Joan Dullaart: Het verloste Jeruzalem. Rotterdam, 1658.
Vertaling van Gerusalemme liberata door Torquato Tasso (1575), naar de Franse vertaling in proza van I. Baudoin (1626).
Uitgegeven door Ton Harmsen, Universiteit Leiden.
Met bijdragen van Ria Appelman, Heleen Harmsen, Paula Koning en Gerrit van Uitert.
Facsimile bij Ursicula en bij books.google
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.

Het boek bevat 80 pagina’s voorwerk (waaronder het Leven van Tasso, diens Vergelijking van de dichtkunst en lofdichten van L. Jordaan, J. Cabeljau en H. Dullaart), en twintig “Gezangen”:
Canto 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20

Continue
[fol. (A)1r]

Het

VERLOSTE

JERUZALEM,

VAN

TORQUATO TASSO:

Vertaald door

J. DULLAART.

[Typografisch ornament]

Tot ROTTERDAM:
___________________

Bij JOANNES NAERANUS, Boekverkooper
op ’t Steiger, over de Koornbeurs: 1658.



[fol. (A)1v: blanco]
[fol. (A)2r: frontispice]

TORQ. TASSOOS
VERLOSTE
IERUSALEM



[fol. (A)2v: blanco]
[fol. (A)3r]

Den hoogedele, welgebooren, ge-
strengen Heer,
HEER

DANIEL van WYNGAARDEN,
            Heere van Moermond, Ambachts-
    heer van Werkendam, Heer in
    Renesse, Noordwelle, Zuid-
    land, &c. Balju en Dijkgraaf
    over de Stede, Landen, en Groot-
    waterschap van Woerden, &c.

HOOGEDELE HEER,
    Hier breng ik, ten allerlaatsten, de [fol. (A)3v] grootste Poeet van het gezegend Italie, voor Uw Ed. oogen; maar zoo van zijn eersten aard ontaard, en jammerlijk mishandeld, dat Uw Ed. hem mogelijk niet kennen zult; evenwel, mijn Heer, is het die doorluchtige Man, die van Pauzen, Koningen, Hartogen, Princen, Graven en Kardinalen, is om strijd verzocht en aangebeden geweest; Dien Man, die den Kardinaal Hyppolitus Aldobrandini (tot de waardigheid van Paus, onder de naam van Klemens [fol. (A)4r] de VIII. gekomen zijnde) in een openbaren Triumf, met de Lauwerkroon, op’t hooge Kapitool, als Hoofdpoëet van die gelukkige gewesten, wilde doen kroonen, en daar de Zegestacij al toe bereid wierd, indien d’onmedogende Dood hem van die glorij niet beroofd had; Dat gelukkig Vernuft, ’t geen echter, als een tweede NAZO, ellendig schipbreuk, in de gevaarlijke Zee der liefden, geleden heeft. Zijn Goddelijk JERUZALEM, dat Turken, Arabiers, Span- [fol. (A)4v] jaarden en Franssen in hare Taal lezen, heeft de geheele Wereld met verwondering geslagen; en is, buiten alle reik van opspraak, door de Faam, zoo hoog in top gedragen, dat alle gehate lasteraars, die hem zelfs in zijn leven zoo benijden, nooit een weinig de edele luister daar van hebben kunnen bezwalken. De beroemste Geesten van de voorlede en deze tegenwoordige eeuw, noemen ’t het volmaakste Werk dat ooit in Italien uitging. En zeker, die wel op [fol. (A)5r] alles acht slaat, zal bevinden, dat hij nooit tegens de regelen, die d’ Aalouwde Waarschijnelike noemen, gegaan heeft. Zijn vergelijking der Dichtkunst, tegens d’inwerpende verzierselen, toonen genoegsaam de wonderen van dat heerlijk Vernuft, en op hoe veel wijze hij zijn geestige verdichtselen, aan alles weet toe te passen. In dit uitstekende stuk, is hij over al zijn zelve gelijk, en als een bruisende Zeeboezem, die nimmer verflaaud, maar toeneemt,*en zijn [fol. (A)5v] schuimende stroom in d’open Zee uitschiet. Alles is na de rechte maat, en regelkunstig aan een geschakeld; en ijder Persoon, die hij invoerd, ’t zy Christen of Heiden, wreed of barmhertig; goddeloos of vroom, zijn kleed en gedaante zoo wel aangetrokken, dat zij zelf in wezen, het niet beter zouden konnen uitbeelden. Ik wil geen getuigenisse van vermaarde Schrijvers, om des Poeets achtbaarheid een glans te geven, ophalen; Uw Ed. wakker en deurzichtig [fol. (A)6r] oordeel, dat ijder ding na de rechte maat keurd, en zonder enig vooroordeel, zelf de zaken zijner partijen, altijd na de waarde schat; zal ongetwijffeld, in ’t overwegen van de stoffe, wel zien, in hoe veel verscheide wetenschappen en kunsten dat geleerde Verstand is ervaren geweest. Zijn wijze Zedewerken, zijn vernuftige t’Samenspraken, en aartige beschrijving van den Edeldom, zijn daar onwedersprekelijke proeven genoeg af. Voor mij, ik beken, dat [fol. (A)6v] door’t vermaak, ’t welk ik in ’t lezen van zijn braven stijl, en onnavolgelijke gedachten, gehad heb, een gedeelte van mijn moeiten verzoet is. Het aaloud en deurluchtig Geslacht, daar hij uitgesproten is, heeft mij bewogen, om dit adelijk Werk, aan niemand, als aan een van de oudste Huizen in ons Land op te dragen; daar onder het uwe, mijn Heer, geensints het minste is, hebbende de aanzienelijkste Ampten van onzen Staat bekleed; en een lange rij van [fol. (A)7r] jaren herwaards een Lid der Ridderschap geweest; en wij hopen dat deze overouwde Stam, in Uw Ed. zijn Takken breeder zal uitbreiden, om die zelve diensten, aan dezen vereenigden Staat te doen, die Uw Ed. Voorzaten bij der Graven tijden, tot kosten van haar bloed en leven gedaan hebben. Waar van wij alreede merkkelijke proeven in u, mijn Heer, bespeuren; die den verzoekende gedienstig, den geringen beleefd, den armen milddadig, den rechtvaar- [fol. (A)7v] digen een Handhaver, en den Verdrukten een Voorstander zijt. En zoo het ooit gebeurde, dat de Christenheid, die nu t’ellendig verdeeld is, die selfde gerustheid en vrede, die GODEFROOY, en andere Christeprincen, beleefd hebben, quam te smaken, dan mogten UwEd. Nazaten, met andere edele Spruiten, op het voorbeeld van de doorluchtige Stammen der EGMONDEN en ARKELS, mede onder den Christelijken Standerd*optrekken, om onzen gezworen Erfvij- [fol. (A)8r] and, op nieuw, dat vermaarde JERUZALEM uit de klaauwen te rukken, en ’t geperste Christendom, van zijn dreigende sabel en slavernij te verlossen; waar toe ons d’allerdoorluchtigsten Staat van Venetie, zoo kloekmoedig, het spoor baand. Ondertusschen wil ik hier van den voortgang verhopen, en altijd blijven,

Hoogedele Heer,
Uw Ed. ootmoedigsten en
    verplichtsten Dienaar
Rotterdam, 1657.
    dezen XXX van Win-
    termaand,
J. DULLAART.



[fol. (A)8v]

Aan den
LEZER.

BESCHEIDE LEZER,
    Ik wil u het Werk van dezen beroemden Dichter niet aanprijzen, noch geen lange Voorreden maken om mij over mijne misslagen t’ontschuldigen; alleen wil ik u dat verwittigen, dat ik voor dezen, zoo nu en dan, somtijds een Versken gerijmd heb, na’et verstand dat mij gegeven is, en dat ik in een ledigen tijd, op het Land wonende, dit VERLOSTE JERUZALEM met vertalen voleindigd heb; na dat ik over vier of vijf jaren, eens een proef van het veertiende Gezang, daar op gedaan had, ’t gene mij zoo beviel, dat ik, tot mijn eigen vermaak, huwende Diane aan Apol, voor mij nam het te voleindigen, doch met geen voornemen van het ooit in ’t licht te brengen. Maar, gelijk het ge- [fol. (B)1r] meenelijk met de schriften als met de menschen gaat, die somtijds voor haar nemen dit of dat te doen, ofte zulk een persoon te gaan begroeten, daar van weerhouden worden; ’t zij dat haar op weg eenige goede bekende bejegenen, die haar elders leiden; of ’t zij dat eenige weerspoed haar in heur voornemen verhinderd. Altijd is ’t mij, of om veel beter te zeggen, mijn Vertaling zoo gegaan, die van eenige vrienden ben verzocht en geperst geweest (mogelijk om haar eigen zinlijkheid te voldoen) deze Overzetting in d’ongestuime Zee der lasteraers te zenden, en mijn gewaande Nachtuil in heldre Zonnestralen te doen komen. Vertaalders zijn veeltijds als hooge boomen en spitse bergtoppen, die van storm en onweer gebeukt en bevochten worden; want indien maar een woord wat duister vertaald, en na het verstand van eenige niet wel uitgeleid is, dan willen terstond sommige neuswijze Letterzifters den Overzetter villen en braân, en schelden hem voor een groven Plomperd, die noch de taal niet en verstaat, noch veel minder beqaamheid heeft, om onze Nederlanders iets geestigs in te boezemen; en wanneer het, gelijk ’t spreekwoord zeid, eens op een toegrijpen komt, en datse het verbeteren zouden, dan staanze en zien als een Ezel die Wijwater gezopen, of een die de kaart vergeven heeft. Doch dezen aard van lieden zijn zoo onbeschaamd, datse zelfs de gaauwste Vernuften van ons land derven aanvliegen, en den beroemden VONDEL, die Virgilius, na ’et oordeel van veel geleerde Mannen, zoo heerlijk vertaald, [fol. (B)1v] en zijn geestige zwier zoo deftig uitgedrukt heeft, is ’er zelf niet vrij af geweest, en heeft moeten lijden dat zijn kunstige Vertalinge meenigmaal gehekeld en geroskamd is. Deze onbeschaamde maken niet eens het onderscheid dat ’er tussen twee verscheide talen is, en wanneermen de aartigheid der lettergreep wil uitdrukken, dat men dan zomtijds heel van woorden veranderen moet, om den zin een geestigen zwier te geven. Doch deze lasterzieke verbijgaande, wil ik u, bescheiden LEZER zeggen, eer datje my, of door een vooroordeel, of uit eenen aangeboren haat van geringe dingen te verachten, van verwaandheid moogt beschuldigen, dat ik zulk een heerlijk proefstuk der Poëzij heb darren aantarnen, zoo wil ik u maar zeggen, dat het mij gegaan is als haar, die aan een heerlijk opgedischte tafel zitten, en lekker wildbraad, voor mager zenuwachtig ossenvleesch, keuren; en hoewelze met een boersse hand ongewoon zijn die edele leden, na den eisch, t’ontleden, en hier en daar slechts een stuk uitscheuren en plukken, ’t gene haar echter zoo wel smaakt, als of het met de afgerechte hand van een kunstig voorsnijder ontleed was; alzoo heeft mij TASSO, onder veel beroemde Dichters en Poëten, de beste aangestaan, dies ik hem uitgekipt heb, om mijn honger, of wel eer lust, te verzadigen; en schoon ik hem in onze Nederduitsche taal juist niet na behooren gehandeld heb, echter heeft dat niet belet mij in mijn vermaak te vergenoegen. Oordeeld dan heus van hem, die noch van Poëzy, noch van ver- [fol. (B)2r] taling, zijn gewoonte maakt, en dit door andere beletselen belet is, om de voorbegange misslagen te schaven en te vijlen. Keerd ondertusschen de Drukmisslagen ten besten, en vergenoegd u met de heerlijke gedachten van den beroemsten Poéet zijner Eeuw.



[fol. (B)2v: portret met onderschrift]
Dit’s Tassos beelt, Apolloos grootste zoon,
    die Goddlyck zong van oorlog en van minnen
Hij hadt Virgiel berooft zyn Lauwekroon,
    Hadt razernij hem niet berooft van zinnen.

Crisp. de Pas delin.




[
fol. (B)3r]

Kort Verhaal van

TORQUATO TASSOOS

Leven.

INDIEN de brave hoedanigheden van de geboorte en de ziel, zelden op den trap van volmaektheid t’samengevoegd zijn, dan zal men wel weinig menschen vinden die, die zoo volkomen bezeten hebben als TORQUATO TASSO. Zijn Vader BERNARD genaamd, zoo wel door zijn wetenschap als deugd beroemd, was van het geslacht van TORRE, ’t welk een van de deurluchtigste Huizen van Italien is. Zijn Voorouders waren een geruimen tijd Heeren van verscheide Steden van Lombardijen, en zelf van het Hartogdom van Milanen. Maar eindelijk, na datse verdreven waren door de genen, die seder Markgraven geweest zijn, vertrokkenze in den berg TASSO, tussen Komes en Bergamo gelegen, daar van zij die heerlijke naam, die haar dooral de wereld bekend heeft ge- [fol. (B)3v] maakt, ontleenden. Het vervallen van het Huis van Ferrant Sanseverijn, Prins van Salerne, verbonden Bernard, die zijn geheimschrijver was, hem tot Napels te begeven, daar hij eenigen tijd daar na, met PORCIA de ROSSI, een Juffrouw van doorluchtigen Huize, en die de Moeder van Torquato was, trouwden. Hij wierd van haar geboren in ’t Jaar MDXLIV, den elfden van Lentemaand, ontrent den middag, gelijk hij zelf getuigd in een brief, die hij aan Askaan Mori geschreven had. Surrento was zijn geboorteplaats, daar hij den heiligen doop ontfing, en den beroemden naam van Torquaat heeft hij meer achting door zijn geschriften gegeven, als d’aaloudheid aan die van Manlius, die hij tot vergelding van zijn dapperheid voerde. Een weinig hier na, droegen zijn Vader en Moeder zorg om hem tot Napels te doen vervoeren, daar hij, geduurende zijn kindsheid, opgevoed wierd. In ’t begin van zijn jaren zag men hem zoo ongemeene dingen doen, dat zoo veel als voorteikenen van zijn edele geest waren. Want hebbende naauwelijkx den ouderdom van zeven maanden bereikt, begon hij verscheide woorden zonder stamelen, gelijk als andere kinderen gewoon zijn, uit te spreken: ja zoo ver, dat men gezeid zouw hebben dat hij wel ter sneê antwoorden op ’t gene hem gevraagd was, en ’t gene hij wilde uitdrukken. Men zag hem niet als zelden lachen, of schreijen; en het scheen alreede dat hij [fol. (B)4r] in die teere jeugd, van zijn zelve deed, al’t gene zijn Vader en Voester van hem zouden kunnen begeren. Hij had zoo grooten en schrandere geest, dat zijn genegendheid hem van zijn derde jaar, natuurlijk met de andere kinderen na de schole dreef. Hij had Jan d’Angeluzzo tot Meester, een man van middelbare geleerdheid maar van uitstekende vromigheid; dien zijn Vader de zorg beval, hebbende een reize in’t Hof van Keizer Karel de vijfde te doen, met den prins van Salerne. Wederom van Napels gekomen zijnde, bevond hij dat zijn Zoon in de letterkunst genoeg ervaren was, om hem in de openbare scholen te oeffenen; ’t welk hem bewoeg, om hem in de vergadering der Jezuijten te zenden, daar hij zoo wel toenam, dat hij in weinig tijds, volkomen de Latijnse taal leerden, en een goed gedeelte van de Grieksche; zulkx dat hij op zijn zevende jaar, verscheide maal in ’t openbaar, redenen en gedichten op zijn wijze uitsprak, tot groote verwondering van die het aanhoorden. Maar het ongeluk wilde dat zijn Vader gedwongen wierd uit Napels te trekken, om den Prins van Salerne in zijn quade fortuin te vergezelschappen, en dat Torquato in zijn eerste jaren, in deze ballingschap hem vergezelschapten; daar Bernard en hij toe veroordeeld, en voor wederspannige, door openbaar gebod, verklaard waren. Hij ging dan na Roome met zijn Vader, die hem te jong achte, om de moelijkheid van zoo langen reis te [fol. (B)4v] verdragen, die hij na Vrankrijk met den Prins ging doen, beramende hem in deze beroemde Stad te laten, onder het opzicht van Maurits Kataneus, Edelman van Bergamo, op dat hij door zijn middel de geschiktheid der goede zeden, bij die van de menschelijke brieven mogt voegen. Gelijk hij in der daad hem zoo bequaam maakte, dat boven dien hij volkomen de zeden door het voorbeeld van Kataneus leerden, hij hem bevond op zijn twalefde jaar alreede te kunnen, d’aanlokkelijkste tuchten, als de kunst van iemand iets in te boezemen, van vaarzen te maken, en van te redenkavelen; daar hij de kennisse van verkregen had, door het lezen van verscheide Grieksche en Latijnse Schrijvers. Ondertussen vernam zijn Vader, die in zijn wederkomst uit Vrankrijk in Italien, hem in het Hof van Wilhelmus Gonzagues, Hartog van Mantua, begeven had, de dood van Porcia de Rossi, zijn Huisvrouw; die hem uitnemende gevoellelijk was. Eindelijk verzafte deze bitterheid, door het wonderlijk vergenoegen dat hij had in’t zien, dat zijn Zoon meer en meer in de loopbaan der eer, kunst en deugd, toenam. Om hem noch meerder aan te prikkelen, beraamde hij hem na Padua te zenden, om in de Rechten te studeren, in ’t gezelschap van Scipio Gonzages, die seder Kardinaal wierd, en een van de bezonderste vrienden van Tasso; van wiens vriendschap hij verzekerde proeven ontfing, in verscheide klinkdichten, die tot zijn lof gemaakt waren. [fol. (B)5r] Gelijk hij van een vierige natuur was tot de geleerdheid, vorderden hij zoo wel, dat hij op zijn zeventiende jaar, de waardigheid in de Rechten, Filozofije en Godgeleerdheid nam, en openbaar werk van deze kunsten maakten, tot groote verwondering van de Geleerde der hooge Schole van Padua. Maar het jaar daar na was geheel Italien noch veel meer verwonderd, zijn heerlijke Poëzij, REINOUT genaamd, te zien, ’t gene hij bij na tegen zijn dank in ’t licht gaf, om dat zijn Vader niet wel vergenoegd was; en niet en deê als om den Kardinaal van Est te believen, die hij ’t toeëigende. Door dit wonderlijk proefstuk van zijn geest, ’t gene hem in de algemeene achting van de geleerdste mannen, van zijn tijd, bragt, en door de geduurige brieven die hij ontfing, maar veel meer door de natuurlijke genegendheid die hij had om vaarzen te maken, liet hij zich geheel tot de geleerdheid der Poëzije en der Filozofije vervoeren, op het voorbeeld van Petrarcha en Bokatius. En om beter tijd te hebben, verliet hij het gebruik van de Rechten, en ging na Boulonje; daar de voornaamste Heeren van de stad, en de geleerde van de hooge Schole, middel hadden gevonden om hem daar te trekken, op het verzoek van den Onderlegaat, Peter Donato Cesi, die seder Kardinaal wierd. Daar bragt hij eenigen tijd door in hem t’oeffenen in alderhande wetenschappen, der hooge en openbare Scholen; zulkx dat ’er geen stof, hoe moejelijk datse was, [fol. (B)5v] of hij overleize vieriglijk, om daar in verlicht te worden, voornamentlijk het geen de Poëzij raakten, gelijk hij zelf getuigd in zijn eerste Boek der Heldendichten. Maar deze wonderlijke aangenaamheid van geest, die men in zijn ommegang bespeurden, veroorzaakten dat Scipio Gonzages, de waardste van zijn vrienden, om zijn afwezen verdrietig zijnde, hem uit al zijn ziel bezwoer, dat hij zich uit het geraas van Boulonje zouw begeven en weder te Padua komen, om met hem gerust te leven in de zoetigheid der geleerdheid: ’t welk hem Tasso zeer gaarne toestond, dit niet eerlijk kunnende weigeren, noch aan haar gemeene vriendschap, noch aan zijn eigen geest, die hem natuurlijk een stil leven deed beminnen. Hier was ’t daar hij zijn t’samenspraak begon te schrijven, met zoo een zuiveren stijl, en vermenging van zoo zoete en aangename gedachten, dat het niet mogelijk is die te lezen zonder te roemen. Zoo schrander was hij om den Filozoof met den Poéet te doen evenaaren. Hier maakte hij ’t ontwerp van zijn JERUZALEM, en stelde de grondvest, van den lof die hij voor hem nam aan den Huize van Est, in die goddelijke en onnavolgelijke Poëzij te geven. Daar hij hem zeker toe verplicht vond, door de grootmoedige genegendheid, die hem den Kardinaal Louijs en Alfonsus den tweeden, laaste Hartog van Ferraren, toedroeg, en die beide om strijd haar best schenen te doen, om hem blijkelijke [fol. (B)6r] kenteikenen van beleefdheid, achting en goede wille te geven. Ondertussen besnoeide hij scherpzinnig zijn genegendheid tot deze twee broeders, die hem eindelijk baden dat hij zich te Ferrare wouw komen neêrslaan; zulkx dat hij ’er na toe ging om haar te vergenoegen, hebbende noch maar den ouderdom van tweeentwintig jaren bereikt. Hij wierd van den Hartog met zoo veel eer en zoo veel blijkelijke proeven van zijn vriendschap ontfangen, dat ’er geen twijffel aan is, dat de grootmoedigheid van dezen Prins, de ongemeene verdiensten van dezen grooten man niet zouw beloond hebben, zoo de quade star, die hem seder op een vreemde wijze vervolgden, nu door ziekten van ’t lichaam, dan weder door die van de geest, haar niet wreedelijk tegen zijn rust en zijn goed geluk, gesteld had. In het Paleis van dezen Prins, het gene een beschermplaats en een Parnas voor zijn Zanggodin was, vorderde hij zeer zijn JERUZALEM, en maakten het eerste deel van zijn Mengelwerken in Vaarzen en in Proze, die men wel haast daar na drukten, tot groot vergenoegen van de gaauwste geeften die in Italien waren. ’t Gebeurden hier na dat de gelegendheid zich aanbood om een reis in Vrankrijk te doen, daar hij den Kardinaal Louijs, die van den Paus Gregorius de XIII gezonden wierd, in de hoedanigheid van Edelman in vergezelschapten. Geduurende de tijd dat hij in ’t Hof was, ontfing hij baarblijkelijke teikenen van de grootshartig- [fol. (B)6v] heid van Karel de negende, en van de bijzondere achting die hij van goede brieven maakten. Want boven dien dat hij de wonderlijke lichtigheid roemde die hij in ’t maken van de Vaarzen had, en het verstandig spreken van alle dingen, zoo oordeelde hij zich verbonden te zijn die groote lof t’erkennen, die hij aan zijn Landaard gegeven had in d’overwinninge van Godefrooy. Na dat hij eenigen tijd in Vrankrijk geweest had, vertrok hij in ’t gevolg van den Kardinaal, die hem weder recht na Ferraren brogt, daar den Hartog uitermaten verheugd was in hem weder te zien, en op nieuw proeve van zijn goede genegendheid gaf. Te zijner aankomste verbond hem de eerbare ledigheid, die hij zoo beminde, zich weder tot de geleerdheid te begeven, zulkx dat hij den vollegende winter zijn AMINTAS, of zijn Veldverciersel maakte, ’t gene vertoond wierd, en met algemeene lof en handgeklap toegejuicht. En zeker het was niet zonder reden, dat zoo een volmaakten werk, de ooren en de geest, van die het aanhoorden, betooverden. Want het wel overwegende, zal men bevinden, dat het een Poëzij is, die in al zijn deelen is volmaakt; dat zijn Maker d’ondervinding niemand als aan zijn zelven schuldig, en dat de stoffe zoo heerlijk is, dat hij in die zwier van schrijven roemen mag, d’aalouden en de tegenwoordige te boven gegaan hebben. Dit toond zich klaar genoeg in de werken van Theokritus, Virgilius, [fol. (B)7r] Sannazarius en andere Poëten die Harderskouten gemaakt hebben, men zalder niet een volmaakt verziersel in vinden, dat ’s te zeggen daar de daad geheel is geweest, de tijd opgemerkt, den band t’zamengevoegd en ontknoopt gelijk ’t behoord, en het geheele werkstuk in meenigte vervuld, ’t welk de noodwendige partijen zijn, en zonder de welke men niet zeggen kan dat een Poëzij in zijn palen is. Hij maakte dit Proefstuk op zijn negen en twintigste jaar, ’t welk een rampzalig jaar voor hem was, in het welke hem de schoonheid van een groote Juffrouw heimelijk ontfonkten, met het schoonste van al het lijden. Uit deze hevige liefde, die hij in ’t diepst van zijn hart zocht verburgen, en in de stilte begraven te houden, vermits dat het voorwerpsel ’t gene hij beminde boven zijnen staat was, groeiden in hem, gelijk als in een tweeden Ovidius, zijn eerste ongelukken die zijn andere onheilen mede rukten. Evenwel wat moeiten dat hij deê, om het geheim van zijn liefde alleen bij hem te behouden, echter kon hij ’t zoo wel niet doen, dat m’er niet eenige gissinge door zijn vaarzen uit trekken kon; daar hij dikmaals de naam van Eleonoor verhaalden, dat men ’t daar voor hield, dat de Juffer die hij diende zoo genaamd was. ’t Is waar, om dat ’er in ’t Hof drie Eleonoraas van uitnemende schoonheid waren; daar van de eerste de zuster van den Hartog Alfonsus was, de tweede, dochter van den Graaf van Sala, en de dar- [fol. (B)7v] de een Staatjuffer van de Princesse Eleonora van Est, zoo kon men niet wel te recht oordeelen wie dat van de drie het bezonderste van hem bemind was. De Hovelingen niet te min, die door een gedreven haat en afgunst, zijn daden verspieden, hielden ’t onder elkanderen, dat hij de Princes Eleonoor van Est beminde, die nimmermeer de grootheid van haar moed onder de wetten van iemand had willen buigen, en altijd het trouwen geweigerd had, en gerust in het gezelschap van Princes Lucrees, haar oudste zuster, leefde. Maar wat gevoelen dat men van zijn verburge lijden had, het is zeker dat hij eenige jaren genoegsaam vergenoegd, en in zijn liefde te vreden was. In dezen tijd, die de geruste en het beste van zijn leven was, voleindigden hij zijn JERUZALEM, ’t gene men hem uit de handen rukten om het geheel in den druk te brengen. Want naauwelijkx had hij eenige Gezangen gemaakt, of de Boekverkoopers lieten die terstond tegen zijn wil drukken, en zonder hem de tijd te geven van die te overzien. Om wel van de verdiensten van zoo heerlijken Werk te oordeelen, zal het genoeg zijn maar te zeggen, dat zoo haast als het gedrukt was, de faam de wonderen daar van door de geheele Wereld verbreide. Daar onwedersprekelijke proeven af zijn de Vertalingen, die daar van in verscheide talen gedaan zijn, gelijk als in ’t Spaans, in ’t Frans, in ’t Turkx, en zelf in ’t Arabisch. [fol. (B)8r]
    Maar gelijk een groote stilte gemeenelijk van een groot onweder gevolgd word, zoo gebeurden ’t dat het goed geluk van Tasso, door de dood van zijn vader Bernard verstoord wierd, die hij op zijn dartigste jaar verloor. Bij dit ongeluk wierd twee jaar daar na, een ander gevoegd, ’t gene veel grooter was, en hem toe quam door de trouwloosheid van een Edelman van Ferraren. Dezen ongetrouwen vriend, die hij zijn verburgenste gedachten pleeg te openbaren, hem een eerlijk man en zijn eer waardig achtende, was zoo qualijk beraden, dat hij eenige bezonderheden van zijn liefde, die hij hem in ’t vertrouwen gezeid had, aan den dag brogt. Het welk Tasso bericht zijnde, hem hier over uitschol; en ziende dat hij tot zijn onschuld niet een waarschijnelijke reden bijbrogt; ja zoo ver, dat hij door zijn gelaat betuigden hem daar weinig mede te bekommeren, zoo verstoorden hem deze lichtvaardigheid zoo zeer, dat hij zich niet weêrhouden kon van hem een klap te geven, zelf in de zaal van den Prins. Den gehoonden Edelman wilde de hand niet aan ’t zwaard slaan, om dat hij in ’t huis van den Hartog was; maar ging daar terstond uit en liet Tasso uitdagen. Dit lijfgevecht begon door een bedrog, dat hem zijn vijand deê, die zoo haast niet in ’t veld gekomen was, of drie van zijn broeders vlogen toe om hem te helpen. Tasso haar ziende aankomen, verloor, noch het oordeel, noch de moed niet, maar in tegendeel verdubbelden [fol. (B)8v] zijn dapperheid in ’t gevaar; en hoe wel hij met vier te doen had, echter liet hij niet na zich wel te verweren en twee te quetsen; en mogelijk zoude hij de andere mede zoo gehandeld hebben, zoo daar geen volk was aangekomen die haar gescheiden had. Deze daad eindigden met de vlucht van de vier gebroeders, die seder gebannen wierden, en al heur goederen verbeurd verklaard. Aangaande Tasso, hij was van deze daad niet eens onsteld, die hij als een man met eeren gedaan had, en vertrok zich in zijn gewone Herberge, daar den Hartog zijn Meester hem wachten bestelden, om hem het uitgaan te beletten, en hem voor zijne vijanden te bevrijden, die hij wist dat machtig waren. Maar hij, die de meining van den Prins geheel anders uitley, ging hem inbeelden dat hij hem veel eer gevangen hiel, om hem van de verwaandheid van zijn liefde te straffen, als om de reden dat hij gevochten had. Dit dan in zijn geest gedrukt hebbende, joeg hij zijn zelve een schrik aan, en nam voor hem om heimelijk zijn wachten te ontsluipen. ’t Welk hem zoo wel gelukten, dat hij middel vond om onder de gunst van de nacht, uit Ferraren te vluchten; hij ging recht na Turin, daar hij voor hem nam een andere naam als de zijne te voeren, die hem door al de wereld bekend maakten. Evenwel kon hij niet lang verburgen blijven, om dat hem eenige vaarzen ontslipten die hem ontdekten. ’t Welk d’oorzaak was dat den Hartog [fol. (C)1r] hem terstond deê zoeken, en dat hij hem eerwaardig in zijn Paleis ontfing, daar hij hem huisvesten. Maar wat onthaal dat hem de voornaamste van het land deden, die door haar aanbiedingen en bezoekingen, hem alle betoonden in wat achtinge dat zij hem hadden, evenwel was hij altijd in een ongerustheid, en wreedelijk gepijnigd van twee onbewegelijke Tirannen, dat de Droefheid en het Wantrouwen was. Ook lietenze hem niet lang toe van deze gunsten van dien edelmoedigen Prins te genieten, en hem uit het Hof van den Hartog deden vertrekken, om te Roome te komen. Hij begaf zich dan alleen op den weg, en leê veel in deze reize, ter oorzake van zijn ongezondheid, en van de verburge ongenuchten die hij in de ziel had. Eindelijk na dat hij ’er gekomen was, wilde zijn goed geluk, dat hij daar gehouden wierd in het Paleis van den Kardinaal Albano, om daar te wonen met Maurits Kataneus, zijn oude vriend, in het zelfde huis daar hij zijn kindsheid in deurgebracht had. Hij wierd van d’een en d’ander, met alle betuigenisse van genegendheid ontfangen; en het is niet te gelooven hoe aangenaam dat zijn komst te Roome aan al het volk was. Geduurende den tijd dat hij daar verbleef, ontfing hij ongemeene eertekenen, van al het volk van staat, en daar was niemand, zelf tot de geringste lieden toe, die niet toeliepen om zijn aangezicht t’aanschouwen, zoo veel macht heeft een groote deugd, om zich van al de Wereld te doen prij- [fol. (C)1v] zen, en van de gene zelf die die maar in schijn bekennen. Eindelijk hebbende eenigen tijd te Roomen in den openbaren lof en toejuichingen doorgebrogt, nam hij voor te vertrekken, en na Surento zijn geboorteplaats te gaan, om eenige van zijn vrienden te bezoeken, en voornamelijk zijn zuster Kornelia. Hij vertrok dan terstond, onder deksel van een speelreis na Frescati te doen, daar hij op een avond uitging, en gedwongen was de nacht in de hutten van eenige harders door te brengen. Zijn droevigen aard, die van oogenblik tot oogenblik hem eenige nieuwe argwaan verbeelden, deê hem beramen van kleederen te veranderen, zulkx dat hij des anderen daags ’s morgens, hem vermomden met de kleederen van een van zijn waarden. In deze toerusting, die hem voor een Apollo zouw hebben kunnen doen doorgaan, toen hij de schapen van Admetus hoeden, vervolgden hij zijn weg te voet, en ging al slepende voord, met groote moeiten tot Gajette, om dat hij deze moeilijkheid niet gewoon was. Hier bij geluk een schip vindende dat na Surento toe wilde, begaf hij zich t’scheep, en na dat hij al de nacht gezeild had, quam hij des anderen daag ’s morgens in de Stad. ’t Eerste dat hij te zijner aankomste deê, was na ’et huis van zijn Zuster te gaan, en hem aan haar bekend makende, veroorzaakte, het onverwacht gezicht van zoo goeden Broeder, die zij met al haar hart beminde, de grootste vreugden die zij ooit van haar le- [fol. (C)2r] ven ontfangen had. Nu hoewel de schoonheid van ’t seisoen en het vermaak van de plaats, machtige aanlokselen genoeg waren om Tasso daar te houden, zoo nam hij voor hem, daar eenigen tijd in het gezelschap van zijn Zuster te blijven. Maar het gebeurden dat op het einde van drie maanden, Princes Eleonoor van Est, die door de zonderlinge zorg, die zij voor de dingen die hem raakten droeg, alle zijn gangen en komsten wetende, hem schreef dat hij wederom te Ferraren zouw keeren. Het welk de oorzaak was, om het gebod van haar na te komen, dat hij ’er voor de driede reis ging, met zijn gewone versaagdheid. Het onthaal dat hem die van het Hof deden, was veel prachtiger als voordeelig voor hem. Zulkx dat zijn ongezondheid en ongenuchten meer als ooit te voren toenamen; en om reden, daar men nooit de waarheid af heeft kunnen weten, hem weêr nieuwe ongunsten veroorzaakten. Want het gebeurden eindelijk, door de listigheid van zijne vijanden, dat den Hartog zijn ooren leenden aan de quade indrukselen die men van hem gaf; dat hij hem liet wijs maken; dat in zijn wijze van leven valscheid en zotheid vermengd was; en om hem niet in het vergenoegen van dienstbare geesten te zien, schreef hij zijn statigheid aan d’opgeblazendheid toe, en dat hij leê dat zijn werken van zijn haters veracht wierden, die de kladde namen, en het onvolmaakt en vol misslagen lieten drukken. Alle deze dingen t’samengevoegd, waren [fol. (C)2v] de oorzaak, dat hij na een geduurige dienstbaarheid van dertien jaren, zijn boeken en zijn geschriften verliet, om als een anderen Bias te gaan daar het geval hem geleiden. In deze reize trok hij van Mantua na Padua, en van Padua na Venetie; daar hij geen meer vertroostinge als elders vindende, in het zesendartigste jaar zijns ouderdoms in het Hof van den Hartog van Urbin was. Gelijk als dezen Prins hem zeer achten, ontfong hij hem deftig in zijn Paleis, en hield hem daar eenigen tijd; daar in hij hem eindelijk ried, hem niet moedwillig te versteken van de vergeldinge die men aan zijn verdiensten schuldig was, en wederom na Ferraren te keeren. En in der daad nam dit Tasso aan; die zoo haast daar niet gekomen was, of men maakten den Hartog wijs, dat hij meer als ooit te voren aan lichaam en geest ziek was, en dat zijn quaal van dag tot dag vermeerderden; dies hij met kracht van hulpmiddelen verzoeken wilde, of het niet mogelijk zoude zijn om hem te genezen. Hij beraamden hier op om hem in het Gasthuis van sint Anna te brengen; op dat’er de Geneesmeesters meer zorg voor zouden dragen, en hem een bequame vertrekplaats met wachters geven, om te beletten dat hij niet uitging; om dat hij van een natuur was, die zich niet gaarne de hulpmiddelen, noch de geboden der Geneesmeesters, onderwurp.
    Verscheide dingen hulpen tot de oorzaak van zijn quaal, daar de voornaamste zijn droevigen aard, zijn [fol. (C)3r] ballingschap, het verlies van zijn goederen en vrienden, en de trouwloosheid van zijn gewaanden vriend, af waren; ook het geheim van zijn ontdekte liefde, zijn gevangenis, de lagen van zijn vijanden, zijn ongunst bij zijn Meester, zijn geduurige ongenuchten, zijn hardnekkigheid tot de geleerdheid, en het bedrog van zijn haters, in zijn schriften aan den dag te brengen. Zijn treurigheid was een zwaarmoedige ziekten, veroorzaakt door een quade hoedanigheid van geesten, of door de dampen van die zwarte vochtigheid, die in ’t brein opstijgen, zonder de zelfstandigheid te bederven. Men moet het dan mijmeringe en geen razernij heten, gelijk hij ’t zelf in eenige plaatsen van zijn Werken noemd, daar hij zeid; Dat al de qualen van de Wereld hem verdrukken, dat hij zijn geheugenis verloren had, en dat zijn razenden aard somtijds op het uiterste is van in zotheid te verkeeren. Maar daar zijnder die zeggen dat het, noch ’t eene, noch het andere was, maar veel eer een betoovering, geen schijn hebbende dat een mensche die zich door zijn geschriften beroemd maakten, een verkeerd gevoelen en verwerde geheugenis hebben zouw. Hoe’t ook zij, hij bekende zelf betooverd te wezen, en zoo veel geen Geneesmeester als een Priester van doen te hebben om hem t’ontooveren. Ik voeg hier ook bij, dat hij in verscheide van zijn brieven aan zijn vrienden geschreven, hem zeer beklaagd over een mallen of een quel- [fol. (C)3v] geest, die zijn koffers openende, het geld daar uit nam, en al zijn boeken omwierp, en hem des nachts beletten te slapen. Gelijk hij in tegendeel had, of zich inbeelden te hebben, een anderen geest, die hij zijnen goeden geest noemden, zoo gelijk als hij hem inde t’Samenspraak der Bode beschrijft, die dikmaals voor hem verscheen, zoo als hij zeid; hem in zijn verdrukking vertroostende, en gemeenzaam onderhoudende in de grootste en verburgenste wonderen der natuur. Dit waren dan de voomaamste oorzaken van Tassoos ziekten, die om de waarheid te zeggen voor zwaarmoedigheid, en niet zotheid mogten deurgaan, zoo hij geen schijn gemaakt had om eenige bijzondere redenen. Hij ondertussen moede zijnde van zoo lange in ’t Gasthuis van de heilige Anna te wezen, bad hij den Hartog van Ferraren medelijden met hem te willen hebben, en uit deze slavernij te verlossen. Maar ziende dat hij hem, noch door zijn brieven, noch door zijn vaarzen bewegen konde, begon hij hem opendlijk te beklagen van het ongelijk dat hij hem aandeed, ja zoo ver, dat hij aan den Paus Gregorius den dertienden, aan den Keizer Rudolfus, aan den Hartog van Florencen, aan den Kardinaal van Est, en aan verscheide andere Princen van Italien schreef. Eindelijk na dat hij wonderlijk van een heete koorts genezen was, geschieden ’t gelukkig voor hem, dat den jongen Prins van Mantua, te Ferrare ter Bruiloft zijnde, van den edelmoedigen [fol. (C)4r] Prins Cesar van Est, en Virginia de Medicis, na veel gebeden zijn verlossing bemiddelden. Men haalden hem dan uit het Gasthuis van sint Anna, om hem in ’t Paleis te leiden, daar hij den herrefst doorbrogt, en seder na Mantua vertrok, daar hij na de dood van den Hartog Wilhelm, van den jongen Prins, die hem uitnemende beminden, in zijn Paleis gehuisvest wierd, en toonden hem alle bedenkelijke gunsten, om hem te verplichten niet uit zijn Hof te vertrekken. Maar zijn ongezondheid, die hem niet een oogenblik rust gaf, bedwong hem van lucht te veranderen en na Bergamo te gaan, in het drieenveertigste jaar van zijn ouderdom. En door dien dat hij hem inbeelden over al gevangen te zijn, behalven te Roome, vertrok hij daar weder heen, en was daar zoo wel niet vergenoegd als op andere tijden; om dat hij zijn gedachten nergens op zetten, als op de reize die hij na Napels, met verlof van den Onderkoning waande te doen. Hij dat door middel van zijn vrienden verkregen hebbende, begaf zich terstond op weg, en quam daar met zijn gewone zwaarmoedigheid, zonder dat de zuiverheid des luchts van ’t land, noch de verburge krachten der badstoven, machtig waren om hem te genezen. Maar terwijl dat hij bezig was om zijn werken t’overzien, en een rechtzaak, die hij te Napels had, te vorderen, rakende een versterffenis, die hij oordeelden hem toe te komen, gebeurden’t dat den Graaf van Palene, door de won- [fol. (C)4v] dere wetenschappen van zijn verstand verrukt, hem deê beloven eenige maanden lang met hem deur te brengen, en hem een huis dicht bij ’t zijne gaf, om hem met meer gemak te bezoeken. Maar door dien hij seder wist, dat den Prins van Consa zijn Vader, dat niet goed en vond, uit vrees dat men niet zeggen zouw, dat zich den jongen prins verongelijkten hem van Tasso te dienen, wiens Vader de voornaamste vertrouwling van den Prins van Salerne geweest had; was dit de oorzaak, om den Vader en Zoon niet tweedrachtig te maken, dat hij voor hem nam door zijn afwezen daar in te verzien, hem hier in met de gelegendheid behelpende, die zich aanbood om na de Stad Bisaccio, in het gezelschap van Jan Baptiste Manso, die daar Heer af was, te gaan. Hier bragt hij eenigen tijd door in het gezelschap van zijn vriend, met dewelke hij weder te Napels quam, om achting op zijn zaken te geven. Zoo haast als hij die in stand gesteld had keerden hij wederom na Roome, ’t welk zijn vierde reize was, om door middel van Kataneus eenige van zijn goederen weder te verkrijgen, die te Bergamo in handen van twee of drie van zijn vrienden waren. De gunsten die hij van Paus Sixtus ontfing, hielden hem daar eenen geruimen tijd, die hij voornam te gebruiken in ’t maken van eenige t’Samensprekingen, en verscheide Vaarzen tot lof van zijn Heiligheid.
    [fol. (C)5r] Geduurende deze dingen liet Ferdinant, groot Hartog van Toscanen, komende in zijn Broeders Francois plaats, een groot getal van uitnemende mannen in zijn Hof komen, zijnde zeer begerig om den genen ook te trekken, die hij voor dezen te Roome gekend had, toen hij noch Kardinaal was. Hij gebruikten hier toe vele middelen, en zelf ook het gezag van den Paus, aan den welken Tasso beloofden daar voor eenigen tijd te gaan wonen. Daar gekomen zijnde, wierd hij grootelijkx van den Hartog en van al den adel verwellekomt. Maar wat goed onthaal dat men hem doen mogt, het was al niet magtig om hem te vergenoegen, om dat hij altijd den geest te Napels had, daar hij zich beloofden t’eeniger tijd van zijn goederen te leven, en het overige van zijne jaren in vreugden door te brengen. Deze hoop en begeerten die hij had van zijn zaken eens ten einde te zien, deden hem den Herfst daar na van Florence vertrekken. Maar eerst nam hij oorlof van den grooten Hartog, die hem met gunsten en rijke giften ophoopten, daar hij evenwel maar een klein gedeelte van nam, gelijk dat zijn gewoonte was. Alzoo ging hij in’t zesenveertigste jaar zijns ouderdoms, voor de vijfdemaal na Roome, daar hij dikmaals raad kreeg van den stand zijner zaken, en daar hij niet als een slotvonnis van verwachten. Maar het aanhouden van den Graaf van Palene, wiens Vader gesturven was, en hem het ampt van groot admiraal na liet; riepen [fol. (C)5v] Tasso weder tot Napels, in het Paleis van dezen jongen Prins. Hier begon hij het Gewonnen JERUZALEM, en het voleindigd hebbende in het huis van zijn vriend Manso, deê hij ’t seder te Roomen drukken, hier toe verzocht zijnde van den Kardinaal Aldobrandini. Hier begon hij zelf zijn goddelijke Poëzij der Zeve Dagen, dat hij onvolmaakt liet, en desgelijkx zijn t’Samenspraak der Vriendschap.
    Maar terwijl dat de aangenaamheid der geleerdheid, en de ommegang van zijn vriend, veel van zijn qualen verzachten; zoo verwekten hem de fortuin, die hem altijd tegen geweest was, de gelegendheid om uit die haven te gaan om hem in nieuwe stormen te begeven. Want het gebeurden dat in die tijd, als den Kardinaal Hippolijtus Aldobrandini, tot oppersten Paus verkoren wierd, en gebijnaamd Klement de achtste, zijn neef Cinthio, tot Tasso zond, en hem liet bidden dat hij te Roome zouw komen, om in zijn gezelschap te leven, met de zelve vrijheid van geest die hij elders hebben mogt. ’t Welk hemTasso niet eerlijk kon weigeren, om dat hij wel verzekerd was, wat die Prins verdiende, en dat hij hem altijd een goede genegendheid had toegedragen, volgden hij hier in zijn genegendheid en den raad van zijn vrienden. Ziet hier deê hij dan een zesde reis na Roome, daar hij met groot handgeklap van het geheele Hof ontfangen wierd, voornamentlijk van Peter en [fol. (C)6r] van Cinthio Aldobrandini, neven van den Paus, die hem terstond aan zijn Heiligheid vertoonden, doende allebey om strijd haar best, om hem de braafste proeven van gunst, van mildadigheid, van beleefdheid en genegendheid te toonen. Ondertussen weet hij niet hoe hij zich bij haar dragen zal, en zijn vriendschap zoo wel niet kunnende besnoejen, of hij gaf veel grooter proeven aan Cinthio als aan zijn neef, die hij evenwel zijn geleerd gesprek van de Heldendichten, ’t gene bij na de regel en de maat van zijn VERLOSTE JERUZALEM is, opdroeg. Echter zag hij wel dat de eene en d’andere niet even tevreden waren; ’t welk hem in een grooter zwaarmoedigheid als te voren dompelden, door de ongenuchten die hij ontfing, om dat hij de oorzaak van de twist tussen deze twee Kardinalen was.
    Onder deze ongenuchten van zijn geest, vertoonde zich de groote stilte daar hij zich te Napels pleeg in te verheugen, dies nam hij voor hem daar weder na toe te keeren, met het verlof van den Paus en de twee Kardinalen zijn vrienden, die niet als met groot leedwezen dit toestonden. Hij trok ’er dan na toe voor de vijfde reis, in het vijftigste jaar zijns ouderdoms, en herbergden in het Klooster van sint Severijn, om in volkome vrijheid te zijn, en zijn geest geheel te bezitten. Hij had in der daad eenigen tijd in zoo veel vermaak deurgebrocht, dat hij alreede vast gesteld had nimmermeer daar uit te trekken; [fol. (C)6v] wanneer den Kardinaal Cinthio, die niet zo zeer begeerden, als op het spoedigste een man van die verdiensten wederom te zien, om hem te betoonen hoe zeer hij hem beminden, den Paus en den Raad bad, hem in het volle Kapitool, in triumf, met de Lauwrierkroon te willen verheerlijken; ’t welk den Paus goed vindende, liet uitroepen, welk gebod terstond door de onderhouders daar van, wierd verkondigd en Tasso verwittigd, dat hy spoedig zich na Roome zouw begeven, om die eer, die hij waardig was, t’ontfangen, en van stip tot stip doen ’t gene noodzakelijk voor deze pracht zijn mogt. Maar hy, die zich nooit met de eergierigheid prikkelden, verklaarden grootmoedig aan alle zijne vrienden, dat hij zoo moede was van ’t reizen, en aan het Hof te wezen, dat alle de eer en prachtigheid van Roome, by de waardy van de eenzaamheid, hem droomen, of onverdragelijke lasten schenen te zijn. Evenwel hoe hardnekkig dat hy zich geliet in niet van Napels te willen vertrekken, zoo brogten hem eindelijk den raad van zijne vrienden, en bijzonder die van Manso, daar toe, tegen zijn voornemen. Hij vertrok dan een weinig daar na; en om het lichaam van den heerlijken sanct Benoist te zien, bragt hij de Feest van ’t nieuwe Jaar in ’t Klooster van den berg Kassin over; daar na nam hij de wech na Roome, en wierd zeer wel van den Paus en de Kardinalen ontfangen, voornamendlijk van Peter en Cinthio Aldobrandini, [fol. (C)7r] zijn bezonderste vrienden. Te zijner aankomste maaktemen heerlijke voorbereidingen, niet alleen in het Paleis van den Paus, daar Tasso t’huis was, en in ’t Kapitool daar deze Krooning geschieden zouw, maar ook in alle de straten van de Stad, daar deze heerlijkheid en pracht van dees triumf most doorgaan; en gelijk als of hij in het toekomende had doorgedrongen, zoo gaf hy altijd door zijn gelaat en woorden te kennen, dat alle deze voorbereidingen maar te vergeefs zouden zijn.
    Deze voorzegging van Tasso wierd niet als al te vast bevestigd, door de toeval die daar eenigen tijd op volgden. Want het gebeurden eindelijk, dat een ongezondheid, die men veel langer als gevaarlijker achten te zijn, hem ongevoellijk, de weinig kracht van leven die hem noch overig was, verminderden. En zoo de quelling en d’ongenuchten machtig zijn, gelijk ’er niet aan te twijffelen en is, om onze jaren af te snijden, zoo is’t te gelooven dat den loop van de zijne, zeer verkort zijn door een geduurigen vloed en hervloed van verdrukkingen, en moeilijkheid, die hem zijn tegenspoeden, zijn lange reizen, en zijn leerzaamheid veroorzaakten. Maar over al was hy eenigen tijd te voren, eer dat hy sturf, machtig aan een buikloop tot aan den bloetgang toe vast; ’t gene hem zoo verzwakten, dat hy eindelijk, ziende dat het geweld van zijn quaal de zwakheid van de natuur te boven ging, voor hem nam de rest van zijn [fol. (C)7v] dagen, in het Klooster van den heiligen Ounfres door te brengen. Daar wierd hy terstond in een bequame plaats gelegt, en van de voornaamste van ’t Klooster bezocht. Maar hoewel dat hem de geestelijke met veel zorg onthaalden, en dat de voornaamste Geneesmeesters van Roome haar best deden, om hem weder tot gezondheid te brengen; evenwel kon dat niet beletten dat zijn quaal niet verdubbelden door het geweld van een koortse; zulkx datse op den zevenden dag van zijn leven begonden te wantrouwen. ’t Welk Rinaldini, zijn oude vriend, wezende toen ter tijd Geneesmeester van den Paus, hem verwittigden, die hy hartelijk bedankten, ontfangende het Sakrament, en ontrok zich geheel van de genegendheid der aardsche dingen, om zijn gedachten ten Hemel te heffen door het misvertrouwen van zijn zelve: Een weinig hier na door den Opperste van ’t Klooster gevraagd zijnde, of hy zijn uiterste Wille wilde maken; antwoorden hy: Mijn Vader, ik behoor daar niet op te denken, en terwijl dat ik alle de rijkdommen, geduurende mijn leven, veracht heb, zoo ben ik wel verzekerd dat ik ’er geen na mijn dood zal nalaten. Ziet daar evenwel de grootste Schat, die ik ooit geven kan, en daar ik u erfgenaam af maak. Dit zeggende gaf hy hem een Kruisjefix van koper, ’t gene een proefstuk van de Tombe was, die den Paus Klement hem gegeven had, en’t gene men noch tot op dezen dag in dat Klooster, met een groote eerwaar- [fol. (C)8r] digheid bewaard. Door dat zelve middel bad hy de geestelijke, dat zy ’t niet qualijk wilde nemen dat zijn lichaam in haar Kerk begraven wierd; ’t welk zy voor een bijzondere gunst achten. Daar na ziende dat zy hem baden dat hy zijn eigen Grafschrift zelf wilde maken, om op zijn Tombe gehouden te worden, antwoorde hy aan zijn Biechtvader; Schrijf ’er geen andere dingen op, als; Dat ik de ziel weer aan God geef dieze gegeven heeft, en het lichaam aan d’aarde daar het uit gekomen is. Maar eindelijk op den veertienden dag van zijn ziekten, die de laaste op een na voor zijn dood was, gevoelende hem al langsaam verzwakken, ontfing hy wederom het gewijde lichaam, daarna weêr ’t uitnemend olijfsel; en daar na weder den zegen van wegen den Paus, die hem den Kardinaal Cinthio gaf; die hem bijzonderlijk beminde. Ook belasten hy aan niemand anders als aan hem zijne Kinderen, dat ’s te zeggen de Werken van zijn geest, en bijzonder zijn JERUZALEM, ’t gene hy zeide het alderonvolmaakste van zijne Werken te wezen; ja zoo ver, dat hy hem standvastig bad, dat men de nadrukken die m’er af vinden mogt, in ’t vier zoude werpen indien het mogelijk was. Hier by voegende, dat een man van zijn hoedanigheid magt genoeg had om dat uit te voeren, indien hy ’t hem onderstond. Den Kardinaal beloofden hem dat te doen; uit vrees van hem te verstoren indien hy ’er tegen had gezeid. En als doen bad hem [fol. (C)8v] Tasso, dat men hem tot des anderen daags ’s morgens in zijn kamer alleen zouw laten, om hem gerust in zijn Zaligmaker t’onderhouwen; en dit zeggende hiel hy het Kruisjefix stijf in zijn armen omhelsd. Het gezelschap vertrok terstond, en den Kardinaal zey hem de laaste Vaar wel met de oogen vol tranen. Seder liet men niemand in zijn kamer als zijn Biechtvader komen, en eenige andere vrome geestelijke, die hem van heilige dingen onderhielen. Hebbende alzoo een gedeelte van de nacht en den volgenden dag deurgebrogt, voelden hy eindelijk dat het laaste oogenblik van zijn dagen vast naderden, en begon Godsdienstig deze woorden te spreken; Heer in uwe handen &c. En die niet kunnende uitbrengen, gaf hy zijn ziel aan God, in ’t Jaar MDLXXXV, in ’t eenenvijftigste jaar zijns ouderdoms, den vijfentwintigsten van Grasmaand, ontrent den middag. Zijn lichaam wierd in de Kerk van den heiligen Onufres begraven, gelijk hy in zijn leven begeerd had, en dit Opschrift wierd op zijn Tombe gezet;
        HIC JACET TORQUATUS TASSUS.
    Maar het geschiede dat den Kardinaal Bonifatius Bevilaqua, hem met een deftige Tombe vereerden, die dikmaals van de vremdelingen, die in die gewesten reizen, bezocht word. Hy was lang van persoon, had een groot hoofd, kastanjebruin hair, een breed voorhoofd, blaauwe oogen, gelijk Homerus Pallas toeschrijft, middelmatige ooren, bleeke en [fol. (D)1r] magere kaken, een groote neus, bleeke lippen, witte tanden en wel geschikt, een afgerichte tong, grooten baard, breede schouderen, zenuwachtige armen, lange handen, welgemaakte beenen, en niet te vollijvig van lichaam: ook is het niet te gelooven hoe gezwind van lichaam, en hoe afgericht dat hy in alle oeffeningen die een goed Ridder maken, was. Maar hoe groot dat zijn hoedanigheden waren, echter moestenze voor het groot getal zijner deugden, die zijn ziel deurluchtig maakten, neêrbuigen. Want zijn brave daden gaven onwedersprekelijke proeven, dat hy een stip onderhouder der rechtvaardigheid*en een getrouw vriend der waarheid was; geboren om een ijder te verplichten, onbewegelijk in zijn trouw, vijand van quaad spreken, standvastig in zijn verdrukkinge, gedienstig in ’t mogelijke, genegen om de rijkdommen te verachten, voorzichtig in zijn woorden, ootmoedig indien het ooit een mensche geweest is, vaardig in ’t vergeven, vol van moed, sterk, grootshartig, voorzichtig, matig, goedertieren, en om het met een woord te zeggen, met alle uitstekende volmaaktheden begaaft, die noodwendig zijn om een eerlijk Man te maken. Aangaande zijn geest, om daar waardig van te oordeelen, moet men niet als zijn Geschriften lezen; daar in hy in rijkdom van ondervindingen, in de edelheid van stijl, en in de zuiverheid van spraak, altijd zijn zelve in gelijk is, en boven andere Schrijvers uitsteekt. [fol. (D)1v] Gelijk als hy het diepste der wetenschappen bezat, zoo heeft hy in alle wijzen van schrijven, in vaarzen en onvaarzen uitgeschenen: dat getuigen zijn onnavolgelijke t’Samenspraken, daar in hy handeld gelijk het behoord, van de zeden, van de regeringen, van de huishoudinge, hy heeft hem tot een voorbeeld voorgeschreven, de Redenkaveling van den goddelijken Filozoof Plato; getuigen zeg ik; die aangename Mengeldichten, die gelijk als de vaarzen van den grooten Virgilius, den genen dieze lezen nimmermeer vervelen, en aan al den genen doen bekennen, dat hy in’t overwegen van zijn JERUZALEM en zijn Amintas, bijzondere aangenaamheden en schoonheden in de Heldenpoëzij en in de kluchtige heeft. Men moet het zelve ook van zijn Liergezangen zeggen, waarin men op ijder blad de majesteit van Pindarus, de vloejendheid van Horatius, en de geestigheid van Martiaal ziet. Daarin hy zeker meer roemens waardig is, om dat hy standvastig alle de beletselen, die hy bekende in zijn natuur, in zijn fortuin en in zijn eige deugd gehad te hebben, te boven is gekomen. Om dat hy zijn werken niet als met groote moeiten, en voornamelijk zijn vaarzen maakten. In zijn fortuin, in ’t gene datse hem dikmaals de noodwendige dingen te schrijven weigerden, gelijk als zijn boeken, inkt, papier, en zelf het licht geduurende de nacht; en in zijn deugd, ter oorzaak dat vele die zeiden zijn vrienden te wezen, zoo [fol. (D)2r] trouwloos waren, dat zy hem zijn geschriften ontstalen en die drukken lieten, zonder dat hijze eens overzien, of verbeterd had. Maar hoe groot dat het quaad zijner benijders geweest is, zoo heeft het niet kunnen beletten, dat de faam zelf zorg gedragen heeft, door al de wereld de groote verdiensten van zijne Werken te verkondigen. Zulkx dat het te gelooven is, gelijk alsze by al de Wereld worden aangenomen, dat zy die in de geheugenis van al de Wereld zal behoeden, tegen ’t geweld der onwetende, en tegens de laster der jaren.



[
fol. (D)2v]

Vergelijkinge van de

DICHTKUNST.

DE Heldendichten, gelijk als een dier daar twee natuuren in t’samengevoegd zijn, worden van twee verscheide dingen gemaakt, als de nabootsing en de vergelijking. Door het eene trekt zij de geesten en ooren der menschen, die zij op een wonderlijke wijze betooverd, en door ’t andere onderwijstze haar in deugden, of kunsten, of in alle beide teffens. Elders gelijk als de nabootsing der Poëzy, altijd een oprechte gelijkenis en een beeld van het menschelijke leven is, alzoo is de vergelijking ook als een voorbeeld. Het geheel onderscheid dat ’er in zij, is dat de nabootsing de daden der menschen, die het uitwendig gevoelen onderworpen zijn, te voren steld; daar zij haar voornaamste werk af maakt, en tracht het voor de oogen in bequame woorden te vertoonen; waar van de verklaring machtig en natuurlijk is, zonder zich te verbinden, noch aan de zeden, noch aan de genegendheden, noch aan de redenkaveling van de geest; behalven als in ’t gene datse uitterlijk voortbren- [fol. (D)3r] gen, en ’t geenze in ’t openbaar door woorden gemeen maken, en door de werken dieze aan de daden verknochten en doen vergezelschappen. De vergelijking in tegendeel overweegt de driften, het gevoelen en de zeden in haar uitwendige maar veel meer in haar inwendige schijn, en die met een kleed, dat een weinig duister is, bedekkende, geeftse die door zekere tekenen, die men verburgen mag noemen, te kennen, en die niet gelijk als het behoord konnen begrepen worden, als door die alleenelijk, die met een goede wijze de eigenschappen en de verburge natuur van die dingen konnen bekennen. Maar voor tegenwoordig de nabootsing achterlatende, zal ik mij aan de vergelijking houden, terwijl dat het voorwerpsel is daar ik van voorgenomen heb te spreken. Gij moet dan weten, dat gelijk als men het menschen leven op twee wijzen moet aanschouwen, ons de vergelijking het eene en ’t andere afbeeld. Want wij verstaan gemeenelijk door den mensch, een t’samenvoegsel van lichaam, ziel en geest, en noemen het menschelijk leven ’t gene hem het bequaamst en eigenst is, tot uitwerking van het welke ijder van zijn partijen arbeid, en deze wijze van verkrege volmaaktheid voortbrengt, daar zij van natuur toe bequaam is. Men moet somtijds niet te min door den mensch verstaan, niet het t’samenvoegsel, maar zijn edelste gedeelte, ’t welk de geest is. Doch na deze leste beteikening, mag men zeggen dat het menschelijk leven bestaat in ’t overdenken en in de slechte uitwerking, door middel van het verstand. Wel zeker zijnde [fol. (D)3v] dat op deze wijze, het menschelijk leven van ’t goddelijke mede deeld, en dat het hemelsch word. Van dit aandachtig leven der menschen, is het blijspel van Dantes en d’ Odijsseen*ook een ander voorbeeld, in elk van zijne deelen: daar bij ik noch voege, dat door d’Iliaden en d’Eneas het burgerlijk leven omschaduwd worden. Hoe wel deze leste, in ’t behoorlijk overwegen, een bequamer t’samenvoeging van daden en overdenkingen is. Maar gelijk den overpeinzende mensch de eenigheid bemind, gelijk als de bezige zich gemeenelijk in gezelschappen verheugd, zoo komt het daar van daan, dat Dantes, en Ulisses, in zijn vertrek, van Calipso, alleen verzierd worden, en niet van een groot getal oorlogsvolk vergezelschapt, in plaats dat men Agamemnon en Achilles op een andere wijze in Homerus beschreven vind, die den eenen Veldheer van ’t grieksche Leger, en d’andere het Hoofd van verscheide Mirmidoonse Troeppen maakt. Hier in bevestigende; dat toen Eneas in het oologsveld was, en dat hij andere burgerlijke daden deê, hem Virgilius nooit alleen vertoonde; maar wanneer hij hem in de helle en in de Elizeesche velden doet dalen, dan geeft hij hem niemand om te vergezelschappen, zelf niet zijn getrouwen Achates, hoewel hij gewoon was hem weinig met het gezicht te verlaten. Alzoo is ’t niet zonder reden, dat den Poeet hem verzierd alleen te zijn, aangezien dat ons door zijn reize afgebeeld is, een overdenkinge van moeiten en vergeldinge die voor de zielen in het andere leven bewaard wor- [fol. (D)4r] den. Elders is de uitwerking van een aanmerkenswaardig verstand, dat in een eenige macht bestaat, veel bequamer door de daad van een vertoond, die in plaats dat de regerende uitwerkingen, die uit andre machten van de ziel voortkomen, die als de inwoonders van een eendrachtige staat t’samen gevoegd zijn, zoo wel door een daad alleen niet kan uitgeleid woren, daar verscheiden niet t’samen bezich zijn tot een zelf einde. Gelijk als ik mij dan aan deze reden en voorbeelden verbonden heb, zo heb ik noodig geoordeeld de vergelijking van mijn Poëzij te stellen, na den zin die ik u hier nazeggen zal.
    Door het Leger dat men hier van verscheide Prinssen en Christen Soldaten t’samen gevoegd ziet, verstaan ik den waren mensch, die ook van een lichaam en een ziel t’samen gevoegd is; daar in aan te merken is, dat deze niet eenvoudig maar in verscheide machten verdeeld is. Door Jeruzalem, dat een starke Stad is, om datse legt op eenen hoogen berg, en ’t gene het doelwit en het einde van al de moeiten en aanslagen van het Leger der geloovige is, word ons aangewezen, de burgerlijke gelukaligheid die een Christen mensch voegd, gelijk wij hier na toonen zullen, ’t welk een goed is, daar mij de verkrijging wel bezwaarlijk af schijnt, om dat men het niet vind als op de hoogste en moeilijkste bergtop van de deugd, daar alle heerschende zaken als na heur roof op toeleggen. Godefrooy die Veldheer van al deze Benden is, bekleed hier de plaats van het verstand, en bezonder
[fol. (D)4v] van de gene die alleen de noodwendige dingen niet overweegd, maar ook de gene die de verandering onderworpen zijn, en op verscheide wijzen konnen gebeuren. Dat hij zelve, door de wille Gods en het algemeen bestemmen der Christen Prinssen, tot Hoofd van dezen aanslag verkoren is, om ons te doen zien dat God en de natuur aan het verstand een opperheerschappij, over het lichaam en de deugden van de ziel gegeven heeft, dewelke zij volkomen beheerscht. Aangaande Reinout, Tankredo, en de Princen haar spitsbroeders, zij betekenen de andere machten van de ziel en het lichaam der soldaten, die niet van het alderedelste zijn. Nu om dat de misslagen van de menschelijke natuur en de bedriegerijen van die haar vijand is, beletten dat den mensch na zulk een groote gelukzaligheid niet kan vertoeven, zonder inwendig verscheide tegenstrevende driften te gevoelen, noch zonder van buiten veel beletselen in zijnen weg te vinden; alle deze dingen worden teffens door de gemeene kunst aan de Poëten bedied. De dood van Suenes en zijn medegezellen, ver van ’t Leger gebeurd, vertoond ons het verlies dat den mensche aan zijn vrienden en uitwendige goederen lijd, het welk het spoor tot de deugd is, en diend om haar op eenige wijze gelukkig te maken. De Legers van Affrijke en Azien, daar de verwoesting der oorlogen uitvolgen, zijn geen andere dingen als vijanden van het menschelijk leven, en de toevallen van de tegendeelige fortuin. En zoo ’t vereischt om tot d’inwendige beletselen voord te gaan, dan word ons door de dwaze [fol. (D)5r] liefde van Tankredo en de andere Ridders, die deze gevaarlijke drift van Godefrooy vervoerden, en desgelijkx door de spijt die Reinout van zijnen aanslag weêrhield, geleerd de gevaarlijke voorwaarden, die twee moejelijke driften, te weten de wellustigheid en de gramschap, die tegen haar opstaan, smeden. De Duivelen, die onder elkanderen raadslagen om d’overwinning van Jeruzalem te beletten, vertoonen haar eigen zelve. Zoo veel te meer om dat het haar gewoonte is, haar hier beneden tegen ons geluk te stellen, op dat het ons voor geen ladder zouw dienen om ten Hemel te klimmen. De twee Toovenaars, Ismenes en Armijde, vervloekte dienaars des Duivels, die tot een hinderpaal aan de Christenen wapenen trachten te zijn, vertoonen de verzoekingen, die voor de twee machten der zielen, daar de zonden uit voortkomen, geduurig lagen leggen. Ismenes word voor die aard van verzoekinge genomen, die door valsche indrukkingen, het ware gevoelen dat men van de deugd heeft, zoekt te bedriegen. Armijde is een ander, die het lokaas voor de macht toond die men lust heet, zulkx dat door haar middel, de dwalingen van het gevoelen en van deze laatste, van de lust, voortkomen de bezweringen die Ismenes in ’t Bosch doet, daar hij het gevoelen door ijdele spoken bedriegt, is een voorbeeld van de valscheid der reden en d’overstemming, die in dat bosch geteeld worden, dat ’s te zeggen in de verwerde verscheidenheid der berichten der overredding, en der menschelijke redenkaveling. Nu alzoo het de gewoonte der menschen is, [fol. (D)5v] d’ondeugden te volgen en van de deugd te vluchten, ’t zij dat hem de arbeid en de gevaren onverdragelijke lasten schijnen, of dat hij, op het voorbeeld van Epikuur en die van zijn schole, het opperste geluk in de wellustigheid steld, dit is d’oorzaak daar van dat de betoovering dubbel is. Het vier, de draaiwinden, de duisternisse, de wanschepsels en andere diergelijke spoken, leeren ons, dat de eerbare moeilijkheden en de eerlijkste gevaren, niet zonder wolken zijn die ons trachten te verleiden, bedekkende het quade met een bedriegelijken schijn van ’t goede. Men kan het zelve zeggen, van de bloemen, fonteinen, stroomen, speeltuig, en de schoone nimfen, waar door men de sluitreden verstaat, die onder valsche verven trachten om voor waar te doen gaan, het vermaak van het gevoelen en der wellusten, die niet dan een oogenblik duuren.
    Dit zal genoeg zijn, zoo mij dunkt, aangaande de beletselen die den mensche in het uitwendige en buiten zijn zelve vind. Want hoewel dat hier dingen zijn daar de vergelijking niet in ’t lang genoeg uitgedrukt is, evenwel zal ’t niet moeilijk zijn te vinden, voor den genen die het zal willen zoeken, in den weg van zijn beginselen. Laat ons nu zoo wel tot d’inwendige als uiterlijke hulpmiddelen voortgaan, waar door den mensche de beletselen die zich tegens zijn voornemens stellen, te boven komt en gelukkig tot die begeerde gelukzaligheid geraakt. Het diamante Schild, ’t gene Reinout voor de verdading van Godefrooy bedekte, daar bij moet men
[fol. (D)6r] verstaan de bijzondere bijstand die God den genen doet, die hij in zijn bescherming beliefd te nemen. Aangaande de Engelen, zij verbeelden nu de hulp van boven en dan weder de goddelijke inblazingen, afgebeeld door den goeden raad des Kluizenaars en door den droom van Godefrooy. Deze zelve Kluizenaar, die tot Reinouts bevrijding twee boden tot den Konstenaar afgevaardigd, is een kenteken van de boven natuurlijke kunst, die men door een bijzondere genade van de dingen heeft, gelijk als den Konstenaar ook een andere van de menschelijke wijsheid is, van de welke, en van de kennisse der natuurlijke werken, en van haar onnavolgelijke hoofdstukken, in onze harten voortteelen en wortelen de rechtvaardigheid, de matigheid, de grootheid van de moed, de verachtinge des doods, en alle andere deugdsame zeden; daar zekerlijk de overdenkingen den mensch uitnemende in dienen kan, om veel waardiger te arbeiden als hij tot de uitwerkingen komt.
    Na de verziering, die na al deze dingen volgd, word gezeid dat den Konstenaar, die een Heiden van geboorte is, tot het Christen geloove door den vromen Kluizenaar bekeerd was, en dat hij zijn eerste hoogmoedigheid neerleggende, zoo quaden gevoelen van zijn wetenschap had, dat hij zich aan het oordeel van zijn Meester gedraagt. Om te toonen dat van oude tijden, de Filozofie der Heidenen in Egipten en Grieken sproot, van daar zij tot ons overquam, met een grooten laatdunkendheid van haar zelve, vergezelschapt met ongeloo-
[fol. (D)6v] vigheid, eergierigheid, en een onbepaalde opgeblazendheid; maar seder dat sant Tomas en andere geleerden der Kerke, haar vernietigden, en leerling en dienstmaagd der Godgeleerdheid maakten, wierdse geestelijk en zedig, tot op het uiterste punt van niets onbewust te durven bevestigen, tegen ’t gene dat van boven aan haar Meestres geopenbaard is. Het is ook niet zonder reden dat ’er gezeid is, dat dezen Konstenaar niet kon gevonden worden, noch veel meer weergebrocht, als door den eenigen raad van den Kluizenaar; om ons te leeren, dat de genade van God niet altijd zonder middelen in den mensche, of door ongemeene dingen; maar dat zy meenigmaal door natuurlijke middelen werkt. Volgens dit is het wel redelijk dat Godefrooy, die wij gezeid hebben een voorbeeld van ’t verstand te zijn, om dat hij in ’t stuk van godsdienst en medelijden, alle de andere te boven ging, bijzondere gunsten en genaden ontfangt, die aan niemand als aan hem geopenbaard worden. Wanneer het geschied dat de menschelijke wijsheid, door de kr;acht van boven geleid zijnde, de gevoellijke ziel van het quade verlost, en die de deugd der zeden inboezemt. Maar om dat dit niet genoeg was, is ’t om die reden dat den Kluizenaar Peter, Godefrooy en Reinout biecht, hebbende van te voren Tankredo bekeerd. En zoo veel te meer, om dat die zelve Reinout en Godefrooy de voornaamste Helden der Poëzij zijn, zal het mogelijk den Lezer niet onaangenaam wezen, dat ik eenige dingen, die ik gezeid heb, weer van stip tot stip [fol. (D)7r] herhale, om haar den zin van de uitlegging, die onder ’t deksel van hare daden verburgen is, te ontdekken. Men moet dan weten dat Godefrooy, die ik de eerste plaats in mijn werk geef, in verscheide plaatsen daar ik zeg, dat hij den Scepter zwaaid, en dat hij de ziel en het leven van ’t Leger is, het verstand betekend, gelijk ik daar strax getoond heb. En zoo ik het leven noem, is uit oorzaak dat onder de edele machten van de ziel, ook d’allerminste begrepen zijn. Na Godefrooy stel ik Reinout, die de tweede in waardigheid is, en die volgens dien in de vergelijking in een plaats behoord gesteld te worden, die hem eigen en bequaam is. En zoo ’er verschil is om te weten welk dat deze macht van de ziel is; die de tweede plaats heeft, dat zal niet moeilijk vallen, indien men aandachtig overweegt ’t gene ik zeggen zal. Men noemd het gramschap, deze macht van de ziel, die haar ’t minste van de edelheid van ’t verstand af begeeft. Mogelijk heeft hierom ook Plato schijnen te twijffelen, of zij van de reden verscheiden, of wel een zelve zaak met haar was. Maar d’ondervinding doet zien dat zij behoord, of dat zij behoord te wezen aan de ziel, ’t gene dat de Hoofden aan ’t oorlogsvolk zijn. Want gelijk het de plicht der soldaten is, aan den genen die de kunst van heerschen kan, te gehoorzamen en tegens de Vijanden te strijden, alzoo voegd het de toornige macht, als ten strijd afgerecht zijnde, haar tot voordeel van de reden tegen de begeerlijkheid te wapenen, en deze geweldige en razende drift, die haar aangeboren is, te gebrui- [fol. (D)7v] ken, om al het gene dat haar geluk krenken kan, uit te roejen. En zoo ’t gebeurd dat zij de reden niet gehoorzaam is, en dat haar eigen tocht haar vervoerd, alsdan wederstaat zij de wellustigheid niet, maar zij wapend haar veel eer tot heur voordeel: hier in een quade wachthond gelijk zijnde, die de schapen verbijt, in plaats van op de dieven toe te vallen. Maar hoewel dat deze deugd, die van zich zelve geweldig en onoverwinnelijk is, niet geheel door een eenigen Ridder betekend kan worden, niet te min is ’er Reinout het voornaamste voorbeeld af. Ook geeft hij ’er proeven van, wanneer hij in het lijfgevecht tegen Soliman, de palen van de wraak te buiten gaat, en dat de liefde hem in een uitsporigheid werpt ten dienste van Armijde. Gelijk als men in tegendeel bemerken kan, op wat wijze zijn gramschap door de reden bestierd word, wanneer men hem de betoovering van ’t Bosch ziet te niet doen, de Stad van Jeruzalem bestormen, en het Leger der Vijanden verstroojen. Zijn wederkomst en zijn verzoening met Godefrooy, betekenen dan eigendlijk d’onderdanigheid, die het gramstorig deel aan het redelijk gedeelte schuldig is: daar in voornamelijk twee dingen aanmerkenswaardig zijn; het eene dat Godefrooy zich tegen Reinout met een beleefde en eerlijke zedigheid, als Overheer betoond; ’t gene ons leerd, dat de reden over de gramschap, niet volkomendlijk maar beleefdelijk, gebied. Gelijk als in tegendeel, wanneer die zelve Godefrooy hem hoogmoedig betoond in het vangen van Argiljan, door welk middel hy het oproer [fol. (D)8r] intoomd; waar door ons bewezen word, dat de macht van de ziel over het lichaam is koninglijk en volkomen. De andere zaak die ons ondekt is, en die ik een groote overwegingen waardig achte, is gelijk als het redelijk gedeelte, dat van het verstoorde, de daden niet moet uitsluiten (daar in de Stoische grootelijkx gemist hebben) noch haar ampt ontnemen, om dat zulk een onrechtvaardige beneming, recht tegen de natuurlijke rechtvaardigheid strijden zouw; maar haar eel eer in de hoedanigheid van medegezel daar van dienen; alzoo most Godefrooy zelf niet de wonderen van ’t Bosch beproeven, noch hem de andere ampten, die Reinout behoorden, toe-eigenen. Daar door men zien kan, dat de kunst van den Poéet niet zoo groot zouw geweest hebben, en dat het onder de regeringe zijnde, hij zich zelve minder zorgvuldig, als hij wezen moest, zouw getoond hebben, hem het noodwendige tot een doelwit voorstellende, indien hij Godefrooy alleen, ’t gene noodwendig in de belegering van Jeruzalem was, had laten doen.
    Tegens de reden die ik daar gegeven heb, strijd geensints ’t gene dat Hugo zeid, wanneer hij Reinout en Godefrooy voor twee gelijkenisse, van het redelijke en vergrimmende deel steld, vergelijkende de eene bij ’t Hoofd, en d’andere bij de rechte Hand. Want zoo wij gelooven ’t geen ’er Plato af zeid; het hoofd is de zetel van de reden, en zoo de rechte hand de gene niet van de gramschap is, dan kan men ten minsten niet loochenen dat het haar voornaamste werktuig niet is. Maar om tot het
[fol. (D)8v] besluit te komen, dat Reinout en alle de andre Ridders weder in ’t Leger keeren, door een bijzondere genade van God en een menschelijke voorzienigheid, die haar heur Veldheer doet gehoorzamen, wil zonder twijffel beteikenen, dat zoo dikmaals als het gebeurd dat den mensch in staat van de natuurlijke rechtvaardigheid gebrogt is; of dat de opperste machten gebieden gelijk zij behooren, en de mindere aan die van boven gehoorzamen, als dan is’t zekerlijk dat’er geen meer betooveringen in het Bosch zijn, dat de Stad gewonnen, ’t leger der Vijanden vernield is; en dat al de voorgaande moeilijkheden, die van buiten verschenen geen meer plaats konnen grijpen; ’t welk ook veroorsaakt dat al de beletselen eenmaal wech genomen zijnde, den mensche geheel de gelukzalige regeringe geniet. Maar door dien’t niet wezen moet dat zij het laaste doelwit der Christenen zijn zouden, wier gedachten en voornemen veel hooger moeten gaan, hierom is ’t dat den deugdelijken Godefrooy, zoo zeer niet begerig is om het aardsche Jeruzalem te verkrijgen, om alleenelijk het aardsche gebied te hebben, als om den Godsdienst te verkondigen, en aan de Godvruchtige Pellegrims den weg tot het heilige Graf veilig te maken. d’Aanbidding van Godefrooy maakt dan het besluit der Poëzij, om ons alle in ’t gemeen te leeren, dat t’elken maal als het verstand zich vermoeid vind van de moeilijkheid der wereldsche zaken, het eindelijk zijn rust in gebeden en in d’overdenkingen der goederen van d’andere Wereld, die onsterffelijk is, moet stellen, en diemen de volheid van alle onverganglijke gelukzaligheden mag noemen.



[
fol. (E)1r]

Op de vertaalde

GOFFREDO,

VAN

TORQUATO TASSO.

NEemt dan mijn wellust eens begin?
En is het deinzend uur geboren,
Waar op ik
TASSOOS Zangheldin
In ’t Nederlands zal zingen hooren,

(5) De brave GODEFROOY, wel eer
In ’t veld, voor zijn gekruisten Heer?
Gevoel ik reeds het heilig zoet,
Waar mee die gadelooze Schrijver
Een Ziel, die hem kan vatten, voed,

(10) En swelt mijn opgepersten ijver
Noch driftig niet tot een geluid
Van vreugd, en Zegevaarzen, uit?
O ja. Indien ik ooit mijn pen,
Bezwangerd van genegendheden,

(15) Tot lof van groote Dichters, en
Vergode vriendschap heb versneden;
Zij voeg’ er nu gedienstig na ’et
Bekende lof van mijn
TORQUAAT.
Torquaat, wiens penne, met het zwaard,
(20) En Godefrides Lauwerbladen
[fol. (E)1v]
Zich wonderlijk verevenaard:
En maakt het moeijelijk te raden,
Wie van dien Krijg meer lof verzeld,
Dieze eertijds voerde, of nu verteld.

(25) Al is die groote Vorst bij geen
Ook groote Vorsten t’saam te noemen;
Torquaat is ook zoo ongemeen
In zoo een groote Vorst te roemen;
Dat even zijn welsprekendheid

(30) Zoo groot is als zijn fier beleid.
Hij houd ons aan geen sufferij,
Of ongelooflijkheid gebonden.
Van lamme of zotte Poëzij.
Hij paart de waarheid aan ’t doorgronden

(35) Der wellust, die ooit hooge Ziel
Tot onderhouding best geviel.
Wie zoekt, door wijze dapperheid,
Voor al godvruchtig te regeeren,
Een volk, niet min door onderscheid,

(40) Van aart en*ongelijk als kleeren?
Hij mag zich hier gedragen an
Een Veldheer, die ’t hem leeren kan,
Wie drijft een lust te glorij aan,
Door ’t bloedig ampt der Ridderschappen;

(45) Rinaldo zal hem vooren gaan:
Of volgd hij liever maagdestappen,

Klorinde is hier, die Maagd en Man,
En spooren, en vervaren kan.
Wie eischt een les van ware Trouw,
[fol. (E)2r]
(50) Hij zal z’in Odoardo vinden,
En in zijn trouwe en dappre Vrouw:
Ook in
Sophronij en Olinde,
Dat edel paar zoo trouw als fier
Onscheydelijk tot in het vier.
(55) Wie heeft vermaak in trage gunst
Van minzame herten t’overwinnen;
Hier leerdme vrijen na de kunst.
Zie hier, door wat voor slach van minnen

Erminia ’t volherden vind
(60) Daar zij Tankredi meé verwind.
Wat oog is gerig, om een beeld
t’ Aanschouwen, daar van alle zijden
’t Volmaaksel der natuur in speeld,
Het ga zich weiden in
Armijde,
(65) En schemere aan die schoonheid, geen
Gebore mens, als haar gemeen.
Wenst iemand buiten zijn gevaar
Ervarendheid in oorlogslagen;
Hij kan mijn Heldedichter naar

(70) Het oordeel van Raimonde vragen:
Daar is een rijp vernuft, gespitst
Op alle slach van oorlogslist.
Is ergens taay verstand belust
Te weten, wat in aardse dingen,

(75) De helsse boosheid opgerust
Tot bijstand van ’er gunstelingen,
En ’t al ontzettende gezag
Tot hulpe van zijn keur vermag;
[fol. (E)2v]
Hij zie ’er Hijdraotes macht,
(80) Argante, Soliman, Ismene,
En ’t woedig op de been gebragt
Gants Oosten onder Emirene,
Door duivelse ijver, voor de Wet
En haar beminden Mahomet:

(85) Hij zie ’er, tot verwijt der Hell’
Met duizend benden aangespannen,
Gods Heirgeleider Gabriël
De boosheid in ’er afgrond bannen:
En door
Goffredo, Christus Held,
(90) Egiptens Standert neergeveld:
Hij*zie ’er eindelijk, al wat
De wijze God, zoo lang te voren,
Tot vrijdom van zijn heil’ge Stad,
Door Christevorsten had beschoren:

(95) En wijte geen geluk, maar hem
’t Veroverde
JERUZALEM.
Zoo vloeid mijn TASSOOS overvloed,
Door wensch en keur des meestbeminden
Vermaakx van ijdereens gemoed.

(100) Zoo kan m’het al in TASSO vinden:
En al, te wonder boven dien,
Volmaakt bij hem verhandeld zien.
Men reyst’er, blijft’er, denkt en leest:
En stuyft van onder op na boven,

(105) Met d’overalverrukte geest,
Door hemelse, helsse, en Vorsten Hoven,
Door Aarde, Water, Locht en vuur,

[fol. (E)3r]
In ’t meest verborgen der natuur.
Men gruwt, voor’t geen hij gruwzaam noemt.

(110) Men doemt de zonde, op zijn verfoejen.
Men lieft de schoonheid die hij roemt.
Zijn aandacht doet d’eerbieding groejen,
Daar ijder kenbaar eert, en vreest
De Godheid, dieme bij hem leest.
(115) Dan is zijn Boek, reeds meer geen Boek;
Maar, in zijn wezendlijk bekooren,
Veel eer een levendig bezoek
Van doen, bewegen, zien, en hooren,
En al de tocht, begrepen in

(120) ’t Gevoelig waar van ziel en zin.
Gij, ô gelukkig Vaderland,
Van zoo een wonder aller tijden,
Is ’t wonder, zoo wij dat Verstand,
Gebonden aan een Taal, benijden,

(125) Bij u wel, maar misschien niet veel
Verstaan bij ’s Werelds beste deel?
Toskane, noch geheel alleen
Italie kan toch
TASSO vatten.
Zijn schoone Geest moet, algemeen

(130) Met ongemener glorij pratten.
’t Is
TASSOOS glorij niet, waar van
’t Gemeen zijn iet vermind’ren kan.
Hoewel de schaarsheid dikwils doet
De prijs van Kleinoodien verswaren,

(135) ’t Uitstekende blijft altijd goed.
Men kan de stralen niet bewaren

[fol. (E)3v]
Der Zon, die ijder is gemeen,
En nochtans waard bij ijder een.
Misgun ons dan niet een vermaak,

(140) Dat hem geen moeite doet vervelen,
Die aan zijn Landsluy, in ’er spraak,

TORQUATOOS vruchten meé komt deelen:
Bedank veel eer den arrebeid,
Die dus uw Dichters eer verbreit.

(145) Maar, groote Ziel, gij, zoo ’t u lust,
Met noch iet werelds te bemoeijen,
Zie eens van boven, daar gij rust,
Uw eeuwige eer hier onder groejen:
En vest, in dat oneindig schoon,

(150) Noch deze parel aan uw Kroon.
’t Is niet genoeg in ’s moeders Taal
Den prijs zijn Borgers af te halen.
Een Dichters eer hangt t’eenemaal
Aan ’t oordeel van verscheide Talen:

(155) Daar DULLAARDS ijver, aangemaand
Door gunst, u reeds den weg toe baant.
Zoo dan de Ziel van Gods Soldaat
Zich aan ’er Heldendadezinger
Ooit plichtig dankbaar hooren laat;

(160) Zoo dank hem meé, die niet geringer
Aan zijn vertalen u verplicht,
Als gij
GOFFREDO aan uw Dicht.
L. JORDAAN.



[
fol. (E)4r]

Op

TORQUATO TASSOOS

Verloste

JERUZALEM:

Vertaald door

J. DULLAART.

DE dubble Zwaan, die Griekse en Roomse Dichters kroonen,
    Homeer en Maro wierd ten hemel toe geacht,
Om dat haar Luit, met meer dan aangename toonen,
    Voor eeuwig heeft bezield d’aaloude wapenkracht,

(5) Daar ’t Aziaanse bloed, en ’t bloed van ’t schoon Europe
    Tien jaren heeft gevloeid voor’t Slot van eene Stad.
Dus kost dat schoone Kind den muil des Nijds ontslopen,
    Onsterflijk zijn, zoo lang men iet onsterflijks had;
De Xanth en Zimoïs haar Troje noch omringen,

    (10) De hooge Sceésche Poort noch overende staan.
Hier komt nu een
TORQUAAT wat ongemeender zingen,
    En in ’t nieuw Latium d’Eóólsche Cijter slaan;

[fol. (E)4v]
Niet hoe het Heidendom heeft lijf om lijf gestreden,
    En Rijk om Rijk gewaagd, voor een ontschaakte Boel.

(15) De vrome GODEFROOY in’t harnas toegereden,
    Verlost de heilge stad van d’Aladijnse Stoel,
En kapt op d’Indiaan, en Pers, en snoô Barbaren,
    Ten dienst van d’Oppergod, en Zijn gekruisten Zoon.
Hij stormd verwoed op haar verwoede Heijërscharen,

    (20) Op dat geen booze Draak meer heerscht op Zalems Troon.
Hoe prachtig weet
TORQUAAT zijn GODEFROOY te malen,
    ’t Geloof en ’t Ongeloof te stellen in een perk,
En schoonder dan de Zon op Libanon doen pralen,
    Het Heir, daar ’t al voor zwicht, wijl’t dingt om Christus Kerk.

(25) Hij mengd de zoete liefde in d’edle Heldezangen,
    Hij voegd de groote Mars bij Anadiomeen.

Tankredo blaakt op ’t bloos van Maagd Klorindes wangen,
    Terwijl’er voor de Stad zoo bloedig werd gestreên.
Die dappre Krijgsheldin komt haar in ’t harnas toonen,

    (30) En sart Tankredo uit; gelijk Penthezile
Voor Ilion, en haar gemaanschilde Amazonen
    Met bijl en beukelaar, de trotse Achilles dee.

Tankredo drukt het zwaard in ’t hert van zijn Klorinde,
    Hij zuigt de fiere Ziel uit haar bebloede wond,
(35) En kust, en drukt, en weend op ’t Lijk van die hij minde
    Als ook Achilles op ’t schoon Amazoontjes mond.

[fol. (E)5r]
Gelijk de Griekse Zon, nooit zat van heete slagen,
    Den grooten Hector, na veel slagen, heeft geveld;
Zoo doet
Tankredo, wien Argant vaak uit kwam dagen,
    (40) En meesterd Aladijn zijn besten Oorlogsheld.
Maar
Reinout hangt mee aan Armides roozelippen,
    Als een verwonne Slaaf der schoone Tooveres;
Hij zit haar stadig op den tabberd en de slippen,
    En blust zijn oorlogsgloed in dees Krijgsmeesteres.

(45) Zoo raakt de felle Leeuw wel voor een wijl aan’t slapen,
    Zoo word Alcides vacht een deksel van de min,
En schept nu lust voor helm, en knods, en speer, en wapen,
    In zijn Lardaansche Nimf, der Lijden Koningin.
Zoo word Ulysses van zijn Hof en Volk gehouwen,

    (50) Terwijl hy zorgloos speeld in Circes laffe schoot,
Zoo duikt den Vijand voor den Held, den Held voor Vrouwen,
    En ’t volk is klein dat staal, bij ’t geen dat liefde bood.
Nu Reinout blijft niet meer, gelijk hij plag, verwonnen,
    Hy wraakt de geile Kol, en spant weer moedig aan.

(55) Hij wil met GODEFROOY zijn draad zien afgesponnen.
    En, als een kopre zuil, voor ’t heilig Kruisschild staan.
De Wreedaard sneuveld met zijn helsche Legerbenden,
    Met zijnen Zoliman, Adrastes en Argant.
Tot d’overige van ’t hertnekkig volk erkenden,

    (60) De hooge Majesteit verkracht in ’t heilig Land.
Zoo doet de Dondergod, die hem wil tegenkanten,
    En met de verssenen aan zijnen prikkel stoot,
Vernielen met zijn Heir, en snoode Lijftrawanten.
    Maar Christeprincen was uw ijver nu zoo groot,

[fol. (E)5v]
(65) Daar zou geen Ottoman, met blaauwe Hemelmanen,
    Getulband en geschild, op uwe grenzen staan,
Te water en te lande uw edle Legervanen,
    Zoo slecht doen strijken voor den norssen Traciaan:
Het uwe was het uwe, en ’t zijn niet meer het zijne,

    (70) Haar bloed was uwe roof, uw bloed niet meer haar roof,
Gij heerschte in Edom, en in Jude, en Palestijne,
    Ter eeren van ’t geloof, in spijt van ’t ongeloof.
Men zouw het heilig lof in Zalems Tempel zingen,
    Daar zou geen Mahometh meer Overpriester zijn.

(75) Zoo ver de zwarte Zee haar golf en baren springen,
    Tot aan de groote Stad van Keizer Konstantijn.

J. CABELJAU, J.C.



[
fol. (E)6r]

Op het

VERLOSTE

JERUZALEM,

VAN

TORQUATO TASSO:

Vertaald door

JOAN DULLAART.

ONkundige oogen, wend ter zijden,
    Gij mogt, met uw verminkt gezicht,
    Op minder lichten afgericht,
Dit wijze Heiligdom ontwijden.

    (5) Hier is het niemand toegestaan,
Als Febus grootste Voesterlingen,
Die in ’t geheim der Zangkunst dringen,
    Den grooten
TASSO na te gaan.
Daar hij voor Zalems hooge wallen,

    (10) Ontheiligd door den Zarazijn,
    Den Tulband van Vorst Aladijn,
Voor
GODEFROOY ter neer doet vallen.
[fol. (E)6v]
    Die hij, als Hoofd van ’t Heldendom,
Dat d’oude Kruisbanier verdadigd,

(15) En onverzaagd, maar ook bezadigd,
    Vol vuur van heilige ijver glom,
Verheft op Klioos Oorlogsnaren.
    En mengeld edel bloed met stof,
    En laf verwijt met Heldenlof,

(20) De Lijkcijpres met Lauwerblâren;
    En dulheid met voorzichtigheid,
Geluk en ongelukkig strijden,
Op d’aard te gaan, te paard te rijden,
    En wat in wapenhandel leid.

(25) Dan is ’er zoo veel kracht gelegen
    In zijn verheve stijl en zwier,
    Als in het Loreinooisch Rapier,
Of ’s woesten Argants fieren Degen,
    Wiens trots
Tankredoos arm beslecht.
(30) Tankredo, zoo verliefd van zinnen,
Och was hij minder in het minnen!
    Of min op ’t vechten afgerecht!
Hij had
Klorindes strijbaar leven
    Zoo lichtelijken niet gewaagd,

    (35) Of haar verhaaste dood beklaagd,
Noch zich den rouw ten prooy gegeven.
Wie hier zijn minziek snikken hoord,
    Ziet van Apollos wijze lippen
    Een klagt om ’t Lauwermeisje glippen,

(40) Op Peneus vaderlijken boord.
[fol. (E)7r]
De Min die strijd ook onder ’t strijden,
    En ’t Musje nesteld in ’t helmet;
    Maar wie op
Reinouts minnen let,
Die leerd de Min zijn kracht belijden,
    (45) En ziet zijn beeld op ’t aangezicht:
En
Reinouts schild met mirth bestooken,
Die in
Armijdes schoot gedooken,
    Vergeet zijn ridderlijke plicht:
Terwijl zij met Klimop het lemmer,
    (50) Dat nimmer geen geweld en lee,
    Bewoeld in d’opgepronkte schee,
En temd den fieren Heldentemmer.

    JERUZALEM dat wacht u al,
O Held, die met bebloede handen,
(55) Den trotsen Koning aan moet randen,
    En planten ’t Kruismerk op de wal.
Zoo word het heilig Land verkregen.
    Zoo word een Oorlog afgedaan,
    Om weer een Oorlog aan te gaan,

(60) Tot dat den tijd, en Stad, en degen,
    En Helden, in het stof bedekt:
Maar
TASSO, boven Stad, en Helden,
Die Oorlog, Min en Zegen melden,
    Een andre muur om
ZALEM trekt,
(65) Bepaald van ’s Werelds wijdste palen;
    Daar nooit vermaledijde hand
    Des Zarazijns, zich tegen kant,
En daar den tijd in ’t graf moet dalen.

[fol. (E)7v]
    O grijze Ismeen! betooverd vrij,
(70) En grond, en bosch, en kruid, en lovren,
Hij kan de wijste zelfs betoovren,
    Hoe zoet is deze tooverij!
Tot noch toe was ons Taalgenooten
    Bedekt dit kostelijke pand;

    (75) Gelijk een hellen Diamant,
Die in zijn bolster leid beslooten.
    Nu komt een Pen, in Taal doorweekt,
Getrokken uit de Fameschachten,
Die
TASSO om den Aardkloot bragten,
    (80) Waar door hij zuiver Neerlands spreekt.
Hier derf ik nu den Lezer noden:
    Maar weest eerbiedig in ’t onthaal,
    Wij spreken enkele menschen Taal,
Doch dit’s een Taalman van de Goden.

H. DULLAART.



[fol. (E)8r]

DRUKFEILEN,
aldus te verbeteren.

 
Blad,Regel,        Voor        Leest.
20:21 of terstond in liefde brandof hij brand terstond in liefde
24:iets geeniets ’t geen
25:21 GarmerGarnier
26:11 smert af gevoeldsmert niet af gevoeld
129:11 wanneer de Zonwanneermen de Zon
149:11 ’t heen hij’t geen hij
160:en enen
165:25 opgelazen aardopgeblazen aard
184:21 billijke tekenenblijckelijke tekenen
197:dat duizendat duizend
204:de dede
254:25 overwinnaaroverwonnen
267:10 eertijdseertijds had
270:11 GodefrooyGodefrooys
298:25 vol vonvol van
310:27 leefdente leven
316:24 schoonste lastenschoonste ampten
344:12 verkrorenverkoren
407:nituit
409:ZouderZonder
447:16 AagantArgant
464:28 haar te klagenhaar te beklagen
497:18 was vochtigheidwas de vochtigheid
524:25 van tijddie van tijd
[fol. (E)8v]
Blad,Regel,        Voor        Leest.
541:11 MegereMagre
543:21 verkregen wierdverkregen wierden
——:22 vernoegvernoegde
544:18 die Zonnedie de Zonne
614:10 PontifusPaus
640:een takeen tak der boomen
650:den jongeneen jongen
706:weet watweet niet wat
723:TankredoTankred’
728:stoudstond
730:23 verteerdzevertreedse
764:was hemwas om hem

De Letterfeilen gelieve den Lezer ten
besten te keeren
Continue
[
Frontispice canto 1]
[p. 1]

TORQ. TASSOOS

Verloste


JERUZALEM.

Het eerste Gezang.

INHOUD.

    God zend eenen Engel te Tortouze, een Stad in Surien gelegen, tot Godefroy, die hem vermaand, dat hij de voornaamste Kristen Princen zou vergaderen, en haar tot den togt aanmoedigen, alzoo de Lente aanstaande was. Hij word tot Veldheer over ’t geheele Leger verkoren; Algemeene monstering van ’t Volk, en optogt naar Jeruzalem.

GOD Zend een Engel uyt den Hoogen, na de Stad
    Tortouze, in ’t Landschap van oud Surien gelegen:
Die Godefroy verschijnd, terwijl hij nedrig bad,
    Om heilge Hemelhulp en overdierbre Zegen.

[p. 2]
(5) Hij openbaard zijn last: dies Godefroy terstond
    De Kristen Princen bij elkandren doet verzamen,
En, door zijn wijzen raad, ook sluiten een verbond,
    Daar hij tot Hoofd gesteld word uyt hun aller namen.
Men monsterd Volk bij Volk in het gezicht van hem,

    (10) Daar op zoo trektmen heen na ’t hoog Jeruzalem.

