den ingang u verbied.

                                        FREDRIK.
Hoe! ’t is aan my, aan my! dat deze hoon geschied?

                                        CORNELIA.
(1045) Ach! strekte dit verbod om Fredriks deugd te hoonen,
Zyn gade zou zich meer dan hy gevoelig toonen.
Men zou my sterven zien voor de eer van myn’ gemaal.

                                        FREDRIK.
Gy stoot me een’ dolk in het hart! Waartoe die duistre taal?
Wat schrikkelyk geheim wilt ge uw’ gemaal verzwygen?
(1050) Laat ongeduld op my geen overhand verkrygen!
Gy kent me: in spyt der wacht, wanneer gy tyd verspilt...

                                        CORNELIA.
Welaan! zo ik u meld het geen gy weten wilt,
Zoud gy uwe echtgenoote uw woord van eer vergunnen,
(En zal zy zich daarop gerust verlaten kunnen,)
(1055) Dat gy niets zult bestaan, ondanks uw ongeduld,
Dan ’t geen gy eerst vooraf met haar beramen zult?
Ik ken uw edel hart, maar vrees uw drift met reden:
Gy kent uw gade, en weet, van langer dan van heden,
Dat haar eerlievend hart van u niets vergen kan,
[p. 54]
(1060) Dat met de pligten stryd van eenig’ eerlyk’ man.

                                              FREDRIK.
Welaan! ik geef myn woord, Spreek op! ,,Wat doet my beven!’’

                                      CORNELIA, angstig.
De vyand eischt den wal, of... Hambroeks dierbaar leven!

                            FREDRIK, in den armstoel vallende.
Het is met ons gedaan!... Myn gade!

                                        CORNELIA.
                                                            Ach! myn gemaal

                                        FREDRIK.
Is, Hemel! dit de vrucht van myne zegepraal?
(1065) Wat schriklyke eisch! Helaas! myn gruwzaam triomferen
Doet, ô myne echtgenote! ons lot zo wreed verkeeren!
Ik heb myn’ pligt gedaan voor deez’ gedreigden muur,
Dit tergt den dwingeland! Myn zege staat u duur!
Wyt uw’ gemaal den ramp dien Hambroek heeft te wachten...
                                  Met drift opstaande.
(1070) Maar wederhoud my niet: ik moet myn’ pligt betrachten.
                                            Hy wil vertrekken.

                    CORNELIA, hem wederhoudende.
Ach! blyf. In ’s Hemels naam! Helaas! myn echtgenoot,
Wat wilt ge?

                                        FREDRIK.
                    Uw’ vaders hoofd ontrukken aan de dood.

                                        CORNELIA.
Ach! is ’t my niet genoeg voor vaders hoofd te vreezen?
Moet uw vertwyfeling uw gade ook doodlyk wezen?
(1075) Bedenk uw woord van eer: verlaat myn zyde niet.

[p. 55]
                                        FREDRIK.
’k Zal doen ’t geen eer, en pligt en vrindschap my gebied.

                                        CORNELIA.
Gy zult dit oogenblik uw gade niet begeven...
Eén enkle straal van hoop is my noch bygebleven.
Zolang men hopen kan, is wanhoop spoorloosheid.

                                        FREDRIK.
(1080) Hy handelt sporeloost die met een Niet zich vleit.
Hoop van den dwingland niets, vreest alles van zyn woede.
Sta toe, dat uw gemaal uw’ vaders hoofd behoede.
Gy hoopt, daar ’t lot op ’t wreedst is tegen ons gekant!
Wat vleit u in deez’ nood?

                                        CORNELIA.
                                        Uw vaders scherp verstand.
(1085) Hy heeft, toen hy den eisch des dwinglands had vernomen,
Van ’s vyands afgezant, door list, verlof bekomen
Om, door een uur beraad, naar midlen om te zien...
Bedwing u, duld dat hy zich van dat uur bedien’:
Licht vind zyn geest iets uit om listig tyd te winnen...
(1090) Ban toch, zo lang gy kunt, de wanhoop uit uw zinnen.
Vergroot door drift het wee van uwe gade niet.

                                        FREDRIK.
Uw sporelooze hoop baart my het grootst verdriet.
Wat ook myn vader doe, geen tydwinst zal ons baten.
Denk nooit, dat Coxinga zyn opzet zal verlaten.
(1095) Zyn eisch is al te wel bedacht tot onzen val,
Om ooit te hopen dat hy dien verandren zal.
De dwingland vond den weg om ons door schrik te treffen;
[p. 56]
Hy zal ons drukkend leed niet dan te wel beseffen,
Daarmeê zyn voordeel doen,... Ach! wat men moog’ bestaan,
(1100) Zyn eisch blyft steeds zyn eisch, daar hy nooit af zal gaan.
Weêrstreef myn opzet niet... ’k Zie onze vadren komen.
Hoe word dit hart door spyt en deernis ingenomen!
Uw vaders deerlyk lot, uw lyden, uw geween...

                                        CORNELIA.
Hoe veel elendigen brengt hier het lot byéén!



VIERDE TOONEEL.

HAMBROEK, CAJET, FREDRIK, CORNELIA, ELIZABETH.

                FREDRIK, Hambroek omhelzende.
(1105) Mynheer, myn gade heeft me uw’ dwinglands eisch doen weten...
Ach! moet ik op die wyz’ haar’ vader welkom heten!
Men heeft u tyd vergunt, ik weet het, tot beraad;
Maar ’k weet wat van uw keur ons faam’ te wachten staat.
Ik ken uw strenge deugd, uw vrindschap voor myn’ vader,
(1110) Uw liefde tot uw’ pligt, en Neêrlands volk te gader.
’k Weet wat elk dezer eischt van uw verheven hart...
Elk dezer slaat niet min myn ziel met bittre smart!
Gy zult gewis, mynheer, hun aller inspraak hooren:
Ach! sta uw’ zoon ook toe hunne inspraak niet te smooren.
(1115) Myn arm heeft ’s vyands zwaard op uwen hals gewet...
Sta my één poging toe, die mogelyk u red.

