Nicolaas Hinlopen: ‘Kresus aan Solon’ en ‘Publ. Kornelius Scipio de Afrikaner aan K. Lelius.’ In: Proeve van oudheid-, taal- en dichtkunde door het genootschap Dulces ante omnia musae (Utrecht, A. van Paddenburg en J. van Schoonhoven en Comp., 1775).
Justus Willem van Cuilenborch: ‘Montigni aan zyne huisvrouw.’ In: Tweede proeve van oudheid-, taal- en dichtkunde door het genootschap Dulces ante omnia musae. (Utrecht, A. van Paddenburg en J.M. van Vloten, 1782).
Gebruikt exemplaar: UBL 1186 G 14 en 15
De volledige bundels zijn met facsimile beschikbaar bij de DBNL
Continue
Continue
[p. 286]

KRESUS AAN SOLON.

Vervallen van mijn kroon, beroofd van mijne staten,
    En van den dood verlost door ’t wijs beleid der Goôn:
Gereed om Lydië voor eeuwig te verlaten,
    Te volgen Cyrus wil, en vriendlijke geboôn,
(5) Vatte ik de veder op: niet om aan u te klagen,
    Dat mij het wankle lot dien onüitputbren schat,
Dat wijdgedugte rijk heeft in één stip ontdragen:
    Zijne onbestendigheid heeft aan mijn hart geen vat.
Zoude een verlies, zoo kleen, mijne eedle ziele drukken?
    (10) Zou mijn genoegen, aan een nooit vernoegend goed
Gebonden, onder ’t juk van ijdle droefheid bukken?
    o Neen! ik treê met vreugd mijn rampen te gemoet.
Mijn geest is aan den dwang van ’t los geluk onttogen.
    Uw wijsheid, die in ’t spoor der zuivre wijsheid gaat,
(15) Der dingen weerde ziet met onbenevelde oogen,
    Gaf mijner spoorloosheid den allertrouwsten raad.
Ach Solon! hadde ik toen uw lessen kunnen hooren!
    Die zetten op de toets van ’t keurend redenlicht!
Maar neen: mij kon de schijn meer dan het zijn bekoren:
    (20) Valsch was mijn evenaar, nog valscher mijn gewigt.
Ik schatte mijn geluk naar ’t wegen mijner schatten:
    Ik rekende aan het goud van mijne kroon mijn magt:
Goed was alleen bij mij ’t geen goudtrezoren vatten,
    Goed was de zagte weelde en overdwaalsche pragt.
[p. 287]
(25) Mijn magt bepaalde ’t regt: de heilge wet te schenden,
    Waar op de stille rust der volken is gebouwd;
Op mijnen nagebuur te storten met mijn benden,
    Die zig op ’t vreêverbond, zoo dier gestaafd, betrouwt;
Den luister van zijn staat in rookend puin te dooven,
    (30) Daar ik op zijn gebied den minsten eisch niet had;
Hem de onafhanglijkheid, dat dierbaar goed, te rooven,
    Heb ik voor vorstenregt en heldenmoed geschat.
Zoo leerde Iönië te draven op mijn wenken:
    Zoo vloog Eolië, verheerd, van mijne hand:
(35) Zoo bragten andren mij gedwongen hun geschenken:
    Zoo zag ik mijnen schat vergrooten met mijn land.
Hoe blonk door Azië de luister mijner daden!
    Hoe wierd door laag gevlei mijn trotse ziel gestreeld!
Mij raden heette, laas! door lafheid mij verraden.
    (40) Op ’t wezen van mijn hof stond dwaasheid uitgebeeld.
Ik, die de menschen aan mijn voeten zag gebogen,
    Wou eindlijk regter van der goden kunde zijn.
Mijn wijsheid trof haar doel: dan vindt op ’t end, bedrogen,
    Zich zelve een oorzaak van haar droefheid, smarte en pijn.
(45) De groote Cyrus, door ’t gedugt beleid der goden
    Den dood onttrokken, hadt de dorre woestenij
Gewisseld aan een kroon, en zag op zijn geboden
    Heenvliegen ’t neerstig volk der wijsste heerschappij.
Mij, in den diepsten rouw om mijnen zoon gedompeld,
    (50) Dien ’t wreedste lot mij rooft, wekt in der ijl de vrees,
Dat zijn ontembre magt mijn staten overrompelt,
    Mijn gloriezon verdooft, die korts zoo heerlijk rees:
[p. 288]
Die bange vreeze jaagt mij op der goden drempels:
    Mijn hoogmoed offert daar een zee van kostbaarheên:
(55) Ik eer’ met zilver en met louter goud hun tempels,
    En leef te Delfos raad met Febus door gebeên.
Och ware ik toen geen prooi van mijn begrip gebleven!
    Och hadde ik toen den mond van Febus wel gehoord!
Maar, als de goden aan ’t verderf ons overgeven,
    (60) Wordt wijsheid in het hart der blinde waan gesmoord.
Zoude ik door dezen krijg een magtig rijk vernielen?
    Duidt dat, o Perzen! ’t uwe, of wel mijn eigen aan?
Verleidende eigenmin, verderf van duizend zielen,
    Hoe dwaas hebbe ik door u die twijfelspreuk verstaan!