IK zing de Zeeghaftige wapendaden van een grooten Held, die vol van Godvruchtigen ijver het heilige Graf van JEZUS CRISTUS ging verlossen. Maar eer hij zoo braven aanslag ten einde brocht, is het niet te gelooven, hoe veel tegenspoed hij in deze heerlijke overwinning leed. Echter was het te vergeefs dat de Hel haar daar tegen stelden, en dat het volk van Azië en Libien, onder een vermengd, zich tegens hem haar wapenden. Want alles kan niet hinderen als men de Hemel te hulp heeft. Ook stelden hijze niet alle onder zijn Banieren die hem in deze Reis navolgden: ô Zanggodin; die de verwelkbre laurieren van Helikon veracht, vercierd uw hoofd met een onsterffelijke Kroon van Starren, u roep ik nu aan, deeld mij van uw heilige vierigheid mede, versterkt mijn stem en weest mijne gezangen gunstig. Ik bid u ook, dat gij ’t mij vergeeft, indien ik eenige verven bij de waarheid vermenge, en zoo ik, om mijne schriften op te pronken, die zomtijds met eenige andere ver- [p. 3] cierselen, als de uwe, vercier. Gij weet dat het volk garen loopt daar de vleiende Parnassus zijn zoetste zoetigheid uytstort; en dat dikmaal de gene, die het quaaste te vernoegen zijn, liever de ware dingen smaken, wanneerze door de geestigheid der vaarzen daar toe gedrongen worden. Alzoo is men gewoon, om een kind, dat ziek is, een drank in te geven, den rand van den beker met eenige zoetigheid te bevrijven. Ondertussen neemt het de bittre nattigheid in, en verkrijgt door deze bedriegerij zijn gezondheid. Wel aan dan, kloekmoedige Alfonsus, die de beletselen van mijn geluk gebroken en mij in behouden have gebrocht hebt, toen ik in’t midden der klippen en baren, die mij beukten, op het uiterste was om van de Zee ingezwolgen te werden, doet mij de eer, ik bid u, deze schriften, die ik u op een wijze van beloften toewijde, gunstig t’ontfangen. Mogelijk zal ’er eenen dag komen dat mijn penne, als een voorteiken van het toekomende zijnde, het wagen zal om een langer werk haar t’onderwinden, daar uw uitstekende deugden haar alreede stof toe leveren. En zoo het ooit de geloovige Volkeren, van Jezus Christus, gebeurd, datse haar in zoo gerusten stand bevinden, en wederom ter Zee en te landen mogen gaan, om te verkrijgen dat Landschap, ’t geen den wreeden Griekschen Tiran onrechtvaardig van haar bezit; dan zal ’t wel reden zijn, om hem zoo grooten roof uyt de handen t’ ontrukken, datze [p. 4] u Veldheer, op het eene en ’t andere Element, maken, na het voorbeeld van dien Zeeghaftigen Godefroy, daar gij de heerlijke daden van navolgd. Maar verwachtende tot dat geschiede, hoord mijne vaarzen, en bereyd u tot den slag.
    De Kristenen hadden, sedert zes jaren, de Zee doorkruist met een machtig Leger, van voornemen zijnde in’t oosten te gaan, om het heilige Land weder te verkrijgen. Alreede mochten zij roemen, datse stormender hand de stad Niceen veroverd hadden en door verassing Antiochien gewonnen, daarze haar sedert kloekmoedig hebben verweerd, tegen een ontallijk getal vijanden, die van Persen afquamen om die weder te verkrijgen. En boven al deze overwinningen; het veroveren van de befaamde Stad Tortouze. Wanneerze, door het strenge saizoen des winters, gedwongen wierden in heure winterlegeringen te vertrekken, tot de aanstaande Lente. Den eeuwigen Vader, ondertussen, die tot zijnen Troon het uitstekenste deel des Hemels heeft, zoo hoog verheven boven den Starrekloot, als die is boven de diepste afgronden, sloeg zijn hemelsche oogen naar beneden, die, met een eenig opslag, terstond ondekken al wat de wereld begrijpt, en ’t geen ’er geschied. Na dat hij alle dingen wel bezien had, veste hij eindelijk zijn gezicht op de Kristen Princen, en met die zelve oogen, die tot in de alderheimelijkste gedachten doordringen, bemerkten hij, dat den moedigen [p. 5] Godefroy, vol van vierig geloof, meer achten, dan de begeerlijkheden der ijdle eer en de schatten en rijken dezer wereld, zijn vierige begeerten, die hij had, om d’ongeloovige uit de heilige stad te verjagen. Maar in Boudewijn bespeurden hij een geest, die driftig na grootsheyd haakten, daar hij volkomen op hoopte. Hier bij zag hij dat het leven Tankredo tegen ’t harte was, zoo veel smart en ongenuchten veroorzaakte hem een dwaze liefde, die sedert weinig tijd hem bezeten heeft. Maar in Boehemond bespeurd hij, dat die zijn gedachten nergens toe aanwend, als om hem in zijn nieuw Koningrijk van Antiochien te bevestigen, waar toe hij goede wetten zoekt in te voeren, en t’effens goede kunsten en tucht in gebruik te brengen; en boven al om dit ongeloovig volk het ware Kristelijke geloof in te scherpen. Reinout is de leste die zich voor zijne oogen vertoond, met zulken krijgslust, dat hij van ledigheid onverduldig is. En zoo hem yets queld, het is noch de liefde tot rijkdommen, noch d’eergierigheid tot scepters, maar d’eenige begeerten die hij heeft, om eer door de wapenen te verkrijgen, daar hem den kloekmoedigen Guelfus vieriglijk toe aanprikkeld, wiens onderwijzinge hij altijd navolgd, en onderwint zich niet te bestaan buiten ’t voorbeeld van zijn brave daden.
    Den eenigen Monarch der Wereld, hebbende aldus in’t binnenste van ’t voornemen dezer Ridderen [p. 6] ingedrongen, riep tot zich, uit het midden van de reien der blinkende Engelen, Gabriël, de tweede van de eerste orden der Serafijnen, want hij den getrouwen bediender tussen God en zijn uitverkoren Zielen, welke hij een aangename bode is, om dat hij hier beneden de wetten verkondigd, die daar boven gemaakt zijn. Wel op, sprak hij tot hem, gaat terstond naar Godefroy, en vraagt hem, van mijnent wegen, hoe dat het komt dat hij de volvoering van zijnen aanslag dus lang uitsteld, en waarom hij voortaan den oorlog niet vernieuwd, om mijn Jeruzalem van de tierannijen der ongeloovige te verlossen? Zegt hem, dat hij al de hopmannen in den raad doet vergaderen en dat hij de slapsten onder haar, tot zoo grooten aanslag, aanmoedig; dat ik hem hier boven tot haar Opperhoofd verkoren heb, daar hij daarbeneden voor zal erkend worden, en dat ik versta, dat hij in dezen oorlog zal gebieden over de gene die noch korts zijne Spitsbroeders waren.
    Dit gezeyd hebbende, bereiden Gabriël zich, om te verrichten het geen hem geboden was. Hierom bedekten hij zijn onzichtbare gedaante met een wolk en onderwierp het een sterffelijk gevoelen. Hij vertoonden zich met zulk een wezen en lichaam, als d’ andere sterffelijke Menschen hebben, uitgenomen dat zijn glans, waarlijk door een hemelsche Majesteit uytblonk, en dat hij in een ouderdom, tussen de jongelingschap en kindsheid scheen te zijn. Zijn [p. 7] blonde lokken waren met een heldre starrekrans bekroond; zijn vleugelen, van witte pennen, aan d’einden verguld, en zoo gezwind datse door ’t vliegen nooit vermoeid wierden. Hij gebruiktse, hangende in de lucht boven Aarde en Zeen, om de winden en de dikste wolken te breken. In deze toerusting, nam dien hemelsche Bode zijn vlucht, van boven uit den Hemel, na de laagste gewesten der Aarden; rustende eerst op den Berg Libanon, en daalden daar na in de vlakten van Tortouze: De Zonne rees eerst op uit de oevers van ’t Oosten, en het grootste deel van zijn Kloot was noch in de baren gedompeld. Deze schoone star begon zoo haast op Godefroy niet te schijnen, of den Engel vertoonden zich voor hem, aan de zijde tegen den opgang, met veel meerder glans als die van de Zon. Hij hem in gebeden vindende, gelijk hij alle morgen gewoon was, sprak hem met deze woorden aan; Godefroy, waarom vertoefd gij langer om mijn Jeruzalem te verlossen van de slavernij daar het nu in is? Ziet gij niet dat het saizoen om te oorlogen nooit bequamer was als het nu voortaan wezen zal? Hebt dan moed en ga terstond de voornaamste hoofden in den raad vergaderen. Drijft stoutmoedig de zwakste aan, en vermaand haar om het einde van zoo braven aanslag te zien. God heeft alreede u tot haar Veltheer verkoren, gij hoefd niet te vreezen dat zij u niet gewillig zullen gehoorzamen. Eindelijk ’t geen ik u zegge is [p. 8] niet uit mijn zelve, God zelf zend mij hier om u van zijn wille te verwittigen, oordeeld nu of gij geen groote hoop van overwinning behoord te hebben en of gij niet verplicht zijt, om in toekomende, zorge te dragen voor het Leger dat onder uw beleid gesteld is.
    Zoo sprekende verdween den Engel, die zoo haast zijn vlucht niet naar het helderste en hoogste van den Hemel genomen had, of Godefroys dapperheid was niet minder verwonderd over die woorden, als zijn oogen door die glans verblind waren. Echter na dat hij zich een weinig hersteld had, overwoog hij neerstig wie den genen was, die daar van hem gescheyden, en van wiens wegen hij gekomen was, ook ’t gene hij hem gezeid had. En zoo hij noch kort te voren, dezen oorlog wenschten t’eyndigen, zoo brand hij nu, dat hij tot Veldheer van’t heele Leger verkoren is, van ongeduld om die ten eynde te brengen. Evenwel word zijn hart niet opgeblazen door eergierige ijdelheid, dat hij zich daar boven gevorderd ziet, boven zo veel kloekmoedige Hopmannen; maar het is veel eer een driftige begeerten, om zijn wille, die meer en meer in hem ontsteekt, gelijk de hette van een kool door het geweld van ’t vier ontvonkt, die van zijn eenigen Opperheer gelijk te maken. Hij draagt dan zorg om volkomen al de Ridders, zijn medegezellen, die hier en daar verstrooyd waren, zonder datse ver afgescheiden zijn, te [p. 9] vergaderen. En om haar te verplichten wat haastiger te komen, zond hij haar bode op boden, en brief op brieven, daar in hij zich zoo zorgvuldig queet, en wist zoo bequaam het bidden bij den raad te voegen, dat het scheen dat hij in zijn geest had t’zamen vergaderd, al het gene dat bequaam is om een edele dapperheyd aan te prikkelen en te lokken, en dat een quijnende en slaperige moed op kan wekken. Daarenboven voegden hij bij zijn reden zooveel vercieringen en aangenaamheid, dat zijn aandrijvingen hun bedwongen, zich na zijn wille te voegen, of uit heur eigen vrijheyd die te volgen. De Hopmannen quamen d’eerste, uitgenomen een eenige Bohemond die zich daar niet wilde vertoonen, en al de Soldaten volgden daar na. Eenige sloegen haar onder de hutten ter neder, andere legerden haar in Tortouze en de voorsteden. Een weinig hierna, verkozen de grooste van het Leger (een gedenkwaardige en heerlijke vergadering) een bijzonderen dag om op zoo zwaarwichtigen zaak te beraadslagen, en toen was’t dat Godefroy, met een stem, die niet minder klinkende, als zijn aangezicht vol Majesteit was, aldus begon te spreken.
    Strijdbare Ridders van JEZUS CHRISTUS, die den Monarch des Hemels tot bevordering van het Geloove, en om de schaden te vergoeden, uitverkoren heeft, ik bid u, verbeeld u eens, hoe na zoo veel lagen en gevaar, dat gij te water en te lande ge- [p. 10] loopen hebt, hij u alleen hier geleid heeft, daar gij tegenwoordig in zekerheid zijt. Gij weet dat wij door zijn gunstige hulpe, tot zijn’er eer, verscheide ongehoorzame landschappen hebben t’onderbracht en zelf het overwinnend teken van het kruis uytgesteken onder het volk dat uw dapperheid verdelgd heeft. Dit ’s niet geweest, indien ik mij niet bedriege, de begeerte om voor een weinig tijd van ons te doen spreken, noch veel minder om het Land der ongeloovige te verkrijgen, dat ons onze Vrouwen, Kinderen en onze geboorteplaats heeft doen verlaten, of zelfs ons leven in de genade der baren, en in het gevaar van een Oorlog, die wij van zoo ver komen doen, te stellen? Indien dat dit zoo was, wij zouden ons zelven wel een kleine vergeldinge belooft, en ons bloed met te grooten gevaar en nadeel van ons leven uitgestort hebben. In deze Reize heeft ons voornemen altijd geweest om Jeruzalem te belegeren, de Kristenen van een onverdragelijke last van slavernij te verlossen, en in het beloofde Land een nieuw Rijk te bevestigen, daar het Kristen Geloof een verzekerde Stoel mag hebben. Door deze middel hopen wij ’t zoodanig te maken, dat hier namaals de Pellegrims, niet beletten zal om haar belofte voor het heilige Graf van JESUS CHRISTUS te komen doen. Nu alzoo men waarlijk bekennen moet, dat de dingen, van ons tot noch toe uitgesteld, van geen klein gewigte, en datse wel waardig zijn om over- [p. 11] wogen te worden, zoo wel om het gevaar daar wij ons in begeven, als ter oorzake van den grooten arbeid die wij geleden hebben. Zoo zijnze, in ’t gene de eer raakt, niet veel roemens waardig; te meer, alzooze naauwlijx te vergelijken zijn bij ’t gene ons in dezen aanslag, noch overschiet te doen. Als dit zoo is, ’t sij dat wij hier de macht van onze wapenen ophouden, of dat wij die elders voeren, wat voordeel zal der ons afkomen dat wij zoo groote Machten uit Europe geleid, en het vuur in Azië gebrogt hebben, zoo eindelijk, al dat gewoel, meer na den ondergang, als naar de bevesting der Rijken held? Waarlijk die heerschappijen op zoo zwakke grondvesten, als die van de Wereld, daar niet vast noch bestandig is, meend te bouwen, en ziet niet dat hij afbreekt in plaats van optimmerd. Zulx na dat hy de verwoestingen wel heeft omgevroet, onder dewelke hij verplet blijft, bevind hij, tot loon van al zijn arbeid, dat hij zich zelve een Graf gemaakt heeft om in begraven te worden. En zeker wij behoorden hier acht op te nemen, te meer, alzoo wij ons onder een Heidens volk bevindende, niet veel hoop van de zijde der Grieken hebben, noch veel volk dat van onze landslieden en geloove zijn. Hier bij, dat wij ver gescheiden zijn van de hulpe die ons van de Westersche Landschappen mochten toekomen. Ik weet dat die woorden, van Turkijen, Persen, Antiochien een wonderlijke schijn hebben, en dat de tijtel heel groot [p. 12] is; maar het is de Hemel, en niet ons, die wij d’overwinning schuldig zijn. Want het is zeker dat onze winsten in den rey der wonderwerken behoorden gesteld te worden. En zoo het gebeurd dat wij aan ’t einde afbreken, tegen het voornemen van hem die het ons gegeven heeft, dan ben ik zeer bevreest, dat hij ’er ons licht van berooven mocht, en dat wij, na zoo veel brave daden, die zoo door de wereld gebrald hebben, den spot van al de volkeren zullen worden. Wel aan dan, dat ’er niemand onder ons zij die ondankbaar is, om op het uiterste lafhartig die genaden te verwaarloozen, die wij bijzonder van den Hemel ontfangen hebben, ik bezwere u in den name Gods. Laat ons zoo veel merkelijke gunsten niet verzuimen, maar laat ons veel eer trachten om wel t’eindigen, het geen wij zoo gelukkig begonnen hebben. Alle dingen noodigd ons, nu de wegen voor ons open zijn, en het saizoen ons gunstig is. Is ’er dan eenige verhindering die ons beletten kan, niet met kleyne treden, maar met vollen loop na de heilige Stad te gaan? Is dat niet de voornaamsten roof daar alle onze overwinninge op hopen? Kristen Princen, weest verzekerd dat de vruchten van onzen aanslag beginnen rijp te worden, dat ’er niet overschiet als die te plukken. Het geen ik zeg is geen verziersel; maar in tegendeel, de betuigingen die ik ’er u af doe, zijn zoo waarachtig dat, boven dien de eeuw, daar wij nu in zijn, u de uitkomst daar van leeren zal, ik [p. 13] hoop de toekomende daar t’eeniger dag van zal spreken. Ik zeg noch meer, dat de Zielen der welgelukkige het daar boven in den Hemel aanhooren. Laat ons, ons dan ijverig in dit goed voornemen dragen. Want hoe dat wij langer wachten, hoe minder dat de gelegendheid bequaam zal zijn. Zulks dat het geen ons nu zeker is, hier naar onzeker zal worden. Ook vrees ik alreede, indien wij langer vertoeven, dat Egipten, hulp aan het beloofde land mocht toezenden.
    Naauwlijks had Godefroy zijne reden geëindigd, of tot teiken van handgeklap, ontstond ’er een kort gerucht onder de vergadering, ’t geen zoo haast niet gestild was, of Peter, den vromen Kluizenaar, stond op, met voonemen om te spreken; want hoewel hij maar een gemeen perzoon was, die noch bevel, noch last had, echter was hem toegelaten in den Raad en onder de Princen te zitten, om dat hij den eersten instelder van die groote Reize geweest was. Hierom nam hij ’t woord, en bedocht zich om dus tot haar te spreken:
    Het voornemen daar u den Hartoog Godefroy toe brengt, zeeghaftige en doorluchtige Princen, is niet te weêrspreken, indien men de waarachtige zaken voor zeker moet houden, gelijk ik u hoop klaar te vertoonen. Daar is geen verschil meer als toe te staan ’t gene bij u gezeid heeft. Maar eer ik verder ga, bid ik u, datge mij toelaat dit daar bij te voegen. Ik zal mij nimmermeer de partijschappen en verdee- [p. 14] ling verbeelden die onder u, om strijd, schandelijk ontstaan zijn. Na dat ik die wel overwogen heb, met het hardnekkig gevoelen, en de verscheiden listige ondervindingen, alleen om de gelukkige uitkomst, die wij van onze Reize verhopen, te verlengen. Terstond zien ik dan wel waar uit dit dralen en deze tweedragt ontstaat. Geloof mij, mijn Heeren, de oorzaak is afgekomen uyt den voornaamsten oorsprong, dat de eergierigheid, om te gebieden, haar teffens verspreid heeft, in zo grooten getal van verscheide stemmen; dat ijder in’t bijzonder gewild heeft dat zijn gevoelen boven een anders gevolgd zou worden. Zie dit is noch magtig om ons alle in verwerring te brengen.Want in stuk van heerschappij, zoo d’Oppermagt niet alleen aan een gegeven is, die de macht heeft om vergeldingen en straffen te beramen, of zelfs den genen, die het haar deugden waardig maakt, tot staat te verheffen, zoo moeten noodwendig alle dingen in onorden en verwerringen geraken. Maakt dan een Lichaam van verscheide leden, door een volmaakte liefde t’samen gevoegd.Verkiest een opperhoofd die d’anderen gebied en heur begeerten matigd. Met een woord, steld den Scepter een perzoon in handen die bequaam is, ende die gij voor uwen Opperheer erkend.
    Zie dit is het gene dat dien eerwaardigen Grijzerd, in weinig woorden sprak, en het was waarlijk een [p. 15] van uw uitwerkingen, ô Hemelsche ijver, terwijl het dan waar is, dat het voornemen en de aldergeheimste gedachten voor u niet kunnen verburgen zijn, zoo bid ik u, blaast in de herten van onze Ridders, den raad van die vromen Kluizenaar. Brengt haar tot heur plicht, en verband wel ver van haar die drift, die haar als aangeboren is, om onderling te twisten wie de voorzitting en de waardigheid der Ampten bekleden zal. Wilhem en Guelfus, die de eerste van de vergadering waren, verkozen ook de eerste Godefroy tot haren Veldheer. De anderen keurden terstond hare verkiezing voor goed, en bleven eenstemmig daar bij, dat van nu voortaan, niemand als hij, het Oppergebied over haar hebben zou. Dat hij alleen na zijn welgevallen van haar gemeene zaken mogt oordelen; de verwonnen zulke wetten voorschrijven als hem dienstig docht, den Oorlog brengen in wat plaats dat het ook was, en die verklaren aan den genen die’t hem goed zou dunken. Eindelijk, dat alle degene, die voor dezen, hem in gezag gelijk waren geweest, in toekomende wel te vreden waren om hem de plechtigheyd van getrouwe dienaars te bewijzen. Deze dingen aldus besloten zijnde, vloog het gerucht terstond in ijders ooren, en hare monden verspreiden het aan alle zijden. Ondertussen vertoond zich Godefroy aan de Soldaten, die alle met een gemeene overeenstemming bekenden, datmen, tot zoo braven Ambt, nooit [p. 16] een bequamer persoon zou kunnen verkiezen. Hier op ontfing hij van d’een en d’ander verscheiden toejuiching, en, door het goed onthaal ’t gene hij haar deed’, betuigden hij haar genoeg zijn goede wille. Na dat hij op haar ootmoedigheid, onderdanigheid en getrouwigheid, die men hem aan alle kanten bewees, voldaan had, gebood hij dat ijder Soldaat des morgen zich onder zijn Vendel zou begeven, in een braaf veld, dat daar niet verre van lag.
    De Zonne keerden in’t Oosten al reede wederom, daar hij zijn licht klaarder als naar gewoonte vertoonden, wanneermen, op zijn eerste stralen, alle de Troeppen van ’t Oorlogsvolk in het plein zag verschijnen. In deze monstering vertoonden zich de Soldaten aan haren nieuwe Veldheer, zoo braaf toegerust als haar mogelijk was, en deden de ronde van den geheele Beemd, daar Godefroy gezeten was, om troep, voor troep, van de Ruiterij en ’t Voetvolk te zien verbij trekken. Waarde geheugenis, die niet minder vijandinne van de vergetelheid, als van oude Jaren zijt, en zorge draagt om getrouwelijk te behouden, al het gene dat in de Wereld geschied, om het te verkondigen, ik bid u, staat mij met uwe gunst bij, maakt dat ik al de voornaamste Hopmannen van het Leger indachtig worde, en wat voor Troeppen en Vendels zij gehad hebben. Verhaald mij, wat haar dapperheid en faam geweest is, die de Jaren verduisterd of in de stilten be- [p. 17] graven hebben. Neemt van uw rijke schatten tot vercieringe van mijn penne, dingen, die de gene, die na ons zullen komen, aandachtig mogen aanhooren, zonder dat de toekomende Jaren ooit machtig mogen zijn die uyt te dooven. De eersten die op den rij verschenen, waren de Fransen, strijdbare Soldaten, die onder ’t beleid van Hugo, Broeder des Konings, voor dezen waren gelicht en uytgekozen in ’t Franse Eiland, een plaats van vier schoone Revieren besloten, zoo aangenaam in d’oogen, als breed in zijn uitbreiding. Maar na de dood van dien Prins, begavenze haar onder den Standerd der Lelibloemen, gevoerd door de grootmoedigen Klotarus, die niet als de naam van Koning ontbrak. Na deze vertoonden zich twee Vendels, het eene van duizend gewapende Mannen, en het andere van zoo veel lichte Paarden, alle Noormannen van geboorte, die onder ’t beleid van Hartog Robbrecht, haren natuurlijken Prins, optrekken; zij wijken de Fransen niet, noch in tucht, noch in Oorlogsrusting, noch in dapperheid, noch in braaf gelaat. Na deze vervolgden, de twee eerwaardige Prelaten, Wilhem en Aymart, die van langen tijd aan de Kerk verbonden waren geweest, en nu de wapenen tot haren dienst hadden aangenomen. Het is niet te gelooven, wat voor een aangenaamheid haar gaf, heur witte en grijze hairen, die in een verspreid, onder haar hoofddeksels heen zwaaiden. Den eersten had van de stad Oranje, en [p. 18] d’omleggende plaatsen, vier honderd paarden wel verzien en gewapend afgebrocht. De tweede, die Bisschop van Puts was, had ’er ook zoo veel, die de beste, noch in kloekmoedigheid, noch in toerusting weken. Boudewijn quam na haar met zijn Boulonjers, en het volk van zijn Broeder vergezelschapt, die hem het geleid daarvan gaf zoo haast als hij tot Veldheer van ’t Leger verkozen wierd. Hij wierd door den Grave van Cartres gevolgd, een Hopman van goeden raad en bequaam tot d’uitwerking. Die met hem voerde vier honderd uitgeleze mannen, maar Boudewijn had drievoudig, d’een en d’anderen, wel opgezeten en op voordeel gewapend. In een gedeelte van ’t veld, na de alderleste, verscheen terstond den Zeeghaftigen Guelfus, wiens verdiensten en deugden het opperste geluk, daar hij toe gestegen, gelijk was. Deze zelve Guelfus, was uyt Latinus gesproten en door een lange rij van Voorzaten, zekerlijk uit het doorluchtige bloed van Est geteeld. Hier bij mag hij roemen, een Hoogduitser van toenaam, en door d’oppermacht, van het machtige huis der Guelfen, Heer van Carinthien te zijn, en van al het geen d’aaloude volkeren van Sueven en Retien eertijds plegen te bezitten, langs den Danubes en den Rijn. Het was van zijn Moeders zijde, dat hij deze schoone landschappen erfden, daar hij sedert schoone overwinningen bij voegden. Van deze plaatsen had hij zoo vrome en stoutmoedige sol- [p. 19] daten gebrocht, dat se onder zijn beleid, waar hij haar ook gevoerd had, het maar voor spel zouden gerekend hebben, de dood aan te tarnen. Waarlijk een volk dat braaf in den oorlog ervaren, en onder een koud hemelteken geboren is. Het is waar, dat d’Inwoonders daar goede hulpmiddelen tegen gebruiken. Want zij hebben kachels daar zij hare Kamers zoo mede verwarmen, datse, door deze middel, de strengheid van den Winter verzachten, en brengen den tijd geneuchelijk deur, met elkanderen toe te drinken. Zij waren ontrent vijfduizend in getal toen hij haar uyt hun land bracht, maar nu was ’er niet meer als het derden deel over geschoten, die in den ondergang der Persianen geburgen waren. Na deze volgden een troep brave Soldaten, wier blankheid van verf en schoone gestalte, een wonderlijke aangenaamheid gaf in’t voeren van de wapenen. Zij quamen van een oord, dat tussen Vrankrijk en Duitsland leid, in die zelve plaats, daar den Maas en Rijn, door haar overvloeyinge, groote en breede moerassen maken; In deze landschappen, begrijp ik noch de naast gelegen Eilanden, die door middel van hare dijken, haar, het beste dat mogelijk is, versterken tegen ’t geweld van den Oceaan. Ook is hij grootelijks te duchten, terwijl hij door zijn razernij, niet alleen de schepen en koopmanschappen in zwelgd, maar ook heele Steden en Koningrijken. Deze laaste waren ontrent duizend sterk, die t’zamen [p. 20] onder ’t geleid van eenen anderen Robbrecht optrokken.
    Achter deze verschenen de troeppen der Engelsche wiens getal veel grooter was als dat van al d’anderen, zij hadden tot haar Overste Wilhem den jongsten Zoon des Konings, en voerden alle bogen voor hare wapenen. Zij brochten noch andere volkeren met haar, die om datse dicht onder de Noorderpool gelegen waren, schenen van de uiterste palen der aarde gekomen te zijn; zij zijn Iren geheten, een Zeevolk, dat een Land, dicht met wildernisse bewossen, bewoond. Den genen die haar volgd, is den zeeghaftigen Tankredo, van wien men waarlijk zeggen kan, dat van al die onverwinnelijke Helden, hij de eenigste, uitgenomen Reinout, die zich het beste met een zwaard en een speer kan behelpen, en het braafst van gestalten is; daar de wonderen van zijn dapperheit en edelen aard noch zijn bijgevoegd. En zoo daar iets in hem is, dat, zoo veel als’t zij, de luister van zijn glans mogt verduisteren, dat is, zonder twijffel, een dwaze min, die, zeder weinig tijd hem gequeld heeft. Waarlijk een blinde liefde, die onder de wapenen, in ’t hart van dien Ridder zijn oirsprongk genomen heeft, en zich voed en versterkt in’t midden der ongenuchten en droefheid. Men zeid dat in die gedenkwaardigen dag, daar de Fransen, van de verdelging der Parsianen, de eer hadden, Tankredo zoo heerlijk het voordeel van d’overwin- [p. 21] ning gebruikten, dat hij, eindelijk moede wierd van de Vijanden, die geheel verstrooid waren, te vervolgen, en voor hem nam een plaats te zoeken, om zich van de vermoeidheid der wapenen wat te vervarssen. Met dit voornemen ging hij aan de kant van een Springbron, van kleine heuveltjes, die tot stoelen verstrekten, omringd. En zoo als hij zich onder deze aangename schaduwen verquikten, quam, om die zelve reden, daar ook een Ridder, van brave gestalte, met alle stukken gewapend. Hij, niet twijffelende dat hij van iemand konde bespied worden, ontgespten zijn helmet, en ondekten terstond zijn lange vergulde lokken. ’t Welk Tankredo terstond deed oordelen, dat ’er de grootste schijn ter wereld was, dat deze Perzoon, die hij in de gedaante van een Krijsman vermomd zach, een Maagd moeste zijn. Ondertusschen staat hij opgetogen, zoo veel schoonheid in haar te bespeuren, dat hij haar naauwlijks gezien heeft, en haar na zijn welgevallen bevindende, of terstond in liefde brand. O wonder, de liefde is naauwlijks geboren, of zij heeft haar volle wasdom. Alrede vliegtse aan alle zijden, en zegepraald gewapend. Maar die Schone, in wien de misprijzing zich bij d’opgeblazen aard voegd, is zoo verstoord ontdekt te zijn, datse terstond haar helm vatte, en waarlijk, indien zeven of acht Paarden van Tankredoos Standaard, die hem zochten om aan te doen, daar op niet gekomen waren, zij zou niet nagelaten heb- [p. 22] ben hem te bespringen. Maar de wetten der noodwendigheid, en het groot getal der Vijanden, tegen dewelke zij haar niet stellen kon, als met een te brusken dapperheid, dwongen haar de plaats te verlaten. Zij heeft goed te vluchten van een Perzoon die zij alreede tot haar Slaaf gemaakt heeft. Echter is dat geen beletsel, dat hij het Beeld van haar schoonheid niet altijd voor zijn oogen heeft. De strijdbare moedigheid, die hij in haar bemerkt heeft, blijft in het diepste van zijn hart, het indruksel is te diep om zoo licht uit zijn gedachten te wissen, en boven dien, dat haar braaf gelaat, en de plaats daar hij haar eerstmaal gezien heeft, dingen zijn, die hij niet vergeten kan, zoo zijnze ook noch het voedsel, die geduurig zijn vlamme onderhouden. Zoo iemand, in deze groote drift, de moeiten gedaan had om neerstig op hem te letten, voorzeker zou hij deze woorden op zijn aangezicht hebben kunnen lezen: Deze Mensch brand van liefde, en heeft ook niet veel hoop om zijn begeerten vergenoegd te zien. Want het was een smert te zien, hoe hij zuchten, en wat voor getuigen van zijn lijden zijn oogen gaven, die hij, op een quijnende wijze, ter aarde hield gestrekt. Door zijn ongeneugten gequeld, verliet hij dit schoone veld, en de wonderen van sijn oogen, dit proefstuk van de natuur. Ook schenen hem de vruchtbare heuvelen, die het omringden, tot liefde te verwekken, zoo aangenaam en wellustig was die plaats.
[p. 23]
    Twee honderd gebooren Grieken volgden, na den moedigen Tankredo, met alle stukken gewapend, dragende kromme zwaarden, halvemaanswys, op zijde, en rammelende pijlkokers en bogen op de schouderen. Zij waren op lichte Paarden gezeten, die bij naar altijd te viervoet rennen, zijn onvermoeid in den arbeid, zober in heur leven, afgericht in ’t bespringen en aarzelen, en gewoon, al vluchtende, in verscheide troeppen, zonder onorden, te strijden. Den genen die haar geleide, heet Latinus, den eenigen Griek, die de machten der Latijnen vergezelschapt. Waarlijk een groote schande, en een baarblijkelijk teiken van uw lafhartigheid, ô rampzalig Rijk der Grieken, die tegenwoordig den Oorlog zoo na bij u niet behoorden te hebben. Maar gij zijt het wel waard, terwijl uw ledigheid geleden heeft, dat gij ’t einde van dezen braven aanslag aanzaagt, gelijk als eenig werk, datmen in ’t openbaar, op een groot Tooneel vertoond. En zoo gij tegenwoordig, onder een schandige dienstbaarheid gebrogt zijt, daarom moet gij nu niet bedroefd zijn, want het veel eer een rechtvaardige straffe is, als een laster u aangedaan. na alle de anderen volgden voor het leste gedeelte, maar die door haar groote eervarendheid, en door de brave proeven van hare dapperheid, wel verdienden in den eersten rij gesteld te worden, d’onverwinnelijke vrijwillige, die men met recht den blixem van Mars, en de schrik van Azien, noemen mag. Voor [p. 24] haar moet het beroemde Schip van Argos zich verbergen, en den Koning Artus zwijgen met zijn versierde ronde Tafel en doolende Ridders, die ontallijke boeken met ijdele dromen vervuld hebben. d’Aaloudheid heeft nooit wat zoo gedenkwaardigs gedaan, noch iets geen zich bij de dapperheid van deze Helden mag vergelijken. Wie is dan de gene die waardig is haar Overste te zijn? Het is den zeeghaftigen Hugo van Kousé, maar om dat de anderen wisten, dat hij haar ver in edelheid en deugd te boven ging, bestemdenze, zich met elkander, tegen zijn verkiezing te stellen. Hoewel hij in der daad, hem veel beroemder gemaakt heeft, als iemand onder haar, door een groot getal van brave daden, en een lange eervarendheid. En waarlijk, hy was in een ouderdom, daar de goede zeden en d’achtbaarheid gemeenlijk elkanderen ontmoeten. En vertoonden een groote wakkerheid, van geest en lichaam in een grijze bejaardheid. Boven dien dat de gevaarlijke wonden, die hy in verscheide slagen ontfangen had, hem in plaats van zoo veel eerteikenen verstrekten, die zijn dapperheid genoeg betuigden. Eustaas verscheen een van de eerste, onder zooveel beroemde Ridders. Hy was niet alleen doorluchtig door zijn geboorte en brave daden, maar de faam van den Hartoog van Bouillon, zijn Broeder, maakte noch een gedeelte van de zijne. Ook zagm’er Gernand, die van de Koningen van Noorwegen afgedaald zijnde, [p. 25] roemen mocht op de Scepters en Kroonen, en heerlijke eertijtels, die zijn Voorzaten gevoerd hadden. Rogier van Elstat was ook aanmerkens waardig door d’aaloudheid van zijn Huis, om dat hij van Engerrand afkomstig was. En onder de edelste en afgerichste, steken een Anthoni, een Rembout, ende de twee Geerrads uit. In heur gezelschap trokken, Hubout en Rossemond, Erfgenamen van het groot Hartoogdom van Lankaster. Ik moet Obbizes van Toskanen niet vergeten, noch zijnen naam in den stroom begraven laten, die de geheugenis van de schoonste dingen doet vergeten, noch zelf die van de drie Lombardysche Broeders, Achilles, Sforse en Palamedes. Wiens faam verdiende, van alle volkeren der Aarde, bekend te zijn. Wy stellen ook noch in den rij, den sterken Ottho, die het Schild won daar men een kind op geschilderd zag, ’t gene uit de keel van een Slang gebraakt wierd. Wij moeten noch, Gaston, noch Endolf, noch d’een, noch d’ander Gujus, alle bei Mannen van aanzien, achterlaten, noch Everard, noch Garmer, wiens verdiensten zoodanig zijn, datmen die niet als ondankbaar erkennen, noch van spreken kan. Maar na dat ik alrede vermoeid ben van hier het getal der Ridders te beschryven, kan ik minder doen dan my t’uwaards te laten trekken, ô Gildippe en Odoart, getrouwe minnaars, die onlangs getrouwd zijt met zoo grooten liefde tot elkanderen? Zeker uw onderlinge minne, heeft u zoo [p. 26] vast in dezen Oorlog t’samen gevoegd, dat het te gelooven is, dat gy, zelfs na uw dood, zult onscheidelijk zijn. Maar waar toe is de schole der liefde niet bequaam, en wat is ’er dat daar in niet geleerd word! Hier is ’t daar die schoone Krijgsheldin zoo kloekmoedig geworden is, datze haar nooit van de zyde haars Minnaars begeeft, zulkx dat haar algemeen leven aan een zelve nootlot schijnt te hangen. Ook is de vereeniging van haar harte, zoo vast, dat d’een niet kan gewond worden, zonder dat ’er den anderen de smert niet (*) af gevoeld. Gelijk zy beide van een en zelve wonde quijnen, zoo deze maar een weinig bloed verliest, terstond kan den anderen niet meer leven, en stort ook het beste van het zyne uit.
    Maar ’t is nu wel reden, dat wy van den jongen Ridder Reinout spreken, om het groot voordeel, dat hij heeft boven al die gene, die in deze monstering verschenen. In ’t aanzien van zijn braaf gelaat, zou daar niemand geweest zijn, die niet opgetogen zou gestaan hebben, zulk een aangenaamheid en Majesteit heeft hy op dat koningklijk voorhoofd, daar een ieder zich in spiegeld. Zijn ouderdom is zoo rijp, in een groene Jeugd, dat de daden, de hoop die men van hem heeft, te voren komen, en dat de vruchten t’effens met den bloezem opwassen. Maar zoo gy zaagt, met wat voor een brave dapperheid, hy zich in de wapenen beweegd, gy zoud hem zonder twijffel voor een Oorlogsblixem of tweede Mars houden, [p. 27] en voor een Kupido achten, indien hij zijn helmet, daar het schoone aangezicht mede bedekt word, opsloeg. Het was op den Oever, van den Stroom Athesis, daar hij van Sofije geboren wierd. Men houd het daar voor, dat zij hem van Bartholdus ontfangen heeft, die niet minder door zijn dapperheid gevreest wierd, als zij aanminnig door haar schoonheid was. Hij had naauwlijks de borsten verlaten, toen Matilde, de zorg op haar nam, van hem op te voeden. ’t Geen zij met groote voorzorg deê, zonder iets te vergeten van ’t gene zijnen geest tot groothartige daden mogt porren, en hem de waardige bequaamheid van een Prins, aan te doen nemen. Seder is hij niet van haar geweken, tot dat zijn jonge moedigheid, eindelijk wierd opgewekt, door ’t geluid der Trompetten en de groote dingen, die de faam verkondigden van deze Oosterschen Oorlog. Hij toen den ouderdom van vijftien Jaar bereikende, ontsloop het alleen, daar na d’Egeese Zee, door wegen die hem onbekend waren, doorkruist hebbende, lande hij aan de zijde van Grieken, ende quam eindelijk in’t Leger, in deze vergelegen gewesten. Waarlijk een groothartige vlucht, en dat wel verdiend tot een voorbeeld te strekken, om nagevolgd te worden, door de Helden die uit zijn Stronk zullen spruiten. Maar zoo eenig ding dit voorbeeld gedenkwaardig maakt, is dat hij drie Jaar de wapenen droeg, zonder dat het minste hair op zijn kaken uitbrak.
[p. 28]
    Na de Ruyterij, verscheen terstond het Voetvolk, om haar monstering te doen. Hier trat, voor alle andere, de Grave Reimont van Toulouze. Hy had tusschen de Pireneen, de Garone, en de groote Zee, zijn Soldaten gelicht. Zij waren vier duizend in getal, al t’samen wel toegerust, en onvermoeyelijk in den arbeid. En zulke brave Krijsknechten konnen niet beter, als door zoo een braven Hopman geleid worden. Maar de vijf duizend Mannen, die Steven van Amboize, van Blois en Touraine, had meê gevoerd, waren van geen heel sterken aard, noch arbeidzaam, hoe groot dat de glans van hare wapenen ook was. Ook ziet men zeer zelden, dat d’aangename, ledige en wellustige Landschappen, andere lieden voortbrengen die haar niet gelijken. Want hoewelze, in het begin, fel en vinnig aanvallen, zoo duurd het niet lang, zulks dat al haar kracht verslapt zoo ras de eerste drift over is. Alkastes vertoonde zich de derde op den rij, met zulk een onversaacht gelaat, als dat van Kapaneus in de belegering van Theben. Hy had van de Kantons en d’Alpen ontrent zes duyzend Zwitsers gebrogt, een Volk veel beroemder door haar moed, als geboorte. Want gelijkse nooit in den strijd aarzelen, zoo scheppenze zulk een vermaak daar in, datse van het ijzer, daarze kouters tot haar bouwerij, van plegen te maken, wapenen hadden gesmeed. Een wonder zoo veel te grooter, om dat zij het in een gebruik verkeeren, [p. 29] onvergelijkelijk veel deftiger als te voren. En het gebruiken om haar Vijanden mede te bestrijden. Daar inze zulk een stoutmoedigheid betoonen, dat die zelve hand, die voor dezen het Vee gewoon was op ’t veld te hoeden, nu tegenwoordig wel Koningen dard ontseggen, en haar in heur Land bespringen. Achter deze was de groote Standerd der Kerke ontvouwen, met het Hoofdcieraad en de Sleutels van Sant Peter. Onder haar trokken zeven duizend Mannen, alle op voordeel gewapend; zij wierden door den deugdsamen Kamillus geleid, die zich de gelukkigste Mensch ter Wereld achten, om dat hij van den Hemel tot zoo grooten aanslag verkoren was. En waarlijk hier vernieuwden hy de eer van zijn doorluchtige Voorzaten, doende, door zijn voorbeeld, blijken, dat zoo eenig ding ontbrak aan die groote moed der Romeinen, die eertijds de hele Wereld t’onderbragten, dat het maar alleen d’aaloude Krijchstucht was. Deze Bende was de leste van alle d’anderen, en had zich naauwlijks met een goede orde vertoond, of Godefroy riep de voornaamste Hopmannen bij zich, om haar zijn voornemen t’openbaren. Ik wil, sprak hij, dat morgen het Leger van hier vertrekt, en dat het, met alle naarstigheid, naar de heilige Stad spoeid, zoo ras als den dageraad begint te lichten, op dat wy daar mogen aankomen, wanneer zij ons ’t minst verwachten. Bereid u dan stoutmoedig tot den tocht, tot den strijd [p. 30] en tot d’overwinning. Deze woorden van zoo een voorzichtigen Veldheer, maakten dat ijder een terstond moed grijpt, en zijn plicht betracht. Zulkx datse des anderen daags alle vaardig zijn, om voor den dag te vertrekken, zoo onverduldig zijnze om de wassende klaarheid van den Morgenstond te verwachten. Ondertusschen kan Godefroys voorzichtigheid, hoe groot datse is, hem niet buiten vrees houden. Want hy heeft zekere tijdingen, dat den Soudaan van Egipten op den weg van Gaza is, gevolgd van een machtige Oorlogstoerusting, die langs de zijde van Surien heen vaard. Ook kan hij zich niet inbeelden dat een Man van zulken slag, en die nooit zonder eenigen aanslag is, nu tegenwoordig zou stil zitten. Door deze ongenuchten gequeld, verwacht hij niet goeds van die zijde, en beeld zich daar op in, binnen weinig dagen, een machtigen Vyand op den hals te hebben. Hebbende dan bij zich doen komen de getrouwste van zijn Boden, sprak hem aan, Mijn waarde Henrik; gaat terstond u in een Bespieschip schepen, en wend alle naarstigheid aan die gy kund om in Grieken te komen. Men heeft my van goeder hand bericht, dat, deze dagen, daar een onverwinnelijk Ridder moet aankomen, die zijne wapenen by d’onze komt t’saamvoegen. Maar ik heb groote vrees, dat den Keizer van Konstantinopolen, zijn gewone listigheid gebruiken zal, om hem weder te rug te doen keren, en zijn Wapenen in andere Ge- [p. 31] westen, ver van deze afgescheiden, te doen brengen. Zie daarom zende ik u alleen, gy die my voor een Gezant en waren Raadsman verstrekt, om dat gy met uw gewone behendigheid, hem zult raden tot het gene dat ons en hem het beste is. Gy zult hem van mijnen’t wegen zeggen, dat hij op het spoedigste kome, en dat hier verschil van een zaak is, daar in het vertoeven, voor zoo een Prins, als hij is, tot oneer verstrekt. Ik vinde ook goed, dat gij in zijn gezelschap niet zult te rug keren, maar dat gij bij den Keizer blijft, om hem te dringen dat hij ons de hulp zend, die hij ons verscheiden malen beloofd heeft, en die hij verplicht is ons te geven, door ’t verdrag dat wij met elkanderen gemaakt hebben. Dit was ’t geen Godefroy zijn Bode belaste, die naauwlijks zijn bevel en goede geheugenis had van ’t gene hem te doen stond, of hij nam terstond van zijn Meester oorlof, die zich ondertusschen wat herstelden, om dat dit vertrek machtig was, d’ongenuchten van zijn Geest wat te verquikken.
    Zoo ras de Zonne, des anderen daags, zich in ’t Oosten vertoonden, hoordemen in ’t Leger een vreemd geluid van Trompetten, Fluiten en Trommels. Dit teken noodigden de soldaten te vertrekken, ’t geenze met zoo grooten bequaamheid deden, dat haar ondwingbare dapperheid betuigde datse niet minder vermaak in ’t geluid van dit Oorlogstuig scheppen, als het algemeen Volk heeft, zooze bij [p. 32] geval, in het heetste van den Zomer, het gerucht van den Donder hooren, die haar hoop van water geeft. Daar is niemand onder haar die alreede niet in’t Veld wenscht op te trekken. Want de begeerten die zij daar toe hebben, is zoo groot, dat het een wonder te zien is, met wat voor een vierigheid zij hare Wapenen opvatten. Na dat zij in een kleinen tijd vaardig waren, begavenze haar onder heur Hopmannen, en alrede was het Leger in orden, en elk Vendel ontwonden. Maar boven al de Standerts, scheen de groote keizerlijke Banier uit, daar het zegepralend Kruis in geschilderd was. De Zonne, die ondertusschen geduurig den Hemel naderden, en opwaards steeg, verdubbelden den glans van ’t gladde staal, daar hij met zijn stralen op neêrscheen, en weêr afblonk, als blixemstralen. De Lucht zelf scheen in vlam te staan, ende van boven te ontsteken. Hier bij maakte het gebries der Paarden, en het gerammel der Wapenen, die tegens elkanderen aanhorten, zoo grooten gerucht, dat geduurende de Soldaten in ’t veld voorttrokken, het haar onmogelijk is elkander te verstaan. Maar alzoo den Veldheer niet van meininge is zijn Troeppen vorder te leiden, voor dat hij haar verzekerd heeft tegen de lagen en verrassingen, daar de Vijanden haar op den weg mogten meê bespringen, zond hij een goed getal Voorloopers voor uit, om de wegen t’ondekken. Na haar volgden de Gravers, wier last was om op ’t [p. 33] verbeteren der quade wegen te letten, de sloten te vullen, d’oneffenheden t’effenen en d’engten te openen die men mogt toegestopt hebben. Daar in den een en d’ander zich zoo manhaftig queet, dat noch de troeppen der Ongeloovige t’samen gevoegd, noch de sterkste muuren, nog de snelste Beken, noch de diepste graften, noch de hoogste bergen, noch de dichtste wildernissen, niet machtig zijn om te beletten dat het Leger niet voort trekt. Even alzoo is’er geen zoo grooten tegenstand machtig om ’t geweld te beletten van d’Eridaan, die moedigen Koning der Vloeden, die zoodanig opzweld, ziende, dat de anderen hem voor haar Opperhoofd erkennen, dat hij met geweld over de velden heen vloeyende, niet op zijne oevers laat vast blijven, ende het geheele land in ’t ronde bevochtigd. Den Koningk van Tripoli is de eenigste die in den omring der muuren, daar hij goede wachten op gesteld heeft, zijn volk, zijn wapenen en zijn schatten besloten houd. En mogelijk zou hij machtig genoeg zijn, om de Fransse troeppen op te houden, zoo de vrees hem daar niet afschrikten. Want hij dartse niet aanvallen en ontfangtse gewillig in zyn land. Maar te voren heeft hij haar gunst gewonnen door gezanten en giften, die hij haar gezonden heeft, zonder dat hij de voorwaarden van vrede weygerd t’aanvaarden, zoo als Godefroy hem die beliefd voor te schrijven. Hier daalde van den hoogen berg [p. 34] Scir, die van de zijde der Zonnen opgang de Stad gebood, een groot getal geloovige, van alle oudheid en kunne. En om de zegepralende Kristenen te verquikken, brogtenze haar verscheide verversingen, niet minder verheugd in haar t’aanschouwen, alsse verwonderd waren haar met vremde wapenen, die heur onbekend zijn, bedekt te zien. Uit deze nam Godefroy een vroom en getrouw Leydsman, die zijn leger, langs de nabuurige zijden, geleiden. Op dat de scheepsvloot, van de Ree niet verstekende, de Soldaten mocht gemakkelijker haar behoeftigheid toeschikken. Ook ontbrak haar geen koren, ’t gene van de naastgelegenste eilanden quam, of deftige wijn van Kandie, of van ’t steenachtig Scio. Ondertusschen schenen de Zeeoevers onder ’t zwaar gewigt der schepen te zuchten. Over al, waar men zijn oogen op ’t water slaat, ziet men zoo veel schepen van allerhande slag, dat, zoo van nu af, de vloot der Heidenen aanquam, het niet goed voor haar wezen zou. Want boven de schepen ende galeyen, die Sant Joris, en Sant Markus op zee gebrogt hebben, aan de zijde van Genua en Venetien, zoo heeft Engeland, Vrankrijk, Nederland, en ’t vruchtbaar Sicilie, zoo grooten getal gezonden, dat men die naauwlijx zou kunnen tellen, noch nimmermeer onthouden kunnen de gene, die uit hun vrije wille haar t’zamen hebben gevoegd. Om zoo heerlijken reize te doen, hebben haar de benden, die te [p. 35] landen mosten gaan, van alles wel voorzien van ’t geenze noodig achten, zoo dat zij niet meer vindende, terwijl al de wegen veilig zijn, ’t gene zich tegen haar aanslag kanten, verdubbelden zij haar treden, en gingen recht na de plaats, daar JESUS CHRISTUS de dood voor zijne schepselen heeft willen lijden.
    Maar de Faam die gewoon is, zonder onderscheid, de waarheid en logen te verkondigen, had haar alreede voorgekomen, en over al verteld, hoe dat dit zeeghaftig leger zich alreede op weg begeven had, zonder dat’er iets machtig was om haar tegen te houden: hier bij hadse niet vergeten te zeggen, hoe groot dat haar macht was, wat de namen van hare voornaamste hoofden, wat haar dapperheid, ende welke proeven zij alreede gegeven hadden; zulx dat zij door deze reden, die zij met een aangezicht vol van vrees vergezelschapten, d’ ongeloovige, die het heilig land onrechtvaardig bezaten, dreigden met een aanstaande ondergang, gelijk de vrees voor eenig quaad, datmen verwacht, slimmer is als het quaad zelve; zoo waren ’er geen ooren die niet luisterden, noch geen zoo kloekmoedige, die op ’t gerucht, van deze quade tijdingen, niet verzet stonden. Een stil en verwerd gemompel vliegt van d’een tot den ander, en verspreid zich niet alleen door de bedrukte Stad, maar door d’omleggende plaatsen. Ondertussen bedroefd zich den Koning het meeste. [p. 36] Invoegen dat hij zich op het uiterste van een groot gevaar ziende, hij niet weet wat hij doen zal, en overdenkt vreemde dingen in zijn gemoed. Dezen Tiran was Aladijn geheeten, levende in een geduurige ongeneugte, en nu zoo veel te grooter, om dat hij, seder weinig tijd, tot de Kroon verheven was. Voor dezen had men altijd in hem bemerkt een natuur, zeer tot wreedheid genegen, daar zijn hooge Jaren nu een zekere gematigheid in brogten: hij dan ziende, door een te baarblijkelijken schijn, dat de Kristenen van meeninge waren om de Stad te belegeren, voegden hij bij zijn oude achterdocht de nieuwe ontsegging die hij van zijn vijanden en onderzaten had. Ook verbeelden hij zich, hoe hij in een Stad is, daar tweederlei volk van bijzonder geloove wonen, daar van de eene in JEZUS CHRISTUS gelooven, en d’andere de Wet van Mahomet volgen. Het is waar dat hij ook overweegt dat deze laatste de sterkste, en dat de Kristenen zwakker als te voren zijn; want toen hij in Jeruzalem trat, en zijnen Stoel wou bevestigen, was de eerste zaak die hij deed, haar met lasten te verzwaren, en op de zelve tijd de Heidenen, zijn nieuwe onderzaten, daar van t’ontlichten. Echter kon dit zijn gedachten niet wech nemen, die meer, als te voren, de wreedheid, die zijn ouderdom slaprig maakten, en in een koude en quijnende natuur besloten hield, in hem opwekten. Deze dingen t’samen gevoegd, [p. 37] onderhielden zijn felheid, en maakten dat hij nooit dorstiger na ’t menschelijke bloed, als tegenwoordig was. Alzoo ziet men, geduurende de hette van den zomer, het venijnige*serpent, dat in den winter niet dorst voor den dag komen, en ’t geen de strengheid van de koude verstijft hield, weêr tot zijn eerste quaad keeren. En alzoo herneemt de Leeuw, hoe getemd dat hij ook is, zijn aangeboren wreedheid, als men hem zard. Ik zie niet als te veel, sprak hij, in ’t aangezicht van die trouwlooze, dat zij meer, als naar gewoonte, verheugd zijn, de teekenen vertoonen zich zoo openbaar; dat zij die niet kunnen verbergen, zij zijn d’eenige die het gemeen verlies tot haren voordeel trekken, en die schijnen te lachen wanneer onze algemeene verwoesting ons tot schreijen noodigd. Dit doet mij gelooven datse na mijn leven staan: want in de staat, daar ik haar tegenwoordig in zie, is ’er al de schijn ter wereld, dat zij haar geest niet als op lagen en verraad scherpen; zij zijn in een eedgespan tegen mij, zonder twijffel, of ten minsten denken zij op geen andere middelen, als om de Stad heimelijk aan de grootste Vijanden, die wij hebben, over te leveren, en die van haar verbond in te doen komen: maar ik zal wel beletten dat dit niet geschiede, en mij zal geen middel ontbreken om haar schelmsen aanslag voor te komen. Ik moet mij geheel verlichten wat van de zaak is. Ik zal de landen zuiveren, op datse anderen tot [p. 38] een voorbeeld verstrekken. Ik zal de kinderen van de borsten der moeders rukken. Ik zal het vier in hare Tempelen en huizen steken. Niet een van haar zal mijne handen ontkomen. Zie dit is den houtstapel die zij verdienen dat men haar oprecht. En dit zullen hare graven zijn, daar ik hare Priesters zal doen slagten, en haar, in plaats van slachtoffer, doen opofferen. Den Tiran overdacht deze wreedheid, en stelde die zich alreede voor om uit te voeren: maar echter onderwind hij hem niets, en zoo hy deze onnoozele vergeeft, dat is niet door een drift van medelijden, maar by gebrek van moed. En zoo de vrees hem voor een prikkel van wreedheid verstrekt, een andere ontsegging, die veel starker is, belet hem voort te varen. Want boven dien dat hy vreest de weg tot het vredeverbond af te snijden, zoo zorgd hij noch zijn vyanden te misnoegen, en hare overwinnende wapenen te verstooren; dit doet dat hy zijn uitsinnige gramschap wat matigd en andere middelen zoekt om die gevoegelijker tegen andere onderdanen te plegen. Hierom verwoest hy van ’t onderste boven, alle de gebouwen die op het land staan, en steekt ’er ’t vier in aan alle zijden. Zulx dat’er niet overblijft dat dezen onmenschelijken niet verwoest of verdelgd. Hy laat niet een verblijfplaats voor de Franssen, en beneemd haar alle gelegendheid daar zy haar van zouden hebben kunnen verzien: hier by beroerde hy de springbronnen ende [p. 39] Revieren, daar van hy de klaarste oirspronk met een doodelijk venijn vergaf. Dien onbeweegelijken, als hy is, gebruikten deze listigheid, zonder dat hy ondertussen vergat de Stad te versterken; want hoewelze van drie zijden zeer sterk is, zoo wasse echter een weinig zwakachtig aan de noordzijde. Maar hy had die, in de eerste beroernis, met goede bolwerken, en in der haast met een goed getal oorlogsvolk, door hem onderhouden, verzien, zonder de Inwoonders daar in te begrijpen.
Continue
[
Frontispice canto 2]
[p. 40]

TORQUATO TASSOOS

Verloste

JERUZALEM.

Het tweede Gezang.

INHOUD.

DEn Toovenaar Ismenes bied den Koning Aladijn aan, door zijn tooverijen te beletten, dat Jeruzalem, door de Fransen, niet zou gewonnen worden: Maar zijn bezweringen niet kunnende gelukken, schrijft de Koning de Kristenen de oorzaak toe, en besluit haar alle te dooden. Beklagelijke twist van Sofronie en Olindus. Heur liefde en verlossing door Klorindes hulp. Argant zeid de Fransen d’Oorlog aan.

Ismeen den Toovenaar bied Koningk Aladijn
    Aan, om Jeruzalem door kunsten te beschermen;
En dat het Franse Heir nooit zal zoo machtig zijn
    Om hem die sterke Stad t’ontrukken uit zijn armen.

[p. 41]
(5) Zijn kunsten zijn vergeefs, dies Aladijn, den Vorst,
    Dit wijt de Kristenen, haar daarom wil verdelgen.
Beklagelijke twist van twee oprecht van borst,
    Die, door Klorindes hulp, de bittre drank niet zwelgen
Die hun beschoren was, om wreedheid te verzaân:

    (10) En Argant zeid het Heir der Franssen d’Oorlog aan.

TErwijl dat den Tiran zich tot den slag bereide, zie zoo quam Ismenes op een onverwachte dag, zich alleen voor hem vertoonen. Ismenes, die uit de vastgeslotene graven, wanneer ’t hem beliefd, de langbegraven lichamen kan doen opstaan, en haar een adem en gevoelen inblazen; Ismenes die alleen, door geruis van zijn zwerte bezweringen, Pluto zelve, in het allerdiepste, daar hy zijn Rijk beheerscht, doet verschrikken, en uit de verschrikkelijke holen de duivelen, die hij bind en ontbind, naar zijn begeerten, alsof ’t zijne slaven waren, doet uitkomen, t’elkens als hy zijn verburge kunsten wil plegen Dezen schelm was onlangs noch een Kristen, maar volgden nu de wet van Mahomet: evenwel waren hem noch eenige verven van zijne eerste geloove gebleven, zulkx dat hy dikmaal voor nam deze twee gelooven onder een te smelten, haar zeer quaad achtende, terwijl hy daar een ongodvruchtig en gruwelijk gebruik by voegden. Hy verliet dan, voor dezemaal, zijn duistere holen daar [p. 42] hy, ver van ’t gezelschap der menschen afgescheiden, gewoon was zijn bezweringen te doen, en bied zich aan om zijn Meester, in deze gelegendheid, te helpen, wat schade het gemeen daar by ook mag hebben. Maar alzoo den Koning alreede niet als te valsch was, dezen raadsman, die noch erger is, naderd tot hem: Vorst, zeid hy, het is zeker dat dit zeeghaftig leger, daar wy zoo voor beducht zijn, hier komt om ons te belegeren: maar om dat te beletten, zullen wy aan onze zijde alle mogelijke middelen aanwenden. Laat ons met het overige de Hemel laten begaan; want ik ben verzekerd datse ons gunstig zijn zal, en dat eerlijke lieden ons zullen helpen. Ook kan men niet loochenen, dat gij alle de voornaamste hoedanigheden hebt, die een voornaam Prins en deftig Hopman kunnen maken. Hier by, dat gy niet verzuimd hebt alle ding te verzien, die wy in toekomende van nooden hebben, noch op alles goede orde te stellen, zulkx dat, zoo een ijder u navolgd, en zijn plicht betracht, niet te twijffelen is, of uwe vyanden zullen heur graven vinden in uw land, daar zy omgekomen zijn, en wanen te winnen. Voor my, ik koom hier niet, als om deelgenoot in al uw gevaar te zijn. Mijn hulp is uw in dit werk noodig. Gebruikt my alleen, en gy zult zien of gy van my niet ontfangen zult, alle hulpe die gy te verwachten hebt van een grijzert, gelijk als ik ben, in de welke den raad door den ouderdom rijper [p. 43] word. Dit is ’t geen ik u belove, en dat niet alleen, maar al het gene mijn verburge kunst mij zal inblazen, om een gedeelten die zelve Engelen te belasten, die voor hun hoogmoed, voor dezen, uit het hoogste van den Hemel in ’t diepste van den afgrond zijn nêergestort: maar ik ben niet van zin om verder te treden, voor dat ik u eerst verhaald heb, hoe dat ik mijne bezweringen wil beginnen, en door wat middelen die vervolgen. In den Tempel der Kristenen, is onder d’aarde een outaar verborgen, en op dien outaar een beeld van hem, daar dit volk de Zoon van aanbid. Die, na dat hij de dood geleden had, begraven wierd en weder opstond, zoo als zij zeggen. Hier is een onsteke lamp, die, zonder ophouden, voor zijn grafstede brand, daar in orden geschikt zijn alle d’offerhanden, die van heur lichtgelovige Pelgrims, van alle kanten hier komende, om hun aandacht te plegen, daar gebrogt werden. Na dat dit beeld haar van den outaar genomen zal zijn, moet gij het zelf in onzen Tempel brengen. Daar na zal ik zoo machtige bezweringen doen, die, zonder twijffel, zoo veel als voor wachten aan de poorten zullen verstrekken, zonder dat ’er de vijanden ooit zullen ingeraken. Alzoo zult gij, en uwen staat, door een nieuwe verburgendheid, in zekerheid in den omring van deze muuren, u zelve kunnen verdedigen.
[p. 44]
    Den Toovenaar zijne redenen voleindigd hebbende, ging den Heidenschen Koning, van razernij en ongeduld vervoerd, recht na den Tempel der Kristenen, daar hij, alle heusheid vergetende, de Priesters bedwong om hem te wijzen waar dat Beeld was; ’t geen hij zoo ras niet heeft wechgenomen, of brogt het in zijn Turkxse Tempel, een onheilige plaats, daar den Hemel, dikmaal door het valsche en ongodvruchtig bijgeloof dezer Heidenen, vergramd word. Toen naderden dezen goddeloozen Toovenaar het eerwaardige Beeld, en mompelden ’er tegen, ik en weet niet wat voor schrikkelijke woorden van lasteringen t’samen gevoegd, en vertrok daar na: maar des morgens, zoo dra als den dageraad verscheen, quamen de genen, die de last hadden om dezen ongelukkigen Tempel te bewaren, ter gezetter uuren wederom, en waren wel verwonderd het beeld niet meer te zien daar men ’t gezet had, ende noch veel meer, toen zij het nergens konden vinden, na dat zijt aan alle kanten gezocht hadden. Al ’t geen zij toen doen konden, was, het den Koning te verwittigen, die deze nieuwigheid zoo mishaagden, dat hij zich, door een overdadige gramschap liet vervoeren. Want hij beelden zich terstond in, dat het iemand van de Kristenen was, die het gestolen had en verburgen hield. Nu, of dat waarachtig was, of dat den Hemel daar door zijn macht wilde betoonen, niet lijdende dat het beeld [p. 45] van zijn Lijk op deze wijze wierd ontheiligd, zoo veel is’er af, dat ’et onzeker onder haar was, of men’t de kunst der menschen, of eenig ongemeen middel most toeschrijven. Maar wij, die Kristenen zijn, behoorden godvruchtig te gelooven, dat het den Hemel aldus schikten, en het voor een wonder rekenen. Den Koning laat ondertusschen een scherp onderzoek in al de Kristenen huizen en kerken doen. Ook beloofd hij groote vergeldinge aan den genen, die hem eenige zekerheid daar af kan berichten, en gestrenge straffen aan hen die zich overtuigd vinden van het Beeld gestoolen of versteken te hebben. Den Toovenaar gebruikte aan zijn zijde ook alle verburge vonden om iets van de zaak t’ontdekken, maar al te vergeefs, terwijl den Hemel zorge draagt het te behoeden, tot groote schande van dezen bedrieger, en van zijn ijdele tooverijen. Na dat den Tiran eindelijk bemerkte, hoe dat hij verder in deze zaak trad, hoe datse meer voor hem verholen wierd, weet hij de gehele zaak de Kristenen, en van haat en gramschap tegen haar ontsteken, wierd hij wreeder als ooit te vooren tegen haar. Zijn razernij deed hem alle eerbiedigheid vergeten. Hij brande van ongeduld om zich te wreken, en nam voor hem het uit te voeren, hoe ’t ook gaan mogt. Neen, neen, sprak hij, deze verraders zullen nimmermeer stoffen datse mijnen toorn te vergeefs getergd hebben. De zaak zal zich heel anders toedragen als zij wel denken. Laat den [p. 46] Roover zich vrij verbergen, hij zal omkomen, in wat plaats hij ook mag wezen, en oirzaak zijn van de dood van alle d’anderen: daar is niet aan gelegen of d’onnozele voor de schuldige betalen, aangesien hij door deze middel gestraft word. Maar ô dwaas verkeerde, als ik ben, ik heet die gene onschuldig, die alle misdadigers zijn. Onder dit vervloekt gebroedsel is ’er nooit een gevonden die ons de minste genegendheid toedroeg. Men mag dan wel zekerlijk zeggen, dat zij alle met deze misdaad besmet zijn; en genomen dit waar alzoo niet, hebbenze voor deze geen andere genoeg begaan, die genoeg zijn om haar aan de uitterste straffen over te geven? Wel aan dan mijn getrouwe onderdanen, spaard noch het vier, noch het zwaard niet, om dezen trouwloozen hoop te branden en te moorden.
    Zoo sprak Aladijn in de volle vergadering, en terstond verkondigden de Faam deze tijding aan de Kristenen. Daar op vertoonden haar de schrik van de dood voor haar oogen, want niemand onder haar dorst, noch of vluchten, uit vrees voor schuldig verklaard te werden, noch minder om zijn zaak te verdadigen, noch zelf tot gebeden en veronschuldeging komen. De rampzalige Kristenen waren in deze twijffelmoedigheid, die haar in een geduurige vreeze hield, ter tijd dat haar hulpe quam van een plaats daar zij die het minste van verwachten. Daar was onder haar een jonge dochter, niet minder [p. 47] roemvaardig door de wonderen van hare dapperheid, als door die van hare schoonheid. Evenwel verachte zij die, en haakte niet als na groote dingen. O wonder, de zorg die zij draagd om haar eer te behoeden, geeft haar dezelve glans die men in de Zon ziet. En deze glans blonk zoo veel te meer, om datse haar van alle aanlonkingen en moeyelijke verzoeken, der genen die zij tot minnaars mogt verkrijgen, geheel ontrok: weinig ging zij uit den huis, en ’t was wat ongemeens als zij haar op straat vertoonde. Ook bekommerde zij haar het minste ter wereld, met ijdele loftuiterij en haar in gezelschappen te vertoonen: maar schoon dat zij haar verbergd, zoo is dat echter al niet mogelijk om te beletten, dat zulk een schoonheid, als de hare is, eindelijk niet deurstraald, en ijder doet verwonderen. En gij, ô liefde, zoud het anders niet wenschen. Want gij zijt de gene die haar aan de jeugdige begeerten van een jonge minnaar overgeeft. Gij die nu onlangs noch blind waard, hebt tegenoordig zoo goede en klaarziende oogen, als de gene van den verzierden Argus ooit waren. Zij zijn met geen doek meer bewonden, gij opentse en gij keerdse waar ’t u beliefd. Gij bedriegt de wachten, die u verliezen en voerd de lonken van andere in d’allerkuischte gedachten van een gadelooze schoonheid. Haar naam was Sofronie, en die van haren Minnaar Olindus. beide van een Stad en een geloove, d’een zoo ge- [p. 48] schikt als d’ander schoon is. Zie rampzalige Olindus, welk de geboorte van uw liefde was. Gij begeerd vele dingen, en verhoopt heel weinig. De achtbaarheid belet u uw qualen t’ondekken, aan de gene die daar d’oirzaak af is. En evengelijk gij de stoutmoedigheid niet hebt daar van te spreken, zoo veracht zij het door de onkunde, of daar geen acht op te slaan. Ongelukkige als gij zijt, die tot noch toe een beminde gediend hebt, zonder een middel te vinden, noch van haar gezien te zijn, noch om haar uw liefde t’openbaren, of de minste gunst te genieten.
    Ondertussen verspreid zich ’t gerucht van deze beklagelijke moord door de heele Stad, en Soffronie hoord, tot heur leedwezen, deze droevige tijding verhalen. Zij, zoo gelukkig zijnde van een Kristen, en zoo kloek als schoon te zijn, denkt alreede in haar geest op middelen om dit ongeluk af te keeren. Het staat niet aan haar dat het zoo zij, en de begeerten die zij hier toe heeft, vermeerderd meer en meer door zulke brave gedachten. En zoo haar eenige dingen tegenstaat, ’t is alleen maar haar zedigen aard, die de Maagden niet minder aangeboren als welvoegende is. Evenwel, na dat zij lange getwist heeft, steigerd haar moed eindelijk de twijffelmoedigheid te boven, zoo dat de stoutigheid en zedigheid in haar gelijk zijn. Zij gaat dan alleen uit, en breekt dwers door ’t gedrang van ’t volk, zonder iets van haar schoonheid te verbergen, of die zonder cieraad te [p. 49] vertoonen. Haar zedig gelaat zijn de teekenen van hare moedigheid, haar wezen is zoo groots, dat men, haar ziende, zou geoordeeld hebben, met ik en weet niet wat voor opgeblazendheid vermengd te zijn. ’t Is uit een oprechte verachting dat het voorkomt. Ja men zou niet kunnen zeggen, dat het door kunst of natuur was, die haar onachtsame schoonheid zoo zeer verhefte. Want in dit losswierend gelaat, zietmen aanlokselen die van den Hemel, van de natuur, en van de liefde begunstigd werden. Alsse voort gaat, is’er niet een die haar met het oog niet vervolgd, maar zij gewaardigd haar niemand aan te zien, zoo hoogmoedig is zij van aard. Haar voornemen is den Koning aan te spreken. Zij gaat recht voor hem staan, zonder dat de hevige gramschap, die hem vervoerd heeft, machtig is om haar een tree te doen aarselen. Maar houd in tegendeel stand, zonder voor het verschrikkelijk blixemen zijner oogen te verschrikken. Vorst, spreektse tot hem, Ik bid vertoornd u niet langer, en laat af van uw volk meer in vreeze te houden. Dat ik hier nu verschijn, is om u t’ondekken en ter hand te stellen, den perzoon die gij zoekt, om de misdaad die hij tegen u begaan heeft. In ’t aankomen stond den Koning verzet, ziende de groote kloekmoedigheid van deze maagd. Hierbij wierd zijn hert half overrompeld door de glans van haar schoonheid, die hem ’t gezicht verblinde, gelijk onverziens een blixemstraal. [p. 50] Dit was d’oorzaak dat hij zijn onrechtvaardige gramschap en zijn vergrimd gelaat een weinig matigde. Zulkx dat het te gelooven is, dat zoo hij een weinig minder onmenschelijker geweest had, als hij was, en zij wat zachtmoediger, zoo een schoon voorwerp zou hem, zonder twijffel, tot liefde bewogen hebben. Maar ’t is wel ongemeen dat een verachte schoonheid een opgeblaze hoogmoedigheid verast, om dat de aanlokkelijke strelingen het lokaas van Cupido zijn. Dit was het vermaak dan dat dezen tiran schepte, met verwondering aan te zien zoo schoon en betooverlijk beeld, dat zijn bloodaardig hert beweegde, en niet de liefde, wier schichten hem geensins wonden. Sofronie hier op lettende, nam heur tijd waar om de redenen die zij hem te zeggen had, t’eindigen. Heer Koningk, riepse, Hier is de gene die zich schuldig kend, aan de misdaad daar van gesproken is. verdelgd haar alleen, en niet deze rampzalige Kristenen, uw onderdanen: zij veinst niet voor u t’ondekken, dat de rooverij, die u zoo zeer ontsteld, een werktuig van deze hand is, terwijl niemand anders, als ik, het beeld, dat gij zoekt, gestolen heeft. En lijd niet dat zoo veel onnozelen de straf daar van gevoelen. Zie hoe zij haar zelve ter dood, zonder die verdiend te hebben, aanbood, om andere te behoeden. kloekmoedige logen, die zoodanig zijt, dat de grootste waarheid die niet gelijk is. En hoewel deze verkla- [p. 51] ring Aladijn, in ’t eerst grootelijkx beducht maakten, zoo sprak hij evenwel, zonder zich te bewegen, tot haar. Wel aan, veins niet om voor mij te ontdekken wie u dit geraden, en zich medemakker van uw misdaad gemaakt heeft? Waar op Sofronie, niet meerder als te vooren, verschrikten. Denkt niet, antwoorden zij hem, dat ik deze eer heb willen deelen, of een ander deelachtig maken. ik alleen heb deze daad onderstaan, en seder uitgevoerd, zonder iemand raad te vragen. Terwijl dat dit zoo is, antwoorden haar den tiran, zoo zult gij de eenige wezen daar op ik mij wreken zal, u doende de smerten gevoelen die gij verdiend hebt. Ik zoek niet liever, voegdezer bij, en ben wel te vreden het geheele deel in de eer en de straffe te hebben. Aladijn begon hier op te vergrimmen, daar na vraagden hij haar, wat zij met dat beeld gedaan, en of zij ’t niet verburgen had. Gants niet, antwoorde zij, ’t is verbrand, en ben wel blijde dat ik ’t gedaan heb. want ten allerminste zal het in toekomende, door de handen van deze ongeloovige, niet meer ontheiligd werden. Waarlijk Heer Koningk, gij herzoekt, of de diefstal, of de persoon dieze begaan heeft, het eene zult gij nimmer weêr zien, maar ’t gezicht van d’andre hebt gij hier voor u, en evenwel vertrouw ik, dat mijn daad geen dieverij behoord genoemd te werden. Daar is niet zoo rechtvaardig als ’t gene dat men onrechtvaardig genomen heeft, weder te geven.
[p. 52]
    Deze woorden vervoerden den tiran tot een overmatige gramschap, hij blaast niet als dreigementen uit, en tracht nu voortaan niet als de beweging van zijn drift te volgen. en hoopt dan niet meer, ô schoonheid, die onder de gedaante van een engel, een goddelijke geest en onverwinnelijke moed verbergd, de minste genade van hem t’ontfangen. De liefde zou te vergeefs, als een sterken beukelaar, die aangename schoonheid, daar u den Hemel mede begaaft heeft, trachten te zetten tegen de wreedheid van dezen Barbaar. Ondertussen word deze schoone bij ’t lijf gevat, en veroordeeld om levende verbrand te worden. hiertoe wierdse door d’onbeweegelijke razernij van den tiran geschikt. alreede ruktemen de sluyer van haar hoofd en de kleederen van haar kuisch lichaam, haar schoone armen worden met dikke touwen gebonden, en door het vast toeknellen heel verpletterd. Zij spreekt niet een woord, en al het quaad onthaal, dat men haar doet, is niet machtig om haar de minste vrees aan te jagen. en zoo haar roosverwig aangezicht een weinig veranderd is, men verneemt’er daarom geen bleekheid op, maar zoo natuurlijken blankheid, dat zij veel schoonder als te vooren scheen. Geduurende deze dingen, trok het gerucht van zoo vreemden zaak, dat, nu over al verspreid was, al het volk tot zoo droevigen schouspel. Men liep naar het gedrang van alle plaatsen der Stad. Olindus zelf begeeft’er zich met anderen na [p. 53] toe, met voornemen noch nader tijdinge te hooren. maar als hij zag dat deze schoone gevangene, zekerlijk zijn beminde meestresse was, dat zij ’t zelve was, die men zoo gebonden had, zij die voor schuldig gehouden wierd, zij die nu alreede veroordeeld was, en eindelijk, zij die door een tiran in handen van de beulen was overgegeven, die alreede bereid stonden om ’t vonnis uit te voeren, zoo begon hij door ’t gedrang te breken, en zijn stem verheffende, aan de zijde daar den Koning stond, aldus tot hem te roepen; Zij is de gene niet die aan de diefte, daar zij door een dwaze onbedachtsaamheid op roemd, schuldig is, zij heeft daar nooit op gedacht: ook is ’t niet te gelooven, dat een jonge dochter, van een vreesachtigen aard, zoo stout zou geweest zijn, haar zoo een gevaarlijke zaak t’onderstaan, en noch veel minder die uit te voeren: want hoe zou zij de wachters van den tempel hebben kunnen bedriegen? en door wat middelen dat heilig beeld wechnemen? laat zij u doen gelooven wat zij wil, ik weet echter wel beter. Ik ben de geen die het gestolen heeft; en ik beken vrijelijk, dat, na ik het stuk gedaan had, ik door een venster, onder ’t voordeel van de nacht, het zoo ontsnapten: daar na vond ik gelegendheid om door de groote plaats heen te gaan, daar ik het door d’afgelegenste wegen ontquam. Ik ben dan de eenige die rechtvaardig verdiend heeft, en de eer van deze daad, en de [p. 54] dood daar nevens: dat deze dan mij het een ofte het ander niet en kome t’ontnemen, deze ketenen en banden behooren mij toe; dezen houtstapel is voor niemand, als mij, opgerecht, en deze vlamme is niet ontsteken als om mij tot assche te verdelgen.
    Sofronie hem op deze wijze hoorende spreken, en met meewaardige oogen aanziende, antwoorde hem; Arme onnoozele, wie leid u hier zoo roekeloos? met wat voornemen komt gij hier? of wat razende uitzinnigheid geleid uwen loop? hoe, ben ik dan niet stark genoeg om te wederstaan, al wat de gramschap van een mensch het wreedste kan voortbrengen? Neen, neen, ik geloof noch moed genoeg te hebben om de dood alleen te verduuren, zonder dat het noodig is dat men mij komt gezelschap houden. Deze woorden sprak zij tot haar Minnaar, en evenwel kan zij hem niet meerder tot het herroepen brengen, als om zijn voornemen te doen veranderen. ô wonder, zo veel te grooter, om dat het ons een volmaakte kamp der liefde, met d’onverwinnelijke deugd vertoond. Heerlijk verschil, daar de dood zich tot een prijs aan den overwinnaar opofferd, en daar d’arbeid zelf de schuilplaats is daar den overwinnaar zich kan bergen; hoe den eenen in dezen twist hardnekkiger als d’ander, zich schuldig zoekt te verklaren, hoe meer dat Aladijns gramschap tegen haar ontsteekt: want hij geloofd waarlijk, dat deze [p. 55] twee minnaars hem bespotten, en datse, om hem noch meer te verachten, de straf belachen die zich voor haar oogen vertoond. Het verscheeld mij gans niet, spreekt hij, of men ziet dat zij schuldig zijn, aangezien dat ik haar alle beide een zelve palmtak na heur verdiensten geven zal; dit zeggende, gaf hij een teeken aan de onmedoogende uitvoerders van zijn tirannij, die haar altijd gereed hielden om te volbrengen het gene haar geboden was, invoegen dat men haar beide, in minder als een oogenblik, zag stijf aan een paal gebonden, des eenen rug tegen des anders. Maar Olindus, ziende den houdstapel rondom opgerecht, en dat men alreede het vuur daar begon in te steken, kon zijn klagten niet weêrhouden, noch hem bedwingen deze woorden te spreken, tot haar, die men met hem gebonden had: Wel zijn dit dan de ketenen daar ik verhoopte, dat wij mede zouden geboeid worden, om t’samen de rest van ons leven over te brengen? ziet hier dan het vuur van ’t welke ik het zelve wezen tussen u en mij verwachten: ô de liefde heeft ons wel andere vlammen en banden beloofd, als deze, die ons nu door het quaad geval bereid zijn! ô hoe onmenschelijk isse, dat zij ons niet vereenigd, als om de dood te doen lijden, na dat zij ons altijd zoo wreed gescheiden heeft! evenwel nu het moet wezen, dat gij, helaas! zoo onwaardig sterft; zoo schiet mij ten minsten deze vertroostinge over, nu ik, van het geluk van uw bed- [p. 56] genoot te worden beroofd ben, dat ik u zal in den houtstapel gezelschap houden: maar waarlijk u eenig ongeval dat smert mij, en niet het mijne, terwijl ik zo gelukkig zal zijn van aan uwe zijde te sterven: helaas, ik zou noch veel blijder zijn, en geen vermaak vinden dat bij mijn lijden te vergelijken was, indien ik deze gunst mogt verwerven, dat ik mijn geest gaf op d’oever van uw lippen, en op de zelve tijd onze laatste zuchten onder onze kuisse kusjens mogt vermengen. Sofronie wierd door deze klachten van Olindus bewogen, en om hem te vertroosten, sprakse, Mijn ziel, de weinige tijd die ons noch overschiet te leven, roept ons tot andere klachten, en tot veel hooger bedenkingen; in plaats van u zoo te bedroeven, waarom denkt gij niet eer om u van uwe zonden te bekeeren? waarom hebt gij u niet altijd voor uwe oogen deze waarheid vertoond; dat ’er geen vergeldinge te vergelijken is bij de gene die God de rechtvaardige menschen beloofd heeft? Lijd standvastig voor de eer van zijn naam, en twijffel niet of gij zult de straffe zacht vinden: hoopt niet als op de dingen van daar boven, daar men de ware gelukzaligheid vind, de Hemel roept u nu op deze maal; ziet eens hoe schoon dat hij is, en hoe hij ons schijnt te vertroosten, ons noodigende om te proeven de ware lekkernijen der welgelukkige. Terwijl dat d’een en d’ander deze klagten doet, prijzen d’ongeloovige haar stantvastigheid; en het groot meêdoogen dat’er de Kri- [p. 57] stenen mede hebben, vertoond genoeg haar gevoelen daar van. Het is waar, dat zij niet als onder elkanderen daar van spraken, want zij haar niet overluid durven beklagen. Den tiran is zelf, tegen zijn gewoonte bewogen, en hoe verhard dat zijn gemoed is, zoo treft hem het medelijden aan om hem te verzachten; maar zoo onverbiddelijk als hij is, is zijnen naam mede; ook is hij van zoo een barbarischen aard, dat deze voorwerpsels van medelijden hem zoo vergrimmen, dat hij terstond zijn oogen elders na toe wend, en van daar vertrekt, om door zoo een droevig schouwspel niet bewogen te werden. Daar is niemand als gij, schoone Sofronie, die u niet gevoellelijk aan deze druk vertoond, en die u niet eens gewaardigd om te klagen.
    Geduurende deze twistredenen, zie zoo verscheen in ’t midden van de volle vergadering, een Ridder, of men zoud’ er hem ten minsten voor aangezien hebben, van zoo schoonen wezen als braaf van gestalte. na’et aanzien van zijn wapenen en de rest van zijn toerusting zou men geoordeeld hebben, dat het een vremdeling was, van verre gekomen om zijn fortuin te zoeken. den tijger, die hij boven op den helm voerde, en de oogen van een ijder tot haar trok, was een kenbaar teken genoeg, dat het den gene was die Klorinde gemeenelijk in den oorlog voerde: ’t geen d’oorzaak is, dat zij haar alle ook daar voor houden. gelijkze in der daad in dat geloof geen- [p. 58] sins bedrogen zijn. Van haar kindsheid af, heeft haar altijd tegen ’t hart geweest, die laffe onledigheid en oeffeningen daar haar de vrouwen toe begeven: dit doet dat zij tegenwoordig veracht heur handen neer te buigen, om een spinrok of de naald te handelen, en diergelijke werken te maken, die gemeenelijk strekken tot het tijdverdrijf der maagden. hier bij heeft zij een grouwel van het prachtige gewaad, en de plaatsen die met muuren besloten zijn, want zij is wel verzekerd, dat de eer van een dochter, niet beter bewaard is in de steden als op het veld; zij wapend met hoogmoedigheid haar aangezicht en vermaakt haar met, ik en weet niet wat voor strafheid en opgeblazendheid, in de aangeboorne zoetigheid van haar oogen te mengen, even wel misstaat het haar niet, en hoe groot dat haar verachtinge zijn, zij geven haar evenwel een brave zwier. zoo haast als haren ouderdom heur bequaam maakten, tot de eerlijkste tijdkortingen, zag men haar de paarden berijden, die zij nu wel weet te bedwingen, met een speer geestig om te gaan, de piek te handelen, het rapier te zwayen en haar leden te wringen in’t worstelperk, om dat zij niet vadzig in’t loopen zoude zijn: daar na gevoelende haar krachten allengskens met hare jaren toenemen, ging zij in ’t diepste van het wout, en op de hardste klippen, daar zij haar niet bemoeyden om een haas, of das, of rhee, of andre diergelijke vreesachtige beesten na te jagen, maar wel om de leeuwen [p. 59] beeren en tijgers te vervolgen, daar zij haar zoo aanhing, dat zij voor de menschen zo wild scheen als de beesten zelf. maar zo als zij nu van Perssen quam, om haar te stellen met al heur macht tegen ’t geweld der Kristenen, hoewel alreede menigmael heur lichaam met wonde bedekt en de revieren met heur bloed geverft waren, was dit schouwspel van d’aanstaande dood, het aldereerste dat zich voor hare oogen vertoonden, d’uitnemende begeerten die zij in ’t begin had, om te weten wat ’er af was, en wat misdaad dat de personen, die men voor schuldig houd, mochten begaan hebben, deed haar het paard nopen om te naderen. het volk vertrok terstond en liet haar met gemak door, zoo dat zij, den houdstapel genaderd zijnde, de twee getrouwe minnaars aan een paal geboeid zag. zij verwonderd haar te hooren, hoe dat den eenen zich gants, in tegendeel van de andere beklaagd, die niet een eenig woord spreekt, betuigende dat haar stantvastigheid boven het gemeen van hare kunne gaat. echter weet zij wel dat de zuchten die den eenen ontsnappen, veel eer een eigenschap van medelijden is als van eenige smerte die hij gevoeld, en dat de stantvastigheid van d’andre een teeken is van het voornemen dat zij alreede genomen heeft. want in’t aanzien met wat voor een bezadigde geest zij den Hemel aandachtig beschouden, scheen het, dat haar schoone ziel, haar lichaam verlaten eer dat de dood hun gescheiden had. Ondertussen trof het onge- [p. 60] luk, van d’een en d’ander*zoo diep in het herte van Klorinde, dat zij haar niet onthouden kon van tranen te storten. niet te min de persoon die zich het minste beklaagd, is die haar het meeste*smart. zij dan niet langer kunnende wachten om hier opening van te hebben, brande van ongeduld om de waarheid van de zaak te weten. hierom trad zij tot een grijzerd, die daar dicht bij stond, mijn vriend, sprak zij tot hem, wat is dat voor volk dat ik op deze wijze gebonden zie? is het heur misdaad of quaad geval die haar tot deze straffe gebrocht heeft? na dat zij de daad ondervraagd en het verhaal in weinig woorden gehoord had, bleef zij geheel verwonderd, en beelden haar zelven terstond in datze onnoozel waren. Hier op neemtse voor haar hun het leven te behoeden, ’t zij door kracht van gebeden, of die van de wapenen. met dit voornemen trad zij tot den houdstapel, daar zij’t vier van afwenden, ’t gene alreede deze rampzalige minnaars begon te genaken; daar na haar tot de beulen keerende, sprakse tot hun; houd u stil, en dat niemand van u zoo stout is voort te varen, voor al eer dat ik den Koning gezien en gesproken heb: doet alleen ’t geen ik u zeg, en vreest niet dat hij op u vertoornd zal zijn, om dat gij dit vonnis hebt uytgesteld. Op deze woorden stelden zij haar aan om heur te gehoorzamen, niet kunnende geloove dat de plicht haar daar toe verbond, zoo veel macht had de brave gedaante van de persoon die haar gebood, op hun: zij [p. 61] ging dan van daar na den Koning, en gemoeten hem in een weg daar hij voorbij haar quam. alsdoen om haar voornemen niet langer uit te stellen, sprakze tot hem: Heer Koning, ik ben die zelfde Klorinde daar van uw Majesteit mogelijk wel af heeft hooren spreken; het gene dat mij tegenwoordig hier geleid, is niet als een uitnemende begeerte, die ik heb om ons geloove en uw Koningrijk voor te staan, zie ik ben bereid om u te dienen, gebied maar alleen en gij zult zien, hoe dat ik in noodzakelijke dingen, de alderkleinste zaken niet zal verachten, noch voor de gevaarlijkste aanslagen verzet zijn; ’t zij dat gij mij op de bolwerken zet, of in’t binnenste der steden, of in’t open veld, ik zal nimmermeer iets zo lief hebben het gene te vergelijken zal zijn bij d’eer die gij mij den zult in mij te gebruiken, De Koning haar met grooten aandacht gehoord hebbende, antwoorde haar; Kloekmoedige Heldinne, wat landschap is zoo ver van Azie en der Zonnen opgang gelegen, daar de faam de wonderen van uwe heerlijkheid niet verbreid heeft? weetmen niet wel dat het gerucht van uwen naam tot aan d’uiterste palen der wereld bekend is? dit zoo zijnde, heb ik dan geen reden mij van alle vrees t’ontlasten, en de zorgen die ik noch kort had ver van mij te verbannen, nu dat uw onverwinnelijk zwaard bij’t mijne gevoegd is? ja waarlijk, en gij moogt het ook wel geloove, dat ik meer hope heb in u eenige dapperheid, als ik zou hebben in ver- [p. 62] scheide benden van oorlogsvolk die ik een krijgslichaam t’zamen gevoegd zag. my dunkt alreede dat dien Godefroy, die men zoo zeer vreest, te lang vertoefd om te komen; aangaande de begeerte die gij betuigd om gebruikt te werden, door de vraag die gij mij gedaan hebt, dat is wel redelijk dat het zoo geschiede, terwijl’er geen zoo zwaren aanslag is, daar gij niet bequaam toe zijt om uit te voeren: zie daarom stel ik van nu af aan de last van dezen oorlog in uw handen, en geef u een volkomen bevel om over ’t geheele leger te gebieden; met een woord, ik versta, dat gij de soldaten wetten zult geven, die zij voor onveranderlijk zullen houden. Al ’t gene Klorinde kon doen, was den Koning te bedanken voor den lof, die hij haar gegeven had, tot dat het tijd was om op’t gene te komen dat zij van hem begeerde. Vorst, vervolgdenze, mogelijk zult gij ’t in’t eerst vreemd achten, dat de vergelding voor de diensten moet gaan; maar de gene die ik in toekomende u hoop te bewijzen, gevoegd zijnde bij ’t vertrouwen dat ik in uw goedheid heb, doen mij hopen dat gij mij deze twee misdadigers niet weigeren zult. De weinige schijn die ’er van is, datmen hun daar voor hoord te houden, is de oorzaak dat ik die ernstig van u begeer; want, om de waarheid te zeggen, mij dunkt dat men haar met al te veel wreedheid veroordeeld heeft: evenwel ben ik wel te vreden op de zaak niet eens te komen, noch d’omstandigheden voor te brengen, die [p. 63] tot zekere proeven van hare onnoozelheid zoude mogen verstrekken. ’t is mij genoeg dat gij weet dat ’er niet is als ’t gemeen gerucht ’t gene u doet gelooven dat de Kristenen het beeld hebben wech genomen, voor’t gene dat van de rest is, vergeef het mij, zoo’t u beliefd, zoo ik door de reden gedwongen ben te zeggen, dat uwe Majesteit, zonder twijffel, de achting die wij ons geloof schuldig zijn, overtreden heeft toen hij volbracht het gene, daar den toovenaar hem toe drong; gij weet, Heer Koning dat het ons niet geoorlofd is, noch geen beelden in onze Tempelen te hebben, noch de zelve aan te bidden, en noch minder dan die van anderen; het is dan onze Profeet die ik dit dan wil toe eigenen, en t’effens het wonder dat’er op gevolgd is, geloofd mij hij alleen heeft dat wonderteeken gedaan, om ons te leeren, dat het ons verboden is onze heilige tempelen t’ontheiligen door een nieuwe bijgeloovigheid; laat ons Ismenes met zijn bezweringen en tooverijen laten begaan, terwijl hij geen andre wapenen als die heeft; maar wij die soldaten zijn, laten wij ons behelpen met de speer en ’t zwaard, en onze hoop nergens in stellen dan in de dingen die ons ampt raken.
    Hoewel ’t hart van den tiran scheen ongevoellelijk tot medelijden te zijn, en dat het hem qualijk met groote moeite liet bewegen, evenwel zoo was hij eindelijk te vreden, en liet af door de gebeden van Klorinde; om dat de reden hem daar toe verplichte. [p. 64] Wel aan dan, zeide hij, dat men haar het leven en de vrijheid geef, ik ben wel te vreden, terwijl gij het zoo begeerd, kloekmoedige maagd; want uw persoon is mij van zoo grooten waarde, dat ik u nimmermeer een zaak zoude konnen weigeren, ’t zij datze de dood verdiend hebben, of dat zij vrij behoorden te zijn door haar onnoozelheid, zoo veel is er af, ik geef haar genade en u zeer garen over. Zie daar hoe de verlossing van deze minnaars toeging; in het welk de getrouwe Olindus, zoo grooten geluk had, als hij aan zijn meestres, de daad van een genegendheid, zonder voorbeeld die de liefde zelf opwekten, in zijn kloekmoedige dapperheid kon bewijzen, Want van den houdstapel, daar hij noch kort te voren dacht tot assche verbrand te worden, ging hij recht na den Tempel om te trouwen; en van een ter dood veroordeeld mensch, werd hij de man van een persoon die een onderlinge genegentheid hem toedraagt; en de geen die hij boven alle dingen ter wereld bemind; ook is’t wel redelijk, dat hij met haar willende sterven, indien dit niet gebeurd was, zij ook nu zoekt om met hem te leven, maar om dat het verbod van dien tiran hem niet mocht toelaten, in zijn land zoo braven voorbeeld van deugd te hebben, uit vreeze dat in’t toekomende hem zulkx niet mogt in eenig gevaar brengen; banden hijze beiden uit Judea, met noch veel andre Kristenen, die hij in verscheiden plaatsen in ballingschap verzond, naar dat hem de [p. 65] drift van zijn wreed voornemen vervoerden. ô met wat droefheid verlaten de jonge lieden heur ouders in haren hoogen ouderdom! Wat is ’t een gevoellelijke zaak voor de mannen datse heur vrouwen en kinderen verlaten moeten. Waarlijk een wrede scheiding, en daarom te meer onverdraagelijker, om dat dezen Barbaar niet en verjaagd als den genen daar hij een goeden geest en onvermoeilijk lichaam, in bemerkt, houdende alleen bij hem, tot zoo veel panden, de gene die hem niet hinderlijk konnen zijn, ’t zij datse door den aard van heure kunne, of door de zwakheid van haren ouderdom, tot de vrede genegen zijn. Zoo scheiden deze arme verdrukten, tot heur groot leedwezen, hier en daar; maar het meerendeel, daar in het misnoegen grooter als de vreeze was, wierden tot afvalligheid verwekt, en begaven haar in dienst van de Kristenen, die zij ontmoeten zoo als zij quamen tot Emaus; alzoo heet men een klein stedeken, niet verder van Jeruzalem afgelegen, dan dat een mensche, des morgens vertrekkende, gemakkelijk in vier uuren daar komen kon, wanneer hij zelf maar voet voor voet ging. O hoe aangenaam is deze tijding de Franssen! en hoe groot is de begeerten die zij hebben om heuren aanslag te vervolgen, zonder die langer uit te stellen! Evenwel, om dat de zon alreede meer als de helft van zijnen loop gedaan had, deed den Veldheer de lasten ontladen, en de hutten oprechten.
[p. 66]
    Yder een had zich alreede nedergeslagen, en de zon was al op het punt om zijn vlammige en vergulde stralen in den Oceaan te dompelen, wanneer men verwonderd was twee onbekende Ridders na ’et leger te zien komen; zij waren heerlijk van gedaante en rijkelijk gekleed, ’t gene haar vreemdelingen deed schijnen; en zoo zedig van gelaat, dat men, haar ziende, terstond zou geoordeeld hebben, dat zij niet als vijanden quamen: ook bekende men haar eindelijk voor de twee Gezanten, van wegen den Soudaan van Egipten gezonden, met een groot getal Schildknapen en Edeljonkers tot haar gevolg: den eenen was genaamd Aleth, een man van niet opgekomen, en die niets vorderlijkx en heeft door zijn geboorten: maar boven dien dat hij heel welsprekende is, vlug van geest, zich over al na weet te schikken, zijn natuur om ijder te believen, zoo hebben zijn kunsten hem tot de hoogste ampten van ’t Rijk verheven: hier bij mag men stellen, dat hij geen gelijk heeft om een leugen te verdichten, geestig in alle loosheid, en zoo doortrapt, om zijn snoodheid op te pronken, dat, wanneer als ’t hem beliefd, hij die tot zijn lof doet gedijen. Den anderen is den Cirkasser Argant, die van een vergelegen gewest gekomen zijnde in ’t Hof van Egipten, door den grooten Soudaan, tot Landvoogd gemaakt, en met de eerste ampten van den oorloog begiftigd wierd: ook moet men bekennen, dat het een man is die door geen [p. 67] moejelijkheid is te verwinnen, en zeer kloekmoedig: maar voor de rest, onverduldig, onbewegelijk, opgeblazen, en zoo goddeloos, dat zonder vreeze, noch voor God, noch voor eenig geloof, hij alle redelijkheid, die men van hem te verwachten heeft, in de punt van zijn zwaard steld. t’Harer aankomste verzochtenze beide om verhoord te worden, en wierden terstond geleid in de tente van den beroemden Godefroy: hij was zedig gekleed, en zat in een leegen zetel, midden onder de Hopmannen van zijn leger; en waarlijk, de ware deugd heeft altijd van zijn zelve zoo veel verciersel en glants, dat schoon hij die verwaarloost, echter noch altijd deurstraald. Argants plichtplegingen waren niet zeer groot, want hij was zoo verwaand, dat hij alle menschen onverscheiden stelden. Aleth deed zoo niet, maar betoonden zich beleefder dan hij: in zijn aankomen lei hij zij hand voor de borst, en hield zijn gezicht ter aarden gevest, hem al de eer aandoende, die de gene van zijn volk gewoon zijn te doen aan de personen die zij in achtinge hebben. Na deze beleefdheid begon hij zijn gesprek met zoodanigen geschiktheid, dat uit zijnen mond welsprekende stroomen vloeiden, veel zoeter en aangenamer dan hoonig: Hij sprak in de Sirische taal, die de Franssen wel verstaan konden, om dat zij alreede daar de kennisse af hadden. O ware Zon van deugd, en onvergelijkelijke kracht, riep hij, dien zoo veel beroemde Helden [p. 68] die hier vergaderd zijn, onderdanigheid bewijzen, na dat zij bekend hebben, dat zij hare zege en overwinningen aan uw wijs beleid schuldig zijn: ziet eens tot hoe ver ’t gerucht uwe dapperheid verkondigd? de pilaren die den zeeghaftigen Herkles eertijds geplant heeft, tot zoo veel tekenen van zijn overwinning, zijn niet machtig om de grootheid van uw onsterffelijken naam te bepalen: men spreekt onder ons van geen andre dingen; en naauwlijx zal men in geheel Egipten een mensch vinden die uwen lof, met zoo grooten aandacht, niet aanhoord als of hij wonderen hoorde verhalen die het gemeen gevoelen der menschen te boven gaan: ook hebben wij een Vorst, die, die smaakt met zoo veel vermaak als verwondering. ik zal noch meer zeggen, dat is dat hij zelve daar dikmaals behagen in schept die aan anderen te verhalen; in uw persoon beminnende, het geen in anderen, zoo veel schrik, als nijdigheid brengen zou, zoo als hij u bemind en uwe heldendaden prijst, zoo begeerd hij ook onderling een verbond met u te maken, is ’t niet in den Godsdienst en het geloof, ten minsten, in oprechte vriendschap die vast en onverbrekelijk is. hierom moet gij ’t niet vreemd achten, dat hij, onder de gunst van zoo goeden gelegentheid, van u vrede verzoekt en met u begeerd verbonden te zijn: uw deugd moet dan deze vereeniging tusschen u beide maken, terwijl dat het geloof, daar gij van elkanderen in verscheeld, dat [p. 69] niet doen kan: maar voor zoo veel als men hem bewust gemaakt heeft, dat gij van zin zijt een van zijn oude vrinden uit zijn Rijk te verdrijven, zoo heeft hij mij belast, eer dat noch grooter ongeval geschiede, wat zijn voornemen daar op is, u aan te zeggen. Waarlijk het is dit, dat zoo gij u wild vergenoegen, met het land dat gij in dezen oorlog verkregen hebt, zonder meer, noch Judea, noch hare grenspalen te verwoesten, zoo dat dit Rijk zich weêr in zijn eersten stand mag herstellen; dan beloofd hij u, tot vergelding, een gerust bezitter van het uwe te maken, daar gij noch niet vast in gezeten zijt: wanneer gij beide met goed verstand dus t’samen gevoegd zijt, zullen de Turken en Persianen wel ooit weder verkrijgen ’t gene uwe dapperheid op haar gewonnen heeft? neen zonder twijffel, en ik ben verzekerd, datse daar proeven, t’harer schade, afzien zouden. Gedenkt, ik bid u, ô zeeghaftige Vorst, dat gij in weinig tijd zulke groote dingen hebt uitgerecht, dat de toekomende eeuwen, hoe lang datse ook zijn, die nimmermeer uit de geheugenis zullen kunnen uitwissen; de slagting en verwoesting van geheele legers, het overrompelen der steden, het verduuren der moeijelijkheden, geduurende zoo langen reis, de ongemakken der wegen, die u onbekend waren, gelukkelijk af te leggen, zijn brave teekenen genoeg van uwe dapperheid en macht: zulkx dat al d’omleggende plaatsen, en zelf de vergelegendste [p. 70] landschappen, verschrikt zijn door ’t gerucht van zoo veel overwinningen. Gij moogt dan wel nieuwe Rijken, maar geen nieuwen lof verkrijgen, terwijl m’er niet kan bij voegen op het top daar de uwe gestegen is. Als dit zoo is, behoorde gij in ’t toekomende den oorlog, daar den uitgang altijd twijffelachtig af is, te schuwen; op wat plaatse dat gij uw zegepralende wapenen voerd, moogt gij uw land wel doen aanwassen, maar niet uwe Faam. Ter ander zijde, zoo ’t gebeurd dat het wapenlot eenmaal veranderd, het verlies van uwe overwinningen zal die van uwe achting dan met zich sleipen. Geloofd mij, mijn Heer, daar is geen hachelijker spel als van ’t geval, en ik achtse wel beroofd van zinnen, die een groote meenigte stellen, dat alreede haar verzekerd is, tegen eenig goed, dat noch groot, noch niet zeker is. Evenwel die geweldige drift die u tot de wapenen vervoerd, is mogelijk de raad van eenig afgunstig mensch, die u benijd dat gij langen tijd behouden zoud, ’tgene gij van anderen gewonnen hebt. De gelukkige voortgang van uwe aanslagen, daar in gij altijd de zege gehad hebt, en die vierige drift om onderdanen te maken, die van naturen meer in groote gemoederen, als in laffe en slappe herten ontsteekt, mogen u met meer hardnekkigheid van den vrede weêrhouden, als wij begeerten hebben om u den oorlog aan te zeggen: mij dunkt alreede dat zij u inblazen, dat gij in zoo braven voortgang niet [p. 71] moet blijven stil staan, dat het noodlot u genoeg zaam een volkomen weg tot de overwinningen geopend heeft: dat gij groot ongelijk hebben zoud uw zwaard in de schede te steken; dat ’er geen macht groot genoeg is om d’overwinningen te stutten, en dat alzoo den eerwaardigen tijtel van Overwinnaar, u verplicht, de wapenen niet af te leggen, tot dat gij t’eenemaal de Wet van Mahomet zult uitgeroeid, en geheel Azien verdelgd hebben. Maar wat zijn alle deze dingen anders, dan aangename vertellingen, die d’ooren streelen, ende aanlokkelijke strikken, daar van het bedrog veeltijds tot schadelijke dingen uitvalt? Indien uw moedigheid zoo driftig niet is, datse u de oogen verblind,*noch zoo met wolken beneveld, dat het licht van de reden verduisterd word, ik ben verzekerd dat gij lichtelijk zien zult, dat in dezen aanslag, die gij beginnen wild, gij veel meer reden hebt te vreezen dan een goede uitkomste te verhopen; u is niet onbekend dat d’ommekeeren van ’t geval onzeker zijn, en dat ’er geen verzekerheid in haar verwisselingen is, die nu goed en dan quaad zijn. hier bij datse geen andere vlucht doen kan, dan die te snel, of te hoog, en aan’t neerstorten vast is. zeg mij, ik bidde u, zoo Egipten, dat zoo machtig in raad, in zilver en wapenen is, tegen u quam op te staan, zelf zoo ’t ook gebeurde dat de Turken Persianen en den zoon van Kassan op u afquamen en den oorlog vernieuwden, wat machten [p. 72] zoud gij tegen zulk een geweld kunnen stellen? en waar zoud gij bijstand bekomen die u van dat groote gevaar zou verlossen? evenwel steld gij mogelijk uw hoop op den Keizer van Grieken, met den welke gij waand een heilig en onverbrekelijk verbond gemaakt te hebben; maar hoe? weet gij niet hoe groot dat zijn trouwloosheid is, en de weinige zekerheid, die gij in de trouw der Grieken stellen moogt? uit een eenig verraad kund gij van de rest oordeelen, of veel eer uw voordeel met duizendderley bedriegerijen doen; die dat trouwlooze en gierige volk wreedelijk tegen u en den uwen gepleegd hebben. Hoe, zal den genen die noch onlangs u den weg wilde toesluiten, nu voor u zijn staat en zijn leven gaan in gevaar stellen? Is ’er eenige schijn dat hij die u den weg verloochende, die aan ijder een behoord gemeen te zijn; t’uwaarts mildadig zal zijn met zijn eigen bloed? Het mag ook wezen dat uw grooste hope steund, op de troeppen die u in dezen oorlog noch navolgen. gij gelooft dan dat het u hier na zoo gemakkelijk zijn zal, verscheide volkeren, in een oorlogslichaam t’zamen gevoegd, t’overheeren als het u, voor dezen, de verstrooyden en afgezonderde geweest is; en overweegt gij ondertussen niet dat uwe machten verzwakken, zoo wel door de moeylijkheden die zij voor dezen hebben geleden, als voor het gevaar dat u in toekomende dreigd; voornamentlijk zoo d’Egiptenaars haar eenmaal beginnen te vervoegen met [p. 73] de Turken en Persianen; maar ik wil dat het u lot is, onmogelijk ooit door de wapenen verwonnen te worden, en dat het hemelsche voorbeschik u zoo gunstig zij, als gij ooit zoud kunnen wenschen; zoud gij dan met alle deze dingen sterk genoeg wezen om den honger t’overwinnen? weet gij eenig middel tegen dit quaad, zeg het mij ik bid u; ik kan het niet denken; want, na dat gij met de speren en zwaarden wel zult gevochten hebben, zoo zult gij bevinden dat d’overwinning u maar in schijn zal blijven. gij ziet met wat voorzichtigheid, die van deze landschappen haar behulpen hebben, men ziet niet als verwoestingen, op het veld, daar het vuur het alles verteerd heeft; en alle deze dingen is het werk van haar handen. ook is’t al lang geleden dat zij in besloten plaatsen en vaste steden geweken zijn, want zij geleerd hebben hoe gij haar komt bezoeken. O gij, die u tot noch toe, met geen minder dapperheid, als voorzichtigheid beholpen hebt, waar meend gij nu voortaan te krijgen het gene daar gij uw ruiterij en voetvolk mede spijzen zult? mogelijk zult gij mij hier op antwoorden; dat uw scheepsvloot, die aan de naaste oevers lecht, u geen gebrek zal laten lijden. maar hoe? hangt uwe lijftocht aan de winden die niet als in verandering en onzekerheid bestaan? heeft uw goed geluk over haar eenige macht? kan zij die in hare holen sluiten en weder na haar begeerten ontketenen? zoud gij de eenige zijn, die een hoofdstof- [p. 74] fe, dat van zich zelven voor klachten en gebeden doof is, zoud kunnen bewegen? meend gij dat ons volk, met de Turken en Perssen t’zamen verknocht zijnde, geen middel hebben, om op Zee te brengen een vloot die machtig genoeg is om de uwe te wederstaan? zekerlijk indien gij uit dezen aanslag tot uw eer wild wederkeeren, zoo zie ik dat gij tweemaal moet overwinnen, eens te water en eens te land: een zaak die daarom zoo veel te gevaarlijker is, terwijl een verlies machtig is u zoo veel schanden als schaden toe te brengen: maar als dat niet zijn zal, waar toe zal u uw scheepsmacht dienen schoonze Zegepraalden, indien gij te lande verstrooid word? laat mij toe dan te zeggen, dat, in den staat daar ik u in gebracht zie, zoo gij den peis en de vrede met den grooten Soudaan van Egipten weigerd, ik niet gelooven kan dat gij wel beraden zijt, noch dat dit voornemen, bij d’andre deugden, die men in u bespeurd, niet kan vergeleken worden; maar dat den Hemel wilde dat gij van zin veranderden, en dat, zoo uwen raad tot d’oorloghelden, het anders gebeurden ’tgeen ik alleen wenschten, om dat Azie voortaan, een weinig, na de rampspoet die het geleden heeft, verquikken zou, en gij een geruste vreugd hebben van uwe overwinninge: evenwel ’t geen ik zeg, is niet om uwe arbeidzaamheid bij die van mijnen Koning te vergelijken, noch om uwe heerlijkheid in een zelve weegschaal tegen de zijne te stellen; maar ik tracht [p. 75] alleen om u te toonen, dat het niet is als gunst daar het geval u tot noch toe mede opgehoopt heeft, en die u hier in bedriegen, ongevoelijk van den eenen in den anderen oorlog inwikkelen. Hier in staat het u den wijzen stierman na te volgen, die zich eindelijk tot rust begeeft, en zijn schip in de gewenste haven leid, na dat hij d’ongestadigheid der zee beproefd heeft: alzoo bevinde ik dat gij veel tot uwe verzekerdheid doen zult, zoo gij tegenwoordig uwe zeilen oprold, zonder u weder te betrouwen in de gevallen van den oorlog, die niet minder onzeker zijn als die van de zee.     Op deze wijze*eindigden Aleth zijn gesprek, ’t gene terstond gevolgd wierd met een zoet gemompel van deze moedige Prinssen, die genoegzaam, door haar veracht wezen betoonden, hoe onaangenaam dat haar deze opening was. Eindelijk, na dat heur Hoofd zijn oogen drie of viermaal rondom op de vergadering geslagen had, om ten naasten bij aan ’t gelaat te oordeelen, wat ijder op het herte lag, zag hij dien Vreemdeling strak aan, en gaf hem deze woorden tot antwoord. Waarlijk, Heer Gezant, ik ben wel verheugd dat ik den inhoud van uw gezantschap verstaan heb, en verwonder mij niet te min zeer, dat gij beleefde plichtplegingen, met woorden, die vol dreigementen zijn, vermengd hebt. Zoo ’t waar is, dat uwen Koning mij eenig goed toewenscht, en zoo veel acht, gelijk gij zegt, [p. 76] of zelf de dingen prijst die wij tot hier toe gedaan hebben, daar van zijn wij allen aan die beleefdheid verplicht: maar aangaande dat deel van uw gesprek, daar gij geloofd ons te verschrikken, met ons te zeggen, dat zoo wij geen vrede met hem aangaan, alle de Vorsten van Azie zich met hem vervoegen zullen om ons den oorlog aan te doen: ik ben te vreden om u opentlijk t’antwoorden, gelijk ik gewoon ben, zonder eenige opgepronkte redenen: weet dan dat wij tot hier toe zoo veel gevaar te water of te landen niet geloopen, noch gewillig, nu de ongemakken van de Zon, en dan weder die van het quaad weêr, geleden hebben, als met voornemen, om ons een weg te openen tot deze eerwaardige muuren daar de teekenen van onze zaligheid in besloten zijn: want wij verhopen ons zelven te verkrijgen, een genade en bijzonder verdienst bij onzen God, zoo wij tot dit punt zoo gelukkig zijn, dat wij de geloovige mogen trekken uit de wreede slavernij, daar zij nu in gebracht zijn: daar toe wij met zoo grooten vierigheid aangeprikkeld worden, dat wij nimmermeer zullen aarzelen, om tot zoo waardigen aanslag de scepters en de kroonen, het leven en al wat men eer in de wereld noemd te gebruiken. zekerlijk wij zijn niet aangesart geweest om hier te komen, noch door eenige laffe gierigheid, noch door een eergierige begeerten, om nieuwe overwinninge te bekomen. in tegendeel bidden wij den hemelschen Vader, dat het [p. 77] hem beliefd zoo besmettelijken quaad ver van ons af te jagen, en niet toe te laten, zoo iemand bezoedeld is, dat dit zoet vergif in de ziele vloey, uit vrees dat het hem niet doode, betooverende het lichaam met vermaak van zoo weinig duurzaamheid: zie dat is onze begeerte, en dat zijn hand die tot in de hardste herten doordringt, den genen, daar dit quaad zijn wortelen geschoten heeft, zoetjens vermurwe: zij is de gene die ons alleen in deze plaatsen geleid heeft, afkeerende alle beletselen en gevaren; zij die de alderhoogste bergen effend, en die de stroomen en rivieren doet uitdroogen, hoe groot datze ook zijn; zij die verzacht de hette van de zomer en de koude van den winter; zij die het onweêr der vergramde Zee stild, en eindelijk zij die als ’t haar beliefd den toom der winden kan breidelen, of vieren, uit vrees dat zij niet zouden geweld plegen: door zijn hulp is ’er geen zoo sterken muur daar men geen stormgat in zou kunnen maken; noch geen zoo verschrikkelijken leger ’t gene niet verdelgd, of op de vlucht zou gedreven kunnen werden: ook is’t van haar alleen dat onze moed komt afdalen; aan haar hangt onze hoop, niet aan onze machten die alreede vermoeid en verzwakt zijn, niet aan ons leger ’t geen wij hebben, niet aan al het Grieksche oorlogs volk, noch zelf aan al de wapenen van de Fransen t’ effens: wanneer dat zij alleen ons bijstaat, dan behoeven wij niet veel bezorgd te zijn dat de andere dingen ons zullen ge- [p. 78] breken: den genen die weet, hoe zij verdadigd die op haar betrouwen, en hoe straf dat zij den wederspannigen, die tegen haar opstaan, ter neêr slaat, die hoefd zonder twijffel elders geen hulpe te zoeken, hoe groot dat de gevaren zijn die hem ook dreigen: ter ander zijde, wanneer het zelf geschieden dat wij van zijn Goddelijke hulpe beroofd wierden, of door een verburgen oordeel, of door onze zonden; meend gij dat wij zouden weigeren onze dagen te eindigen, daarze den genen geeindigd heeft, door wiens middel dat wij verloren gaan? konnen wij meer eer verkrijgen als begraven te worden daar het onzen Zaligmaker heeft geweest? Maar gij zult daar op zeggen, dat wij alle zullen sneuvelen, en niet een van ons het ontgaan; zoo veel te beter, indien dat geschiede, zullen wij ten minsten geen haat toedragen den genen, die ons zullen overleven. Wij zullen sterven, maar het zal niet zijn, zonder wel dier ons leven aan onze vijanden te verkoopen. En ik ben verzekert, dat, boven dien heel Azien niet spotten zal met ons ongeluk, het bekennen zal, dat wij geen droefheid in de dood zullen hebben. Evenwel moet dit voornemen niet zoo machtig zijn, om u te doen gelooven, dat wij den vrede zullen schuwen gelijk als een bloedigen en doodelijken oorlog: in tegendeel is ons d’aanbieding van uw Vorst zoo aangenaam niet, of wij zouden wel vergenoegd zijn, om ons met hem te verbinden, indien het recht [p. 79] der wapenen zulkx vereisten: maar gij weet alreede wel, zonder dat het van noode is het u te zeggen, dat Judea hem in geener wijze toebehoord. Waarom bekommerd hij zich zoo zeer met een zaak, die hem geensins raakt?*laat het hem genoeg zijn dat hij zijn Rijk in vrede bezit, en eindelijk, dat hij niet dwers in onze overwinningen en val, voornamentlijk, nu hij ’er geen schaden bij lijt.
    Met deze antwoord zond Godefroy de Gezanten wederom, die zoo gevoelijk was voor den fieren Argant, dat hij niet langer kon veinzen, noch de razernij verburgen houden die hij in zijn ziel had. Wel aan dan, sprak hij, laat ons dan den oorlog hebben, terwijl het zoo wezen moet: alzoo heeft het niemand aan schijn ontbroken, wanneermen verschil gezocht heeft: het weigeren dat gij op onze aanbieding doet, is een baarblijkelijke getuigenis dat gij geen vrede begeerd. Dit zeggende, vatten hij een slip van zijn mantel, en rolden die te zamen met een vergrimd gelaat, en veel onwaardiger als te vooren, vervolgden hij, Nu dan, terwijl gij de hachelijkste aanslagen veracht, zoo moet gij uw drift volgen. Ziet hier den vrede, of den oorlog, die ik u toebreng; kiest, of ’t een of ’t ander, en beraad u daar op, zonder een langer uitstel te zoeken. Terstond wierden ze alle, door de moetwilligheid van deze daad en reden bewogen, hem, met gelijke stemmen, den oorlog aan te zeggen, [p. 80] zonder te wachten dat haar Opperhoofd sprak. Waar op den onvertsaagden, het hervouwen van zijn mantel uitstekende, al schuddende vervolgden; Dit is ’t gene ik begeer, en dat dit ontseg doodelijk zij: vergezelschappende die woorden met een aangezicht zoo vol dreigementen, datmen gezeid zou hebben, dat hij zoo terstond, den tempel van Janus voor eeuwig ging openen, om daar uit te halen het allerwreedste en verschrikkelijkste, dat bij de tweedracht en razernij te vinden is. Want zijn oogen stonden zoo afgrijsselijk, dat de fakkels van Alekto en Megere daar schenen in te branden. Zoo was mogelijk, voor dezen, dien wederspannigen, die tegen den Hemel dien onmatigen klomp op een stapelden: en zoo het hoovaardig Babel, toen men heur hoofd in de wolken zag verbergen, en de sterren dreigen. Ondertussen, om dat hij zonder antwoord niet weêr wech gaan zou, antwoorde hem Godefroy, Laat niet na om uw Meester te boodschappen, dat hij zich verhaast om te komen, zoo ’t hem beliefd, en in ’t overige, dat wij zeer garen den oorlog aanvaarden, daar gij ons zoo mede dreigd, zonder dat wij daar voor bevreest zijn. En zoo hij de moeiten niet wil doen om ons te komen bezoeken, dat hij ons dan verwacht aan de monden van zijn Nijl. Dit gezeid hebbende, gaf hij de twee Gezanten zeer beleefd oorlof, en daar bij rijke geschenken. Aleth een helm, vercierd met gesteenten van [p. 81] groote waarden, die hij noch behouden had, uit den roof, in ’t veroveren van Niceen; en aan den onvertsaagden Argant een zwaard, van fijne stoffe, daar van ’t gevest van fijn goud was, en zoo deftig gewerkt, datmen de uitnemendheid van de kunst, natuurlijk verknocht zag, aan de glans van verscheiden dierbare gesteenten, die de waarde onwaardeerlijk maakten. Maar hoe rijkelijk dat het was, echter liet Argant niet naar zijn onwaardigheid, in het ontfangen, te toonen: daar na, hebbende de punt en het scherp beproefd, sprak hij tot Godefroy, dat gaat wel, ik hoop dat gij wel haast zien zult, hoe ik mij weet te behelpen met de gift die gij mij gedaan hebt. Daar op zijn medemaat naderende, vervolgden hij; laat ons gaan, want wij hebben niet meer te doen dat ons hier kan houden: voor mij ik ben van meining na Jeruzalem te gaan, daar de noodzakelijkheid mij roept, en dat gij naar Egipten keerd; gij met het licht van de Zon, en ik onder dat van de Maan: daar gij gaat, heeft men noch mijn tegenwoordigheid, noch mijn brieven van doen, om dat gij zelf kond zeggen de schoone antwoord die dit volk ons gegeven heeft; hier bij is’t geen reden dat ik mij uit deze plaatzen begeven zou, nu men hand gemeen worden zal. Alzoo wierd hij van Gezant, gelijk hij was, een vijand; het zij of een geweldige heete drift hem hier toe vervoerden, of dat hij ’t onverscheiden achten d’aal- [p. 82] oude gastvrijheid der volken en de wetten Godsdienstig van haar opgericht, te verbreken. Evenwel was dit het gene daar hij ’t minst op dacht, want zonder andere antwoord van zijn gezantschap te verwachten, ging hij, geduurende de stilte van de nacht en de klaarheid der starren, recht na de muuren van de heilige stad: alreede wenschten hij daar te wezen, en zijn ongeduld is zoo groot, dat hij niet, als met groote ongenuchten, de weinige weg die hij noch te gaan heeft, door brengt; ondertussen bewimpeld de nacht het geheele aardrijk met duisternisse; de wind en de baren zijn bevangen met een diepe slaap, en al de wereld schijnt stom te wezen; want dit’s de tijd in de welke al het gedierten, zoo wel de genen die haar verschuilen in’t diepste der Zeen, der poelen en der revieren, als d’andre die haar in heur woeste holen verburgen houden, of de genen die, onder een vermengd, in de stallen zijn opgesloten, ook de vogelen, die van de natuur met duizend verven geschakeerd zijn, blijven als in een diep vergeten begraven, die haar vermoeidheid betooverd. Maar hoe wel, geduurende de stilte en de duisternissen, het ongemak der menschen slaapt en door deze middel haar verdrietzaamheid verlicht word, zoo liet evenwel het leger der Kristenen haar niet door den slaap overwinnen, noch veel minder den zeeghaftigen Godefroy: niet een onder haar kan d’oogen toesluiten, zoo groot is de [p. 83] begeerte die zij alle hebben, dat de morgenstond, daar van zij ’t licht met ongeduld verwachten, haar aan den Hemel vertoond, en hen den weg ondekt en geleid tot de heilige Stad, die het doelwit van zoo grooten reis is: zulx dat zij ijder oogenblik niet doen als bespieden, ofze niet zullen zien te voorschijn komen eenige stralen die de duisternissen van de nacht verdrijven, en haar den dag toebrengt.
Continue
[
Frontispice canto 3]
[p. 84]

TORQUATO TASSOOS

Verloste

JERUZALEM.

Het derde Gezang.

INHOUD.

DE Kristenen komen voor Jeruzalem, en legeren haar ter neêr; eenige troepen, van d’een en d’ander zijde, raken in ’t gevecht, daar Klorinde veel wonderen uitrecht. Hermine word op Tankredo verliefd, en hij op Klorinde. Dood van den Hopman Hugo, ende zijn uitvaard. Beschrijving van een oud bosch, dat Godefroy deed afhakken.

Het Kristenheir dat komt voor Zalem d’oude stad,
    En legerd zich ter neêr rondom de hooge wallen:
Dies eenige, aan weêrzijds, toen hebben’t zwaard gevat,
    En zijn verwoed op een, in een gevecht gevallen;

[p. 85]
(5) Daar in Klorinde haar zoo fier als dapper draagt;
    Hermine word verliefd op Prins Tankredoos deugden,
Hij wederom met minne ontsteekt tot d’oorlogsmaagd.
    Den Hopman Hugo word gerukt uit ’s werelds vreugde
n,
Zijn uitvaard: en ’t verhaal van een dichtstengig wout,

(10) ’t Geen Godefroy verwoest om het gebruik van ’t hout.

ALrede wierd de wederkomst der morgenstond, door een frisse wind, die haar een weg in de lucht baande, aangevoerd, terwijlze met een krans van bloemen haar vergulde lokken kroonden, als de Soldaten der Kristenen nergens meer na haakten, dan om te gaan daar heur dapperheid haar riep. Want heur ongeduld, om op te trekken, is zoo groot, dat zij voor het teeken, der trompetten en trommelen, haar in ’t veld begeven met een vrolijk gejuich. Ondertussen gebruikt haar Veldheer zijn gewoonlijke voorzichtigheid, om deze vierigheid te verzachten, en tracht heur geweldige drift wat te matigen: maar het is zoo weinig mogelijk haar te weêrhouden, als om hoog te doen steigeren de vergrimde baren, die op het punt zijn om in den afgrond van Charibdis neêr te storten, of te stutten het geweldig onweder des noorden-winds, ’t zij dat hij de hooge toppen van den Apenijn beukt, of dat hij de schepen te gronde rukt op den onmedoogenden Oceaan: daarom steld hijze in or- [p. 86] den, dieze in ’t voorttrekken moeten houden, in zulker voegen dat, zoo het van nooden is om hare treden te verdubbelen, zij zulkx niet derven onderwinden, zonder uitgedrukt bevel van haren Veldheer. Op deze wijze is ’er niemand onder haar, die zoo wel geen vleugels in ’t hart, als aan de voeten, heeft: en evenwel, hoe gezwind dat zij zijn, zoo beeldenze haar in, door uitnemende begeerten dieze hebben, om daar al te wezen, dat haar voeten gebonden zijn, en niet voortgaan van de plaatsen.
    De Zon had naauwlijx met haar eerste stralen, klimmende op den Horizon, het aardrijk verwarmd, of Jeruzalem vertoonden zich, ’t geen zij malkanderen aanwezen, en met duizend stemmen onder een vermengd, hoorde men haar de heilige Stad begroeten; even gelijk kloekmoedige gemoederen, die de begeerten om nieuwe landen t’ontdekken, doet op een onzekere zee, en onder een onbekende pool zeilen, haar eindelijk verblijden, indien zij, na dat zij menigmaal de ongestadigheid der winden en baren beproefd, zoo gelukkig zijn den oever te zien, daar zij zoo dikmaal naar gewenscht hebben. want dan doenze de zee met een vrolijk gejuich weêrgalmen en vergeten, in een oogenblik, al het ongemak dat zij, geduurende haar reize, geleden hebben. Bij deze onvergelijkelijke vreugd, die dit eerste gezicht zoo zoet in heur herten blaast, is een waarachtige bekeering gevoegd, met achtbaarheid [p. 87] en godvruchtigheid onder een gemengd: zulx dat zij, Jeruzalem aanschouwende, als opgetogen schijnen, terwijlze haar voor oogen stellen, dat dit de plaats is, daar heur Verlosser de dood geleden heeft, daar hij begraven geweest, en eindelijk is opgestaan. De gebeden, die zij zoetjens uitspreken, en door zuchten en tranen gebroken werden, spruitende uit een gedeelte van blijdschap en medelijden, verwekken, aan wat zijde datmen zich keerd, een gerucht dat zich in de lucht uitstrekt. Zoo is bij na het geruis dat zich in de bosschen laat hooren, wanneer het geweld der winden de boomen komt bestoken, of als het gene dat in de holligheid der spelonken gehoord word, langs de zee, daar de baren schijnen te verzuchten, wanneerze malkanderen ontmoetende, tot niet verbrijzelen. De godvruchtige soldaten trekken alle blootsvoet voort, op het voorbeeld van haren Hopman. zonder dat ’er een onder haar is, die, om zich meerder te vernederen, met groote vernoeging, zijn vederbos, helmcieraat, geborduursel en het alderprachtigste niet afleid. want boven dien datze hare herten van alle opgeblazendheid reinigen, zoo vloeyen uit hare oogen een meenigte van Godvruchtige tranen; daar na gelijk als of haar den weg nu voortaan op het zuchten en klagen gesloten was, beschuldigenze haar geweten, en ijder spreekt deze woorden in zich zelve; een zeker teeken van een waarachtige bekeering. O mijn Verlosser, zal ik [p. 88] dan zoo ondankbaar zijn, dat ik geen twee beken van tranen stort op deze geheiligde plaats, daar gij de aarde met duizend stralen van uwen bloede bevochtigd hebt? Het herdenken van zoo bitter lijden, als het uwe, behoord het niet mijn hart te vermurruwen en tot medelijden te bewegen? Yzig hert, hoe komt het dat gij niet verbrijzeld word? Zeker gij hebt nooit meer reden gehad om u te bedroeven als nu. In dusdanige heilige gedachten onderhieldenze haar, wanneer een soldaat, die men in de stad, te wacht gesteld had op eenen hoogen toorn, van de welke men verre in’t rond de heuvelen en dalen kon ondekken, bij geval bemerkten eenige groote stofwolken die in de lucht oprezen, aan de zelfde zijde daar het Kristen leger in aantocht was: zulx dat men in’t begin dat ziende, gezeid zou hebben, dat deze dikke wolk daar de lucht zich mede bedekten; als groote blixemstralen en levende vlammen was. Maar na dat deze mist een weinig verdween, en dat hij bescheidelijker onderscheiden kon, mannen, peerden, en de schrikkelijke glants der wapenen, die zich in de stralen der zonne verdubbelden, riep hij; ach wat bemerk ik van verre? Wat voor een stof zien ik in de lucht! ô hoe dik isse, en wat voor een glans ziet men daar door heen! op ingezetenen, nu moet gij u verweren, neemt dan uw wapenen, mand de muuren: haast u. Ziet hier den vijand die vast naderd: hij is’t zonder twijffel. [p. 89] Daar na zijn geschreeuw op het einde van deze woorden verdubbelende, vervolgden hij; dat ijder een zich haast: loopt tot de wapenen, ziet gij niet hoe dat hij naderd, en dat onder deze duistere wolk, zoo verschrikkelijk om zien, haar het krijgsvolk verbergd dat ons bespringen komt? Door deze woorden word ijder een vertsaagd. De kinderen beven alreede van vreezen, de grijzerds verwachten niet meer als de dood, de vrouwen die door haar zwakken aard onbequaam zijn tot den oorlog, zuchten van vertsaagdheid, eindelijk den genen die niet vechten konnen, noch haar verweren indien men haar bevecht, nemen haar toevlucht tot de gebeden en hierom begevenze haar in hare Tempelen. In tegendeel loopen de kloekste van lichaam en van moed eerst tot de wapenen; daar na begeven haar de eenen bij de poorten en de anderen op de muuren. den Koning zelf toond haar den weg, en rondom gaande, geeft een ijder last om zorg te dragen voor ’t gene dat hem tot haar bescherming goed dunkt. Hier na begaf hij zich op eenen hoogen toren, staande tussen twee sterke poorten, om dat hij in ’t noodzakelijke te beter verzien zou, want hem deze plaats bequamer als d’andere dacht, om alle de toegangen t’ontdekken. Hier hield hem de schoone Hermine gezelschap, die hij in zijn Hof liet komen zoo haast als de Kristenen de sterke stad Antiochien al stormende overrompelden, daar heur vader het leven [p. 90] liet. Ondertussen doet Klorinde een uitval op de Fransen, gevolgd zijnde van een bende goede soldaten, voor de welke zij voor uit rijd met de speer in de vuist; Argant doet zijn best om haar bij te staan, en begaf zich hierom aan een looze poort, om den genen die uitvielen te helpen indien het bij geval van noode was. In dezen aanslag moedigde Klorinde de haren aan en dreefze ten strijd, zoo wel door haar standvastig gelaat, als door hare woorden. Spitsbroeders, riepze, laat het ons tegenwoordig zoo maken, dat wij op ons goed begin de geheele hope van Azie vesten. Zoo sprekende zagze niet ver van haar een bende voorloopers die weder na ’et leger weken, een meenigte van vee voor haar drijvende, gelijk haar gewoonten is, alles te rooven wat haar ontmoet: terstond streeftz’er recht na toe om haar t’achterhalen; ’t welk den*Hopman, die Wachter genaamd was, bemerkende, zich terstond tot tegenweer bereid; maar hoe groflijvig en sterk dat hij is, echter is hij de man niet om haar te wederstaan: ook word hij met de eerste ontmoeting ter aarden gewurpen, in ’t gezicht der Franssen en Heidenen, die terstond beginnen te schreeuwen, en dat voor een goed voorteiken van dezen oorlog aannemen. Evenwel vervolgden de zaak zoo niet gelijk als zij hoopten. Ondertussen gaf zij haar zelven meer moed als ooit te voren en haar peerd met lossen toom de sporen, begaf haar onder [p. 91] de overige. Al ’t geenze in ’t aankomen ontmoeten werptse ter aarden. Haren arm geld meer dan honderd andere, en door middel van haar zware slagen, opendse aan de gene die haar volgen den weg. Zij de voorloopers aldus haren roof hebbende doen verlaten, weken de Franssen al langsaam te rug, en vervoegden zich eindelijk weêr bij een, op het hoogste van een heuvel, niet ver van daar gelegen, om haar met het voordeel van de plaats te dienen. Als doen, gelijk als door een onweêr in de lucht bewogen, van boven een blixemende donder schiet, dat uit de wolken schijnt te storten, zoo wierd den Prins Tankredo door ongeduld naar den strijd gedreven, zulx dat op het eerste teiken dat den Veldheer van ’t leger gaf, hij met gevelde speer zijn bende voort dreef: hij scheen t’effens, zoo edel en verschrikkelijk, dat den Koning hem van verre ziende zich terstond inbeelden, dat dezen Ridder noodzakelijk iets uitstekender boven d’andre heeft. Hierom vervoegden hij zich tot Hermine die benevens hem zat, en door’t aanschouwen van dit voorwerp met zoodanigen vrees bevangen wierd, dat haar hart en pols van angst begon te jagen. O maagd, sprak hij tot haar, ik bid u, verplicht mij te zeggen, wie dat dien Ridder is die ik zoo stoutmoedig zie aanvallen? Want ik ben verzekerd, hoewel hij gewapend is, dat*gij hem, en d’andere Kristenen ook, wel kennen zult, om dat gijze niet als te veel [p. 92] tot uwe schaden gezien hebt: ik heb groote begeerten zijn naam te weten, om dat hij een rechtschapen krijgsman gelijkt, die zich niet zal laten verbluffen. Zoo Hermine ooit verzet was, zoo is zij’t tegenwoordig: want zoo als zij meenden te antwoorden, wierd haar spraak afgebroken door een diepe zucht, die den zoom van haar lippen winnende, al bereid was om uit te slippen. Hier bij bereiden zich hare oogen, zo om tranen te storten, dat zij die te vergeefs tracht op te houden: terwijlze haar genoeg, door een kleine roodigheid, die haar omringd, en tot meer verciersel strekt, ontdekken. Ik vergeet dat de zuchten, t’elkens alsse haar ontslippen, half wegen door de hikken gebroken werden; evenwel om datse haar niet eerlijk van deze vrage ontslaan kan, bedektse met een valschen schijn van haat, de liefde die zij tot Tankredo draagt. Daar na den Koning aanziende, antwoordse hem. Helaas! Heer Koning, gij geloofd niet zonder reden dat door eenig blijk dezen mij niet onbekend is: ik behoorden hem waarlijk wel te kennen en onder duizend t’ onderscheiden: terwijl ik hem zoo dikmaal de graften heb zien vullen en het veld met het bloed mijner rampzalige onderzaten beverven: ô hoe schrikkelijk slaat hij toe, en hoe zijn zijne slagen te vreezen! de wonden die hij wond zijn zoo gevaarlijk, dat noch de kruiden en de wortelen, noch zelf de bezweringen der Toovenaars, machtig zijn om die te gene- [p. 93] zen; ’t is zekerlijk den Prins Tankredo die ik zoo quaden hert toedraag; ik wilde wel dat hij levendig in mijn handen mogt vallen, om dat ik middel mogt hebben, om mij een weinig te vertroosten door de wraak die ik tracht op hem te plegen. Deze woorden die zij tegen haar gemoed uitdrukten, eindigden met een zucht, die haar ontslipten wat moeiten dat zij ook deed om die te weêrhouden. Ondertussen bereiden haar Klorinde, om met gevelde speer Tankredo te gaan begroeten. In deze ontmoeting, stiet den een den ander zoo vinnig, op het doorzicht van den helm, toe, dat heur speren aan spaandren vlogen. Het is waar dat de schoone Klorinde het meeste verstoord is, om datse haar helmet, door het geweld van den stoot, los gesprongen en haar bloods hoofd ziet. Waarlijk een vreemd geweld dat haar den helm van’t hoofd werpt, waar door op haar schouderen, lange vergulde lokken, die door de wind verspreid werden, neêrvallen: gelukkige toeval voor haar, waarom heur dapperheid beroemd werd, terwijl zij zelf, die men noch kort te voren voor een man oordeelden, nu tegenwoordig voor een schoone maagd bekend is, die in ’t oorlogsveld in de toerusting van een Ridder verschijnt. Van al de gene die haar aanschouwen is’er niet een, die de oogen van deze schoonheid, als blixemstralen en haar lonken als weerlicht niet schijnt te zijn; evenwel zijnze zeer lieftallig en men moet bekennen, [p. 94] datse wonderlijke aanlokselen zouden hebben, wanneer haar aangezicht gematigd zoude zijn, terwijlze in de overdadige gramschap met zulk een aangenaamheid glinsteren. Rampzalige Prins waar op denkt gij? wat ziet gij? Hoe kan ’t wezen dat gij dat hoogmoedig wezen niet bekennen kond? Ziet gij niet dat dit de zelfde schoonheid*is om wie gij uit liefde blaakten, d’eerste maal doen het geschiede dat gij haar bij de springbron ontmoete, daar zij gekomen was om haar wat te ververssen? ’t Is waar dat gij mij mogelijk hier op antwoorden zult, dat gij haar sedert niet gezien hebt, zoo is’t dan dat de geheugenis u alleen daar zo diep van in ’t hert gebleven is, dat zij alleen u daar maar af kan zeggen ’t gene haar bewust is.
    Zie dit was ’t gene Tankredo gebeurden, die in’t begin de tijd niet gehad had om deze schoone te bekennen, noch aan haar helmcieraat noch aan haar wapenschild, maar zoo onbewegelijk als marmor wierd toen hij haar begon aan te schouwen. Ondertussen bedekt zij haar hoofd, het best dat zij dat kan, en vliegt den Ridder toe om hem met ernst aan te tasten: maar hij die geen meer begeerren*tot den strijd heeft, steld zijn grootste tegenweer, in’t aarzelen en wend eindelijk elders zijn macht na toe: maar evenwel kan dit niet beletten dat zij hem niet altijd vervolgd, en hem port om den teugel te wenden, door dreigende woorden, hem uiteissende in een [p. 95] lijfgevecht, ’t gene niet als door de dood van d’een of d’ander zou kunnen eindigen. Evenwel wat voor slagen dat zij den Ridder toebrengt, zoo verwaardigd hij hem niet om die te wreken, en tracht zoo zeer niet op zijn hoede te zijn als om haar schoone oogen t’aanschouwen, die de liefde gebruikt om hem met zijn onvermijdelijke schichten te quetsen. Zij heeft mij licht te slaan, spreekt hij, in zich zelve, de slagen die zij op mij doet hebben geen kracht, maar de gene die van haar schoon aangezicht komen, ik beken het, dat ik die niet kan afkeeren en datse mijn tot in’t hart treffen. Eindelijk, hoewel hij niet en hoopt om haar tot medelijden te bewegen, neemt hij evenwel voor; niet te sterven, zonder haar zijn liefde t’ondekken: hij wil dat zij weet dat het haar gevangen is die zij slaat, en dat hij wel te vreden is haar de wapenen over te geve. Om dit te doen neemt hij zijn toevlucht tot de gebeden en met een ootmoedige en bevende stem roept hij; men mag wel zeggen dat gij op niemand als mij gebeten zijt, terwijl dat onder zoo veel vijanden als hier zijn, ik de eenige ben die gij ten strijd daagd: evenwel terwijl gij het zoo begeerd, laat ons ons uit het gedrang begeven, en elders in een afgezonderde plaats gaan, om elkanderen te beproeven en ons verschil te eindigen. Daar zullen wij kunnen zien wien de kloekste van ons beiden is. Terstond aanvaarden Klorinde deze voorwaarden,*en reed voor uit met een on- [p. 96] verwinnelijke stoutmoedigheid, zonder haar te bekommeren datse zonder helm was. Tankredo volgd haar en is meer verwonderd als hij ooit was. Alreede had haar de jonge Krijsheldin in den staat gesteld om te strijden, en alreede had zij hem den eersten slag gegeven, wanneer den Ridder, hem geslagen voelende, aldus sprak; ik bid u toefd wat; wij zijn de voorwaarden van ons gevecht noch niet eens: de reden wil, eer dat men voort vaart dat wij elkander spreken: op deze woorden hield zij op, en hij greep moed, zulx dat zijn overgroote liefde, die hopeloos was, terstond haar vrees in stoutmoedigheid verwisselden. Wel aan dan, sprak hij, terwijl gij geen vrede met mij begeerd, zoo ben ik tevreden met u te strijden, op voorwaarden dat gij mij dit hart uit den boezem zult rukken, terwijl het mij niet meer toebehoord. Zoo het u mishaagd het in’t leven te zien, twijffel dan niet of het zal de dood gewillig verdragen, aangezien dat zij die van uw hand dan ontfangd. Het is van heden niet dat het u toebehoord, ’t is nu voortaan tijd dat gij het in uw macht hebt: voor mij ik behoor het niet te beletten dat het niet geschiede: weigerd het dan niet aan te nemen. Zie daar mijn armen die ik tot u uitstrek, en ziet daar het zelve hart dat ik u aanbiede. Het staat aan mij niet dat gij het niet oprukt: gij ziet dat ik mij niet verweer: en zoo gij belet vind ik zal mij ontwapenen op dat gij het te lichter kund uitvoe- [p. 97] ren. Den verliefden Tankredo zou mogelijk zijn klachten noch verder uitgezucht hebben, zoo hij niet door een bende Kristenen en Heidenen, belet wierd, die hem in’t gedrang, onder een vermengd, vervolgden. Maar terwijl de Pallestijners, haar ziende door de Franssen in de vlucht gedreven, voor haar machten neêrbogen, was ’er een onder de Kristenen, waarlijk al t’ onmenschelijk, ziende die schoone lokken daar mede de weste winden zoetjes speelden, die van achter quam, ’t zij dat hij’t uit vrees, of bedrog deed, en zijn arm ophief om in’t verbij gaan de maagd, daar zij ontwapend was te treffen; doch Tankredo, die het gewaar wierd, stelde zich daar voor en wende den slag af: evenwel kon hij ’t zoo behendig niet doen dat zij niet gequetst bleef, doch hoewel dat de wonde niet zeer groot was, zag men ’er echter de tekenen af. want haar blonde lokken wierden terstond met eenige druppelen bloeds beverfd, wier glans zoo schoon scheen als die van robijnen, of purperrood, dat de hand van een deftig werkman op’t goud geleid heeft, om zijn werk te doen uitsteken. Deze schennis trof Tankredo zoo levendig, dat hij, om zich te wreken, de hand aan ’t zwaard slaat, en met lossen toom dezen onbeleefden Ridder vervolgd: zulx dat zij beide met zulk een gezwindheid rennen, als een pijl die door den arm van een machtig schutter geschoten word. Klorinde staat zelf verwonderd, en laat [p. 98] niet af van haar nâ te zien, tot dat zij hun uit het gezicht verliest. Eindelijk in plaats van haar te vervolgen, voegdse haar aan de zijde van heur volk, ’t gene de vlucht genomen had, en haar omkeerende valtse op de Franssen in, dan verlaatse die weêr, om verder door te boren: zij doet niet dan invallen en aarzelen. Daar na zijnde somtijds in de vlucht gedreven, ziet men dat zij haar vijanden met gelijke munt betaald. Na verscheide aanvallen te wederzijde, wijktse al strijdende te rugge: op deze wijze neemt den stier, op wie men de jachthonden gehist heeft, op het groote plein van Agone, zijn toevlucht tot zijn hoornen, om haar te wederstaan, terwijl zij vol van loosheid haar tijd waarnemen om het t’ontkomen als hij haar vervolgd: en zooze zien dat hij begint te wijken, dan begint haar moed te verdubbelen en vallen weder aan om hem met meerder macht als te voren aan te grijpen. Klorinde in dezen aftocht, haar hoofd met heur schild bedekkende, toonde niet minder voorzichtigheid te gebruiken als de Moren in haar vierkante beukelaars hebben, wanneer zij al wijkende, die behendig stellen tegen de slagen die haar gegeven worden. De een en d’anderen waren alreede, door ’t geweldig vluchten of vervolgen, dicht onder de muuren geraakt, wanneer de Heidenen een schrikkelijk geschreeuw maakten en te rug keerende, een grooten omweg namen om de Kristen te omringen, die haar [p. 99] terstond van ter zijde en van achteren besprongen zagen. Hier op stijgd Argand met zijn volk van den berg, om haar van voren te bestoken: hij rijd voor zijn volk heen, om dat hij niet lijden mag dat hem iemand in den aanval voorkomt. Met den eersten steek werpt hij den genen die hem ontmoet, met paard en al ter aarden, en na dat hij hem met zijn speer tegen verscheide anderen, die dezen gezelschap hielden, wel behulpen had, wierp hij het stuk weg, en sloeg de hand aan’t zwaard: den genen die eenmaal gevoelen op wat voor een wijze dat hij’t gebruikt, hebben geen middel meer om haar te wreken: hij verslaat, hij kloofd, hij werpt ter neêr, of ten minsten hij wond al de genen die hem ontmoeten: zijn dapperheid is een voorbeeld om nagevolgd te worden van Klorinde, die hem dit ziet doen, en haar zoo ver brengt, dat zij den kloekmoedigen Ardelion verslaat. Dezen vromen grijzerd die door de jaren, noch de moed, noch de krachten benomen was, had zijn twee zonen bij zich, wel afgericht ter wapen en sterk van lichaam, echter kon hem dit niet bevrijen: want den oudsten Alkander kon hem niet te hulp komen door een wonde, die hij noch kort te voren ontvangen had, ende al dat Polifernes, die de jongste was, doen kon, was om zich zelve te bevrijden.
    Na dat Tankredo, geduurende deze dingen zijn man lang vervolgd had, zonder hem ooit te kunnen achterhalen, om dat hij op een goeden looper geze- [p. 100] ten was, sloeg hij zijn oogen te rugge, en zag zijn volk aan alle zijden omringd, door dienze wat te veel genaderd waren, en dat heur stoutmoedigheid haar mogelijk wel dier zou komen te staan, zoo gaf hij zijn paard de sporen, om haar met lossen toom t’achterhalen. ’t Gene hem tot dit werk noch meer aanmoedigd, is dat hij zich niet alleen bevind om haar te helpen, want hij ziet terstond het vendel der vrijwilligen, die haar te hulp komen, gelijk zij gewoon zijn haar altijd tegen ’t gevaar gereed te houden. Zij trekken op onder ’t beleid van den zeeghaftigen Hugo, de bloem der Helden, de zenuw der ware dapperheid, en de kracht van het Kristen leger: ’t is waar dat zij zijn voorgekomen door Reinout, die de eer heeft de moedigste en de schoonste van al de Helden te zijn. Hermine, die hem van ver, zoo ras ziet rennen, dat een blixem niet vlugger kan vliegen, bekende hem echter terstond. Zijn brave gestalte, zijn heerlijk wezen, en de zilvren Arend die hij op een blaauw veld, in zijne wapenen voerd, geven haar noch gewisser teikenen, na dat hij stil staat. Ziende dan dat den Koning hem stijf aanzag, sprakze tot hem: Vorst, dezen Ridder, die uw ogen dus stil houden, is den eenigsten man ter wereld die de grootste, krijgskundigste, en dapperste kan bedwingen; ook isser niemand zijn gelijk om een rapier te handelen, of ten minsten wijkt hij voor niemand: en noch zoo veel te vreemder, om dat hij [p. 101] noch in een teere jeugd is. Dit doet mij gelooven, dat, indien ’er onder onze vijanden noch zes mannen, zoo vroom als hij, gevonden wierden, geheel Surien mogt zich voor verwonnen achten: Ja zelf de Koningrijken van ’t Oosten en den Middag, hoe ver datse ook afgelegen zijn, zouden haar overheerscht zien: en mogelijk zou den Nijl zich vergeefs tegens zijn zegepralende overwinningen stellen. Zijn naam is Reinout, die de Hemel zoo veel kracht verleend heeft, dat ’er geen zoo sterke muuren, noch vaste ende hechte bolwerken zijn, die zijn macht niet meerder vreezen, als die van eenig oorlogswerktuig. En zoo gij belust zijt te weten wie d’andere zijn, ik geloof dat ikse u wel wijzen zal, indien gij geliefd op te merken. Den genen, die gij daar beneden, met groen geschilderde vergulde wapenen ziet, is den wijzen Hugo, Hopman der bende vrijwilligen. Hij is niet alleen aanzienlijk door zijn adelijke stam, maar ook om de wonderen van zijn moed en groote ervarendheid in de wapenen: hier boven, schoon dat ’er heel weinig perzonen in ’t leger, die alle niet jonger van jaren zijn, als hij is; zoo wijkt hij haar echter niet in dapperheid: dien anderen, die daar bij hem staat van zoo grooten gestalte, met bruine wapenen, heet Gernand, broeder van den Hartoog van Noorwegen;*ik geloof niet dat de aarde een trotser en opgeblazener mensch draagt, en dit’s d’eenige vlek die [p. 102] de luister van zijn brave daden verduisterd. Die twee, die gij daar zoo dicht bij elkanderen ziet gaan met witte rijrokken en vederbossen van dezelfde verf, zijn de getrouwe minnaars, Odoart en Gildippe, die den knoop des houwelijkx t’samen verknocht heeft, en die niet minder, door haar onderlinge liefde, als door haar wapendaden, vermaard zijn.
    Op deze wijze onderhield Hermine den Koning, terwijl den strijd, hoe langer hoe meer, verhetten, en de nederlagen alreede groot waren. Want hoe dik dat de slagorden der Heidenen was, zoo wel ten aanzien van de mannen, als de wapenen daar zij haar mede bedekten; echter had Tankredo en Reinout die in wanorden gebrogt: elders had de bende die Hugo geleiden, t’harer aankomste de moed der*Heidenen heel verzwakt, met haar zoo fel aan te tasten. Argant, hoe verschrikkelijk dat hij is, had zich met groote moeiten weder opgerecht, na dat hij, door den zeeghaftigen Reinout, was ter aarden gesmeten, en mogelijk zou hij zoo licht niet opgeraakt hebben, indien den zoon van Bartholdus met zijn een been onder zijn paard niet gevallen was, zulkx dat hij door hulp van anderen hem weêr most oprichten: den genen die men op de vlucht gedreven had, namen hier op heur tijd waar, en weken naar de stad. Argant en Klorinde waren de eenige die’t staande hielden, zonder dat de vrees voor [p. 103] ’t gevaar heur beletten pal te staan, gelijk twee starke dijken daar een vloed van achteren op afstuit. Zij dan de leste te rug keerende, viel haar eindelijk de geweldige macht, die haar op de hielen volgden, zoo op ’t lijf dat zij gedwongen wierden stand te houden; ’t welk d’oorzaak was dat d’andere middel hadden om met minder gevaar als voor dezen het t’ontkomen. Den kloekmoedigen Hugo, hakende na d’overwinning, begon de vluchtelingen als doen te vervolgen, en zijn paard stiet zoo hard op Tigranes toe, dat hij op het punt was om de stegelreepen te laten slippen, maar hij komt zijn val met een slag te voren, die hij zoo fel op hem neêrlaad dat het hoofd van zijn schouderen aftuimeld: en hoe wel Algazar een borstharnas op trouw gemaakt aan had, en den groflijvigen Korban een helm van fijne stoffe, echter quamen haar deze wapenen niet te stade, want hij kloofden den een de schouderen tot in ’t harte toe en priemden den anderen van achter door den hals tot in de strot: noch wierden door de starkte van zijnen*arm, de zielen van Mehemet, Amurath en den wreeden Almanzor, gedwongen heur aangename woonplaatsen te verlaten: Argant zelf die zich zoo gevreesd maakt, heeft groote moeiten om zijn handen t’ontkomen, dies bruld hij van razernij: maar alzoo hij ziet dat zijn list hem niet veel voordeel geeft, ’t zij dat hij kort stand houd, of dat hij tracht om hem weêrstand te bieden, of dat hij zelf hem wij- [p. 104] kende de plaats laat: eindelijk gebruikt hij de list tot voordeel, valt op hem aan en drijft hem, met een overrechtsen slag, den degen zoo diep in de zijde dat den slag doodelijk is. Den vromen Ridder zijgt terstond neder; zulkx dat zijn oogen, die zich naauwlijkx openen kunnen, door een moeyelijken rust worden toegedrukt en met een ijzeren slaap verzwaard blijven; driewerf tracht hij die t’openen, driwerf zoekt hij het aangename licht des Hemels te gebruiken, stekende zijnen arm op om zich op te heffen, en driewerf is hij gedwongen weder neêr te zijgen: een zwarte wolk dekt hem voor eeuwig zijn stervende oogen, een koud zweet kruipt door al zijn leden, die van haar gewone krachten verzwakken en ongevoelijk verstijvende, met een doodelijk ijs bedekt worden. Argant dezen slag gedaan hebbende, bleef niet staan staren op het lichaam dat hij van ’t leven beroofd had, maar denkt alleen maar op weg te korten: en hoewel hij in ’t aarzelen nergens stand houd, zoo wend hij zich echter dikmaals na de Franssen en roept haar met verwaande en moedwillige woorden toe: brave Ridders, dit zwaard, dat gij alzoo in het bloed van den uwen geverfd ziet, is het zelve dat uwen Veldheer mij gisteren vereerden; boodschapt hem dan hoe ik ’er mij tegenwoordig van gediend heb, want ik ben verzekerd dat hem het verhaal daar van wel zal behagen; ook heb ik de gifte, die hij mij gedaan heeft, niet qualijk gebruikt; [p. 105] en zoo hij ’er niet mede vergenoegd is, Iaat het hem dan genoeg zijn, dat ik hem wel haast zulke goede proeven daar van geven zal, datse hem in’t binnenste van zijn ingewand zullen treffen: eindelijk laat hij niet langer dralen om ons te komen bezoeken, of ik zal zelf veel eerder komen als hij denkt, en mij bij hem voegen als hij ’t minste peinst. Door deze schandelijke woorden wierden de Franssen zoo getergd, dat zij op het uiterste waren om hem van allen kanten te bespringen; en mogelijk zouden zij ’t gedaan hebben, indien hij haar niet was voorgekomen, hem met de anderen bij de muuren bergende daar hij toen behouden was. De gene die als doen de wallen verdadigden, deden van boven zoo grooten meenigten van schichten en steenen neêrhagelen, dat de Kristenen gedwongen waren zich te vertrekken; ’t welk de Heidenen middel gaf om met minder moeiten in de stad te geraken. Terwijl dat dit geschiede, vloog den zeeghaftigen Reinoud toe, na dat hij zijn been onder het paard had wechgetrokken, om een wreede wraak over de dood van den kloekmoedigen Hugo te nemen. Toen hij bij zijn volk gekomen was riep hij; rampzalige, wat vertoefd gij in deze plaats, tegenwoordig nu uwen Hopman gesneuveld is? Waarom verhaast gij u niet veel eerder om zijn dood te wreken? Hoe is ’t gezeid dat een zwakke muur zoo machtig zal zijn om de loop van zoo rechtvaardigen gramschap als de on- [p. 106] ze te stutten? Geensints, al waar ’t dat zij zelf van een dubbel staal of harder als een diamant was: dezen Barbaar zal nooit uw handen ontkomen; hij moet noodwendig beproeven hoe verschrikkelijk dat uwe macht is: trekt dan alleen maar voort en doet anders niet als mij maar te helpen. Dit zeggende ging hij voor haar allen heen, zonder dat, noch het werpen der steenen, noch de pijlen die men van alle zijden op hem schoot, machtig waren om hem af te keeren: in tegendeel gaat hij met opgeheven hoofde naar den vijand, verschijnende met zoo een onversaagd en verschrikkelijk gelaat, dat zelf in den omring der muuren, den genen dieze verdadigen, van schrik sidderen, hoe verhit datse ook in’t gevecht zijn. Terwijl hij ondertussen den eenen schrik aanjaagd en den anderen moed bijzet, zie zoo komt den voorzichtigen Sager, een eerweerdig man, die Godefrooy gebruikten om de zwaarwichtigste boodschappen uit te voeren: te zijner aankomste bedwong hij de gramschap van deze krijgers, en vertoonden haar van wegen den Veldheer, dat zij al te veel waagden: trekt weder te rugge, sprak hij tot haar, terwijl Godefrooy het zelve u belast: noch de tijd, noch de plaats en laat ons noch niet toe om uwe gramschap te voldoen. Op deze woorden hield Reinoud stand, en hij, die gewoon was aan anderen tot sporen te verstrekken, breidelden zijne driften: evenwel beefden hij van spijt in de ziel, en [p. 107] toonden*meer als eenmaal, door ’t uiterlijk gelaat, de verburgen ongenuchten die hem deze tijding veroorzaakten. Terstond vertrokken de benden te rugge zonder dat de vijanden haar daar tegen stelden.
    Na deze dingen was ’t noodig om de laaste plicht aan het lichaam van Hugo te bewijzen, daar in zijn getrouwe vrienden haar niet bedrogen vonden: want zonder langer te vertoeven, namen zij die lichte last, met een meêwaardigen arm op, en betuigden hem na zijn dood, hoe zeer dat zij hem in zijn leven geëerd hadden. Ondertussen stond Godefrooy op een hoogten, van waar hij de heilige Stad, met zijn gebouw en al wat de kunst het beziens waardigste, om haar te versterken, had uitgevonden, beschouden. Jeruzalem is op twee heuvelen over elkander leggende, van ongelijke hoogte en door van elkanderen gescheiden, gesticht: zij heeft drie zijden tot welken den toegang geheel moeylijk valt; en de vierde zoo gemakkelijk dat m’er zonder moeiten kan opkomen: het is waar, om dit gebrek te helpen, dat aan de zijde die tegen’t noorden leid, de wallen zeer hoog verheven zijn: in de Stad zijn verscheiden regenbakken, daar het water, dat van den Hemel valt, in behouden blijft tot het gebruik der inwoonders, met noch eenige vijvers en springbronnen; maar buiten is al het aardrijk in ’t ronde steenachtig en dor, ter oorzake dat m’er geen beken of fonteinen vind: ook ziet m’er niet een boom [p. 108] daar men zich kan onder schuilen voor de hette der zonnen, als eenige vijf of zes duizend treden van daar, zich een hoogstengig bosch verheft zoo dik en duister, dat de schaduwen verschrikkelijk zijn: aan de zijde van der zonnen opgang is den Jordaanstroom, aan den ondergang de middelandsche zee, tegen ’t noorden Samarien en Bethel, daar de Altaren voor het gulden Kalf wierden opgericht, en tegen ’t oosten Bethlehem, een plaats die door de gelukzalige verlossing van de Maagd eeuwig aanzienlijk zal blijven.
    Terwijl den Veldheer van ’t Leger, aan alle zijden den omring van Jeruzalem beschouwden, en dat zijn geest aandachtig bezig was in’t overwegen van de bequaamste middelen om haar te belegeren en te bestormen: zie zoo wierd Hermine hem gewaar, die hem den Koning wees. Vorst, sprakse tot hem, den genen die, die scharlaken mantel om heeft, is den Prins Godefroy, wiens wezen waarlijk Koninglijk en heerlijk is: ook is hij zonder twijffel geboren, om zich zelven tot eenig Keizer- of groot Koningrijk te verheffen, zoo wel verstaat hij de kunst van heersschen en gebieden: want boven dien dat hij voorzichtig en kloekmoedig is, beheerscht hij op den hoogsten trap, alle de eerwaardigste hoedanigheden die de dapperheid en den goeden raad vergezelschappen, om een beroemd Hopman te maken: en waarlijk*onder die grooten hoop volkx, die [p. 109] gij daar ziet, geloof ik niet dat ’er meer als drie zouden gevonden worden, die hem in wijsheid en moed zouden gelijk zijn. Den eersten is den Grave Reimond, deftig om zijn krijgsraad; den tweeden Reinout, en Tankredo den derden, daar in men een onvergelijkelijke bequaamheid speurd om iets uit te werken. Aladijn, hem heel aandachtig getoond hebbende in ’t gene hem Hermine van Godefroy verhaalden, antwoorden haar; Zeker het is van nu niet dat ik van hem heb hooren spreken, boven dien dat ik hem voor dezen in het Franse Hof gezien heb; want het gedenkt mij heel wel, dat ten tijde toen ik van wegen den Soudaan van Egipten voor Gezant gezonden was, ik hem wonderen zag doen in een steekspel; en hoewel dat hij noch zoo jong was, dat het eerste hair op zijn kaken naauwlijkx uitbrak, zoo beloofden zijn woorden en zijn gedaante, alreede iets groots en verheven. Helaas een voorteiken dat niet dan al te waar is. Op deze woorden liet hij zijn hoofd met een droevig gelaat neêrhangen: daar na het terstond weder opheffende, vervolgden hij; Ik bid u zegt mij, wat is dat voor een Hopman, die daar bij hem is, met die schoone en blinkende purperverfde wapenrok? ô hoe gelijkenze elkanderen indien den eenen niet wat grooter dan den anderen was! Het is den Grave Boudewijn, antwoorden Hermine, die hem natuurlijk in de trekken van ’t wezen en kloekmoedigheid gelijk is. Den ge- [p. 110] nen die aan d’ander zijde zoo dicht bij hem staat, als ofse iets met elkanderen te beramen hadden, is den Grave Reimond, daar ik flus zoo veel wonderen van gezeid heb, ô die kloekaardige, als hij is, zoo oud en kaal als gij hem daar ziet, mag zich beroemen, dat ’er geen Fransman of Italjaan bequaam genoeg is om hem te wijzen iets het gene de oorlogslisten aangaat, ik laat noch staan dat den ouderdom, noch aan de krachten van zijn lichaam, noch aan die van zijn geest, hoedanigheden die hem zijn aangeboren, iets heeft verminderd. Den anderen, die een weinig ter zijden staat, en met zijn vergulden helm uitblinkt, is den goeden Ridder Wilhelm, zoon van den Koning van Engeland. Dicht bij hem zietmen den wijzen Guelfus, navolger van zijn deugden, van doorluchtigen bloede, en die een groot land beheerscht: zijn uitstekend borstharnas en breede schouderen doen hem mij bij na kennen. Maar helaas! aan wat zijde dat ik mijn oogen keer, het is mij onmogelijk onder deze benden den wreeden Bohemont te zien, die ik met veel redenen, mijnen doodelijken vijand mag noemen; wijl hij de genen is die door de dood van mijn vader ons geheel Koninglijk geslacht verdelgd heeft: met deze redenen onderhieldenze elkanderen. Eindelijk na dat Godefrooy zijn gezicht aan alle zijden gewend had, om de Stad te bezichtigen, nam hij voor hem (ziende dat het maar vergeefsche moeite geweest zou heb- [p. 111] ben die aan de moeilijkste toegang te bestormen, om dat men altijd most opwaarts klimmen) zich voor de Noorderpoort te legeren, in die vlakte die nevens den heuvel komt en daar van d’ander zijde bepaald word: hier deed hij achter zijn hut alle d’anderen oprichten en strekt zijn legerplaats uit tot aan de plaats die men den hoekkigen toren noemd: in al dezen omring begrijpt hij ontrent het derde deel van de Stad, kunnende die niet heel besluiten, ter oorzake van zijn breeden bepaling der muuren. Dit gedaan hebbende steld hij op al de toegangen, goede wachten, om te beletten dat ’r geen oorlogsgereedschap noch spijze in de Stad geraakt: hier bij doet hij alle wegen en paden, daar door men gaan en komen kan, zorgvuldig toestoppen, en zijn leger met goede loopgraven toesluiten, zoo wel om hem, tegen den uitval der inwoonders, als het stroopen en bespringen van die van buiten te beschermen. Na dat hij op deze wijze voorzichtig in de verzekerdheid van zijn leger verzien had, wilde hij het lichaam van Hugo aanschouwen ende hem de laatste plicht bewijzen: ter zijner aankomste vond hij het omringd van al de benden der soldaten, die om haar rouw te betoonen niet ophielden van heur tranen om de doodskist te storten, die zijn beste vrienden hem hadden doen maken, met een heerlijke toebereiding, om te deftiger zijn lijkstacij te vieren: heur droefheid verdubbelden zoo ras als zij haren Veld- [p. 112] heer gewaar wierden: maar hij met een bezadigd gelaat, en een aangezicht, dat noch te droevig, noch te blijde was, toonden genoeg dat hij zijn leedwezen verburgen hield, en stond eenigen tijd zonder een woord te spreken: eindelijk het lichaam wel bezien hebbende sprak hij; waarlijk wij hebben ongelijk u te beklagen, ô welgelukkige Ridder, want dat gij beneden op aarden gesturven zijt, is niet geweest als om daar boven herboren te worden: gij hebt ons zoo heerlijke dingen van uwe dapperheid nagelaten, op de plaats daar uw zuivre ziel, de sterffelijke schorse verlaten heeft, dat de toekomende eeuwen nimmermeer daar van de geheugenis zullen uitwissen: gij hebt zonder twijffel altijd als een Kristelijk Ridder geleefd en die zijt gij ook zeeghaftig gestorven: verheugd u dan in de gelukzaligheid die gij verkregen hebt, o wel gelukkige ziel, en onderhoud uw oogen met de eeuwige gedaante van God, het eenige oogmerk van uw heilige begeerten: tegenwoordig nu gij leefd in het gezelschap der Engelen, ontfangen uw heerlijke daden de palmen en de Kroonen die haar rechtvaardig toekomen: onze afscheid van u, die het beste deel van ons zelven zijt, heeft ons verplicht om te schreien, en zoo de dood ons van een groote bijstand beroofd heeft, wanneerze u het leven deed verliezen, ’t is een kleine zaak, te vergelijken bij de hulp die gij daar boven in den Hemel voor ons moogt verkrijgen, daar gij eeuwig [p. 113] onder de verkorenen en begenadigde Gods leefd: en gelijk wij, tot onze onderrichtinge gezien hebben dat gij, sterffelijk zijnde, onsterffelijke wapenen pleegd te gebruiken, alzoo hopen wij dat gij de hemelsche nu tot onze bescherming zult aanvaarden: bereid u dan voortaan om de beloften en gebeden die wij u doen zullen, t’ontfangen; op dat uw hulp, in het noodzakelijke ons gunstig zij: daar van wij u bezondere lof en dankzeggingen geven zullen in onze heilige tempelen, gelijk als aan den genen, door wien dat onze overwinningen behooren verkondigd te worden.
    Godefrooy sprak deze woorden uit, over het lichaam van Hugo, zonder dat ooit de tranen en de klachten der soldaten ophielden, tot dat de duisterheid van de nacht, de helderheid van den dag uitdoofden, dompelende in een vergetelheid de ongenuchten en bekommeringen der sterffelijken: evenwel is de stilte, noch de duisternissen, niet machtig om de zorg van zoo voorzichtigen en wakende Veldheer te verleiden: want wel bespeurende dat men zoo sterke en dikke muuren zonder eenige oorlogswerktuigen en beukerijen, niet zoude kunnen verbreken, zoo brengt hij de geheele nacht deur, in ’t overdenken, van waar hij het hout zoude bekomen om die daar van te maken en op wat wijze hij die stellen zal. Des morgens was de zonne noch naauwlijkx opgestaan, of hij trad uit zijn tente om met zijn te- [p. 114] genwoordigheid de uitvaart van den overledenen te vereeren: men had hem alreede een graf van welriekende Cipressen bereid, dicht bij de loopgraven, aan de voet van een kleinen heuvel, die eenen hoogen palmboom met zijn breede takken beschaduwden: hier was ’t dat men hem begroef en daar de Priesters de gewone dienst tot de zaligheid van de ziel deden: aan de takken van deze boom, wierden verscheide vendels gehecht en den oorlogsroof, bij hem, geduurende zijn leven, in verscheiden voorvallen verkregen, daar hij strijdbaar tegen de Siriers en Persianen gestreden had: hier bij stelde men in ’t midden van den stam des palmbooms, voor een zegeteiken, alle de stukken van zijne wapenen, van het hoofd tot de voeten, en op zijn graf hield men deze vaarzen.

