Nil Volentibus Arduum: Het spookend weeuwtje. Amsterdam 1670.

Ceneton064030
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.

Continue

[
*1r]

HET

SPOOKEND

WEEUWTJE.

BLYSPÉL.

Nooit op de Amsterdamsche Schouwburgh vertoont.

[Vignet: Nil Volentibus Arduum].

t’ AMSTERDAM,

By ADRIAAN van GAASBEEK, op de Voor-
burgwal, by ’t Stadthuis, 1670.




[fol. *1v: blanco]
[fol. *2r]

Aan den Edelen HEERE

JOAN van VLOOSWYK,

Sekretaris der Stadt Amsterdam.

    MYN HEER,

DAt wy aan U.E.dt die noch een Jongman zijt, ons verstouten een Weeuwtje op te draagen, geschiedt niet, op dat gyze, als eene Uitverkoorene, zoudt achten en onthaalen: Want, alhoewel zy helder en rustigh genoegh is, en daarenboven by haaren overleeden Man, dien zy met teegenzin genomen hadde, zo luttel vreugdt genooten heeft, dat haar geen aantrekkelijkheidt gebreekt, om ’er meêr, als onzen Minnaar, tot haare weedermin te bekooren; zo weeten wy doch wel, dat zy uwe verdiensten op ver na niet kan opweegen.
    Maar, mijn Heer, wy dragense aan U.E.dt op, op dat zy onder U.E.dts vleugelen schuil moghte gaan, en, hier uit Vrankrijk in een vreemdt Landt gekomen zijnde, en Hollandsche zeeden en kleeden aangetrokken hebbende, niet zonder alle heul en hulp moghte doolen, en zwerven; maar iemandt hebben, die, volgens zijne gewoone eedelmoedigheidt, zich haarer woude aantrekken, en haar konde beschermen, zo haar misschien eenigh ontuchtigh geboeft aanrande, waar van haar eer last moghte lijden.
    Wy twijffelen geensins, mijn Heer, of zy zal het [fol. *2v] een, en ’t ander in U.E.dt aantreffen, en uw wil op ons beleeft verzoek niet min geneigt vinden, om zich haarer aan te trekken, als wy verzeekert zijn, dat gy ’t over het vermoogen hebt van haar te konnen beschermen.
    Want U.E.dts groote geneegenheidt tot de Tooneel-konst, en doorzichtige kennis in de zelve, zijn ons allen, en voornaamelijk my, zo meenighmaal en klaar gebleeken; dat, toen U.E.dts naam van mijne Meedegenooten op het tapijt gebraght wierdt, om die op ’t voorhoofdt van dit Blyspel te prenten, ik, wien van hen toegevoeght was, met mijnen naam de Opdraght te sluiten, my grootelijks verheughde, dat hunne keur overeenquam met de mijne, die niet alleen uit de voor-verhaalde reedenen, maar noch daar en boven uit byzondere verplichtingen haaren oorsprong hadde.
    Welke mijne verplichtingen, beneevens die van ons gansche gezelschap sterk aangroeyen* zullen; indien U.E.dt zich verwaerdige, onze hoop, en vertrouwen haar doel te doen bereiken: Met welken schildt gewapent, zullen wy ons luttel kreunen, want iemandt van minder kennis in de konst, als U.E.dt daar teegen aan mocht keffen.
    Want, doordien dit Spel in’t Fransch van een slechte stelling is, en byna niets goedts begrijpt, als de inhoudt, of geschiedenis; doordien het een Brabander in Neerduitsch rijm gebraght heeft, en op de Schouwburg vertoont wordt, door gebrek van wat goedts (gelijk men voorgeeft): zullen veele weeder te borde brengen, dat wy ons op nieuws met leuren bemoeyen, gelijk ons te gemoet gevoert is over de twee voorgaande vodden, daar wy ons teegen gekant hebben.

[fol. *3r]
    Dat dit een vodde is, als de voorige, willen wy niet teegenspreeken: maar, dat wy daarom (gelijk men daar by gevoeght) daar niet teegen aan gaan moesten; konnen wy niet zien.
    In teegendeel is het ons daar toe een spoor geweest, als wier oogwit geen ander is, gelijk wy reets meêrmaals gezeidt hebben, dan te toonen met der daadt, dat van grollen en vodden wel iets beeters, en dat door den beugel magh, kan worden, als zy maar onder beeter handen komen. En omdat in dit Fransche stuk byna niet lijdelijks is, als de aartige geschiedenis, heben wy ook byna niets anders daar uit genomen, de zelve eevenwel van Parijs in den Haagh overbrengende.
    De stelling hebben wy t’eenemaal verschikt: het geheel Eerste bedrijf van den Fransman, als t’eenemaal overtolligh hebben wy achtergelaaten; de stoffe van zijn Tweede tot ons Eerste, van zijn Derde tot ons Tweede, van zijn Vierde tot ons Derde, en van zijn Vijfde, die te zeer op malkander gepropt is, en zich by na van zelf in twëen deelde, tot ons Vierde, en Vijfde gemaakt. Alle de Tooneelen van ieder Bedrijf zijn by ons aan een gehecht; daar zy by Hem meêrmaals, en dat onnoodiglijk gaapen. De plaats is by hem veel ruimer, als by ons; alzo zijn Eerste Bedrijf op straat, eenigsins ver van Ferdinands huis af, (die hy
Licidas noemt) en zijn volgende Bedrijven binnen ’t zelfde speelen; daar alle d’onze dat doen. Het Tooneel vlieght by hem zeer van de eene in de andere kamer, en op veel plaatsen moet het in ’t midden met een tusschenschot gescheiden zijn, en [fol. *3v] twee byzondere kamers verbeelden; daar het onze maar eens verandert, te weeten in ’t Vierde Bedrijf, het welk heel end’ al speelt in de kamer van Jakoba (by hem Angelique geheeten) en de vier andere in die van Luidewijk (by hem Florestan). Den Overzetter, hooren wy, heeft eenige van deeze misstellingen geholpen, waar aan de Uitgeever daarenboven ook zijn konst noch getoont heeft. Doch hoe zy zich gequeeten hebben, zal ieder, die het de moeyte waerdigh acht te onderzoeken, konnen zien.
    De Karakters zijn van den Fransman aan de twee Hoofdtpersoonazien,
Angelique en Florestan, boven eenige andere, zeer quaalijk gegeeven, en de zelfde niet doorgaands gehouden. Want, dat Angelique, noch in de rouw over haar overleeden man, alleen met haar Kamenier, beide in andere kleederen vermomdt, een Tooneelspel gaat zien, slechts uit een zotte lust daar toe, strijdt teegen de welbetaamelijkheidt; dat zy op ’t eerste zien van Florestan, straks op hem verlieft wordt, is meêr een voorval van een weidsche Roman, als van een staatig Blyspel; dat zy daarna een bedekte deur laat maaken, om in Florestans Kamer te koomen, eerst, zo zy zeit, om vermaak, en daarna om haar erkentenis te toonen, heeft niet reeden genoegh; dat zy voorders, in zijn kamer zijnde, zich gelaat zeer verlieft te zijn, door haar ontsteltenis over ’t zien van een schilderijtje, en de brieven, die zy in zijn valies vindt; als ook inde brief, die zy aan hem schrijft; en in de samenspraak, die zy met hem heeft, en waar in zy hem veel meêr blijken van haare overgroote liefde geeft, als hy haar [fol. *4r] van de zijne; en dat zy ondertusschen altemets weêr spreekt, of zy hem niet lief hadde, is een groote lossigheidt, en wispeltuurigheidt; en dat zy eindelijk al dat groote werk aanvangt, en voortzet, zonder eenigh redelijk en gegrondt inzicht, is een groote onbezonnenheidt. Alle welke dingen, en noch andere meêr, die wy om kortheidt overslaan, haar Karakter veranderlijk, en niet voeglijk voor een onbesprooken Eedeljoffer maaken.
    Wy in teegendeel hebben alle deeze klippen gemijdt, en stellen Jakoba verlieft op Luidewijk door aanprijzing van haar Broeder, het zien van zijn schildery, en voornaamelijk, als haar woordt gegeeven hebbende hem te trouwen, zo dat haar nieuwsgierigheidt van hem in persoon te Rijswijk te gaan zien, op ’t hooren van zijn leeven, en verlossing uit de handen der Turken, en geensins verhindert door de rouw van een overleeden Man, die wy stellen, dat zy uit inzicht van staat en rijkdom, alleen om haar Broeder te believen, getrouwt hadde, veel beeter gegrondt is; als ook het maaken van de bedekte deur, na dat zy te Rijswijk verstaan hadde, dat hy t’harent zou koomen t’huis leggen, en dat wel, eêr dat hy noch gekoomen was, als waar door de tijdt van speelen noch zo veel te korter inkrimpt. Voegh hier by, dat zy groote reeden heeft, om geenigsins te twijffelen aan de herknooping van hun Huwelijk, als ook alles, wat zy voorgenomen hadde, voorts uit te werken; en geensins op ’t goedt geluk hoefde aan te gaan, wanneer zy geen minnebrieven, noch eenige andere teekenen, dat zijn hart elders vast was, in zijn valies vindt: dewijl zy
[fol. *4v] sedert rijker geworden was, en geen ongegrondt vertrouwen op haare schoonheidt hadde.
    Insgelijks houdt
Florestan zijn Karakter van Eedelmoedigh niet, en dat wel voornaamelijk op twee plaatsen. Eerst daar hy de Brief van erkentenis, die hy ontfangt, zottelijk beantwoordt; want hy wist wel, dat hy een zeekere Joffer verplicht hadde, en ’t voegde hem niet, met die nu den spot te drijven, dien hy flus, met gevaar van zijn leeven, zo groot een dienst beweezen hadde. Ten tweeden, daar hy, een schoone Joffer in zijn kamer vindende, die hem niets quaadts gedaan; maar in teegendeel vereeringen gezonden hadde, haar zoo onhebbelijk aangrijpt, zo rouw onthaalt, vloekt, en zweert, zijn deegen trekt, en dreigt te doorsteeken, zelfs zonder daarna, als Angelique hem in haar kamer ontfangt, het minste verschoon daar van te doen. Welke twee groove misslagen wy verbeetert hebben, gelijk men in de eerste brief van Luidewijk, en in de verschijning van Jakoba in zijn kamer zal zien konnen.
    De
Soliloquia, of Alleenspraaken, en de Apartes, of Terzydespraaken heeft de Fransman, zonder reeden, zo veele, en zo lange, dat het buiten de kerf is. Wy zullen ’er maar een, die onverschoonlijk, en onverdraaglijk is, ophaalen, naamelijk, daar Angelique, meinende van niemandt gehoort of gezien te zijn, in ’t midden, en in ’t stilst van de nacht in Florestans kamer komt, en gaat zitten schrijven; en Florestan nochte zijn knecht ziet noch hoort, die onderwijle met hen beiden, tusschen de vijftigh en zestigh reegelen spreeken. Dit hebben wy [fol. *5r] verholpen, als ook alle de andere, uitgenomen eene, daar de gesteltenis van ’t werk en de stoffe teegen was, en die wy zeer verkort hebben.
    Op de zelfde wijze hebben wy ook gepoogt te handelen met de meenighte van brieven, die wy gelooven, dat veelen teegen de borst zal zijn, maar de omstandigheeden van ’t werk hebben ’t insgelijks niet konnen lyden.
    In ’t getal der Toonelisten heeft de Fransman ook gezondigt. Want daar is overtolligh een Broeder van
Licidas, die een voornaam Persoonazie is, en twee Knechten; als ook Lucinde, een Nicht van Angelique, welke alle niet nootwendigs tot de uitwerking der geschiedenis te weege brengen; zo dat zijn heele spel maar met vijf Bedryvers speelt. Het welk het onze ook zoude doen, ten waare wy Sofia ingevoert hadden, die eene ernstachtige Weeduwe, en Moey van Ferdinand en Jakoba zijnde, het oog op alle Jakobas handel moghte hebben, en namaals een vernoegend getuigenis dies aangaande geeven; indien iets daar van Ferdinand averechtsch ter ooren quam. Hierom zijn ’er by ons zes, want de zes laatste persoonagien konnen gemaklijk achtergelaaten worden, en stomme zijn: Maar om dat men daar voor gewoonlijk zulke onbehouwen postuuren in kleederen, en van lichaam, ten tooneele brengt, hebben wy, om daar in te voorzien, elk liever een woordt, dry, vier willen doen spreeken.
    Boven deeze gemelde, zijn ’er in ’t Fransch noch andere zeer groove mislagen, en dat in grooten getale, die wy verbeetert hebben, en hier meede wel
[fol. *5v] aenroeren zouden, indien niet veele onverstandige alle lange Voorreedenen, en Opdraghten gelijkelijk verachteden, al vinden zy daar lessen in, die hen vooral dienstigh zijn, en die zy teegen haar dank gehouden zijn te volgen, om niet van een ieder berispt en bespot te worden: als meede, indien by ons gezelschap niet in beraadt genomen waare, om, daar wy nu niet alleen van dusdaanige Tooneelstukken zeggen, dat zy niet deugen; maar de zelfde verbeetert voor den dagh brengen, in toekomende noch verder te gaan, en beneevens het onze, of alleen, te laaten uitgaan eene Critique over het Tooneelspel, dat wy namaaken, dat is, een naauwkeurige Aanwijzing, waar des zelfs Maaker gezondight zal hebben, teegen de Eenheidt van de Geschiedenis, van Tijdt, en van Plaats; teegen de waarschijnlijkheidt, volkoomenheidt, en onovertolligheidt niet alleen der algemeene, maar ook byzondere daaden; teegen de Knoop en Ontknooping; teegen de maat der Episodia of By-verdichtselen; teegen de behoorlijkheidt van der Persoonagien naamen, rang, getal, en omstandigheeden; teegen de goedheidt, gevoeglijkheidt, gelijkheidt, en eenpaarigheidt van hunne zeeden; teegen ’t vereisch van hunne Reedeneringen, stijl van zeggen, en trant van Rijm; teegen de reegelen der Taal-konst; teegen de stelling, ten opzicht van plaats en tijdt, ten opzicht van de deelen der geschiedenis Protasis, Epitasis en Katastrophe, dat is, inleiding, lichaem van ’t werk, en besluit, en ten opzicht van de deelen des Spels, de Bedrijven, en Tooneelen; teegen de voeghlijkheidt der Alleenspraaken, en Terzijden- [fol. *6r] spraaken; en teegen veel diergelijke dingen meêr, die in een Tooneelstuk waar te neemen zijn: Ten einde de Dichter, en die geene, welke noch niet zeer verre inde konst gekomen zijn, de begaane mislagen klaar konnen zien, en in toekoomende op vaster voet van de Tooneelspeelen leeren oordeelen. En dit zoude moogelijk wel het allereerste Spel, dat na dit teegenwoordige vertoont, of van ons nagemaakt wordt, te beurte konnen vallen, ten waare het uit de Penne voort quame van eenen, dien wy zo veele eere en moeite niet waerdigh schatteden.
    Maar wy hebben ons lang genoegh met de gebreeken van dit Spel in ’t Fransch opgehouden, laat ons eens tot den Brabander, die ’t vertaalt heeft, en de Schouwburg, die ’t vertoont, overtreeden.
    Zeer vreemdt dunkt het ons allen, dat men op de Schouwburgh, daar men weet, dat men wat goedts kan krijgen, als men ’er slechts om spreeken wil, zo halssterk blijft; en liever, dan dat te doen, zijne armoede opentlijk aan al de Weereldt ten toon wil stellen, en dat zy genoodtzaakt is, die te boeten, nu haare gewoone stofleeveraars schroomen met hunne vodden voor den dagh te koomen, met Overzettingen van Brabanders, van welke de Hollanders altijdt voor Leermeesters in de Taale ende Dichtskonst, zonder teegenspreeken erkent geweest zijn. Wie dat deeze ook mag weezen, wy hebben ’t gansch niet teegen hem; gelijk wy ’t ook voor deezen nooit gehadt hebben, noch in toekoomende meenen te hebben, (zo ons geen byzondere reeden gegeeven wordt) teegen iemandt, die een Spel maakt of overzet. Yeder boete zijn lust
[fol. *6v] daar in na zijn welgevallen; wy konnen, noch willen dat niet beletten, noch wy zullen ’t ook niet namaaken. Insgelijks hebben wy ’t ook niet teegen de Schouwburg, gelijk wy mêer gezeidt hebben; die wy van harten wenschen, dat van jaar tot jaar toeneeme, tot leerzaam vermaak van onze Meedeborgers, tot voordeel der Armen, tot opbouwing der Neederduitsche Taale, en verheerlijking der Dichtkunst. Maar wy konnen niet lijden, dat men daar een dwinglandy zal oprechten over de oordeelen van de Liefhebbers en Konstkenners, en een hoop niet beziens waerde vodden, voor wat treffelijks en fraays den aanschouweren opdisschen, daar door doende gelooven, dat dat de meesterstukken zijn, die de Neederlandsche Dichtkunst maghtigh is voort te brengen: waar op dan volgt, dat de Schouwburgh, smaakeloos wordende aan Lieden van kennis ende oordeel, van hen naderhandt niet alleen bezocht, maar veracht wordt, tot groote schaade van beide de Godtshuizen, en smaadt der Dichtkonst, en alle die zich daar meede bemoeyen, En dit hebben wy tot noch alleen getracht, en hoopen het in toekomende teegen te gaan, met niet alleen te zeggen, dat daar vodden vertoont worden, maar zelfs wat beeters in de plaats te verschaffen. En dit is de voornaamste reeden, waarom wy, gelijk de voorgaande, dit Blyspel nagemaakt hebben.
    Hier is ten tweeden noch bygekoomen, dat deeze stof wat laeger zijnde, als die van de
Agrippa, dat een Treurspel is, en onder hooge standts persoonen speelt; en wat verheevener, als die van de Gelijke Tweelingen, dat een kluchtigh Blyspel is, en dies [fol. *7r] door heel laege standts persoonen verbeelt wordt: wy hier op onze wieken eens hebben willen beproeven, en bezoeken, of wy ook tusschen die twee uitersten de middelstreek, als het de zaak vereischte, wel zouden konnen houden, waar van wy ’t vonnis vellen aan U.E.dtende Konstkundige Leezers opdraagen.
    En eindelijk heeft ons ook niet weinig aangeprikkelt de zorgvuldige stilheidt, die men gebruikt heeft in ’t besluiten tot speelen, uitdeelen der rollen, doen leeren, ende drukken van dit schoone Spel; willende, zo ’t scheen, uit vrees van dat wy ’t na zouden maaken, ons te gaauw zijn, en met den slagh waarschuwen. Maar, dat zy ’t weeten, zy hebben zich zelfs leelijk bedroogen, ende door dat zwijgen op den hals gehaalt ’t geen zy daar door meenden te ontloopen. Want wy hebben ’t wel zes weeken eêr geweten, als wy daar iets aan begonden te maaken, ende moogelijk maar twee dry dagen, nadat zy ’t beslooten hadden; en wy hadden toen voorgenomen daar de handt niet aan te slaan, en het zoude ook licht niet geschiedt hebben, hadde hunne gedwongene stilzwijgendheidt onzen yver, die niet dulden kan, van iemandt verschalkt te worden, niet wakker gemaakt, en ons doen zien, dat onze krachten verder gaan, als wy ooit beproeft hadden, en zelfs wisten. Want, om in tijdts neevens de Schouwburg vaerdigh te zijn, hebben wy het gantsche werk binnen veertien dagen moeten maaken, en doen drukken, gelijk het ook reedt heeft konnen zijn, en al voor vier weeken te voorschijn zoude gekoomen hebben: hadde de Schouwburg, moogelijk op ’t hooren, dat wy beezig geweest waren, met het haare niet in haar schulp gebleeven; schoon
[fol. *7v] hen niets belette, alzo de Speelers met hunne rollen kosten reedt zijn, en eene hooftpersonazie, daar zy na gewacht hadden, gekomen was.
    En, alhoewel wy ’t met zulk een haast niet overgezet, maar by na zo veel als van nieuws opgeslagen hebben, meenen wy echter, noch vergen niet, dat men daarom de misslagen, die wy begaan moogen hebben, ten besten houde, of door de vingeren zie, gelijk zommige begeeren, dat men daar opzicht op hebbe. O neen, die het in ’t kort niet wel kan maaken, dat hy lang arbeide: En hy, dien ’t gelieft ons onze misslagen aan te wijzen, zal onze dankbaarheidt en achting verdienen. Maar wy verzoeken alleenigh, dat U.E.dt en de Leezer de goedtwilligheidt hebbe, van eenige door haast in den druk ingesloopene misstellingen, waar van het meeste deel reede aangeweezen is, te verschoonen, ende wy zullen ’t, als eene gunst ontfangen.
    Insgelijks,
Mijn Heer, zullen wy ’t ook van U.E.dt voor een groote weldaadt opnemen, zo het U.E.dt niet verdrooten hebbe, onze lange reedenen met gedult aan te hooren. U doordringend oordeel inde konst zou die buiten twijffel gezien hebben. Maar die, wiens kennis zo hoog noch niet gestegen is, meenen wy geen kleene dienst gedaan te hebben, met hunne nieuwsgierigheidt te verrassen, en, in plaats van uwe verdiende lof, die zy meenden te leezen, en wy onmaghtigh zijn uit te drukken, hen den wegh tot meerder licht in de konst te oopenen, door dien wy niet voor U.E.dt; maar alleen voor hen dus wijtloopigh geweest zijn.
[fol. *8r]
    Aan U.E.dt behoorden niet alleen scherpzinniger redenen getoont, maar verheevener Tooneelstukken opgedraagen te worden. Wy hoopen, dat de tijdt onzer geneegenheidt daar toe geleegenheidt zal verschaffen; en bekrachtigen, dat yder van ons gezelschap is, gelijk ik my roem,

                                        Mijn Heer,

                                                        U.E.dts

                                                                Ootmoedige Dienaar,

Amsterdam,
Den 14 Ju-
lius 1670.
                                                        L. MEIJER.



