Continue

Noote-boom. In: Al de werken van Publ. Ovidius Naso. Het eerste deel. Vertaalt door Abraham Valentyn. Leiden, Daniël van Gaasbeek, 1678.
Vertaling van Nux elegia door Ovidius.
Facsimile. — Een herdruk verscheen in 1697 (UBGent BL 5537); een derde druk, vermeerderd en met aantekeningen van Ludolf Smids, in 1700 (books.google).
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.
Continue
[
frontispice]

AL DE
WERKEN
van
P. OVIDIUS NASO
vertaalt door
ABRAHAM VALENTYN.
tot Leyden
By DANIEL van GAASBEECK. A°. 1678.



[titelpagina]


AL DE
WERKEN

van
P. OVIDIUS
NASO

HET EERSTE DEEL,
Behelsende sijn
Princesse-brieven, Minne-digten,
Vrij-konst, Minne-baat, Blan-
ketsel, en Nooten-boom.

Vertaalt door
ABRAHAM VALENTYN.

[Vignet: Intelligentibus]

TOT LEIDEN
Bij DANIEL van GAASBEEK.
A°. 1678.




[p. 292]

P. OVIDII

NASONIS

Noote-boom.

Ik nooten-boom langs de weg staande werd van ’t voor-bij-gaande volk gesteenigt, daar ik niemant heb misdaan. Soo plagtmen in een op-loop openbare misdadigers te straffen, als ’s volks grimmigheid na geen lange ding-talen wagten wil. Ik heb niets gesondigt: of ’t most voor sondigen gerekent werden, sijn hovenier jaarlijks vrugten voort te brengen. Wel eer, doen ’t een beter tijd was, krakeelden ’t geboomte om de vrugtbaarheid; doen d’ eigenaars tot dankbaarheid van ’t goet gewas, uit d’ eerstelingen de Goden plagten met kranssen te vercieren. Dus verwonderde sig Bacchus dikwijl over sijn wel-behange wijn-stokken, en Minerva over haar volle olijf-boomen: en ’t ooft sou de takken van de stam gewogen hebben, waar ’t met geen lange mikken onderstut geweest. Dat meer is, baarde ook een vrou na ons voor-beeld, en was’er geen wijf, dat in de tijd van onse dragt geen moeder wiert. Maar sedert de ijdel lommerige bree-boom meer eer wiert op-gedragen, als al de rest; begosten wij vrugt-dragende boomen (soo ik nooten-boom daar onder mede gerekent werde) ook wijd en breet lommer uit te schieten. Soo dat wij nu niet ijder jaar na malkandere vrugten dragen, en druif en olijf gekneust gewonne wert. Die nu schoon wil schijnen, denkt datse met swanger sijn en kramen, den buik mismaakt; en men vint ’er in dese eeu weinig, die verlangen moeder te werden. Gewis had ik nooit vrugt voort-gebragt, ik was veiliger geweest: hier over hat sich Clytemnestera van gelijke te beklagen. Wist dit de wijn-stok, hij smoorde sijn druif in [p. 293] de bot: wist d’ olijf-boom dat ik weet, hij droeg nooit vrugt: komt dit d’ appel, peer, en kersse-boom te merken, sij blijven vrugteloos. Waaragtig ik benijt niet, maar egter wert geen vrugteloose boom, die niet als loof draagt, gequetst. Siet eens een geheele rei boomen, die geen vrugten dragen om geslagen te werden, gij sultse ongeschonde vinden. Maar mij werden met het verminken van takken felle wonden gegeven, en de schors af gereten dat ’t hout bloot staat en gaapt. Dit geschiet niet uit haat, maar rooflust. Droegen andere boomen nooten, sij souden deselve klagt doen. Soo raakt ook gemeenlijk in ’s rigters klaau, een die met pleit-recht verwonnen splint geven kan. Een mageren haas ontspringt de strik. Soo vreest een reiser, die geld bij sig heeft, voor lagen van stroopers, die niets mee draagt gaat fleuiten over weg. Soo werd ik alleen gebeukt, om dat ik beuk-loon draag; de rest van ’t geboomte wert geen groen blat gekrenkt. Want dat de heesters onder ons somtijds geknikt en gemartelt werden, komt niet om haar misdaad; maar om datse te digt bij ons staan, en de steenen, die van ons af-steuiten, op ’t lijf krijgen. Ik sal ’t gelogen hebben, soo gij