    Dit’s Hugoos Graf, die, vol van Godsvrucht, gloed
    En heiligheid, voor Sion liet zijn bloed;
    Waar door wij nu dien vromen Held ontberen:
    O Kristenen, wild zijn geheugnis eeren.


    Na dat men met de gemeene rouw van ’t geheele leger, deze meêwaardige plicht aan Hugo bewezen had, liet Godefrooy alle de timmerlieden van ’t leger vergaderen, en haar een goed getal soldaten bijzettende, zond heur na dat bosch toe, daar wij te voren van gesproken hebben, het welk de Franssen met groote moeite zouden gevonden hebben, om [p. 115] dat het in ’t diepst van eenige vergelegen valeyen lag, zoo bij geval een zeker Sirier het niet ondekt had. Hier begonden zij de boomen om te hakken, om oorlogswerken af te maken, bequaam om de belegerde muuren der stad te vermorselen: al de starkte en de macht die zij hebben gebruikenze om dit wout te verdelgen: hierom arbeidenze om strijd, d’een tegen den anderen, en slaan de hand, met een ongelooffelijke neerstigheid aan’t werk: zij hakken met de bijl de gewijde Palmboomen, de wilde essen en de doodelijke Cipressen ter aarden: de Pijn, Populier en Ype, zijn niet minder als de hooge Denne- en Beukeboomen van hun razenden arm bevrijd: dit ’s het noch niet al: zij sparen zelf den Olm niet die getrouwe minnaars der wijngaarden, die haar omhelzen van den voet tot den top: gij zelf, ô geheiligde Eikeboom, wien uw takken, dat uw hairlokken schijnen te zijn, alle jaren vernieuwd, kond dit geweld niet ontvlieden, hoewel gij duizend maal die van de wind wederstaan hebt: zommige hakken ’t al af tot aan de Cederen toe; anderen laden deze zwaren last op wagens, waar van de wielen onder de zwaarte kraken, alreede verlaten de vogelen en de wilde beesten, op het gerucht dat de werklieden, en de soldaten, die haar in hare wapenen bewegen, maken heur nesten en duistere holen van vreeze.
Continue
[
Frontispice canto 4]
[p. 116]

TORQUATO TASSOOS

Verloste

JERUZALEM.

Het vierde Gezang.

INHOUD.

PLuto, de Overste der Duivelen, doet de zelve vergaderen in de helsche zaal; zij beraadslagen onder elkanderen om de Kristenen te krenken, zij verkiezen Hijdraoth daar toe, die zich van de minnelijke aanlokselen van zijn nicht Armijde diend; hij voegd’er zijn tooverijen bij: Armijde verzoekt tien Ridders van Godefroy tot heur bijstant, die haar, bij loting, dezelve toestaat.

Den Vorst der Duivelen daagd in zijn helsche zaal,
    Al wat afgrijslijk is, om ’t Kristenheir te krenken;
En doet, op zijnen Troon, een schrikkelijk verhaal,
    Waar door zij weer op heur gelede ellenden denkken.

[p. 117]
(5) Zij kiezen tot heur werk den valschen Hydroath.
    Hij diend zich van zijn nichts Armijdes looze listen.
Die Godefroy verzoekt om hulp, dies hij door ’t lot,
    Tien Ridders scheiden, die om heur te volgen twisten.
Armyde, wel vernoegd, bedankt den Legervorst,

(10) Dat hij dees hulp haar schonk zoo rustig uit de borst.

TErwijl dat ijder een vast bezig was, om voorbereiding tot de belegering van Jeruzalem te maken, met voornemen om het wel haast in ’t werk te stellen; begon den doodelijken vijand van het menschelijke geslacht, zijn gloejende en ontsteken oogen op de Kristenen te slaan, en ontdekten in haar de teikenen van een overgroote vreugden, dies hij van zoodanigen razernij aangevoerd wierd, dat hij van spijt op zijn afgrijsselijke lippen beet; gelijk als den stier, die zich hard geslagen voelende, vervaarlijk bulkt, trachtende door het schrikkelijk brullen zijn pijn te verzachten. Als doen veste hij zijn gedachten, op de middelen om heur lagen te leggen daar uit heur geheele ondergang mag volgen. Hierom gebied hij dat al die van zijn gevolg (waarlijk een schrikkelijke vergadering) haar in de groote zaal van zijn afgrijsselijk paleis, zoude vervoegen: ontzinnige als hij is, dat hij zich inbeeld, dat het zoo een lichte zaak is, zich tegen de wille Gods te stellen: moedwillige, die zich bij [p. 118] God wil vergelijken, zonder te gedenken hoe verschrikkelijk dat den donder is, dien de rechterhand van den Almachtigen neêrschiet, wanneer onze misdaden hem vertoornen. Hij roept dan door zijn schorre helsche Klaroen al die ongelukkige geesten, die haar woonplaatzen in de eeuwige duisternis hebben, bij elkanderen. Op dit geluid beven al deze ruime en duistere holen van d’een zijde tot de anderen, en de lucht, met duistre wolken beneveld, weêrgalmd over al. Nooit liet den donder zich met zulk een geweld hooren; wanneer hij tegen de sterffelijke vergrimd is, van boven blixemstralen neêrschiet, het aardrijk zelf kan dan geen harder stoot krijgen, hoe dik dat de dampen ook zijn die in haar ingewand zijn besloten. Terstond begeven haar al de godheden van deze duistre afgronden, in verscheiden troepen verdeeld, aan de groote poort van Plutoos duister paleis. Maar, ô God, hoe verschrikkelijk en tegen de natuur is heur gedaanten! hoe afgrijsselijk is haar aankomst om aan te zien! en wat al doodelijx en vrees voeren deze vervaarlijke spookzels in hare oogen! sommige laten in ’t gaan de voetstappen van de wildste beesten, en andere, in een menschelijke gedaanten verschijnende, hebben serpenten, adders en slangen in plaats van hair, ook hebbenze niet menschelijx op wat wijze dat men haar aanziet. En boven dien dat heur bederffenis, uitnemend wreed en grouzaam is, haar wangestalte maakt [p. 119] ’er noch verschrikkelijker: want men kan van achteren zien, hoeze een langen staart na heur slepen, die, op de wijze van een zweep, haar verscheidemaal ontvoud en ontknoopt. Daat ziet men ook duyzend vuile Harpijen, duizend Centauren, duizend Sphinxen, en zoo veel bleke Gorgonshoofden. Hier kan men ook aan alle zijden, de verscheurende Scilles hooren bassen, de Hijdraas schuifelen, de Pitons brullen en de Chimeren, die uit heur verschrikkelijke kelen, zwarte dampen, daar de zwavel zich onder de vlam vermengd, braken, hooren huilen. Ik vergeet de onbesuisde Polifemen, met de Gerions, en ontelbare diergelijke monsters, die men nooit gezien, of van hooren spreken heeft, al van verscheiden gedaanten gemaakt en onder elkanderen vermengd: de sommige namen heur plaats aan Plutoos rechte zijde en anderen aan zijn slinxe. Hij ondertussen is op een vierige troon in ’t midden gezeten, en voerd een scepter die zoo zwaarwichtig als beroest is: daar is zoo vasten klip in de zee, noch zoo hoogen rotsteen op het aardrijk niet, die bij hem te vergelijken geen kleinen heuvel schijnt: zelf Kalpe, Abijla, noch den grooten Atlas zijn bij hem gants niet, zoo steekt hij zijn hoovaardig hoofd en onmatelijke hoornen op: zijn vervaarlijk gezicht vermeerderd zijn gruwelijke trotsheid, zijn oogen veel rooder, als een gloeyende kool, en met een doodelijk venijn besmet, glinsteren als twee dwaalsterren, [p. 120] wier quaad aanschouwen niet als ongeluk beteikend: een morssige baard bedekt zijn kaken en kin, van waar zij op zijn ruige borst hangt, wiens hair verward opstaat: zijn mond is verschrikkelijk om aan te zien en geheel met zwert galachtig bloed besmet; en zoo hij bij geval die opend, dan zou men zeggen dat het een diepen afgrond is, waar uit dat zwarte dampen voortkomen, alzoo gevaarlijk als die van den berg Etna, wanneer hij, op ’t gerucht van zijn donderslagen, een dikken rook uitwerpt, wiens zwaarte onverdragelijk is. Geduurende dat hij sprak, liet Cerberus zijn bassen: Hijdra stond stom: Kocijtus stutte zijn loop: en de holste afgronden dreunden van ’t onderste boven. Want zijn stem, die te donderen scheen, maakten hem verschrikkelijk aan alle die hem hoorden; voornamelijk toen hij in deze woorden uitborst: Helsche Goden, die veel waardiger zijt daar om hoog, boven de zonne, de ware plaats van uwen oorsprong, te wonen, dan voor eeuwig gebannen te zijn in deze duistere spelonken, daar wij eertijds al t’zamen in neêrstorten, u is al te wel bewust hoe de hemelsche Geesten ons altijd voor verdacht hebben gehouden, sedert dat wij dien hoogen aanslag, ’t gene de reden is van de haat die zij ons noch dragen, aanvingen: den genen die ons zoo qualijk gehandeld heeft, is heur Opperhoofd, en beheerscht zijn Rijk daar boven in den Hemel, daar hij de starren na zijn welgevallen gebied. On- [p. 121] dertussen, na dat hij ons voor wederspannigen verklaard heeft, is hij d’oorzaak, dat in plaats dat wij daar boven in de heldre klaarheid van de Zon ons behoorden te verheugen, en onder onze voeten die schoonen kloot met starren bezaaid te zien drajen, wij hier in deze schrikkelijke duistere plaats gestort zijn, daar hij ons zelf in heeft gebannen; een zaak die ons zoo onverdragelijk niet zoude zijn, indien hij ons wilde toelaten op onzen eersten staat te denken, en zoo ons eenigen hoop overschoot. Maar het ergste dat ik hier noch in zie, en daar van het eenig herdenken ons smart, tot op het punt van onze straffen weêr te verdubbelen, is dat hij den mensch aangenomen heeft om onzen stoel te vervullen, den mensch die niet als een rampzalig schepsel van slijk gemaakt is: en evenwel hier noch niet meê vergenoegd wezende, zoo heeft hij zijn eenigen Zoon, om ons meer schade te doen, ten roof aan de dood gegeven, die tot voor onze poorten quam, en dezelve verbrijzelden. Dit was ’t noch niet al, hij dorst zijn voeten in ons koningrijk wel zetten, en de zielen, die ons te beurd gevallen waren, daar uitrukken. Zie dit was den rijken roof die hij daar boven in den Hemel voerden, daar hij, eeuwig tot onze groote schande zegepralende, de trofeen planten, die hij op de hel verkregen had. Maar wat is ’t van nooden dat ik door deze reden mijn smert en de uwe vernieuw: is ’er iemand onder u die niet dikmaals ge- [p. 122] noeg van de smaad, ons aangedaan, heeft hooren spreken? Dezen gemeinen vijand, heeft hij zich ergens in een plaats gevonden daar hij ons niet getracht heeft om te vervolgen? Is hij niet gewoon op ons rijk iets voor te nemen? evenwel om dat hij zich nooit voor oogen steld het ongelijk dat ons voor dezen is aangedaen, zoo is ’er niet overig dan om te denken op het gene dat ons het naaste raakt: want ziet gij niet hoe dat hij tracht om hem van alle geslachten der aarden te doen aanbidden? moeten wij dat dan verdragen zonder daar gevoelen af te hebben? zouden wij zoo traag zijn, en onnuttelijk de dagen en uuren toebrengen? zal zo zwaarwichtigen werk niet machtig zijn om ons daar op te doen denken, en onze moed t’ontfonken? wie zou kunnen lijden, dat haar volk, ’t gene hem getrouw is, van dag tot dag zijn macht in Azien versterkt? zullen wij lijden dat hij Judea ook hem onderwerp? dat de heerlijkheid van zijnen naam aan allen zijde aanwas? datmen den lof in verscheiden talen verkondig? dat de lof- en zegezangen de heele wereld doorklinkt? datmen niet anders op ’t marmor of koper ziet? dat onze beelden zijn afgesmeten? dat ’t volk, tot zijn dienst, d’autaren verzet, daar op wij plegen aangebeden te werden? datmen hem alleen beloften en gebeden doet? datmen voor hem alleen balsem en ander reukwerk rookt? datmen hem alleen goud en mirre offerd? dat in de plaats, daar ons eertijds niet een tempel [p. 123] was gesloten, nu tegenwoordig niet een tot onzen dienst over is? dat de gewoone schatting, diemen ons van zoo veel zielen gaf, ons geheel geweigerd is? en om het met een woord te zeggen, dat het koningrijk van Pluto ledig blijft, en onverzien van onderdanen? ô het zal zoo niet toegaan: en wij kunnen ’er wel goede zorgen voor dragen: Neen, neen, ik geloof niet dat ik in u uitgedoofd zal vinden de heldre vonken van die dapperheid, dit wij eertijds betoonden, wanneer wij met ijzer en vlam gewapend, zoo stoutmoedig het hemelsche Koningrijk besprongen; hoewel wij moeten bekennen, dat wij ’t in dezen strijd niet best hadden, echter ontbrak ons in dezen stouten aanslag den moed niet: want zoo d’overwinning gebleven is aan de zijde der genen die het geluk begunstigden, evenwel hebben wij op die tijd de eer verkregen van een onnavolgbre stoutmoedigheid bestaan te hebben. Maar waar toe zijn al deze vertellingen goed, en wat is het noodig dat ik u zoo lang ophoude? Gaat dan heen, ô mijn getrouwe medegezellen, die al mijn macht en sterkte zijt, gaat terstond heen, en roeid mij al deze rampzaligen uit: haast u om haar te verdelgen eer datse meer tijd hebben om haar te versterken. Eer dat het Koningrijk van Judea in asschen leid, zoo doofd het vuur uit ’t gene zich door ’t heele land ontsteekt. Werpt u onder haar in’t gedrang, en vergeet noch kragt, noch bedrog om haar geheel te verdelgen: dat mijn wil [p. 124] u een onschendelijk voorbeschik verstrek: vergeet niet den eenen te verstroyen, en d’andre om hals te brengen; hier bij den genen die gy tot liefden genegen vind, dompeldse daar zoo diep in, datse haar daar niet konnen uittrekken: maakt haar afgodendienaars van een schoon aangezicht en zoet wezen, en een aangenaam lachje. Datse haar eigen wapenen tegen haar Veldheer gebruiken, en dat’er zoo grooten partijschap tusschen haar beiden zij, dat heur leger eindelijk verstuif, zonder dat ’er het minste teiken van overblijf. Deze vervloekte en wederspannige Geesten tegen haren Schepper, vertoefden niet tot dat den helschen Prins zijn reden geeindigd had, zoo onverduldig warenze om het gene dat haar belast was uit te voeren; zij borsten dan uit om de starren weder t’aanschouwen, en verlieten met gedrang die diepe afgronden daar ’t eeuwig nacht is. zoo dringen de geweldige draaiwinden uit heur eigen spelonken, om de lucht te verduisteren, en het water en het aardrijk onder een vermengt om te roeren. met diergelijken geweld ontvouwen deze vervloekte Duyvelen hare afgrijsselijke vleugelen, en verspreyen haar als stof door alle gewesten der aarden, daar zij, haar gewoonlijk quaad gebruykende, allerhande bedrog en schelmstukken vast smeden. Maar, ô mijn waarde Kalliope, ik bid u, verhaal my wat listen dat zy gebruikten om een begin te maken met de Kristenen te krenken, en waar [p. 125] dat haar de eerste schade van daan quam, want gy weet, zonder twijffel, het gene, daar naauwelijkx van zoo zwaarwichtigen werk, ons het minste gerucht van verre is ter ooren gekomen.
    Die van Damasko, en d’omleggende steden, erkenden in die tijd voor haren Opperheer Hydraoth, zoo grooten toovenaar, als ’er ooit was, en die van zijn eerste jaren hem tot de konsten begeven had, die de toekomende dingen leeren voorzeggen: in welke dwaze nieuwsgierigheid hy altijd volhard heeft: evenwel quam het hem niet veel te stade, terwijl dat hy, hoe geleerd hy ook in zijn kunst was, nooit voorzien kon den uitgang van zoo onzekeren oorlog: want noch het aanschouwen der dwalende en vaste starren, noch het antwoord der helle, ontdekten hem ooit de waarheid. Hy geloofden dan (blinde geest der menschen, ô hoe dwaas en twijffelachtig zijn uwe oordeelen!) dat den Hemel alreede met een zekere dood en gewisse ondergang dit onverwinnelijk leger, ’t gene uit de deelen van ’t Oosten gekomen was, dreigden. En alzoo hy voor zeker hield, dat het Egiptise volk eindelijk de palm van zoo grooten aanslag zou winnen, groeiden sedert altijd een vierige begeerten in hem, om te maken dat zijn onderdanen deel mogten hebben in de eer van deze overwinnig. Maar hoewel hy, boven alle andere machten, die van de Franssen, die hy grootelijkx vreesden, veel achten, de schrik die [p. 126] hij had van de schade, die ’er af mogt komen, indien ’t gebeurden dat zij overwinnaars bleven, maakten dat hij de middelen ging zoeken om te beletten dat zulkx niet geschiede, en om een gedeelte van de macht der Kristenen te verzwakken; om dat de rest zoo veel te lichter mogt verdelgd worden, zoo wel door de zijnen als van Egipten, in een oorlogslichaam t’samen gevoegd. Terwijl hij daar op dacht, zie zoo komt den Engel der duisternisse, die hem noch vieriger verhit, en een raad inblaast, om zijn aanslag gemakkelijker uit te voeren.
    Hydraot had een nicht, voor wie alle de maagden van ’t Oosten in schoonheid weken: hier bij was ’er niet een kunst of verburge schalkheid, daar de beroemste tooveressen haar meê gewoon zijn te behelpen, haar onbekend. Hij dan voorgenomen hebbende die te gebruiken tot volvoering van zijnen aanslag, deed haar voor hem komen, en na dat hij haar geopenbaard had, waar mede dat hij begeerden dat zij den aanslag zou aanvangen, sprak hij tot haar: Mijn waarde dochter, die onder uw goude lokken, en onder een aangezicht vol van betooverende strikken, verbergd al de goede en hooghartige zeden, die*de vermaarste mensch hebben kan; en die mij te boven gaat in ’t gene mijn kunst raakt, daar ik alleen geloofden in uit te steken. ik heb een voornemen dat van groot gewigt is, en zoo gij mij wild helpen, ik ben verzekerd dat de hoop wel haast van de daad ge- [p. 127] volgd zal zijn. Daar is nu niet meer te doen, dan dat gij het laken weefd ’t gene ik gesponnen heb, in het stoutmoedig uit te voeren ’t gene ik zoo wel heb begonnen. Gaat dan in het leger der vijanden, en tracht daar alle aanlokselen der liefden, en alle aantrekkelijkheid die de doortrapste vrouw ter wereld kan verzinnen, te gebruiken; maakt dat de tranen altijd uw klagten vergezelschappen, en dat bij uw geveinsde gebeden altijd een onvergelijkelijke zoetheid gevoegd is: neemt ook acht u niet te beklagen, ten zij dat gij terstond uw woorden met uitgeworpen zuchten en hikken afbreekt. Indien gy mijn raad volgd, zoo twijffel niet, of deze droeve gedaanten, op zoo grooten schoonheid, als de uwe, uitgespreid, zal magtig zijn om onder uw rijk de wederspannigste gemoederen te lokken. Maar boven al gedenkt met een eerbare zedigheid, die stoutmoedigheid, die voor uwe kunne ongemeen is, te bedekken, en uw leugenen met een waren schijn te bewimpelen. Verwind, door middel van deze kunsten, zoo ’t mogelijk is, den Hartoog Godefroy: en om dit te doen, vergeet niet d’aanminnigste lonken, noch de aangenaamste redenen te gebruiken, op dat hy, op u verliefd zijnde, gelijk ik voorzie dat hij wezen zal, hem dezen oorlog tegen ’t hart keere, en dat hij aflaat van daar in te volharden. En zoo gij bij geval dit niet kund uitwerken, spaar dan uwe strikken niet, om eenige der voornaamsten van ’t leger [p. 128] aan te lokken en brengtse*tot het uitterste, dat zy haar zelf niet meer konnen wederstaan. Dit zeggende, verhaalden hy haar bijzonderlijker wat zij doen most. Daar na om haar veel in weinig woorden te zeggen, besloot hy kort: Weest niet vertsaagd voor eenig ding, en verbeeld u dat ’er niet zij of ’t is geoorloofd, aangezien dat onder schijn van Godsdienst, en zijn land te dienen, men doen mag datmen begeerd.
    De geestige Armyde, alzoo hieten dit bedrog, die de schoonheid, jongheid, en andere gaven der natuur, opgeblazen maakten, had zoo ras dit bevel niet ontfangen, of, om het uit te voeren, begaf haar, onder gunst van de nacht, op weg; en om geen beletsel te hebben, ging zij door buitenwegse wegen, daar niemand verkeerden. Alreede, zoo ongehuld, en in ’er nachtrok, als zy is, verzekerd zy haar deze onverwinnelijke Helden te verwinnen, zonder eenige andere, als vrouwelijke wapenen te gebruiken. Zoo ras als zy vertrokken was, strooiden men verscheiden geruchten uit, om het werk voortgang te geven; en ondertussen vertoefden zy niet lang om in ’t Fransse leger te zijn. t’ Harer aankomste was ’er niemand van de soldaten, die met verwondering, zoo deftigen schoonheid ziende, niet vervuld wierd: ijder sprak by zijn zelven, en ijder wenden zijn oogen na haar, gelijk als op een Komeet, of een nieuwe starre diemen aan den [p. 129] Hemel zag glinsteren op den vollen middag. Zij vergaderen alle rondom haar, om te weten wat deze schoone vreemde zeggen wil, en van wiens wegen dat zij komt. Nooit zag Argos, Ciprus, of Delos iets zoo verwonderlijkx, ’t zij om heur schoonheid, of de wijze van heur kleding. Haar lokken zijn oprecht gouddraad, die met losse krullen neêrzwajen, onder welk zij zomtijds uitglinsterd, en dan weer haar zelven bloot toond: op de zelfde wijze wanneer den Hemel ophelderd en weer betrekt, wanneer de Zon door een kleine wolk ziet heen blinken, daar na verder doordringende, zijn schoone stralen aan alle zijden uitschiet, en haar op zoodanigen wijze uitspreidende, dat het licht van den Hemel verdubbeld is. De weste winden die met haar lokken spelen, drijven die luchtig in de lucht op, en doenze in golven kronkkelen, hoewelze van ’er zelven alreede gekruld zijn. Haar oogen, om zedig te schijnen, zijn gierig op heur lonken, en zonder op veel voorwerpen te spelen, verbergen, met voornemen, haar eigen schatten, en die van de kleine liefden. Een roozeverf is onachtsaam op haar kaken, veel witter als elpenbeen, gezaaid; haar lippen zijn als twee roozeknoppen, daar een welriekende lucht afkomt, die niet als liefde uitwasemd. De natuurlijke witheid van haar blanken hals, mag bij het sneeuw vergeleken worden. En Kupido zelf, ô groot wonder, ontsteekt’er en onderhoud’er zijn [p. 130] toorts aan. Haar ronde borsjes komen maar half wegen te voorschijn, om dat het schoonste deel van het kleed bedekt word: ô al te nijdig kleed, dat u zoo tegen ’t gezicht steld, het berovende van zoo schoonen voorwerp; gij hebt evenwel de zelve kracht op de gedachten der minnaars niet, die deze schoonheid aanschouwen; en gij kund niet beletten datse tot in de heimelijkste plaatsen doordringen, om het beletsel der oogen te bevredigen: want gelijk d’eervarendheid ons doet zien, dat de Zonnestralen door het water, of door een glas, zonder het te breken, of van een te scheiden, heen schijnt, alzoo derven de gedachten der genen die zien, wel verder als de rok, gaan, en onder de zelve, de deelen zoeken, die de tirannise gewoonten niet toelaat om te bezichtigen. Hier gaatse haar, na heur welgevallen, verlustigen, en hier bezietse alle deze wonderen d’een na d’ander: hier niet me vergenoegd zijnde, verhaaldse heur wedervaren aan de begeerten, daar van de vlammen, door deze middel, vermeerderen.
    Armijde aldus geprezen en begeerd, ging dwers deur deze troepen heen, die alrede niet als na haar schoonheid haakten. En hoewel zij ’t alreede, niet als te veel bemerkt, zoo toondz’er geen schijn af, en ondertussen laatse niet van in haar hert te lachen, haar zelven beloovende wel een anderen roof, die veel rijker en heerlijker als deze zijn zal. Door deze [p. 131] hoop, aan d’eene zijde verzekerd zijnde, en aan d’ander zijde heel in twijffel staande watse doen zal, zoo alsse nergens meer na wachten als na iemand die haar voor Godefroy brogt; zie, zoo komt Eustaas, dat zijnen broeder was, aangaan. Gelijk een zomermug haar zelve in ’t licht van een toorts verbrand, zoo ziet hij in ’t aankomen naauwlijkx die groote schoonheid; en haar van dichter bij bezien willende, neemt niet eens acht dat de vonken, die daar uyt schieten, zijn hart zoo levendig ontvlammen, gelijk het lont ontsteken werd door de vonkken die’er van boven opvallen. Eindelijk, na dat hij stouter geworden is, door de lent zijns jaren, en door het tegenwoordig voorwerp, dat zijn jonge begeerten verhit, spreekt hij tot haar; Uitnemende maagd, die ik veel eer Goddin behoorden te noemen, terwijl dat het uitterlijke mij doet oordeelen, dat gij niet aards of sterffelijkx en hebt; en dat in al Adams nakomelingen geen mensch gevonden is, die den Hemel mildadiger met zijne gunsten verzien heeft: doet mij de eer aan, de reden te zeggen, wat u hier geleid heeft, en waar gij nu vandaan komt? is het eenig nieuw geval, of veel eer ons goed geluk dat u hier gebragt heeft? verbergd het mij niet, ik bid u, op dat het een middel is, om u de eer te geven die ik u schuldig ben, wanneer mij zelf de pligt gebood voor uw voeten neer te vallen. Beleefde Ridder, antwoordeze hem, gij doet de [p. 132] lof, die gij mij beliefd te geven, wat te hoog steigeren; tegen mij moetge op zulk een wijze niet spreken, terwijl mijn kleine verdiensten nooit op het punt zullen komen daar gij die steld: al ’t geen dat ik u zeggen kan, is, om de waarheid te zeggen, dat gij hier voor u ziet een, die niet alleen levend sterft, maar daar al de vreugd en vermaak al in gesturven is, aangezien zij haar niet meer als in droeve en doodelijke voorwerpsels onderhoud: het geval, dat mij veel quader handeld als het behoorden, heeft mij hier gevoerd: Mij rampzalige, vremde en vluchtige maagd, die van alle hulp ontbloot ben: het is waar, dat al de troost die mij overschiet, bestaat in de gunstige antwoord die ik van den kloekmoedigen Godefroy verwacht: hij alleen is mijn laatste toevlucht, en al de vertroostingen, die ik heb, hangt alleen aan hem. De voornaamste zaak, die mij hier toe vervoerd, is het waarachtig verhaal van zijn Godvruchtigheid, die zoo groot is, dat de Faam, de wonderen daar van aan alle zijden gezaaid heeft. Zoo het dan waar is, dat gij zoo beleefd, en tot melijden genegen zijt, gelijk als het uw wezen uitwijst, verplicht mij dan, dat gij mij dezen dienst doet, om hem te mogen spreken. Schoone maagd, antwoorde Eustaas haar, het is wel reden dat ik u in deze gelegendheid help, en Godefroys broeder zijnde, ik u bij hem den toegang geve die gij begeerd: gij kund u aan niemand beter vervoegen als aan mij, [p. 133] die geen klein deel in zijne liefde heb, ’tgeen mij doet hopen dat gij het niet te vergeefs gebruiken zult; en zoo hij van d’een zijde u met zijn geloof bijstaat, aan d’andre zal ik u met mijn zwaard dienen. Deze plichtpleging geeindigd hebbende, leiden hij haar in een plaats, daar den Hartog, zijn broeder, vertrokken was, om met de voornaamste Hopmannen, van zijn leger, raad te houden. In haar aankomen toondeze hem een groote eerbiedigheid, en bleef eenigen tijd zonder iets te zeggen; want een zedige eerbiedigheid beletten haar te spreken, en ontstak haar aangezicht. Niet te min, na dat den Hartog haar, door versterkende en vertroostende redenen, verzekerd had, begonze haar voorgezeide kunsten te doen spelen, en deed het met zulk een bequaamheid, datmen haar, hooren sprekende, gezeid zou hebben, dat al het gevoelen aan haar betooverende redenen vast gehecht was.
    Onverwinnelijke Prins, sprakse tot hem, door wien de Faam, die op alle plaatsen vliegt, met zoo veel vercierselen van uw deugd verrijkt is, dat de Koningen en Koningrijken, door u t’onderbrogt, gelooven veel gewonnen te hebben in het verlies van hare nederlagen: Uwe dapperheid is zoodanig in de wereld bekend, dat uwe vijanden zelf gedwongen zijn die te beminnen en te achten. Zij is ook de gene die haar noodigd, om u te zoeken, en om in de nood tot u te komen. Verwonder u dan niet, om dat ik, [p. 134] in een geloof geboren, dat gij alreede zeer vernederd hebt, en dat gij den oorlog aan doet om het geheel uit te roejen, vermits het tegen ’t uwe is; echter, om al deze dingen, niet nalaat mijn toevlucht tot u te nemen, op de hoop die ik heb, om door middel van u, de koninglijke Scepter te verkrijgen, en mij in den troon te herstellen die mijn voorouders mij erffelijk hebben nagelaten. Ik doe niet gelijk als anderen, die in de ongenaden van heur ongeluk, haar hulp bij de hare, tegen vreemde vijanden zoeken: maar mijn ongeval is zoo groot, dat ik gedwongen ben om hulp te komen bidden, de gene, die mij den oorlog aan doen, en, en die tegens mijn eigen bloed te gebruiken, terwijl bij mijn vrienden het mededoogen gantsch geen plaats vind: en in dezen uittersten nood roep ik u aan, ô kloekmoedige Prins; u, in wien ik hoop, en die mij alleen in de waardigheid, daar de mijnen mij ondankbaar van beroofd hebben, kund herstellen. Uw zeeghaftigen arm is niet minder om de rampzalige te vertroosten, en haar op te helpen, als den genen, die haar geweld tegen staan, ter aarden te werpen: noch gij niet minder eerwaardig om uw vierige Godvruchtigheid, als om d’overwinningen die gij op uwe vijanden behaald hebt. En zoo uw lof tegenwoordig groot is, om dat gij verscheide Koningrijken verkregen hebt, zij zal niet minder zijn wanneer gij my in’t mijne weer hersteld hebt; terwijl gy [p. 135] het eene hebt kunnen doen, zult gij het andere ook wel vermogen; zulks dat, zelf de verscheidenheid van ons geloove, u noodigd om mijne gebeden, hoewelze redelijk en rechtvaardig zijn, geen acht te slaan; zoo dunkt mij dat het uw grootmoedigheid zou verkort zijn, daar van te berooven, ten aanzien van het vast vertrouwen dat ik in uwen goeden aard hebbe. Waarlijk gy hebt niemand ooit geholpen die het meer van nooden had als ik: twijffeld niet, of deze bijstand is rechtvaardig; ik spreek niet als de waarheid, en hier toe neem ik den grooten Jupiter, algemeen Vader aller menschen, tot getuigen. Maar om dat gij volkomen onderrecht zoud wezen van al de dingen die ik u te zeggen heb, zoo aanhoord, ik bidde u, het verhaal van mijn ongelukken, en het quaad onthaal dat mij door d’onrechtvaardigheid van andere gedaan is. Ik ben een Dochter van die zelve Urbitan, die eertijds Koning van Damaskus was; maar hoewel hij niet van de voornaamste der wereld, door zijn geboorte, is geweest, echter geraakten hy tot de Kroon, door middel van de schoone Chariklea, zijn huisvrouwe, die hem tot erfgenaam van ’t Rijk maakte: En toen quam deze deugdelijke Prinses t’overlijden, weinig uuren voor die van mijn geboorte, om dat zij den geest gaf op’t zelve oogenblik als zij mij baarde: zulkx dat een zelve dag voor ons beiden rampzalig was, haar om dat zij de wereld verliet, en mij die ’er in quam, om [p. 136] aan d’ellenden ten roof gegeven te worden, daar ik mij nu ingestort vind. Maar ik had naauwlijkx den ouderdom van vijf jaren bereikt, wanneer mijn Vader gedwongen wierd, om voor’t beschik der Goden te buigen, en haar ging in den Hemel gezelschap houden. Zijn aangeboren genegendheid gaf mij tot voogd zijn broeder, van hem zoo volmaakt bemind, dat, indien de gemoederen der menschen maar een weinig oprechtigheid hadden, hij mogt zich zonder twijffel van zijn groote getrouwigheid genoeg verzekerd houden. Hy dan met deze voogdij belast zijnde, toonden zich in’t begin zoo zorgvuldig, in al ’t geen mijn welvaren raakten, dat ’er niemand was, die hem niet voor onbedrieglijk achten, in de genegendheid en trouw die hij mij betuigden. Een zaak die hy mogelijk deed, ’t zij dat zijn boos voornemen haar toen met een ander deksel bewimpelden, of dat zijn natuur toen noch niet verwisseld was, gelijk het daarna geschieden, om dat hij zich daar na in de hoop bedrogen zag van my met zijn zoon te doen trouwen. Ondertussen begon ik op te wassen, en dezen jongen Edelman ook, in wiens geest men nooit iets adelijkx of groothartigs kon instorten; noch het minste van de oeffeningen, die een Ridder, die de stam, daar hy uitgesproten is, niet wil loochenen, noodig is; hier bij, dat hij nooit eenige genegendheid had tot edele en kloekhartige dingen. Met een woord, het was een mensch [p. 137] die onder een ongeschikt gelaat, een bloodaardig gemoed verburgen hield. Ik vergeet dat hy in zijn gemeene zeden zich niet alleen verwaand betoonden, maar vierig in zijn gierigheid, en onbeleefd in zijn ommegang; en om hem wel te roemen, in weinig woorden; zoo qualijk gemaakt, op wat wi[j]ze men hem nam, dat in stuk van gebrek en onvolmaaktheid, hij zich by niemand kon vergelijken als by zich zelf. Dit was den braven man, die mijn voogd my geven wilde. Oordeeld, zoo ’t u geliefd, of ’er eenige billijkheid was dat ik hem zou trouwen. Hij wilde het evenwel: en wou, door deze middel, dat hy deel aan mijn bedde en aan mijn Koningrijk hebben zou. Maar alzoo ’t aan hem niet stond dat dit zoo geschieden, zoo was hij een langen tijd dat hij mij met geen andere redenen onderhield; daar hij al de listigheid, die hy bedenken kon, bijvoegden, om zoo veel te lichter te bemiddelen, ’t gene hij zoo vierig begeerden. Doch door al deze dingen kon hij nooit het minste woord van mij krijgen dat hem vergenoegden: maar in tegendeel, verontwaardigde ik hem zoo, dat, indien ik hem zomtijds antwoorden, het maar alleen was om hem te weigeren, ’t gene daar hij my zoo moeyelijk om viel. Dit was d’oorzaak, dat hij eindelijk van mij vertrok met zulk een gramschap, dat zekerlijk, hoe zijn aangezicht ook ontsteld was, men klaar genoeg de valscheid van zijn hart ontdekken kon; zulkx dat mij docht, [p. 138] seder op mijn voorhoofd te lezen, de treurige geschiedenis van mijn toekomend ongeluk. De rust, die ik des nachts docht te hebben, begon door vreemde droomen, en schrikkelijke gezichten, gesteurd te worden: en ik weet zelf niet wat doodse schrik, in het diepste van mijn ziel ingedrukt, mij een zeker voorteiken was van de rampen die mij dreigden. Als ik sliep, quam mijn moeders schim voor mij, en haar beeld was zoodanig in mijn gedachten gedrukt, dat, hoewel het maar een droom was, ik echter geloofde haar zelf te zien, met een bleek aangezicht en beschreid gelaat, wel verscheiden van die schoonheid, die zich vertoonden in het afbeeldsel, dat ik van haar had. Vlucht wech, mijn waarde dochter, sprakse tot mij, ontvlucht de wreede dood, die u dreigd; vertoefd niet langer om te vertrekken: ik zie alreede dat den tiran, tot uwen ondergang, het vergif gereed houd, en dat de pook u op de keel hangt. Maar helaas! waar toe mogt het mij helpen, dat mijn hart rade, het gevaar, dat my op de hielen volgden, daar mijn teere jeugd in mij deed groejen de schrik, die mij belette om een vast voornemen te nemen? Zeker ik moet bekennen dat het my zeer bedroefde, mij vrijwillig te bannen uit mijn geboorteplaats en Koningrijk, zulkx dat ik niet zeer bekommerd was om d’oogen te sluiten, daar ikse eerstemaal, geboren wordende, opende. Ik vreesde de dood, en evenwel (wie zal het gelooven?) [p. 139] had ik de stoutigheid niet mij te versteken, noch mijn schrik t’ondekken, uit vrees dat ik mijn tijd mogt verhaasten. Door deze ongenuchten gequeld, sleepten ik mijn leven in een geduurige quaal, gelijk als de gene die men de oogen verbonden heeft, en die niet als den slag verwacht die hem het hoofd van ’t lichaam zal scheiden. Zo als ik in dezen uitersten nood was, ’t zij dat het geluk mij wilde gunstig zijn, of dat het mij tot een grooter ramp behoeden; zoo veel is’er af, het verwekten een bevelhebber, van den huize des Konings, dat mijn schenker was, om mij te waarschouwen, dat den tiran maar zijn tijd waar nam, om mij om hals te brengen, en dat hij ’er hem dikmaal hard toe verzocht had, tot dat hij gedwongen wierd hem te beloven, dat hij mij, te drinken gevende, zou vergiftigen, eer dat dien dag om was. Bij dit bericht voegden hij; dat hij geen andere middelen zag, om mij van deze lagen te bevrijden, dan dat ik mij terstond verschool en wechvluchte: dat hij eindelijk zich zelven aanbood om mij in dit werk te helpen. Door deze woorden moedigden hij mij zoodanig, dat de vrees, niet machtig zijnde om te weerhouden, ik voor mij nam, mij met hem te bergen, zoo ras de nacht aangekomen was, en mijn land, mijn onderdanen, en mijn goeden Oom, die zich zoo wel in zijn voogdampt queet, te verlaten, ’t Geluk wilde dat deze nacht duisterder als naar gewoonten, en dat alzoo hare donkerheid ons vorderlijk [p. 140] was in onze vlucht; door deze middel ging ik in zekerheid uit mijn Paleis, niet meer bij mij hebbende als twee maagden, in wie ik mij het meesten betrouwde, daar toe ik voornaamlijk verplicht wierd die te kiezen, om medegenooten in mijn rampspoed te zijn. Zoo als ik mij op weg begeven had, was al mijn toevlucht tot de tranen: en hoewel ik niet ver van de muuren was, die ik eertijds zoo bemind had, echter kon ik die niet bekennen, door de duisternisse, hoewel ik ijder oogenblik mijn gezicht daar na toe wenden: want men zou gezeid hebben dat in deze reis, mijn oogen en gedachten niet als eenen weg gingen, zoo veel hartseer en leedwezen had ik, om een voet voor d’ander te verzetten: hier in een schip gelijk zijnde, dat van den oever, daar het in verzekerdheid leid, door een geweldige draaiwind word weggerukt, om in d’open Zee geslingerd te worden. De geheele nacht, en noch den volgenden dag, gingen wij door eenzame wegen, daar wij niet een voetstap bemerkten; en deden zoo veel, dat wy eindelijk quamen aan een Kasteel, op de grenzen van mijn Koningrijk gesticht, van ’t welk dien zelven Arond, die ik mijn vrijheid schuldig ben, Heer was. Ondertussen, als den tiran bemerkten, dat ik hem ontslipt was, beschuldigden hij ons met het zelve verraad (door razernij tegens ons aangeprikkeld) dat hy gebrouwen had, en belasten my met de misdaad, daar hij den eigen uitvinder van [p. 141] was: want zijn valsheid quam eindelijk hier toe, dat hij ’t gerucht deed loopen, dat ik Arond had omgekocht, om hem te vergeven, als hy hem den beker gaf, dat ik eindelijk niet zocht, als mij van hem t’ontlasten, op dat ’er niemand meer op mijn dingen acht zou nemen als hij dood was, of die mijn ontuchtigheid beletten zou, of mijn onkuisse begeerten uitblussen, in den arm van duizend minnaars die my streelden. Maar dat het veel eer geschiede, dat het vuur van den Hemel op my neêrstorte, eer dat my werd na gegeven, dat ik uw heilige wetten, ô eerwaardige kuischeid, ooit bezoedeld heb. Ik moet voor u niet liegen, het zou mijn minder ongenuchten wezen, dezen verhongerden tiran, van een onverzadelijke begeerten, met mijn bloed gedrenkt te zien, als t’aanschouwen hoe hy op mijn zuiverheid woed, en mijn eer tracht te bezoedelen. Zie daar wat schelmstukken dezen wreedaard gebruikten, om te beletten dat het volk (’t geen hy wist dat tot my genegen was) naar mijn vertrek, niet quam tegen hem op te staan. Maar zoo als hy in der daad zijn lasteringen en logens zoo wel wist op te pronken, gewaardigden mijn volk, dat de zekerheid noch onbekend was, zich niet eens te beroeren, of de wapenen in de hand te nemen. Boven al deze dingen, kon den wreedaard, in mijn Troon gezeten zijnde, en de Kroon, die mij toequam, onrechtvaardig inslokkende, niet aflaten van mij te vervol- [p. 142] gen, noch tegen mij te verwekken, al ’t gene mijn ondergang verhaasten kon, en mijn in schanden brengen; zoo veel stoutigheid gaf hem zijn ontaarden en verbasterden aard, in de nooitgehoorste schelmstukken. Hierom zond hij, en dreigden Arontes, dat hij hem, en zijn kasteel, zou verbranden, zoo hij langer vertoefde mij in zijn handen te leveren, en zoo hij hem niet vrijwillig gevangen gaf. Hier op deed hij een nieuwe verklaring, bij de welke hij zwoer, mij een eeuwigen oorlog aan te doen, en al die van mijn partij, met betuigingen al die mij hulpen, te vier en te zwaarden te verdelgen. Maar dat hij deze dreiging gebruikten, was tot geen ander oogwit, als om de smetten af te wissen, die zijn verraderij en lafhartigheid, hem in ’t aangezicht gegeven hadden: hier bij, dat hij geen ander middel zag om hem te rechtvaardigen, en den laster te herstellen, die het koninglijk bloed, in mijn afwezen, loopen mogt. En ’t gene zijn ongenuchten ter ander zijde noch verdubbelden, was d’uitnemende vrees die hij had, datmen hem den Scepter mogt benemen, die hij mij zoo schelms ontroofd had, en die niet in zijn hand bevestigen kon, dan door mijn eenige ondergang. Dit zoo zijnde, moet men niet twijffelen, of zijn vervloekte begeerten zal het al volbrengen ’t geenze begeerd, en dat de vierigheid van zijn gramschap haar niet zal komen in mijn bloed verkoelen, zonder dat mijn tranen machtig zullen [p. 143] zullen zijn om hem te vermurruwen; indien het u niet beliefd daar middel tegen te stellen, ô kloekmoedige Prins. Ik neem dan maar alleen tot u mijn toevlucht: helpt, ik bid u, een onnoozele Maagd, dat een Weeze is, en onschuldig van de misdaden, daar deze valsche haar meê beschuldigd. Laat niet toe dat ik te vergeefs tranen schrei, maar maakt veel eer dat deze zelve tranen, beletten dat in toekomende mijn bloed niet gestort word; ik bezweer u by dien kloekmoedigen arm, die de steun der rechtvaardigheid is; by die zeeghaftige voeten, daar gy d’opgeblazendheid der schelmen meê vertrappeld; by al uw onverwinnelijke overwinningen; by die gewijde Tempelen, die gy zoo wel verdadigd hebt, en die van niemand haar vrijheid, als van u, verwachten. Veroorlofd aan mijn begeerten, de vernoeging die gy alleen haar geven kund: behoed mijn Kroon en mijn leven teffens. Boven dien dat ik ’t my van uwe goedheid beloove, zoo noodigd u de reden en de rechtvaardigheid om dat te doen. Ik weet dat de Hemel u verkozen heeft, om niet als rechtvaardigheid te begeeren, en te vermogen al wat gy begeerd: zulkx dat het in uw magt is, my het leven te behoeden, en een Rijk te verkrijgen, dat my met recht toekomt; maar het gene u zal behooren, in dien ik zoo gelukkig ben, het door uw middel weder te bekomen. Van al dat groot getal Ridders, die u hier vergezelschappen, neemt ’er maar alleen tien [p. 144] uit, om my wederom te leiden. Ik verzoek van u niet meer, wel verzekerd zijnde, dat ik geen andere macht van nooden zal hebben om my weder in mijn Rijk te herstellen: want boven dien dat de voornaamste van mijn onderdanen my genoegsaam beminnen, zoo weet ik dat mijn volk, de getrouwigheid die het my schuldig is, noch niet vergeten heeft. Ook heb ik op mijn zijde gekregen een der voornaamste bestierders van ’t heele Rijk, den zelven die de bewaring van de heimelijke poort heeft, die hy my beloofd heeft des nachts te openen, en my ingang in ’t Kasteel te geven. Hy heeft niet meer als een zaak van my begeerd, dat is, dat ik middel zou zoeken om maar een weinig bijstand te bekomen, om den aanslag te verkorten: aangaande de rest, hy zeid datm’er hem meê zou laten geworden, en verzekerd ons dat hy’t lichtelijk zal konnen volbrengen; hy brengt daar op geen andere redenen by, als dat hy meer hoop steld in ’t klein getal van d’uwe, als hy in een leger, hoe groot dat het wezen mogt, stellen zou, zoo veel acht hy uwen eenigen naam, en uw zeeghaftige vendels.
    Dit was ’t gene Armyde sprak, die verwachtende wat antwoord men haar geven zoude, haar zelfs bedwong te zwijgen, met een gelaat dat teffens scheen te spreken en te bidden. Godefroy haar aandachtig, gehoord hebbende, overdacht bij zijn zelve, op wat wijze hij hem in deze zaak dragen zou; en vond [p. 145] zich zich wel bezwaard. Hij vreest het bedrog dezer ongeloovige, en de schijn doet hem gelooven dat zij, haren Schepper haar beloften niet houdende, het noch veel minder aan zijne schepsels zullen doen. Van een ander zijde verwekt het medelijden, dat hij met deze arme verdrukte heeft, in hem al de bewegingen van een oprechte genegendheid, die deze eigenschap heeft nooit slaperig te zijn, wanneerze in een kloekmoedige dapperheid huisvest: ook is ’t alleen het medelijden, of zijn goeden aard niet, die hem noodigd deze vreemde te helpen, maar ’t is noch de nuttigheid die ’er ’t gemeen af trekken zou, ’t geen hem bijzonder verplicht: want hij acht het geen kleine zaak, dat een Koningrijk, als dat van Damasko, in handen komt van een die hij weder oprecht; ook steld hij zich voor oogen, dat het hem een groote toegang wezen zal om zijn werk te verkorten, uit deze plaats te kunnen trekken oorlogsvolk, wapenen en geld, om hem tegen die van Egipten, en haar bondgenooten, te verzien. In ’t midden van deze zwarigheden, als hij zijn gezicht ter aarden sloeg, en zijn gedachten hier en daar gewend had, zag hem Armijde stijf aan; en zijn*gelaat overwegende, trachten uit zijn wezen t’oordeelen, wat zy by na van hem had te verhopen: maar bemerkende dat hy langer bleef om haar t’antwoorden, als zij wel wenschten, begonze te mistrouwen, en van vrees te zuchten. Eindelijk, na dat Godefroy [p. 146] voorgenomen had, om haar heur verzoek te weigeren, en zich tegens haar met beleefde en eerbare woorden te ontschuldigen; sprak hy tot haar: Waarlijk, indien onze plicht ons niet verplichten om hier onze zwaarden, tot dienst van onzen God, die ons hier toe roept, te gebruiken; gy mogt wel uw hoop op onze wapenen stellen, en by ons hulp en versterking vinden: ’t gene gij zonder twijfel bevinden zoud, indien ’er eenige gelegendheid was om onze macht te verdeelen, en zoo veel tijd om de loop van onzen aaanslag uitstellen, eer dat wij deze troepen in haar schaapkooy leiden, en deze muuren bevrijden van de slavernij die haar verdrukt. Al ’t gene ik u beloven kan, en daar ik u mijn trouw van tot pand geef, is dat, indien wy ooit zoo gelukkig zijn, van de heilige Stad, die de wellust van den Hemel is, uit d’onverdraagelijke slavernij die haar verdrukt, te rukken, dat wy u dan zullen trachten weder in uw Koningrijk te herstellen, daar ons de liefde toe noodigd, die wij Kristenen belijden. Maar deze Godvruchtigheid, zou ons tot minder Godvruchtigheid gedijen, als wy moeten hebben tot bescherming van ons geloof, indien wij, alle dingen nalatende, den waren God niet eerst deze plicht bewijzen. Op deze woorden bewees d’uitheemsche hem een diepe eerbiedigheid, en haar oogen neêrslaande, stond eenigen tijd onbeweeglijk; tot datse die eindelijk, heel rood, en met tranen besproeid, ophefte, verge- [p. 147] zelschapt met een wezen vol klagten en zuchten. Ellendige als ik ben, riepse, heeft den Hemel wel ooit een mensch zien opwassen, wiens leven met meer tegenspoed gequeld is als het mijne? Alle de aardse dingen zijn de verandering onderworpen, daar is niet, als mijn ongeluk, dat geduurzaam is, en dat geen verandering en lijd. Het is te vergeefs dat ik my beklaag, terwijl my gantsch geen hoop overschiet. Men mag wel zeggen, dat de gebeden gantsch geen macht meer hebben op het herte der menschen, en dat ’er weinig kans is, dat de mijne een tiran zoude bewegen, indien het waar is dat een Prins, gelijk als gy zijt, zoo ongevoelijk door mijn verdrukking blijft. Evenwel zoo ’t geschied dat gij mij deze kleine bijstand weigerd, die ik van u verzoek, geloof niet, dat ikse d’onbeleefdheid zal toeschrijven; geensins. Gy zijt het niet daar ik my van beklaag, maar veel eer van den Hemel; van haar komt al mijn rampspoed voort, aangezien zy u alleen onbeweeglijk voor mijn klagten maakt. Neen, neen groote Prins, gij zijt al t’edelmoedig om my uwe hulp te weigeren: mijn noodlot wil het zoo. Ik beschuldig niemand als haar. Maar, ô onbeweegllik noodlot! terwijl gij zoo rampzalig zijt in’t geen my raakt, waarom toefd gij langer om mijn leven t’eindigen? ziet gy niet dat ik het met leedwezen slepende hou, en dat het my verdrietig is? Wreede is ’t u niet genoeg dat gij mij van mijn waarde vrienden beroofd [p. 148] hebt in een bloeyende ouderdom, dat gij mij noch van mijn Koningrijk most berooven, en dat gij in de slavernij, daar ik nu ben, my het mes op de strot zet, tot een rampzalig slagtoffer? Zeker ik weet dat de wetten van d’eer en van de plicht niet kunnen lijden dat ik hier langer vertoef: maar ondertussen tot wie heb ik toevlucht? waar zal ik mij kunnen vertrekken, en wie zal my tot een steunsel tegen den tiran verstrekken? is’er eenige plaats onder den Hemel die machtig is om my tegen zijn valscheid te beschutten? ik geloof ’t niet. Het is dan wel vergeefs dat ik iets doe na deze uitstellingen. Op wat plaats dat ik ben, de dood vertoond zich voor mijn oogen. Daarom, ziende dat het vluchten mij niet te stade komt, ben ik wel te vreden die met deze hand kloekmoedig voor te komen.
    Meer sprakse niet, en gaf door haar gelaat genoegzaam te kennen dat ’er, ik en weer niet wat voor grootsheid en moed, in haar gramschap stak. Want hoe bedroefd datse scheen, echter was haar aangezicht heel ontsteken. Alreede trok zij haar voet te rug, als of zij, heel vol van spijt, wilde weggaan. Zulkx dat van al de gene, die haar aanzagen, niemand was die niet oordeelden, dat zij nier zoo zeer als haar gevoelen trachten te betoonen. Zij gaf’er ook genoegsame proeven af door de klagten die uit haar mond vloeiden, gelijk de gramschap gemeenlijk voortbrengt wanneerze haar in de geweldige droef- [p. 149] heid begint te vermengen; ende de tranen die van heur oogen afdropen, waren te gelijken bij kristal en peerlen, daar de zon op glinsterd: haar kaken, die van deze klare beken, die tot in haar. boezem neêrdropen, besproeid wierden, waren de rozen en lelien, onder een vermengd, gelijk; wiens schoonheid verdubbeld, wanneer zij, vochtig zijnde, van kleine druppelen des daauws, op de eerste stralen des dags ontluiken, door den zoeten adem der westewinden, terwijl dat den morgenstond, haar met een verliefd oog aanziende, wenscht met heele handen te mogen plukken, om kranssen te maken op haar schoone tuiten. O wonder, deze deurstralende en glinsterende vochtigheid, die haar boezem en kaken zoo bedouwd, verwekt de krachten van een gevaarlijk vier, ’t gene in ’t hert van deze minnaars ontsteekt, daar’t bedektelijk inglipt. O ongemeenheit zoo veel te grooter, om dat de liefde uit deze vochtige tranen vonken trekt, die de herten in ’t water doet branden. Dit doet mij gelooven dat het gebied, ’t heen hij altijd op de natuur gehad heeft, zoo groot niet is, dat het haar zelven niet zou te buiten gaan, in de macht die hij aan deze geeft; want haar geveinsde tranen hebben zoo grooten kracht, dat z’er waarachtige uit verscheiden oogen trekt, en de hardste gemoederen vermurruwd. Ook is de macht zoo groot, dat ’er niemand onder de trouppen is, die zich niet met haar bedroefd, en die niet in zijn zelven [p. 150] zeid; Zeker zoo onzen Veldheer, eindelijk deze schoone uitheemsche niet haar verzoek toestaat, dan magmen wel van hem zeggen, dat hy een razende tygerin gezogen heeft, of van een schrikkelijke rots, in ’t midden der Alpen, is voortgebrogt, of geteeld van onmedoogende baren, uie het onweder tegen de klippen aanbeukt, datse bersten. Waarlijk dat ’s wel wreed wezen, zoo een groote schoonheid te bedroeven, en haar eenige dingen te weigeren.
    Alle mordenze op deze wijze, wanneer Eustaas, die, door zijn liefde en jonge jaren, noch vieriger, en meer tot medelijden, als de andere, genegen was, zich niet langer bedwingen kunnende, hem na Godefroy keerden, en dus tot hem sprak; Mijn Heer en Broeder , vergeef my mijne stourmoedigheid, indien ik u zeg, dat uwe dapperheid een weinig te vast bij haar eerste voornemen blijft, en datmen u licht zal lasteren, indien gy op de gebeden van zoo veel eerlijke lieden, haar niet toestaat ’tgeenze eenstemmig van u verzoeken. Echter en wil ik niet zeggen, dat het reden is dat de gene, die eenig bevel hier in’t leger hebben, en over ’t volk heerschen, dat wy ons hebben onderwurpen, de belegering zouden verlaten, en in haar plicht onachtsaam zijn: neen. In tegendeel wil ik daar niet eens na denken. Maar wij, die Soldaten van ’t geval zijn, en die noch last noch bevel hebben, het is geen reden dat wy zoo onderdanig zouden zijn, dat wy de toevallen, die haar [p. 151] vertoonden, niet zouden durven volgen. Geloofd my, onder zoo veel personen als gij hier ziet, kund gy ’er wel tien verkiezen, en noch wel meer, zoo’t u beliefd, tot het werk daar ik van spreek. Als dit zijn zal, zoo geloof ik niet dat u iemand zal konnen lasteren, dat gy hem van den dienst, die wy God schuldig zijn, hebt afgesneden, om haar de bescherming van een onnoozele en onterfde Princes te doen aannemen. Voor mij, ik ben verzekerd datmen ons roemen zal, dat wij ons hebben laten brengen tot deze verdeding, tegen dien ongetrouwe, die haar Koningrijk onrechtvaardig bezit, en dat den Hemel den roof voor aangenaam wezen zal. Ook wanneer zelf het voordeel, dat van dezen aanslag, na den schijn, moet verwacht werden, mijn moed niet aanprikkelden, waarlijk ik zou mij verplicht gevoelen door d’orden der Ridderschap, en door de wetten van de plicht, die ons de maagden, in den nood, bevelen te helpen. Ik bid u, laat ons niet lijden, dat, noch in Vrankrijk, noch in andere plaatsen, daarmen de beleefdheid in achtinge heeft, ons verweten werd, dat wij ons niet gewaardigd hebben de wapenen op te vatten, noch ons in ’t gevaar of den arbeid te begeven, om zoo een rechtvaardige en heerlijken twist. Ik bezweer u in den naam van God; of zoo mijn gebeden niet machtig genoeg zijn om u hier toe te bewegen; dan verlaat ik, voor mijn deel, den helm en ’t harnas, en ben wel vergenoegd nooit [p. 152] degen te dragen, eer dat ik mij bloodadig, en van mijn paard, en van mijn wapenen, onrechtvaardig den naam van Ridder dragende, zou dienen. Eustaas sprak deze redenen, die terstond met een vrolijk gejuig, door alle die van zijn standerd, gevolgd wierd: die deze raad zoo goed docht, datse alle, met gelijke stemmen, haren Veldheer, tot dringens toe, verzochten dit toe te staan. Wel, antwoorde Godefroy, terwijl gij ’t begeerd, zoo wil ik ’t ook, en laat mij door d’overeenstemming van zoo veel personen verwinnen; Evenwel, indien gij mij gelooven wild, zult gij wel doen indien gij uwe begeerten wat matigd. Meer sprak hij niet; en hij hoefden niet meer te zeggen, dat ijder een zig gereed zou houden om te volbrengen, ’t geen hij haar daar op zou belasten. En waarlijk waar toe waren de klagten van zoo schoonen Princes niet bequaam! en wat zouden haar betooverende redenen, onder haar minnelijke aanlokselen vermengd, niet al vermogen! Zeker van haar schoone lippen schoot een goude keten, daar zij, na heur beliefte, de werspannigste Zielen aansloot. Eustaas haar wederom roepende, en om haar beter te moedigen, sprak hy tot haar; Deftige Maagd, houd op van u te bedroeven; wij zullen u wel haast bijstand geven, en gij zult zelf, indien het noodigis, meer volk hebben, dan gij begeerd hebt. Op deze woorden helderden Armyde haar oogen een weinig op, die de droefheid [p. 153] met een wolk scheen bedekt te hebben, spreiden zoo veel schoonheid op haar lachend aangezicht, dat se den Hemel zoude tot liefde hebben kunnen verwekken. Daar op, haar oogen afgedroogd hebbende, bedankteze haar allen voor de gunst die zij ontfangen had, en trachten om haar te betuigen, dat deze goede diensten niet zouden in de wereld onbekend blijven, maar dat zij de gedachtenis daar van, in ’t binnenste van haar ziel zou indrukken. Bij deze beleefdheid voegden zij ’er veel andere bij, en ’t geenze met hare woorden niet wel kon te kennen geven, drukten zij met haar wezen uit, dat haar in plaats van een stomme welsprekendheid verstrekten. Hier in vergatse niet, al ’t gene dat onder een valsche schijn haar voornemen kon verburgen houden, zonder iemand eenig achterdenken te geven. Maar toen zij bemerkten dat haar’t geluk toelachten, en dat zij het begin van haar listen niet qualijk had uitgevoerd; nam zij voor, om te beletten dat geen beletsel haar voornemen hinderlijk zou zijn, daar een eind af te maken, en door de zoetigheid van haar aanlokselen, er aangezicht, meer te weeg te brengen dan Circe of Medea ooit door de kracht van hare tooverijen deden. Zij nam voor haar te zingen zoo lieflijk als de Meereminnen, om de wakkerste te doen slapen. Met deze list trachten zij t’elkens een nieuw minnaar in haar netten te krijgen, en droeg zich op veelderlei wijze. Want, na dat de gele- [p. 154] gendheid haar toeliet zich te veranderen, verwisselde zij van gedaanten en zeden zonder een zelf aangezicht aan alle te toonen. Nu boostense de kuisheid na, en sloeg de oogen zedig ter aarden; dan keerdenze die na alle zijden, uitschietende stralen van loosheid en liefde; d’eene dreef zij met het rijsken, en d’andere met den toom, na dat zij die traag of vaardig tot heur liefde oordeelden. En zoo zij bij geval ijmand ziet, die de wijze maakt van hem, door eenig wangeloof van haar af te trekken, dan toondse hem een vriendelijk gezicht, en bewimpeld zijn gevoelen door d’aangename lonken, die zij op hem uitschiet. Op deze wijze is ’er geen zoo laffe en trage begeerten, noch zoo onzekeren hoop, die zij niet machtig is om te bewegen en te verzekeren. Zulkx dat door deze middel, die de verliefde ziel ontsteekt, zij het ijs doet smelten, dat de vrees in het hert der minnaars brengt. Maar indien zij eenige andere ziet, niet minder verblind als verwaand, die door haar Veldheer geleid, haar een weinig t’opgeblazen toonen, om die in de palen der achtbaarheid en vrees te houden, isse die spaarzaam van betooverende redenen en gunstige lonken. Niet te min, wat voor onwaardigheid dat op haar aangezicht schijnt, zoo laat zij altijd eenigen straal van medelijden glinsteren, ’t welk d’oorzaak is, dat, hoe bevreest datse ook zijn, zij altijd noch hopen, en hoe datse haar opgeblazender toond, hoe datse meer harten ontfonkt. [p. 155] Zomtijds haar een weinig ter zijden begevende, vermomtse haar wezen en gelaat zoodanig, datmen, haar eerst ziende, gezeid zou hebben, datse heel bedroefd was. En hier scheenze zoo geleerd in, datse haar tranen, als ’t haar beliefde, op d’oever van haar oogen kon doen komen, dan weder die te rug houden. Ondertussen, die vernuftige, als zij is, speeld met ontallijke herten, die, door haar eenvoudigheid, met haar schreien en zuchten. Zulkx, dat door deze middel, onder schijn, om door medelijden te matigen het vierigste dat de liefde in hare aanlokselen heeft, geeft zij haar zoo goeden stoffe, dat het niet mogelijk is of het hart, door deze sterke wapenen, is op trouw. Daar na met een slag, gelijk als ofse haar voor heur gedachten verschool, en dat in haar een nieuwen hoop ontwaakten, steldse haar treden en woorden na heur minnaars, met een helder aangezicht, vol van vreugden, als dan is’t al ’t gene dat zij lachend op haar hemels aangezicht, en . aangenaam in hare oogen heeft, als een dubbele Zon, wiens helderheid de duistere wolken verdrijfd, die, noch onlangs, hare herten beneveld had. ’t Zij datse spreekt of lacht, heur gevoelen zijn met zoo veel zoetigheid betooverd, dat het weinig verscheeld, of de ziel verlaat het lichaam, om dat het deze wellusten noch niet gesmaakt en heeft. Helaas! al te wreede liefde, die ons zoo wel door uwen honig, als alfsem vergiftigd; het is van heden [p. 156] niet dat uwe middelen minder schadelijk zijn als de ziekten die uit u voortkomt. Ondertussen midden in zoo veel verscheide mengselen van ijs en vier, lachen, schreien, hoop en vrees, strekt gij de palen van uw rijk uit, en versterkt uw gezag: waar mede deze arglistige haar voordeel doet, en speeld met de slavernij van deze rampzalige minnaars, die na heur zuchten. En zoo daar een onder haar is, die met een zwakke en bevende stem hem derfd onderwinden haar zijn smert te verklaren, alsdan veinst zij haar het woord van liefde niet te verstaan, noch te weten watmen haar zeggen wil; of de beschaamde verbeeldende, word rood, en houd zich in een zedigen staat. Zulkx dat zij die donkre koelheid onder de rozen verbergd, die haar schoon aangezicht beverven. Alzoo zien wij zomtijds op d’eerste frissigheid des uchtens, de glans van de rozeverf des dageraads toenemen, wanneerze op den Horizon begint te verschijnen. Het is waar dat deze roodigheid van Armyde, niet als uit haar onwaardigheid, die zich onordentelijk met de schaamte vermengd, voortkomt. En zoo ’t gebeurd dat eenig ander minnaar haar zijn liefde ontdekt, dan vluchtse van hem, om haar oor aan zijn onnutte klachten niet te leenen; dan geeftse hem weêr gehoor, en terstond weêr ophoudende van hem te hooren, belet hem, wanneer hij ’er ’t minst op denkt. Zulkx dat door deze listigen omweg den rampzaligen minnaar den helen dag bezig is [p. 157] zonder dat hij zijn dwaling kan bemerken, eindelijk moede werd, en zich buiten hoop bevind. Gelijk als den Jager, die, van den morgen af, een hert heeft nagejaagd, na dat hij ’t, met verscheide listen, lang heeft achtervolgd, zonder iets te vorderen, gedwongen word weder te keeren, zoo de nacht hem overvalt. Zie daar met wat listen Armyde zich behulp om herten te rooven, of veeleer wat wapenen dat zij gebruikten om die t’overwinnen, en tot slaven te maken, die zij door geweld dwingd haar te beminnen. Zie eens hoe machtig deze was, om alleen te doen, het gene de ervarenste Hoofdmannen naauwlijks zouden hebben konnen ten einde brengen: Zie wat kracht heur schoonheid had, om onder Kupidoos tijrannij te stellen den genen, die noch kort te voren haar geest op d’oefeningen van Mars gesteld hadden; en eindelijk, ziet daar wat haar loosheid al op deze brave gemoederen vermogt. Het gene evenwel maar een ingang was tot d’ongelukken, die zeder gebeurden. Men moet zich dan niet verwonderen, dat den strijdbaren Achilles, d’onverwinnelijke Herkules, den stouten Thezeus, haar ten roof van de liefde gaven, terwijl hij zelf macht genoeg had deze kloekmoedige Ridders te ketenen, na dat zij ’t zwaard, ten dienste van JESUS CHRISTUS, hadden aangevat.
Continue
[
Frontispice canto 5]
[p. 158]

TORQUATO TASSOOS

Verloste

JERUZALEM.*

Het vijfde Gezang.

INHOUD.

EUstaas bied Reinoud aan, indien hij niet van ’t getal der tien Ridders, die Armyde volgen zullen, wezen wil, dat hij hem de plaats van Hugo zal laten; Gernand, die daar ook na staat, en Reinout lasterd, word van hem om ’t leven gebragt. Hij wil zich zelven liever bannen, dan gevangen te worden. Armyde trekt wel vergenoegd weg. Godefrooy hoord droevige tijdinge.

Eustaas bied Reinoud aan, indien hij van’t getal
    Der Ridders niet wil zijn, die Godefrooy zal geven
Armijd’, de schoone Maagd, dat hij niet twisten zal
    Met hem om Hugoos plaats, zoo wel bediend in ’t leven

[p. 159]
(5) Van hem: Doch Gernand, die’t geluk, als andre, vlijd,
    Spreekt stout van Reinoud quaad, en wil hem nergens wijken,
Waar door zij met elkaâr geraken in een strijd,
    Daar Gernand nedervalt, moet voor zijn vijand strijken.
En Reinoud band zich zelf, terwijl Armijd’ vertrekt.

(10) Den Veldheer word verhaald ’t geen hem tot druk verstrekt.

TErwijl de listige Armijde, op deze wijze den een en den anderen door hare liefde betooverden, en dat in de plaats van tien Ridders, die zij verzocht had, zij haar verzekerden een veel grooter getal met haar te leiden; docht den voorzichtigen Godefroy bij zich zelven, aan wat voor een van zijn Hopmannen, hij het allerzekerste dezen grooten aanslag betrouwen mag, daar zij de leidsvrouw van zijn zal. In ’t begin vond hij zich hier over heel bezwaard, en wist niet op wat wijze hij zich gedragen zou; hij overdacht aan d’een zijde dat het getal der vrijwillige, niet minder als haar dapperheid was: en aan d’ander zijde vertoonden hij hem, d’uitmuntende begeerten die zij altemaal betoonden om van’t getal te zijn. Eindelijk, om niemand misgunst te geven, beraamde hij, met veel voorzichtigheid, de keur van deze tien in handen te [p. 160] stellen van hem, die onder haar de plaats van den vromen Hugo, onlangs overleden, bekleeden zou, en*te maken dat niemand als hij die zal verkiezen; waar toe hem voornamentlijk twee groote zaken bewegen, zoo wel om te beletten dat in toekomende niet een onder haar, reden heeft van zich te beklagen, noch tegen hem te morren; als om te kennen te geven, hoe veel hij deze kloekmoedige bende acht. Hij lietse dan bij hem komen, en sprak tot haar deze woorden; Gij weet, mijn vrienden, dat deze Maagd mij om hulp verzocht heeft; en gelijk mijn eersten raad niet geweest is, om haar geheel den bijstand, die zij verzoekt te hebben, t’ ontzeggen; maar die tot een anderen tijd, om de verzekering van onze dingen uit te stellen. Zoo stel ik tegenwoordig u dit zelve voor; en mogelijk zult gij het goed vinden: terwijl dat de dingen dezer Wereld zoo onzeker zijn, dat het zomtijds een wijze van standvastigheid is van voornemen te veranderen; even wel, indien gij geloofd, geen gelegendheid, hoe gevaarlijk dat zij is, te kunnen weigeren, zonder dat het de achting, die gij al lange verkregen hebt, zou te kort doen; en zoo de kloekmoedigheid, die in u glinsterd, al ’t gene veracht dat in een raad al te lang onderzocht is, zoo moet het nooit geschieden, dat ik u, tegen uw wil, houden wil, noch wedernemen, ’t gene ik u alreede gegeven heb. Want mijn begeerten is niet anders dan volgens mijn [p. 161] plicht, het gezag te gebruiken dat ik over u hebbe. En om u den teugel wat strak te houden, en dan wederom die te vieren, na dat het noodig zijn zal. Ik ben dan tevreden, u of te zien gaan, of blijven, en dat het niet dan aan uw vrije wil hangt. Maar eer dat ik verder ga, versta ik, dat gij in de plaats van uw overleden Hopman, u een anderen kiezen zult in zijn stede, die u onder zijn vendel geleide. Boven dat, begeer ik, dat hij, uit al dit getal, tien, na zijn welgevallen, zonder meer, zal kiezen. Zie dit’s alleen het recht dat ik voor mij behoude, voor het overige wil ik u niet meer voorschrijven of gebieden.
    Godefrooy had naauwelijkx zijn redenen voleind, of Eustaas, die de jongste van drie broeders was, nam het woord, voor alle de andere: Waarlijk, sprak hij tot hem, gelijk als deze deftige deugd, die gij gebruikt, om de dingen niet te verhaasten, en haar van ver te gemoed te zien, grootelijkx uw ampt van Veldheer wel voegd; alzoo is het grootste ter wereld, dat gij van ons kond begeren, een vierigen moet tot den aanslag, en een afgerichte hand tot d’uitvoering. ’t Een en ’t ander is onze plicht: want een te grooten voorzorge in de dingen t’overwegen, hoewel ’t in andere prijsselijk is, zoude ons echter tot bloohartigheid en verwijt strekken. Wel aan dan, terwijl al het gevaar, datmen in dezen aanslag kan loopen, weinig te vergelijken is bij het voordeel, dat ’er af komen zal, na dat de schijn het ons beloofd, [p. 162] zoo zie ik voor mij niet, iets, dat de tien Ridders, die verkooren zullen worden, met uw verlof, om deze Maagd te geleiden, behoord te beletten, en dat ze zoo een heerlijk voorval niet zouden verzoeken. Meer sprak hij niet, trachtende onder deze schijn de liefde, die alreede een vonk in zijn ziel genomen had, te verbergen, en die met het deksel van ijver voor ’t gemeene best te bedekken. Alle d’andere volgden hem hier in na: maar het stond aan haar niet dat men geloofden datse deze reis niet deden, als om eer te verkrijgen, hoewel het waarlijk een drift van liefde was die heur daartoe brogt. Terwijl dat dit geschieden, zag Eustaas den kloekmoedigen Reinoud aan, en kon hem ook niet, als met een nijdig oog aanschouwen, noch zich over zijn deugd verwonderen, zonder die te benijden, zoo was hij opgetogen door dat schoone lichaam, dat noch schoonder ziel herbergden. Alreede vreesde hij dat hij hem tot medevrijer in zijn voornemen had, en alreede, om te beletten dat het niet geschiede, blaast hem de arglistige minnenijt looze streken in. Hij neemd dan voor hem aan te spreken, en al de kunsten te gebruiken die de vleijers gemeen zijn. Brave Reinout, spreekt hij, Zoon van een Vader, die zoo groot niet geweest is, of gij zijt noch veel grooter, terwijl in de jeugd, daarge in zijt, gij uwe daden over al, door uwe wapenen hebt bekend gemaakt. Wie meend gij datmen voor Hopman, over deze bende vrijwil- [p. 163] lige behoord te kiezen, daar wij beiden ook in begrepen zijn? voor mij, die mij qualijk begeven kon om den beroemden Hugo, geduurende zijn leven, te gehoorzamen, en die mij niet onder hem begaf, als door zijnen ouderdom, die ik in achting had; ik zie niemand voor wien ik behoef te wijken, zoo ’t voor u niet is, als d’eer hebbende van den broeder te zijn van den Veldheer over dit leger. Ik laat u dan de plaats, en door de wetten van de plicht, en door die van de reden. Want bovendien dat uw geboorte met de doorluchtigste Princen ten rey gaat, zoo weet ik wel dat al ’t gene de eer der wapenen belangt, ik heel qualijk met u betwisten zou, aangezien dat de oudste van drie broeders, die wij noch zijn, het voor eer achten zou voor u te wijken, indien ’t zaak waar dat hij een groote zaak had met u te betwisten. Dit zoo zijnde, biede ik mij gewillig aan u voor Hopman t’erkennen, indien gij wild afstand doen van ’t getal der genen niet te zijn, die tot hulp van deze Maagd gaan zullen. Ook geloof ik, om u de waarheid te zeggen, dat gij u weinig bekommerd met een eer, die niet als des nachts zal brallen, indien ’t zoo is dat in deze voorval eenige eer te winnen is, gelijk als in tegendeel u hier niet gebreken, noch toneel, noch voorwerp, om uw gewone dapperheid te gebruiken, en die met een veel befaamder kloekmoedigheid, in ’t gezicht van al de Wereld, voort te brengen. Daar is nu anders niet te doen, dan dat [p. 164] gij hier een voornemen op neemt: hierom, indien gij mij hierin niet wild tegenspreken, zoo hope ik het zoodanig te maken, dat al d’anderen u deze heerlijke plaats zullen inruimen. Niettemin, alzoo ik noch niet verzekerd ben, of ik gaan, of blijven zal, zoo bid u, laat mij toe dat het in mijn beleefdheid sta, of te blijven, of Armijde te volgen. Op deze woorden wierd Eustaas een weinig beschaamd, zoo dat zijn aangezicht rood wierd. Waar door Reinoud, die het terstond bemerkten, zich niet onthouden kon van te glimplachen. Maar alzo de schichten der liefde hem maar zwak getreft hadden, zonder in het diepste doorgedrongen, of meer als de schors geraakt te hebben, bekommerden hij zich niet veel een medevrijer te hebben, of veel op een Vrouw te denken. Hij heeft wel andere gedachten, die hem onderhouden, en de dood van Hugo is zoo diep in zijn ziel gegriffit, dat hij ’t voor een groote oneer acht, dat den onversaagden Argant hem zoo langen tijd overleefd heefd. Hierom mishaagd hem deze reden niet, omdatse hem zijn plicht vermaand, en hierbij verheugd zich zijn kloekmoedig hert aldus geprezen te worden. Waarlijk, antwoord hij, ik heb meer begeerten om mij die eerste ampten waardig te maken, als lust om daartoe geroepen te worden. Geloofd mij, mijn eergierigheid strekt niet om Kroonen en Scepters te verkrijgen: niet dat ik daarom wil loochenen, dat ik mij niet alzoo be- [p. 165] geerig met de dingen, die d’eer raken, prikkel als andere. Zoo het dan waar is, dat gij mij dit waardig acht, niet dat ik mij traag wil betoonen, daar ik in tegendeel veel reden heb mij te verblijden, dat gij de kleine verdiensten, die in mij zijn, zoo veel acht, en gelijk als ik niet najage, hetgene gij mij uit uw goede genegendheid overlaat, ik ben dan niet van zin om het te weigeren. Twijffeld dan niet, of gij zult van de tien verkooren Ridders zijn, indien gij mij voor Hopman aanneemt.
    Dit was ’t gene dat Reinoud tot Eustaas sprak, die grootelijx, door deze antwoord, vergenoegd zijnde, terstond na zijn spitsbroeders toe ging, om haar te bewegen tot deze voorstel. Maar t’zijner aankomst was hij heel verwonderd dat den Prins Gernand vierig na dit ampt stond. Want hoewel dat Armyde, hem zoo wel als d’andere, eenige minneschichten had toegeschooten, zoo hadden ze in zijn eergierig, en opgeblazen hert, zoo diep niet doorgedrongen, als de begeerten tot eer, hem aan d’andere zijde quelden. Dezen Gernand was afkomstig van de Koningen van Noorwegen, zoo machtig geacht om datse veel landschappen hadden overheerd, zulkx dat de Scepters en Kroonen van zijn voorzaten, het voedzel was dat zijn opgeblazen*aard onderhield. Reinout deed zoo niet, want zijn eigen verdiensten zijn hem een veel volmaakter voorbeeld van eer, dan al de daden van zijn voorzaten, hoewel dat’er, geduu- [p. 166] rende van de tijd, van vijf honderd en meer jaren, veel beroemde, in oorlog en vrede, geweest zijn. Dezen eergierigen, verhongerd op rijkdommen, en die alle deugden voor duister houd, zoo het Koninglijke bloed de glans en luister niet verhoogd, kan niet lijden dat Reinout zou twisten om deze verdiensten, waar door hij zoo t’onvreden is, dat hij zich door een overdadige gramschap laat vervoeren, en gantsch geen reden wil verstaan. Ondertussen een van de booze helsche geesten, zich ziende op zoo goeden pad om hem te quellen, glipt heimelijk in zijn hert, en vleid het op zoodanige wijze, dat hij het na zijn welgevallen beheerscht. Door deze middel vermeerderd hij in hem de gramschap en de haat, die hem bezitten, veel meer als ooit te vooren, en maakt dat hij ijder oogenblik schijnt een stem te hooren, die hem in de ziel deze verwaande woorden inblaast: Hoe! derfd Reinout zich wel bij u vergelijken? Waar is dat ijdel getal der oude Helden, daar hij zich inbeeld uitgesproten te zijn? dat hij eens zeid waar zijn onderdanen zijn? waar ’t volk dat hij schatbaar gemaakt heeft? dat hij u de Kroonen en Scepters van zijn huis toon. Hij zal bevinden, dat zoo’er in voortijden geweest zijn, de tijt die eindelijk verdelgt heeft, daar de uwe noch bestaan. Waarlijk hij is wel verwaand, dat hij zich bij u dart vergelijken. Hij, die maar een kleine en arme Heer is van, ik en weet niet wat, voorstaat. Hij, die door anderen verheven [p. 167] word, en die in de slavernij van Italie geboren is: ’t zij dat hij overwonnen of verwinnaar blijft, gelijk hij altijd, tot noch toe, geweest is, wat zalmen konnen inbrengen, dat hij u heeft derven aangrijpen? Ondertussen zalmen zeggen; Deze (en dat is de grootste eer die hij ooit genieten kan) twisten eertijds met Gernand, om het eerwaardig ampt dat den zeeghaftigen Hugo, in den oorlog van ’t heilige Land, bekleeden. En mogelijk zou deze plaats u waardig geweest hebben, indien dien moedwilligen de waarde niet verkleind had, in het zoo opendlijk te bejagen, dat men van geen andere zaak, door het geheele leger spreekt. Maar zoo het waar is, dat na de dood, aan den vromen Hugo noch eenige kennis van de wereldsche dingen overschiet, met wat voor rechtvaardige gramschap, meend gij niet, dat hij, daar boven in den Hemel, zal ontsteken, zoo het gebeurd, dat hij zijn oogen op deze moedwillige slaat? zal hij niet bedroefd zijn te zien, dat deze jonge verwaande, die noch verdiensten, noch eervarendheid heeft, zoo stout is zich bij een man, van uw hoedanigheid te vergelijken? niet te min, hij onderwind het zich zelven, zoo trots is hij, en onderwind het op zulk een wijze, dat, in de plaats van straffe, die hij daar over behoord te genieten, hij niet als eer, daar bij inleit. Het gene alles noch maar weinig dingen zijn zou, zoo daar boven al (ô lafhartigheid, dit u alle tot schande strekken zal) geen [p. 168] verscheiden loftuiters gevonden wierden, die hem deze raad geven, en die hem zelf, door haar gewone juiching, daar toe brengen. En zoo uw ongeluk*tot dit uiterste komt, dat Godefrooy, dit alles ziende, zich niet eens gewaardigd hem te bewegen, dat hij lijd dat men u onrechtvaardig beneemt een ding dat u toekomt; dan moet gij het niet verdragen, maar veel eer doen blijken wie gij zijt, en wat gij vermoogd.
    Op de beroering van deze en diergelijke woorden, die hem heimelijk in de ziel troffen, ontvonkten zijn gramschap door de krachtige beweging; hier in de toorts gelijk zijnde, die men schut om t’ontsteken. Zijn hart is alreede niet meer bequaam om zich te matigen, zulkx dat zijn oogen en tong ook noodwendig te kennen geven de teikenen van ’t geenze van binnen verbergen. Zijn eergierige tong, die geen macht op haar zelven meer had, braakten tegen Reinoud uit alle lasteringen en lafhertigheid, die zijn eer konden krenken. Hoe deugdelijk dat dezen Ridder is, zoo laat hij niet af van hem te schenden, en hem voor den dwaasten, en opgeblazensten mensch ter Wereld uit te beelden. Zijn dapperheid geld bij hem voor verwaandheid, en al zijn brave doorluchtigheid duid hij tot gebrek en laster, vermommende alzoo schandelijk de waarheid met valsche schijn van logens. Eindelijk spreekt hij zo snood van Reinoud, dat het gerucht, ’t gene zich overal [p. 169] verspreid, hem ter ooren komt. Evenwel houd dezen laatdunkenden niet op van hem te miszeggen, en zijn onvoorzichtigheid is zoo groot, dat hij zijn gramschap, wiens blind geweld hem moet ter dood brengen, niet kan beteugelen. Want den quaden Geest, die hem bezit, beweegd zijn tong, en hem de woorden ingevende, die hij uitspreekt, doet dat hij ijder oogenblik hervat zijn onrechtvaardige verwijting, die voor zoo veel als vonken, aan zijn vergramde moed verstrekken.
    Daar was in’t leger een ruime plaats, daar de Hopmannen plegen te vergaderen, om den tijd door te brengen met den ring te steken, speergevecht, worstelen, en andere oorlogsoeffeningen, bequaam om de leden zwak en sterk te maken. Hier was ’t dat op een dag, de vergadering grooter als naar gewoonte zijnde. Gernand, die door zijn rampzalig noodlot, hier toe wierd aangevoerd, voor zich nam om Reinoud met woorden te beledigen, en tegen hem de schichten van zijn gevaarlijke tong, met een doodelijk helsch venijn besmet, uit te schieten. Maar deze lastering had naauwelijkx tot in d’ooren van Reinoud doorgedrongen, of zij daalden tot in ’t diepste van zijn hert; zulkx dat hij niet machtig zijnde om zijn rechtvaardige gramschap langer te weêrhouden, dus uitborst; Gij hebt gelogen; en dit zeggende, wierp hij zich op hem, met het zwaard in de vuist. Die hem in deze gestalte gezien had, zou zijn stem [p. 170] voor een donderslag genomen hebben, en zijn zwaard, dat in de stralen der Zonne zoo glinsterden, voor een verschrikkelijke blixem, die met den donder neêrviel. Een droevig schouwspel voor Gernand, die van vreeze beefd, en die alreede alle hoop verliest, om de doodelijke slagen, die zich voor zijn oogen vertoonen, te konnen afkeeren. Evenwel, om dat hij zich in ’t gezicht van ’t geheele leger ziet, dat getuigenis van deze daad moet geven, toond hij de schijn van een kloekmoedig Man, die door de vrees niet te verwinnen is. Daar na stand houdende, verwacht hij zoo gevreesden vijand, en steld zich in gedaante om hem te verweeren. Terstond zietmen teffens duizend andere zwaarden glinsteren, ijder liep na de hoop om haar te scheiden, ijder scheurden met geweld door ’t gedrang, al de lucht in ’t rond weêrgalmd van onordentelijke en onzekere stemmen, die niet beter konnen vergeleken worden, als bij ’t gerucht datmen langs de Zee hoord, wanneer ’t geweld der winden zich vermengd met de loopende baren, die tegen den oever te bersten stooten. Echter helpt dit niet om de geweldige gramschap van den Ridder, die onrechtvaardig verongelijkt is, te bedwingen; d’uitnemende begeerten die hij heeft, om reden te hebben van het ongelijk, dat hij ontfangen heeft, doet hem al ’t geschreeuw verachten, der gener, die zich voor hem meenden te stellen: zulx dat hij zich lijveloos, in ’t midden van deze [p. 171] bende werpt, en zoo alleen, als hij is, zijn degen zoo wel handeld, dat hij d’een en d’ander verstrooid, en haar dwingd plaats te maken, zonder heur macht of wapenen te vrezen. Haar dan op deze wijze, tot haar groote schande, dus verdreven hebbende, begint hij Gernand aan te treffen, en met een arm, die de gramschap beheerscht, geeft hij hem verscheide slagen, d’een op d’ander: nu brengt hij hem ’er een op ’t hoofd, dan wedereen in ’t midden van ’t lichaam. Nu tracht hij hem in de rechte zijde te quetsen, dan weder in de slinxe: en al deze dingen doet hij zoo behendig, dat, hoe groot Gernands tegenstand is, hij hem echter verblind, en buiten zijn hoede brengt. Want daar hij het minste waand geslagen te werden, brengt hij hem den slag, zonder ooit op te houden, tot dat hij hem zijn zwaard, eens of tweemaal, dwers door ’t lichaam gestooten heeft. Den rampzaligen stort terstond ter aarden, en braakt zijn ellendige Ziel door twee verscheide plaatsen. Na dat Reinoud zijn zwaard in het bloed van zijn vijand geverfd had, steekt hij ’t in de schede: dit gedaan zijnde, vertoefden hij niet langer om het lichaam te bezien, maar vertrok zich terstond, zijn hert ontlast hebbende van de gramschap die ’t verdrukten. Ondertussen trok dit schrikkelijk gerucht den voorzichtigen Godefrooy op deze plaats, die, naauwlijkx daar gekomen zijnde (nergens min op denkende) stil bleef staan door dit droevig [p. 172] schouwspel. Hij beefde in ’t begin, ziende den Prins Gernand ter aarden uitgestrekt leggen, zijn hair geheel bebloed, zijn wapenrok bezoedeld, en zijn aangezicht zoo ontverft, dat hij niet beter als het beeld van de dood vertoonden. Hij hoord de zuchten, klachten en ’t schreijen dat verscheiden op zijn lijchaam doen, en geheel verschrikt van deze toeval, vraagd hij aan een Ridder (en mogelijk had hij zich tot niemand snooder konnen keren) Wie zoo stout geweest was van in ’t leger zoo schelmsen daad te bestaan? Alsdoen verhaalden hem Aarnoud, een van de grootste vrienden der overledenen, de daad; en om hem noch meer te vergrimmen, voegden veel meer daar bij, dan daar aan was, gevende hem te verstaan, dat Reinoud, door een razende gramschap vervoerd, om een reden, van klein gevolg, zich zoo verre vergeten had, dat hij het zelve zwaard, ’t gene hij tot dienst van JESUS CHRISTUS had opgevat, tegen een van de voornaamste verdadigers van ’t Kristen geloof, gewend had. Dat deze daad de eer van haren Veldheer en zijn verbod raakten, dat hij gedaan had: dat geen Soldaat de hand aan de wapenen zou hebben te slaan in den omring van ’t leger, en dat dienvolgende dezen den dood verdienden, om dat hij de krijgswetten overtreden had; zulkx dat hij niet voor de straffen behoorden vrij te zijn, die de wetten daar toe gesteld hebben. Eindelijk, indien het gebeurde, datmen [p. 173] hem van deze misdaad vergiffenis gaf, deze ongestraftheid zou veroorzaken, dat de andere, op zijn voorbeeld, diergelijke, of grooter, zouden begaan; dat alzoo den genen, die zich verongelijkt achten, haar zelven van heure vijanden zouden willen wreken, in plaats van het in handen der Rechters over te geven. Hier niet mede vergenoegd zijnde, steld hij al de diensten van den overledenen te voren, en verhaald, tot voordeel van hem, al het gene dat het gevoelen en de gramschap aan ijmand kunnen doen zeggen, die het verlies van zijn vriend zoekt te wreken. Maar Tankredo, die niet lijden mag, datmen quaad van Reinoud spreekt, neemt zijn zaak bij de hand, en houdse voor rechtvaardig staande, hem kloekmoedig stellende tegen de lastering van den beschuldiger. Daar na, zoo als hij ziet dat Godefrooy hem gehoor geeft, hoewel hij ’t met een onwaardig gelaat doet, datmen uit zijn wezen meer te vreezen als te hopen heeft, zoo spreekt hij tot hem; rechtvaardige Prins, vertoond u, ik bid u, wat voor een man dat Reinoud is, ook hoedanig zijn moet en wat achting datmen hem behoort te dragen, zoo wel om zijn geboorten, als om de liefde van zijnen oom Guelfus; ’t gene ik evenwel niet bijbreng, om den genen, die de macht heeft als Oppervoogd, te gebieden, te beletten dat hijze alle geen gelijk recht zou doen, en de schuldige niet straffen. Maar dit is ’t gene ik zeggen wil, dat de misdaden van verscheiden [p. 174] gewigt zijn, na de hoedanigheid der gener dieze begaan hebben, wel verstaande, dat de gerechtigheid niet verzocht word als voor de gene die van de zelve achtingen zijn. Godefrooy hem dus hooren sprekende, antwoorde, Heer Tankredo, dit is de plicht van d’aldergrootste, haar mindere onderdanig te leeren zijn. En waarlijk het zou wel een schoonen raad zijn die gij mij geeft, zoo gij mij door u reden kond bewegen, de voornaamste in een volle vrijheid te laten, om andere te mogen beledigen. Wat zou dan mijn macht helpen, zoo ik maar de minste soldaten had te gebieden? Waarlijk, zoo dat behoorden te zijn, gelijk gij zegt, mijn Scepter zou dan wel zwak zijn, en ik zou weinig eer in mijn ampt hebben. Indienze mij, op deze voorwaarde, gegeven is, zoo laat ikse u terstond over. Het is waar dat gij wel het tegendeel weet, en dat ik die ontfangen heb om eerlijk te gebruiken, zonder mij in dwang te houden. Hierom ben ik niet van zin, aan de gene, die ik gebiede, hoe verheven datse ook zijn mogen, toe te laten datse mijn macht misbruiken door haar quade daden. Want het is van heden niet dat ik weet, hoe een Hoofdman zich behoord te dragen in ’t gene de straffen en de vergeldinge belangt; die hij nu moet verdeelen, en dan weder een zelve gelijke gedaanten in acht nemen, zonder onderscheid van personen.
[p. 175]
    Godefrooy sprak deze woorden met zoodanigen ijver, dat Tankredo, door de achtbaarheid, gedwon-gen stil te zwijgen, nooit daar iets dorst tegen zeggen, het welke den Grave Reimond, een groot on-derhouder der aaloude wetten, bemerkten; Door deze middelen, sprak hij, brengen de gene, die is wel konnen heerschen, haar in achting, bij de gene die haar gehoorzaamheid schuldig zijn. Want de krijgs-tucht gaat nimmermeer zoo alsse behoord, wanneer als de soldaten, die misdaan hebben, veel eer ge-naden als straf verwachten. De barmhertigheid sleept altijd met zich de ondergang van Koningrijken en Staten, zooze de vrees niet tot grondvest heeft. Met dusdanige reden onderhieldenze haar, het welk Tankredo wel deed oordeelen, dat het met Reinoud niet al te wel stond. Op dit geloof nam hij voor zich om hem te waarschouwen, en vertrok terstond met vollen ren, zulkx datmen gezeid zou hebben, dat zijn paard vleugels had. Nu na dat Reinoud, Gernand, en van ’t leven, en van zijn hoovaardij be-roofd had, ging hij terstond na zijn hutte, daar Tankredo niet misten hem te vinden, en van punt tot punt te verhalen, ’t gene daar flus geschied is: Zeker, sprak hij, hoewel men aan ’t gelaat niet kan oor-deelen, wat het voornemen van een mensch is, om dat de gedachten der menschen haar een weinig te diep in de Ziel verbergen, evenwel zoude ik u wel derven verzekeren, dat Godefrooy geen goede [p. 176] genegendheid t’uwaarts heeft, door ’t gene ik aan zijn reden heb kunnen bemerken. Zulkx dat het goed te zien is, dat hij tegen u zijn volkomen macht wil gebruiken, en u hier in niet meerder sparen, als de minste soldaat van het leger. Op deze woorden begon Reinout te glimplachen, met een aangezicht daar op, als met zoo veel blixemen de teikenen van zijn gramschap verscheen. Wel aan, antwoorden hij, dat de slaven, en de gene die haar plaatsen verdiend hebben, haar zaken in de ijzers en ketenen, zoo veel als zij willen, bepleiten. Voor mij, ik ben vrij gebooren, en heb voor mij genomen, in de vrijheid, daar ik altijd in geleefd heb, te sterven. Ook ben ik verzekerd, dat deze hand, die gewoon is een degen te handelen, en zich met palmen te bedekken, bezwaarlijk de zwaarte der kluisters zal kunnen verdragen. En zoo Godefrooy zich zelven inbeeld, mijn diensten met de gevangenis te vergelden, en mij alzoo, met ijzers beladen, in het diepst van een gat te zetten, gelijk als of ik een lastdrager waar, dat hij zelf de moeiten dan neemt, om mij te komen bezoeken, of van zijnent wegen te zenden, die hem goeddunken zal, ik zalze hier verwachten, daar mag daar na op volgen wat het wil, de wapenen zullen de scheidslieden zijn. Waarlijk een beklaaglijk schouspel, ’t gene tot groot vergenoegen der vijanden zich vertoonden. Dit zeggende, vraagden hij na zijne wapenen, vatten zijn helm, schoot de wapenrok [p. 177] aan, bedekten zich met een sterk schild, en gorden het zwaard op zij, ’t gene niet als doodelijk kon zijn voor den genen, die het beproeven zal. In deze toerusting, die hij vergezelschapten met een, niet minder kloekmoedig, als, verschrikkelijk gelaat, vertoond hij zich, met staal bedekt, zoo glinsterende, als een blixem, ofte zoo als God Mars zou konnen verschijnen, indien ’t gebeurden, dat hij, om de Wereld te verschrikken, met ijzeren*vrees gewapend, uit den vijfden Hemel neêrdaalden. Tankredo hem aldus toornig ziende, trachten om deze jonge oploopendheid, die hem ontsteekt, en door een overmatige gramschap opweld, wat te matigen: Onverwinnelijke Ridder, spreekt hij tot hem, ik weet dat ’er geen zoo grooten, noch gevaarlijken aanslag is, die uw dapperheid niet licht valt, ook heb ik goede kennisse, dat de zelve deugd, die u boven de menschen zoo verheft, nooit zoo sterk, noch verzekerd is, dan in ’t midden van de Krijgsgevaren. Het is genoeg dat wij het weten, en wilde God dat wij nooit verder, als nu, quamen dat gij ’er proeven, tot onze schaden, van geven zoud. Maar, ik bidde u, zegt mij, wat meend gij nu te onderstaan? wild gij uw handen in ’t bloed van uw landsgenooten bezoedelen? Wild gij JEZUS CHRISTUS nieuwe wonden geven, en den heiligen dienst, die de Kristenen, dat zijn Lidmaten zijn, overtreden? Hoe, zal het dan waar zijn, dat een [p. 178] weinig ijdele eer, die zijn vloed en ebbe heeft, als de baren der Zee, zoo veel macht op u zal hebben, dat gij den vierigen ijver vergeten zult, door dewelke wij op den Hemel behoorden te hopen, om in een eeuwige gelukzaligheid ons te verheugen? in Gods naam verwint u zelven, terwijl gij anderen zoo wel verwinnen kond. Weest niet beschaamd om dezen opgeblazen aard, en ondwingbare moed, ter neder te leggen. Buigt voor ’t gene rechtvaardig is, twijffeld niet, dat in de plaats voor lafhartigheid te rekenen, of men zal het u voor een heilige en meewaardige genegendheid toeschrijven, voor dewelke gij ontallijke palmen zult ontfangen; indien het, in den ouderdom, daar ik nu in ben, mij geoorloofd was, om mij tot een voorbeeld van anderen te stellen; ik zou niet liegen, indien ik zeide, dat het eenigen tijd geleden is, datmen mij, niet als te veel, redenen gaf om misnoegd te zijn, en om mijn gevoelen daar van te toonen: En evenwel brogt mij dat daar niet toe, om de wapenen, tegen die van mijn eigen geloof aan te nemen. Maar in tegendeel weêrhield ik mij zelven; het best dat ik kon, om met haar te twisten. Toen ik het Koningrijk van Cilvie verkregen, en daar d’overwinnende teekenen van JEZUS CHRISTUS geplant had, quam Boudewijn, die het door listigheid, onrechtvaardig, voor mij, verkregen heeft. En, om dat ik hem altijd voor mijn vriend gehouden had, hield ik hem geenzins van [p. 179] begeerlijkheid verdacht. Echter heb ik mij hier gantsch niet van willen wreeken, noch de wapenen in de hand nemen, om een Land, het gene mij toebehoorden, weder te verkrijgen; hoewel ik het mogelijk wel ten einde zoude gebrogt hebben, indien ik ’t had willen onderstaan. En zoo het waar is, dat gij een schrik voor de gevangenis hebt, en de ketenen en de ijzers ontvlucht, die een groote dapperheid onwaardig zijn, en niet volgen wild als de dingen, die de Wereld gemeenlijk tot een schijn van eer voorsteld, laat mij dan toe, dat ik hier mag blijven om uw peis te maken, met den genen, die wij tot Veldheer verkozen hebben. Ondertussen, om te beletten dat hij, in deze eerste drift van gramschap, geen strafvonnis tegen u veld, zoo rade ik u, dat gij na Antiochien, bij Bohemond vertrekt? en ik ben verzekerd, dat gij daar in een veilige plaats zijn zult. Verder weet ik wel, dat gij daar niet lang zult wezen, of wij zullen uw dapperheid wel van noden hebben, ’t zij dat wij door die van Egipten worden aangetast, of dat de macht der ongeloovigen, van een ander zijde, ons komt op ’t lijf te vallen.
    Deze reden naauwlijkx geeindigd zijnde, quam Guelfus daar op aan, die de reden van Tankredo goed vindende, wilde dat Reinout vertrok, zonder langer uitstel te gebruiken. Eindelijk d’aandrijvingen van d’een en d’ander, bewegen d’eergierige dapperheid van dezen jongen Ridder, die, om in [p. 180] haar ongunst niet te vallen, door het versmaden van haar raad, terstont voorhem neemt om te vertrekken. Op dezelve tijd quamen daar een groot getal van hare vrienden aan, die Reinoud ernstig baden, en heur aanboden, om hem te vergezelschappen. Maar hij bedankteze, en neemd niet meer als twee Schildknapen, met de welk hij te paard stijgd. Het is niet te gelooven, wat voor een begeerten dat hij in deze scheiding heeft, om zich, door de wapenen, beroemd te maken, en eer te winnen; een machtigen prikkel voor edele gemoederen, om haar tot de deugd op te wekken. Dit doet hem ook onderwinden om voorvallen ten einden te brengen, die de gemeene te boven gaan; gelijk als zich midden onder ’t gedrang der vijanden te begeven, en zich zo heldhaftig tegen haar te dragen, dat hij daar door den Palmtak verkrijgt, of zich met Cipressen zoekt te bedekken; strijdende voor’t Geloove, daar hij zich een beschermer van gemaakt heeft. Hierom neemt hij voor zich heel Egipten door te reizen, en tot den oorsprong der Nijl te gaan, die d’aalouden onbekend was. Na dat den kloekmoedigen Ridder afscheid van zijne vrienden genomen had, vertrok zich Guelfus, en ging naar Godefrooy, die hem van verre zag aankomen. Heer Guelfus, riep hij, gij komt zeer wel te pas, ik wachte na niemand, als naar u, en ik heb zelf in verscheiden plaatsen u al doen zoeken. Daar op hem naderende, na dat hij geboden had dat alle d’anderen [p. 181] haar aan d’een zijde wat vertrekken zouden, sprak hij zoetjes tot hem; Wild gij dat ik openhertig*tot u spreek? Uw neef is al te voortvarende, en is zich zelve niet meester, als hem de gramschap vervoerd. Voor mij, ik kan niet gelooven, dat hij zich lichtelijk zal rechtvaardigen van de misdaad die hij begaan heeft. Ik wilde het echter wel, en dat hij mij hier toe eenig onschuld deed, ’t gene wat schijn had. Eindelijk weet gij, dat de plicht mij gebied, om ijder een recht te doen: ook wil ik trachten het na te komen, en mij volkomen toonen om te verdedigen het gene wettig van zijn zelven is, en dat mijn hart altijd van de tijrannisse driften, die het zoude mogen bewegen tegen de billijkheid, bevrijd is. En zoo het waar is, dat uw neef is gedwongen geweest om ons verbod niet t’onderhouden, en de achting diemen aan de Krijgstucht schuldig is, te schenden, gelijk als eenige hebben willen zeggen, dat hij ons daar proeve af geeft, en zonder uitstel daar onderstelling af toond, die het gerecht vereischt. Voor mij, ik verzeker u, dat hij in alle vrijheid komen mag, zonder vrees van gevangen te worden, ’t gene al de gunst is die ik hem nu, ter oorzake van zijn verdiensten, doen kan. Maar indien hij zich niet gewaardigd om te gehoorzamen, gelijk hij van een moejelijken en onbuigsamen aard is, en dat hij hardnekkig in zijn quade wil blijft, maakt ’et zodanig, dat gij hem zachtmoedig tot mij leid, uit vrees dat zijn [p. 182] wederspannig dingen, mij niet uit de palen der goedheid verrukken, en ik gedwongen word mij met de zekerheid der wetten tegen hem te behelpen, zoo veel als het de redenen de rechtmatigheid zal toelaten. Godefrooy sprak deze woorden tot Guelfus, die, nadat hijze wel aangehoord had, dus antwoorde. Waarlijk ik weet niet, hoe het voor mijn neef, dat een man van moed en eer is, mogelijk geweest zou hebben die laster aan te hooren, die zijnen vijand tegen hem uitgespogen heeft, zonder zijn gevoelen van die overlast te toonen? En zoo men de zaak wel onderzoekt, men zal bevinden dat hij hem, door de dood, van die hem verongelijkten, gewroken heeft. Dit is ’t gene te betwisten is. Ik wou nu wel weten, of een kloekmoedige machtig is zijn gramschap te matigen, waneer men hem onrechtvaardig met veel scheldwoorden vertoornd? Hoe? zalmen dan bezich zijn om de slagen te tellen, en om te zien waarmen die brengt, wanneermen in ’t gevecht verhit is? Geensins, en hier is niet minder raad toe, als om d’ontfangen hoon en smaat te wegen. Aangaande ’t gene dat gij van Reinout begeerd, dat hij zich zou komen ontschuldigen, en zich uw oordeel onderwerpen, dat is een zaak die ik, tot mijn groot leedwezen, niet doen kan: want terstond, als hij den slag gegeven had, vertrok hij van hier, en mogelijk is hij nu wel verre. Evenwel zal dat niet beletten, dat ik mij niet aanbiede om met het punt van [p. 183] den degen te beproeven tegen dien man, die u zoo qualijk van hem, hoewel valschelijk, gesproken heeft, of tegen wie het wezen mogt; of die anders zeggen wil dat mijn neef niet gedaan heeft daar hem d’eer niet toe verpligten, en dat hij met veel reden hem van de hoon gewroken heeft, diemen hem onrechtvaardig na gaf. Zulx dat het heel weinig reden is, dat men hem lasterd, om dat hij de verwaandheid, en te groote moedwilligheid van Gernand aldus vernederd heeft. Al het quaad dat hij begaan heeft, is dat hij uwe wetten niet heeft onderhouden. Ook is dat de eenige misdaad, die mij het meeste in hem bedroefd, en daar ik hem niet wil van ontschuldigen. Op deze wijze verdedigden Guelfus Reinout, en tragten hem, zoo veel mogelijk, te verontschuldigen. Waar mede Godefrooy niet tevreden zijnde, antwoorden: Wel aan, dat hij gaat dolen zoo veel door de Wereld, als hij wil; het gaat mij niet aan, mits dat hij elders, dan in dit leger, zijn oploopendheid en muiterij te werk stel. Maar ondertussen begeer ik niet, dat gij hier nieuwigheden van uitstrojen zult. Doch in tegendeel bidde ik u, in Gods naam, dat wij voortaan allerhande driften en oude vijandschappen uitdooven.
    Terwijl deze dingen dus gebeurden liet de bedriegelijke Armyde niet af, om de hulp te vervolgen die men haar beloofd had. Van den avond tot den morgen gingse aan alle zijden, om den een en den anderen [p. 184] te verzoeken. En om haar voornemen ten einde te brengen, gebruikteze al de bekoorlijkheid die een schoone, vol van loosheid en geest, hebben kan. Daar na, als den dag tegen ’t oosten na zijn ondergang held, en dat de nacht zijn zwarte deksels, op het aangezicht der aarden uitspreid, dan vertrektse alleen met twee van heur Ridders, en zoo veel Maagden in haar tent. Maar hoe geestig datse ook in haar loosheid is, zoo kan, noch haar aartigheid, noch haar braaf gelaat, noch de aangenaamheid van haar taal, noch de aanlokselen van haar schoonheid, die haar wedergade niet onder den Hemel heeft, en die teffens zoo veel vermaak en liefde in de voornaamste Hoofden van ’t leger verwekt, dat het haar onmogelijk is daar van t’ontrekken, al niet te wege brengen, om den deugdsamen Godefrooy te verlokken, of hem door deze dartele en wellustige strikken te verrassen. Het is al om niet dat zij hem tragt t’overwinnen, en door sterfelijke zoetigheden tot een onkuisch leven te trekken. Hij gewaardigd zich niet eens, om hem door al deze dingen te bewegen; even gelijk een verzaden vogel, die den valkenier, door het bewegen van de leur, niet kan doen opvliegen. Ziet daar hoe zich dezen kloekmoedigen Prins droeg, die wel andere, als wereldse gedachten had, daar van hij de smaak verloren heeft. Dit maakt dat hij, zich niet meer aan de vergankelijke wellust der aarden vergapende, al zijn hoop op [p. 185] den Hemel steld; zulkx dat zoo veel lagen als de liefde hem in de aanlokselen van dit schoon aangezicht leid, zoo veel ontsnapt hij ’er zonder dat eenig beletsel, hoe groot het zijn mag, hem van den. waren weg kan afleiden, die hij ten dienste van God genomen heeft. Dit is’t noch niet al; Armyde begint van nieuws, en daar is geen ondervindig die zij niet beproefd, om haar van ’t overige te verheugen, en te zien wat’er af komen zal. Hier toe neemt zij zoo veel gedaanten, als Proteus, aan, en vervormd’er zoo als ’t haar beliefd. En evenwel die aangename lonken, die de slaperigste gedachten zoude opwekken, en de koudste herten ontsteken, hebben geen kracht aan die zijde, zoo wonderlijk is de hulp die Godefrooy, door een bijzondere genade, van den Hemel ontfangt. Maar als zij nu ziet datse niet vorderd om weder te keeren; ô hoe groot zijn haar ongenuchten! hoe verwonderd haar dezen quaden uitgang, en hoe is zy’er over bedrukt! zij, die noch kort te vooren geloofde, zoo veel machts op de kuischte herten te hebben, datse die vermogt, met de minste lonk van hare oogen, t’ontvonken. Eindelijk beraadslaagdse haar krachten te wenden, daar zij minder tegenstand zullen vinden; hier in een voorzichtig Hopman gelijk wezende, die moede zijnde van een plaats lange belegerd te hebben, zonder die te konnen winnen, eindelijk voor hem neemt die te verlaten, en elders te gaan oorloogen. Onder- [p. 186] tussen toond zich Tankredo, niet minder als Godefrooy, onverwinnelijk tegen de wapenen van deze; waar toe zijn aard, al te veel door liefde vervoerd, zich qualijk kan begeven, hebbende alreede tot minnares aangenomen, die verontwaardige schoonheid die hij onlangs ontmoeten; daar van sederd de gedachten hem zoo diep in de ziel gebleven zijn, dat hij ’er geen andere zou konnen inbrengen. Gelijk alsmen het vergif door vergif verdrijfd, alzoo vernietigd de liefde, de liefde zelf, en belet dat een minnaar, die alreede een schoone bemind, een andere zoodanig niet kan beminnen, schoon datse veel waardiger is. Deze twee Hoofden waren de eenige die Armijde nooit kon overwinnen. De andere lieten haar, of min, of meer door haar aanminnige lonken ontsteken. Nu, hoewelze niet wel vergenoegd was, na datse zoo braven roof van zoo veel deftige Hopmannen verkregen had, om dat haar mishaagden te zien, dat haren aanslag niet beter, na heur begeerten, gelukt was, echter kreeg zij evenwel eenige verlichting*daar door. Daar na besloot zij, eer dat haar bedrog ontdekt wierd, haar in een plaats te lokken, daar zij hun met meerder zekerheid, en met sterker ketenen, als daar zy haar nu meê gebonden heeft, mag boeyen. Ziende dan den tijd verstreken, in de welke Godefrooy haar de hulp, die zy begeerden, geven zou, ging zy haar voor hem vertoonen, en met een eerbiedige en nederige [p. 187] stem, sprakse tot hem; Den tijd die gij my hebt believen voor te schrijven, is voorbij; en ik mag wel zeggen, dat ik nooit meer vrees, als nu, gehad heb. Want zoo ’t gebeurd dat den Tiran de minste lucht heeft, van dat ik hier gekomen ben om u tot hulp te verzoeken, dan zullen wy moejelijk den aanslag, die wij voorgenomen hebben, ten einde te brengen, om dat hij tijd zal hebben gereedschap te maken, en zich tot tegenstand te stellen. Daarom, eer dat hij hier van verwittigd word, of door het gemeen gerucht, of door eenige spiën, die hy hier in ’t leger hebben mag, verpligt mij, ik bidde u, uit dit groot getal Ridders, den genen te kiezen, die gij het bequaamste tot dezen aanslag oordeeld, en die nu terstond met my te zenden: en zoo den Hemel met geen quaad oog de menschelijke dingen aanschoud, of ’t zij hij niet geheel d’onnoozele vergeten heeft, weest verzekerd dat ik dan weêr in mijn Koningrijk zal komen, en zoo dat geschied, zal ik u altijd, in tijd van vrede en oorlog, schatbaar zijn.
    Armyde dus gesproken hebbende, stond haar den Veldheer toe, ’tgene hij haar niet eerlijk weigeren kon. Na dat hij haar zijn woord gegeven had, was al dat hem bedroefde, dat hy voorzag, indienze haar vertrek verhaasten, hij niet zou konnen beletten dat deze verkiezing veel misgenoeging zou veroorzaken, omdat ijder een van ’t getal zou willen [p. 188] zijn, om het voordeel op zijn spitsbroeders te hebben. Zulkx dat door deze middel d’afgunst, haar hertnekkiger in haar moejelijke verzoeking zou maken. Daar op, als zij ziet, hoe datse met een open hert dingen, vat zij haar van een ander zijde aan, en om haar meer t’ontfonken, drukt zy haar een nieuwe belgziekt in de ziel, die zy gebruikt om haar te pijnnigen. Want zy is in haar valsheid zoo weinig niet ervaren, datse niet wel weet, dat by gebrek van loosheid te gebruiken, de liefde veroud, en eindelijk wederspannig word: Even gelijk als een Paard dat traag word in een braven loop te doen, als het niet ziet dat andere hem de voorloop afwinnen, of dicht op de hielen volgen. Op zulken wijze kan zij haar zo wel deelgenooten van haar woorden, lonken en van haar glimplachjes, vol van bekooringen, maken, dat ’er niemand is, die zich niet verwonnen voeld, en zijne spitsbroeders benijd. O wonder, deze dwaze bende verliefden, van de hoop en vrees bevochten, en door een schoon gelaat van geveinsde lonkken, die haar tot spooren verstrekken, bedrogen, laten haar met vollen ren vervoeren, zonder dat de schaamte, noch eerbiedigheid, machtig is haar te weêrhouden. Waar toe ook niet de vermaningen van haar Veldheer helpen, die haar alle geerne zou vergenoegen, zonder aan d’een zijde meer te hellen als aan d’andre. Hy dan, om van schaamte, nog gramschap niet meer t’ontsteken, ziende dat hy haar niet [p. 189] in plicht kan houden, zoo hartnekkig zijnze in haar ongeregelde begeerten: bedenkt een nieuwe vond; Wel aan, zeid hij, laat ons liever ijder zijn naam laten schrijven, en datse alle bij briefkens in een bekken geleit worden, op dat wy door deze middel bij de gene blijven die ’t geval verkiezen zal. Zy alle hier mede vernoegd zijnde, wierden de briefkens onder een vermengd, en terstond het lot getrokken. Het eerste dat in handen quam, was Artemidores, Grave van Premboize; Gerard volgden terstond, en na hem die zelve Vencelaus, die, na dat hij nooit aan de zedigheid, daar zijn hairen hem toe verplichten, had te kort gedaan, tegenwoordig een jongman en minnaar wil wezen. O hoe vergenoegd maakt haar deze kans, en hoe verheugd is haar aangezicht! en wat voor vreugden ontfangenze in heur ziel, die zich zoo klaar in haar oogen vertoond! Deze drie waren de eerste, en het was ’t geval dat haar liefde gunstig was. Ondertussen al de andere die haar briefkens noch in’t bekken gebleven waren, toonden billijke teekenen van minnenijt en haat. Want al den uitgang, of goed, of quaad, hangt aan den genen, die de briefkens ontvoud, en den inhoud opleest, gelijk als of het een onderscheiden besluit van leven of sterven was. Gaston quam de vierde, na hem volgden [Rudolf] Ulrich, Willem van Roucillon, Everard van Beauviers, en den kloekmoedigen Henrik. De leste, die na al deze volgden, was die zelve Ram- [p. 190] bout, die sederd zijn geloof afzwoer, zoo grooten macht heeft de tirannise liefden. In hem eindigden dan het getal van de tien, zulx dat al d’anderen haar buiten hoop zagen om van de partij te zijn. Een droeve toeval voor haar, die veroorzaakt dat zy door belgziekt, en nijt vervoerd zijnde, d’onrechtvaardigheid van ’t lot vervloeken, en dat zy u van een groote lafhartigheid, ô Liefde, betichten, dat gy het tot scheidsman in uw rijk verkozen hebt. Nu alzoo de menschen met deze quade genegendheid geboren zijn, datse met meerder vierigheid als te vooren, na de dingen, die haar verboden zijn zullen haken. Zie zoo waren daar terstond verscheiden onder haar, die, in spijt van’t geval, voornamen Armyde te volgen, zoo dra als de nacht gekomen was. By dit besluit voegdenz’er noch een veel vreemder by; dat was, haar nimmermeer te verlaten, wat gevaar datse loopen zoude, en hun leven voor haar dienst te wagen. Zij zelve raakt ’er alreede iets van aan, en noodigd haar met woorden, die door zoete zuchtjens worden afgebroken. En, om haar noch meerder aan te lokken, beklaagd zy haar aan d’een en d’ander, dat zy grootelijkx bedroefd is hun te moeten verlaten, en dat zij zonder haar moet heen gaan.
    En weinig hier na vertoonden zich de tien Ridders, waar op het lot gevallen was, geheel gewapend, voor Godefrooy, en namen haar afscheid van [p. 191 hem. In dit vertrek vertoonden hy haar, met een voorzichtigheid, die zoo een Veldheer, als hy waardig is; dat het woord der ongeloovige een onzeker pand is; dat ’er niet onzekerder noch onstandvastiger dan haar geloof is, en datmen bij haar, altijd op zijn hoede moet zijn. Hier op leerden hy haar, om haar bedrog voor te komen, en de toevallen die hun, door haar trouwloosheid, mogten overkomen, te schuwen. Maar al deze woorden verstoven in de wind, om dat het de gewoonte der liefde niet is, haar den raad, van een voorzichtig man, voor oogen te stellen. Eindelijk zeide hy haar, Vaar wel, en Armyde begaf zich op weg, zonder tot den morgen te vertoeven. Deze schoone vertrok dan, al zegepralende, en deed deze medevrijers, die zy in triomfstacij scheen weg te voeren, voor haar gaan. Maar d’anderen, die zij gewond had, en die in ’t leger bleven, liet zij tot onderhouding ontallijke qualen en liefdens smarten. Ondertussen, zoo ras als de nacht begint te vallen, en dat zy de stilte onder de duisternis van hare vleugelen geleid, ontrust zij de gedachten met duizend dwalende en onzekere droomen; verscheiden die heur overdadige drift niet kan laten rusten, loopen heimelijk uit het leger, en volgen op de voetstappen van Armyde. Eustaas vertrekt de eerste, en kan naauwelijkx de nacht verwachten, zulk een begeerten heeft hy om weder te zien de gene, daar hem de smart afkomt, die hij lijd. [p. 192] Zinnelooze, als hy is, die in de duisternisse gaat; onder ’t beleid van een blind Wicht, dat hij voor zijn Hoofd erkend. Maar alzoo den Hemel toen met nevelen, en duistere vochtigheid, bedekt was, verdwaalden hij van zijn weg. Evenwel wilde zijn goed geluk, dat hij op’t rijzen van de schoone morgenstond, Armyde, met haar gezelschap, dat de heele nacht gereist had, dicht bij een klein vlek, ontdekten. Terstond stak hij zijn paard met spooren, en renden recht op haar aan: maar van zoo verre als hem den fieren Rambout zag, riep hij hem toe; Ridder wie komt gij hier onder ons zoeken, en wat leid u hier? Dat is de begeerte om deze Maagd te dienen, antwoorden hem Eustaas, ik koom niet als met dat voornemen, en mogelijk zal zij zoo veel hulp van mij ontfangen, als van iemand ter wereld, indien zij mij d’eer aandoet, van de ootmoedige en getrouwe dienst, die ik haar aanbiede, t’aanvaarden. Hoe, antwoorde Rambout, wie roep u tot zoo hoogen eertijtel? ’t Is de liefde, antwoorde Eustaas, zy alleen schikt mij daar toe, geheel in tegendeel van u, die niet, als door ’t geval verkozen zijt, oordeeld welk van beiden het rechtvaardigsten is. Gij hebt dit licht te zeggen, hervatten Rambout, zoo het niet als listigheid is die gij tragt te gebruiken, zoo zal dezen valschen tijtel, die gij t’onrecht aanneemd, u voortaan niet te stade komen. Zoo gij wijs zijt, houd u dan stil, en moeid u niet met het [p. 193] gene, dat deze Princes raakt: Laat het u’genoeg zijn, dat gij gantsch geen recht hebt om haar te dienen, en dat de Ridders, die gij hier ziet, de eenige zijn, diemen daar toe verkozen heeft. Wie is dan de gene die het mij verbied? sprak Eustaas, door deze reden vertoornd. Dat ben ik, antwoorde Rambout, die, zoo sprekende, voor hem trat, en hem, met groote vijandschappen, trachten te rug te stooten. Maar de schoone, die haar zielen pijnigden, trat toen tussen beiden, en om de driften van hun gramschap te stillen, sprakse tot d’een; Ik bid u, weest niet verstoord om dat uw getal vermeerderd, noch dat dezen Ridder tot mij komt om mij te helpen; zoo gij mijn welvaren zoo zeer bemind, gelijk gij zegt, waarom wild gij dan, tot dit werk, mij van nieuwe hulp ontblooten? En tot d’andere voegdenz’er dit bij; Ridder gij quaamt nimmermeer ooit bequamer als nu, om mijn eer en mijn leven te verdadigen. Ik zou dan weinig reden hebben, om uw gezelschap te weigeren, ’t gene mij zoo aangenaam is, dat ik geen beter zou kunnen hebben. Zoo sprekende, gingse voort, en ondertussen quamen’er meer en meer aan haar snoer, die haar op verscheiden plaatsen aantroffen, zulkx datse hun al t’samen bij elkander bevonden, zonder datz’er’t minst op dachten, en elkanderen met een nijdig oog aanziende, warenze over haar onderlinge ontmoeting verwonderd. Maar zij, die niet beter zocht, ontfing hen [p. 194] met een vrolijk gelaat, en betoonde grootelijkx, door haar komst, verblijd te zijn.
    De duisternisse van de nacht, beletten Godefrooy van het vertrek der Ridders bewust te werden, maar zoo ras als’t hem geboodschapt wierd, bedroefden hij zig in zijn ziel, en duiden dat voor een droevig voorteeken, ’t gene wel haast daar op volgen mogt; gelijk als in der daad geschiede, want op ’t uiterste dat zijn geest zich door deze gedachten quelde; zie, zoo quam een looper aangestoven, geheel buiten aassem, en begruist van stof; dien zijn bleek aangezicht, daar het beeld van de droefheid op geschilderd was, gezien had, zou terstond geoordeeld hebben, dat hij eindelijk eenige droeve tijding brogt: maar na dat hij eindelijk een weinig bekomen was, begon hij te spreken; Mijn Heer, de groote Scheepsvloot, die d’Egiptenaars in zee hebben, zal niet lang vertoeven zonder te verschijnen. Willem, die de schepen van Genua gebied, zend mij hier om u dit aan te dienen. Hier bij voegden hij, dat de paarden, kameelen, en andere vrachtbeesten, die uit de schepen quamen, met eetwaren geladen, tot spijzing van ’t leger, langs den weg een quade ontmoeting gehad hadden, en dat de gene, dieze geleiden, tragtende om haar te beschermen, tegen een hoop roovende Arabiers, die in het diepst van een dal verburgen lagen, en haar van achter en voor besprongen, altemaal waren aan stukken gehakt, en een gedeelte tot slaven gemaakt, zonder [p. 195] dat ’er een van haar het was ontkomen, dat eindelijk de razende moedwilligheid van deze landloopers zoo verre ging, datmen nu voortaan niet meer hopen mogt, dat’er iets zoo moejelijk zijn zou ’t gene haar Barbarise stoutheid niet zou onderwinden. Dat deze vrijheid, als een woedende watervloed, dien geen beletsel vind, zich aan alle kanten uitspreid. Datmen noodwendig eenige troepen ruiters derwaards zenden most, zoo wel om haar moedwilligheid te stuiten, als om in de veiligheid der wegen, die van de zijde van Palestijnen na ’t leger loopen te voorzien. Den looper had naauwlijkx geeindigd, Godefrooy deze droeve tijding t’openbaren, of de Faam verspreiden het onder al de soldaten, die door groote schrik bevangen wierden, datse in weinig dagen uitgehongerd zouden zijn. Maar den Godvruchtigen Godefrooy, in haar niet meer de gewoone kloekmoedigheid bemerkende, trachten haar het best te herstellen dat hij kon, zoo wel door het vrolijk aangezicht, ’t gene hij haar toonden, als door versterkende en vertroostende woorden: Kloekmoedige Soldaten van JEZUS CHRISTUS, die gebooren zijt om de schaden te herstellen, die deze Barbarise en ongeloovige volkeren aan’t geloove doen, sprak hij tot haar, wat wil deze verandering zeggen, die ik, zeder zoo kleinen tijd, in u bemerkt heb? Hoe! is ’t gezeid, dat gij nu de moed zult verloren geven? Gij die door duizend zwarigheden en gevaren, met [p. 196] mij, in zoo vergelegen gewesten gekomen zijt; gij die door de wapenen der Persianen, noch de bedriegerijen der Grieken, nooit hebt kunnen belet worden om uw heilige begeerten niet ten einde te brengen. Gij die met een onverwinnelijke kloekmoedigheid*over de bergen en Zeen gekomen zijt, tot het uiterste, om het onweder, de strafheid des winters, de honger, de dorst, de moejelijkheid, en alle andre ongemakken, die de menschen in een lange reize vergezelschappen, t’overwinnen. Hoe? die zelfde Heer, die u tot een Leidsman verstrekt, die u het gevoelen geeft, en dat gij zoo dikmaal, in de zwaarste toevallen, beproefd hebt, zou u die tegenwoordig niet verzekeren konnen? meend gij dat hij elders zijn meewaardig gezicht, en gemeine goedertierendheid gewend heeft? Geensins; verbeeld u maar alleen dat er een dag zal komen, in de welke gij wel blijde zult zijn aan uw gelede leed te denken, en aan God uw beloften te doen, dat hij u de genade gedaan heeft van zoo gelukkig verlost te hebben. Weest dan een weinig lijdsaam, ik bid u, en behoed u tot de goede uitkomsten, die ons bewaard worden tot vergelding der ongemakken van dezen oorlog. Ziet daar met wat woorden dat Godefrooy zich behielp, om de zwakke moed der soldaten te versterken, die hy met een lachend en verzekerd gelaat aanzag. Maar al deze dingen is niet als een geveinsde schijn, om beter d’ongenuchten, die zijn ziel quellen, te [p. 197] bedekken. Hier is ’t dat duizen moejelijke zorgen, diep ingeworteld, niet aflaten hem te pijnigen, en zijn ongenuchten te doen aanwassen. Want zijn leger onverzien zijnde, gelijk het was, van allerhande lijftogt, zoo denkt hij niet als op de middelen waar door men andere mag bekomen, om zoo veel volk te spijzen, als hij op den hals heeft. Hier bij overleid hij, hoe dat hij ’t best maken zal dat zijn Scheepsvloot, tegens die van Egipten, zal kunnen bestaan, en ter ander zijde, op wat wijze hij de roovende Arabiers zal stutten, die de wegen alzoo door kruizen, en d’oorzaak van het ongemak zijn, dat het oorlogsvolk lijden moet.
Continue
[
Frontispice canto 6]
[p. 198]

TORQUATO TASSOOS

Verloste

JERUZALEM.