[fol. *8v]

VERTOONERS.

Ferdinand, Haagsch Eedelman.
Luidewijk, Geldersch Eedelman.
Jakoba, Jonge Weeduwe, zuster van Ferdinand.
Sofia, Moey van Ferdinand, en Jakoba.
Katrijn, Kamenier van Jakoba.
Flip, Knecht van Luidewijk.
Jan, Knecht van Ferdinand.
Ida, Kamenier van Sofia.
Antonette, Keukenmeidt van Jakoba.
Dirk,
Niklaas
} Lakkeyen van Sofia.
Pieter, een Timmerman.

            Het Tooneel is in ’s Graavenhaage, in ’t huis van Ferdi-
                nand, in de kamer van Luidewijk; behalven in ’t vierde
                Bedrijf, dat in de Kamer van Jakoba speelt.

            Het Spel begint omtrent te zeeven uuren ’s avondts, en ein-
                dight tusschen een en twee uuren na middernacht.




                    Eenige Drukfeilen te verbeeteren.

Zijde 4.Reegel 3.voorMarseilleLeesMarseilje
5. tot mijn ongeval zo de tyding quam
34. en om
9.33. oms om
15.33. my men
26.16. dagte datge
27.33. sidderen siddren
28.3. is u
32.16. zuljy zaljy
35.17. my in ’t zin in ’t zin om my
36.17. hem hen
22. ik; ik,
37.12. versieren versieren?
39.32. praatje praate
41.35. die hart die het hart
59.32. Marseille Marseilje
69.3. onze haare
77.21. zaltje zal ’t je
80.36. Mijn Geloof

Continue
[
p. 1]

HET

SPOOKEND

WEEUWTJE,

BLYSPEL.
________________

EERSTE BEDRYF.

EERSTE TOONEEL.

Jakoba, Pieter, Katrijn, Sofia.

                            Jakoba.
MAar rep u wat. Gy moet een eynd van kloppen maken.
Kom, Pieter; ’k heb geen tijdt. Ik moet nog andre zaaken
Bestellen, die gy my hier door belet.
                            Pieter.
                                                            Zie daar,
Die spijker noch, Mevrouw, en daar meê is het klaar.
                            Jakoba.
(5) Nu ras dan.
                            Pieter.
                      Dat ’s gedaan. By gommen, is dat werken!
Ik zweet.
                            Jakoba.
              Maar Pieter, zal nu niemandt konnen merken,
Dat hier een’ deur is.
                            Pieter.
                                  Neen, gantsch niet.
[p. 2]
                            Jakoba.
                                                                En geeft het geen
Geluidt, in ’t op te doen, of toe te sluiten?
                            Pieter.
                                                                    Neen,
Mevrou, bezoekt het vry, gy zult het zo bevinden.
                            Jakoba.
(10) ’t Is goedt. Moey, ’k durf daar meê den aanslag onderwinden,
Kom, neem u groote boor, en maak hier noch een gat,
By d’oopning van ’t tapijt.
                              Sofia.
                                        Wel, Nichte, waar toe dat?
                            Jakoba.
Om af te zien, wanneer men veilig in de Kamer
Kan komen.
                            Pieter.
                    Is ’t zo wel?
                            Jakoba.
                                            Ja, Pieter; neem uw hamer,
(15) En al het werktuig meê. Betaal hem eens Katrijn.
                            Katrijn.
Ik zal.
                            Pieter.
          Goênacht, Mevrouw.
                            Katrijn.
                                          Kom Pieter, ga met mijn.


TWEEDE TOONEEL.

Sofia, Jakoba.

                              Sofia.
MAar Nicht, gy denkt licht niet, dat deze zwarte kleeden
’t Afsterven van uw man, noch pas een maandt geleeden,
Verbeelden, en daar by, hoe weinig dat u past
(20) Zulk spel te speelen met uws Broeders vreemden gast.
[p. 3]
                            Jakoba.
Mijn waerde Moey, gy weet; de vrolijkheit mijns harten,
De gulheidt mijns gemoedts was nooit tot vuile parten
Geneegen; maar ik ben alleen gezindt mijn jeugdt
Met vreugdt te slijten, doch behoudens eer en deugdt.
(25) Des wilt mijn aanslag niets oneerlijks toevertrouwen:
Wanneerze is u bekendt, zult gyze daar voor houwen.
Gy weet, hoe dat ik meêr om ’t goedt, en grooter staat,
Als uit geneegenheidt, op uwe, en Broeders raadt,
Mijn overleeden Man getrouwt heb; en de smarte
(30) Van zijne doodt daarom my weinig gaat ter harte.
Ey Moey, my dunkt, ’k heb lang genoeg bedroeft geweest;
De rouw verveelt my, ik ben al te bly van geest,
My staat die strakheidt, dat gedwongen veinzen tegen;
Ik haak na vryheidt, en heb in het hooft gekreegen,
(35) Indien mijn oogmerk wel wordt van ’t geluk gedient,
Het hart te peilen van mijns Broeders grooten vriendt,
Die ons zo vreemt niet is, als gy wel zoud vertrouwen.
En, om u niet met veele omweegen op te houwen,
Het is Heer Luidewijk.
                              Sofia.
                                    De Geldersche Eedelman,
(40) Wiens Vader t’Aarnhem woont?
                            Jakoba.
                                                            Ja, ’t is hy zelf, waar van
Ik u zo dikwils met vermaak heb onderhouwen;
Aan wien mijn Broeder my versproken had te trouwen;
Hoewel hy ’t zelf niet wist.
                              Sofia.
                                          Wist hy het zelf niet?
                            Jakoba.
                                                                            Neen;
Hy was in ’t landt niet. Maar ik wierd’er toe gebeên
(45) Van mijnen Broeder, wien ’t verzocht was van zijn Vader,
Die op mijn toestaan dees verbintnis bey te gader
Beslooten, en tot op zijn weêrkomst onze trouw
[p. 4]
Uytstelden. Lieve Moey, licht was ik nu zijn vrouw,
Indien het schip, waar meê hy keerde, in ’t overkomen
(50) Van Genue op Marseille, in zee niet waar genomen
Van Turksche Roovers, en al ’t volk tot buit gemaakt,
En hy om ’t leeven, tot mijn ongeval, geraakt.
Hy is het, en dee* maar van zijne dood een loogen.
Hy leeft, en heeft het oog der Rooveren bedroogen,
(55) In Bootsgezels gewaadt, en is met twee, of dry
Ontkomen het gevaar der Turksche slaverny,
Die, hebbende in een boot zich op de vlucht begeeven,
Zijn eindlijk te Toelon gelukkig aangedreeven.
Zo quam hy te Parijs uyt dat vervloekte landt.
(60) En, vindende in ’t gevolg van Vrankrijks Afgezant,
Die herwaarts aanquam, goê bequaamheidt zich te voegen,
Is heeden morgen tot mijn overgroot genoegen
Hier aangekomen, en ik ben niet buiten hoop,
Een weg te vinden, dat hy deezen huwlijks Knoop
(65) Vernieuwen zal, en ik met frisscher man vergeeten
Den droeven tijt, die ’k met een zieken heb versleeten.
                              Sofia.
Is’t mooglijk, Nicht, en is Heer Luidewijk niet doodt?
Weet gy het wel. Ik zorg, ’t geluk is al te groot.
                            Jakoba.
Broêr Ferdinand heeft my de gantsche zaak verslagen,
(70) En ik hem zelf gezien met zonderling behaagen.
De stal zijns lichaams tuigt zijn adelijk gemoedt,
En heeft mijn doove min gezet in lichten gloedt.
                              Sofia.
Gy hebt hem zelf gezien? hoe dorst gy dat beginnen?
                            Jakoba.
Ik wist, dat d’Afgezant van Vrankrijk heeden binnen
(75) Den Haag zou komen, en dat hy met al zijn stoet
Te Rijswijk bleef, tot dat de Staat hem in ’t gemoet
Zou zenden, naar gewoonte, om na dat middagmaalen
Hem met de goude koets zeer heerlijk in te haalen.
Dit wilde ik ook, doch meest Heer Luidewijk, gaan zien.
[p. 5]
(80) Ik kleedt my uit den rouw; ik masker my; ik dien
My van een huurkoets, en, om niet bekent te weezen,
Verkleedt Katrijn zich ook, die ’k met my nam, door ’t vreezen,
Dat licht Broêr Ferdinand iets merken moght, indien
Hy eenig toestel, dat hy kende, quam te zien:
(85) Want my was wel bewust, dat Broêr had voorgenomen,
Te Rijswijk zijnen vriendt te gaan verwellekomen.
Ik kom ’er, zie mijn Broêr, die hem vast welkom heet,
Na zijn gezontheidt vraagt, en zijn geleeden leedt,
Dat stof verschafte, om in een lang gesprek te treeden,
(90) Zo dat ik hem kon zien, van boven, tot beneeden,
En hooren spreeken na mijn zin, en met gemak
Bespeuren, welk een geest in dat schoon lichaam stak.
Doch welk een onderscheit bevondt ik in zijn weezen
By ’t schildery, waar op hy my was aangepreezen!
(95) Ik kan niet zeggen, hoe ’k te moede was. Ik toogh
Zijn beeltnis in mijn hart door mijn nieuwsgierig oog.
Maar zo ik op hem staarde, en ’t oog niet kon verzaden,
Had mijn nieusgierigheidt my zelf byna verraaden,
En my, hoe zeer vermomdt, aan elk ten toon gezet,
(100) Had zijn beleeftheidt my niet uit den noodt geredt.
Een jonge Fransman, maar van ongebonden zeeden,
Randt my heel dartel aan, en, na een kleine reeden,
Verzoekt my, in het Fransch mijn masker af te doen.
Ik weyger ’t; hy houdt aan; en raakende in ’t vermoên,
(105) Dat ik wat lichts was, poogt zo wat geweldt te pleegen
Om dat ik stilzweeg, en my zelf alleen daar teegen
Met dreigen stelde; want mijn Broeder zagh het aan.
Maar, tot mijn groot geluk, komt iemanet aangegaan
Om hem te spreeken, dat hem Luidwyk dêe verlaaten.
(110) Ik, hebbende mijn tong nu vry, en boven maaten
Ontstelt, bid Luidewijk, my smijtende in sijn arm,
Dat hy my doch voor dien moedtwilligen bescherm;
Dat wy ons aangezicht om reên niet konden toonen
Maar eedel zijn, en zeer gevoelig van zulk hoonen.
[p. 6]
(115) Hy weegt de saak niet lang: maar dreight met mont en oog
Den Fransman, wien het spijt. De woorden rijzen hoog;
De deegens raken uyt; en ’t waar daar niet gebleeven,
Waar ’t buiten ’t volk geweest. Ik en Katrijn begeeven
Ons fluks in onze koets, en voorts uit hun gezicht,
(120) Te viervoet na den Haag.
                              Sofia.
                                                Gy ziet, die daadt had licht
Uw eerelijken naam een vuile smet gegeeven,
En dien moedtwilligen, of Luidewijk het leeven
Gekost. Hebt gy uw lust nu niet geheel voldaan?
En was ’t niet best, dat gy u ’t opzet af liet raên
(125) Van hem te schrijven?
                            Jakoba.
                                        Neen: dat meêr is, ’k wil hem spreeken,
En, kan ik ’t voeglijk doen, mijn hart hem tot een teken
Van mijne erkentenis aanbieden. Was ik u
Ooit lief, Moey, toont my doch uw gunst, en helpme nu
Met raadt en daadt, om ’t werk behoorlijk voort te zetten.
                              Sofia.
(130) ’t Is wel dan; want ik zie, ik kan het niet beletten.
                            Jakoba.
Och neen, Moey; daarom stijf my met u overlegh.


DERDE TOONEEL

Katrijn, Jakoba, Sofia.

                            Katrijn.
MEvrouw, wees op uw hoede, en maak u daadlijk weg:
Uw Broeder Ferdinand met Luidwijk zijn gekomen,
Zy stappen vinnig aan; de tijdt dient waargenomen.
                              Sofia.
(135) Kom, gaan wy hen verspien door dit gemaakte gat.
Gaat gy niet meê, Katrijn?
[p. 7]
                            Katrijn.
                                        Ik veeg de vloer noch wat.
                            Jakoba.
Neen, neen, kom meê, en ras; eer datze ons overloopen.
Zy zijn daar al, ik hoor ’t, ras, ras; de deur gaat open.
            Zy snappen door de bedekte deur uit de Kamer.


VIERDE TOONEEL.

Ferdinand, Luidewijk, Flip en Jan,
elk met een Valies.

                                Ferdinand.
Heer Luidwijk, welkom in de plaats van u verblijf.
                            Luidewijk.
(140) Heb dank, Heer Ferdinand.
                        Ferdinand.
                                                Z’is slecht, maar vol gerijf;
Mits zy twee deuren heeft, van welke die na buiten,
En dees na binnen gaat. Men kan ze beide sluiten.
Daar zijn de sleutels.
Luidewijk de sleutels aannemende, en aan Flip gevende.
                                Flip.
                            Flip.
                                        Mijn Heer.
                        Luidewijk.
                                                        Daar, neemze.
                        Ferdinand.
                                                                              Laat
Ik ze u beduyen. Deeze is van de deur op straat,
(145) En die van binnen ’s huis. Zy zijn wel t’onderscheijen.
                            Flip.
Ik zie ’t wel.
                        Ferdinand.
                    ’k heb u dit vertrek doen toebereijen,
Om datge, zonder ’t huis te moeyen, uit en in
Zoud konnen gaan, by nacht en onty, na u zin.
Daar hebtge ook pen en inkt, indien gy iets wilt schrijven;
[p. 8]
(150) En hier zijn boeken, om den tijdt wat te verdryven;
Zo ze u verdriet, en dat gy leezens zijt gezint.
                        Luidewijk.
’k Zie dat u heusheidt my, hoe langs, hoe meêr, verbint.
                        Ferdinand.
Zo u noch iets ontbreekt, dat u zou dienen konnen,
Gy hebt maar te gebiên.
                        Luidewijk.
                                    Mijn Heer, ick blijf verwonnen
(155) Van u beleefdheidt: gy beschaamt my heel.
                        Ferdinand.
                                                                            Mijn Vriendt,
’k Doe nergens na zo veel, alsge aan my hebt verdient,
En wenschte u, na waardy, mijn dankbaarheidt te toonen.
Maar ik vertrek, gy wilt u lichtelijk wat verschoonen.
’k Wacht u beneeden, om de Juffer, diewe op ’t Bal
(160) Geleiden zullen, eerst te spreeken; ’k acht, zy zal
U zeer wel aanstaan; zy is vrindlijk, schoon, en aardigh.
                        Luidewijk.
Mijn Heer, ik volg u straks: ik ben zo daadlijk vaardig.


VYFDE TOONEEL.

Luidewyk, Flip.

                        Luidewijk.
FLip, geef mijn schoenen, en ontlaerst my in der yl.
Doe nu ’t valies op, geeftme een neusdoek; en terwijl
(165) Wy by de Juffer gaan, breng ’t vuile goedt te wasschen,
En als wy keeren, maak weêr vlijtig op te passen.
                            Flip.
Zeer wel, mijn Heer. Daar is een schoone neusdoek.
                        Luidewijk.
                                                                              Maar
Beziet eerst eens, hoe veel schoon goedt ik heb.
[p. 9]
                            Flip.
                                                                          Een paar
Handtlobben, een half hemdt, een neusdoek.
                        Luidewijk.
                                                                    Hoe veel beffen?
                            Flip.
(170) Niet een, als deeze.
                        Luidewijk.
                            Zijn ’er niet dry dasjes?
                            Flip.
                                                                  Effen.
                        Luidewijk.
Heer Ferdinand zal my zo haast niet laaten gaan.
Neem ’t vuile goedt, en kom, hoe is ’t? hebt gy gedaan?
                            Flip.
Zo daadlijk Heer,
                        Luidewijk.
                          Zult gy niet komen? moet ik kijven?
                            Flip.
’k sluit de Valiezen maar.
                        Luidewijk.
                                        Laat die slechts open blijven:
(175) Waar toe zal ’t noodig zijn? wy zijn hier in geen kroeg.
Wy zijn by Vrienden; sluit de deur maar; dat ’s genoeg.


ZESDE TOONEEL.

Katrijn, Jakoba door de bedekte deur inkomende.

