Abraham de Bosson: Dichtkundige academische uitspanningen. Leiden, 1777.
Uitgegeven door Ilse Dewitte.
Red. dr. A.J.E. Harmsen, Universiteit Leiden.
Facsimile bij books.google
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.
Continue
[fol. *1r]

DICHTKUNDIGE

ACADEMISCHE


UITSPANNINGEN,

DOOR

ABRAHAM DE BOSSON
MED. DOCT.
Natura dux optima. 

  CICERO.

[Vignet: gravure, student]

Te Leyden,
By de WED. ABRAHAM HONKOOP EN ZOON,
MDCCLXXVII.



[fol. *1v]

On a accablé presque tous les arts d’un nombre prodigieux de regles, dont la plupart sont inutiles ou fausses, nous trouverons par tout des leçons mais peu d’exemples. Le monde est plein de critiques, qui a force de commentaires, definitions & distinctions sont parvenus a obscurcir les connoissances le plus clairs & le plus simples. HOMERE VIRGILE &c. n’ont guere obei a d’autres leçons qu’a celles de leur genie.
Essai sur la poësie Epique dans
la Henriade.

[fol. *2r]

DEN WEL EDELEN

GESTRENGEN HEERE

DEN HEERE

PHILIPS REINIER BOON,
HOOFDOFFIER, OUD BURGEMEESTER EN
RAAD DER STAD PURMERENDE, MITSGA-
DERS
GECOMMITEERDE RAAD WEGENS
DEZELVE STAD, IN ’T COLLEGIE VAN
DE GECOMMITTEERDE RAADEN VAN
DE STATEN VAN HOLLAND EN WEST-
FRIESLAND, IN WEST-FRIESLAND
EN ’T NOORDER QUARTIER,
BAILLIUW VAN DE BEEMSTER
EN WEYDE WORMER.
ETC. ETC.

GROOTEN VOORSTANDER VAN ALLE FRAAIE
WEETENSCHAPPEN EN VADERLAND-
LIEVENDE
KUNDIGHEDEN.

Neem, brave Burgerheer! in gunst dees zangen aan,
Ei wettig, kan het zijn, mijn waarlijk stout bestaan,
Daar ik het waagen durf, mijn kunstloos kunstvermoogen
In deez’ verlichten tijd te stellen voor elks oogen,
[fol. *2v]
(5) In deez’ verlichten tijd, nu Neêrlands Dichterschaar
In luister en getal vermeerdere jaar op jaar;
Nu weêr de zuivre smaak voor dichterlijke zangen,
Voor vinding en vernuft elks gunst begint te erlangen;
Ik onderwinde iet zwaars; doch verg geen’ grootschen lof
(10) Voor nette taalsieraên en uitgezochte stof,
Zo slegts mijn smaak voldoet, houde ik mij wel te vreeden,
De verdere oefening schenke andre fraaijigheden.
Bekoorde Phaedrus geest door kunstig fabeldicht
De grijze aloudheid reeds, zoo duur aan hem verpligt;
(15) Wist hij de zeedenleer in plaats van stroeve reeden
Met zwierig kunstvernuft zoo treffelijk te omkleeden,
Dat hij ’t ontmenschte hart en ’t weelderig gemoed
Zelfs vatbaar manken kon voor waarlijk deugdzaam goed.
Wordt La Fontaine’s Nimph in Frankrijk nog gepreezen,
(20) Zal Gellert’s groote naam steeds Duitschlands glorie weezen,
Daar hij met schertsend boert der menschen pligten toont,
Der deugd haar’ loon verschaft en ’t kwaad naer eisch beloont.
[fol. *3r]
Wie wraakt dan, dat ik ook, door ijver aangedreeven,
Dier mannen grootsch bestaan van ver tracht na te streeven?
(25) ‘k Beken mijn kunstbeleid wijkt voor dier dichtren geest,
Edoch wat sterflijk mensch is ooit beroemd geweest,
Die niet een’ enklen trek tot gloriezucht gevoelde,
En met zijn harssenwerk iet grootsch, iet eêls bedoelde?
Hoe ’t zij, ik wijde u thans dees dichterlijke blaên,
(30) Niets zal mijn Zanggodin ooit meer ter harte gaan,
Dan dat ze uw kundig brein en fraaien smaak behaagen,
En voorts bij ’t algemeen in hun bedoeling slaagen.
Een ander roem de deugd door ernstig maatgedicht,
Ik toon door schertserij der menschen waaren pligt.
A. DE BOSSON.


[fol. *3v]

VOORBERICHT.

Met recht zullen veelen zich verwonderen, dat ik, in zulk eene bedilzieke zoo wel als hoogverlichte eeuw, de vrijpostigheid neeme, deeze kleine verzaameling van Gedichten der poëetische waereld aan te bieden; eene onderneeming waarlijk, waar toe ik in mijne jaaren niet dan schoorvoetende ben overgegaan. De redenen hier van wil ik echter den Leezer voor de vuist wel mededeelen: mijne gewoonte was in mijne studiejaaren de Stukjes, welke hier voor een gedeelte in vervat zijn, zoo te laaten liggen, gelijk ze voor het eerst door mij gemaakt waren, dewijl ik door gewigtiger bezigheden van mijn aanstaand beroep verhinderd werd, dezelve in orde te brengen; behalven dat ik, om van de gewoone reden, het aanhoudend verzoek mijner vrienden, geen gewag te maaken, behalven dat ik met het eindigen mijner Academie-Letteroefeningen daar te gereeder toe besloot; omdat ik van de poëzij, hoe zeer ik dezelve hoogachte, nimmer mijne hoofdstudie gemaakt, maar dezelve altijd volgens den tijtel als eene aan genaame Uitspanning onder het beoefenen der Geneeskunde gebruikt hebbe, ’t geen ook de reden is waarom ik my liever als een ijvrig beminnaar, dan echten kenner der Dichtkunde wil aangezien hebben.
    Misschien verwonderen zich veelen mijner Leezeren, dat ik met zulk een klein nstukje voor den dag koome, doch ik onderrichte hen dat ik het zelve uitgebreider zoude kunnen gemaakt hebben, zo ik goedgevonden had vaersen van ee- [p. vii] nen anderen aart hier onder te mengen, die ik bij eene andere geleegenheid liever het licht zal doen zien, behalven dat ik dus te werk gaande op de gedachte van kundige luiden ter beoordeeling van deeze stukjes tot welke ik mijne natuurlijke geneigdheid en (zo ik in de Poëzij iet vermag) geschiktheid schijn ontdekt te hebben, weinig staat konde macken, wijl de vonnisvellingen over een gemengd dichtkundig werkje dikwerf mij te algemeen voorkoomen.
    Wat mijnen eigen natuurlijken smaak in het dichtkundige, hoe gering die zij, betreft: dezelve schijnt altijd meer naar de fraaiheid van uitvinding der zaaken, dan naar het schoone der uitdrukking over te hellen; van welke twee bijzondere soorte: van Poëzij mijns bedunkens de eerste door eene min of meer fijne denkingskragt beter geschikt schijnt tot Puntdichten, Vertellingen, Fabels enz., daar de laatste door behulp van verheeven en schilderend dichtvuur tot Heldendichten, tot ernstige Zeede- en Bijbelzangen meer geschiktheid heeft: doch schoon beide naer mijn gedachten hunne voordeelen en aangenaemheden hebben en t’saam behooren verknocht te zijn, ’t geen
CICERO keurig uitdrukte, daar hij zegt: Composite & apte sine sententiis dicere insania est; sententiose autem sine verborum ordine & modo infantia. Kan echter, dunkt mij, niemand wraaken, dat ik mijne eigen genie opvolge; terwijl ik het aan den kundigen en onbevooroordeelden Leezer overlaate te beoordeelen, in hoe verre ik hier in geslaagd hebbe.
Zie daar geachte Leezer! ’t geen ik u in mijn Voorbe-
[p. viii] richt te zeggen had; geef, daar ik hier met MARTIALIS kan zeggen:
        Sunt bona mixta malis, & mala mixta bonis.
kan ’t zijn, uwe goedkeuring aen het weinige fraaie dat in deeze verzaameling aangetroffen wordt, en weiger uwe verschooning niet aan al het gebrekkige, ’t geen er in te vinden is, opdat de geestige Piron niet van u zegge:
        Il est l’Eunuque au milieu du Serail,
        Il n’y fait rien, & nuit a qui veut faire.
Continue
[p. 1]

DICHTKUNDIGE

ACADEMISCHE


UITSPANNINGEN.

*********************

DE

HERROEPEN WENSCH.

Doorluchtig Opperheer, die Parnas kruin bewoont,
En uw verheeven kroost uw hulp en achting toont!
    Staa heden mij eens toe te wenschen!
    Gij weet toch, dat de ondankbre menschen,
        (5) Hoe wel ’t hun gaa, genegen zijn,
        Staag meer te vergen van Jupijn;
Ja, schoon ze dikwerf zien, dat wenschen niet kan baaten,
        Dit echter nimmer kunnen laaten:
[p. 2]
            ’k Wensch dat uw Godheid elk poeët
    (10) Begunstig’, die zijn’ tijd in uwen dienst besteedt,
Voor ieder deftig stuk, doormengd met vuur en leeven,
Daar Kunst natuur in helpt en verwen weet te geeven,
            Daar niets te veel wordt in gezeid,
            Geen gek wordt om zijn geld gevleid;
(15) Noch laffe heldendaên den naam van krijgsmoed draagen;
Geen schijnbaar ongeluk gevoegd wordt bij de plaagen;
            Geen mensch, om ’t geen hij trouw gelooft,
            Van ’t lieve leeven wordt beroofd;
        Geen Midas om zijn gouden schijven
        (20) Den Dichter dwingt zijn’ lof te schrijven;
            Daar nooit een slecht gevormde maagd
            Den naam van Cijtherea draagt.
    Daar de ondeugd wordt uit ’t dicht gedreeven,
    De deugd ten hemel wordt verheeven,
            (25) Versier hem met uw eigen hand
            Met lauwren voor zoo groot verstand;
Zoo zal de gantsche waereld weeten,
Wie dat een tijmelaar, wie een poeët moet heeten.
[p. 3]
    Maar zacht.... ’k herroep mijn’ wensch, dan wierd een Dichter raar,
    (30) Dan kreeg ik zelf den naam van laagen rijmelaar,
Dan zouden er, met mij, zo veel van uwe zoonen
Vergeefsch hunn’ tijd besteen en niet dan rijmlust toonen,
                Daar thans de lafste bloed
                Als Dichter wordt begroet.



Op ’t zien van een roosje
op den boezem van Chloris.

§§Zeg aangenaame en schoone blom!
§§Zeg, lieve Roos! waar treurt gij om?
Daar ge op de blanke borst der tweede Heleen’ moogt prijken;
§§Ach! zegt ge, en ik begrijp u al,
§§(5) Mijn kleur moet tot mijn ongeval
Voor ’t gloeiend carmozijn van Chloris wangen wijken.



[p. 4]

Ieder zijne verkiezing:
aan Amaril.

Een trotsche stervling prijz’ der vorsten heerschappij,
Hun dapperheid, hunn’ moed, hun uitgestrekt vermoogen,
Laat de Aardsmonarchen zelve op hunne grootschheid boogen,
Dat al de hofstoet hun dit klatergoud benij,
Laat laffe Dichters met hun lange rijmlaarij,
’t Verstand van eenen gek, om gunst of winst, verhoogen,
Een zatte drinkebroer tapp’ wijn uit neus en oogen,
En prijze al zwetsend dien, als de eêlste lekkernij.
Dat rijke vrekaarts ’t geld hunn’ lust en leeven noemen,
Het glansrijk Peru’s goud en Tarsisch zilver roemen,
Een, die den krijg bemint pogche op zijne eertropheên.
Laat hem, dien ’t spel behaagt, daar in zijn wellust zoeken,
Een wijsheidminnend hoofd begraav’ zich steeds in boeken,
Ik, deugdzaaie Amaril! prijze uw bekoorlijkheên.



[p. 5]

De wonderlijke gebeurtenis.

De goddelijke Apol, die met zijn gouden glanssen,
’t Azuuren starrendak en ’s hemels zilvren transsen
Met schittrend carmozijn en glansrijk purper tooit,
En onzen aardbol rijk met gloed op gloed bestrooit,
(5) Sloeg reeds zijn moedig ros in blinkende gareelen,
Daar ’t schoon gevederd choor der schelle Philomeelen
Hem, met zijn zoet gekweel, reeds goeden morgen zong;
Het zacht gewolde vee, dat als van blijdschap sprong,
Schoor reeds het malsche gras in rijk begraasde weiden,
(10) En ging door ’t lieflijk groen reeds hupplend speelemeiden,
De landman stuurde reeds het kouter door het land,
En schoone Flora, schier door nachtkoude overmand,
Kreeg weer van tijd tot tijd een grooter kracht van leeven,
Toen ik, o wondre zaak! dit vaersje heb geschreeven.



[p. 6]

De vleierij.

Wie zou vermomde vleierij
Niet als een schandlijke ondeugd haaten?
Sprak Chloris gistren tegen mij,
Daar we over ’t een en ’t ander praatten;
En zeker ’t meisje had niet mis,
Al had ze eens ongelijk, de vrouwtjes moet men ’t geeven,
Dit ziet men klaar in Gellerts visch,
Hij wederstreeve nooit, die met een vrouw moet leeven.
Dan zacht! het leed niet lang, of ’k zag een aartig heer,
Die, naer ik merken kon, heur minnaar wel wou weezen,
Hij had haar nooit gezien voor deezen,
Dan dat is niets! zij had meer gouden munt dan eer.
Wat was men eertijds dwaas, toen zocht men braave wijven,
Nu is ’t een beter tijd, nu zoekt men niets dan schijven.
[p. 7]
Hoe koninglijk was hij gekleed!
Men zou hem voor een’ ridder groeten,
Maar jammer is ’t, de waereld weet,
Dat hij fortuin maakt door bankroeten,
En nu weer, trots een eerlijk man,
Op koets en paarden pogchen kan.
Hij sprak zijn zielsvriendin op deez’ verheeven toon:
,, Aanminnig godlijk beeld! wel waard eens Konings kroon
,, Op uw beminlijk hoofd te draagen,
,, Ei laat, ik bid u, niet mishaagen,
,, Dat ik u mijn voogdes, mijn hartewellust noem,
,, Uw roozenkaakjes en betoovrende oogjes roem;
,, Ja, zo mijn minnend hart uw wedermin moet derven,
,, Zal ik (hier zucht hij sterk) van liefde moeten sterven.”
’k Geloof een minnaar sterft met moed,
Wanneer hij ’t slegts in ’t spreeken doet.
Hoe ’t zij... ’t was uit haar oog te leezen,
Hoe leelijk ze anders waar’,
Dat hij in ’t minst geen doodsgevaar
Om haar te erlangen had te vreezen;
[p. 8]
Hij ging toch voort, en zwoer gestaag bij kris en kras,
Dat zij uitneemend schoon, hij dol van liefde was;
Men zegt nog, hedendaagsch: wie zou ’t in twijfel trekken
Een zaak is waar, wen ’t ons de luiden zelve ontdekken.
Doch naauwlijks was de jonker voort ,
Of (’k heb het van haar’ knecht gehoord)
Zij ging den spiegel consulteeren,
(Die kan toch niets dan waarheid leeren)
Bekeek zich honderdwerf en riep verrukt van zin,
Geen wonder, dat mij elk om mijne schoonheid minn’!
’k Zal aan dien braaven heer, blijft hij zijn’ pligt gedenken,
Voor zulk een teedre min mijn hand ten huuwlijk schenken,
Al kont m’een’ vleier wel, wen hij ons streelend vleit,
Men denkt door eigenmin dat hij de waarheid zeit.