(65) Ik ruk mijn benden zaam: een brug draagt langs de stroomen
    Van Halys ’t schoonste heir vol moed naar d’ overkant:
Vorst Cyrus met zijn magt, mijn leger opgekomen,
    Biedt mij den veldslag aan: wij vegten hand aan hand:
De nagt bepaalt den strijd; maar niet den overwinnaar:
    (70) Ik waagde een tweede kans: mijn vijand waagt die niet:
Wij slijten vast den tijd met niet doen: ik, beminnaar
    Der rust, dank ’t leger af, en keer naar mijn gebied.
De groote Cyrus, wien de tuimelende weelde,
    Die zig in haren tijd in tijd van doen verliest,
(75) Nooit op het stovend dons met zagte handen streelde,
    Die arbeidzame deugd tot zijn vermaken kiest,
Doet met mijn dwaasheid nut; daagt op voor Sardis muren:
    Ras jaagt zijn overmagt mijn benden op de vlugt.
Ik moet, van hen ontbloot, een zwaar beleg verduren.
    (80) Ik schrei mijn bondgenoot om hulpe aan, zonder vrugt.
[p. 289]
Het hooge Sardis buigt voor Cyrus krijgslist neder.
    Ik loop den bleeken dood wanhopende in ’t gemoed.
Mijn stomme zoon geeft mij door’t spreken ’t leven weder:
    Ik valle in ’s vijands hand, mijn Atys hem te voet.
(85) Maar wat kan smeeken bij den overwinnaar baten?
    De houtmijt wordt mijn deel: men offert mij aan ’t vuur.
Ik, van de Goôn, mijn magt, en mijn geluk verlaten,
    Denk, roep aan Solon in dat lotbeslissend uur.
Uw naam, uw wijsheid treft mijn vijands hart door de ooren.
    (90) Mijn staetsönzekerheid wekt hem tot medelij.
Ik kan de gramme Goôn in dezen stand bekoren:
    Hun hulp sterkt Cyrus wil: een wonder maakt mij vrij.
Zoo leeft dan Cresus nog: mag ik den naam van leven
    Aan ’t spoorloos volgen van ’t verblindende geluk,
(95) Aan boosheid, dartle pragt en laffe weelde geven!
    Nu leve ik, onderrigt te leven door mijn’ druk.
Wat is een gouden kroon? wat, groot geweld van schatten?
    Wat, roem, wiens zwakke grond in schreeuwend onregt rust,
Zijn glans met nabuurs bloed in tranen ziet bespatten,
    (100) Die kommervol ’t berouw des harten naauwlijks bluscht?
Hij is een vorst, die vroom zig zelven kan bedwingen;
    Wiens liefste driften in den band der reden gaan;
Die stout het woeden van zijn dwaasheid durft bespringen;
    Door wijsheid zegeviert op ’t driest geweld der waan.
(105) Rijk is hij, die, gestreeld door ’t zalig vergenoegen,
    De Goden niets dan de eer van hun te dienen smeekt,
Die, met den rijken loon van ’t arbeidvolle zwoegen,
    Des lieven vaderlands en ’s armen welzijn kweekt.
[p. 290]
Wat glorie kan den glans van’t zeegnend weldoen dooven?
    (110) Vlied twist, betragt den vreê, doe uwen naasten regt,
Houd streng den voet van pligt: uw luister gaat te boven
    Den roem, die door het zweerd der vorsten scheel beslegt.
Gij koestert land en volk, gesnoerd aan hun belangen:
    Die maakt de velden woest, die stoort de volle rust;
(115) Die wroet de steden om, en, tuk op moorden, vangen,
    Vindt hij, in’t geen de nood zoo noô verbloemt, zijn’ lust.
De onnoozelheid, getergd door onregt, bragt de helden
    Hun hartenstreelende eer en kranssen van laurier
Het eerst der weereld in. Bant krijg uit uwe velden,
    (120) o Menschen! heldenroem sterft met het oorlogsvier.
De wijsheid, Solon, die mijn rampen van uw leerden;
    De wijsheid, die zoo juist der dingen weerde schat,
Stelt op veel lager prijs, die volken dwaas regeerden,
    Dan die in eene stulp uw schoone lessen vat.
(125) Die wijsheid schatte ik meer dan uwe gouden stroomen,
    o Lydië! dat eer van mijne handen vloog.
Och had mij die bestierd, toen ik zat aan uw toomen!
    Och dat tot uw bederf mijn dwaesheid mij bedroog!
Die wijsheid bindt mij nu aan Cyrus wil en wenken;
    (130) Die leert me aan mijnen vorst een onbezweken trouw;
Zij kan mij de agting van mijn’ overwinnaar schenken,
    Die plaatst mij in zijn’ raad, daar ik haar woord weêr hou’.
Ik moet van mijn geluk mijn rampen dank betuigen.
    o Zaalge smart, die mij mijzelven wedergaf!
(135) Gij leert door wijsheid mij nooit treuren, altoos juichen.
    Die wijsheid vergezel mij naar het nadrend graf!

