M. Warnaar: Leander en Leonore. In: Gemene spaar-podt, 1682.
KBH Ms 75 H 14
Uitgegeven door Kristien Harmsen.
Red. dr. A.J.E. Harmsen, Universiteit Leiden.
Ceneton097740Facsimile bij Ursicula
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.
Continue
[
Titelpagina van het handschrift]

GEMENE

 Spaar-Podt
ik meen
pot

waar in vergaart, gespaart, en bewaart
sijn veel-derhande Rijm-wercken.

Alles

Gemaakt, Gedigt, en Geschreven,


door mijn

                    M. Warnaar



[p. 2 van het handschrift]

op meijn Gemeene

Spaar-pot.

Nota

        Gelijkmen in een Spaar-pot spaart
            veel Kruijs en Munt bij een
        So houw ik hier ook in-bewaart
            veel rijmpjes groot en kleen
[Handtekening]
Continue
[
pag. 115]

Komedie
van

Leander en Leonore
Blij ijndent Treur-Spel

verdeelt
in ses deelen.



[pag. 116]

Voor-reeden aan den Graag-Leesende Leser

Graage Leeser

Leest dese komedie van Leander en Leonore,
niet, als of die inder waarhijt zo soude gebeurt
sijn, oneen ’t is maar een parabel, dien ik
kommedijscher wijse maak alleen tot vermaak
om de tijt met vermaak so wat door te brenge.
ik soude mijn tijt met dit gemaakte vermaak
aldus niet doorgebragt hebbe, indien den
arbijt dien mijn is opgelegt so niet ter neder
geslagen lag, en also de tijt nu was om dien
arbijt niet veel te beneerstijge, en also het
jegenwoordig een tijt was dat men den veen-
son als met de handen begonden aan te vatte.
ja dat men de selve meer sogte te verselschappe
als voor jegenwoordig, den ligt schijnende foebus
en also het jegenwoordig ook een tijt was
dat de slapende nu met slape wel ruim haar
bekompst konde krijge, maar ik tot sulcken
lang slapenden lust, niet belust sijnde,
so hebbe ik inden vroegen morgen stondt
als de slapende nog wel een rondt schoft
slapen konde, eer dat den voorloopster van
den lang vertoevenden foebus ons qam verschijne
als ook mede inden avont, wanneer de
slapende met slapen al weder een schoft
doorgebragt hadde, so hebbe ik dan in dese
tijt mijn tijt somptijts so wat doorgebragt
om te verdigten, en in het rijm, spreeksge-
wijs, op het papier te stellen, dat gene
waar op mijn sinnen en gedagten, in dese
tijt speelde, deselve speelde dan in dese tijt
hoe wonderlijk, en hoe schielijk, de min-lievende
sinnen op komst. in die jongelinge wiens jaren
gekoomen sijn tot het lentje van haar jeugt
in de welke de min-lievende zinnen als
nog verre te soecke veel min nog te vinden
zijn, dese dan gekomen zijnde tot het lentje
van zijn jeugt en jare waar in hij beqaame-
[pag. 117]
lijk zoude mogen verkiesen indien zijn gene-
genthijt en gelegenthijt daar toe was strek-
kende;*so danijge een gesellinne, waar wel
eertijds de verliefde Gooden om dit geliefde haar
hemelsche woon-stede hebbe verlate, en hebben
haar selve verandert in so danijge gestalte, als
haar tot die ockasje best konde diene, wie en
weet niet dat door verloop van tijt een kindt
een jongelink wert, en jongelink sijnde, sijn
selve dan met het een ofte ander vermaak sijn
selve soekt te vermaake, de een*hier mede en
een ander met wat anders, en met dit vermaak
vermaaken sij haar soo lange, tot haar verlie-
vende sinnen eens komen te valle, op dat
geene, dat so getrouwelijk van de minlievende
bemindt werdt; en hoe schielijk dese min-
lievende sinne inde so danijge op-kompt dat
kan den leser so ’t hem lust en gelieft, indesen
heer Leander sien.    Grage Leser wel is
waar dat ik u desen kommedie als een para-
bel voorstel, maar op zijn metamorfosis
zoude ik u keunen bewijse, dat sulke schie-
lijke vrijjerijje, en ongeval in deselve, als
mede het geluckig ijnde vandie ongevalle
indie hart-lievende vrijasjes, ik segge
dan ik u dit souden keunen bewijse, dat
dit alles dat ik al gesegt hebbe, heden-
daags in dese onse tijt nog al gebeurt
dog indien ik u dit soude moeten bewijse so
soude ik wel de helft van een half hon-
dert vrijjers bij ’t hooft moeten vatten
en die-selve soude ik dan moeten op sijn
metamorfosis in de naam moeten verandere
en herscheppe die verschijde name, alle inde
naam van Leander.            Leser
wie en weet niet hoe schielijk de vrijasjes wel
op-kompt ja selfs in die geen die nooijt nog
geen gedagte tot het selfde gehat heeft
en dat*door het tijdelijk vermaak waar me-
de sij haar selve vermaakt hebbe, als de
Leser sien kan in desen leander dewelke een
groot liefhebber was van de jagt, siet folij [...]
[pag. 118]
en wie weet niet hoe schielijk dese jagt- of
andere lust-lievende sinnen komen te veran-
dere, in min-lievende sinne als gij sien keunt
in deselve Leander, siet folij [...]
wie en weet niet wat een tegenhijt van lief-
de datter gemaakt wort van die gene wiens
ijdele in-beeldinge somtijts en al vrij dick-
maals sijn, hier door enijge gunste of ander
profijt daar mede te verliesen, gelijk gij
sien keunt in Glaboor sijnde de knegt van
Leander, siet folij [...]
wie en weet niet dat sulcke min-verag-
ters, door goede belofte van het een ofte
ander te geniete, keunen te vrede gestelt
werden, ja daar en boove nog haar beste
doen om het hijtje zijn zijtje te doen met
haasten te genieten. siet folij [...]
wie en weet niet wat al hinder-pale en
droevege ontmoetinge de zulcke ontmoete
die sijn gewenste so verre heeft gekrege dat
harte so van den een als vanden ander van
een de selve pijl der liefde door wont is, wat
voor listen en laagen datter gelegt werde
om sulcke vast-lievende harten van een te
schijden, en dat bijsonder van die geene, die
de liefde die al eens gelegt tot hem-waarts
soekt te trecke, als gij sien keunt aan fijlip-
pus met hulpe van sijn knegt gustus siet folij [...]
===         voor de eerste rijse, en siet de werk-
kinge door de nijt hoe de selve in ’t harte
van leonore kompt te werke siet folij [...]
siet voor de twede rijse wat liste en lage
vande boven genoemde fijlippis en sijn knegt
weder in ’t werk gestelt werde, om haar
oogmerk te bekomen siet folij [...]
siet het ongeluckig ijnde van deselve eens
op folij [...] siet watte wonderlijcke voor-
valle, desen leander en leonore, met gla-
boor en beletje, in haar vlugte, zugte
[pag. 119]
en dwalinge ontmoete, en voor het laatste
wie en weet niet hoe wonderlijk dat alle
swarighede hoe swaar de selve ook soude
moogen sijn, hoe geluckig de selve koomen
uijt te vallen tot een geluckig EYNDE
als de goede leser sien kan folij [...]
wat dunkt u leser of toehoorders, gebeure
sodanijge vrijjerijje indese onsen tijt nog
niet wel, juijst so niet als u hier afge-
beelt wart, maar dusdanig of so danige
of op een andere manier, het sij dan hoe
het sij. hier mede graag-lesende leser
ijndige ik met den in-hout van dit
gansche werk, en ik zegge

Ziet eens hoe wonderlijk de min hier werdt geboore
    en wat voor ongeval de minne-staat uijt-staat
    en die door wijse hulp en raat te rade gaat
zal vinden ’t geen hij soekt schoon dat het is verloore

                                Hier mede Leser
                                            Leeft
                                            Leest en

                                                            Vaart-wel



[pag. 120]

Spreeckende

Persoone in dit spul

van

Leander en Leonoore. in dit
Blij-ijndent treur-spel.