                                            Katrijn.
MEvrouw, de baan is klaar, ghy mooght vry binnen treeden:
Ze zijn al wegh. Waar blijft uw Moey?
                            Jakoba.
                                              ’k Heb haar gebeeden
De wacht te houden, in mijn kamer, om* wanneer
[p. 10]
(180) Mijn Broeder Ferdinand, met Luidwijk, flusjes weêr
In huis zal komen, ons hun komst bekent te maaken;
Wy zouden andersins licht in de knip geraaken,
Indienwe ons hier te lang vergaapten.
                              Katrijn.
                                                          Dat is waar,
Gy hebt gelijk, en vreest met reeden voor gevaar.
(185) Maar ’k twijffel niet, uw Moey, als zy slechts op wil passen,
Zal wel verhinderen, dat zy ons niet verrassen.
                            Jakoba.
Ik wil het hoopen. Kom, Katrijn, doorsnufflen wy
Heer Luidewijks valies. Hoe staatge? ontdoet het vry.
Wat vindtge al?
                            Katrijn.
                      Alle ding.
                            Jakoba.
                                      Sprey dat wat van malkander,
(190) Op dat ik ’t ook magh zien. Wat’s dat?
                            Katrijn.
                                                                    Een boek.
                            Jakoba.
                                                                                    Dat ander?
                            Katrijn.
Een zilvre doos.
                            Jakoba.
                                Doe op, en zienwe eens, wat daar in
Magh schuilen.
                            Katrijn.
                        Poeyer.
                            Jakoba.
                                      Zoek al voort.
                            Katrijn.
                                                            Mevrouw, ik vin
Niet meêr.
[p. 11]
                            Jakoba.
                Geen brieven?
                            Katrijn.
                                      Neen.
                            Jakoba.
                                                Zy zullen ergens steeken.
Zoek om.
                    Katrijn, het Valeis omkeerende.
                ’t Is leegh.
                            Jakoba.
                                Licht hebt gy ze over ’t hooft gekeeken,
(195) Door al te groote haast; doorzoek weêr al den hoop
Van stuk tot stuk.
                            Katrijn.
                            Ik zal; hier is een koker.
                            Jakoba.
                                                                    Loop
Met zulke vodden; zie te deegh toe: zoek met zinnen.
                            Katrijn.
Maar eevenwel, Mevrouw, hy heeft heel weynig linnen.
Voor zulk een Edelman.
                            Jakoba.
                                    Katrijn, hoe zijt gy slecht?
(200) Dit is al ’t schoone maar; al ’t vuil heb ik zijn knecht,
Door ons gemaakte gat, flus na de wasch zien brengen.
Maar is dat zoeken? wat, waar moogt gy u meê mengen?
                            Katrijn.
Hier, al gevonden, al gevonden, dit ’s pampier.
Hier hebbenwe den Aap, ’t zijn brieven.
                            Jakoba.
                                                                Geef die hier
(205) Ik ben nieuwsgierigh, wat of ’t weezen magh.
                            Katrijn.
                                                                              Maar zullen
Wy hier niet rommelen? dit zijn de knegt zijn prullen.
Mevrouw licht is de knecht zijn meesters koppelaar.
Mijn handen jeuken om te zoeken, dorst ik maar.
[p. 12]
Ja wel, ik heb ’er zulk een lust toe.
                            Jakoba.
                                                      Boet uw lusten.
                            Katrijn.
(210) Mevrouw, een flesje met roosolis.
                            Jakoba.
                                                              Laat my rusten,
Gy steurt my.
                            Katrijn.
                      Wat is hier? ey, zie Mevrouw, een kam
Met zeeven tanden, en vol haer.
                            Jakoba.
                                                    Gy maakt my gram.
                            Katrijn.
Z’is in een zelfde doek gewonden met zijn eeten.
Kijk, by dit kaes en broodt; hy heeft’er af gebeeten.
                            Jakoba.
(215) Eet gy de rest op.
                            Katrijn.
                                  ’k Spoog het hart eer uyt mijn lijf.
Mevrouw, Mevrouw.
                            Jakoba.
                                Wat is ’t?
                            Katrijn.
                                            Hier is zijn tijdtverdrijf.
Zes vuile kaarten, en wel vijftigh dobbelsteenen.
Wat’s in dit doosje? ’t lijkt na nagels van zijn teenen.
                            Jakoba.
Is’t niet genoeg dat gy die fraayigheên beziet
                            Katrijn.
(220) Hier ’s noch een entje kaers.
                Jakoba, de brieven geleezen hebbende.
                                                    ’k Vind in de brieven niet,
Dat mijne liefde in ’t minst met jalouzy kan grieven:
’t Is schrift van mannen, en al samen vriendenbrieven.
[p. 13]
                            Katrijn,
Hier is de knecht zijn beurs. Zy klinkt: ’t is geldt. Wat zo.
Ik wilze eens luizen, en opvullen met wat stro.
(225) Hy zal niet gissen, wat zijn beurs zo licht doet worden.
Hoe zal hy kijken?
                            Jakoba.
                                Nu, schik alles weêr in orden.
Eerst Luidewijks valies, omtrent, gelijk het was.
Ik leg mijn brief daar op de tafel.


ZEEVENDE TOONEEL.

Sofia. Jakoba. Katrijn.

                              Sofia.
                                                          REpt u, ras.
Uw Broêr en Luidewijk zijn al weêr t’huis gekomen:
(230) Zy stappen herwaarts aan.
                            Katrijn.
                                              Mevrouw, wie zou dat droomen?
Zo dra? het leit hier, als een baijert.
                            Jakoba.
                                                        Niet veel praats.
Kom voort maar.
                              Sofia.
                        Nicht uw brief?
                            Jakoba.
                                            Die leit al op zijn plaats.
                    Zy gaan door de bedekte deur wegh.



ACHSTE TOONEEL.

Flip. Luidewijk.

                            Flip.
GAntsch bloedt! hoe is het hier! help! Dieven inde kamer.
Mijn Heer, sta by.
[p. 14]
                        Luidewijk.
                          Wat is ’t? wie zagh ooit onbequamer
(235) En grover lomp? hoe tiert gy zo? waar raast gy van?
                            Flip.
Bescherm jou Flip doch, of hy raakt licht in de pan.
                        Luidewijk.
Voor wie?
                            Flip.
                Veur Dieven, ’k heb ze hooren gaan, en spreeken,
Toen ik de deur op deê, zy hebben zich versteeken
(Zijn zy ’t maar niet ontsnapt) in d’een of d’and’re hoek.
                        Luidewijk.
(240) Wel, sluit de deur dicht toe.
                            Flip.
                                                    Zy is geslooten.
                        Luidewijk.
                                                                            Zoek
Nu eens rondtom.
                            Flip.
                            Ey Heer, zoek jy.
                        Luidewijk.
                                                      Hoe zal ’t hier lukken?
                            Flip.
Ik durf niet, zeeker.
                        Luidewijk.
                              Zult gy nooit uw oude nukken
Afwennen?
                            Flip.
                  Heer, de vrees heeft zich te diep gezet.
Ik ga zo gaeren met een heele huidt na bedt.
(245) Zy moghten my een praauw zo van ter zijden geeven.
Ey Heer, zoek jy; jy vraagt toch niet veul na je leven.
                        Luidewijk.
’k Vind niets, en eevenwel al ’t goet leit over hoop.
                            Flip.
Och, och! wis zijn zy met het beste al op de loop.
                        Luidewijk.
Roer om het goedt, kijk toe, en zie eens of we iets missen.

[p. 15]
                            Flip.
(250) Ik vind noch al ons goedt.
                        Luidewijk.
                                                  ’t Is vreemdt: ik kan niet gissen,
Wat dit wil zeggen.
                            Flip.
                              Sint Herodes, ’k sla een kruys!
’t Is tovery. Och, och, het spookt hier in het huis:
Toen ’k inquam, heb ik iets zien langs de kamer zweeven.
                        Luidewijk.
Ghy droomt.
                            Flip.
                    Och, ik bezwijk! de geest wil my begeeven!
                        Luidewijk.
(255) Wat is ’t?
                            Flip.
                        Ik ben om hals! mijn beurs heeft last geleên.
                        Luidewijk.
Zy schijnt noch vol.
                            Flip.
                                Maar ze is zo licht, ze vliegt daar heen,
Gelijk en veer. Ik wouw, dat Meester Hans dien rover
Eens onder handen had! och, och, wat komt my over!
                        Luidewijk.
Doetze op, en zie, hoe zy van binnen is gestelt.
(260) Wat vindtg’er in, Flip?
                            Flip.
                                            Niet, dan stroo, in plaats van geldt.
Och, och!
                        Luidewijk.
                Met klaagen zult gy nietmetal bedyen:
Vat aan de kaers, en zoek met my aan alle zyen.
’t Kan weezen, dat my ’t een of ’t ander licht verspiet.
                            Flip.
Die zoeken wil, die zoek; ik zoek de Drommel niet.
                        Luidewijk.
(265) Hier leidt een brief.
[p. 16]
                            Flip.
                                        Ik denk van Heyntjepik geschreeven.
                        Luidewijk.
Ik leesze, en hoop zy zal ons eenige uitslag geeven.

                               Hy leest de Brief.

        Eedele Heer.

Behalven* de kennis, die ik van U.E. verdiensten heb-
    be, heeft my U.E. bescherming te Rijswijk zodaanig
    verplicht, dat ik my uit erkentenis gedwongen vind,
    U.E. dit kleine teeken van mijne onuitspreekelijke dank-
    baarheidt ter handt te doen koomen, met het vertrou-
    wen, dat de zelve, die my met gevaar van zijn leven zo
    groot een dienst gedaan heeft, my die ondienst niet doen
    zal, van deze mijne dankbaarheidt, of de minste om-
    standigheeden daar van aan iemandt ter weereldt, voor-
    naamelijk aan Ferdinand, te openbaaren: want mijne
    eer hangt’er aan. De manier van dit bestellen zal U.E.
    licht vreemdt voor koomen: maar indien gy my op deeze
    zelve plaats, een letter tot antwoordt verwaerdigt, dat
    mijne moeyelijke erkentenis U.E. niet verveelt, en voor-
    ders de verzochte stilzwijgendheidt belooft; zal ik U.E.
    verder doen zien, hoe ik U.E. achte, en dat ik ben

                      U.E. Geneegenste Vriendinne des Weereldts.


Z’is van de Juffer, die my om haar hulpe badt,
En om wiens wil ik flus dat spel te Rijswijk hadt
Met al die Franssen. Zy wil haar erkentnis toonen,
(270) En met haar dankbaarheit die kleene dienst beloonen.
Maar ’k had zo geestig een vergelding niet verwacht.
                            Flip.
Zy kan wis heksen, Heer: zy heeft de brief gebraght,
En is toenze ons vernam de schoorsteen uitgevloogen.
                        Luidewijk.
Men toovert nu niet meêr; gy zyt daar in bedroogen:
(275) De menschen zijn te zwaar: men vlieght niet door de lucht
[p. 17]
Als met machinen.
                            Flip.
                            Maar, van waar quam dan ’t gerucht?
                        Luidewijk.
Dat hebtge u ingebeelt.
                            Flip.
                                      Ja wel, zo dat niet waar is,
Ten minsten heeft zy dan een Spiertes fammiljaris,
Die zy voor boô gebruikt,
                        Luidewijk.
                                        Wat stootge al uit uw hooft?
(280) Wel, Flip, ik had u nooit zo zot, en dom, gelooft.
                            Flip.
Wel hey, mijn Heer, wel hey; vertrouwje, dat ik reutel?
Hoe komt die brief hier dan?
                        Luidewijk.
                                            Men heeft licht noch een sleutel
Van deeze kamer. Ook heeft zy hier in het huis
Licht kennis, en zy maakte in ’t wegh gaan dit gedruisch,
(285) Toen gy de deur op deedt. ’K ga aan de Juffer schrijven.
Met een aan Vader, dat ik in den Haag moet blijven
Tot maandag toe, en dat ik ’t Aarnhem weezen zal
Niet eer, als donderdagh, of vrydagh: dit geval
Had my dat noodige bescheidt schier doen vergeeten.
(290) Raap onderwijl ons goedt, dus over hoop gesmeeten,
By een, en schik het wegh.
                            Flip.
                                          De Juffer heeft ons bey
Aan werk geholpen. Wat of haar geleegen ley
Aan my, om al mijn geldt te taaken, en de maalen
Zo om te schomlen, en heel overhoop te haalen.
                        Luidewijk.
(295) De Juffren in ’t gemein zijn vol nieuwsgierigheidt.
Men moet dat al voor lief opneemen.
                            Flip.
                                                        Schoon bescheidt,
[p. 18]
Mijn beurs te plondren, en ’t hart uit het lijf te trekken.
Deê zyme maar geen scha, zy mocht wat metme gekken.
Maar, maar een leege beurs maakt meenig hoofdt ontstelt.
                        Luidewijk.
(300) Licht nam zy ’t, om daar na, in plaats van ’t weinig geldt,
Uw beursje weederom te vullen met dukaaten.
                            Flip.
Ja doch. Dan hadze hier het beursje niet gelaaten,
En opgevult met stroo.
                        Luidewijk.
                                    Zwyg stil, gy hindert my
Met al dat zot gevraagh.
                            Flip.
                                    By u is ’t zotterny,
(305) By mijn is’t ernst, mijn Heer, ik moet de scha vast draagen.
                        Luidewijk.
’k Zeg, laat my schrijven, of gy krijgt de huidt vol slagen.
                            Flip.
’k Rep niet een woordt.
                        Luidewijk.
                                  Ga, breng dees brief op ’t Uytersch Veer:
Zy houdt op Aarnhem, daar is geldt by.
                            Flip.
                                                            Wel, mijn Heer,
Ik zal: maar d’andre?
                        Luidewijk.
                                Die moet, na des Juffers schrijven,
(310) Hier op het midden van de Tafel leggen blijven.
Zy zalze haalen. Wilt ghy ’t zien, wacht hier ter steê,
’k Geef u verlof.
                            Flip.
                          Neen, neen ik hou mijn gek daar meê.

                Einde van ’t Eerste Bedrijf.

Continue
[
p. 19]

TWEEDE BEDRYF.

EERSTE TOONEEL.

Jakoba, Sofia,
Alle beide door de bedekte deur komende.

                            Jakoba.
WAt of hy antwoort? ik sta tusschen hoop, en vreezen,
                              Sofia.
Daar is de brief.
                          Geeft hier, laat my den inhoudt leezen.
                                        Zy leest.
Wie gy ook zijn mooght, en hoe weinig gy my oock verplicht
    zijt, zo is ’ my echter lief, en onverwachte achting, in
    de plaats van een onverdiende dankbaarheidt te vinden.
    Ik beloove u, als een waar Eedelman, (dewijl ’t u belieft
    my met dien naam te vereeren) dat ik ’t geheim van
    dit voorval, aan niemandt ter weereldt ontdekken zal, en
    voorders uw geboden afwachten. Dit is ’t, dat ik u, vol-
    gens uw verzoek, tot antwoordt van uw brief, laate.

                                                          LUIDEWYK.

(315) Geen minder heusheidt heeft mijn hoop van hem verwacht.
O aangenaame brief! gy geeft een nieuwe kracht
Aan mijn verlieftheidt.
                              Sofia.
                                    Nicht, gy zaait in uwe zinnen
Een schaadlijk onkruidt, dat zo lichtlijk zich verwinnen;
Noch uit laat rooyen.
                            Jakoba.
                                Ey, berisp mijn voorneem niet,
(320) Mijn lieve Moey; ik ben het zwaarste zielverdriet
Getroost te dragen, zo ’k mijn Eedelman moet derven.
[p. 20]
                              Sofia.
Maar denktge al op u eer?
                            Jakoba.
                                      Veel eerder zou ik sterven,
Ja sterven duizendtmaal, eer ik in ’t minste deel
Mijn eer verraaden zou; en kan ik het geheel
(325) Bezit van Luidewijk niet hebben, ’k zal mijn leeven,
Maar nimmermeer mijn eer, gewilliglijk begeeven.
                              Sofia.
Hebt gy dan noch in ’t zin, dat hy u zelf zal zien?
                            Jakoba.
Ja Moey, en deeze nacht, indien het kan geschiên.
                              Sofia.
Op welk een wijs?
                            Jakoba.
                            Hier in heb ik u hulp een nooden.
                              Sofia.
(330) Die wordt u met mijn hart geheellijk aangebooden.
                            Jakoba.
Gy zoud my vriendschap doen, woud gy u Kamenier
Beveelen, datze uw koets, uw paarden, en koetsier,
Met bey u knechten, op de Vijverbergh deed komen,
By ’t groene zootje, Moey, dicht onder d’eerste boomen,
(335) Omtrent de middernacht, maar al gemaskert.
                              Sofia.
                                                                      Hoe?
Waarom gemaskert?
                            Jakoba.
                                Hoor; ik leg het daar op toe,
Om Luidewijk zelfs in mijn Kamer t onderhouwen,
Van hem gezien te zijn, en hem zelf aan te schouwen
In vryheidt, onbeschroomt; en zonder dat hy ken,
(340) In welk een oort hy wordt gevoert; of wie ik ben,
Vermoeden kan, terwijl mijn Broêr op ’t Bal zal weezen;
Zo dat men hindring, noch beletzel heeft te vreezen.

[p. 21]
                              Sofia.
Hoe Nicht? vergeetge alreê, dat Jan zo eeven zey,
Hoe Luidewijk uw Broêr belooft had, dat ze bey
(345) Te saam de Juffer, die zy dadelijk bezochten,
Na ’t Bal te leyden, en beyde op te passen dochten?
Gy waart’er by, en hebt het zelf gehoort.
                            Jakoba.
                                                          ’T is waar,
En dat zy Luidewijk behaagde, speet my; maar
Ik meen, zo’t mooglijk is, dat opzet te verzetten,
(350) En dat oppassen van die Juffer beletten.
Ik zal Heer Luidewijk verzoeken met een brief,
Dat hy een Garnituur van Linten doch voor lief
Ontfange, die Katrijn haalt van den Franschen kramer,
Van parelkleur en roodt. Maar daar komtze in de kamer.



TWEEDE TOONEEL.

Jakoba, Sofia, Katrijn, door de bedekte deur.

                            Jakoba.
(355) IS ’t eeten haast gedaan, beneên?
                            Katrijn.
                                                                Vrees geen belet,
Mevrouw; het nagerecht is noch niet opgezet:
Zo zeitme Jan, dien ik het vroeg.
                            Jakoba.
                                                    Waar zijn de strikken?
                            Katrijn.
Ik breng u die, Mevrou; maar ’k moetze wat verschikken;
De kramer hadt geen tijdt.
                            Jakoba.
                                      Wel doet het, zo ’t behoort.
(360) Ey Moey, leen haar uw hand; ’k zal Luidewijk zo voort
Gaan schryven.

[p. 22]
                        Katrijn, terwijl Jakoba schrijft.
                            Houw eens vast, Mevrouw, ik zal ’t wat rekken.
Zo staat het wel; het moet de heele kuit bedekken,
Tot op de scheen.
                              Sofia.
                            Wat zal hy met dees linten doen?
                            Katrijn.
Het breet moet op de hoedt, het smal lint op de schoen,
(365) Ter zijden van de voet.
                              Sofia.
                                    En dees vier andre linten?
                            Katrijn.
In ’t hallef hemdt, voor op de handen
                              Sofia.
                                                            Welke quinten
Heeft nu de Mode!
                            Katrijn.
                            Is die niet altijdt zot geweest?
                              Sofia.
’t Is waar Katrijn, sint dat wy van een Franschen geest
Bezeeten zijn, en dat men die niet uit wil drijven,
(370) Doet zy ons zotten, tot onze eygen kosten, blijven,
En trekt een rijkdom uit de grillen, dieze broedt,
Door onze zotterny en ’t quaadt gebruik gevoedt.
                    Jakoba, geschreeven hebbende.
Ik heb de brief gedaan, belieftze u ook te leezen?
                              Jakoba.
Ja Nicht. Gy schrijft hem; hy zal u oppasser weezen,
(375) Doch u noch kennen, noch oppassen; ’k vat dit niet.
Meint gy op ’t Bal vermomdt te komen?
                            Jakoba.
                                                              Neen, ’t geschiedt
Alleen, om hem wat te verbijstren, op die hoope,
Dat zijn nieusgierigheidt hem eerder herwaarts noope.
Ook schrijf ik hem niet, Moey, dat ik op ’t Bal zal zijn.
(380) Maar spillen wy geen tijdt. Is ’t alles reê, Katrijn?

[p. 23]
                            Katrijn.
’T is daadelijk heel klaar.
                            Jakoba.
                                        Kom, laat het zo maar blijven;
’T is overdubbel wel. Daar neem, en leg dat schrijven
In ’t mantje, boven op de garniture.
                            Katrijn.
                                                        Wel;
Maar ’t leit zo overhoop, ’k zal ’t eerst weêr op zijn stel,
(385) Verschikken.
            Jakoba, hoorende Flip aankomen, en zingen.
                  ’k Hoor gerucht; ras, vliênwe, Moey, zy komen
Jacoba, en Sofia, vlieden met de kaars, en laten Katrijn in ’t donker.


DERDE TOONEEL.

Katrijn, alleen in ’t donker, en Flip hoorende zingen.

MEn laatme in ’t donker, en de kaars is meê genomen!
Waar vind ik d’uitgang? ’k ben hier leelijk in de knip.
’k Hoor iemandt op de trap. Ja, ’t heeft geen noodt, ’t is Flip.
Hy is voor ’tspook vervaert, ik hoor ’t wel aan zijn zingen.
(390) Kom ik eens achter ’t licht, ik zal het wel ontspringen;
Zo ’k de bedekte deur maar zie; ’k schuil hier zo lang.


VIERDE TOONEEL.

Flip, zingende met een fles in de handt, Katrijn maakt ach-
ter hem te zijn.

                    STEM: Grand Ballet.
                              I.
                                                      MYn Heer,
Deeze Fluit, ten kimme vol geschonken,
            Moet straks zijn uitgedronken,
Op dees welvaart, op den standt

[p. 24]
                    (395) Van ’t lieve Vaderlandt:
                    Dewijl de gulde Vreê
Het mes, daar d’Oorlogh ons de beurs meê snee,
            Heeft gesteeken in de scheê.
                    Nu hoort men niet van vechten,

            (400) Vlooten branden, dorpen slechten:
                                                      Als de twist
Is met den Bisschop, en de Brit geslitst:
Of, zo men nu malkandren zit na ’t gadt,
                    Het is met roemers nat,

            (405) Men toon zich dan, als wakkre knechten,
            En doe een storm op ’t volle vat.