                                    HAMBROEK.
Wat poging!... Ach! myn zoon, wat wegen vind gy open
[p. 57]
Waar langs ik ’s vyands wrok met glori zoude ontloopen?
De vlugt? Bedenk, myn kind! dat nooit de dwingeland
(1120) Zo hy geen borg had my zou stellen in uw hand:
En wie is borg voor my? Myn gade en lieve kindren;
Zo ik de vlugt verkoos, hun nood zou my verhindren.
Ik denk niet, dat gy ooit van my de wreedheid wacht,
Dat ik my redden zou ten val van myn geslacht.
(1125) Doch schoon de dwingeland myn maagschap niet kon deeren,
Geloof me, ik zou nochtans weêr naar zyn leger keeren;
Ik deed niet min dan nu ’t geen eer en pligt gebied:
’k Bezwoer myn wederkomst; myn’ eed verbreek ik niet.
Wilt gy uw deugd, uw’ pligt, uw liefde en vrindschap hooren,
(1130) Verdedig dezen wal veel stouter dan te voren.
De Hemel eischt myn bloed, en Hy heeft recht daartoe.
’t Is my de grootste troost dat ik myn’ pligt voldoe;
Voldoe den uwen ook: doe ’s vyands heirkracht beven,
En doe geen’ voorslag meer tot redding van myn leven.

                        CORNELIA, tegen Cajet.
(1135) ’k Ben raadloos! Ach! mynheer, heeft dan uw scherp verstand...

                                        CAJET.
Uw vader, ach! myn kind, wyst alles van de hand.
Geen voorslag, geen verdrag... Ik bid u, hou u moedig.
Maak ons door kermen niet ten uiterste rampspoedig.
Daar niets uw’ vaders hoofd voor ’t zwaard bevryden kan,
(1140) Beneem den moed ons niet, ter gunst van zyn’ tiran.
Gy ziet de helft myns moeds, om ’t lot myns vrinds, bezweken;
[p. 58]
Ach! laat my de andre helft, om hem voor ’t minst te wreken.
Zo ’t lot u vreeslyk drukt, het drukt my ruim zo wreed:
Ik, ik moet de oorzaak zyn van uwer aller leed!
(1145) ’k Beklaag uw schriklyk lot, uw bittre droefheid ziende;
Maar ik beklaag u min omdat gy ’t niet verdiende:
Dit strekt my ook tot troost; maar...



VYFDE TOONEEL.

HAMBROEK, CAJET, FREDRIK, CORNELIA, ELIZABETH,
VAN DEN BROEK.

                            VAN DEN BROEK.
                                                        ’s Vyands afgezant
Eischt uw’ gevangen vrind te rug van uwe hand;
En ’t oorlogsvolk, mynheer, door ongeduld bezeten,
(1150) Verlangt de reden van hunn’ leeräars komst te weten.

                                        CAJET.
Dat de afgezant verschyn’.
            Van Den Broek vertrekt, waarna Cajet, tegen
                      Hambroek, vervolgt:

                                        Ziedaar een nieuw gevaar:
Zo ’t volk, dat u bemint, uw’ toestand word gewaar,
Wat staat ons van die liefde, of van hunn’ schrik te wachten!

                                    HAMBROEK.
Schep moed, myn vrind! Het volk, u ziende uw’ pligt betrachten,
(1155) En dat gy meer diens stem dan die der vrindschap hoort,
Word sterker tot zyn’ pligt in ’t stryden aangespoord.
[p. 59]
’k Beken, het oorlogsvolk, door zucht tot my gedreven,
Zal, op het hooren van myn schriklyk noodlot, beven:
’t Kan muiten; maar wanneer ge, als oorlogsman, betoont,
(1160) Dat ge, om ’t behoud des wals, uw’ halsvrind niet verschoont,
Stopt gy ’t gemor den mond: elk zal gehoorzaam wezen.


ZESDE TOONEEL.

HAMBROEK, CAJET, FREDRIK, CORNELIA, XAMTI,
ELIZABETH, VAN DEN BROEK

                                        XAMTI.
Wy zien de zon alree’ ter Oostkimme uitgerezen:
’t Word tyd, mynheer, dat ik uit dezen wal vertrekk’,
En aan myn legerhoofd uw laatst besluit ontdekk’.
(1165) Spreek op! wilt gy deez’ wal, of wilt ge uw’ vrind verliezen?
’k Heb u beraad vergunt.

                                        CAJET.
                                    Ik laat myn’ vrind verkiezen.
De vrindschap en de pligt... Myn boezem yst ’er van!
Zy beiden eischen meer dan ik verrichten kan.

                                        XAMTI.
Hoe! is’t uw pligt, mynheer, het hoofd uws vrinds te wagen,
(1170) Daar slechts zyn dood uw’ val een weinig zal vertragen?
Hy treed uit deze wal ten eerste op een schavot.

                                        CORNELIA.
ô Hemel! Hemel! help!... Is dit myn’ vaders lot!
ô Myn gemaal! uw gade!

[p. 60]
                                        FREDRIK.
                                        Ach! dierbare echtgenoote,
Dat uw gekerm ons wee dit uur niet meer vergroote!
(1175) Gy ziet waartoe het lot ons eindlyk heeft gebragt.
Myn vader heeft den pligt eens eerlyk’ mans betracht:
Zyn eed, zyn eer, zyn pligt, men kan het niet verbloemen,
Elk dezer dringt op ’t sterkst dat hy zyn’ vrind zal doemen;
De vrindschap echter sterkst verscheurt zyn ingewand.
(1180) Hy stelt uw’ vaders lot zelf in uw’ vaders hand;
En deze held doet ons, door zyn grootmoedig zwygen,
Van ’t geen zyn hart verkiest te duidlyk kennis krygen.
Ach! onzer vadren deugd is doodlyk voor elkaêr!
’t Behoud uws vaders stort myn’ vader in gevaar:
(1185) Daar ’t lot ons nu verwyst om één’ van hen te derven,
En daar uw vader voor myn’ vaders heil wil sterven,
Zegt ons de deugd niet min, in zo veel tegenspoed,
Myn gade! op ’t klaarst wat gy, wat ik verkiezen moet:
Het lot laat u en my geen keur meer in vermogen.
                              Tegen Xamti.
(1190) Mynheer, ik heb den eisch uws meesters overwogen.
Gy schynt een reedlyk man: ’k bid, overweeg met my,
Hoe ongerymd de last van uwen meester zy.
Hy eischt myn’ vader af het geen hy nooit kan geven,
Dan met verlies van goed, van glori en van leven;
(1195) En zo myn vader hier niet toe wil overgaan,
Dreigt dappre Coxinga een’ gryzaart neêr te slaan,
Die hem niet schaden kan, en nooit hem heeft beleedigt.
[p. 61]
’t Is dus één hand vol bloeds die Coxinga bevredigt;
Hy doet zyne inborst zien: wel! zo één hand vol bloed,
(1200) (Dees vesting krygt hy nooit!) zyn woede stillen moet,
Hy doe een beter keur, een’ veldheer meerder waardig.
Een nutter offerhand’ staat hem ten dienste vaardig;
Een offer, dat, zo lang het adem scheppen zal,
Hem tot belemring strekt in ’t winnen van deez’ wal.
(1205) Hy spaar’ deez’ gryzen held... Hy kan op my zich wreken!