[p. 9]

Het waare mededoogen.

Zijn vriend in nood en druk gulhartig bij te staan,
Is zeker prijsselijk gedaan,
Wen ons Fortuin en geld en goedren heeft gegeeven;
Doch als wij zelve in onspoed leeven,
En ons het noodlot drukt, voldoet een goede wil;
Dit leere, o Leezer! u het voorbeeld van Myrtil.
Ernest was all’ zijn goedren kwijt,
Die hij weleer’ met noeste vlijt
Door ’s Hemels goedheid had verkreegen,
Fortuin was geenszins hem genegen,
Hij leed geduldig ’t loon der voorspoedwaarde deugd:
Dat’s onspoed, hoon en smaad, ...doch had in zich een vreugd,
[p. 10]
Waar voor het schijngeluk der boozen ver moet wijken,
Hij moest in ’t eind schier voor zijn ongeluk bezwijken,
En sprak zijn’ rijken vriend Myrtil om bijstand aan;
Deeze achtingwaarde man werd heevig aangedaan,
En sprak: “De deugd lijdt steeds, God zendt mij ook zijn plagen,
’k Zou anders voor uw’ staat gepaste zorgen draagen”.
Wat, vraagt gij, wederhield dien man?
Hoor Leezer! eerst, en oordeel dan:
Hij had, om de overdaad in spijs en drank te boeten,
De jicht in hand en voeten.
Is ’t wonder, dat een man in zulk een zielsverdriet,
Hoe rijk hij ook moog’ zijn, een’ vriend geen’ bijstand biedt.



[p. 11]

In het album van mijnen
Geachten Vriend N.N.

De waare vriendschapstrouw, een woord in vele monden
Wordt minder dan men denkt in ’t menschlijk hart gevonden:
’t Natuurlijk zielsgestel, en ’t wonder kunstgedrag,
Verscheidenlijk gevormd door ’t ouderlijk gezag;
Een hemelsbreed verschil van denkingskracht en zeeden,
Een schier ontelbre reeks van andre omstandigheden,
Zijn oorzaak, dat men schaars getrouwe vrienden vindt,
En deeze onschatbre deugd verandert als de wind:
let echter kweekt en voedt de trouw der stervelingen,
Bepaalde zucht voor deugd en letteroefeningen;
Dit heeft, zo ’k mij niet vleie, onze achting voortgebragt,
Dit werke op ons gemoed met langs hoe grooter kracht,
Dan zal ons waar geluk met onzen leeftijd groeien,
Ons hartsvereeniging tot onzen sterfdag bloeien;
Een schaamle bedelaar, die ’t vriendschapszoet geniet,
Smaakt meerder zielsvermaak, dan die een rijk gebiedt.



[p. 12]

De geveinsde. Een dubbelzin.

Men zegt, dat eens een zeekre vrouw,
Die waereldsche ondeugd fijn zou heeten,
Omdat ze wonder graag wil weeten,
Hoe braaf ze zij, en wenscht, dat elk haar daar voor hou,
In een gezelschap was gezeeten;
Voornaamlijk om all’ de euveldaên
Van andre menschen naar te gaan,
En onderwijl wat te eeten:
Men weet, dat een gesprek van ’s menschen kwaad gedrag
Met nuttig spijsgebruik zich voeglijk paaren mag,
Hoe ’t zij, mijn hupsche vrouw, (doch ’t moet verborgen blijven)
Wist braaf wat in te lijven;
[p. 13]
Men dischte ook room van melk, dit dient door mij gezegd,
Na de andre lekkre spijs, op ’t heerlijk nagerecht;
Wat vreugd! — doch aardsch geluk kan zeldzaam lange duuren:
Hoe ziet gij zoo bedrukt? vraagt ze aan heur tafelbuuren,
Men antwoordt, ziet gij niet wat onweer ons daar naakt,
’t Geen onze ontroerde ziel geheel bekommerd maakt,
Doch straks bederft de room, dit dient men wel te weeten,
Laat ons dien, zegt ze, voor den donder dan maar eeten.



Aan den langoorigen verraan.

Als schranderheid, VERRAAN! naer ’t oor is af te meeten,
Moet gij bij iedereen een man van oordeel heeten,
Maar is ’t, dat Midas toont, geen teeken van verstand,
Zo zijt gij op mijn eer de grootste gek van ’t land.
’k Bid Leezer! tast niet naar uw oor,
‘k Heb geen bepaalden Midas voor.



[p. 14]

Vriendschap en kunstspoore in het album van mijnen
waarden en dichtkundigen vriend N.N.

Les ames humaines veulent être accouplées pour valoir tout leur prix, & la force unie des amis comme celle des lames d’un aimant artificiel est
incomparablement plus grande que la somme de leurs forces particulieres.

ROUSSEAU.
Hoe wordt ons waar geluk vergroot,
Wen wij ’t met braave vrienden deelen?
Wat blijdschap en in druk en nood
Als vriendschapstrouw de smart mag heelen?
Bezielt die schoone ’t menschlijk hart,
Dan zijn de rampen ligt te draagen,
Men voelt de helft niet van de smart,
Een dubble vreugd in voorspoed-dagen.
[p. 15]
Wat luister krijgt de vriendschapspligt,
Als deugd en kunde ’t hart bestieren!
Vooral wen lust voor ’t maatgedicht
Der vrienden boezems mag versieren;
Waar reine zangkunst harten bindt,
Daar voelt men de eedle dichtaêr zwellen;
Wat vordring mag, o waarde vrind!
Mijn zangster zich hier uit voorspellen.
Dan zacht!..... dat ’s vleitaal voor mij zelf,
De zon leent wel der maan heur glanssen;
Doch blijft het pronkstuk van ’t gewelf
In de ongemeeten starrentranssen;
Doch schoon ik u in kunde wijk’,
’k Voel mij door dichtvuur aangedreeven,
Om u in ’t neêrduitsch taalmuzijk,
Met zachte klanken na te streeven.
[p. 16]
Welaan men stelle op nieuw de snaar
Door vriendschap meer dan ooit gespannen!
Men acht’ geen’ taalgeweldenaar!
Voor eeuwig zij de nijd verbannen!
Men laate aan elk zijn keuze vrij,
Het zij men zeededicht mooge achten,
Of nuttig schertse in poëzij!
Natuur laat nimmer zich verkrachten.
’t Is waar een Hooft heeft veel bestaan,
Een Vondel heeft nog meer gezongen,
Een Hoogvliet heeft, door heldendaên,
Met andren naar de kroon gedongen;
Natuur is nimmer uitgeput,
Verschaft ons daaglijks stof tot werken,
En de eedle Kunst, den mensch tot nut,
Laat door geen’ stervling zich beperken.
[p. 17]
De deugd is nooit naer eisch geroemd;
Gods wonderdaên zijn nooit volpreezen;
Snoode ondeugd nooit genoeg gedoemd;
De mensch zal steeds belachlijk weezen;
Elke eeuw verschaft een heldenrij;
Het aardrijk voedt steeds aartstyrannen;
Ja de onschuld raakt gestaag in lij;
Soms wordt de trouw van ’t hof verbannen.
Dan een, die steeds in dichtvuur gloeit,
Kan ligt mijn’ flaauwen spoorflag derven;
Als maar onz’ kunst en vriendschap groeit,
Zal mijne Nimph iet groots verwerven:
Welaan, men streev’ dan eensgezind,
Om deugd en Dichtkunst voort te planten!
’t Geval verschaft ons bloedverwanten,
De deugd en kunde een’ waaren vrint.




[p. 18]

De nederige dichter.

De lof zet veele menschen aan,
Om iet roemruchtigs aan te vangen,
En naauwlijks hebben ze iet gedaan,
Of wenschen roem op roem te erlangen;
Zoo is een Caesar, afgemat
Door landverwoestende oorelogen,
Op heldenmoed en krijgslist prat,
Die hij door ieder hoort verhoogen;
Een schrijver, door zijn pen vermaard,
Denkt overal bekend te weezen;
En die iet kunstigs t’zaam vergaêrt,
Wordt graag van ieder een gepreezen;
Dit wrijft men ook den Dichtren aan,
Daar zij hun werk zo gaarn vertoonen;
[p. 19]
Doch ’k wil dit denkbeeld tegen gaan;
En hun niet langer laaten hoonen.
’k Werd onlangs door ’t bezoek vereerd
Van een’ der kundigste poëeten,
Niet minder lastig dan geleerd,
Terwijl ik bezig was met eeten;
’k Verzocht hem, bij gelegenheid
Ten mijnen huize weer te koomen,
Maar naauwlijks had ik dit gezeid,
Of hij ... mijn Heer! heb niets te schroomen,
Ei eet maar toe, houd uw gemak!
Ik heb u maar iet voor te leezen;
Dat vaers, daar ’k onlangs u van sprak,
Het zal uwe aandacht waardig weezen!
Met een begon hij, dat het klonk,
Zijn deftig dichtstuk op te snijën,
Terwijl ik dapper at en dronk,
En woord voor woord mij liet ontglijen:
[p. 20]
Dan vroeg hij mij, is dit niet zoet?
Hoe heerlijk wist ik dit te treffen!
Daar ik, hoe wreevlig van gemoed
Zijn stuk niet afliet te verheffen,
Op hoop hij zou straks heenen gaan,
En mijn geduld niet langer vergen.
Maar neen! zijn eigenmin nam aan,
En ging steeds voort mijn’ toorn te tergen;
’k Gaf voor, dat ik na ’t middagmaal
Een’ mijner vrienden moest bezoeken;
Maar hij liet, spijt mijn koel onthaal,
Zoo ’t scheen, zich niet gemaklijk doeken;
o Stel dit uit, riep hij met een,
Wil mij in mijne drift niet stooren,
Nu komen all’ de fraaijigheên,
Die gij, mijn vriend, voor al moet hooren
Dan had ik zwaare pijn in ’t hoofd;
Dan zou ik van mij zelven raaken;
Maar eer wierd hij van ’t licht beroofd,
Eer hij een stuk ter helft zou staaken;
[p. 21]
Doch eindlijk komt mijn braave knecht,
Die, afgericht op slinksche streeken,
Met groote haast mij onderrecht,
Dat iemand wachtte om mij te spreeken;
Door dit voor mij gewenscht geval
Werd ik van deezen last ontheeven,
Dien ’k nimmermeer vergeeten zal,
Zoo lang er zulke Dichters, leeven;
Ach! ik voorzie het reeds! al Ieefde ik al den tijd,
Ik raak dit denkbeeld nooit uit mijn geheugen kwijt.



Op het Verheerlijkt Leyden van den Heer
J. le Francq van Berkhey.

De gansche waereld mooge op grootsche Dichters boogen,
Die ze immer op haar’ kloot de lier behandlen zag!
Gij zingt hen allen stom op deez’ roemruchten dag,
En toont ons zonneklaar door ’t godlijk kunstvermoogen,
Dat hier niets wisselt, dan in plaats, gedaante en klank,
Dat Roome’s God Apol is Nederlands Le Francq.



[p. 22]

Dichtstukje,

Gezongen bij gelegenheid dat haare Rusch-Keizerlijke Majesteit
de Wel Ed. Geboorne Jonkvrouwe J.C. DE LANNOY, met een gouden Snuifdoos
met brillanten versierd, beschonk, uit hoofde laatst-gemelde haare Majesteit met een vaers vereerd haddde.
Ne soit pas le plus grand, mais soit le plus utile,
Soit juste, soit sensible, & surtout genereux,
Une seule vertu vaut un siecle d’ayeux.

M. LE PRIEUR
Is ‘t grootsch en luisterrijk een vorstlijk oog te trekken,
Geblinddoekt door den schijn van aardsch geluk en goud,
Dat met verachting vaak zijn’ evenmensch beschouwt?
Wat denkbeeld moet dit niet van uw’ triomf verwekken?
Daar gij ’t menschlievend hart van een Vorstin behaagt,
Die als een Aardsch’-Godes den gouden Scepter draagt.
Kom, stugge Wijsgeer! zie hier ’t vrouwlijk zielvermoogen,
Dit kan het grootsch bestaan der teedre kunn’ betoogen;
[p. 23]
Daar de een met hemeltaal’ den lọf der deugd verbreidt,
Doet de andre wonderdaên door edelmoedigheid!
Dit heet verdiensten meer dan bloot gezag te minnen!
De kroon buigt wel de kniên, doch kan geen harten winnen,
Tenzij, die ’s rijkszorg torscht, de gansche waereld toon’,
Dat een verheeven ziel in ’t vorstlijk purper woon’.
Gij toonde ô Poëtes! dat zelfs in ’t barre Noorden,
Goedhartigheid en kunde uw teêr gemoed bekoorden,
Dat deugd, hoe ver van ons, Bataafsche harten raakt,
En meer dan Kroon of Staf de waare Vorsten maakt.



De waare welleevendheid,

Naar een fransche Anecdote in proza.
Daar ‘t nu der Dichtren mode wordt,
Om ’t een of ’t ander te vertellen,
En waar men ’t stuk niet meê verkort,
’t Een aantal leugens doet verzellen,
[p. 24]
Wil mijne Zangster, prat op ’t dichterlijk fatsoen,
Voor al de rest niet onderdoen,
Om haar verstand en geest te toonen;
Bereikt zij ’t doelwit niet, men wil haar drift verschoonen.
Een Jonker kwam uit een der Fransche wingewesten
In Frankrijks grootste Stad voor ’t eerst zijn woonplaats vesten.
Mijn hoofsche Leezer zegt misschien,
‘k Wou zulk een’ snaak daar wel eens zien,
Wat raar figuur zou hij daar maaken?
Doch dit ’s te ver gegaan, wil uw vooroordeel staaken,
Wijl uit de melding van ’t geval,
U zijn welleevendheid ten sterksten blijken zal.
Nog naauwlijks is hij daar gekomen,
En heeft van zijnen vriend vernomen,
Dat ’s avonds op ’t Tooneel een Kunststuk werd gespeeld,
Of, door nieuwsgierigheid gedreeven,
Heeft zich daar straks naar toe begeeven.
Hij zit, ... het scherm gaat op, ... het eerst begin verbeeldt
[p. 25]
Een deftig minnaar en vertrouwden,
Die over hunne zaak elkandren onderhouden.
Wat doet mijn jonker? ... welgemoed
Treedt hij naar huis met allen spoed,
En door zijn’ vriend gevraagd, of ’t stuk hem kon bekooren,
Liet hij zijn vergenoegen hooren,
Maar voegde er teffens bij, na dat ik merken kon,
Dat in ’t geheim twee heeren praatten,
Heb ik, dus leef ik naer de ton,
Terstond het Schouwtooneel verlaaten.
Wat dunkt u, Leezer! nu van zyn welleevendheid
Gij oordeelde al te sterk, dit heb ik wel voorzeid.



[p. 26]

DANKOFFER

Den Heere S. van der Waal, Jonkvrouwe J. C. de Lannoy en den Heere W. van der Jagt door Neêrlands dichtminnende jeugd toegezwaaid toen hun Ed. de Eereprijzen voor de beste beantwoording der vraage: welke zijn de waare vereischten van een’ Dichter? waren toegeweezen.

— — — houdt toch aan
De vruchten van uw brein te toonen,
Zoo wint men de eêlste lauwrenkroonen,
    Die door geen blixemvuur vergaan.
’t Kost moeite om eeuwen na dit leven
Op wieken van ’t gerucht te zweeven.