                              2.
                                                      De Pacht
            Zal’er wel een Daalder meêr om gelden,
                    En wy voor brave helden,

            (410) Voor liefhebbers van den staat
                    Passeren, kameraadt.
                    Ja, zo de Fransman quam,
Die onlangs veur zich neêr keek, als een lam,
            Nu ziet, als een Leeuw, zo gram,

                    (415) Wy zouden staan, als Moffen,
            Al zijn snorken, al zijn snoffen
                                                      Was maar windt;
Hy zou zo slecht staan kijken, als een Kint,
En vreezen ons, zo boordevol van moedt,

                    (420) Of wijn, dat’s eeven goedt;
            De Fransman zoud’er vlak veur boffen;
            De Wijn is ’t rechte heldenbloedt.

                              3.
                                                      De Wijn
            Maakt een dollen duivel van een blooden;

                    (425) Maakt menschen schier tot Goden;
            Maakt ons jong, al zijn wy grijs;
                    Maakt self de jonkheidt wijs,
                    En vol van weetenschap;
Een stomme bok ontbreekt het niet aan klap,

[p. 25]
            (430) Als de wijn klimt in zijn kap.
                    Het wijntje maakt den Praater,
            Ellek een die roert de snaater,
                                                Als zijn mondt
De smaak recht wegh heeft van den ouden hondt.

(435) Kom drinken wy dan wakker, dat het snort,
                Die lang wacht, schiet te kort;
        Dat gaatje veur, avous, konfrater.
        Ik kan wel merken, waar ’t je schort.


’K zie, of ik drink, of zing, ik ben al eeven bang.
(440) ’K heb dees boetelje nou al tweemaal uitgedronken,
Noch popeltme mijn poort, noch trillenme mijn schonken;
Want dat ik zing, is niet uit vreugd, maar grooten angst.
Mijn Heer! Heer Luidewijk! waar blijfje? ’k weet mijn vangst
Nou wel; hy zent my hier, en vreest’er zelf te weezen.
(445) Is dat straks komen? ’t moght de drommel doen. Dit vreezen
Maakt, dat ik ’t hart schier uit mijn lijf smijt in mijn broek.
Wel benje gek, Flip? grijp koerazie, houwje kloek;
Ga in jou Heers valies, gelijk hy heeft bevolen,
En krijg zijn kleedt. Maar zat die geest daar eens verscholen.
(440) Och! och! wat ging mijn an? Daar leit de moedt al weêr.
Wat raadt? Geen beter, als dat ik de geest bezweer.
O geestje, wie je bent, ik, die nooit van mijn leeven
Het minste quaat heb aan jou geestlijkheidt bedreeven,
’K bezweerje krachtig by Sint Urzels onderrok,
(455) By Sint Pilatus tandt, Kristoffels wandelstok,
Sint Jochems knevels, en by ’t overschot der beenen
Van al die vroome luy, en by dit kruis met eenen;
Dat ik, die Flip hiet, jou voor eeuwig blijf verplicht;
Zo jy jou nimmermeer vertoont voor mijn gezicht:
(460) Want Geestje maat, men kan wel vriendt zijn met malkander,
[p. 26*]
Al komt juist d’eene vrindt niet spooken by den ander
        Katrijn blaast de kaers uit, en geeft hem een klap.
Moordt! brandt! mijn Heer! mijn Heer!


VYFDE TOONEEL.

Luidewijk, Flip, Katrijn, in ’t donker.

                        Luidewijk.
                                                            HOe schreeuwje zo bevreest?
(465) Wat doeje in ’t donker?
                            Flip.
                                              Die vermaledyde geest...
                        Luidewijk.
Wat geest?
                            Flip.
                  Die daadlijk in de kamer was.
                        Luidewijk.
                                                                  Het vreezen
Maakt, datge* u... Maar wat looptme op ’t lijf? wat wil dit weezen?
Ik heb het Flip.
                Hy vat de mandt, die Katrijn in de handt heeft.
                            Flip.
                          Mijn Heer?
Luid.                                     Loop ras; ontsteek het licht
Beneên, en keer terstondt; Maar sluit de deur eerst dicht,
(470) En doe de grendel daar van buiten voor.
    Terwijl Flip de deur uytgaat en grendelt, laat Katrijn de korf
in handen van Luidewijk, en vertrekt door de bedekte deur.



ZESDE TOONEEL.

Luidewijk alleen.

                                                                        ’K wil hoopen,
Dat my dit spooksel nu niet lichtlijk zal ontloopen.
[p. 27]
Des spreek vry, droes, of geest, of mens, wie dat gy zyt,
Wat zoekt gy hier? Gy zijt gevangen, schoon ’t u spijt.
’k Zal nu wel zien, wie hier zo geestig weet te waaren,
(475) En meent ons door de schijn van nachtspook te vervaeren;
Dies meldt u maar, u zal in ’t minst geen quaat geschiên.
Gy spreekt niet? daar komt Flip, nu zal ik ’t zelf wel zien.



ZEEVENDE TOONEEL.

Flip met een kaers, Luidewyk.

                            Flip.
HIer ben ik met de kaers.
                        Luidewijk.
                                          Wat ’s dit? ik ben bedroogen.
Een korf, en ’k zie geen mensch.
                            Flip.
                                                    Hoe? is het spook ontvloogen?
(480) Wel hey, wel hey, mijn Heer, jy had het ommers vast;
Weg is het en verdwijnt, dat’s leelijk misgetast.
                        Luidewijk.
Ja, ’k ben verstelt; maar zienwe eens na de deur, die buiten
Op straat zijn uitgang heeft.
                            Flip.
                                            Die kan niet beeter sluiten;
Zie, z’is heel fiks in ’t slot, en wel te deeg beneên
(485) Gegrendelt, boven ook.
                        Luidewijk.
                                      Voorwaar ’t zijn vremdigheên,
Die ik navorsschen noch bevatten kan met reeden.
Ik kan niet denken, wat dit weezen magh.
                            Flip.
                                                                  Mijn leeden
Staan noch en sidderen. Wel, mijn Heer, heeft Flip nu mis?
[p. 28]
Geloof jy ook nu niet, dat dit een spooksel is?
                        Luidewijk.
(490) Wat spooksel? neen, de schrik doet u* dus geklijk woelen,
En reevlen van een geest.
                            Flip.
                                        Jy moest het ook eens voelen.
Ik wed, mijn Heer, dat jy ’t dan wel gelooven zoudt;
Maar, als men ’t zelf niet voelt, dan is men goedt koop stout.
                        Luidewijk.
Wat hebt gy toch gevoelt;
                            Flip.
                                        Een geest met ysre handen,
(495) Die deeze kaaken zo verzet heeft, dat de tanden
Noch ram’len in mijn bek.
                        Luidewijk.
                                        Gy beeldt u dat maar in.
                            Flip.
Hoe, sellemalement, inbeelding? zie mijn kin
Is uit het lidt.
                        Luidewijk.
                    Zulks doet u ’t overmaatig schrikken
Gelooven.
                            Flip.
                Is ’t geen spook, hoe komt die korf met strikken
(500) Dan in de kamer? Heer, ’t is zeeker spokery
Gelooft het, eer je ’t voelt.
                        Luidewijk.
                                        ’t Is vremdt Flip, ick bely,
Dat ik niet klaarder in dit werk Zie, als een blinde;
Maar ’k zal niet rusten, tot dat ik d’ontwarring vinde.
                            Flip.
Hoe vrinden? zie wel toe, wat jy begint, mijn Heer;
(505) ’t Zal ons wel vinden, eer wy ’t zoeken. Och! hoe meer
Men ’t zoekt, hoe’t boozer wordt. Dat zoeken zalje rouwen;
[p. 29]
Ey denkt het niet, wil jy jou knecht in ’t leeven houwen.
                        Luidewijk.
Wel, wel. Maar zienwe eens, wat dit spook ons schenkt.
                            Flip.
                                                                                        Ik krijg
De doodt op ’t lijf, mijn Heer! daar zit het spook in.
                        Luidewijk.
                                                                                Zwijg
(510) Gy vlegel; hoe! een korf, vol strikken net gebonden,
Van paerelkleur en roodt?
                            Flip.
                                        Ja; maar van ’t spook gezonden.
                        Luidewijk.
Zwijg, zeg ik, eer ik.... Maar hier vind ik noch een brief;
Wat wil dit weezen?
                            Flip.
                              ’t Spook, geloof ik, heeft je lief.
                        Luidewijk.
Flip, lichtme, dat ik lees.

                            Hy leest.

            Heer Luidewijk.
Ik zie met vreugdt uit uw antwoordt, dat uw heusheidt
    mijn hoop niet bedriegt. Op dat vertrouwen verstout
    ik my verder, en durf u bidden, dat gy Ferdinand zijn
    Juffer alleen laat oppassen, en zonder licht ten elf uuren
    weder in uw kamer maakt te zijn: maer ’t moet u zo
    weinig aan moedt, als beleeftheidt ontbreeken; want u
    zal iets onverwachts verschynen. Indien ’t u behaagt,
    zult gy achtervolgen, ’t geen u gebooden zal worden.
    Indien ’t u niet behaagt, zult gy alle verder onderzoek
    staken. Ondertusschen verzoek ik u, dit kleyne teiken
    van mijn groote gunst voor lief te neemen, en u deezen
    avondt op ’t Bal te versieren met deze strikken, welker
    kleuren de beelden van de gesteltenis mijns harten zijn;
    opdat ik u voor mijn oppasser houde; hoewel gy my voor
    die tijdt noch kennen, noch oppassen zult, om reeden,

[p. 30]
    daar na te melden. Ik verwacht uw antwoordt op de plaats,
    daar gy ’t voorgaande geleght hebt, en blijf de zelve, die
    ik my genoemt heb te zijn.


                                                    Ik kan dit heusch verzoeken
(515) Niet afslaan.
                            Flip.
                            En ik zou die heusheidt wel vervloeken.
                        Luidewijk.
Zwijg schelm. ’k Verlang na ’t end van deeze spokery.
                            Flip.
Maar vreesje geen gevaar?
                        Luidewijk.
                                        Ik acht het zotterny,
Aan spook te denken, zwijg. Ik moet het eens herlezen.
Zy schijnt jalours, en by gevolg verlieft te weezen.
(520) In ’t donker wachten, tot dat my iets vremdts verschijn;
En deeze kleuren, die zy teikens zeit te zijn
Van haar gesteltenis des harten; deeze strikken
Te zenden, schijnen op mijn weedermin te mikken.
’t Kan niet als liefde zijn. Ja, zo ik ’t wel bespeur,
(525) Ontdekt zy my haar min; ’t is roodt, en paerelkleur;
Het roodt beteikent brandt.
                            Flip.
                                          Dat ’s net geraaden, Jonker;
Het is een helsche brant, die blaakt het best in ’t donker.
’k Beken, ’t is wonder van den drommel overleit.
                        Luidewijk.
Zwijg, zeg ik. Paerelkleur beteikent zuiverheidt.
(530) Z’is in een zuivre vlam, zo ’t schijnt, op my ontsteken.
Maar wat is dit? ’k verlang om haar te zien en spreeken!
’k Vind my bewoogen! zy moet schoon zijn; ja, ’k vertrouw,
Datze andersints haar min zo niet ontdekken zou;
Zy schijnt te gaauw. Ik wil haar daadlijk antwoordt schrijven,
(535) Zet hier de kaers.
                            Flip.
                                    Was ik als jy, ik liet het blijven.
[p. 31]
                        Luidewijk.
Zwijg, bloohart.
                            Flip.
                          Is ’er dan geen spook?
                        Luidewijk.
                                                              Dat ’s maar bedacht
Voor kleine kindren, dat geen man van wijsheidt acht.
                            Flip.
Geen biete baauwen, of kaboutermans?
                        Luidewijk.
                                                              Al loogen.
                            Flip.
Zou ’t dan geen kol zijn, die ons daadlijk is ontvlogen.
(540) Zy vliegen, zo men zeit, de schoorsteen uit, en in.
                        Luidewijk.
Al zots klap.
                            Flip.
                    Is het dan geen weerwolf, geen alvin,
Geen witvrouw, noch geen heks, noch poepenheinsman?
                        Luidewijk.
                                                                                      Grillen,
Inbeelding.
                            Flip.
                  Wel, mijn Heer, zie daar, ik laatme villen,
Indien ’t geen eunjer is, zo is ’t een Tovenaar.
                        Luidewijk.
(545) Hoe raast de gek. Zwijg stil, en rust uw harssens.
                            Flip.
                                                                              Maar
Geen onderaardsche schim?
                        Luidewijk.
                                            Verbijsterde gedachten.
                            Flip.
Geen nikker?
                        Luidewijk.
                    Dwaasheidt.
                            Flip.
                                        Ook geen geest van groote krachten?
                        Luidewijk.
Door looze harssenen verdicht.
[p. 32]
                            Flip.
                                                  Geen ziel in noodt?
                        Luidewijk.
Wat zotte vraagen! neen, die rust na ’s menschen doot.
(550) Maar onze tijd verloopt. Ik heb mijn brief geschreeven:
Daar leitze; zy belooft daar antwoordt op te geeven.
Doe nu de grendel van de buiten deur, en geef
Mijn kleedren, wel hoe staat gy dus versuft?
                            Flip.
                                                                    Ik beef,
Wanneer ik denk, dat jy jou lichaam zo durft waagen;
(555) Licht dat jou beenen jou niet van de plaats afdraagen.
Och, och! mijn Heer, ik zie, dat jy geen spooken kent,
’T schijnt in ’t begin wat zoet, maar ziet wel toe, in’t endt
Zuljy die vriendlijkheidt zo sellemens betaalen.
Ik vrees, het is de droes, die jou begeert te haalen;
(560) Of hy ontbiedt jou licht in’t donker, om, als my,
Wat af te rossen. ’t Is, hoe ’t is, die spookery
Heeft niet veel goedts in ’t zin; ey, laat jou raaden, Jonker.
Was ’t noch by daag; maar kijk, dat donker, o dat donker
Leit my zo zwaar op ’t hart!
                        Luidewijk.
                                            Zo zou ’t my ook licht doen,
(565) Indien ik Flip was; maar strik dit op elken schoen.
                            Flip.
Mijn Heer, ey doe jy ’t zelf.
                        Luidewijk.
                                            Wel Flip, wat zal dit weezen?
Jeukt u de huidt?
                            Flip.
                            Ik vrees....
                        Luidewijk.
                                            Wat valt hier veel te vreezen.
                            Flip.
Iets aan te raaken, van ’t geen jou het spook vereert,
[p. 33]
                        Luidewijk.
’k Zeg, bint het, bloode nar, en daadlijk, ik begeert ’t.
(570) Tast aan, hoe staje.
                            Flip.
                              Ey! Ey! is ’t lint?
                        Luidewijk.
                                                          Wat dan?
                            Flip.
                                                                          Weet ik het?
’t Komt uit de hel, mijn Heer.
                        Luidewijk.
                                              Daar, grijp aan, en strik het,
Gelijk ’t behoort.
                            Flip.
                            Zie, hoe de Droes een mensch verleydt.
Had hy jou gelt gekaapt, in plaats van mooyigheydt
Te geeven, had hy jou de ribben komen boenen,
(575) Gelijk als my, je waart licht al zo bang.
                        Luidewijk.
                                                              Mijn schoenen?
                            Flip.
Daar zijnze.
                        Luidewijk.
                    Voeght dit lint wat by mijn kleedt met kant?
                            Flip.
Ja duivelsch.
                        Luidewijk.
                  Schelm, ik zal... maar daar komt Ferdinand.



[p. 34]

ACHSTE TOONEEL.

Ferdinand, Luidewijk.

                        Ferdinand.
MYn Heer, verschoon my, zo ik eenigsins uw zaaken
Verlet door mijne komst. De tijdt begint te naaken,
(580) Om na de Juffer, en zo voort na ’t Bal te gaan,
Zo ’t u belieft, en gy gereedt zijt.
                        Luidewijk.
                                                    Ik ben aan
Uw heusheidt zeer verplicht, maar ’k vind my wat verleegen,
Om dat ik lichtlijk d’eer, door uwe gunst verkreegen,
Niet zal gebruiken, zo mijn beede u niet mishaagt.
                        Ferdinand.
(585) Verzoek niet, maar gebie; ’k staa toe, al wat gy vraagt.
                        Luidewijk.
Ik heb my zelven wat onpaslijk in ’t verkleeden
Bevonden, ’t schijnt, my rijdt een koortsje door de leeden;
’t Is wel niet groot, maar ’t heeft my echter wat ontstelt.
’t Is ’t ongemak, dat vaak den reizenden verzelt:
(590) Dies wilde ik gaarne my wat vroeg tot rust begeeven.
Mijn Heer; ik hoop, gy zult mijn beê niet weederstreeven;
Maar d’aangenaame moeyte opneemen, om alleen
De Juffer, die wy flus te dienen met ons tweên
Versproken hadden, op te passen. Mijn vertrekken
(595) Zou anders haar tot hoon, en my tot schande strekken.
                        Ferdinand.
Mijn Heer, ik zal het doen. Maar komtge niet op ’t Bal,
[p. 35]
Om ’t Haagsche Jufferschap te zien?
                        Luidewijk.
                                                          O ja, ik zal
Zo by u zijn; doch wil ten ellef uuren scheiden,
En daarom is ’t, dat ik geen Juffer wil geleiden;
(600) Maar lichtlijk zal men my niet binnen laaten.
                        Ferdinand.
                                                                      Wel,
Zo kom met ons, mijn Heer; Mejuffer Isabel
Is gantsch niet bellegziek: gy kunt met andre praaten,
Haar onderhouden, of oppassen, of verlaaten,
Zo ’t u zal lusten; kom, wanneer we in ’t huis zijn, zult
(605) Gy ’t maken, zo gy wilt.
                        Luidewijk.
                                        ’k Steek diep in uwe schuldt:
Maar, hebtge my in ’t zin noch naauwer te verbinden,
Onschuldig my by haar.
                        Ferdinand.
                                      Heer Luidwijk, wy zijn vrinden,
Mejuffer Isabel, en ik. Kom, gaanwe voort,
Gy zult in ’t minste niet misdoen; ’k geef uw mijn woordt.

                      Einde van ’t Tweede Bedryf.

Continue
[
p. 36]

DERDE BEDRYF.

EERSTE TOONEEL.

Jakoba, Katrijn, Sofia.
Door de bedekte deur inkomende.

                            Jakoba.
(610) MAar had hy u in plaats van ’t mantje vast gekreegen,
Hadt gy hem het geheim ontkent, en my verzweegen?
Of hem de heele zaak, gelijk zy leidt, verklaart?
                            Katrijn.
Mevrouw, dat weet ik niet; ’k was ongemeen vervaerdt,
En wist ter naauwer noot van schrik de deur te krygen;
(615) ’k Zou, vrees ik, door den angst niet hebben konnen zwijgen
                            Jakoba.
’t Is best, dat alles is naar onze wensch geluckt.
’k Geloof de Meester, en de knecht zijn, als verrukt
Gebleeven, en verwardt, in twijffel opgetoogen,
Wanneer zy zagen, dat hen ’t spook zo was ontvlogen.
                              Jakoba.
(620) Maar, Nicht, bezie toch eens wat antwoordt hy u geeft.
Daar is de brief, na dat ik merken kan, hy heeft,
Met weynig lettren, u zijn meening laaten weeten.
Hy zal, geloof ik; het oppassen niet vergeeten.
                            Jakoba.
Moey, geefze my.
                                    Zy leest.
        Onbekende Vriendin.
Uw gunst verplicht my te ver. Ik zal my van mijn woordt
    aan Ferdinand ontslaan, en op ’t Bal komen, alleen ver-
    gezelschapt met de teikenen van uwe weldaaden; ook zal
    ’t my aan moedt, noch wil ontbreeken, t’avondt ten elf
    uuren zonder licht in mijn kamer te zijn, om te ver-
    wachten, of my de verschyning zo wel uit zal vallen,
    als mijne hoop my belooft en voorzeit.