                                        CORNELIA.
ô Hemel! moest die slag noch aan myn’ ramp ontbreken!
Die woeste fierheid... ô myn Fredrik! ach! hoe duur...
Wat voorslag voor de liefde!

                                        CAJET.
                        En tevens voor natuur!

                                    HAMBROEK.
Ik ben op ’t hoogst ontroerd! Wiens boezem zou niet beven!
(1210) Wat voorslag! Fredrik, hoe!... Gy, Christen! kent gy ’t leven?
Kent gy uw’ Godsdienst? Kent ge u zelv’ wel op deez’ tyd?
Wie gaf u ’t leven? Wien is ’t dat gy ’t schuldig zyt?
Zo gy dit alles wist, voorzeker zoud ge u wachten
Door valsche grootheid naar doemwaardige eer te trachten.
(1215) Het onwaardeerbaarst goed dat ons de Hemel geeft
Is ’t leven: Hy alleen, die ’t ons geschonken heeft,
Behoud aan Zich het recht om, naar Zyn welbehagen,
Dat onwaardeerbaar pand ons weder af te vragen.
De dwaas of booswicht, die geen pligten kent of hoort,
[p. 62]
(1220) Speelt met zyn leven, door een’ schyn van eer bekoord:
De ware dappre man, de Christen, kent het leven,
Zal nimmer roekeloos zich in gevaar begeven;
En, door zyn’ pligt geleid, in voor- en tegenspoed,
Leeft hy wanneer hy kan, en sterft wanneer hy moet.
(1225) Wanneer de Hemel my het leven wilde sparen,
Denk nooit dat ik myzelv’ zou storten in gevaren;
Neen! Hambroek volgt alleen ’t geen hem de pligt gebied.
De Hemel eischt myn bloed, Hy eischt het uwe niet:
Zyn wil is dat gy leeft, myn zoon! en ’t voegt ons beiden
(1230) Den weg te volgen daar Zyn wil ons zal geleiden;
Vol zekerheid, dat hy, hoe pynlyk ’t ons ook vall’,
Eens die gehoorzaamheid volmaakt beloonen zal.
Leef voor uw land en gade: ik ben getroost te sneven.
                              Tegen Xamti.
Gy ziet hoe verr’ de drift hem heeft van ’t spoor gedreven,
(1235) Mynheer! Uw opperhoofd voldoe zyn wraak op my.
Ik moet myn’ pligt voldoen, dat de uwe u heilig zy.

                    CORNELIA, tegen XAMTI.
Mynheer, ik vind u niet vervreemd van medelyden.
Besef met hoe veel wee dees boezem heeft te stryden.
’k Denk, dat uw volk, wat leer’ het ook worde ingeprent,
(1240) De stem der huwlyksliefde en ouderliefde kent.
Gy ziet door beiden my erbarmelyk bestreden:
Myn vader zal, helaas! een moordschavot betreden:
De vader myns gemaals, en zelfs myn echtgenoot,
Gedrongen door hun’ pligt, verwyzen hem ter dood!
[p. 63]
(1245) De laatste bied zich aan om ’s vyands ongenade...
Wat toestand voor een kind! Wat toestand voor een gade!
In ’s Hemels naam, mynheer! geef myn gekerm gehoor.
Men stelt me u als een’ vrind van uwen veldheer voor;
Gy hebt, gelyk men zegt, op hem een groot vermogen,
(1250) En ’t volk, dat u bemint, ziet, zegt men, u naar de oogen:
Zou ’t u niet mooglyk zyn, dat ge, in myn bittre smart,
Uw vrindschap, my ter gunst, beproefde op ’s veldheers hart?
Kunt gy de menschlykheid in zyn gemoed ontvonken,...
Al myn bezitting in dit land zy u geschonken.
(1255) Zie me aan uw voeten!

                        XAMTI, haar opheffende:
                                      Ach! uw lyden staat my duur!...
Hoe veel grootmoedigen omringen my dit uur!
Dit zyn die Christnen dan waarop myn priesters smalen!
Ik kan onmooglyk myn verrukking meer bepalen!
Ach! stond uw lot aan my!... Maar ’k weet in ’t ongeval
(1260) Eén middel, dat voor ’t minst uw lot verzagten zal.
Uw aller deugd verwint me!
                              Tegen Hambroek.
                                              Ik zal u iets ontdekken,
Om u het moordschavot en ’s veldheers wraak te onttrekken.

                                        CORNELIA.
Zou ’t mooglyk zyn, mynheer! Ach spreek: door welk beleid...

                                        CAJET.
Wat middel, hoe! mynheer...

[p. 64]
                                        FREDRIK.
                                              Welk een grootmoedigheid!

                                        CAJET.
(1265) Door welk een weg mijnheer uw woede ontweken?

                                        XAMTI.
Door myn’ gevangen hier een poos alleen te spreken.
Hy stemt ontwyfelbaar in ’t geen ik voor zal slaan.