Leander
glaboor - - - - - - - knegt van Leander
Franciskus
Fardenant - - - - - - zoon van franciskus
Leonoore - - - - - - dochter van franciskus
boer
nelle - - - - - - dienst-boode van Leander.
                        beletje - - - - - - dienst-boode van leonoore
Fijlippus
gustus - - - - - - - - knegt van Fijlippus
leeuw
wolf
beer
}
}
- - - - - - 3 bos-loopers; of roovers
spaar-pot - - - - - - bos-woonder
Swijgende
3 enijge bos-roovers
2 Schouwt en dienaars
1 een vrou in schijn van leonoore
Continue
[
pag. 121]

Koemedie van

Leander en Leonoore

Blij-eijndent treurspel, ’t eerste deel.


in-hout van dit eerste deel.

Leander gaat ter jagt Glaboor die soekt het Ruste
    fransiskus met zijn zoon die zoecken Leonoor
Leander die ontfonkt in soete minne-luste
    dog sonder weet van sijn getrouwe knegt Glaboor.

het toneel
verbeelt hier, een Bosschasje.
Glaboor, met zijn heer leander
    vlugtens-gewijse uijt.

glaboor    Mijn heer dat was een beest hadt gij geen vier gegeve
    sie dat en hadt ik niet gegeven voor ons leve
    og hoe gevaarlijk qam ’t gevloogen op ons aan
    ik dogt niet anders als og daar-me is ’t gedaan.
leander    (5) saagt gij wat dier het was
glaboor                                                  heer ’t scheen na mijn vermonde
    het wilde swijn dat eens dijaan t’ Athene zonde
    waar van dat atalant de eerste roem beqam
leander    hoe ijs’lijk tierden ’t Beest
glaboor                                              hoe spoog het vier en vlam
leander    waar vloog ’t op laast nog heen
glaboor                                                      dat heb ik niet gekeeke
leander    (10) ’t heeft hem ligt in een hol of in een haag, versteeke
    maar was het niet gewondt
glaboor                                    ik heb geen bloedt gesien
    als gij hadt los-gebrandt so gink men bijde vlien
    nu staatmen hier en kijkt was sullen wij nu maake
    de honde die zijn voort men mag de jagt nu staake
    (15) ik heb mijn buijk al vol mijn jagtlust is gedaan
leander    neen neen glaboor so niet kom soo al weder aan
    men moet de moedt so ligt niet geven dus verloore
    loop gaat gij op dien berg en blaast daar op jou hoore
    en ik sal vlijtig gaan beneden in dat dal
glaboor    (20) ik sien geen kans datmen haar ligt weer krijgen sal
Bijde na Binne.



Fransiskus en Fardenant.

franciskus    o goon is dan mijn kindt van ’t wilt gediert’ verslonde
    of van het bos-geboeft mis-handelt en geschonde
    ag sal ik haar nooijt weer met oogen schouwen aan
    so moet mijn droeve Ziel met leet ten grave gaan
[pag. 122]
fardenant    (25) ij vader lief ik bid staakt tog dit bitter weene
    de Goden sullen ons een goede hulp verleene
    swijgt vader-lief
franciskus              mijn Zoon u vader daalt in ’t graf
fardenant    de Goden wel voor dees’ een goede uijt-komst gaf
    aan die geen die de moedt ook gaven dus verloore
franciskus    (30) so hier geen uijt-komst komt ’k sal in mijn droefhijt smoore
fardenant    mijn vader hout tot moedt
franciskus                                            mijn zoon mijn waarde kindt
    u vader sterft so hij u suster niet en vindt
    mijn dunkt ik hoor haar stem... ik sien haar geest daar sweeve
    wie roept daar sij is doodt... ag s’ is geen meer in ’t leeve
    (35) daar isse... ag mijn kroost wien heeft u dus vermoort
fardenant    wat is het dat gij siet wat is het dat gij hoort
franciskus    hoort gij die stem dan niet siet gij haar geest niet waare
fardenant    komt tot u selve tog ij vader wilt bedaare
franciskus    mijn dogter waarde Zoon die keert haar van ons af
fardenant    (40) o Goon dat gij ons tog een goede uijtkomst gaf
franciskus    wat is dat voor geraas dat mijn daar klinkt in d’ oore
fardenant    dat sullen jagers zijn men blaast daar op de hoore
    kom gaan wij daar na toe
franciskus                            waar ist
fardenant                                            aan dese kant
franciskus    og dat ’t geluk eens gaf dat ik mijn dogter vant.
Bijde na Binne.