                                    U.E. verplichten Luidewijk.
[p. 37]
                                    Ik vind het antwoordt, als ik dacht.
(625) De vergenoeging, die my zijn beleeftheit tracht
Te geeven, en zijn wil tot mijne dienst geneegen,
Zijn prikkels, die mijn ziel met wondre vreugt beweegen,
’K erken my zeer aan zijn wilvaardigheên verplicht;
En haak met ongedult na Luidewijks gezicht.
(630) Hoe komt de tijdt noch om? voor dat het uur verscheenen
Zal weezen, zie ik mijn verlangen niet verdweenen.
Maar Moey, zal uw karos, en ’t geen daar toe behoort,
Ook vaerdig weezen op de tijdt, gelijk ons woordt
Gegeeven is; en voorts de knechts, en kamenieren
(635) Gereedt zijn, om den sleep en toestel te versieren.
’t Moet alles klaar zijn, eer het twalef uuren slaat,
Op d’aangeweezen plaats.
                              Jakoba.
                                        Ik bid u, Nichte, laat
My dat bevolen, ’k zal op alles naerstigh achten,
En zorge dragen, dat gy niet vergeefs zult wachten.
(640) Ik weet, hoe zeer uw oogh na dat gezicht verlangt,
En dat daar aan alleen u vergenoeging hangt;
Komt hem maar anders in die zaak geen moedt t’ontbreken,
Voor d’uitkomst na uw zin wil ik wel borge spreeken.
Slaat gy maar gade, dat uw kamer vaerdig zy.
                            Jakoba.
(645) ’t Is al bestelt, ik zal de rouwtapissery,
En al den toestel van de droefheidt doen verdwijnen,
En doen, op staande voet, in mijne zaal verschijnen,
Met kleine moeiten, een behaaghelijk gezicht,
En prachtig huisraadt; en uitsteekendt helder licht
(650) Op gladde blakeren, en zilv’re kandelaaren
Opsteeken; wil de rouw, waar meê de muuren waaren
Bekleedt, tot die tijdt toe, in eenen ogenblik
Zal needervallen, door ’t ontbinden van een strik;
Om, of mijn Broer, voor ’t Bal, my schielijk quam te spreeken,
(655) Dat hy niets merke van het geen, wy hier besteeken:
[p. 38]
Dat ook Heer Luidewijk, wanneer hy al die pracht,
En zwier van staat zal zien, zich des te minder acht
Weêrom in ’t eigen huis te weezen, noch vermoede
Dat iemandt van dit huis....
                              Sofia.
                                        Nicht, zijnwe op onze hoede:
(660) Ik hoor gerucht.
                            Jakoba.
                                  Ik ook: daar zijn zy weederom,
Vertrekken wy. Katrijn, kom volg.
                            Katrijn.
                                                      Mevrouw, ik kom.


TWEEDE TOONEEL.

Luidewijk, Flip.

                            Flip.
DUs in het donker, en geen licht: wat wil dit wezen?
Mijn Heer, ik bid u heb wat deernis met mijn vreezen;
Ik ben verzeekert, dat de Droes hier spookt, en waart.
                        Luidewijk.
(665) Houw moedt, gy hebt geen noodt, gy gek; wees niet vervaerdt.
Zo lang ik by u ben, hoeft gy geen quaat te schroomen.
                            Flip.
Hoe! zou de Nikker, of een van zijn dienaars komen,
Gelijk gezeidt is, Heer, en zou men zonder schrik
Hem hier verwachten. Neen, mijn Heer, doe jy dat: Ik
(670) Wil liever, van de nacht, my elders wat vermeyen
In d’een of d’ander kroeg, als hier zijn komst verbeyen.
Ik ken zijn nukken, want ik heb de smaak daar van.
                        Luidewijk.
Zwijg stil, en houw maar moedt; het is geen spook.
                            Flip.
                                                                              Wat dan?
                        Luidewijk.
Het is een Juffer, gek.
[p. 39]
                            Flip.
                                Het moght de Duivel weezen.
Is dat een Juffer?
                        Luidewijk.
                        Gy hebt immers hooren leezen,
(675) Wat zijme schrijft.
                            Flip.
                                    Als of de Droes niet schrijven kon.
                        Luidewijk.
Het zy dan spook, of niet; ’k wou, dat het maar begon.
                            Flip.
Dat wou ik niet.
                        Luidewijk.
                        De tijdt verdrietme.
                            Flip.
                                                    En my niet minder:
Vertrekken we daarom.
                        Luidewijk.
                                    Ik zeg u vrees geen hinder,
Zo lang ik by u ben.
                            Flip.
                              Mijn Heer.
                        Luidewijk.
                                              Wat wil de gek.
                            Flip.
(680) Wacht jy het spook alleen, en gun, dat ik vertrek.
                        Luidewijk.
Neen Flip, daar ik blijf, zult gy meede moeten blijven;
Daar is geen spook.
                            Flip.
                              Ik zie, je zultme al weêr bekijven,
Maar Heer, al praate* jy, als Brugman, zie, mijn schrik
Zal doch niet weggaan: jy bent jy; en ik ben ik.
(685) Jy looft geen spookery, noch ’t waaren van quaâ geesten;
Maar ik geloof ’er an, mijn Heer; zo doen de meesten.
[p. 40]
                        Luidewijk.
De meeste luy zijn gek.
                            Flip.
                                    Maar ’k heb het zelf gevoelt,
Hoe dat de nikker staag omtrent de vroome woelt.
Kijk, ons geloof verscheelt, om dat hy jou gestadigh
(690) Zo vriendelijk onthaalt, en my zo ongenadigh
Ofrossen komt, maar wil jy niet, dat ik vertrek,
Ey laatme dan de kaers gaan halen.
                        Luidewijk.
                                                      Houw de bek.
Het licht zouw u de schrik niet mindren, maar vermeêren,
En dat gy ’t minste ziet, zal u het minste deeren.


DERDE TOONEEL.

Jakoba, met een gesloten dievelantarentje, door de
bedekte deur, in ’t donker, Flip, Luidewijk.

                Flip, raakende Jakoba in ’t voorbygaan.
(695) OCh Heer! daar voel ik iets; waar kruip ik in een gat?
Au, au; daar word ik al by ’t linker been gevat.
Nou zal ik leevend voor den drommel moeten vaaren!
Waar benje, Heer?
                        Luidewijk.
                              Hou moedt: ik zal u wel bewaaren;
Kom hier: gy hebt geen noodt.
                            Flip.
                                                Och! broght de geest toch licht,
(700) Mijn Heer; zo kon men hem eens kijken in ’t gezicht.
Help, help! daar wort het licht! Dat ’s tovren! selleweeken!
Mijn Heer, de kaers wordt van den drommel aangesteeken.
                        Luidewijk.
Gek, ’t is een Juffer.
                            Flip.
                              Neen, ’t lijkt beeter na een moor.
[p. 41]
                        Luidewijk.
Het is haar masker, dat zy afdoet. Zwijg, en hoor.
                    Jakoba, haar masker afdoende.
Heer Luidewijk, ’k heb u tot tweemaal toe geschreeven,
En klare blijken van mijn dankbaarheidt gegeveen
Voor u beweezen dienst, die in mijn teer gemoedt
Een vonk van liefde heeft ontsteeken, en gevoedt,
Zo dra ’k vernam, dat u doorluchte ziel de waerde
Van uwe stam, en stal des lichaams eevennaarde.
Uw weederschrijven heeft my u bescheidenheidt,
En eedelmoedig hart volkomen uitgeleidt:
Dies heb ik my verstout om uit uw mondt te weeten,
Hoe gy mijn liefde, en zulk een stout bestaan zult heten.
                        Luidewijk.
Mevrou, zo klein een dienst verdient niet, dat men ze acht.
Want, schoon ons eer en plicht het vrouwelijk geslacht
In alle voorval te beschermen, niet gebooden,
Zo heusch, en billijk een verzoek zou ieder nooden,
Ja dwingen d’allerbloodste om haar ten dienst te staan.
’k Heb dan dat ieder zouw, alleen mijn plicht voldaan.
Maar ’k vond mijn hart geheel geneigt om u te lieven,
Toenge uw verheven geest afschilderde in uw brieven,
Vol konst en oordeel; en ik vind dat zelfde hart,
Nu, ’t oog uw schoonheidt ziet, hoe langs hoe meêr verwart;
Zo dat het, schoon ’t niet wilde, uw eygen wel moet blijven,
En naar de wetten haakt, die gy het voor zult schrijven.
                            Jakoba.
De vleyeryen, daar het Hof meê zwanger gaat,
Zijn lichtlijk d’oorzaak van een ongemeende praat:
Maar stel die aan een zy; beschouw my eens ter deegen,
En antwoordt my oprecht, gelijk ik u bejeegen.
Een Juffer, zo als ik van weezen, leest, en leên;
Van middelen, en stam, als d’uwe zijn, met een
Van goeden naame, zou u die het* hart wel raaken,
Indien ze in ’t zin hadde u haar bedtgenoot te maaken;
Wanneer ’t besluit alleen aan u verkiesing stont,
[p. 42]
En dat u maagschap sulks niet ongeraden vont.
                        Luidewijk.
Hy waar verdwaalt, die tot dat groot geluk kon steygren,
En d’aangeboden gunst moetwillig docht te weygren.
Mevrou, zo averechtsch staan my de zinnen niet;
Dat ik die groote schat my self ontglippen liet,
Als ikkse aanvaarden* mocht. Wat kan men meer bejagen,
Als sulk een schoonheidt steets zijn diensten op te dragen.
Maar het is ernst, zo neemt, tot teekken van mijn trou,
Dees rechterhant, en geef my d’ uwe weer Mevrou;
En wil mee u naam, en staat, maar vorder openbaren;
Mijn ziel verlangt’er na.
                            Jakoba.
                              Ik ga het u verklaren,
Uit deeze brief, die ik ga schrijven, zultge zien,
Met meer onstandigheidt, wat ik u wil gebien,
En gy verrechten moet, om tot het wit te raakken,
Daar ik op doel, en daar gy ook schynt te haaken.
                        Luidewijk.
Mevrou, ach! geefme doch mijn vonnis uit zo schoon
Een mondt.
                    Jakoba gaande schijven.
                    Ey steurt my niet.
                        Luidewijk.
                                    Ik volg dan u geboon.
                        Flip, uit een hoek.
Hem, hem, mijn Heer
                        Luidewijk.
                          Wat is’t?                             Flip.
Hoe speulje metje leven?
De Droes in Vrouweschijn, zo straks gehoor te geven?
Te trouwen, als hy wil? Och! Heer, zy stroopt je Vel
Licht over ’t hooft, en steekt jou levend in de Hel,
Of in een gadt, daar Zon noch Maan schynt. ’t Zal ’er honden,
[p. 43]
Zo jy je niet bekeert. Wat gruwelijke zonden
Heb jy begaan, Heer, dat de drommel jou zo quelt?
Mijn Heer, ey, beeterje, of geef Flip verlof, en geldt.
Want komt de droes om jou, hy moghtme meê licht haalen;
En schoon hy jou maar greep, wie zou mijn huur betaalen?
                        Luidewijk.
Hoe kan een Engel, zo volmaakt, een duivel zijn.
                            Flip.
Ik blijf’er by, het is de droes in menscheschijn.
Hy heeft je al binnen, ’k zie ’t, ik preek maar voor een dooven.
Och! wouje voor het lest jou knecht maar eens gelooven,
En doen zijn raadt, jy zoud wel haast wat anders zien!
                        Luidewijk.
Wat is die?
                            Flip.
                Licht haar rok eens op tot aan de kniên.
                        Luidewijk.
Gy onbeschoften fielt, ik zal u daadlijk groeten.
                            Flip.
Je zoud haast kennen aan haar ronde paerdevoeten,
Of aan haar lange staert, dat ik de waarheidt spreek.
                        Luidewijk.
Zwijg, zeg ik reekel, eer ik u de beenen breek.
                Jakoba, geschreeven hebbende.
Mijn Heer, ik heb mijn wil in deze brief geschreeven,
Gy kontze zien. Gelief terwijl eens last te geeven,
Dat my uw knecht de deur ontsluite, op dat ik ga.
                        Luidewijk.
Mevrouw!
                            Jakoba.
                Wat is ’t, dat gy begeert?
                        Luidewijk.
                                                        Zal ik zo dra
Verliezen al mijn vreugdt?
[p. 44]
Iac.                                 Die zal u niet begeven.
                        Luidewijk.
Ey blijf dan hier. Gy zijt de wellust van mijn leven.
’k Verlies al mijn geluk, zo’k uwe schoonheidt mis,
En taal noch teeken weet, waar die gebleven is
                            Jakoba.
Mijn brief beduit u klaar, waar gy se weer zult vinden.
                        Luidewijk.
Gun my dan eene beê, gy zult my seer verbinden.
Doe my de gunst, en segme u naam, eer gy vertrekt.
                            Jakoba.
’k Zie, die vrypostigheidt wordt door mijn gunst verwekt;
Maar matig die, mijn Heer, gy zult ’er niet me winnen.
                        Luidewijk.
Mevrou, ey, zo ik mis, vergeef het aan mijn minnen,
                            Jakoba.
Zo ik mijn naam niet seg, laat gy me dan niet gaan?
Luidewijk. Mevrouw, verschoon my; al mijn welvaart hangt’er aan.
Gy zoud het vrolijk doen, saagt gy den stant mijns harten.
                            Jakoba.
Wel aan, Heer; is het tot versachting van u smarten,
’k Zal ook in deeze saak volkomen u begeert
Vernoegen, nu ik mijn hart doch heb vereert.
Maar daar zijn wonderlijke, en groote omstandigheden
Aan valt; zo dat de saak vereyscht een lange reden.
Des wenschte ik wel, mijn Heer, om niet gesien te zijn,
Dat gy daar boven, voor die opening, het gordijn
Woud schuiven? want men zou ons lichtelijk verspieden.
                        Luidewijk.
Het zal geschien, en al wat gy me wilt gebieden.
Flip, klim daar by.
                            Flip.
                      Ey neen.
[p. 45]
                            Jakoba.
                                    Hy is te bloode, en dom,
Doet gy het liever selfs, en laat hem lichten.
                        Luidewijk.
                                                          Kom,
Tast aan de kaars.
                            Flip.
                        Daar gaan wy voor den drommel varen
Door ’t venster.                             Jakoba.
Heel om hoog.
                        Luidewijk.
                                                Ik Zie ’t, en zal ’t wel klaren.
Terwijl Luidewijk besig is met het gordijn te schuiven, en
Flip met ligten, snapt Jakoba door de bedekte deur uit de
kamer.


IV. TOONEEL.

Luidewyk. Flip.
Luidewijk van de stoel stappende.

MEvrouw, ik heb... wat ’s dit? Waar zytge? al weder weg?
Wat vremdheyd?
                            Flip.
                    Zieje ’t wel, liegt nou jou dienaar? Seg.
Is dat geen toovren, en beginje niet te vreesen?
                        Luidewijk.
Swijg stil, en ligt. Hoe mag zy uitgekomen weezen!
’t Is alles toe, en zy daar uit? z’ Ontstak het licht,
Zy sprak, zy schreef.
                            Flip.
                          En wip, vervliegtse uit ons gezicht,
Vlak deur de schoorsteen, zo als ik daadlijk in’t donker!
Nou is het by de kaars; geloofje nog niet Jonker?
                        Luidewijk.
Ik lag met toovery.
[p. 46]
                            Flip.
                              Och! och! mijn Heer, wat raad?
Daar dunktme, dat’er weer een by de tafel staat.
                        Luidewijk.
Ik Zie niets, als de stoel.
                            Flip.
                                  Mijn Heer, wie kan het weten,
Of d’eene drommel niet op d’ander heeft geseten?
Ey Heer, gaan wy van hier.
                        Luidewijk.
                                  My schiet geen moet te kort;
Maar ’t schijnt of my ’t verstant als vast gehouden wort,
Want ik kan dat geheym onmooglijk niet doorgronden.
                            Flip.
Ik wel, ik heb op dees kaken waar bevonden.
Die vrouw, die daadlijk in de Kamer is geweest,
Is wis een drommel; Ey, vertrouw geen quade geest.
                        Luidewijk.
Maar lesen wy haar brief.
                            Flip.
                                      Neem die niet in jou handen,
Of steekt die in de Kaars mijn Heer, en laatse branden,
                        Luidewijk.
Neen, neen, ik moet eens zien, wat zy van my verzoekt:
Breng hier de Brief.
                            Flip.
                      Ik die aanraken? ’s is vervloekt.
Kryg jy se.                         Luidewijk.
Schelm, ik zal u d’ooren strak versetten.

                                Hy leest.

                Heer Luidewijkk.
Indien gy verlangt my te kennen, en my uwe genegentheidt, ge-
lijk gy my die afschildert, te bevestigen, zo kom op de klokk-
slag van twaalf uren, alleen vergeselschapt met u Knegt, by
de Gevangen poort, ontrent het
[p. 47]
    halsrecht, anders het Groene
Zoodje, onder de Boomen; daar zult gy Koets en Paarden, Koet-
sier, Knechten en Juffren alle in’t Swart vinden. Laat u van
hen blinden, en leyen, waarse willen, zonder vrees voor hinder.
Het zal my doen gelooven, dat gy zo veel liefde, als moet en
beleeftheidt hebt. Legt het antwoorde weeder hier ter plaatse,
als voorheen, zo zult gy met ter tijt weten, wie ik ben.


                            Flip.
O grouwel zalj’er gaan, mijn Heer?
                        Luidewijk.
                                              Wat zou my letten?
                            Flip.
Op middernacht, alleen verselschapt met jou Knegt,
Te gaan, daar Meester Hans de Beul de Dieven recht;
En daar gaan sitten, in een Coets, met swarte Paarden?
                        Luidewijk.
Hoe? zou ik sulk een gunst nalaten aan te vaarden?
Ligt kreeg die noyt weer.
                            Flip.
                                Mijn Heer, denk om je lyf.
Gelijk als ik; en gaat’er niet.
                        Luidewijk.
                                    Neen, daar ik blijf,
Daar moetje ook blyven
                            Flip.
                              Och! hoe komje zo boosaardig.
                        Luidewijk.
Zo schoon een Duivel in is dat gevaar wel waardig.
Ik antwoort haar.                             Flip.
Eer jy dit opzet geeft,
Verzoekt jou trouwe Knecht ootmoedig en beleeft,
Dat hy jou daar van, deur een storie af mag schrikken.
                        Luidewijk.
Vertel, ik zal terwyl het noodige beschikken.
[p. 48]
                            Flip.
Mijn Overbestemoer, een vrouw van tachtig Jaar,
Die hapt een jongen, die de Vaar wiert van mijn Vaar;
Die Jongen quam zich met een Heer op reys te geven,
Na dat hy twaalf jaar de Varkens hadt gedreven;
En deeze Heer, daar me hy quam op reys te gaan;
Reyst Duitslant deur, en komt op’t lest in Sweden aan,
En, Jonker, zo als hy in Sweden aanquam, brande
Men daar veel Toovenaars, gelijk men daar te Lande
Gewent te doen is; en mijn Heer, zo als men daar
Veul Toovenaars verbrande, en dat mijn Bestevaar,
Gelijk als ik, aan spook geloofde, en dat zijn Jonker,
Gelijk als jy, de Droes uitrate, en in het donker
Dorst over’t Kerkhof gaan,* en roepen Hillebrant
Kom uit den grave, zonder lip of zonder tant;
Zo was hy op een tyt by veul Hoogduitsche Heeren,
Al vroom geloovig Volk, als ik, te bancquetten,
En zo zy waren aan het banquetteren, sprak
Men van veel tooveren, daar hy den Draak* me stak;
Zo datz’em achten voor een Ketter, en daar boven
Waart om te branden, die geen toovery gelooven:
Maar ’s middernachts, als nou, zo hy na huis zou gaan,
Zo ziet hy, zo als wy, een Juffer veur hem staan.
Hy, zo beleeft, als jy, vraagt, wiese dog mogt beyden?
Zy weer beleeft; een Heer, om my na huis te leyden.
Hy weer; belieft u, dat ik d’eer heb! Zy weer; Ja,
’k Zal d’ eer ontfangen. En ’t was niet, als voor en na,
Excuses moy, d’ eer zal aan my zijn, tot zy samen,
Al complementende, aan de Juffers wooning quamen.
’t Leek wel een Koninklijk Paleys, zo kostelijk was ’t.
Men heet hem wellekom, men noodt zijn Heer te gast,
Men schaft wel op, men eet, men drinkt, men raakt aan ’t praten
Van liefde, en hy, verlieft als jy, en uitgelaten
Van blijdschap (want zy was, gelijk dit spookk, heel mooy.)
Raakt met haar eyndlijk eens, en trekt by haar te kooi.
[p. 49]
Maar, toen hy zich met haar wou in het bet verwarmen.
Had hy een moorder, die op rap lag, in zijn armen.
De Juffer, en het huis verdween, en hy verstelt,
Vont met mijn Bestevaar zich fraay op’t Galgevelt.
Men kan wel denken, of zy schrikten: want mijn leden
Die trillen van ’t verhaal.Dies laat het spook met vreden,
Mijn Heer; ey, zoekt het niet, noch gaat het vinden: want
Het is niet, dat het lijkt, al leek ’t een Predikant;
Gelijk men dagelijks noch in Sweden liet geschieden,
Daar is de Drommel nou het ventje, en preekt de lieden
Te voren; ja hy houd’er Cattegissemis,
Zo andersints de Krant maar niet vol leugens is.
Daarom bedenkje, en laat.                         Luidewijk.
Ik heb de Brif geschreven.
Daar leg ik die. Kom gaanw’er heen. Fl. Verveeltje’t leven?
Jy hoort dat ysselijk verhaal, en durft ’er gaan?
                        Luidewijk.
Ik heb van al u klap geen enkel woord verstaan.
                            Flip.
Maar gaj’er in ernst?
                        Luidewijk.
                              Wel, zijnw’er niet ontboden,
En vriendelijk genoot?                             Flip.
Ik hou niet van sulk noden.
Ey, laat my hier, Heer. Maar in ’t donker? hier ter stee?
En dat alleenig! och! ik vrees..
                        Luidewijk.
                                        Neen, neen, ga mee.
                            Flip.
Ik durf niet Heer.
                        Luidewijk.
                        Gy moet: en maak my niet veel woorden.
                            Flip.
[p. 50]
Ik durf doch niet. Ey, ey.                         Luidewijk.
’k Zal u vermoorden,
Maakt gy veel spels.
                            Flip.
                          Neen, neen, ik blijfje liever by.
Mijn Grootvaar is ’t ontsnapt, licht raak ik ook wel vry.