                                    HAMBROEK.
Indien dit met myn’ pligt en Godsdienst kan bestaan.
Het is geenszins myn pligt om in de dood te loopen,
(1270) Zo lang ik eenigzins op uitkomst heb te hopen.
Ontdek my vry wat weg gy weet tot myn behoud.

                                        CAJET.
Waarom uw’ voorslag niet aan ons te saam’ vertrouwd?

                                        XAMTI.
Myn voorslag zal zichzelv’ haast klaar genoeg ontdekken.
Doe slechts uw huisgezin terstond van hier vertrekken.

                                        CAJET.
(1275) Welaan, mynheer! wy gaan. Wat ook uw voorslag zy,
Uwe edelmoedigheid is wraaks genoeg voor my:
Ik zie gy doemt in ’t hart uw’ meesters gruwzaam pogen.

                                        CORNELIA.
ô Hemel! toon in ’t einde u met ons lot bewogen!
Myn vader... ach!...
          Zy vertrekt, met Cajet, terwyl vervolgt

                                    FREDRIK, in tranen.
                            Kan ’t zyn, geef haar geween gehoor...
(1280) ô Gy, die sterven wilt... Stel u haar lyden voor!

[p. 65]
                HAMBROEK, terwijl Fredrik vertrekt.
Haar lyden grieft my meer dan ik u uit kan drukken.
Ga, leer haar, op myn spoor, voor ’s Hemels schikking bukken.


ZEVENDE TOONEEL.

HAMBROEK, XAMTI.

                                        XAMTI.
Uw ziel is waarlyk groot! Ik acht een’ man van moed!
’t Is waar, ’k ben in den kryg van jongs af opgevoed,
(1285) En door het lot verknocht aan Coxingaas belangen;
Nochtans ’k heb van natuur een edel hart ontfangen.
Hoe verr’ de Godsdienst ons ook van elkander scheid’,
Ik kan geen onrecht zien, ik min de billykheid.
Het onderscheid van leer’ geeft aan de stervelingen
(1290) Geen recht om niet elkaêr in rampen by te springen,
Veel minder geeft het recht om zulk een’ moedig’ man
Niet aan een schandlyk lot te ontrukken, als men kan.
Men deed u ongelyk: men heeft me uw volk beschreven
Als schelmen, als gespuis onwaardig om te leven,
(1295) Als roovers van dit land, en vrinden van verraad:
Van dit vooröordeel vol, heb ik uw volk gehaat.
Wy worden in ons land omtrent uw volk bedrogen!
Myn overste misbruikt op ’t schandlykst zyn vermogen:
Hy eischt zyn’ vyand af ’t geen hy niet geven kan,
(1300) En dreigt laaghartig ’t hoofd van een’ onweerbaar’ man.
Om uw verderf te ontgaan kunt gy de vlugt niet kiezen,
[p. 66]
Of doet uw gade en kroost, voor u, het hoofd verliezen;
Dit zoude een lafheid zyn, zo braaf een’ man onwaard’;
Ook kostte uw vlugt my ’t hoofd. Daar gy nu voor het zwaard
(1305) Myns meesters, op ’t schavot, uw’ stam ter smaad, moet bukken,
Weet ik één middel om u ’t zwaard eens beuls te ontrukken,
En ’t zal niet doodlyk zyn voor uw gevangen volk,
Of my. Aanvaard het stout!

                                    HAMBROEK.
                                            Wat toch?

        XAMTI, een’ pook uit zyn’ gordel krygende.
                                                            Aanvaard deez’ dolk.
Gryp aan! Doorstoot uw hart! Gy moet toch ’t leven derven:
(1310) ’t Is grootscher door uzelv’ dan door een’ beul te sterven.
De bloodäart bukk’ voor ’t lot, tree’ sidderend’ ter straf;
De groote man leeft vry, hangt van zichzelven af!
Stoot toe! Ik neem op my uw gade en kroost te sparen;
Vrees niet voor hen, of my. ’k Zal hen en my bewaren.
(1315) Ik schryf uw’ zelfmoord toe aan eene razerny,
Die niet voorkoomlyk was.

                                    HAMBROEK.
                                            Hoe! Xamti, kent ge my?...
Gy liegen! ik, uit vrees voor ’s vyands zwaard, me ontzielen!

                                        XAMTI.
Gy moet toch op ’t schavot voor ’t gruwzaam moordzwaard knielen:
[p. 67]
Daar gy nu sterven moet, kies, in den hoogsten nood,
(1320) Veeleer een brave dan een schandelyke dood.
Voorkom uwe oneer, strek uzelv’ ter offerhande.

                                    HAMBROEK.
Onze ondeugd is alleen de moeder onzer schande.

                                        XAMTI.
Zo gy myn’ voorslag volgt, ontrukt gy uw geslacht
De smarten van te zien dat gy word omgebragt.

                                    HAMBROEK.
(1325) Het zou myn huisgezin tot grooter smart verstrekken,
Als ’t my door zelfmoord ooit myn glori zag bevlekken.

                                        XAMTI.
’t Is roemryk dat men stout een gruwzaam lot ontvlied.

                                    HAMBROEK.
De Christen zoekt geen’ roem in ’t geen zyn pligt verbied.

                                        XAMTI.
Ik zoude in uwe plaats gewis zo kies niet wezen,
(1330) Maar ’t voorbeeld volgen van de fiere Japonezen;
Die, tot de dood gedoemd, ten spyt van ’s rechters wraak,
Voor ’t oog van al het volk, zich dooden met vermaak.