niet bevint, dat andere die ver van ons af staan, haar natuirlijke en volkomen stand houden. Daarom souden de heesters ontrent mij, indiense verstand hadden en spreken konden, mijn lommer vervloeken. Hoe ellendig is ’t dat ik boven mijn schade nog gehaat, en gedoemt werd, om dat ik te digten buit ben! Maar misschien leit mijn arbeitsame boom-queeker grooten arbeit aan mij te koste: want, gij vint’er die mij niet anders geven als d’aard waar in ik staa. Ik was van ’t selfs weelig in onbereide aarde, en ’t land, dat ik beslaa, is meest een gemeene weg. En om dat ik ’t koorn niet beschadigen soud (want dit segtmen van mij) werd ik op den agter-kant van den akker geplant. Mijn te lang geschoote ranken werden met geen snoei-seis af ge- [p. 294] kort: geen graver maakt mij de vereelde aarde om den wortel mul. Schoon ik door hitte van de son schier van dorst verstik; niemant sal mij in een groef met water drenken. Maar als mijn rijpe noot uit den bolster barst, dan pastmen happig op met felle stokslagen: dan treft de stok mijn volle takken ongenadig, op dat ik alleen niet te klagen hebbe over steenigen. Dan vallen mijn nooten, die ’t niet verboden is op ’t tweede geregt aan te dissen, en die van de suinige boerin uit-gepikt, werden weg geleit. Dese spouwen de jongens of regt door den naat; of krakense op de schelp met een of twee-werf stot-vingeren. Om vier nooten, meer niet, wert sevens gespeelt, en een in ’t midden van drie geplitst doet het spel winnen. Andere latense langs een neer-hellent bort af-loopen, en wenssen, onder veel op een rij, al waar ’t maar een, te raken, en na sig te nemen. Ook is’er een spel van raden even of on-even, soo dat, die ’t raat, ’t gerade getal wint. Nog schrijvense met krijt een starperk gelijk een Griekse Δ: als die ordentlijk op de strepen met nooten belegt is, slaat hij, die daar in staat, met een takje, en heeft die hij raakt. Dikwijl wert ook ver van de hand een holletjen gemaakt, om met een losse worp noot voor noot daar na te schieten. Gelukkig is de boom die ergens van kant in ’t land gewassen, alleen sijn Heer vrugten leveren mag. Want die hoort geen geraas van volk of wagens, en wert van de weg, waar langs hij staat, niet bestooven. Die kan sijn aanqueeker geven ’t geen hij draagt, en sijn schuldige vrugten aan-tellen. Maar ik mag nooit rijpe vrugten uit-leveren, die mij nog snotterig werden af-geslagen. Mijn schelpen sijn nog week, mijn pit niet boven snot; soo dat niemant van mijn verdriet kan nut hebben: nog vintg ’er die dan na mij mikken, en met een schielijke worp mijn onpittige nooten neer vellen. Rekent gij ’t getal van de beplonderde en over-gebleve vrugen, den reisende man [p. 295] sal grooter aantal hebben als mijn eigenaar. Siet dikwijl iemant mijn kruin lommerloos, hij meent datse door een storm is kaal gewaait. Dese meent dat ik door hitte, gene, dat ik door kou, andere dat ik door hagel-buien dus af-gehavent staa; maar nog boere-plagenden hagel, storm, hitte, nog kou heeft mij beschadigt. Mijn vrugt schaat mij, mijn weldragentheid veroorsaakt dit onheil: en d’ hoop van buit, die menig mens in ’t verdriet bragt, is d’ oorsaak van mijn schade. Buit lokte Polymnestor om Polydoor te vermoorden: buit ’t kostlijk hals-cieraat van de schelmse Erifile joeg haar man Amfiaräus de Boeotier in de krijg. De boomgaart van Atlas Konink van Libye was onbeplundert gebleven, ten waar een boom vol goude appelen was geweest. Maar de brem-struik, hagedoorn, en diergeijk steekelig rugt, slegts gewasssen om te quetsen, blijft om sijn angels ongedeert. Ik, om dat ik niets