J. ZEEUS.
    Beroemde Dichtermaatschappij!
Naer eisch bekroonde Letterhelden!
    En gij o pronk der Poëzij!
Die onzen pligt, zoo heerlijk meldden,
    Ei staat Bataafsche Kunstmin toe,
Al is ’t met laage en doffe klanken,
    Dat zij uw Zangsters hulde doe,
En voor uw vlijt en kunst moog’ danken.
[p. 27]
    Men merkte reeds bij de oudheid op,
Dat de eer, Minerva’s kroost geschonken,
    Geleerdheid voerde in hoogen top,
En ’t edel dichtvuur kon ontvonken;
    Met recht wordt dus, in dit Gewest,
Ook jaarlijks de eerkrans opgehangen,
    Voor braave Dichters, die het best
Der vraag voldoen door keur van zangen.
    ’t Is eer voor ’t vrije Nederland!
Daar we in dees hoogverlichte tijden,
    Nu elk in weetlust gloeit en brandt,
De Dichters om den prijs zien strijden,
    Die aan geen rijmren zonder zwier,
Maar braaven Dichtren wordt gegeeven,
    Die met hun welgestelde lier
Naar reinen lof en glorie ftreeven.
[p. 28]
    Gij die met lof zulks hebt verricht,
Gedoogt, dat wij u eer bewijzen,
    En uw verheeven puikgedicht,
Dat ieder kenner goedkeurt, prijzen,
    Een vraag niet minder nut dan zwaar,
Door schrandre Dichters voorgehouen,
    Weet ge ons geleerd en tevens klaar
Met uitgezochte taal te ontvouwen,
    Ja, kundig drietal! eeuwige eer
Voor uw doorwrochte meesterstukken!
    Dat elk uw grooten roem vermeer’,
Daar ’t uwe Nimphen dus mogt lukken.
    Wij zullen, staat de kunst ons bij,
Met vlijt en ingespannen krachten,
    Tot roem van Neêrlands Poëzij,
Uw’ raad en lessen trouw betrachten.
[p. 29]
    Men zag in Vondels gouden tijd
Den Zangberg reeds op ’t weeligst bloeien;
    Thans, daar zich elk der Kunste wijdt,
Zien wij weer frissche lauwren groeien;
    Men streed voorheen voor ’t vrij gemoed,
Nu zien we, in dees beschaafde dagen,
    Geen’ heldenstrijd om menschenbloed,
Maar om der kunsten kroon te draagen.
    Zoo lang ons Land de Dichtkunst eert,
Zijn Zangren vrij en vrank durft achten,
    Geen stuk slegts om zijn taal waardeert,
Maar om zijn vinding en gedachten,
    De aloude en jongre Schrijvers leest,
Die navolgt zonder uit te schrijven;
    Zal hier steeds, dit voorspelt mijn geest,
De Poëzij in luister blijven.
[p. 30]
    Naijvrig volk! mijn landgenoot!
Die schier niets uitvoert dan vertaalen,
    Die onze Zangers vaak verstoot,
Wil op onz’ Dichtkunst niet meer finaalen;
    Maar zie, wat Bato’s kroost vermag,
Wanneer ’t door Dichtvuur aangedreeven,
    Niet afhangt van uitheemsch gezag,
Maar hier zijn eigen wet wil geeven;
    Hier leert men hem, die maatzang mint,
En grootsche Dichters na wil stappen,
    Niet slegts met kunst te zijn bevrind,
En doorgeleerd in Weetenschappen;
    Maar dat de oplettende natuur
(Dit moest aan veelen ’t rijm doen staaken)
    Hem moet voorzien van geest en vuur:
Kunst kan een’ VOS, geen’ HOOGVLIET maaken.
[p. 31]
    Hier stelt men kunst, gevoeligheid,
Verrukking, smaak en geest voor oogen,
    Toont hem, die zich ten zang bereidts,
Hun nut en uitgestrekt vermoogen;
    Nu kunnen wij, dus, onderrecht,
Met meer gemak naar Pindus streeven,
    Nu is de dwaalklip gansch geslecht
Daar zulke Dichters wetten geeven.
    De Griek verheffe zijn’ Homeer,
Dat Roome zijnen Maro roeme!i
    Dat Spanje zijnen Lopez eer’!
Italie een’ Tasso meefter noeme!
    Camoens zij de eer van Portugaal!
Laat Duitschland Gesner hoog waardeeren!
    Wij hebben Dichters, die in taal
En kracht van zeggen hen braveeren.
[p. 32]
    Brittanje, Miltons bakermat,
Mooge op een’ Joung, als landsman, boogen!
    De Deen zij op een’ Holberg prat!
Ja, Frankrijk moog’ Boileau verhoogen!
    Wij hebben in ons Vaderland
(Deeze eeuw geeft’ onbetwistbre blijken)
    Verheeven geesten, wier verstand
Voor geen uitheemsch behoeft te wijken.
    Dat Griekenland zijn Sappho noem’,
Haar werken prijze als meesterstukken!
    Dacier vermeere Frankrijks roem!
La Sufe mooge elk een verrukken!
    Ja, ieder eer’ zijn Poëtes,
Alom befaamd door puik van dichten!
    Wij hebben er ten minsten zes,
Die voor geene andren moeten zwichten.
[p. 33]
    Mogt onze puikpoëet Le France
Voorleden jaar den prijs behaalen,
    Wen hij, der dankbaarheid te dank,
Heur schoonheid heerlijk wist te maalen:
    ’t Is, van der Waal! u thans gelukt,
Den pligt van Phoebus Zoon te toonen,
    Waar voor gij gouden vruchten plukt,
Goud kan gevlei, geen Dichtstuk loonen.
    Lannoy! gij hebt ’s lands roem vermeerd,
Met dit en andre schoone werken:
    Uw eedle naam zij steeds geëerd,
Met dien van Bekker en van Merken;
    Gij draagt met recht den dichtlauwrier,
Door zulk een Kunststuk meê te deelen,
    En toont de kracht van Phoebus lier,
Als haar een vrouwe hand kan streelen.
[p. 34]
    En gij, Kunstkenner van der Jagt!
Behaalde ook een’ der Zilvren prijzen,
    Al heeft het lot zulks toegebragt,
U zal men billijke eer bewijzen:
    Ei treflijk drietal! houdt toch aan
De vruchten van uw brein te geeven,
    Zoo zullen, alles moog’ vergaan,
Uw naamen echter eeuwig leeven.
    Zoo zal de Haagsche Broederschap,
En wij met haar uw’ roem verhoogen,
    Zoo stijg’ de kunst ten hoogften trap,
En mooge op haar Meceenen boogen;
    Zoo zal gansch Nederland uw vlijt,
Met uitgezochte taal en klanken,
    Zoo lang men spreeken kan van tijd,
Met groote erkentenis bedanken.

1774.        PATRIAE POESËOS ERGO.



[p. 35]

In de vrienderolle van mijnen geächten en
geleerden Vriend N.N.

Je ne ressemble point a ces foibles esprits,
Qui bientôt delivrés, comme ils sont bientôt pris,
N’ont dans leur amitié rien que du langage;
Quand a moi, je dispute avant que je m’engage,
Mais quand je l’ai promis, j’aime éternellement.

MALHERBE.
Een ruw en vadzig mensch moog’ de eedle vriendschap laaken,
Die ’t fijn gevoelig hart kan smaaken;
Hij kent de zoetheid niet,
Die een rechtaarte ziel in deeze deugd geniet:
Dat de eeuwigvaale nijd de reine vriendschapsbanden
Verscheur’ met haar vergiste tanden;
Zij proeve, tot haar straf;
Nooit die genoeglijkheid, die waare vriendschap gaf!
Gij, braaf en kundig vriend! gij kent, gij voelt haar krachten,
Gij weet, hoe zij ’t gemoed in rampspoed kan verzachten;
[p. 36]
Wat voordeel zij ons schenkt, wen ons de voorspoed streelt:
Wat prijslijk ijvervuur ze in Kunstbeminnaars teelt:
Dat dus ons hartsverbond met onzen leeftijd groeie,
Door schandlijk pligtverzuim noch kunstverachting bloeie,
Zoo worde ons waar geluk op ’t waereldrond bereid,
Zoo zij ons lot hier na de zaalge onsterflijkheid.



De waare heldenmoed.

Wanneer een laffe bloed zijn heldendaên verbreidt,
En een Poëet zijn’ lof door ’t maatgezang doet rijzen,
Daar hij zijn oorlogsmoed verspreidt,
Dit zal ik nimmer prijzen:
Maar als een moedig held voor ’t volk zijn leeven waagt,
En de eer van zijnen naam onsterflijk weet te maaken,
Dit kan, schoon hij daar roem op draagt ,
Mijn Zangster nimmer wraaken.
[p. 37]
Zoo mogt ik, nog niet lang geleên,
Mijn’ vriend Jactator hooren stoffen,
Op heldenmoed en eertropheên,
En ’t voorwerp, dat zijn staal al gonzend neêr deed ploffen:
,, ’k Heb, riep hij moedig uit, een groote zaak verricht,
,, Waar bij geen Krijgsmans moed noch dapperheid kan haalen!
,, Wie durft mijn vuist weerstaan? wie op mijn krachten smaalen?
,, Dat nu een Hercules, een Caesar, voor mij zwicht’!
,, ’k Heb iets gewrocht, waar van de naneef zal gewaagen”.
Vraagt iemand, wat hij heeft gedaan?
Wat toch zijn vuist bestond? welaan:
Hij heeft met grooten moed een vliegje dood geslagen.
Men acht’ geen snoevers heldenmoed,
Wen hij zijn dapperheid wil roemen;
Maar die zijn daaden spreeken doet,
Moet elk een braaven Krijgsman noemen.



[p. 38]

De stervende in het hospitaal te Parijs,
Genaamd L’Hotel Dieu.

Een man lag doodlijk ziek in ’t Godshuis te Parijs;
Een Priester kwam daar van zijn pligten
Zich kwijten naer de roomsche wijz’,
Om hem voor zijnen dood godsdienstig te berichten,
En zegt hem: sterven schijnt uw lot,
Mijn vriend! hoe staat uw ziel bij God?
Dit, zegt hij, kunt gij ligtlijk denken,
Dewijl hij mij een plaats hier in zijn huis wou schenken.



Op een’ veelvraat.

Gij stelt in ’t eeten eer, gewis een schoone zaak!
In zulk een’ waarden lof geniet gij ’t grootst vermaak,
Doch denk niet “’k vreet alleen” laat u geen schijn verblinden!
Want ’k heb een hond gekend, die kon veel meer verslinden.



[p. 39]

VRIJE NAVOLGING

Van den vierden Lierzang van HORATIUS
uit het eerste Boek aan L. SEXTUS
Borgemeester.

Solvitur acris hyem &c.

Thans verdwijnt de barre winter voor ’t aanminnig jaarsaisoen,
En het veld, weleer bevrooren, is thans opgepronkt in ’t groen,
Ja nu blaast de zwoele Zephyr, en het vochtrijk element
Kan de Schipper weêr beploegen, waar hij ook zijn steeven wendt;
(5) ’t Vee verlaat de muffe stallen, nu de weiden zijn ontdooid,
En de Landman ’t vuur, nu ’t aardrijk op het prachtigst is getooid;
Thans voert Venus, onder ’t schijnen van de maan aan’s hemels trans,
Hupplend drie bevalligheden met der nimphen rei ten dans;
Nu haar echtgenoot intusschen met zijn knechts voor God Jupijn
(10) Blixems smeedt in Etna’s vuurkolk die het menschdom vreeslijk zijn;
Thans moet elk zijn kruin versieren met een palm of mirthenkroon,
En de herderin haar boezem met een ruiker van Adoon,
Ja met de allerschoonste bloemen, die de lente volop schenkt,
Daar geen felle winterkoude haar meer in het groeien krenkt.
[p. 40]
(15) Heusche veldling! wijd uw’ Landgod thans een bok spierwit van vacht
In de schaduwrijke boschen, of een lam voor hem geflagt.
Wijl de dood o braave Sextus! ieder stervling paalen stelt,
En zoo wel de grootste vorsten, als den beedlaar nedervelt,
Moet gij op geen’ leeftijd hoopen; want de tijd vervliegt als damp;
(20) En er is maar weinig olie oovrig in uw leevenslamp:
Dus zult gij welhaast verhuizen naar het elizeesche dal,
Daar gij nimmer ’t lot zult werpen, wie dat schenker weezen zal,
Noch dien Lycidas beminnen, daar de landjeugd roem op draagt,
Die niet slegts den jongelingen, maar de maagden zelfs behaagt.



Uit de Schola Salernitana.

Het Latijn nagevolgd.

Die lang gezond en frisch en wel te vreê wil leeven,
Moet zich aan groote zorg, noch gramschap overgeeven;
    Schuw’ de onmaat in ’t voldoen van drink- en eetenslust;
    Staa na den maaltijd op, en zoek’ geen middagrust;
Wil, dat natuur gebiedt, met aandacht onderhouden:
Hij die dit al voldoet zal grijzend niet verouden.



[p. 41]

Vertelling naar eene Engelsche anecdote.

Een Engelsch edelman nog jong in kunde en jaaren,
Berispte Drijden eens, omdat er feilen waren
In ’t een of ander stuk, geschikt voor ’t treurtooneel.
— “Gij laat Prins Cleomeen, dus sprak hij, al te veel
,, Tot zijne minnaares vergeefsch van liefde spreeken,
,, ô ’t Is mij menigwerf gebleeken!
,, Als ik bij meisjes ben, dan ben ik recht galant,
,, Ik breng haar tot mijn’ wil met oordeel en verstand,
,, ’k Moet binnen korten tijd eene overwinning maaken,
,, Of ben gewoon mijn werk te staaken”.
— “’k Geloof, zegt Drijden weêr, aan al ’t geen gij vertelt,
,, Doch dit is weder waar: Mijlord! — gij waart geen held.”



[p. 42]

De vlugge dichter.

Een zeker Puikpoëet,
(Dien Midas zonder grond misschien wel rijmer heet;
Dewijl er thans zoo veelen rijmen,
En zonder vinding woorden lijmen.)
Vertelde eens zonder wind of waan,
Hoe wonder vlug hij steeds zijn cither konde slaan,
Ja zonder moeite een stuk in korten tijd kon maaken.
,, ’k Wil, zei hem eens een snaak, uw vlug vernuft niet laaken,
,, Maar op mijn woord mijn heer!
,, Indien uw stukjes meer
,, Aan arbeid kosteden, dan dat zij waardig waren,
,, Beklaagde ik al het werk van zulke rijmelaaren”.



[p. 43]

Academisch afscheid, aan mijnen geëerden Vriend N.N.
Toen zijn Ed. de Leidsche Hoogeschool verliet.