Het zeste Gezang.

INHOUD.

ARgant zend een krijgsbode in ’t Kristen leger, om d’alderkloekmoedigste, van zijnent wegen, ten strijd te roepen. Eindelijk bied zich Tankredo ten strijd aan; daar zij beiden gequetst worden. Hermine vermomd zich met Klorindes wapenen, en gaat, onder gunst van de nacht, recht na ’t leger, om Tankredo, die zij vierig bemind, te verbinden. Maar zij moet, door een vreemde toeval, wederom keeren.

Den trotsen Argant zend een bode in’t Kristen heir,
    En doet de moedigste van al de Ridders dagen,
Dat die zich tegen hem komt proeven met ’t geweer,
    Om, in het harrenas, een lijfgevecht te wagen.

[p. 199]
(5) Tankredo strijd met hem, doch blijven beid’ gewond:
    Hermyn’ vermomd haar zelf met wapens van Klorinde,
Gaat na het leger toe, bij duistren avondstond,
    Om haar beminden Prins Tankredo te verbinden.
’t Verlangen, en de min, die maken beid’ haar vlug;

    (10) Maar door een vreemd geval, zoo keerdse weér te rug.

MAar van d’ander zijde, hadden de belegerde nooit beter hoop van hare zaken, als tegenwoordig. Zij zijn niet meer zoo bevreest als kort te vooren, en beginnen haar te verzekeren, om dat ’er niet een nacht voorbij gaat, of heur werden nieuwe lijftochten toegevoerd, zonder de gene te rekenen, dieze van te vooren hadden opgedaan. Boven dien, hebbenze al zorg gedragen, om met krijgstuig, en oorlogsgebouwen, de wal te voorzien aan de noorderzijde, daar de stad het onsterksten is: want boven dien datse voorgenomen hebben de kantéling te doen rijzen, zoo hebbenze die met stutsels en bolwerken versterkt, diemen qualijk zou kunnen bewegen, wat beukerij datmen ook maakten. Ook vergeet den Koning geen ding dat hij bequaam oordeeld, om de bestormers meê af te keeren; en hij laat alleen des daags niet arbeiden, maar zelf des [p. 200] nachts, in de maneschijn. Ook worden de wapensmids aan alle zijden gaande gehouwen, en vermoejen hare armen met nieuwe wapens te smeden. Den opgeblazen Argant, ondertussen, ziende’ dat des Konings geest, met deze arbeid, bezich was, gaat na hem toe, en randst hem aan om zijn begeerten te vergenoegen. Tot hoe lang zult gij noch, Heer Koning, sprak hij tot hem, ons, als gevangenen, in den omring dezer muuren houden? tot hoe lang zullen wij ledig blijven in de qualen van een verdrietige belegering? Ik hoor al te veel het gerucht der hamers, en weet genoeg datmen dag en nacht op d’aanbeelden slaat om helmen, schilden en harnassen te smeden, maar ik zie niet dat door al deze dingen ons werk vervorderd werd: maar in tegendeel, zoo lang als wij dus onnuttelijk zullen arbeiden, zoo nemen de roovers, die ons belegerd houden, zoo wel haren tijd waar, dat zij niet doen als onze velden verwoesten, en onze dorpen, na haar welgevallen, te plonderen, zonder dat ’er iemand onder ons gevonden word, die zijn best doet om haar te stutten, noch zonder dat wij de moet hebben, om haar op ’t geluid der trompetten te doen ontwaken. Zeker, zoo als zij zijn, zij hebben geen reden om haar te beklagen, dat wij te voren haar vreugd het minste verstoord, noch haar rust ontrust hebben. Tot noch toe hebbenze de nachten in gerustheid doorgebragt, zonder datmen een eenig krijgsgeschrey [p. 201] gemaakt heeft om haar tot de wapenen te doen loopen. Wij hebben in tegendeel zoo veel ongenuchten, dat ik voorzie, indien wij geen acht nemen, dat wij door kracht, van honger gedrukt, en andere oorlogsongemakken, gedwongen zullen wezen ons, op haar beleefdheid, over te geven, of als lafhartige menschen rampzalig te sterven, zoo ’t gebeurd dat het Egiptisch leger te lang vertoefd om ons te helpen: de anderen zullen dan doen ’t gene haar beliefd. Maar wat mij aangaat, ik wil eerlijk sterven, en laten, zoo ik kan, een brave gedachtenis van mij na. En zoo daar niet anders voorvalt, zoo ben ik verzekerd, dat ik morgen, voor der Zonnen opgang, buiten de poorten van deze Stad zijn zal, ’t geval mag met mijn leven handelen, zoo als ’t den Hemel haar zal believen te bevelen. Al dit zal mij niet beletten, dat ik niet eerlijk, met het zwaard in de vuist, sterve, en dat mijn leven, den genen, die zich onderwinden zal het mij te berooven, wel dier zal komen te staan. Maar zoo de vonken van uw gewoone dapperheid niet t’eenemaal in u zijn uitgedoofd, boven dien dat ik verzekerd ben niet ongewroken te sterven; mogelijk zal dan, strijdende als een dapper Held, en het leven, en d’overwinning, aan mijn zijde blijven. Waarlijk ons noodlot begeerd dat wij vol van moet onze vijanden bespringen, en het beloofd ons zelf een gelukkige uitkomst, mits dat wij in onzen aanslag geen bloô- noch lafhartigheid vermengd is. [p. 202] Want het gebeurd dikmaals, dat het stoutste voornemen den besten raad is diemen nemen kan. En zoo gij bij geval niet goed vind, om al uw soldaten op zoo een wijs te wagen, laat ten minsten dan toe, dat zoo grooten verschil, door ’t gevecht van twee Ridders, gescheiden word. En, om dat den Fransen Veldheer deze aanbieding t’eerder aanvaarden zou, geeft hem het voordeel om de wapens te verkiezen, en dat de voorwaarden van ’t lijfgevecht zijn zullen, zoo als hij ’t goed zal vinden. Zoo den vijand, die zich voor mijn vertoonen zal, hoe kloekmoedig dat hij ook mag wezen, maar alleen twee handen, een eenig leven, en een hert heeft; dan hebt gij niet te vreezen, dat ’er u ooit eenig quaad af komen zal, op wat wijze dat het zij; noch dat ik uw recht verliezen zal, zoolange als ik het verdadige. Geloofd mij, dit zwaard, dat gij ziet, en den arm, die’er zich af dienen zal, zullen u in plaats van een goed noodlot en gunstig geluk verstrekken; en zonder dat het noodig is, dat gij elders hulp gaat zoeken, zullen zij u een volkomen overwinning op uwe vijanden geven. Ziet daar, zij komt zelf uit heur vrije wil, haar tot een pand aan u aanbieden. Twijffeld niet dat zij geen zorg voor de behouding van uw Kroon draagt, mits dat gij daar op uw voornaamste hoop bouwen zult. Na dat hij zoo gesproken had, sprak den Koning, die hem, zonder antwoord, niet wilde te rugge zenden, tot hem; Kloekmoedig Rid- [p. 203] der, hoewel ik u belijden moet, dat mijn oude jaren mij koud en stijf maken, echter zijn deze handen, noch zoo belemmerd, noch mijn moed zoo klein niet, datse niet liever beminnen zouden eerlijk, dan in schande te sterven, wanneer ik zelf mij van den honger, en andere ongemakken, daar gij van gesproken hebt, gedreigd zag. De Goden willen van ons deze groote rampspoedigheden afwenden. Al ’t gene ik u tegenwoordig te zeggen heb, en dat ik begeer dat anderen niet en weten, is, dat ons geluk veel beter is als gij meend. Want Soliman van Niceen, na dat hij langen tijd getracht heeft, om hem van de schaden, die de Kristenen hem hebben aangedaan, te wreken, heeft eindelijk de troeppen der Arabiers verzameld, die van d’een tot d’andere plaats gaan dwalen, tot in het land van Libien. Hij, met deze macht gesterkt, is van voornemen, geduurende de duisternis, den vijand te overvallen, en ondertussen ons een bijstand van spijze en eetwaren toe te zenden. Wel laat ons dan zijn komst, die in weinig dagen zijn zal, verwachten: en zoo ’t gebeurd dat de Kristenen ons land winnen, en haar in onze Kasteelen werpen, daar hoeven wij ons niet eens in te bekommeren, als wy maar teffens onze macht en deze Stad, daar ik mijn Hof in houde, mogen behoeden. Matigd dan een weinig deze ontembare stoutmoedigheid, en deze vierige drift, die gij door overloop betoond te hebben, tot dat ’er een tijd komt [p. 204] die bequamer is om my te wreken, en voor u eer te verkrijgen. Op dit verhaal stond den onverzaagden Heiden verwonderd, en zag zich gedwongen om de razende drift van zijn gramschap, die hem vervoerden, te volgen. Want het was al langen tijd geleden, dat hij tegen Soliman aan wilde, die hij nu niet meer lijden mag, noch datmen van hem spreekt; noch dat den Koning, die hij met genegendheid dienen wilde, zoo goeden gevoelen van een Man heeft, die hij niet bemind. Wel aan, Heer Koning, antwoord hij, daar mag komen wat wil, of vrede of oorlog, ik en zal nooit meer spreken: laat ons geduld hebben, terwijl gij ’t zoo begeerd; en laat ons eens zien wat Soliman doen zal, of hij, na dat hij zijn Koningrijk verlooren heeft, het uwe zal kunnen behoeden; laat hij tot u komen, zoo hy wil, gelijk als een Engel van den Hemel gezonden, tot verlossing der Heidenen. Ik acht my sterk genoeg om my te verweeren, en wil niet als de vrijheid van dezen arm gebruiken. Maar terwijl dat de anderen haar rusten, laat het mij ten minsten dan geoorloofd zijn, om daar beneden na de vlakten te gaan, om in de hoedanigheid van een vrijwillig Ridder, die in uw bezolding niet is, te strijden. Ik heb voor my genomen mij met de Fransen te beproeven: en ik moet mijn begeerten voldoen. Den Koning hem zoo herdnekkig ziende, antwoorde hem; Waarlijk, hoewel ’t mij dunkt dat gij veel beter doen zout, indien gij uw [p. 205] dapperheid tot een beter gelegendheid uitstelden; niet te min, terwijl gij zoo grooten begeerte hebt om iemand van uw vijanden te doen uitdagen, en dat het u zoo aangenaam is, zoo wil ik ’er mij niet tegen stellen. Dit voornemen genomen zijnde, riep Argant een Krijgsbode, en om geen tijd te verliezen, sprak hij tot hem; Mijn vriend, gaat in het Fransche heir, daar gij, in de tegenwoordigheid van het heele leger, zeggen zult, dat een Ridder, die het verdriet zoo lang in den omring der muuren besloten te zijn, begeerig is om zijn wapenen met de hare te beproeven, en bekent te maken waar toe de grootheid van zijn moed hem vervoerd, dat hij zich hier toe aanbied om in de vlakten, die tussen de Stad en de hutten van ’t oorlogsvolk is, te strijden, daar hij, tot teeken van zijn dapperheid, den genen, die zich den strijdbaarsten onder de Franssen acht, uitdaagd; en dat hy niet alleen bereid is om tegens een, of twee te strijden, maar tot de vierde toe te komen, zonder ijmand te weigeren, van wat hoedanigheid dat hy wezen mag. Datmen eindelijk hem maar vrijgelei, na de zaak vereischt te geven heeft, op voorwaarden dat den overwinnaar zijn gevangen, die hy verwonnen heeft, zal met hem leiden, om met hem, na zijn welgevallen, te handelen, volgens de wetten van den oorlog. Dit gezeid hebbende, nam den Krijgsbode zijn wapenrok, van rood fluweel geborduurd, met zijn meesters wapenen. [p. 206] Daar na als hy bij Godefrooy, en d’andere Ridders, gekomen was, sprak hy tot haar; Mijn Heeren, geeft mij de vrijheid om u recht uit te zeggen, waar mede men mij belast heeft? Zeer gaarn, antwoorde Godefrooy, spreekt vrijelijk, en vreest niet. Terwijl het zoo is, hernam de Krijgsbode, zalmen nu wel zien of gij van vreugden of vreeze bevangen zult worden, hoorende de boodschap die ik u te doen heb; hy vervolgden daar op, en deed haar zijn ontzegging, met zulke trotse en opgeblazen woorden, dat de geheele vergadering haar niet onthouden kon daar over te morren. Maar Godefroy besloot terstond om hem weder te zenden met een antwoord ’t gene hij verdienden. Krijgsbode mijn vriend, sprak hy tot hem, hoe kloekmoedig dat uw Ridder is, echter moet hij weten, dat hy zich een groote zaak onderwonden heeft, daar hy zich, eer lange, van beklagen zal. Want ik ben verzekerd, dat een eenige onder ons genoeg zal zijn, om hem heel anders te handelen, als hy meend, zonder dat het van nooden is om hem een tweede aan te bieden. Laat hij dan terstond komen: hij zal van ons alle de verzekerdheid hebben die hij begeerd, en hem zal geen ongelijk aangedaan worden; maar, in tegendeel, geef ik u mijn woord, dat degene, die van onze Ridders tegen hem strijden zal, van hem niet meer zal verzoeken. Zoo sprak Godefrooy tot die verwaande Krijgsbode, die terstond, door dezelfde weg die hij geko- [p. 207] men was, weêrom keerde, zonder ooit stil te staan, tot dat hij in de tegenwoordigheid van Argant gekomen was. Maar zoo als hij voor hem stond, riep hij; Mijn Heer, wapend u, zonder langer te vertoeven. De Kristenen hebben uw ontzegging zoo wel aangenomen, dat den minsten onder haar van begeerte brand om zich tegens u te beproeven. Oordeeld daar uit wat de voornaamste moeten doen. Ik heb onder haar duizend gezichten, vol van razende dreigementen, bemerkt; en zoo veel armen bereid om u niet te sparen. Eindelijk haar Veldheer heeft u vrijwillig de zekerheid, die gij verzoekt, toegestaan, en geeft u de vrijheid van ’t veld na de keur die gij doen zult. Op deze woorden vraagden Argant na zijn wapenen, die hij naauwlijks gekregen had, of hij trachten om de vlakten te winnen, daar hy nooit tijds genoeg dacht te komen, zoo groot is zijn ongeduld die hij om te vechten heeft. Maar toen vervoegden haar de schoone Klorinde tot den Koning, die daar tegenwoordig was; Mijn Heer, sprakse tot hem, het is gantsch geen reden, dat zoo een strijdbaar man, als Argant is, alleen gaat, en dat gij in den omring der muuren besloten zaud blijven. Geeft hem dan duizend Soldaten, die hem, tot meerder verzekerdheid van zijn persoon, vergezelschappen; en laat hem voor uit gaan, op dat hy, zijn aanslag te werk steld, terwijl uw volk daar niet wijd van daan zijn zal om d’uitkomst te verwach- [p. 208] ten. Terstond hielden haar de Soldaten gereed, en volgden Argant, die een weinig voor haar heen reed, met zijn gewoone wapenen en paardebereidsel, zulkx datmen hem licht van verre bekennen kon.
    Tussen de Stad en ’t Leger, is een breeduitstrekkend plein van een effen gelijkheid, en zoo bequaam tot de krijgsoeffening dat het schijnt bijzonder tot een strijdperk gemaakt te zijn. Hier steeg Argant af, en stond stil in de tegenwoordigheid van al zijne vijanden. Zijn wreed gelaat en groot lichaam, dat niet minder verschrikkelijk door zijn moed, als sterkte was, deed een ijder verwonderen.*Zoo verscheen eertijds den onbeschoften Encelades in de velden van Flegeren; en zoo vertoonden zich in de valejen van Terebinten, dien Filistein, wiens groote, als die van een Reus was. En evenwel onder de gene, die hem aanzagen, was ’er een groot getal die hem niet veel vreesden, om datse nooit beproefd hadden, wat hij doen kon. Nu alzoo Godefrooy, onder de strijdbaarste benden, noch niemand tot dezen strijd uitgekozen had, zoo konmen echter lichtelijk afmeten, ziende dat alle d’oogen der Soldaten op Tankredo vielen, datse niemand daar toe bequamer oordeelden als hem. Daar ooit een stil gemompel ’t gene onder haar ontstond, getuigenis af gaf. Godefrooy stemden met haar hier wel in overeen: en ziende dat’er veel anderen haar vertoonden om [p. 209] d’eer te hebben van voor te gaan, sprak hij tot Tankredo; Kloekmoedig Ridder, gaat stoutmoedig de*moedwilligheid van dien verwaanden stutten, die ons zoo in ons leger komt trotseren. En terwijl gij ’er zoo goeden genegendheid toe hebt, zou het mij wel leed zijn u dat te beletten. Tankredo, door een overgroote blijdschap vervoerd, riep terstond sijn schildknaap, van hem begeerende zijn paard en helm; hebbende het een en ’t ander, begaf hij zich buiten de afsnijdinge, van een goed getal Ridders gevolgd. En naauwelijks is hij ter plaats gekomen, daar den hoovaardigen Argant hem verwachte, of, niet ver van daar, zag hij, op het hoofd van een heuvel, die onverwinnelijke Krijgsheldinne, die hem beheerschten. Zy was op een wit paard gezeten, en had haar wapenrok aan, die van de zelfde kleur als haar pluimen, en de rest van haar toerusting was. Dit alles t’samen gevoegd, geleek van ver als een klomp sneeuw, die even, van den Hemel, op eenigen berg gevallen was. En alzoo het deurzicht van den helm was opgeslagen, verscheen haar aangezicht ontdekt, met zoo veel aangename schoonheden vercierd, dat niet alleen Tankredo, maar zelf de God van Tracien, haar ziende, zou de begeerten tot strijden verloren hebben. Ook bekommerd zich den verliefden Ridder, en gewaardigd zich meer na Argant te zien, die, door een opgeblazende aard, het hoofd in de lucht steekt, als of [p. 210] de aarde hem onwaardig te dragen was. Zijn gedachten en oogen keeren haar nu niet meer als na de zijde van zijn beminde; hij gaat zelf, met kleine treden, na haar toe, en verlaatse nooit met het gezicht. Een verliefde begeerten blaakt hem, van binnen en buiten is hij niet als ijs. Eindelijk, hij bekommerd zich niet meer met den strijd, en zijn gedachten zijn op een ander, daar hij wel moeiten meê hebben zal om zich t’ontslaan. Den hoovaardigen Argant, ziende dat ’er niemand hem ten strijd bereiden, riep, van ongeduld en gramschap vervoerd; Hoe? ik zie dan niemand komen om zich tegen mij te beproeven? Maar Tankredo beweegde zich niet eens door deze reden, en scheen hem niet eens te hooren, zoo veel verwondering gaf hem het voorwerp, dat hij stijf aanzag. Terwijl dit zoo geschiede, stak Ottho zijn paard met sporen, en quam de eerste in de renbaan: want hij was van ’t getal der genen, die door een begeerte tot eer haar zelven noch flus ten strijd aanboden, en, die voor Tankredo wel willende wijken, hem met de andere nu vergezelschapt had. Maar zoo als hij zach dat het voornemen van den Ridder elders strekten, en dat hij traag tot den strijd was, deed zijn jeugdige moed, die d’onverduldigheid meester was, hem vierig deze schoone gelegendheid aangrijpen. Den luiperd en den Tijger loopen met zoo grooten gezwindheid niet na hun roof, als dezen Ridder betuigden in het [p. 211] ontmoeten van den Heiden, die van zijn zijde alreede zijn speer geveld had. Tankredo begon daar op wakker te worden, en zijn gedachten af brekende, was’t of hij uit een diepen slaap ontwaakt was. Al zoet Ridder, riep hij, wat wild gij doen? Weet gij niet datmen mij tot dit gevecht verkoren heeft? maar het was nu geen tijd meer om zich daar op te beramen; vermids Ottho al te veel genaderd was. Tankredo stond dan stil, en zijn hart is van zoo vierigen gramschap ontsteken, dat, door ’t geweld van deze spijt, zijn aangezicht als een vuur blaakt. Ondertussen zoo als zij elkanderen, in ’t midden van den loop, ontmoeten, treft Ottho een weinig in ’t schild van Argant, die, met een veel strenger geweld, het zijne deurboorde, en het ter aarden wurp. Terstond stoof den Kristen Ridder daar heen. En men mag wel zeggen, dat dezen steek van een een sterker arm quam, want hij hem beide stegelrepen deed verlaten, zonder dat den Heiden, min of meer, zich in den zadel beweegden, zoo sterk, en afgericht is hij. Den val van zijn vijand, maakten hem toen zoo opgeblazen en moedwillig, dat hij, zich na hem toewendende, met een veracht gelaat, aldus sprak; Geeft u gevangen, en laat het u genoeg zijn, dat gij roemen meugd, tegen mij gestreden te hebben. Gij zijt wel bedrogen, antwoorden hem Ottho, indien gij waand dat het onze gewoonte is, ons zoo over te geven. Iemand anders mag u [p. 212] mijn onschuld doen, dat ik zoo gevallen ben; maar voor mij, of ik moet my vastelijk wreken, of hier ter stond mijn leven laten. Nooit was Alekto of Meduze verwoeder, als Argant, door ’t hooren van deze reden. Den Barbaar knarsten van razernij, en de vlammen van zijn gramschap vlogen hem ten neusgaten uit. Wel aan dan, vervolgden hij, terwijl gij de beleefdheid, die ik u heb willen doen, zoo zeer veracht hebt, beken dan, tot proef, wat mijn gramschap vermag, alsmen die tergd. Zoo sprekende, vergat hij al ’t gene de eerlijkheid van een oprecht Ridder raakt, en stiet zijn paard tegen hem aan, ’t welk Ottho ziende, en, om van zoo fellen ontmoeting niet getroffen te werden, week ter zijden, en gaf hem, in ’t verbijgaan, zoo grooten slag in de zijde, dat hij zijn zwaard, heel bebloed, daar uittrok. Maar waar toe kan hem helpen dat hij hem alzoo gequetst heeft, terwijl deze wonde niet doet als de gramschap van zijn vijand verdubbelen, en datse zijn kracht, noch moed, gantsch niet verminderd? want terstond, zoo als hy zich gewond voeld, houd hij zijn paard op, en wend het met zoodanigen gezwindheid, dat het Ottho naauwelijx gewaar word. Daar na zonder tijd te verliezen, drijft hij ’t zoo vinnig toe, dat, door ’t geweld van den stoot, den Ridders beenen bezwijken. In dezen uittersten nood begeeft hem den adem, zijn aangezicht verbleekt, en de kracht van zijn moed verzwakt, zulkx [p. 213] dat hij, van zwakheid en vermoeidheid gedrukt zijnde, weder gedwongen is neêr te zijgen. Den Heiden behulp zich toen met dat voordeel, en zijn razernij vermeerderde meêr als ooit. Hij denkt niet meêr als om zich, in zijn beestelijke drift, te verzadigen. En eindelijk hem het paard op den buik doen trappende, roept hij; Dit komt u toe; zoo gaat het met al de verwaanden, die u willen navolgen, en zoo ik kan, zal ik haar zoo wel met voeten, als u, vertreden.
    Ondertussen mishaagd deze onmenschelijke daad den kloekmoedigen Tankredo zoodanig, dat hy niet langer vertoeven kan zijn gevoelen daar van te toonen. Willende dan de misslag verbeteren, die hij bekend begaan te hebben, door elders bezich te zijn, zoo riep hij hem toe; Ga lafhartige, die in de overwinning zelf u moedwillig, en vol schandelijkheid toond; wat eerteken kund gij hier namaals verwachten van zoo een onbeleefde en schandelijke daad. Men mag wel zeggen, dat gij onder d’Arabische roovers zijt opgevoed, of dat gy gewoon zijt onder d’alderbarbaarste menschen te verkeeren. Verberg u, ô schelm, en vertoond u niet als in de duistere bossen, en achter de onbegankelijkste bergen, om uw wreedheid met de wreedste beesten te plegen. Zoo sprak Tankredo tot den wreeden Argant; die, om dat hij niet gewoon was zulk een verwijt te lijden, op zijn lippen beet, en schuimbekten van razernij. [p. 214] Hij wou wel antwoorden, maar hij kan niet, of zoo hij het begint te doen, die hem verward had hooren bulderen, zou gezeid hebben, dat het eenig beest was ’t gene brulden, of eenen donderslag, die in de wolken gesloten zijnde, eindelijk, door een geweldige kracht dat beletsel verbreekt, en met den blixem uitbarst. Op zulk een wijze scheen hij op elk woord, dat hij sprak, te donderen, brakende uit zijn brandend hert geweldige lasteringen en scheldwoorden. Na dat zy, door veel dreigementen, elkanders gramschap verbitterd hadden, zwegenze eindelijk stil, en ijder van beiden wenden den toom, met een gelijke snelheid, om zich beter in den loop te bewegen.
    Hier bidde ik u, ô Zanggoddin, mijn stem te versterken, en mij zoo grooten razernij in te blazen, als die van de twee Strijders, op dat mijn geschriften haar dapperheid niet onwaardig zijn, en dat ik in dit gezang, ’t gerucht dat hare wapenen, in deze ontmoeting maakten, te beter uit mag drukken. Na dat deze twee strijdbare Helden haar speren geveld hadden, vlogen zij elkanderen met zulken geweld toe, dat zoo wel van d’een, als van d’ander zijde, noch gezwindheid, noch loop, noch sprong, noch geen razernij, hoe groot datze wezen mag, zich vergelijken kan bij de vierigheid, die zij in het aantreffen elkander betoonden. In d’ontmoeting brakenze beide haar speren, op hun helmen, aan [p. 215] splinteren, dat’er de vonken, door den geweldigen hort, uitstoven. Ook isse zoo groot, dat d’onbeweegelijke aarde, daarvan in’t ronde, dreund. De bergen zelf weêrgalmen, en vermeerderen het gerucht. Evenwel, schoon deze ontmoeting zoo fel in ’t begin was, dat zelf de paarden, die dit geweld niet weêrstaan kunnen, daar van wierden ter aarden geworpen; echter zijn onze Ridders niet eens verzet. Maar in tegendeel, na dat zy hun voeten uit de stegelreepen getrokken hadden, zettenze die ter aarden, en quamen elkander toe, met het zwaard in de vuist, met voornemen veel harder, als ooit te beginnen. Alsdoen bereiden zich ijder een van hun toe te slaan, en ijder ondersocht eenig nieuw voordeel, en stelden zijn lichaam in verscheiden wijze. Het oog, de hand en de voet werken aan alle zijde: zij vergeten niet van al ’t gene datse bequaam achten, om toe te stooten of zich te verweeren, ’t zij dat men moet toeschieten of afwijken, of eenige list gebruiken, zich in ’t rond omkeerende, nu de schijn makende van hier te slaan, brengenze die op een ander, daarze het minst verwacht word, en dan gevenze haar weder bloot op een plaats, om den vijand aan te lokken, en hem op het onvoorzienst dan weêr te verrassen, trachtende door die middel de kunst met een nieuwe listigheid te bedrijven. Argant, ziende dat Tankredo hem de zijde bood, zonder die noch met zijn schild, noch met zijn zwaard [p. 216] te bedekken, trat toe om hem te slaan, en liet alzoo zijn slinxe zijde bloot. Maar Tankredo, die daar op zijn tijd waarnam, keerde terstond den slag af, sloeg een andere, en stelde zich weêr op zijn hoede. Den Heiden ondertussen zich nat van’t bloed voelende, schudde, meer als naar gewoonten, en braakten schrikkelijke zuchten uit, getuigen van de smert die hy gevoelden. Dit veroorzaakten dat hij met zoo grooten macht, als zijn gramschap groot is, teffens zijn zwaard en zijn stem verhief, ’t welk hem echter niet gelukten gelijk hij gedacht had. Want zoo als Tankredo zag dat hij toetrat, om hem te slaan, nam hij hem, op ’t onvoorzienst, en bragt hem een zware slag, op dezelve plaats, daar den arm aan de schouder gevoegd is. Even gelijk als een beer, die in een verschrikkelijk woud, met een zwijnspriet dwers door ’t lijf geschoten is, zijn smert in razernij verkeerd, en sig zelf met de wapenen doorsteekt, daar hij mee getroffen is, zonder zich met de dood te bekommeren, aangezien hij zich maar mag wreken, eer hij sterft, op wat wijze ’t ook zij. Zoo verscheen in deze toeval dien ondwingbaren Heiden. Tegenwoordig voegd hij wonde bij wonde, en schennis op schennis; en betoond zich zoo vierig tot de weêrwraak, dat hij, om die te bekomen, alle gevaren, hoe verschrikkelijk dat die ook mogen wezen, veracht. Hij dan, bij een verwaten voornemen, een groote kracht en onvermoeiden adem voegende, behelpt [p. 217] zich met zijn degen met zoodanig geweld, dat de aarde, onder zijn voeten beefd; en de lucht, in’t rond, vol van blixemstralen is. Zulkx dat hij geen tijd aan Tankredo geeft, noch om de slagen af te keeren, noch om hem een te brengen, noch om den minsten adem te scheppen; invoegen, dat hy in dezen noot, niet weet door wat middelen hy zich tegen ’t geweld van dezen Heiden verzekeren, noch waar mede hy zulk een fellen kracht afkeeren zal. Het is vergeefs, dat hy zich op de zekerste hoede houd, wachtende dat die hagelbui van slagen voorbij is, vergeefs, dat hij zich met zijn schild bedekt, of te rug aarzeld, of tragt met wijde stappen hem ter zijden te komen. Dit alles diend niet, als om den gruwelijken Argant meer te vergrimmen. Eindelijk, door ongeduld vervoerd zijnde, ziende dat den Heiden niet vermoeid wierd, noch hem eenigen adem liet scheppen, is hij gedwongen hem van zijn zijde te bespringen, en al zijn kracht en gramschap, met harde slagen, op hem t’ontlasten. Hier zijn de kunst en reden, door de gramschap verwonnen, en d’eenige razernij verziet haar van wapenen. Waarlijk een onmedoogende razernij, die t’elkens meer vermeerderd als het ijzer neêrdaald, en datse met kerven en houwen op elkander toeslaan, zonder dat het voornemen nooit vande daad niet gevolgd word. De vechtplaats is geheel niet stukken van wapenen bezaaid. De glans van haar zwaarden is als een blix- [p. 218] sem: ’t gerucht dat zij maakten, is den donder gelijk, en heur slagen waren niet minder gevaarlijk als een donderslag. Ondertussen hield, zoo wreed en droevig schouwspel, die van wederzijden het aanzagen, in een geduurige vrees, zonder te konnen zeggen wat den uitgang van ’t gevecht wezen zal. De hoop en de vrees, die haar gelijk bestreed, deê haar van de slagen oordeelen, na datse voor- of nadeelig waren. Ja zelf onder zoo grooten meenigte van volk, die haar aanzien, is naauwlijkx een, die niet stil zwijgt, of onbeweeglijk staan blijft, hoewel hij in zijn hert van vreeze beefd.
    Alle beiden warenze nu zoo vermoeid van den strijt, datse, zonder twijffel, haar dagen zouden verhaast hebben, zoo het niet gebeurd had, dat de nacht zoo duister op quam, datmen de dichtste voorwerpsels naauwlijx onderkennen kon: ’t welk d’oorzaak was, dat twee Krijgsboden, om haar te scheiden, terstond toeschoten, daar van den eenen een Fransman was, Arikleus geheeten, en d’ander Pindor, een scherpsinnig man; en den zelfden die het ontseg van Argants wegen gedaan had. t’Harer aankomsten wierpenze haar tussen beide de Strijders, en hielden tegen haar zwaarden de staven, die zij tot teeken van vrede voeren, en die hun tot verzekerdheid van d’aaloude wetten, by alle volkeren onderhouden, gegeven waren. Pindor, haar de eerste aandoende, sprak tot haar; Brave Ridders, gij hebt [p. 219] nu lang genoeg gevochten, gij zijt gelijk in kracht en eer, houd dan op, en ontrust de reden, noch de rust van de nacht niet: d’arbeidsame uuren zijn lang genoeg, zoo lang de Zon schijnt; na dat zij te rust is, moeten de menschen ook rusten, om gerust de slaap te genieten, wiens zoetigheid algemeen voor allerhande dieren is. Ook zoeken groote gemoederen geen eer in de duisternisse, om dat de eer onder haar niet geacht word, zoo zij niet uitglinsterd, en den mond der menschen die niet verkondigd. Maar Argant, die niet veel vermaak in deze reden had, antwoorde; Voor my, hoe groot dat ook de duisternisse van de nacht is, zoo ben ik niet van zin uit het veld te gaan, hoewel dat ik, om de waarheid te zeggen, liever dit lijfgevecht op den vollen dag eindigen zou, indien dat dezen my belooven wilde hier weêr te komen. Zoo’t daar maar aan hangt, sprak Tankredo, dan ben ik te vreden, op voorwaarden, dat gij my van uw zijde belooven zult, ook met uw gevangen weder te komen, want anders zoude ik niet toestaan dat ’er ooyt een weinig uitstel in onzen strijd wezen zou. Daarop, na dat zy elkander beloofd en gezworen hadden, niet in gebreken te blijven, wildenze datmen haar een tijd van wederkomste stelden, en gedroegen zich hier over aan de Krijgsboden, die van gevoelen waren, het tot aan den zesten dag uit te stellen, op datse de tijd hadden om haar wonden te doen verbinden. Terwijl [p. 220] dat dit geschiede, liet zoo een verschrikkelijk lijfgevecht, in’t hert der Kristenen en ongeloovigen, een vreemde verwondering ingedrukt, ’t gene veroorzaakt wierd, door dien zy zagen hoe dat die twee het geweld van den strijd, zoo lang konden weêrstaan, zonder vermoeid te werden. Ook sprakmen, door het geheele leger, van geen ander ding, als van d’onverwinnelijke dapperheid dezer twee Ridders. Maar, om de waarheid te zeggen, wie dat het voordeel gehad zou hebben, dat konden zy niet zeggen; zulx dats’er verscheiden af spraken, en niet in over een stemden. Hier by is ’t niet te gelooven, hoe groot haar ongeduld is om den dag te zien, waar in dit verschil zou eindigen; om uit de daad te zien, of de razernij d’overwinning*op de deugd zal verkrijgen, dan of de ware dapperheid de plaats zal ruimen voor een woest geweld. Maar de schoone Hermine was de bedrukste persoon ter wereld, ziende dat aan het onzeker oordeel van Mars, het beste deel van haar zelven hing. Deze rampzalige Princes, Dochter van Koning Kassan van Antiochien, had het geluk, onder haar droevige ongelukken (zijnde van de Kristenen tot slave gemaakt, in die tijd, toenze haar Koningrijk wonnen) in handen vanTankredo te vallen. Dezen Ridder, om zijn gewoone beleefdheid niet te verminderen, deed haar zoo goeden onthaal, als zij van hem zou kunnen wenschen; en, in den ondergang van haar Vaderland,*eerden hy haar altijd [p. 221] als Koninginne. Hier noch niet mede vergenoegd zijnde, verplichten hij haar door ontallijke diensten, ja gaf heur zelf haar vrijdom, met al de schatten en gesteenten die zy had. Zij ondertusschen bespeurende in dezen jongen Ridder zoo veel brave gaven, zulk een bescheidenheid, en zulk een moed, die niet als uit een oprecht koninglijk gemoed kunnen voortkomen, wierd zoo geweldig met zijn liefde bevangen, en bleef ’er zoo naauw in verstrikt, dat ’er niet machtig was de knoop te breken. Zie daar door wat middel haar ziel in de dienstbaarheid begon te treden, op dezelve dag toen haar lichaam vrijheid verkreeg, door handen van den braven Tankredo. Het was dan geen kleine ongeneugte die zij gevoelden, sederd dat zij haar beminde, en haar gevangenis, die haar zoo aangenaam was, most verlaten. Evenwel verplichten de wetten der eerbaarheid, die alle groote Princessen behoorden voor oogen te houden, haar om met ’er moeder te vertrekken, en in een land te gaan, daar zij, onder die van haar kennis, een verblijfplaats vinden mag: Hierom quam zij te Jeruzalem, daar den Koning haar eerwaardig ontfing. Maar eenigen tijd daar na, de Koninginne haar moeder verloren hebbende, mostse dezen rouw, bij alle hare andere rampspoeden, t’samen voegen. Echter is de droefheid, die zij tegenwoordig heeft, van haar zonder Moeder en Koningrijk te zien, niet machtig om de liefde die zij tot Tankredo draagt, [p. 222] uit haar gedachten te rukken, zoo diep isse in haar ziel ingeworteld, noch zelf uit te dooven de minste vonk van dit vuur; ’t gene alrede wel verre verspreid is. Rampzalige, als zij is, zij bemind en brand al teffens; zulkx dat in d’ellendige staat, daar zij haar zelf gebragt ziet, de weinige hoop, die haar noch overschiet, zich voed met het vuur dat in het diepst van haar hert ontvonkt, en onderhoud het veel eer met het herdenken van hem die zij bemind, als met eenige verzekerheid die zij heeft van vergenoeginge t’ontfangen. En ’t gene hier het ergste noch in is, is dat deze wonderlijke ontsteking terwijlmen die zoekt, te bedekken en besloten te houden, noch meer uitbarst. Om de begeerten en hoop in haar, meer als ooit te voren dan op te wekken, is ’t genoeg datse nu weet, dat Tankredo in de belegering van Jeruzalem gekomen is.Dat alle andere haar zoo zeer verwonderen als zij willen, zulk een groote meenigten van oorlogsvolk te zien aantrekken, die van de gevreeste geslachten der aarde komen, zij is de eenigste die haar in heur ziel verblijd. Want de liefde heeft zulk een macht op haar, datse, een gedeelte van haar ongenuchten verdrijvende, met een groote vreugde den vijand zich ziet legeren; en datse, in ’t midden van zoo veel benden, haar begeerige oogen aan alle zijden wend om haar waarden minnaar te bekennen. Helaas zij zoekt hem, en beeld haar dikmaale in hem gevonden te hebben; [p. 223] Ziet daar is hij, zeitze verscheidemaal in haar zelven, ik ken hem; hij is ’t zelf, zonder twijffel. In ’t koninglijk Paleis zietmen een toorn niet ver van de muuren staande, van wiens hoogte men het geheele Kristen leger, met de dalen en bergen in’t ronde, gemakkelijk kan beschouwen. Hier staat Hermine, van dat de zon zijn stralen op het aardrijk uitschiet, tot dat de nacht in zijn plaats komt, om het aardrijk met duisternis te bedekken, geduurig op schildwacht, met d’oogen na ’t leger gewend, daar zy eenig vermaak zoekt, om haar gedachten t’onderhouden. Van deze zelve plaats bemerkten zij ’t gevecht van twee Ridders, ’t gene haar zoodanig verschrikten, dat zy van vreeze beefden, gelijk als ofse, in het diepst van haar ziel, een stem hoorden, die tot haar zeide; Ongelukkige Hermine, ziet daar beneden uw Minnaar in groot gevaar van zijn leven. Alsdoen vol van nadenken en ongenuchten, zietse, met aandacht, wat uitgang zoo een twijffelachtig en ongestadig lijfgevecht hebben zal: zulkx dat elke reis, als den Heiden zijn zwaard oplicht om haar Ridder te slaan, het treffen van de slagen en wonden, haar tot in de ziel raken. Maar toen zij eindelijk de waarheid van dit gevecht gevaar wierd, en datmen het in eenige dagen weêr zou hervatten, beving haar zoo grooten schrik, dat heur bloed in de aderen bevroos. Nu kan zy haar niet onthouden van tranen te storten, en dan isse be- [p. 224] dwongen om zuchten en hikken te braken, als zy die meend in te houden. Eindelijk is zy in der daad zoo veranderd en zoo bleek, dat haar ontferfd aangezicht het ware afbeeldsel van de schrik en droefheid schijnt te zijn. Van een ander zijde vertoonen haar verschrikkelijke gezichten in heur gedachten, en ontrusten haar ijder oogenblik. Geduurende de nacht, veroorzaakt haar de slaap veel meer schrik, als de dood zou kunnen doen, om datse haar in den droom vertoond heuren Ridder, die heel bebloed, en met wonden bedekt, zich tot haar vervoegd, en heur hulp schijnt aan te roepen. En zo zij by geval daar op komt t’ontwaken, bevind sij dat haar oogen in tranen zwemmen, en dat zelf haar schoone hals daar van bevochtigd is. Ook is ’t alleen niet de vrees van haar verlies, ’t gene zy haar verbeeld wel haast te zullen geschieden, dat haar deze ongeneugten en gevoelen van medelijden veroorzaakt; maar ’t is noch daar bij het leedwezen datse ontfangt van zijne quetsuuren, die haar van alle rust en versterking berooven. Want gelijk als de Faam die gewoonten heeft, die dingen, die afgescheiden en onbekend zijn, veel grooter te doen schijnen*als zy zijn, zoo geloofd zy alreede dat haren Ridder al ter aarden is geworpen, en dat hij zijn laatste snakken geeft. Terstond wordse indachtig, hoe zorgvuldig dat haar Moeder geweest is, in haar voor dese de verburge eigenschap der kruiden te leeren, en de woorden, die de kracht heb- [p. 225] ben, om de wonden van ’t lichaam, hoe gevaarlijk datse ook mogen zijn, te genezen, en de smert te verzachten; een kunst die in haar land zeer in ’t gebruik was, zelf onder de allergrootste Princessen. Zij begeerden zeer gaarn haar daar van nu te mogen dienen, tot genezing van hem die haar gewond had. Op die wijze als zij hem bemind, zou het haar een onvergelijkelijke vergenoeging zijn, hem te konnen behulpsaam zijn. Want hoewel hij in een tegendeelige partij van de hare is, zoo vreest zij niet om hem te verlichten, op wat wijze het ook zij, dwers door een ontallijk getal vijanden heen te gaan, noch haar in alle gevaren te begeven, wel verzekerd zijnde, wanneerze de min tot leidsman had, datse zonder iets te vreezen, door de wreedste monsters van d’Afrikaanse woestijne, zou mogen heen gaan: en echter behoordenze ten minsten eenig achterdocht te hebben, dat in deze reis haar achtbaarheid geen gevaar liep: gelijk het in der daad waarachtig is, dat ’er, in deze uitersten, een harden strijd ontstaat tussen de eerbaarheid en liefde, daar d’een van beiden tot haar diergelijke woorden spreekt; Hoe? schoone Princes, die voor deze zoo kuysch geleefd hebt, zonder mijn wetten t’ontreinigen, zalmen zeggen dat ik zorg gedragen heb om uw eer te behoeden, toen gij onder de dienstbaarheid van uw vijanden geweest zijt, en dat tegenwoordig, nu gij weêr in vrijdom zijt, gij geen zwarigheid maakt u in ’t ge- [p. 226] vaar te begeven van die te verliezen, na dat gij die zoo wel in uw slavernij bewaard hebt? Ach! wat mag u deze gedachten in de Ziel brengen? Helaas! waar op denkt gij, en wat meend gij te worden? Wild gij zoo weinig werk van uw eer maken, dat gij des nachts in ’t midden van uwe vijanden wild gaan, om een persoon te zoeken die gij zoo dwaas bemind? Gij vreest dan niet, dat dezen hoovaardigen Overwinnaar u zal versmaden, en dat hij u zal verwijten dat gij hem onwaardig zijt, om dat gij uw Koningrijk, en die kloekmoedigheid, die de Princessen ontsachlijk maakt, verloren hebt. Vreest gij niet dat hij zelf, in plaats van het u eenigen dank te weten, u ten roof aan andere personen, die zich uwer niet bekommeren, zal overgeven? Ziet daar het gene dat de eer haar te voren hield. Maar aan d’ander zijde trachten den Tiran, die de macht over de reden heeft, en wiens raad altijd vol van bedrog is, haar tot zijn wil te trekken, door redenen die hij met vleijerijen vermengden. Waarlijk, sprak hij tot haar, gij zijt niet geteeld, ô schoone Princes, van een verslindende beer, noch van een harde en bevroze rots, om de liefde alzoo te verachten. Ik geloof niet dat gij, in de bloeijende jeugd, daar ik u in zie, zijn boog en toorts wild verachten, noch ongeschikt het allerzoetste en aanminnigste dat hij in zijn wellust en heeft, ontvluchten. Ik weet dat gij geen hart van ijzer of diamant hebt, om door schaam- [p. 227] te rood te werden, datmen u in de rey der Minnaars steld: geloofd mij, vertoefd niet langer om te gaan daar uw begeerten u noodigd: uw Overwinnaar is niet wreed t’uwaards, verjaagt die inbeelding uit uwen geest. Maar in tegendeel, na dat ik zie, weet gij niet wat smerten, uw klagten, hem veroorzaken, en met wat voor een lijden hij zijn zuchten de uwe gelijk maakt! zeker gij zijt wel onmenschelijk, dat gij de genezing van een ellenig minnaar, die u getrouw is, uytsteld. Ondankbare, kund gij lijden dat uwen Tankredo dus quijnt, en dat gij zoo weinig zorg voor zijn leven draagt. Maar mogelijk begeerd gij Argant te genezen, op dat hij hier na om hals brenge, den genen, die u uit de slavernij verlost heeft. Ziet eens op wat voor een wijze gij u zoekt te quijten tegens de plicht die gij hem schuldig zijt, en wat voor schoone vergeldinge hij daar voor ontfangen zal. Evenwel, indien het zijn most, dat deze dingen door uw toedoen geschieden, ik ben verzekert dat eindelijk u deze quade daad zoo onaangenaam zijn zal, dat door de schrik die gij ’er af hebben zult, gij ver van hier zult vluchten. Maar in tegendeel, wat zoud gij al vernoeging en vreugd ontvangen, indien gij zoo gelukkig waard, dat gij uwen minnaar aandeed, en met behulpsame hand zijn wonden genas die hij ontfangen heeft: wat zoud gij hem een goeden dienst doen, indien gij, van zoo bleek en verveloos als hij tegenwoordig is, hem weêr op zijn [p. 228] rechten dreef hulpt! of na dat gij op zijn kaken weêr een verf van nagelbloemen en roozen doen komen hebt, gij in hem moogt aanschouwen die schoonheden die nu uitgedoofd zijn, en die hij u schuldig zijn zal, indien by door uw hulp die weder bekomt: waarlijk op deze wijze zult gij geen klein gedeelte in zijn heerlijke en gedenkwaardige daden hebben, ’t welk hem zonder twijffel verplichten zal om u te trouwen, op dat aan zoo een gelukkig houwelijk, de vervulling van uw begeerten gehecht zij. Dit gedaan zijnde, zal hij om uw geluk op te hoopen, u van Ridders en Vrouwen alle eer doen genieten, die gij ooit zou konnen begeren; en na dat hij u in uw Koningrijk hersteld heeft, zal hij u in Italie voeren, daar de zetel van ’t geloof en de ware dapperheid is.
    Hermine, door deze dwaze hoop gevleid, verbeelden zich alreede gelukzaligheden zonder voorbeeld; het is waar, doordienze niet weet op wat wijze en hoeze met zekerheid haar op weg zal begeven, datse haar met veel zorg en twijffelachtigheid omringd vind. Want boven dien datse overweegt, hoe door de heele Stad schildwachten gesteld zijn, en dat de soldaten geduurig de ronde om ’t paleis en de wallen doen, zoo verbeeldse haar ook datmen niet gewoon is de poorten in ’t midden van de nacht te openen, voornamelijk in een tijd daar het gevaar altijd tegenwoordig is, indien ’t den Koning niet om eenigen grooten toeval gebied. Eindelijk, na dat zij het [p. 229] lang overleid had, blies haar de liefde deze ondervinding in: Zij had alreede met de kloekmoedige Klorinde zoo grooten gemeenschap, dat zij haar, bij na noch des daags, noch des nachts verliet, want zij hadden beide de meesten tijd niet meer als een bedde, en hielden voor elkanderen niet als heure liefden verburgen. Hermine hield haar boven al hier zeer zorgvuldig in, en zoo haar bij geval eenige klagten ontslipten, zoo wierp zij het terstond op een anderen boeg, en bedekten die listig met een ware schijn van haar ongeval. Door de gunst van zoo grooten vrijheid had Hermine het verlof om zoo dikmaal bij haar gezellinne te gaan als zij wilde, zonder dat ooit de deur van heur vertrek voor haar gesloten was, ’t zij datse haar vond, of datmen haar in den raad ophield, of datse ergens in een oorlogstoeval bezig was. Zij daar op een dag, in ’t afwezen van Klorinde, gekomen zijnde, stond een langen tijd stil, en, vol gedachten, begon t’overwegen door wat neerstigheid zij haar vertrek, daar zij zoo naar haakten, en ’t geenze zoo zorgvuldig bedekt hield, zou kunnen bemiddelen. Zoo als haar geest vol van twijffelmoedigheid vervuld was en gequeld na de verscheidenheid van haar gedachten, zie, zoo zagse Klorindes wapenrok, en de rest van haar toerusting. Wat zijt gij gelukkig, sprakse al verzuchtende, ô kloekmoedige Krijgsheldin, waarlijk ik benij uw geluk, niet ter oorzake van uw schoonheid, terwijl ik van die zijde vergenoegd ben, [p. 230] maar om dat gij niet onderwurpen zijt u anders te kleeden met die lange rokken der vrouwen, die nergens als tot beletsels verstrekken, noch om den heelen dag t’huis besloten te blijven: het is u geoorloofd, als gij de lust krijgt, om u met alle stukken te wapenen; en als gij wild, moogt gij vrijelijk uitgaan, zonder dat noch de vrees, noch de schaamte het u beletten. O waarom heeft de natuur en den Hemel mij zoo veel kracht niet gegeven als ik wel wenschten, op dat ik dit hulsel en deze tabbard in een helmet en harnas mogt verwisselen! daar zou noch hette, noch koude, noch wind, noch sneeuw, noch onweder, noch regen zijn die mij zoude konnen beletten dat ik niet in de heldre zonnestralen, of in de duisterste duisternissen, of alleen, ofte vergezelschapt, daar beneden daalden in het leger der vijanden, ’t gene besloten houd dat ik het meeste ter wereld bemin. Indien dit zoo was, dan zoutge u niet beroemen, ô wreden Argant, de eerste tegen mijn Ridder gestreden te hebben, want ik ben verzekerd dat ik u zou zijn voorgekomen: en mogelijk dat ik hem hier gevangen hebbende, onder de wetten van een aangename dienstbaarheid, zoo zou hij bevinden dat zijn minnares, die hij misschien voor vijandin houd, heel licht met zijn losgeld, met hem verdragen zou: Ik zou hem zonder twijffel quijtschelden voor de minste verzachting die hij mijn smert, door hem veroorzaakt, geven zou; zoo niet, ik zou dan maken, het [p. 231] zwaard dwers door mijn lichaam heen stekende, dat hij, door middel van deze wonde, mijn hart zou genezen van een quetsuur die veel gevoelijker was, dan die mijn ongelukkige liefde mij heeft veroorzaakt. Alzoo zoude ik mij voortaan verlossen van zoo veel droeve ongenuchten, die mij ’t leven veel hatelijker als de dood maken: en aldus zou mijn geest en mijn lichaam eindelijk na deze ongemakken rusten: mogelijk zou mijn overwinnaar mijn assche dan verwaardigen om met eenige tranen, en zelf met een graf te vereeren; na dat hij mijn trouwigheid zou bekend hebben. Maar helaas! ik wensch een ding dat niet geschieden kan, en ’t is vergeefs dat ik mij met deze dwaze gedachten ontrust. Zal ik hier dan altijd zoo troosteloos en vreesachtig blijven, gelijk als of ik was een arme en geringe maagd van de allerslechtste hoedanigheid? geensins: gij moet een ander voorneem nemen. Mijn hart, grijpt alleen maar moed: hoe, zoude ik geen macht genoeg hebben om eenmaal van mijn leven de wapenen op te vatten? hoe zwak en teeder dat ik ben, zoude ik niet voor een kleinen tijd de last verdragen konnen? ja zeker ik zal wel kunnen, en ik hoop dat dien machtigen tiran, diemen de Liefde noemd, niet zal nalaten om mij zoo veel kracht bij te zetten, als ik noodig zal hebben. Want terwijl hij de gene is, wiens geweld de harten tot een prikkel verstrekt, en haar dikmaals, hoe bloode datse zijn, met moed wapend, datse fel op elkan- [p. 232] deren toestooten: waarom zal hij niet lijden, dat ik zoo veel doen zal? Ook denk ik nergens minder om als te strijden. Ik wil mij alleen met een loozen draai behelpen, en mij met al de toerusting van Klorinde vermommen, op dat zij mij voor haar aanzien; en dat ik alzoo, door hulp van hare wapenen, uit de Stad mag geraken, daar ik zekerlijk weet dat zich niemand tegen zal stellen: want ik ben verzekerd, dat noch de poortwakers, noch al de schildwachten die’er gesteld zijn, het hart niet zullen hebben om mij op te houden; Zie dit komt mij in gedachten: ik vind geen beter middel als dit. Dat het geval dit bedrog dan doet voortgaan, ’t gene aan mijn onnoozelheid niet te kort doet, en dat de liefde haar gunstig zij, terwijl, die d’eenigste is die het haar ingeeft. Ik zou geen bequamer uur, die my om terstond te vertrekken noodigd, als deze konnen vinden, terwijl Klorinde by den Koning is. Dit voornemen genomen hebbende, daar ’t geweld van de liefde voor een scherpen prikkel by verstrekt, vertoefdse niet langer, en brengt Klorindes wapenen recht na heur woonplaats, die daar niet ver van daan was; ’t welk haar zoo veel te lichter viel, om dat alle d’andere, toen zy in haar kamer quam, vertrokken en haar alleen lieten: Ter ander zijde*was haar de uure van de nacht, die vast aanquam, heel voordeelig om heur dieverij verburgen te houden: want die zeer bequaam is om de aanslagen der roovers en der minnaars te bedekken. Zoo [p. 233] haast als zy zag dat den Hemel alreede met eenige starren bezaaid was, en datse haar met duisternisse bedekten, zoo lietse zonder eenig uitstel een schildknecht en een staatdochter, dieze om beur groots getrouwigheid zeer beminde, bij haar komen; daar na heur een gedeelte van haar voornemen verklaard hebbende, hieldse hun de reden van haar vertrek verburgen; veinzende dat het een nieuwe gelegendheid was die haar daar toe verplichten. Terstond bereide haar de getrouwe schildknecht al ’t gene hy tot deze vlucht noodig oordeelden. Ondertussen trok zy haar rijke tabbaard uit, die haar tot op de hielen sleept, en vertoond zulken volmaakten gestalte, alsmen zich zou kunnen verbeelden, zonder dat iemand anders, als haar staatdochter, haar hielp toerusten. Haar vergulde lokken en schoone boezem wapenen haar met een hard en zwaarwigtig staal, ’t gene haar aan alle zijden pijnlijk drukt, en haar tederen arm bedekt zich met een te lastigen schild voor haar. Zij aldus met glinsterend en gepolijst ijzer omringd, doet meer als haar kunne toelaat, en tragt haar gelaat in dat van een Krijgsheldin te hervormen. Ondertusschen lacht de Liefde, die daar tegenwoordig is, van vreugden, gelijk hy eertijds deed doen den onverwinnelijken Herkles, door hem, gedwongen wierd om een vrouwen kleed aan te trekken. O met wat moeiten draagtse de last, voor haar krachten veel te zwaar! Al ’t gene zy in deze toerustinge doen kan, is al slepende voort [p. 234] te gaan tot daar heur paard haar vertoefd, en echter moetse noch op heur staatdochter leunen. ’t Is waar dat de hoop en liefde haar zwakke leden, van een ander zijde nieuwe krachten bijzetten. Eindelijk, na dat zy by haren schildknaap gekomen is, stijgenze te paard, en rijden met hun drijen, aldus vermomd, door de afgelegenste wegen. Evenwel ontmoet haar veel volk, die haar wapenen bekennen in de duisternisse van de nacht, welk de glans schijnt te vermeerderen, haar echter niet durven ophouden; maar in tegendeel is’er niemand die voor haar niet wijkt en plaats maakt onder de mening diemen heeft dat het Klorinde is, wiens witte rijrok, haar in de duisternisse, bekend maakt. Ondertussen beefd Hermine, en word even als een roozelaar geschut, wanneer het geweld der winden die bestookt, zulk een schrik heeftse van ontdekt te worden: zoo datse nu uit haar groote stoutmoedigheid een oorzaak van schrik trekt. Maar deze vrees verdubbeld noch meer, wanneerze by de poort komt; en om den bewaarder beter te bedriegen, tot hem spreekt; Doet open, ik ben Klorinde, die van’s Konings wegen ga daar zijn Majesteit my tot zijn dienst gezonden heeft. Hermines steim, die Klorindes gelijk was, deed hun terstond geloven dat zy ’t zelf was; te meer, alzo’er geen schijn was dat op zo een uur een zwakke vrouw, die niet gewoon was de wapenen te voeren, die van Klorinde zou genomen hebben om haar te vermommen. De portier gehoorzaamden [p. 235] haar terstond, zoo dat zy daar op, met de twee die haar vergezelschapten, deur ging. Zy daalden toen tot haar verzekering na de valeyen, en reden die deur afgelegen wegen door. Maar zoo ras als Hermine haar in de vlakten bevond, en in een plaats daar zy geloofden datmen haar niet meer op kon houden, verzekerd zijnde datse de eerste prijkelen al verby was, zoo reedze zoo haastig niet als te voren, en dacht nu op die dingen daarze te voren noch niet op gedacht had. onder deze ongeneugten vond zy nooit zoo moejelyke ongemakken als van haar verhaaste begeerten: dan verbeeldenze haar dat het voor heur een groote dwaasheid was, zoo als een krijgsman vermomd, onder de vijanden te gaan: en dan wilze haar weder niet ontdekken, voor datse in de tegenwoordigheid van haren minnaar is. Want de grootste begeerten dieze heeft, is om hem in ’t heimelijk aan te spreken, zoo veel als de vrymoedigheid en de wetten der eerbaarheid haar konnen toelaten. Zy door deze tegenwoordige dingen voorzichtiger geworden zijnde, houd stal, en spreekt aldus tot haren schildknaap; ik heb een groote begeerte dat gy my tegenwoordig betuigd hoe bequaam en getrouw dat gy zijt: gij zult ’er my proeven van geven, indien gij als een voorbode van mijn komst by Tankredo in zijn hut gaat, om hem het van mijnent wegen te verwittigen. Even als u geen volk zal gebreken, die u zullen aanbieden om derwaards te leiden, zult gy hem aandienen, zoo [p. 236] haast als gy by hem gekomen zijt, dat een Maagd, die gy niet noemon zult, by hem zal komen om zijn wonden te verbinden. Eindelijk, datse niet als vrede verzoekt, om dat de liefde de eenige vijand is, die haar den oorlog aandoet; en op dat door deze middel den eenen zijn gezondheid verkrijgt, en d’andere verzachting voor zijn quaal. Maar boven al verpligt zijn beleefdheid u te beloven dat hijze in zijn beschutting neemt, en belet dat haar geen ongemak aangedaan werd. Dit is al de vergelding die zy daar af verwacht. En zo hy by geval u naar mijn naam en hoedanigheid vraagd, zoo antwoord hem niet anders, als dat ik een vreemde maagd ben, die ’er werk maakt van wonden te genezen: Haast u dan, en komt hier weder by my, daar ik u verwachten zal. Dit was het gene dat Hermine tot haar schildknaap sprak, die terstond, te viervoet voord renden, om te doen ’t gene hem geboden was: waar in hy zich zoo eerlijk en naarstig queet, datmen in weinig tijds hem in ’t leger zag aankomen, daar hy in de hutte van Tankredo geleyd wierd, die om verzachting van zijne wonden, te bedde lag. In’t aankomen ontfing hem den Ridder met een goed gelaat, en verbeeldende terstond in zijn zin duizend twijffelachtige gedachten, trachtende t’ondekken van wie hem deze gezantschap quam. Maar den schildknecht hem daarop verlatende, keerden wederom den weg naar Hermine, om haar te verzekeren van het woord dat den Ridder haar gegeven had, [p. 237] en dat zy daar zeer welkoom wezen zal, zonder iets te vreezen. Ondertussen betuigdse, in ’t vertoeven, zoo grooten onverduldigheid, dat ijder oogenblik haar honderd jaar duurd, zoo verdrietig en onverdraaglijk is haar dit uitblijven. Naauwlijkx is hij niet vertrokken, of zij teld al de treden die hy doen moet om daar te komen. Nu komt hij ’er aan, spreektse in haar zelven, nu treed hy binnen, en nu begeeft hy zich op weg om weder te komen. Maar alzoo den schildknegt, in deze boodschap gedwongen is wat langer te dralen als hij wel wilde, hoewel hem dat genoeg mishaagden, zoo nam Hermine voor haar altijd voord te gaan, om tijd te winnen, zulkx dat zij eindelijk van het top van een kleinen heuvel, de tenten der vijanden begon te zien. Bij geluk was deze nacht zoo helder, dat de starren klaar aan den Hemel schenen, zonder dat daar eenen wolk zich tegen stelden: hier by schoot de Maan met al haar klaarheid naar beneden, en vermengden onder haar stralen de kleine druppelen van den daauw, diemen voor Oostersche peerlen zou aangezien hebben. De verliefde Princes spreiden toen al haar vlammen uit, d’een na d’ander, op het voorbeeld van dieze in den Hemel aanschouwden. Daarna vertelde zy, onder de gunst van de duisternis, haar oude vrijaadje aan de plaatsen daar zij doortrok, die onvermurwelijk en doof voor hare klachten waren. Daar op haar oogen na het leger keerende, sprakse; Schoone Tenten, die [p. 238]*mijn oogen zoo aangenaam zijn, ik moet bekennen, dat van de zijde daar gij staat, een wind van daan komt, die mij verzafting en versterking toebrengt. Ziet daarom bid ik den Hemel, dat hij mijn leven eenige eerbare rust toevoegd, gelijk het waar is, dat ik die niet als by u en zoeke, want ik niet geloof, dat ik die elders, als in ’t midden der wapenen, vinden zal. Ontfangt mij dan, ik bid u, en maakt het zoodanig dat ik zelf in u het gevoelen van medelijden ontmoet, daar de liefde mij beloofd heeft deelgenoot van te maken, en die ik eertijds smaakten toen ik van de beleefden Ridder, die ik voor mijn Heer erken, gevangen was. Het is de begeerte niet die ik heb om mij wederom in mijn Koningrijk te bevestigen, ’t gene mij verplicht om uw gunst te verkrijgen; want als dit niet geschieden zal, zoo zal ik echter mij altijd gelukkig achten, den genen maar te mogen dienen, die gij in uw beschutting hebt. Met deze redenen onderhield haar Hermine, die ondertusschen niet voorzag het gene haar het slinx geval brouwden. Zoo als zij op een plaats stond daar het schijnsel van de maan, recht op haar glinsterende wapenen en zilverlaken wapenrok neêrstraalden, zou ijder een haar voor Klorinde aangezien hebben; te meer, alzoze door den tijger, die op haar helmkam staat, noch meer uitsteekt. Het was dan haar ongeluk, datse door Alkander en Polifernus, alle beî gebroeders van Italiaanse landaard, ontdekt wierd, en die toen de hoofdwacht [p. 239] geboden, die daar gesteld waren, om te beletten dat ’er geen vee in de Stad geraken zou. En zoo den schildknaap dit beletsel niet ontmoet heeft, is dat zijn voorzichtigheid hem daar van bevrijd had, door dien hij wat verder omweg genomen heeft. Polifernus, de jongste van de twee broeders, gedenkende hoe dat, sedert weinig tijds, zijn oogen getuigen hadden geweest van de rampsalige toeval van zijn Vader, die Klorinde, in een uitval, die ’er geschied was, gedood had; van zoo verre als hij haar wapenrok zag glinsteren, rende hij met lossen toom na haar toe, en door een razende honger van wraak aangevoerd, begon hij te roepen; Sla dood, sla dood; dit zeggende, trachten hij haar te treffen met een slag, wiens kracht verloren verbij ging. Even als een dorstige hinde, die, door geweldig loopen, tracht een fontein*te vinden, of een heldere bronader, die van een rotsteen afvloeid, of wel een schoone revier, wiens kanten met een aangename groenten bedekt zijn, alle haar dorst vergeet, zoo ’t gebeurd datse haar van een troep loopende honden nagejaagd ziet, die het dwingen de vlucht te nemen, wanneer het op ’t uitterste is van zich te vervarssen, en onder de schaduwen te rusten. Alzoo verliet nu de ellendige Hermine, vol van schrik, haar zelven en haar verliefde begeerten, toenze den vijand ontdekten, die zich daar tegen stelden, en het gerucht der wapenen daar zij waanden van gedreigd te zijn. Zij gaf dan [p. 240] haar paard de sporen, met een uitstekend leedwezen datse haar hoop zoo vernietigd zag, toenze een weinig verlichting verwachten van de liefde die heur hert in een vlam ontsteekt, en dat het goed onthaal van haren Ridder de ongeneugten van haren geest wat bevredigen zou. d’Ongelukkige Princes vlucht aan d’een zijde, en haar staatdochter aan d’andere, terwijl dat Polifernus haar, met een bende krijgsknechten vervolgd. Den schildknaap komt ook op de zelve tijd, en bevind dat hij al te lang vertoefd heeft om tijdinge te brengen, zulkx dat hij, als d’andere de vlucht neemt, makende een krijgsgeschrei door het geheele leger. Maar de voorzichtigste van de twee broeders, die zoo wel gezien had als d’andere, de gene die hij Klorinde waande te zijn, wilde haar niet vervolgen, en hield voor de wacht stand, om te beletten dat ’er geen vee voorbij raakten. Daar op zond hij terstond in’t Leger een van zijn soldaten, om te verkondigen, hoe dat Klorinde daar gekomen was om haar te verspieden, en dat zijn broeder haar vervolgden: en dat ’er eindelijk weinig schijn was om te gelooven, dat zij, die in de Stad de plaats van een Opperhoofd, en niet van een slecht Soldaat, bekleeden, daar zoo laat en zoo qualijk vergezelschapt, niet gekomen zou zijn zonder een grooten aanslag te hebben; dat hij ’t Godefrooys voorzichtigheid bevolen liet, om order te stellen na dat hij het zou goedvinden, en dat hij al doen zou wat hem geboden [p. 241] wierd. Deze tijdinge eerst in de Italiaanse legerplaats gekomen zijnde, kreeg ’er Tankredo de lucht van overwegende wat hem flus den schildknaap geboodschapt had: door een nieuwe achterdocht gequeld, spreekt hij in zich zelve; zeker het is mogelijk Klorinde, die leedwezen hebbende van mij voor dezen zoo qualijk gehandeld te hebben, haar om de liefde van mij in gevaar begeven heeft. Op deze beroeping staat hij op, hoe gequetst dat hij is, en neemt een gedeelte van zijn wapenen: daar na zonder iemand een woord te spreken, stijgt hij te paard, en door verscheide vermoedingen, oordeeld hij ten naasten bij wat weg dat die voor uit zijn, genomen hebben en vervolgd haar al rennende na.
Continue
[
Frontispice canto 7]
[p. 242]

TORQUATO TASSOOS

Verloste

JERUZALEM.

Het zevende Gezang.

INHOUD.

HErmine vlucht en word van een harder wel onthaald. Tankredo, wanende datse Klorinde was, vervolgd haar en valt in Armijdes lagen. Argant ontzeid weder de Kristenen, en beschuldigd Tankredo van lafhartigheyd, dat hij haar verschil niet komt eindigen. Den Grave Reimond bied aan in zijn plaats te treden, en door zijn goeden Engel geholpen, krijgt d’overhand op hem. Bloedige vermenging der Kristenen en ongeloovige, door de snoodheid van Belzebub aangevoerd.

De vluchtige Hermin’ raakt eindlijk in een woud,
    Bij een Schaapherders rei, die haar weêr wat verquikken;
Tankredo die haar volgd en voor Klorinde houd,
    Valt, door zijn liefden, in Armijdes looze strikken.

[p. 243]
(5) Den trotsen Argant daagd de Franssen weér in’t veld,
    Beschrobt Tankredo van lafhartigheid in’t strijden:
Maar Reimond, d’ eedle Graaf, die in zijn plaats zich steld,
    Drijft hem, door ’s Engels hulp, te rugge aan alle zijden.
Hier op ontstaat in’t veld een bloedig wreed gevecht,

(10) ’t Geen Belzebub, dien geeft , zoo helsch had aangerecht.

EIndelijk geraakten de vluchtige Hermine in een oud bosch, daar zij in de duisternis der boomen bij geval het gevaar, ’t gene noch kort te voren haar dreigden, ontquam: want de vrees die haar van alle zijden vergezelschapt en veel eer dood als levend maakt, laat haar met een bevende hand den teugel van ’t paard ontslippen. Zij aldus door onbekende paden gevoerd zijnde’, geraakt uit het gezicht van hare vijanden, die van haar te vervolgen aflaten, ziende dat haar moeiten maar vruchteloos waren. Gelijk als de honden, na een lange en moejelijken loop, heel vermoeid en buiten adem weder keeren, indien het gebeurd dat zij den weg verloren hebben van’t beest ’t geenze met kracht naspoorden, en dat in een dikke doornheg geraakt is, even alzoo zijn onze Ridders gedwongen weder te keeren, niet minder door vermoeidheid verzwakt als vol van spijt en schaamte, [p. 244] om datse Hermine niet hebben konnen aantreffen. Ondertussen houdse niet op van voort te rennen; zoo van schrik en vrees ontsteld datse het hoofd niet darf omkeeren en zien ofse noch vervolgd word: van duizend ongenuchten gequeld, rijdze de geheele nacht en den anderen dag, zonder noch raad noch leidsman te hebben, noch zonder ontrent haar iets te hooren ofte zien als haar tranen en zuchten. Maar eindelijk op die tijd als de Zon haar paarden uit de wagen spand om zich in de zee te dompelen, komtse aan de Jordaanstroom en zet haar voet ter aarden, van meining zijnde op haar aangenamen oever te rusten. Hier onderhoudse haar niet als met haar rampspoed, en de tranen zijn al haar wellustigheên daar zij naar haakt: ondertussen bevangt haar de slaap, die de alderzoetste betoovering der sterffelijke menschen is om hun ongenuchten te doen vergeten, bedekkende haar en haar gevoelen, met zijn vreedzame en duistere vleugelen. Echter laat de liefde, om alle deze dingen, niet haar met verscheide droomen en gezichten t’ontrusten: hij is degene die te weeg brengt datse, in haar inbeelding begraven zijnde, niet eer ontwaakt, voor zij het zingen der vogelen, die de schoone morgenstond begroeten, en het geruis der wateren en ’t ritselen der boomen hoord, die zoetjens door den adem der weste winden, die met de bloemen speeld, bewogen worden: Toen opende zij haar quijnende oogen, en zag in deze eenzaamheid niet [p. 245] als arme hutten van harders, daar van zij de stem scheen te hooren, die zich in ’t geruis der baren en schuddende takken door de wind bewogen, vermengden om haar tot zuchten en nieuwe droefheyd te noodigen: maar in het hevigste van hare klachten worden die afgebroken door een verwerd gerucht, ’t gene zij in ’t begin niet kon onderscheiden, tot datse geluisterd hebbende, inder waarheid oordeelde dat het harders waren, die spelende, haar stemmen voegden onder’t bosgeluid van haar fleuiten en ruispijpen, Zij opgestaan zijnde ging zoetjens na haar toe, en zag niet verre van haar een eerwaardige grijzerd onder de schaduwen gezeten, van waar hij zijn kudde zag weiden, hoorende drie jonge harders zingen, terwijl hij teene korfkens maakten: zoo ras alsse Hermine gewaar wierden, en dat de glans van heur wapenen haar verblinden, zoo wierdenze van vreeze en verschrikking bevangen, om datse niet gewoon waren onder personen zou toegerust, te verkeeren: maar om haar moed te geven groete zij haar beleefdelijk, daar na heur blonde lokken en schoone oogen, daar de min en zijn Majesteit in blinkt, voor haar ontdekkende, sprakse tot haar; gij harders, die men wel waarlijk gelukkig, en van den Hemel bemind mag noemen, laat om mijnent wil uw eenvoudig vermaak niet achter: Want deze wapenen daar gij mij mede bedekt ziet, begeren niet als vrede, en gij behoefd niet bevreesd te zijn [p. 246] datse u het minste ongemak aandoen zullen. Na datse dien goeden grijzerd met deze reden had bejegend vervolgdenze, maar zegt mij, mijn vader, hoe dat het mogelijk is dat gij hier zoo vreedsaam in deze gewesten zijt? vreesd gij de moedwilligheyd der soldaten niet, nu dat zoo een bloedigen oorlog aan alle zijden ontsteken is? Mijn zoon, antwoorden den grijzerd, tot noch toe hebben mij de Goden zoo veel genade gedaan, datse mijn arme kudde en klein huisgezin tegen alle overlast behoed hebben. Deze afgelege plaatsen zijn van het razend krijsgeschrey van Mars altijd bevrijd geweest. Hier heeft het ongerust gerucht onze vreedzaamheid noch niet verstoord, ’t zij dat ons dat door een bijzondere gunst van den Hemel toekomt, die zorg voor onze onnoozelheid draagt, of’t zij dat het geweld der uitheemsche wapenen onder ons niet heeft te bespringen, als d’opgeblaze hoofden der groote Koningen: gelijk wij zien dat den donder veel eer de hooge bergen als de lage dalen treft. Ook is ’er weinig schijn dat de soldaten die gemeinelijk heet na roof zijn, die bij onze armoede zouden zoeken: en echter hoe zeer datse van anderen veracht word, zoo bemin ikse zoodanig dat ik die niet wilde verwisselen voor al de kroonen en scepters en al de schatten van Azien. Sedert dat ik mij zelven heb leeren kennen, zoo hebben, noch de gierigheid, noch de eerzucht, noch de moejelijke zorgen nooit de gerustheid van mijn ziel ontrust. [p. 247] Zoo ik dorst heb dan verkoel ik die met fris water, zonder dat ik vreeze dat men daar fenijn in doen zal om mij te vergeven; voort hoef ik van ’t overige tot mijns levens onderhouding niet te koopen, want mijn kleinen hof en mijn vee verschaffen mijn tafel overvloedig genoeg van ’t gene dat noodig is; en alzoo ik mijn begeerte met weinig dingen vergenoeg, zoo heb ik ook weinig dingen van nooden om vergenoegd te leven; die jonge harders die gij ziet zijn mijne kinderen die voor mijn vee zorge dragen, ziet daar ziet gij al de dienaars die ik heb, en hoe ik mijn leven in deze eenzaamheid doorbreng, daar mijn oogen door vermaak betooverd worden, wanneer ik de kleine lammerkens rond om heur moeders zie huppelen, dejongen der hinden in ’t woud opspringen, de vissen in ’t water spelen, en de vogelen haar verscheiden verwige vleugelen in de lucht uitspreiden. Het is waar dat ik bekennen moet, dat ik eertijds wel hooger gedachten had als die der harderen, toen ik in een ouderdom was die den mensch door een frisse jeugd verwarmd en tot de dwaasheid dezer wereld vervoerd: ik kreeg een afkeer van ’t landleven, en begaf mij heimelijk uit mijn geboorteplaats, om in groot Kairo te gaan wonen; hier zag ik het hof van den grooten Soudaan, en wierd gesteld in den staat van een zijnder hofdienaren: doch hoewel mijn hoedanigheid van de minste was en dat ik maar voor Tuinman dienden, echter bespeurden ik de snood- [p. 248] heid wel die in de hoven der Vorsten in zwang gaat: maar door een onzekere hope bedrogen zijnde, was ik gedwongen een geruimen tijd de dingen die mij het onaangenaamste waren te verdragen: maar als ik zag dat de hope, de jongheid en de moed mij begaven, als doen begon ik het geruste leven te beklagen en de vreedzaamheid te begeren, die ik in de eenzaamheid gelaten had: ik scheiden toen van ’t hof om weder in deze aangename verblijfplaats te komen, daar ik sedert zeer gelukkig geleefd heb.
    Terwijl dat dezen ouden harder op zoo een wijze tot Hermine sprak, hoorde zij hem aandachtig aan, zonder een woord van ’t gene hij tot haar sprak te vergeten, want deze wijze reden maken haar zoo opgetogen en dringen zoo diep in haar ziel, datse machtig zijn om een gedeelte van hare ongenuchten te stillen: zulkx na datse een langen tijd overleid heeft watse doen zal, zoo neemtse voor haar, daar eenigen tijd te verblijven, wachtende tot dat een gunstige gelegentheid haar middel geeft weêrom te keeren. Helaas spreektse tot hem, wat zijtge gelukkig mijn vader, dat gij door ondervinding geleerd hebt, hoe veel ongevallen het menschen leven onderworpen is? dat den Hemel ons nooit zuik een gerusten wijze van leven benijde! al ’t gene ik van u te bidden heb is, dat gij medelijden met mijn rampzalig ongeval hebben wilt, en mij met u in deze aangename woonplaats ontfangen: mogelijk zal het gebeuren dat door deze [p. 249] middel, in deze eenzame schaduwen, mijn hart haar ontlasten zal van de droevige ongenuchten die het verdrukken, en zoo gij genegentgeid hebt tot rijkdommen, die de gemeene zoo achten datse die als beelden aanbidden, ik meen dat ik hier groote genoeg heb om uw begeerte te voldoen. Op deze woorden kon zij haar tranen niet weêrhouden en begon hem een gedeelte van haar geschiedenis te verhalen, waar door den armen harder zoo bewogen wierd dat hij met haar begon te schreien. Daar na trachtende om haar te vertroosten, en haar t’ontfangen met al het goed onthaal dat hij doen kan, leid hij haar bij zijn vrouwe, die alreede bejaard zijnde, met hem haar dagen op zoo een wijze van leven doorbracht. d’Ongelukkige Princes sloeg toen een deel oude vodden om haar lichaam, en hulden haar met een hard en grof linnen hultsel, ’t geen echter de brave glans van haar oogen noch haar schoon wezen en verheven gedaante niet verminderden: want men zou terstond geoordeeld hebben, dat zij iets heeft ’t gene de hoedanigheid der personen, die maar gewoon zijn in de eenzaamheid en inde bossen te verkeeren, verre te boven gaat. Zij heeft haar licht met deze arme kleeren te vermommen; maar dat is niet machtig om de majesteit die op haar aangezicht straald uit te wissen. Echter om haar tijd door te brengen, zoo verachtse niet ’tgene het bouwwerk aangaat, en slaat zelf de hand aan de moeilikste dingen. In plaats van den scepter [p. 250] vatse den schaapharders staf in de hand, drijft het vee voor haar heen en leid het weder in de stalling: hier bij doetse de moeiten van ’t melken en wringt die om kaas te maken; dikmaals graveerd zij, in ’t heetste van den zomer wanneer de schapen onder de schaduwen te rust leggen, op duizendderlei wijze in de teere schorssen der beuke en lauwrieren de letteren van haar minnaar, en doet de boomen de teikenen van haar liefde, wiens uitgang voor haar droevig en ongelukkig is, dragen: hier op alsse begint te herlezen ’t geenze geschreven heeft, dan is ’t haar onmogelijk datse den loop van hare tranen ophoud. Welbeminde boomen spreektse al schreiende, ik bid u, behoed in uw schors deze beklagelijke geschiedenis, op dat, indien het t’eeniger tijd geschied, dat eenig getrouw minnaar hier voorbij gaat, en zich onder uw aangename schaduwen wat rust, hij zijn hart tot medelijden voeld bewegen, wanneer hij den staat van mijn verscheiden toevallen zal verstaan; en ik ben verzekerd na dat hijze wel overwogen zal hebben, dat hij zeggen zal; waarlijk de fortuin en de liefde hebben zoo grooten getrouwigheid wel qualijk erkend, maar zoo den Hemel de gebeden van een sterffelijk mensch ooit gunstig geweest is, zoo geloof ik dat hij nu de mijne verhooren zal; en dat ’er eenigen dag komen zal dat den genen, die mij mogelijk nu veracht en mijners niet gedachtig is, komende zijn oogen op de vergangelijke overblijfselen van dit lichaam te slaan, [p. 251] het niet eenige tranen en zuchten weigeren zal, tot de laaste vergeldingen van de geleden smarte: door die middel zal ik deze troost hebben, dat mijn geest na mijn dood veel gelukkiger zal zijn als mijn hart geduurende mijn leven geweest is, en dat mijn koude assche bij haar vlam gevoegd, een ding bezitten zal, daar het vermaak haar nu van verboden is.
    Dit waren de klachten die de verliefde Princes aan de boomen deed, die tot medelijden onbeweechelijk waren, ende de tranen die het waardig herdenken van den vromen Tankredo haar uit d’oogen trokken. Ondertussen wend hij zijn gedachten op een ander, en na dat hem de fortuin geleid, volgd hij een heel anderen weg als die Hermine genomen heeft. Zoo als hij haar niet met vollen ren volgen kan, door de duisternis van de nacht, geraakt hij onverziens in een bosch, daar de boomen zoo dicht staan, dat hij niet en weet waar hij door zal komen, noch op wat wijze om weder op den grooten weg te geraken. Als doen beraamden hij dat het best waar, dat hij aan alle zijden toeluisterden, op hoop dat hij mogelijk eenig gerucht of van wapenen, of van paarden hooren zal; waar op zijnen geest zoodanig werkt dat, in ’t midden van deze vrees en twijffelachtigheid een eenig windje, of eenen vogel die maar een weinig de takken der boomen beweegd, machtig is oin hem te doen gaan daar hij het minste gerucht schijnt te hooren. Eindelijk geraakt hij uit het bosch en houd niet op van door [p. 252] onbekende wegen voort te gaan, tot dat hij onder gunst van de nacht in een plaats komt, daar hem een zeker geruisch roept, ’t gene hem van ver in de ooren raast: hier ontdekten hij een rotsteen daar een klare springbron uitsprong, die met groote, golven neérstortende een revier maakten, wiens kanten met een aangename groente, door de gespikkelde bloemen vercierd, bedekt waren: in ’t aankomen stond hij stil, en begon zoo hard te schreeuwen als hem mogelijk was, om te zien of hij geen middel vinden zou om uit dit lijden te geraken; maar daar is niemand als de eenige echo die hem antwoord. Een weinig daar na zag hij de schoone morgenstond verrijzen, die met een helder wezen verscheen, strooiende op den Horizon haar lelien en rozen; echter is haar klaarheid niet. machtig om hem te vertroosten; maar in ’t tegendeel bedroefd hij hem meer als ooit te voren, en vergrimd: zich tegen den Hemel, om datse hem de hope beneemt om die grooten aanslag te verkorten die hij voorgenomen had te wagen. ’t Is waar indien hem iets vergenoegd, dat het den eed is, die hij gedaan heeft om zijn beminde te wreken, indien zij eenig ongelijk ontfangt. Hier op neemt hij voor hem, hoewel hij niet wel verzekerd is om den weg na’t leger te vinden, zich op weg te begeven en weder te keeren, op wat wijze dat het zij, hem indachtig makende, dat den dag naakten waar in het gevecht tusschen hem en Argant moet geeindigd worden: hij [p. 253] vervolgden dan zijn reis door een onbekenden weg, daar hij een looper scheen te hooren die zijn best deê om voort te raken: eindelijk ontdekten hij inder daad, uit een dal een man te paard gezeten, hebbende een roede inde hand en een horen aan een sluyer hangen, op de wijze der boden: Tankredo hem de weg na ’et Kristen leger gevraagd hebbende, antwoorde hij in Italiaans, daar ga ik nu na toe, want ik ben van wegen Bohemond afgevaardigd. d’Uitnemende begeerten die den Ridder in ’t eerst heeft om nieuwe tijdingen van zijn oom te hooren, maakt dat hij nergens achterdocht op heeft, en den genen, die hij een van zijn loopers waand te wezen navolgd: op deze schijn vervolgd hij hem, tot ontrent die tijd, wanneer de Zon haar in die breeden en diepen afgrond schijnt te storten, die tot verblijfplaats van de nacht besteld is: beiden quamenze in een moerrassige plaats, van het welke zij een groot kasteel zagen, ’t gene door zijn natuurlijk gebouw onwinbaar was, boven dien dat de kunst niets vergeten had om het te versterken: terstond begon den looper zoo hard op zijn hoorn te blazen als hem mogelijk was, invoegen dat men een brug van de sterkte zag neêrdalen; dit gedaan zijnde, spreekt bij, om Tankredo meer moed te geven; Ridder, indien gij een Italiaan zijt, dan moogt gij hier de nacht zonder iets te vreezen, vrij doorbrengen, want het is geen drie dagen geleden dat den Grave van Kozenzen deze plaats van de Hei- [p. 254] denen genomen heeft. Tankredo hem dus hoorende spreken, kreeg eenig quaad vertrouwen, niet kunnende gelooven, of in zoo een sterk kasteel leggen eenige verburgen lagen: echter toond hij geen anderen schijn, als hij in zulke gevaarlijke toevallen gewoon is; ook begeerd hij, in wat plaatse dat hem zijn fortuin, of zijn eigen drift geleid, dat zijn zwaard hem den weg opend: en zoo hij nu niet kan besluiten om daar te blijven, noch om hem in een nieuwen aanslag te begeven, het eenige dat hem belet, is het verbond dat hij gemaakt heeft, om den strijd met Argant t’eindigen, die hij alreede begonnen heeft. Hij bleef dan stil bij ’t kasteel staan, in een beemd daar de valbrug op neêrdaalden: daar na ziende dat zijn leidsmar hem drong om binnen te gaan, weigerden hij het en toonden hem dat het gants zijn voornemen niet was: ondertussen verscheen op de brug een groot Ridder, met alle stukken gewapend en een hoovaardig en wreed gelaat; hij had het zwaard in de vuist, en toonden door zijn wezen dat hij den strijd zocht: met dit voornemen wende hij zich na Tankredo, en scheen hem met dreigende redenen toe te spreken; wie gij ook zijt, sprak hij tot hem, die door uw noodlot, of uw wil hier geleid zijt, weet dat deze doodse plaatsen van Armijdes rijk zijn, daarom denkt dat gij ’t niet zult konnen ontvluchten, en schikt u toe dat gij hier uw wapenen en uw paard laten moet; gij zult beter doen het gewillig te verlaten dan het te [p. 255] verdadigen: wel aan dan steekt uw handen uit en lijd dat men die vast bind en u de persoon die hier gebied gevangen leverd: gaat in dit Kasteel, op voorwaarden, door haar ingesteld voor al de genen die hier aankomen, van nooit de helderheid der Zonne weêr te zien, noch door langheid van tijden, noch door eenige verwisseling van ouderdom die haar gebeurd; hier van kond gij niet bevrijd zijn, indien gij u niet door eeden verplicht, dat gij uwe wapenen bij die van d’andre helden voegen zult, en die voeren tegen al die in Kristus gelooven. Tankredo hem zoo moedwillig hoorende spreken, beziet hem van dichter bij en bekend hem eindelijk, zoo wel door zijn reden, als zijne wapenen, dat het die zelve Rambout is, die uit het leger met d’andere, om Armijde te volgen, vertrokken is, en seder ter liefde van haar heidens geworden zijnde, door haar gebod, deze vervloekte wetten onderhield, die men in dit kasteel bewaarden. Hij hem met een aangezicht van een heiligen ijver ontsteken, aanziende, antwoorde hem; ontrouwe Godd’loos als gij zijt, ik ben Tankredo, die het zwaard niet op heb genomen dan om d’ongeloovige te bestrijden, en het geloof van mijnen Schepper staande te houden, dat gij zoo schelms verlaten hebt; door die goddelijke kracht heb ik zoo dikmaals. de moedwilligheid van hen die gij navolgd, in tegen hem op te staan, gestraft: dezen arm die gij ziet, is de zelve die den Hemel heeft believen te verkiezen, [p. 256] om op u de wraak te nemen. Op de naam van Tankredo, bleef den verrader Rambout heel verzet en beschaamd, echter de vrees die hem beving ontveinzende, vervolgden hij; rampzalige gij zijt wel stout dat gij hier komt, daar gij niet kond als een treurig einde van uw leven verhopen. in deze plaats zal ter neder gewurpen worden, die dapperheid die u voor dezen zoo machtig en gevreesd gemaakt heeft: en zoo ik bijgeval geen heel ander mensch ben als ik gewoon ben te wezen, echter moogt gij verzekerd zijn dat ik terstond dat hoovaardige hoofd van uwe schouderen slaan zal, om dat voor een gift aan uw medegezellen te schenken; zoo sprak den verloochende, trachtende daar door den kloekmoedigen Tankredo te verschrikken. Maar terwijl de nacht zoo genaderd was, dat den er den ander zich niet bekennen kon; zoo zag meri terstond zoo grooten getal van tortsen verschijnen, dat de lucht zoo verlicht was als op den vollen dag, het kasteel glinsterden van alle zijden als een prachtig tooneel, daar geduurende het verciersel van de nacht, droevige geschiedenissen vertoond worden. Op’t hoogste is Armijde gezeten, die zonder gezien te zijn, alles zien en hooren kan ’t gene beneden geschied.
    Geduurende deze dingen, bereiden den zeeghaftigen Prins zijne wapenen en zijn moed, om deze twist te beslechten, hoewel hij zoo wel van zijn wonden niet genezen was, als de tegenwoordige gele- [p. 257] gentheid vereisten: maar zoo als hij ziet dat zijn vijand te voet is, en dat hij met den helm op ’t hoofd, het zwaard in de vuist, en wel met zijn schild bedekt na hem toe komt, zoo stijgt hij van ’t paard, om geen voordeel op hem te hebben, hem tegen tredende met zoo dreigende gezicht, als zijn stem schrikkelijk is; den anderen treft hem desgelijkx aan, en de schijn makende als of hij hem in ’t gezicht wilde slaan, wend den slag af en brengt die elders; maar Tankredo die van langer hand het ambacht der wapenen wel bewust is, ontbreekt geen bequaamheid om hem te rug te drijven; het is waar dat hij zich een weinig zwakker als naar gewoonte bevind, zoo wel ter oorzaak van zijne wonden als door de moeiten die hij ał de nacht gedaan heeft om de schoone Hermine te vervolgen: echter is deze vermoeidheid niet bij zijn dapperheid, die hem stoutmoedig tegen zijn vijand aanvoerd, en zoo dicht bij houd, dat den ongeloovige niet weet na wat zijde hij hem keeren zal; hij houd hem het zwaard recht voor het deurzicht, en bespringt hem met een wonderlijke behendigheid; na de gevaarlijkste deelen brengt hij zijn voornaamste slagen, en vergezelschapt die altijd met verwijtingen en dreigementen om hem noch meer te verschrikken; ondertussen wend zich Rambout na d’een en d’ander zijde, en gebruikt al zijn listigheid en gezwindheid, om zijn vijand met gelijke munt te betalen, nu behelpt hij zich met zijn schild, en dan [p. 258] weder met zijn zwaard, om zijn geweld onbruikbaar te maken: maar hij heeft dit goed te doen, want hoe behendig dat hij is om zich te dekken, Tankredo is noch veel meer afgerecht om hem te treffen; alreede is zijn schild aan stukken, zijn helm ор verscheide plaatsen geblutst, en zijn harnas geheel bebloed, zonder dat een van de slagen die hij Tankredo gebrocht heeft, hem het minste ongemak heeft veroorzaakt, zoo behendig heeft hij hem getoond in die af te keeren. Men moet dan niet verwonderd zijn indien Rambouts hart en gewisse, door spijt en schaamte en vreeze ontroerden, nu hij zich zoo qualijk gehandeld ziet van haar, wiens liefde hem het Kristen geloove heeft doen verlaten: hierom voorgenomen hebbende zich als een wanhopend mensch aan te stellen, tracht hij tot de leste proef van zijn fortuin te komen: daarom grijpt hij in bei zijn handen het zwaard, ’t geen hij noch gants niet in het bloed van zijn vijand besmet heeft; maar nu weet hij hem zoo te treffen, dat hij hem een diepe wonde in de slinkse heupe geeft: na dezen slag, die om de waarheid te zeggen zoo gevaarlijk is, dat het starkste schild nier machtig, zou zijn die te wederstaan, geeft hij hem ’er noch een in ’t midden van ’t voorhoofd , zonder dat hij hem den helm blust, om datse van te fijnen stoffe is; echter is de kracht zoodanig dat hij; door ’t geweldig dreunen op zijn hoofd, geheel verdoofd blijft, en dat zelf de gespen aan stukken breken: door de spijt [p. 259] die den Prins hier van ontfangt, word zijn aangezicht als een vlam en zijn gezicht als een blixem; en boven dien dat hij op zijn tanden knarst, schijnt het dat ’er vonken uit het deurzicht van zijn helm stuiven. Den trouwlooze die dit bespeurd, en die het gezicht van zijnen vijand niet verdragen kan, sidderd van vreeze; hij hoord het zwaard gonzen, dat van boven neêrdaald, en beeld zich alreede in het bebloed dwers door ’t lichaam te hebben: zoo als hij tracht om die af te keeren, valt den slag op een marmorre pilaar, die dicht bij de brug stond, zulkx dat de brokken tot aan den Hemel vliegen: als doen beving een koud zweet het hart van dien verrader, die terstond de vlucht na die brug nam, daar hij al zijn hoop instelden om zijn leven te bergen; maar Tankredo vervolgd hem zoo dicht, dat hij hem alreede het zwaard op zijn lendenen houd, en zich verzekerd dat hij’t niet ontkomen zal. Op het punt dat hij daar moed op schept, zie, zoo worden zeer wel van pas, voor d’ongeloovigen, alle die toortsen uitgedoofd, af de starren verdwijnen, zonder dat ’er een aan den Hemel overblijft, Tankredo blijft door deze middel van al het licht beroofd en zelf ook van dat van de maan. Midden onder deze duisternissen van de nacht en deze verschrikkelijke tooverijen, kan hij den overwinnaar niet meer vervolgen, noch hem zien, noch geen ding rondom hem onderscheiden; na wat zijde dat hij zich keerd, gevoeld hij zijn voet niet vast staan, [p. 260] tot dat hij eindelijk door ’t veel struikelen tegen een poort aanstiet, die terstond achter hem toesloot wanneer hij ’t minst daar op verdacht was: zie hoe dat den ellendigen Tankredo zich in een plaats besloten vond daar hem de duisternis van de nacht van alle kennis beroofden: gelijk als de visch, die om ’t geweld der baren te schuwen, haar na een moerassige poel begeeft, aangelokt zijnde door het stille water, daar het gemakkelijker in als uit te komen is: ’t zij dat zoo vreemden gevangenis uit tooverij of diergelijke kunst onstaat, zoo veel is ’er af dat d’ongelukkige Prins die zijn zelf aandoet, en zich in een plaats besloten vind daar het.onmogelijk is om uit te komen: hij heeft goed te trachten om daar uit te raken; wat geweld dat hij doet om de poort te bewegen, en hoe sterk dat zijnen arm is, echter helpt het hem tot zijn verlossing niet. Eindelijk na dat hij vergeefs gearbeid heeft, hoord hij een stem die zich tot hem voegd, en om hem noch meer in bekommernis als te voren te brengen, spreektse tot hem; laat af, gij roept te vergeefs en zult niet vorderen, indien gij uit deze plaats meend te raken daar gij Armijdes gevangen geworden zijt: hier moet gij niet vreezen van te sterven, indien gij u niet wel kund verzekeren dat gij uw dagen en jaren in het graf der levende zult deurbrengen. Op deze woorden gaf dien onverwinnelijken held geen ander antwoord, dan dat hij in het diepst van zijn hart zijn zuchten en klachten [p. 261] hield opgesloten. Hoe dat hij meer op zijn ongeluk denkt, hoe dat hij meer verwonderd staat; en al ’t geen hij doen kan, is de liefde, de fortuin en zijn onvoorzichtigheid te beschuldigen, om datse haar op deze wijze hebben laten bedriegen: daar na hem bij zijn zelve vertroostende, zeid hij; ellendige als ik ben, dit zou mij een kleine zaak wezen alleen maar van het licht der zonnen beroofd te zijn, maar helaas ik verlies tegenwoordig het licht van een veel schoonder star; en ik weet niet of ik mij immermeer vinden zal in een plaats daar haar verliefde stralen de wolken van mijn droefheid zullen verdrijven. Van een ander zijde verdubbelden zijn ongenuchten, wanneer hij op den strijd met Argant begon te denken: zeker zeid hij in zich zelve, ik heb een onverbeterlijke mislag begaan, en ik bevind dat mijn vijand, in toekomende, al de reden ter wereld zal hebben om mij te lasteren: waarlijk ik ben scheldens waardig, en het is mij een eeuwige schande den gezetten dag verzuimd te hebben. Alzoo quelden hem de eer en liefde al t’effens door de vrees die hij heeft van d’eene te verliezen en d’andere niet te konnen aantreffen.
    Terwijl hij zich van zijn zijde bedroefde, arbeide Argant van d’andre, en achte het voor schande zoo gemakkelijk in ’t bedde te rusten: want zijn opgeblazen hart is zulken een vijand van de vrede, en zoo bloeddorstig en op eer verliefd, dat hoewel hij van zijn wonden noch niet genezen was, echter met [p. 262] ongeduld na den zesten dag verlangden; daarom veroorzaakten die zelve nacht, die voor den dag van’t gevecht quam, den eergierigen Heiden nieuwe ongenuchten. Hij is met zoo vierigen begeerten tot strijden bezeten, dat hij geheel de slaap verliest, zulkx dat hij hem van ’t bedde werpt om in ’t veld te gaan, hoewel de Hemel noch zoo duister is, dat hij bij na de alderhoogste toppen der bergen noch niet verlicht: op, op; mijn wapenen, zeid hij tot zijn schildknaap; die hem andere toebereid had als die hem van den Koning waren gegeven, en veel rijkelijker als d’eerste waren: terstond schoot hijze aan zonder die te bezichtigen, en hoe zwaarwichtig datse ook zijn, echter beletteze hem niet; maar zijn zwaard verwisseld hij niet, begerende geen ander als het gewonelijke, om dat het een oud lemmer van fijn staal en wel opgemaakt is. Gelijk als in de lucht een onnatuurlijke staartstar verschijnt, wiens schrikkelijke en bloedige staart de Koningrijken met nieuwe verwoestingen en besmettelijke ziekten dreigd, zulkx dat haar licht voor de grootste Monarchen doodelijk is; zoo verscheen die verschrikkelijke krijsheld op de straten; de glans van zijne wapenen verblinden al de genen die hem zagen, zijn oogen die hem in ’t hoofd dreven, van bloed en gramschap verhit, ademde niet als dreigementen uit, en op zijn aangezicht heeft hij, ik weet niet wat voor afgrijsselijkx, ’t gene als een voorteiken van de dood is. Daar is geen [p. 263] zoo stoutmoedigen dapperheid die van zijn gezicht en van zijn zwaard niet verschrikt. Want boven dien dat hij het bloot in de vuist houd, slingerd hij t’elkens over zijn hoofd, en te vergeefs in de lucht schermende geeft verschrikkelijke schreeuwen: dien Kriften roover, roept hij, die zoo verwaand is dat hij zich bij mij derf gelijken, zal wel haast onder mijn handen neêrstorten; ik zal ’t vermaak hebben hem op de buik te trappen, na dat ik hem verwonnen heb, en in het stof zien neêrleggen, daar zijn verwarde hairen van zijn eigen bloed zullen bezoedeld worden; wat betrouwen dat hij op zijn God heeft, het zal hem niet helpen, na dat ik hem in deze uiterste nood gebrocht heb, want ik zal hem ontwapenen en hier toe deze verschrikkelijke en overwinnende hand gebruiken: den verrader zal sterven, en al stervende zal hij nimmermeer van mij verkrijgen, dat zijn lichaam aan zijn spitsbroeders zal geleverd worden: eer dat zou geschiede, zal ik het voor de honden werpen op datse haar aan dat stinkend aas zat eten. Gelijk men somtijds een stier, die door de liefde en minnenijd geprikkeld word, op een vremde wijze ziet bulken en zijn moed door schrikkelijk brullen in hem opwekken, zijn hoornen tegen de stam van een boom scherpende, gelijk als of hij, door de ijdele aantreffing die hij in de lucht doet, de winden wou bestoken, slaande met zijn voeten tegen d’aarde, en van ver zijn vijand beroepen tot een bloedige en [p. 264] doodelijken strijd; het zelve kanmen in dezen Barbaar bespeuren, die door razernij vervoerd, den krijgsbode bij hem riep, en met een stem die door de bewegingen van zijn driften gebroken wierden, sprak hij tot hem; gaat in het leger en verwittigd van mijnent wegen, dien dapperen krijgsman van Christus, dat ik hem zal komen bezoeken, om het verschil dat wij t’samen hebben te beslechten. Dit gezeid hebbende, steeg hij te paard zonder zijn antwoord te verwachten, en zijn gevangen buiten de poort voor hem hebbende doen brengen, daalde hij met vollen ren van den berg, zoo razende is hij door een geweldige en wraakzieke begeerte; maar zoo ras als hij in de vlakte gekomen is, blaast hij op zijn hoorn, wiens geluid als den donder aan alle zijden weêrgalmd, verschrikkende de ooren en de moed der genen die het aanhooren.
    Alreede waren de Kristen Prinsen in de hutte van haren Veldheer vergaderd, wanneer de krijgsbode zijn ontzegging quam doen, daar in Tankredo de eerste genoemd wierd, zonder evenwel niet een van de anderen uit te zonderen: hier op wende Godefrooy, waarlijk met een koninglijke Majesteit, zijn oogen aan alle zijden, en lette naarstig op een ijders gelaat: maar hij heeft licht te zien en zijn geest door verscheide gedachten te quellen, om dat door al deze dingen zich niemand ten strijd aanbied; zulkx dat het goed te zien is dat den zeeghaftigen Reinout [p. 265] daar niet meer is, en van Tankredo weet men geen meerder tijding als van Bohemond: hier bij heeft den Ridder die Gernand onlangs ter dood brocht, zich gewillig gebannen; en boven de thien die de voornaamste van ’t leger zijn, welkmen om Armijde te geleiden verkoren heeft , zijn ’er noch verscheide anderen, die niet minder kloekmoedig als dapper, haar onder de duisternisse van de nacht hebben gevolgd: zulkx dat onder al de Ridders die daar overgebleven zijn, niet een gevonden werd, die zich gewaardigd om die eer t’aanvaarden, in een gelegentheid daar het gevaar voor de deur staat: maar alzoo de vrees haar boven de schaamte vervoerd sprekenze niet een woord, en haar bloodaardige moed derfd zoo stouten aanslag niet onderwinden: waar op den groothartigen Godefrooy acht slaande, terstond door haar stilzwijgen, gezicht en gelaat, oordeeld dat se met vrees bevangen zijn; het milnoegen dat hij hier door ontfangt, doet hem van zijn stoel opstaan, en zich tot haar keerende van een rechtvaardige gramschap vervoerd, spreekt hij tot haar; waarlijk men mogt mij in toekomende wel verwijten, dat ik het leven onwaardig ben, indien ik mijn leven voor zoo een heerlijke zaak vreesde te wagen, of indien ik toeliet dat een ongeloovige aldus de eer der Christenen met voeten vertrappelde; wel aan dan, dat al de Ridders van dit leger met de armen over elkander geslagen, uit een verzekerde [p. 266] plaats goeds moeds aanzien, waar ik mij ga begeven; ik heb voor mij genomen te strijden: dit zeggende vraagden hij na zijne wapenen, die hem terstond gebrocht wierden; maar de Grave Reimond (die in eenen hoogen ouderdom, met rijpheid van de dingen wist toordeelen, en die zoo weinig sterkte niet had, of hij kon zoo levendig de hand aan ’t zwaard slaan als iemand van de vergadering) beraamde om zelf dit verschil te beslechten: hij zich dan tot Godefrooy keerende, sprak; God laat het nimmer geschiede, dat ik ooit zou toestaan dat onzen Veldheer zijn persoon in het minste gevaar zou begeven: ik weet zeer wel dat een ongeluk genoeg is om de ondergang van dit geheele leger met zich te slepen; neen, neen, gij zijt onzen Veldheer en geen slecht soldaat, noch een gemeen Hopman: indien wij zoo ongelukkig waren, dat wij u quijt raakten, de rouw zou daar van algemeen zijn; op u steund al het bewint van’t leger, ’t geen de wapenen tot verdading van het Kristen geloof heeft aangenomen; door uw wijs beleid, moet het Koningrijk van Babilon verdelgd worden; staat ons dan alleen maar met uw goeden raad bij, laat ons met de rest begaan, uw gezag zal genoeg zijn om onze moed te wetten, en ik ben verzekerd dat niet een onder ons in gebreke zal blijven om het uit te voeren; hoewelik alreede onder de ouderdom begin te bukken, echter begeer ik niet minder als mij daar op te verontschuldigen; hij [p. 267] bevrijde zich die wil van deze dappre daad, evenwel wil ik niet dat mijn ouderdom mij daarvan ontlast: dat het God maar alleen beliefde, o jonge krijslieden, dat mijn jaren in de lent van de uwe waren, waarlijk ik zou zoo niet als gijlieden doen, die zoo weinig gevoelen van het ongelijk hebt, dat al de hoon die u dezen trouwloozen Heiden aandoet, niet machtig is om uw gramschap te bewegen, noch om u rood te doen worden: o waarom heb ik noch de kracht niet die ik eertijds, toen ik in ’t hof van Koenraad de tweede, voor het gezicht van al het volk, het zwaard dwers door ’t lichaam van den gevreesden Leopoldus boorden, en hem op die plaats deê sneuvelen: dat was zonder twijffel de daad van een grooter dapperheid, den roof van zoo machtigen vijand zeeghaftig te strijken, als het nu zou zijn, indien een man alleen en t’eenemaal ontwapend, geheele troepen van die bloodaardige en onervaren soldaten op de vlucht dreef. Indien mijn lichaam die eerste kracht noch had, o hoe haast zoude ik de moedwilligheid van dien verwaten ter neêrgeslagen hebben! Echter zoo als ik nu ben, heb ik zoo grooten moed dat zijn dreigementen mij geensins verbazen; en zoo het wapenlot begeerd dat ik op de plaats sneuvel, mogelijk zal dan den Barbaar zoo vergenoegd en blijde niet wederkeeren, als hij zich zelven inbeeld: ik ga mij dan terstond wapenen, en God geef dat dezen dag alle de andere dagen van mijn le- [p. 268] ven deurluchtig maakt. Den wijzen grijzerd sprak deze woorden kloekmoedig uit, die zoo veel voorbeelden waren om in de dapperheid van anderen, de vlammen van een ware deugd, die in haar als slaperig en uitgedoofd waren, weder te ontsteken: want de gene die flus noch bloo en stom schenen, toonen nu een onversaagd gelaat en spreken veel stoutmoediger: niet een van haar wil dezen strijd weigeren, en zoo veel als daar zijn bieden zij haar om strijd daar toe aan: Boudewijn, Rogier, Guelfus, de twee Gujus, Steven, Garnier en Pirrus, zijn de gene die het d’eerste verzoeken: hier op bied zich om haar na te volgen den genen aan, die door een loffelijk bedrog de stad Antiochien in de macht van Bohemond over leverden: in deze eer willen noch deel hebben, Everrard, Rudolf, en Rossemond, daar van de eerste uit Schotland, de tweede uit Irland, en de derde uit Engeland geboortig is; het welk landschappen zijn die de zee van onze vaste landen afscheid; in dit zelfde getal moet ik Gildippe en Odoart stellen, twee gelukkige minnaars, wiens vlammen onbesmettelijk gehouden worden, onder de wetten van een aangename trouw, die hare willen t’zamen vereenigd; maar den genen die boven al de voortocht het vierigste vervolgd, is den kloekmoedigen grijzaard, die om te toonen dat hij vaardig is om uit te voeren ’t gene hij gezeid heeft, alreede heel gewapend verscheen, uitgenomen zijnen helm en hand- [p. 269] schoenen. Godefrooy hem ziende, wend zich na hem toe en spreekt hem aan. Brave Ridder, oprechte spiegel van d’aaloude franse dapperheid, in wien volkomen al het heerlijkste en deftigst van de krijgskunst glinsterd, om tot onderwijzing van de onze te dienen; dat het God beliefde, dat ’er onder al deze jongheid maar tien gevonden wierden, die u in grootheid van moed gelijk waren! O! indien dat dit was, ik zou verzekerd zijn wel haast dat trotse Babilon verdelgd te hebben, en de overwinnende standaard van het kruis te gaan planten, van de Baktren af tot aan de Tropobanen toe. Maar wijkt nu voor de tijd, ik bid u, en behoed u tot een beter gelegentheid, daar in de voorzichtigheid van uw ouderdom noodwendiger gebruikt word. Hier op sloeg hij voor dat men de namen van d’anderen op briefkens schrijven zou, om die door ’t lot te trekken, stellende het alles in de wille van God, die zoo volkomen de fortuin en zijn voorbeschik beheerscht, als alle de andere dingen der wereld. Om al deze dingen veranderd den Graaf zijn voornemen niet, en houd harder aan als te voren om van het getal te wezen: terstond neemt Godefrooy al de briefkens en werptse in zijn helm, die na dat hijze wel omgeschut heeft, eindelijk daar een uit trekt, ’t geen de naam is van die zelven Reimond Grave van Toulouze. In’t begin is’er niemand van de vergadering die dit voor geen goed voorteiken acht, en niet verheugd is dezen [p. 270] naam te hooren noemen, terwijl zich daar niemand tegen steld; ook verschijnt het vergenoegen dat den Grave Reimond daar door ontfangt, zoo openbaar op zijn aangezicht, dat het veel helderder als naar gewoonte en veel jeugdiger schijnr te zijn; alzoo verschijnt de slang met een nieuwe frissigheid, wanneer hij zijn oude huit uitgeschoten hebbende, met een andere voor den dag komt, waar van de goude glans en vlammen in de stralen der zonne verdubbelden: maar hoe groot dat de blijdschap van den Graaf is, Godefrooy is niet minder, die om zijn vergenoeging hier van te toonen, hem een ongetwijffelde overwinning verzekerd, en hem alreede daar den lof van geeft, gelijk alsof hij die al verkregen had: als doen zijn zwaard uittrekkende om hem ’t op zijde te gorden, sprak hij; ziet daar het gene waar mede zich dien braven wederspannigen der Zaxen, in den strijd behielp: ik moet bekennen dat hij eertijds wonderen uitrichte met dit zelve zwaard, ’t gene ik hem echter t’effens met het leven benam; neemt het nu dan, en ik zal God bidden, dat het u zoo gunstig mag zijn, als het seder in mijne handen altijd zeeghaftig geweelt is.
    Met deze reden onderhielden haar deze twee Helden, terwijl dat den hoovaardigen Argant, die dit vertoeven onverdragelijk valt, van gramschap en ongeduld brand; Waarlijk, schreeuwd hij, nu zijt gij voor mij bevreesd, o brave soldaten van Europe: [p. 271] hoe men maakt u zoo kloekmoedig, en gij lijd dat een man alleen u ontzeid; men houd u voor het strijdbaarste volk der wereld, en de moed ontbreekt u daar het noodig is: waar is Tankredo die onlangs zoo vol gramschap scheen? waarom vertoond hij zich niet voor mij, hij, die zulk een vertrouwen in zijn kracht steld? ik zie wel wat ’er af is; hij slaapt zoo gemakkelijk dat hij zijn bed niet kan verlaten; en mogelijk doet hij ’t om zoo laat te komen, dat de ’nacht in ’t gevecht hem overvalt, gelijkze hem de laastemaal, toen wij met elkanderen te doen hadden, verrasten; maar indien dat zoo is, dat ’er dan een ander in zijn plaats komt, ik ben bereid om haar te spreken: loopt onder elkanderen gij paarde- en voervolk, hier is de man die gij hebben moet; hebt geen zorg dat ik uw geweld niet wederstaan zal: terwijl dat ’er onder zoo veel volkx als gij zijt, niet een gevonden word die, uit vrees van slagen, zich derf roeren. Zie daar is ’t Graf daar den Zoon van uw Marie in begraven wierd; waarom komt gij ’er niet een weinig uw gebeden doen? dit is den weg daar door m’er na toe gaat; tot wat heerlijker aanslag als deze kond gij uw zwaarden bewaren? Bij deze beschimpingen volgden den moedwilligen noch andere, die als zoo veel prikkels zijn om de dapperheid van deze groothartige Ridders op te wekken: maar den vromen Reimond is degene die deze woorden het meeste ter harten gaan, en alzoo hij een man is die geen [p. 272] hoon verdragen kan, word zijn dapperheid aangemoedigd, nu dat den Heiden die een ijder door de geweldige overlast, aandoen wil. Hij dan niet langer kunnende vertoeven om zich te wreken, stijgt op het beste van zijne paarden ’t geen hij Aquilijn heet, ter oorzaak van zijn gezwindheid. Men houd het daar voor dat dit brave Ros op den oever van den Tagus ter wereld quam, daar zijn moeder (heet zijnde om besprongen te worden, in die tijd dat de merrien, door een natuurlijke drift gedreven, gewoon zijn op ’t alderhitzigst te zijn) het ontfing door veel geeuwen, wendende zijn open bek tegen den adem der winden: en waarlijk het is niet zonder de grootste schijn, want daar zou niemand geweest hebben die ’t zien loopen had, of hij zou gezeid hebben dat het de lichtste wind geteeld had: want hert in ’t loopen zoo afgerecht is, dat wanneer men ’t met vollen ren voort drijft, het nauwlijkx het minste teiken van zijn voeten op ’t zand laat staan, en zonder dat men’t bemerkt raakt men ’t uit het gezicht quijt. Dit was het paard dat den Grave Reimond beschreê, om zijn vijand te gaan bevechten: maar eerst wende hij zijn aangezicht na den Hemel, en bad; o Heer, die de onnoozele hand van een jongen harder bestierden tegen den onmatelijken Goliat, een wreede roede der Israëliten, die in het dal van Terebinte door een slingerwerp wierd ter aarden geworpen; ik bid u, maakt dat door diergelijken toeval, dien ongeloovi- [p. 273] ge voor mijne voeten neerstort: doet mij zoo veel genade dat ik hem slaan en overwinnen mag, en dat een zwakke grijzerd zijn opgeblazentheid vernedere; gelijk als een teêr kind voor dezen macht genoeg gehad heeft om die anderen Reuster neder te werpen. Op deze wijze deê den Grave zijn gebeden, die door de vaste hoop die hij in God had, in den Hemel der Hemelen wierden opgevoerd, hier in het vier gelijk zijnde dat deze eigenschap heeft, geduurig om hoog te rijzen, daar het zich natuurlijk in zijn middelpunt uitstrekt; ook wierdenze terstond door den eeuwigen Vader verhoord, die uit de rijen der Engelen een verkoos die hij de last gaf, om dezen ouden Ridder te beschermen en Zeeghaftig te rug te brengen, hem uit de handen verlossende van dezen godloozen lasteraar. Den Engel die de Goddelijke voorzienigheid beliefd had den Grave van zijn geboorteuur toe te voegen, om hem tot een trouwe wacht in de pellegrimmagie dezer wereld te verstrekken, ziende dat de Koning des Hemels hem wederom gebood een bijzondere zorg voor hem te dragen, steeg terstond in die hooge sterkte, daar de wapenen en de hemelsche krijsrusting bewaard worden: hier is die speer opgesloten, daar het helsch serpent mede geslagen en ter aarden geworpen, wierd; hier zijn de blixemende worpschichten en pijlen, die hoewelze onzichtbaar zijn voor de oogen der sterffelijke; haar echter den oorlog, de pest, den honger, en dier- [p. 274] gelijke straffen doen gevoelen; hier hangt die zelve vork, die eertijds den schrik van het rampzalig geslacht der menschen was, en dieze noch tegenwoordig is, wanneer het geschied dat de diepste grondvesten der wereld beven en de grootste steden het onderste boven geworpen worden: onder al dit oorlogstuig is aanmerkens waardig een vlammigen schild, zoo wel door de heerlijkheid van zijn stoffe, dat van een glinsterende diamant en uit een stuk is, als om dat het zoo groot en breed is, dat ’er, zoo veel volkeren en landschappen, als ’er tussen den berg Kaukaas en den Athlas leggen, onder beschut zijn. Met dit zelve schild versterken haar de rechtvaardige Princen en de steden daar d’ondeugden uit verbannen zijn. Den Engel gewapend zijnde, genaakten heimelijk tot den Grave Reimond, en stelden zich rondom hem, om de slagen van zijnen vijand af te keeren en hem te beschermen. Ondertussen waren al de bolwerken der muuren met volk vervuld, die met kracht daar na toe drongen, om van verre te zien wat ’er gebeuren zal. Alreede zond Aladijn de Krijsheldin Klorinde met een troep oorlogsvolk, die op het midden van den heuvel stand hielden; de Kristenen deden desgelijkx van haar zijde, en hielden een goed getal vaardig om den Grave inden nood bij te staan. Tussen beide deze troeppen is het breede veld daar deze twist moet beslecht worden. Na dat den trotsen Argant in ’t begin aan alle zijden wel gezien [p. 275] had, is hij verwonderd dat zich een nieuwen vijand voor zijne oogen vertoond, en dat hij niet meer met Tankredo te doen heeft; waar op den kloekmoedigen Graaf toetredende, sprak; ’t Is vergeefs dat gij u aansteld als versteld te zijn, den genen die gij zoekt is elders belet, en’tis uw goed geluk die dat zoo beliefd: ik rade u echter niet dat gij u daarom met verwaandheid kitteld, want ik ben bereid om in zijn plaats te treden, en de leugenen tegen te spreken die gij valschelijk staande houd; en die op het ergste nemende, behoord gij u niet te verstoren, indien ik mij aanbiede om als een vierde tegen u te strijden, gelijk als uw verwaande ontzegging luid.
    Op deze woorden antwoorden den ongeloovigen Argant niet dan met beschimpende redenen en nieuwe dreigementen; Wat doet dan Tankredo, sprak hy; waar is die kloeken krijsman? als men hem hoord spreken zouw men meenen dat hy den Hemel zouw verschrikken, en ondertussen als ’t’er op aan komt, steld hy zijn verzekerdheid in de vlucht; maar’t is geen nood laat hy loopen zoo veel als hy wil, ik zal hem wel achterhalen; ik zal den schelm vinden al was hy in’t diepste der Zee, of in het middelpunt der aarden: hy zal geen rustplaats hebben, hoe afgezonderd datse wezen mag, daar ik hem in rust en verzekerdheid laten zal. Den Graaf hem aldus hoorende spreken, antwoorden hiem; ô Verrader, laat af van zoo braven Ridder te beschuldigen, dat hy de [p. 276] vlucht zou genomen hebben, gelijk als gy zegt; gy hebt valschelijk gelogen; daar is geen zoo bloodaardigen mensch die zich voor u zou willen verbergen. Terwijl gij zoo ver komt; antwoorden Argant, brullende van gramschap; neemt van ’t Veld zoo veel als gij hebben moet, want ik ben te vreden u in zijn plaatse te ontfangen: evenwel heb ik groote vreeze dat het tot uw schade zijn zal, en dat gy u terstond wel belet zult vinden, om staande te houden het gene uw moedwilligheid noch zoo korts voorstelden. Hier op scheidenze van elkanderen, en velden terstond hare speren recht op de deurzichten van hunne helmen aan;*waar in den kloekmoedigen Reimond zoo goeden geluk had, dat hy hem recht in het helmgezicht trefte, zoo dat zijn hout aan spaanderen vloog, zonder dat daarom den groflijvigen Argant een weinig in de zaal verschudden, maar in tegendeel zat hy zoo vast te paard, dat de Graaf in de ontmoeting gevaar zou geloopen hebben, indien den Engel die hem beschermden, den steek niet afgekeerd had; maar Argant die weinig gewoon was te missen, beet van razernij op zijn lippen en wierp al lasterende zijn speer wech, slaande zijn hand aan ’t zwaard: hy aldus voor hem genomen hebbende om den Grave te beledigen, met het grootste geweld dat hy tegen hem gebruiken kan; tracht zijn machtig oorlogspaard recht in het hoofdharnas te stooten: gelijk als een schaap dat het hoofd neder- [p. 277] bukt en te rug aarzeld om met meer kracht toe te horten: maar den Grave om deze aantreffingen te schuwen, buigt zich na de zijde, en geeft hem in’t verby gaan een fellen slag in het deurzicht van zijn helm: hier op hervat het den Heiden wederom, en zijn vijand die het weder afkeerd, laat hem aan de rechter hand, en treft hem op de zelve tijd boven op zijnen helm; maar de kracht is te vergeefs terwijl hy van zoo goeden stoffe is dat ’er niet machtig is om hem te blutsen: den onbeweechelijken Heiden ondertussen, die niet anders zoekt als hem aan te doen om handgemeen te worden, werpt hem in lijfgevaar op hem; en houd hem van naby staande; het welk veroorzaakt dat den ouden Ridder hem van die zijde plaats maakt en van d’andere bespringt, uit vreeze dat zoo een zwaarwichtige klomp vleesch hem en zijn paard niet verpletterd: en waarlijk.die gezien had met wat voor een vaardigheid hy zich tegen Argant droeg, zou gezeid hebben dat hy vloog; want zijn paard is zoo gezwind en zoo wel afgericht, dat het op de minste draay die men met den teugel doet, terstond luisterd en nooit een valsche stap doet. Even gelijk een groot Hopman, wanneer hij van zin is om een hoogen toren te bestormen, die in een moerrassige plaats, of op de top van eenen berg gebouwd is, de bequaamste toegangen zoekt om die te bestoken, en niets vergeet van al ’t geen hem voordeel kan geven; zoo toonden zich den Grave hier oo zijnen vij- [p. 278] and t’onder te brengen; want ziende dat hij geensins zijn helm, noch borstharnas blutsen kon, beproefd bij ’t op de zwakste plaatsen, en zoekt de openingen om met zijn zwaard daar tussen te raken; alreede heeft hij ’er op twee of drie plaatsen al deurgeboord, en alreede zijn de wapenen van zoo grouzamen vijand geheel bebloed, zonder dat de zijne een weinig beschadigd zijn, of zonder dat hij het minste verciersel van zijn helmkam heeft afgeslagen: ’t welk den ongeloovige bemerkende, doet op zijn tanden knarssen en van razernij schudden: het is te vergeefs wat moeiten hij doet, en dat hij door een overdadige gramschap vervoerd fel toeslaat; echter word hij niet moede, maar in tegendeel verdubbeld zijn macht, kervende en stekende, schijnende t’elkens zijn krachten te vernieuwen wannneer hij misslaat: eindelijk onder zoo veel slagen als Argant op Reimond toeslaat, geeft hij hem zoo strengen averechtsen slag, dat hoe gezwind zijn Aquilijn is, het bezwaarlijk zou ontwijken daar niet onder verdrukt te blijven, zonder hulp van den beschutter die hij niet en ziet; hij alleen keerd den slag af en ontfangtse op zijn diamante schild; daar verbreizelde het zwaard van den Heiden als of het van glas geweest had; om dat’er geen gesmij sterk genoeg is, ’tgene d’onbederffelijke wapenen van den eeuwigen Vader, die geen t’samenmenging van vergangelijke stoffe kunnen lijden, weerstaan kan. Argant die de stukken [p. 279] heeft zien vallen, kan het in ’t eerst niet gelooven, tot dat hem een groote vreeze beving, ziende zich zelf van wapenen ontbloot, en zijnen vijand met zoo goede verzien, dat het niet mogelijk is die te beschadigen: terstond doet hem de schijn oordeelen dat het op des Graven schild is daar hij zijn zwaard op gebroken heeft; en Reimond geloofd het ook, niet wetende dat het door kracht van de hulp geschied die hem den Engel doet: hij zijn vijands hand ontbloot ziende van al het gene dat hem beledigen kon, staat heel verzet, niet wetende wat hy doen zal, terwijl hy’t voor schanden acht, al de palmen en den roof die hy met zoo grooten voordeel op hem mogt verkrijgen; maar alzoo hy by na van voornemen was, om hem te zeggen dat hy zich van een ander zwaard verzien zou, zie zoo bedacht hy zich, als zijnde een voorstander van het gemeen, dat het hem een groote schande zijn zou indien hy’t in dezen strijd het slechste had; en dat deze overwegingen geen plaats behoorden te grijpen, ’ten zij zake dat het hem alleen betrof. Met deze gedachten onderhield hy zich, toen Argant, die het gevest van zijn zwaard in de hand gebleven was, hem het tegen zijn wang wierp, en terstond zijn paard de sporen gaf, trachtende om daar door handgemeen met hem te worden; maar hoewel door ’t geweld van de werp het aangezicht geheel gekneust was, echter verweerde hy zich en ontwrong hem uit zijn armen; hier by wonde hy [p. 280] hem in zijn rechter hand, daar hy hem mede docht te beknellen, en niet meer laten slippen als een Arent eenen anderen vogel die hy in zijn klaauwen gesloten houd: hy springt aan alle zijden rondom hem heen, en ’t zy dat hy terug wijkt of aanvalt, zoo past by hem altijd eenise harde begroetingen te geven: ’al de kracht en bequaamheid die hij heeft, en al het geen dat een oude haat bij een nieuwe gramschap gevoegd, vermag, gebruikt hy tegen dezen ongeloovigen, ziende dat hy door een bijzondere genade van den Hemel gehulpen word, die hem het wapenlot gunstig maakt. Hy ondertussen met ijzer bedekt en vol van hoop, weêrstaat de slagen die hem gegeven worden, en verschrikt nergens voor; gelijk als een schip dat door het geweld der winden geslingerd word, de hoop niet verloren geeft om de schipbreuk t’ontgaan, schoon dat alle de zeilen en vlaggen aan flarzen gescheurd zijn, om dat het aan alle zijden met dikke balken en goede planken versterkt is , die het geweld der baren konnen weêrstaan.
    Dit lijfgevecht dus op het uiterste gebrocht zijnde, liep den trouwloozen Argant gevaar aan ’t leven, wanneer Belzebub voor zich nam hem bijstand te doen: hierom schiep hy uit een wolk een ijdel lichaam, of ik en weet niet wat voor een valsche en lichte schaduwe van een menschelijke gedaante, dat hy zoo wel Klorinde deê gelijken, dat men waarlijk [p. 281] gezeid zou hebben dat zij ’t was; want boven dien dat hij ’t met glinsterende en rijke wapenen, gelijk de hare, bedekten, zoo gaf hij ’t de zelve spraak en wezen en gedaante. Dit vermomd spooksel ging bij Oradijn den beroemden schutter, en sprak hem aldus aan;*Gij die nimmermeer een pijl te vergeefs schiet, hoe kond gy lijden dat Argant in dezen nood is zonder hem te wreken? zeker dit zou ons een onverbeterlijke schade en al te groote schanden zijn, zoo rampzalig, zonder hulp, een Ridder te laten sterven, die zich beroemen mag een van de voornaamste verdadigers van Judea te zijn; overweegt eens wat men van ons zeggen zal, indien het gebeurd dat tot onze groote schande, den vijand zegepralend en met den roof van zoo grooten Hopman verrijkt, te rug keerd; toond ons dan nu hier wat gy doen kond, en gaat uw pijlen beverven in het bloed van dezen verschrikkelijken Fransman; twijffeld niet of uwen Koning, boven de eer die gy hier door verkrijgen zult, zalu zoo een gedenkwaardige daad milddadig beloonen. Zoo sprak het spooksel tot den schutter Oradijn, die zoo haast niet overwogen had dat al zijn geluk aan deze schoot hing, of hy trok, met voornemen om die te doen, ’uit zijn zwaarwichtigen koker, een pijl die hem het aldergevaarlijkste dacht, en die op zijn boog leggende, schoot hy die met al zijn kracht op den Grave Reimond: de uitgerekte pees snord terstond los, en de schicht met kracht af- [p. 282] geschoten, doorsnijd de dampen van de lucht met zoo grooten gezwindheid, dat hij zich eer laat hooren dan zien: den vromen Ridder word recht in het middelrif getroffen, door d’opening van het borstharnas; het is waar dat de pijl maar alleenig door ’t vel boord, om dat de hemelsche Geest die hem bijstaat, niet toelaat dat de scheut dieper in dringt, en die verzwakt; terstond rukt den Grave de schicht uit de wonde, en ziende het bloed daar uitspringen, achte hy in ’t begin , de quetsuure gevaarlijker als zy was, en besprong Argant met dreigende woorden, hem door zijn rechtvaardig gevoelen verwijtende, dat hy de beloofde trouw geschonden had. Maar Godefrooy die gezien heeft hoe dit toegegaan was, onstak in een hevige gramschap, en nam voor hem nier te lijden dat men alzoo de voorwaarden die men met elkanderen besloten heeft, zou verbreken: waar toe hy hem te gewilliger betoond, om dat hy alreede waand dat deze wonde doodelijk is; dit doet hem in zijn ziel verzuchten, dies hy door zijn hard geschreeuw, als door de teikenen die hy met zijn hand maakt, zijn volk aanmoedigd om deze trouwloosheid te wreken: alle de genen die daar tegenwoordig waren, sloten haar helmen, op dat gebod, in minder dan een oogenblik velden haar speren en gaven heur peerden den lossen toom. Hier beweegden zich een troep, en daar begon een andere zich te roeren; het veld word met stofwolken omringd, die met groote [p. 283] drajingen in de lucht oprijzen: in de eerste ontmoeting is den aanval zoo fel, dat al d’omleggende plaatsen van het gerucht weêrgalmen, dat de afgeworpen helmen, de geslage schilden, en de splinteren der gebroke speren maken; hier vertoond zich een paard dat niet op kan staan door de wonden die het ontfangen heeft, en daar ziet men een ander dat den teugel na zich slepende, dwers door ’t veld heen vliegt, na dat het zijn meester verloren heeft: hier hoord men niet als zuchten en klachten van de Soldaten, daar van de eenige stijf dood ter aarden leggen uitgestrekt, en de andere ademen noch, of werpen zwak de laatste zuchten uit: hier bij, hoe dat den strijd bloediger is, hoe het oorlogsvolk zich meer onder een vermengd, en hoe de razernij meer onsteekt: maar Argant die geen loosheid ontbrak, speelden een stteek van zijn ambacht, en wierp zich dwers in het gedrang, rukkende uit de hand van den genen die hem eerst ontmoeten, een heirbijl, daar hij, seder dat hy die eenmaal in zijn vuist vast gehouden heeft, anders niet meê doet als van zich slaan, en het gedrang brekende, zoekt hem een veiligen weg te banen, daar hem de begeerten om Reimond te vinden, alleen toe aanpord; want tegen hem wil hy alleen aangaan, en de razende driften van zijn gramschap aanwenden, gelijk als een afgevaste wolf: zijn grootste begeerten is om zich met het ingewand van zijnen vijand te verzadigen, en zich met zijn bloed te laven [p. 284] maar zoo als hy waande hem alreede stand te doen houden, quamen deze, als beletselen hem in de weeg, de twee Geraards, en met haar Gujus, Orman, en Rogier van Bainestad: maar wat tegenstand dat deze strijdbre mannen deden, echter kondeze hem niet stutten, maar in tegendeel vergrimde hem dit meer als ooit te voren: want zijn getergde dapperheid, heeft die zelve eigenschap met het vier, dat het bederf doet aangroeyen door zijn geweld, wanneer men het in een engte besloten houd: in de eerste ontmoeting versloeg hij Orman, wonde wreedelijk een van de twee Gujus, en wierp den rampzaligen Rogier ter aarden, die onder de dooden uitgestrekt, zich op het punt zag om haar gezelschap te houden: ondertussen groeid het gedrang vast aan, en word meer op hem versterkt; alreede vind hij zich van een groot getal soldaten omringd, die op hem van alle zijden toedringen; het welk Godefrooy bespeurende, en dat deze wanhopige bij na de eenige is, die den strijd met gelijke kans tussen de een en andere partij staande houd, riep hij Boudewijn tot hem, en die met een levende stem aanmoedigende, sprak tot hem; Gaat daar het bederf in de vermenging het grootst is, en valt met uw standerd kloekmoedig in de slinxe vleugel: Boudewijn gehoorzaamden terstond, en stiet zoo gestreng op het Aziaanse volk toe, datse te zwak schenen om het geweld der Franssen te wederstaan; over al waar hij door rend brengt hij [p. 285] den vijand in wanorden, slaande man en paard ter aarden, zulkx dat deze gedwongen zijn haar rijen te verliezen, en andere haar vendels te verlaten; door dit zelve geweld word de rechte punt ook verstrooid, zonder dat ’er niet meer als een eenigen Argant is die weêrstand bied; alle d’anderen nemen de vlucht, en daar is niemand als hij die zich te weêr steld, tegen haar die hun verjagen; zulkx dat de moed, die hij toond te hebben, zoo tegen de natuur is, dat men niet meer zou kunnen doen als hij doet, wanneer men zelf, met zoo veel handen als eertijds Briareus had, honderd schilden en honderd zwaarden voerden: het is een wonder om zien hoe hij de dwers, rechte, en knodslagen, met de strenge ontmoeting der speren en zwaarden, weêrstaat; hijalleen schijnt machtig genoeg te zijn, om al de gene te wederstaan die zich voor hem vertoonen; en daar is geen geweld hoe razend dat het is, daar hij niet doorbreekt; nu werpt hij hem op d’eene, en dan wederop d’andere; zulkx dat, door de hardnekkigheid in hem te beschermen, al zijn leden verdoofd zijn, en zijn wapenen geblust of gebroken aan alle zijden; hier bij is hij heel nat van bloed en zweet, zonder dat hij ’t evenwel gevoelden, omdat de begeerte van zich te wreken, hem alle kennis scheen ontnomen te hebben. Eindelijk na dat hij zich wel verdadigd had, word hij zoo naauw bezet van een bende vijanden, die dringende op hem toezetten, dat hij ondankx al zijn [p. 286] tegenweer, gedwongen is voor haar de plaats open te laten; evenwel schoon hem de noodwendigheid dwingt om de rug te keeren, en om hem aan ’t geweld van deze watervloed, die hem wegvoerd, over te geven, zoo toond hij daarom niet het gelaat van een die de vlucht kiest, indien het zoo is dat men door het werktuig der handen van de moed, moet oordeelen: eindelijk hebben zijn oogen niet van haar gewone vrees verloren, en zijn onbedwingelijke gramschap blijft altijd in een staat. Want al de macht die hem overschiet, gebruikt hij om de zijne bij te staan, en te beletten datse het oorlogsveld niet verlaten; het welk deze onverwinnelijke dapperheid echter niet te weeg kan brengen, noch haar verzamelen, zonder dat de vrees en d’onordentelijkheid zich niet in haar vlucht vermengden; maar alzoo ’er geen teugel sterk genoeg is om de vrees in toom te houden, de gene die haar nu bevangen heeft is zoo groot, datse, noch geboôn noch gebeden konnen hooren. Godefrooy als doen ziende, dat het geval zijn rechtvaardig voornemen begunstigden, vervolgden d’overwinning met vreugden, die haar vertoonden, en zond zijn volk een nieuwe hulp. En waarlijk het is te gelooven, dat het Kristen leger, op deze reis, mogelijk het eind van zoo heiligen en heerlijken aanslag zou gezien hebben, zoo de goddelijke voorzienigheid d’overwinning niet tot eenen anderen dag hadde uitgesteld.
[p. 287]
    Maar den Prince der duisternisle, ziende dat in dezen gedenkwaardigen strijd, zijn, dwinglandij in gevaar was om een einde te nemen, beraamden (God liet het zoo toe) om eenige wanorden aan te rechten: hierom verduisterden hij de lucht in een oogenblik met donkre wolken, en bereiden de winden tot een onweêr; terstond bedekte een groot zwart deksel de helderheid van den dag, en ontrukten de Zon uit het gezicht der sterffelijke oogen: somtijds scheen het, onder deze duisternisse, dat den Hemel zich opende, van een vier onsteken, dat van alle zijden blixemstralen en donderslagen uitschoot. Dit schrikkelijke weêrlicht doet niet als maar blikkeren en terstond weêr weg wijken, voor de duisternisse, wiens zwarte en verschrikkelijke damp die van de helle uitbeelden; groote plasregens slaan en spoelen het alles wech, dat men op het veld vind; want het geweld is zoo groot, dat het de boomen van een splijt, daar de grootste haar van, aan het ongestuimig geweld der draaywinden overgeven, die haar ontwortelen en het onderste boven werpen. Tegen dit onweêr, het welk schijnt de bergen te moeten doen beven, konnen haar de aldervaste dingen niet stellen; al wat het ontmoet rukt het ter neêr, en voerd het in minder als een oogenblik met zich; alzoo valt den hagel en den regen neêr, die terstond in de oogen der Franssen slaande, al haar geweld stuiten; en boven dien dat het haar zeer hinderlijk is, veroorzaakt het [p. 288] haar zoodanigen vrees, datse bijna alle gedwongen worden om heur vendels te verlaten, door dien dat het ongestumnige weder haar belet die te kennen. Klorinde, ondertussen die daar niet ver van is, diend zich van deze gelegentheid, en met de haar te vier voet rennende, roeptse hun toe; Schep moed spitsbroeders, het is voor ons dat den Hemel tegenwoordig strijd; ziet gij niet hoe dat hij ons bijstaat, om de rechtvaardigheid van onze wapenen te verdadigen. Maar hoe groot dat haar moed ook is, en hoe geweldig dat de driften van hare gramschap ook schenen, zoo warenze niet machtig om de onze te doen wijken, noch haar het strijden te beletten; en in plaats datse waand de hare moed te geven, en door haar voorbeeld stand te doen houden, zoo strekt het nergens toe als om haar met nieuwe schrik te vervullen; want de gramschap daar haar aangezicht van ontsteken is, jaagd hun vreeze aan, en schitterd in haar oogen als een blixemstraal, die het gezicht komt verblinden: zulkx dat men van haar wel zeggen mag; dat de glans van hare wapenen hun verschrikt, wanneerze haar door heur vermaning trachten aan te moedigen. Mijn vrienden spreektse tot haar, laat ons kloekmoedig aanvallen, terwijl het geval ons aanleid. Door deze woorden tracht zij de zwakke moed der Soldaten te versterken, en haar tot den strijd te trekken; en den strengen aanval der bespringers op haren hals ontfangende, valtse verwoed op [p. 289] de Franssen in, en belacht de slagen die zij te vergeefs van alle kanten op haar doen nederdalen: Argant doet haar van een ander zijde bijstand, en zijn aan gezicht omwendende, handeld op een vreemde wijze den genen, die noch flus hem al zegepralende na de Stad vervolgden: ’want hij dwingt haar de rug te keeren, door den hagel die van boven neérvalt, en de slagen die hij haar geeft; ook is ’er den uitgang zoodanig af, dat ’er het heele veld rood van is, ’t gene haar bevochtigd en zich met den regen vermengd. Hier leggen onder anderen die de laatste zuchten geven, of dieze zullen gaan geven, wreedelijk ter neêrgeslagen, Pirrus en den vromen Rudolfus, daar van d’eenen door Argants hand sreuveld, en den anderen valt door Klorindes: alzoo worden de Franssen gedwongen om de vlucht te nemen , door de Siriers te rug gedreven, of veel eer door de Duivelen, die voor haar verdading strijden. Daar is niemand als Godefrooy die kloekmoedig het geweld van de lucht en de schrikkelijke dreigementen van den donder, hagel en draaywinden wederstaat: hij houd voor de voornaamste poort van het leger stand, daar hij al de genen, die onder een vermengd, vol van schrik wijken, tracht te verzamelen. Tweewerf stoot hij zijn paard tegen Argant aan, en tweewerf drijft hij hem in ’t dikste der vijanden, daar het gedrang het grootste is. Eindelijk deinst hij in zijn beschansingen, waar door het vervolgen van d’een en [p. 290] d’andere zijde op hield, Om al deze dingen, hadden de Christenen evenwel het geweld van dit onweêr, het geen veel harder als te voren begost, niet verlaten: het regende, het donderde, het blixemde, nu van d’eene en dan van d’andere zijde: het water wierd aan alle kanten in de hutten weêr uitgebraakt, en de staken door de groote nattigheid losgerukt; het geweld van den wind maakt het touwerk los, scheurd het doek aan flarsen, ontworteld de palen, en vervoerd heele hutten ver van daar. Bij deze wanorden is het geschreeuw der soldaten gevoegd, die onder het geraas van dit schrikkelijk onweder vermengd zijnde, de vrees in het leger zajen, en verdooven decoren van al de wereld.
Continue
[
Frontispice canto 8]
[p. 291]