                                    HAMBROEK.
Hy die geen leidsvrouw kent dan ’t flaauwe licht der reden,
Vervalt, en ’t is niet vreemd, met smaak tot spoorloosheden:
(1335) De mensch door hooger licht dan ’t redenlicht geleid,
Ziet tusschen ’t ware en valsche een klaarder onderscheid.
Het licht dat my bestraalt is voor uw oog verholen;
Gy zyt myn deernis waard’, ik zie met smart u dolen.
[p. 68]
Gy stelt ’er glori in, wanneer ge u ’t licht ontrukt,
(1340) Om éénslags ’t lot te ontgaan, als ’t u te hevig drukt:
Myn Godsdienst leert den mensch met glori ’t lot bestryden,
Het niet te ontvlugten, maar een’ held te zyn in lyden.
Wie onzer is nu grootst! Gy, die voor ’t lot beducht,
Uzelv’ ontzind vermoord, en laf het lot ontvlugt;
(1345) Of ik, die moed bezit om alles af te wachten
Waarmede ’t lot my dreigt, en ’t lot dus durf verachten?
Uw stelsel niet alleen weêrspreekt het redenlicht,
En doet u oneer aan, maar ’t stryd ook met uw’ pligt:
Want zo ge uw leven hebt van ’s Hemels hand ontfangen,
(1350) Kunt gy het van uw hand onmooglyk af doen hangen;
Of gy, wat harssenschim, wat schyneer u verleid’,
Treed stout in ’s Hemels recht; een daad vol gruwzaamheid!
Dit voegt den schelm, of dwaas, die pligten kent noch reden.
Laat ons niet in het recht der wyze Algoedheid treden.
(1355) Myn dood en leven sta aan Haar! Gy, volg my, kom!

        XAMTI, hem, met de grootste verrukking, naöogende.
Wat held!... Hy dwingt byna my tot het Christendom!

                    Einde van het vierde bedryf.


Continue
[p. 69]

VYFDE BEDRYF.

EERSTE TOONEEL.

CORNELIA, alleen.

Ik vind myn’ vader niet! Hy is van hier geweken!
Wat stem zegt tot myn hart: ,,Gy zult voor ’t laatst hem spreken!’’
Voor ’t laatst! voor ’t laatst!... dat woord doorsnyd myn ingewand!...
(1360) Maar neen! ik voed noch hoop op Chinaas afgezant.
Zyn deernis, om myn lot zo hoog in top gerezen...
Wat schrik bespringt myn hart! Wat kan zyn toeleg wezen?
Waarom verbergt hy dien? Waarom voor ons bedekt
Wat middel tot behoud myns waarden vaders strekt?
(1365) Wie onzer zou dit niet, zo ’t zeker waar’, bekoren?
Ach! welk een nare stem doet aan myn ziel zich hooren?
Natuur...


TWEEDE TOONEEL.

CORNELIA, ELIZABETH.

                          CORNELIA, met levendigheid.
                        ô Myn vrindin! wier trouw my dier verpligt,
Wat dryft u tot dien spoed?

                                        ELIZABETH.
                                      Een voorval van gewigt.
’t Volk weet uw’ vaders lot, het slaat alom aan ’t muiten,
[p. 70]
(1370) En dreigt Cajet, de poort voor ’s vyands heir te ontsluiten.
Een drom van oorlogsvolk schreeuwt luidkeels: ,,Hambroek leev’;
,,Men dwinge ons opperhoofd dat hy zich overgeev’!’’

                                  CORNELIA, verheugd.
Dank, Hemel!... Ach! vrindin, wanneer die muitelingen
Cajet tot overgaaf van deze vesting dwingen,
(1375) Dan is hy vry gepleit voor Javaas Hoogen raad;
Zyn krygsdeugd baat hem niet als hem zyn volk verlaat.
Myn vader, ’k zie in ’t einde u aan ons weêrgegeven!
Myn moeder! myn geslacht! gy zult dan met hem leven!
ô Xamti! ’k heb van u zo veel my niet beloofd:
(1380) Uw list dient Hambroek, ons en ook uw opperhoofd.
Dit is uw lot, ô deugd! Gy vind zelfs by barbaren,
Uw minnaars, wrekers en beschermers in gevaren.
Ja, Xamti heeft gewis dit oproer uitgewerkt.

                                        ELIZABETH.
Wat baat het dat ge uzelve in dat gevoelen sterkt?
(1385) Bedenkt gy ’t wel, mevrouw? ’k Wil eens niet tegenspreken,
Dat Xamti ’t oorlogsvolk tot oproer wist te ontsteken:
’k Stem toe, dat de afgezant, met uw verdriet begaan,
Het volk in ’t heimlyk ’t lot uws vaders deed verstaan;
Zal ooit uw vader laf in oproer willen stemmen?
(1390) Zal niet zyn deugd veeleer den loop des oproers stremmen?
Gy kent hem: ’k bid, vrindin! dat ge u niet vruchtloos vleit:
Toont hy niet, dat zyn pligt in alles hem geleid?
[p. 71]
Vertrouwt gy, dat hy ooit, door doodvrees aangedreven,
Een muitery beraam’, tot redding van zyn leven?
(1295) Zou hy iets kunnen doen ’t geen hem zyn pligt verbied?

                                        CORNELIA.
Wat doet in doodsgevaar de zucht tot leven niet?
Zou ’t zo onmooglyk zyn, dat hy ééns zwak kon wezen?
Zou hy geen oogenblik het sterven kunnen vreezen?
Kan hy niet zyn begaan met kroost en echtgenoot’?
(1400) De groote mannen zyn niet altyd even groot:
Wat stoute of eedle daad wy hen ook zien bedryven,
’t Zyn menschen, en, hoe fier, zy zullen menschen blyven.
Myn vader kan, begaan met echtgenoote en kroost,
Die na zyn dood te saam’ verstoken zyn van troost,
(1405) In Xamties stout ontwerp, bevryd van oneer, deelen...
Ik durf niet zonder grond myn hart met hoop nóch streelen!
De redding van een’ vrind, zichzelv’ en zyn geslacht,
Spreekt in een groot gemoed ontwyfelbaar met kracht.
’t Is waar, een heimlyke angst, ik kan het niet verzaken,
(1410) Bestryd somtyds myn hoop... ’k Zie myn gemaal genaken.


DERDE TOONEEL.

FREDRIK, CORNELIA, ELIZABETH.

                                        FREDRIK.
Myn gade, ach! ’t is gedaan! Alle onze hoop heeft uit:
Uw vader heeft de drift van ’t oorlogsvolk gestuit,
[p. 72]
Hunn’ yver meer dan ooit ontvonkt om zich te weeren,
En ieder’ oorlogsman weêr naar zyn post doen keeren.

                                        CORNELIA.
(1415) Wat zegt gy, Fredrik? hoe!...