ô Noodlot, droeve plaag van braave stervelingen!
Waarom weêrstreeft gij dus der menschen reine vreugd
Waarom belaagt gij steeds de nooit volroemde deugd?
Ja waarom schept gij lust in lotverwisselingen?
Wat reeden hebt gij toch? wat zet uw moedwil aan
Mij van mijn’ waarden vriend, mijn’ Damon te verwijden
Te recht beproefde trouw, en vriendschap te bestrijden?
Die nooit, uw nijd ten trots, zal mindren noch vergaan?
Hoe was mijn ziel gesteld, toen ’k de eerste reis moest hooren.
Dat gij, mijn braave vriend! dien ’k eeuwig minnen zal,
Me eerlang begeeven moest! ô treurig ongeval!
Hoe klonk die droeve taal mij donderend in de ooren!
[p. 44]
Hoe smeekte ik ’t Godendom, dit onheil te voorzien!
Dan ’t was helaas! vergeefsch, zulks mogt mij niet gebeuren;
Neen! ’t norsche noodlot moest ons van elkander scheuren!
Vergun mijn Zangster dus u nog iets aan te biên:
Geen laf noch rijk geschenk, dit is geen vriendschapsteeken,
Geen zachte vleitaal met veel arbeid uitgedacht,
Geen heerlijk Zangstuk, niet welmeenend voortgebragt,
Maar trouwe vriendschapstaal, die waare vrienden spreeken,
Hebt gij uw’ korten tijd zoo nuttig aangelegd?
Kon eedle Scheikunst straks uw letterliefde winnen?
Bekoorde vrouw Natuur uw kundig brein en zinnen?
Hebt gij uw onderzoek der Wiskunst toegezegd?
Vaar, vaar dan voort, mijn vriend! in kennis te vergaêren,
Verrijk al langs hoe meer uw fraaie, uw nutte kunst,
Zoo worde uw vlijt geroemd, zoo wint ge een ieders gunst,
Zoo stijge uw roem ten top bij ’t groeien uwer jaaren.
Doch wijkt ge van mij af, vergeet mij nimmermeer,
Ten minsten ik zal steeds aan onze vriendschap denken:
Vaar wel, vaar eeuwig wel geen onheil mooge u krenken!
Onze achting bloei’, de deugd en lettermin ter eer’!



[p. 45]

Lierzang op de geboorte van ....
Aan de Ouderen toegezongen.

Ofschoon ik thans zoo zeldzaam speel,
En Phoebus kunstig snaartuig streel,
Daar ik aan nutter bezigheden,
Mijn’ frisschen leeftijd mag besteeden,
Ja met vermaak aan de Artsenij,
Mijn teedre zielvermoogens wij;
‘k Wil echter op dit pas mijn’ zanglust niet bedwingen,
Naar moet, o Vrienden! thans uw spruit ter eere zingen.
[p. 46]
‘t Onnoozel jonggebooren wicht
Ziet thans, ô vreugd! het leevenslicht,
Zoo lang in ’t duister opgenooten,
Daar ’t eerst het leeven heeft genooten,
En reeds door ’t aangebragte bloed
Der braave moeder is gevoed;
Natuur verzorgt den mensch, dit moet elk een betuigen,
Eer hij de vrije lucht op ’ t aardrijk in kan zuigen.
Hoe bleef het waereldrond bewoond,
Had de Almagt niet haar gunst betoond,
Om volgens vastgestelde wetten
’t Verval der schepslen te beletten?
Waardoor en mensch en beest en plant.
Gehouden wordt in eigen stand;
Haar wil was, dat geen dier altijd hier zoude leeven:
Met recht heeft zij dus elk een teelzucht ingegeeven.
[p. 47]
U, zuster! wensch ik veel geluk,
Daar gij, met weinig smart en druk
Bevrijd van droeve doodsgevaaren,
Het lieve en waarde wicht mogt baaren;
Wijl ’t anders menigwerf gebeurt,
Dat de Egaê met zijn kindren treurt,
Die denkend nog een telg van de Almagt te verwerven,
Zijn lieve bedgenoote in baarensnood ziet sterven.
Dit is, ô Broeder! afgeweerd,
Door Hem die ’t gansch heelal regeert;
Daar gij in plaats van ongelukken
Uw kind thans moogt in de armen drukken,
Dat kort na onzen jubeldag,
’t Behaaglijk licht des leeyens zag.
Zijt dankbaar en verblijd! daar ’t welgevormd van leeden,
Des waerelds schouwtooneel zoo gunstig in mag treeden.
[p. 48]
‘t Groeie op in zedigheid en deugd,
‘t Verschaffe u veel vermaak en vreugd,
’t Geniete met uw andre looten,
Die reeds uw reine vreugd vergrooten,
Bevrijd van rampspoed, smart en druk,
Kan ’t zijn, een nooit gestoord geluk,
Ja ’t zij in smart en pijn, in voor en tegenheden,
Wanneer ’t zijn pligt betracht, met zijnen staat te vreeden.
Gij, Hemel! staa den Oudren bij!
Wier lot ook steeds gezegend zij!
Doe hen met aandacht wel bevroeden
‘t Belang van kindren op te voeden!
Zoo gaan zij in het deugdenspoor
Hun telgen staag met voorbeeld voor;
Zoo wordt de maatschappij voorzien van braave menschen,
Hun huis van dierbaar kroost, het toppunt hunner wenschen.
[p. 49]
Leeft vrienden! met elkaêr te vreen,
Geniet all’ de aardsche zaligheên,
Dat uw gegronde liefde bloeie,
En met uw jaaren hooger groeie!
Het voordeel van de huuwlijksmin
Blijke in een talrijk huisgezin!
Ja vrienden! leeft vernoegd, en blijft de deugd betrachten,
Zoo hebt gij met uw kroost des Hemels gunst te wachten.



In de vriendenrolle mijnes waarden vriends B....

‘k Had laatst een groot verschil met mijne Dichtgodin:
Schoon we anders wel te vreede leeven,
En zelden stof tot twisten geeven,
Want op zijn beurt krijgt elk zijn zin;
Had nu de twistharpij, de ziel der aartstyrannen,
Dien zoeten vreê bij ons verbannen.
[p. 50]
Hoe, denkt de leezer, wat verschil?
Wat of de Dichter zeggen wil?
De Rijmer en zijn Nimph zijn immers één in weezen?
Doch gij onnoozle! moogt der Dichtren gramschap vreezen,
Is u de vindingsbron dier geesten onbekend?
Doch dat ’s tot daar aan toe. ‘t Geschil was hier omtrent:
’k Wilde in een Vriendenrol een vriendlijk vaersje schrijven,
Opdat ons hartsverbond steeds duurzaam zoude blijven,
Opdat de gansche waereld weet’,
Wat in een rechten zin oprechte vriendschap heet;
’k Hield haar ’t vermaak en nut voor oogen
Van ’s Dichters hemelsch kunstvermoogen,
Wanneer ’t hot liefdesnoer van menig deugdzaam vrind
Met koorden van fluweel zo blank als sneeuw verbindt.
Mijn pooging was vergeefsch: “ik zie Minerva’s zoonen,
,, (Dus sprak zij) dagelijks die gunst elkaêr betoonen,
,, Eene enkle t’zaamenkomst, een enkel flaauw bezoek
,, Brengt somtijds Pylades in vriend Orestes boek.
,, ’k Noem dus een album, zonder blaamen,
,, Een fraai versierden band, gevuld met vriendennaamen:
[p. 51]
,, Uw vriendenminnend hart, gansch schuw van snood gevlij,
,, Kon mij, ’t is waar, weleer bekooren,
,, Wen gij oprechte trouw aan uwen vriendenrij
,, Door mijne zegskracht hebt gezwooren;
,, Doch vrees voor snood misbruik, dat nooit uw ziel ontsier’,
,, Weerhoudt thans mijne lier”.
In ’t kort, ’k behoef het niet te zwijgen,
Ik kon haar aan het vaers van mijnen vriend niet krijgen.
’t Was al vergeefsch wat ik bedacht,
Mijn dingtaal werd van haar veracht,
In ’t end ik liet B .... naam van mijne lippen vloeien,
Haar dichtvuur raakte straks aan ’t gloeien,
Ten blijk, dat letterliefde en waare vriendenmin,
De lust en ’t leeven is van mijne Zanggodin.



Het oordeel van ’t gemeen.

Wie kan zich langer op der menschen taal betrouwen?
Nu noemt men Socrates een’ gek:
Dan heet de mildste man een vrek;
Dan geeft me aan ’t kuischste foort der vrouwen
Den snooden naam dien Laïs droeg;
Dan zacht dit voorbeeld zal genoeg
Aan ieder waarheidminnaar toonen,
Hoe vaak men hier de deugd op ’t schandelijkst ziet hoonen
En hoe hij dikwerf dwaalt, die vol van achterklap,
Geloof slaat aan ’t gemeen gesnap.
Orontes werd niet lang geleên
Gekweld door zwaare pijnlijkheên,
Door jicht in arm en voeten.
De argliste leezer denkt misschien:
[p. 53]
Dit was om de overdaad in spijs en drank te boeten.
Doch ’k zal hem ’t tegendeel klaarblijkelijk doen zien;
’t Is waar zijn schat kon dien van Croesus evenaaren,
Doch dacht hy wel te recht, men moet zijn geld bewaaren,
’t Geen ons de milde Hemel gaf,
Wij zijn er slegts op aard getrouwe waakers af.
Die dus denkt, zal ___ geloof mijn zeggen,
Van schandlijke overdaad schaars ziek te bed zich leggen.
Hoe ’t zij, zijn pijn nam toe ___ hij kreeg een koorts daarbij,
Wat raad? ___ men zou een’ Doctor haalen,
Hij zegt: “men haal dien niet voor mij!
,, Wie anders dan ik zelf zou deezen arts betaalen?
,, Dit ware de eerste keer,
,, Natuur gaf mij voor niet altijd mijn krachten weêr".
___ De koorts neemt toe, ___ hij raakt aan ’t ijlen,
Hij denkt in deezen staat bij wijlen,
Dus lag de geldzucht hem in ’t hoofd,
Dat hij van al zijn’ schat door dieven werd beroofd.
Nu vindt zijn verre maagschap goed,
Tot hulp in deezen nood een kundig arts te vraagen,
[p. 54]
Die daadelijk met allen spoed,
Bij ’t bange ziekbed komt, daar hij Oront hoort klaagen;
Hij zegt: “De zieke heeft geen nood”,
___ Hier sprong een traanenvloed uit zijner vrienden oogen,
Of die uit droefheid of uit waare blijdschap schoot,
Laat ik een’ wijzer vrij betoogen;
___ De Doctor doet al wat hij kan,
Om, waar’ het moogelijk den zieken te herstellen,
Doch alles is vergeefsch, Orontes sterft er van.
___ Straks hoort men ieder vonnis vellen:
De een zegt : “De arts heeft den dood verhaast,
,, Door aderlaaten en purgeeren,
,, Die slegts de pijn en smart vermeeren”;
Een ander, door ’t gerucht van deezen dood verbaast,
Zegt: “Doctor Snoeshaan weet wat kluchtjes te verhaalen,
,, En wint, schoon onervaaren in zijn kunst,
,, Door zulk gesnap der grooten gunst”;
Een derde wil hem meer besmaalen;
,, De maagschap, zegt hij, heeft hem rijkelijk beloond,
,, Die, dorstend naar des ouden schijven,
[p. 55]
,, Den arts dees schendaad deed bedrijven".
___ Dus wordt die braave man gehoond.
Doch hoort eens zelf de vrienden spreeken:
Zijn kunst is, zegt men, ons gebleeken,
Nooit zag men beter arts in dees beroemde Stad,
Die meerder kunstbeleid, meer ondervinding had.
Ja, zoo onze andere Oom ook in gevaar moog’ koomen,
Wordt deeze braave man tot bijstand weêr genoomen;
Opdat men door dit voorbeeld leer’
Die ons begunstigt, dien men weêr.



Aan den Wel Ed. Heer ...
Toen dezelve tot Doctor in de Medicynen werd bevorderd,
Zijnde zijne Dissertatie over de Ziekten der Ziele.

On est trop savant quand on l’est au depend
De sa santé, a quoi sert la science sans le bonheur?

TISSOT.
Zou mijn Nimph uw’ lof niet zingen, daar ge u openlijk, mijn vrindt
Naer ’t gebruik der letterbraaven, aan GALENUS kunst verbindt,
En in ’t worstelperk van Pallas, ter belooning van uw vlijt,
Om den Doctoraalen eerkrans, kundig en met eerzucht strijdt,
[p. 56]
Daar gij toont, hoe elk geleerde, die te veel de studie acht,
Die begraaven in zijn boeken, letterblokt bij dag en nacht,
Zijn gezondheid kan verspillen, en wel rasch zijn krachten krenkt,
Die te veel op zwaare zaaken met vermoeiende aandacht denkt,
Hoe een ander beter oordeelt, die zijn’ kostelijken tijd
Deels aan letteroefeningen, deels aan nut vermaak toewijdt;
Heeft uw pen dit schoon beschreven, mijne nimph wordt aangespoord,
Door uw gulle en heusche vriendschap, door uw lettermin bekoord,
U deez’ kleinen zang te wijden, op deez’ lang gewenschten dag
Allen voorspoed toe te wenschen, die een stervling immer zag;
Leef gelukkig! leef gezegend! red veel zieken uit den nood!
Leef met niemand meer vijandig, meer gehaat dan van den dood!
Zoo zal uwe roem steeds groeien, zoo verkrijgt ge een ieders gunst,
Ja zoo leeft gij tot uw voordeel en tot eer van onze kunst.



In het laatste blad van een album.

Gij die dit Album leest! zult mij het laatst wel vinden,
Doch ’k ben, dit zeg ik vrij, de laatste niet der vrinden.



De reine huwelijksliefde, ter bruilofte van
mijnen geachten Neef en Nicht ....

‘t Is waar, mijn nimph heeft u beloofd,
U, met uw waarde bruid naar ’t echtaltaar te leiden,
En om der Echtelingen hoofd
Een’ frisschen huuwlijkskrans te breiden;
De goede sloof was onbewust,
Hoe mij het vaerzen lijmen lust,
Als ik met grooter bezigheden
Mijn’ duuren tijd hier moet besteeden,
Vooral in ’t koude jaargetij,
Als ik in plaats van poëzij
Mijn dooden evenmensch kunstkundig moet ontleeden,
Dit heeft ___ waarom geen schuld beleeden?
[p. 58]
Veel onrust tusschen ons, hoe vreedzaam ook van aart,
Ja zelf, dit tuig’ de buurt, een hard gekijf gebaard:
Zij riep gramstoorig uit, “ik wil mijn schuld betaalen,
,, En voor ’t beminlijk paar de huuwlijkszoetheid maalen”.
Ik greep ’t ontleedmes aan met een bepaald besluit;
Zij stoorde er zich niet aan, en vatte de echtfeest-luit,
En heeft me op nieuw betoond het onheil van ’t weêrstreeven,
Wen wij met de eedle sexe in vreede willen leeven,
‘k Zweeg eindlijk en begreep te laat:
’t Is leter bot dan obstinaat,
Zij dan begon met lust te zingen,
Het weezenlijk vermaak der deugdzaame Echtelingen.
Wat is zoeter op deeze aard,
Wat dat meer genoegen baart,
Dan als we eensgezind van zinnen
In den echt elkaer beminnen?
Dan vooral, wanneer de deugd
’t Leeven is der huuwlijksvreugd.
[p. 59]
Wen de zielsbekoorlijkheden
Meer dan ’t schoon der lighaamsleeden,
Dat slegts geile vlammen voedt,
Liefde koestren in ’t gemoed.
Dit kan ’t waar geluk vergrooten,
En voorspelt ons braave looten.
Wat geeft meerder zielsgekwel,
Wat gelijkt op aarde een hel
Meerder dan een huuwlijksleeven
Door veel onspoed vaak omgeeven?
Daar me oneensgezind van aart,
Slegts uit zelf belangen paart,
Daar de lighaams-fraaijigheden
’t Walglijk zielsgestel omkleeden,
Daar men ’t leelijk voorwerp trouwt,
Min uit liefde dan om ’t goud:
Dit kan niets dan ramp voorspellen,
En ontaarte harten kwellen.
Foei, wat schandlijk tafereel
Maal ik op dit echtpanneel!
[p. 60]
Zulke zaaken, zulke kleuren
Zouden ’t blijde hart doen treuren,
Dat zich om uw echtverbond,
Op de reine deugd gegrond,
Liever hartlijk wil vermaaken;
’k Spreek dus van gansch andre zaaken,
Van de liefde, van de min,
Bruigom! van uw hartvriendin,
Van uw lieve hartetrekster,
Van uw zuivre minverwekster,
Van de zoete vrijerij,
Van het dartelend gevlij,
Van de lachjes, van de lonkjes,
Van de vuurge liefdevonkjes,
Bruidje! van uw waarde gae,
Van ’t geweigerd woordje ja,
Van uw minnelijke kusschen,
Van het liefdevuur te blusschen,
Dit, dit waar veel beter taal,
In een blijde bruiloftzaal.
[p. 61]
Doch dit zou u slegts verveelen,
Als het lastig woordenspeelen,
Die de rijmer zonder zwier;
Aan elkaêr lapt op ’t papier,
Doch ik haat die voetentelders,
Die verwaande woordenspelders.
’k Wensch u liever, blij te moe,
‘s Hemels milden zegen toe:
Hij, die u wou zaamen voegen,
Schenke u duurzaam echtgenoegen,
Dat uw waare liefde bloei’
En met uwen leeftijd groei’!
Tracht elkaêr voorbij te streeven
In den pligt van ’t huuwlijksleeven!
Wordt ge, dit schijnt wonderlijk,
Man en Vader te gelijk?
Zijt o Neef! dus als een Vader,
Als een vriend een trouwe raader !
[p. 62]
Dit verwacht ik van uw deugd,
Reeds betoond in ’t prilst der jeugd.
Bruidje! wonderlijk ervaaren
Naer uw teedre kunne, en jaaren,
Naer ’k verneem niet minder schoon;
Gun, dat ik mijne achting toon’,
En met een’ der beste menschen,
U veel voorspoed toe moog’ wenschen,
Neem dus ook uw’ pligt in acht,
Die de huiszorg van u wacht,
Dan kunt ge als in Edens dreeven,
Onderling te vreede leeven;
Doch is tegenspoed uw deel,
Schuw dan ’t lastig huiskrakeel,
Onspoed zal voor deugd bezwijken;
En voor ’t zacht genoegen wijken.
Eindlijk leef, voortreflijk paar!
Steeds gelukkig met elkaêr.
Tot de dood uw echt zal scheiden,
En u beetren staat bereiden.