TORQUATO TASSOOS

Verloste

JERUZALEM.

Het achste Gezang.

INHOUD.

GOdefrooy ontfangt quade tijdingen van de dood des Prinse van Denemerken, en het omkomen van zijn volk ’t gene hem te hulp quam. Daar loopt een valsch gerucht dat Reinout gesneuveld is. Hier op onsteekt Alekto een gevaarlijke beroerte onder de Christenen, ’t gene op het lest door de vertooningen van haren Veldheer noch geslist word.*

    Den Veldheer word verhaald quâ tijding van de dood,
Des Denemarksen Prins tot zijne hulp verbonden;
    En hoe dat al zijn volk, door valsche Arabers snood;
Uit deze wereld zijn na d’andere toegezonden.

[p. 292]
    Daar loopt een valsch gerucht, in’t leger voor de stad,
Dat Reinout is geveld door snoô bedriegerijen.
    Dies helsche Alekto, die dit tot haar voordeel vat,
Om het geduchte heir met rampen te bestrijen,
    Onsteekt een schadlijk vier van ongeruste rust;
’t Welk door des Veldheers deugd word eindlijk uitgeblust.


ALreede was den donder gestild, en den adem der winden zoo luchtig, dat men geenen mist meer aan den Hemel bemerkten; de morgenstond verscheen zelf veel schoonder als naar gewoonte, en begon zich alreede op den Horizon te laten zien; haar hoofd was geheel van rozen, en uit haar voeten schoten glinsterende stralen, die van goud en vlammen schenen te zijn. Terwijl dat den dag haar dus tot het schoone weêr bereiden, vergenoegden haar de Duivelen niet, datse deze stormen en onweder verwekt hadden, indienze hier vervolgens geen nieuwe vonden bijvoegen, en andere lagen vinden. Hierom begint een onder haar, Astaroth genoemd, aldus tot de razende Alekto te spreken; Ziet gij wel mijn waarde zuster, dat wij niet konnen beletten, dat deze bode, die het uit de gevreesde handen van onzen eenigen verdadiger van ons rijk ontsnapt is, hier niet aankomt? deze zal zonder twijffel gaan verhalen het droevig ongeval, dat haar vromen Hopman en de genen die hij tot haar [p. 293] hulp brocht, overgekomen is: zulkx dat het te vreezen is, dat hij daar op den kloekmoedigen zoon van Bartholdus zal wederroepen; gij weet dat dit niet van klein gewichte is, en datmen tegen groote beginselen bedrog en kracht moet stellen. Gaat dan na de Franssen, en verdraaid alles tot haar nadeel ’t geen den bode haar tot voordeel raden mogt: zaaid het vergif en het vier in het ingewand der Italianen, Zwitsers en Engelsen: verwekt haar tot oproer, en jaagt de schrik zoo in het leger, dat alle dingen in verwerring geraken, en het onderste boven keeren. Dezen aanslag zijt gij waardig, en ik ben verzekerd, wanneer gij stoffen zult dat gij dit werk gebrouwen hebt, dat gij daar veel eer voor van onzen Koning af hebben zult. Zoo sprak Astaroth, en hij behoefden niet meer te zeggen om deze razernij aan te prikkelen, tot het verwekken van een bloedigen oproer. Ondertussen quam deze nieuwen bode in het leger. t’Zijner aankomste sprak hij de wachten van de toegangen, dus aan; Mijn vrienden zeide hij tot haar, ik bidde u, dat mij iemand den Veldheer doet spreken: terstond vergezelschapten hem verscheiden, die begerig waren om nieuwe tijding te hooren. Hij zich dicht bij Godefrooy ziende, betoonde hem een nederige eerbiedigheid, en bood zich aan om die gevreesde hand te kussen, die Babilon had doen beven. Groote Prins, sprak hij tot hem, wiens faam stijgt van het licht des Oceaans, tot boven aan ’t gestarnte; [p. 294] ik wenschte u wel aangenamer tijdingen te brengen, als deze zijn. Hier op een zucht latende die uit het diepste van zijn hart voort quam, vervolgden hij; mijn Heer de braven Suenes, eenigen zoon des Konings van Denemerken, en den eenigen steun van zijn zwakke jaren, hebbende hooren verkondigen de wonderen van uwe onvergelijke dapperheid, begeerden terstond van het getal te wezen, der genen die door een heilige drift gedreven zijn, om het zwaard ten dienste van Jezus Christus te voeren. Seder dat hij zoo prijsselijken voornemen genomen had, konden hem nooit, noch de schrik van ’t gevaar en de moeite, noch de begeerten van in vrede te heerschen, noch het leedwezen dat hij hebben mogt, zijn Vader, in ’t midden der ongemakken van een hoogen ouderdom te verlaten, van zoo kloekmoedigen aanslag afkeeren: waar toe hem ook aanporden, d’uitnemende begeerten die hij had om de kunst van oorlog te leeren, en hem onder uw beleid te oeffenen: ook wierd hij geprikkeld, van ik en weet niet wat voor een prikkel, die hem in de ziel knaagden, ziende dat hij noch niet met al had uitgericht, daar door men van hem iets zou konnen zeggen; in plaats dat den moedigen Reinout, in een teedere jongheid, zoo veel roem en eer verkregen had, dat zijn faam aan alle gewesten bekend was. Maar het voornaamste oogmerk dat hem hier toe aanvoerden, steunden op de eer van den Hemel, en niet op de ijdelheden [p. 295] dezer aarden: alzoo dat hij, zonder de zaak langer slepende te houden, uitgelezen volk dede vergaderen; en den weg na Tracien nemende, trekt recht op de voornaamste Stad van het Oosten aan: daar ging hij den Keizer begroeten, die hem ontfing met al de eer en het goed onthaal, dat een man van zijn waardigheid zou hebben kunnen begeren van een groot Vorst: hier op quam daar een looper van uwent wegen aan, die hem de zaken van Antiochien verhaalden, en hoe dat men ’t, alreede veroverd zijnde, seder kloekmoedig tegen de Persianen verdedigd heeft, die met zoo grooten hoop volk, om het weêr te hernemen, aanquamen, dat het scheen datse dat machtig Koningrijk van inwoonders ontbloot hadden: in ’t einde van deze maren, verhaalden hij ’er noch andere, daar gij hem mede belast had; waar op hij na verscheide reden, eindelijk quam te vallen op Reinout, en begon hem in’t lange te verhalen al het gene dat hij ’t gedenkwaardigste gedaan had, en hoe dat door zijn wonderlijke dapperheid, d’andere op de vlucht zijn gedreven geweest: op ’t einde van dit verhaal, voegden hij ’er bij; dat het Christen leger, deze Stad, zijnde de voornaamste van al de andere in het heilige land, was komen belegeren, en noodigden hem om zijne wapenen bij de uwe te vervoegen, om zoo heerlijken overwinning te doen. Gelijk als dezen jongen Prins mijn Meester, alreede meer als te kloekmoedig was, zoo moedig- [p. 296] den hem deze redenen zoodanig, dat de uuren van zijn vertrek hem jaren schenen te zijn, zoo grooten begeerten had hij onder de Heidenen vermengd te zijn, om zijn zwaard tegen haar te gebruiken, en het in heur bloed te bezoedelen. Op wat plaatse dat hij was scheen het of men hem altijd zijn kleine moed verweet, en dat men van zijn bloodaardigheid, door de dapperheid van anderen oordeelde, deze dingen bedroefden hem zoo zeer, dat hij dag en nacht in zijn ziel gepijnigd wierd: wat raad dat men hem ook gaf, en wat gebeden dat men hem ook deed om te blijven; ’t zij dat hem dezen raad niet en behaagde, of dat hij het gelaat wilde maken van die niet te hooren: al de vrees die hij had was, dat hij geen deelgenoot in uw gevaar en overwinning zijn kon: dit alleen verstrekte hem voor het grootste ongeluk dat hem nimmermeer zou konnen treffen: en het overige acht hij, of onverscheiden, of hij neemt’er geen acht op, of hij en vreest het niet veel: hier op verhaaste hij zelf zijn noodlot en zijn quaad geval; geval helaas, dat ons te veel aanhangt, en ’t gene hem na zijn wil geleid; want naauwelijkx had hij des anderen daags het geduld om de eerste stralen van den dageraad te verwachten, en om zijn reis te verkorten, nam hij de kortste weg voor de alderveilligste. d’Uitnemende begeerten die hij had van bij u te wezen, doet hem een gedeelte van zijn vergenoeging in de naarstigheid stellen, zonder de moejelijk- [p. 297] heid der wegen en gewesten, noch de lagen die hem zijne vijanden in een onbekend land leggen mogten, te vreezen. Het zou nimmermeer gedaan zijn, indien ik van punt tot punt wilde verhalen, d’ongemakken die wij in deze reize geleden hebben; nu ontbroken ons eetwaren, en dan ontmoeten wij quade wegen, en dan gebruiktenze weder tegen ons alle geweld en listigheid: maar God heeft ons die genade gedaan, dat wij al die beletselen zijn te boven gekomen; en zoo daar eenige waren die zich daar tegen stelden, die wierden of aan stukken gehouwen, of op de vlucht gedreven. Wij door zooveel overwinningen moedwillig geworden zijnde, dachten alreede voor alle gevaren bevrijd te zijn. Wanneer wij na zoo veel tegenspoeden aan de grenspalen van Palestijne geraakten, hier hadden wij ons naauwlijkx ter neêrgeslagen, of een van onze voorloopers quam ons verzekeren, dat hij een groot gerucht van wapenen gehoord, en door baarblijkelijke teikenen bespeurd had, dat ’er noodzakelijk niet ver van daar, een goed getal van oorlogslieden zijn mosten. Op deze tijding verschrikten onzen Prins niet, en vol moed zijnde als hij was, veranderden niet van voornemen, woorden, noch gelaat: hier in veel stoutmoediger zijnde als vele anderen, die nooit zoo droevige tijdingen gehoord hadden zonder te besterven. Eindelijk zich na ons keerende, sprak hij; Mijn vrienden, O! die schoone kroon die zich nu voor onze [p. 298] oogen vertoond, is zonder twijffel, of van lijden, of van overwinning: indien ik eenige hoop tot d’eene heb, tot d’andre strekt niet minder mijn begeerten, om dat ’er meer verdiensten en eer aan vast is; dat dit veld daar wij ons tegenwoordig op zien, mijn waarde broeders, een schoone Tempel verstrek, die aan onze onsterffelijke gedachtenis toegewijd is, en daar de toekomende geslachten voor eeuwig op onze graven de zegeteikenen vertoonen, tot teiken van onze heerlijkheid. Dit gezeid hebbende, stelden hij de soldaten in orden, zette wachten uit, en belasten ’t gene men doen moest; en op zijn voorbeeld gebood hij dat ijder een gewapend rusten zou. Het was ontrent middernacht, ’t welk den tijd is die het meerste van de slaap en stilte bemind werd, wanneer wij op ’t schichtigste zulk een afgrijsselijken gekrijs hoorden, die van verscheide Barbarische en verwerde stemmen t’samen gevoegd, tot aan den Hemel opklom, en weder tot in de afgronden neêrdaalden. Als doen begon het krijsgeschrey, en ijder bereiden zich tot den slag. Den kloekmoedigen Suenes vertoonde zich de eerste, met een onsteken aangezicht en oogen vol van een groothartige stoutmoedigheid;* Spitsbroeders, sprak hij, wij zien ons hier besprongen van een groote troep vijanden, die op ons van alle zijden toedringen. Want boven dien dat het scheen dat wij in een dicht bosch waren, daar de pieken, speren, en zwaarden, in plaats van boomen [p. 299] verstrekten, zie zoo quam terstond een wolk van schichten op ons neêr te storten: terstond geraakt men hier op handgemeen; en hoewel dat in deze ongelijke vermenging, de bespringers twintig tegens een waren, zoo wierden ’er echter door de slagen die men gaf, zonder te weten waar ter oorzake van de duisternisse, verscheiden gewond, en noch veel meer gedood: maar alzoo men in deze duisternisse zich niet bemoeid, om het getal der genen die op deze plaatse sneuvelen te tellen, of van die daar de wonden niet doodelijk van zijn, zoo bedekt de nacht, die ons verlies bedekt, met eenen de daden van onze dapperheid: Suenes is de gene wiens dapperheid boven allen uitsteekt; terwijlze in de duisternis zelf, haar zichtbaar maakt, voor de genen die daar acht op wil slaan. Rond om hem heen, lagen hoopen van doode lichamen uitgestrekt, die hij met zijn hand had omgebracht, en daar hij zich bolwerken van gemaakt had, die van bloedbeken omringd wierden: aan wat zijde dat hij zich wende, scheen hij de schrik in zijn oogen te voeren, en in zijn hand het allervervaarlijkste dat de dood heeft. Op deze wijze ging de nacht door. Zoo dra als men des anderen daags de blonde dageraad zag verschijnen, en dat uit onze harten de schrik der duisternis, welk in haar die van de dood bedekt, verjaagd was; zoo vernieuwde die zelve klaarheid daar wij zoo zeer na haakten, ons verwondering door het droevigste en meêwaardigste [p. 300] schouwspel dat ’er ooit geweest was; want wij zagen helaas, het oorlogsveld met de lichamen van ons volk bezaaid, die haar leven, kloekmoedig strijdende, verloren hadden. Daar waren wel twintig duizend in ’t getal gesneuveld, en ontrent honderd overgeschoten. Ik weet niet hoe die jonge dapperheid, hoe groot dat die is, ziende zoo wreeden slachting en zoo veel bloeds gestort, stand kon houden zonder te bezwijken: en echter toonden hij daar nimmermeer de minste schijn af; maar zijn stem verheffende, riep hij; Mijn vrienden laat ons tot het einde volharden, en laat ons niet in gebreken blijven, van onze manhaftige spitsbroeders te volgen, die tot kosten van haar bloed ons den weg gebaand hebben, die wij moeten houden, ver van de reviere Stijx en Avernus af gelegen, om ten Hemel te klimmen. Zoo sprekende, gelijk als of hij zich in de toekomende dood verheugd had (zijn verzekertheid en gelaat betuigden ’t dus ten minsten) stelde hij zich kloekhartig tegen ’t geweld van deze Barbaren. Daar is geen zoo harde stoffe, al wasse van het fijnste Chalijbese staal, of zelf van diamant, die de slagen wederstaan kon, daar het heele veld van weêrgalmde. Onmeêdogende slagen die op hem neêrvallen, dat van nu af zijn lichaam niet meer als eene wonde is: ook word hij niet meer van het leven, maar van de dapperheid ondersteund: zoo men hem een slag geeft, terstond betaald hij met gelijke munt, en houd stand zonder [p. 301] zich te vermoejen: hoe meer dat men hem wond, hoe meer dat hij zijn gevoelen daar af toond. Eindelijk na dat hij wel weêrstand geboden heeft, zie zoo komt tot hem een man van de groote als een Reus, met een verschrikkelijk gelaat; in ’t aankomen werpt zich dezen Barbaar in lijfsgevaar op dezen armen Prins, en laat niet af van toe te slaan, tot dat hij hem, van verscheide anderen geholpen, den laatsten slag geeft, na dat hij lang gestreden had: terstond word dien onverwinnelijken Held ter aarde geworpen: helaas een droeve en rampzalige val, om dat ’er niemant onder ons gevonden wierd, die zijn dood wreken kon. Waarde overblijfsels van mijn Meester, en gij, o bloed, dat hij zoo heerlijk uitgestort heeft, weest getuige van ’t gene ik zegge, en beschuldigd mij indien het niet waar is, dat ik toen mijn leven niet zocht te verlengen, noch traag was om mij onder de slagen te vermengen; waar in ik mij zoo ijverig droeg, dat schoon ik ’t ontkomen ben, het echter de voorzienigheid van den Hemel toegeschreven moet werden, die het zoo beliefde om een grooter zaak: want mijn geluk wilde dat ik, noch in ’t leven zijnde, onder mijn doode spitsbroeders van zwakheid buiten mij zelve neêrzeeg; en zelf geloof ik dat ik toen een van haar getal scheen te zijn, om dat mijn gevoelen mij zoodanig begaf, dat ik seder niet kon oordeelen wat onze vijanden deden; maar na dat mijn zwakke oogen, die tot noch toe met [p. 302] wolken waren bedekt geweest, haar gewonelijk licht weêr bekomen hadden, beelden ik mij in dat het nacht was; maar een weinig hier na, vertoonden zich van heel verre een weinig licht voor mijn zwakke oogen. Het is waar dat ik het niet als bezwaarlijk gewaar wierd; gelijk als een mensche die uit een diepen slaap ontwaakt, zijn oogen niet als half op doet, om dat hij noch slaaprig is; hier bij schoot mij zoo weinig kracht overig, dat ik geen ding onderscheidelijk kon bekennen: aan d’ander zijde begonnen de smerten van mijn wonden mij zeer te drukken en te verergeren, uit oorzaak van de lucht en door dien ik ellendig op de vochtige aarde uitgestrekt lag. Maar terwijl dat dit licht geduurig, al zoetjens mij naderden, zoo scheen ik ook te hooren, ik en weet niet wat voor een gemompel van eenige lieden, die te zamen spraken en eindelijk stil zwegen: ik als doen mijn oogen met groote smerte geopend hadde, bemerkten ik twee mannen die na mij toe quamen: zij waren beide met een lange bruine mantel bekleed, en hadden ijder een toorts in haar hand; Mijn zoon, zeidenze tot mij, steld uw vertrouwen op dien grooten God, die nooit in gebreken blijft om de vrome te helpen, noch met zijn heilige genade de gebeden van die hem aanroepen voor te komen. Hier op strektenze hare armen over mij uit, en gaven mij haren zegen, sprekende met een nedrige en aandachtige stem; ik en weet niet wat voor [p. 303] woorden, die ik niet wel verstaan konde: dit gedaan zijnde, zeidenze tot mij dat ik opstaan zoude in Gods naam; o wonder, terstond was ik opgerecht, en het uitwerksel van dit wonderwerk was zoodanig, dat ik mijne wonden niet meer gevoelden, maar in tegendeel dacht mij, dat al mijn leden een nieuwe kracht verkregen hadden. Ik door zulk een vreemde en ongemeene zaak verwonderd, zagse beide strak aan, en mijn ziel aldus verblind zijnde, was niet machtig dit te begrijpen, noch zelf om deze waarheid te gelooven; het welk een van beide bemerkende, dus tot mij sprak; Mensch van klein geloove, van waar komen deze dwaze twijffelingen? houd op van te vreezen en verzekerd uw gedachten; wij zijn geen spooksels maar ware lichamen, die om Jezus Christus beter te dienen, de vergangelijke ijdelheden, en al het aanlokkelijkste dat de wereld heeft, verlaten hebben, om in deze woeste plaatsen te leven, en bezig te zijn in het overdenken van de hemelsche dingen: dien oppersten Koning, wiens Rijk zich over al uitstrekt, heeft ons verkoren om u wederom op de been te brengen: dit toond ons dat hij zich niet verontwaardigd hem van de minste dingen te dienen, om de alderwonderlijkste dingen voort te brengen. Dit is het noch niet al: hij wil ook niet dat men hier beneden veronachtsame, dat deftige lichaam, ’t gene de woonplaats van zoo schoonen ziel geweest is, het welk op eenen dag weêr moet veree- [p. 304] nigd worden, wanneer hij daar mede, verheerlijkt en onverderffelijk geworden zijnde, de eeuwige gelukzaligheden genieten zal. Den kloekmoedigen Suenes zal een grafstede hebben die hem waardig zijn zal (dit zeggende, toonde hij die aan mij) en die altijd geëerd zal worden, van haar die na ons zullen komen. Daar schiet nu niet over te doen, als dat gij uwe oogen ten Hemel opslaat, daar gij onder al die glinsterende starren, die haar vercieren, een zult bemerken, alzoo straalrijk als een schoone Zon: deze zal met haar heldre stralen, uw ter plaats geleiden daar het lichaam van uw Prins is. Naauwlijkx had hij zoo gesproken, of ik zag uit die schoone star een straal komen, die op de wijze van een goude schicht, die de hand van een schilder getrokken heeft, op dit eerwaardig lichaam neêrschoot: als doen scheen mij het licht, dat zich in ’t ronde uitstrekten, zoo groot, dat ik hem, helaas, heel met wonden bedekt zien kon: want hoewel hij in een verschrikkelijke vermenging van bloed en slijk als begraven scheen, echter kon ik hem wel bekennen. Even gelijk als geduurende in zijn leven, zijn begeerten altijd daar boven verheven waren, zoo was ook nu hij dood was, zijn aangezicht niet tegens de aarde gekeerd, gelijk als vele andere, maar na den Hemel gewend, daar al zijn hoop na strekten: hij had zijn zwaard in de rechte hand gevat, gelijk als of hij noch had willen strijden, en de slinxe lag op zijn borst, op de wijze van [p. 305] een boetvaardige, die op een nederige en aandachtige wijze, God om vergiffenis van zijne misdaden verzoekt. Terwijl dat ik zijne wonden met mijn tranen bevogtigden, zonder dat ik daar door de smert die ik in ’t diepste van mijn hart verburgen hiel, kon verzachten; zoo opende dien eerwaardigen grijzerd zijn vuist, en trok het rapier daar uit; Dit zwaart, sprak hij tot mij, dat gij noch met bloed van zoo veel ongeloovige die het ter dood gebragt heeft, beverfd ziet, is gelijk gij weet van zoo goeden stoffe datmen moogelijk wel groote moeiten hebben zou een beter te bekomen. Hierom, terwijl dat zoo rampzaligen dood het van zijn eerste meester heeft afgescheiden, wil den Hemel dat het niet onnut in deze gewesten blijf, en dat het in handen van een strijdtbaar*en kloekmoedig krijgsheld val; maar die ’t geluk gunstiger zij als het uw meester geweest is. Door deze middel zal zijn dood gewroken worden; de rechtvaardigheid vereischt dit zoo. Soliman moet door ’t zwaard sterven, van den Ridder die hij gedood heeft. Aanvaard het dan, en gaat dicht bij Jeruzalem, daar het heir der Christenen gelegerd is; wat moeilijkheden dat u ook ontmoeten, zoo weest niet versaagd: hoe ongelijk dat ook den weg van dit gewest is, God die u zend zal zorg dragen om die te effenen, met een hand die niets onmogelijk valt; hij wil dat gij, met die zelve stem, die hij bewaard heeft in u het leven te behouden, over al verkondigd de wonderlij- [p. 306] ke daden van Godvruchtigheid en dapperheid, die gij in uw waarden Heer bespeurd hebt, op dat zoo braven voorbeeld de anderen aanmoedigd, om onder de zeeghaftige vendels van het kruis op te trekken, en door een lange rij van jaren, zelf ter ooren van onze neven te komen. Nu schiet’er niet over als om te weten wie den Ridder is die dit zwaard erven moet: dit is den braven Reinout, die in een teere jeugd zijn wedergade, noch in kracht, noch in dapperheid heeft: steld het hem dan ter hand en zegt hem, dat de Hemel en Aarde van hem alleen zoo rechtvaardigen wraak verwachten.
    Zoo als ik aandachtig na de woorden van die vromen grijzerd luisterden, zie zoo vond ik mij terstond door een nieuw wonder verrukt: want ik was geheel verwonderd te zien, dat daar het lichaam van Suenes lag, een heerlijk graf stond, ’t geen uit de aarde oprijzende, hem alreede besloten had. Om u nu te zeggen hoe dat geschieden kan, is een zaak die mij niet mogelijk is: hoe dat het ook zij, ik zag in weinig woorden uitgehouden, de verdiensten en de naam van den overledenen, met zijn uitstekende deugden; en waarlijk dit voorwerp was mij zoo lief en aangenaam, dat ik ’er mijn oogen niet kon aftrekken, ’t zij dat ikse op het opschrift, of op de schoonheid van ’t marmor veste: waar op den Kluizenaar acht slaande, tot mij sprak, hier zal het lichaam van den kloekmoedigen Suenes, bij zijn getrouwe [p. 307] medegezellen rusten, terwijl dat heur welgelukkige zielen, van een vierige liefde tot de hemelsche dingen ontsteken zijnde, daar boven de eeuwige gelukzaligheden genieten, maar gij hebt haar nu genoegsaam de leste plicht door uw zuchten en traanen bewezen, het is tijd dat gij denkt om u een weinig te gaan rusten: volcht ons dan, want gij zult onzen gast voor dezen nacht zijn, verbeidende zoo lang tot dat de nieuwe helderheid van den dag u roept, om uw reize te vervolgen. Hier op zweeg hij stil, en leiden mij, nu over hooge heuvelen met steile diepten omringt, dan weder door lage dalen daar ik naulijkx kon uit klauteren. Eindelijk geraakten wij in een verschrikkelijk*hol ’t geen uit de natuur in een rotsteen gesneden was; dit was de gestrenge woonplaats, daar die godvrugtige Kluizenaars, midden onder de schuilplaatsen van beren en wolven, haar vertrokken: en echter deê haar onnozelheid haar met meerder verzekering leven, als ofse tot haar bescherming al de schilden en wapenen vande wereld gehad hadden: hier wierd ik met een wilde kost gespijst,*en bragt het overige van de nacht op de hardigheit door: maar des anderen daags, zoo ras als de zon zijn eerste stralen aan de zijde van’t Oosten begon neer te schieten, deden d’een en d’ander haar gewoone gebeden en ik met haar: daar na, oorlof van haar genomen hebbende, nam ik den weg die zij mij gewezen hadden.
[p. 308]
    Den Hoogduitscher*dee dit beklaachelijk verhaal, met een groote onsteltenis in zijn ziel, voor Godefroy, die hem antwoorde;* Ridder gij brengt hier in ’t Leger droevige en beklaagelijke tijdingen, zulkx dat wij de grooste reden ter wereld hebben om ons te bedroeven, dat zoo veel brave mannen, die van zoo verre ons te hulp quamen, haar dagen in zoo weinig tijt geeindigt hebben. Vremde zaak, most het dan wezen dat zoo een weinig aarde haar dus wredelijk verzwolg, en dat zoo een kloekmoedige Prins als de uwe zoo schichtig verbij ging als een blixem: die zoo ras niet in de lucht glinsterd, of terstond is hij uitgedoofd. Maar hoe? zulk een dood, diemen waarlijk gelukkig mach noemen, behoort voor alle schatten en winsten der aarde geacht te worden, ’t aaloude Kapitool zou voor onze oogen geen heerlijker eerteken, noch geen zegenboog, die de palmen en lauwren meer waardig was, als deze, kunnen vertoonen: want tot vergeldinge van hare overwinning, ontfangense daar boven in den hemel, gelijk als in een deftigen Tempel, een onsterffelijke kroon; hier vertoonenze zelf, door vreuchde en blijtschap verrukt, de wonden dieze in den dienst van haren Zaligmaker ontfangen hebben. Maar het is wel reden dat gij, die overgeschoten zijt, om deelgenoot te zijn inden arbeit en het gevaar van den oorlog, die wij hier beneden voeren, ook deel hebt in haar zegepraal en algemene blijdschap. Aangaande den [p. 309] zoon van Bartholdus die gij begeert te spreken, is voor de tegenwoordige tijd niet in het leger, en zoo gij mij wilt geloven, eer dat gij de moeite doet om hem te gaan zoeken, gij zult zoo lang vertoeven tot dat wij zekerder tijdingen van hem hebben: deze woorden*van d’een en d’anderen vernieuwden inden geest van eenige de genegentheit die zij Reinout alrede toedroegen, en de droefheit die zij gevoelden van hem verlooren te hebben: zulkx dat’er onder haar eenige waren die van droefheit door zijn vertrek getroffen, dus uitborsten: helaas moet het dan zijn dat wij, in dezen uitersten nood, van zoo strijtbaren Ridder berooft zijn? dat hij in lijfsgevaar gelijk een landlooper in’t midden van dat barbarisch en ongeloovig volk gaat doolen? hier op verteldenze om strijt aan den Denemerksen Ridder zijn brave wapendaden, die hem verwonderden over’t verhaal van zoo veel overwinningen. Maar zoo als zij haar met deze reden onderhielden, en dat de geheugenis van Reinout haar wel diep inde ziel trof, zie zoo quamen in ’t leger een groot getal Soldaten, die met haar een groot getal van beesten, koren en voeder voor haar paarden brochten: daar was niemand in’t aankomen die hem niet ontsetten als hij haar hoorde zeggen, hoe dat Reinout gesneuvelt was en dat zij niet als te baarblijkelijke tekenen van zijn dood mede brachten, te weten, zijn wapenen over al geblutst, en zijn bloedige rijrok.*Terstont wierd dit onzeker en twiffelachtig [p. 310] gerucht door’t gehele leger verspreit, want wie zou zo beklaeglijken zaak verburgen kunnen houden? De Soldaten die van droefheit en gramschap bezeten wierden liepen van alle plaatsen toe, om bijzonderlijk daar van onderricht te worden, zij konnen terstont zijn sterk en zwaarwigtig borstharnas aan de glans met al de rest van zijn rusting: hier bij gaf haar het blazoen van zijn wapenen, daarmen een arent, die zijn jongen aan de Zon beproeft (niet vergenoegt zijnde datze hem van vederen gelijken indienze op zijn voorbeeld die schoone star niet stijf aanstarren) op ziet, noch een veel zekerder bewijs: Gij mogt denken hoe gevoelelijken zaak dit aan’t oorlogsvolk was, die overwinnende wapenen, onder wiens gunst haar kloekmoedigen meester zich alleen de meesten tijd tegen ’t geweld der vijanden in de gevaarlijkste ontmoetingen stelden, te zien geheel met bloed besmet; zeker de tranen quamen haar in d’ oogen, als zij die aanschouwden, en door de droefheit die zij gevoelen, waren zij geen meer meester van heur gramschap, maar alzo het hele leger in roer was, en dat de soldaten op’t voorwerp van zijn dood haar verscheide dingen verbeelden, zoo liet Godefroy den Hopman van deze loopers, Aliprant genaamd, tot zich halen; die den roof van Reinout mede gebragt had, en die de naam voerden van als een zedig man, die zijn woorden geloof verdienden, leefden: na dat hij hem geboden had, hem opentlijk te verklaren waar dat hij [p. 311] zijne wapenen gevonden, en hoe de zaak zich toegedragen had, zonder hem iets vande waarheid te verbergen, zoo antwoorden hij hem; Groote Prins, gij moet weten dat twee dagreizens na de landpalen van Gaza een kleine vlakten is, met heuvelen omringd, een weinig van den grooten weg afgelegen, daar van boven een beek traag afstroomd, die door de boomen heenvloeit. Door de groote meenigte die daar zijn, en door de dichte takken die deze plaats omringen, is hij meerendeel bedekt en zeer bequaam om een hinderlage in te leggen. Hier waren wij bezich om eenig vee te zoeken, ’t geen wij hier waanden eerder als in eenige andere plaatsen, om het goede voeder dat wij daar zagen, te vinden, wanneer wij bespeurden dat het gras heel bebloed was, en daar dicht bij een lichaam dood ter aarden uitgestrekt: in’t bezichtigen van zijn wapenen en lievreien, droevig en verschrikkelijk schouspel, zoo was’er niemand onder ons dieze terstond niet bekenden, hoe bezoedeld datze waren, en van schrik en verwondering verzet bleef. Het eerste dat ik toen dede was hem te naderen om zijn aangezicht te ondekken, maar ik bevont datmen zijn hooft had weggenomen en dat zijn rechte hand hem ook ontbrak. Zijn lichaam van schoone gestalte, was met verscheide steken van achter en van voren deurboord, niet ver van daar zag ik zijn helm ter aarde leggen, daarmen voor cieraad een arent op zag, die zijne [p. 312] vleugelen aan twee zijden uitsprieden: maar zoo als ik mij aan alle zijden keerden, om te zien, of ik niet op doen zou die mij de waarheid van deze zaak mocht onderrichten: zie zoo quam een armen boer alleen te voorschijn, die terstond trachte weder weg te vlieden, zoo ras als hij ons ondekten: eindelijk na dat wij hem achterhaald hadden en dat hij zich gedwongen vond door de vragen die wij hem vraagden, antwoorden hij ons, dat hij den voorleden dag, uit het naast gelegene bos, een groote troep soldaten had zien uitkomen, voor wien hij zich uit vrees van een quaad onthaal, verburgen had; ook dat hij gezien had, dat een van den hoop, een hooft dat noch bloeden, en ’t geen scheen te wezen van een Jongelingk daarmen noch geen eenig hair van den baart aanbespeurden, bij ’t hair vast hiel: dat hij ’t eindelijk daarna in een sluijer gewonden en aan zijn zadelboom gehangen heeft; bij deze reden voegden hij dat noodwendig dat van ons volk most geweest zijn, na de schijn die haar kleederen hem gaven. Ik liet toen dat lichaam ontkleeden, en bedroefden mij zoodanig dat ik een langen tijd stond zonder dat het mij mogelijk was de minste traan te laten. Terstond na dat ik orde gesteld had om hem eerlijk*te begraven, nam ik zijne wapenen met mij; maar helaas, indien dit het lichaam van den Ridder is, die ik mij door zijn toerusting verbeeld, o wat zou die wel een beter graf en andere lijkstaci verdie- [p. 313] nen! Aliprand niet meer te zeggen hebbende, wierd vanden voorzichtigen Godefroy, die zich ondertussen op een vreemde wijze over deze droevige tijding bedroefden, verlof gegeven om te vertrekken, maar alzoo hij ten eersten de waarheit van deze zaak niet geloven kon, begeerde hij door baarblijkelijker tekenen daar van onderrecht te zijn, en te weten wie dat den moordenaar geweest is.
    Terwijl dat dit zoo geschieden, zie zoo quam de nacht op, die met haar brede en zwarte vleugelen de Hemel en aarde beschaduwt, en met zich voert den slaap, die aangename rust der zielen en zafte verzafting der qualen, door wien dat al ’t gevoelen en de bekommernissen sluimeren, daar was niemand dan een eenigen Argiljan, die door ontelbare ongenuchten* gequelt, bij zijn zelven zoo groote dingen overdenkt, dat, noch zijn ongenuchten kunnen rusten, noch zijn oogen haar sluiten, ter tijd dat de anderen slapen. Dezen Krijgsman, gaau ter hand, welsprekende, vierig in zijn aanslagen, en driftig van geest, wierd op de revier van Trontes geboren daar hij in’t midden der burgerlijke oorlogen, en in de tweedracht der partijschappen wierd opgevoed: hij eenigen tijd hier na gebannen zijnde, vervulde met merkelijk moorden en rooven de rontomleggende bergen en oevers, eindelijk na dat hij door geheel Kalabrien*en Poullien geroofd had, begaf hij zich in ’t geselschap van andre Kruisgezellen, en trok in Azien, daar hij eer be- [p. 314] haald hebbende, een gedeelte van zijn voorleden quade stukken door gedenkwaardige wapendaden uitwischten. Deze hebbende de heele nacht niet konnen rusten, raekten eindelijk op ’t rijzen van den morgestond in slaap: het is waar dat zijn slaap zoo wel geen betooverende rust van de ongenuchten zijns geests was, als een gevaerlijke sluimering, daar de razende Alekto haer van diende, om hem door een ontelbaar getal van gezichten, die niet min, verschrikkelijker als de dood zelve is, te quellen. Zij vertoonde hem een groot lichaam, dat men de rechte hand afgehouwen had, en die met de slinxe het hoofd dat men hem afgesneden heeft, gevat houd, het welk noch versch bebloed en vochtig scheen: maar schoon’t van zijn lichaam gescheiden was, zoo liet het echter niet na te ademen en te spreken, brakende uit zijn mond geronnen bloed, ’t welk het met een gebroke stem en verschrikkelijke hikken uitwierp. Vlucht wech, sprak het tot hem, ô rampzalige Argiljan, ziet gij niet dat het dag is? vlied van deze schandelijke hutten en dien schelmsen Godefrooy: Mijn waarde spitsbroeders, kund gij u voortaan nu wel bevrijd rekenen, van de lagen en strikken van dezen Tiran, na dat hij mij zoo onmenschelijk heeft laten ombrengen? onbewegelijke als hij is, hij knaagt zelf zijn herte van haat en nijd die hij u toedraagt, ook denkt hij op geen andre middelen als om u te verdelgen, gelijk als gij ziet dat hij [p. 315] mij verdelgd heeft. Evenwel indien uw hand op een vermaarde lof hoopt, en zoo zij maar een weinig vertrouwen in haar gewone dapperheid steld, zoo maakt, in de plaats van hier te vluchten, dat den Tiran, door het plengen van zijn bloed mijn schim bevredige: onderwint u kloekmoedig ’t geen ik zegge, en weest verzekerd dat mijn schaduw altijd bij u zal blijven, die u tot een schild, borstharnas en zwaard zal dienen, om u te beschermen. Zoo sprak het spooksel, en hem verlatende, blies hem veel meer als te voren nieuwe driftige bewegingen van razernij en wraak in. Hier op springt hij schichtig uit den slaap, en begint heel afgrijsselijk zijn oogen, van een vergiftige razernij gezwollen, heen en weêr te drajen. Daar na zoo ras als hij zijne wapenen genomen had, ging hij na de legerplaats der Italianen, daar hij haar deed vergaderen op de zelve plaats, daar onder een vermengd, de wapenen van den vromen Reinout lagen uitgestrekt: hier spreekt hij tot haar met een hoogmoedig gelaet, om zijn hert van een gedeelte van d’ongenuchten die hem quelden, t’ontlasten, deze woorden.
    Hoe mijn waarde Spitsbroeders, zullen wij dan lijden dat een Barbarisch Volk, of een Tiran, die noch na reden, noch na billikheid vraagt, die geen beloften houd, en die nimmermeer van bloed, zoo weinig als van goud en zilver, verzadigd is; ons altijd zoo de voet op de keel, den toom in den mond, en [p. 316] het juk aan den hals hou? Zijn wij nu noch niet moede, dat wij seder zeven jaren, zoo veel overlast en vervolgingen geleden hebben, dat van nu af tot vele eeuwen, geheel Italien meer als te veel reden om haar te bedroeven, en gevoelen hier af te toonen heeft; ik vergeet dat Cilicien, door de macht en de naarstigheid van Tankredo gedwongen zijnde, nu door een Fransman beheerscht word, na dat hij ’t door een merkelijke ongetrouwheid had ingeslokt. En ziet daar hoe schelmachtig dat het bedrog, de vergeldingen die aan de deugd toegeschikt zijn, afstroopt. Ik stel noch ter zijden, dat in wat gelegentheid die voorvalt, daar de tijd en de noodwendigheid der zaken, een haastige hulp, een brave geest, en een standvastige moed vereischt, daar altijd een van ons gebruikt word, wanneer men zelf het gevaar van duizend dooden, dwers door ’t ijzer en ’t vier heen liep: maar ’t zij dat men in tijd van vrede de eer en de vergeldinge moet uitreiken; of geduurende den oorlog den roof onder de Soldaten verdeelen; de onze hebben alleenelijk niet als de schaduwe; daar d’overwinningen, de schoonste lasten,* de rijkdommen, en de verkrege landschappen voor die anderen zijn; zoo zijnze van eergierigheid en verwaandheid bezeten: mogelijk zouden wij eertijds zoo quaden onthaal, voor een overlast en onverdraachelijk gerekend hebben; en voor mij ik ben wel te vreden dit in stilte, als lichte dingen voorbij te gaan, in ’t verge- [p. 317] lijken bij de dingen die wij tegenwoordig lijden: want in der daad zijn het kleine zaken, bij de schrikkelijke en vervloekelijke daad die haar tegenwoordig nu vertoond: het is helaas, die wreede moord die deze schelmen aan den onverwinnelijken Reinout begaan hebben. Hoe mijn vrienden? Reinout is dan gedood tegen alle Goddelijke en menschelijke wetten, en den Hemel zou die dood niet wreken? Zal hij van boven zijn donder en blixem niet neerschieten? Zal het Aardrijk in de eeuwige nacht van haar eeuwige duisternissen hun niet inzwelgen? Zij hebben schelmachtig die braven Reinout vermoord, die geduurende zijn leven, den beukelaar en het zwaard van het Christen geloove was: en het zal ons verweten worden dat wij hem op de plaats hebben laten dood leggen, zonder daar wraak over te doen, en aan zijn lichaam de laaste plicht te bewijzen. Gij zult mij hier op zeggen, dat gij wel wenschte te weten, wie den Barbaar is die hem zonder reden heeft doen dooden. Helaas mijn waarde spitsbroeders, voor wie mag deze moord onbekend zijn? weetmen niet wel, dat noch Godefrooy, noch Boudewijn, nimmermeer de Italianen bemind, en datse altijd haar dapperheid benijd hebben: maar waar toe zijn zoo veel reden noodig? ik roep den Hemel tot getuigen, die alle dingen zoo wel weet en ziet, dat het niet mogelijk is om die te bedriegen. Op het punt dat den dag deurbrak, heb ik zijn dwalende en ongelukkige [p. 318] geest gezien: O God wat was het een doodelijk en beweechelijk schouwspel? Wat wreedheden en valschheid voorzei hij ons niet van den Tiran, die wij tot opperhoofd verkoren hebben! Ik zag hem waarlijk; ik zag hem, en het was geen droom of eenig spooksel: hier van heb ik het beeld zoo vast noch voor mijn oogen, dat na wat zijde ik die keere, het mij dunkt hij zich daar voor vertoond. Wat zullen wij nu dan doen? Zullen wij ons dan altijd laten beheerschen van die hand die noch van zoo vervloekten moord bezoedeld is? Of zullen wij niet eer trachten aan den oever van den Eufraat te gaan, om te beletten dat, een volk zoo weinig in den oorlog ervaren, niet langer zoo een vruchtbaar gewest, met zoo veel schoone Dorpen en bloejende Steden bewone? Zijt verzekerd mijn vrienden dat, indien wij dit kunnen doen, zij zullen daar geen meester meer af zijn, en dat de Franssen nu voortaan niet meer hebben zullen dat met ons te deelen zal zijn. Laat ons dan ter goeder tijd gaan, indien gij het goed vind, en laat ons hier dat onnoozel en doorluchtig bloed ongewroken blijven; evenwel indien uw aaloude deugd, die ik tegenwoordig zoo verkoud en quijnende zie, in u zoo vierig was als zij behoorden te wezen, dezen besmettelijken Draak, die den bloem van al de Italiaanse landaard, dus heeft ingeslokt, zou op zoodanigen wijze gehandeld worden, dat zijn dood voor eeuwig tot een voorbeeld aan zulke andere monsters ver- [p. 319] strekken zou. Indien dat uwe onverwinnelijke dapperheid zoo veel stoutmoedigheid als macht had, weest verzekerd dat deze hand haar wreken zou van dat trouwloos hart, ’t geen d’oprechte vertrekplaats van valscheid en verraad is.
    Dus sprak Argiljan, met een gelaat van razernij en gramschap zoo vervoerd, dat het machtig was al de vergadering door zijn geweldige driften tot hem te trekken. Ter wapen, ter wapen, riep hij; en deze moedwillige stem wierd van al de jeugd, die het zelve riep, vergezelschapt. Ondertussen wierp haar de razende Alekto met gewapender hand midden onder haar; en boven dien datse de wreedheid in haar dapperheid inbloes, zoo queldenze haar noch met een besmettelijke dorst na het menschelijk bloed, die grooter wierd, en meer en meer ontstak. Deze pest springt uit de legerplaats der Italianen, om haar onder de Zwitsers (die zij hard aantast) uit te spreien; en van haar gaatse na de Engelschen: maar boven dien dat deze droevige toeval aan de driften der vreemdelingen een schijn en voedsel geeft, zoo veroorzaaktse ook dat veel oude twisten, die voor eenigen tijd in slaap waren geraakt, terstond ontwaakten en weder vernieuden. Zij noemden de Franssen Tirannen, wreedaarts en onverdraachelijke: zulkx dat de haat die zij tegen haar voortaan verkregen, niet meer konnende verborgen blijven, tevoorschijn komt en met dreigementen uitbarst, daar de moed- [p. 320] willigheid en hooverdij zich onder een vermengen; even gelijk als het water dat men in een ketel om heet te worden gegoten heeft, zijn bobbels over den rant uitwerpt, en eindelijk overloopt, indien men het vier daar te sterk onderstookt. Den genen die onder haar de meeste zedigheid hebben, en die beter als d’anderen de waarheid kunnen bekennen, zijn niet machtig om het geweld van deze muitmakers te stutten: hier bij helpt dat Tankredo, Kamillus, Wilhelm, en eenige anderen die ’t gebied over haar hebben, afwezig zijn. Alle deze dingen t’samen gevoegd, moedigen veel meer als ooit heur hoogmoedige en grouwzame dapperheid aan. De razernij die haar alreede bezit, brengt haar tot de wapenen, daar zij onder een vermengd haastig na vatten: en alreede kan men het geluid der trompetten hooren, die haar tot den slag roepen. Ondertussen loopen vele in naarstigheid toe, om Godefrooy, die zich gereed houd, daar van te verwittigen: Boudewijn vertoond zich de eerste voor hem met alle stukken gewapend, en steld zich aan zijn zijde; maar Godefrooy ziende dat hem de laster niet verschoonden, hief zijn oogen ten Hemel, en zijn hoop op God stellende, gelijk hij gewoon was, sprak hij; Heere, terwijl dat gij weet met hoe veel vierigheid en ijver ik mij altijd tegen de partijschappen en verdeelingen gedragen heb, zoo rukt het deksel, ’t geen de oogen van dit Volk geblind houd, aanstukken, betoomd heur geweldige razer- [p. 321] nij, en maakt dat mijn onnoozelheid, die gij van boven bekend, voor dit volk, die door haar driften hier beneden verblind zijn, geopenbaard word. Meer sprak hij niet, en gevoelden terstond dat zijne aderen met een ongemeene warmte die van den Hemel quam, ontfonkt wierden: zulkx dat hij met deze hemelsche kracht en een vast geloove, dat op zijn aangezicht verscheen, vervult zijnde, veel kloekhartiger als te voren wierd, in voegen dat niets machtig was om zijn voornemen tegen te staan. Hij als doen van de zijne omringd zijnde, ging kloekmoedig tegen de genen die haar alreede beloofden de dood van Reinout te wreken, zonder dat, noch hare wapenen, noch haar dreigementen, hem een stap konden verletten: boven het borstharnas dat hij aangeschoten had hij een wapenrok veel rijkelijker als naar gewoonte; hij had geen handschoenen aan zijne handen, en op zijn aangezicht, dat zich ongedekt vertoonden, zag men waarlijk een hemelsche Majesteit door een nieuwe glants verheven: met zulk een gelaat, zoo een Prins als hij is waardig, ging hij, schuddende zijn gulde Scepter, wel verzekerd zijnde, dat zonder eenige wapenen als die te hebben, hij deze bewegingen stillen zal. Ziet daar in wat voor een toerusting hij hem voor deze oproerige vertoonden: hier noch niet mede vergenoegd zijnde, trachten hij haar door reden te herstellen, die van geen sterffelijk mensch schenen voort te komen; Hoe mijn Vrien- [p. 322] den, sprak hij tot haar, wat meend gij te doen u dus oproerig te vertoonen? Waar uit spruit dit moedwillig gerucht, en wie is ’er den aanvoerder van? Is dit de achtbaarheid die gij mij toedraagt? Hebt gij geen goede proeven genoeg om mij te kennen, zonder dat mijn wijze van leven u behoord verdacht te zijn? Om wat oorzaak vind m’er dan eenige onder u, die mij moedwillig durven beschuldigen, en zelf die laster geloof geven? En schaamt u niet te antwoorden op ’t geen ik u vrage, indien gij mogelijk noch niet van mij verwacht, dat ik onder mijn reden ootmoedigheid en gebeden vermenge: maar God behage nimmermeer dat zoo groote onwaardigheden mij ooit verweten worden, en dat ik alzoo de goede achtbaarheid, die ik in de wereld verkregen hebbe, zoude te kort doen! Deze Scepter die ik in mijn hand houde, met mijn gedenkwaardige daden, en de ware proeven die veel starker als al het overige is, zullen mij beschermen, zoo ik hoop, tegen de gevaarlijke uitwerkingen van uwe verdeeldheid: maar op dat de middelen van de gestrengheid, voor die van de barmhartigheid wijken, en dat een rechtvaardige straf zich niet over al de schuldige uitstrek, zoo ben ik te vrede u dezen misslag te vergeven, in overwegingen van het goed dat gij voor dezen gedaan hebt, en van uwen Reinout zelve: maar het is waar dat ik daarom niet versta, dat Argiljan ongestraft zal blijven; doch in tegendeel wil ik dat zijn bloed deze gemeene mis- [p. 323] daad uitwisch, terwijl hij daar den aanvanger af is, en dat hij zoo vermeten geweest is d’andere hier toe aan te porren, gedreven zijnde tot deze wanorden, door een schijn van achterdocht, die zoo weinig waarlijk schijnt als het vermoeden daar van zwak is.
    Geduurende dat Godefrooy dus sprak, schenen van zijn aangezicht blixemstralen van eer en majesteit te schieten, zulkx dat zijne redenen, als zoo veel donderslagen waren, om heur moedwilligheid te temmen: Argiljan zelf, hoe oproerig dat hij zich ook vertoonde, was op deze maal gedwongen hem over te geven, en voor de rechtvaardige gramschap van den Veldheer te zwichten: op zijn voorbeeld durven de andere soldaten, die men noch kort te voren moedwillige reden vol van verachting, verwijt en lastering zag uitspuwen, en die haar zoo vaardig toonden om de wapenen, die de wraak haar ter hand stelde, aan te grijpen, haar hoofd vol van schaamte en vrees niet opbeuren; ’t welk de oorzaak is, datse, zonder een woord t’antwoorden op ’t geen men haar zeyd, lijden dat Argiljan, door d’uitvoerders van ’t gerecht gevat en gebonden word. Zoo lijd de Leeuw, die noch kort te voren zijn hoovaardig hair opstak en hem zelf met zijn staart sloeg, brullende afgrijsselijk, om zich zelve beter te vergrimmen, dat hij weder aan de keten gesloten word, indien hij zijn beheerscher, die hem eerst gedwongen heeft, ziet aankomen; want als dan zijn dreigementen vreezen- [p. 324] de, vergeet hij al de wreedheid die hem de natuur gegeven heeft, zonder dat, noch zijn tanden, noch zijn nagelen, noch het lange hair, dat hem tot ’er aarden nasleept, zijn hoovaardige moed in gramschap tegen hem kunnen onsteken. Men zeid dat daar ook gezien wierd een gevleugeld krijgsman met een gelaat vol van schrik en dreigementen: dezen oorlogsman hield voor Godefrooy een breed schild, gelijk als of hij hem had willen bedekken, en vertoonden de bebloede punt van een lang zwaard; en mogelijk quam het zoo van daar ’t rechtvaardig bezoedeld is geworden in het bloed van een Stad, of eenig Koningrijk, daar den Hemel, hoewel te traag om zich te verroeren, eindelijk is op vergramd geworden. Ziet daar op wat wijze dat dezen oproer een einde nam, die zoo ras niet bevredigd was, of zij leiden alle haar wapenen ter neder, en met de wapenen de haat; die zij zonder reden tegens haar opperhoofd genomen hadden. Godefrooy keerden hier op recht na zijn hutte, daar zijn geest aandachtig op verscheide dingen, nieuwe aanslagen begon te maken: en hij nam zelf voor niet langer als twee of drie dagen te vertoeven, om de Stad te bestormen. Hierom ging hij al het krijgstuig en de stukken van de beukerijen en ander oorlogsgereedschap, daar hij zich van hoopte te dienen, bezichtigen.
Continue
[
Frontispice canto 9]
[p. 325]

TORQUATO TASSOOS

Verloste

JERUZALEM.

Het negende Gezang.

INHOUD.

SOliman, van de razende Alekto bezeten, en door die van de Stad gehulpen, doet een strengen aanval op het Leger der Francen, maar God wend het quaadste af, en zend haar den Aartsengel Sant Michaël, door wiens gunstige hulpe, zij al de macht der ongeloovige te rugge drijven: hier bij komen diegenen, die met Armijde gegaan waren, zeer wel te pas, te rugge.

Alekto boos van aard berijd Vorst Soliman;
    Die door de Stad gestijft, valt met zijn Roovers benden,
Op ’t Franse Leger zoo verwoed en bloedig an,
    Dat God, uit zijnen Troon, haar hoed voor droeve ellenden:

[p. 326]
(5) Hij zend haar tot een Hulp d’Aardsengel Michaël;
    Door wiens gevreesde hand, zij al de groote machten,
Der ongeloovige verjagen fel en snel,
    Dat niemand van heur heir haar langer darf verwachten.
Hier op zoo komen ook op ERCURIUS’t slag nu weder aan,

    (10) Die met Armijde zijn, voor dezen, heen gegaan.

HOewel het onbeweechelijke wanschepsel der helle, eindelijk al deze razende onrusten gestild zag, en dat de vlammen der haat en toornigheid, die het alleen ontsteken had, geheel waren uitgebluscht; zoo was ’t dat het evenwel, door al de nijd die ’t ingezogen had, om dat het zich niet kon zetten tegen de wetten van ’t noodlot, noch het onveranderlijk besluit der Goddelijke voorzienigheid, niet afliet om sterker als te voren in zijn schadelijk voornemen te volharden. Het gaat dan om elders zijne lagen te leggen; over al waar het treed verdorren de velden en de Zon verbleekt. Hier niet mede vernoegd zijnde, kloofd het de lucht, en verhaast zich om noch grooter quaad te rokkenen door nieuwe aanslagen. Dit vervloekt en verdoemd spooksel, ’t gene niet onbekend was, hoe door middel van zijn medegenooten, den zoon van Bartholdus en Tankredo van het Franse leger afgezonderd waren, met dewelke d’ervarenste van ’t ge- [p. 327] heele heir wech zijn, sprak toen; Waarom wachten wij nu langer? dat Soliman kome en haar bestorme, terwijlze ’er het minste op denken; dit is de verzekerste middel om op haar de overwinning te krijgen, om dat in dit leger het meerendeel der Oversten, door heur dapperheid beroemd, zijn afgezonderd: dit gezeid hebbende, vloog het recht daar Soliman zijn vliegend leger weder vergaderd had, t’zamen gevoegd van een groot getal Arabiers, al t’zamen landloopers en roovers. Dezen tiran haten de Christenen meer dan eenig mensch ter wereld, zulkx dat onder al de ongehoorzamen, die tegen God opstonden, men niet een vond dieze wreeder handelde als deze deed: ja hij was zoo afgrijsselijk, dat de aarde geen grooter schelm zou hebben kunnen voortbrengen; wanneerze zelf, om eenige nieuwe onheilen, het zaad der verwoede reuzen weder te been bracht: deze was eertijds Koning der Turken, en hield zijn Hof te Niceen, de voornaamste stad van zijn Koningrijk; dat door vervolg van tijden, hem afpaalden van de oevers der Grieken, strekkende van over tot den stroom Sangar en Meander, door d’overwinning die hij kreeg op de Misiénen, en die van Frigien en Lidien, met de Koningrijken van Pont en Bithinien: maar na dat het Christen leger was over de zee gekomen, wierden al zijn landen gewonnen, en hij in twee veldslagen verstrooid: hij willende daar na weder het geval van ’t oorlog be- [p. 328] proeven, en trachten om weder tot zijn vorige staat te komen, wierd eindelijk met openbare kracht uit zijn land verdreven, zulkx dat hem de noodwendigheid bedwong zich in ’t Hof van den Zoudaan van Egipten te begeven, daar hij zeer welkoom was, en eerlijk na zijnen staat ontfangen wierd: want hij was wel blijde, dat zoo dapperen en befaamden man zich bij hem begeven had, om hem in zijn aanslagen te helpen, die geen ander doelwit hadden, als met de Christenen te twisten om d’overwinning van ’t beloofde Land; om dat hij niet meer vreesden als tot nabuurige vijanden te hebben den genen, die, om de voortplanting van een geloove tegen het zijne, gekruist waren. Maar eer dat hij zich tegen haar wilde verklaren en openbaren oorlog aan doen, was hij van rade, dat Soliman de Arabiers, die over al verstrooid waren, t’zamen zou vergaderen, hem hier toe gevende een groote somme goud en zilver om haar in besolding te houden. Deze dingen alzoo beginnende, terwijl dat den Zoudaan menigte van krijgsknechten op ontbood, die tot hem quamen van al de deelen van Azie en Affrijke, begaf hem Soliman op weg; in ’t aankomen had hij niet veel moeite die tot hem te trekken, om datze van allen tijden groote dieven waren geweest, en zeer tot het geld genegen: hij dan overste van dezen moedwilligen hoop gemaakt zijnde, doorliep geheel Judéa, daar hij grooten roof en machtige schatten uitvoerde; zoo dat men [p. 329] van het leger der Christenen niet meer zeker gaan of komen kon tot de Zeeplaatsen: hier op quam hem ijder oogenblik voor oogen, de smaad die men hem aangedaan had, hem van zijn Koningrijk beroovende, dat door vremde verwoestingen verdrukt was; zoo dat hij nu in zijnen geest hooge aanslagen overdacht: terwijl dat hij noch in twijffel stond, door wat middel dat hij die in’t werk zoude stellen, zie, zoo quam Alekto zich voor hem vertoonen om hem noch meer aan te prikkelen; zij had de gedaante van een zwakke grijzerd, in wien men naauwlijkx een eenige droppel*bloeds zou gevonden hebben, aangeschoten; heur vel scheen verdord aan ’t been gedroogd te zijn, met groote knevels, de kin zonder hair, en het hoofd met een groote tulbant, van verscheide verf van linnen, onder een vermengd, t’samen gevlochten; zijn kleed was op de wijze van een rok gemaakt, van voren met knoopen die haar over de hielen neêrhing, zij had een groot krom zweerd op de zijde gegord, een pijlkoker in een sluier hangen, en de boog in de vuist; Ontzinnige als wij zijn, sprak zij tot hem, laat ons zoo veel als wij willen, de vlakte en de woestijne van het onvruchtbre Libien deurloopen, waar toe kan het ons doch helpen, terwijl dat ’er geen roof te halen is, noch eenige overwinning te verkrijgen die iets waardig is; boven dat, terwijl wij ons hier mede bemoeyen, bespringen de Christenen met ernst de voornaamste stad van [p. 330] deze gewesten, met zulk een geweld, dat zij alreede zulke gaten in de muur gemaakt hebben, datse op ’t punt zijn van den storm aan te voeren; alzoo dat wij zekerlijk zijnen brand en verwoesting wel haast zien zullen, indien wij een weinig langer vertoeven om haar bijstand te doen: hoe! zal den zeeghaftigen Zoliman, die al de wereld zoo zeer ducht, dan glorie stellen in het verbranden van arme herders hutten, en in ’t rooven van heele troepen schorfte schapen en magere ossen, die naauwlijkx voort kunnen? zeker beziet eens die brave overwinningen: meend gij door dezen weg weder in uwen staat te geraken, en u te wreken van al het jammer en verlies dat gij van de Christenen ontfangen hebt? O hoe ver zijt gij van uwe rekening! Op dan, vat moed, valt in de starkten van dezen onmenschelijken tiran; gebruikt listige lagen tegen hem, en valt hem zoo gestreng op het lijf dat hij nimmermeer weder op sta. Zoo gij wijs zijt, zoo zult gij den raad van uwen vriend Araspes volgen, wiens getrouwigheid gij lange beproefd hebt: gij weet dat hij u nimmermeer verlaten heeft, noch zoo lange als ’t geluk u in uw Koningrijk verdadigden, nog sedert dat ’et u zelf verjaagd heeft: vertoefd dan niet langer, en hoe naakt en bloot dat de Arabiers ook zijn, laat daarom niet naar u van haar in dezen aanslag te dienen: ik weet wel dat het zwaarlijk te gelooven is, dat lieden, die niet gewoon zijn anders als landloopers te leven, en [p. 331] de reizende man te berooven, genoeg moed zouden hebben om zoo sterke en schrikkelijke vijanden weêrstand te bieden, maar boven datse haar slapende zullen vinden, zal uw dapperheid heur moed bevestigen.     Zoo sprak deze Razernij tot Zoliman, en blies hem in de ziele haar gewonelijke uitzinnigheid; daar na verdweenze en verstoof onder de wind. Ondertussen bleef hij heel verschrikt, en zijn handen ten Hemel heffende, sprak; Wie gij ook zijt, die mijn hert zoo aanmoedigd en ontvonkt met een overgroote hette; gij zijt, zonder twijffel geen sterffelijk mensch, hoe dat gij ’er ook na gelijkt, zie daar ik ben bereid om u te volgen, door al de wegen waar gij mij ook zoud willen leiden: van de vlakten zal ik bergen van doode of gequeste lichamen maken, en van heur bloed geheele stroomen: daar gebreekt niet anders, als dat gij mij behulpsaam zijt, en mijne wapenen dwers door de duisternisse geleid. Hier op, zonder langer te vertoeven, vergaderden hij al zijn soldaten, die hij aanmoedigende tot de alderbloodste toe, door hoogmoedige woorden. Na dat hijze alzoo door een kloekmoedige vierigheid tot strijden ontvonkt had, zie zoo gaf Alekto zelf het teiken van den aanval, in de eene hand hieldse een trompet, en in d’andere een groot laken dat in de wind uitwoey; zij verdubbelde al gaande heure treden, en haasten haar om de ondekking van heure komste voor te ko-[p. 332] men. Alekto haar alzoo geleid hebbende, verlietse terstond; en, in een bode veranderd zijnde, quam binnen Jeruzalem, ontrent die tijd, wanneer den dag voor de nacht plaats begint te maken; Daar drongse stoutmoedig door ’t gedrang, en trat midden door ’t volk, dat van de schrik en droefheid aan alle zijden omringd wierd. Daar na verwittigdeze de Koning van de macht, die tot hulp van de Stad gekomen was, en van het voornemen dat de soldaten genomen hadden het leger der Fransen te bespringen op het teken dat zij hem aanwees. Alle dingen begonden nu bedekt te worden met het duistere deksel van de nacht, die nooit zoo schrikkelijk als nu verscheen: want in de plaats van de mist en dampen, zwom het Aardrijk in een bloedigen daauw, en de Hemel was met wanschepsels, en schrikkelijke dingen vervuld: men hoorde niet als het verzuchten van quade geesten, die over al heen vlogen. Pluto verliet zijn afgronden, en al wat duisternis is in zijne holen, om deze nacht noch dompiger en grouwelijker te maken. Geduurende deze duysternisse, naderde den hoovaardigen Soliman tot de tenten zijner vijanden, en een weinig na middernacht, was hij een vierendeel uurs van heur leger: alwaar hij, geen gerucht hoorende, om dat de Fransen in rust waren, niet zorgende voor deze verrassing, zijn volk gebood stil te staan, om dat deze weinige rust heur frisser tot den slag zou maken. Toen klom hij op het [p. 333] hoogst van een klein heuveltjen, beginnende tot haar te spreken, en tot dien gestrengen aanval aan te moedigen. Zie daar, sprak hij, dit schoon leger, daar men zoo veel van gezeid heeft, hoewel dat het maar een schijn heeft. Zie hier de diepen stroom, die de rijkdommen van Azie ingezwolgen heeft. Het staat maar aan u, dat al dezen roof u niet in de handen valle, zonder veel gevaar te loopen. Die schoone wapenen, en die rijk geharnaste paarden, worden u tegenwoordig aangeboden door de eigen hand van ’t geluk. Daar is niet dat u beletten zal meester te wezen, zoo gij u van deze gelegendheid wild dienen: Want, om het wel te overwegen, dit is het leger niet, door het welke de Perssen verdreven wierden, en de machten van Niceen verdelgd. Gij weet dat het niet anders zijn kan, of verscheiden van haar zijn omgekomen in dezen oorlog, zoo wel om zijn langdurigheid, als oorzake van verscheide toevallen. En al waar*’t schoon dat heur leger zoo groot, als toen was. Het is voor u een groot voordeel dat gij te doen zult hebben met mannen die in een diepen slaap verzonken, en niet van wapenen voorzien zijn. Waarlijk, daar is zoo weinig onderscheid tusschen den slaap en de dood, dat ’er niet zoo licht is als zijnen vijand t’overwinnen. Volgd mij dan stoutmoedig, ik wil de eerste zijn die u een weg openen zal dwers door deze slaperige lichamen, die in heure bolwerken omwentelen. Dit zwaard zal u wijzen hoe dat [p. 334] men slaan, en niemand sparen moet. Nu zal het Rijk van CHRISTUS eindigen. Nu zal uw naam doorluchtig, en het verdrukte Azie van slavernijen verlost worden.*Haar alzoo aangemoedigd hebbende, gebood hij hen met weinig geraas voort te trekken. Maar zij konden zoo bedekt niet voortgaan, ofse wierden vande uitgesette wachten, door’t schijnsel van een weinig licht, ontdekt. Terstond was het geheele leger in roer, zulkx dat de voorwacht terstond op was, en zich bereiden om den vijand t’ontfangen. d’ Arabiers gestoord zijnde, om datse alsoo ontdekt waren, lieten heur paarden een weinig adem scheppen, wiens gebriesch zich vermengden onder ’t gekrijsch der soldaten, en t’samenhorting der wapenen, dat zoo grooten getier baarden, dat ’er de bergen en dalen van weêrgalmden:*de Echo zelf, die in de rotsen woond, verschrikte van ’t afgrijsselijk gerucht, en vermenigvuldigde de vrees door de weêrklank. Alekto gaf het eerste teken van den strijd, en van de oevers van Flegeton stakse een brandende toorts op, dat die van de stad tot een teeken diende, om haar bereid te houden. Soliman trad voor in het hoofd van zijn volk, en te viervoet rennende, met lossen toom, viel zoo kloekmoedig in ’t midden der wachten, die noch niet wel in orden waren. Zijn ongestuimigheid is niet minder als van eenen stroom, die van ’t hoogste eens bergs afstortende, groote boomen met zich sleept, ontwortelende [p. 335] de huizen, daar hij de grondvesting van ondergraafd. Bij de razernij van dezen Barbaar, zijn niet te gelijken de krachten van den blixem, wanneerze teffens ter neêrwerpt en ontsteekt de hooge toorens; noch de aardbevingen die de wereld beroeren, en met schrik vervullen. Yder slag, dat hij met zijn zwaard slaat, maakt hij een wonde, en deze wonde beroofd van ’t leven den genen die getroffen is. Hier bij zou ik wel grooter wonderen van hem kunnen zeggen, zoo het geloove niet boven de reden ging. Ter ander zijde, in deze ziedende gramschap, schijnt hij zich te veinzen, of niet te gevoelen de slagen die men hem geeft, hoewel dat ijder reis, als hij getroffen word, zijnen helm als een klok klinkt, en dat het schrikkelijk te zien is, hoe de vonken daar uitstuiven. Zoo haast als hij bijna alleen deze eerste benden der Franssen verstrooid had, zie zoo quamen d’ Arabiers aan, die ’t gedrang scheurende, ellendige verwoesting deden, in het dikste der vijanden. Zij vloeiden over op de wijze van een vloed van verscheide stroomen t’samen geloopen. Alsdoen namen de Franssen met gerekten halze de vlucht, en men zag onder een verstrooid de verwinnaars en de verwonnen, ’de vervolgers en de vluchtelingen, die t’samen binnen de beschanffing van ’t leger indringen, daar ’t over al van gekrijsch, verwoesting, verzuchting en vreeze vol is. Soliman voerd, tot cieraad, op zijnen helm, een verschrikkelijke Draak, [p. 336] die de hervouwing van zijn hals ontkruld, die hij op de zelve tijd uittrekt, met dat hij zich op zijn voeten recht, spreid hij zijne vleugels uit, en kromt, als een boog, zijn verschrikkelijke staart. Die hem eerst gezien had, zou gezeid hebben, dat hij drie tongen drillende uitstak, daar onder zich een venijnige schuim vermengden, die hij met een schuiffeling, die men van ver zou gehoord hebben, uitbraakten. Over al waar den strijd het hevigste ontstak, daar prikkelde dit besmettelijke wanschepsel zijn zelven ook tot wreedheid aan, en zich zelven slaande, braakten het geheele vlammen van zwavel uit, daar onder een duistere rook vermengd was. Hoe verschrikkelijk dat’et dier was, dit licht maakte het noch vervaarlijker voor de gene die het aanzagen, en vertoonde zich voor haar als een blixem, aan den genen die zeilen, wanneer, geduurende eenen storm, die haar beukt, en zich onder de duisternisse van de nacht vermengd, zij de baren zien, die door ’t geweld der winden, tot aan de wolken gedreven worden. Sommige die, door vrees van de dood, vervoerd worden, stellen heur heil in de vlucht, en andere behelpen haar kloekmoedig met heure wapenen, om haar te verweeren. Heur moed wast in de duisternisse, die het aanstaande gevaar verburgen houdende, deze wanorden doet aanwassen. Onder de gene, die zich in deze nood, met zoo veel kloekmoedigheid, als hij vrijwilligheid betoond, draagt, [p. 337] munt Latinus de eerste uit. Dezen kloekmoedigen Ridder was op de kant van den Tiber geboren, en hoe oud dat hij was, zoo had evenwel de last der wapenen, noch den hoogen ouderdom, de moedigheid van zijn geest, noch de kracht van zijn lichaam niet verzwakt. Vijf jonge soldaten, zijne kinderen, volgden hem over al in de hachelijkheid der oorlogen, die tegen den arbeid der wapenen aangroeiden, hoewelse noch naauwlijkx de jaren en kracht hadden om die te dragen. Deze wetten teffens heur gramschap en zwaarden, op het voorbeeld van haren vader, die om haar, noch meer aan te moedigen, tot haar spreekt; Laat ons gaan, mijn kinderen, daar ons dezen vervaarlijken Duivel, die op de vrees van die voor hem vluchten stoft, ons roept: al het voorbeeld dat hij waand te hebben, is goddeloos, en hoe veel te meer te verachten, om dat hij zich, door geen gevaar, geducht maakt. Zoo is de Leeuwin gewoon haar jongen tot den prooy, die zij vervolgd, te geleiden; om haar in ’t gevaar te brengen, eer dat heur hals borstelig word van een lang hair, en den ouderdom haar randen en nagelen doet wassen: boven dien datse ’er door deze middel stout maakt, zoo gewendz’er ook wreedaardig te worden tegen de jagers, die haar in heure holen beledigen, en andre vreesachtiger beesten doen vlieden. Op deze wijze bestond die meewaardigen vader, vergezelschapt met zijne kinderen, Soliman aan te vallen, en met haar hem t’om- [p. 338] ringen: zulkx dat, in een oogenblik, zes speren tegen hem geveld waren, met een gelijke begeerte en dapperheid. In deze daad was de jongste wat te stout, want na dat hij zijn speer verlaten had, tragte hij, tot zijn nadeel, met Soliman handgemeen te worden, en hem, met een zwaren slag, uit den zadel te doen storten: maar gelijk als een rotsteen, die in ’t midden der zee, of aanden oever gegrondvest is, onbewegelijk en vast staat tegen het geweld der draaiwinden en baren, zonder dat den blixem en donder, of diergelijke geweld des Hemels, machtig is om hem te doen schudden; alzoo wederstond dezen ontembaren Heiden, niet wijkende de slagen, die men hem van alle zijden gaf. Daar na zijn gramschap in razerny veranderende, ziende zijn paard met bloed besmet, raakten hij de gene, die hem gequetst had, zoo geweldig, dat hij hem het hoofd, tusschen de twee winkbraauwen en kaken, tot de tanden toe, opspleet: Maar Aramand dit ziende, steunde zijn broeder, om dat hij niet ter aarden vallen zou, met zijn helpende arm; doch het bate niet, want hij ’er zelf de smerte van gevoelde, omdat hij, door zijn broeders val, zelf ter aarden storten; want Soliman hem ziende den arm uitstrekken, gaf hem een averechten slag, dat hij, met den genen onderstutte, ter aarden neêrploften, deur een vermengende, en heur bloed, en heur laatste zuchten. Dit gedaan zijnde, ziende dat Sabijn, van verre, [p. 339] hem met zijn werpschicht zocht te beledigen, hieuw hijze aan stukken; toen het paard de sporen gevende, trappelde hij hem op den buik, en liet niet af van hem zoo lange onder de voeten te verpletten, tot dat de ziel, met leedwezen, dat jeugdige en bloejende lichaam verliet. Zoo dat van vijf gebroeders, nu niet is meer als twee overig bleven, Pikus en Laurens: en in gelijkse tweelingen waren, geleken ze elkanderen zoodanig, dat men naauwlijks hen uit den ander onderscheiden kon, en dikmaals daar in bedrogen was. Maar evenwel, of de natuur heur beide lichamen gelijk gemaakt had, de dood maakt hier wel een bijzondere scheiding: want den onbarmhertigen Soliman hieuw den eenen zijn hoofd af, en stak den anderen zijn zwaard dwers door ’t lichaam. Ondertussen zag den rampsaligen vader, helaas die geen vader meer is, terwijl hem de dood, in een oogenblik, van zulke kloekmoedige kinderen beroofden, haar op de aarde leggen uitgestrekt, en in ’t zelve gezicht, in heur droevig einde, den ondergang van zijn huis. En waarlijk, ik weet niet hoe het mogelijk was, dat hij, in zoo droevigen toeval, en zoo zwakken ouderdom, zooveel standvastigheid betoonden. Hij liet echter hierom niet te vechten, en mogelijk zag hij niet dat zijn kinderen gesneuveld zijn, daar de duisterheid van de nacht hem ook in belet; die, om hem gunstig te zijn, zijne oogen verbijsterde voor dit eerbarmlijk schouwspel. Hoe’t ook zij, even als [p. 340] hij deze overwinning onwaardig acht,*zoo hij, met haar niet omkomt, toond hij zich zoo ontaard van zijn bloed, als hij begeerig is dat van zijnen viand te storten, zulkx dat het wel bezwaarlijk om t’oordeelen zou zijn waar hij van beiden het meerste na trachten, of te dooden, of zelf gedood te werden. Ook betuigde hij ’t wel door de woorden, die hij tot den razenden Soliman sprak; Barbaar, riep hij, is deze hand dan zoo zwak, en misprijst gij hem zoo zeer, dat hij uwen onmenschelijken aard tot mij niet kan trekken? dit zeggende, gaf hij hem zoo harden slag, dat er noch gesp, noch plaat, op zijne wapenen was, die hij niet aan stukken sloeg. Het zwaard drong, recht in de zijde, en maakte daar zoo grooten wonde, dat het bloed, met groote stralen, daar uit sprong. Op deze schreeuw, en slag, keerde zich den Heiden om, blakende van gramschap, houdende het borstharnas midden door; daar na zijn schild deurborende, hoewel ’t van gekookt leer, wel hard en zeven dubbeld was, drukte hij hem ’t zwaard tot in ’t ingewand: door deze steek viel Latinus ter aarden, daar hij, door een dubbel overgeven, al het bloed en het leven, dat hij noch overig had, en door zijn wonde, en door zijn mond uitbraakten. Gelijk men zomtijds ziet, op het hoogste van den Apenijn, een grooten eikenboom, al de boomen, die rondom hem staan, ter neerstorten, zoo ’t gebeurd, na dat hij een lange wijl het geweld der winden weêrstaan [p. 341] heeft, dat ’er een storm komt die hem ontworteld. Alzo was dezen ongelukkigen held gedwongen neêer te storten: zijn val was zoo geweldig, datse eenige, daar hij aan vast raakt, meê sleipten; daar hij, zonder twijffel, genoegsaam betoond, dat zijn einde niet als kloekmoedig zijn kon, terwijl hij zelfs, al stervende, zoo vreemden verwoesting maakten.     Terwijl dat Soliman zijn ingenomen haat aldus, tegen de Christenen verkoelden, zonder dat hij zijn brandende dorst, die hij na haar bloed had, kon lessen; ontstaken de Arabiers, meer als ooit te vooren, tegens haar, en handelen haar wreedelijk binnen in ’t leger. Want boven dien dat den onbarmhertigen Dragudus, den Engelschen Henrik, en Olifernes de Baviers om hals bragt, zoo beroofd Ariadenes Gilbert en Filips, geboortig van den Rijn, van’t leven. Albazar sloeg Ernestus, met een knods, ter aarden, En Algazel vermoorde Ottho. Maar is het wel mogelijk die doodelijke toevallen, die daar verscheiden geschieden, te verhalen; en hoe veel soldaten daar, van wederzijden, daar sneuvelden? Zoo ras als het krijgsgeschrey begon, steeg Godefrooy ten bedde uit, betrachtende de plicht van een wakker Veldheer, zoo dat hij, ongerust, ijder oogenblik, na nieuwe tijdinge vraagde, en aandachtig toezag wat d’andere al deden. Alreede was hij gewapend en gevolgd van een groote troep brave Soldaten, die hij vergaderd had, en bereide zich om dat geweld te [p. 342] stuiten: want zoo haast als hij naauwlijkx het gerucht der vijanden hoorden, begon deze oploop, hand over hand, te vermeerderen, zoo dat hij zich inbeelden, dat het roovende Arabiers waren, die eenen aanslag wilden maken; alzoo hij wel wist datmen al langen tijd te vooren, niet anders sprak als van de verwoesting, die zij door’t geheel omleggende land deden. Evenwel had hij nooit gedacht dat zulk een gebroedsel zoo stout geweest zou hebben, hem in zijn leger te bespringen. Maar zoo als hij zich bereide om tot haar onderstand te gaan, zie zoo begon het gekrijsch van een ander zijde weêr op nieuw, dat den Hemel, van het schrikkelijk getier, weêrgalmden. Terstond bemerkten hij dat het Klorinde en Argant waren, die de bespringers van ’t leger te hulpe quamen, met hun voerende de grootste macht die in de stad was. Alsdoen keerde hij zich na Guelfus, die zijn plaats ook verdadigden, en sprak tot hem; Hoord gij niet het gerucht dat het krijgsvolk na dezen heuvel maakt? zeker ik geloof datse uitgevallen zijn om hare wapenen, met die van deze Barbaren, te vervoegen: zoo dat het hoognoodig is dat gij derwaards trekt, om haar felheid in te toomen. Begeeft u dan op weg, en neemd een gedeelte, van deze die gij hier ziet, met u. Ik zal den aanval van een ander zijde, met mijn overige soldaten, gaan weêrstaan. Deze dingen aldus onder elkanderen besloten, scheidenze terstond van een, hier en daar gaande, geleid [p. 343] zijnde van een zelve geval, hoewelze bijzondre wegen insloegen. Guelfus trok recht op den heuvel aan,*en Godefrooy na de zwakste plaats van ’t leger, daar de Arabiers alreede geen weêrstand meer en vonden. In ’t trekken nam zijn macht meer en meer toe, en van tijd tot tijd vergaderde hij weêr nieuw volk; zoo dat hij zich sterk genoeg bevindende, ter plaatse quam daar den Barbaar een afgrijsselijke vloed van het bloed der geloovige storten. Zoo schiet de Po uit zijnen oirsprong, wanneer hij zijn deurtogt, tot aan de kanten, noch niet vervuld heeft, hoe verder hij raakt, hoe meer dat zijn kracht, door ’t andre water dat hem gemoet, toeneemd; tot dat hij zich in twee takken verdeelende, op zijn dijkken en dammen toedringt, en heel hoogmoedig zegepralende, zijn hoornen opsteekt, vloejende over al de nabuurige landschappen heen: al het welke noch weinig zou zijn, zoo hij eindelijk de groote Adriatische arm niet te rug stiet, en door verscheide plaatsen, daar in schoot; zoo dat in plaats van schatting, die hij de zee schuldig is, haar niet als den oorlog schijnt aan te doen. Ondertussen waar Godefrooy zag dat de zijnen de vlucht namen, vol van schrik en vrees, daar vloog hij heen, en trachtese, door ’t dreigen, staande te houden. Ontsinnige, als gij zijt, graauwden hijze toe, waar meend gij alzoo te vluchten? Waar uit spruit deze overmatige schrik en slaphartigheid? Waar waand gij een toevlugt te vinden, die machtig [p. 344] zal zijn u te beschutten? ziet gij niet dat de gene die u vervolgen, landloopers en roovers zijn; die niet gewoon zijn van vooren iemand aan te tasten, veel minder aangetast te worden. Deze Barbaren, die altijd verradisch toeslaan, en nooit voor de vuist vechten, zullen haar zelven, zonder twijffel, versaagd maken, indienze zien dat gij haar kloekmoedig wederstaat. Zoo sprekende, gaf hij ’t paard de sporen, en rende na de plaats, daar Soliman*de grootste verwoestinge maakten, dwers door een moerasch van slik en bloed; daar over al waar men d’oogen sloeg, men niet anders*zag, in ’t midden van de stukken der speren en zwaarden, dan het verschrikkelijke bederf van ’t gevaar, en de dood zelve. Daar was geen gedrang hoe dik, noch geen weg hoe dicht gesloten, of hij opende zich een deurgang met zijn zwaard; al wat hem gemoete, wierp bij ter aarden, zonder dat zijn geweld, noch van de paarden, noch van de mannen, hoe sterk dat hare wapenen mogten zijn, kon weêrstaan worden. Het was een wonder te zien, hoe dat hij, zonder zich t’ontsetten, over hele hoopen lichamen, die het noodlot der wapenen van ’t leven beroofd, en onder elkander vermengd, op een gestapeld had, heen vloog. Maar den Heiden verschrikte voor alle deze dingen niet: en hoewel een groot geweld op hem aanviel, gewaardigd hij zich niet eens om te keeren, maar recht op Godefrooy toe tredende, verhief zijn zwaard om hem te slaan. O God, [p. 345] hoe groot is’t vermogen van deze twee Ridders, die ’t geval hier t’samen gevoegd had, van de twee uitterste einden van’t Aardrijk! Hier was, in eenen kleinen omring, besloten de Razernij tegen de Deugd, die t’samen, door de wapenen, beslechten ’t verschil om het Keizerrijk over geheel Azie. Zeker, ’t is niet mogelijk om uit te drukken, hoe schrikkelijk dat dit lijfgevecht was, en de groote menigte van slagen, die zij elkanderen gaven. Al dat ik kan voortbrengen, is, dat het jammer was, dat de duisterheid van de nacht deze wonderen bedekt houd, die, om datze ongemeen zijn, wel waardig waren dat de Zonne haar verlichte, om dat al de wereld die, in den heldren dag, met vergenoegen zien mogt. De Christenen, ondertussen veel stouter geworden, door het voorbeeld van haren Veldheer, volgden hem nu na, genakende stoutelijk de plaats, daar zij flus noch uitweken. De bestgewapende onder haar, vervoegden zich rondom Soliman. En gelijk als de partijen gelijk waren, zo gelijk was het getal der overwonnen dooden, die van de overwinnaars wierden gedood: zoo dat’er niet meer bloed van d’een, als van d’ander zijde, gestort wierd. Gelijk men zomtijds ziet twee verscheiden winden elkanderen den oorlog aan doen, zonder dat noch de lucht, noch de zee, haar in eeniger wijze scheid, stellende wolk tegen wolk, en baar tegen baar: zoo kan men in deze verschrikkelijke vermenging bespeuren, hoe de soldaten, om strijd, [p. 346] heur algemeene kracht staande hielden; hortende heur schilden, helmen en zwaarden tegen een.     Maar zoo de strijd, aan deze zijde, gestreng is, zij was, aan d’ander zijde, niet minder; daar de vijanden, van alle kanten, weér bij een vergaderden: Daarenboven hangen de Duivelen, in de plaats der wolken, door de wijde lucht, en versterkten de ongeloovige met nieuwe krachten; zulkx dat niet een van haar een voetstap week? daar in zij, om strijd, den wreeden Argant navolgden, die zijn hart, door de fakkel, van een der Razernijen, wierd aangesteken; hoewel ’t alreede, niet als te veel, door zijn eigen bloed ontfonkt was. Dezen wreedaard, de vooruitgezette wacht, van de hoofdwachten, verstrooid hebbende, wierp zich, met een sprong, in de bolwerken, daar hij d’afsnijdinge, met lichamen, die zijn onbarmhertige hand, vol doodelijke wonden, op de plaats uitgestrekt, leggen liet, vervulden. En om een gemakkelijker toegang tot den storm te hebben, had hij al de toepaden van den berg geslecht, zoo dat de andere niet veel moeiten hadden om hem te volgen. Alzoo beverfden zij de eerste hutten, die zij aandeden, met het bloed der Christenen. Na Argant volgden de Krijgsheldinne Klorinde; die, gestoord zijnde dat den weg, door hem, gebaand was, zoo schrikkelijke slagtinge, in de plaats der Fransen dede, dat zij op ’t uiterste waren om de vlucht te nemen, en verstrooid te worden. [p. 347] Maar den klockmoedigen Guelfus quam daar zoo wel te pas met zijn bende, dat hij al de vluchtelingen weder deed keeren, en d’ongeloovige te rug dreef; hoe wreed dat haren aanval ook was. Den strijd was zoo vierig door al de plaatsen van ’t leger, dat van te d’een, aan d’ander zijde, het bloed, gelijk groote stroomen, neêrvloeiden. Wanneer de Vorst des Hemels, die door zijn rechtvaardigheid en goedheid, voortbrengt, en behoed, al het gene dat wij, in den omring der Wereld, zien, daar weinig dingen, door de reden beleid worden, zijn barmhertige oogen quam te slaan op deze bloedige vermenging: Hij was gezeten in den heerlijken Troon der eeuwigheid, daar hij met drie stralen, in een licht glinsterde. Onder zijn voeten had hij het noodlot en de natuur leggen, om hem te dienen, en gehoorzaamheid te bewijzen; ook de beweginge des Hemels, de tijd die de maat steld, en de plaats die haar opsluit. Daar zagmen ook het blind geluk, dat zonder zich te bekommeren, met ons te verplichten of mishagen, werpt te gronde en verwoest, na haar welgevallen, de aanzienlijkheid, de rijkdommen en de Koningrijken dezer Wereld; die zij niet meer acht, als of het stof en rook was. In dit Hemels paleis, was den eenigen Monarch van ’t Heelal, omringd met zoo grooten glans van stralen, dat de schranderste vernuften, in ’t overdenken verblind blijven. Rondom hem heen waren bij benden gesteld [p. 348] de orde van d’onsterffelijken, ongelijk in haar verheerlijkinge en geluksaligheid. Den Hemel weêrgalmde, van alle zijden, op de heerlijke lofsangen, die zij voor haren Koning opsongen. Ondertusschen riep hij tot zich d’Aardsengel Michaël, die, in zijn glinsterende wapenen, gewrogt van fijn diamant, uitblonk: Ziet gij niet, sprak hij tot hem, hoe de vervloekte bende der hellen, haar nu tegen mijn getrouwen hoop wapenen, en hoeze, om de Wereld t’ontrusten, uit het diepste der afgronden voortkomen? Gaat dan bij deze ongelukkige, en zegt haar, van mijnent wegen, dat zij voortaan de zorg van den oorlog aan de sterffelijke menschen bevolen laten, en dat zij niet meer de Rijken der levendigen zoo komen besmetten, noch de klare gewesten des Hemels, met heur schadelijke wolken verduisteren: dat zij veel eer wederkeeren in de duistere spelonken van Acheron, woonsteden, en straffen, die zij rechtvaardig verdiend hebben, voor zulke gasten waardig; latenze daar, in de afgrijselijke pijnen en ellenden,*met elkanderen strijden: Dits ’t gene dat ik gebiê, en ik wil dat dit besluit onwederroepelijk zij. Dit zeggende, viel den Aardsengel voor zijne voeten neêr; daar na, zijne vergulde vleugelen uitspreidende, zoo gezwind, dat hij in de vlucht de vlugste gedachten zou voorgekomen hebben; vloog hij voorbij de vuurkloot, en het licht, daar de welgelukkige Zielen haar woonplaats eeuwig hebben be- [p. 349] vestigd: Van daar drong hij door het helder kristal van den elfden Hemel, en die grooten ring, die altijd draaid, vercierd met ontelbare goude starren, gelijk als zoo veel blakende gesteenten; ter slinker zijde zag hij Jupiter en Saturnus, die teffens, met de andre dwaalsterren, in’t ronde omgaan, en die evenwel van haar zelven zich niet bewegen konnen, zoo eenig grooter vernuft haar niet aanstoud en beweegd. Alzoo daalden hij, van de aangename woonplaatse des Hemels, in dit lage gewest der Aarde, daar de regen en donder, en andre indrukselen van de lucht, geteeld worden. Ik versta het gedeelte der hoofdstoffe, dat zonder ophouden vernietigd en vernieuwd, zoo dat het sterft en herboren word in zijn eigen verdeeling. Overal waar hij, met zijn blinkende vederen deur vloog, deed hij de dikste mist, en de vervaarlijkste duisternisse,*verdwijnen; zulkx dat door de stralen van zijn goddelijk licht, en van de vonken die zijn schoon aangezicht uitschoot, de lucht, hoe duister dat zij was, verlicht wierd. Zoo is de Zon gewoon, na datse een duistere wolk in water veranderd heeft, haar schoone verven, op verscheide wijze geschilderd, uit te schieten: en zoo zietmen zomtijds een damp, die men voor een star zou aanzien, de open lucht breken, en in den schoot der aarden, die onze algemeene moeder is, neêrstorten. Zoo dra als hij in de plaats gekomen was daar de vervloekte benden der helle, d’ongeloovige [p. 350] aanprikkelde, en haar van razernij ontfonkten; hield hij stil in de lucht, en bleef, als opgeschort, op de kracht van zijne vleugelen hangen: daar na zijn speer die heel van vuur scheen, aangrijpende, sprak hij tot haar; Vervloekte, ellendige Duivelen, kan ’t mogelijk zijn dat gij, onder de straffe en verachtinge die gij, zonder ophouden lijd, noch zoo hoovaardig zijt, dat gij niet wild bekennen hoe vervaarlijk de blixem en de donder is, die van den Koning der wereld word uitgeschoten. ’t Is in den Hemel besloten, dat de muuren van deze stad, voor de heilige vendels van ’t kruis bukken zullen, en dat Sion hare poorten zal openen. Dit zoo zijnde, wat helpt het u, dat gij tegen ’t voorbeschik opstaat, en de gramschap des Hemels op uw hals haald? Rampsalige Geesten, als gij zijt, gaat henen in uw Koningrijk, dat vol verwoesting*en straffen is, en daar de dood nimmermeer eindigd; pleegd daar, zoo veel als gij wild, uwe verdeelingen, beoorloogd daar elkanderen, en dat uwe schoone zegetekenen in deze verschrikkelijke plaatsen bepaald blijven, daar uwe straffen eeuwig zijn. Gebruikt daar al uw geweld en wreedheid tegen uws gelijken, in ’t midden van’t geschrey, knarssinge der tanden, en ’t schrikkelijk gerucht der ijzers en ketenen, die gij na uw sleept.     Aldus gesproken hebbende, bevond hij haar noch een weinig traag om te verhuizen; maar haar met [p. 351] zijn krachtige speer slaande, deed haar wel haastig vertrekken. Zie, terstond warenze, tot haar groot leedwezen, gedwongen dit aangename licht, en die schoone kloot met starren bezaaid, te verlaten, om haar te werpen in die duistere afgronden, en daar met de vervloekte, heur toegestelde straf te lijden. Deze verschrikkelijke Duivelen verschenen in de lucht met meer getal als de aankomende vogelen, wanneerze, in ’t begin van de lente, haar weder beginnen te vergaderen, en van gewest veranderen; zoo datmen van haar wel zeggen mag, dat zij veel dichter neêrstorten als de bladeren, die, geduurende de eerste koude van den herfst, van de boomen, heel verdroogd en verwelkt, afvallen. Ondertusschen verheugd zich de Wereld, datse niet meer met zoo neveligen en verdrietigen kleed, dat noch kort te vooren haar verduisterde, bedekt is. Doch, om al deze dingen, hoewel Alekto afliet van Argant haar bloedige vlammen in te ademen, en dat een helsche prikkel hem niet meer in de zijde stak, zoo verminderde evenwel, noch zijn wreedheid, noch zijn moedwilligheid niet: maar, in tegendeel, sloeg hij veel schrikkelijker als ooit te vooren, waar hij ’t gedrang het dichst zag, en de Franssen op een gepropt, gevaarlijke slagen. Hij wierp, zonder onderscheid, en de zwakste, en de sterkste, de kloekmoedige, en de versaagde; ter aarden: vereffenende de hoogste hoofden, met die het minste ver- [p. 352] heven zijn. Klorinde is niet ver van hem af, en op zijn voorbeeld, bezaaidse het heele leger, of met heele lichamen, of met armen, of met beenen, of zelfs met hoofden, die zij, met een slag, van de schouders, der genen die zij aantreft, aflicht; door een begeerte van wraak en gramschap vervoerd, steektse Breangier dwers door ’t hert heen, en rukt’er teffens zijn leven, en haar bloedig zwaard, weder uit: daar na slaatse den kloekmoedigen Albijn recht in zijn navel, en houd een anderen, met een averechtsen slag, den kop op: zij hakt Garnier de vuist af, die terstond, met het zelve zwaard, daar hij haar eerst mede geslagen had, ter aarden viel; ’t was een droevige zaak te zien, hoe de vingers van de hand, die het noch gevat hielden, al lillende, het eindelijk, deur zwakheid der zenuwen, die opkrompen, verlieten. Zoo tracht het hoofd van een slange, wanneer het van ’t lichaam gescheiden is, weder tot een te geraken, en wenteld zich zelven te vergeefs in krullen: ondertussen laat d’onvertsaagde Heldin aldus den verminkten staan. Daar na zich tot Achilles keerende, slaatse hem, met een averechtsen slag, van achteren in de nek, dat de kop aftuimelde, en heel van bloed en stof bemorst was, eer dat het lichaam de stegelrepen noch verlaten had: invoegen dat het paard, nu het open veld hebbende, begon te steigeren en achter uit te slaan, dat het hem eindelijk ter aarden wierp. Maar even als d’onver- [p. 353] winnelijke Klorinde van hare zijde een schrikkelijke slachtinge onder de Christenen veroorzaakte; zoo deed de kloekmoedige Gildippe niet minder aan d’ander zijde, en hakte een groote meenigte van Heidenen aan stukken. Evenwel, schoon deze twee Maagden gelijk in ouderdom en in kracht zijn, zoo is’t haar niet geoorloofd om een zelve proef op elkanderen te doen, om dat het noodlot haar voor eenen anderen vijand bewaard: het staat haar niet toe om de vijanden aan alle zijde te rugge te drijven; maar dit alles is niet genoeg om door ’t gedrang heen te breken, zoo dik en sterk is het. Terwijl dat dit zoo geschiede, quam den moedigen Guelfus, met het zwaard in de vuist, op Klorinde aanvallen, en haar staande houdende, sloeg hij haar zoo wreeden slag in de zijde, die veel witter als albast was, dat hij het zwaard, heel bebloed, daar weder uitrukte. Maar zij haar gewond voelende, betaalde hem met gelijke munt, en stak hem ’t zwaard tusschen de twee zijden in: daar op Guelfus terstond zijn slag verdubbelden; maar in plaatse van haar te raken, ontmoeten hij den Palestijner Osmides, door zijn quade fortuin in deze doodelijke plaats geleid, die hij zo fellen slag gaf, dat hij hem ’t hoofd aan twee stukken kloofde. Op de zelve tijd vergaderde wederom een groote meenigte van de gene, die hij aangevoerd had, rondom hem henen; en de Heidenen wierden aan hare zijde ook weder versterkt, zoo dat zij, onder een vermengd, [p. 354] even vierig weêr aanvielen. Ondertussen begon den dageraad haar oranje aangezicht uit de lucht te vertoonen, terwijl Argiljan, geduurende den oproer, zijn ketenen gebroken hebbende, de eerste wapenen, die ’t geval hem voor de hand toonde, ging aantrekken, zonder zich te bemoejen ofse goed of quaad waren: in deze toerusting bereide hij zich ten strijd, met een vast voornemen zijn eerste misdaad weder goed te maken door nieuwe proeven van dapperheid in den strijd te doen blijken, en lof te bekomen, op wat wijze dat het ook waar. Gelijk zich een moedig oorlogspaard vertoond, ’t gene men bewaard, tot het gebruik in den strijd, in een Princen stal, wanneer het zomtijds zijn halstou aan stukken brekende, de deur open vind, dwers deur ’t veld vliegt, om een troep merrijen bij eenige beken te zoeken, terwijl zijn manen, door de wind opgeheven, over hals en schoft heen zwieren, zijn hoovaardig hoofd schuddende, zonder dat hem iets kan weerhouden, terwijl het schijnt, door de kracht van ’t rennen, dat uit de keizelsteenen blixemstralen vliegen, doende door zijn gebriesch het nabuurige veld wedergalmen. Zoo scheen nu den verwoeden Argiljan te zijn, wijl hij zich tot den strijd bereiden. Die gezien had met wat een gezwindheid hij voord rukte, zou gezeid hebben, dat hij zoo vaardig was geweest als een luipaard, die zich op haar roof werpende, naauwlijkx het minste spoor van zijn pooten in het zand ge- [p. 355] drukt laat. Zoo dra als hij zich in’t gedrang der vijanden begeven had, verhefte hij zijn stem op de wijze van een die alles is, en niemand vreest: Slaafachtig gebroedsel der wereld, riep hij, verachten hoop van Arabien, die niet als een drek en slijk zijt, van waar komt die opgeblazendheid, die u sedert weinig tijds de wapenen heeft doen aanvatten? gij die noch de moejelijkheid van ’t harnas kond velen, noch de zwaarte der helmen en schilden verdragen, hebt gij wel het hert om ons in ons leger te bespringen? Weet gy wel dat het is de oprechte stoutmoedigheid? gij die vol van schrik, en heel naakt uw slagen in de wind slaat, en uw hoop in de vlucht steld: uw dapperste daden schijnen niet als in de duistere nacht, die u tot een dekkleed strekt, om uwe blooheid te bedekken. Zie daarom gaat nu de duisterheid voor het licht wijken: gij moet de plaats ook ruimen voor die gene die onvergelijkelijker braver mannen zijn dan gij zijt. Dit zeggende, sloeg hij Algazel zoo wreed door de strot, dat hij hem teffens den adem en de spraak afsneed, zoo als hij was op ’t uiterste om te spreken. De schrikkelijke dood beroofden deze ellendige terstond van het licht, en een ijzige kouw kroop door zijn geheel lichaam; hij viel ter neêr, en betuigde al stervende, zoo grooten leedwezen te hebben, dat hij van spijt en razernij in d’aarde beet. Dit gedaan zijnde, ’bragt hij door verscheide ontmoetingen, Saladijn, Agrikart en Mulkassan, om [p. 356] hals. Daar na sloeg hij met een slag den ongelukkigen Tagus midden deur; en wierp Ariadijn, op die zelve tijd, ter aarden, stekende hem dwers door ’t lichaam, en graauwden hem noch met lasterlijke woorden toe: waar op dezen rampsaligen zijn quijnende oogen opslaande, die al langsaam, door de zware wolken des doods gesloten wierden, deze laaste woorden, eer hij den geest noch gaf, tot hem sprak; Wie gij ook zijt, die mij met zoo veel moetwilligheit braveert, en u in mijn doot verheugd, weet dat gij ’er niet lang op stoffen zult; een zelf geval dreigt u, en ik ben verzekerd dat gij wel haast bij mij zult neêrleggen door een hand die krachtiger is als de uwe. Argiljan hem dus hooren sprekende, spotte met zijn woorden; en gaf hem voor ’t lest tot antwoord; Zeker gij verhaalt mij vreemde dingen; maar terwijl ik vertoeve, dat het den Hemel met mij schik zoo als ’t hem gevalt, zult gij hier onder de andren blijven leggen, om de honden tot voedsel en de vogelen tot aas te dienen: daar op trapte hij hem met de voet op den buik, en rukten de ziel en zijn zwaard al t’effens daar voort uit. Onder dit gedrang der krijgslieden en schutters, was bij geval vermengt een Staatjongen van Soliman, op wiens kaken men naulijkx een eenig hair bemerkten: die zijn braaf gelaat aanzag stond opgetogen; de druppelen zweet die op zijn wangen hingen, schenen Oosterse peerlen te zijn, of van die deurluchtige en vochtige aart die in ’t opstaan van de schoone [p. 357] Auroor op het blos der rozen valt; zijn wufte hairlokken ontfingen ik en weet niet wat voor aangenaamheid door het poeder daarze meê bestrooit waren, en de straffe verachting die men op zijn aangezicht bespeurde, schiep het veel zoeter en aangenamer: hij zat op een ros wiens aangeboren witheid, het sneeuw, onlangs op den Apenijn gevallen, gelijk was; zonder dat noch draaywinden, noch geweldige vlammen, het in snelheid gelijk zijn. Hij was toegerust met een rijke purpre rijrok, met goud geboord, een werpschicht in de vuist, en de kromme sabel op zij. Terwijl dat dezen jongen Ridder, door een begeerte tot eer aangeprikkeld, van d’een aan d’ander zijde de benden der Christenen in wanorden bracht, zonder dat ’er iemand was die zijn hevigheid tracht te stutten, zag hem Argiljan aandachtig aan, met wat voor behendigheid hij te werk ging, en nam zijn slag zoo wel waar, wat hij zijn paard onder hem ter neêr ley; en terstond eer hij zich weder op kon rechten, tracht hij hem een grooten slag te geven in dat lieffelijke aangezicht, ’t geen hem tot de minste trek van medelijden niet kon bewegen, noch door zijn zwakke wederstand, noch door het gene hij ’t aanvalligste heeft; maar in tegendeel, in plaatse van dat schoone proefstuk der natuur te behoeden, was hij zoo wreet, dat hij tegen hem zijn fellen en onbarmhartigen arm ophefte, maar het zwaard ’t geen meer gevoelen als hij scheen te hebben, draai- [p. 358] den bij geval in zijn hand om, zoo dat hij hem niet als met het plat en raakten: evenwel kon dit niet beletten dat hijze nie weêr verdubbelden, zulkx dat de punt volbracht ’t geen het scherp niet had kunnen uitwerken. Ondertussen sloop Soliman, die Godefrooy staande hielt, zoetjes uit den strijd en verliet hem, want ziende in wat een uiterste zijn Staatjongen gebracht was, wende hij zijn toom vaardig om, en deed hem door zijn wreede slagen zoo wel plaats maken, dat hij tijds genoeg quam om zijn dood te wreken, maar niet om hem ’t leven te behoeden, om dat hij hem tot zijn groot leedwezen op de plaats vond uitgestrekt. Hij zag Lesbijn zijn waarde Staatjongen, gelijk een schoone bloem die men versch zou geplukt hebben, midden op de plaats, met bevende oogen en een verveloos aangezicht, leggen quijnen. Zijn stervend wezen was machtig om Solimans hert, dat noch flus zoo hard als marmor was, te verzachten: zulkx dat het hem, in de hardste hartstocht van zijn verwoetheid, de tranen uit d’oogen perst. O wonder, Soliman schreid hier, na dat hij de verwoesting van zijn Koningrijk aangezien heeft met een oog daar men de minste droppel van vochtigheid niet in bemerkten! Maar alzoo hij bespeurden dat Angiljans zwaard noch rood van zijn Staatjongens bloed was, week terstond het medelijden voor de gramschap; en zoo het medelijden hem aan d’een zijde trefte, de gramschap ontstak hem aan [p. 359]*d’ander zijde noch veel meer. Aldus door razernij en gramschap vervoerd zijnde, wierp hij zich op Argiljan, en sloeg op hem zoo schrikkelijken slag, dat hij zijn helm en schild aan stukken kloofde, en hem de kop op, tot de tanden toe. Waarlijk een vreemde slag, en waardig van Solimans geslagen te zijn; maar zich niet vergenoegende, hem zoo qualijk geduurende zijn leven gehandeld te hebben, zoo doet hij hem den oorlog noch na de dood aan: gelijk als een wachthond die zich vergrimmende tegen de steenen die men op hem werpt, haar tussen zijn tanden bijt en zijn gramschap tegen heur verkoeld. O onbequame verzachting voor zoo grooten pijn, hoe doet gij uw wreetheid aanwassen tegen iets dat niet meer als onbewegelijke aarde is!     Deze dingen gebeurden aldus, terwijl dat den Fransen Veldheer niet te vergeefs gebruikten, noch het geweld van zijne slagen, noch die van zijn rechtvaardige gramschap. Hij had tegen hem duizend Turken, alle met helmen, borstharnassen*en ronddassen gewapend, daar zij haar met een onvergelijkelijke dapperheid mede beholpen: want zij waren tegen allerlei gevaar gehard, en onvermoeid tegen alle toevallen des oorlogs. Deze hadden eertijds geweest van Solimans oude benden, en hem altijd in de woestijnen van Arabien vergezelschapt, zonder hem ooit, in de ongunst van ’t geluk, te verlaten, Zij nu bij elkanderen vergadert zijnde, wilden niet voor de [p. 360] dapperheid der Franssen zwichten; ’t geen Godefrooy evenwel niet belette zich midden onder haar te*werpen: in ’t aanvallen sloeg hij den hoovaardigen Korkut recht in ’t aangezicht, en Rostenes in de zijde; hier niet meê vernoegd zijnde, hieuw hij Selum het hoofd af, en Rossanes beide de armen: deze waren ’t niet alleen die de kracht van zijnen arm gevoelden, maar noch veel meer andere die hij quetsten of om hals bracht. Terwijl hij op deze wijze de Heidenen handelden, en op de zelve tijd, met een onverwinnelijke dapperheid, haar kracht staande hield, zonder dat noch het geluk, noch de hoop van deze Barbaren eenigsints waggelden, Zie zoo verscheen van verre een groote stofwolk, die in de lucht oprees, door dewelke men als blixemen zag glinsteren, blinkende wapenen, die in’t gezicht van deze ongeloovige schitterde, en haar met verwondering vervulden. Het waren vijftig Christen Ridders, die in heur banier van zilver laken een schoon rood kruis voerden. t’Harer aankomste wierpenze zoo grooten getal Heidenen om veer, dat het mij niet mogelijk is u te verhalen, al had ik zelf honderd monden en zoo veel tongen, eenen ijzeren adem en een stale stem. Met dezen aanval wierden de zwakke Arabiers en d’onbetembare Turken bedwongen, hoe groot dat ook haar tegenweer was, voor deze macht te wijken: over al waarmen zijn oogen sloeg, zag men niet als schrik en wreedheid; zuchten en klachten hoord men aan [p. 361] alle zijde en de zegepralende dood, der genen die zij onder haar ter neêrwierpen, vertoonde zich in verscheide gedaanten, en bevochtigde het heele leger met bloed.     Alreede was den Koning van Jeruzalem zelve met een goeden hoop volk uit de Stad getrokken, als of hij voorzien had het ongeluk dat haar most overkomen. En van de hoogte eens heuvels zag hij beneden in de vlakte, d’onzekere strijd van d’een en d’ander zijde: maar zoo als hij zag dat het meeste deel van zijn volk de rug keerden, deed hij terstond ook den aftocht blazen, en liet Argant en Klorinde ernstig bidden datse ook wilden aftrekken; daar zij evenwel haar niet eens gewaardigden om na te luysteren, zoo dronken warenze van ’t menschelijk bloed, en verblind door de gramschap: ’t is waar dat zij eindelijk gedwongen wierden voor’t geweld te wijken, maar om te beletten dat men haar niet verstrooide, voegden zij haar dicht bij den anderen, en alzoo trachtenze ten minsten een eerlijke aftocht te maken. Evenwel gelijk het niet mogelijk is, gemeene zielen staande te houden, of heur wetten voor te schrijven, niet meer als een lafhartig gemoed, sedert dat het de vrees bevangen heeft, aan te moedigen: zoo was ’er geen middel om deze te beletten datse uit ’t oorlogsvelt niet vloden, om dat het overal met schrik, moord en gevangens vervuld was; alzoo dat het ijzer haar meer strekte tot een beletsel als weerstand, en den een [p. 362] wierp zijn schild en den andre zijn handschoenen ter aarden.     Tussen het leger en de Stad ziet men een woest dal, ’t geen zich van den middag uitstrekt na der zonnen ondergang; hier door namenze de vlucht zoo schichtig, dat zij na de Stad rennende de lucht met een dichte stofwolk verduisterde; maar wat naarstigheid dat zij ook deden, zoo kondenze niet beletten, dat de Christenen, die haar kort op de hielen vervolgden, het meerendeel van haar niet in stukken hieuwen: doch alzoo den Koning haar terstond met een groote versterking van oorlogsvolk te hulpe quam, zoo liet Guëlfus af van haar te vervolgen, zoo wel om de ongelegentheid van den weg, als uit oorzaak om dat de partijen ongelijk waren: Hij deed dan de soldaten van zijn zijde stil staan, en van d’andre deed den Koning de sijne vertrekken, daar niet meer als een klein getal van overgeschoten was. Maar Soliman, nadat hij zoo veel proeven van zijn dapperheid gegeven had, als den kloekmoedigsten mensch ter wereld zou konnen doen, was zoo afgesloofd, dat hij nauwlijkx op zijn beenen staan kon; hier bij had hem de zwaarte der wapenen ten einden adem gebracht, zoo dat hij in het bloed en zweet bade: zijn verflauwenden arm kon, noch het gewicht van zijn schild verdragen, noch zijn rechte hand het zwaard vatten dat zijn eerste gedaante verloren had, hoewel het gebruik daar van onnut was, en het scherpe plomp [p. 363] geworden. In dezen uitersten nood gebracht zijnde, bleef hij vol gedachten en in twijffel staan; want hij niet wist of hij hem wilde laten ombrengen, of door een gedenkwaardige daad van deze eer een ander berooven, en zijn leven in gevaar stellen op wat wijze dat het ook zij, na een verwoesting die in ’t diepste van de ziele zou treffen. In ’t midden van deze ongenuchten zijns geests, na dat hij lange beraadslaagd had, sprak hij; Wel aan, dat het ongeluk zoodanigen macht op mij win als het wil, en laat mijn vlucht de zegetekenen van mijn overwinning dan zijn, ’t is geen nood dat ik de rug voor hem wende, en dat hij mij bespot in mijn vlucht, aangezien hij mij wederom zal zien komen met nieuwe machten, om zijn stilte en dit Koningrijk te ontrusten, ’t geen hij nimmermeer verzekerd zal hebben. Schoon dat ik het nu doe, ik en buig daarom niet voor hem en geef de moed ook niet verloren, maar wil veel eer mijn haat, door het herdenken van de smaad die ik geleden heb, eeuwig tegens haar innemen: zij mogen gelooven dat zij nimmermeer zoo wreeden vijand als mij hebben zullen; zelf wanneer mijn lichaam in het graf tot assche vernietigd, en mijn geest van deze vergangelijke schorsse, die haar omvangt, ontbloot zal zijn.
Continue
[
Frontispice canto 10]
[p. 364]

TORQUATO TASSOOS

Verloste

JERUZALEM.