        1762.                                                          N.H.

(Nikolaas Hinlopen, Oud-Schepen te Hoorn.)

Continue

Continue
[p. 291]

PUBL. KORNELIUS SCIPIO

DE AFRIKANER

AAN

K. LELIUS.

Dat ik, het stadgewoel en ’s vijands magt ontweken,
    Als balling mij alleen op mijne hoeve onthou’,
Voor ’t volkrijk Rome kies deze afgelegen streken,
    En voor ’t gemeenebest een’ kleenen akkerbouw,
(5) Verbijstert uwen geest, o trouwste mijner vrienden!
    Gij oordeelt, dat ik mij te ras van daar begaf;
Dat mijne onnoozelbeid wel steun had kunnen vinden;
    Dat nooit een waar Romein kan stemmen tot mijn straf;
Dat ik, geschokt, gesold in holle krijgsgevaren,
    (10) Die op mijn enklen wenk den burger wenden zag,
Te ras het roer verlaat, nu de opgeruide baren
    Van twist mij dreigen met een’ doodelijken slag;
Nu de eerbiedszon vertrekt met eene wolk van laster;
    De dag van agting smoort in nagt van razernij;
(15) Ik zie, hoe ’t vrijste volk van zijne deugd verbaster;
    Gij dwaalt door overmaat van liefde jegens mij.
Nooit liet ik, Lelius, het tuimelzieke Romen,
    Dat ik ten top van magt door mijnen arm verhief,
Om dat ik mij een storm van twisten op zag komen.
    (20) Ik wagte hem zoo lang ik ’s levens zorgzee klief.
Een bui verrass’ me: ik zal nogtans voor haar niet beven.
    Het wisselziek geval werp mijne hoogheid neêr;
[p. 292]
Mijne onverzetbre deugd zal dat te boven streven.
    Ik lagch grootmoedig met den zwaarsten ommekeer.
(25) Maar, zegt gij, moet dan elk u plotselijk vergeten,
    Die, aan het werkzaam roer van ’t schip van staat gezet,
U, met het oog in ’t zeil, zoo roemrijk hebt gekweten?
    Wat eislijk onweer heeft uw’ staat, helaas! verplet?
Een ziel, die aan de deugd haar hulde heeft gezworen,
    (30) Behoeft het klatergoud van grootsche titels niet.
Van weldoen zaamgegroeid, tot ’s naasten heil geboren,
    Volgt zij alleen, dat haar die reine wet gebiedt.
Staat zij naar hoogheid: ’t is om voor den staat te zorgen.
    Die naauwe zorg is dan de regel van haar’ pligt.
(35) Haar rennende op die baan vindt de eerst ontwaakte morgen:
    Haar bezig met dat taak verlaat het laatste licht.
Mij kan ’t verlokkende ambt, ik ’t werkzame ambt ontbeeren.
    Roept (dat de Goôn verhoên!) de nood mij schreiende aan:
Ik zal op haren wenk weêr tot den arbeid keeren,
    (40) En, waar het vaderland mij plaatst, onwrikbaar staan.
Waant dan niet, dat ik, door zoo wel geslaagde daden
    Met glorie overstort, in top van eer gevoerd,
Nu zat van zoo veel lofs, die eindlijk zou versmaden:
    Neen, neen; ik ben te vast aan waren roem gesnoerd:
(45) Maar zoek geen glorie met naar wufte gunst te jagen;
    Die wisselzieke gunst was al te zwak een grond.
De nimmer kreukbre wet, die we in den boezem dragen,
    Velt vonnisse over schande en roem met waren mond.
Zit aan het hoofd des raads, daar ’k driemaal heb gezeten;
[p. 293]
    (50) Zie honderd mannen reed te volgen uwe stem;