De voorbaarige.

Wat nut geeft ons ’t gebruik der letteroefeningen!
Het zij me op ’t Hoogeschool voor bef en mantel strijd’,
Zich on een Urinaal aan de Artsenijkunst wijd’,
Of met een pleitziek hart naar Themis kap moog’ dingen.
Het zij men Wijsbegeerte minn’,
En daarom zonder groot gewin,
’t Gaat vast dat zulk bedrijf geen Koopman zou behaagen,
Zich dikwerf afslooft, om een schamel kleed te draagen!
Dan, zonder ’s menschen kundigheên,
Ware alles haatlijk hier beneên;
Och, mogten de ouders dit bevatten!
Zij zorgden min voor geld en schatten,
Ja wijdden menig geeftig kind,
Der Balie, ’t Ziekbed, of ’t eerwaardig Kerkbewind;
Dus dacht mijn vriend Ernest, wiens dringreên ’k zal doen hooren:
,, Mij is, dus sprak de man, een braave zoon gebooren,
[p. 64]
,, Een zoon dien ’k teêr en hartlijk min,
,, De wellust mijner bedvrindin,
,, Dien ik der Kerke met verlangen toe zal wijden,
,, Om op dees nietige aard voor Christus leer te strijden:
,, Niets voegt een sterveling toch meer,
,, Dan zulk een dienst aan ’s Hemels Heer.
,, Mij dunkt, ik zie mijn’ zoon reeds op een’ kansel treeden,
,, Daar hij met mannentaal en smeekende gebeden,
,, Wat vreugde voor mijn teêr gemoed!
,, Als Heilheraut zich hooren doet;
,, Mij dunkt”... hier stuitte ik hem, vroeg naar des jonglings gaaven,
Of hij dit schoon ontwerp met blijken konde staaven,
Of zuivre deugd en braave reên
Versierden deeze kundigheên,
En eindlijk of hij scheen tot zulk een post geschaapen.
Denk leezer! hoe verbaast ik keek,
Toen mij bij slot van zaaken bleek,
Dat onze Predikheer lag in de wieg te slaapen.
Men dwaalt niet altijd stout door averechts beleid,
Maar dikwerf uit gebrek alleen aan kundigheid.




Op de bevordering van den Heer N.N.
Tot Doctor in de Medicijnen, zijnde zijne Dissertatie
over het nadeel der sterke Dranken.

Ridendo dicere verum quis vetat?
HORATIUS.
Wel D.... hoe kwam ’t u toch in ’t hoofd
Tot nadeel van den borl te schrijven?
Dit had ik nooit van u geloofd:
Wie moet met u den spot niet drijven?
’t Is immers u genoeg bekend,
Hoe wij aan ’t edel vocht gewend,
Tot streeling onzer ziel en zinnen,
Dien frisschen godendrank beminnen,
En gij ___ Foei wat pedant bestaan!
Toont ons het nadeel daar van aan.
Ik moet uw zotlijk opzet wraaken,
En ___ kan ’t geschiên, bespotlijk maaken.
[p. 66]
Een Groen is immers nooit een man,
Zoo hij niet deftig drinken kan,
‘k Zou wel een slegt Studentje weezen,
Die voor een glas drie vier zou vreezen;
Neen vriend! Genever, Brandewijn,
En Persico die moet er zijn.
Wat gij ook te onbedacht moogt praaten,
Dien nectar zal men nooit verlaaten;
’k Ging ’s morgens nimmer bij een vrind
Wiens naam men in mijn album vindt,
En dus dien van Orest mag draagen,
Zoo hij niet daadlijk mij kwam vraagen,
Wat drank mij ’t meest behaagen zou,
Neen D.... geloof, ’k bedankte jou,
En spotte met uw laffe grappen,
Zoo gij geen’ bittren borl woudt tappen,
In ’t kort, één woord zoo veel als zes,
Geen losse vreugde zonder fles
Dit moest gij immers klaar bevatten,
En ons vermaak zoo laag niet schatten,
[p. 67]
De tost verbiedt, dat men bedill’,
Het geen de fraaie waereld wil;
Zoo ge ooit of ooit fortuin wilt maaken,
Moet gij dit lastig schimpen staaken.
Doch zeg, hoe kwaamt ge aan zulk een stof
Gansch ongeschikt voor uwen lof?
Daar gij eene andre ligt kondt vinden,
Die gij met hulp van uwe vrinden,
Al sloegt ge er zelf geen handen aan,
Voor de uwe door kondt laaten gaan,
Wie drommel, vraag ik, zou het merken,
Zoo ’t een Professor uit wou werken?
Of zoo het voor een weinig geld
Wierd door een beunhaas opgesteld?
Daar we in dien gulden tijd nog leeven,
Waarin het geld verstand kan geeven.
Doch neen, dit weet ik, haat gij sterk,
En pronkt niet met eens anders werk;
Wel weetend, dat geleende veêren
Geenszins den waaren roem vermeeren,
[p. 68]
Maar die voor kundig wordt gegroet,
De blijken daar van geeven moet.
Dus, schoon ik uwe stof moet laaken,
Prijze ik de schikking uwer zaaken,
En ’t hartinneemend kunstbeleid,
Waar meê ge een slegte zaak bepleit;
’t Is jammer, dat me in Themis chooren
Uw taal als Priester niet mag hooren,
Dan had gij wis fortuin gemaakt.
Doch waarom steeds naar meer gehaakt?
Wijl ik het zelf misprijz’, dat menschen
Naar ’t geen zij rijklijk hebben, wenschen.
Dan zacht ... ik raak te ver van ’t spoor
Gewoonte wil, dat ik uw oor,
Hoe ook mijn zang u moog’ verveelen,
Op ’t laatst met wensch op wensch koom’ streelen,
Ja dat ik u een leeven wensch’,
Schier gansch onmooglijk voor een mensch.
Mijn Zangster, warsch van zulke Wetten,
Zal de oude paalen thans verzetten.
[p. 69]
De nijd, die prijsbre nieuwigheên
Veracht, schimpe ook op haar alleen:
Die naar geen’ goeden raad wil hooren,
Zij ook ’t gevolg alleen beschooren;
Ik heb ’t haar menigwerf getoond,
Hoe vaak de nijd iet nieuws beloont,
Hoe fraaier zelfs het stuk moog’ weezen,
Hoe meer gij ’s vijands haat moet vreezen,
Bijzonder als men vrank en vrij
let godlijks maalt in poëzij.
Zij wil u liever lessen geeven,
Om als een arts van smaak te leeven:
Laak, zegt ze, nooit dat elk schier acht,
Dit maakt u overal verdacht;
Laat dit mijn kunstloos stukje u toonen,
Het druivenvocht niet meer te hoonen,
Of anders krijgt gij, op mijn eer!
Op een’ gepasten tijd nog meer;
Wil liever het vooroordeel streelen,
Dan zal uw vleitaal schaars verveelen,
[p. 70]
Prijs dus het schandlijk wanbedrijf
Van voedstervrouw of bakerwijf,
Die naar geen wijze reednen luistren,
Maar ’t jonge wicht in boeien kluistren.
Een vrouw, die naer de mode leeft,
Zal, zoo zij geld en goedren heeft,
Haar eigen kind de borst onthouën,
En zoekt naar andre voedstervrouwen;
Verhef dit overgrootsch bestaan,
Toon heur het voordeel daar van aan,
Wijl ze aêrs heur schoonheid zou ontsieren,
’t Geen voegt aan redelooze dieren.
Is Hypochonder ziek in schijn,
Onthoud hem toch geen medicijn,
Maar doe hem zweeten en purgeeren,
Hij zal u als een’ Celsus eeren.
Ernst wordt zoo korslig als een draak,
Wil iemand van den nieuwen smaak
De inenting als iet nuttigs prijzen,
Hij hoort naar reednen noch bewijzen,
[p. 71]
En zegt: ___ wat krachtig argument!
Eer sterf ik, voor ’k worde ingeënt
Laat hem gerust zijn meening zeggen,
Onthoud’ u toch van wederleggen,
Zijn denkbeeld moet naer waarheid zijn,
Al zag hij water aan voor wijn.....
’t Is, dunkt mij, klaar genoeg gebleeken,
Een arts mag zelden waarheid spreeken
Dit was de reên, mijn waarde vrind!
Aan wien ik mij op nieuw verbind,
Dat mijne Nimph u wou bewijzen,
Dat gij ons vocht niet moest misprijzen,
Doch ’k bid u, stoor u daar niet aan,
Gij kent heur satyriek bestaan.
Gij woudt, en dit is genoeg, het heilzaam nut verhoogen,
Maar tevens ’t kwaad gebruik met zijn gevolg betoogen;
Ja daar gij Doctor wordt, dit zeg ik tot besluit,
Trekt Charon zelf uit spijt zijn grijze haaïren uit.



[p. 72]

In de vriendenrolle van mijnen
schilderkundigen vriend....

Had ik der Zanggodinnen gunst,
Om met mijn Dichtpenseel naer eisch te kunnen saagen,
Mijn Zangster zou ’t gewislijk waagen,
Zij schetste ’t naauw verband der Dicht- en Schilderkunst;
De Vriendschap zou dees twee, als braave Kunstgezinden ,
Met grootsche pracht te saam verbinden,
Zij maalde een heerlijk tafereel,
Van zulk een hartsverbond op ’t gladde Dichtpaneel;
Nu wil, nu kan ’t besef van eigen onvermoogen
Dit sleut bestaan geenszins gedoogen,
Daar uw verheeven kunstbeleid,
Ten spot van mijn vermeetelheid,
[p. 73]
Dit schoon ontwerp naer eisch zou maalen,
Waar door mijn werk ten grond zou daalen;
Daar dus natuur en kunst u ruimer gaaven gaf,
Zie ik te recht van zulk eene onderneeming af;
Vaar, vaar dus voort, mijn vrind! uw kennis te beschaaven,
Zoo zij uw kunde en vlijt geächt bij alle braaven.



AAN
HERO,

Een’ Voorstander van Zelfmoord, en een’ Lief-
hebber van slaapen.

Hoe zoet is ’t leeven toch voor hun die deugd betrachten!
        En, hoe het noodlot hen ook drukk’,
        In tegenspoed of ongeluk,
Met weinig wel te vreên, ’t verleidend goud verachten!
        ___ Hoe streelend voor een gierigaart,
Die zonder ’t recht gebruik zijn schuilend geld bewaart,
            Die bij zijn gouden schijven,
    Een lastige oude vrek wil blijven!
[p. 74]
Wat schenkt het een vermaak aan hem die wijn bemint,
Die in ’t bedwelmend vocht zijn grootst genoegen vindt!
Hoe zoet voor Venus Priestrenrijen,
Die zich in ’s leevenslenť met wulpsch genot verblijên
Gaf menig vorst zijn’ ganschen schat,
Daar hij de helft der aard bezat,
Zoo men zijn’ leevensdraad nog verder uit kon rekken,
Hoe moet het ons verwondring wekken,
Dat iemand naar den dood verlangt,
En, ’t leeven moe, zich zelf verhangt,
En, om die misdaad te verbloemen,
Dit edelmoedigheid durft noemen,
Als men in ’s waerelds ongeluk
Een einde maakt van smart en druk.
’t Is laffe hovaardij, een miltziek zelfbehaagen,
Die ’t hart van zulk een’ snoodaart knaagen,
Die niet te vreê met ’t geen hij heeft,
Verveelend, norsch en knorrig leeft,
En dan de menschlijkheid durft hoonen,
Als hij het recht gebruik der rede moest vertoonen.
[p. 75]
Wanhoopig mensch! door druk benard,
Doorsteek uw ingewand en hart....
Gij moogt naar eenen strop verlangen,
Om daar u zelf mede op te hangen....
Verkies, opdat ge uw leeven endt,
Uit wanhoop ’t vochtrijk element,
Dit kan mijn’ Hero niet behaagen,
Die kort gewis zijn leevensdagen,
Met opium of ander kruid,
En slaapt zich zelf de waereld uit.



Het ongelijk huuwlijk.

De straf vervolgt een reeks van onnatuurlijkheden,
’t Belang van ’t Algemeen bepaalt de wulpsche zeden;
Een jongman echter trouwt
Een bes van zestig jaar, en ongestraft, om ’t goud.
Hier moet natuur, dit weet men zonder gissen,
Haar nutte huuwlijksvruchten missen.
[p. 76]
Wat reden, dat het recht hier nimmer acht op sloeg?
Doch ’t recht, dat zoo veel kromme zaaken
Gelijk en vlak kan maaken,
Vraagt: geeft een jongman dus zich zelf geen straf genoeg?....
Hier staa ik gansch versuft en weet schier niets te zeggen...
’k Zal echter kort en goed die reednen wederleggen:
’k Staa toe, dit zou de waarheid zijn,
Wist hij zijn geile minnepijn,
In plaats van bij zijn vrouw zijn liefdevuur te blusschen,
Bij andre Nimphjes niet te sussen;
Dus is ’t niet noodig dat ik toon’,
Hoe onze rijke en grijze en leelijke matroon
(Wat kan bij zulk een min, bij zulk een liefde haalen?)
Niet slegts die straffe boet,
Maar ook met goeden moed
Heur mans meestressen moet betaalen.
Wat zegt gij, minzieke oude vrouw!
Van zulk een teedre huuwlijkstrouw?



Voor mijne eigen vriendenrolle.