Het tiende Gezang.

INHOUD.

SOlimans voornemen, door den Tovenaar Ismenes, veranderd, die hem heimelijk binnn Jeruzalem voerd, daar hij den Koning moet geeft. De gene die van Armijde weêrom gekomen zijn, verzekeren Godefrooy dat Reinout noch in ’t leven is, en dat hij alleen haar verlost heeft. Daar op Peter den Kluizenaar hem prijst, en wonderlike dingen, van zijn gelukkige nakomelingen, voorzeid.

Ismeen den Tovenaar, stoot Solimans besluit
    Om ver, en weet het zoo door zijne kunst te maken,
Dat hij hem brengt, in stilte of zonder groot geluid,
    In ’t oud Jeruzalem, met haar verheve daken:

[p. 365]
(5) Hij geeft den Koning moet: terwijl verhaald het volk,
    Dat met Armijde was, op haar verzoek, gereden,
Aan Godefrooy, dat zij verlost zijn door de dolk
    Van Reinout; die noch leefde, een korten tijd geleden.
Waar op den Kluizenaar hem loofd, en ook verteld

(10) Veel wondren van het Zaad van die doorluchte Held.

MET deze woorden onderhield Soliman*zich zelven, wanneer hij, nergens op denkende, een paard voorbij hem zag heen loopen ’t geen bij geval in ’t gedrang verstrooid was; terstond, zonder tijd te verliezen, vatte hij ’t bij den teugel, en hoe vermoeid dat hij ook was, sprong hij in den zadel. Hij bemerkten alsdoen dat zijn vederbos, en diergelijke vercierselen, van zijn helmet weg waren, door de groote slagen die hij ontfangen hadde; daar bij was zijn wapenrok heel aan flarzen gescheurd, zonder dat m’er het minste teeken van grootheid of koninglijke pracht aan zien kon. Even gelijk als zich een razende wolf vertoond, wanneer hij door wachthonden van een schaapskooy gedreven word, langs hagen en bosschen stil wederom sluipt, zonder dat zijn hongerige buik verzadigd is, hoewel hijze tot brakens toe heeft opgevuld; zulkx dat hij heel dorstig na bloed, zijn tong uitsteekt, om het gene op te lekken daar hij alreede meê besmet is: [p. 366] zoo scheen nu dezen Barbaar te zijn, wiens honger zoo onverzadelijk was, dat hij noch niet vergenoegd was, na dat hij een bloedige slachting gedaan had: en hoewel dat een vlucht van pijlen van alle kanten om hem heen snorden, als zoo veel winden uit het hol van een wolk geborsten, zoo ging hij evenwel deur, en zijn goed geluk wilde het alzoo, dat hij het geweld der schichten en zwaarden ontsnapten. Na dat hij de slagen aldus ontkomen was, zonder dat hem iemand kenden, nam hij zijn weg door afgelegen wegen die het minste bewandelt wierden, van ongenuchten en droevige gedachten gequeld, bij zijn zelve vast overleggende wat hij doen zal. Eindelijk besloot hij zich te begeven, daar den Soudaan van Egipten een machtig heir verzamelde, en hem met haar te vervoegen, om de hachelijkheid van een tweede slag te beproeven. Dit besluit in zijn geest genomen hebbende, begaf hij zich op weg zonder uitstel: want vermits dat hem de weg na de oude stad Gaza zeer wel bekend was, zoo was ’t niet van nooden dat hij iemand had die hem door het zand dat langs de zee lecht, geleide: en hoewel dat de smerte van zijn wonden dikmaals vernieuden, en de moeylijkheid van de wapenen en van de weg zijn lichaam heel vadzig maakten, zoo liet hij zich evenwel van de slaap niet overwinnen, en achte het niet eens de moeite waard om zich t’ontwapenen, maar in tegendeel bleef hij te paard van den uchtend tot den avond. [p. 367] Doch toen de duisterheid van de nacht de wereld beroofden van zoo veel verscheiden voorwerpselen die men ziet, en al de verwen zwert gemaakt had, steeg hij van ’t peerd, en verbond zijn wonde het beste dat hij kon; dit gedaan zijnde trachte hij eenige dadels van een palmboom te schudden, om zich meê te verzadigen; en zoo hij bij geval zijn leden zoekt te rusten, dan diende hem de harde aarde voor een bedde, en zijn schild tot een oorkussen: evenwel mag hij wel trachten om d’ongerustigheid van zijn gedachten te stillen, maar ’t is al verloren, vermits duizend wreede ravens hem het herte komen knagen, door het leedwezen dat hij gevoeld, dat zijnen aanslag zoo qualijk gelukt was. Maar eindelijk, als alle dingen in rust en in de stilte van de nacht begraven was, gaf hij zich aan de vermoeitheid over, en dompelde zijn oogen door de slaap bezwaard, in de vergetelvliet van Lethis, daar zij wel haast weder uit getrokken wierden. Terwijl hij op deze wijze sliep, zie zoo quam een harde en gestrenge stem hem op deze wijze in d’ooren klinken. Ongelukkige Soliman, sprakse tot hem, wat meend gij nu voortaan te doen? de rust die gij neemt is een teken van lafhartigheid, en hij zou wel doen die te sparen tot op eenen anderen tijd die bequamer als deze is: qualijk beraden als gij zijt, het land, daar gij onlangs heerschten, zucht onder de dienstbaarheid van vreemdelingen, en ondertussen legt gij en slaapt als een landlooper: kond [p. 368] gij wel op d’aarde slapen daar de beendren van uw volk gezaaid leggen, vermits zij de laaste lijkplicht niet hebben genoten? zijt gij zoo lafhartig dat gij de nacht overbrengt, op de plaats daar de smaad, die gij van uwe vijanden ontfangen hebt, noch versch is? Op deze woorden ontwaakten hij heel verschrikt, en zijn oogen opslaande, zag hij een man van een statige gedaante, en zoo verzwakt van ouderdom, dat hij nauwlijkx meer gaan kon, steunende op een stok. Moeylijk spooksel, sprak hij tot hem, belijd mij wie gij zijt, en waarom dat gij de rust der menschen aldus verstoord? Hebt gij eenige schaden in de schanden en in de wraak van de laster die men mij aangedaan heeft? Wie ik ook ben, antwoorde den grijzerd, ik heb een bijzondere kennisse van uw voornemen, en kom alleen om u te toonen, dat ik voor uwe dingen zorge draag, en mij daar mede bekommere meer als gij wel denkt: verwonderd u dan niet dat ik u tegen spreek, terwijl het waar is, dat de kloekmoedigsten, wanneer men haar berispt, tot deugd worden aangemoedigd: lijd dan, terwijl dat zoo is, dat mijne reden u tot een prikkel van dapperheid dienen: ik weet dat gij voorgenomen hebt na den Soudaan van Egipten te trekken, en vrees grootelijkx dat zoo moeyelijken reize, zoo gijze vervolgd, te vergeefs zijn zal: geloofd mij, schoon gij van dit voornemen aflaat, zoo zullen de Heidenen evenwel groote oplichtingen van volk doen, en [p. 369] wel haast in ’t veld komen: ook geloof ik, dat schoon gij daar zelve waart, dat daar geen plaats voor u zijn zal, in de welke gij treffelijke proeven van uwe dapperheid, tegen de vijanden van ons geloof, zoud konnen geven: maar zoo gij in de plaats van voort te trekken, doen wild ’t gene ik u zeggen zal, en mij voor uwen leidsman nemen, ik beloof u dat ik u binnen korten tijd, in verzekerdheid, binnen den omring van deze muuren, schoon dat de Christenen die van alle zijden besloten houden, brengen zal: want ik zal maken dat gij op den lichten dag veilig na de Stadt gaan zult, zonder dat het noodig zal zijn, uw hand aan het zwaard te slaan: daar zult gij groot vermaak in de last der wapenen scheppen, en zorg dragen om de moedwilligheid der vijanden af te weren, tot dat de benden van Egipten tot hulpe van de Stad aankomen.
    Terwijl dat den Grijzerd zoo sprak, ley Soliman, die hem met aandacht bezag, dien hoogmoedigen aard, dien hij noch strakx in zijn gelaat betoonden, ter neer; en zonder meer op zijn woorden te denken, sprak hij tot hem; Mijn Vader, leid mij waar het u beliefd, zie ik ben gereed om u te volgen: want al het gene daar ik mijn best in doen kan, is te gaan daar de meeste moeiten is, en dienvolgende de meeste eer. Den Grijzerd verheugde zich bem zoo bereid te zien; en om dat de lucht zijne wonden grootelijks verargerd hadden, wreef hijze met een zekere zal- [p. 370] ve, die zoodanig het bloed stelpten, en de pijn verzachten, datse hem nieuwe krachten bijzetten: Daarna, ziende dat de schoone zonnestralen, de purpre roozen, die Auroor onder den Horizon ontloken had, begonden te vergulden, zoo sprak hij; ’t Is nu tijd, terwijl het licht van den dag ons den weg aanwijst die wij volgen moeten, en de sterffelijke tot haar gewoone arbeid roept, om te vertrekken. Hij had daar recht tegen over een wagen met twee brave paarden staan, daar hij Soliman deed opklimmen; daar na nam hij den toom in zijn hand, en dreefse met zijn roede voord: terstond vlogenze met zulken snelheid, datmen nauwelijkx in het zand het spoor der raders, veel min dat van hare voeten, staan zag. ’t Was een wonder te zien, hoe de rook haar ten ronkende neusgaten uitvloog, en hoeze het mondstuk van schuim wit maakten. Vreemde zaak, de lucht wierd rondom duister, ’en zich bij een voegende, op de wijze van een wolk, bewimpelde de wagen zoodanig, dat zij voor ’t oog der sterffelijke niet meer zichtbaar was. Ja dat de koegels van het grootste geschut daar niet zoude deurdringen; ’t gene evenwel niet belette, dat degene die daar in waren al het gene zagen dat ’er rondom geschiede, om dat van buiten den Hemel stil en helder was. Den Ridder door zoo vreemden zaak verwonderd zijnde, schorte de winkbraauwen op, en rimpelden het voorhoofd, met een schijn als of hij nooit zoo ontset was [p. 371] geweest als toen, Hij zag de wolk stijf aan, en stond als opgetogen te zien dat ’er geen beletsel was die deze wagen ophield, en datse waarlijk scheen te vliegen, zoo groot was de gezwindheid. Den Grijzerd ondertusschen, die hem tot leidsman verstrekte, zoo wel uit zijn aangezicht, als uit zijn oogen, die hij onbeweeglijk hield, oordeelende dat hem een groote schrik bevangen had, zonder dat hij een eenig woord sprak, trachte deze stilheid, daar hij zoo diep ingedompeld was, te breken: hierom riep hij hem bij zijn naam; zoo dat den Ridder daar op opsprong gelijk als of hij uit een diepe slaap ontwaakten. Wie gij ook zijt, sprak hij toen, die de natuur waarlijk vreemde dingen doet doen; zelf tot de gedachten der menschen te ontdekken, en openbaar te zien watse in ’t diepste van heur hart verborgen hebben; zoo gij, door middel van deze wonderlijke kunst, die u van boven is ingeblazen, kund te weten komen de veerste toevallen die van ons afgescheiden zijn; verplicht mij te zeggen, wat het einde van de onrusten in Azie wezen zal, en of den Hemel over haar eenige rust, of een algemeene ondergang besloten heeft? Maar eer wij verder gaan, zegt mij uwen naam, en door wat middel gij zoo groote en ongemeene zaken kunt weten? doch zoo de schrik, die zy my aanjaagd, niet eerst weg wijkt, hoe is’t mogelijk dat ik het overige zal begrijpen? Op deze woorden begon den Grijzerd te glimplacchen, daar na, on hem noch [p. 372] meerder in angst te houden, sprak hij tot hem; Zeker ik zal wel haast een gedeelte van uw vragen voldaan hebben; Ik ben den Konstenaar Ismenes van de Siriers geheeten, om dat ik altijd nieuwsgierig ben geweest na verburge wetenschappen: maar zoo gij geloofd dat ik daarom u de toekomende dingen, en het onveranderlijk besluit van het noodlot, kan ontdekken, daar zijt gij grootelijkx in bedrogen, en u begeerte is al wat te eergierig. ’t Gene gij mij vraagd, gaat de menschelijke kennis te boven: men moet hier beneden trachten om de rampen en ongelukken, die ons dreigen, t’ontwijken: om dat het dikmaals gebeurd dat een wijs voorzichtig man den oorsprong van zijn eigen geluk is. Bereid alleenig tegen de Fransse mogendheid dien onverwinnelijken arm, die teffens haar wederstaan kan, en de plaats beschermen, die zij zoo naauw bezet houden. Steld u tegen het geweld van hare wapenen en hevigheid. Durfd, lijden vertrouwd u: voor ’t overige kan ik anders niet als een goede uitkomst hopen. Nu heb ik u niet meer als een eenig ding te zeggen, dat voor mijn oogen als door een wolk verschijnt; daar ik wel blijde om ben u te verhalen, om dat ik weet dat het u aangenaam zijn zal. Ik zie, of ten minsten schijn ik het te zien; na dat de Zon verscheidenmaal zijnen omloop zal gedaan hebben, dat ’er een heel groot Vorst op aarden zal geboren worden, die geheel Azien, met zijn gedenkwaardige wapendaden zal vervullen, [p. 373] en het gebied over Egipten zal hebben. Ik vergeet dat de zoete vruchten van de vrede, en de konsten en wetenschappen onder zijn Rijk zullen bloejen, en duizend andere deugden, die ik noch niet wel onderscheiden kan, zullen hem onder al het volk der wereld eerwaardig maken. Laat het u dan genoeg zijn te weten, dat in de leste onrusten al de magt der Christenen voor hem zal sidderen; haar onrechtvaardige heerschappij het onderste boven gekeerd, en ’t ellendig overschot van hare macht in een kleine omring verdreven worden, die vooral heur tegenweer niet meer als de Zee zullen hebben: in het welke gij het meeste meugt verheugd zijn, om dat dezen Prins uit uwen bloede zal spruiten. Den Toovenaar daar op stilzwijgende, antwoorde Soliman; Zeker dezen mag zich waarlijk gelukkig achten, die den Hemel de gunst zal doen van hem op zoo hoogen eertrap te verheffen. Daarop verheugde hij zich van een zijde, en van d’ander droeg hij hem haat. Daar na door een nieuwe begeerte tot eer ontvonkt, vervolgden hij; Wel aan dan, dat het geluk zich wende zoo als het wil, en datse haar of goed, of quaad vertoon, na dat het den Hemel zal believen te voegen; hoe gestreng dat zijn Rijk ook zijn mag, hij zal nooit de macht hebben mij van den tijtel van Onverwinnelijke, te berooven; want ik ben verzekerd, dat hij mij niet meer van mijn plicht zal kunnen trekken, dan den loop van ’t gestarnte of van de Maan te stutten. [p. 374] Dit zeggende, betoonde hij zoo veel stoutmoedigheid, dat zijn aangezicht ontvonkten.
    Soliman en Ismenes spraken op deze wijze tot elkanderen, wanneer zij het Christen leger begonden in ’t gezicht te krijgen. Daar zagen zij niet verre van de hutten, het schrikkelijke beeld des doods zich vertonen in verscheide gedaanten: waarlijk een dodelijk sehouwspel, ’t welk Soliman trof, met zoo veel gramschap als leedwezen, wanneer hij begon t’overdenken dat zijn banieren, die men op andere tijden zoo zeer gevreesd had, nu lagen ter neêr geworpen, en dat de Franssen, wier aangezicht niet als blijdschap vertoonden, haar niet vergenoegden, met die voor dezen zijn getrouwste vrienden geweest waren, onder haar voeten te vertreden, maar met een onverdragelijke hoogmoedigheid die t’ontwapenen: aan d’ander zijde zag hij hoe zij aan de haren heur laaste plicht betrachten, en die met veel omstandigheen en pracht begroeven, in plaats dat zij de Turken en Arabiers op een grooten stapel geleid hebbende, alle verbranden, en de asschen in de wind wierpen: daar over hij zoo vergrimd wierd, dat slaande zijn hand aan ’t zwaard; hij op ’t punt was om van de wagen te springen, en haar toe te loopen om dat te wreken; dat hij zonder twijffel gedaan zou hebben, indien den ouden Toovenaar hem niet weêrhouden had; want hem toegraauwende verweet hij hem zijn onbedachtsaamheid, wendende hem van dat voor- [p. 375] nemen af, en ging zijn gang door de hoogste wegen, alzoo dat zij, het leger achter hun rug gelaten hebbende, eindelijk van de wagen klommen, die ter stond verdween; zoo dat zij, noch in de wolk bewimpeld zijnde, in het diep van een dal neêrdaalden, en van daar in de zelfde plaats, daar den heiligen berg Sion zich keerd tegen der zonnen opgang: hier stond den Toovenaar stil, daar na trad hij na den heuvel, die zeer steenachtig en moejelijk was om op te gaan, als of hij ’er iets in gezien had ’t gene hem belette om over te klimmen: hier was onder de aarde een grooten weg in den rots gesneden, daar van men den ingang niet zien kon, ter oorzaken van de doornen en struiken die het van alle zijden bedekten, want het door langheid van tijden zoo bewassen was. Den Toovenaar maakte een ruimte, en boog zich om in te kruipen; zoo als hij de eene hand voor uit stak, om van hem te voelen, reikten hij Soliman den anderen toe, om hem in ’t volgen voor leidsman te verstrekken: ondertussen sprak hij, vol verwondering; Hoe wild gij mij door zoo moejelijken weg leiden? zeker ik zou mij wel een gemakkelijker, als deze is, met de scherpte van mijn zwaard, gebaand hebben, zoo gij het mij daar toe had willen laten gebruiken. Verstoord u niet, antwoorden den grijzerd, maar treed stoutelijk toe, aldaar ik u leide, zonder u voor de duisterheid van de plaats t’ontzetten: door deze weg heeft zoo dikmaal gegaan die zelfde Herodes, wiens [p. 376] faam noch tot deze tijd in ons land verspreid is: hij was de gene dieze alleen liet maken, om zijn onderdanen in toom te houden, en haar moedwilligheid te bedwingen; want hij had dit voordeel op haar, dat hij, zonder van iemand ondekt te worden, hier door kon komen van den toorn, die men Antonius noemde, na de naam van zijnen grooten vriend Antoni, tot in den Tempel Salomons, en van daar in de Stad met alle verzekerheid uitgaan, om daar zoodanig oorlogsvolk als hij wilde, in te leggen, of die dan te doen uittrekken zonder dat ’er iemand cenige kennisse af had. Maar schoon ik de eenigste mensch ter wereld ben daar deze nog aan bekend is, zoo twijffel niet, of ik zal u door de duisterniste heimelijk leiden, daar den Koning nu raad houd: gij zult ’er ter goeder tijd komen, en zult met mij bevinden, dat hij en de andere mogelijk meer verwonderd zullen zijn, als zij niet behoorden te wezen, over het moeilijk dreigen van het geval; daarom als gij daar gekomen zult zijn, gedenkt dan alleen maar te hooren en te zwijgen, tot dat de gelegentheid om te spreken voortkomt: geeft danuwen raad na dat het u noodig zal dunken. Deze woorden sprak hij in deze duistere weg tot Soliman, die ondertussen, om dat hij heel lang was, gedwongen was den rug te bukken in deze duistre en naauwe weg, hem altijd zoo dicht, als het mogelijk was, bij zijnen leidsman houdende. Eenige tijd geduurende, moestenze door deze moey- [p. 377] lijke weg al kruipende van haar taten, maar hoeze verder raakten, hoe deze spelonk hooger en wijder wierd; zoo datse eindelijk zoo veel beletselen niet vonden als in ’t begin: maar als zij ten halver wege waren, opende Ismenes een klein winket, daar door men in een trap quam, daar men al langen tijd had op gegaan, eermen ’t weinige licht ontfing, dat men bemerkten, door een luchtgat, dat in de rots gehouwen was: deze trap leiden haar in een kleinen omring onder d’aarde, op de wijze van een galerij, van waar zij eindelijk in een schoone zaal klommen, daar den Koning in den raad gezeten, genoegsaam aan zijn gelaat betoonde, dat hij grootelijkx bedroefd was. En hoewel Soliman het alles zien kon, zonder van iemand gezien te zijn, om dat hij noch in de wolk besloten was, zoo volgden hij den raad van den Toovenaar, en aandachtig toeluisterende, hoorde hij terstond den Koning op deze wijze spreken. Mijn goede en getrouwe vrienden, sprak hij, de waarheid dwingt mij om u te belijden, dat boven dien, ons den dag van gisteren grootelijk schadelijk was, zij ons ook ongelukkig heeft doen ontvallen de grootste hope die wij nimmermeer mogen verkrijgen; dit dus zijnde, zoo schiet ons nu voortaan niet meer over, als de bijstand die wij van Egipten verwachten; ook kond gij wel zien dat die hope ver van ons af is, inde nood die ons zoo dicht bij blijft: daar is niemand onder u of hij mag vrijmoedig zeggen wat hem van de- [p. 378] ze dingen dunkt. Meer sprak hij niet: maar terstond rees ’er een zacht geruis van alle zijden, gelijk de gene wanneer een zoete wind door de boomen blaast, daar van de takken en de bladderen even bewogen worden: doch dit gerucht wierd terstond door de tegenwoordigheid van Argand gestild, die verschijnende met zoo een ’moedig als vrolijk gelaat, deze woorden sprak; Grootmachtig Koning, wat is ’t noodig dat gij ons onderzoekt, vragende na een zaak die niemand bewust is, derhalven ook niet noodig in geenderlei wijze, onze meiming daar over te hooren; evenwel wijl het u zoo beliefd, ik zal u de mijne zeggen, zonder u iets van de waarheid te verbloemen: laat ons voortaan de zelve hope hebben die wij altijd hebben gehad; en zoo het waar is, dat geen ding de deugd kan krenken, laten wij ons dan met die onverwinnelijke wapenen bedekken, zonder het leven te beminnen tot op het uiterste, als zij ons zal willen toelaten dat lief te hebben: ’tgene dat ik zeg, is niet omdat ik aan de bijstand, die van Egipten moet komen, wanhoop; maar in tegendeel hou ik het wel verzekerd, want het zou een misdaad zijn daar aan te twijffelen, terwijl men gelooven moet dat de beloften van den Soudaan, mijn Meester, en eenigen Opperheer, onwederroepelijk zijn; en zoo iets mij verplicht om dus te spreken, ’t is dat ik wel wenschte dat er onder ons wat waren, die wat meer stoutmoedigheid betoonden als zij hebben, en haar bereiden [p. 379] om gelijk, de gunst en ongunst van ’t geluk t’ontfangen, op wat wijze ons die mogt toekomen. Eindelijk, zoo de overwinning haar het zoetste ding tet wereld schijnt, datse haar inbeelden die te verkrijgen, en daar bij haar zelven onverwinnelijk toonen tegen de schichten der dood, in plaats van die te vreczen. Dit was het gevoelen van Argant, die deze woorden met zoodanigen vrijmoedigheid, uitsprak, als een man zou kunnen doen, die opendlijk een zaak verhaalden, daar hij wel van bewust was. Na hem verscheen Orkan, een man die grootelijkx geacht was, zoo wel om zijn aaloriden Adeldom, als door zijn eigen wapendaden. Het is waar. alzo hij, seder een jaar drie of vier, een jonge vrouw getrouwd en daar bij schoone kinderen geteeld had, dat hij deze vierige drift al een weinig liet verkouwen, door de bijzondere genegendheden van vader en man; dit maakte dat hij, tot den Koning naderende, aldus sprak; Grootmogend Heer, hoewel mijn voornemen niet is deze stoutmoedige dapperheid, die uit een overmatige onversaagtheid voordkomt, en in de palen van ’t hert niet besloten kan blijven, te verachten; evenwel zoo durf ik, met uw believen, wel zeggen; dat dien braven Argant een weinig te veel haastige en schandelijke woorden tegen uwe Majesteit gebruikt: ’t gene hem echter wel geoorloofd mag zijn aangezien hij in zijn daden zichzelf niet minder vierig noch kloekmoedig betoond heeft, als [p. 380] hij is in zijn reden. Maar over al waar dezen den breidel tusschen zijn tanden neemd, laat hij zich een weinig te vrijwillig vervoeren: U komt toe deze misslagen te verbeteren, en de middelmatigheid te gebruiken, die d’ervarendheid in de zaken, en uw hooge jaren u hebben doen verkrijgen. Dit ’s noch niet genoeg; gij moet overwegen de hoop van bijstand die ons van verre moet toekomen, met het gevaar dat ons van na bij dreigd; en door de zelfde middel zien, of de oude versterking van deze stad, met de gene die gij laastmaal hebt laten maken, machtig genoeg zijn om ’t geweld der vijanden tegen te houden en haar te wederstaan. En zoo’t mij geoorloofd is . om noch vrijer te spreken; mogelijk zult gij bevinden dat mijn gevoelen niet ver verscheiden is van ’t gene dat ons de tekenen daar van behoorden te doen gelooven. Ik weet dat wij in een plaats zijn, die om zijn gelegendheid niet minder sterk is, als door de naarstigheid die wij gebruiken om haar dagelijx te versterken. Maar wij en behoeven ook niet te twijffelen, dat die van buiten geen groote toerustingen van oorlogswerk, en diergelijke andere krijgsrustingen bij haar hebben. U nu te zeggen wat de uitkomst zijn zal, is mij een onmogelijke zaak; om dat de voorvallen in den oorlog zoo twijffelachtig zijn, dat ik nootsakelijk tussen de hoop en vrees zweven moet. Evenwel, zoo de schijn dingen doet oordeelen, zoo ben ik bevreest dat wij eindelijk gebrek van lijftocht zullen hebben; [p. 381] zoo, men vervolgd ons zoo benaaud te houden gelijk men begonnen heeft: want dat weinig voorraad, van beesten en koorn ’t geen gij gisteren bij geval, terwijl men buiten niet anders dacht als op de bloedige slachting van den oorlog, in de Stad liet komen, kan nooit genoeg zijn tot het onderhoud van zoo grooten getal van volk, die den honger alreede begint te perssen; zoo dat zij eindelijk gedwongen zullen zijn haar over te geven, indien men het beleg lang slepende houd: gij zult mij hier op antwoorden, dat wij lijftocht genoeg hebben tot dat het Egiptise leger tot onze hulpe kumt; Maar zoo dat niet is, wat zal ’t dan wesen? ik wil datse noch eer aankomen dan men ons beloofd heeft en wij die verwacht hebben; kan dit alles ons van d’overwinning verzekeren? Neen, zonder twijffel, en voor mij ik kan niet zien, dat dat leger machtig is om de belegering terstond op te doen breken: want boven dien dat wij eerstelijk wederstaan moeten het geweld van dien verschrikkelijken Godefrooy en van die ander Princen, wiens dapperheid ons genoeg bekend zijn; dan moeten wij noch verslaan, die zelfde machten, die zoo dikmaals de Arabiers, de Turken, de Siriers en de Peresianen hebben verbroken, vernield en in de vlucht gedreven: niemand weet het beter dan gij, zeeghaftigen Argant, die meer als eenmaal gedwongen zijt voor hem het oorlogsveld te ruimen, en uwe zekerheid in de snelheid van uw paard te zetten; Klo- [p. 382] rinde kan ’er zoo wel eenige nieuwigheid als gij van verhalen, en noch beter, zoo dat gij van die zijde elkander niet te verwijten hebt; ’tgene ik evenwel niet zeg om uw dapperheid te lasteren, terwijl ’et niemand is dieze niet bekend zijn; maar hoewel deze mij met zoo quaden oog aanziet, dat het schijnt hij mij alrcedemet dedood zoekt te dreigen, zoo mishaagd het hem dat ik de waarheid spreek, evenwel zal ik daarom niet veinzen te zeggen; dat ’er al de blijken ter wereld zijn dat het noodlot onzen vijand begunstigd, en ons met een onvermijdelijk ongeluk dreigd: zeker daar is noch dapperheid, noch sterkte, noch omning der muuren, noch vijanden, hoe sterk datse ook zijn, die beletten konnen dat hij onzen staat niet overheersche. ’t Gene ik zeg is tot mijn groot leedwezen, en spruit niet als uit een overmatige genegentheid, die ik mijn Opperheer en mijn waderland toedraag; daar op ik den Hemel, die wel bewust is dat ik na de waarheid spreke, tot getuige roep. O hoe wel beraden heeft den Koning van Tripoli geweest, dat hy vrede met de Franssen gemaakt heeft, en door de zelve middel zijn Koningrijk en haar vriendschap behouden! Soliman is zoo goed koop niet quijt gescholden, want om dat hy tegen haar wilde opstaan is hy uit zijn staat verdreven, en mogelijk leid hy nu al ter aarden uitgestrekt, of gevangen, of aan ketenen gesloten, of vluchtig, of een landlooper, of verbannen; zoo lang hy leefd, [p. 383] ten roof van een groote armoede te zien: Zie daar waar hem ’t geval nu heen gewenteld heeft; daarin tegendeel, zoo hij een weinig zich had willen vernederen, en voor de vijanden een gedeelte van zijn Koningrijk inruimen, zou hy zonder twijffel het andere konnen behouden hebben, door middel van eenige schatting.
    Oskan dorit zijn zelve niet meer openbaren, noch opendlijk gevoelen, dat men de vrede had te zoeken, en zich onderdanen van andre te maken, zich daar mede vergenoegende dit door tekenen en dubbelzinnige woorden te laten geschieden. Soliman, die zich ondertussen altijd in de wolk had verburgen gehouden, hem dus hooren sprekende, wierd zoo vertoornd, dat hij op het uiterste was om zich te vertoonen: wanneer den Toovenaar, om hem meer aan te moedigen, sprak; Hoe wild gij noch toelaten dat men u meer lasterd? zeker ik weet niet waar gij op denkt, maar ik hou mij hier met leedwezen in besloten, en wouder alreede wel uit wezen, zoo spijt het mij, en zoo beschaamd ben ik hem aldus te hooren spreken. Naaulijkx had hij deze woorden geëindigd, of de wolk verstoof, zoo dat de lucht helder bleef gelijk op den vollen middag. Soliman sprong toen, met een kloeke moed en standvastig gelaat midden onder haar, en sprak; Zie hier ben ik, tegenwoordig; ziet hier ben ik daar men daar strak af sprak; ik ben noch vlugtig Koning, noch schelm, [p. 384] noch landlooper, ik heb altijd geleefd met een achtbaarheid ver van die afgescheiden; en ik ben niet vernoegd met dit zeggen, zoo ik de proef met de punt van mijn degen hier niet af te werk stel, tegen dezen blooden redenaar, die my lasterd en valschelijk gelogen heeft; hoe zou ik dan vluchtig zijn, ik, die noch kort heele beken van bloed beneden door de vlakten heb doen vloejen? ik die van de stukken der lichamen van onze vijanden, bergen heb opgehoopt, in haar bolwerken besloten zijnde, en van alle andre hulp, als dat van mijn zwaard verlaten: en zoo ’t gebeurd dat ooit dezen, of andere bloodaarts, verraders van heur Vorst, vaderland en geloof, zoo stout zijn, dat zij het minste woord, dat deze vrede raakt, uiten; vergeef het mij, o Koning, zoo ik zeg dat ik haar terstond dooden zal. Maar veel eer zullen wij de lammeren met de wolven in een zelve schaapskooy gerust zien leven, en de duiven haar nest by de slangen maken, eer dat wy, ooit het minste verdrag tussen ons, en de Franssen besloten zullen zien: dit zeggende, hield hij zijn hand op het handvat van zijn zwaard met een lasterend en dreigend gebaar. In ’t begin was ’er niemand van de vergadering die zich niet verwonderden, in ’t aanzien van zijn verwoed gelaat en in ’t aanhooren van zijn woorden, die niet als wraak uitbliezen: maar na dat die eerste driften wat verkoeld waren, naderde hij den Koning, met meer bezadigheid; Machtige Vorst, [p. 385] sprak hy tot hem, hebt alleen maar goede hoop; ik breng u hier een bystand die niet te verachten is: laat het u genoeg zijn dat Soliman met u is. Den Koning, die alreede opgestaan was om hem t’ontfangen, antwoorden; O Goden, hoe verheugd en vergenoegd ben ik u hier te zien, mijn welbeminde Broeder en volmaakte vriend! Nu voortaan bekommer ik my niet meer met de gene die ik verlooren heb, en vrees ook niet dat diergelijke arger my mogt toekomen, zoo den Hemel niet geheel onze begeerte tegen is, kundgy in weinig tijd mijn zwak Koningrijk verzekeren, en door dezelfde middel u wederom in het uwe bevestigen. Dit zeggende, sloeg hy zijn armen om zijnen hals, en deed hem het beste onthaal dat hem mogelijk was; zettende hem aan zijne hooge hand in zijnen Troon, om hem beter te eeren. Dicht by haar zat lsmenes neder, die gunstig van ijder wierd ontfangen. Met als den Koning op ’t uiterste was om hem na zijne komst te vragen, hoe hy zoo heimelijk, zonder van iemand gezien te zijn, had kunnen inkomen; zie zoo quam Klorinde, en de andre hem begroeten. Ormusses, die onlangs de last had om de stad met eetwaren te verzorgen, was meê van ’t gevolg: hy had een groote meenigte van koorn, en een goed getal beesten binnen gebragt, gebruikende de duistere nacht tot zijn voordeel, en een goeden hoop Arabiers, die hy heimelijk, door afgelegen wegen geleid had. Argant alleen week van zijn plaats [p. 386] niet, en gaf, door zijn veracht gelaat, genoegsaam aan ijder zijn hoogmoedigen aard te kennen. Gelijk als den Leeuw, die zijn winkbraauwen al slapende vertrekt, zonder dat ondertusschen iets van zijn ander lijf bewogen word. Maar zoo hy van d’een zijde voor geen ding verlaagd was, was Orkan van d’andre zoo bevreest, dat hy zijn oogen na Soliman niet darde wenden, maar hieldse, vol van gedachten, strak ter aarden geslagen, zoo verschrikt maakte hem de verbolgendheid van dezen tiran. Op zoodanige*wijze was den Koning van’t beloofde Land, en die van Turkijen, met heur voornaamste Ridders, in den Raad vergaderd.
    Maar den Hartog Godefrooy, hebbende van zijn zijde d’overwinning vervolgd tegen deze vluchtelingen, en de wegen, en de toegangen na ’t leger geveiligd; deed zoo deftig, als hem mogelijk was, de gene die in de strijd gesneuveld waren, begraven. En gebood aan d’andere zich gereed te houden, om den tweeden dag daar na den storm aan te voeren, om het uiterste geweld daar op te doen. Maar om dat hij wist dat die troep ruiters, die hem zoo wel te pas, in ’t hertste van’t gevecht onderstand gedaan hadden, bestonden van zijn getrouwste vrienden, en van de gene, die d’ongetrouwe Armijde gevolgd hadden, zonder dat den moedigen Tankredo, die zij in haar kasteel gevangen hield, haar bedriegerijen had kunnen ontsnappen, deed hijze alle in de tegenwoordig- [p. 387] heid van den goeden Peter, en van d’allerverstandigste, voor hem komen. Mijn vrienden, sprak hy tot haar, verhaald my wat u in deze kleine reize geschied, en wat den loop van uw wedervaren is, dat gy zoo wel te pas, in dien grooten nood, daar wy uwe hulpe zoo wel van nooden hadden, gekomen zijt. Door de misllag, die onze Ridders nu kort begaan hadden, warenze zoo beschaamd, datse hare oogen neêrgeslagen hielden, en niet een woord konden antwoorden, om dat haar gewisse hun beschuldigden en knaagden van hun plicht niet wel betracht te hebben; hoewel deze misslag niet zeer groot was. Eindelijk, den zoon van den Koning van Engeland, zijn aangezicht opbeurende, sprak op deze wijze; zoo als wy zagen, zeide hy, dat wy niet van ’t getal waren dergenen daar het lot opgevallen was om Armijde te verzelschappen, zoo vertrok ijder bijzonder hier stil van daan (ik moet voor u niet liegen) want de liefde, om ons te bedriegen, had zich van dat schoone aangezicht van deze verraderes gediend. En boven dien dat de natuur haar mildadig genoeg met hare gunsten verzien had, zonder dat het noodig was om ons beter te bedriegen, dat zij eenige andere schalkheid gebruikten, kon zy ’t zoo wel door haar aanlokselen uitwerken, dat zy, om ons noch meer tot liefde en nijdigheid te verwekken, geduurende den weg, niet afliet, nu ons met vleyende woorden te troetelen, dan weêr [p. 388] het lokaas van lieffelijke lonken te hulp te nemen. Na dat wij een langen tijd waren voord gereên, quamen wij in die zelfde plaats, daar eertijds het vuur van den Hemel viel, om op een gruwelijk volk, die zonden tegen natuur begaan, door de vuilste en afgrijselijkste misdaad, die ooit geschiet was, te wreken. Deze gewesten waren eertijds zeer vruchtbaar in alle dingen, maar tegenwoordig niet als heete wateren vol pik, en een poel daar niet eenen visch in is. Daar bij is het in zijn omring heel nevelachtig van eenen dikken mist, daar een onverdraagelijke stank uit voortkomt. Hoe zwaarwigtig dat de dingen zijn diem’er inwerpt, evenwel zinkenze niet, maar drijven altijd boven op ’t water, gelijk als het kork, het dennen, en diergelijk licht hout: de menschen zelf gaan niet meer te gronde, als de grootste stukken ijzer, en de allerzwaarste steenen. Dicht bij dezen poel was een kasteel gebouwd, daarmen niet na toe kan gaan als langs een naauwe zomerdijk, aan’t einde van de welke een ophalende brug was, daar zij ons, ik weet niet door wat konsten, onthaalden. Het gebouw was zoo schoon, dat men in ’t aanzien de oogen niet genoeg kon verzadigen. Want boven dien dat de lucht rondom heel lieffelijk was, en den Hemel helder, zoo waren de boomen en velden geweldig aangenaam. Men zag daar in een plaats, met Mirteboomen beplant, een schoone springbron, daar een kleine revier van voort quam, die met zijn [p. 389] geruis, op het geluid slaande, dat de vogelen en de bomen, zoetjes door den adem der weste winden bewaaid, maakten; dat den slaap scheen neêr te vallen, op het blos der bloemen, daar het aardrijk over al meê bedekt was, om den verbijgaanden tot rust te noodigen. Ik vergeet de prachtigheid van ’t marmorsteen, daar’t goud aan alle zijden aan blonk, en daar de wondren van de kunst volmaakt in uitgebeeld waren. Op de kant van deze schoone vliet, daar het kruid het dikste, en de schaduw het koelste, was, liet Armijde ons een tafel dekken; recht tegen over stond een kas, verzien met gulde vaten, die rijkelijk gegraveerd waren. De spijzen, die zij ons op liet dissen, waren zoo wel bereid en aangenaam, dat ik geloof diergelijke nooit gezien te hebben. In dit banket zagmen al wat ijder seizoen ons het ongemeenste voortbrengt: al wat het Aardrijk en de Zee het aangenamste heeft, en al wat de menschelijke kunst kan bedenken, om de smaak het beste te vergenoegen. Maar het gene dat het gedenkwaardigste is, was dat zij ons door honderd schoone maagden, die, in alles wat zij deden, elkanderen gelijk waren, liet dienen. Midden onder deze pracht (terwijl ijder van ons zoo ontvonkten, door haar aangename woorden en lonken, dat hij het gedenken van zijn zelven verloor) rees Armijde haastig op, en zonder dat iemand ergens aan twijffelden, sprakse tot ons; Ik kom terstond wederom: gelijk deze trouw- [p. 390] looze ook niet naliet terstond wederom te komen maar haar aangezicht was zoo aangenaam en helder niet als te vooren. In d’eene hand had zij een klein roedeken, en in d’andre een boek, daar uit zij, in haar zelven, ik en weet niet wat voor woorden prevelden: na dat zij daar in gelezen had, zie, zoo voelden ik mij terstond van gedachten, van wille, van leven, van gedaante, ja zelfs van hoofdstoffe veranderd. Deze tooverij, wiens kracht wonderlijk was, kittelden al mijn gevoelen met een nieuw vermaak: want terstond sprong ik in ’t water, en dook tot op de grond toe. Om u nu te verhalen hoe dat geschieden kon, is een zaak die mij niet mogelijk is: zooveel is ’er van, dat beide mijn beenen zich te zamen voegden, mijn armen ingetrokken, mijn lichaam geslooten, en mijn vel met schubben bedekt wierd; alzoo dat ik, die noch kort te vooren een mensch was, nu heel in een visch veranderd wierd. Het zelfde gebeurde aan alle mijn makkers, die, gelijk ik, veranderd zijnde, in’t water sprongen: daar mij anders niet van gedenkt, als van een ijdele en verwarde droom. Eindelijk beraamde zij weder om ons in onze eerste gedaante weder te herstellen. Evenwel benam dat niet, dat wij noch een langen tijd als stom bleven, zoo waren wij door de schrik en verwondering bevangen. Maar wij wierden noch meer bevreest, wanneerze met een ontroerd aangezicht; tot ons naderende, sprak; Kund gij nu wel [p. 391] aan mijn groote macht twijffelen? bekend gij niet wat mogendheid ik over u hebbe? Dit is noch niet genoeg; ik wil dat gij weer, dat het maar aan mij staat te maken, dat den eersten van u allen, die ik daar toe uit zal pikken, voor altijd van dat schoone daglicht zal beroofd zijn. Ik kan den eenen in een vogel herscheppen, d’ander in een boomwortel of uitspruitsel, of hem als marmor verharden, of zoo vochtig als een springbron maken, of eindelijk met het vel van zoodanigen beest bedekken als ik wil. Maar zoo gij wild, het is in uw macht wel, u van dese schrikkelijke straffe te bevrijden, zoo gij alle Heidenen wild worden, en u tegen de Christenen wapenen, tot bescherming van ons geloof en Koningrijk. Daar was niemand van al den hoop, die niet weigerden deze vervloekte voorwaarden aan te vaarden, daar tegen zij het gebaar maakten om hem daar toe te dwingen. Zij gebood datmen ons andere altemaal u ketenen, en ley ons in een gevangenis, daar nooit de minste straal van den dag inviel. Eenige dagen daar na, quam den Prins Tankredo, bij geval, in dit kasteel, die niet beter koop, als wij, wierd quijt. gescholden, en ook gevangen bleef. Het is waar, dat wij niet lange in deze slavernij vast bleven, om dat ’er een bode van den Koning van Damasko verbij quam, die ons van de Tooveres verzocht, om ons van harent wegen, aan den Soudaan van Egipten te vereeren; het welk zij hem toestond. En boven het [p. 392] getal dat wij uitmaakten, wierd ’er noch handerd andre, alle ongewapend, met ketenen gebonden, bijgevoegd. In deze toerustinge wierden wij geleid als tot een rampzalig slachtoffer, wanneer wij, door de voorzienigheid uit den hoogen, van den zeeghaftigen Reinoud ontmoet wierden; wiens faam van dag tot dag meer door zijn gedenkwaardige wapendaden verbreid word. Zoo ras als hij ons wierd kennende, viel hij op de roovers aan, die ons aldus wegvoerden. En volgens zijn gewoone dapperheid, handelde hij haar zoo gestreng, dat hij een gedeelte aan stukken hakten, drijvende de rest op de vlucht. Daar na deed hij ons met de zelve wapenen, die ons voor dezen hadden toebehoord, en nu over al ter aarden lagen, weder uitrusten. Bovendien dat ik hem zeer wel aan zijn stem kende, hebben mijn oogen de getuigen daar van geweest, dat het niemand anders als Reinout zijn kon; want de blijken van zijn dappere moed, waren daar genoegsaam de zienelijke proeven af: Het welk genoeg betoond, hoe valsch dat het gerucht is, ’t welk men van zijn dood gestrooid heeft: want het is maar drie dagen geleden, dat wij hem zijne wapenen, die heel rood van ’t bloed der gener waren, uit wiens handen hij ons verlost heeft, zagen afleggen; en den weg naar Antiochién, onder ’t geleid van een Pelgrim, inslaan.
    Geduurende dat den Engelschen Prins dit aan Godefrooy verhaalden, veranderde den vromen Klui- [p. 393] zenaar dikmaal van verwen, slaande zijn oogen ten Hemel. Maar hoe veel helderder, en hoe veel eerwaardiger, als naar gewoonte, scheen dat aangezicht, nu het van God ingeblazen, van godvruchtigheid vervoerd en opgetogen: was tot de hoogste verburgendheid, daar hem het toekomende, ’t gene in’t vervolg van de eeuwige eeuwen verburgen blijft, geopenbaard was? Dit deed dat hij zijn stem met een ongemeene kracht verhefte; en ondekte wie de navolgers van zoo doorluchtigen Ridder, en hoe groot de daden van heur dapperheid zijn zouden, daar de zelve vergadering naar luisterden. Reinout, sprak hij, leefd noch, en de dingen, die men u met geweld heeft willen wijs maken, zijn niet als bedriegerijen van deze schadelijke tooveresse. Zijn grootdadige daden, die in een teere jongheid glinsteren, zijn noch niet tot heur hoogsten top gesteigerd. Dat hij zoo bekend en befaamd door geheel Azien word, is maar alleen een voorteeken en proefstuk van de wonderen die hij in toekomende doen zal. Ik zie hem alreede tegen ’t geweld van een Tiran gekant, die hy, door vervolg van tijden, zal bedwingen; ik zie de Roomsche kerk, in de zonneschijn van den zilveren Arend, door zijn hulpe van alle aanvechtingen bevrijd; en van de klaauwen van het alderwoeste beest, dat ’er ooit was, verlost. Van hem zullen Kinderen spruiten, die zoo een Vader waardig zullen zijn. Daar na zullen uit die noch andere voortkomen, [p. 394] wiens neven tot een gedenkwaardig voorbeeld zullen verstrekken: zij zelf zullen de Mijtters en de geheiligde Tempelen, tegen het geweld der onrechtvaardige en oproerige Keizeren, verdadigen. Heur ware handhaving zal zijn de opgeblazen met voeten te trappen, de verdrukten op te heffen, d’onnoozele te verdadigen, en de dwazen te straffen. Over al zal den Arend van Est zijn vlugt naar de Zon nemen. Ook is ’t wel redelijk dat hij deze Star, stijf aanziende, de navolgers van Sant Peter den blixem verschaft, die hij den grooten Jupiter toevoerd: En dat zij zelf, ook daarmen om de eer van CHRISTUS JEZUS strijd, haar overwinnende, en zeeghaftige vleugelen uitspreid. Den Hemel beliefd het zoo, en wil, door een onveranderlijk besluit, dat dezen kloekmoedigen Krijger wederom word geroepen tot dezen heerlijken aanslag, daar hij onlangs van vertrokken is. Dit waren de voorzeggingen van den wijzen Kluizenaar, die de geschiedenissen van den vromen Reinout betroffen. En mogelijk had hy noch grooter dingen van zijn dapperheid gezeid, zoo de wonderen van ’t voorwerp hem niet zelf bedwongen hadden te zwijgen. Ondertusschen quam de nacht aan, die zijn zwart kleed ontrolden, daar hy het geheele aangezicht der aarden meê bedekte. Yder ver trok zich dan met meining om te rusten, zonder dat den wakenden Godefrooy de slaap genieten kon, zoo veel bekommernis veroorzaakten hem zijn groote aanslagen en diepe gedachten.
Continue
[
Frontispice canto 11]
[p. 395]

TORQUATO TASSOOS

Verloste

JERUZALEM.

Het elfde Gezang.

INHOUD.

GOdefrooy leid het Christen Leger, in een ommegang, op den Olijfberg, daar den Bisschop van Oranje de Mis zingt. Des anderen daags bestormd hij Jeruzalem, en word van Klorinde, door een schicht, gewond; en door den Engel genezen. Daar op, zoo als hij meenden weder na den strijd te keeren, word hij door de nacht belet.

Het Christen leger word, door Godefrooy, geleid,
    In eenen omgang, op den berrig der Olijven;
Daar ’t Bisschoplijke woord, voor elk, de Mis uitbreid,
    Om ’t brusk en nietig vleesch hun plichten voor te schrijven.

[p. 396]
(5) Des andren daags zoo word Jeruzalem bestookt,
    En Godefrooy gequetst, door d’edle Maagd Klorinde:
Den Engel, zijns behoeds, die hem met gunst berookt,
    Doet, door een heilzaam kruid zijn smert verzachting vinden.
Daar op, zoo als bij waand te toonen weer zijn kracht

(10) In ’t strijden, word hy opgehouden van de nacht.

DEN Veldheer van’t Christen Leger, zijn gedachten gesteld hebbende op den storm van Jeruzalem, had alreede alle zijn oorlogsgebouwen daar toe vaardig, wanneer Peter, den vromen Kluizenaar, hem ter zijden trekkende, deze woorden, met een statig en eerwaardig gelaat, voorhield; Zeeghaftigen Veldheer, gij moogt al uw toerusting, om deze Stad te bespringen, wel vaardig maken maar dit is den weg niet daar door gij beginnen moet. Zoo gij begeerd dat uwen aanslag een gelukkige uitkomst heeft, zoo moet gij het van den Hemel verzoeken: Laat ons dan zijn hulp aanroepen, en eer wijverder gaan, openbare gebeden tot de Engelen en Heiligen uitstorten, op dat door haar tussenmiddeling, dien grooten God, die alle overwinningen in zijn hand heeft, ons die deelachtig maakt. Laat een ommegang geschieden, daar de Priesters met heur prachtigste vercierselen bekleed, in voor uit [p. 397] treden, en daar gij, en al uwen Adel in persoon zelfs, haar in de orde vergezelschapt; op dat de zoldaten, door uw voorbeeld, tot een vieriger aandacht van Godvruchtigheid aangeprikkeld worden. Op deze. wijze sprak den heiligen Kluizenaar tot den grooten Godefrooy, die terstond zijn zeggen goed vond. Ootmoedigen Dienaar van JEZUS CHRISTUS, antwoorden hij hem, wij kunnen niet beter doen, als den raad die gij geeft, te volgen; draagt gij van uwe zijde zorg, om bij de geestelijke Heeren, ende het ander volk van de Kerk te gaan; ondertusschen zal ik de voornaamste van ’t leger vergaderen, en neemd gij de last van den ommegang en openbare gebeden op u. Deze dingen zoo bereid zijnde, deed den Grijzerd, des andren daags ’s morgens, de twee Bisschoppen, Wilhem en Aimard, met alle de andere Priesters, in het zelve dal, daar men den Godsdienft gewoon te doen was, vergaderen. Terstond bekleedenze haar met deftige kleederen; de Bisschoppen namen twee goude kappen, en bedekten hare hoofden met rijke mijters. Den Kluizenaar stapten voor uit, dragende in zijn hand de banier van hem, die de Engelen in den Hemel aanbidden. Naar hem volgden de Kerkelijke, die, van elkanderen in twee rijen gescheiden zijnde, schoone lofzangen zongen, antwoordende d’een na d’ander bij beurten, met een godvruchtig gelaat, vol van ootmoedige nederigheid. Achter deze twee rijen zagmen de twee eer- [p. 398] waardige Bisschoppen, en na haar den Hartog Godefrooy, die alleen ging, tot een teeken van eer en waardigheid. Alde andere Princen en Ridders volgden hem, twee aan twee, ijder na zijn hoedanigheid. Daar na quamen de andere Soldaten gewapend, om vaardig te zijn, zoo bij geval de vijanden een uitval deden. Daar wierden geen schalmeijen, noch trompetten noch trommelen gehoord, maar alleenig aangename gezangen, die een vierigen ijver haar inblies. Gij zijt het, ô eeuwige Vader; gij, ô Zoon den Vader gelijk; gij, die door een volmaakte eendracht en liefde deze twee vereenigde inblaast; en gij ook, ô heilige Maagd, Moeder Gods, die wij aanroepen. Weest ons, tot dezen heiligen aanslag alle gunstig en genadig. Hierom bidden wij u ook, ô welgelukkige Engelen, die van de hemelsche troepen, van den almachtigen God der heirscharen, de hoofden zijt: En u ook, ô grooten Heilig, die de eer had met het zuivere water des Doops de heilige menscheid van onzen Zaligmaker te wasschen. Zie op wat wijze deze aandachtige Krijgers begonnen. Daarna, op het einde van deze, riepenze u ook aandachtig aan, gij die den eenigen steen zijt daar de grondvesting der Kerke op gebouwd is; en op de welke uwen navolger, de schatten van zijne goddelijke barmhertigheid opend. Zij riepen noch tot haar bijstand, die groote boden van het Koningrijk JEZUS CHRISTUS, die door al de wereld trokken, om zijn zegepralende [p. 399] dood, die over de Dood zelf triumfeerden, te verkondigen, en die daar na volgden; en de teekenen der waarheid, door de getuigenis van hun lijden bevestigden, met het storten van haar eigen bloed. Desgelijkx ook de gene, wiens heilige schriften en geleerde vermaningen den menschen de weg des Hemels openen, daar zij afgedwaald waren. Met de waarde en getrouwe Dienstmaagd JEZU CHRISTI, die het edelste en gelukkigste leven verkoos: noch de Maagden die haar vrijwillig in kloosters besluiten, daarze haar werk van de kuisheid makenden den Zaligmaker der wereld voor haren Bruidegom verkoren hebben.*En eindelijk die andere Heiligen, niet minder godvruchtig als kloekmoedig, die om den dienst van haren Schepper, alle dreigementen en pijnen, van de wreedste Tirannen der aarden, veracht hebben.
    In deze orden trokken de godvruchtige Krijgslicden van JEZUS CHRISTUS, rondom het Leger, van daar zij na den Olijfberg gingen, alzoo genoemd ter oorzake van eenen kleinen heuvel, die men met een ontelbare meenigte van Olijfboomen beplant ziet. Deze plaats daar van de naam genoegsaam door de wereld bekend is, rijst na de stad van der zonnen opgang, op de zelfde plaats, door het dal Jozafat, dat tusschen beiden legt, van een afgescheiden. Deze weg trok het leger in, zingende, met luider stemmen, lofzangen, dat de heuvelen en dalen, van [p. 400] alle zijden rondom weêrgalmden. d’Echo antwoorden haar, uit alle plaatsen, om strijd; zoo datmen gezeid zou hebben, dat in het hol der boomen en rotsteenen, menschen verburgen waren, om uitdrukkelijk te herzeggen ’t gene zij hielden, zoo volkomen deed hy de heilige namen van JEZUS CHRISTUS en MARIE wedergalmen. De Heidenen, hier en daar ontrent de vestingen gelegen, zagen ondertusschen, van boven, dezen ommegang aan; heel verwonderd zijnde dat het leger zoo langzaam voorttrad op zoodanige wijzen, die haar t’eenemaal vreemd scheen, om datse haar onbekend zijn. Maar zoo haast als deze goddeloozen aflieten van haar over deze stacy te verwonderen, begonnen zij zoo hart, als ’t haar mogelijk was, te schreeuwen, en gruwelijke lasteringen uit te braken; zulkx dat het dal en den berg, van haar schrikkelijk gehuyl, daverde. Evenwel liet dit aandachtig volk, om alle deze dingen, van hare gebeden, noch aandachtige lofzangen, niet af; maar, in tegendeel, verdubbelden zij haar heilige lofzangen veel harder als te vooren, en verachten het moejelijk gerucht van deze Barbaren, daar zij haar niet meer mede bekommerden, als ofse een vlucht exters en spreeuwen, of diergelijke vogels, hoorden snateren. Ook waren zij wel verzekerd, dat de vijanden van de bolwerken geen steenen noch schichten werpen konden, die haar, van zoo verre, konnen beledigen, en hare [p. 401] pracht verstoren; zulkx dat zij zonder af te breken, in haar begonnen gebeden volharden, gestadig voortgaande, tot dat zij op den top van den berg quamen: hier rechtenze een altaar op, en vercierden die met veel rijke vercierselen om de mis te zingen: aan elke zijde steldenze twee schoone goude kandelaren, met twee groote kaarsen van wit was, en twee rijke lampen van zilver, in de welke een dierbare en welruikende vochtigheid brande; daar wierden ook verscheyde juweelen, en gedenktekenen van groote waarden, met gesteenten verrijkt, ten toon geleid. Den Bisschop van Oranje, gekleed zijnde met den witten koorrok en den priesterlijken kassuyffel, hebbende een weinig in gedachten geweest, verhief zijn stem, en bad en dankten God; terwijl dat degenen, die bij den altaar stonden, dezen heiligen dienst konden aanhooren, en de anderen die verder af stonden, de oogen aandachtig daar na toe wenden om alle ’t gebruik te zien: die zoo haast niet geëindigd was, of al het geloovige volk, van den Bisschop gezegend zijnde, keerden in den ommegang, met die zelve orden als zij gekomen waren, wederom: dit gedaan zijnde, geleiden hij den kloekmoedigen Godefroy, eer hij vertrok, in zijn hutte, die hem, beleefdelijk bedankende, met de voornaamste van’t leger bij hem ten eten hield; daar hij Reimont, om te betoonen hoedanig hij hem eerden, recht over hem deed neerzitten; onderhou- [p. 402] dende elkanderen met deftige en statige dingen: na het avondmaal wende hij hem tot al die daar tegenwoordig waren, sprekende tot haar; Mijn heeren, houd u gereed om morgen uchtend de Stad te bestormen, gaat ondertussen goede achting op uw dingen stellen en geeft u tot rust. Daar op namenze hun afscheid van hem, en terstond gingen de trompetters door het heele leger den storm verkondigen. Alzoo bestedeze het overige van den dag om haar toe te rusten, verwachtende de aankomst der nacht, die den arbeid rust geeft, en de stilte der menschen gunstig is.
    Auroor begon naulijkx in ’t oosten te verschijnen, en de peerden tot den arbeid waren noch niet in de wagen gespannen, noch de harders hadden hare beesten om te laten weiden niet uit den stal gedreven; de vogelen zelf zaten noch gerust op de takken en sliepen, en in het bos hoorde men geen gebas der honden, noch het getoet der hoornen; wanneer het leger door ’t geluid der trommelen en trompetten begon te wedergalmen, daar onder zich het vrolijk gejuig en handgeklap der soldaten, die het vermeerderden en niet aflieten van wapen te roepen, vermengden. Godefrooy rees terstond op, en deed zijn volk bij een komen, maar hij trok toen zijn krijgskolder, noch zijn borstharnas, dat hij gewoon was te peerd te voeren, niet aan, maar vergenoegden zich met het lichte wapen van een voetknecht. Zoo als hij even gewa- [p. 403] pend was, zie zoo quam den Grave Reimond, van Toulouze, die hem zoo toegerust ziende, terstond bespeurde wat hij doen wilde. Hoe, sprak hij tot hem, gij zijt maar half gewapend; waar is uw schootvrij harnas? wat zal dit wezen dat gij uw goede wapenen voor slechte verwisseld hebt? zeker ik kan ’t niet goed vinden dat gij in zoo zwakken toerusting ten storm gaat; waarlijk vergeeft het mij, zoo ik u zeg, dat gij tegenwoordig op wel kleine dingen het voornemen grondvest, dat gij hebt om zege te verkrijgen: wild gij de muur dan het aldereerste beklimmen? God verhoede dat gij zoo weinig zorg voor uw persoon zoud dragen; laat andere zoo veel als zij willen zulke gevaarlijke verzoekingen doen, terwijl het heur plicht is die haar hier toe verbind: draagt gij zorg voor uw leven; neemt uw gewonelijke wapen, en spaar u voor het gemeen welvaren, der genen die een heiligen ijver tot dezen aanslag aanvoeren: gedenkt dat aan uw leven, dat van het heele leger hangt; dat, noch leidsman, noch dapperheid hebben zou zoo gij haar nu ontroofd wierd: draagt dan zorge het te sparen tot de behouding van al uw volk, dat u in der naam van God dit af bid. Zoo sprak Reimond tot den Hartog, die om bem te betuigen wat zijn voornemen was, dus antwoorden; Moedige Graaf, zeide hij tot hem, gij weet, dat toen het den heiligen Vader Urbaan, tot Klaarmond beliefden, mij dezen degen op zijde te gorden, en [p. 404] met zijn eige handen de Ridderlijke orden van den heiligen oorlog te geven, dat ik toen een belofte aan God deed, niet alleen de last van een Hopman in dezen heiligen aanslag te oeffenen, maar mij over al te dragen in de hoedanigheid van slecht soldaat, na dat de gelegentheid en noodwendigheid van de zaken het zou vereissen: dit zoo zijnde, na dat ik ons krijgsvolk in orden zal gesteld hebben, op dat zij weten zullen op wat wijze dat zij tot den storm gaan moeten, en dat ik mij op die plaatse in alle dingen heb gequeten, als de last van een Veldheer betaamd, zal ’t wel reden zijn dat ik haar deelgenoot in den strijd zij; en dit ’s het gene daar ik van verzekerd ben dat gij niet zult tegenstreven: ik heb dan voorgenomen, gelijk als d’anderen, de muur te genaken, om mijn beloften, die ik aan God gedaan heb, te quijten; ik hoop dat hij mij zal behoeden, zoo ’t hem beliefd, indien ik zoo gelukkig ben eenigsints tot zijn dienst bequaam te wezen, en al ’t geen verder mag gebeuren; ik weet dat mijn geluk in zijne handen staat.
    Godefrooy dit voornemen genomen hebbende, zoo beraamden ook zijn twee Broeders, en de andre Oversten van’t Leger; om hem te volgen, op het spoor dat hij haar baanden. Terstond verwisselden zij haar ridders rusting, en wapenden haar als voetknechten. Maar de belegerden waren, van hare zijde, op de bolwerken geklommen, en alles in het [p. 405] gedeelte dat zich van ’t westen, tegen der zonnen ondergang uitstrekte, in orden gesteld; welk het zwakste deel van de Stad zijnde, bezwaarlijk, zonder een goede wacht, zou kunnen bestaan. Ook had den Koning hier niet alleen het weerbare volk gesteld, maar ook de zwakke grijzerds en de kinderen zelf, om zoo wel deel in ’t gevaar als in den arbeid te hebben, en den sterksten kalk, zwavel, olij, pik, heet water, schichten en steenen aan te brengen, om de vijanden af te drijven. Hij had ook zorg gedragen, het bolwerk aan die zijde met goede oorlogsgebouwen*te versterken, en de borstweringen, die op die aankomste lagen, met goede soldaten te vervullen. Soliman vertoonde zich gelijk een verschrikkelijke Reus, ор deze plaatse, en stak boven alle anderen, van den middel tot het hoofd toe, uit. Daar verscheen ook in ’t midden van de kantélingen, den hoovaardigen Argant; die zich, door zijn onmetelijke groote, van verre deed uitkennen. Dicht daar bij, op een hooge tinne, zag men de kloekmoedige Klorinde; zij voerde een boog in de vuist, en den pijlkoker in een sluijer, uit dewelke zij een van haar beste pijlen trok, die zij vaardig hield om op dien vijand te schieten, die zij het zekerste treffen kon: zoo dat ’er niemand geweest zou hebben, haar in deze gestalte dus ziende, die niet zeggen zou, dat het was de zelfde Maagd van Delos, daarmen van verzierd, datse hare schichten, uit de hooge wolken, hier beneden [p. 406] schiet. Geduurende deze dingen, ging Aladijn gestadig aan alle oorden van de bolwerken, om te zien of ’er niet te veranderen was in de last, die hij zijn volk gegeven had. Hij vermaande de eene en d’andere om haar wel te verweeren; en liet noch nieuwe versterking, van beledigende wapens, aanbrengen. Ondertusschen sloegen de vrouwen, van schrik, hare borsten, en gingen in hare Tempelen, om heur gebeden, voor haren valschen God, uit te storten. Grooten Profeet en Wetgever, zeidenze, verbreekt de speeren van deze roovende vreemdelingen, die, zonder eenige schijn van billijkheid of reden, ons in ons eigen land aldus komen bespringen. Toond aan den schelm, die uwen naam veracht, en uwe eerwaardige Majesteit hoond, de werken van uwe mogendheid tot zijnen ondergang. Verdelgdse, en werptse voor onze poorten ter aarden, die dezelve trachten te vernietigen. Dit waren de schoone gebeden, die zij in hare tempelen gingen doen; welke verstaan, noch verhoord wierden, dan in de duistere wooningen, daar eeuwiglijk de klachten en verschrikkingen des doods heersthen. Terwijl dat de Stad aan d’eene zijde haar tot tegenweer bereide, ende men aan d’andere de bijstand van een valsch Profeet tot hulpe riep; deed Godefrooy zijn vendels ontwinden, en zijn volk tot den storm aantrekken. Hij deilden zijn leger in twee deelen, buiten de beschansingen, met veel behendigheid en overlegs: en voerden haar recht te- [p. 407] gen dat deel der muur aan, dat hij voor zich nam te bestormen. In ’t midden van haar waren de boogschutters, en andere schichteniers, gevoegd; die tegen de kantélingen zoo meenigten van steenen uitwierpen,*datmen in ’t eerst gezeid zou hebben, dat het een treffen van hagel en dondersteenen, die op haar neêrvielen, geweest had. Ook had hij, in de achtertoght van het voetvolk, een gedeelte van de ruiterij gevoegd, en d’anderen gezonden om ’t veld aan alle zijden te doorrennen; om te beletten datmen van achteren haar niet quame te bespringen, en alzo te verhinderen, terwijl zij bezich waren met den storm, daar hij het teeken en woord daar na af gaf. Terstond, aan wat zijde datmen zijn oogen sloeg, zagmen zoo veel keizelsteenen en schichten vliegen, dat veel van de gene, die tot bescherming van de wallen en bolwerken gesteld waren, bedwongen wierden die te verlaten; zoo dat ’er weinig volk bleef, want d’een was gesneuveld, d’andere zoo gewond, datse haar leden niet meer gebruiken konden: en eindelijk de rest al t’samen de plaats verlieten. Onder dit voordeel, vielen de gene, die gesteld waren om het eerste spits af te bijten, verwoed aan: voegende haar t’samen met hun schilden bedekt, op de wijze van een schildpad; daar zij haar meê beschutten tegen ’t geweld dat van boven op haar neêrhagelden: d’anderen hielden, ’t best dat zij konden, achter hun schanskorven en borstzweringen, die zij voor [p. 408] haar rolden, verborgen; allengskens de halve maan naderende, om de graft met rijswerk, zoden, steenen en diergelijk tuig, dat zij bij hun hadden, te vullen: ’t welk haar licht om doen was, vermits de plaats, hoewel diep van zij zelven, niet moerassig, noch vol water was. Den kloekmoedigen Adrastes vertoonden zich het eerst van allen om een ladder tegen*de muur te planten, zonder dat noch den hagel van steenen, noch het heet pik, noch de ziedende olij, diemen hem van boven deed gevoelen, machtig was om hem te wederhouden. Dezen moedigen Zwitser had alreede verscheiden trappen opgeklommen, en ten doel van duizend schichten gestaan, zonder dat hem noch een geraakt had; wanneer den groflijvigen Argant een zwaren steen in de vuist greep, die hij met zulken geweld, als een musketschoot zou kunnen doen, op zijnen helm neêrgonsden, dat hij, met de beenen in de locht, ter aarden storten. Van deze slag viel Adrastes op zij, en bleef heel verdoofd van zijn zelven neêrleggen. En hoewel hij niet ter dood gewond was, zoo bleef hij evenwel een geruimen tijd leggen, zonder armen, of beenen te verroeren. ’t Welk Argant bemerkende, deed roepen; Ziet daar leit ’er een ter aarden, wie zal d’ander zijn die zoo stout is om hem te hulp te komen? Waarom komt gij niet ten storm brave Krijgshelden van Europe ? gij ziet dat ik mij voor u niet verberg, maar voor de vuist verwacht. Naderd [p. 409] maar, terwijl dat, of vroeg, of laat, deze overwinnende hand uwen algemeenen ondergang zijn zal; zouder dat het u eenigsins te stade zal komen dat gij u zoo bedekt houd, gelijk als wilde beesten, die haar in heure spelonken verbergen. Zulke lasteringen en hoogmoedige woorden gebruikten Argant, zonder dat de Christenen daarom aflieten te naderen, en onder beschutting van hunne beukelaars, die de schichten en steenen afkeerden, die men van boven op haar neêrwurp, de muur te beklimmen. Alreede begonnenze met groote stormbokken, van dikke balken gemaakt, en aan d’einden op de wijze van een schaapshoofd, met ijzer beslagen, tegen de muuren aan te horten, dat de poorten van de Stad aan alle zijden daverden. Maar men kon haar van boven met gelijke munt wel betalen; want zij rolden groote vierkante steenen op het volk en het werktuig, dat nauwlijkx honderd mannen zou kunnen bewegen, van boven neer, dat den schildpad op zijn allerdikste verbroken wierd: en het scheen dat het waarlijk een rotsteen was, die een draaiwind had afgerukt, om al ’t geen ’er onder was te vernietigen. Door ’t geweld van dezen val zagmen al de rijen der soldaten verstrooid, de helmen geblutst, de schilden vermorzeld, en de aarde met bloed beverfd; onder welke doodelijke zegeteekenen der wapenen, zagmen bekkeneelen en verpletterde beenderen gezaaid leggen. De bestormers, ziende dat zij zoo qualijk ge- [p. 410] handeld wierden, bekommerden haar niet meer om met heur oorlogstuig haar te bedekken; maar zij wierpen zoo stark als het mogelijk was, met voornemen in ’t openbaar de vruchten van heur dapperheid voord te brengen. Terwijle zij, op wat manier dat z’er ook versterken, altijd groot gevaar liepen. Zommige gingen de ladders tegen de muur rechten, en anderen ondergroeven de grondleggingen zo ver, datse alreede begon te beven, en na heur ondergang te hellen; en op eenige plaatsen, door het gestadig beuken van de stormbokken, alreede neêr te storten. ’t Is wel waar, dat de gene, die op de muuren waren, de middelen, om deze schade voor te komen, wel bewust waren, of ten minsten de uitwerking daar van, door verscheide streken, die men in den oorlog gebruikt, onnut te maken: want op de zelfde plaats, daar zij ten naasten bij zagen dat dit werktuig toeschieten zou, hingenze groote wolbalen, die door de zaftigheid ’t geweld van den slag verstompten en versmoorden. Terwijle zich den storm aan d’een en d’ander zijde verhefte, en datmen man tegen man vocht; had Klorinde al zevenmaal haren boog afgeschoten, zonder dat zij ooit gemist had haar pijlen in het bloed, der voornaamste Hoofden van’t leger, te besmetten: ook was zij zoo hoogmoedig van aard, dat zij haar niet gewaardigde als zulke te treffen: de eerste, van de vermaarste, die zij questen, was den Prins van Engeland, die naulijkx [p. 411] het hoofd buiten de bolwerken gesteken had, of wierd bij geval van een pijl geraakt, die hem de rechte hand deurboorde, zonder dat den handschoen die kon af keeren; zoo dat hij gedwongen was, zich zelven onbequaam ten strijd voelende, weder te keeren, niet minder bedrukt om het leedwezen dat hij had van in die gelegentheid niet te kunnen uitrechten, als om de groote smert van zijn wonde: na hem wierden gewond, den Graaf van Amboize en den fransen Klotaris; waar van den eenen op de kant van de graft stijf dood viel, door een schoot die hem de maagd tot in ’t ruggebeen doorpriemden; en d’andere, in ’t beklimmen van de muur, kreeg ’er een dwers door beide zijden heen, tusschen ’t borstharnas in: na dezen wierd den vromen Graaf van Vlaanderen in zijn slinxe arm gewond, zoo als hij bij ’t stooten van den stormbok stond; zulkx dat hij gedwongen was die te laten glippen; en het zelfde ongeluk was zoo groot voor hem, dat zoo als hij trachten om de schicht uit te trekken, om eenige verlichting te hebben, het ijzer in ’t vleesch steken bleef. Op deze toeval volgden die van den vromen Arimar, die den strijd van ver aanziende, van een schicht getroffen wierd, die hem recht in ’t voorhoofd vloog; daar na zoo als hij zijn arm uitstak*om hem uit te rukken, komt een anderen hem de hand aan ’t aangezicht vast hechten, zoo dat hij gedwongen was neêr te zijgen, en zijn bloed met groote stralen uit te storten: [p. 412] Palamedes was de zevende die van Klorinde gequest wierd; want zoo als hij met zijn gewone stoutmoedigheid, daar door hij alle gevaren verachten, al stormende op klom, tot dicht bij de kantélingen, schootse hem een pijl in een winkbraauw, die dwers door’t hoofd uitvloog, dat hij ter aarden viel en zijn geest aan de voet van de muur gaf. Maar den manhaftigen Godefrooy, docht van zijnder zijde niet als om den storm te versterken; hier toe liet hij na een van de poorten eenen houten toren voeren, die zoo hoog verheven was, dat zij tot aan de borstzweringen toereikten; en schoonze vol oorlogsvolk was, zoo konmense met rollen voortrollen waar men begeerden. Uit dit gebouw wierd een ontelbaar getal van pijlen, werpschichten en steenen geworpen; hoe wel het voornemen der gener dieze voortstuwden, niet anders was als de muur al langsaam te naderen, om eindelijk handgemeen met elkander te worden; gelijk als men twee oorlogschepen ziet trachten de wind te winnen, om elkanderen aan te klampen: op het welk de belegerde acht nemende, die met werppijlen en schichten, het best dat zij konden te rugge dreven; en om de zolderingen en het verdek te breken, namenze groote steenen te hulp, die z’er van boven neder oprolden, op datse door ’t geweld de benedenste raderen, dieze voortzetten, zouden vermorzelen. Geduurende dit geweld, wierd ’er zoo groote meenigten van steenen en pijlen, ter [p. 413] wederzijde geschoten, dat’er den Hemel van verduisterd was. Gelijk men somtijds twee wolken tegen elkander ziet aanhorten datse weêrom stuiven, onder elkander vermengd, zoo vlogen doen de pijlen en werpschichten, tussen hun beiden te rug stuitende, van daar menze geworpen had: gelijk als de vruchten van een boom, die noch niet rijp zijn, bedwongen worden ter ’aarden te vallen, zoo ’t gebeurd dat een hagelbui op de takken slaat, zoo storten de Heidenen aan alle zijden ter neêr; en alzoo zij niet wel gewapend waren zoo viel de grooste schade aan heur zijde: alreede namen de genen, die noch in’t leven waren gebleven, de vlucht, en verlieten de wallen, bevreesd zijnde voor de gevaarlijke schoten, die uit het hoogste van den Toren, als blixemstralen, op haar neerschoten. Maar om al deze dingen, weck den genen, die zich voor dezen Koning van Niceen gezien heeft, van zijne plaats niet en deed eenige van de kloekhartigste met hem stand houden; den verschrikkelijken Argant stond daar zelf ook met een groote balk verzien, die hij tegen dit gebouw zocht te zetten en het naderen te beletten, zoo lang het hout kan reiken en de kracht van zijn armen uitsteken: de kloekmoedige Klorinde ging voor hem staan, om hem te helpen, en in wat gevaar dat hij ook was, zij was wel te vreden zijn deelgenoot te zijn: terwijl dit zoo toeging behulpen haar de Franssen met langgesteelde sikkels, om de [p. 414] touwen daar de wolzakken aan hingen, aan stukken te snijden; zoo dat, die ter aarde vallende, de muur ontbloot bleef: zulkx dat men nu zonder eenig beletsel, zoo wel met groote horten van den stormbok, als van de zijde des toorns, zoo boven als beneden, kon toestooten. Alreede haddenze een stormgat in de muur gemaakt, daar door men zien kon wat van binnen geschiede; na deze plaats trok Godefrooy, met een goeden beukelaar, die hij behendig gebruikten, bedekt na toe; en alzoo ’er niets was daar bij geen acht opsloeg, om ordre te stellen, zag hij Soliman, zoo als hij zijn oogen over al heen wenden, tot bescherming in het stormgat neêrdalen, en Klorinde die met Argant boven bleef, om het staande te houden, tegen de geen die met ladders trachten op te klimmen: op het uiterste zoo als hij stil stond, voelden hij zijn hart ontvonkt door een kloekmoedige vierigheid, daar na hem tot Seguier, die hem eenen anderen boog en schild na droeg, keerende, sprak hij tot hem; Mijn getrouwe schildknaap, ontlast mij van die zwaren last, op dat ik met minder moeiten, door de verwoesting van dit stormgat mag opklimmen, want het nu tijd is om proeven van onze dapperheid te geven: dit zeggende verwisselde hij van schild; naulijkx had hij zoo gesproken, of hij wierd met een pijl, die hem in ’t zenuwachtigst en ’t pijnelijkst van’t been quam snorren, gewond. Men meend dat het een schoot was [p. 415] van uw hand, o Klorinde, en alzoo mag men die eer wel anders niemand als u toeschrijven, vermits de genen die van uw eigen geloof zijn, haar vergenoegen met u die toe te eigenen: ’t gene evenwel maar een uitstel voor de verwoesting was, die daar na op heur neêrstorten: maar echter liet den moedigen Prins van zijn aanslag niet af, en als of hij geen smerte aan de wonde gevoelden die hij terstond ontfangen had, zoo klom bij kloekhartig in ’t stormgat, en moedigde de anderen aan om hem te volgen: even wel wat tegenweer dat hij ook deed, zoo was hij eindelijk gedwongen voor de vinnigheid van de schoot te buigen, en den storm te verlaten, geen kracht meer hebbende om zich op zijn been staande te houden, zoo verergerd de wonde meer als te voren: hij wenkte dan Guelfus met de hand, en noodigde hem nader te komen; Ik voel pijn, zeid hij tot hem, en tot mijn groot leedwezen moet ik vertrek ken: neemt mijn plaats dan, en vervultse bij gebrek var mijn tegenwoordigheit; maar ik hoop dat God mij die genade doen zal, dat ik niet lang zal vertoeven om weder te komen; dit zeggende klom hij op zijn lijfpaard, en was zoo haast niet vertrokken om in ’t leger weêr te komen, of men bemerkten ’t niet als te veel aan den storm; want het geluk dat tot noch toe de Franssen gunstig was geweest, veranderden terstond van gedaante om haar tot d’ander zijde te keeren, daar de hoop en dapperheid meer als [p. 416] ooit toenamen om haar nieuwe krachten bij te zetten; gelijk als in tegendeel het hart der Christenen verzwakten, en heur vinnig geweld wech smolt: zij vielen nu zoo moedig niet meer aan als flus noch; en het scheen dat het geluid der trommelen en trompetten verflaauden; de genen die zelf noch kort de wal verlaten hadden, en die niet meer dorsten verschijnen, hernamen eenen moed en vertoonden zich bloot op de bolwerken: d’onverwinnelijke Klorinde, door een ware genegentheid tot het welvaren van heur land vervoerd, deed alle de maagden van de Stad wapenen, om haar tegen den vijand te beschermen. Zulkx dat men haar hier en daar met het hangende hair zag loopen, om haar op de wacht langs de bolwerken te begeven, van daar zij schichten wierpen en niet ontzagen haar leven in gevaar te stellen, voor de bescherming van haar waarde muuren, zonder dat men in haar bespeurden het minste teken van die groote vrees, die haar kunne is aangeboren. Onder deze weêrstand, die de Christenen noch meer verschrikte, en de belegerde noch nieer aanmoedigde, wierd den zeeghaftigen Guelfus men een steen, die zijn ongeluk hem van verre, onder zoo veel duizenden van bespringers, toezond, ter aarden geworpen; en den Grave Reimond van diergelijken slag ook getroffen, dat hij terstond daar heen viel: Eustaas wierd op de halve maan ook onder de voet geworpen; zulkx dat onder zoo grooten getal van [p. 417] scheuten, die de vijanden onder de Christenen deden, naulijkx een onnut was, en niet strekten als om te dooden, of ten minsten te quetsen. Argant, in dit toelachend geluk, veel trotser en moedwilliger als te voren geworden zijnde, riep haar toe; Hier. is Antiochien niet, noch de nacht die zoo bequaam en gunstig tot uwe snoodheid was; hier ziet gij de zon schijnen en al de wereld opgewekt, hoewel deze wijze van oorlogen wel verscheiden is van die slag van vechten; wat wild gij zeggen, o manhaftige Franssen, den storm alzoo te verlaten na datgij hem zoo vinnig begonnen hebt? waarlijk gij zijt wel vermoeid geworden in weinig tijds? hoe schiet u de minste vonk om roof en eer te bekomen nu niet meer over? Deze woorden sprak dien onversaagden tot haar, die in zijn moedwilligen aard zoo aangestookt wierd, dat deze groote Stad, die hij voorgenomen had te verdadigen, hem niet machtig scheen voortaan te weêrhouden: hij trad dan recht in ’t stormgat, en hem tot Soliman wendende die hij daar dicht bij zag, sprak hij; Soliman, deze uur en tijd moeten de scheidsmannen van onze dapperheid zijn; wat draald gij noch langer, en wat schrik mag u weêrhouden? zoo gij eer wild verkrijgen, hier buiten moet gijze zoeken. Hier op sprongen deze twee manhaftige Ridders, elk om strijd het stormgat uit, d’een van verwoedheid aangedreven, en d’anderen van eenen zekeren eerprikkel aangestookt, die in hem door Ar- [p. 418] gants woorden gescherpt wierd: zij wierpen haar dan in lijfsgevaar, dwers door ’t gedrang der vijanden, terwijl z’er ’t minst op dachten; en ’t is niet te gelooven hoe groot het getal der gener was die zij om hals brochten: over al waar zij doorstreefden, en waar heur armen neêrdaalden, zag men niet als gekloofde beukelaars, geblutste helmen, doorgehakte ladders, en gebroke oorlogssterkten, daar zij rondom een berg van opstapelden; en in de plaats daar de muur ter neêrgeltort was, hooptenze een nieuw bolwerk van haar verwoesting op: den genen die noch flus zoo stout was, in ’t hoogste van ’t stormgat op te klaveren, om den beloofden prijs, aan de genen die eerst opklom, te winnen, verloren doen den moed; en in plaats dat zij na deze eer zouden haken, of datse eenige begeerten tot den roof zouden betuigen, begavenze, in tegendeel den storm, en lieten heur oorlogsgebouwen, daar zij noch kort de muuren meê hoopten ter neder te werpen, onbequaam en verbroken in de macht van die twee verwoede Krijgshelden. Deze twee vervaarlijke Heidenen, liepen en vlogen van d’een tot d’ander zijde, waar de razernij en wraakgierigheid haar vervoerde: en om meer verwoesting te maken, schreeuwdenze die van de Stad toe om vierwerk, die haar terstond twee barnende toortsen gaven, om daar mede den houten toorn aan te steken; zij vlogen terstond met die zelve vierigheid toe, daar de twee razende ge- [p. 419] zusters meê worden aangestookt, wanneer zij, door ’t gebod van Pluto, uit heur duistere holen, om tweedracht en verwerring in de wereld te strojen, al schuddende heur vervaarlijk slangehair en onstoke fakkels, voortkomen. Maar den onverwinnelijken Tankredo, die zonder ergens voor te vreezen, zijn Italiaanse benden tot den storm noch aanmoedigden, ziende het groot bederf dat deze twee stokebranden veroorzaakten, en hoeze den toren trachten aan te steken, sprak zijn volk niet meer toe, maar viel ter, stond aan om haar vaart te beletten; ook deed hij haar zijn kracht met zoo goede tekenen gevoelen, dat door hem verwonnen en verjaagd wierden, de genen die noch flus over d’anderen zegepraalden.
    Ondertussen dat dit in den storm zoo toeging, en dat het geval van wezen veranderden, vertrok Godefrooy, met zijn broeder Boudewijn, en Seguier in zijn hutte, om hem te doen verbinden, terstond vlogen haar vrienden in een gedrang t’samen toe, bedroefd zijnde om het ongeluk dat haren Veldheer wedervaren was: maar de rampspoed wilde, dat door de haastigheid die den wondheelder had om de pijl uit de wonde te trekken, daar zij was in blijven steken, dat zij bij geval aan stukken brak; waar op den Hartoog hem aandrong, een opening te maken, om zijn genezing te verhaasten, en de pijl gemakkelijker uit te trekken, zonder eenige vrees voor de smert te hebben die hij gevoelen zou. Dit gedaan [p. 420] zijnde, zeide hij, brengt mij dan weder daar ons volk noch vecht, op dat ik wederom ben eer den storm met den dag geëindigd is: dit gezeid hebbende, greep hij een grooτe speer in de vuist, en stak zijn been in de vastigheid uit. Alreede deed Erotimes zijn best om het te verbinden: dezen vromen grijzerd, op de kant van de Pó geboren, waren de krachten der kruiden, wateren, en olien, met de enkle geneesmiddelen, in de heelkonst gebruikelijk, door zijn lange ervarendheid, grondig wel bekend; daarenboven munte hij in de Dichtkonst, hoewel hij die niet veel pleegden, zoo uit, dat hij door zijn geschriften de geheugenis der menschen kon onsterffelijk maken, zoo wel als hij door zijn raad die kon behoeden, en van alle doodelijke toevallen genezen: ondertussen bleef den Hartog onbeweechelijk zonder een woord te spreken, leunende, met een statig gelaat op een groot stuk van een speer: Erotimes hebbende de armen tot den elleboog toe opgestroopt, trachten door alle middelen den pijl uit te trekken nu gebruikte hij hier sap van eenig kruid toe, daar hem de kracht wel van bekend was, dan weder bequame ijzers die hij met een ervaren en luchtige hand handelde; maar, noch zijn kunst, noch zijn lange ervarendheid, quam hem hier in niet te baat, en wat moeiten hij ook aanwende hij kan tot zijn wil niet geraken; zoo dat het scheen, dat het goed geluk, dat hij in al zijn andere genezingen gehad had, hem [p. 421] hier in begaf, en dat hij bij na den moordenaar van dezen rampzaligen Prins was, zoo steld die zijn geduld, de smert en pijnen, die hij hem deed gevoelen, ten doel. Maar terwijl hij vergeefs arbeid, vliegt Godefrooys Beschermengel (door medelijden bewogen, hem zulke pijnen te zien lijden die hij niet verdiend had) na Kandie op den berg Ida, om wilde Poelie, een hairachtig kruid met roode bloemen, dat een groote kracht heeft als het zijn bladeren vernieuwd, te plukken. Dit zelfde kruid, daar de natuur de geiten kennis af gegeven heeft, wanneer zij met pijlen geschoten zijn, dat het ijzer in de wonde is blijven steken; gebruikte den Engel nu tot Godefrooys genezing; hebbende dit van zoo verre, in minder dan een oogenblik, gehaald, mengden hij het met welruikende Pannaci, en heilig water uit de springbron van Lidie, in de stoving. Den ouden heelmeester, ondertussen nergens op denkkende, stoofden en waschten de wonde hier meê, zoo dat, door een verburge kracht, de schicht, zonder eenig geweld, uitviel, het bloed stempten, de pijn verzachten, en het been zijn gewone kracht kreeg; Erotimes zich over zoodanigen genezing verwonderende, riep; O Godt, wat is dit een wonderlijk werk! Brave Prins, het is, noch aan mijn kunst, noch aan mijn wetenschap, noch aan deze hand, hoe afgericht datze ook zijn mag, die gij uwe genezinge schuldig zijt; maar wel aan een hooger kracht: ze- [p. 422] ker ’t is een Engel geweest, die uit den hoogen op der aarden nederdalende, u deze wonderlijke hulpmiddelen heeft toegebracht; wapend u dan en sammeld niet langer, want gij zijt volkomen genezen om tot den storm te keeren: terstond blaakte den moedigen Godefrooy van ongeduld, om den strijd weêr harder als ooit te beginnen, schoot zijn purpre brozen aan, greep een sterke werpschicht in de vuist, nam zijn scheutvrijen beukelaar, en liet zijn helm opgespen; in deze toerusting trad hij uit de bolwerken, gevolgd van duizend kloekmoedige soldaten, met welke hij recht na ’et stormgat trok, en het bokstormen deed vernieuwen: op het geluid dat deze werktuigen maakten, beefde de aarde in ’t ronden, en de lucht wierd met een dikke stofwolk bedekt: de belegerden ziende weêr zoo veel dappere mannen tegen haar aankomen, wierden zoo verschrikt, dat het koude zweet langs heur leden liep, en heur bloed van schrik koud wierd. Ondertussen gaf Godefrooy een grooten schreeuw, die hij tot drie maal toe herhaalde, waar op zijn volk terstond oordeelende dat dit het teken van den storm was, met een groot geweld aanvielen: maar de twee Heidenen, veel verwoeder als ooit te voren, vertoonden zich in de bres; om die tegen ’t geweld van Tankredo, en die van zijn bende te verdadigen: den Veldheer van ’t leger, door het herdenken van zijn wonde, die hij noch kort ontfangen had, getergd zijnde, schoot in ’t [p. 423] aanvallen zijn werpspeer op den hoogmoedigen Argant, met zulk een geweld, dat geen werktuig een schicht met meer kracht zou kunnen uitwerpen; waar hij door snorde, gonsde de lucht van ’t geluid, dat den donder scheen na te volgen: Argant was echter niet verzet, en om de scheut af te keeren trachen hij zijn schild daar voor te houden, dat midden deur spleet, in voegen dat de speer hem door ’t harde borstharnas in het levend vleesch boorden, en het bloed in groote menigte daar uit deed vloejen: Argant die het quetsen van de speer eerder als de smert van zijn wonde gevoelden, rukteze met beide zijn handen uit het lijf, en die hem weêr toe werpende, sprak; Ziet daar zijn uw wapenen, terwijl het de uwe zijn, is het wel redelijk dat ikse u weder geve; ondertussen vloog de speer door de wijde lucht, daar wij de wraak, van de wonde die hij even gemaakt had, wederom ging brengen; evenwel trofse den genen niet dieze den wreeden Argant toegeschikt nad; want den voorzichtigen Godefrody ontweekse, bukkende zijn boofd neder, zoo datse over hem heen vliegende, dwers in den hals van den ellendigen Seguier trof, en deurboorden; die terstond, zonder leedwezen van zijn leven, terwijl hij dat van zijn Meester behoed had, aan de voeten van den grooten Godefrooy neêrviel: Soliman wierp, bij na op die zelve tijd, met groot geweld een steen op den moedigen Ridder Noormandt, dat hij rondom [p. 424] rollende ter aarden storte, en op scheen te stuiten als een kaatsbal; zulk een geweld deed hij al stervende. Godefrooy, niet kunnende verdragen, twee van zijn beste vrienden voor zijn voeten, dood gequetst, te zien neerleggen, sloeg kloekmoedig de hand aan ’t zwaard, en klom ten stormgat in, daar hij zoo groote en wonderlijke wapendaden weêr begon uit te voeren, dat de wonderen, al het gene dat m’er af zou kunnen zeggen, te boven gaan; zeker hij raakte met zulk een vierigheid handgemeen, dat er buiten twijffel een bloedigen strijd zou uit gevolgd hebben, zoo de nacht neêrvallende, d’een en d’ander niet gescheiden had; want in ’t begin van den aanval vertoonden hij zich voor haar, en begon de wereld onder de verschrikkelijke duisternis haar ’er vleugelen te bedekken: alzoo stelden zich hare vreedsame schaduwen tegen zoo veel doodelijke toevallen, en bedwong Godefrooy om zich te vertrekken; en dit was het einde van dezen bloedigen dag: maar eer men weder in ’t leger trok, droeg dezen meêwaardigen Veldheer zorge, om de dooden en gequetsten mee te voeren; ook wilde hij de rest van zijn oorlogsgebouwen niet in de macht der vijanden laten, noch zelf die hoogen toren, die haar zoo zeer verschrikt had, hoewel dat hij van verscheide plaatsen gebroken was, door ’t groot geweld dat ’er de vijanden op gedaan hadden, om hem t’ontnagelen en dan stukken te breken; zoo dat zij beraamden, om [p. 425] te beletten dat hem geen grooter ongeval trof, die in een andere plaats te vervoeren, daar hij van hare aanslagen bevrijd zou zijn. Maar gelijk als een schip, dat bijna de haven is ingeloopen, somtijds op een zandbank geraakt, of tegen de klippen aan splinteren stoot, na dat het lange de zee doorsneden, en het geweld der winden en baren veracht heeft; of gelijk als een paard dat dikmaal bij ’t huis struikeld en ter neêr valt, hebbende veel quade wegen doorloopen zonder een onzekere stap te doen: zoo liep dezen toren nu dit eigen gevaar: want aan de zijde daar zij het meeste met steenen gebeukt was, komen twee van zijne raderen te breken, het welk, op het uiterste zijnde om om te storten, hellende naar zijn verwoesting neder, de arbeiders dwong stil te houden; evenwel onderstut men hem zoo veel als mogelijk is, wachtende tot dat de timmerlieden die weder in zijn stand stellen, die door Godefrooy geboden wierden zonder uitstel aan ’t werk te vallen, alzoo hij die tegen des anderen daags wilde gebruiken; hierom gebood hij dat men goede wachten, op alle toegangen van de Stad na den toren, zetten zou: ondertussen konden die van de Stad, het slaan van de houte hamers en diergelijke werktuig dat de werklieden gebruiken, met een gedeelte van ’t gene zij zeiden, gemakkelijk aanhooren; daarenboven dat zij noch lichtelijk konden zien wat ’er omging, vermits ’er meer als duizend barnende fakkels zijn, terwijle dat zij werkten.
Continue
[
Frontispice canto 12]
[p. 426]

TORQUATO TASSOOS

Verloste

JERUZALEM.

Het twaalfde Gezang.

INHOUD.

Klorinde word, door een van haar vertrouwde, de heele historij van haar geboorte verhaald. Gaat onbekend in ’t Leger, en volvoerd een aanslag, die haar wel gelukt. Zij word uit de Stad gesloten, en van Tankredo ter dood gewond; die haar doopt eer zij den geest geeft. Zijn klachten na dat hij haar bekend heeft; en de betuiging die Argant doet om haar dood te wreken.

Klorinde word verhaald, van haar getrouwe vrind,
    Van wie zij is geteeld, en uit wat schoot geboren.
Gaat onbekend in ’t Heir (want zij de wapens mind)
    En voerd haar aanslag uit op’s vijands houten toren:

[p. 427]
(5) Zij keerd weêrom, maar word gesloten uit de Stad;
    En door Tankredoos hand beroofd van’t lieve leven,
Die droef ’t verlies beklaagd van zoo een waarde schat:
    Doch, voor ’t verscheiden, haar noch heeft den Doop gegeven.
Hier op verstuifd de Ziel, van’s lichaams schors ontbloot.

(10) En Argant zweerd dat bij dier wreken zal baar dood.