                                        FREDRIK.
                                                  Men heeft, voor ons gezigt,
Niet verr’ van ’t buitenst werk, een strafplaats opgericht.
Des vyands voorpost riep: ,,Lafhartige oorlogsbenden!
,,Zodra gy onzen slaaf hier vruchtloos weêr zult zenden,
,,Zult gy, op ’t ginds schavot, zyn eerloos Christenbloed
(1420) ,,Terstond vergieten zien. Toont, zo gy durft, uw moed!’’
Die schrikkelyke taal vloog yllings langs de wallen,
En deed den oorlogsknecht en moed en staal ontvallen.
Elk giste uw’ vaders last, elk raadde uw’ vaders lot.
Wy zagen inderdaad het gruwzaam moordschavot,
(1425) Omsingeld van een’ drom geharnaste oorlogsknechten.
Straks morde ons oorlogsvolk, en weigerde te vechten,
Terwyl ’t myn’ vader, my en de opperhoofden doemt,
En ’s lands verdediging een woeste wreedheid noemt.
Het roept, als zinneloos: ,,Dat gryze Hambroek leve!
(1430) ,,En dat de krygsraad straks de vesting overgeve!
,,Men* stuit’ den toeleg van den trotsen oorlogsraad.’’
Vergeefs weêrspraken wy den muitenden soldaat:
Men schold ons, dreigde en zwoer terstond de poort te ontsluiten.
Uw vader, die het hoort, treed onvertsaagd naar buiten.
(1435) Hy nadert, en verneemt op welk een’ hoogen toon
[p. 73]
Het muitend volk ons dreigt; hy deelt in onzen hoon.
Hy wenkt; de muiter zwygt, op hoop dat hy zal spreken.
Myn broeders! roept hy uit, uw liefde is my gebleken;
Maar denkt gy, dat ze ons streelt wanneer ge uwe eer verkort?
(1440) Acht ge u de myne waard’ als gy meinëedig word?
Dan grieft me uw liefde meer dan ’s vyands wreede woede!
Hoe! eischt ge een prooi te zyn van ’s vyands oorlogsroede,
Om my, wiens hoofd hy dreigt, te ontrukken aan myn’ val?
Soldaten! zegt wie u ten borg verstrekken zal
(1445) Dat, zo ge u overgeeft, de vyand my zal sparen?
Vertrouwt gy blindlings ’t woord van heidensche barbaren?
Verzaakt dan Neêrlands volk, dat me altyd heeft verheugt,
Ter gunst van ’t heidendom, zyn wysheid, moed en deugd!
Geen dood, hoe wreed die zy, kan zoveel yzing geven
(1450) Dan de eer van u, myn volk! te moeten overleven!
Myn kindren! zo myn liefde u waarlyk dierbaar is,
Keert weder tot uw’ pligt; baart my geen droefenis!
Die taal, met minzaamheid en eedlen ernst gesproken,
Heeft ons onwillig volk op nieuw in moed ontstoken.
(1455) Het greep de wapens op, met tranen in ’t gezigt,
En oordeelt zich alleen tot Hambroeks wraak verpligt.
Het schaamt zich, en zweert den dwingeland af te straffen.

                                        CORNELIA.
Myn vader, moet uw deugd my niet dan wee verschaffen!
[p. 74]
Gy, die de hulp eens volks dat u bemint versmaad,
(1460) Verwerpt ontwyfelbaar hier ieders hulp en raad!
Wat weg zal ik tot troost in ’t lot myns vaders kiezen!

                                        FREDRIK.
Zyn deugd zy al uw troost, nu gy hem moet verliezen!
’t Is billyk, dat myn komst u tot dien zwaren slag,
Die onvermydbaar is...



VIERDE TOONEEL.

CAJET, FREDRIK, CORNELIA, ELIZABETH.

                CORNELIA, Cajet ziende, loopt hem in de armen.
                                      Myn waarde vader... Ach!
(1465) Uw droefheid zegt genoeg! Durf ik u siddrend’ vragen
Wat Chinaas afgezant... Maar, ach! gy zyt verslagen!
Waar is myn vader? Spreek. Is hy van hier gegaan?
Ach! zeg my, in één woord, de dood of ’t leven aan.
Vrees van myn droefheid niet, hoe hoog in top gerezen.

                                        CAJET.
(1470) Uw vader is noch hier, maar ’t zal niet lang meer wezen.
Die gadelooze held, die alle hulp versmaad
Die met zyn pligten stryd, zyn redding grootsch weêrstaat,
En, nu ’t zyn pligt gebied, de wraak ten prooi wil strekken,
Dringt zelf den afgezant om uit deez’ wal te trekken.

                                        CORNELIA.
(1475) De voorslag des gezants...

                                        CAJET.
                                                  Diende om, in dezen nood,
[p. 75]
Het zwaard eens beuls te ontgaan; maar, ach! geenszins de dood.
Een’ voorslag dien met recht elk Christen af moet wyzen,
Kunt gy licht gissen... Ach! het doet my billyk yzen!
Verg my niets meer, myn kind! Uw vader dreef my aan
(1480) Om hem, als laatsten dienst, één bede toe te staan:
Hy eischt van ons, dat wy u ernstig voorbereiden,
Noch éénmaal hem te zien... om voor altyd te scheiden!

                CORNELIA, wanhopig.
Te scheiden voor altyd! altyd! altyd!... ô Neen!...
Barbaren! scheurt dit hart meêdoogenloos vanéén!
(1485) Noch éénmaal u te zien! noch ééns slechts!... ô Myn vader!
’k Zal sterven nevens u! De dood komt reeds my nader!
Zy werpt zich, met de handen voor de oogen, wanhopig, in den armstoel.

                                        CAJET.
Waar is uw deugd, myn kind? Uw Godsdienst stille uw pyn.

                CORNELIA, in tranen.
Neen, ’t graf... In ’t graf alleen zal ’t eind’ der smarten zyn.

                                        CAJET.
Is dit uw’ vaders les, u altyd voorgeschreven...