Ut ameris, ama.
Is waare vriendschapstrouw zoo zeldzaam hier te vinden?
Bestaat die achtbre deugd zoo dikwerf slegts in schijn?
Vlecht schandlijk zelfbelang het liefdesnoer van vrinden?
Hoe haatlijk moet de naam van zulk een vriendschap zijn?
Gij, braaven! ijst en schrikt van zulk een zielvertrouwen,
Uw deugdenkweekend hart kent beeter heur waardij,
’k Mag in uw rein gemoed een eedler trek beschouwen:
Dat dus ons zielverbond en groeie en duurzaam zij!
’k Beken, mijn hart en kunde is de achting gansch onwaardig,
Die gij met ziel en pen zoo plegtig mij betoont;
Ik zweer u zuivre trouw, in druk en voorspoed vaardig,
Zoo lang mijn dankbre ziel in ’t sterflijk lighaam woont.
Een waerelddwingend vorst, hoe groot in room en krachten,
Is, daar hij vrienden derft, met recht rampzalig te achten.



[p. 78]

Parnas in rep en roer, over het
Verbranden des Amsterdamschen Schouwburgs.

Atque alimenta vorat strepitu Vulcanus anhelo
Arida & ex omni manant incendia tecto.

Silius Italicus.
Toen Mulciber de praal der volkrijke Amstelstad,
Het Kunstrijk Schouwtooneel, in bei zijn kluiven had,
Kwam deeze maar wel ras aan God Apol ter ooren,
Die toen aan ’t Negental dees jammerklagt deed hooren.
APOLLO.
Zanggodinnen, die mijn hooge godheid eert,
Die van mijn schelle luit de schoonste toonen leert,
Het staat u allen voor, hoe de ijver der Bataaven
Een prachtig Kunstgebouw, om ’t menschdom te beschaaven,
[p. 79]
In Gijsbrechts oude vest heeft met Minerv’ gesticht,
En met de grootste vlijt dit Meesterstuk verricht,
Opdat een gansche drom van braave zanggezinden
Ons daar in eeren zou, en hun vermaak zou vinden;
Doch ’t werk is pas voltooid, of God Vulcaan, ô spijt!
Komt met zijn schriklijk vuur, uit enklen haat en nijd,
Dit wijdvermaard Tooneel in lichte vlammen zetten,
En doet een gansche schaar verbranden of verpletten.
Nu is ons aanzien weeh! nu is ’t met ons gedaan!
Ai, Nimphen! heft met mij thans eenen treurgalm aan!
Wie zet ons zielsverdriet, ons onheil perk en paalen?
Niets kan bij ’t zwaar verlies van deezen Tempel haalen.
Ai zie! ’t is enkel puin, vergruisde steen en asch,
’t Geen onlangs nog mijn roem en grootste luister was;
Beroemde Dichtrenrei! welaan, met ons aan ’t klaagen,
Wie kan toch zulk een’ hoon van eenen smit verdraagen?
’t Is nu de tweede keer, ô duldeloos verdriet!
Dat hij onze eer verslindt, ons droevig kermen ziet.
Nog naauwlijks hadden zij deez’ droeve maar vernoomen,
Of de eene is in de weer om ’t onheil voor te koomen,
[p. 80]
En de andere is ontsteld, en blijft verslagen staan,
Doch roepen eindlijk dus om strijd de Goden aan.
CLIO.
Onsterfelijke Goôn! hebt deernis met mijn droefheid!
Elk schreit, de Grijsheid zelve in weêrwil van haar stroefheid.
Het achtste Wonderstuk van ’t gansche waereldrond
Verandert nu in assche en stort geheel ten grond!
MELPOMENE.
Helaas! waar berg ik mij? waar mij naar toe begeeven
Wijl gij, ô Praalgebouw! ter deezer uur moet sneeven;
Hoe menig Treurspel werd in dit uw prachtig Hof
Vertoond, en ach! nu geeft gij zelve treurens-stof!
THALIA.
ô Groote Dondergod! die alles hebt in handen!
Laat Phoebus Tempelchoor niet t’eenemaal verbranden,
Waar in zoo menig spel vertoond werd mij ter eer’,
Opdat mijn Blijspel niet in wee en ach verkeer’!
EUTERPE.
Ai mij! wat zie ik daar? wat weeklagt treft mijne ooren?
Moet Amstels Pronkgebouw in puin en asch versmooren?
[p. 81]
ô Ja, ’k hoor thans, in plaats van mijne pijp en fluit,
Niets dan een droef gegil, een akelig geluid!
TERPSICHORE.
Afgrijslijk oogenblik! verschriklijkste aller stonden!
Ik worde, als ’t waar’, van vrees op Helicon gebonden,
Geen wonder! Amftels pronk is thans in droeven nood,
Mijn harp en luit wordt dus van al heur’ roem ontbloot.
ERATO.
Minerv’ hebt gij dit choor zoo veel sieraads geschonken,
Zoo prachtig opgetooid, zoo kunstrijk op doen pronken,
Opdat het wreed geweld van ’t vonkrijk element
In dit noodlottig uur dien schoonen Tempel schend’?
CALLIOPE.
ô Ja, ik merk het klaar, de Goôn zijn ons ongunstig:
Daar saat, ai mij! Vulcaan zijn klaauwen aan het kunflig
En sierlijk Hoofdgesticht, aan Phoebus dienst gewijd,
Waarin mijn wijdsche roein nog daaglijks werd verbreid.
URANIA.
Apollo! moet dan alle onze eer en luister wijken?
Moet dan dit Praalgebouw door ’t brandend vuur bezwijken?
[p. 82]
Zo gij nog iet vermoogt, ai staa ons heden bij,
En red dit Meesterstuk manmoedig uit de lij’!
POLYMNIA.
ô IJ- en Amstelgod en dartle Stroomnajaaden !
Gij, die u dikwerf niet van luistren kost verzaaden,
Als Phoebus in dit Choor op ’t staatigst werd geëerd,
Daar ligt uw Pronkstuk nu door vuur en vlam verteerd.



Parnas in vreugde,
Op de Herbouwing des Amsterdamschen Schouwburgs.

Materiem superabat opus. Ovidius.
Wen de eedle Bouw- en Schilderkunst,
Gehandhaafd door der braaven gunst,
Op nieuw in de Amstelstad een’ Schouwburg deeden praalen,
Wiens luisterrijke pracht mijn Zangster niet kan maalen,
Sprak Parnas-Opperheer, door blijdschap aangedaan,
Met deeze hemeltaal de Zanggodinnen aan:
[p. 83]
Terwijl de Dichters, die het zalig oord bewoonen
Met aandacht luisterden naar zijn vergoode toonen.
APOLLO
Kunstrijk Zanggodinnen choor!
Waarde streelsters van ’t gehoor!
Hemelwellust! aardsverlangen!
Leent uw’ aandagt aan mijn zangen,
’k Melde u op mijn Cithersnaar,
De allerheuchelijk te maar;
Moest ik eertijds u doen weeten,
Hoe de tempel der Poëeten
Van het zangkunstminnend IJ
Door den brand geraakte in lij’,
Hoe Vulcaan de tempeldaken
Van dat grootsch gebouw wou slaaken;
Ging die droefheid u aan ’t hart,
Wissel thans voor vreugd die smart,
Daar ik u verheugd doe hooren;
Hoe dat Pronkstuk is herbooren,
En met zulk een’ luister prijkt,
[p. 84]
Daar het oude schier voor wijkt;
’k Heb mijne eer weerom gekteegen,
Bato’s kroost is ons genegen,
Dat op ’t heele waereldrond
Nimmer zijns gelijken vond;
Daar ’t zijn handeldrijvend zwoegen
Met de Zangkunst weet te voegen;
Nu, nu raakt in ’t vrije Land
Drieste domheid weer aan band!
’k Zie de Deugd weer hoog verheffen,
De ondeugd met onz’ blixems treffen,
De eedle welgevoeglijkheid
Met der Goden taal verbreid,
En de kleine zielsgebreken
Gansch belachlijk doorgestrecken.
’k Zweer het bij mijn gulde luit,
Die de nijd der dommen stuit,
’k Zal het hart der Dichtren raaken,
En hen Godentaal doen slaaken,
’k Schenk den speeldren godlijk vier,
[p. 85]
Woordenkracht, gepasten zwier,
Om een’ Corver, hoe bedreeven
In Tooneelkunst, naar te streeven,
En een’ Punt, hoe hoog geächt,
Te overtreffen met hun kracht.
Ondersteunt met mij ô braaven!
De Tooneelkunst der Bataaven,
Opdat gansch Europa wijk’,
En voor ’t IJ de wimpel strijk’.
Hier Noot Apol zijn’ mond; terwijl zijn lievelingen,
Door deeze maar op ’t hoogst verblijd,
Van reine blijdschap dus om strijd
Den lof van ’t nieuw Gebouw met vreugdegalmen zingen:
CLIO.
Dit Koninglijk Paleis, dit prachtig Schouwtooneel
Wekt onzen ijverlust tot prijzend zanggekweel,
Dat nu de Waereldstad op haaren kunsttuin booge,
En ieder Puikpoëet dien op zijn lier verhooge.
MELPOMENE.
Het Godendom zij dank! nu is mijne eer hersteld,
[p. 86]
Hoe menig droevig Vorst en ongelukkig Held
Zal op dit Treurtooneel zijn’ droeven staat doen hooren,
Hoe zal ’t poëetisch Paar ’t aandoenlijk hart bekooren!
THALIA.
Bekoorde mijne scherts weleer den Amstelaar,
Door ’t overheerlijk werk der blijde Dichtrenschaar,
’k Zal hier weer luisterrijk der slegten aart vertoonen,
En met behaaglijk boert geen zotten nar verschoonen.
EUTERPE.
Streelde ik weleer ’t gehoor, door smaak in maat en trant,
In ’t prachtig Kunstgesticht, gesloopt door fellen brand,
Nu zal mijn zachte luit weer nieuwen lof erlangen,
Door lieflijk Kunstmuziek en puik van schoone Zangen.
TERPSICHORE.
Wat aangenaam gevoel doet mijne Zangkracht aan!
Nu zal mijn teedre harp weer vreugdetoonen slaan,
Komt, Zangbeminnaars! komt in dees hernieuwde Chooren,
Om ’t zielbekoorlijk zoet der Dichtkunde aan te hooren.
ERATO.
Oud Romen en Atheen verheffen hunne pracht,
[p. 87]
Door ’t gansche waereldrond bij Kunstenaars geacht,
Laat de eeuwig bleeke nijd dit Pronkgesticht besmaalen,
’k Noem Amstels Schouwtooneel het puik der Schouwburgzaalen.
CALLIOPE.
Verteerde ’t oud Gebouw, de waereld door bekend,
Met al zijn Kunstgevaart door ’t brandend element,
Vulcaan kan wel, ’t is waar, het stom Gebouw vernielen,
Doch Kunstmin blijft geprent in rechtgeäarte zielen.
URANIA.
Tartuffe’s nijdig kroost smaale op onze eedle kunst,
De drieste onweetendheid ontzegge ons ook haar gunst,
Dat laffe snoodaarts hier baldaadiglijk verkeeren,
Het doelwit van het spel is met vermaak te Ieeren.
POLYMNIA.
Verheeven Dichtrenschaar van ’t zanggraag Nederland!
Zing thans de deugd ter eere op grootschen toon en trant,
Zoo zult gij nieuwen lust tot reine Zangmin wekken,
In Stad, en Volk, en Land, tot nut en eer verstrekken.



[p. 88]

Inval

De inbeelding van de zwangre vrouwen
Kan veel wanschaapenheden brouwen,
Dus is het denkbeeld van ’t gemeen,
En niet slegts van dat volkje alleen,
Daar de allerkundigste verstanden,
Schier in alle eeuwen, alle Landen,
Dit denkbeeld koestren in hun brein...
Geen kind heeft vlak of plek, verheevenheid of blein,
Of elk weet (wat Blondel met oordeel ook moog’ zeggen)
Dit daadlijk uit een’ schrik of eetlust uit te leggen;
Of ’t waar of onwaar zij
Wordt heeden niet beslist door mij...
Iets echter doet de zaak mij schier in twijfel trekken,
’t Geen aan een kundig arts tot voordeel kan verstrekken.
Gesteld de inbeelding werkt op ’t kind,
Het denkbeeld van een zaak, die zij dikwerf beschouwen,
Werkt op de vrucht der zwangre vrouwen;
Daar ’t kaartspel thans zoo veel beminnaressen vindt,
Hoe komt het dat geen enkle keer
Een zwangre vrouw verlost van klaavren boer of heer?



[p. 89]

De goede raad eens ouden dichters.

Een jonge Dichter vroeg eens een bejaard Poëet,
Die een’ geruimen tijd had aan die kunst besteed,
Wat hij betrachten moest om ‘t meeste te behaagen,
En in zijn fraaie kunst met grootschen lof te slaagen,
De wijze grijzaart had zijn antwoord straks gereed,
En zeide: “wilt ge uw’ roem op aard bestendig maaken?
,, Schets met uw Dichtpenseel slegts woorden zonder zaaken.”



Het nadeel van ’t denken.

Eenen vader vroeg eens aan een Wijsgeer deezer dagen,
Hoe hij zijn zoon behandlen zou,
Om zonder treffend naberouw,
Als zeedenvormer zich te draagen.
,, Verlangt ge, dat uw zoon op aard gelukkig zij,
(Zegt de achtbre Philosooph van laage vleizucht vrij,)
,, Laat nimmer hem aan ’t denken raaken,
,, Waar door hij nooit fortuin zou maaken,
,, Daar hij, integendeel, die steeds werktuiglijk leeft,
,, Al ’t voordeel van het aardrijk heeft.



[p. 90]

Het vinkje.

Een speelziek heertje, die een aartig Vinkje had,
En grootsch was op dien kleinen schat,
Zag met verwondering, hoe ’t beestje thuis bedreeven
In ’t vaardig volgen van den kruk,
In ’t eerst op de open lugt tot overgrooten druk
Niets deed dan lastig ommezweeven,
En nooit, wat wijs hij ook verzon,
Het klinkend krukje volgen kon.
Hij vroeg zijn pedagoog naar reeden,
Die, tot verbeetering van ’s jonglings kunde en zeeden,
Hem dit gewigtig antwoord gaf:
,, Gij schijnt als nog mijn’ raad met voordeel aan te hooren,
,, Het waare zoet der deugd kan uwe ziel bekooren,
,, Doch denk verlaat ik u, en gaa ik van u af.
,, Geraakt ge dus op eigen beenen,
,, Wil nimmermeer uw oor aan schendige ondeugd leenen;
,, Opdat het u geenzins gelijk het Vinkje gaat,
,, Dat gij, met ruimer toom, mijn onderwijs versmaadt.



[p. 91]

Het welvoeglijk academieleven,
Toegezongen aan mijnen kundigen vriend
F.J. VOLTELEN,
Toen zijn Ed. tot doctor in de Medicijnen bevorderd werd.