Leander met een loop uijt,
glaboor kompt agter na.

leander    (45) daar sijnse loop glaboor ’k sal dese weg gaan kiese
leander Binne
glaboor    door sulken loop sou ik mijn asem wel verliese
    ’t best dat ik alhier mijn asem weer wat schep

Leander uijt met sijn beeste, glaboor hem siende zegt

    gans-kragt daar kompt gij al. hoe is ’t mijn heer is ’t hep
    ik hadt dat niet gedagt dat gij die weer sout vinde
    (50) ’k dogt dat het wilt gediert de beesies sou verslinde
leander    sij sijn te scherp van reuk in ’t loopen wonder snel
    geen swijn geen beer geen wolf haar agter-halen sel
    nu kom al weer op nu de jagt-lust angevange
glaboor    mijn lust is tot de jagt gelijk een dief tot hange
leander    (55) hou daar neempt gij de valle en gaat daar ginder heen
    ik ga met snel dit op
glaboor                        maar segt eer dat wij scheen
    wanneer en op wat plaats sal ik mijn heer weer vinde
leander    ontrent de middag-zon alhier aan dese linde
glaboor    goet goet maar nog een woort of gaan wij maar mijn heer
    (60) ’k sal maaken dat ik ben al voor de middag weer
Bijde Binne.



fransiskus en fardenant

franciskus    mijn Zoon het is vergeefs ag dit is al mijn vrese
fardenant    kom vader gaan wij gins sij sullen daar ligt wese
franciskus    o droevig ongeval wat heb ik tog begost
    dat ik tegens mijn kindt van me-gaan spreeken most
    (65) sij die in jagens-lust hadt gans’lijk geen behaage
fardenant    kom vader dit is niet of wij hier staan en klaage
    laat ons voor ’t lest nog eens gaan soecken over al
franciskus    ’t geluk sal geven dat-men haar nog vinden sal
Bijde na Binne



[pag. 123]