                                        CORNELIA.
(1490) Noem my myn’ vader niet,... dat woord zal my doen sneven.
Is dit het loon der deugd, ô Hemel! dit myn deel!

                                        FREDRIK.
ô Hemel! sterk myn’ moed in ’t nadrend treurtooneel!
Men komt.

[p. 76]
                                        CAJET.
                    Uw vaderzelf...

                                        CORNELIA.
                                              ’k Zou dan voor ’t laatst hem spreken!
Voor ’t laatst!... Ik voel myn bloed naar ’t siddrend’ hart geweken!
(1495) Wat staat me, ô myn gemaal! de pligt uws vaders duur!


VYFDE TOONEEL.

HAMBROEK, CAJET, FREDRIK, CORNELIA,
VAN DEN BROEK, ELIZABETH.

            HAMBROEK, in het opkomen.
’t Weent alles! Welk een storm voor vrindschap en natuur!
Cornelia omhelzende.
Myn dochter!

                                        CORNELIA.
                        Vader, ach! De Hemel, hoogst verbolgen...

                                    HAMBROEK.
Laat ons, myn waarde kind! den wil des Hemels volgen.
Hy die ons lot bestiert belagcht ons overleg.
(1500) Hy kiest met my, ’k beken ’t, een’ schrikkelyken weg!
Doch laat ons Hem voldoen; laat ons eerbiedig zwygen:
Gehoorzaamheid aan Hem zal ’t heerlykst loon verkrygen.
All’ wat Hy wil, myn kind! is zonder reden niet,
Schoon hier ons zwak gezigt die reden juist niet ziet.
(1505) Gelukkig dat dit hart met vrucht heeft afgebeden,
Om, vol van hoop op hem, getroost ter dood te treden!
[p. 77]
Gelukkig dat natuur, verslagen door uw smart,
Min sterk dan Godsdienst spreekt in ’t vaderlyke hart!
In ’t eind’, daar gade, en kroost en halsvrind my moet derven,
(1510) Gelukkig dat ik noch dien troost vinde in myn sterven,
Dat ik, die toch natuur de dood ééns schuldig ben,
De krachten onzer leere in ’t sterven grondig kenn’!
Wat is myn Godsdienst schoon! Wat is zyn vrucht beminlyk!
Hy maakt my tegen lot en doodvrees onverwinlyk!
(1515) Hy doet my, in de ziel met uw verdriet begaan,
De stormen van natuur en vrindschap tegenstaan!
Och! mogt de kracht die my zo grootsch doet triomferen,
U allen, op myn spoor, uw smart doen overheeren!
Och! zag ik, tot myn’ troost by ’t nadren van de dood,
(1520) Hier helden my gelyk, door Godsdienst waarlyk groot!

                                        CORNELIA.
Ach! kost uw schriklyk lot geen tranen ons ontwringen,
Uw grootheid in de dood moest ons tot tranen dwingen!
Maar doem ons weenen niet om uw afgryslyk lot...
Noch slechts één span van ’t graf! één stap slechts van ’t schavot!...
(1525) Natuurlyk is ’t, ô ja! dat uwe dochter gruwe!
De Godsdienst treft dit hart niet minder dan het uwe;
Maar ’k ben niet sterk genoeg om, peinzende op uw’ val...

                                    HAMBROEK.
Ach! smeek om sterkte aan Hem Die u verhooren zal.
[p. 78]
De Goede Vader van het menschdom zal den geenen
(1530) Die bidden ’t geen betaamt, gewis gehoor verleenen;
En nooit wyst Hy ons af, geloof het vry, myn kind!
Dan als Hy onze bede onszelv’ ten nadeel vind.
Maar eindlyk, ’t vreeslyk uur van scheiden is geboren.
’k Ga sterven voor myn volk, en ga met roem verloren.
(1535) Hou steeds uw’ pligt in ’t oog! Verdraag den tegenspoed;
Erinner ’t volk myn trouw, en sterk hunn’ oorlogsmoed.
En, ach! hergeeft u ’t lot hierna uw lieve moeder,
Vertroost haar, en met haar uw zuster en uw’ broeder.
Droog hunne tranen af, en kusch hen saam’ voor my.
(1540) Ontfang myn’ zegen...* Dat dees kusch de laatste zy!

                                        CORNELIA.
Myn vader... de eeuwigheid... Ik voel myn kracht bezweken!
        Zy zygt in de ramen van Elizabeth, die haar
                                in een’ armstoel brengt.


                    HAMBROEK, tegen Cajet.
Myn boezemvrind, vaarwel! Uw liefde is my gebleken.
Bedwing uw tranen... Gy ontroert my!... Dien uw land...
Bevryd het lot myn gade, ik stel haar in uw hand:
(1545) Bescherm haar, in myn plaats. Strek die verdrukte moeder,
Met hare wezen, — (,,’t hart ontzinkt my!’’), ten behoeder.
Dit is myn laatste bede. Omhels my. Leef! betoon...

                    CAJET, weenende.
Hou op. Uw afscheid dood me...
[p. 79]
        Zich omkeerende, met de handen voor de oogen.
                                                  Ik kan niet meer!

        HAMBROEK, tegen Fredrik.
                                                                              Myn zoon!
Wend uw gezigt van my; beschouw uwe echtgenoote:
(1550) Dat uwe droefheid toch de hare niet vergroote.
Vertroost haar... Leef voor haar. Wees Christen, en ook held.

        FREDRIK, in de armen van Hambroek.
Uw lot is meer dan ééns in uwe hand gesteld,
En echter...

                                    HAMBROEK.
                        Gy verrichtte all’ wat gy moest verrichten,
En meer...’t Zy verr’, myn zoon! dat ik u zou betichten.
(1555) Uw vader...
Op zyne bezwymde dochter ziende.
                            Doch waartoe een langer foltering!
Ik ga myn’ pligt voldoen. Dat elk zyn smart bedwing’.
Vaar eeuwig wel, myn vrind! Vaart eeuwig wel, myn kindren!



ZESDE TOONEEL.

CAJET, FREDRIK, CORNELIA, in onmagt, ELIZABETH.
[VAN DEN BROEK.]