Gij dwaaldet, woudt ge uw’ roem aan de el der vleikunst meten.
    Betragt het heil des volks; dat geeft uw glorie klem.
Dien weg betrad myn hart: dien weg zal ik betreden:
    Het eerlyk weldoen is de roem, dien ik bejaag.
(55) Zoo heeft Fabricius uw’ schat, Samniet, bestreden:
    Toen gaf zijn deugd uw’ staat den zwaarsten nederlaag.
Dat dus zijne armoê het verleidend goud veragtte
    Tuigt Pyrrhus, die zijn trouw bragt op zoo zwaar een toets.
Hoe eerrijk blonk hij, daar hij Pyrrhus heil betragtte?
    (60) Die vijand stond verbaasd op ’t zien van zoo veel goeds.
In ’t weldoen, Lelius, is ware roem gelegen.
    Dat ik in éénen dag het nieuw Karthago won;
Dat Spanje weder wierd gewonnen door mijn’ degen;
    Dat Annibal, hoe groot, mij niet verduren kon;
(65) Dat ik de fierheid van het trotsch Karthaag verneêrde,
    Haar’ hoogmoed in een poel van schande heb gestort:
Is ’t minst, waaröm de faam mijn’ naam zoo hoog verëerde.
    Bij ware glorie schiet het oorlogsperk te kort.
Dat tuig zelf Annibal. Hoe zware nederlagen
    (70) Bragt hij ons Rome toe! hij brak Saguntus moed.
Durft iemand van zijn daên met zuivren lof gewagen!
    Hij, trouwloos roover, baadde in eene zee van bloed.
Meer agte ik vaders hals bevrijd van ’s vijands klingen;
    Meer, dat mijn moed, Metel, uw’ laffen raadslag brak,
(75) Dat ik, toen elk bezweek, naar ’t Spaansch gewest dorst dingen,
    Dat ik naar Afrika kloekmoedig overstak.
[p. 294]
Voorkwam met ambt op ambt mijn Rome mijne jaren:
    Ik kwam die ambten weêr met eedle daden voor.
Zij zogt me in eere, ik haar in weldoen te evenaren.
    (80) Zoo hield ons beider deugd het ware heldenspoor.
Bewust, dat ik altoos ’s lands welzijn had voor oogen;
    Dat ik die noordstar nooit uit mijn gezigt verlies:
Kieze ik de stille rust, verägte ’t wrokkend poogen
    Mijns vijands, als de wind den weêrstand van een bies.
(85) Haar ziet de wind, ik hem geknakt in ’t slijk neêrzinken.
    Want, sinds ik Rome na die zegepraal verliet,
Zie ik met schooner glans daar mijnen luister blinken.
    Mijn vijand zelf neemt deel in ’t mij bereid verdriet.
Niets zal uw vroomheid ooit uit mijn gedagten wisschen,
    (90) o Gracchus! die uw’ twist met mij ter zijde stelt,
Mijne eer beschermt, u nooit zoo verre dorst vergissen,
    Dat gij mij liet ten prooi aan ’t opgestookt geweld.
Het laag Linternen heeft me in haren schoot ontvangen.
    Daar smake ik stille rust: daar bluscht het lieve zoet
(95) Der ware vrijheid zelfs het uitgebreidst verlangen.
    De wijsheid streelt mijn geest, de deugd mijn rein gemoed.
Een te eedle ziel is mij, o halsvriend! aangeboren;
    Ik ben door ’t gunstig lot te schoon een’ staat gewoon;
Dat ik mijn levenszon zou in een twistzee smooren:
    (100) Dat ik ten doel zou staan aan laffen schimp en hoon.
Zoo lang ’t een deugd is, land en magen te beschermen,
    Zijn drift te teugelen, te volgen ’t hoog bevel,
Zijn magt te meten met de wet, niet met zijn armen,
    Leeft Scipio ten trots van wrevlen nijd.   Vaar wel.