Glaboor in zijn enighijt

Hier is ’t best Glaboor ik geef den hooij van so te jage
(70) ik kan die heete zon en ’t loope niet verdrage
wat helpt het ook Glaboor al loopt hij dat hij sweet
hij wort maar moe en mat en vangt niet een beet
hadt ik nog eens ’t geluk ten sou mijn so niet spijte
ik sou mijn snelle loop so ligt nog niet vermijte
(75) het is geen noot Glaboor al vangt gij niet een zier
jou heer-schap sal wel gaan schept gij jou vreugt alhier
wat heb ik evenwel een dreftig treftig leeve
wat gaat het heerschap mijn tot mijn vermaak al geeve
ik doe al wat ik wil ik krijg al wat mijn lust
(80) mijn swaarste arrebijt doen ik wanneer ik rust
maar doen ik ook geen werk wanneer ik ga uijt jaage
moet ik geen jaagers tuijgen en sulk gesnor al draage
o ja gewis glaboor maar dit is wis wel waar
dat arbijt graag gedaan den mens valt selden swaar
(85) als ik mijn vergelijk bij jogchim en bij jooris
die dubble slaaven sijn so ben ik heer glaabooris
maar seg Glaaboor hoe ’t kompt dat gij dus mack-lijk leeft
alleen om dat mijn heer nog sonder huijs-voogt leeft
maar ’k wedt indien mijn heer zijn vreugt bij ’t vrou-volk raapte
(90) ’k seg dan ik wedt Glaboor so maklijk niet en slaapte
o groot verschil een die dijaan of venis kiest
want men Dijaans vermaak strax verliest
die lieve jagt-Godin die heeft mijn heer gekoose
en in hem lijt de brant van venis gans bevroose
(95) o hij maakt gans geen werk van venis janckerij
hij heeft zijn wij-tas meer als mijsjes op sijn zij
of schoon de mijsjes hem wat scheere gaven of soppe
hij hoort dat niet ’t is of hij ’t oor met was ging stoppe
’t is wonder daar hij is in ’t lentje van zijn jeugt
(100) in ’t schoonste van zijn tijt dat hij nog lust nog vreugt
heeft in de min o hij heeft geen ulijsis zinne
maar hoort eens wat een strijt die man hadt in het minne
ulijsis koos den strijt doen hij trojaanen sloeg
de klank van d’oorlogs trom hem als een arent joeg
(105) hij diende Mars getrou so lang tot hij og harme
het liefelijk rondt ontrent twe blancken arme
daar waar de min en strijt daar stont hij tusschen bij
want venis stont aan d’een en mars aan d’ander zij
dan scheen de minne zang tot in zijn hart te dringe
(110) dan deed den oorlogs trom hem na den strijt toe springe
dan hielt hem venis vast dan trok hem mars eens weer
dan koos hij weer de min en smeetden strijt daar neer
dan koos hij weer de strijt en hij veragtert minne
so dat hij in dien strijt kreeg hondert duijsent zinne
(115) want als hij venis koos dat is de min-godin
so viel hem strak godt-mars den krijgs-godt in den zin
wel sprak hij hoe zal ik, ik die een helt der helde
van griecken ben ik die mijn goedt en leven stelde
om eer en goede faam te krijgen zal ik nou
(120) mijn zinnen hangen gaan aan een verlijde vrou
wil ik de wapens van Achillis nu verfoeijje
en wil mijn met de min van Circe gaan bemoeijje
een tooveres foeij mijn neen neen ’t sal nooijt geschien
’k wil uijt dit toover hol op staande voedt gaan vlien
(125) daar wou ulijsis doen als een ijkarus vliege
maar eer hij ’t wist ging men hem in den slaap weer wiege
[pag. 124]
daar droomden hij van min nog slimmer als voor heen
maar hoort hoe wonderlijk Achil hem nog verscheen
daar qam een nare Geest uijt Plutoos wooning rijse
(130) een geest die voor zijn doodt een ijder een wou prijse
om dat hij in den strijt een helt der helden was
daar stond den strijt voor die, die ’t strijden smeet in d’as
Achilles sprak hem aan met zulcke felle woorde
maar ’k weet niet of ulijs’ dit in zijn droom wel hoorde
(135) dus sprak de doode mondt ag sal het nu geschien