FREDRIK, na een weinig zwygens.
Niets kon dan ’t fier besluit dier groote ziel verhindren!
Myn vader, woede, en smart, en wraak, om zyne dood...
(1560) Ik word verscheurd in hem en in myne echtgenoot’!
[p. 80]
        Op Cornelia, met droevige oogen, ziende.
Dit schouwspel... Coxinga! barbaar! myn wraak, aan ’t branden...

                                        CAJET.
Ons volk door hem geboeid legge onze drift aan banden.
Ons dient standvastigheid. Nooit hebben oorlogsliên
Zo sterk dan wy, myn zoon, zichzelv’ beklemd gezien.
(1565) ’k Bid, terg den dwingland niet: men moet zyn gramschap myden.
Hier baat geen heldenmoed in ’t stryden, maar in ’t lyden.
Men winn’ behendig tyd, tot dat een sterke vloot
Van Java herwaarts koom’, den wreedäart brenge in nood,
En hem, om veilig weêr van deze kust te varen,
(1570) Verpligte ons Christenvolk, als gyzelaars, te sparen.
Hy, die ons heeft bestormt door Hambroek, kan, gesard,
Door Hambroeks zoon opnieuw een’ storm doen op ons hart.
Laat ons niet driftig zyn, maar ons bedaard verweeren;
Den dwingland wederstaan, maar geenszins hem trotseren.
(1575) Men pooge uw droeve gade, is ’t mooglyk, by te staan.

        CORNELIA, allengskens bekomende.
Myn vader!... Hy is weg! Hy is ter dood gegaan!
Ter dood!... op een schavot! voor de oogen van myn moeder!
Hoe kermt myn zuster reeds! hoe jammert reeds myn broeder!
Myn vader op ’t schavot, daar ’t zwaard reeds op hem woed!...
[p. 81]
            Wanhopig, tegen Cajet en Fredrik.
(1580) Barbaren, die hem doemt!... neen, helden! die dit moet,...
Verschoont myn raadloosheid!... Wat schrikbeeld komt my nader?
Daar zie ik ’t moordtooneel! daar komt, daar is myn vader!
Daar knielt hy: ’k zie het zwaard!... Genade, Coxinga!
Kom, dat uw beul terstond dit hoofd van ’t ligchaam sla!
(1585) Bevry my van den moord myns vaders te overleven!
Wat zie ik, Hemel! ach! ik zie myn moeder beven:
Zy moet het moorden zien!... ô Wee! het is gedaan:
Daar stort het hoofd in ’t zand! ’t ziet noch myn moeder aan!
Het spalkt noch de ooren op, om haar gekerm te vangen;
(1590) De mond tracht haar en my noch troost te doen erlangen!
Van den Broek ziende, die weenende nadert.
Ziedaar noch een’ barbaar, die my van ’t licht berooft...

                                VAN DEN BROEK.
Ik zag van dezen muur, helaas!... Uw’ vaders hoofd...
Verschoon my... ’t Lot, mevrouw, toont u zyne ongenade!

            CORNELIA, ter aarde stortende.
Wraak, Hemel! voor zyn bloed!... en ’t myne!

      FREDRIK, zich by haar willende ter neder-
                              werpen.

                                                                          Ach! dierbre gade!

                                        CAJET.
(1595) ,,ô Hemel! sta my by!’’
[p. 82]
      Fredrik tegenhoudende, hem met nadruk by de
          hand grypende, en eenigzins van Cornelia
                                terug trekkende.

                                                  Denk, dat ge een krygsman zyt...
Wacht haar’ en onzen troost van Godsdienst, en van tyd.

                                      EINDE.

1774.


Continue
[Privilege voor Izaak Duim:]
De Gecommiteerden tot de zaken van den Schouwburg, hebben, volgens Octroy door de Heeren Staten van Holland en Westvriesland, den 5den November, 1772. aan hen verleend, het recht van deeze Privilegie, alleen voor den tegenwoordigen Druk van ANTHONIUS HAMBROEK, of DE BELEGERING VAN FORMOZA, Treurspel, vergund aan IZAAK DUIM.
Amsteldam, den 7. Augustus, 1775.
[Was getekend: G. de Visscher].

Continue
Er zijn twee edities van 1775, met verschillend zetsel. De editie met privilege beschouwen wij als de eerste druk.
Het gemakkelijkst te herkennen verschil is het titelvignet: in de uitgave met privilege staan de wezen links en de oude man rechts, in de andere is het andersom. Ook het onderschrift in het titelvignet is verschillend: er staat ouderlooze Wezen resp. ouderloze Weezen.
De vingerafdrukken:
Eerste druk177508- a1 *2 oofd: a2 A4 erk$- b1 A5 wee: b2 F4 m$en
Tweede druk177508- a1 *2 hoof: a2 A4 erk$- b1 A5 rs$w: b2 F4 m$e
Er doen zich slechts enkele kleine verschillen in tekst voor, want er is met opzet zo precies mogelijk nagezet:
er staat in beide edities vyand voor vyands (p. 2), vier punten achter vader (p. 9) en na zegen (p. 78);
de katernsignering A4 is in beide edities omgekeerd.
  • In de eerste druk SCHOUTKN op *2r en leef!.. met twee punten op p. 33
  • In de tweede druk baat.. met twee punten op p. 19, goeds vernomen zonder spatie op p. 25, Soldaten met een hoofdletter op p. 31 en enkele komma op p. 72.
Een derde druk van Anthonius Hambroek verscheen in 1795. Voor vindplaatsen zie Ceneton06235
FotoHambroekRotterdam
Momument voor Anthonius Hambroek in de Laurenskerk in Rotterdam.
SchoolplaatHambroek

Schoolplaat door J.H. Eichman en H. Altmann (Goes, L. de Fouw, 1856).
Zie Historywallcharts
HerdrukHambroek
Afbeelding bij vs. 1556-1557 uit de herdruk van Anthonius Hambroek van 1795.




Helmers over Hambroek
Schouten over Hambroek
Moens over Hambroek
Hofmann Peerlkamp over Hambroek
Het schilderij van Jan Willem Pieneman in het Rijksmuseum
Homepagina Ceneton Voorkeurenpagina Opleiding Nederlands