V. TOONEEL.

Katrijn. Jakoba. Sofia.

Door de bedekte deur inkomende.

                            Katrijn.
ZY zijn al weg, Mevrou.
                    Jakoba tegen Sofia.
                                            Was ’t niet verwonders waardig.
Sofia. Ja Nicht daar in bleek u verstant, het was seer aardig.
En haast bedacht, hem zo t’ontsnappen.’k Prijs de vont.
                            Katrijn.
Ik sag door ’t gadt, dat hy heel opgetogen stont.
                              Jakoba.
Wat wonder? dus door Nicht, en flus door u bedrogen,
Hoe kan hy twijfflen, of een spook is hen ontvlogen?
                            Jakoba.
Flus scheen hy onvervaart, vol liefde, en heel beleeft;
Maar, welk een indruk hem dees nieuwe ontmoeting geeft,
Zal klaar te speuren zijn, als wy zijn antwoort lesen
Hier is de Brief.

                                Zy leest.

        Onbekende Schoonheidt.
Ik ben beschaamt, dat gy my noch moedt en beleeftheidt toeschrijft
gy, segge ik, die de proeven van mijne onbeleeftheidt zo even
al te blijdelijk ontdekt hebt, en verder geleden hadt, ten
waar gy u selven door onnaspeu-
[p. 51] relijke middelen daar van tot
tweemaal toe hadt weten te veyligen. De vrees voor de ver-
diende straf behoorde my billijk af te schrikken van ter aange-
weezener plaats te komen: maar, door dien’t nalaten den schan-
delijken schijn van blooheidt naslepen zoude, en dat mijn hert zich
selven niet betuigt gewist te hebben, als door d’ uitspoorigheidt
van mijne liefde, zo zal ik my ter bestemder ure en plaatse la-
ten vinden: te meer, om dat gy de liefde, als een prikkel uwer
noodiging, stelt; hoewel ik meer zal komen om vergiffenis van
mijn misslag, als op hoop van meerder gunsten te verwerven.

                                        Ik ben geheel d’uwe Luidewyk.
                              Jakoba.
                        Hy moet van Ed’len inborst weezen.
                            Jakoba.
Zoo moet hy, Moey, Ik heb mijn sinnen wel geleit,
En niet getwijffeld aan zijn Edelmoedigheidt;
Want zijn beleeftheidt....
                              Jakoba.
                            Nicht, laat ons geen tyt verspillen;
Maar maken ’t alles ree, zo wy dees kans niet willen
Vervliegen laten. Doe Katrijn naar onsent gaan,
Daar mijn Koetsier, Karos, en Paarden vaardig staan,
Om voort mijn Kamenier, en haar ter plaats te leyen,
Daar zy Heer Luidewyk, of hy haar zal verbeyen.
                            Jakoba, tegens Katrijn.
Ga, masker u, Katrijn, en laat voor al niet na,
Dat gy hen alle bey hunne oogen blint, zo dra
Zy u ontmoeten, en, als gy zyt opgeseten,
Zoo ry wat om, dat zy des te minder weten,
Hoe ver, en door wat weg zy ryden.
                            Katrijn.
                                                ’k Vat het wel.
                              Jakoba.
Kom, gaan wy ook, op dat men voort de rest bestel.

Continue
[
p. 52]

VIERDE BEDRYF.

I. TOONEEL.

Jakoba, Sofia, Antonette.

                            Jakoba.
JA Moey, het is hoog tyt; Katrijn moet daadlijk komen.
’t Is haast half een. De vrouw dient spoedig afgenomen.
Kom Antonette, klim op deeze stoel, en maak
De strik daar boven los, op dat men vaardig raak.
So, So. Maar Moey, hoe staat die hulsel? deeze kleeren?
                              Jakoba.
Gy schijnt een Koningin; wat hart kan zich verwerren
Voor de bevalligheidt? kost gy strax Luidewijk
Behagen, nu zal hy verwondert staan, gelijk
Als of hy een Godin sag in den hemel pronken.
De man is ons, zo gy niet schaars zijt met uw lonken.
Maar hoe past my dit kleet, en toestel, lieve Nicht?
                            Jakoba.
’t Verjonkt u heel en al, en geeft uw aangezicht
Een groote welstant; ja, ’k heb reden van te vreesen
Voor uw aanlokklijkheidt, en dat se licht zal weezen
Tot nadeel van de mijne.
Ant.                             En vreest men niet voor my?
Mevrouw, my dunkt ik ben wel ruim zo fraay, als jy.
Ik seg het met verlof, ik kan my niet verbyten.
                            Jakoba.
Gy zyt afgrijslijk schoon.
Ant.                                 Och mogt ik maar eens smyten
Mijn vriendelijke oogen op jou Vreyers knecht, ik wed,
Hy ging zo graag met myn, als een van jou te bed.
                            Jakoba.
Doet gy uw werk maar, gy verslijt de tijt met praten.
Ant. De rouw is immers af.                             Jakoba.
Set daar de silvre vaten,
Hang daar de blakers, daar de spiegels. Wat! gy zyt
So langsaam. Set de stoel hier, op het groot Tapyt,
Dicht aan de tafel. Zijn de konfituren vaardig?
Ant. Ja, al geschotelt. Maar, als ik bekyk, hoe aardig
Mijn sulken Juffrouws kleet aan’t lyf staat, wort ik mal.
’k wil wedden, dat de knecht op mijn verlieven zal.
Mevrouw, ey, zo je mijn dees kleederen wilt geven,
Ik zal jou keukemeyt voor niet zijn al mijn leven.
                              Jakoba.
Zy staan u schoon.
Ant.                         Hoe schoon? ey, legt ’t me doch eens uit.
                              Jakoba.
Gelijk een zyde vlag op een vullis-schuit,
                            Jakoba.
Maar, Antonette, ’k hoor Katrijn daar op de trappen.
Ant. Beliefje dat ik van de Rinsewijn zal tappen?
                            Jakoba.
Ja, breng’er naarsen van Kandijs by, rep u, dra,
En d’applen Sina mee Maar kom straks weder.
Ant.                                                                 ’k Ga


II. TOONEEL.

Jakoba, Sofia, Katrijn.

                            Jakoba.
HOe is’t met Luidewijk, Katryn? quam hy u vinden!
                            Katrijn.
Hy is in huis, Mevrou.
                            Jakoba.
                                  Liet hy zich willig blinden?
                            Katrijn.
O ja. Maar Flip had ons met zijn geraas verraan,
Had Jonker Luidewijk hem niet gedrygt te slaan.
                            Jakoba.
Waar zijnse?
                            Katrijn.
                Luidewijk is in de blaauwe kamer
In ’t donker Maar voor Flip dogt my, dat geen bequamer
Verblijf te vinden was, dan in de kleerkas; daar
Hy, opgesloten zijnde, een gruwelijk gebaar
Met schreeuwen aanregt, dat men anders ver zou hooren,
Had ik dit middel, om de luide galm te smooren,
Niet uitgevonden.                             Jakoba.
Is hy ook geblind geweest?
                            Katrijn.
Met groote moeite: want de gek was zo bevreest,
Dat wy zijn oogen, met gemak, niet blinden konden,
Tot wy zijn handen op zijn rug te samen bonden,
Maar toen vreef hy gestaag de neusdoek van ’t gezicht.
Doch ik bedocht een vond, die wel gelukte.
                              Jakoba.
                                                            Nicht,
Verpraat u tijt niet, noch laat Luidwijk langer beyen.
                            Jakoba.
    Katrijn, waar zijn de Knechts?
                            Katrijn.
                                              Zy doen hun lieveryen
Vast aan, en sieren zich, Mevrouw; zy zullen hier
Zo daadlijk zijn.                               Jakoba.
Daar zijnse, ik Zie mijn Kamenier,
Met bey mijn Knechts verkleed, en daar komt Antonette
Met confituren.
                            Jakoba.
                  Wel, terwijl ik yeder sette
Ter plaatse daar het best zal voegen, gy Katrijn,
Haal Luiwijk, en maak straks met hem hier te zijn.


III. TOONEEL.

Jakoba, Sofia, Antonette, Ida, Dirkk, Niklaas,
als Pagien.

                            Jakoba.
RAs Antonette, op dat het tydlijk vaardig worde.
Ant. ’t Is alles ree, Mevrouw.
                            Jakoba.
                                    Men stel zich dan in orde.
Ey Moey, zo ’t, u belieft beklee mijn linke zy.
Hier Ida.         Ida. Wat belieft, Mevrouw.
                            Jakoba.
                                                          Kom agter my.
Wanneer Katrijn komt, zal hy naast u staan.
                              Jakoba.
                                                            Waar zullen
Mijn jongens blijven?
[p. 56]
                            Jakoba.
                                  Dirk zal deeze plaats vervullen.
Waar zijtge?
                              Dirk.
                    Alhier, Mevrouw
                            Jakoba.
                                                  Blijft op dees plaats.
                              Dirk.
                                                                                Wel aan.
                            Jakoba.
Niklaas.
                              Niklaas.
            Mevrouw, wat is uw wil?
                            Jakoba.
                                                    Ga ginder staan.
Maar Antonette, schort ’er niets, is ’t alles reede?
                            Antonette.
Geheel, Mevrouw.
                            Jakoba.
                            Wel, zet u dan op deeze steede.
Daar komt Heer Luidewijk. Zijtge alle op uwe stel?
                              Sofia.
Ja, dat Katrijn hem slechts ontblinde, ’t is zo wel.


VIERDE TOONEEL.

Jakoba, op een verheeven stoel, omsingelt van
Sofia, Katrijn, Antonette, Ida, Dirk,
en Niklaas; Luidewijk.

                            Jakoba.
ONtblint hem.
                    Luidewijk, ontblint zijnde.
                            Wat is dit? Waar ben ik? Zien mijne oogen,
Het geen ik my verbeeld, of houtme een droom bedroogen?
[p. 56]
                            Jakoba.
Neen Luidewijk, gy waakt al’t gene gy hier ziet,
Is door mijn order en om uwent wil geschiet.
                        Luidewijk.
Zijt gy het self, Mevrou? mag ik mijn oog vertrouwen.
Hoe? heb ik het geluk u weder aan te schouwen?
En is uw hart tot my gelijk voor heen geneigt?
Of wort my na verdienste ook loon en straf gedreigt,
Van ’t geen mijn onbescheidt heeft tegens u misdreven;
Om dat ik u flus uw wil zo stout dorst wederstreven,
En, toen gy gaan woud, u op houden tegens reen?
Ik bid vergiffenis, Mevrouw; de liefde alleen
Was oorsaak van ’t vergrijp. Wie kan zo licht verlaten
Dat hy zo hevig mint? Zoud gy my daarom haten,
Gelijk een Vyand?
                            Jakoba.
                        Neen, ik houde u voor mijn vrient,
En gy hebt grooter straf ontfangen, als verdient.
Vergeef my, dat ik uwe oogen heb doen blinden,
En, op dat gy by daag dees plaats niet weer zout vinden,
U, als gevangen, heb gehouden.                         Luidewijk.
Welk een nagt
Is schoonder,* als die sulk een dageraad verwagt?
Mijn godlijkheidt, wie zou om die gevankenissen,
Zijn vryheidt, om die nacht den dag niet willen missen?
                            Jakoba.
Mijn Heer, u woorden doen my uwe* heusheidt zien:
En, al hoewel die wijs van spreeken d’Edellien
Gemeen is; ’k durf nochtans van u wat meerders hopen:
Maar of ik miste ik bid, set my u hart eens open.
En vley my nu niet weer, hebt gy my flus gevleyt.
Behaagt u ook deeze proef van mijn genegentheidt?
Keurt gy dees vryheit goet? en kuntge op u verkrijgen
Mijn min met wedermin in te loonen, of te zwijgen
Voor eeuwig, ’t geen u in dees nacht bejegent is.
                        Luidewijk.
Mevrou, indien mijn oog u mijn gesteltenis
Des herten niet, gelijk ik ’t wenschte, kon verklaren.
Mijn mont zal ’t ongeveynst, en vreugdig openbaren.
Die onverwachte dank van mijne kleyne dienst,
Die ik zo wonderlijk, en op het onversienst
In mijne Kamer vond, verrukte mijn gedachten,
En dwong my uwe geest en u verdiensten t’achten:
Ja, zonder u te zien, verbeelde ik my u schoont,
Maar nergens na zo groot, als gy my die vertoont:
Zo dat ik reets, door mijn nieusgierigheidt gedreven,
Geen middel vont de kracht der min te wedersterven,*
Toen ik die schoonheidt, zo volmaakt na mijne wens,
Beschoude toen ik u een Engel, en geen mensch
Te weezen dacht. Hoe kan ik laten u te minnen?
Ik heb mijne oogen, en’t gebruik van mijne zinnen;
Ja, ’k sweer, dat ik u steets beminnen zal, Mevrou,
Schoon ik u nimmer zien, of weder spreken zou.
Maar ach !wat baat my doch mijn liefde?ik vrees met reden
’t Onmydelijk begin van veel rampzaligheden:
Want uwe staat scheelt by de mijne veel te veel:
Gy, die Princes zyt of Gravin, in tegendeel
Ik maar een Edelman, wien ’t hopen is verboden
Naar sulke gunsten, daar gy hem toe schijnt te nooden,
Ik Zie gy acht het gunst, dat zich mijn hart verblijt
Met groote inbeeldingen, voor een geringe tyt,
En meent mijn kleine dienst heel rijkelijk te loonen:
Maar ’t is een averesch Loon. Kost zich mijn hart overtoonen
In mijne woorden, ’t zou u melden, welk een pijn
Het uitstaat, dat wy niet gelijk van staat en zijn.
’k zou dan zo veel gevaar van mijn verderf niet loopen,
En door volharden en gewenster uitkomst hoopen.
                            Jakoba.
Ik zou gelooven, dat gy, zonder veinsery,
De gront uws harten melde, en datge lichtelijk my
Niet heel onwaardig agt van u bemint te weezen,
Had ik geen reden van het tegendeel te vreesen,
My is van goeder hant versekkert, dat uw trou
Alree belooft was door u Vader aan een Vrou
Hier in den Hage, van seer Edelen geslagte,
Toen uw Vader noch van buitens Lants verwachte,
Op uwe herwaarts komst, eer u de Turk eens nam,
Of eer de tyding van u overlijden quam.
                        Luidewijk.
’k Beken, Mevrou, dat ik mijn Vader heb geschreven,
Hem volle vryigheit tot deeze keur te geven,
En dat mijn hand gereed om aan te vaarden stont
De Vrou, waar aan zijn wil en versorg my verbont,
Vertrouwende op zien keur, en liefde, die ik kende.
Maar ik bespeur (helaas) mijn misslag in het ende,
En, die zijn oordeel, acht ik die u verdwaalt en blint,
Die zonder toestaan van zijn oogen ’t hart verbint.
Iac. Maar seg; wat Vrou was ’t, die hy u had uitgelesen?
                        Luidewijk.
Mevrou, het is my niet bewust.
Iak.                                                 Hoe kan dat weezen,
Heer Luiwijk? kreegt gy dan nimmermeer de weet
Van uwen Vader, aan wien hy u had besteed?
                        Luidewijk.
Mevrouw, die brieven zoud ik tot Marseilje vinden,
Maar die zijn wederom gesonden door zijn vrinden,
Zo dra als zy de maar vernamen van mijn doodt.
’t Is waar, dat Vader my sint door een brief ontboot,
Dat zy gehuwt was, daar hy me wilde truowen;*
Maar haar geslacht, en naam heeft hy my nooit ontvouwen:
Ook schreef hy my, dat hy mijn komst verwagten zal,
Eer hy my wederom bestede.
Iac.                                             Mag ik ’t al
Gelooven?
                        Luidewijk.
        Ja, en dat ik steeds met ziel en zinnen,
Zo lang ik leve, alleen uw schoonheit zal beminnen.
Iac. Al was ik u gelijk van staat, of minder?                             Luidewijk.
Ja.
Sooge Edel zyt, waar aan ik gantsch geen twijffel sla.
Maar ’k vrees uw groote staat.
Iac.                                                 Durft gy me dat beloven,
Heer Luidewyk?                         Luidewijk.
O ja, en sweren daar-en-boven
Dat my de hemel noit...
Iac.                                 Swijg stil, en sweer niet; houw
U woort alleen; en ik beloof u weer mijn trouw:
Maar wijl wy samen voor het jaar niet trouwen kunnen,
Wil ik aan uwe keur de volle vryheid gunnen,
Of hy veranderde van sin, en of misschien
U Vader voorhad u een ander aan te bien.
                        Luidewijk.
Al kon mijn Vader my een Koningin verkiesen,
Hy zou veel eer zijn moeite, en ik ’t ontsag verliesen,
Dat ik hem schuldig ben, als mijn geheugenis
Uw gunsten en mijn hart, hoe seer ’t u eigen is.
Dies meldme slechts u naam, en staat.
Iacoba.                                         Dat kan niet weezen.
Luidewijk. Mevrouw gy vleit mijn hoop, maar meerdert ook mijn vreesen.
Ik Zie, ik Zie wel gy bereytme een lange pijn
voor weynig tijdsvermaak.
                            Jakoba.
                                    Ik ben niet, die ik schijn.
Maar weest geduldig, Heer; gy zult mijn naam haast wetê.
’t Is nog geen tijd.                         Luidewijk.
Mevrouw....
                            Jakoba.
                                            Gy zult u weer vergeten,
En maakt my moeyelijk niet u nieusgierigheidt.
Betoom die.                                 Luidewijk.
Ach!
                            Jakoba.
                                Een woort zy u genoeg geseit.
Maar segtme, waar hebt gy Heer Ferdinand gelaten?
                        Luidewijk.
Ik liet hem op’t Bal, in ’t midden van zijn praaten,
By Juffrou....
                    Flip, van binnen kloppende
                    Holla, hey? waar drommel ben ik hier?
Op, op; ik hoorje wel.                             Jakoba.
Wat wil al dat getier?
                            Katrijn.
’t Is Flip.                             Jakoba.
Men laat hem in.


V. TOONEEL.

Jakoba, Sofia, Luidewijk, Katrijn, Ida, Antonette, Dirk, Niklaas,
Flip,
met twee swarte pleisters voor d’oogen, ende han-
den op de rug gebonden.