Noemde Utrechts Pallas U één’ van haar braafste Zoonen?
Gaat Leidens Hoogeschool uw letterarbeid kroonen?
Gedoog, geleerde Heer! dat mijne Zanggodin
Uw letterliefde prijze en waare deugdenmin;
Doch ’k weet, gij haat den lof, dien ’k U met recht kon geeven,
Roemde anders uw verstand, uw braaf, uw eerbaar leeven,
Die zachte needrigheid, die vriendlijkheid van aart,
Die zoo veel zelfgeluk en vriendenachting baart;
’k Zal, zonder vleierij, dus mijnen pligt verrichten,
’t Geen andren in hun vaers, tot walgens toe, verdichten:
Wijl vaak een naamstudent, die vlijt en zeeden doemt,
In zijn Promotierijm een Phoenix wordt genoemd;
[p. 92]
Krijgt hij den tabbaard aan, daar Themis lievelingen
Met zoo veel werkzaamheid en ijverzucht naar dingen,
Men noemt den Letterheld om strijd Justiniaan,
Al sloeg hij naauw een oog in ’s mans vermaarde blaên.
Krijgt hij den slangenstaf uit Vrouw Minerva’s handen,
Straks bootsen in triumph onze Academiewanden
Den wijdschen tijtel na van tweeden Hippocraat,
Daar hij geen enklen zin diens grooten Arts verstaat.
Stijgt de Academieheld voor ’t eerst ten Kanseltrappen,
De rijmer noemt hem ligt volleerd in Weetenschappen,
En ’t geen die snaak verzuimt tot eer van ’s mans gemoed,
Verkrijgt mijn Predikheer door Mantel, Bef en Hoed,
Die somtijds meer gezags en meer eerwaardigs geeven,
Dan een doorkneed verstand met een voorbeeldig leeven.
Doch krijgt mijn Philosooph het peinzend Dekkleed aan,
Dat hem bij ’t dom gemeen voor Wijsgeer door doet gaan,
Het Distertatierijm zal zijn vermoogens roemen,
Ja hem een’ Musschenbroek, een’ ’s Gravezande noemen.
Mishaagt u deeze scherts? bedenk, het is geen hoon;
‘k Bedoel slegts in mijn dicht Minerva’s bastaard Zoon,
[p. 93]
Die onbewust van ’t zoet, dat zij heur Kroost wil geeven,
Bij ’t breinbedwelmend vocht in schijngeluk kon leeven,
En, tuk op straatkrakeel, den naam voert van Student,
Daar bij dien Glorienaam door Kunstverachting schendt.
Dit voetspoor volge hij, die grootsch op zijn vermoogen,
Op Ouderlijk fatsoen of adeldom durft boogen,
Die al te roekloos denkt, dat ’s Vaders heldendaên
Hem voor een deftig man, hoe lomp ook, door doen gaan,
Of die, door Plutus gunst, met overvloed van schijven,
In ’t glansrijk goud gedoscht, het snoodste durft bedrijven,
Steeds denkend, dat zijn geld, hij zij geleerd of gek,
Hem eer en aanzien geeve en zijne feilen dekk’;
Dit voetspoor volge hij, die, vol van spotternijen,
De zeekre kracht beschimpt der heilzaame artsenijen,
Steeds waanend: “’t urinaal en ’s Doctors zot geklap
,, Vult meer der Artsen beurs, dan waare weetenschap:
,, Aan mij zal ’t dom gemeen en ’t meeste deel der vrouwen,
,, Zo ik Negts vleiend snapp’, zich veilig toebetrouwen.”
Dus denkt die pest der kunst, en, als hij ’t school verlaat,
Schenkt hem ’t fortuin een koets, en sleept hem langs de straat.
[p. 94]
Dit was uw doelwit niet’; geen vijand van vermaaken,
Die zonder naberouw een gulle vreugd doen smaaken,
Begreept Gij met Tissot, hoe ’t menschelijk vernuft
Door staage werkzaamheid niet zelden deerlijk zuft,
En zich vervoeren laat tot duizend grilligheden,
Daar reine vriendenvreugd ons oordeel scherpt en zeeden.
Gij kende ’t zwaar gewigt der Godlijke artsenij,
Gij wist, dat ze uitgestrekt en onuitputbaar zij,
Dat zij een man begeer’, wiens vaardig denkvermoogen
Natuur zelf heeft gevormd, wiens wijsbegeerige oogen
De ontelbre wonderheên, die in ’t heelal bestaan,
Zoo ver ze ons nuttig zijn, met aandacht gadeslaan,
Die leest en wel bedenkt, ’t geen andren voor hem schreeven,
Doch die hun nooit gelooft, wen zij natuur weêrstreeven...
Dan, wacht U ’t ziekbed thans, waar aan ge U hebt gewijd,
De Godheid kroone uw deugd, uw zeedigheid, en vlijt;
Zoo zal elk edel mensch uw kunstvermoogen achten
Zoo zal uw weetenschap der menschen smart verzachten:
Ons ampt is zeeker zwaar; doch die één’ mensch behoudt,
Derft, met een vrij gemoed, des waerelds klatergoud.



De onvertsaagde,

Naer eene Engelsche Anecdote in onrijm.
De mensch moet niet te aandoenlijk weezen,
En zonder grond gevaaren vreezen,
Of ’t kleinst gerucht maakt hem ontsteld,
Of hij bezwijkt voor ’t minst geweld;
Een onvertsaagd gemoed, dat pal staat, is te prijzen,
Zulks zal dit klein geval u duidelijk bewijzen.
In eene of andre stad van ’t magtig Brittenland
Ontstond eens ’s nachts een felle brand,
Ik ben den naam der stad vergeeten,
Doch wat is ’t noodig dien te weeten?
De brand was heevig, dit is waar,
En maakte menig mensch beducht voor groot gevaar;
[p. 96]
De vrouwtjes heften reeds, door angst en schrik bewoogen,
Al schreiend de armen naar den hoogen,
En smeekten de Almagt haar goedgunstig bij te staan.
De grijsgekruinde man, gewoon den jongen luiden,
’t Geen voorviel in zijn jeugd, tot walgens te beduiden,
Verhaalde reeds op zijnen trant,
’t Geen in zijn leevenstijd gesloopt was door den brand.
Men wekte een ieder op, die rustede op hun bedden,
Om, waar het moogelijk, zijn’ evenmensch te redden;
Daar ieder straks het dons verlaat,
En ziet, hoe ’t met den brand vergaat,
Hield echter zich een heer gerust bij zijne pluimen,
Schoon hij gewaarschouwd was zijn bed met spoed te ruimen:
Zijn buurman, deerlijk aangedaan,
Is weder naar hem toe gegaan,
En roept: “staa op, mijn heer! ei red uw dierbaar leeven,
,, De vlam heeft reeds uw huis, uw gansche huis omgeeven”.
,, Hoe ’t zij, mijn waarde vriend! (dus antwoordt hij zijn’ buur)
,, De zaak vereischt geen’ spoed, ’k heb slegts dit huis in huur.
[p. 97]

Gunstig aandenken aan mijne hooggeachte Aacademievrienden,
Bij ’t uitgeeven deezer Stukjes.

Rechtgeäarte vriendenrei!
Haaters van verdicht gevlei!
Braave Kunst- en Deugdgezinden!
Nooit genoeg geroemde vrinden!
Gunt, dat mijne Zanggodin,
Noch uit eerzucht, noch gewin,
Maar uit achting voor uw gaaven,
Om ons hartsverbond te staaven,
Met oprechte poëzij
U deez’ kleinen bundel wij’;
[p. 98]
Leendet gij weleer uwe eeren,
Om heur schor gezang te hooren,
Toen wij vrank en vrij voorheen
Leefden in het Leidsche Atheen,
Toen we ons met een staat verblijdden,
Dien een Koning mag benijden,
Toen we, vrij van eigenbaat,
Leefden zonder zorg of haat,
En te zaam met ijver ftreeden
Om den prijs in kundigheden,
Om den frisschen Lauwerkroon
Van Minerva’s braaven Zoon;
Toen we, moe van letterploegen,
Uit ons hoofd de zorgen joegen,
Bij het klinken van de snaar
Vrolijk zongen met elkaêr,
In ons baadden in vermaaken,
Die geen losbol ooit kan smaaken;
Toen...... doch ’t denken aan dien stond
Sluit mijn Zangster schier den mond,
[p. 99]
Wijl ’t geschikt Studentenleeven
Alles kan te booven streeven;
Mindet gij voorheen mijn lier,
Schoon ontbloot van geest en zwier,
Ei! doet thans ook mijn gezangen
Uw geächte gunst erlangen!
Dat uw letterliefde dekk’.
’t Gaapen van mijn kunstgebrek;
En, ’t geen andren gaarne leezen,
Word te meer door U gepreezen;
Dit verwacht ik van uw aart,
Die de deugd met kunstmin paart,
Zoo verkrijge ik mijn begeeren:
’t Menschdom met vermaak te leeren.
Doch, hoe ’t zij, ô vriendental!
Dat ik eeuwig minnen zal,
Wil mij nimmermeer vergeeten,
Maar mij steeds uw’ hartvriend heeten.



[p. 100]

Algemeene bedenkingen bij het eindigen der groote academie-vacantie in onrijm.

Ludus animo debet aliquando dari
Ad cogitandum melior ut redeat sibi.