beschadige, en mij met geen kromme stekels bescherm, wert baldadig met steenen geworpen. Wat sou ’t dan wesen, indien ik geen lommerkoelte gaf, voor reisers die de son ontschuilen, als de hont-stat (honts-dagen) d’aard door hitte op klieft? Wat, soo ik geen schuil-dak strekte als onverhoets een vlaat neer stort? Daar ik alles doe, daar ik alleman vlijtig dienst doe, werd ik nog evenwel gesteenigt. Behalven dit lijden, moet ik nog de klagt van mijn eigenaar hooren: als was ik d’ oorsaak dat sijn akker soo vol steenen legt. En terwijl hij ’t land weder uit-suivert, en d’op-geraapte steenen weg worpt, hebt gij altijd steenen op de weg gereet om mij te beledigen. Soo dat de kou, die andere haten, mij alleen goet doet, want ’s winters blijf ik ongedeert. Ik ben wel lommerloos; maar vinde voordeel bij die naakheit om dat dan de vijand mij geen buit heeft af te plunderen. Maar soo haast cier ik mijn takken met geen vruchten, of met gooit hagel-buien met steenen na mij nieuwe nooten. Misschien sal hier iemant [p. 296] seggen, dat aan ’s heere-wegen staat, mag ijder beplukken: dit ’s ’t regt van een gemeene weg. Soo dat geoorloft is: stroopt dan ook, roof-sieke reiser, d’ olijven: maait ’t koorn, plukt groente naast den weg. Laat dan deselve diefagtigheid plaats grijpen binne Romen en andere steden. Laat dan ijder ’t silver en juweelen uit de silver-kramen rooven. Laat dese ’t goud, gene uitheems gesteente, en al wat hij met klaauwen kan bereiken, weg steelen. Maar dit geschiet niet, en soo lang Caesar alles bestiert, sult gij niet strafloos, de justitie van soo regtvaardigen regter onderworpen, konne rooven. En dien God bepaalt de vreede niet binnen sijn stad; maar hij verleent die weldaad den geheelen aard-bodem. Dog wat baat mij dat, als ik op klaren dag en in ’t openbaar geslagen wert, en niet mag veilig staan? Daarom siet gij geen gevogelt in mijn lommer nestelen, of lang sitten; maar wel alderhande steenen, die tussen mijn takken in soo vast bijven, als veroveraars in een slot. Andere misdaden konnen wel dikwijl geloghent, en met de tong ontveinst werden: maar ’t onregt mij geschiet verft de vingers met bolster sap. Dat ’s mijn bloed; de handen die met dat bloed besoedelt sijn, konnen met geen water werden af-gewassen. Og hoe dikwijl heb ik, verdriet in mijn leven krijgende, verdort gewenst te sterven! Hoe dikwijl gewenst door een swarte storm bui om ver gerukt, of door den bliksem vernielt te werden! Og sloeg een schielijke vlaag, of kost ik selfs mijn nooten af schudden! Soo haast gij, Pontisse bever, u selfs hebt af-gebeten de ballen, d’ oorsaak van u gevaar, sijtge met de rest van ’t lijf veilig. Hoe dunkt u dat ik te moe ben, als de reiser steen op neemt, en voor ’t worpen mikt op een plek om mij te quetsen? Want ik kan die felle worpen niet ontwijken met mijn stam, die door sijn krinkelige wortelen onder d’ aard vast gehegt staat. Ik staa soo pal om verwont te wrden, als een misdadiger [p. 297] aan de kaak: en een koe, die, ’t hoofd bewoelt, de sware bijl siet op-heffen, of de messen* trekken om gekeelt te werden. Dikwijl dogt u dat mijn lommer rilde door de wind, maar ’t geschiede uit schrik. Heb ik ’t verdient, en dunkt u dat ik ’t waardig ben, hout mij om ver, en laat mij eens gehoont sterven. Heb ik ’t verdient, en schijn ik u schuldig, worpt mij op ’t vuir, en brant mijn hout op u smookerigen haard. Maar hebt gij geen reden om mij af te houwen of te verbranden, verschoon mij, wandelaar, soo wens ik u geluk op de reis.

Einde van ’t eerste deel.
Continue

Tekstkritiek:

p. 297 messen er staat: menssen