HOewel de nacht alreede was aangekomen, en de menschen tot de rust nodigden, zoo lieten de Franssen evenwel niet af, door hare wachten gehulpen zijnde, die rondom, uit zorg van eenigen overval, zorgvuldig waakten, naarstig aan haar oorlogswerktuigen te arbeiden. De Heidenen van hare zijde sliepen ook niet, maar trachten met kracht het stormgat te stoppen, en de verwoestig der muuren te herstellen, die met ondermijnen of met ’et stormtuig beschadigd waren. Eindelijk, na datse de gequetsten verbonden, een gedeelte van den arbeid, die zij tot haar bescherming gebruikten, voleind hadden; steldenze het overige tot op een anderen tijd uit, en wierden door de slaap, die haar onlustig naakten, overwonnen; want het alreede diep in de nacht was. Evenwel kon de kloekmoedige Klorinde geen oogen toedoen, zoo wierdse tot eer aangeprikkeld, en zoo quelde haar de begeer- [p. 428] te om haar roem te doen aanwassen. Zij dan, ziende dat eenige haar vertrokken om wat te rusten, verzocht de anderen om de handen ’ aan ’t werk te slaan en onderhield haar alleen in ’t gezelschap van Argant. Zeker, zeide zij in haar zelven, men kan niet loochenen dat den Koning der Turken, en d’onverwinnelijke Sirkasser, dezen dag zoodanige proeven van hare dapperheid gegeven hebben, datmen nooit van diergelijke dingen heeft hooren spreken. O wonder! dat zij met haar beiden hun in zulken groten gedrang van vijanden hebben durven begeven; en, in spijt van hun allen, hare oorlogswerktuigen in stukken te kappen, terwijl ik hier boven in zekerheid bleef; daar al ’t gene ik doen kon, was, haar van verre een zwakke schicht toe te schieten. Dit is de grootste eer daar ik op stoffen kan. Ik moet bekennen, dat zoo de schichten, die ik met mijne hand geschoten heb, iets hebben uitgerecht, dat is door ’t geval gebeurd, dieze geleid heeft. Maar hoe! is ’t een Vrouw niet geoorloofd iets anders te doen? O hoe dikmaal heb ik beter proeven van mijne dapperheid gegeven, wanneer ik, terzijden de rotsen, en door de dichtste bosschen, de tijgers en leeuwen, met een schicht in de vuist, najaagden! Hebbende altijd dan betoond, dat iets in mij stak, dat al de gene van mijne kunne te boven ging, zal ik mij dan nu vergenoegd houden met iets volbrogt te hebben, dat de minste Vrouw ter wereld, alzoo wel als ik, zou kunnen doen? [p. 429] Als dit zoo is, waarom neem ik dan de toerusting niet, en waarom blijf ik in deze kamer besloten? Dit dacht deze kloekmoedige Heldin in haar zelven, die eindelijk groote dingen besloot, na datse haar in gedachten wel onderhouden had. Daar na haar tot Ar:gant keerende, sprakse tot hem; Brave Ridder, het is nu al langen tijd geleden, dat ik, midden onder de ongenuchten van mijn geest, mij, ik weet niet wat voor groots, verbeelden, dat de gemeene aanslagen te boven gaat. ’t Zij dat het van boven komt, en dat een Godheid dit mijn moed inblaast; of ’t zij dat de sterffelijke haren God van heur vrije wil maken. Ziet gij daar beneden niet een ménigte van ontstoken toortsen, buiten den omring van ’t leger? daar wil ik na toe, en teffens het ijzer en vuur brengen. Ik ben verzekerd dat ik daar dien hoogen toorn, die ons heden zoo moeijelijk heeft gevallen, in assche zal ter neêrleggen. Het ga hoe ’t wil, ik moet trachten dezen aanslag uit te voeren; den Hernel zal het voord na zijn wil schikken. En zoo mijn ongeluk,mij den weg, in’t wederkeeren toesluit, beveel ik u de zorg over een Man, die in ’t stuk van genegendheid, mij in plaats van vader verstrekt. Nevens hem, bełast ik u mijn Maagden, die ik u bid weder in Egipten, met dezen vromen Grijzerd, die niet meêr en mag, te doen leiden. Volbrengt dit dan, indien gij mij wild verplichten. Ik bezweer u in den naam van onzen grooten God, en geloof dat het mijn plicht is om u te [p. 430] bidden, terwijl dat dezen ouderdom, en deze kunne, waarlijk verdienen datmen medelijden met haar heeft. Op deze woorden stond Argant heel verwonderd, en voelden zich van eenen sterken eerprikkel aangestookt. Hoe, antwoorden hij, gij zoud daar alleen gaan, en ik hier onder deze lafhartige blijven? Gij zoud in lijfgevaar zijn, en ik in een verzekerde plaats, van waar ik van verre de vonken en de rook, van dezen toorn, na dat gij hem aangestoken hebt, zou zien opvliegen? Neen geensins; ik zal nimmermeer dat toelaten: maar in tegendeel, hebbende altijd uw medegezel in de wapenen, in verscheide gevaarlijke toevallen, geweest, zoo wil ik nu die ook in uw eer, of in uw dood zijn. Ik heb moeds genoeg, om alle doodelijke aanvallen te verachten; want ik altijd geloofd heb, dat het een voordeelige wissel is, het leven te verliezen, wanneer ’er eer te winnen is. Waarlijk, antwoorden hem Klorinde, gij zegt mij daar een ding, daar gij noch kort, in den uitval die gij deed, brave proeven van toonden: Maar ik, die maar een Vrouw ben, moet de dood niet vreezen, vermits ik wel verzekerd ben, indien ik het leven in dezen aanslag kom te laten, dat het verlies voor deze ongelukkige Stad, niet zeer groot zijn zou; maar met u is ’t alzoo niet gelegen, wiens behouding ons zoo hoognoodig is, dat ’er, zoo het gebeurden dat wij van ’t leven beroofd wierden, ’t geen de Hemel wil voorkomen, niemand meer zou gevonden wor- [p. 431] den die machtig zou zijn, deze muuren tegen ’t geweld der vijanden te verdadigen. Terwijl dat deze onverwinnelijke Krijgsheldin zoo tot hem sprak, zag Argant, van ongeduld vervoerd, haar stijf aan; Gij hebt het goed zeggen, vervolgden hij, al het geen dat gij mij verhaald, is niet machtig genoeg om mij te beletten van u niet te volgen; het besluit is alreede genomen; waar dat gij heen gaat zal ik u op ’t spoor volgen, en u in uwen aanslag voorkomen, zoo gij mij uw gezelschap onwaardig acht; hier op stemdenze over een en gingen tot den Koning, die haar het beste onthaalden als mogelijk was, en plaats gaf in ’t midden van zijn voornaamste Raadsheeren: Klorinde besloten hebbende de heele zaak in weinig woorden voor te stellen, hief aan; Heer Koning, doet ons de eer van aan te hooren, en inv’t goede te nemen ’t geen wij u tegenwoordig hebben te openbaren; Argant, die gij hier ziet, heeft een zaak voorgenomen daar van d’uitkomst, zoo ik mij niet bedriege, niet als tot onzen voordeel kan uitvallen; hij heeft beloofd, het vier in dat hooge stormtuig te steken, het welk het sterkste is dat onze vijanden hebben, om ons te beledigen; dit is zijn aanslag, daar ik voorgenomen heb, hem in te vergezelschappen; maar om het beter te volbrengen, moeten wij wachten tot dat de nacht een weinig hooger aan den Hemel is geklommen, en dat de slaap, de vijanden, door den. arbeid van dezen dag vermoeid, heeft tot rust ge- [p. 432] dwongen. Op deze woorden hief den Koning beide zijn handen ten Hemel en storte tranen van vreugden; Opperste Almogendheid, zeide hij, met veel reden ben ik u schuldig tegenwoordig te loven, terwijl gij uw meêwaardige oogen op uwe dienstknechten slaat, en dat gij zorge draagt mij noch in mijn Koningrijk te behoeden; ook vertrou ik dat de val noch zoo gewis niet zijn zal als men wel zeggen zou, wanneer ik door zulke kloekmoedige gehulpen worde, die voor mijne bescherming strijden, maar wat gaven en wat lof kunnen uwe verdiensten waardig zijn? Gelijk als de faam, alreede de wereld, met een onsterffelijk gerucht van uwe deftigheid vervuld heeft, zoo zullen de wonderen aanwassen, wanneerze over al zal gaan verkondigeni, dat gij zoo grooten aanslag hebt uitgevoerd, daarenboven dat ik u een gedeelte van mijn Koningrijk, tot een vergelding aanbiede, dat hier na u zoo gemeen zal zijn als mij: den Koning hier mede afbrekende, omhelsden den een en anderen; waar op Soliman, door een belgzieke schicht geprikkeld, sprak; Wel zal dit zwaard dan onledig zijn, terwijl gij tot onze gemeene bescherming een strijd gaat? neen zonder twijffel, ik zweer, indien ik u geen gezelschap houde, dat ik u ten minsten van na bij volgen zal. Waarlijk, antwoorde Klorinde, indien wij alle tot dezen aanslag gaan, zoo zalder niemand hier meer overblijven. Waar op den onversaagden Argant zou [p. 433] geantwoord hebben, indien den Koning hem niet was voorgekomen; Brave Ridder, sprak hij tot Soliman, met een gemeenzaam wezen, gij hebt altijd u zelven gelijk geweest, en zoo onverwinnelijk, dat noch de grootste gevaren, u ooit hebben kunnen verschrikken, noch de krijgsoeffeningen vermoejen, zoo kloekhartig zijt gij; ook twijffel ik ’er niet aan, dat gij geen brave proeven van uwe dapperheid geven zoud, indien gij buiten de Stad waart; maar het dunkt mij veel bequamer dat gij hier blijft, terwijl gij van ’t getal der genen zijt dieze het best beschermen kan; en waarlijk ik wilde wel, dat noch Klorinde, noch Argant, niet meer als gij uittrokken, want de hoognoodigheid daar wij haar in van doen hebben, zou wel vereissen dat men haar hier behield, indien den aanslag die zij gemaakt bebben niet van zoo grooten gewichte was, dat zij t’eenemaal noodwendig schijnt; hier bij, dat men om de uitwerking daar van te doen, geen bequamer personen als haar, zou kunnen uitvinden; ook zien ik dat ’er weinig gelegentheid is, om een grooten uitval te doen; ’t is dan genoeg dat zij met haar beide gaan, vermits het niet het eerste gevaar is daar zij haar in begeven hebben; ook stel ik meer verzekerdheid in haar manhaftigheid, als in die van duizend krijgsknechten: al het verzoek dat ik aan u te doen heb, zoo veel als den koninglijken tijtel kan toelaten, daar gij meê vereerd zijt, is; haar met de anderen [p. 434] aan een van de Stads poorten te verwachten, zoo wel om haar in ’t weêrom komen te ontfangen, als om de vijanden te rug te drijven, zoo zij bij geval, na datze haar aanslag volvoerd hebben, kort van achteren vervolgd wierden, of zoo zij zelf in gevaar waren. Soliman kon op deze woorden anders niet antwoorden, dan dat hij voor hem nam te blijven, tot zijn groot leedwezen, ’t welk hij door zijn gezicht genoeg te kennen gaf. Deze dingen aldus besloten zijnde, zie zoo quam lsmenes aan, die tot haar naderende, sprak; Ik rade u dat gij zoo lang wacht, tot het wat laater is, eer gij vertrekt, ondertussen zal ik tijd hebben om u eenige vierballen te bereiden, van een brandende stoffe t’samen gemengd, die het werktuig wel haast zullen aansteken, hier bij zult gij mogelijk, indien gij noch wat langer vertoefd, de wachters die m’er bij gesteld heeft, in slaap vinden. Hier op vertrok zich ijder na zijn herberg, om hem toe te rusten, en de bequaamste uur te verwachten tot uitvoering van zoo grooten aanslag: het eerste dat Klorinde deed, was haar zilverlaken rijrok, die zij gewonelijk over haar wapenen droeg, af te leggen; daar na verwisselde zij heur vergulde helm, daar een tijger boven opstond, voor zwarte verroeste wapenen, een droevig voorteken voor haar; ’t geen zij deed, om alzoo vermomd, veel zekerder door de wachten der vijanden heen te boren. Als doen begon den ontmanden Arfat, die haar van de [p. 435] wieg had opgevoed, zonder dat zijn ouderdom, hoe zwak datse ook was, hem belet had haar te volgen, haar ziende van wapenen verandren, het groote gevaar, daar zij haar in ging begeven, t’overwegen; zoo dat hij met een droevige gedaante haar bad van dezen aanslag af te staan, uit overweginge van de goede diensten, die hij zeide haar gedaan te hebben, en om zijnen hoogen ouderdom, daar de blijken haar zichtbaar genoeg van vertoonden, op de hairen die in haren dienst waren grijs geworden; maar op haar niet winnen kunnende, hoe hard dat hij ook aandrong, zoo vervolgden hij; Terwijl ik u zoo wederspannig tegen mijn reden zie, en dat uwen geest in uw ongeluk zoo hardnekkig blijft, dat noch mijn hooge jaren, noch de goede genegentheid die ik u toedraag, noch mijn ernstige gebeden, noch de tranen die ik stort, niet machtig zijn om uw hert te vermurruwen; zoo wil ik u bekend maken wie gij zijt, een zaak die u tot noch toe onbekend is geweest, en van wat plaats gij gesproten zijt; ten minsten, als ik ’t u eens gezeid heb, zult gij, of mijn raad volgen, of doen wat u gevalt: hij bemerkende dat zij met aandacht luisterde wat hij zeggen wilde, vervolgden; Senap, zeide hij, heerschten eertijds in Egipten, en mogelijk gebied hij ’er noch in voorspoed en vrede; zoo als men door zijn land navolgden het geloof van den Zoon van Marie, dat den Apostel Thomas daar eertijds grondvesten; gebeur- [p. 436] den het bij geval, dat ik een Heiden zijnde, tot slaaf gemaakt, en aan de Koningin geschonken wierd, die zwart was gelijk als al de Etiopianen, om haar met haar andre maagden en ontmanden te dienen; maar hoe zwart dat zij was, zoo waren de trekken van haar aangezicht echter bevallijk en schoon. En hoewel haar man heur wonderlijk beminde, zoo vermengden zich eindelijk, in de brandende vlammen van zijn liefde, de koude ijskegelen van de minnenijt; ’t welk d’oorzaak was, om te voldoen een gedeelte van zijn dwaze drift, die alreede tot in ’t diepste van zijn ziel was doorgedrongen, dat hij de Koningin opsloot in een wijze van gevangenis, daar zij met zoo weinig vrijheid leefden, dat niemand haar mogt bezoeken, als alleen wij, die haar dienden; en ik beel ’t mij in, indien ’t mogelijk geweest waar, dat hij ’t voor de zon verburgen zou hebben: evenwel gebruikteze in dezen gestrengen handel een groote lijdsaamheid, wel vergenoegd zijnde haar te buigen onder ’t gene dat zij oordeelden behaachelijk te zijn, aan haren man der Koning, die zij noch dagelijkx wonderlijke proeven van hare liefde en getrouwigheid betoonden. In de kamer daar de Koningin sliep, waren verscheiden aandachtige geschiedenissen geschilderd, onder de welke een tafreel aanmerkens waardig was, ’t geen een maagd vertoonden wiens aanschijn de witheid der lelien, daar onder zich purpre rozen vermengden, gelijk [p. 437] was; zij was aan een pilaar gebonden; dicht bij haar stond een grooten draak, die van een Ridder, zoo als hij stond om haar in te slokken, met een speer getroffen wierd, dat het ondier ter aarden uitgestrekt viel, wentelende in zijn bloed. Voor dit beeld viel de godvruchtige Vrouw dikmaals ter aarde, daar zij haar gebeden met betraande oogen voor storten. Eenige tijd daar na wierd zij bevrucht, en gelag op ’t einde der negen maanden van een dochter, die de witheid van ’t sneeuw te boven ging: met een woord, gij waart het zelve die zij baarden: maar in ’t eerst u van een verf ziende, zoo ver van de hare verscheiden, was zij zoo verwonderd, datse waanden gij eenig wanschepsel waart; en alzoo haar den aard van uw Vader den Koning wel bewust was, beraamden zij hem niet een woord daar van te zeggen, uit vrees dat deze, boven gewonelijke toeval, zijn getrouwigheid niet zou doen argwanen: zij vertoonden hem dan in uw plaatse, een klein zwartje dat eerst geboren was: daar na, wel verzekerd zijnde dat in dezen toren niet als vrouwen en ik maar alleen verkeerden, steldeze u’onder mijn last, en gaf mij om u op te voeden een menigte van rijke juweelen; ook mogt ik mij beroemen de eenigste persoon ter wereld te zijn, die zij het meest betrouden, om dat ik haar altijd zoo getrouw geweest had: en alzoo ’t de gewoonte van dat land niet was de kinderen zoo haastig te doopen, zoo waart gij het noch niet gedaan, toen ik de last over u [p. 438] aan nam: zij stelden u toen, met de oogen vol tranen, mij ter hand, om in een vergelegen gewest u te gaan opvoeden; maar helaas! wat tong zou machtig zijn om het minste deel van haar ongenuchten, en de tranen die zij storten, toen het tijd was om te vertrekken, te verhalen? Zeker ik geloof niet te liegen, indien ik zeg datse u meer als duizend maal omhelsden, besproejende haar zoete kusjens met een menigten van tranen en zuchten die zij uitstorten: eindelijk haar oogen ten Hemel slaande, riepse; O God, die de diepste geheimen bekend zijn, en tot in ’t verholenste van mijn herte doordringt, gij weet of het zonder vlekke aan die zijde is, en of ik met werken, of met gedachten, de getrouwigheid, die ik mijn beminden Heer schuldig ben, ontreinigd heb; zoo’t zoo is, ik bid u dan dat gij doch medelijden wild hebben met de verdrukking daar ik tegenwoordig in steke; gij weet, ô Opperheer, dat ik andere zonden genoeg begaan heb, die wel straf verdienen, en daar ik u ootmoedig vergiffenis van verzoek; ik beken dat ik tegens u misdaan heb, en maar een ellendige zondaresse ben; en evenwel, o mijn Zaligmaker, durf iku wel bidden, dat gij de straffe van mijn zonden tegen dit onnoozele kind niet wild wenden, maar het in uw bescherming nemen, terwijl dat ik, haar Moeder zijnde, gedwongen ben het de borsten te weigeren; doet het dan de genade van te laten leven, en mij, in ’t gene de eer raakt, gelijk te zijn; op dat [p. 439] het elders een voorbeeld van een gunstiger geluk, als ik heb, mag verkrijgen; en gij, ô hemelschen Held, die eertijds deze maagd verlosten, uit de kaken van een verwoeden draak; zoo ik ooit met een ootmoedig en bekeerd harte uw heilige Altaars met lichten omringd heb, zoo ik ooit met een mildadige hand, tot uwe eer gewierrookt heb, en zoo ik u een menigte rijke offerhanden gedaan heb; bid dan mijn Zaligmaker voor dit rampzalig klein onnoozeltje van alle hulp, als die van zijnen Schepper, verlaten; wat gevaar dat het ook hier naar loopen mag, doet het doch de genade van met uwe Goddelijke hulpe te verzien, terwijl dat het zoo gelukkig is, uwen ootmoedigen dienstmaagd geboren te worden. Meer sprakse niet, omdat de geweldige droefheid die zij in de ziele had, haar t’effens de mond en het hart toe sloten, zoo dat men het bleke beeld van de dood ор haar aangezicht geschilderd zag. Ik trok u toen uit hare armen met de tranen in d’oogen, en leî uw zoetjes in een korfken, dat ik met bladeren bedekten: alzoo, zonder tegen iemand een woord te spreken, om dat men nergens na denken zou, nam ik mijn weg door de dichtste bossen, daar ik naaulijkx ingekomen was, of ik ontmoeten een tijgerin, die met een open keel en gloejende oogen na mij toe quam loopen; al ’t geen ik in deze uiterste nood doen kon; was op een boom te klimmen, en u onder’t kruid te laten, zonder dat de vrees voor’t gevaar, mij tijd gaf [p. 440] te bedenken wat ik dede; zoo was ik van de schrik bevangen: ’t verschrikkelijk beest trad toen recht naar u toe, en begon u met afgrijsselijke oogen aan te zien, maar terstond verzachten het zijn wreedheid en begon u te likken, gelijk alsof het alreede getemd was; ’t was een wonder te zien, hoe het u streelden en hoe gij met haar speelden, uw kleine handen in haar keel stekende: daar op bood zij u den tepel, gelijk als een voedster zou kunnen doen, die gij terstond aanvatte. Ondertusschen zag ik u van boven van den boom, zoo verschrikt, en van benaauwdheid ver vervoerd, aan, dat ik bij na twee of driemaal van boven neder gevallen was. Na dat het u wel gezoogd had, ging het heen, zonder u eenig quaad te doen, en begaf zich weder in ’t bos. Ik klom terstond af, en u opgenomen hebbende, liet niet af van gaan, tot dat ik aan een kleine Burgt geraakten, daar ik zorg droeg om u te doen opvoeden de tijd van vijfthien*maanden lang. Ondertusschen begon de tong los te worden, zonder dat gij evenwel eenig woord onderscheiden kond uitspreken of alleen gaan. Maar ik bejaard zijnde, en buiten alle ongelegendheid, om dat uw Moeder, de Koningin, mij van rijkdommen verzien had, nam toen voor mij de Wereld niet meer te doorreizen, maar veel eer in mijn geboorteplaats te trekken, om als meester over mijn zelve, onder mijn magen en bekenden, te leven. Hier op nam ik den weg naar Egipten, daar ik geboren ben, en lei- [p. 441] den u met mij: Maar zoo als wij bij een beek quamen, die door den regen over gevloeid was, zag ik mij aan d’eene zijde benart van zekere roovers, die mij kort op de hielen vervolgden; en aan d’ander zijde belet om door ’t geweld van ’t water over te komen. Oordeeld wat ik als doen kon uitrechten, en of ik niet wel in grooten nood was; geen macht hebbende om zoo grooten gevaar t’ontkomen, noch geen gelegendheid hebbende om u daar te laten. Evenwel zoo als ik geen tijd had om mij daar op te beraden, wierp ik mij eindelijk, in lijfgevaar, in ’t midden van deze beek, en begon met d’een hand te zwemmen, en met d’andre u te onderstutten. En alzoo de loop van ’t water geweldig deurschoot, en dat ’er verscheide plaatsen waren daar de baren in ’t rond, door draaiwinden, t’samen rolden, makende de gedaante van een gevaarlijken boezem; zoo wierd ik, door vrees van ingezwolgen te worden, bedwongen u te verlaten. Maar het geluk brogt u, door een gunstigen wind, boven op’t drijfsand; en ik zelf wierd ’er, dicht bij, met groote moeite, aangewurpen, zoo vermoeid, dat ik geen adem kon scheppen. Terstond wierd ik door een ongelooffelijke blijdschap vervoerd, u, voor de tweedemaal, uit zoo grooten gevaar ontkomen ziende, en nam u in mijn armen, gaande den heelen dag voord. Ondertusschen, zoo als den nacht aanquam, in de welke alle dingen in een diepe stilte begraven leggen, docht mij al sla- [p. 442] pende te zien, een verschrikkelijkegewapende man, die mij het zwaard op de keel zettende, al dreigende toesprak; Weet gij wat’er is? ik gebiede u, dat gij niet langer vertoeven zult om dit Onnozeltje te doen doopen, ’t welk het voornaamste was dat haar Moeder u gebood, toen zij u de last gaf. Zij is van den Hemel bemind, en ik draag een zonderlinge zorg voor haar behouding: Ook heb ik’er altijd behoed voor ’t gevaar datse ontkomen is; en bewaar haar noch tot op dezen tijd. Want benevens dat ik de wreedheid der tijgerin van haar afgeweerd heb, zoo is zij ook door mijn hulp, om te beletten datse niet wierd ingezwolgen, over ’t water geraakt. Dit zoo zijnde, neemt het voor waarheid aan dat ik u zegge, en niet voor een droom, anders zult gij reden hebben om uw rampspoed te beklagen. Deze woorden tot mij gesproken hebbende, verdween hij daar op, en ik ontwaakten. Daar na begaf ik mij weder op weg, zoo ras als den dageraad aanquam. Maar alzoo mijn geloof mij altijd beter dan van eenige anderen heeft geschenen, hield ik ’t voor een valsch gespook, dat mij al droomende verschenen was, en alzoo heb ik mij met uwen Doop niet bekommerd: zoo dat gij altijd in onze wet zijt opgevoed, zonder dat ik, tok deze tijd toe, u de waarheid van de zaak heb willen zeggen. Zeder zijt gij in krachten en jaren, boven ’t gemeene van de natuur, en op’t uiterste om alle die van uwe kunne t’overtreffen, opgewassen. Ook hebt [p. 443] gij, door uwe groote dapperheid, veel eer verkregen, en veel gedenkwaardige daden uitgerecht. Om u nu te zeggen, hoe zeder die tijd de loop uws levens geweest heeft, dat zou maar moeiten vergeefs zijn, wijl gij het beter kund weten als ik. U is ook niet onbekend, hoe dat ik u altijd gevolgd, en in plaats van vader en dienaar, in alle ontmoetingen en aanslagen die gij volbragt, versterkt heb. Daar schiet alleen nu maar over om u te zeggen; Dat gisteren morgen, ontrent den dageraad, zoo als ik in een diepen slaap lag, die zelfde Krijgsman weder voor mij is verschenen, met een dreigend gelaat, en een aangezicht dat veel ontstelder, als ooit te vooren, was: Ongelukkige als gij zijt, sprak hij tot mij, ziet de uur komt aan, dat Klorinde van hoedanigheid, en van leven, veranderen moet; maar het zal tot uw ongeluk, die met goed recht de straffen van uw boosheid en ongerechtigheid dragen zult strekken. Dit spooksel is daar op verdwenen, na dat het mij dus aangesproken had. ’t Welk ik u heb willen zeggen, op dat g’er uw voordeel mede doen zoud: u staat nu, ô mijn beminde Maagd, te overwegen hoe wonderlijk de toevallen zijn daar den Hemel u mede dreigd. Ik weet niet of hij tegens u vertoornd is, om dat gij het gevoelen van uwe vrienden niet navolgd; en of het niet waar is, dat het geloof, daar zij in leven, beter als het onze is: hoe dat het zij, de bede, die ik u tegenwoordig te doen heb, is, dat gij uw wapens, [p. 444] en deze vierige genegendheid, die u in de gevaren van den oorlog neêrstorten, aflegt. Hier eindigden hij zijn gesprek, door een diepe zucht, die hij uitwierp: enn’t is niet om te gelooven, wat voor een groote schrik Klorinde beving, door deze nieuwigheid, om dat zij noch kort diergelijken droom gedroomd had, daar haar geest nu van ontsteld was. waar eindelijk haar wezen weêr hersteld hebbende, sprakse; Dit ’s nu gedaan, wat ’er ook af komen mag; ik wil mij in het geloof houden, daar uwe voorzorg mij in heeft opgevoed: daar bij heb ik u te zeggen, dat de schijn van ’t gevaar, hoe groot dat het ook mag wezen, nimmermeer machtig zal zijn om mij van mijnen aanslag af te houden, noch de wapenen,*die ik gewoon ben te dragen, neder te leggen: gelijk als dat niet zonder vermindering van een edele moed: kan toegaan, zoo zal mij dat nooit gebeuren, wanneer de Dood zelve, met de verschrikkelijkste gedaante, die hij ooit nam, om de alderstoutmoedigste der mannen te vertsagen, haar voor mijne oogen vertoonden. Hier op moet scheppende, verlietse den ontmanden, en ging naar Argant, om dat de uur genaakte, om haren gemeenen aanslag uit te voeren. Den goddeloozen lsmenes vervoegden zich bij haar, en prikkelde haar noch meerder aan; hoewel heur aangeboren grootmoedigheid geen sporen van nooden hadde, terwijlze niet meer als te veel van haar zelven voordslaan. Den Toovenaar hen beiden elk [p. 445] een vuurbaal, vol pek, zwavel, hars, en diergelijke brandstichtende stoffe, met een einde brandend lemmet, gegeven hebbende, namenze hun afscheid van hem. In deze toerustinge daalde zij in de leegte, en naderden, met wijde stappen, den tooren, zoo stil als het mogelijk was. Maar zo als zij ’er dicht bij waren, ontstaken hare geesten, en ontfonkten heur herten zoodanig, datse d’overige gramschap, die haar tot bloed en vuur noodigde, niet langer konden verborgen houden. Ondertusschen begon een van de wachten te schreeuwen, en haar het woord van de wacht af te vragen: maar zij traden toe, zonder een woord te spreken, zoo dat terstond het krijgsgerucht*door ’t heele leger verspreid wierd; daar zij evenwel niet om verschrikt wierden: in tegendeel verbergden zij haar niet meer voor de vijanden, maar verdubbelden hare treden na den tooren. Even gelijk wanneer den donder van boven uitbarst, of alsmen hier beneden een grofgeschut afschiet, dat de vlam, het gerucht en den slag op dezelve tijd vermenigvuldigen; alzoo scheen heur gang, heur aankomst, en heur geweld op de wachters te wezen: zoo dat, noch tegenweer der vijanden, noch de pijlen, die zij van alle kanten schoten, noch de beletselen die zij, van alle zijden, daar trachten tegen te stellen, niet konden beletten dat haren aanslag eindelijk gelukten. Zij staken het vuur in heure vuurballen, die terstond ontvonkten, en wierpenze te- [p. 446] gen den tooren, daar zij, op een vreemde wijze aan haakten: en ’t, is niet mogelijk om te verhalen de vreemde verwoesting, die, minder als in een oogenblik tijds, deze zwaarlijke ontvonking veroorzaakten. Alreede had het vuur in drie verscheide plaatsen gevat; en alreede verduisterde de dikke damp, die opwaards vloog, het heldere licht der starren. Daar zagmen groote drajende vuurvlammen opflikkeren, die een dikke rook uitwerpende, al rollende onder een vermengd, op de wijze der draaiwinden, in de lucht verstooven. Maar ’t gene dat het argste noch was is dat de kracht van ’t vuur, door ’t geweld van de wind, toenam, die in een lichaam deze verspreide vuurigheid vergaderde, zo dat hier nu niet meer als een vlam, en een ontsteking en was. De Fransen, die toen de oogen verblind waren, hadden haar toen goed tot tegenweer te stellen, en tot de wapenen te loopen: maar hoe groot dat haar tegenstand was, evenwel kon het niet beletten, dat dat hooge stormgevaart, ’t gene den vijand noch kort zoo verschrikten, in assche ter aarden storten; in voegen dat zoo een werkstuk, daar zoo veel menschen zoo langen tijd aan gearbeid hadden, in een oogenblik verbrijzeld en vernietigd wierd. Op dit gerucht waren alreede twee troepen Christenen gekomen om eenige orden te stellen, wanneer den razenden Argant, die van verre ziende, dus toeriep; schelmen als gij zijt, doet de moeite niet om tot dit vuur te loopen, indien [p. 447] gij niet wild hebben dat ik ’t met uw bloed uitblusch: dit zeggende vervoegde hij zich bij Klorinde, en begon hun het hoofd te bieden: ondertussen aarzelden zij al vechtende met kleine schreden na den heuvel; maar de vijanden, daar ’t gedrang op hun van vermeerderde, gelijk een groote stortregen een beek doet opzwellen, volgden haar zoo na, dat zij hun van de zijde des bergs tot aan de vergulde poort toe, te rug dreven, die den Koning had open doen houden om haar t’ontfangen, en daar hij met Soliman en een troep brave soldaten zelf in persoon was. Argant en Klorinde waren naaulijkx hier noch gekomen, of zij wierden omringd van een groot getal vijanden, die haar van alle zijden vervolgden, daar Soliman, zoo goeden ordre op stelden, dat hijze terstond te rugge dreef; dit gedaan zijnde kreeg Argant en hij de poort, die terstond achter hun toegesloten wierd. ondertussen bleef ’er de rampzalige Klorinde, die met Arimond, die haar gewond had, bezich was, buiten: daar zij niet lang meê toefden, door gramschap en ongeduld vervoerd, om haar te wreken ’t welk de oorzaak en een gedeelte van haar ongeluk was, en dat Argant ook niet weten kon of zij daar alleen gebleven was, om dat de vierigheid van der strijd, het dicht gedrang, en de duisterheid van de nacht, hem van de kennis beroofd hadden. Na dat zij haar gramschap in het bloed van haren vijand verkoeld had, en haar buiten hoop ziende van in de Stad, [p. 448] te geraken, aan alle zijden van vijanden omringd, achteze haar verloren te zijn: niet te min bemerkende dat haar niemand wierd kennende, veinzde zij haar van hun volk te zijn, en dacht door deze nieuwe middel haar leven te behouden. Hierom vermengden zij haar onder de onbekenste, die zij geloofden haar niet te kennen; hier in den wolf na volgende, die na dat hij zijn slag waargenomen heeft, zich zelf heimelijk in ’t bosch in een lage leid; zoo trachten zij, onder de gunst van de duisternis en het oproer, al langsaam de Stad te winnen: maar Tankredo, die haar altijd met het oog vervolgde, seder dat zij Arimond om ’t leven gebrogt had, nam die zelve omwegen voor zich, wanende dat het een Ridder van het getal der vijanden was, om hem met haar te beproeven: en alzoo zij langs een heuvel, die recht over de poort lag, daar zij meenden in te geraken, heen snapten, liet hij niet af haar met groote snelheid te vervolgen; door deze middel eer hij haar kon aandoen, gebeurden ’t dat d’ongelukkige Princes op het gerucht van zijne wapenen, haar omkeerden; Wie zijt gij, sprakse tot den Ridder, die zoo veel moeiten doet om mij na te volgen. Ik ben een man, antwoorde Tankredo, die u den oorlog en de dood toebrengt. Ik neem den oorlog aan, antwoordeze hem, maar aangaande de dood, die zal aan uw zijde blijven; terwijl gij het zoekt, zult gij ’teen: en ’tander hebben. Tankredo haar te voet ziende, [p. 449] steeg van’t paard, en viel met het zwaard in de vuist op haar aan: ziet hier deze twee kloekmoedige kampvechters, die een hoogmoedigen aard en een overdadige gramschap tegen elkanderen aanvoerden, gelijk twee stieren, door gramschap en nijd verhit: maar alzoo zulk een gedenkwaardig lijfgevecht als dit, wel verdienden, dat het de Zon verlichte, en in ’tgezicht van al de wereld gedaan wierd, laat mij dan toe, o nacht, die in een duistere vergetelheid deze geschiedenis begraven houd, dat ikse mag aan den lichten dag brengen, op dat de geheugenis tot aan de toekomende eeuwen reike; en dat uwe duisternis zelf midden door hare heerlijkheid heen strale. In dezen strijd, daar de handigheid geen plaats greep, trachten niet een van beiden de slagen af te keeren, noch te schuwen, noch veel minder achterwaarts te wijken; zulkx dat men haar ziende, gezeid zou hebben, dat het twee hoefsmeden waren die met zware hamers op elkanderen toesloegen; zij trachten geen loosheid, noch maten te gebruiken, noch op verscheide voordeelen te letten: de duisterheid van de nacht, en de verwoedheid die haar beheerschte, belette hun, haar te behelpen met slagen, die de kunst en ervarendheid haar mogt geleerd hebben: heur zwaarden ontmoeten schrikkelijk elkanderen, nu in ’t midden van ’t lemmet en somtijds weder tot het handvat, zonder dat zij ooit een voet verzetten; maar in tegendeel hieldenze [p. 450] stand, en schermden met al heur kracht; zoo dat hare armen altijd bezig waren, en nooit een slag van voren of ter zijden, vergeefs sloegen: de schaamte hitste de gramschap op de wraak, en d’een vernieuwde door d’ander, zonder dat haar iets ontbrak om haar aantreffen te verdubbelen; hoe dat zij meer sloegen, hoe dat haar gevecht meer verbitterde: alreede gebruiktenze hun zwaarden niet meer, maar sloegen met de appels toe, zoo verwoed warenze in dit lijfgevecht, en begonnen elkanderen zoo na te komen, dat heur zwaarden en heur schilden tegens elkanderen aan rammelden. Tankredo raakte tot driewerf met Klorinde aan’t worstelen, en zoo dikmaals wrongse haar uit d’onverwinelijke armen van den Ridder, die haar toen handelden als eenen vijand en niet als Minnares; zij begonnen weêr harder als ooit te voren, en vermoeiden haar zoo dapper, dat zij bedwongen wierden te aarzelen om wat adem te scheppen; zij leunden beide op het gevest van hare zwaarden, van bloed en kracht uitgeput, en zagen elkanderen met een verwoed gezicht aan; maar alzoo de stralen van de leste star, diemen aan den Hemel zag, alreede begon te verdooven, en op het eerste licht van den dag, dat in ’t oosten herboren wierd, uit te gaan, zag Tankredo, dat ’er meer bloed aan de zijde van zijnen vijand, als aan de zijne, was uitgestort; waarover hij zich alreede in zijn ziel verheugden, en veel hoogmoediger wierd: maar [p. 451] ê hoe dwaas en zot zijn onze gedachten, datse haar met de minste wind van ’t geluk laten vervoeren! Rampzalige Tankredo, waar verblijd gij u in? O hoe haast zal uw zegepraal droevig en doodelijk voor u zijn! Hoe onaangenaam zal u deze overwinning wezen! en hoe ongelukkig zult gij dit toeval achten; daar gij tegenwoordig zoo op stoft! Zeker zoo gij in ’t leven blijft, zoo zullen uwe oogen voor ijder druppel bloeds, die gij Klorinde deed uitstorten, een gestadige beek van tranen uitgieten. Nadat de twee Lijfvechters haar een weinig gerust hadden, zonder een woord te spreken, brak Tankredo de stilten af, om bewust te worden met wie hij te doen had; Wij zijn wel ongelukkig, sprak hij, dat wij in een plaats zoo kloekmoedig strijden, daar ’t niemand ziet, die van onze slagen kan oordeelen: zie daarom, terwijl dat ons ongeluk, ons de getuigenis van onze dapperheid, die meer waardig is, verloochent, wie gij ook zijt, met welke ik nu strijde, zoo geduurende zulk een bloedig, lijfgevecht; de gebeden eenige plaats hebben; verplicht mij, ik bid u, te zeggen wie gij zijt, en hoe uwen naam is, op dat ik, d’eer hebbende van t’overwinnen, of het ongeluk van overwonnen te worden, weten mag wie ik mijn overwinning, of mijn dood mag verheerlijken. Op deze woorden zag hem Klorinde met een veracht gezicht aan: ’t Is te vergeefs, antwoorde zij hem, dat gij mij vraagd ’t geen ik nooit gewoon ben aan iemand te [p. 452] zeggen; laat het u genoeg zijn, dat gij hier voor u ziet, een van de genen die het vier in dat groote gevaart, dat gij Christenen zoo hoog hebt opgetogen, heeft gestoken. Tankredo, hier op door een brandende gramschap onsteken, antwoorden haar; Neemt wel acht op ’t gene gij mij daar gezegt hebt, en weest verzekerd dat het u niet minder als het leven kosten zal, uw onbeleefdheid in mij uwen naam te verzwijgen, en uw uitsporigheid in mij openbaren, een zaak die gij tot uwen besten behoorde te verzwijgen, noodigen mij t’effens om wraak van d’een en d’ander te nemen: dit zeggende onstak de spijt en verwoedheid weder op nieuw in hunne dapperheid, en vervoerden haar tot een lijfgevecht, veel wreeder en verschrikkelijker als het ooit te voren geweest had: want op die maal gebruiktenze wanhopend geweld, en daar was, noch geen kracht, noch geen loosheid meer in haar wijze van strijden. O hoe groot en bloedig waren de openingen die zij elkanderen met hare zwaarden maakten, ’t zij dat zij de wapenen of het levend vleesch raakten! en zoo het leven daar zoo ras niet uitslipte als het wel behoorden, een groote moedigheid en gramschap, die het aan hunne lichaam gevoegd hield, was er den oorzaak af. Gelijk als de baren diep in zee haar vertoonen, wiens geweld niet verminderd, hoewel de winden, die haar ontstellen, heur stormen gestild hebben: Alzoo verschenen nu deze twee strijders. Want hoewel dat die [p. 453] zelfde gewoone kracht, die noch kort hare armen beweegden, geheel verzwakt was, zoo blevenze evenwel in de palen van haar eerste verwoedheid, gevende elkanderen wonde, op wonde, en smert, op smert. Maar ziet, nu quam de ontvluchtbare en doodelijke uur voor de rampzalige Klorinde: want Tankredo, hem verhaastende zoo veel hij kon, uit spijt dat het gevecht zoo lang duurden, en dat hij zich dus gewond zag, gaf haar een grooten slag met het zwaard (helaas schadelijken slag!) die in haar schoonen hals neêrzonk, en een beek van warm bloed uit de wonde deed vloejen, dat haar geborduurde hemdrok, die zij gemeenelijk droeg, om haar boezem, veel witter als albast, te bedekken, geheel besmet was. Toen begon haar al het leven, dat haar noch overgeschoten was, te begeven, en haar struikelende voeten konden haar naauwlijkx ondersteunen. Tankredo dit bemerkende, vervolgden d’overwinning, en drukten deze stervende Princes noch meerder. Maar eer zij de Ziel gaf, sprakse in ’t vallen deze leste woorden, die eenen geest, ontfonkt met geloof, en hoop, en liefde haar deed uitzuchten; of veel eer een zekere kracht die God haar van boven inblies, op dat zij hem, geduurende haar leven, wederspannig geweest zijnde, haar, al zieltoogende, bekeerden, om hem de plicht van een ootmoedige, dienaresse te betoonen: Mijn vriend, gij hebt d’overwinning verkregen, en ik ben wel te vreden u [p. 454] mijn dood te vergeven: ’t geen ik zeg, is niet om dat gij dit ellendig lichaam, dat ik niet meer vreeze, zoud behoeden: maar eer om u te verplichten dat gij medelijden inet mijn Ziel zoud hebbert. Bid dan allleen voor haar, en geeft mij den heiligen Doop, op dat in dat heilzaan water alle mijne misdaden gereinigd werden. Deze woorden van Klorinde, troffen terstond het hert van dien goeden Ridder, met, ik weet niet wat voor schichten van zoetheid en medelijden, in plaats van de haat en gramschap, die hij onlangs tegen haar had ingenomen, persten hem de staat, van haar beklaagelijk ongeluk, tegenwoordig de tranen uit de oogen, zonder dat hij evenwel noch de reden wist. En alzoo van ’t hoogste van den berg, die niet ver daar van daan was, zoetjes tot beneden een klein beekjen vloeiden, liep hij derwaards, en vulden zijn helm niet water: dit gedaan zijnde, trad hij na haar toe, met een bedrukt wezen, van meining zijnde haar deze meêwaardige dienst te doen, daar haar gebeden hem toe verplichten. Zoo als hij haar genaakte, wierd hij meer als ooit bewogen, en noch veel meerder,*wanneer hij haar helm ontgespende, dat schoone aangezicht ging ontdekken, ’t gene, tot noch toe, hem onbekend was geweest. Want dat droevige voorbeeld maakten hem, voor een tijd, onbeweeglijk en stom. Rampzalige Tankredo, ô hoe dier staat u dit gezicht en kennisse! ’t is wonder dat hij van droefheid, die hij gevoeld, ’niet [p. 455] dadelijk en sterft. ’t Is wel waar dat het gene hem belet, is, dat in dezen uitersten nood, al zijn geesten haar t’samen voegden, en in zijn hert te rug keerden. Na dat hij zijn hevige droefheid wat gematigd had, leide hij zijn hand op Kloride, en haar doopende, trachte hij met water haar het leven te doen wederkomen, ’t gene hij met het staal, tot zijn groot leed wezen haar beroofd had. Maar zoovals hij de woorden van deze heilige verburgendheid uitsprak, veranderdeze t’eenemaal van gedaante, en een weinig te vooren eer zij de geest gaf, scheen het dat zij vol vergenoeging en vreugde, deze zelve woorden sprak; Ik zie den Hemel haar openen om mij t’ontfangen, en myn Ziel gaat daar tegenwoordig heen in vrede: en daar op scheideze van haar lichaam. Maar op haar aangezicht zagmen, ik weet niet wat voor aangename verf; gelijk als degene der lelijen diemen met violetten gemengd heeft, wezen mag. Hare oogen konden stijfopwards geslagen, zoo dat het scheen dat den Hemel en de Zon zich na haar toewenden, door medelijden bewogen. Daar na, zoo als zij de spraak verlooren had, en om dit ongeluk goed te maken, reikteze den Ridder hare koude handen toe, tot een pand van vereeninge en vrede: Zie daar hoe dat deze schoone Princes, uit deze aardsche woonplaatse, naar den Hemel stapten, op de wijze van een die door een zoeten en vreedsamen slaap bevangen word. Zoo ras als Tankredo zag, dat dat [p. 456] schoone lichaam van de Ziel, die noch schoonder is, gescheiden was, verzwakten die weinige kracht, die noch kort in hem vergaderd was, voord geheel: ’t welk veroorzaakte dat hij, nu niet meer macht op zijn droefheid hebbende, noodsakelijk daar voor zwichten moest. Want zij ging met zulken hevigheid de palen van de reden te buiten, boven dien dat zijn hart zoo toegesloten was, dat zijn aangezicht, en zijn gevoelen, het beeld van de Dood zelve waren. O wonder, daar was pols noch beweging, en evenwel was hij noch niet van ’t leven beroofd, hoe wel dat ’er niemand zijn zou, die, ziende zijn onbewegelijkheid, zijn sluimerig wezen, en zijn verveloos aangezicht, hem niet eerst voor een dood mensch zou aangezien hebben. En mogelijk, het leven veracht hebbende, zou hij de gevangenis, die het weêrhield, geweld gedaan, en deze schoone Ziel, van haar sterffelijke schors ontbloot, gevolgd hebben, zoo daar bij geval geen troep Franssen gekomen waren: ’t zij dat de begeerte tot water haar in deze plaats geleid had, of dat zij daar om eenige andere redenen gekomen waren: zoo veel is ’er af, zij voerden de Princes en den Ridder, die alreede in haar gesturven was, of die het ten minsten geleek te wezen, hoewel hij in der daad noch leefden, met hen. Want haren Hopman had den Prins zoo haast aan zijne wapenen niet bekend, of hij liep toe om hem met aandacht te bezichtigen, en zijn verwondering wierd [p. 457] verdubbeld, toen hij, dicht bij hem, dat wonder van kloekmoedigheid en schoonheid zag neêrleggen. Zulkx dat hij zoo schoon en aangenamen lichaam, hoewel hij ’t oordeelden van eenigen Heiden te zijn, niet in de genade der wilde beesten wou laten leggen, en hun beiden in de hutte van Tankredo liet brengen, die naulijkx noch gewaar wierd dat men hem vervoerden, zoo had hem het gevoelen buiten zich zelve vervoerd, en noch veel meerder de droefheid die hij in zijn ziel had. Door zijn zwakke klachten die hij deed, en door zijn verzuchten gaf hij te kennen, dat hij den geest noch niet gegeven had; maar aan den anderen kon men wel zien dat ’er geen leven meerder in was, zoo wel door zijn stilte, als ter oorzaak dat hij onbeweechelijk en koud als ijs was. Na dat men haar t’samen gelegt had, beraamdemen daar na weder hen te scheiden. Het eerste dat de schildknapen deden, was haren waarden Heer in het bedde te leggen, en hem met alle goede diensten behulpzaam te zijn. Maar hoewel dat hij weder tot zijn gevoelen gekomen was, zoo dat hij niet alleen den helderen dag zien kon, maar ook het gesprek aanhooren der gener die hem behulpsaam waren, en gevoelen de hulpmiddelen diemen hem bereide: evenwel zoo was ’t niet mogelijk zich iets van zijn leven te verzekeren. Even gelijk een mensche die uit de wolken komt neêrstorten, zoo liet hij niet af den een en d’ander aan te zien, tot dat hij eindelijk de plaats [p. 458] bekende waar hij was. Rampzalige zeide hij, met een zwakke ende bevende stem, ben ik noch in ’t leven? of is het wel mogelijk dat ik adem scheppe, en dat ik aanschouw het hatelijk licht van dezen dag; die ik voor heel ongelukkig moet houden? Helaas, is zij de gene niet, die mij altijd zoo snooden daad zal verwijten? Schandelijke en ongetrouwe hand, men mag wel zeggen, dat gij weinig moed hebt om uw Meester te doen sterven, terwijl gij zoo veel middelen weet om anderen van ’t leven te berooven?*Vrees dan niet, ô gij moorderes, als gij zijt, een gebruikt uw wreed zwaard om het hert van deze ellendige toe deurboren. Maar mogelijk, hebbende altijd te vooren u gewend tot wreede daden, zullen mijn gebeden niet machtig zijn om u tot medelijden te bewegen, en dat gij mij van ’t leven niet zult willen berooven, uit vrees dat gij, door deze middel, mijn quaal niet zoud ten einde brengen. Zoo dat zoo is, verzekerd u, dat ik dan waarlijk, als een hatelijk wanschepsel, voor de gene, die mij zien zullen, voortaan leven zal. Ik zal leven, helaas! om tot een gedenkwaardig voorbeeld, aan de toekomende eeuwen, te verstrekken, ende vertoonen de persoon van den ongelukkigsten Minnaar die ’er ooit was. Ik zal leven, hoewel ik het niet verdien; zoo ik niet veroordeeld ben; om hier beneden onder de eeuwige straffen te verzuchten. Ik zal leven als een balling en razend mensch; terwijl dat [p. 459] mijn pijnen zullen verdubbelen, door de verburge knakingen van mijne misdaden, die mijn rechters en beulen zullen zijn. Ik zal niet meer als woeste en eenzame plaatsen bewandelen, op datse zonder einde mijn misdaad voor mijne oogen vertoonen. Ik zal altijd voor het licht van de Zon schrikken, om dat zij de gene is, die eerst mijn rampspoed ontdekt heeft. Waar dat ik ook gaan zal, zal ik ’er voor mijn oogen zien: en hoe ik haar meer zal ontvluchten, hoeze mij meer, zal vervolgen. Maar helaas, wat zijn de waardige overblijfsels van dat lichaam, ’t gene niet minder schoon, als kuisch was, nu toch wedervaren? ’t gene mijn verwoedheid ongeschonden heeft gelaten zal dat niet ten prooy, voor de wilde beesten verstrekken? O al t’uitnemenden*prooy, te waardige roof; en al t’ongelukkigen lichaam! Och! is ’t noch niet genoeg dat ik tegens u, in de verschrikkelijke eenzaamheid van ’t bosch, zoo overgrooten tijrannij gebruikt heb, zonder dat het noodig is dat zelf de beesten haar hongerige wreedheid daar mede verzadigen? Evenwel, ’t mag gaan hoe ’t wil, ik moet zien waar gij zijt, ô waardige overblijfsels, en u met mij mede nemen: of gij moest niet in de wereld zijn, of ik zal u wel vinden. En zoo door ongeluk die schoone leden tot een aas voor de grouwzaamste beesten verstrekken, zoo moeten zij mij mede inslokken, en haar buik moet mijn graf zijn. Want het grootste*geluk, dat ik te verwachten heb, is: haar [p. 460] te verghezelschappen, waar dat zij ook begraven is.
    Dezen rampzaligen Prins, sprak dees bedroefde woorden, wanneer hij op ’t onverzienste heel verwonderd wierd te hooren dat hij bij hem het lichaam had ’t geen hij zoo beklaagden en ter herten trok: op ’t verhaal dat m’er hem af deed, begon zijn aangezicht, te voren met duisternis bedekt, terstond op te helderen, gelijk een wolk daar een straal door schiet; terstond trachte hij zijn zwakke leden, bezwaard zijnde door ’t bloed dat hij verloren, en de wonden die hij ontfangen had, uit het bed op te lichten; maar hoewel hij in ’t begin met de meeste moeiten ter wereld; het eene been voor ’t andere verzetten, zoo genaakten hij evenwel noch, met de hulp der schildknapen die hem ondersteunden, eindelijk bij dat welbeminde lichaam: het eerste voorwerp dat zich voor zijn oogen vertoonden, was d’ongelukkige wonde, die zijn hand, in die alderschoonste hals die ’er ooit geweest heeft, gegeven had: hij zag het aangezicht van zijn beminde heel ontverfd, ’t geen evenwel helder was; hier in den Hemel gelijk zijnde, die geduurende de duisternisse van de nacht somtijds heel klaar schijnt, zonder dat men de minste wolk bemerken kan. Eerst onstelde hem dit droevig schouwspel zoodanig, dat hij van vreeze siddderden; en mogelijk zou hij neêrgezegen hebben indienze hem niet hadden ondersteund: O aanminnig [p. 461] aangezicht, zeide hij, die de dood wel kund, maar niet mijn ongeluk, verzachten; ô schoone hand, die noch flus mij tot een pand van vrede wierd gegeven, hoe ellendig is de staat daar ik u nu in vinde! en gij aangename proefstukken der natuur, schoone ledematen, die het alderuitstekenste in de wereld te boven gaat, heb ik op u niet mijn beestige razernij gepleegd? en zie ik zelf aan u noch niet de droevige tekenen van mijn wreedheid? Meêwaardige oogen, is uw tirannij zoo wel niet te lasteren als die van deze hand? zij is ’t, die wreede als zij is, zij is’t zelve, die de wonde veroorzaakt heeft, die gij zoo onbeschaamt zonder tranen te storten aanziet: wel aan dan, dat mijn bloed, bij gebrek van tranen, dan voldoet, en dat de eene niet doen kan dat de anderen dat voldoet: dit zeggende gaf hij hem aan de wanhoop, en aan de woedende begeerte die hij tot sterven had, over; en rukten de doeken en de hulpmiddelen, die men op zijne wonden geleid had, daar af; die daar zoo door verargerden, dat ’er terstond een beek van bloed uitvloeiden.En waarlijk, ’t was te gelooven dat hij, in deze ellendige staat, zich zelf van ’t leven zou beroofd hebben, zoo zijn geweldige pijn hem van de kracht, om dat te volvoeren, niet beroofd had. Alsdoen buiten zich zelven nederzijgende, droeg men hem op een bedde, om dat hij middel zou hebben om zijn adem wat te herscheppen, en de Ziel weder te doen keeren, die door d’on- [p. 462] genuchten was wechgevloden, en niet meer haten als in het lichaam de plichten van het leven te betrachten. Ondertusschen de Faam, die gewoon is te verhalen al ’t gene haar bewust is, ging deze geschiedenis midden door ’t Leger verbreiden; daar den Veldheer zoo ras niet af bericht was; of hij nam een goed gedeelte van zijne vrienden met zich, met de welke hij Tankredo ging vertroosten. Maar ’t was vergeefs dat zij hulpmiddelen, voor zijn quaal, zochten te geven; om dat heur vertooningen noch heur gebeden, niet machtig waren om zijn smart te matigen; noch, zoo weinig als ’t was, de ongenuchten van zijn Ziel te verzachten: En waarlijk, hij had zoo weeken hart, gelijk als de voornaamste deelen van ’t lichaam, die men niet aanraken mag, indien eenige toeval hun wedervaren is, zonder de smerten te verdubbelen: alzoo verergeren de wonden van de ziel veel meerder, wanneer men door vertroostinge die zoekt te verzachten. Maar den godvruchtigen Kluizenaar Peter, die dit ongeluk niet minder als d’andere trof, trachte hem het best dat mogelijk was, weder op zijn dreef te brengen, en betuigden de zelve zorg të hebben, die een harder heeft, wanneer eenige van zijn schapen ziek zijn; hierom bestraften hij hem met hoogdravende en statige woorden, dat hij zoo lang op ijdele en verbijgaande dingen zijn hart stelden: Tankredo, Tankredo, sprak hij tot hem, ô hoe verkeerder schijnt [p. 463] gij nu te wezen als gij gewonelijk pleegt te*zijn! waar zijn dan die schoone beginselen die wij in u bespeurd hebben? wie heeft u zoo buiten uw zinnen vervoerd? wat duistere wolk, komende voor uw oogen hangen, heeft die zoo vast gesloten dat gij nu niet meer zien kond? Oordeeld gij niet dat uw ongeluk een slag van den Hemel is? Hoord gij niet dat een goeden Engel, van den Hemel gezonden, niet aflaat u na te roepen; en ’t gene hij doet, strekt alleen om u op den waren weg weêr te leiden, daar uw hertstogt u afgetrokken heeft? hij wijstse, en toondse u met den vinger. Waarom volgd gij hem niet, terwijl hij u tot de plicht van een waar Christelijk Ridder, die gij zonder reden verlaten hebt, om een jonge, dwaze, weêrspannige tegen God, en zijn geloove, na te loopen, roept? gelukkige tegenspoed zonder twijffel, zoo gijze wel kennen kond, en uw voordeel daar mede doen. O zachtmoedige verontwaarding des Hemels, daar gij den genen, die u in de wereld heeft gebragt, behoord dankbaar voor te zijn, terwijl hij zoo zoeten geesseling gebruikt, om de zonden, die gij tegens hem begaan hebt, te straffen! Hoe, hij maakt u zelf het werktuig, en den trooster van uwe zaligheid; en evenwel durfd gij hem zoo wederspannig zijn? Ondankbare, als gij zijt; weigerd gij de gave die u van den Hemel komt t’erkennen? zijt gij zoo stout om u daar tegen te stellen? Ellendige, word gij niet rood, zoo met lossen toom uw ongeregelde [p. 464] lusten na te loopen? Ziet, gij zijt op de kant van een diepe poel, daar gij nooit weder uit zult geraken, indieng’er eens instort, en ondertusschen ziet gij niet het gevaar dat u dreigd. Neemd ’er acht op, ik bidde u, en treed zoo in uw gemoed, dat gij deze hevige droefheid op houd, die u een tweede dood, veel gevaarlijker als de eerste, zou aandoen. Hier op zweeg den Kluizenaar stil, en won dit op den Ridder, dat de schrik van een van de twee dooden, daar hij hem mede dreigden, in hem de vierige begeerten tot d’andere matigden. Evenwel, hoe veel plaats dat hij in zijn Ziel aan die Christelijke vertroostingen gaf, die een gedeelte van de droefheid, die hem quelden, verzachten; echter was het al niet machtig om te beletten, dat hij op ijder woord niet verzuchte en schreiden. Hier bij trachten hij zich met beklaagredenen te vertroosten, die hij nu met zich zelven t’onderhouden, en dan tot die welgelukkige Ziel, die mogelijk hem van boven wel hoorden, deed. ’t Zij dat de Zon onzen Horizon verliet, of dat hij weder quam; de lieve naam van Klorinde was het woord dat hij gemeinelijk herhaalden: hij riep die zonder ophouden, met een zwakke en quijnende stem, die hij met tranen en zuchten vergezelschapten. Zoo vliegd de Nachtegaal, die, den onmedogenden boer, haar kleine jongen, die noch naauwelijkx eenige zachte pluimen hebben, uit het nest gelicht heeft, over de bergen om haar te klagen, en*[p. 465] het geheele bos doet wedergalmen van haar erbarmelijk gezang. Eindelijk, op ’t aanbreken van den dageraad, begon Tankredo zijn vochtige oogen te sluiten, daar de slaap zoetjes inviel, en door de tranen heen vloeiden: maar na dat hij een weinig geslapen had, zie zoo vertoonde zich zijn waarde Minnares voor hem in den droom, veel schoonder en aangenamer als zij hier beneden plag te wezen: ’t geen was om dat de hemelsche stralen, die haar omringden, de glans van haar goddelijke schoonheid verdubbelden; evenwel kende hij haar. In de gedaante, daar hij haar geloofden te zien, beelde hij zich in, datse een neusdoek in de hand had, daar zij hem de tranen meê uit d’oogen droogende; dus toesprak; O mijn waarde en getrouwe Minnaar, ziet eens hoe schoon dat ik ben; en zoo u noch eenige geheugenis van mij overig is, laat dan de vreugde, daar ik tegenwoordig in ben opgetrokken, u genoeg zijn om uwe droefheid te doen vergeten. Aan u is mijn Ziel de gelukzaligheid schuldig, die zij nu bezit. Gij rukte mij onlangs uit de wereld, en ’t zou ongetwijffeld niet geschied zijn, indien gij mij gekend had: evenwel bedank ik u daar voor, want door uw middel smaak ik nu het vergenoegen, ’t gene God voor de heilige en uitverkoorenen bewaard. De weldaden, die ik hier ontfang, zijn eeuwig; en ik hoop dat g’er t’eeniger tijd deelgenoot in zult zijn, want daar word een plaats in deze hemelsche woonstede voor u be- [p. 466] reid, daar gij, zonder eind, mijn schoonheden, die niet meer vergankelijk zijn, zult bezichtigen. Wacht u dan wel van uw dagen te verkorten, en laatu, na uw gevoelen, niet bedriegen. Leefd alleen, en laat het u genoeg zijn, dat ik u zoo zeer bemin, alsmen een sterflijk mensch beminnen kan. En haar niet vergenoegende het met deze woorden te vertroosten, toonden zij hem de vierigheid van haar ijver, door de helderheid van heur oogen, die, ik en weet niet wat voor veel, ongelijkelijker en klaarblinkender schoonheid hadden, als de schoonste dingen ter wereld. Daar na haar in het diepste van hare stralen sluitende, verdweenze uit zijn gezicht, en liet hem een nieuwe vertroostinge in zijn Ziele. Hij stond toen, vol verzachting en vertroosting, uit het bedde, ende liet zich van de wondheelders verbinden. Ondertusschen droegmen zorg om dat aanminnelijk lichaam, ’t gene een gedenkwaardig leven bezield had, te doen begraven. En zoo men geen treffelijk marmorsteen, tot haar grafzark, schoon genoeg vinden kon, noch een goed werkman, om het te voltrekken; evenwel verkoos men hier toe de beste steen en de voornaamste Meester, die mogelijk was te bekomen. Haar lijkstacij en uitvaard was overprachtig: men ontstak een groot getal fakkels, en tot een geheugenis voor de nakomelingen, wierd ’er een zegeteeken van hare wapenen opgerecht, diemen aan eenen hoogen Pijnboom ophing. Des anderen daags, [p. 467] ’s morgens, zoo dra als Tankredo een weinig verzachting gevoelden, ging hij om haar zijn leste plicht te betoonen, en viel op zijn knien voor het graf, dat den Hemel scheen verkoozen te hebben, om hem, in zijn levende geheugenis, tot een eeuwige gevangenis te verstrekken, neder. Hier hield hij, veel kouder en onbewegelijker als het marmor, dat hij aanzag, eenigen tijd zijn oogen zoo strak neergeslagen, datmen, hem aanziende, in ’t begin gezeid zou hebben, dat hij van alle gevoelen beroofd was. Eindelijk een beek van tranen stortende, sprak hij al hikkende deze bedroefde woorden uit; Waardig graf, ’t geen ik altijd wil eeren; helaas! met hoe veel reden kan ik zeggen dat gij mijn minnevlam van binnen, en mijn tranen van buiten, gesloten houd! In u is de assche van mijn liefde, wiens hette altijd in mijn Ziel bewaard zal zijn, beslooten. Want hoewel de vlammen mij weinig zoeter, als na gewoonte schijnen te wezen, evenwel zijnze geenzins verkoud: Ontfang dan deze aandachtige zuchten en tranen, die aan mijn kusjens verknocht zijn, terwijl ikze op de overblijfselen, die ik zoo zeer bemin, en gij besloten houd, niet kan uitstorten. Ik denk niet dat haar deze leste plicht zał mishagen, indien’t gebeurd datse eens naar beneden ziet, terwijl dat haar Ziel daar boven in den Hemel, daar haar geluk onvergelijkelijk is, geen haat of afgunst onderworpen is. Aan d’anderzijde, ’t gene mij het meeste vertroost, is, [p. 468] dat zij mijn mislag mij vergeven heeft, ’t welk de eenige vertroosting is, die ik, midden onder zoo veel droefheid en ongenuchten, gevoel. Ook is haar wel bewust, dat zoo ’er iets mitsdaan is, dat gij, ô wreede hand, alleen daar schuldig aan zijt. Gelijk ik haar altijd in haar leven bemind heb, zoo wil ikse ook altijd na heur dood beminnen. Dat mijn levensdraad afgesneden word als het wil; ik zal den lesten dag van mijn leven wel gelukkig achten, om dat mijn beenderen het geluk zullen hebben bij de hare te rusten. Wou den Hemel onze Zielen vereenigen, na dat de aarde onze algemeene vergankelijkheid ontfangen heeft: door dezen middel zouden wij in den Hemel bekomen, ’t gene wij op aarden niet mogten genieten; en onze dood zou gelukkiger zijn, als ons leven geweest is. Hier op verdubbelden hij zijne klachten, en met een stem, die onordentelijk van de hikken en zuchten gebroken wierd, liet hij niet af het verlies te beklagen, van haar, die de aarde besloten hield. Alreede was ’t gerucht hier van, zoo door de Stad verspreid, datmen geen andere zaak, als deze, sprak. En ’t is niet te gelooven, hoe verschrikkelijk het huilen en zuchten der vrouwen was, die haar niet meer zouden kunnen ontstellen, als zij nu te werk gaan, wanneer het gebeurden datse haar huizen zagen berooven, en heur Tempelen verwoesten, en de heele Stad in vuur, haar tot een erbarmelijk voorwerpsel van verwoesting verstrekken. [p. 469] Ondertusschen vielen alle oogen op Arzat, wiens bang en droevig wezen, waarlijk boven alle anderen, medelijden verdienden. Want, in plaats van haar na te volgen, ’t gene hij niet doen kon, om dat hem het hert te zeer gesloten was, besmetten hij, met vuiligheid en stof, zijn kaal hoofd, daar van ’t hair, op zijn schouderen, uitviel; daar boven krabden hij zijn aangezicht met nagelen, en handelde zich zelfs als een uitsinnig menich. Terwijl dat dit zoo geschiede, en dat ’er een meenigte van volk, rondom hem, vergaderden, begaf zich den hoovaardigen Argant midden onder ’t gedrang, roepende; U is wel bewust, dat zoo haast als deze manhaftige Krijgsheldin buiten de Stad gesloten was, en ik het bemerkten, dat ik toen niet beter zocht als om uit te geraken, en mij bij haar te vervoegen, om deelgenoot in haar gevaar te zijn: maar al de reden, die ik daar toe bij bragt, noch de gebeden, die ik deed aan den Koning, om dat hij zou gebieden datmen mij de poorte opende, konden mij al niet helpen: ook dorsten ’t de andere wachten al niet toestaan, terwijl het Opperhoofd zulkx streng verbood. Ellendige, als ik ben, ô dit ongeluk zou niet geschied zijn, indien ik zoo gelukkig had geweest om op die zelve tijd uit te geraken. Want ik zouze, of uit dat gevaar verlost, en met mij kloek en gezond weêrom gebragt, of mijn leven daar gelaten hebben, daar zij het hare heeft geeindigd, en het aardrijk bebloed [p. 470] makende, eeuwige proeven van hare dapperheid, heeft nagelaten. Maar wat kon ik meer doen, ter: wijl het de Goden, en de menschen, anders beliefden te schikken? Ik weet dat haar dood onontvluchtbaar is geweest: en ik heb, aan mijn zijde, voorgenomen, nooit te vergeten ’t gene de plicht mij verbind te doen. Wel aan dan, ô Jeruzalem, aanhoord de belofte, die Argant tegenwoordig*doet: En gij Hemel, ontwaardig u niet minder toe te luisteren. En zoo ik ’t niet volbreng; vermorsseld mijn hoofd met eenen donderslag. Ik zweer u, dat het niet lang lijden zal, of ik zal ’t verlies van Klorinde, op die Fransinan, die haar vermoord heeft, wreken. Deze wraak behoord mij alleen toe; en daarom zweer ik weder, dit zwaard nooit neêr te leggen, voor dat ik het dwers door het hert van Tankredo gestoten, en zijn schandelijk aas heb laten leggen uitgestrekt, om tot voedsel der raven te verstrekken. Zoo gesproken hebbende, vonden zij alle zijnen aanslag goed, daar ор het gejuich, en vrolijk handgeklap, van ’t volk, strakx volgden. Want zij hadden zulk een goed betrouwen in Argant, datse haar inbeelden, dat hij alleen machtig was, om de dood van Klorinde te wreken, zoo als hij zeî. Maar waar toe zijn al deze ijdele eeden goed? Zeker, zij kunnen niet beletten, datse, in weinig tijds, een andere uitwerking nemen, tegen de groote hoop, die zij alreede daar van hadden in- [p. 471] genomen; en dat den moedwilligen, die deze dreigementen doet, het zelve geval niet smaakt, terwijl hij, in diergelijken lijfgevecht, door dezelve hand, sterven zal, van den genen, die hij alreede voor verwonnen houd.
Continue
[
Frontispice canto 13]
[p. 472]

TORQUATO TASSOOS

Verloste

JERUZALEM.

Het dertiende Gezang.

INHOUD.

ISmenes betooverd het bos, daar de Christenen gewoon zijn heur hout te halen, om heur oorlogssterkten af te maken. Tankredo gaat ’er evenwel in, wat spooksels dat haar ook vertoonen, maar vordert niet meer als d’andre, en verhaald aan Godefrooy de wonderlijke dingen die hij gezien heeft. Den Kluizenaar Peter is hier op van meninge, dat men het zou laten berusten tot de wederkomste van den kloekmoedigen Reinout. Treffelijke beschrijving van een groote droogte, en waar datse uit ontstond.

Ismeen bezweert het bos, daar Godefrooy het hout,
    Tot sterkte van het heir, gewonelyk liet halen;

[p. 473] Tankredo treet ’er in, kloekmoedig, trots en stout,
    Schoon dat daar duizenden van helse geesten dwalen:

(5) Hij recht ’er niet meer uit als d’andere altemaal;
    En doet aan Godefrooy, van al die vreemde dingen,
Die hij daar heeft gezien, een openbaar verhaal.
    Den vromen Peter zeid dat Reinout het zal dwingen.
Beschrijving van een droogte en hette, heet als vlam,

(10) En waar uit deze plaag haar’ eersten oorsprong nam.

HET hooge oorlogsgebouw, dat de Christenen noch kort te voren gebruikten om de muuren van Jeruzalem te gronde te werpen, was naaulijkx neêrgestort en tot assche verdelgd; of Ismenes begon weêr bij zijn zelve op nieuwe middelen te denken, om de Stad tegen ’t geweld der vijanden te verzekeren: hier om beraamde hij, te beletten dat de Christenen, in toekomende, niet meer zouden durven in ’t bos gaan, daarze gewoon waren de boomen af te kappen, om alzoo door gebrek van hout geen nieuwe oorlogssterkten meer te maken. Dicht bij ’t leger der Franssen, in ’t diep van een eenzaam dal, rees een hoogstengig bos, wiens oude boomen een schrikkelijke en doodse schaduwe maakten: want op het midden van den dag, wanneer de zon op het hoogste van onzen Horizon gestegen was, vertoonde zich daar zoo weinig licht, als aan een Hemel, die met wolke [p. 474] bedekt, en bleek en droevig is; of zoo bij na, gelijk het een weinig te voren is wanneer de star der wereld te ruste gaat, of dat hij verrijst in een duister en regenachtig weder; ’t zij dat den dag in de nacht, of de nacht in de plaats van den dag heerscht: over al was het met schrikkelijke en donkere wolken benevelt, wier duisternisse (die niet beter kunnen vergeleken worden als bij die van de helle) de oogen t’eenemaal verblinden en het harte met schrik en vreeze vervulden: nooit leide hier eenig harder (hoe ver dat hij van de gemeene ommegang der menschen verscheiden mogt wezen) zijn schapen te weiden, of zijn ossen te drenkken; en nooit ging hier eenig wandelaar, zoo ’t niet gebeurde dat hij bij geval verdoolde, onder de onaangename schaduwen rusten, maar vergenoegde zich met het van verre te zien, en met den vinger te wijzen. Hier vergaderden zelf in de nacht, de oude Kollen met de Duivelen haar gezelschap; die vliegende door stormen en draaiwinden, hier met heele benden bij een quamen; sommige in de gedaanten van een draak, en andere in die van een stinkenden bok. Ondertussen hielden zij hier in deze vervloekte plaats haar bijeenkomste, daar zij, onder schijn van een onkuische beestigheid, wierden aangelokt, om heur bruiloften, bankketten, en dansserijen met een afgrijsselijke pracht en gebruik te houden; en om dat ijder van gevoelen was dat dit bos met zulke gasten verzien was, had noch ooit ee- [p. 475] nig mensch de minste tak daar afgetrokken; zoo dat de Fransen de eerste waren, die deze vrijdom verbraken; om datse nergens bequamer hout konden bekomen om heur beukerijen en oorlogsgebouwen af te maken. In deze doodelijke plaats begaf zich den Toovenaar, om zijne bezweringe voor de stilte en de duisternisse te doen: om dit te volbrengen koos hij de zelve nacht uit, die na het droevig ongeval, daar wij te voren af gesproken hebben, vervolgden.*Hij sloot zich, met het eene been barrevoets, in een rondperk, prevelende in zich zelf zekere woorden van een wonderlijke kracht: driemaal keerden*hij zich na der zonnen opgang, toen weder na de Koningrijken daar dagelijkx die schoone star in den Oceaan duikt; driemaal schudden hij zijn bezwore roede, daar hij de lichamen, van die al lang overleden waren, mede uit de graven kon doen oprijzen, en haar eigen schijn doen hebben, of zelf doen bewegen; en driemaal stampten hij op d’aarde blootsvoets. Eindelijk na dat hij veel gebaren, die niet minder vreemd als schrikkelijk waren, gemaakt had, riep hij met een afgrijsselijke stem; Helsche geesten, die eeuwig verbannen zijt uit de hemelsche woonplaatsen, daar gij voor dezen door blixem en donderstagen zijt uitgeworpen, en in uw duistere holen neêrgestort, luisterd nu na de geboden die ik u te doen heb; en gij ook, die de middelste gewesten van de lucht bewoond, daar gij gewoon zijt de draaiwin- [p. 476] den, de stormen en het ongestuimigste onweder te bewegen; let aandachtig op mijne woorden; gij ook noch, o bloedige bestierders der helle, en plagen daar gij de verdoemde zielen eeuwig mede straft; ik roep u nu aan en gebiede u mij nu volkomen behulpsaam te zijn; het zelfde belast ik u ook, o Vorst der onderaardse Rijken, en die met een scepter van ijzer en vlam die beheerscht: zoo groot als gij zijt, bezweer ik u dit bosch, dat ik u toewijde, in uw bescherming te nemen, ik wil dat gij voor de alderminste tak zorge dragen zult, en dat ijder een van u in den boom is, die hij voor genomen heeft te bewaren, gelijk de ziel is in ’t lichaam die het bemind: en zoo ’t gebeurd dat ’er in’t Franse leger eenige zoo stout zijn en de minste tak willen afkappen, dat die terstond van schrik wechvlieden, of datse ten minsten, door vrees van u te zullen misdoen, haar slag weêrhouden en niet voortvaren.
    Deze woorden sprak den Toovenaar, bij de welke hij noch zoo schrikkelijke bijvoegden, dat ’er geen tonge zoude zijn, indienze niet geheel goddeloos was, dieze weêr zou willen verhalen. Door deze gruwelijke bezweringen, deed hij die schoone starren, die geduurende de duisternisse van de nacht, aan den Hemel flikkeren, verbleken, de maan wierd beroerd, en heur wasdom bedekte zich met een donkere mist, daar zij haar in verbergde, als schijnende haar niet te durven vertoonen. Hij ondertussen [p. 477] zijn ongodvruchtigheid verdubbelende, vervolgden; Wederspannige geesten, wat wil dit vertoef zeggen? of verwacht gij misschien dat ik u andere krachtiger bezweringen, en grooter dreigingen doe? Zoo het is om dat ik dit werk nu in lange niet gepleegd heb, evenwel is ’t mij niet vergeten. Waarlijk, ’t is van heden niet, dat ik de middelen leer om u te doen opkomen. Zoo dit niet genoeg is, twijffel dan niet, of ik kan, met een bebloede tong, die groote en verschrikkelijke naam, voor de welke, noch Pluto, noch Prozerpijne, wat wederspannigheid dat zij altijd gepleegd hebben, niet hebben moeten buigen, maar altijd gedwongen zijn geweest die te gehoorzamen, wel uitroepen. Indien ... hij zou meer gesproken hebben, zoo terstond al zijn bezweeringen niet waren volbragt geweest, gelijk hij begeerden. Want op ’t zelve oogenblik verschenen in het bos een ontelbare meenigte van geesten; zommige quamen uit de middelste gewesten der lucht, ’t welk als heur hoofdstoffe is: andere quamen toeloopen van verscheide plaatsen, daarze gewoon zijn te dwalen; en verscheiden quamen uit de diepste en donkerste afgronden, vol schrik, met langsame treden voord, om datse voor ’t verbod, dat den Aardsengel Michael heur gedaan had, van zich in toekomende, in de zaken van dezen oorlog, op geenderley wijze te vermengen, noch bevreest waren. Evenwel lieten ze haar hier vinden, om datmen heur niet [p. 478] verboden had in de stammen der boomen, van dit woud, te vertrekken, of haar onder heur takken en telgen te verschuilen.
    Dit gedaan zijnde, ging den Tovenaar, ziende dat’er tot uitvoering van zijn aanslag niet meer ontbrak, wel vernoegd tot den Koning: Vorst, sprak hij, weest nu voortaan niet meer bedroefd, maar schep moed, uwen koninglijken Troon staat nu verzekerder als gij meend; vermids de Franssen, in toekomende, nu niet meer gelegendheid, gelijk zij haar inbeelden, zullen hebben nieuwe oorlogsgebouwen te maken, om in den omring uwer muuren, u te beschadigen. Daar op verhaalden hij hem van stuk tot stuk, de uitkomst van zijn bezweringen en tooverijen. En in ’t einde van dit, vervolgden hij; Groote Prins, ’t gene ik u gezeid heb, is noch niet genoeg, ik wil ’er noch iets anders bijvoegen, dat u niet minder aangenaam zal zijn, als mij zelve. Weet dan, dat in het teeken van den hemelichen Leeuw, als Mars en de Zon zich te zamen vervoegen, in al deze gewesten zoo grooten droogte zal zijn, dat het Leger der vijanden daar af blakeren zal, zonder dat ondertusschen eenigen wind, of daauw, of regen, om de vuurige hette; die haar beledigd, te verzachten, zal komen: waar van ik alréde in den Hemel zoo grooten voorspook zie, dat het te gelooven is, dat de Nasamonen, of de Garamanten niet meer hette in heur land, als wij in ’t onze, zullen [p. 479] hebben. ’t Is ook zeker, dat wij zonder veel moeiten, deze ongemakken zullen kunnen verdragen, om dat wij in een Stad zijn, daar ons niet ontbreken, noch levende springaders, noch ververssing, noch schaduwen. Maar de Franssen zullen nimmermeer zo een krachtige hette kunnen verduuren, om dat zij in een open en droog zandachtig veld zijn. Wanneer den Hemel haar door deze middelen gedwongen heeft, zullen de magten, die van Egipten tegen hun komen, haar lichtelijk overwinnen; alzo zult gij wel ten einde komen, en d’overwinning zal aan uw zijde blijven, zonder dat gij behoefd, om haar t’overwinnen, het noodlot der wapenen te verzoeken: en zoo bij geval den hoogvaardigen Argant, wiens hoogmoedigen aard de rust niet velen kan, gelijk hij gewoon is, u port en moeilijk valt, zoo zoekt eenig middel om hem in stilte te houden en tot rust te brengen; want ik ben wel verzekerd dat den Hemel, die voor uw rust zorgd, niet lang zal vertoeven om u vrede te geven en uwe vijanden den oorlog aan te doen. In ’t begin was deze nieuwigheid den Koning zoo aangenaam, en verzekerde hem zoodanig, dat hij, noch de macht, noch de sterkte der Fransen niet meer vreesden: maar hoewel dat hij het meerendeel van de stormgaten in de muuren verzien, en hermaakt had, al dat de stormbokken en ander diergelijke oorlogstuig hadden mogen vernietigd hebben, zoo liet hij evenwel niet af met een zorgvuldigen ijver te werken, [p. 480] daar toe hij het oorlogsvolk, d’inwoonders en slaven gebruikten; zulkx dat ’er niet een uur tijds verloren ging. Ondertussen wilden den voorzichtigen Godefrooy niet te vergeefs een zoo wel beschermden en starke Stad bestormen, zonder dat hij eerst andere gebouwen en een nieuwen toren gemaakt had. Hij zond dan de timmerlieden in dat zelfde bos, daarze gewoon waren heur hout te halen. Zij gingen ’er na toe op den lichten morgen; maar waren daar naaulijkx gekomen ofse wierden met een geweldige vrees bevangen; hier in gelijkende de kinderen die geen momaangezichten, of spooksels, die ze ongewoon zijn, durven aanzien, en die geduurende de nacht haar inbeelden datse voor hare oogen monsters en wanschepsels zien. Waar dat deze arbeiders haar oogen sloegen, verbeeldenze haar voorwerpselen van verwondering, die haar tot in ’t diepste van’t hert raakten en verschrikten; hoewel zij niet wisten waarom, of van waar het mogt spruiten, dat haar zulk een schrik aanjaagt; en zooze d’oorzaak eenig ding toeschrijven, ’t is alleen aan haar dwaze inbeelding die heur vertoond, wat de Sfinx, de Chimeer, en diergelijke andre monsters het verschrikkelijkste hebben: zij keerden heel verbaast wederom, en verhaalden de oorzaak van haar schrik en vrees, die haar belet had vorder te gaan; ’t welk niet geloofd wierd, maar ter ander zijde ijder een bespotte haar, gelijk als of het een versierde zaak was. Hier op beraamde [p. 481] men haar wederom te zenden met een troep soldaten die voor de stoutmoedigste geacht wierden, om tot bescherming voor de versaagste te dienen, en haar aan te moedigen tot uitvoering van het geen daar in haar gebruik bestaat.*Deze soldaten, hoe kloekmoedig datse ook waren, het woud genakende, hadden naulijkx deze zwarte schaduwen gezien, of het harte klopte haar van vreeze die zij hadden, en wierd zoo koud als ijs. Evenwel lietenze hierom niet voort te gaan, bedekkende heur vrees met een schijn van kloekmoedigheid. Maar toenze bij de betooverde plaats quamen, quam ’er zulk een verschrikkelijk getier uit, dat de aarde rondom geheel beefde; aan d’ander zijde borsten de winden onder elkanderen vermengd uit hare holen, met zoo grooten ongestuimigheid, dat men gezeid zou hebben dat het de baren der Zee hadden geweest, die op de rotsteenen en oevers heur geweld braken. Ondertussen was ’er niemand onder haar die niet zoo verschrikt was, als of hij hoorden ’t gebrul der leeuwen, ’t schuiffelen der serpenten, ’t gehuyl der wolven, en’t tieren van razende beeren. Onder dit verwerd gerucht vermengden zich, ’t geluid der trommelen, trompetten, ende des donders: dit veroorzaakte datse door vreeze alle van verf veranderden, en datse uitwendig genoegsaam betoonden de geweldige schrik dieze van binnen hadden; zulkx dat ’er geen overweging van d’eer, hoe groot die ook mogt wezen, noch [p. 482] krijgstucht, machtig was, om haar verder te doen gaan, noch om een weinig te doen vertoeven: want boven dien dat de kloekmoedigheid in haar te zwak was, zoo ontbrak heur ook de moed, om die verholen dreiging tegen te staan, die haar zoo buiten heur zelve vervoerde. Geduurende deze vreeze, was alles, ’t gene zij geloofden het beste te zijn, den zelven weg weder te keeren; gelijk zij in der daad alle de vlucht namen: maar t’harer wederkomste ging een van haar bij den Hertog; Mijn heer, sprak hij, ik geloof niet dat ’er een is onder ons allen, die nu voortaan een boom van dit vervloekte bos zal durven afkappen; want het zoo wel bewaard is, dat het schijnt dat Pluto daar zijn woning gemaakt heeft; en voor mij ik zou het durven zweren: ’t welk mij doet gelooven, dat die het maar aanziet en niet verschrikt, een diamante hert moet hebben, en dat den genen die zonder schrik aanhoorden, de donderslagen en het vervaarlijk gebrul dat men aan alle kanten hoord, geheel ongevoellijk moest zijn. Maar zoo als hij dit verhaalden, was daar bij geval onder de anderen, den onversaagden Alkastes; een man van hoogmoedigen aard, onverschrikt in zijn aanslagen, goddeloos in zijn leven, die alleenelijk al de sterffelijke niet verachten, maar de dood zelve: en waarlijk hij was zoo onversaagd, dat hij niet minder de alderfelste beesten vreesden, als de monsters hoe vervaarlijk datse mogten wezen; daarenboven; dat noch de [p. 483] aardbeving, noch de blixem en de donder, noch de geweldige onweders, noch al dat de wereld het vervaarlijxt hebben mag, machtig genoeg waren om hem te verschrikken. Dezen opgeblazene schudden het hoofd, en glimplachende; zeide; Wel aan dan, ik zal niet veinzen mij stoutmoedig te betoonen daar deze niet gaan durven; ik onderwin mij alleen dat bos af te kappen, ’t gene, gelijkse ons nu verhalen, een verblijf voor spoken en droomen is geworden; niet een van al de geesten, hoe verschrikkelijk dat hij ook verschijnen mag, zal mij konnen beletten; ik zal ’er in gaan in spijt van de vervaarlijkheid des wouds, en het droevig verzuchten der naarste vogelen; ja zelf, al waar ’t in geschil om van daar ter helle te dalen, indien men in dezen schrikkelijken omring mij den weg wees. Alkastes aldus gesproken, en verlof gekregen hebbende derwaards te gaan; vertrok daar op. In ’t aankomen bezag hij het bos, en hoorden terstond een nieuw gerucht, dat hem verdoofden. Hij week hierom niet te rugge; en zonder hem te verwonderen, ging hij geduurig voord, tot dat hij wat vorder in ’t bos quam; maar zie, een groote vlam vuurs (of ten minsten beelden hij ’t zich in) stelden zich daar tegen: hoe meer dat het vuur naderde, hoe meer dat het grooter wierd en toenam. Het vloog allengskens rondom het bos, en omringden het, gelijk een hooge muur; zulkx dat, na wat zijde hij zich wenden, hij niet anders zag als vlammen flakkeren, vervuld [p. 484] met een duistere rook. Ook veranderden al de boomen, die de takken noch niet waren afgekapt, in de gedaanten van veelderley vuuren; die, van elkanderen gescheiden wezende, bolwerken en groote toorens, verzien met oorlogstukken, vertoonden. O hoe veel vreemde gewapende monsters verschenen op de kantélingen van deze brandende muur, daarze haar gestadig gereed hielden om die te beschermen! hoe onaangenaam was haar gedaante! en hoe verschrikkelijk warenze om aan te zien! Eenige zagen van om hoog, met een scheel oog; en andere, op een vervaarlijke wijze, dreigden al den genen, die haar wilden naderen. Hier door wierd den opgeblazen Alkastes zoo verschrikt, dat hij eindelijk gedwongen was, op het voorbeeld van d’anderen, te vluchten. Gelijk als een Leeuw, die, voor eenige jagers vliedende, zich niet weêrhouden kan van elken oogen blik het hoofd om te keeren. En dit was d’eerste maal dat hij zich inbeelde vervaard te zijn. Ook kon hij in’t begin niet gelooven, tot dat hij, een weinig afgeweken zijnde, het bekende, en van schaamte rood wordende, op zijn lippen beet. Maar in ’t leger komende, week hij aan een kant, dervende niet verschijnen, noch zijn hoovaardig hoofd opheffen, daar hij kort te vooren een ijder bespot had. Godefrooy hem ontboden hebbende, trachte hij, door alle middelen, hem te verontschuldigen: maar wierd eindelijk gedwongen te verschijnen. In ’t aankomen was hij [p. 485] heel ontsteld, niet wetende van waar hij zijn gesprek beginnen zoude; ’t welk den Hertog dede oordeelen, datmen hem waarlijk eenige vreeze aangejaagd had, terwijl hij, door zijn versteld gelaat, blijk genoeg gaf, van een geweldige vreeze. Evenwel, na dat hij een weinig bekomen was, riep hij; Wat zal het al wezen ’t gene ik daar even gezien heb, is het eenige betoovering, of iets tegens den loop der natuure? Zeker zoo iemand begeerig is om deze vervaarlijke en woeste woonplaatsen te gaan bezichtigen, dat hij ’er ter goeder uuren ga; voor mij, ik zal ’t hem niet beletten. Deze woorden veroorzaakten dat drie dagen na elkanderen, d’allerstoutste van ’t leger daar na toegingen. Maar eindelijk was ’er niet een die niet wederom keerden, vol van schrik, voor ’t gevaar, daar zij alle geloofden mede gedreigd te zijn. Terwijl dat dit zoo geschiede, was den Prins Tankredo, die kort te vooren vertrokken was, om zijn Godsdienstigheid, op het graf van Klorinde te gaan doen, niet zoo haast wederom gekomen, hoewel zijn bleeke aangezicht genoegsaam de rouw betoonden, die hij in de Ziel verburgen had; en dat hij weinig bequaam was om, op die tijd, ’t helmet en ’t borstharnas te dragen, of hij was bereid, hoe groot het gevaar was, dat zich nu vertoonden, hem vrijwillig daar toe te begeven. Want de geméne dapperheid van zijn moed, openbaarde aan zijn lichaam zo wel zijn aangeboorne krachten, dat hij tegenwoor- [p. 486] dig het overige scheen te hebben, om het in dezen aanslag te wagen. Hij ging dan kloekmoedig in dit onbekend gevaar, zonder iemand een woord te openbaren; en stond in zijn aankoomste, het voorwerpsel van dit betooverd bosch, en’t geraas der donderslagen en aardbevingen, daar het scheen van te bewegen, kloekmoedig uit. Nu, hoewel al deze dingen hem niet verschrikten, zoo voelde hij evenwel een inwendige beweging, die hem wat stil hield, maar evenwel niet belette voord te treden. Maar als hij zag, dat in deze woeste en eenzame plaats zich voor zijne oogen een vuurige stad vertoonden, week hij te rugge, niet wetende wat hij doen wilde. Dwaas, als gij zijt, sprak hij bij zich zelven, wat mogen hier de voornaamste teekenen van uw kloekmoedigheid en dapperheid helpen? Zal ik zoo zot zijn, dat ik mij zelve in de keel van deze monsters zal werpen, of storten in ’t midden van dit vuur? Zeker, ik zal nimmermeer mijn bloed sparen, in ’t gene het gemeene welvaren raakt: maar het geluk hebbende dat ik iets in de Wereld ben, hoe zoude ik mij dan ongelijk aandoen, indien ik mijn leven, om zo heillooze zaak, in gevaar stelden? Maar, ter ander zijde, wat zalmen van mij, door ’t heele Leger, zeggen, zoo men mij ziet wederkomen zonder iets uitgerecht te hebben? Waar zalmen ergens een bosch vinden, dat zoo bequaam is om hier naar hout te hakken, als dit? Zonder twijffel verlangd Godefrooy [p. 487] om het einde van deze onnatuurlijke vreemdigheden te zien; en zoo iemand anders als ik, hem waagd, om het te bezoeken, zoo zal mogelijk dit gevaar veel minder in der daad zijn als ’t schijnt te wezen. Dit gezeid hebbende (onvergelijkelijke moedigheid) wierp hij zich dwers in de vlamme, en gevoelde in geen ’erley wijze de hette die hij behoorde te gevoelen: het is waar dat hij zoo haast niet kon onderscheiden, of het een spook, of een waar vier was, om dat hij het terstond zag verdwijnen, en in plaats komen een dikke mist, veel kouder als een stuk ijs; evenwel verdween deze duisternis tot niet, tot groote verwondering van Tankredo. Als doen hoorende geen meer gerucht in dit woud, ging hij al verder in deze heilooze woonplaatse, en beschoude liet alderverburgenste op zijn gemak: alreede zag hij geen meer gespook, en zoo hem iets in zijn weg belette, dat waren alleenelijk de dikgetakte boomen met hagedoornen bezet. Na dat hij een weinig vorder was gegaan, zag hij eindelijk een groote plaats, op de wijze van een schouwtooneel, daar noch boom noch stronk stond; dan alleen in ’t midden zagmen een Cipres, die men van verre voor een hooge Piramide zou aangezien hebben: hij genaderd zijnde was heel verwonderd, op de stronk gesneden te zien verscheide merkteekens, gelijk als de verburge letteren, daar haar de Egiptenaars eertijds mede behulpen, om heur gedachten uit te drukken; en alzoo hij grondig* de [p. 488] Sirise spraak verstond, bemerkten hij dat van deze onbekende letteren, deze woorden te lezen waren. Onversaagde Krijger, die in deze woeste plaats uw voet heb darren zetten, zoo gij zoo wreed niet zijt als gij u altijd kloekmoedig betoond hebt, laat dan af van deze doodelijke plaats te steuren, en vergeeft het de zielen die nu in andere lichamen wonen: het is den levende niet veel eer, den genen die nu dood zijn te beoorlogen. Dit was het gene dat dit geschrift betekende, ende bij na den zin die ’t inhield. Ondertussen hoorde hij onder de takken der boomen een grooten wind ruissen, en ter zelve tijd hem in ’t oor klinken, een klagende stem, met zuchten en hikken vergezelschapt, als die van een mensche, daar onder zich vermengden, ik en weet niet wat voor een verwerring; het welk hem door droefheid en medelijden tot in ’t diepste van zijn ziele trefte: terstond sloeg hij de hand aan ’t zwaard, en met al zijn macht gaf hij een groote slag op den stronk: O wonder, op diezelfde plaats daar hij de schors geraakt had, sprong het bloed terstond uit, en beverfde de aarde. Dit schouwspel verwonderde Tankredo, en verschrikten hem zoodanig, dat zijn hairen van vrees over end rezen; niet te min kon dit niet beletten om den uitgang daar van niet te zien, dies hij zijne slagen noch herder verdubbelden, tot dat hij scheen te hooren een klagende stem, die uit den boom voort komende, al zoetjes deze woorden voortbracht; Helaas! Tankredo, sprak zij, gij [p. 489] hebt mij al te zeer gepijnigd; laat het u genoeg zijn dat gij mij uit dit lichaam gejaagd hebt, het geen voor dezen mijn aangenaam verblijf en mijn waardste roof was; waarom komt gij dan nu verbreizelen deze ellendige stam, daar mijn wreed noodlot mij nu in besloten houd? Onbeweechelijke als gij zijt, wild gij u wreken van uw vijanden, zelfs na heur dood? Wild gij haar in heur graf beoorlogen? Ik ben die zelfde Klorinde die uw hand van het leven beroofd heeft; mijn geest helaas, bezield nu een onbewegelijke schors: en in al de boomen die gij hier ziet, zijn zoo veel Franssen en Heidenen besloten, als ’er onder de hooge muuren van Jeruzalem sneuvelden: om u te zeggen door welk een vreemd en nieuw wonder zij hier in gesloten zijn, heb ik de macht niet, en weet ook niet, of ik de schors die haar besloten houd, of graf, of lichaam heten zal? Hoe ’t ook zij, daar is niet aan te twijffelen, of de stammen en de schorssen hebben gevoelen, zulkx dat gijze niet behoord af te kappen, zoo gij haar moordenaar niet wild wezen. Met zoodanige reden onderhield hem de Cipres, of veel eer de geest die daar in besloten was; daar door den Ridder zoo levendig geraakt wierd, dat zijn dapperheid, hoe verhard datse mogt wezen, terstond verbrijzeld wierd, zulkx dat het herdenken van zijn liefde, hem zoo koud als ijs maakte; daarenboven door de schrik die hij had van deze wonderlijke dingen t’aanschouwen, bevong hem [p. 490] zoodanigen vrees en beven door’t geheele lichaam, dat zijn hairen ’t hoofd te bergen rezen, het aangezicht verbleekte, en het zwaard hem uit de hand viel: want hij was zoo zeer buiten zijn zelven vervoerd, dat hij waarlijk het zuchten en schreien van zijn waarde Klorinde geloofde te hooren; hierom mogt hij niet zien haar bloed aan den voet van den boom uitgestort, noch zijn oor leenen aan de stem, die zoo droevig als doodelijk was. Op deze wijze begaf zich dezen onverwinnelijken held, die noch flus door de schichten der dood, noch door de verschrikkelijkste spoken niet te verschrikken was, onder de eenige macht van de liefde, en boog voor de ingebeelde klachten van een minnaresse. Ondertussen droeg een geweldigen draaiwind dat zelfde zwaard, dat door schrik uit Tankredoos hand gevallen was, uit het bosch, het welk hij daar na op den grooten weg vindende, in zijn scheede stak, en recht na’et leger ging, van meining zijnde, nimmer weêr deze wonderlijke vreemdigheden, die hem onbekend waren t’onderstaan. Zoo ras als hij zich vond in de tegenwoordigheid van den Hertog, en dat hij een weinig tot zijn zelve gekomen was, sprak hij tot hem; Mijn heer, de dingen die ik u te zeggen heb zijn waarlijk wonderlijk en schrikkelijk om te verhalen: ’t geen men u van de gezichten en spoken van dit bosch verhaald heeft, is zoo waarachtig dat gij ’t wel gelooven moogt, op de verzekerheid die ik u hier [p. 491] van zal geven. Daar verscheen eerst voor mij een groot vuur, ’t welk mij omringde, zonder dat ’er eenige brandstichtende stoffe bij was om het t’ontsteken en t’onderhouden; dat hem uitbreidende, al langsaam verhefte, op de wijze van een stadsvesting over al met oorlogsvolk bezet: maar niet tegenstaande deze dingen, wierp ik mij echter midden in de vlamme, daar ik door ging, zonder mij te branden, of eenig beletzel te vinden, dat mij weêrhield: hier op bedekte haar de lucht met een dikke wolk, die mij niet minder koud dacht te wezen dan de mist van den winter; daar na wierdse terstond zoo klaar als te voren: ik zal noch meer zeggen, dat is, dat in dit verschrikkelijk woud de boomen bezield zijn, door zekere geesten die de zelfde spraak en gevoelen hebben, die de menschelijke schepsels aangeboren zijn. Al ’t gene mij niet belet zou hebben voord te varen, zoo ik zelve die klagende stemme, die mij noch in’t herte raakt, niet gehoord had. Daar bij ik waarlijk kan voegen, dat, toen ik op een van de bomen sloeg, van den zelfden slag die ik hem gaf, het bloed ’er in overvloedigheid uitsprong, gelijk als van iemand die gewond word, zonder dat het mij mogelijk*was de minste tak, of iets van de schors af te hakken. Godefrooy hem dus hoorende spreken, stond heel verzet, aangaande het oordeel dat hij van deze vreemdigheid moest geven; die zijnen geest met noch meerder ongenuchten quelden: gelijkmen een [p. 492] schip ziet bewegen door de baren, die het van alle kanten bestoken. Hij wist niet of hij, om de tooverije te beproeven, zelf in persoon derwaards wil gaan, of hem van een ander bosch verzien, dat bequamer was om oorlogsterkten af te maken. Maar alzoo hij, om hier toe te geraken, ver zou moeten uitzien, zoo verbeelden hij zijn zelve, door de groote moeite, het qualijk te vinden, en dat hij alzoo tot zijn voornemen niet, zonder eenige beletselen, zou geraken.
    Terwijl dat den Hertog zoo van zijn gedachten gequeld wierd, sprak Peter den Kluizenaar, die hem uit deze quelling zocht te trekken, tot hem aldus; Mijn heer, verlaat deze losse gedachten, gij zijt de gene niet dieze moet uitvoeren: den Ridder die van den Hemel gesteld is, om dit schrikkelijke bosch van haar boomen t’ontblooten, kan niet veel langer vertoeven om hier wederom te zijn: alreede genaakt het bezwore schip de woeste plaatsen, en ontwind zijn vergulde zeilen: alreede vertrekt den zeeghaftigen held, hebbende de ijzers* en de ketenen, die hem niet waardig waren, verbroken, van den oever; en alreede dunkt mij dat de tijd verschenen is, in de welke de vernieting onzer vijanden, en de verlossing van Jeruzalem moet geschieden. Op het laaste zoo als hij deze woorden uitsprak, scheen zijn aangezicht als een vlam te zien, en zijn stem die had ik en weet niet wat voor grootheid, die boven de ge- [p. 493] meene spraak der menschen ging; ’t welk d’oirzaak was, dat Godefrooy, die op dit gebaande pad niet wilde stil blijven, alle zijn gedachten tot nieuwe middelen aanwenden: maar alzoo de Zon nu in het teeken van de kreeft trad, stelde zijn geweldige en onverdragelijke hette haar tegen het voornemen van dien grooten Veldheer, en den arbeid van zijn oorlogsvolk. Al de voornaamste invloejingen en de gunstigste vergadering van ’t gestarnte, die den Hemel hebben kan, waren nu als slaperig en uitgedoofd. In de lucht heerschten schadelijke indrukselen, die haar hier beneden uitbreiden, door de quaadaardigheid der dwaalstarren. De schadelijke en besmettelijke hette vermenigvuldigden dag op dag, en ontstak nu van d’eene, dan van d’andere zijde. Na een quade dag, heerschte een arger nacht; en achter die quam noch een die rampzaliger was. De Zon verrees nooit, of hij was met bloedige dampen omringd, ’t zij datmen zijn aangezicht aanschouwde, of rondom hem heen, men zag ’er niet als droevige voorteekenen van een jammerlijke dag: En zoo hij zijn Horizon verliet, om elders zijn glans te vertoonen, bespeurdemen roode vlakken, die te kennen gaven, dat hij, te sijner wederkomste niet minder schadelik, als te vooren zou zijn. Boven dat verergerde hij door zijn overmatige hette, al d’ongemakken die zij voor dezen geleden hadden; en maakte datmen in toekomende noch erger verwachte. Ondertusschen, ter- [p. 494] wijl hij met zulken geweld zijn stralen beneden schoot, zagen de menschen, door een onverdragelijke hette, waar dat zij haar oogen wenden, niet als verzengde planten, verwelkte bloemen, verslenste bladeren, vervelooze kruiden, en verdorde boomen: dit was ’t noch niet al; de wateren in de vlieten verdroogden, en de aarde die van een reet, bragt geen andere dingen voort, als die geheel de gramschap des Hemels verkondigden: hierenboven hingen over al onvruchtbre wolken; en den adem der winden, die verstikkende dampen uitbloezen, verhette de lucht zoodanig, datse niet minder heet was als een vierigen oven. Geduurende deze droogte was ’er niet dat machtig was, hoe weinig het ook zij, om ’t gezicht wat te vermaken: de weste winden waren stil, en mogten zelf naaulijkx adem scheppen in haar spelonken, daar zij in gevangen bleven: over het geheele land heerschte een schadelijke hette, voortkomende van het brandende zand van Libien, ’t gene het aangezicht zoo wel blakerd als een brandende toorts zou doen: in plaats dat de nacht gemeenelijk koud is, vergaderde onder zijn dekkleet, ’t welk met dwaalsterren en diergelijke indruksels bezaaid was, onder een vermengd, de vlammen en de duisterheid: deze was nu ellendige aarde, die zoo weinig als ’t was uw dorst versloeg; de maan storte niet meer op u hare vochtigheid uit, en te vergeefs snakten de bloemen en de kruiden na den aangena- [p. 495] men dauw die haar onderhoud: de slaap was uit deze heete en verdrietige nachten, zoo ver verbannen, dat hoe de zwakke lichamen der menschen die meer tot haar trachten te roepen, hoe datse verder vluchte en van haar af week; en ’t gene hier in het moeilijkste en verdrietigste was, dat ’s d’uitnemende dorst die de droogte vergezelschapte; en hoe wel in Judea bronnen, bornputten, fonteinen en stroomen genoeg zijn, zoo warenze alle besmet van zeker vergif dat m’er ingeworpen had: zulkx dat heur water zoo gevaarlijk was te drinken, als dat van Kocytus en Acheron. Daar was niet als het arme Siloë, ’t gene de Franssen openhartig aanbood, het weinige onbesmette water dat haar overig gebleven was, schoon dat de geweldige hette het alreede zoo uitgedroogd had, dat zijn zandgrond al droog lag, en naulijkx zijn zelve drenken kon; zulkx dat het hier naar niet als een zwakke ververssing voor de Christenen soldaten zijn kon, dewelke al de wateren van de Po, noch die van den Nijl (wanneer hij overvloeiende., niet vergenoegd is door zeven monden zich in Zee t’ontlossen, maar door geheel Egipten zich uitstrekt) niet genoeg zoude zijn om den dorst uit te blussen die haar versmachte: zoo iemand onder haar somtijds eenige levende bronnen, zoo klaar als kristal zien vloejen heeft langs haar aangename kanten, welke de boomen voor de stralen der Zonne voor bolwerken verstrekken, of groote beken van de [p. 496] hoogte der bergen neerstorten, of klare watervlieten langsaam door bloejende beemden stromen, d’uitermate begeerten die hij heeft, om zoodanige weêr t’ontmoeten, veroorzaken dat, die in zijn gemoed verbeeldende, in hem t’effens aanwast, een begeerte en droefheid; ’t welk geschied, om dat die ververssing, die hij zich verbeeld, zijn dorst meer onderhoud als te voren, en niet voldoet aan de begeerte die hij heeft om die uit te blussen: daar zoud gij gezien hebben hoe de kloekste soldaten, die noch den verre weg, die zij in deze vreemde gewesten gegaan waren, noch den zwaren last van heure wapenen, noch de zwaarden der vijanden konden doen sneuvelen, neêrvallen, door de machtige hette, die haar zoodanig verdrukte, datse niet op heur voeten konden staan blijven, want een luchtig vier, in heure aderen verborgen, ’t gene zich voede met de weinige vochtigheid die het daar vond, vernietigde en verteerde haar ongevoellelijk; het oorlogspaard dat zoo moedig plagt te wezen, had nu geen meer lust als een oude krenge, en struikelde ijder treê die het deed, zoo zwak was ’t geworden; ook had het al de lust tot het eten verloren, en ’t gras ’t welk het nuttigde was zoo droog, dat het noch reuk, noch smaak had, zulkx dat het dat naulijkx kon kaauwen: de beenen beefden hem nu van zwakheid, en het hoofd onlangs vol vierigheid, het welk men de hooibak niet te hoog kon maken, hing nu slaaprig op de [p. 497] kribbe neder, daar het zijn tanden niet kon ontsluiten; het gedenkt nu niet meer aan den prijs, die het op andre tijden in den renbaan gewonnen heeft, en in hem zelf is de vierigheid uitgedoofd, die het zoo dikmaal in den strijd betoond heeft; daar is noch vederbos, noch hoofdharnas, noch eenig tuig, hoe rijkelijk dat het mag wezen, dat het kan vermaken. Elders is ’t een jammer te zien, hoe den getrouwen hond, midden op de plaats; bij na van dorst razende, half dood ter neêr leid: in plaats dat hij de hutte en het oorlogstuig zou bewaren, gelijk hij plag, zoo had hij tegenwoordig geen zorg. ’t Was vergeefs dat hij ter aarden uitgestrekt leggende, al hijgende trachte een weinig lucht te scheppen, dat hem mocht verquikken: ’t was alles om niet, en van zijn natuurlijken adem kreeg hij naauwelijx verlichting om de overgroote brand van’t hert wat te matigen, zoo vermoeid en zwaar was vochtigheid,*daar hij zijn longe meê zocht te verfrissen. Zie, zoo quijnden de aarde; en in dezen staat waren de sterffelijke menschen gebragt.
    Het Christen Leger ondertusschen, haar ziende buiten alle hoop van tot heuren aanslag te geraken, vreesden voor het uiterste van hare qualen zoo zeer, datmen, door het geheele Heir, niet anders hoorden, als het klagen en verzuchten der soldaten. Hoe, zeidenze, wat mag onzen Veldoverste nu voortaan hopen? wat meind hij dat ons wedervaren zal? wil [p. 498] hij dat zoo veel brave mannen, als hier zijn, verloren gaan? beeld hij zich zelven in, dat hij noch genoegsame machten heeft, om die hooge bolwerken t’overwinnen? van waar meend hij, in toekomende, hout te bekomen, om zijn oorlogsterkten en beukkerijen af te maken? is hij alleen zoo verblind, dat hij niet zien kan tot wat einde dat den Hemel tegen ons zoo vertoornd is? zijn zoo veel doodelijke voorteekenen, en wonderlijke gezichten, die wij dagelijkx zien, niet genoeg om hem te toonen dat de hulpe des Hemels ons niet meer gunstig is? gevoeld hij zelfs niet dat de Zonne ons zoo fel brand, dat die van Etiopien en Indien niet meer ververssing, als wij, van nooden hebben? maakt hij geen zwarigheid, dat hij toelaat, datmen niet meer van ons houde, als rampzalige slaven? moet hij, om zijn Scepter te bevestigen, dan dulden, dat wij ellendig sterven? moet den tijtel van Monarch zijn staat zoo gelukkig maken, dat hij niet vraagd na den welstand van zoo veel Helden, die hem onderdanig zijn; trachtende, op wat wijze dat het zij, zijn mogendheid te onderhouden? Ik bid u, ziet eens den vreemden aard van dat Opperhoofd: ’t gerucht gaat van hem, dat hij de voorzichtigste en gemeinste Man ter wereld is; en evenwel betoond hij, dat hij tot het eene, en het andere zoo weinig genegendheid heeft; en de behoudenis van een ijdele eer darf vast stellen, tot schade van ons geluk en leven. O vreemde zaak, hij ziet [p. 499] dat wij hier van dorst sterven, zonder dat het ons mogelijk is van eenige plaatse iets te bekomen, daar mede wij onzen dorst lesschen; en ondertusschen beklaagd hij geen kosten, noch arbeid, om hem alle dagen versch water van den Jordaan te doen brengen, om zijn Malvezeijen, en andere lekkere dranken, te verkoelen. Zoo spraken de Franssen van heur Opperhoofd, terwijl dat den Oversten der Grieken, moede zijnde om voortaan onder heure vendelen op te trekken, dus uitvoer; Om wat reden zullen wij zoo dwaas zijn, dat wij hier van dorst sterven? zoo Godefrooy, in zijn aanslag verblind zijnde, geheel ontsinnig wil wezen, dat hij ’t dan zij zooveel als hij wil, aangezien dat ’er niemand als hij, en zijn volk schade bij zal lijden: maar ik ben niet van zin, die dwaze dierten in te voeren; en ik weet genoeg te nacht wech te geraken, zonder van hem oorlof te nemen. Naauwlijkx was het noch dag geworden, of dit voornemen beweegden andere om na te volgen, zoo haast als zij ’t bewust wierden. Aymart, Klotaris, en de andere Oversten, die niet meer als geraamten en stof waren (vermits den genen, die alle dingen vernietigd, haar den eed had doen breken, die zij gezworen hadden) beraamden nu om deur te strijken. Doch hoewel Godefrooy deze aanslagen grondig bekend waren, en hem verwittigd was, dat eenige, onder het deksel van de nacht, waren deurgegaan, zoo had hij evenwel een afkeer van de mid- [p. 500] delen die van haar zelve wreed zijn, en trachte zijn volk tot haar plicht door zachtmoedige middelen te herstellen. Hierom nam hij met dat vierige geloof, dat niet alleen machtig was den loop der Zonnen, of die van de snelste stroomen te steuiten, maar ook om de bergen te verzetten, zijn toevlucht tot den eenigsten Monarch der wereld, en bad hem ootmoedig, dat hij hun voortaan de levendige bronnen van zijne heilige genade wou ontsluiten. Hier op brandende van een heiligen ijver, met de handen tsamen geleid, en de oogen ten Hemel geslagen, bad hij op deze wijze. Vader der barmhertigheid, zo gij in de onvruchtbare Woestijne eertijds het hemelsch Manna hebt doen regenen, om uw volk te spijzen; en zoo gij, door uwe oneindelijke goedheid, aan sterffelijke handen de macht gaaft om de rotsteenen te gebieden, en daar groote waterstroomen uit te doen springen; ik bid u, vernieuw deze maal dat wonderlijk voorbeeld, tot laaffenis van dit arme volk. En zoo heur zonden haar onwaardig maken, laat uw genaden evenwel verdubbelen, terwijlze de eer hebben van uw soldaten te zijn, en om datse met zooveel moeiten de wapenen hebben aangevaard, tot bescherming van uwen heiligen Naam.
    Deze gebeden voortkomende, uit een ootmoedige en rechtvaardige begeerte, wierden terstond verhoord, en vlogen recht na den Troon Gods, dieze gunstig ontfing en aannam, want terstond sloeg [p. 501] hij zijn medelijdende oogen op de benden der geloovige soldaten, en wierd bewogen door haar verdrukking en gevaar, daar zij haar dagelijkx tot zijnen dienst in begaven. Al de ontelbare ongemakken die mijn trouwe dienstknechten voor dezen hebben geleden, sprak hij, zullen genoeg zijn; dat de Hel het alderquaadste en geheimste tegen haar gewapend, en dat de geheele wereld al heur aanslagen wederstaan heeft, van nu af wil ik dat de zaken van wezen veranderen, en dat heur voornemen vernieuwende een beteren keer neme. Dat het dan regene, en dat zij hier beneden zien weder keeren haren onverwinnelijken held, die aan de machten van Egipten, zo veel voorbeelden van zegepralende teekenen, t’harer aankomsten geven zal; dit zeggende, op het schudden van zijn hoofd alleen, beefden de geheele uitbreiding der Hemelen, de vaste sterren, de lucht, den Oceaan, de bergen, en d’alderdiepste afgronden: als doen zag men ter slinker zijde flikkeren, ontallelijke blixemstralen, vergezelschapt met een afgrijsselijk geluid van den donder, die terstond vervolgd wierd met het getier der soldaten en heur vrolijk handgeklap: terstond bedekte zich de lucht met dikke wolken, die niet gesproten waren uit de dampen der aarde, die de Zon na boven trekt, maar die van den Hemel dalende, met een groote menigte van water begord waren: zeer haast bluste een donkere nacht den dag uit, en bewimpelde hem in zijn duistre [p. 502] kleederen; van boven vielen hier beneden, zulke groote watervloeden en plasregens, dat den Hemel in een Zee veranderd, scheen op het aardrijk neêr te storten: gelijk men somtijds in den zomer, een troep ganzen haar ziet onthouden, op de kant van een uitgedroogde vliet, en daar door heur heesch geschreeuw betoonen de verquikking die zij gevoelen, zoo ’t gebeurd dat het regenachtig weêr is, en datse t’effens haar mogen laven en verquikken, daar het water het diepste is, zonder dat’er een is die niet onder duikt; alzoo kan men nu zien hoe alle die van het leger, met een vreugdgeschreeuw, het water ontfingen dat den Almogenden haar overvloedig van boven neêrgoot; daar was ’er niet een of hij was wel blijde van het hoofd tot de voeten toe nat te zijn; die niet en dronk met volle schalen; die zijnen helm niet vol wech droeg; die zijn handen ’er niet in gedompeld hield om hem te ververschen; en die uit vrees, van dat het hem in toekomende ontbreken mogt, geheele vaten niet opvulde, om het te bewaren tot een beter gebruik, als zoo te loor laten gaan: eindelijk was ’er niemand onder haar, die zich niet verheugde en die door menigte van water, de misslag die hij voor dezen gehad had, niet zocht te verbeteren: Maar deze algemeene blijdschap raakten niet alleen de levendige schepselen, maar de aarde zelfs; want zij die te voren quijnde, opende haar aan alle zijden, en verzwelgden nu het water des Hemels; ’t welk, [p. 503] in heur inwendige aderen verdeelende, een groeizame vochtigheid in bloemen en kruiden herschepte, die een nieuw leven ontfingen: gelijk, om de koorts te genezen, het lichaam van een heete dorst geplaagd zijnde, door verscheide dranken zich tracht te verkoelen, tot dat op het laast de oorzaak van ’t quaad begint op te houden, het weder tot zijn vorige starkte komt en zich ontlast van die schadelijke quaadaardigheid, die zijn zwakke leden tot voedsels verstrekten; alzoo herstelde de aarde zich in heur eersten staat; hernemende zijn gewonelijke groenten en vercierden haar met nieuwe kransen. Den regen hield eindelijk op en de Zon begon te schijnen; maar de stralen die hij in de lucht uitschoot waren meer gematigder als te voren, en van een zwakker kracht; gelijkse gemeinelijk in’t einde van Grasmaand en in ’t begin van Bloeimaand te voorschijn komen. O wonderlijke werken des geloofs, door u is ’t, dat den genen, die zijn hoop in God steld, al het doodelijk overlast uit de lucht kan verbannen, d’orde der tijden veranderen, het tegenloopend noodlot overwinnen, en de quade invloejingen der starren afwenden.
Continue
[
Frontispice canto 14]
[p. 504]

TORQUATO TASSOOS

Verloste

JERUZALEM.

Het veertiende Gezang.

INHOUD.

HUgo, die van Argant ter dood was gebracht, verschijnt Godefrooy in een droom, en zeid hem een deel van den uitgang die zijne aanslagen hebben zullen. Verhaal van het wedervaren van Reinout, die Armijde, door haar toverijen, in een van de gelukkige Eilanden vervoerd heeft. Twee Ridders worden van een Konstenaar onderwezen, door wat middel datse hem daar uit zullen verlossen.*

De strijdbre Hugo die van Argant is vermoord,
    Verschijnt voor Godefrooy in ’t midden van zijn droomen;

[p. 505]
En zeid hem ook een deel (daar d’andre scherp na hoord)
    Van d’uitgang des besluits dat hij had voorgenomen.

(5) Verhaal van ’t geen gebeurde aan Reinout, die door list
    In ’t lukkige Eiland, door Armijdes Tooverijen,
Gevangen blijft; op dat haar brand wat word geslist
    Door troetelende lust van wufte vleierijen.
Twee Ridders leeren van een Konstenaar hoe zij.

(10) Hem zullen trekken uit dees geile slavernij.

DE donkre nacht steeg allengskens uit den kouden schoot der aarden, onze algemeene moeder, en voerde met hem de frisse stofregen van een overaangenamen*dauw; alreede schudde hij de vochtige zoom van zijn zwart kleed, en deê de drupplen vallen op de gespikkelde bloemen en aangename schaduwen van ’t veld, terwijle de zuidewinden, met het snorren haar’er vleugelen, den sterffelijken verluchten en door den slaap als betooverd hielden. Ondertussen, geduurende de duisternisse die haar hare rampspoed deed vergeten, keerde den oppersten Monarch der Wereld, die eeuwig waakt over alle de geschapene dingen, zijn genadige oogen, na den Veldheer der Franssen, hem een droom zendende vol vertroosting en verlichting; door de welke hij hem openbaarde wat hij over hem en zijn leger besloten had. Niet verre van de heerlijke Poorten, daar men de Zon in ’t Oosten ziet uitkomen, is een klein [p. 506] sterrepoortje van Kristal, ’t welk zich altijd opend, eer dat den draaiboom van den toekomenden dag het sluit. Dit is de plaats daar de ware droomen uitvliegen, die God, door een zonderlinge genade, den onnoozele en oprechte zielen als boden beliefd te zenden. Door deze zelve poort vloog nu de ware droom, die, zijn gulde vleugelen uitslaande, op den godvruchtigen Godefrooy neêr quam dalen: nooit was hem gezicht zoo aangenaam als dit, het welk hem de verborgendheid des Hemels openbaarde, en van ’t gestarnte ’t gene zoo na bij zijn oogen scheen; als of hij in een spiegel alle de hemelsche beelden zag: hij scheen in een heldren Hemel opgetogen te zijn, daar van alle kanten goude vlammen flonkkerden. Maar terwijl, hij, zoo hoog vervoerd, aandachtig, met verwondering overwoog het groot uitspreisel, die beweginge, die helderheid en de heerlijke gespelen; zie, zoo quam een dapper Ridder, omringd met stralen, na hem toe treden, en deed hem zulk een zielroovende stem hooren, dat alle de zoetste woorden van de sterffelijke menschen bij deze gants niet te gelijken was. Godefrooy, sprak hij, wildge mij niet ontfangen? weigerd gij d’ommegang aan de getrouwste van uwe vrienden? kend gij niet meer den genen die Hugo voor dezen was? Daar op begon Godefrooy, die hem aanzag, hem te kennen: Waarde vriend, antwoorde hij, de starke stralen die uit zop een heldre Zon voortkomen, hebben mij [p. 507] d’oogen en het gevoelen zoo verblind, dat ik nauwelijkx bekomen kan; dit zeggende omhelsde hij hem drie maal met zijne armen, en drie maal ontslipte hem de schim gelijk een droom, of gelijk als of hij de lucht omhelsd had; daarover den Ridder glimplachende, vervolgde; Gij moet weten dat ik geen aards lichaam meer ben, want al het geen dat gij in mij ziet, is waarlijk maar een enkle gedaante, en een geest gereinigd van alle gebrekkelijkheid, die zijn woninge heeft in het hemelsche Jeruzalem. Hier is den Tempel Gods, daar zijn de verordineerde zetels voor de krijgers, die voor zijnen naam strijden; hier is voor u ook een plaats bereid. O God, riep den Hartog, wanneer zal den tijd komen, in welke dat ik uit deze vergangelijke wereld verlost zal worden, die mij als een beletsel is, en mij hier beneden in een droeve gevangenisse houd? En bekommerd u hier niet mede, antwoorde den Ridder, gij zult wel haast in ’t gezelschap van die welgelukkige krijgers zijn, die zegepralen in de verheerlijking der zaligmakinge; maar eer dat geschied, moet gij in den rechtvaardigen oorlog veel zweet en bloed*storten; en na dat gij geheel Palestinen veroverd zult hebben, ’t gene d’ongeloovige onrechtvaardig bezitten, zult gij uwen koninglijken Troon bevestigen, op den welken uwen broeder zal heerschen; en om u meerder altijd inde goddelijke liefde t’ontsteken, ziet eens stijf op die glinstrende lichten en levende vlammen, [p. 508] die door een heiligen geest aangevoerd ende bewogen worden; wend ook aandachtig uwe ooren na het lieffelijk Muzijk der Engelen, en gij zult het veel aangenamer vinden als het gezang der Meerminnen, of het geluid van een hemelsche harp; slaat nu ook uw oogen op die laast gesloten kloot (en dit zeggende toonde hij hem het Aardrijk met dan vinger) ziet eens hoe laag en ellendig de plaatse is, die de menschen tot vergelding van haren arbeid toegevoegd zijn: arme zondaars, o hoe verdwaald zijt gij! uw eergierigheid, hoe groot dat zij ook mag wezen, is in een naauwte besloten; zeker gij leefd in een dorre onvruchtbaarheid, afgezonderd van al het goede. Dit Aardrijk, ’tgene gij zop waardig schat, is niet anders als een Eilandi, omringd van den Oceaan, die gijgeloofd onmetelijk te zijn; maar ’t is zoo besteld, dat hij het tegendeel van u gevoelen niet zeggen kan, dewijl hij maar een kleine poel is, of een stilstaande watersloot. Terwijl dat den eenen zoo sprak, sloeg den anderen zijn oogen na beneden, ’t welk hem terstond deé glimplachen, als of hij de wereldse dingen verachten; want hij zag terstond met een opslag, in het rond van een kleine ommetrek, de Zee, het Aardrijk en de stroomen, die ons zoo ver van elkanderen*schijnen te zijn: als doen verwonderde hij hem over de zotheid des menschen, die door een dwaze broosheid niet anders als een schaduwe en rook volgen, zoekende in deze wereld een rijk dat in de sla- [p. 509] vernijen steekt, en een stomme eer, in plaatse van hare oogen ten Hemel te slaan, die haar dag, op dag noodigd en roep: wel, zeide hij, terwijle het Gods wił noch niet is, inij zoo haast, als ik wel wenschte, te verlossen uit dit aardsgevangenhuis vol duisternis; ik bid u verplicht mij den weg te wijzen, daar ik hetzekerste, in de omwegen van dit aardsdoolhof, gaan mag. Den rechten weg, antwoorde Hugo, is die gij nu genomen hebt; daarom en keerd ’er niet af: ’t eenig voorschrift dat ik u noch geven moet, is dat gij den zoon van Bartholdus, weêr inroept uit zijn vrijwillige banning, want de zelve goddelijke voorzienigheid, die u tot Veldheer, heeft hem tot de volbrenging van uwe aanslagen verkoren; u is de eerste plaatse en hem de tweede bereid; gij zijt het hoofd en hij den arm van dit Heirleger: terwijl dat dit zoo is, wacht u wel iemand in zijn plaatse te zetten, daar niemand bequaam toe is als hij; ook is niemand dan hem alleen toegelaten eenig hout te halen uit dit bos dat zoo betwoverd is: uw leger, ’t welk door gebrek van oorlogsvolk, tot dezen aanslag niet machtig genoeg schijnt, zal wel haast veranderen en een nieuwen moed scheppen, tegen de welke de belegerde muuren, hoe stark datse ook zijn, noch al de macht van ’t oosten niet zal konnen bestaan. Godefrooy, door deze woorden grootlijkx vertroost zijnde, antwoorde; Helaas, wat is ’t ons een groot ongeluk van zoo een vroom Ridder beroofd te zijn! [p. 510] wat zoud ik mij gelukkig achten zoo bij nu weder gekeerd was! ik roep u tot getuigen, o welgelukkige geesten, die van om hoog in ’t binnenste van onze heimelijke gedachten doordringt; en die genoegzaam weet hoe dat ik hem prijze en bemin. Maar, ik bid u, zeg mij, wat zal ik hem aanbieden, wat zeggen, en in wat plaatse zal ik hem een boode zenden? wild gij, om hem weêr te roepen, dat ik mijn bevel, of mijn macht krenkende, gebeden gebruik? Den eeuwigen Koning der wereld, vervolgde Hugo, die u met zoo veel genade gezegend, en beliefd heeft te vervullen, wil dat gij geéerd word van haar, daar hij u de macht over gegeven heeft; zulx dat, zoo gij hem weder verzocht, het u licht tot schande mocht gerekend, en uw gezag gekrenkt worden: Het gene evenwel niet behoord te beletten, dat gij hem niet weêr inroept, hier toe verzocht zijnde; en dat gij evenwel hem ten eersten niet zoud vergeven, met het eerste verzoek datmen u doen zal, tot het welke gij zult geleid worden door den dapperen Guelfus; die, van God ingegeven, u zal bidden te willen herstellen de misdaad van zijn Neef, door een losse haastigheid der jongheid, en uitnemende gramschap, begaan: op dat hij hier na mag weder in ’t leger keeren, tot d’alderhoogste eer van d’eewige Schepper. En evenwel, schoon hij tegenwoordig ver van hier is, en dat zijne jongheid ongevoelijk verteerd in de wellnsten van een dertel en [p. 511] sterflijk leven; zoo vrees niet, dat hij, in weinig dagen, niet weder zal keeren tot uw bijstand, en vertroosting van alle geloovigen. Want Peter, den wijzen kluizenaar, die van den Hemel gegeven is een groote wetenschap van hare verborgendheid; zal zeer wel de boden die men verkiezen zal om hem te herroepen, bestellen; zulkx dat zij nieuwe verzekerde tijdingen zullen hebben, en door de zelfde middel het gebruik leeren, om hem te trekken van daar hij is en hier te leiden. Alzoo zal den Hemel naar veel rampen en gevaar door de Heidenen geloopen, op het laaste de verdoolde onder hare standaarts weder leiden; ’t gene u tegenwoordig behoorden genoeg te zijn; zoo ’t niet waar dat ik met deze woorden dit nieuws ’er bij voegden, dat u zeer aangenaam zal zijn; dat uwen bloede met dat van Reinout zal vermengd worden, en daar helden af zullen voortkomen, die haar niet minder doorluchtig zullen maken door hare deugden als geboorte. Hierop stil zwijgende, verdween hij als rook en wind, of als een dunne wolk, die door de stralen van een Zomerzon verteerd word.
    Dezen zoeten droom alzoo verdwenen zijnde, ontwaakte Godefrooy, en de slaap die hem verlaten had, liet hem, bij een verburge vreugde met verwondering vergezelschapt. Als doen naaulijkx zijn oogen geopend hebbende, ziende dat het hoog dag was, deê hij hem zijn wapens geven, willende niet [p. 512] meer rusten, hoe wel zijn lichaam noch gevoelde de vermoeidheid van den verleden dag. Een weinig tijds hier na quamen hem de Princen en de hoofden van ’t leger in zijn hutte bezoeken, om krijgsraad te houden, gelijkse alle morgen gewoon waren; alwaar den wijzen Guelfus, aan de welke, niet lang geleden, van den Hemel een nieuwigheid was ingegeven, het woord nam, en den Hertog naderende; tot hem sprak; Groote Prins, die in ’t midden van zoo veel uitstekende deugden, u ontsaglijk maakt door uw goedertierentheid; dat ik hier tegenwoordig kom, is niet anders als om een genade van u te verzoeken; ik beken dat mijn verzoek u licht zal schijnen te haastig en te voortvarende te zijn, om dat het noch niet lange geleden, dat de misdaad, daar ik vergiffenis af verzoek, begaan is. Maar als ik ga overdenken, dat het tot den beleefden Godefrooy is dat ik mij keer, om de gunst van den strijdbaren Ridder Reinout; en als ik in die zelfde tijd mij verbeelde, dat Guelfus die ’t verkrijgt; misschien iets in hem heeft, ’t gene verdiend dat men ’t hem niet weigere; dan krijg ik terstond een zekere hope, om lichtelijk te verkrijgen ’t gene ik begeer; ’t welk zal verstrekken tot welvaren van ’t geheele leger: wel aan edelmoedige Heeren, staat dan toe dat die jongen Ridder weder kome, en dat hij tot voldoening van zijn misdaad, zijn bloed ten dienste van het leger vergiet; op dat onzen aanslag mag verkort worden: [p. 513] want waar zal de gene zijn, die nu voortaan hem zal durven onderwinden het minste van die schrikkelijke boomen te hakken, zoo Reinout daar niet de handen aanslaat? Zou iemand de gevaren des doods gaan zoeken met zulk een standvastigheid als de zijne? Waarlijk ik verzeker mij zelve, dat gij hem wel haast zult zien doen bewegen, die hooge muuren die u tot tegenwoordig toe hebben tegen gestaan, de poorten der stad ter neêrwerpen, en de eerste van alle stoutmoedig op de vesting klimmen: geef dan het leger weder den gene die haar hoogste hoop en begeren is: ik bezwere u in de naam van God; geef den Neef aan zijnen Oom weder, en geeft gij aan u zelven een overste, die niet minder gereed zal wezen om u te gehoorzamen, als genegen te zijn tot daden, daar door een’ naam is te verkrijgen: en lijd niet dat hij onnuttelijk verga in een trage ledigheid; maar doet hem weder herstellen in zijn eerste eer, op dat hij onder uw verwinnende standert mag optrekken. Door deze middel zult gij zien, hoe dat hij openbare proeve van zijn deugd geven kan, en bij den heldren dag dingen doen, die waardig van hem gedaan zijn; hem voor oogen stellende de voorbeeldsels van zijn eenig Opperhoofd. Deze woorden sprak Guelfus tot Godefrooy, en om dit te bevestigen vermengde alle d’andre die met haar toegenegene gebeden. Dewelke den Hertog aandachtig aanhoorden, gelijk als of hij zich tegen zijn gevoelen hier bewegen, in een za- [p. 514] ke nooit meer gezien: Mijn heeren, ’zeide hij, ik zoude u nimmermeer kunnen weigeren een genade die gij zoo vierig van mij begeerd; dat de strafheid dan voor de goedertierendheid wijke, en dat het vergenoegen van deze vergadering de plaats van de wet hou; dat Reinout ter goeder uure wederkom, dat hij in toekomende beter zijn gramschap weet te bedwingen; en dat hij door de daden van zijn moed bevestige de groote hope die ijder van hem heeft: maar ondertussen, heer Guelfus, is ’t u bevolen hem weder in te roepen, en ik ben verzekerd dat hij niet lang zal toeven om terstond te komen; hierom verkiest zoodanigen bode als gij wild, en zend hem daar gij oordeeld dat hij ten naasten bij te vinden zal zijn. Als Godefrooy geëindigd had met spreken, trad die zelfden Ridder van Denemerken, die de tijdinge gebracht had van het overlijden van zijn meester, te voor, en vertoonde hem voor haar alle: Mijn heeren, sprak hij, ik bid u dat niemand anders als ik hem weêrhale; zoo gij mij deze gunst doet, zult gij bekennen, dat hoe verre en moejelijk de weg is, ik nimmermeer zal weigeren daar te gaan, al waar ’t maar om den Ridder dit zwaard te geven, ’t gene mij belast is hem ter hand te stellen. Guelfus stond deze aanbieding terstond toe, om dat het een man was die stoute aanslagen uitvoerde: hebbende het dan aangenomen; gaf men hem tot medegezel den vromen Hubout, die met recht roemen mogt een van de er- [p. 515] varenste des werelds te zijn; dié het beste van zijn leven doorgebrocht had in ’t bezichtigen van vreemde landen en de zeden van verscheide volken, daar hij bijzonder in ervaren was; reizende door de koudste gewesten van ’t Noorden, tot in ’t diepste van Ethiopie, daar de hitte onverdraaglijk is. Deze dan geprikkeld zijnde, door naarstigheid en wijsheid, had geleerd de spraak en gewoonte van die landen hij nu gekomen zijnde tot een rijpen ouderdom, had zich begeven in dienst van Guelfus, die hem boven al d’andre van zijn gevolg beminde. Deze twee helden hadden d’eer van in Reinouts zaak afgevaardigd te worden, en men onderrichtenze den weg naar Antiochie te nemen, daar Bohemont toen regeerde, om dat ’er eenige schijn was van hem daar te vinden. Maar Peter die vromen Kluizenaar, na dat hijze wel gehoord had, viel eindelijk in haar woorden; Heer Ridders riep hij, gij kund geen snooder leidsman hebben dan het gevoelen van alle menschen, die men gemeentelijk heel onzeker bevind; ook is ’er niet aan te twijffelen, dat indien gij die volgden, gij wel haast van den rechten weg verdwaald zoud zijn: gaat dan tot de naaste oevers van Ascalon, daar men een stroom ziet, die niet verre van daar, zich in Zee gaat ontlasten; daar zult gij een van onze getrouwe vrienden ontmoeten, die ik u rade te gelooven, en ik ben verzekerd dat zijn raad u niet schadelijk zal zijn; boven dien dat hij geweldig voorzichtig is, [p. 516] zoo draagt hij geen minder genegentheid tot ons, hoe wel het alreede een geruimen tijd geledenis, dat ik hem eenige opening van uw reis gegeven heb; ’t welk mij doet gelooven dat gij hem niet minder beleefd als geleerd zult vinden. Na dat hij zijn gevoelen aan deze twee Ridders gezeid had, onderzochtenze niet langer, maar gehoorzaamden die woorden die een hemelsche geest hem gezeid had: zij vertrokken terstond op deze reis, door een vierigen ijver vervoerd zijnde, van stip tot tip te volbrengen ’t gene men haar gezeid bad: zij namen den weg naar Askalon, daar de Zee niet ver van daar zijn golven op den Oever komt te breken, maar eer datse het geraas en geruis hoorden quamen zij bij een stroom, die niet lang geleden door den regen zoo gezwollen was, datse over het peil langs ’t veld heen vloeide, stortende zijn loop veel snelder neder als een pijl vliegt: terwijlze op den oever van ’t water stonden, zonder te weten waarze wilden keeren of over komen, zoo vertoonde zich op d’ander zijde van den oever, een eerwaardigen Grijzaard, bekranst met een krans van eike bladeren, en gekleed met een linnerok, die hem tot op d’aarde na sleepte: O wonder, hij had naaulijkx het water met een klein roedeken geslagen, dat hij in zijn hand hiel, of men zag hem ’er lichtelijk over gaag, zonder zijn voeten nat te maken, of zonder een weinig ’er in te zinken; gelijk in de naast gelege plaatsen* [p. 517] van de noorder Pool, in de tijd als al de revieren door de krachtige kou bevrozen zijn; d’inboorlingen bij troepen op den Rijn gaan, daarze, zonder vreeze van te vallen, op het ijsglijen, door middel van ijzers dieze onder aan de voeten hebben, en brengen zoo haar waren in de marten te koop; met zoodanigen verzekerdheid ging den grijzaard op het water, hoe wel ’t niet bevrozen was: maar als hij nu aan den oever gekomen was, daar de twee Ridders die hem wachten, haar niet genoeg kunnende van dit wonder verwonderen, sprak hij; Vrienden de reis die gij aangenomen hebt is niet minder verdrietig als lang, zulkx om tot het einde te komen, gij wel een goede leidsman van noode hebt; want den Ridder die gij zoekt, is hier ver van daan afgescheiden; hoe wel men hem bewaard in een plaats die qualijk verzekerd is, en daar men licht kan aankomen: O God, wat weg moet gij noch doorreizen eer datge komt daar hij is! wat een groote uitstrekking van Zeên en onbekende Revieren moet gij eerit doorkruissen eer gij hem aandoet? zeker uw reize moet zich uitbreiden tot op de grenzen van een andre wereld als deze is, neemt dan de moeite, zoo het u beliefd, u hier in deze spelonke te verfrissen daar ik woon; daar kond gij dingen zien, die waarlijk vreemd en van groote gewichte zijn: zelfs zult gij ook de verborgentheid leeren, daar de kennisse u het meeste van raakt. Dit gezeid hebbende gebood hij ’t water haar eenen vrij- [p. 518] en deurgang te geven, zoodanig dat het zich van elkander scheiden, en aan wederzijde tot elkanderen boog, gelijk een overwelffel, of als een bolwerk, zulkx datse droogsvoets daar door konden gaan; als doen nam hijze alle beide bij de hand, en door het diepste van den stroom geleide hijze, onder gewelfselen, daar men niet meerder zien kon als in ’t midden van ’t bosch, wanneer de maan noch niet vol is: daar vertoonde zich voor haar oogen, diepe spelonken vol van water, daar de oirsprongen en aderen, die van daar haar uitbreiden, in stilstaande waterpoelen en loopende revieren uit voort komen: daar kondenze zelf zien, den oirsprong van de Po, van den Hidaspes, van den Ganges, van den Eufraat, en den Donauw, met die van den Tanäis en den Nijl, hoe onbekend datse aan de menschen mogen zijn: een weinig leeger, zagenze een stroom die quikzilver met zwavel uitstorte, ’t welk de Zon smolt en door een lange rij van jaren zuiverde, zulkx dat deze dierbare vochtigheid zich op ’t leste t’zamen voegde tot een klomp zilver, daar men graantjes fijn goud onder vermengd zag: zij zagen van d’eene zijde tot d’ander, de kant van deze rijke stroom met alderhande gesteenten bezaaid, ’t gene zulk een heerlijk licht en heldren glans gaf, dat het oog niet machtig was om die te verdragen, zoo zeer was de donkerheid van deze holen verlicht: daar zag men den Safier van een hemelsche kleur glinsteren, daar [p. 519] de schoonen glans hem voegde bij die van den vergulden Jacint; in die zelfde plaats schoot den Karbonkel zijn vlammen in d’oogen als zoo veel blixemstralen; d’onverbeterlijke Diamant speelde met blaauwe stralen, en de fijne Esmeraude verheugde het gezicht door zijn aangename groene verven. Deze wonderen vervoerden de Ridders; en hoe meer dat haar geest dit aandachtig trachten t’overwegen, hoe meer dat haar zoo veel wonderlijke verborgendheden van de natuur optrokken: deze nieuwigheid deê haar eenigen tijd onbewegelijk en stom staan, tot dat eindelijk hem Hubout, tot den Grijzaard keerende, sprak; Mijn vader, ik bidde u wijst ons ten minsten waar wij zijn, en waar gij ons leid? doet ons ook d’eer van uwen staat iets t’openbaren; want ik wel twijffelachtig wezen zou, u te zeggen, of het gene dat ik zie waarachtig, of een droom, of een schaduwe is; zo groot is de verwondering die mij bevangen heeft: Mijn kinderen, antwoorde haar den Grijzerd, gij zijt in den wijden boezem der aarden, die in zich zelfs alles voort brengt; en het zou u zeer moeilijk vallen tot het binnenste van haar ingewand door te dringen, zoo ik u niet voor leidsman diende: op het leste zal ik u leiden in mijn Paleis, dat gij haast zult zien glinsteren van een wonderlijke klaarheid: wat aangaat mijn gelegentheid, gij moet weten dat ik een geboren Heiden ben; maar het heeft God beliefd mij de genaden te doen, op den waren [p. 520] weg van zijn kennisse; door middel van den heiligen doop, te leiden: ik zeg u dan, dat het geen duivelen zijn die mij deze wonderen doen uitwerken; God behoede mij dat ik heilooze letteren, offerhanden, reukwerk, aanroepingen, of andere ongeoorloofde dingen zou gebruiken, om de zwerte stroomen van Cocytus en Flegeton te bedwingen: al mijn voonemen is, te zoeken door de wondere werken der natuur, wat kracht dat de Hemelen, de Kruiden, de Wateren, en alle d’andre dingen hebben, die aan de sterffelijken onbekend zijn; met de verscheide bewegingen; het gade slaan van de dwalende en vaste starren: ook ben ik niet gewoon altijd in deze aardsche woonplaatsen besloten te wezen, die al te verre zijn van den Hemel; ter ander zijde onthoude ik mij het meesten van den tijd, op den berg Liban, of Karmel; op het hoogste van de welke ik een verblijfplaats heb, daar de lucht, van deksel der wolken ontwonden zijnde, mij ongedekt zien doet, de vaste starren van Mars en Venus, en alle haar voortekenen: van die zelfde plaats aanschouw ik d’invloejing der Hemelen, of tegen, of met ons, en wat ijder vaste star, of haastig, of langsaam, of doet voortgaan, of aarzelen en verborgen in hem heeft: daar zien ik de wolken onder mijn voeten drijven, nu dik, dan dun, dan weder met duisternisse bedekt, en somtijds met den regenboog geschilderd: ik overdenk aandachtig van wat stoffe den regen en den [p. 521] daauw geteeld worden; hoe en van waar de winden blazen; door wat middel het licht des blixems en des donders gemaakt worden door wat kromme en linxe drajen zij haar hierom leeg komt neêrstorten: van verre zie ik de gloejende Hemelriemen, en zoodanige andre inbeeldingen des vuurs; dingen daar ik de kennisse altijd grootelijkx af geprezen en gevolgd heb, en daar zoo grooten vermaak in gevonden, dat ikse voor zoo veel vaste-proeven der macht, van d’eenige Schepper der Hemelen, gehouden heb: maar sedert dat uwen godvruchtigen Kluizenaar, Peter, mij in den heiligen vloed der Jordane doopte, en d’onreinigheid van mijne ziele wiesch, sloeg ik mijne oogen veel hooger, en bekende datse van haar zelven blind en met een dikke wolk bedekt waren; als doen gevoelden ik, dat ons zwak verstand is, als een nachtvogel die men aan het licht der Zonne beproefd; zułkx dat ik met mij zelve, en mijn dwaasheid begon te lachen, die mij zoo opgeblazen maakten: ik liet evenwel niet minder mijn aangevange oeffening, daar ik mij toe begeven had, te vervolgen: ’t is waar dat ik nu heel een ander mensch ben als ik voor dezen plag te zijn, omdat ik nu geheel onder die Goddelijke goedheid, die ik ook tracht door alle middelen, met mijne werken na te volgen, besta: ik rust ор den gene die mij volkomen gebied, en die mij de gunst doet, in plaats van Meester en eenigen Opperheer, t’onderwijzen; ook moet gij toestaan dat door [p. 522] mij, die niet als een ellendig mensch ben, hij hem niet ontwaardigd wonderlijke zaken uit te werken, en die niet waardig als van zijn hand gedaan zijn: ik zal dan zorg dragen dat door mijn middel, die onverwinnelijken Ridder zal weder in uw leger keeren, na dat hij verlost zal zijn uit die ver afgescheiden gevangenis, daar hij seder zijn vrijwillige banning is gehouden geweest; ik neem deze last op mij, om dat mijn naarstigheid mij hier toe verbind; want het mij van om hoog bevolen is: hierenboven dat het al lang, geleden is, dat ik uw herkomste, die mij geopenbaard is, verwachte.
    Als zij nu elkanderen alzo onderhielden quamenze eindelijk bij de plaats die den Grijzaard voor verblijf strekten. Zij was op de wijze van een hol gemaakt, inhoudende verscheiden groote kamers, en breede Zalen, vercierd met het allerrijk- en dierbaarste dat d’aarde, uit het diepste van zijn aderen, voordbrengt. Over al, waar men zijn oogen keerde, zag men niet als glinstering, daar door d’aanschouwers verblind wierden. Boven dat scheen het niet, dat de konst al deze heerlijkheid gewrocht, maar veel eer dat de Natuur deze plaats zoo vercierd had. Daar waren geen groot getal dienaars van nooden, die haar altijd vaardig hielden, om den genen, die hem over quamen op te passen; Boven dien dat de tafel wel gedekt was, zag men noch aan de zijde een kas*met groote goude en kristalle vaten, en al- [p. 523] derhande dierbaar vaatwerk. Na datse zoo veel geéeten en gedronken hadden, als noodig was om de natuur te verzadigen, sprak den Konstenaar, die niet liever zag als om haar te voldoen, ’t geenze van hem begeerden, tot haar; Ik wil dat gij nu door mij vergenoegd zult werden, en dat uw reis geensins onnut zij. Daar op zijn reden hernemende, vervolgde hij; Heer Ridders, ’t en is van heden niet, dat gij Armijde en haar ontrouwigheden kend: ik ben verzekerd dat in uw gedachten d’overblijfselen zijn gebleven, sedert dien dag dat zij in uw Leger quam, daar zij veel brave hoofden uitlokten, die ’t heimelijk ontslopen om haar te volgen. U is niet onbekend met wat banden zij haar seder boeiden, ongetrouwe waardinne, als zij was; en hoeze haar, met een groot geley, voor gevangenen na Gaza zond, daar zij op den weg, door den vroomen Reinout, verlost wierden. Daar schiet tegenwoordig nu niet meer over om u niet te vertellen, als ’t gene daar na geschiede; want hoewel de zaak waarachtig is, evenwel ben ik verzekerd, dat gijze noch niet gehoord hebt. Zoo dra als deze booze Tooveresse zag, datse van den roof, dieze met zoo veel moeiten bekomen had, beroofd was, beetse op hare vingeren van razernij en woedende gramschap; Waarlijk, sprakse bij haar zelven, deze zal ’t zoo niet ontslippen, gelijk men zich verbeeld. Ik kan wel beletten, dat den vijand niet stoffen zal mij zoo brave gevangenen ont- [p. 524] nomen te hebben; terwijl dat Reinout, die zoo befaamd is, haar verlost heeft, moet hij in haar plaatse komen, en die zelfde slavernij gevoelen, die zij, door zijn hulpe ontgaan zijn. ’t Is hier noch niet meê genoeg, ik wil dat het verlies van dezen Ridder, tot den algemeenen ondergang van’t geheele Leger gedij. Dit gezeid hebbende, gingse terstond om haar schadelijken aanslag te volvoeren, op die zelfde plaats daar Reinout, na dat hij haar volk, die hen geleide, verslagen, of ten minsten eenige op de vlucht, d’andere aan stukken gehouwen had, zijn wapenen nedergeleid, en die van een Heiden genomen had; ’t zij dat hij dat deê om niet bekend te zijn, of om minder schijn te hebben, zoo vermomd zijnde, en door die middel het zoo lichter t’ontvluchten. Deze ongetrouwe, onder zoo veel lichamen, als daar op d’aarde uitgestrekt lagen, een zonder hoofd gevonden hebbende, wapende dat met de wapenen van den Ridder, en liet het op de kant van een kleine revier, daarze zag dat een troep Franssen, die om voeder gegaan waren, niet lange toeven zouden voorbij te komen; uit het welk zij, zonder twijffel, genoegsaam t’alles kon gissen, door de schijn dieze zag; hoewel haar geen verspieders ontbraken van tijd, die tot tijd, haar nieuwe tijding uit uw leger, bragten, rakende den genen die uit, of in quamen. ik laat dan noch ter zijde, al datse kon weten door middel van haar gemeene geesten en duivelen, die’t [p. 525] haar dikwils verwitigden, als hebbende verburgen gemeenschap met haar. Zij dan, noch niet vernoegd zijnde dit lichaam bequaam te maken, gelijk ik alreede gezeid heb, om haar beter van het quaad, ’t gene zij brouwden, te dienen; stelde zij, niet ver van daar, een toegemaakte man, in boere kleederen vermomd, en onderwees hem op zijn manier wel zijn rol te spelen; gelijk hem geen wetenschap ontbrak dat wel uit te voeren: want middel gevonden hebbende tot uw volk te spreken, was hij d’oorzaak van het vermoeden datmen sedert van Reinouts dood gehad heeft, en ’t gene het Leger zoodanig in oproer stelde, dat het weinig scheelden, of daar had een bloedigen oorlog, onder den uwen, uit ontstaan; zoo waarlijk kon deze trouwlooze haar aanslag een glimp geven, datse uw volk deê gelooven dat het Godefrooy was, die de dood van den Ridder verhaast had. Maar ’t is niet genoeg dat gij weet met wat loosheid Armijde haar eerst behielp: zoo gij het einde van deze zaak niet weet, en hoeze haar sedert met Reinout droeg, en wat hem geschiede. Gelijk het gemeenelijk een jagers streek is het wild langs den weg te verspieden, zoo deze ook; verwachtende den Ridder gemenelijk op de kant van den stroom Orontes, op een zekere plaats, die zij bequamer als d’andere oordeelden, het welke zich in tweën verdeelde op de wijze van een eiland, en zich beneden weêr t’samenvoegde. Hier bespeurden Reinout*een [p. 526] klein schuitjen, aan een marmore pijlaar vast gemaakt, daar deze woorden, in goud, op gesneden waren: Wie dat gij ook zijt, Reizer, die hier komt met voordacht, of bij geval; weet dat ’er van den op- tot den nedergang, niet zoo wonderlijk is, als ’t gene dat in dit Eiland beslooten is. Draal dan niet om in te komen, zoo gij ’t zien wild, of ten minsten de moed hebt. Dit geschrift beweegden Reinout terstond derwaards te gaan, om deze wonderen te ontdekken. Nu, om dat in ’t schuitje niet meer als een mensch kon overvaren, ging hij ’er alleen in zitten, latende zijn schildknaap op de kant van ’t water: hij voer rondom het eiland, en zijn gezicht aan alle kanten wendende, zag dat het aardrijk op verscheide plaarsen hol was, en met een aangename groente bedekt, aan het welke de bloemen en boomen tot verciersel diende. Eindelijk, waar dat hij zijn oogen sloeg, vond hij deze plaats zoo aangenaam dat hij ’er op ’t lest stil hiel, en zijn helm en handschoenen nederleggende, ruste hij op groene zoden, en verfrischten hem in de westewinden, die hem lieffelijk bewaaiden. Terwijl hij nergens op dacht, hoorde hij, ik weet niet wat voor, geraas, ’t gene van de waterkant quam; maar als hij zijn oogen derwaards wierp, zag hij dat, op de zelfde tijd, in ’t midden van de vliet, groote bobbels opquamen, haar uitspreidende in verscheide ronte. Deze oorzaak hem onbekend zijnde, verwonderde hij zich hier over in ’t begin’; [p. 527] en noch veel meerder toen uit het diepste van den stroom, het hoofd van een vrouw opquam, die al langsaam haar hals en blanke keel vertoonden, en eindelijk haar tot de navel deê zien, hebbende onder de gedaante van een Meerminne. In de eene hand hield se een spiegel, daarze haar in spiegelde; en met de andere kemden zij haar vergulde lokken. Gelijk men zomtijds op een tooneel, daar men spelen vertoond, een Nimf, of een Goddin onbeweeglijk, in d’intreê van ’t spel, door middel van een tegenwicht, of andre konsten, ziet verschijnen; zoo vertoonde haar deze ook op het water: hoewel het veel eerder een spooksel dan een ware Meerminne was, zoo lietse echter niet na de gedaante daar van te vertoonen, en de gene na te volgen, die op de Tireensche Zee, eertijds den voorzichtigen Ulysses zochten te bedriegen. Ook had deze niet minder schoonheid als d’andre, en even aardenze ook met de zoetheid van hare stemme, ’t geenze genoeg door hare woorden bekend maakten, dieze met zoodanigen lieffelijkheid uitzong, datse machtig waren om de wolken stil te houden, ende de strafheid des winds te verzachten.