Phaedrus.
Thans is de langduurige vacantie geëindigd, thans hebben onze losse vermaaken en verkwikkende uitspanningen een einde, die de harssenbreekende letteroefeningen moeten volgen, gelijk de nutrige braaktijd de voorspoedvolle bouwjaaren opvolgt; het warme jaarsaisoen was geduurende eenigen tijd den letterbeminnaaren ongunstig, en toonde ons zonneklaar, dat de Wijsheidkweekende Godin Minerva meer gemeenschap heeft met den bij nacht vliegenden uil, dan met den heetkoesterenden Hemelhond, ja, dat het voor den wijsbegeerigen rusttijd is, wanneer de blaakende Zomerzon onze Carmozijne vochten met geweld uitzet, die dus te weinig verstand wekkende leevensgeesten kunnen opleeveren, al- [p. 101] lervlugste leevensgeesten door het kunstig, alles overtreffend harssengestel met oneindig kleine vaatjes vervaardigd, die wij tot het beoefenen onzer werkzaame zielvermoogens allernoodigst hebben.
Thans jaagt de druifrijke herfst den min of meer letteroefeningkrenkenden Zomer van ’ s waerelds veranderlijk schouwtooneel. — thans blaast de vaale avond al vroeger de schitterende en allesvervrolijkende dagtoorts uit. — welhaast zal de aangenaame warmte voor kille koude moeten vluchten; welhaast zullen de ruime vlakten des velds, welhaast zal het lommerrijk geboomte, in plaats van met glansrijke bloemen, die den veelkleurigen hemelboog in schoonheid van verwen tarten, in plaats van met lagchend en bekoorlijk groen, met hagelwitte luchtdons prijken. — welhaast zal het vloeiend en vochtrijk element tot glad en glinstrend spiegelglas stollen, dat den met ijzergevleugelden schaatsrijder zal torsschen, gelijk de harde wandelweg des zomers den wandelaar draagt.
Ja, eerlang zullen guure buien ons uit het behaaglijk veld naer de muffe stad jaagen, en aan den heeten winterhaard boeien..... en geschiedt dit alles te vergeefs, zonder gewigtig oogmerk?.... ô neen! Dit leert ons onze verpligting; dit roept als uit éénen mond den wijsheidminnaaren toe: nu, nu de nijvre landman, die nuttige, schoon door sommigen steeds verachte landman zijn goudgeel graan heeft ingezaameld, en, na het welzijn der menschelijke maatschappij op ’t sterkst betracht te hebben, van al zijn zweetend zomer-zwoegen rust, eindigen ô Kennis- [p. 102] minnaars! uwe Uitspanningen, en komt uw tijd om eenen rijken oogst van letterschatten op te gaêren, en schier bij nacht en dag een reeks vạn nuttige of zachtvermaakende weetenschappen te doorzoeken. Dan zult gij uwen waaren pligt betrachten, die volstrekt niet kan missen u een aangenaam zielgenoegen te geeven. — een aangenaam zielgenoegen! waar voor het dartel en wulpsch vermaak van den kostelijken tijd verspillenden losbol verre moet wijken; een aangenaam zielgenoegen, dat den gelukstaat van uwen verderen leevenstijd oneindig zal vergrooten; een aangenaam zielgenoegen, ‘’t geen de verkwistende lichtmis honderdwerf tot zijne verregaande schade en schande vuuriglijk zal wenschen met u in rust gesmaakt te hebben..... Welaan dan gy, die tot diepdenkende Wijsgeerte geschikt zijt! die vermaak schept, om de uitwerkselen der natuurlijke en door eene alles vermoogende hand geschaapene dingen, met aandacht te beschouwen, en met uw welgevormde en somtyds fijn gewapende zintuigen, na te speuren. — niet om uw zinnelijk vermaak alleen daar in te vinden, maar ook om er, zoo verre de menschelijke bepaalde denkingskracht toelaat, de verborgene oorzaaken van te ontdekken, ja vooral, om er de kunstig werkende hand uwes geduchten Scheppers in te beschouwen. — Welaan dan, tracht u, terwijl gij God ter eere en uwen evenmensch ten nutte bezig zijt, van de menigvuldige menschelijke vooroordeelen te ontdoen, vooroordeelen, die zelfs nog, in zulk eene sterke maate, in deeze hoogverlichte eeuw merkelijk de overhand heb- [p. 103] ben; welaan, tracht de verscheiden oorzaaken der bezielde en onbezielde zaaken opmerkzaam na te gaan en aandachtig op te speuren, om er uwe zielvermoogens door uit te breiden, om er uwen evennaasten alzins door nuttig te zijn, ja, vooral om er de goddelijke nooit genoeg geroemde Majesteit door te verheerlijken.
Gij deugdzaam Godgeleerde! die reeds de Ieerzaame schoolen der nuttige Wijsgeerte met werkzaamen ijver hebt doorgewandeld, die in uwe eerste studiejaaren ook de taalen der ouden, doch niet enkel taalen, geleerd hebt; die thans der ongelijklottige stervelingen geschiedenissen grondig kent, die zeker weet, wat onderscheiden tooneelen, zoo gewijde als ongewijde, zoo treurige als aangenaame, er op deezen bewoonden aardkloot gezien zijn, van zijn geboorte af aan tot zijnen tegenwoordigen leevensdag toe. — ja, die de wijduitgestrektheid zoo wel als engbeperkte grenspaalen der menschelijke kundigheden kent, begeef, ei! begeef u thans met lust aan uwe letteroefeningen, gij weet, der menschen zinnelijke vermaaken kunnen zonder lastige tijdverveeling niet altijd voordduuren, beschouw wat de eenvoudige natuur, beschouw wat de Heilige schrift ons van ’s waerelds grootmagtigen Opperheer overtuigend leert; zie of uw wel redeneerend hart alle de grondbeginselen van uwe door geboorte, of anderzins aangenoomen, en door u grondig bedachte Kerkgevoelens volmondig toestemt: zoo ja, — leg er met vollen ernst op toe, dezelve grondig aan te leeren, om ze naderhand op eene geschikte wijze, en met eenen verstandigen roem, uwen [p. 104] evenmensch te kunnen voordraagen.... “Ja, zegt gij, met de prijsselijke uitoefening van mijnen pligt, betracht ik mijn geluk”: en legt u met vlijt ter grondige kennisse toe. ___ doch wankelt uw geloof omtrent eene zaak van ‘t uiterste gewigt, keer, keer in tijds te rugge, opdat gij geen gruwelijke schandvlek der dan gehoonde menschlijkheid wordt; een ander godsdienstige gevoelens met nadruk in te boezemen, waar aan men zelf twijfelt, of welke men zelf niet voor waar erkent, welke eene hemeltergende misdaad! ___
Gij waardig jongeling! die u der nuttige Rechtsgeleerdheid, die geen minder vaardig denkvermoogen vergt, toewijdt, na meede reeds uwe eerste studiejaaren aan de taalen, gebruiken en geschiedenissen der ouden, als meede aan de wijsgeerte, die ook uwe studie zulk eenen luister bijzet, opgeofferd te hebben; want zonder die, ik spreeke vrijmoedig, zonder die kunt gij wel eene groote, eene uitgebreide, doch nooit
eene grondige welberedeneerde kennis uwer te verkrijgene kundigheden maglig worden. — gij kunt in ’t vervolg, in den sterksten zin, meede uwen ongelukkigen en deugdlievenden evenmensch voordeelig ja zelf onontbeerelijk zijn, en der gansche wijduitgestrekte menschelijke maatschappij dienstig weezen. Welaan, onderzoek dan met gescherpt oordeel de nuttige wetten der eenvoudige, doch zeker werkende natuer, onderzoek, wat zij al of niet tot eene geruste en gelukvolle genieting der menschelijke omstandigheden gebiedt, zie wat zij met het zelve gewigtig oogmerk
verbiedt — Ja, daar wij thans in de beschaafde wae- [p. 105] reld in eene maatschappij leeven, speur tevens vlijtig na, wat u het meestentijds wel gegrond Burgerenrecht door de schranderheid der Romeinsche Rechtsgeleerden gevestigd, door andere verheeven verstanden uitgelegd, leere, ja betracht zulks ijvrig, dan kunt, dan zult gij de zilte traanen eener bedrukte, eener verongelijkte weeze, eener bedroefde en van veelen verlaatene weduwe, met uwe wijduitgestrekte kennis, en met uw deugdzaam vreede- en menschenlievend hart, afdroogen, dan zult gij met
eene treffende mannentaal de vertrapte onschuld verdeedigen, en de godonteerende en deugden smaadende ondaaden gerechten loon verschaffen, dan zult gij de staatige Stadsregeering, of het glorierijk Staatsbewind, met grootschen roem en zielbekoorlijk genoegen bekleeden, ja dan zult gij uw Stad, uw Vaderland, en de gansche waereld van nut kunnen zijn.
Gij eindlijk, minnaar en hoogschatter der pijn- en smartverzachtende Geneeskunde! die ook zonder waare wijsgeerte, vooral die der natuur, geen treflijk Arts kunt zijn. U nodigt wederom de kundigheidlievende tijd des tegenwoordigen jaarsaizoens, om den voor een geruimen tijd weggelegden draad uwer letteroefeningen op te vatten, om naderhand den met ziekten bezochten sterveling tot nut te verstrekken. — Leer, leer met aandachtige zielbeschouwing, hoe het allerkunstigst gevormd lighaam wonderbaarlijk gemaakt zij, leer uit wat onderscheiden nuttigheid aan brengende, wonderlijk zaamenwerkende deelen, de te recht genoemde kleine waereld bestaa, en wat on- [p. 106] derlinge gemeenschap zij met elkanderen hebben, dit kan niet nalaaten u hooge gevoelens van eenen onbegrijplijk allesovertreffend wijzen Maaker, die zoo hier als in het gansche geschaapendom allerverheevenst werkt, in te boezemen; gevoelens die u wijzer, en wat meer is, deugdzaamer maaken zullen. — Doch leer boven al de bewonderingswaardige werking dier kunstrijk gevormde deelen en zintuigen kennen; zoo zal uw diepdenkende aandacht nog meer verwonderd staan; ja, wonderen ontdekken, wier nuttige overeenstemming en dierlijke zaamenwerking u al leerende op het sterkst zal verrukken.
Zie te gelijk, behalven dle lagchende kruid- en schatrijke mineraalkunde, de verdere dierlijke waereld der zoogenaamde onredelijke weezens in, en vergelijk dezelve aandachtig met alles, wat gij in het vlijtig onderzoeken van den mensch geleerd hebt. ___ dit is ten allen tijde nuttig geweesťen kan uwe schoone kunst al meer en meer vergrooten en volmaaken.
Tracht de kunstige hulpmiddelen, die u de rookendc scheikunde aan de hand geest, in eene groote maate magtig te worden, zoo kunt gij alle de oneindige
voordbrengselen der drie wijduitgestrekte natuurrijken tot de hoofdbeginselen, waer uit de geschikte orde der zorgvuldige natuur dezelve zo kunstig als wonderlijk zaamenstelde, brengen, om de zekere kragt der artsenijmiddelen, zoo verre mooglik is, beslissend te bepaalen, en onbekenden tot weezenlijk nut des menschdoms te ontdekken.
Tot nog toe beschouwdet gij, ’t geen veelal betrek- [p. 107] king heeft tot den gezonden en van God met welzijn gezegenden sterveling; doch gelijk de alkoesterende zon niet altijd het aardrijk met heure luisterrijke straalen verguldt, gelijk het wenschelijk geluk den sterffelijken mensch niet altijd streelt, zoo wordt de
lieffelijke gezondheid ook wel met smartelijke ziekten en knaagende pijnen verwisseld ___ een voorbeeld van het moeielijk en misschien nimmer recht te begrijpen natuurlijk kwaad.
Wissel dus de doodsche ontleedzaal voor die plaats, waar de opmerkzaame, de voorzichtige ondervinding, gepaard met bespiegelend kunstbeleid, der menschen
veelvuldige ziekten behandelt, zie wat de pijnelijke zieke kan ondervinden, zie wat hij daadlijk in zijn smarțelijk gestel ondervindt; merk ordenlijk op, welke oorzaaken bepaalde ziekten voortbrengen. Zie wat voor heilzaaie hulpmiddelen de kunst, van den griekschen Hippocrates af tot nu toe, ter wenschelijke herstelling aan de hand geeve, en betracht al verder uwen nuttigheidschenkenden pligt, die ook zijne hoog te schattene weervergelding met zich voert; want behalven de goudrijke winst, die u eene kundige vermaarde oefening aanbrengt, hebt gij niet zelden het zielstreelend genoegen van eenen waarden vader eenes talrijken huisgezins aan zijne braave gemaalinne en tederminnende kinderen weder te geeven, het troosteloos verlangen van kinderlievende ouderen te vervullen, in het ontrukken van eenen kostelijken liefdeschat uit de strenge klaauwen des bleeken doods; ja menig sterveling van onderscheiden aart, kunne, staat [p. 108] en leeftijd van den rand des aakeligen grafs te trekken, en der Maatschapije weder te geeven. ___ Dit moet de anders onaangenaame moeilijkheden van een waardig geneesheer, dit kan dezelve, verzoeten. Doch wee u! die slegts deeze goddelijke kunst om de winst, om de al te geringe winst die dezelve met zich brengt, aanleert; die, zoo ras gij den zieken ziet,
zonder een naarstig onderzoek der smartteelende oorzaaken, de ziekte te roekeloos een’ naam geeft, en die alle krankleden van den zelfden naam met dezelfde hulpmiddelen tragt te herstellen, waaromtrent naauwkeurige Artsen zoo omzichtig te werk gaan, met recht zijt gij te vergelijken bij eenen onvoorzichtigen kledermaker, die eens een kleed gemaakt hebbende, dat wel paste, alle zijne kleederen naer die zelfde maat wilde vervaardigen, en ze allerhande lieden doen draagen. ___ Gij zijt het licht der zonne, gij zijt mijne penne geheel onwaardig.
Ja, dunkt mij, hoore ik de waare Zoonen der Wijsheid zeggen, ja trits van hartstreelende aanprikkelingen, thans hoor ik uwe luide stem, en wensch met al mijn hart, bij het geleide van hoogverlichte en de gansche waereld door beroemde mannen, aan die ernstige vermaaningen te voldoen, en mij met Pallas lievelingen geheel en al aan de nuttige en aangenaame letteroefeningen toe te wijden. Hoe zielverrukkend, hoe voordeelig zoude ik dan mijnen duur te schatten tijd in mijne boekcel doorbrengen, eenen kostelijken schat van Kundigheden opgaêren, en dus, tot wenschelijk heil van onzen nooit genoeg te achten medemensch, aan mijn verpligting en genoegen, ô aangenaame verëeniging! voldoen.



VERTAALINGEN.

[p. 110]
Mon amour pour ma Patrie ne ma jamais fermé le yeux sur le mérite des étrangers; au contraire, plus je suis bon citoyen, plus je cherche a enrichir mon Pays des trésors, qui ne sont point nés dan son sein.
VOLTAIRE.
[p. 111]

De schilder slaaf, vertelling.
Gevolgd naer den Heer Desforges-Maillard.

Een Schilder raakte op reis in eenes Kaapers magt,
En werd door hem aan ’t hof gebragt,
De Vorst, hem ziende, sprak: “ô Kunstheld! toon me uw gaaven,
,, Voldoet uw Kunst, gij krijgt ten spijt van andre slaaven,
,, Uw vrijheid, die gij hoogacht, weêr,
,, Sa, tweede Apel! wat vergt gij meer?
,, Sier dus, opdat uw kunde een’ ieder moog’ behaagen,
,, ’t Panneel van mijne gallerij
,, Met al des waerelds volk, dat immer oogen zagen,
,, Doch zoo, dat het verschil van ieders landkleedij
,, Het merk van onderscheiding zij”.
De Schilder, wien alreeds de slaavernij verdroot,
Nam vaardig ’t Kunstpenseel, daar hij terstond besloot
Elk volk, op ’s Konings wil, zoo schoon en net te maalen,
Dat ieder, zonder lang te draalen,
‘t Eén volk van ’t ander kennen kon;
[p. 112]
Waar door, want ’t lukt hem wel, hij ’s Vorsten achting won;
Doch iet moest ’s Vorsten aandacht wekken:
Den vluggen Franschman kent hij aan zijn weezenstrekken,
Doch hij alleen was moedernaakt,
En droeg slegts op zijn’ arm een stoffe om zich te kleeden,
Het geen den Vorst verwonderd maakt;
,, Welke is, dus vraagt hij, toch de reeden?
,, Of welke zotheid zet u aan
,, Dat gij den Franschman naakt doet gaan"?
,, Men ziet, dus antwoordt hij, de mode in dragt en kleêren
,, Zoo dikwerf bij dat volk verandren en verkeeren,
,, Dat ik onmooglijk aan zijn oogmerk kan voldoen,
,, Hij geev’ nu naer zijn’ smaak der stoffe een nieuw fatsoen".



De zieke man.

Ondanks de trouwe zorg van kundige Aesculaapen
Lei Davis, vol van smart, op ’t aaklig ziekenbed,
Van kommer kan zijn vrouw, hij zelf van vrees niet slaapen,
Hij dat zijn sterfuur naakt, zij dat hij wordt gered.



[p. 113]

Een huuwlijksvertelling.

De rijke Harpagon, beroemd door gouden schijven,
Geeft, zonder huuwlijksgoed, zijn dochter aan een’ man,
Die op zijn grijze kruin en rijkdom pogchen kan:
Hoe moeilijk ’t haar ook vall’, zij wil gehoorzaam blijven,
En treedt met hem getroost naar ’t plegtig Echtaltaar;
De Bruigom zegt straks ja, na ’s Priesters ondervraagen,
Dat kleine woordje ja, dat veelen zich beklaagen
Nu, zegt de Priester, Bruid! hebt gij uw antwoord klaar?
Ach, zegt ze, eerwaardig Heer! met traanen op haar wangen,
‘k Heb deeze vraag van U voor ’t allereerst ontvangen.

Smeekschrift
Om een Ampt, aan Koningin Anna, door Scarron.

ô Groote Koningin van ’t huis van Oostenrijk!
Daar loopt een slegt gerucht, men zegt, ik ben niet rijk,
Gij kunt, schoon ’t waarheid zij, dit tot een leugen maaken,
En door een deftig ampt die lastertaal doen staaken.
[p. 114]



Grafschrift op den Heer de Langres,
Die honderd Kroonen gelegateerd had voor hem die ’t beste
Graffschrift op hem zou maaken door den Heer de la Monnote.

Dit graf bevat een’ man uit aadlijk bloed gesprooten,
Een’ man niet min gezien bij kleinen dan bij grooten,
Die duizend duizend deugden had,
Die altijd wijslijk deed, geen stervling heeft bedroogen,
Doch waarom meer papiers beklad?
Ik heb voor zulk een prijs al sterk genoeg geloogen.

Puntdicht.

Men zegt, dat zeker Predikant
Een man van wonder groot verstand,
Eens anders predikwerk kunstkundig weet te preeken;
Doch ’k moet, door waarheidsmin genoopt,
Dees lasterwoorden tegenspreeken;
Heeft hij geen eigendom aan ’t geen hij zelve koopt?



[p. 115]

Het wagen-span,
Eene Fabel nagevolgd van den Heer Imbert.

Twee paarden trokken saam een’ wagen in Parijs,
Een ezel zag dit aan, en zeide op zijne wijs,
Men ziet hen altijd saam, hoe minnen zij elkander!
Dit ’s recht een vriendenpaar! ... wat oordeel! zeide een ander,
Men kan vereenigd zijn in ’t allerbeste land,
Daar niets ons saamenvoegt dan soortgelijke band.
De man der jonge Leonoor
Beet mij dit gistren ook in ’t oor.

Grafschrift.

Dit graf bevat Johan den plaager,
Een Koper- en een Vrouwenslager.



Een ander.

Hier ligt mijn Vrouw, ach wat een druk!
Tot haar gemak, en mijn geluk.



[p. 116]

Vertelling
door den Heer Imbert.

Een Vorst ontmoette neens een’ Prelaat,
Die hem met een der schoonste paarden
Voorbij reed in een pracht, waaraan des Konings staat
Noch deftige opschik evenaarden:
,, Heer Bisschop, sprak de Vorst, zo me op ’t geschiedverhaal
,, Zich veilig kan verlaaten,
,, Is ’t zeker, dat geen een der voorige Prelaaten
,, Ooit leefde in zulk een pracht en praal”.
,, Ja Vorst, hervatte hij, men wist veel meer van spaaren,
,, Toen, welk een onderscheid! de Vorsten herders waren".



Grafschrift
Door den Heer de Neuf-Chateaux.

Hier ligt een President in dit aanzienlijk graf,
Die aan een’ ieder ’t recht voor gouden schijven gaf,
Men moet een zeldzaam ding (dus scheen die heer te denken
En zeker wel gegrond) aan niemand gratis schenken.



[p. 117]

Een Gascon
Trachtende den prijs te winnen van duizend Kroonen dien men voor het beste en kortste Lofvaers op de Heldendaaden van Lodewijk den XIV. gesteld had, maakte dit volgende vaersje.

Om zoo veel glorie, krijgsgezag
En heldendeugd, naer eisch te toonen,
Is voor die ’t best kan, duizend kroonen
Eén stuiver slegts voor elken slag.



Puntdicht
Door den Marquis de St. Just.

Een zeker Priester had den steen,
En wilde ze uit zijn blaas doen snijên,
’t Geen reden gaf tot spotternijen,
,, Van waar die kwaal toch”? vraagt ’er een,
,, ’t Is, wijl zijn hart, zegt Florentijn,
,, Zal in zijn blaas gevallen zijn".



Grafschrift
Op een’ Deugeniet.

Hier ligt een man, die schelmsch en godloos heeft geleefd,
De Hemel hebb’ zijn ziel, zo hij er slegts een heeft.



[p. 118]

Puntdicht
Op een lastig Heer.

,, Ga heen, ’k heb, ’k heb u genoeg gehoord",
Zei Phillis, tot een’ zotten jonker,
Een lastig en verveelend pronker;
Hier spot hij mede, en gaat niet voort,
(5) ,, Doch, vraagt ze, zeg mij eens, mijn heer!
,, Hoe noemt men ’t grofste beest dat immer menschen zagen"?
,, Dit moet Mejuffrouw! zegt hij weer,
,, Den naam van Oliphant, zo ’k mij herinner, draagen".
,, Ach, zegt ze, ach Oliphant! ik bid u ga dan heen,
(10) ,, En laat mij hier alleen”.



Op eene geblankette dame.

Wanneer ik in den Apotheek
Clorinde! van uw schoonheid spreek,
Moet ik dees stoute woorden hooren,
,, Betaalt zij mij haar schoon, dan zal ’t haar toebehooren.”



[p. 119-120 Register]
Continue