dat mijne wapens blank den roest sal moeten zien
sullen die aan de muur als schilderijjen hange
sullen die nu nesten sijn voor padden en voor slange
en spinnekop en meer die in dit toover-gadt
(140) bij hele hoopen sij - ij ij verlaat dit padt
ij smijt die zin van u verwerpt de minnedrancken
om-gort u swaart weer aan en kiest de harde banke
voor dit aan-lockent bedt ontwaakt ontwaakt ontwaakt
ulijsis eer gij vast in Circis liefde raakt
(145) verlaat dit sagte bedt laat Circis wooning vare
en kiest daar is nog tijt niptunis peeckel-bare
ulijsis ’k seg nog eens ontwaakt ontwaakt ontwaakt
eer gij in ’t toover-net van Circis liefde raakt
’k vertrek mijne naare geest trekt weder na benede
(150) ij springt tog uijt den slaap en doedt tog na mijn rede
daar was de Geest verhuijst ulijsis sprong van ’t bedt
daar zag hij dat hij was verwart in ’t minne-nedt
daar zag Ulijsis doen het blanke harnas blinke
daar daar begon hij om den oorlog weer te dincke
(155) daar wierp hij weg de min en koos den oorlogs-trom
daar sprak hij tot zijn zelfs kom kom Ulijsis kom
verlaat dit toover-hol en kiest Niptunis baare
daar sagmen doen ulijs met schip en volk heen vaare
daar blies men de trompet daar waar vreugt aan weer lij
(160) elk riep haddieuw toovres met al u toverij
wat Circe badt of riep ’t was al-om niet begonne
Ulijsis hadt de prijs van strijt en min gewonne
siet so so moet het gaan so gaat het na mijn Zin
daar ’s ook een liefdenstrijt tusschen de jagt en min
(165) wat hadt don jan een strijt wanneer hij hadt gekoose
’t gemaackte Hijdens-kindt gebij-naampt Precijoose
ziet so veel heeft de min in hem te weeg gebragt
dat hij om jagers nog zijn ijgen jagt-lust dagt
de jagt die kreeg de schop de jagt-lust wierdt versmeete
(170) don-jan was al te zeer op minne-lust verbeete
maar ag hoe stre dien bloedt eer dat het zo ver qam
dat min kreeg de overhant. wanneer hij nu vernam
het hijdens streng gebodt hoe klonk hem dat in d’oore
verstaat eens wat een wet o smart hier moest hij hoore
(175) dat hij twe-jaren lang met dees’ hoop moest gaan om
eer hij genieten mogt dees’ lieve maagde-blom
o gruwel dat de min heeft zulcke groote kragte
dat d’ edel-man hier door gaat al sijn staat veragte
dees’ edel-man was rijk en van een groote staat
(180) og siet hoe hem de min al-hier vervoere gaat
wat baart dit niet in hem een alte vroevig strijje
dan stelt hij eens de min en dan sijn staat ter zijje
daar stondt dien Bloedt en street want als hij koos de min
dan viel hem strax sijn staat en een en al indt zin
(185) wel sprak hij zal ik nu een hijdens-kindt verkiese
waardoor ik staat en eer en alles zal verliese
een staat een hijdens staat een staat waar voor ik gruwe
gelijkt dien staat don-jan gelijkt die bij de ruwe
een vuijle hijdens-rot ja ongebonde mensche
(190) wil ik nu sulcken staat voor mijnen staat gaan wensche
[pag. 125]
heb ik niet wat mijn lust ontbreekt mijn iijts het geen
mijn oorzaak geeft dat ik mijn staat veragt o neen
mijn nectar die ik drink drink ik uijt goude schaale
en na mijn lust en wil gaan ik de bouten haale
(195) op berg uijt bos en dal en met een groote stoet
die op mijn woort en op mijn wencke koomen moet
wat is ’t dat mijn ontbreekt kan ik wel meer begere
o neen wat doet mijn dan na hijdens te doen kere
ik die een kristen ben wil ik een hijden zijn
(200) verzaacken mijn geloof en doop af wat een pijn
gevoelt mijn droevig hardt neen ’t zal nooijt geschiede
op op don-jan wilt strax dit vuijl gespuijs ontvliede
en met dit woort wiert hij al weer op nieuw bestreen
hoe zijd’ hij zal ik vlien van mijn vermaak o neen