O Minnaars tracht, in ’t bloejen van uw jaren,
    Alleen uw lust en wenschen te voldoen;
Houd wijs de geen, die alle zorg laat varen,
    En die den tijd doorbrengt met min te voên.


[p. 528]
(5) Verband voor uw begeert’ van ijdele eere;
    Daar van de glans maar heeft een valsche lof:
Hoewel men die u dwaaslijk zoekt te leeren,
    En zoo verblindme uw zwakke geest met stof,

Op het vermaak van dit wellustig leven.

    (10) Bouwd vrijelijk de wetten van de reên;
Natuur zal uw geleiden, wel bedreven,
    En plukt de vrucht, eer zulk een tijd gaat heen.

d’Eergierigheid is dwaas en ongeslepen,
    Dat zij haar streeld met zulk een vals gerucht,

(15) ’t Geen niet is dan een stokbeeld, zonder grepen,
    Of als de looze en licht ontslipte lucht.

d’Eer, daar van u de schrale zorgen knagen,
    Is ’t blixemlicht dat u zoo haast verblind
’t Geen lichter als een droom is wecb te jagen,

    (20) Die haast verstuifd gelijk de lichte wind.

Wel aan dan, dat van voorgelede smarten
    De Ziele het gevoelen ras verliest:
En zonder het te bergen in het herte,
    Of heug dat leed, alsmen iets nieuws verkiest.


(25) Dat zich dan ’t lichaam ergens af verwonder,
    En niet en denk als om haar hertvermaak;
(Schoon dat den Hemel regen stort of donder)
    De vreugd bemin ver boven andre zaak.

Die zoete en aangename wijs van leven,

    (30) Die ons geleerd word deur Natuur heur wet;
Behoord u te verbinden, te begeven,
    Daar zelf u zelfs gij zulke palen zet.


[p. 529]
    Zie daar met wat tooverijen den Ridder zich betooverd voelden, en die niet weêrstaan kunnende, was hij gedwongen zich door den slaap te laten verwinnen, want terstond sliep hij zoo vast, dat hij geen meester van zijn gevoelen meer was; het voorbeeld van de dood hiel hem zoodanig bevangen, dat zelf de donder, en ’t grootst gerucht dat men maken kon, niet machtig zou geweest zijn om hem t’ontwekken; waar op d’ongetrouwe Tooveres acht nemende, uit de plaats quam daarze haar verburgen had, en recht naar hem toeliep, met voornemen haar te wreken; maar als zij hem met aandacht begon t’aanschouwen, en die aangenaamheid die hij uit asemde te ruiken; boven dien dat hij in zijn vredige oogen, die noch wel andere wonderen zouden gedaan hebben indienze ontsloten waren geweest, ik en weet niet wat voor betooveringe zag, stondse stil. In ’t begin en wistse niet watse doen wilde; eindelijk bij hem neêrgezeten zijnde, konze haar niet weêrhouden van hem een kus te geven, wiens kracht zoo groot was, dat al heur haat in een oogenblik in liefde verkeerde: en zeker ’t is te gelooven dat Narcissus zich zelf nooit aandachtiger in de fontein bespiegelde, als zij vierig was in hem t’aanschouwen: dan namze haar neusdoek en droogde het zweet af, ’t geen de hette en d’arbeid hem veroorzaakt hadden; en dan bewaaidese hem zoetjes, om de groote hitte van de Zonne te verzachten; ondertussen (wie zou het kon- [p. 530] nen gelooven?) was de vlam die in zijn oogen verburgen lag wel zoo machtig, dat zij al het ijs deed smelten, ’t gene noch weinig te voren in haar hart, veel harder als staal, of diamant, tegen hem gegroeid was; zulkx dat van vijandinne, die zij hem kort te voren was, zij nu zijn beminde wierd: hebbende dan veel lelien, nagelbloemen, Christusoogen en rozen geplukt, die rondom in dit aangename plein om strijd wieschen; maaktenze hem een keten, die hoe zwak datse was evenwel vast bleef; daar na hem den hals, de armen en beenen omwonden hebbende, zoo slapende als hij was, leize hem in een vliegende wagen, ор de welke zij hem met een ongelooffelijke snelheid, dwers door de wolken wech voerden; maar in plaats van de weg naar Damasko te nemen, wilde ze niet weder na haar Kasteel keeren: in tegendeel niet begerende dat iemand zoude ontdekken waar zij voortaan trachten te wonen, zoo belgziek wasse van ’t waarde pand ’t geenze meêvoerde, en beschaamd zoo van de liefde overheerd te zijn; gaat zij haar verbergen in die plaats van d’Oceaan, daar heel weinig, of nooit een schip van daan komt aan onze oevers; daar begafse haar uit de kennis van alle volkeren, en koos voor haar verblijfplaats een klein woest Eilandeken, daar de Fortuin en aan al d’omleggende de naam aan gegeven heeft; hier begafse haar onder een berg, wiens top door de wolken stak, omringd met een dikke en duistre mist, in wat tijd dat het [p. 531] ook zij: in ’t aankomen bedekteze, door de krache van haar tooverijen, alle de heuvelen daar ontrent met een nimmerdoojent sneeuw, en maakten dat in tegendeel, van d’andere bergen het opperste van dezen schoonen met alderlei bloemen bemaald was: daar na door die zelfde kunst, die haar al te wel bekend is, bouwdeze op de kant van een poel een heerlijk Paleis, daar Reinout, in ’t midden van eeuwige wellusten, vrolijk zijn tijd doorbrengt, en onderhoud hem met haar in liefde. Ziet daar heer Ridders hoe wijd en ver de gevangenis is daar gij hem moet uittrekken: om dit te doen zult gij eerst de wachters t’overwinnen hebben, die zijn jaloerse minnaresse op de toegangen des bergs gesteld heeft: evenwel zal u geen leidsman, of leidsvrouw ontbreken om u daar te leiden; te meer alzoo dengenen die de last hebben zal, u verzien zal van noodige wapenen, bequaam om dezen grooten aanslag uit te voeren; want naauwlijkx zult gij uit dezen stroom zijn, of gij zult een vrouwe gemoeten, die door de schoonheid van haar blank aangezicht zal schijnen jong te zijn, hoe welze inderdaad oud is; en zoo gij begeerd dac ik u andere tekenen zeggen zal, gij zult haar kennen aan haar lange gekrolde lok die op haar voorhoofd hangt, en ook aan haar rok die van verscheide verwen is: deze zal u door de groote Zee, veel snelder als een blixem of de vlucht van een Arent geleiden; in’t wederkomen zalze zorg dragen u te helpen, en [p. 532] u de zelfde dienst als te voren doen aan de voet des Bergs; daar de Tooveresse haar woonplaatfe houd, zal ’t niet missen, of gij zult schrikkelijk jonge Pijthons hooren brullen, en diergelijke besmettelijke en vervloekte dieren, gij zult wilde Zwijnen haar stijve borstelen zien over end steken; ook leeuwen en beeren, die met open kelen zullen komen om uw in te slokken; maar als dan zult gij maar een roede, die ik u geven zal, schudden, en gij zult zien datse bevreesd zullen zijn om de plaats te genaken daar de lucht geslagen is: dit ’s het niet al; op den top van den berg zijn wel andre zwarigheden, veel grooter als deze; want daar ziet men een fontein, wiens water zoo klaar en helder is, dat het ijdereen die’t ziet genegen maakt om daar van te drinken; maar evenwel is ’er d’ervarendheid heel gevaarlijk af, omdat in deze aangename frissigheid ik en weet niet wat fenijn verburgen is, ’t gene maakt dat den genen die ’er af drinkt, hoe weinig ’t ook zij, terstond dronken en van zoodanigen vreugd bevangen is, dat hij van te veel lachen stijf dood daar heen tumeld: ziet dan wel voor u van dat water te drinken, en blijft ver van die fontein: onthoud u ook van de spijze die gij over al rondom aangenaam zult bereid vinden; en genaakt de juffrouwen niet die haar voor u zullen komen vertoonen om u t’ontfangen, en trachten u aan te lokken, door alle middelen van beleefdheid; wend uw oogen van die schadelijke voorwerpselen; schuwd [p. 533] haar onkuische lonken en gevaarlijke streelinge, met al de betooverende aanlokselen van hare schoonheid: in plaats van u met haar vleierijen te bemoejen, zoo gaat voord, en spreekt tot haar niet een woord, tot in ’t groot portaal, daar gij zonder gevaar moogt intreden: In ’t inkomen zult gij daar wat moeiten hebben, om in die plaats te geraken, want in d’omring van die muuren zijn zoo veel wegen en omwegen; zoo veel looze ingangen, en verleidende poorten, dat het niet te gelooven is hoe gevaarlijk de wegen zijn. Maar om u uit die verwerring te helpen, zal ik u het ontwerp, of d’afteekening hier af, op een kaart, geven, die ik heb, daar al deze dingen, zoo wel afgeteekend in zijn, dat gij niet zult kunnen missen. In ’t midden van dezen doolhof, met verscheiden vertrekken, en lichamen van ’t hofgezin omringd, zietmen zoo schoon en aangenamen tuin, dat de takken, de bloemen en de bladeren daarin nier als liefde uitwaasemen. Hier zult gij, op ’t groene gras, Reinout, in de schoot van Armijde; zien leggen. Zoo dra als zij de rug zal gekeerd hebben om elders te gaan, latende daar haar waarde lief, neemd dan uwen tijd waar, en ontdekt u aan hem. Maar eer gij tot hem naderd, vertoond hem het diamantschild, dat gij mede zult nemen, recht voor ’t aangezicht, op dat hij ’er*zich in spiegelen kan: want ik ben verzekerd, zoo hij zijn zelve in zoodanigen toerustinge, als hij nu is, ziet, dat hij, door spijt en schaamte, van zoo wellustig ge- [p. 534] kleed te zijn, terstond de liefde, die hem betooverd heeft, van hem zal verbannen. Als gij nu tot deze zaak gekomen zult zijn, weest verzekerd, dat gij dan door dezen doolhof vrijelijk moogt gaan, tot in de verborgenste kamers; om dat ’er geen tooverij machtig zal zijn om u dat te beletten; ook om dat de Deugd, die u geleid, zoo krachtig is, dat Armijde zelf niet eens voor uw komst beducht zal zijn. Deze dingen alzoo ten einde gebragt zijnde, moogt gij met diergelijke verzekering uit dit betooverd Paleis gaan. Maar ’t is tijd dat ijder te rust ga, op dat gij morgen, als d’eerste stralen van den dag beginnen te lichten, vertrekken moogt. Haar zoo onderhouden hebbende, leiden hijze in de kamer, daar zij den nacht overbrengen zouden: latende haar aan d’eene zijde verheugd, en aan d’ander vol gedachten over ’t gene zij te doen hadden. Ondertusschen vertrok hij zelve ook tot den morgenstond.
Continue
[
Frontispice canto 15]
[p. 535]

TORQUATO TASSOOS

Verloste

JERUZALEM.

Het vijftiende Gezang.

INHOUD.

DE twee Ridders, die tot Reinouts verlossing gegaan waren, schepen haar in ’t Schip van de Gelegendheid, door raad van den wijzen Konstenaar, en bekenden het Heir van den Zoudaan van Egipten. Zij langs Afrika zeilende, voeren door de naauwte, en quamen in de gelukkige Eilanden, daarze in ’t betooverd Paleis gingen, en Reinout, die, door de tooverijen van Armijde, daar gehouden wierd, daar uit verlosten.

Den wijzen Konstenaar doet, door zijn goeden raad,
    De Ridders beide in het bezwoore Scheepken treden:
En wijl de lichte wind in ’t bochtig zeil vast slaat
    Zoo zijnze door de stroom langs Afrika gegleden.

[p. 536]
(5) Zij zien ’t Egiptisch heir bij Gaza nederslaan,
    En meenigte van volk en paarden en kamelen;
En doen op ’t laatste het gelukkig Eiland aan,
    Daar Reinout, zoo onkuisch, hem van zijn lust laat strelen.
Zij leiden d’edle Held uit het vervloekt Paleis,

(10) En gaven haar terstond weêr vaardig op de reis.

DE schoone morgenstond riep naaulijkx de sterffelijke menschen tot haar gewone arbeid, als den wijzen Konstenaar, zijn gasten goede morgen gewenscht hebbende, haar ter hand stelde, de kaart, het diamante schild, en de vergulde roede, daar hij haar van gezeid hadde: Heer Ridders, sprak hij, gij hebt een groote reis te doen; houd u dan gereed te vertrekken, eer dat den dag, die alreede begint te lichten, meerder aangevoerd is, zie daar is al het gene dat ik u beloofd heb, ’t geen genoeg is om u d’overhand over Armijdes tooverije te doen verkrijgen. Op deze woorden wapende haar de Ridders, en onder de beschutting van den Grijzaard gingenze den eigen weg dieze gekomen waren, daar de Zon nimmermeer zijn stralen schiet: alsse nu eindelijk boven op ’t water waren gekomen, sprak den Konstenaar, van haar afscheid nemende; Mijn vrienden gaat ter goeder uure; als doen bragt haar den stroom, die heur ontfing, langs ’t loopende water, met zulk [p. 537] een snelheid, als een steen door een starken arm uit een slinger geworpen; zoo datse haast aan den oever quamen daarze terstond de bezwore leidsvrouw vonden die haar beloofd was, zittende achter op een klein scheepken; zij had een hairlok die luchtig op haar voorhoofd zwierde, heldere oogen en dezelfde glans die een Engel kon hebben, zoo veel heerlijkheid en majesteit zag men op haar schoon aangezicht. Haar tabbart was van dierbaar goudlaken, vermengd met rood, hemelsblaauw, en andre verwen, daar de luister af blonk met zoo veelderlei kleuren als men op den hals van de verliefde vogels van Venus ziet; ja ze blonk als een kostelijke halsband, daar de hand van een vermaard werkmeester, over al konstig diamanten en robijnen heeft ingezet, die in spijt van de saffieren en esmerauden heerlijk glinsteren, en het gezicht verheugen door haar aangename verandering. Ridders, riepse, die niet minder gelukkig als welkoom zijt, treed stoutelijk in dit scheepken, met het welke ik verzekerd vaar over al de Zeên, die altijd voor mij stil zijn, hoe groot dat het onweêr ook is, en ’t gene ook de grootste last, hoe zwaar datse ook mag wezen, licht is: ik vertoefden u hier van wegen mijnen oppersten Heer, die nimmermeer zijn hulpe weigerd aan die hem aanroepen, en die begeerd dat ik zorge draag om u te geleiden: dit zeggende naderde zij den oever en ontfing de Ridders in haar schip, ’t geenze terstond afstiet, en ’t anker lichten- [p. 538] de zetten ’t zeil op, en ging aan ’t roer zitten: terstond wiesch het loopende water zoo hoog, dat het zonder twijffel veel grooter als dit schip zou gevoerd hebben, ’t welk zoo licht was, dat het op een revier hoe ondiep die ook waar, zou gevaren hebben; terstond blies de wind in ’t zeil met een ongewone. kracht (hoe wel den stroom niet holder ging als te voren) stootende ’t scheepken met zulk een geweld voord, dat de golven schuimden van wittigheid; zulkx datse in een oogenblik waren daar de revier haar wijde, uitstrekten, en zijn loop vertraagden ter oorzake van de baren der Zee, die haar te rugge dreven, en eindelijk in den Oceaan verdwijnt. Naaulijkx was dit bezwore schip in d’eerste baren der Zee gekomen, die toen zeer ontsteld waren, of de wind stilden, de wolken verdreven en den storm hiel geheel op, zonder dat ’er ’t minste voorteken van onweder aan den Hemel was: in plaats van den storm quam een goede wind, die van de baren als bergen een vlakten maakten, en spelende op de blaauwe*golven, die ten half wegen kronkelde. Terwijl den Hemel, die ’t schoon weder scheen toe te lachen, nimmer zoo helder was. Onder deze stilte zeilden ’t scheepken verbij Ascalon en de steden die tegen den ondergang leggen; en zijn weg vervolgende, zeilden langs den oever van Gaza, ’t geen eertijds maar een kleine haven was, en seder door d’ondergang van andere zoo had toegenomen, dat het nu wel een goe- [p. 539] de stad was: al deze plaatsen vol oorlogsvolk zijnde, sloegen de Ridders hare oogen na ’t vaste land, ontdekkende een oneindelijk getal van hutten; ook zagenze meenigte van paarde- en voetvolk uit de stad na den oever gaan, en over al den weg bedekt, met gelade kamelen en olifanten onder een vermengd, verscheidelijk tot den oorlog uitgerust: dit was ’t noch niet al: zij zagen noch op den stroom verscheide schepen; eenige lagen aan anker, d’andre zeilreê; sommige zetten ’t zeil in de wind, voeren met kracht van riemen langs de kanten, dat de baren tot bobbels schuimden, terwijl het voortschip het water kloofde, en de schepen hier en daar keeren na de verscheide streken dieze nemen. Waarop deze vrouw haar keerende tot dieze geleide, sprak; Hoe wel gij dezen stroom vol schepen, en den zeeboezem met galeien bedekt ziet, zoo gebreekt ’er noch veel aan eer den machtigen Soudaan van Egipten alle zijn macht bij een heeft, die hij om te vergaderen op deze plaats beschreven heeft: gij ziet hier maar alleen d’omleggende; die d’andre hier al lange vertoefd hebben, om dat zij ver afgescheiden zijn; want gij moet weten dat zijn rijk zich uitstrekt, zoo wel tegens den opgang als den middag: dit doet mij hopen, dat wij van onze reize al weder zullen gekeerd zijn, eer dat hij, of zijn Veldoverste van hier zal vertrokken wezen. Gelijk het den arent is aangeboren, hem hoogmoedig onder d’andre vogelen te steken, en van daar [p. 540] zich zoo hoog boven haar te verheffen dat hij uit het oog raakt van die hem nazien; alzoo warenze op ’t hoogst verwonderd, dat geduurende als de Leidsvrouw met onze Ridders sprak, het scheepken voort vloog als een schicht, zulkx dat het scheen dwers door die groote vloot te vliegen, zonder bevreesd te zijn dat men ’t zou ophouden, of na jagen. Zij dan in een oogenblik ver gespoeid zijnde, vonden zij haar recht over Raffie, ’t welk de eerste stad is die aangedaan word van haar, die na Egipten zeilen: daar na quamenze aan de onvruchtbare oevers van Rinoceres, daar zich dicht bij een rots ontdekten die ver in Zee uitstak; een plaats vermaard door ’t graf van den grooten Pompejus, die men houd daar begraven te zijn. Langs dezen zelven weg zagen de Ridders de stad van Damiate, en hoe den Nijl, tot schattinge aan de Zee geeft, de zelfde wateren die hij van den Hemel ontfangt, terwijl hij hem door zeve vermaarde kelen ontlast, zonder d’andre, die in groot getal zijn, daar in te begrijpen. Hier na zeildenze na de stad Alexandrie, alzoo genaamd na den onverwinnelijken griekschen held, dieze met zijn landlieden bevolkten: van daar zagmen tegen over den Fares, ’t geen voor deze een eiland was, ver genoeg van het vaste land afgescheiden, en nu daar aan vast: van deze plaats kon men Rodes noch Kandia niet wel bekennen om dat deze twee eilanden ver van haar streek, na den noorderpool leggen; zulkx dat zij de [p. 541] zijde van Barbarijen volgden, daar ’t niet gebouwd is als langs den oever, want zoo men verder in ’t land gaat zal men ’t vol zand, en van alle dingen ontbloot vinden behalven van monsters. Van daar genaaktenze de kusten van Marmarike, daar eertijds de vijf steden van Cirene waren: daar na Ptolomedes, en in de groote stilten, dieze hadden, zagenze de logenachtige revier Lethes zich in Zee ontlasten: voortvarende mijdenze de groote Sirthes, gevaarlijk voor de varende, en lieten achter haar de Kaap van Judekke; zelfschuwdenze ook de golf van Megere, en zagen wel haast daar na op de kant van ’t water de stad Tripolis, daar ’t eiland van Malta recht tegen over leid, ’t geen half onder de baren schijnt te leggen. Na datse door deze moejelijke plaatsen geraakt waren, zagenze d’andre Sirthes en Zerbes, oude woonplaatsen der Lothophanten: van daer ontdektenze zelf ook Thunes op den oever, ’t geen hem ombuigt als een halve maan, daar aan weder zijde van zijn zeearm een toorn rijst; ’t is niet te gelooven hoe rijk dat deze stad is, daar men van zeggen mag dat er geen befaamder in geheel Libie is: aan de zijde ziet men Sicilie, daar den hoogen Lilibeus zijn hoogmoedige kruin opsteekt, en hier tegen over de zelfde plaats daar eertijds het vermaard Karthago stond, daar men nu naauwlijkx d’oude verwoestinge af zien kon; beklagelijke zaak, die ons leerd dat de steden zoo wel als de menschen vergaan, en dat de [p. 542] Koningrijken hoe gezegend datse zijn, eindelijk verwoest worden; zulkx dat ’er geen gebouw zoo vast en sterk is dat de tijd niet vernietigd tot stof der aarde; en ondertusschen kan den mensch niet gelooven te wezen ’t geen hij is; zwak en sterffelijk; zoo eergierig zijn zijn gedachten. Van deze plaats deênze Bizerten aan, latende het eiland van Sardenie ter zijden leggen: zij voeren ook verbij de gewesten daar eertijds de Numidiers als landloopers en roovers leefden; ook verbij Bougie en Algiers, snoode verblijfplaatsen der roovers: en verder streefdenze langs de Koningrijken van Oran en Tingitane, vruchtbaar van Leeuwen en Olifanten; men ziet ’er nu tegenwoordig de Koningrijken van Fez en Maroco.
    Niet ver van daar bragten onze Ridders ’t overige van den dag door, zijnde nu gekomen op die zelfde plaats, daardoor de naauwte, die men Herkles toeschrijft, den gröoten Oceaan in het aardrijk loopt; en misschien zijn ook t’eeniger tijd deze twee oevers, aan malkander wezende, door eenige groote beweging van een gescheurd, zulks dat den Oceaan zich daar tusschen heeft gesmeten; ’t geen d’oorzaak was dat hij door ’t geweld van zijn baren, aan d’eene zijde Abijla en aan d’andre Kalpe heeft geworpen, scheidende Spanje van Afrijca; door een tussenwijte die niet heel groot was; zoo bestendig is het rijk op deze lage wereld, dat zich aan de tijd geeft. De Zonne was alreede vier maal in ’t Oosten verrezen, sedert [p. 543] het scheepken met de Ridders bij Ascalon zijn anker ophaalden, zonder ooit land, geduurende deze lange reize, genomen te hebben; maar terwijlze in weinig tijd de engte doorvaren waren, zeildenze nu op de groote Zee, die haar zoo ver uitstrekt; ’t zij dat d’aarde haar omringd, of omarmd; (ik laat u bedenken wat ’er af is) of ofse het aardrijk in haren boezem besluit: op die tijd ontdekte zich het vruchtbare Gade, noch de twee daar naast aanleggende andre eilanden niet; en waarze hare oogen sloegen zagenze geen land, want den Hemel strekten alleen tot palen van het water; ’t welk Hubout bemerkende, tot de leidsvrouw deed spreken; Deugdsame maagd, terwijl wij zoo gelukkig onder uw geleid tot hier gekomen zijn, geliefd ons te verplichten en te zeggen, of hier iemand ooit voor ons gekomen is? en of de gewesten daar wij na toe reizen bewoond, zijn? Gij moet weten heer Ridder, sprak de leidsvrouw, na dat den onverwinnelijken Herkles, Affrika en Spanje van alle wanschepsels en monsters gezuiverd had; daar na uw landen van d’een tot d’ander zijde doortrok, die door hem ook verkregen wierd, misschien dorst hij niet verder trekken; ’tzij hij zich vergenoegde*zoo ver geweest te hebben, of dat zoo grooten omring van Zeên hem verschrikten; hij beraamden altijd zijn overwinninge te bepalen, besluitende al te naauw d’overdadige stoutheid van’t menschelijk geslacht. Maar Ulysses, begeerig zijnde de Wereld [p. 544] te zien, en den aard der volkeren te leeren kennen, verachte de grenspalen door hem bevestigd; trok verbij de pijlaren, zettende ’t zeil in de wind, en teeg de hooge Zee, met een onverwinnelijken moet, in: Evenwel, wat eervarendheid dat hij van de schipvaard had, ’t kon hem niet helpen, of beletten dat hij niet in de baren gedompeld wierd, daar de geheugenis van zijn doodlijk ongeval voor altijd met zijn lichaam begraven leit. Want onder d’andre van uw sterffelijke, is ’er niet een die zeggen kan, of hij bij geval van de wind aan eenige plaats gewurpen is daar hij nimmer zal van daan geraken, of dat hij, geduurende zijn reis, van de baren is ingeslokt. Zulkx dat het schijnt, dat de groote Zee, die hij bevoer, ons onbekend is. ’t Geen evenwel niet belet, dat ’er geen Eilanden en Koningrijken, zoo wel bevolkt als uw landen, en zoo vruchtbaar in alle dingen zoude zijn, om dat het onmogelijk is, dat die verburge kracht, die zonne van om hoog in de geschapene dingen waassemd, ooit vruchteloos zoude blijven. Hubout, door de wonderen, dieze hem vertelde, vervoerd zijnde, sprak; Zeker, ’t gene gij mij hier verhaald, doet een begeerte in mij ontsteken, om noch meerder te weten: Ik bid u, mij dan te verhalen wat geloof dat die volken hebben die deze nieuwe Wereld bewoonen, die gij zegt ons onbekend te zijn? en hoe haar wetten en manier van leven is? Gij moet gelooven, sprak de Leidsvrouw, [p. 545] dat haar natuur, manier en talen al verscheiden zijn, na de verscheidendheid van de plaatsen: Eenige aanbidden de beesten en boomen, andere de sterren, de Zon en de aarde zelf, die onze algemeene moeder is; daar worden ’er onder haar ook gevonden die haar met schrikkelijke spijze voeden: eindelijk al de genen die door de naauw te woonen, zijn onmenschelijke Barbaren, wier geloove geheel in ongodvruchtigheid bestaat. Hoe, antwoorde den Ridder, die grooten God die hier beneden gedaald is, om ons te leeren wat wij tot onze zaligheid van nooden hebben, wil hij dan de waarheid verburgen houden voor zoo veelderhande volkeren, die in deze ruime gewesten haar onthouden? Geensints, antwoordeze, want op een dag zal daar het ware geloof geplant worden, en in de plaats dat tegenwoordig, zoo wijden weg, d’een van d’anderen scheid, zal ’er een tijd komen, aan welke deze pilaren van Herkles niet zullen kunnen beletten, dat ’er menschen zullen midden doorvaren; en die, door groote ervarendheid in de schipvaard, andere Zeên en Koningrijken zullen vinden: als dan zal het stoutste schip dat ’er ooit geweest is, al wat de Zee omringd ontdekken, en d’aarde in haar grootste ommetrek meten; en gelijk als de Zon, van alle beletselen overwinnaar blijven: als dan zal een zekere Liguriaan wel darren onderwinden een reize te doen, een ijgelijk onbekend als hem; zonder dat hij door ’t dreigen van ongunsti- [p. 546] ge winden, ruischen der baren, of andere voortekenen van schipbreuk, te verzetten zal zijn; alzoo zullen de ver gelegenste plaatsen, en de hemeltekenen tot noch toe onbekend, met de schrikkelijkste gevaren die ’er in eenige plaatsen van den aardkloot te vinden zijn, vergeefs trachten zijn geest te houden, binnen de palen van Abijla en Kalpe, die te naauw voor hem zullen zijn; gij brave Colombus, zult de stoutigheid hebben om uw zeilen na een ander aspunt op te zetten, daar gij zoo haast zult vliegen, dat de Faam, die duizend oogen en zoo veel lichte vleugelen heeft, u met het gezicht alleen niet zal konnen volgen: datse vrij zoo veel als ’t haar beliefd Herkles en d’overwinnende Bacchus prijs, ’t zal genoeg zijn dat de gedachtenis van de dingen, bij u door de schipvaard onderwonden, de nakomelingen ter ooren kom, als een zaak die een groot lofgedicht, of gedenkwaardige beschrijving waardigis: dit zeggende steldenze haar streek recht tegen ’t oosten, en week een weinig na den middag, zulkx datse van voren zagen hoe de Zon onderging, gelijk hij van achteren weder herboren wierd. Eindelijk te dier tijd als de schoone morgenstond gewoon is, zijn stralen en daauw, op de geschakeerde bloemen neêr te storten, zagenze van ver een duistere berg, ter oorzake van een dikke mist daarze meê bedekt was; maar als zij hem begonden te naderen, na dat al deze wolken verstoven waren, zagenze dat hij was op de wijze [p. 547] van een spitse zuil, beneden breed, en boven puntig; daar benevens zagenze een dikken rook, die van tijd tot tijd al opvloog, gelijd als dien berg, daar den verwaten Enceladus onder begraven leit, die op den lichten dag duistre dampen, en geduurende de nacht niet als vier schijnt uit te braken: zie daar op de zelfde tijd ontdektenze ook de verscheiden eilanden, die men eertijds de gelukkige noemden, gelijkze ’t waarlijk in der daad zijn: want men houd het daar voor, dat d’aarde daar van zich zellefs alles voortbrengt, en dat menze nimmermeer bebouwd; hier is ’t dat de wijngaarden altijd met ontelbare druivetortsen geladen zijn, zonder dat men behoefd te werken om wijn te bekomen; hier bloejen d’olijfboomen nooit te vergeefs, en men zeid dat het meel uit uitgeholde boomen stort; uit de heuvelen rondom springen klare aders van levend water, welker aangenaam geruisch zoetjens d’ooren streeld; den morgen daauw en lieflijken asem der weste winden, matigen de lucht zoodanig, dat de hette hier gants niet verdrietig is; ’t welk aan d’oude reden heeft gegeven, om daar van d’elizesche velden en woonplaatsen der welgelukkige te maken. De Ridders hier nu langekomen zijnde, sprak de leidsvrouw tot haar; Mijn vrienden gij zult terstond ten einde van uwe reis zijn, want ’t geen gij daar voor uw ziet, heet men de gelukkige eilanden, indien ’er de kennisse ran in uwe gewesten gekomen zijn; zeker hoe wel [p. 548] men het moet toestaan datse geheel vruchtbaar en aangenaam zijn, zoo is evenwel al ’t geen m’er af verhaald niet waarachtig. Dit gezeid hebbende, smeetse ’t anker, dicht bij ’t eiland uit, ’t welk ’t eerste van de thien was; waar op den kloekmoedigen Karel, door een loffelijke begeerte geprikkeld, sprak; Brave Maagd, zoo den aanslag, tot de welke gij ons beliefd hebt te voeren, het lijden kan, zoo bidde ik u, dat het mij geoorlofd zij aan land te gaan, om deze oevers te kennen, en te zien wat volk die bewoonen, van wat aard datse zijn, wat geloof datse hebben, en al wat aanmerkenswaardig is, op dat ik het aan eerlijke lieden mag verhalen, om in haar de begeerte te doen wassen van mij na te volgen. Waarlijk, antwoorde hem de leidsvrouw, ’t verzoek dat gij mij doet is een teken van uw grootmoedigen aard; maar wat macht heb ik u dit toe te staan, zoo ’t onverzettelijk besluit des Hemels haar tegen u begeerten zet? geloofd mij, de tijd die God beliefd heeft te besluiten, dat deze plaatsen zouden ondekt worden, is noch niet gekomen, noch u geoorlofd, in uw wereld zekere tijdingen van deze groote uitbreiding der Zeên te brengen; dat u genoeg dan zij den Hemel zoo gunstig te hebben, dat gij zoo ver, zonder konst, of ervarendheid in de schipvaart, gekomen zijt; boven dit, dat gij nu het geluk zult hebben te geraken daar den Ridder is die gij zoekt, om hem in een andere hoek des werelds te brengen, gij [p. 549] zoud nu al te verwate wezen meer te hopen, en u te stellen tegen de wetten van ’t besluit. Meer sprakse niet, en ondertusschen scheen het voor de Ridders dat het eerste eiland leeger wierd en het tweede hem verhefte; daar op zij haar toonde, dat alle d’andre in de langte haar uitstrekten van der Zonnen ondergang, even breed zijnde, gescheiden door kleine armkens der Zee; nu kondenze de huizen en het werktuig in zeven van deze eilanden zien, ’tgeen haar te kennen gaf datse bewoond waren, maar in de drie andre liepen de wilde beesten onbeschroomd door ’t bos en ’t gebergte: in een van deze ter zijden afgelegen, daar zich den oever omkromd, twee lange punten uitsteken, die de manier van een have maken die van een rotsteen daar de baren opbreken, beschut word, en de plaats voor ’t onweder veilig maakt, en belet dat d’aangekomen schepen door ’t geweld der baren niet geslingerd worden; ook zijn hier twee rotsen aan d’een en d’ander zijde, op de wijze als bolwerken, die de zeilende voor vierbakens dienen; is de Zee in deze aankomste altijd stil, men ziet een weinig boven deze plaats een duister bosch, in ’t midden van ’t welk een aangenaam hol staat, met klimbladeren omleid, en van schoon water, ’t welk het ververscht, besproeid; hoe wel dat hier de schepen nooit aankomen en ’t anker uitwerpen, om dat deze eenzame plaats ter zijden van alle zeilstreken afleid, evenwel streek hier de leidsvrouw het zeil om aan land te gaan; [p. 550] gaan; zij bond het scheepken aan den oever, en om* dieze geleiden aan te moedigen, sprakse; Heer Ridders, ziet gij dat groot gebouw wel ’t geen op den top van dien berg staat? daar leefd den verdadiger van’t Christen geloove, in dartle ledigheid, zonder eenige bekommering te hebben, als om zijn tijd in danssen en banketten wel door te brengen; ik rade u dan, dat gij morgen vroeg, zoo ras als de Zon haar eerste stralen op ’t aardrijk schiet, naar boven klimmen zult om uw aanslag te volvoeren; dit zeg ik u, om dat het u niet verdrieten moet, vermits ’er anders geen tijd toe bequaam is als deze, om dit werk ten einde te brengen; ook kund gij, eer ’t nacht is, gemakkelijk tot aan den voet van den berg gaan. De Ridders, wel vergenoegd zijnde, anders geen raad als de hare te volgen, namen van haar afscheid, en gingen langs den oever, door het pad datse haar wees, ’t gene zoo gemakkelijk was, datse niet vermoeid wierden: zoo dat t’harer aankomste de Zon noch redelijk hoog was, eerze in Zee zou zinken. Maar ’t gene haar ’t moejelijkste was, was datse langs ongelijke rotsteenen moesten opklimmen, en die in ’t nederhangen, tot boven op den top, al met sneeuw en ijs bedekt waren. Evenwel, na datse boven op den top geklommen waren, verwonderden zij haar over de groenigheid, en de frisse bloemen, die zoo Schoon, in weêrwil van de strafheid des winters, stonden. Zeker, ’t is onmogelijk datmen hem niet [p. 551]* verwonderen zou, alsmen bedenkt, hoe de schoonheid van de roozen en lelijen, in die plaatsen, rondom met sneeuw omringd, behouden kunnen blijven: Zoo grooten kracht heeft de tooverij op de gemeene dingen der natuur. Zij dan nedergezeten zijnde, beneden aan den berg, in een eenzame woeste plaats, rondom in ’t geboomte, bragtenze daar de nacht over. Alzoo haast de Zonne oprees, rezenze ook, haar reis vervolgende, gemoedigd door een vast voornemen. Maar naauwlijx warenze voortgegaan, of daar verscheen een verschrikkelijke Draak, die haar den weg afsneê, met een ongelooffelijke snelheid: hij had drie afgrijsselijke kammen op de top zijns hoofds, de hals van fenijn gezwollen, de oogen zoo vuurig als twee gloejende koolen, en ’t lichaam met goude en blaauwe schelpen bedekt. Met zijn hongerige buik bedekten hij de breedte van den weg, en uit zijn gapende keel spoog hij een vergif, gevaarlijker als de Pest: dan rekten hij hem uit, dan kroop hij weder in, gelijk als of hij uit een schoot, en: dan kromp hij weder tot een; dan stak hij zijn lange staart uit, die hij dan weêr inkrulde, om na hem te halen, ’t gene hij trachten te verrassen. Hoewel hij in deze razernij hem vertoonden, om den opgang te beschermen, evenwel lieten de twee Ridders hierom niet voort te gaan: Alreeds had Karel de hand aan ’t zwaard geslagen, om hem te keer te gaan, terwijl zijn spitsbroeder, hem terug trekkende, riep; [p. 552] Wat wild gij doen? meend gij dit beest, door kracht van wapenen, of uwen arm t’overwinnen? zoo sprekende, schudde hij maar zijn vergulde roede, daar den draak naauwlijkx het gonzen van in de lucht hoorde, of, heel verschrikt van ’t gerucht, vlood hij uit hare oogen, haar den weg open latende. Een weinig verder vertoonden zich voor haar een wreede Leeuw, die, door zijn schrikkelijk brullen, d’omleggende plaatsen deê daveren, en haar met wreede oogen aanzag, alsof hij ze had willen inslokken: hij opende zijn groote muil, met sterke tanden gewapend, slaande zich zelven met zijn verwoede staart, om hem noch meerder te vergrimmen: maar hij zag naauwlijkx de roede, of een verburge schrik verstijfde zijn hert, zulkx dat hij de felheid, die hem de natuur gegeven had, afleggende, de vlucht nam. Alsdoen verdubbelden de moed van de Ridders, en gingen naarstig voord, evenwel zonder datse haar begeerten zoo haast volvoerd hadden alsse wel wilden, om dat haar noch bejegende een verschrikkelijk leger van bijzondere dieren, verscheiden van gedaante en geluid; al wat wanschapen en afgrijftelijk tusschen den Nijl en den berg Atlas, of in de Herkanische wildernissen is, scheen hier vergaderd te zijn. Evenwel al deze vervaarlijke beesten waren niet machtig om haar tegen te houden, of te doen weêrkeeren: ter ander zijde, ô wonder! op ’t minste gerucht dat de roede maakte, vloodenze voort [p. 553] weg; zulkx dat ’er geen beletsel was hoe groot, dat voor de Ridders niet wijken moest. Zo datse nu meester van den berg waren, zonder eenigen hinder te vinden, als de gladdigheid en den quaden weg, die haar reis wat verlangden. Maar na datse door de sneeuw gekomen, en de steilten opgeklommen waren, vondenze daar boven zoo zoeten lucht, of het in de Lente geweest had, en een groot breed effen veld, ’t welk de westewinden, altijd op een maat, bewaaiden, zonder dat de Zon daar de minste verandering inbrengt, wanneer hij zijn gemeenen loop doet. Boven dien dat de lucht vervuld is met de reuk van de kruiden, die hier tot vermaak schijnen te wassen: zoo heersschen hier geen koude vorsten, dan weêr onverdragelijke hitte; de Hemel is hier altijd klaar, en zijn klaarheid altijd op een wijze. Zulkx datmen wel zeggen mag, dat uit deze plaats de Winter en Zomer gebannen zijn, maar dat ’er ’t hartje van de Lente eeuwig is. Dit maakt ook dat, door middel van deze gelijkheid, de kruiden en bloemen altijd haar groente, en haar aangename reuk behouden; en dat de boomen nimmermeer van haar bladeren beroofd worden. Op de kant van een waterpoel stond hier het hoovaardig Paleis van de schoone Armijde gebouwd, die ’t gebied heeft over al d’omleggende heuvelen, en een groote Zee, diemen van alle kanten ziet. Eer dat de twee Ridders hier quamen, voeldenze haar een weinig vermoeid, om dat- [p. 554] se altijd hadden moeten opklimmen, zulkx datse veel zoeter, door dit veld met bloemen bezaaid, voordtraden, en van tijd, tot tijd wat rusten. Alsdoen vertoonden zich voor hare oogen een schoone Fontein, die haar scheen te noodigen om wat te verfrisschen; ’t water viel van ’t hoogste der rotsen, stortende over al op de kruiden, haar zoetjens bewaterende; van daar het weêr t’samen liep in een diepe vliet, wiens kanten met groene heuveltjes, en schaduw van boomen, bedekt was. Boven dien dat het zoo klaar was, datmen op de grond van zijn drijfsand zien kon, zoo betooverde het, stroomende, de ooren met een zoet geruisch. Die ’t water raken wou, zou het kouder dan ijs bevonden hebben: en het kruid, ’t welk daar rondom wiesch, doormengeld met alderhande bloemen, daar cierperken, zonder kunst, uitgemaakt wierden, kon teffens, en voor bedden, en voor rustplaatsen dienen. Dezen oorsprong is de Lachfontein geheeten, wiens water doodelijk is voor die het drinken. De Ridders hier gekomen zijnde, zeiden tot elkanderen; Zeker wij mogen onze lusten nu wel teugelen; en ons wel voorzichtig houden, terwijl het vermaak, dat zich voor ons nu vertoond, als Meerminnen zijn, daar wij ’t gezang van moeten schuwen, er d’ooren geslooten houden. Hier op gingenze voord tot daar deze vliet hem breed uilstrekte, makende de gedaante van een kleine poel, op de kant van het welke zij een tafel vonden, gela- [p. 555] den met de lekkerste spijzen diemen wenschen zou: niet ver van daar zagenze twee jonge maagden, geheel naakt, die samen in ’t midden van de golven speelden, daarze dan om strijd tussen twee wateren zwommen, om te zien, wie van hen beiden eerder aan een zeker teken, dat daar stond, zou aankomen, dan toondenze haar schoone lokken die langs hare schouderen veel witter als albast neêrdropen, dan dokenze weer onder en vertoonde wederom ’t geen noch schoonder was. De Ridders haar geheel naakt ziende, waren in ’t aankomen wat bewogen, zulkx datse haar niet konden weêrhouden van haar niet t’aanschouwen: terwijlze ondertusschen haar spel vervolgden, was ’er een die haar oprichte en haar keel ontdekte, met het gene dat het magtigste is om het gezicht tot zich te trekken: zoo is gewoon in den dageraad de schoone morgenstar te verschijnen, wanneerze uit de baren oprijst, noch vochtig een aangenamen daauw omleeg schijnt te storten; en zoo vertoonde haar eertijds ook de minnemoeder, toenze uit het vruchtbaar schuim der Oceaan geteeld wierd: maar deze vervloekte, hebbende de Ridders gezien, dook terstond in’t water, even gelijk of haar de vrees en schaamte bedwongen; waar door haar schoone lokken boven op haar hoofd als in een knoop t’samen warde, maar neêrvallende, scheen het als een vergulde sleuier, die zich luchtig om haar lichaam, veel blanker als ivoor, heen slingerden; ô wat verloren- [p. 556] ze op die tijd een aangenaam beeld! Wat een aangenaamheid zagenze op die schoonheid die haar beroofd wierd! zij wierd roofverwig en lachten te gelijk, zoo dat in haar schoon aangezicht de lelien en rozen haar vermengden, en d’eene d’andere vercierden. Eindelijk na datse alzoo getracht hadden, om door alle aanlokselen en betoovering de Ridders tot haar te trekken, voegdenze haar stemme daar bij, en zong deze vaarzen, met zulk een zoet geluid, datse al de moed van de wereld zou verzwakt hebben, behalven die van deze helden.
O Vreemdeling’, driedubbel is uw luk,
    ’t Gestarnte is u wel gunstig deze tijd,
    Dat het u hier ter plaats brengt, daar nooit druk
    Of droefheid heerscht, maar alles u verblijd.

    (5) Al’t hertvermaak men nimmermeer hier derfd,
    De ramp en smert in dit gewest strakx sterft.

        Veel beter als ooit in de gulde tijd,
    Zoo hoog geroemd van d’ouden op een rij;
    De dartle wellust weet hier van geen strijd,

    (10) Of haat, of nijd, of barsse tirannij
    Want uit dees plaats is alle ellend gejaagt,
    En ’t geen hier woond, de rijke vreé behaagd.

        Vrouw Venus houd in deze plaats haar Hof,
    Begeerd dat gij uw wapens nederlegt:

    (15) Zy wil dat gij, alleenig tot haar lof,
[p. 557]
    En tooverkunst, zult treden in ’t gevecht:
    O Ridders, die oprecht de koets bemind,
    Daar Ericijn de Minnestrijd begint.

    Het bedde der verliefden is een veld,

    (20) ’t Geen waardig is tot hare strijd en lof:
    Gelukkig zijt gij, alsmen u nu steld
    Voor haar ten toon; die nimmermeer tot stof,
    Of aard vergaat, maar staag onsterflijk blijft,
    Gelijk de Zon, die alle mist verdrijft.


        (25) Maar eer dat u zoo goddelijk gezicht,
    Zoo schoonen Star als aan die Hemel praald,
    U gunstig met haar lieflijk oog toelicht,
    Vervuld met ’t zoet dat van haar schoonheid straald:
    Eerst van dees spijs, die hier ten toon staat, brast,

    (30) En dan daarna u in dit water wast.

    Dit zong een van deze gevaarlijke Tooveressen, terwijl d’andere met aangename lonken, en aanlokselen, dieze verscheiden in ’t werk stelden, haar behulp: gelijk men ziet dat op’t geluid van eenig speeltuig de treden van een dans, dan ras, dan weder langsaam, zich vergelijken. Maar de Ridders speelden den doove voor al deze dingen: zulkx dat haar trouwlooze vleijerijen, haar betooverende lonken, haar aangename spraak, heur gevoelen wel kittelden, maar echter niet verder doordrongen. Want, op de zelve tijd, als deze zoetheid, om haar te ver- [p. 558] rassen, het inwendige won; zoo stelden de reden, met hare wapenen, zich hier tegen, en sneê de begeerten af, eer datse haar wortelen geschoten had: zulkx dat een van haar overwonnen wierd, en d’andere, zonder oorlof te nemen, vertrok. Alzoo gingende Ridders recht na ’t Paleis; en de twee Maagden dooken in ’t water, geheel verzet, haar zoo standvastig veracht te zien.
Continue
[
Frontispice canto 16]
[p. 559]

TORQUATO TASSOOS

Verloste

JERUZALEM.

Het zestiende Gezang.

INHOUD.

BEschrijving van verscheide beletselen, die de Ridders, in ’t zoeken van Reinout, ontmoeten. Zij vinden hem bij Armijde, die hem in een wellustig leven onderhoud: daarze hem gelukkig uit verlossen, Armijde volgd haar, tot op den oever der Zee; en hem door hare tranen, niet weerhouden kunnende, verdelgd het betooverd Paleis. Daarna doetse haar, met een wagen en twee vliegende paarden, door de lucht voeren.

    De dappre Ridders, tot Heer Reinout afgevaard,
In hare reize veel verhindering ontmoeten:
    Doch vinden hem, op ’t laatst, zoo dartel t’zaam gepaard

[p. 560]
Met haar, die eer en deugd, moedwillig, treed met voeten.
    (5) Zij trekken hem uit deze geilheid, met geluk.
Armijde schreid hem na, tot aan de waterstranden;
    Doch ziende dat haar klachte, en ramp, en droeve druk,
Niet hulp, heeft zij ’t Paleis verdelgd in aard en zanden.
    Hier na begeeftse haar, door d’onbepaalde lucht,

    (10) Met vliegend paardgespan, en wagen op de vlucht.

HET Paleis van Armijde was rondachtig, en zoo kostelijk dat men nooit diergelijke zag; in ’t midden was een tuin, heerlijk door de deftigheid, die tot een omring diende, daar de kunst het prachtigste dat men hem kan inbeelden, niet aan vergeten heeft, want de duivelen hadden daar zelfs rondom getimmerd, ontelbare huiskens en heimelijke vertrekken, op manier als een doolhof, daar het wel qualijk uyt te komen is. De twee Ridders gingen door ’t groot portaal binnen; want gij moet weten, dat het honderd looze poorten had, met goude platen bedekt, gewrocht met zoodanigen kunst, dat de deftigheid van ’t werk die van de stoffe te boven ging; zulkx dat d’afbeeldingen, die m’er op zag, schenen bezield te zijn, indien men na het oog wilde oordeelen, want [p. 561] daar niet als de spraak aan ontbrak: daar verscheen Herkles, een spinrok inde hand hebbende, midden onder de dochteren van Omfale, Koningin van Lidien, en onderhiel haar met vrouwelijke praatjens; aan zijn zijde vertoonde hem de kleine Minnegod, die bespottelijk aanzag, hoe hij, die voor dezen de hel beroofd, en den Hemel op zijne schouders getorst had, tegenwoordig naalde en speldewerk gebruikten; daar was ook uitgebeeld de schoone Jole, die met een schoone en teeren arm speelde met de knodse van die overwinnaar, dieze naauwlijx aan een einde van de aarden op kon lichten, noch zijn boog bevatten; ook toonde zij haar te zijn verschrikt voor het Nemésche leeuwsvel, ’t geenze ophare schouderen geworpen heeft, en ’tgeen ook te zwaar is, voor hare zwakke leden; hier recht tegen over was een Zeege schilderd, daar het verzilverd schuim zich af ver mengd met het blaauw van de baren; in ’t midden zeillen twee groote vloten oorlogschepen, daar uit de wapenen van de strijders een ontelbaar getal blixemstralen, die de lucht overal verdonkeren, schijnen op te vliegen: als men ziet hoe de luister van ’t goud hem in ’t water verdubbeld, zou men in ’t aankomen zeggen, dat de Kaap van Leukades heel in vlam stond: aan d’eene zijde ziet men Augustus, van de Romeinen gevolgd, en aan d’andere, Markus Anthonius, gesterkt zijnde met de machten van ’t Oo sten, Egipten, Arabien, en het meerendeel van [p. 562] Indien. Deze groote vloten gelijken van ver de Cijcladische Eilanden te zijn, want men zou hem inbeelden datse op den Oceaan dreven, uit hare fondementen wech gerukt, en dat hooge verheve bergen tegens elkanderen quamen aanhorten, zoo wreed is d’ontmoeting van deze twee magtige heiren: alreede vloog er een hagelbui van schichten, pijlen, en vierpotten, van alle zijde der schepen, die groote torens en vaste bolwerken schenen te zijn; maar alzoo de Zee overal bezaaid was met doodelijke tekenen van schipbreuk, en lichamen van ’t leven beroofd, die door malkandren op de baren dreven, zonder dat d’overwinning, noch aan d’een, of d’andre zijde helden, verscheen in een galey een Koningin, die met kracht van zeilen en roeiriemen, de hoogte gewonnen hebbende, de vlugt nam; Anthonius volgde dezelfde weg, en verloor toen al de hoop tot het Koningrijk der wereld, daar hij te voren zoo vierig op toeley; ’t is waar dat hem de vrees niet deed vluchten, maar de drift van zijn liefden, die hem dwong een vrouw te volgen, daar van de macht geheel over zijn wil heerschte, ook was het licht aan zijn wezen te zien dat hij geheel, en teffens van liefde en spijt en schaamte vervoerd was: eindelijk na een gevecht niet minder twijffelachtig als wreed, was al ’t geen hij doen kon, zich in de monden van den Nijl te verlustigen, daar het scheen dat hem de dood verscheen om wel t’onthalen, en dat zijn noodlot [p. 563] hem voor de leste vertroostinge ’t vermaak gaf, dat hij nam, in ’t aanschouwen van ’t aangename beeld ’t geen hij aanbad. Dit waren de Historien, die men half wegen op de deuren van dat prachtig Paleis verheven zag. Nadat de Ridders haar oogen hier afgewend hadden, gingen ze in ’t Kasteel, als een doolhof gemaakt, gelijk de doolwegen van Meander, die haar langs de velden schenen om te drajen, dan om leeg, dan om hoog, gelijk als ofse meer als eenmaal wilden weêrkeeren, of weder terug gaan na haren ingang, en van daar weder aan de Zee te loopen; zoo en noch twijfelachtiger waren de wegen van dezen bedriegelijken Dedalus, zulkx dat al het garen van Ariadne, naauwlijkx genoeg zoude zijn om den verdoolden hier uit te trekken, maar de kennisse die den wijzen Konstenaar haar van deze plaats, in een kaart afgebeeld, gegeven had, belette haar te verdolen. Bovendien haddenze in geschrift hoeze haar dragen moesten; zulkx nadatse al deze omwegen ontwonden hadden, ontdekten ze eindelijk denTuin, die geen weêrgade ter wereld had, want aan wat zij de datse haar oogen sloegen, nergens ontbrak ’er iets dat haar geen vermaak gaf. Daar zag men veel verscheide schoone sierperken, al in verdeelinge en ver-inziende wegen afgescheiden, besloten in afschuttinge van Oranjeappel- Lamoen- Negelentier- en Mirteboomen; ik vergeet de schoonheid van de poelen, daar verscheide vissen, door een vermengd, [p. 564] zwemmen in ’t bewegelijk kristalijn, met de holen, kleine bossen, heuvelen en valeien, die tot vercieringe van deze plaats dienen: maar ’t gene hier het wonderlijkste in was, is dat de konst hier zoo wel in gearbeid heeft, dat de natuur, bij de wonderen die in ’t maaksel verburgen zijn, van het hare schijnt toegevoegd te hebben, ook is er niemand die in ’t aankomen zijn zelven niet zou inbeelden, of al het gene dat tot vercieringe diend natuurlijk, en het gebouw, kunst is, zoo aandachtig zijn de wonderen om elkander boven te gaan; ik stel hier ook bij, dat zelf de lucht ook het werk van de Tooveresse is. Want die zoo aangenaam en gematigd is, dat in wat saizoen het is, hij de boomen doet bloejen, en de vruchten rijpen, zoodanig datse alle beide onvergangelijk zijn: hier zag men op een stronk het eene beeld op ’t ander wassen, en aan een tak, appelen en peren, meer of minder gerijpt, hangen; daar de boomen van den Tuin het dikste zijn, ziet men den wijngaard opklimmen, die hem aan de takken vast maakt, schijnende verliefd te zijn, hier begintse te bloejen, en daar ontdektse haar schoone druiven, daar van d’eene een vergulde verw hebben en d’andre als robijnen blinken, daar een hemelsche nektar in verburgen is: op de aangename groenten ziet men verscheide vogelen, die van tak tot tak vliegende om strijd zingen, en het gevoelen betooveren van dieze aanhooren; waar op zoetelijk past het geruisch der westewinden, [p. 565] ’tgeen zich met dat van de stroomen t’samen voegd, en een begrip der muzijk maakt, ’t geen twee Choorzangen schijnt na te bootsen, daar van als het eene eindigd, het andere wederom begint: Onder dit groot getal van vogelen ziet m’er een die bovenal d’anderen uitmunt, want boven dien dat hij een purpere bek en het lijf verscheiden verwig heeft, zoo is zijn zang bijna als die van de menschen, zulkx dat de Ridders geheel verwonderd waren in hem te hooren; en noch meerder, alsse zagen dat geduurig als hij sprak, ald’andre zwegen, en dat de winden zelf stil hielden terwijl hij deze woorden zong.

GElijk als een fier aardig roosje,
    Wiens knopje noch bedekt het bloosje,
    Zijn zuigre glans verbergd in ’t groen;
    Eer dat het bloempjen is ontloken,
    Zoo wenscht men ’t meer (wijl ’t blijft gedoken)
    Te hebben, om zijn lust te voên.


        Maar door de groote hitt’van buiten,
    Als het zijn bloempjen op gaat sluiten,
    Verdord terstond al d’Edle glans;
    Men ziet zijn levend kleur ontrukken,
    Eer ’t een beminnaar af komt plukken,
    Als ’t oud word tot een rozekrans.


        Zoo ook de bloemen van ons leven,
    Die door de tijd word opgeheven

[p. 566]
    En afgewurpen, keerd nooit weer;
    Wanneer als zij ons is benomen,
    Geen jonge jaren weder komen,
    De jeugd word nooit vernieuwd zoo teer.


        Laat ons de vrucht, die ’s uchtens wassen,
    (Eer ’t noodgeheim ons komt verrassen,
    Des avonds, en het blos verslind)
    Dan in de frisse jonkheid plukken;
    De minnepijlen ’t hert ons drukken,
    Mind zoo gij wezen wild bemind.


    Hier op zijn gezang volend hebbende, antwoorden hem alle d’andre vogels, toen begon hij weer op nieuws met dit volgende vaars.

        De minnepijl, ons hart aan liefde bind,
    Bemind weerom, zoo gij wild zijn bemind.


    Terwijl dat den Tuin van dit geluid weergalmden, zag men de beminnende tortelduiven haar liefkoozend trekkebekken verdubbelen, en alderhande beesten minne plegen; daar was niet, zelfs tot de harde eiken, dat de schichten niet gevoelden; de laurier zelfs, hoe kuisch dat hij is, was ’er niet vrij af, en het waren de boomen alleen niet die hier een verburgen gevoelen af hadden, maar de wateren en het aardrijk zelfs mede: onder deze wellusten en [p. 567] minneprikklen, terwijl dat de twee Ridders hoe langer hoe meer, haar tegen al deze aanlokselen met een onverwinnelijke moed kanten, beelden ze haar in, datse dwers door de boomen (gelijk het inder daad was) den jongen Prins zagen die zij zochten; hij lag op een bedde van bloemen, in den schoot van een maagd, die roemen mogt geen gelijk te hebben; zij had haar schoonen hals geheel ontdekt, en haar vergulde hairen ongevlochten neerhangen: het groot vermaak ’t geenze gevoelden, en haar als buiten haarzelven verrukten, maakten dat haar aangezicht wellustig in een weinig zweet baden, ’t geen als den daauw zich op de bloemen van haar verf vermengden, en denglans daarvan verdubbelden: op haar vochtige oogen, daarmen ik en weet niet wat voor vreeze en onkuisheid op zag, vlogen lachjes en een aangenaamheid, dieze veel glinsterender als tevoren maakten. Gelijk men de schoonheid van een helder water terstond ziet vermeerderen, zoo haast als de Zon zijn stralen waterpas schiet: terwijl dat Armijde haar gezicht lieflijk op Reinouts wezen, die met het hoofd in haar schoot leid, hield neêrgeslagen, lichte hij zich zelven op, en hoe dat hijze aandachtiger bezag, hoe dat zijn begerig gezicht meer oorzaak was dat hij verteerd; haar onderlinge kusjes verdubbelen nu op de oogen, dan op de lippen, en elke zucht die een van deze minnaars ontslipt, barst uit ’t grond van haar hart, met zulk een geweld, [p. 568] dat het schijnt, dat heur zielen terstond moeten van’t eene lichaam in ’t ander vliegen, om niet meer als een te zijn. Terwijlze elkanderen zoo onderhouwen, konnen de Ridders, die daar verburgen waren, haar niet genoeg verwonderen over de groote verandering van Reinout: aan zijn riem hing een spiegel, een onwaardig verciersel voor hem, ’t welk hij, oprijzende, in de hand van zijn juffer geeft: als een juweel, bequaam tot Kupidoos verburgendheid: terwijlze van haar zijde haar bespiegeld, zoo doet hij ook van de zijne, en alzoo met d’oogen vol vlammen, zien zij in verscheide voorwerpselen maar een alleen: zij gebruikt het glas om haar in te zien, en hij door de zelfde middel beschouwd hem zoo wel in de oogen van zijn minnares, dat, in plaats van een spiegel, hij er twee heeft; d’eene maakt een zegeteken van zijn slaververnij, en d’andere een van de magt dieze op hem heeft: Waarde Armijde, sprak den Ridder, ik bid u weest mij met dat zoet gezicht, daar gij mijn leven mee gelukkig maakt, gunstig, want de vlam die mij verteerd, is het afbeeldsel daar uw schoonheid in afgebeeld is, helaas, schoonheden daar de wonderen de spiegels af zijn, daar ikse in vertoond zie; ach, zoo het waar is dat gij mij veracht, waarom is ’t ten minsten u dan niet geoorlofd, om u zelven te zien? zeker zoo dat geschiede, uw gezicht, dat een ander voorwerpsel niet beter zou konnen vergenoegen, haar zelven beziende, zou [p. 569] zich verheugen in de heerlijkheid daar ’t in bestaat; want daar en is geen spiegel, die zoo volmaakten beeld in alles zoo waarlijk zou konnen vertoonen, hoe wel het niet mogelijk is zoo volkomen Paradijs in een klein stukjen glas te besluiten, en zoo men ergens een spiegel, die u waardig was, most zoeken, men zouze alleenig aan den Hemel vinden, daar gij, onder zoo veel starren alsse vercieren, gelegendheid zoudt hebben zoodanige schoonheden t’aanschouwen, die u gelijk zijn. Op deze woorden glimplachte Armij de, en liet evenwel niet af van haar te spiegelen en ’t hair op te strijken; na datse het vergaderd had, om dat het onachtsaam verward en dartel hing, krulden zij het met golven en bestrooiden ’t vol bloemen, ’t geen haar die zelfde aangenaamheid gaf, dat de*verscheide verven, door ’t vier gemaakt, aan ’t goud geven: na dat zij eenige rozen geplukt had, vermengdenze die met de natuurlijke lelien van haren blanken hals, en zette toen haar hoofdsluier weder op: in deze toerusting streefdeze als een paauw, die vol hoogmoedigheid zijn verscheide vederen uitspreid, daar men van alle zijden de oogen op ziet blinken daarze mede bezaaid zijn, of zoo, gelijkse, haar hoofd en boezem vercierd had, geleekse als den regenboog, wanneer hij door weêrschijn van zonnestralen, als daar een wolk voor schiet, in onze oogen ontelbare schoone verven onder een vermengd, vertoond, maar ’t geen het wonderlijkste in al haar [p. 570] kleedinge was, is een gordel dieze nimmermeer af doet, en zelf alsse naakt is, draagtse hem gestadig; den werkman die hem gemaakt had, eigende lichamen aan dingen toe dieze niet hadden, en mengden veel verscheide stoffen onder een, daar hij alleen maar kennis af had om uit te voeren, want van spijt en liefde, geveinsde weigeringen, verachtelijke liefkoozerijen, lieflijke verwijtinge, minneprikkelen met glimplachjens en tranen vermengd, gebrokc zuchten, door harde hikken uitgeworpen, schoone woorden, zoete kusjens, vaste omhelzingen en onderlinge klachten, maakten hij dat wonder proefstuk. Na dat Reinout zijn tijd zoo met Armijde doorgebragt had, namze met een kusje van hem oorlof, en ging in ’er eenigheid om met haar tooverletteren, gelijkze gewoon was, te raatslagen. Ondertusschen bleefden verliefden Ridder in den Tuin gevangen, daar hij niet meerder als d’ andre vogelen uit kon, die daar zoo wel als hij in gesloten waren; maar zoo ras als de stilte en de nacht haar beide weder riep tot het genieten van haar begeerten, vertrokken ze in een heimelijke plaats die in den zelfdenTuin was, daarze den geheelen nacht in vriendelijke omhelzinge en vermaak, ’t geen de minnaars eigen is, doorbrogten. Des morgens was Armijde zoo haast niet uit den Tuin, of de twee Ridders, die in de boomen verburgen lagen, ondekten haar aan Reinout, met alle stukken gewapend. Ge- [p. 571] lijk als een kloekmoedig oorlogspaard, datmen voor een springhengst bij een hoop merrien gejaagd heeft, en de zelve tot op de kant vanden oever naaloopt, zonder evenwel te vergeten, hoe het dikmaal zijn meester hoogmoedig inden slag voerde; zoo ’t gebeurt dat het de trompethoord klinken en de wapenen van ver ziet flikkeren, terstond toevliegd daar het staal hem in de oogen blinkt en de lucht met briessen vervullende, wenscht met een kloeken held geladen te zijn, met welk het stoutmoedig een braven ren, dwers door den viand, mogt doen, om ter neder te werpen al wat hem gemoed: alzoo beweegden op de zelve tijd, toen de glans vande wapenen in Reinouts oogen flikkerde, zijn strijtbaare moed, die natuurlijk tot den oorlog genegen is, en ontroerde op een vreemde wijse, hoe slaperig dat ze door de tooverije van een luy en ledig leven was; daar op Hubout, hem naderende, Stak het diamante schilt, dat hij in zijn hand had, recht voor zijn oogen daar inden jongen Ridder hem spiegelende, al de toerustinge zag die hem de liefde gegeven had, om hem de natuur van zijn onkuische minnares gelijk te maken: het is niet als blankketsel, reukwerk en ijdele pronkerijen, die men in zijn lokken en op zijn hoofd ziet, den degen die hij op zijn zijde draagt, is van noch bequaam om te vechten, en dienvolgende onwaardig voor voor zoo strijdbaren Ridder: het is veel eerder een toonstuk van gesteenten, daar men [p. 572] meer gout als ijzer aanziet. gelijk het de gewoonten van een mensch is, die uit een diepen slaap ontwaakt, zijn verzwaarde leden uit te rekken, tot hij weder tot zich zelven komt; alzoo bleef dezen jongen Prins, geheel slaperig, vol schaamten, nu hij hem in deze toerusting zag, en scheen zijn oogen niet te derven opslaan om zijn zelve t’aanschouwen: want de vrees die hij heeft, doet hem zijn gezicht na d’aarde om leeg houden, zonder dat hij naauwlijkx het hoofd dart opbeuren, zulkx dat hij, om zich te verbergen, hem garen in Zee, of in het vuur van en Vezuvius zou geworpen hebben. Als doen nam Hubout het woord, Wel, sprak hij, heel Azie en Europe zijn in de wapenen, en al de geloovige die CHRISTUS JEZUS aanbidden, arbeiden vierig om het eilige Land te bekomen, en ondertussen, Bartholdus brave Zoon, blijft ledig in een klein hoekjen buiten onze wereld zitten; ziet hier dien vermaarden Held in de armen van een vervloekte Tooveresse, die hem gebruikt gelijk een slave: rampzalige Ridder, wat vaak heeft op zulk een wijze, al uw gevoelen, zoo slaperig gemaakt? of wat slapheid weerhoud u hier? Op, op, Godefrooy weêrroept u in ’t leger; al het Christen heir verlangt niet als na u; en tegenwoordig verwacht u ’t geluk en d’overwinning met open armen; komt dan, ô ontsaggelijke Krijger, en dat door u den aanslag mag geëindigd worden die gij zoo wel begonnen hebt, komt ter- [p. 573] stond, het schelmse gelooven daar gij de machten van doen beven hebt, verdelgen, op datse onder uw zwaard daar de slagen van onvluchtbaar zijn, neêrstorten. Op deze woorden wist Reinout niet t’ antwoorden, en bleef als onbewegelijk en verzet een tijd staan. Eindelijk na dat de schaamte voor de spijt, dien een moedig soldaat voor reden diend, plaats gemaakt had, en dat bij de verw van zijn aangezicht, hem een nieuw vier van gramschap, dat hem inwendig blaakten, voegden; scheurden hij al die overvloedige prachtigheid, en de dwaze tekenen van zijn dienstbaarheid aan stukken. Dit gedaan zijnde, haastenze*haar om te vertrekken, zulkx datze in ’t gezicht van Armijde, alle drie uit dit verward doolhof gingen. Ondertussen wasse wel verwonderd al haar wachten en tegenweer, dieze onverwinnelijk achten, nu overwonnen te zien, maar alsse bemerkten dat Reinout in ernst deurging, en dat den Ridder, dieze zoo zeer beminden, zulk een zoete gevangenis verliet, daar hij zoo ras als ’t mogelijk was, uit vloot zonder eens om te zien, wouze roepen wreede gaat gij mij zoo verlaten en alleen blijven? maar de groote droefheid, die haar terstond de mond sloot, en dwong in ’t hert te houden de droeve oorzaak van haar klagten, belet het haar ellendige Minnaresse die u in een oogenblik van uw waarste vermaak ontbloot ziet daar bij de kennis van den roof u noch grooter, smart van geeft: zij ziet Reinout, zij kend hem, [p. 574] hij is ’t zelf die voor haar vlucht, en evenwel hoe geleerd dat ze is, is ’t haar onmogelijk hem te weerhouden: ’t is vergeefs ofze hier toe gebruikt, al de toverijen en verburge bezweringen, daar haar eertijds d’ allergrooste Teoveressen van Tessalie mede behulpen. Hoewel haar niet onbekend is, ’t geen den Hemel kan stillen, of achterwaards doen deinzen, noch de middelen om de schaduwen uit haar duistere gevangenis te trekken, evenwel zoo zijn haar zwarte kunsten haar tegenwoordig ondienstig; want zijze hier niet te nut kan maken noch te weeg brengen, dat de hel zig gewaardigd, op haar klagelijke aanroepingen te antwoorden. ’t Welk d’oor zaak is dat ze haar met geen toverijen meer behelpende, nu gebruikt, om hem beter weerom te lokken, aangenaame schoonheid, vleierijen, looze woorden, met al de aanlokzelen en ’t gewoon vermaak; zulkx, dat zij om te beproeven, of de betoovering van haar gebeden en klachten, geen meer macht als die van haar zwerte konsten hebben zoude, hem zottelijk naloopt, zonder dat de schaamte, ontzag, noch eer, noch andre inzichten, machtig zijn haar te weerhouden: arme liefde waar zijn nu de zegetekenen daar gij niet lang geleden zoo pleegt op te roemen? ziet gij niet wat een hartzeer die schoone moet hebben zoo bespot te worden? geloofd gij de spijt diemen haar doet niet het herte raakt? meent gij dat ze zoo vreemden verandering verdragen kan? zij [p. 575] die voor dezen de macht had, om met een eenige lonk uw Koningrijk, hoe groot het is, ’t onderste boven te werpen; zij in wie zig de gramschap en hoogmoedigen aard beide even groot vonden, zij die geen begeerten als voor haarzelven had en met de minnaars die haar verzochten spotten; zij, die vermaak schiep in d’ overwinninge, die dagelijkx hare oogen, niet minder aangenaam, als gevaarlijk in het quetsen, verkregen, loopt als een razende na dengenen die verachtelijk van haar vlucht; zij wil met hare tranen de verachting die men van hare aanlokselen maakt, goed maken, en wanhoopt, haar aanbiddelijkste schoonheid van de natuur gegeven, zoo verstooten te zien; zij door een razende liefde vervoerd zijnde, vervolgde den genen die van haar vluchten, zonder dat het ijs, en andre ongemakken die haar teere voeten ongewoon waren te lijden, haar beletten door die ongelijke weg vol keizelsteenen, voort te gaan; ’t was evenwel vergeefs datse als boden, haar schreeuwen en klachten voor uit zond, wantse haar niet achterhalen kon voor datse al aan de haven waren gekomen; als doen, heel ontzinnig, riepse hem toe; Barbaar, die een gedeelte van mij met u voerd en hier laat blijven, of neemt het eene, of geeft het andere, of vermoordse alle beide; onverbiddelijke, doet mij de gunst ten minsten voor ’t lesten, zoo lang te vertoeven, tot ik u voor eeuwig vaarwel gezeid heb; ’tgeen ik van u begeer, is dat [p. 576] mijn leste woorden, en niet mijn kusjens, bij u worden aangenomen, want ik weet dat gij die gunst voor een ander, dieze waardiger is als ik ben, bewaard; verrader als gij zijt, wat vreesd gij? of wat is’t dat ik u van mijzelve vraag? zie ik niet dat gij de stoutmoedigheid hebt u van mij zoo te versteken, gij die noch wel moogt hebben mij te berooven, van ’t geen ik zoo vieriglijk van u verzoek? Terwijlze niet afliet van roepen, stond Reinout stil, en gaf haar tijd hem geheel uit haar adem, t’achterhalen, nu hoewel haar aangezicht in zweet en tranen zwom, zoo was se evenwel noch uitnemende schoon in al haar lijden; ’t geenze eerst deè, was Reinout stijf aan te zien, zonder hem het minste woord toe te spreken; ’t zij dit nu uit een uitnemende droefheid voortquam, of dat se hem daar het gevoelen niet af wilde betuigen, echter gewaardigde hij hem niet eens zijn oogen na haar toe te keeren, of zoo hij bij geval eenige lonken haar toewierp, ’t was alleenig steelsgewijs, zoo beschaamd was hij in zijn ziel: ondertusschen gelijk als een treffelijk Muzikant, die op eenig speeltuig wil spelen, gemeenelijk door eenig voorspel begint, misschien om zijn vingeren rap te maken, of om d’ooren van de toehoorders te bereiden, alzoo gebruikten Armijde, van de droefheid verdrukt, al haar gemeene konsten, en hervatte haar klachten, door de zuchten en hikken, dieze uit het diepste van haar hart opdreef, om dat van haar Ridder, door de reden die [p. 577] ze hem zeggen wilden, beter te bewegen: Wreede als gij zijt, sprakse eindelijk, beeld u niet in dat ik u hier als mijn Minnaar wil onthalen; ’t is mij genoeg dat gij die voor dezen geweest zijt, maar terwijl gij nu de plaats weigerd die te blijven, en zoo trouwloos bent, dat gij door ’t herdenken, van mij bemind te hebben, u verongelijkt vind; verontwaardigd u dan niet ten minsten mij te hooren, als een mensche die gij geenig goed gund; en gedenkt, dat men somtijds zijn vijand niet weigerd te hooren op zijn gebeden; weet vrij dat ik hier niet kom, om u te berooven van het vermaak dat gij neemt in mij niet te beminnen; ter ander zijde, zoo deze wijze van wraak u aangenaam is, zoo benij ik u dat vermaak niet, en zeg, dat ik degene ben, die de Christenen het meeste ter wereld gehaat heb; gij hebt zelf onder d’andre, het grootste deel in deze haat gehad: ik, van heidensche afkomste en geloove, ben de gene, die door alle middlen getracht heb de Christenen leed te doen, en u bovenal; gij weet hoe ik u vervolgd en gevoerd heb, ver van ’t leger afgescheiden in een plaats niet minder vreemd als u onbekend. Steld hier bij (en dit ’s het gene dat mij dunkt, meer als alle andre dingen tot uw schande en schade strekken zal) dat ik door mijne konsten u tot mijn liefde getrokken heb, daar ik ten eersten mijzelven zonder twijffel in bedrogen vinde, van u zoo wuft, en tot kosten van mijn eer, een bloem, daar de grootste Monarchen [p. 578] der wereld om gezucht hebben, heb laten plukken; waarlijk ’t is mij een schoone eer, u, den tierannigen bezitter van mijn schoonheid gemaakt te hebben, en uit mijn vrije wille gegeven heb, ’t gene veel andre minnaars, veel standvastiger en trouwer als gij zijt, nimmermeer op mijn wil hebben kunnen verkrijgen: evenwel terwijl dat dit geschied is, moet men ’t helpen; wel aan dan, steld dit ongeluk, indien gij wild, in den rey van mijne bedriegerijen; zeker ik ben te vreden, dat al de misdaden die ik tegen u begaan heb, zoo machtig zijn om u te vertoornen, dat gij terstond van hier vertrekt, zonder ooit aan deze woonplaatse te denken, die u onlangs zoo lieffelijk en aangenaam was; gaat wreede, keerd weder door de Zee, oorlogen en arbeid, en breekt uw beloften die gij zoo godsdienstig gezworen hebt. Ik verzoek ’er u zelf toe, gij hebt ’er geen deel meer aan, terwijl gijzelf den genen zijt dieze geschonden hebt. O gij trouwlooze, die mij in de plaats van een onbeweeglijk beeld, en geen minnaar verstrekt, al ’t gene ik begeer, is dat gij mij toelaat u te volgen: deze vraag is een zaak die men gewoon is aan niemand, zelf niet aan zijn vijanden, te weigeren. Gij weet dat wie een stad veroverd heeft, zijn roof, noch d’overwinnaar zijn gevangenen niet verlaat, maar hij doetse voor hem gaan, en voerdse zeeghaftig met hem; waarom doet gij dan niet het zelve, en waarom staat gij niet toe dat ik u in’t leger vergezelschappe? op dat [p. 579] gij bij uw andre daden voegd, dat gij wraak genomen hebt, over een persoon die onlangs veel brave Helden uitstreek, op datse zoo met den vinger mag na gewezen worden, als een arme slavin, die de spot van al de wereld onderworpen is; troostelooze als ik ben, voor wie hoef ik nu meer deze blonde hairen te bewaren, nu gijze zoo zeer veracht? waarlijk ik zal ze afsnijden om u te volgen, en mij door die middel vermommen, op dat men mij voor een knecht zal aanzien, ik heb moeds genoeg u te dienen om uw speer te dragen; en stoutmoedigheid genoeg mij midden onder de vijanden, in de grootste hette van ’t gevecht te werpen; en zoo ’t noodig is, twijfel niet dat ik de kracht niet zou hebben om uw paarden te bezorgen, en mij, onder al wat gij mij gebieden zult, te stellen; hoe groot dat de gevaren zijn, zij zullen mij altijd, als ik u vergezelschap, te klein schijnen; en om u zelf te behoeden, zal ik niet dralen u voor schildknaap en schild te verstrekken, stellende mijn leven voor ’t uwe, om het te behouden. Deze keel, die gij zoo bloot ziet, zal ik altijd voor het zwaard der vijanden, vertoonen, eer toe te laten dat gij gewond zoud worden, zulkx dat men geen mensch zal vinden, hoe onmenschelijk en Barbarisch dat hij mag wezen, die niet wel te vreden zou zijn, u te behoeden, door vreeze van mij te quetsen, stellende deze schoonheid, die gij zoo veracht, voor al de eer die hij uit zijn overwinning zou kunnen trekken; maar ongelukkige [p. 580] als ik ben, ik kittel mij met een ijdelheid die mij onnut is, ach ’t is vergeefs, dat ik mij met een zaak vlei die ik nimmermeer verkrijgen zal. Zij zou meer gesproken hebben, zoo de zuchten die zij loosden, haar de woorden niet hadden afgesneën. Hier en boven dat haar schoone oogen, die voor dezen zoo zedig ende klaar waren, nu twee levende waterbeken schenen te zijn, die van een albaste steenrots afvloeiden: dan trachteze hem bij de hand te vatten, dan in het aan gezicht te streelen, makende de maniere van een die een ander bid; maar hoe meer datse hem bezwoer, hoe meer dat hij den dooven speelden; zulkx dat hij al haar aanslagen weêrstond, en eindelijk meester bleef. Want de liefde vond alreede geen ingang meer in dat onverwinnelijk hart, en de reden had al de vlammen die hem plegen te verteren, in ijs veranderd. ’t Gene evenwel niet beletten kon, dat zijn oogen op haar klachten zich niet openden, en waarlijk dit sproot ik en weet niet uit wat voor medogende knaging, die gemeenelijk aan de liefde vast is, en die hier ook zijn gevoelen zoodanig beweegde, dat het hem onmogelijk was de drift van zijn lijden te matigen Evenwel nadat hij zich, zoo veel hem mogelijk was, versterkt had, om van binnen dit lijden te verbergen en voor haar t’ontveinzen, wilde hij haar eindelijk niet zonder antwoord weêrom zenden, maar sprak tot haar; Armijde, ik zal niet veinzen u te zeggen, dat het mij grootelijkx bedroefd, u in [p. 581] den staat daar gij tegenwoordig in zijt, vervoerd te zien; zoo ’t alleenig aan mij stond om u deze onmatelijke drift te doen vergeten, die gij al t’ongeregeld alleen om mij omhelsd hebt, twijfel niet dat ik mij ’er niet gewillig in quijten zou: evenwel moogt gij wel verzekerd zijn,*dat mijn vertrek van u, niet uit haat, of quade genegentheid t’ uwaarts spruit. den hemel behoede mij dat ik de smaat die ik van die zijde ontfangen heb zou rekenen, en noch veel minder begeerte krijgen mij daer over te wreken; geloof mij, mijn eergierigheid zoekt u hier niet voor een slave en vijandinne te houden, hoe wel dat gij niet kund loogenen grootelijx gemist, en het pad der reden wel verovertreden, te hebben, door het streng onthaal dat gij mij gedaan hebt, zonder u de minste oorzaak gegeven te hebben. Hier boven, wijt gij het eene quaad op het andre gehoopt hebt, is ’t geschiet, dat gij u onredelijk hebt laten vervoeren, van een overdadige haat, tot een grooter drift der liefden, maar gij zijt de eerste niet die dat geschied is, en deze misslagen zijn maar al te gemeen in dezen tegenwoordigen tijd: ik vergeef het uw geloof dat gij hebt, terwijl gij het met het zog van uw voester hebt ingezogen, en ben tevreden noch meer andre dingen uwen aard en jonkheid toe te staan. Ik ken mij zelven aan een deel van uwe rampspoed schuldig, en ben tot het einde toe zoo barbarisch niet, zonder niet geraakt te zijn: ook ben ik zoo onbeleefd niet om u te ver- [p. 582] oordeelen, hiertoe heb ik de minste begeerten, maar integendeel verklaar ik u, dat gij, onder de wereltsche dingen, daar ik de geheugenis van zal ’t meeste beminnen, altijd de eerste plaats zult houden; ’t ga met mij zoo’t de hemel gevalt: ’t zij dat hij mij reden geeft om te verheugen, of bedroeven, ik zal u altijd voor oogen houden, en overal daar ik aankom, zal ik uwen Ridder zijn, zoo veel als de wetten van mijn geloof met die van mijn eer, die mij verbinden om proeve te geven van mijn dienst in desen oorlog, die wij Kristenen zo rechtvaardig begonnen hebben, kunnen lijden. Gedenk dan niet meer, ik bid u, aan de misslagen die gij en ik mogen begaan hebben: gij weet dat al wat geschied is, niet als tot onze gemeene schanden strekken kan: dat u dit genoeg zij en de geheugenis hier van voor altijt in deze eenzame einden der wereld begraven blijft: zie dit ’s het gene ik boven al begeer; dat men hiervan niet spreek in Europe, of ergens anders, ik heb noch veel meer misslagen begaan, zonder dat het van noode is deze daar bij te stellen. Daarom bezweer ik u weder in Gods naam, nimmermeer, op zoodanigen wijze, te bezoedelen uw schoonheid, gezag, ofkoninglijk bloed, daar gij d’eeraf hebt uitgesproten te zijn: blijft dan hier ter goeder uure, en vergenoegd u met de voorgeschiede dingen; ik vertrek terstond, en gij kund mij niet volgen, hoe groot dat uw begeerten ook is, om dat de gene die mij geleiden, het u zouden beletten; [p. 583] blijft dan in deze plaats, of neemt een en anderen weg, en matigd wijsselijk de hitte van uw drift.
    Terwijl den Ridder deze woorden sprak, om haar te herstellen, kon ze niet op haar voeten blijven staan, maar brande van ongeduld, zoo ongerust en vol on genuchten wasse, door gramschap en spijt vervoerd, hielze haar oogen stijf op hem gevest, en zag hem overwreedaan; eindelijk hebbende lasteren en schelden tot haar hulp genomen, antwoordeze hem; Gaat schelm, gij zijt nimmermeer uit het bloed van Attienus gesproten, en de schoone Sofia heeft u niet gebaard: zeg veel eer dat gij uit onbewegelijke zeebaren, of het ijs des bergs Kaukazus geboren zijt, en Herkanisse Tijgeressen gezogen hebt, want waarom is het noodig dat ik deze waarheid ontveinze? heeft dien onbewegelijke wel het minste teken getoond, dat hij in zijn hart het minste medelijden voelden? is hij wel eens van verw veranderd, om al de dingen die ik hem mag gezeid hebben? zijn mijn klachten wel machtig geweest de zijne tot haar te trekken? heeft hij wel een traan gestort, of een zucht tot teken van smart geloosd? wat kan ik nu van hem denken, of wat behoor ik te zeggen? hij bied zijn zelven aan om mij te dienen, en evenwel hij verlaat, en vlucht van mij: ô die kloekmoedigen Overwinnaar, die zoo licht de misdaden, die men hem gedaan heeft, wil vergeven, en de grootste misslagen vergeten; maar ziet eens, ik bid u, ’t geen hij mij raad, en de [p. 584] schoone reden der liefde, die dien kuischen Xenokrates gebruikt. O Hemel, ô Goden, waarom geschied het dat gij deze vervloekte menschen leven laat? waarom doet gijze niet verzinken, en waarom laat gij niet toe dat haar de donder sla, veel eer als d’onnoozele gebouwen en uwe tempelen zelf? gaat heen dan, o wreedaard, en gevoeld hier na de rampen die mij drukken; gaat heen ongetrouwe, en twijfel niet dat mijn schaduw u zal volgen, zoo ras als mijn geest van dit lichaam zal ontbonden zijn. Zoo zeer als ik u voor dezen bemind heb, zoo zeer wil ik u in toekomende haten. Waar dat gij moogt heen trekken, gij zult mij altijd achter u her hebben, want ik in de plaats van de vierde razernij zal zijn, om u eeuwig te quellen, en hier toe zullen mij geen slangen noch fakkels ontbreken. En zoo uw noodlot toelaat, dat gij ’t gevaar der Zee en klippen, zoo wel als de schipbreuk komt t’ontgaan, en in het oorlogsveld gelukkig aankomt, daar hoop ik dan dat gij, on der de dooden, gereed zijnde om haar te vergezelschappen, u geraakt zult vinden door een naberouw, van mijzoo lichtelijk misdaan te hebben, eer dat gij de laatste snikken noch geven zult, maar roept dan zoo veel als gij wild om de getrouwe Armijde, het zal u al niet helpen. Op deze woorden begaf haar den adem, zij viel in onmacht neder, hebbende haar aangezicht geheel met een koud zweet bedauwd: ellendige Princes, die van den Hemel gehaat word, [p. 585] en niet wil dat u eenige middel van vertroostinge bij blijf; waarom opend gij uw oogen niet in plaats van die te sluiten, om de tranen van uwen minnaar te zien? ô hoe zouden zijn zuchten uw smart verzacht hebben, zoo ’t geschied waar dat gijze geopend had! hij geeft u al wat hij kan, en zeid voor ’t lest vaarwel, met een aangezicht, dat gij niet ziet, daar de blijken van zijn rouw klaarlijk op uitgedrukt zijn. Zijnde tot zoo droevigen uiterste gebrocht, wat is ’t dat hij voor zijn beste doen zal? Moet hij de bedroefde Armijde half dood op den oever laten leggen? Zeker zoo van d’eene zijde de beleefdheid en ’t medelijden hem beletten te gaan, zoo beroofd en leid hem de dwang van d’andre met kracht wech. Hij gaat dan, en den adem der westewinden, speelden alreede zoetjens in de lokken van die haar geleiden. Dat schoon vergulde zeil zeilden in volle Zee; en terwijl Reinout na den oever zag, daar hij van vertrokken was, verdweenze ongevoellijk uit zijn oogen: ondertusschen was Armijde zoo haast niet tot haar zelven gekomen, of zij zag, haar oogen overal slaande, niet dan een woestheid, daar t’effens de stilte en eenzaamheid heerschten: Hij is dan gegaan, sprakse, dien verrader als hij is, en heeft de stoutheid gehad, mij hier alleen in doodsnoode te laten, zonder een oogenblik te vertoeven om mij te helpen. Ik ben wel dwaas hem noch te beminnen, en van droefheid op dezen oever, daar die trouwloozen mij vast houd, te [p. 586] verteren: maar waar toe zijn al deze klachten goed? heb ik dan geen andere wapenen om mij te wreken, en kunnen mij kunsten ontbreken, die bequaam zijn om mijn begeerten te vergenoegen? ’t ga hoe ’t wil, ik heb voor mij genomen die vervloekte te vervolgen, daar zal geen zoo verborgen plaats zijn, al waar hij in ’t diepstte der hellen, daar ik hem niet gaan zoeken zal, den hemel zal hem zelfs niet voor verblijfplaats kunnen strekken, om hem in zekerheid verburgen te houden, ik heb dien onmenschelijke alrede vast, ik scheur zijn trouweloos hart aan stukken, ik vierendeel hem, en hang zijn leden aan een galg, op dat hij in toekomende voor een spiegel verstrekke aan den genen die hem willen navolgen: laat hij zo schelms en wreed zijn als hij wil: ik zou wel grootelijx bedrogen zijn, zo ik hem eindehjk in bedrog en loosheid niet te bovengâ, maar waar zijt gij rampsalige Armijde en wat wild gij seggen? ô ’t waar u beter geweest dat gij u wreet tegen hem getoond had als gij hem hier had, als u nu vergeefs te beklagen, nu hij ’t ontsnapt is! de wraak die gij tracht te neemen is al te langsaam, het is nu geen tijd meer de driften van uw hart te volgen: evenwel ’t geen ik u moet raden, dat is; zoo uw schoonheid, noch in eenige achting is, en misschien zalze ’t wezen, of zoo gij u noch kund behelpen met uw gemeene listigheid, zoo zal uw begeerten niet ijdel zijn: wel aan dan, deze zelve schoonheid moet mij wreken, terwijlze’t meeste [p. 587] misdaan is: ook heb ik voor mij genoomen, die te beloven, tot vergeldinge aan den genen die mij het hooft van die trouwloozen brengt: ô gij, mijn minnaars, die door de dapperheid zoo beroemd zijt, aanvaard de aanbieding die ik u doe, en zoo gij bevind dat de zaak in zijn zelf gevaarlijk is, staat mij ten minsten dan toe dat den aanslag eerlijk is; niet een van u is mijn geboorte onbekend, noch de groote goederen die mij verwachten: wreek mij dan, ik bid u, terwijl ik op die voorwaarden bereid ben mij geheel aan u over te geven. Of zoo het waar is, dat ik niet waardig ben zoo dier gekocht te worden, ik bevinde dan, ô mijn schoonheid, wat waardije dat men ook van u maakt, dat gij mij een onnutte gift der natuur zijt; hoe het ook zij, wijkt vrij zoo ver van mij als gij wild, o trouwelooze, terwijl uw ondankbaarheid u jaagd, ik bekommer mij niet meer met u, en ’t is mij evenveel, of ik leve, of Koningin ben: want zoo iets dit korte leven, dat mij noch overig is, behoorden t’onderhouden, dat ’s d’eenige hoop van wraak.
    Armijde deze woorden gesproken hebbende, dieze met een gelaat dat van razende gramschap aange prikkeld was, vergeselschapten, verliet terstont den eensamen oever met het hangende hair, geheel in haar aangesicht onsteken, en aan haar wesen te kennen, dat de spijt zijne wortelen in haar hart geschoten had, maar zij was naulijx in ’t paleis geko- [p. 588] men, ofse riep drie honderd helsche Godheden aan, met een stem die haar zelf verschrikten. Daar op wierd terstond den Hemel met dikke duisternis bedekt, die haar van alle zijden uitstrekten; de Zonne wierd bleek, de winden deden de bergen rondom beven, d’aarde loeiden onder haar voeten, en de hel brulde vervaarlijk. Als doen hoorde men in den ommering van dit betooverde paleis, verscheide monsters, bassen, huilen, en blazen op een vreemde wijze; het was alles met zoodanigen duisternis bedekt, dat zelf de Zonne niet machtig was daar door te breken, zulkx datse geen ander licht als dat van den blixem zagen. Nadat de duisternisse verdwenen waren, quam de Zon in haar plaatse, met zulke bleke stralen, dat het lang aanliep eer de lucht weder helder was. Ondertusschen verdween op die zelve tijd dat geheele Paleis, zonder dat er het minste teken over bleef, daar door men oordeelen kon, waar dat prachtige gebouw te voren gestaan had. Want al wat ’er wonderlijk in den heelen omring van den tuin was, verdween in een oogenblik, en daar bleef niet meer als de eenige steenrots, die schrikkelijk van zijn zelve was, staan, waarin dit paleis zeker gelijkt, de beelden die men zich inbeeld in de lucht te zien, als kasteelen, boomen, wanschepsels, lansdouwen, die met den eersten wind, of in de zonneschijn verstuiven; of het is zoodanig als den droom van een uitzinnige, die in de langduurigheid van een heete [p. 589] koorts hem verbeeld te zien, een ontelbare meenigte van spook en geesten: terstond klom de Tooveresse op een wagen, dieze vaardig had, die terstond zich in de lucht ophief, daar hij boven over de wolken heen rolden, voordgedreven door kracht van storm en draaiwinden, die hem voordjoegen als den blixem. Alzoo wasse, door krans van deze vliegende wagen, in een oogenblik, verbij al de oevers, die onder d’andre pool gelegen zijn, en het aardrijk van onbekende volkeren bewoond. Door de zelfde middel raakten ze in de naauwte, zonder de zijde van Spanjen of Barbarijen aan te doen, want zij vervolgden haar weg, opgehouden in de lucht, boven den Oceaan, en quam eindelijk aan de zijde van Palestijne. Nu of het scheen dat het aanschouwen van heur land haar hatig scheen; zij schuwde altijd den oever van Damasko, en deé haar wagen de vlucht na de doode Zee nemen, daar haar kasteel stond. Daar gekomen zijnde gewaardigdeze haar niet eens van haar huisgenooten te laten zien, en begon verscheide dingen in haren geest ter zijden en van alle gezelschappen afgescheiden t’overdenken. Ik moet, sprakze bij haar zelve, hier niet eer van daan vertrekken voor dat den Zoudaan van Egipten hem in ’t velt begeeft met de macht van ’t Oosten: al de wetenschap en kunst, die ik ooit gehad heb, wil ik nu gebruiken en mij anders vermommen als ik tot noch gedaan heb: ik heb voor mij genomen de wapenen te dragen en de boog en ’t zwaard te [p. 590] te voeren, of zelf zoo ’t noodig is, voor Staatjonker de beste Ridders te dienen, en haar tot de gevaarlijkste aanslagen te moedigen: indien ik maar reden krijg van de hoon die mij aangedaan is, zoo ben ik wel bereid voor eenigen tijd van mij te verbannen al ’t geen men eer inde wereld noemd: en zoo mijn voogd mij wil lastren, dat hij ’t niemand als zich zelve wijt, die zonder de zwakheid van mijn natuur t’ overwegen, mij heeft laten dingen bestaan die hij mij nimmer had behooren toe te laten, als mijn eer onwaardig zijnde: hij is die mij uit de palen der schaamte geleid heeft, en door zijnen raad heb ik verscheide onversaagde aanslagen volbragt, mij dragende als een landlooper: men moet hem dan alleen toe schrijven al het quaad dat ik tot noch toe gedaan heb, en al ’t geen ik hierna door een hevige liefde en rechtvaardig gevoelen, vervoerd zijnde, doen zal. Dit was het voornemen datze broude, dat zoo haast niet in haren geest besloten was, of zij riep heur Ridders en maagden, met al haar andre huisgenoten tot haar; nadat ze haar een deel van haar voornemen gezeid had, gebruikteze al haar schatten en rijkdom, om een machtige uitrusting ten oorlog te maken; dit gedaan hebbende, begafse haar op den weg, en zonder haar het minste te vervarschen, hielze niet op van macht en dag te reizen, tot datze eindelijk terzelve plaatse quam daar den Soudaan van Egipten zich gelegerd had, langs den oever van Gaza.
Continue
[
Frontispice canto 17]
[p. 591]

TORQUATO TASSOOS

Verloste

JERUZALEM.

Het zeventiende Gezang.

INHOUD.

DEn Soudaan van Egipten ziet zijn heir monsteren, om tot hulp van Jeruzalem te zenden. Armijde verschijnt ’er met haar troeppen ook en bied haar perzoon en Koningrijk den genen aan, die haar van Reinout wreken wil, en zijn hoofd brengen. Reinout, komende aan Palestijne te landen, vind daar rijke wapenen en een schild, daar zijn geheel Geslacht op gegraveerd is. Den wijzen Konstenaar verklaard hem een gedeelte daar van, in duistere reden, en laat het overige voor Peter den vroomen Kluizenaar, om hem in een breeder uitlegging, daar over, te doen.

    ’t Egiptisch leger word gemonsterd voor den Vorst,
Om naar Jeruzalem te worden afgezonden,

[p. 592]
    Armijde, die zoo heet, na Reinouts leven dorst.
Verschijnt ’er met het Volk tot hare hulp verbonden.

    (5) Zij biedt ’er zelven aan den genen, die haar ’t hoofd,
Van Reinout breng’: Hij land aan Palestijnse stranden,
    Vind wapens en een schild, waar in hem word beloofd,
De nazaat die zoo braaf beheerschten rijke landen.
    Den Konstenaar een deel in ’t duister hem verklaard:

    (10) En ’t ovrige dat word voor Peters geest bewaard.

DE Stad Gaza is gelegen op de grenzen van Judea, op de groote weg, daar men, langs de Zee, recht naar Peluzen gaat. Niet ver van daar, zietmen verschrikkelijke Woestijnen daar de stormen en draaiwinden gewoon zijn de baren om te roeren; zulkx dat de wind van de middag zomtijds het zand zoo omwroet, dat de Karavanen, en de reizende, groote moeiten hebben om ’er niet onder verdrukt en begraven te blijven. ’t Was al lange geleden dat den Soudaan deze stad, die een sterkte van Egipten was, van de Turken onrechtvaardig bezeten had. Vindende haar dan zeer bequaam tot dezen aanslag, daar al zijn zinnen op speelden, en om nader bij te wezen, had hij zijn Hof na deze plaats vervoerd, en de bij eenkomste van het grote leger ’t geen hij vergaderd had en een algemene monstering van zien wilde hier beschreven: maar, ô mijn waarde Zanggodin, zegt mij den tijd en de [p. 593] plaats daar deze dingen in voorvielen, en de macht die dezen Vorst, zoo van zijn eigen onderzaten als bondgenoten, had; verhaald mij den uittocht van ’t volk, ’t welk hij van den middag af, tot aan d’uiterste grenzen van den opgang gelicht had, en wat Princen of Landvoogden haar daar lieten vinden, want gij zijt de eenige die mij waarachtig verhaal kund doen, van de benden en de oversten die men hier, van de plaatsen der halve wereld, zag aankomen.
    Zeder dat Egipten het jok van het griekse Keizerrijk afgeschud had, en van geloof veranderd was, wierd een zeeghaftig held, gesprooten uit het bloed van Mahomet, meester daar of en vestigde daar zijnen Zetel: toen hij aan de Kroon geraakte, dede hij zich Kaliffus heten, een titel die zijn navolgers zeder gevoerd hebben, even gelijk als d’ oude Egyptische koningin haar Farao deden noemen en daarna Ptolomeus: hoe wel dit Keizerrijk alreede groot was, zo wierd het door verloop van tijden noch veel grooter; want het strekten*zich uit van de opgang tot de ondergang,*zowel in Azie, als in Affrike, en na de landen van Cijrenen: schietende vande zijde van Egipten na de middag, tot boven de stad Sijéne die op de grenzen van Ethiopie leid; en derwaarts na het woeste Arabien had het voor palen die van Saba en die de oever van de Eufraat bewonen, omvangende ’t gelukkig Arabie, en de roode Zee, daar het van daan zich wijd in ’t oosten uitbreid. Zulx damen [p. 594] wel seggen mach, dat de machten van dit Rijk wel groot zijn: maar ’t geen haar noch meer onsagchelijker maakte, was dezen Soudaan, die door een langen rij van voorzaten nu den Scepter zwaaiden: en waarlijk hij was ’t waardig, want het was een deftig man, zo wel in zaken van vrede, als die van oorlogen: ook had hij groote dingen te beslechten gehad, dan tegens den Turken, dan weder tegen de Persen; en hoe wel hij dikmaals, volgens ’t beloop der oorlogen, overwinnaar, en overwonnen geweest is, zoo had hij zig in ’t een en ’t andre even gelijk getoond, zoo volstandig inde tegenspoed blijvende als in de grootste gelukken der fortuin: zie zoo ontsagchelijk was dezen Vorst, die daar zijn machten bij een vergaderde, of om wel te zeggen, haar alreede vergaderd had, en zich haaste om die tot bijstand van Jeruzalem, tegen de Franssen te zenden, want hij niet meer vreesde, als de gelukkige overwinning van de ze nieuwe helden. Armijde was de laaste die hem hier bij quam, en wel te pas, dewijl hij buiten de stadsvesten, in een breed plein, zijn leger overzag, daar hij gezeten was op een hoog verheven troon, daar men met honderd elpenbeene trappen opklom, en om noch heerlijker te schijnen, was hij met een rijk verhemelte bedekt, en bekleed met een groote purpre rok, met goud geborduurd: hij had op zijn hoofd een keizerlijke kroon, daar van het gesteenten de oogen der aanschouwers verblinden, daar bij zich [p. 595] den Scepter, die hij in de hand hiel, met al de rest van zijn toerusting, deftig voegde, en hem waar lijk een recht Monareh, gelijk hij was, deden schijnen; daar en boven dat zijn langen baard, en keizerlijke vrijmoedigheid hem te gelijk verheerlijkten, ook hadden zijn hooge jaren de wakkerheid van zijn gezicht niet verdoofd, noch zijn majesteit, niet min der als de grootheid van zijn rijk verminderd: in de ze toerusting blonk hij bovenal d’andre uit, gelijk als Apelles eertijds Alexander schilderde, op de wijze van den blixemende Jupiters of zoo, gelijk hij in zijnen troon den eenigen Meester der Goden vertoond. Twee van de grootste Landvoogden van zijn Hof, stonden aan zijn zijde over end, daar van den eenen, tot teken van de krijgshandel, in zijn hand een bloot zwaard voerde, in de hoedanigheid van Veldheer, en d’andre, als Kanselier, had het zegel van ’t Rijk, om de rechtvaardigheid en de regering te vertoonen: rondom zijn Troon stonden de Sirkassers, trouwe lijfwachten, gewapend zijnde, met borstharnassen, bartizanen, en de kromme sabel op de zijde. Deze machtigen Monarch zittende zoodanig op zijnen Troon, bezag van boven zijn leger, daar van de hoofden, in ’t verbij gaan, de punte van hare tekenen en wapenen, op de manier van aanbiddinge, ter aarden bogen. Die van Egipten verschenen de eerste deftig uitgerust, door vier Oversten geleid, daarvan twee uit het bovenland en [p. 596] d’andre uit het beneden waren, alle gebuuren van den Nijl, die waarlijk door een hemelsche gaaf, door ’t heele land een meenigte van slik voerd, dat het aardrijk vruchtbaar maakt, tot daar zijn krachtig water zich in Zee gaat ontlasten. Zie zoo heeft Egipten al langsaam toegenomen, zeder den algemeenen Zundvloed, in ’t midden van zoo veel onvruchtbare woestijnen, die het aan alle zijde bepalen. In de eerste troep zag men de gene, die de rijke landsdouwe van Alexandrien bewonen, langs den oever die zich na ’et oosten keerd, en van Affrijke begint; die haar geleiden noemden zich Araspes, vaardiger in raadslagen als uitwerking, en die niemand in loosheid en doortrapte aanslagen week. Na dezen trokken de volkeren, die aan de zijde van Azien woonden, strekkende na den opgang der Zonne; zij hadden tot Hoofd Arontes, veel aanzienlijker door zijn geboorten, en verdiensten van zijn voorouders, als door zijn eigen deugden, want die bloodaard had nooit onder de wapenen gezweet, en was nimmer opgewekt geweest door ’t klinken der trommelen, of trompetten, maar in tegendeel had hy altijd vermaak gehad in een wellustig leven stil te zitten; en zoo hem iets aanprikkelde om de wapenen te dragen, ’t is maar een zekere eergierigheid, die uit een opwerpend en jeugdig gemoed voortquam, ook ben ik verzekerd, dat hij zoo moejelijken ambacht, omdat hij ’s niet gewoon was, wel haast moede zou wezen. De [p. 597] derde troep die te voorschijn quam, was veel eer een geheel leger, als een keurbende, zoo groot was het getal der krijgsknechten daarze in bestond: en zeker in ’t aankomen, ziende hoe dat dit volk het plein en den oever, vervulde zoumen nauwlijx kunnen gelóven, dat Egipten zo veel zou kunnen uitleveren om zoo veel krijgers t’onderhouden: en evenwel zijn zij maar uit een eenige stad afgekomen, die waarlijk zoo groot is, dat zij haar met recht mach vergelijken bij veel geheele landschappen, en meer als in duizend kleine steden bestaat: ’t is uit groot Alkair daar den Overste Kampson deze troepen soldaten, veel aanzienlijker door haar groot getal als ervarentheid in den oorlog, geligt heeft Na dezen volgden onder Gazel, degenen die de nabuurige landen, tot aan de watervallen van den Nijl, die in ’t midden vande Rotsen afstortende, d’ omleggende plaatsen met een schrikkelijk gerucht vervult bebouwen. Nu gelijk d’Egiptenaars ongewoon zijn, helm, of borstharnas te dragen, voerdenze allenig maar den boeg en degen, het overige van haar rusting was zoo kostelijk, dat het hare vijanden meer begeerte om haar te berooven, als schrik van haar vermoord te worden geeft. Achter deze leste verscheen den Oversten Alkaron, die de Soldaten van Barka, ongewapend en bij na heel naakt geleiden: dit waren degenen die voor dezen plegen door de wildernissen te loopen, en van haren roof haar t’onderhouwen. Den Koning van [p. 598] Tummarre volgde haar met een troep oorlogsvolk die niet weten wat het is, zig in een slag gesloten te houden: hij was van den Koning van Tripolij vergezelschapt en alle beide zijnze beqaam genoeg tot de schermutseling, na dezen volgde terstont de volkeren van’t een en’t ander Arbie, die nimmermeer overdadige hitte noch koude gevoelen, zoomen gelooven mach ’t gene m’er af verhaald. Van haar gewesten koomt ons den wierook, en ander reukwerk van daan. daar werd den onsterfelijken Fenix herbooren, die zich zelven t’ effens een houtstapel en een wiege bout. Deze zijn zoo wel niet toegerust als de Egiptenaars, maar dragen de zelfde wapenen: zij hebben bij haar gevolgde andre Arabiers, alle struikrovers, die inde woestijne, onder hutten, leven, en van woonplaats veranderen als het haar goed dunkt: zij zijn van lichaam en spraak op de manier als de vrouwen, hebben ’t hair lang en heel zwart, en een langwerpig aangezicht, voor haar wapenen dragen ze zekere schichten, van Indiaans riet, aan ’t end met ijzer beslagen, en zitten op zulke afgerichte paarden, dat men haar ziende loopen, gezeid zou hebben dat het een draaiwind was die haar voort dreef, zoo ’t is dat de wind in snelheid haar gelijk is. d’Eerste troep wierd door Sifax geleid, de tweede door Aldijn, en de derde door Albiazar, die waardig is veel eerder een roover als Krijgsman te heten. Na dezen quamen die van d’Eilanden en den zeearm van Arabien, daar men de [p. 599] oesters vischt die de gróte paarlen voortbrengen. Met haar trekken de Zwarten, die haar aan de slinker*zijde houden van den oever der roode Zee, daar van d’eene onder’t gezag van Agrikalt waren, en de andre onder die van Osmides, een vrijgeest, die van alle gelooven evenveel hield. Na deze vertoonden haar de Etiopianen van Meroé, een Eiland van den Nijl en den Astrabolus besloten, en zoo groot in zijn uitbreiding, dat het in drie Koningrijken en twee verscheide gelooven bestaat; zij hebben tot oversten, Kanarius en Assimir, alle beide Mohometanen en schatbaren van den Kaliffus; maar den derden gewaardigden zich niet in deze monstering te verschijnen, om dat hij zich voor een Christen uitgaf. Op dezelfde tijd verschenen twee andre Koningen, den een was Soudaan van Ormus, een Eiland van den boezem der Persische Zee, en d’andre Heer van Boë kan, ’t welk noch een Eiland schijnt te zijn, als de Zee hoog is, maar alsse gevallen is, kan men daar droogs voets van ’t vasteland na toe gaan. Gij zelfs, ô strijdbare Altamor, gy liet niet na in deze openbare monstering te verschijnen; en de schoone Koningin uw vrouwe, die u zoo beminde, was niet magtig geweest u in haar kuische legerstede te houden, wat tranen zy ook storten, hoeze haar hair uitgetrokken en voor haar borst geslagen heeft, om u van deze doodelijke reis af te trekken. Wel aan dan, ô wreedaard als gij zijt, sprakse (toen gy vertrokt) [p. 600] ’t schrikkelijk wezen der Zee, zal u dat aangenamer als mijn gezicht zijn? zult gij de last der wapenen, veel zoeter als die van dit onnoozle kind, dat al zijn vermaak schept in met u te spelen, vinden? Dezen Altamor was den Koning der Samarkanten, die niet zoo zeer beroemd was, om van niemand opgewekt te zijn, als wel om zijn moet, en groote ervarendheid in den oorlog, want zijn kloekmoedigheid bleek zoodanig in den strijd, dat de Fransen hiervan gedwongen zijn geweest de waarheid toe te staan, alzoo hij haar hier van de proeven gegeven heeft; zulkx dat het wel reden was, dat zij hem ontzagen. Zijn Soldaten waren alle tezamen gewapend met starke borstharnassen, en hoewel ze de kromme sabel op de zijde droegen zoo hing haar een knodze aan den zadelboom: terstond volgde den hoogmoedigen Adrastes, die uit de Indiaanse gewesten quam, daarmen zeid, dat de schoone morgenstond verrijst: inde plaats van een borstkolder, was hij met een sterk borstharnas, gemaakt van een hart serpentevel, met zwarte stippelen, op een levend groen gevlakt, gewapend. Dezen Overste, van een onmatelijke lengte, was op een olifant gezeten en de troepen die hij met hem geleiden quamen vande zijde daar den Ganges zich in d’Indiaanse Zee ontlast: het volk dat hier na volgden behoorde waarlijk de bloem van de koninglijke machten geheten te worden, omdat m’er geen [p. 601] ander volk bij zag, als oude uitgelezen soldaten, die door haar dapperheid, van trap tot trap, gekomen waren tot de hoogste bedieningen inden krijgshandel. Zij waren alle op trouw gewapend, en gezeten op paarden met beslagen toomen, zoo wel om de verzekerheid van haar personen, als om haar verschrikkelijker voor haar vijanden te maken, door middel van haar rusting, daar ’t goud onder ’t, staal uitflikkerde. Onder dezen zag men boven al, den hoovaardigen Alarik, den legermeester, Oudemerk, den moedigen. Hijdraot enden beroemden Eurimedon, die al de wereld scheen t’ ontzeggen ja de dood zelve, zoo moedig en stout was hy. Daar zag men noch den onversaagden Tigranes, en Repoldus dien moedwilligen Zeeroover, die door zijn nooitgehoorde wreedheden, hem in al deze Zeeplaatsen had bekend gemaakt; ik vergeet den magtigen Ormond, den starken Marlabustes, die d’Arabiers, van hem verwonnen, die naam gaven; en Ormides, Arimond, Pirga, Brimart den plaatsnemer, en den deftigen schildknaap Sifantes. Daar zag men zelf verschijnen den sterken worstelaar Aridamant, en den kloekmoedigen Tisafernus, een waren oorlogsblixem, by die niemand vergelijkelijk is, ’t zij hy te voet, of te paard moet strijden, of in den renbaan met de lans steken, het Hoofd die deze troep geleide, was een Armeniaan van geboorten, en deed zich noemen Emirenes, een naam die hy zich zelf [p. 602] gegeven had in de plaats van Klement, die hij plag te voeren, eer hy in zijn jonge jaren het ware Christelijke geloof verliet, om het valsch gevoelen der Mahometanen te volgen; anders was ’t een bezadigd man, geheel oprecht, en hierom van den Soudaan boven alle andre bemind, want hij de naam had niet minder kloekmoedig, als van goed overleg, en vaardig in ’t uitvoeren te zijn.
    Armijde was de laasten die haar in deze algemeene monstering vertoonden, zij was op een groote wagen gezeten, gekleed zijnde met een rijke tabberd van goud laken, hebbende den boog in de vuist, en den pijlkoker vol pijlen aan een sleuier hangen: bij de natuurlijke schoonheid van haar aangezicht, vermengde zich ik en weet niet wat voor hoogmoedigheid, ’t geen teffens scheen te dreigen, en d’aanschouwers tot zich te trekken en tot liefde te verwekken, hoewel ze in haar een manier van verachtinge zagen; geheel haar wagen schitterde van Karbonkelen en Safieren,welke glans haar, diegene die van den hógen Hemel ons het licht op der aarde brengt, gelijk maakt; vier Eenhoornen waren’er voor gespannen, twee aan twee, en rondom haar zag men honderd jonge schoonheden, die gelijk zij gekleed waren, en zoo veel Staatjonkers, zittende op witte Spaanse looppaarden, afgericht om in de renbaan ronde sprongen te springen; zy wierd gevolgd van Aradijn, en desoldaten die Hijdraoth in Surie gelicht had. In de- [p. 603] ze toerusting trokse voord, en daè een ijder over haar verwonderen: gelijk als den eenigen Vogel, herboren zijnde, tot zich trekt al de oogen der Etiopianen, die hem naloopen om de wonderen van zijn vederen te zien, vercierd meteen aangenamen halsband en een goude kroon, terwijl alle d’andre vogelen hem na vliegen. Zij doet overal waar de soldaten staan, haar van verwondering verstommen, en die haar verbij trekkende aanschouwen, en letten op haar goede manieren, kleeding en wonderlijke schoonheid, worden daar door betooverd; ook is ’er geen hart, hoe weinig ongevoelijk door de liefde, dat in ’t begin geen prikkeling gevoeld; zulkx dat hoe verachtelijk datse zag, zij echter heimelijk die Helden wonde, en zonder te vechten d’overwinning verkrijgt, en haar zeeghaftig wechvoerd, maar zooze door een eenig verbijtrekken zulk een macht heeft, wat zal ’t dan zijn, alsse met een helder aangezicht lieffelijk zal lachen? en wanneer als zij zal beginnen te spreken, waar zal men dan dengenen vinden, die haar woorden niet magtig zal zijn tot haar te trekken? Nadat zij verbij was getokken, gebood den Soudaan dat Emirenes voor hem zou komen, die hij zijn Opperveldheer begeerde te maken, en volkomen bevel te geven over al zijn Hoplieden, ’t welk dezen Oversten terstond wel giste; hij quam bij den Vorst met een aangezicht vol majesteit, ’t welk genoegsaam vertoonde dat hij de groote eer waardig [p. 604] was, die den Soudaan hem wilde doen. Terstond voegden haar de Cirkassers, dat de lijfwachten waren, op twee lange rijen, om hem deurgang te geven tot aan den verheve Troon van den Soudaan, daar hij opklom: terwijl hij ’t hoofd om leeg gebogen, de knie op d’aarde, en de hand voor de borst hiel, sprak den Vorst; Emirenes, ontfangden Scepter die ik u reik, tot teken van ’t opperste bevel dat ik u over mijn Leger geef, ik wil dat zij, in mijn afwezen, u erkennen als mij zelve, en tot dien einde maak ik u mijn oppersten Veldheer tegen den Hartog Godefrooy; ga, en grijp, moedig, die vermetelen aan, en vergenoeg de begeerten die ik heb om mij over haar te wreken. Verstrooy mij dat geheele leger, zonder dat het een van haar ontkome, boven al vergeet niet hier geketend te brengen, den genen, die het snijdende zwaard gespaard hebben. Deze woor den sprak denSoudaan tot Emirenes, die, nadat hij den Scepter ontfangen had, antwoorde, Groote Vorst, terwijl uw overwinnende hand mij dit teken van eer geeft, en u beliefd mij een bevel te geven, dat ik nooit verdiend heb, zoo ga ik dan, onder uw gunstig beleid, tot dezen vermaarden aanslag, in de hoedanigheid van uwen onderdanigen en ootmoedigen slaaf, en zo ik mij te zwak kende om zo grooten last te dragen, dan is het gene mij vertroost, dat ik mijn meeste stoutmoedigheid in uw onverwinnelijke deugd stel. Zij is ook dengenen, die mij verze- [p. 605] kerd dat ik, in weinig tijds, wreken zal d’overlast die deze moedwillige vreemdelingen, geheel Azie hebben zoeken te doen; en zoo het ongeluk wilde dat d’overwinning aan onze Vijanden zijde bleef (dat den Hemel wil verhoeden) dan ben ik wel ten minsten voor mij zelve verzekerd, dat dat, ongeluk gevolgd zal worden met mijn dood, die ik in mij te verdadigen zal doorluchtig zoeken te maken; hierom bid ik den Hemel, dat zoo daar eenig ongeval moet geschieden, dat het mij maar alleen tref, want als uw Leger maar zeeghaftig mag weêrom keeren, het is dan geen nood, of dengenen die het opperste gezag heeft, het leven laat. Hiermede zweeg hij stil, en zijn leste woorden wierden vergezelschapt met een algemeen handgeklap van het geheele Leger, en gerucht van trommelen en trompetten, met het groot gejuig der soldaten, die door haar vrolijk geschreeuw genoegsaam te kennen gaven, hoe aangenaam dat haar deze verkiezinge was, om het groot gevoelen datse van Emirenes dapperheid hadden. De zaken aldus beschikt zijnde, daalden den Soudaan, van zijnen Troon, en vertrok in zijn hutte, daar hij de voornaamste Satrappen bij hem ten eten hield. Hier stond zijn tafel bijzonder gericht, en hooger. als d’andre verheven; van waar hij, om zijn gunst aan zijn Hoofden te betoonen, aan eenige van haar, van de spijzezond die men hem opdischten, en aan andre gunstige woorden, nadatse aanzaten en de ge-[p. 606] negentheid die hij haar toedroeg. Armijde, ondertussen ziende hoe beleefd dat dezen Vorst was, nam de gelegentheid waar, om haar van deze algemeene vreugd, tot uitwerking van haar quade aanslagen, te dienen. Zij dan ziende de tafelen opgenomen, en het gezicht van een ijder na haar gewend, eenbaar blijkelijk teken, dat haar fenijn in de harten van deze Oversten verspreid was, rees op haar voeten, daarna haar tot den Soudaan, meteen wezen teffens hoogmoedig en minnelijk, keerende, trachteze niet minder kloekmoedig door haar gedaante als woorden te zijn: Opperste Monarch, sprakse toen, uw Majesteit verontwaardige zich niet, dat ik voor hem, tot behoeding van het Vaderland en ons algemeen geloove, durf verschijnen; ik beken dat ik maar een zwakke maagd ben, maar ’t gene mij meer moed geeft, is dat ik, d’eer hebbende van uit koninglijk bloed te zijn, en den tijtel van Koninginne te voeren, denk, dat het geen onwaardige zaak voor my is, de wapenen te nemen, in zoo rechtvaardigen zaak als deze is. Want die wel heerschen wil, behoord in een zelve hand den scepter en den degen te voeren; zie hierom heb ik voor my genomen, met de mijne, my in ’t een en ’t andre te behelpen, en niet slaaprig te zijn, als het tijd om te strijden, en die in ’t bloed der vijanden te bevlekken, zal zijn. Ook mag ik zonder stoffen zeggen, dat het van heden niet is, dat ik het ambacht van de wapenen te voeren, gedaan hebs ter- [p. 607] wijl het alreede lang geleên is, dat ik gewoonte maakte van zoo wel tot voorstand van ons geloove, als voor de vergrooting van uw Rijk, te strijden; uw Majesteit, indien hyde moeite geliefd te doen, kan dit wel weêr herdenken, want het hem niet onbekend is, wat ik gebruikten om in uw handen de voornaamste van deze gekruisten te doen vallen, die ik u geboeit toezond: en mogelijk zoud gijze nu in het diepste van een hol zoo wel vast hebben dat d’overwinning ons gewisser verzekerd, en uw aanslagen in een beteren stand zouden zijn, zoo ’t niet geschied waar dat Reinout, die men zoo zeer roemd, op de nagang, toen ik ’t het minste dacht, en de mijne die haar geleiden in stukken kapten, niet gekomen was. ’t Welk d’oorzaak is dat de verraders, die ik gevangen hiel, verlost wierden: om u nu te zeggen wie dat dezen Reinout is, zou maar tijd verlooren zijn, hoe wel hij overal zoo bekend is, dat ’er naulijx iemand zij, of hij weet hoe verschrikkelijk dat hij is. Hij is de gene die mij seder zoo wreed gehandeld heeft, dat hij mij een rechtvaardige oorzaak gegeven heeft om mij over hem, van den hoon en smaatheden mij aangedaan, en die hij onderwind mij van dag tot dag te doen te wreken: en waarlijk hoe dat ik verder ga, hoe meer de begeerte van hem quaad te gunnen, en oorzaak van zijn ondergang te zijn, in mij meer vernieuwd. Dit heeft mij het meerste bewogen om de wapens te voeren; terwijl het te lang [p. 608] zoude zijn, om u van stuk tot stuk te verhalen wat de misdaden al zijn die hij tegens mij begaan heeft, zal ’t mij genoeg zijn u te zeggen, dat de rechtvaardigheid van mijn zaak, my verplicht hier over weerwraak te hebben,*daar ik nimmermeer zal van aflaten, tot ik die verkregen heb: en ik ben verzekerd dat de winden niet te vergeefs, al de pijlen die ik op hem meen te schieten zullen afwenden, en zoo ’t waar is dat de gramschap van den hemel zich dikmaals op den onnozelen ontlast, met grooter reden behoortse dan de schuldigen te straffen; gelijk het inder daat, of vroeg of laat geschied dat ze gestraft worden. Eindelijk zoo hier iemand is, die my beloven wil het hoofd van dezen Barbaar te brengen, daar de geheugenis my zoo verdrietig af is, dat hy zich zelve dan vry verzeker dat deze wraak my geheel aangenaam zijn zal, hoewel ze noch grooter zoude zijn indien ik ’t zelve gedaan had; en zoo hy dit volbrengen kan, biede ik mijn persoon hem aan tot een Vrouwe, en dien volgende om hem erfgenaam te maken van geheel mijn Koningrijk. Zie dit is de vaste beloften die ik hem doe, en wil dat mijn trouw hem een on verbrekelijk pand zy. Wel aan dan, zoo daar onder zoo veel kloekmoedige, hier vergaderd, eenige zijn, die d’aanbieding die ik doe, groot genoeg schijnt tot een vergelding, om zich voor my in ’t gevaar te be geven, dat hy niet veinsd het te openbaren. TerwijLze zoo sprak, zag Adrastes haar stijf aan; Brave [p. 609] Maagd, sprak hy, het moet nimmermeer geschieden dat een Princes, gelijk gyzijt, haar ontwaardigd een pijl te schieten, op zoo een onwaardig persoon. Zeker dat hart, ’t welk geensints iets adelijkx by zich heeft, is niet waardig geraakt te worden met een schicht, van zoo volmaakten hand geschoten, noch de eer te hebben eenigsins daar van gequetst te worden, want al de wonden die ’er af quamen, zelf wanneerze doodelijk waren, zouden verdienen dat menze waardiger als het leven hield; verplicht my dan, u alleen van mij te dienen, ik bide my zelven u aan, om uw begeerten te volbrengen; ik zal den genen zijn die u het begeerde hoofd brengen zal; ik die het hart van dien verrader zal uitrukken, en die het de raven en gieren, met de rest van zijn lichaam, tot voedsel zal geven. Zoo sprak den Indiaan Adrastes, als Tisafernus, deze verwaandheid niet meer verdragen kunnende, sprak; wie zijt gy, die u zoo opgeblazen, voor de Majesteit van onzen Vorst vertoond?waarlijk gy zijt wel onbeleefd, niet t’overwegen, dat misschien hier verscheiden zijn, die niet een woord spreken, en evenwel u verre zouden te boven gaan, indien men hier proeve af most geven.