        1763.                                                          N.H.

(Nikolaas Hinlopen, Oud-Schepen te Hoorn.)

Continue

[p. 313]

MONTIGNI

AAN ZYNE

HUISVROUW.

    Ontvang, mijn dierbre Gade, uit Spanjes Rijksgebied,
Waar de onschuld wordt vertrapt, en trouw en deugd geschonden,
    ’t Gezantschap wordt veragt, gesmaadt, alöm verspied,
Deez’ brief van Montigni, voor ’t laatst U toegezonden.
    (5) Ten oorbaar van den Staat, trok ik als Afgezant,
Wen Bergen’s ongeval my deed zijn byzijn derven,
    Voor uit met mijn gevolg: in ’t Spaansche Rijk geland,
Mogt ik, zoo ’t scheen, aan ’t Hof een heusch onthaal verwerven.
    De Markgraaf, my gevolgd, begeeft zich tot den Vorst;
(10) Wy smeeken matiging der strenge bloed-plakaten,
    Onthef van zielendwang, die meer naar schatten dorst,
Dan wel het heil beöogt van Neêrlands onderzaten.
    Maar ach! ’t is al vergeefs; hier geldt geen rede of klagt.
Ja, Neêrlands Edelen zien zig by Spaansche Grooten,
    (15) Als die van Napels en Sicilië geagt;
En, ’t geen ondraaglijk valt, zelfs uit den Raad gestooten.
    Dit sprak ik onbeschroomd in Neêrlands ronde taal,
Die geen verwaten hart eens Spanjaards kon behagen,
    Maar klonk vry ongewoon in ’s Konings achtbre zaal:
(20) Hoewel ik steeds den Vorst hebbe eerbied toegedragen.
    Dan Vaderlandsche trouw wordt zelden hier beloond:
Ik zag des Konings gunst allengs te mywaard mindren,
    Die zig, door nieuw gerugt uit Neêrland, vond gehoond:
Mijn Bergen was niet meêr; ’k zag mijn vertrek verhindren:
[p. 314]
    (25) O maar’! die my ontzette in al mijn zielsverdriet!
Mijn Hoorne en Egmond beide in Nederland gevangen!...
    Helaas! mijn dierbre Gaê, ook dit is mij geschied;
’k Voel op een aaklig fort my thans in boejen prangen.
    ’t Was avond, en ik zogt mijn droevig hartenleed,
(30) Wijl ’t schuldeloos gemoed my geen gevaar deed vreezen,
    Te lenigen door rust; toen ’k, op een’ naren kreet
Van mijn’ getrouwen knegt, ben uit het bed gerezen:
    ’k Hoor een verward geschreeuw; men stuift ter slaapzaal in;
’k Zie ylings my omringd door Spaansche soudenieren;
    (35) Ik zag ’t verbleekt gelaat van ’t zwygend huisgezin;
En ’t krijgsvolk aan ’t geweld den vryen teugel vieren;
    ’k Werd naar Segovia, thans mijn verblijf, gevoerd:
Een aaklig torenspits moet my ter Hofzaal strekken. —
    Hoe wordt ge, o hartsvriendin, op deeze maar’ ontroerd!
(40) Vergeef my, zoo deez’ brief uw droefheid op moog wekken. —
    Tot overmaat van ramp, word ik nog steeds gehoond
Door een’ gevloekten hoop baldadige soldaaten:
    Slegts een van hun heeft blijk van menschlijkheid getoond,
Op wien ’k my, in ’t ontwerp ter redding, dorst verlaten.
    (45) ’k Heb lang naar recht gehoopt; om recht verzogt, geweend;
Dan ’t recht is uit het Hof des trotschen Phlips geweken;
    Zijn Raadslien stoken ’t kwaad; hun hart is gantsch versteend.
Ach mogt ik in een kamp of sterven, of my wreeken!
    O gadelooze smert, als de onschuld wordt verdrukt;
(50) Ter zelfsverdadiging noch tijd noch plaats gegeven;
    Der snoode veinzery haar helsch ontwerp gelukt;
De veege vryheid zugt en onverhoord moet sneven!...
    Toen ik aan Frankrijks Hof, van Spanjes Afgezant,
Des Konings dolle woede om ’t smeekschrift had vernomen,
    (55) Was ik toen weêrgekeerd naar ’t lieve Vaderland,
’k Waar nooit in ’t wreed geweld van dezen burg gekomen. —
[p. 315]
    Vertrapte onnozelheid nam eindlijk list te baat:
Een krijgsknegt, door geschenk in mijn belang gekregen,
    Werd met mijn Hofgezin mijn eenig toeverlaat;
(60) Dit zond my brief op brief langs ongewone wegen:
    Men voegde ze in het brood, op Neêrlands wyz’ bereid,
En ’t werd met eenig tuig naar mijn verblijf gezonden.
    Ik heb met stille hoop den laatsten brief verbeid,
Doch my in deeze hoop, helaas! misleid gevonden.
    (65) ’t Bedrog lekte eindlijk uit; mijn Dienaars zijn gevat;
De Spanjaard heeft in ’t eind den strop ten loon ontvangen.
    Mijn ziel bezwijkt van rouw, mijn lijf is afgemat. —
Dan ’t lukte mijn gezin hun blijd ontslag te erlangen;
    Zy brengen U deez’ brief: Beloon, hun trouwe deugd;
(70) Verschaf hun onderhoud voor de uitgestane ellende:
    Mijn dank-erkennend hart deelt in dier braaven vreugd.
Denk aan uw’ Echtgenoot, zijn leven loopt ten ende;
    Uw Montigni denkt steeds aan zijn’ beminde Vrouw;
Zelfs in den schaarsen slaap zweeft my uw beeld voor de oogen:
    (75) Mijn hart, U toegewijd, blijft tot den dood getrouw,
Schoon ik, o droeve smert! uw byzijn ben onttogen.
    O korte huwlijks vreugd! Niet lang door trouw vereend
Deed my het Staatsbelang van U, mijn Egaê, scheiden:
    ’k Heb vaak mijn eenig kroost en U, mijn lief, beweend;
(80) Gehoopt, dat ’s Hemels magt my weêr mogt te uwaard leiden:
    ’t Is uit met deze hoop; ’k wagt nu een wreed bevel,
Dat mijn onschuldig bloed misschien zal doen vergieten:
    Vaar wel dan, dierbre Gaê, vaar wel, vaar eeuwig wel!
De Hemel sta U by; en doe my rust genieten!
J.W.V.C.


(Mr. Justus Willem van Cuilenborch, Klerk ter kamer der Finantie der Heeren Staten ’s Lands van Utrecht.)

Continue