(205) ij zegt wat is mijn staat mijn eer en en mijn vermaake
als ik niet in de gunst van Precijoos mag raake
in haar bestaat mijn staat haar is mijne eer
in haar bestaat mijn vreugt en al wat ik begeer
wat helpt mijn pronk en praal en kostelijke kleere
(210) dit alles dient maar om mijn droefhijt te vermeere
mijn gout dat is maar drek mijn nectar is een drank
die in des menschens heel veroorzaakt maar een stank
daar ’s niet zo slim zo qaat of ’k souder mijn na voege
het is don-jan genoeg als hij heeft ziijn genoege
(215) daar koos hij weer de min de jagt die lag in ’t zandt
de min de malle min die kreeg de over-handt
don-jan en hat voorwaar daar geen ulijsis zinne
bij dien verloor ’t de min hier gaat de min het winne
die klijne blinde Guijt is hier de oorzaak of
(220) maar nuuw alweer wat nuuws al weer een nuuwe stof
o wonder dat de min werkt zulcke vremde kure
dat selfs Godt jupiter in d’ Hemel niet kon dure
het lietjen dat singt wel de Gooden selfs hoe hoog
dat die gedwongen sijn door kiepedootjes boog
(225) ’k zeg desen jupiter de Godt van alle Goode
qam dick-maals daar te gast daar niemant hem en noode
’t gebeurde dat hij eens een maagt kreeg in het oog
daar strax al zijn begeert en lust en wil na vloog
hij met een snedighijt verformpt hem in Dijane
(230) en is door ’n hete min na Kaliste gegane
die in het groene Gras door d’ hette van de Zon
’t ontschuijle lag met rust maar jupiter en kon
die overschoone maagt niet aan-sien sonder minne
hij qam bij dese maagt met zijn verliefde sinne
(235) hij was gekleet gelijk de jagt-Goodin hij vraagt
Kaliste waar dat zij soo lange hadt gejaagt
Kaliste meende dat sij sag met haare ooge
Dijana maar zij wierdt van Jupiter bedrooge
hij kuste dese maagt als maagt maar sij was ’t niet
(240) hij gink ten Hemel-waart en liet haar in ’t verdriet
gelijk als ’t bleek als haar Dijana qam t’ontmoete
zij dorst de jagt-godin van schaampte niet begroete
dat was een loose vos die om zijn gijle brant
te blusse hem herschiep en ’t mijsjen overmant
(245) wat sijd’ hij tegens joo door zijn verliefde zinne-
waart sijt gij dat een Godt u schoonhijt moet beminne
o overschoone Blom wie zal u plucken spreekt
kompt hier ij voelt gij niet hoe dat u foebus steekt
vreest voor geen wilt gediert dat u zou konnen doode
(250) indien gij niet en hadt een Godt van alle Goode
tot een beschermer hij die ’t dondere neder zendt
in ’t kort hij bragt die maagt al me in groot elendt
[pag. 126]
’t was jupiter genoeg als hij maar mogte blusse
sijn gijle brandt met meer als simpel maar te kusse
(255) ja hij heeft so gebrant van venis minne-vier
dat hij zijn zelve ging verformen in een stier
en schaackte so de maagt uroope zo wij lese
wat is in Foebus me een minne-vier gerese
in Hiepomenis me in Glaucus en in Pan
(260) in Polijfeem de reus van Cijclop en wie dan
ja in virtumnis me en in dien helschen koonink
die Carons, swarte boodt heeft tot zijn Rijk en woonink
’k meen Plato nu laat sien weet ik geen meer o ja
daar ’s nog een hele hoop maar ’k zeg eckcetera
(265) mijn tijt die is voorbij ik swijg van al dat minne
’k ben blijd als dat mijn heer niet heeft alzulcke zinne
Glaboor en wout ook niet dat hij om ’t minne dagt
want koos mijn heer de min so was dan bij gans kragt
al mijn vermaak bodt uijt mijn vreugde was ten ende
(270) Glaboor wou dat sijn heer vrou Venis nooijt en kende
ik kreeg dan ’t qaatste qaat in plaats van ’t goetste goet
og so sij maar haar Zoon dien Blinde Guijt ontmoet
die met sijn pijl... holla dit is een zeecker teke
dat ik van hier moet gaan dat sonder meer te spreke.
Binne