                            Katrijn.
                        Hoe komt gy hier?
                            Flip.
                                                        Jy spoken,
’k Heb mijn gevankenis, mijn doodkist opgebroken.
                            Katrijn.
Hy meent de Kleerkas, die licht stukken zijn fel.
                            Flip.
                                                            Wel,
Hoe is ’t waar ben ik hier? Spreek op, is’t in de Hel,
Zo hoorde’t helsche vuur de touwen van mijn handen,
En deeze pleysters van mijn oogen weg te branden.
                            Jakoba.
Hoe ziet’er Flip zo uit? Ida. Mevrou, u kamenier
Had seer veel moeyte met de gek, zo datse schier
De moed liet vallen van hem zijn gezicht te blinden;
Tot datse, na dat zy hem dus had heeten binden,
Twee tantpijnpleysters van haar hooft nam, diese voor
Zijne oogen plakte. Jac. Wel, se quam ’er aardig door.
Maar geef ons hier terwyl de wyn, en confituren,
En maak hem los.
                            Katrijn.
                Ey neen, Mevrouw, ik kan niet duren:
’k Moet hem wat quellen voor de moeyte, die hy my,
Gegeven heeft,                             Jakoba.
Voldoe nw lust, het staat u vry.

                        Katrijn, tegen Flip.
Kom hier.
                            Flip.
        Waar brengje me? waar zal ik noch bevaren?
Ik sterf van schrik. Ay my! wie magme zo bewaren.
Van al die duivels, en al dat gepikte spook,
Die ’k dan eens Zie, en dan vervliegen, als de rook?
Katr. Wat schort u, Flip, dat u zo ongerust doet droomen,
En rasen in uw slaap?                             Flip.
Moet noch de nikker komen,
En gekken metme toe?                             Katrijn.
Wel legtge niet te bet!
En staan wy hier niet, om te hooren wat u let?
                            Flip.
Ik slapen? meenje lui me dat zo wijs te maken?
Katr. Wel, doet u oogen maar eens op, gy zult ontwaken.
                            Flip.
Had ik geen pleisters voor mijn oogen, akkremast.
                            Katrijn.
Wel trektz’er af.
                            Flip.
                        Ja hoe; mijn handen die zijn vast
Gebonden op mijn rug.                             Katrijn.
Hoe laat gy u vervoeren.
Door sotte inbeeldingen, die u het breyn beroeren,
Ik seg, doe d’oogen op.                             Flip.
Ik kan werentig niet.

Katrijn, hem met Antonette heen en weer schuddende.

Kom, schudden wy hem, dat hy wakker wort, en ziet.
                            Flip.
Help, help, mijn Heer! mijn Heer! waar mag mijn Heer toch weezen;
Och! was hy hier,’k zou noch een beetje minder vresen.
Maar lieve Geestjes, wat heb ik jou lui misdaan;
Ik dorst om jouwent wil noit in het donker gaan,
Ook heb ik noit, de droes die voerme weg, gesworen.
Uit vrees van jou lui, in jou besigheit, te storen.
                            Jakoba.
Ontbint den bloei, neemt hem de pleisters van ’t gesigt.
                            Katrijn.
Seer wel, Mevrouw.
                            Flip.
                            Och, och! nou vrees ik weer voor ’t ligt.
Maar hoe? is dit de Hel! ’t zou eer den Hemel lijken.
Akrement, wat is ’t hier mooy? wat is hier al te kijken!
O wat al Juffertjes, zo kostelijk, zo schoon,
Met wyn, en suiker op de tafel! ’t lijken Goon,
Godinnen, en... Maar hoe! ben jy ’t Heer, die de handen
Van d’ opperste Godin, daar kust. O duisent schanden!
Heeft ons een Engel, of een Drommel hier gebracht?
’k Ben bly, dat ik, uit die vermaledyde nacht,
Noch eens gekomen ben in ’t licht, daar ik jou vinde.
Ben jy ’t, en is dit niet het spook, dat jou beminde.
                        Luidewijk.
Ja Flip, wy zijn het, vrees nu voor geen spookken meer.
                            Flip.
Mijn vrees verdwynt by u, en by het ligt, mijn Heer
Maar jy lui, spookstertjes, die al mijn gelt gestoolen
En weg gevoert hebt, seg, waar hebje’t dog verscholen?
’t Was al mijn rijkdom, en een lang gespaarde schat,
Die ik in twee jaar tydts by een gestapelt had.
Ey, geestjes, geef het my weerom, ’t, kan jou niet baten,
Of jy dit hebt of niet ’t zijn immers geen dukaten.
                        Luidewijk.
Bedwing u lippen, en gebruik hier meer ontsag.
                            Flip.
Ja had ik ook een spook, die ik in de armen lag,
Die my wat troetelde, en geschenken sont met eenen,
Die my mijn gelt niet stal, noch bonsde, dat de beenen
Noch ram’len in mijn lijf, ik had licht beter moed
En zou geruster zijn; maar al mijn gelt quit, bloed?
                            Katrijn.
Flip, Flip, Zie my eens aan.
                            Flip.
                                        Wel nou, wat zal ’t dan weezen?
                            Katrijn.
Wat dunkt u van me?
Anton.                             Wat van myn?
                            Flip.
                                                    Och! och! mijn vreesen
Begint weer: och! waar zal ik heen?
Anton.                                             Wat benje sot?
Kies een van beiden tot jou vryster.                             Flip.
Ey, je spot
Met Flip.
                            Katrijn.
Neen, neen, in ernst wy zijn verlieft, en minnen
Uw deugden, en persoon, dies wilt vry met u sinnen
Te raat gaan, wiege van ons tween tot vrouw begeert.
                            Flip.
So jy van binnen, als van buiten waart, ik sweer ’t,
’k Namje alle bey wel. Maar dan kregense me binnen
Gelijk mijn Grootvaars Heer. Mejoff’ren duivelinnen,
’k Bedankje voor jou gunst: ’k heb noch geen trouwens lust.
Ant. Jy moet.
                            Flip.
            Ik wil niet.
Ant.                             ’k Laat u anders noyt in rust:
Maar’k zalje wederom doen van den duivel droomen.
                              Jakoba.
Och Nicht, my dunkt, ik hoor, daar yemant boven komen;
                            Jakoba.
Ik ook. Het nadert. (tegen Katrijn) Ga Heer Luidewijk en Flip.
Verbergen; haast u, of wy raken in de knip,
Mijn Heer, verschoonme, als gy mijn redenen zult horen,
Verseker ik me, dat gy u niet zult verstoren.
Luid. Mevrou, ik schik my gansch na uwe wil, en ga.
                            Flip.
Ik seker niet. Och! och!
                        Luidewijk.
                                Swijg, schelm.                             Flip.
Genâ! genâ!


VI. TOONEEL.

Ferdinand, Jakoba, Sofia, Ida, Antonette,
Dirkk, Niklaas.

                        Ferdinand.
WAt willen hier by nacht al deeze kostelijkheden,
Jakoba? Om wat reden gaat gy u dus verkleeden
En pronkt u Kamer met dit prachtig huis-cieraat?
Het roukleet van de want?                             Jakoba.
Eer dat gy verder gaat;
’t Geschiet alleen om my de geest wat te vermaken
                        Ferdinand.
Wat vreugde kunt gy doch in deeze sotheidt smaken?
Daar schuilt yets meer.
Iac.                                 Gy weet, hoe dat ik na uw sin
My, zonder liefde, heb gegeven aan de min.
Myns overleden mans, en geene vreugt genoten
In ’t huwlijk. Na de doot zijn oogen had geslooten,
Versleet ik tegens dank dees maant in eensaamheidt.
Doch, wyl de droefheit my niet diep in ’t harte leyt,
Wilde ik me, om d’ agterklap van vreemde te vermyden,
In ’t by zijn van mijn Moei Sofia, wat verblyden
En blijven binnens huis, wyl ’t buiten is verdacht.
                        Ferdinand.
waarom zo vremt een spul dus toegestelt by nacht,
En in mijn afzijn? dit kan quaat vermoeden geven.
                            Jakoba.
’k Had wel gedacht, dat gy mijn lust zout wedestreven
En daarom deed ik het, terwyl gy waar op ’t Bal
                        Ferdinand.
Val ik u dan zo straf?                               Jakoba.
So lang ik hier ben, zal
Daar niets geschieden, dat u wettig kan mishagen
                            Jakoba.
’k Heb reden om my van uw wantrou te beklagen.
Gy gaat na ’t Bal, en segt, hoewel gy anders dacht,
Dat gy niet t’huis zoud zijn, als lang na middernacht.
Nu komtge vroeger weer, alleen om te verspieden,
Wat in uw af zijn doch mocht onder ons geschieden.
’k Geloof, dat gy hierom ’t geselschap vroeg verliet.
                        Ferdinand.
Ik geef op uw bedrijf zo naauw een achting niet.
Gy ziet my by geval wat vroeger wederkomen.
De Juffer, die ik had te dienen aangenomen,
Wiert wat onpaslijk, en versocht, dat ik haar weer
Van ’t Bal geleiden zou, gelijk ik dee; en keer
Dier halven ook na huis; maar voort quam my ter ooren
Een rasen, dat ik niet gewent ben hier te hooren:
Dies quam ik om te zien, wat gy hier al verrecht.
Iac. Weest dan gerust, nu u de reden is gesegt.
’k Heb niets gedaan, daar ik my over hoef te te schamen.
                        Ferdinand.
Het zy daar mee, zo ’t wil ’t Gaat echter te betamen
Te boven, dat men hier, in plaats van rouw en klacht,
Dees kostelijkheit bestelt in ’t midden van de nacht.
Maar wijlt u niet gevalt na mijne raad te leven,
Zo leef na d’uwe. Ik ga my na de rust begeven.



VII. TOONEEL.

Jakoba, Sofia, Katrijn, Ida, Antonette, Dirk, Niclaas.

                            Katrijn.
MEvrou, u broeder had ons daar by na betrapt
’t Was goedt, dat Luidewijk het met my was ontsnapt.
Maar zal ik hem en Flip hier wederom doen komen?
Zy wachten in ’t vertrek hier naast.
                            Jakoba.
                                                    O neen,’k zou schroomen
Dat Ferdinand, zo ’t scheen, niet heel te vreen gestelt,
Mogt wederkeeren; dies Katrijn, ga heen, verselt
Hen in hun kamer, ga.*                             Katrijn.
Maar mag ik hem wel seggen,
Waar ik hem breng?                             Jakoba.
Nog niet; wy zullen overleggen,
Mijn Moey, en ik; wanneerwe in onse kamer zijn,
Hoe ’t voeglijk vallen zal; ontdekt hem niets, Katrijn.
                            Katrijn.
Maar Flip is seer benauwt, hy zal ligt weten willen,
Waar ik hem breng; hoe zal ik doch die Quibus stillen?
                            Jakoba.
Laat hem gedurig in d’ inbeelding, dat hy droomt.
                            Katrijn.
Maar zo zy raast?
                            Jakoba.
                            Zo bid Heer Luidewijk, dien hy schroomt.
Dat hy’t belette, en kom ons daadlijk weder vinden
By Moey Sofia.                               Jakoba.
Hoe zal ’t kluwen zich ontwinden?
                            Jakoba.
De tijt zal ’t leeren, Moey, daar aan ik alles zet,
En aan zijn Lief; gaanwe.
                            Tegen de Dienstboden.*
                                        En gy gaat ook na bed.
Continue

VYFDE BEDRYF.

I. TOONEEL.

Flip, Katrijn, Luidewijk. In ’t donker door de bedekte deur.

                                    Flip, schreeuwende.*
NEen, ’t is vergeefs, je zult die schrik niet uitme krijgen,
Och, brengme weer in ’t licht!
                            Katrijn.
                                Mijn Heer, ey, doet hem swijgen,
Hier niet ontdekt te zijn, is ons van groot belang.
                        Luidewijk.
Swyg Rekel, seg ik, of ik zal u... Fl. ’k Ben zo bang.
Maar, spookje, breng een Kaars, ’k zal swijgen.
                            Katrijn.
                                                                ’t Kan niet weezen.
                            Flip.
Ten minsten, spookje, laat me dan met vreden vresen.
                            Katrijn.
Wel vrees, ja kak vry in u bed; maar hou den bek.
                            Flip.
Hoe? in mijn bed? Je meent licht in mijn broekk.
                            Katrijn.
                                                                    Gy gek.
Gy slaapt, en droomt noch.
                            Flip.
                                    Ik nog slapen? nog al droomen?
Dat ’s kluchtig slapen; maar wanneer zal ik dan komen
t’ Ontwaken?                             Katrijn.
Morgen vroeg, als gy de minste schijn
Maar van den dag verneemt, zultge in u Kamer zijn.
Mijn Heer, ik bid, belet hem veel gerucht te maaken.
Ey, sorg doch, dat hy eens aan’t swijgen moge raken,
En gy verplicht geheel, gy weet wel.                         Luidewijk.
Zyt gerust,
Het zal geschieden. Maar, ey maakme doch bewust,
In welk een plaats wy zijn?
                            Katrijn.
                                    Ik durf my niet vermeten
Te seggen. Maar, mijn Heer, gy zult het morgen weten.
Doch waarge u ook bevint, weest niet nieusgierig, hoe
Gy daar gekomen zijt, want, Heer, ik seg ’t u toe,
Het heele kluwen zal sik dan van selfs ontwinden;
En gy u vol van vreugd, en vergenoeging, vinden,
Eer ’t morgen avont is. Maar ’t is pas over tween,
En ’t zal niet licht zijn voor ses uren, wiltge u Leen
Wat rusten, vat my by de hant, en volg.                         Luidewijk.
’k Belove,
Uw raad te doen, en ’k volg.
                            Katrijn.
                                    Mijn Heer, in deeze Alkove
Kuntge u op ’t Ledekant neer leggen. Ik ga weg.


II. TOONEEL.

Luidewijk. Flip.

WAar ben jy, Jonker, in een Kallekoven? Seg.
En Brandje al?
                        Luidewijk.
            ’k Leg hier op een bedde, om wat te rusten
In een Alkove, en geen Kalkoven.                             Flip.
Kanje lusten,
Te slapen in een plaats, daar jou de Drommel voert?
                        Luidewijk.
Swyg Flip; een bange droom hout u het breyn ontroert.
Slaap ook gerust, en stil.                             Flip.
Mijn Heer, hoe zou ik slapen?
’k Sta ommers over ent.
                        Luidewijk.
                                Hoe is het hier geschapen?
’k Seg swyg, en leg u, (zo gy over ent staat) neer.
Maar steur mijn slaap niet, nog maak my geen woorden meer.
                            Flip.
Ey, met verlof, nog maar een woort.
                        Luidewijk.
                                                    Wat wilt gy seggen?
                            Flip.
Geloofje, of sieje my nou in mijn bed neer leggen?
                        Luidewijk.
Ja, seg ik.
                            Flip.
                En heb ik mijn oogen toe?
                        Luidewijk.
                                                      Ja, ja,
Noch eens.                             Flip.
Ja wel, ik ben een schelm, zo ik ’t versta.
Ik vryf al, en ik trek de leden van mijn oogen,
Dat zy my puilen uit mijn kop.
                        Luidewijk.
                                        Gy zyt bedroogen,
Gy legt heel stil, en roert niet anders als u mont.
                            Flip.
Zo weet ik, waart me schort.
                        Luidewijk.
                                            Waar schort het?
                            Flip.
                                                                      Strax, terstont
Zal ’k ’t je seggen: ’t is my uit den hooft geschooten,
Hoe dat het heet. Het is..                         Luidewijk.
Wat is ’t?
                            Flip.
                                                        Een beest met pootten
Gelijk een Paart; het is de nacht, de nacht...
                        Luidewijk.
                                                        Wat nacht?
                            Flip.
Nachtmerrie, die me rijt. Hey, dat ’s gevonden!
                        Luidewijk.
                                                                    Sacht
Maak geen geraas, Flip; of gy krygt de huit vol slagen.
                            Flip.
Hoe droom ik niet?
                        Luidewijk.
                           Wat ja: moet gy me dat nog vragen?
                            Flip.
Wel hey. Zo droom ik ook, datme slaan wilt, Heer-
Daarom zo dreygtme vry; ik vrees geen dreygen meer.
’t Is al maar malle schrikk, inbeelding, viesevasen
Jou dreygen; want ik droom. Hey! hey!
                        Luidewijk.
                                                        Wat wil dit rasen.
                            Flip.
’k wil wakker weezen.
                        Luidewijk.
                                En ik seg u, Flip, swijg stil,
Of’k zal u anders...                             Flip.
Zal ik swijgen, of ik wil,
Of niet? dat ’s wonder.
                        Luidewijk.
                            Schelm, ik zal u de ooren vlooien,
’t En zy gy stil swijgt.
Flip.                               Wel, wat mag de Gek al gooyen.
Je woudt me licht verbien te droomen? dat is raar.
Wanneer ik waak, Heer, dan ben jy mijn meester maar,
Niet als ik droom, holla; ’t staat yder vry te droomen
Van alle dingen, die hem in gedachten komen;
Gelijk als nou mijn Heer. Mijn dunkt jy bent een Gek.
Een Ketter, en rondruit, een Vent, die, door gebrek.
Van Juffren, met de Droes, of met zijn Moer, wil trouwen.
                        Luidewijk.
Sta ’k op, gy Rekel, ’k zal u straks den bek doen houwen,
En swijgen want ik zal u in u droom zo slaan,
Dat gy ’t wel voelen zult, al is de droom gedaan.
                            Flip.
Neen, neen, dat dientme niet, dan wil ik liever waaken.
Nachtmerrie, ’k weet wel, dat men jou niet quit kan raken,
Ten zy men schreeut, ’k moet zien, of ik eens schreeuwen kan.
Luid. Begin dat, hebtge’t hart.
                            Flip.
                                    Alree, mijn lieve man,
Moord! brand! moord! brand!
                        Luidewijk.
                                      Swijg stil, of anders moogtge vresen.
                            Flip.
Nachtmerrie* van men lijf. Moord! brand!
                        Luidewijk.
                                                            Wat wil dit weezen?
Jan met een fakkel, en gevolgt van Ferdinand,
Dat ’s vreemt.



III. TOONEEL.

Ferdinand, Jan, Luidewijk, Flip.

Jan.         ’t IS hier, mijn Heer.
Ferd                                         Wie schreeut zo moort en brant?
Hoe Heer, heb ik u niet heel vroeg van ’t Bal zien keeren?
En vind ik u nog op, en beyde in uwe kleeren?
’k Meende u onpasselijk, en lang na bedt te zijn.
Hoe schreeuwt Flip zo?
                            Flip.
                                Ben jy de droes in mensche schijn?
Of Jonker Ferdinand, hoe drommel is het? droom ik,
Of waak ik?
                        Luidewijk.
                Schelm, ik zal u moeten leeren, koom ik
U op het lijf. Mijn Heer, mijn knecht is met het hooft
Gequelt. Hy revelt staag van spooken, en gelooft
Nu tegenwoordig vast te slapen: dat’s de reden,
Dat ik my deeze nacht niet wilde doen ontkleeden:
Om dat hy me elke reys toch wakker maken zou,
Al was het, dat ik my tot slapen geven wou.
Dewijl ik vreesde, dat hy sulk een keel opsteken,
En ’t huis in rep en roer zou brengen.                             Flip.
Selleweken!
Wat stootje al uit jou hooft. mijn Heer? beelde ik mijn in
Te slapen, zo ben jy ’t, die ’t my eerst in de sin
Gebrogt hebt. Maar ’k begin ’t nu seker te gelooven.
O ja, ’t gaat vast, hoe kom ik anders hier, ’t is boven
Al mijn verstant. Het lijkt de selfde Kamer wel,
Daar ons tot drie, viermaal, de drommel uit de hel
Besocht heeft, Zijnw’er deur de schoorsteen ingevlogen?
[p. 76]
                        Ferdinand.
Hebt gy de drommel hier gezien?
                            Flip.
                                                Ja, voor mijn oogen.
                        Ferdinand.
Hoe sag hy ’er dan uit? wat kleed’ren had hy aan?
                            Flip.
Dan dus, dan zo; de Droes speelt den gebraden haan.
Dan draagt hy eens een muts, mijn Heer; de Droes heeft quinten;
Dan eens een hooge hoet met kakelbonte linten.
Een roode broek...
                        Luidewijk.
                      Swyg, swyg, gy Nar.

                            Flip.
                                                    Een grauwe rok,
En blaauwe hoosen.                         Luidewijk.
Zult gy swijgen, galgenbrok,
                            Flip.
Hy had een roode baart....
                        Luidewijk.
                                    Schelm, zultge na mijn hooren?
                        Ferdinand.
Ik bidu, laat hem voort vertellen zonder stooren.
Ik heb’er lust in Laat hem spreken, laat hem doen.
                            Flip.
Dan is hy eens gelijk een swarte kallekoen,
Maar sestigmaal zo groot, met blaauwe, en groene veeren;
Dan is hy weer gelijk een Juffrouw; in de kleeren
Te weten, maar niet naakt, gelijk mijn Jonker weet,
Die wel twee uuren met de drommel heeft besteed
In scheremonien en complementen maaken
                        Luidewijk.
Al lang genoeg, wilt gy u malle klap niet staken;
Ik sweer u, schelm... Mijn Heer, ’t is lang na middernacht
[p. 77]
Indien gy na het ent van zijn vertelling wagt,
De gek zal ons, gelijk twee gekken, doen staan gapen,
En maken, dat wy van den heelen nacht niet slapen.
’t Zijn toch maar bueslen, die men ons tot Rijswijk las,
Die leggen hem in ’t hooft, als of het waarheit was;
Die malle tyding die uit Zweden is gekomen.
Mijn Heer, gy hebt het ook licht in den Haag vernomen?
                        Ferdinand.
O ja, mijn Heer, ’k heb van dat bygeloof gehoort.
’k Beken, ’t is malligheidt. Dog Flip vaar gy maar voort.
Ey steur hem niet; ik schep een ongemeen gevallen
In al zijn grollen, Heer.*                         Luidewijk.
En my verveelt dat mallen,
                        Ferdinand.
Ey Heer, ik bid versteur hem niet om mijnent wil.
Nu, Flip, ga voort, waar was die drommel? swijgje stil?
Hoe quaamtg’er by, of hy by u?                             Flip.
Ik zaltje seggen;
Hoor toe: Mijn Heer vont flus een brief op tafel leggen,
Die van den drommel quam, en diese self ook brocht,
Ja die ons self daar na lichamelijk besocht
In menschelijke schijn, dag vaardende mijn Jonker
Een hoopen duivels te gaan vinden in het donker.
’k Moest mee, al wilde ik niet: want anders had ik klop
Gekregen van mijn Heer.                         Luidewijk.
Hy stoot wat uit zijn kop
En heeft het slechs gedroomt.                         Ferdinand.
Mijn Heer, ’k geloof’t geheelijk.
Maar, Flip, ga voort.
                            Flip.
                    ’k Beken, de droes was toen niet leelijk.
[p. 78]
’t Leek toen een Juffrou, ’t Zal misschien een Konkelbijn,
Van Monsjeu Loeyta, of van dat Karnaalje zijn.
Altijt se voerde ons door de lugt, ’k zou niet wel weten,
Waar’t was, op Blokula, of hoe de Plaats mogt heten.
Hoe ’t is mijn Heer, en ik zijn leelijk deeze nacht
Met hem gescheept geweest, tot hy ons end’lijk bragt
In ’t midden van een zaal, provol van kostelijkheden;
Na dat wy hadden wel tien duisent mijl gereden
In een pik swarte Koets, gement van een Koetsier,
Zwart, als de schoorsteen, en met oogen als helsch vier;
Met acht paar Paarden, en wel elf dozijn Lakkeyen,
Al swarte Nikkers, en met swarte lieveryen.
Die selfde Juffer, maar veel prachtiger gekleet,
Gevolgt van Heeren, en een sleep Staatjuffers, heet
Ons feestelijk welkom, schaft ons wijn, en konfituren,
En app’len Sina.
                        Luidewijk.
                    Schelm, hoe lang zal dit noch duuren?
                        Ferdinand.
Hier schuilt yets? Flip wanneer quamt gy dan hier in huis?
                            Flip.
So daadlijk eerst, mijn Heer. Daar quam een groot gedruis,
En met een dwarrel wint zijnwe uit die zaal gevlogen
In de Kamer, die als d’onse is; zo mijn oogen
Geen koussen zijn, of ik bedrogen door de schijn.
                        Ferdinand.
Nu merk ik ’t Luidewijk, is dat recht Edel zijn?
Heb ik verdient, dat gy my sulke treeken spelen,
En door zo bitt’ren hoon d’eer van ons huis zoud steelen?
                        Luidewijk.
Mijn* Heer, waar heb ik u beledigt of gehoont?
Ferd Dat vraagt gy? heeft het Flip niet klaar genoeg getoont?
En naakt genoeg ontdekt? hier valt niet meer te veynsen.
                        Luidewijk.
[p. 79]
Wat hy u ook ontdekke, ik kan in ’t minst niet peynsen,
In welken deele uw eer door my te kort geschiedt.
                        Ferdinand.
Waar hebt gy dan gewest? by wie?
                        Luidewijk.
                                                    Dat weet ik niet.
                        Ferdinand.
Hoe komt gy uit de zaal, daar u de Juffer toefde
Weer in u Kamer?
                        Luidewijk.
                    ’k Weet het niet.
                        Ferdinand.
                                            Neen, neen, gy hoefde
d’Onnoosle Flip, door schijn van spook en sotterny,
Om d’onuitwisbre smet van uw verradery
Zo schelms te dekken, dus niet om den tuin te leyen.
Ik zou het self... Maar sacht, wy zullen zo niet scheyen.
                        Luidewijk.
Mijn Heer, hy stak zich self die zotterny in ’t hooft.
                        Ferdinand.
Wel aan, dewijl gy ’t zo wilt dryven, ik geloof’t.
Het zy, zo ’t wil. Geef my eens antwoort op mijn vragen
Kent gy de Juffer niet?
                        Luidewijk.
                            Neen, Heer, van al mijn dagen
Heb ik haar niet gesien, dan deeze nacht alleen.
                        Ferdinand.
Zo weet gy dan haar naam, noch staat, noch stamme?
                        Luidewijk.
                                                                            Neen.
                        Ferdinand.
Gy weet het niet?
                        Luidewijk.
                        O neen, geloof my by mijn woorden?
[p. 80]
                        Ferdinand.
Waart gy ’er daadlijk noch niet by?
                        Luidewijk.
                                                      O ja.
                        Ferdinand.
                                                              Verstoorden
Wy uwe vreugdt niet, en u onderling onthaal?
                        Luidewijk.
Dat is my onbekendt.
                        Ferdinand.
                                  Gy komt uit haare zaal.
Bedekt in d’uwe, en hoe, dat weet gy niet te zeggen?
’t Schijnt echter, dat zy niet ver van elkander leggen.
                        Luidewijk.
Het schijnt zo, maar voor my is ’t een geheimenis.
                        Ferdinand.
’k Moet u dan d’oopning doen. De Eedeljuffer is
Mijn zuster, en de zaal zo kostelijk, en heerlijk,
Haar kamer, hier in huis
                        Luidewijk.
                                      Uw zuster, Heer?
                        Ferdinand.
                                                                  Is ’t eerlijk
En aadlijk, op die wijs te hoonen zijnen vriendt?
En heb ik dit aan u door mijn onthaal verdient?
Zult gy my, die u niet, dan vriendschap, tracht te toonen
Uit grondt mijns harten, met zo schampren smaadt beloonen?
En quam ik u mijn huis zo minlijk aan te biên,
Om dat den eersten nacht van u onteert te zien?
Geveinsde vriendt, ik heb u t’onrecht dus versleeten.
Dees hoon doet my mijn schuldt, en al uw dienst vergeeten,
Ik ken u voor geen vriendt. Sa, trek van leer: mijn handt
Zal wasschen in u bloet deeze aangewreeven schandt.
                        Luidewijk.
Mijn Heer...
[p. 81]
                        Ferdinand.
                  Ik geloof mijn oog.
                        Luidewijk.
                                                Wilt alles overwegen.
                        Ferdinand.
Dat heb ik al gedaan.
                        Luidewijk.
                                ’k Zal toonen...
                        Ferdinand.
                                                        Toon u deegen,
Indien gy meerder moedt heb, als oprechtigheidt,
                        Luidewijk.
Wel aan, wijl gy my dwingt, ik ben daar toe bereidt.
’k Zal mijn oprechtigheidt door mijne moedt doen blijken.
                            Flip.
Help! help! sta by! sta by! komt niemandt na ons kijken?


VIERDE TOONEEL.

Ferdinand. Luidewijk. Flip. Jan; Jakoba
en Katrijn,
door de bedekte deur.

                            Jakoba.
EY Broêr, ey Luidewijk! quetst doch malkander niet.
’k Heb uw verschil gehoort, en al ’t krakkeel verspiedt.
Noch eens Broêr, zijt gerust, en laat dit vechten steeken.
U is geen schand geschiedt, gy hebt geen hoon te wreeken:
Want Luidewijk is heel onschuldigh in de zaak.
’T is mijn bedryf alleen; neem dan op my de wraak,
Indien gy in u huis iets schandlijks vindt bedreeven,
Dat aan mijn naam en eer de minste vlek kan geeven.
Ik ben ’t, die Luidewijk, toen hy ’er ’t minst om dacht,
Door brieven heb verplicht, wat vroeger in de nacht,
[p. 82]
Van ’t Bal te scheiden, en zich herwaarts aan te spoeden.
Ik ben ’t, die, schoon hy zulks van my niet kon vermoeden,
Hem in zijn kamer zelf, door deeze deur, bezocht.
Ik ben ’t, die hem geblindt door ommeweegen broght
In mijne kamer, die gy kostlijk zaagt behangen,
Alleen om Luidewijk na zijn verdienst t’ontfangen;
Hoewel de plaats, en ik, hem waren onbekendt.
                        Ferdinand.
Het is dan meêr, als reên, dat zich mijn gramschap wendt
Van hem op u, die dus gingt buiten het betaamen.
Daar ’s niet gedaan, daar gy u over hebt te schaamen,
Gelijk gy noch terstondt my woud gelooven doen?
Het ging uwe eer te na, toen ik het dorst vermoên;
En ’t quetst uwe eer niet, nu gy, door verkeerde gangen,
Durft in uw kamer ’s nachts een Eedelman ontfangen?
Betreurtge op deeze wijs uw dooden Bedtgenoot,
Die noch zo kortelings gerukt is uit u schoot?
                            Jakoba.
Het geen men niet bemint, is haast en licht vergeeten.
’k Heb al den tijt met hem in ongeneugdt versleeten;
En daarom is ’t niet vreemdt, dat my zijn doodt niet smart,
                        Ferdinand.
Wel, gaat het sterven van een man u niet aan ’t hart?
Zo moest ten minsten d’eer zo veel op uw vermoogen,
Dat gy in deezen staat, wat meerder ingetoogen
Zoud leeven. Maar ik zal nu met mijn eigen handt
Op u verhaalen die onlijdelijke schand.
                        Luidewijk.
Heer Ferdinand, hou stil, en eer gy zoekt te wreeken
De hoon, die gy vermoedt, ik bid, hoor my eens spreeken.
Geloofme u Zuster heeft in ’t minste niets bestaan,
Waar meê zy d’eerbaarheidt te buiten heeft gegaan:
Dierhalven laat dit vuur van toorne wat verdooven.
[p. 83]
                            Jakoba.
Wilt gy Heer Luidewijk, en my noch niet gelooven;
Geloof dan onze Moey, die al den handel weet.
Katrijn, ga, haal haar straks, eêr dat zy zich ontkleedt.
Maar daar komtze aan. Zy zal u al het werk verklaaren.



VYFDE TOONEEL.

Ferdinand, Luidewijk, Sofia, Jakoba, Flip, Jan,
Katrijn, Ida, Antonette, Niklaas, Dirk.

                            Jakoba.
EY Moey, doe doch de toorn mijns Broeders eens bedaaren.
Hy dreigtme, en meent, dat ik d’eer van ons huis bevlekt,
En my in mijne plicht vergeeten heb; ontdekt
Mijne onschuldt eens; en zeg, hoe ’t alles is geleegen.
                              Jakoba.
Mijn Neef, uw Zuster heeft in ’t allerminst niet teegen
De welbetamelijkheidt gedaan, noch haare plicht
Vergeeten; ’k weet de grondt van alles. Had mijn Nicht
Iets teegens de eer bestaan, ik had het niet geleeden.
Een zuivre liefde dee’t haar doen; dies weest te vreden.
                        Ferdinand.
Eene onbeschaamdheidt, Moey, die al de weereldt doemt,
En lastert, hoor ik, dat gy zuivre liefde noemt.
                            Jakoba.
Ik weet niet, hoe gy my dus durft verongelijken,
Heb ik u mijn ontzagh niet menigmaal doen blijken,
Schoon ik ’t niet schuldig was, in weerwil van mijn hart?
En heb ik niet (maar ach! gy weet, met welk een smart)
Mijn overleden man op uwe raadt genomen,
Alleen om u wat meer te doen in aanzien komen.
Acht gy dat reeden, om te twijfflen aan mijn deughdt,
Omdat ik eens voogdes wil weezen van mijn jeugdt?
[p. 84]
Heb ik u raadt voorheen niet steeds gevolgt; daar boven.
Heb ik niet toegestaan, dat gy me zout verlooven
Aan een, die’k nimmer sag, dan in zijn schildery?
Maar endlijk, al wat ik gedaan hebt, stont my vry,
Ja, gy zijt oorsaak van de gunst, die ’k heb beweezen
Aan Luidewyk.                         Ferdinand.
Ik?
                            Jakoba.
                                    Gy hebt my aangepresen,
Hoe deugdelijk hy was, hoe Aadlijk, en hoe schoon,
En self mijn rechterhant zijn Vader aangeboon.
Al dit heeft in mijn borst een vonk van liefde ontsteken,
En gy kunt mijn bestaan met recht niet tegenspreeken:
Als oorsaak van mijn min hebt gy alleen de schult.
                        Luidewijk.
Mevrouw, ey segtme, en help my uit mijn ongedult;
Ben ik het self, aan wie gy waart belooft te trouwen?
                            Jakoba.
Gy self, mijn Heer.
                        Luidewijk.
                          Ik bid belieft u woort te houwen.
Gelijk ik ’t mijne doe; En gy, Heer Ferdinand.
Maak my in plaats van vrint door deezen Huwelijksbant
Tot Broeder.
                        Ferdinand.
              Dit verbont zou ons geslagt, vereeren:
Maar’t twyffel Luidewyk, of gy in dit begeeren
U wel beraden hebt, en vrees voor ’t na berouw,
Dat u verhaaste keur, licht haastig volgen zou.
Jakoba heeft zich zo behoorlijk niet gedragen,
Gelijk’t betaamde, om dit geluk van u behagen
Verdient te hebben, en hoewel zy aan haar eer
Geen nadeel heeft gedaan, dees vryheit ging te veer.
Ja ’k ben beschaamt. Het voegt wellevende Edellieden.
Als ons, alle opspraak, ja haar schaduw self te vlieden.
[p. 85]
                              Jakoba.
Gy neemt het punt van eer te hoog, Neef. Luidewijk
Ziet beter in de saak, als gy, en heeft gelijk.
’t Raakt my behalven dat: al wat’er is bedreeven,
Daar moet men my, niet haar, de heele schult van geeven.
Maar Luidewijk volhart gy noch by u besluit,
En gy Nicht?                         Luidewijk.
Schoonheit, geef dog antwoort.
Iac.                                                                     ’t Is ’er uit,
’k Heb niet geveynst; vint ik mijn hart tot u genegen.
                        Luidewijk.
Ach Ferdinand! en gy?
                        Ferdinand.
                                Ik heb ’er gansch niet tegen.
Ja ’k ben geheel verblijdt, dewijl gy ’t zo begeert,
Dat op het onversienst mijn vrees in vreugt verkeert.
Verschoon my, Heer, dat ik, van Ed’len toorne ontsteeken,
Deeze ingebeelde hoon begeerde op u te wreken:
En gy, Mevrouw, die ’t werk zo ver door uw beleyt
Gebracht heb, steur u niet aan mijn oploopentheit.
Luid. Hoe zal ik u mijn dank, en uw mijn liefde toonen?
Iac. Dat hebt gy klaar gedaan: dies denk ik slechts aan ’t loonen.
Maar Heer, dewijl ik, om het sterven van mijn man,
U zonder opspraak voor een jaar niet trouwen kan,
Zo vreese ik, of gy my zo waardig wel zult achten,
Om na de bruiloftsdag een heel jaar tijds te wachten.
                        Luidewijk.
’k Zal, om dat groot besit, Mevrouw, hoewel ’t my sinart,
Een jaar vertoevens licht verkrijgen van mijn hart.
                      [p. 86]
      Flip.
Mijn Heer, ey hoor eens.
                        Luidewijk.
                                    Swyg, hoe is het hier gelegen?
Gy steurt ons.
                            Flip.
                Heb ik noch niet lang genoeg geswegen?
                        Luidewijk.
Ik seg u, swyg, tot gy gevraagt wort
Iac.                                                         Ey, mijn Heer,
Laat hem begaan. Wat wilt gy seggen, Flip?
                            Flip.
                                                            Wanneer
Zal ons het droomen van die spokery verlaten?
Iac. Gy droomt niet, Flip; maar waakt, als wy
                            Flip.
                                                            Wat meugje praten?
Ik waken?
Iac.     Ja, gy waakt. Flip. Maar seker, heb ik niet
Al deezen horlement gedroomt, die hier geschiet.
                        Luidewijk.
Neen, seit men u; noch eens
                            Flip.
                                        Dan moet het toov’ren weezen.
Gaat vast, och! was ik hier van daan! mijn Heer, het vreesen
Begint weer.
                        Luidewijk.
            Wie heeft oyt een dommer siel beleeft?
Iac. ’t Is nodig, dat men hem wat meerder klaarheidt geeft.
[p. 87]
Een starke inbeelding kan zo haastig niet verdwijnen.
                        Luidewijk.
Saagt gy die Juffer hier dadelijk verschijnen?
                            Flip.
Ja doch.                         Luidewijk.
Hoe quamz’er?                             Flip.
Van agter het Tapyt,
Door dees bedekte deur.                         Luidewijk.
En hebt gy al den tijt
Niet sedert aangehoort, hoe ’t voorts is afgeloopen?
                            Flip.
O ja; maar ’k meende, dat ik droomde. Mag ik hoopen,
Dat alles waarheit, en noch droom, noch toov’ren is.
                        Luidewijk.
Ja ’t is zo.                             Flip.
Wel, Heer, al het toov’ren zal dan wis
Niet anders als bedrog, en logens, schelmse vonden,
En sotte inbeelding zijn, voor die het wel deurgronden.
Ellendig Zweden! arm Hoogduitslant! ik beklaag
Jou Burgers in mijn hart, die sulken snooden plaag
Bent door de domheit van jou Rechters onderworpen;
En zien moet dat men jou verbrandt by heele dorpen
Veur Toovenaars. En jy, die sulken vonnis velt,
Verblinde bokken, of verblinders, om het gelt,
En goet van d’ arme lui, als Wolven, in te slokken,
Die ik niet wou looven, datmen daarom ’t volk verbrant,
Denkt vry, dat Heintjeman na jou ook watertant,
Om onder jou lui port weer wakker vuur te stooken.
                        Luidewijk.
Hou op al lang genoeg van tooveren, en spooken
[p. 88]
Geraast: ik vindme wel by deeze toovery.
                            Flip.
Dat denk ik wel: jy wint, maar ik verlies ’er by.
Want ziet, mijn Heer, jy hebt een mooye Vrou gekregen,
Ik stroo in plaats van gelt.                             Jakoba.
Hoor maakt u dat verlegen;
Daar is ’t, en zo gy wilt, Katrijn daar by. Vat aan,
Ik geefze u Flip.                             Flip.
Wel, ’t zouw komediagtig staan,
Sulk trouwen op het ent, dan most we allegader,
Niklaas met Antonette, Sofia met de Vader
Van Jonker Luidewijk, Dirk met Yda, Ferdinand
Met Juffer Isabel te samen trouwen. Want,
Al zou het al de lui die komen zien, verdrieten,
Zo mag ’er niemant in een spel niet overschieten
Of moet hylikken* op ’t lest.                             Katrijn.
Wel wilje niet?
’k Neem Jan dan.                             Flip.
Scuses moy, Madame; my geschiet
Te grooter eer.                               Jakoba.
Kom elk na bed. ’t is tijt van scheyen,
Het is by tween.                         Luidewijk.
Ik zal u in uw Kamer leyen,
Zo ’t u belieft, Mevrouw.                         Ferdinand.
Men hou het alles stil,
Wat hier gebeurt is, zo men my behagen* wil.

                                EYNDE.
Continue

Tekstkritiek:

vs. 179 om er staat: oms
p. 16 behalven er staat: behalvem
p. 26 paginacijfer er staat: 62
vs. 467 datge er staat: dagte
vs. 490 u er staat: is
vs. 683 praate er staat: praatje