 Het tooneel ver-andert in een wilder
Bosschasje als te vooren, daar in de
verdwaalde Leonoore, door vermoeijt-
hijt, in een diepe slaap licht Bevange

Leander uijt

leander    (275) o gunstijge Dijaan tog op u dienaar siet
    vergun meijn dat ick dogh een goeijje vangst geniet
leonoor al dromende    aij mijn
leander                                      wat is dat .. ik schrik... wat kom ik hier te hoore
    wat voor een naar gezugt vervult Leanders oore
    aij mijn soo is de zugt is ’t hier al regt gestelt
    (280) sou iemant hier ontrent wel neder zijn gevelt
    og jaa ’t daar lijt een mens... wie zijt gij
leonoor                                                        ag mijn vader
    verlost mijn uijt de handt van desen sno verrader
    die d’ eer steelt van u kindt u dogter ag ag ag
leander    een dogter, wel ik vraag na d’ oorzaak haars geklag
    (285) Leander hept gij ooijt van schoonhijt wel gewete
    wat droefhijt heeft dit Beelt ter aarden neer gesmete...
    sij slaapt... ik wek haar op...
leonoor                                    ij neempt mijn eer toch niet
    ag laat mijn dien ik ben
leander                              geen on-eer u geschiet
leonoor    eer dat mijn suijverhijt sal werden af afgenoome
    (290) so doodt mijn liever strak
leander                                          o schrickelijcke droome
leonoor    ag is hier niemandt dan die mijn zijn hulp eens biedt
leander    mijn schoone jaa ’t ontwaakt u dienaar voor u siedt
    ’k ben tot u hulp gereet ontwaakt en staakt u droome...
    sij rijst ik hou mijn stil tot dat ik hep vernoome
    (295) wat droefhijt dat haar drukt
leonoor ontwaakt                              o ijdele droom o droom
    wat baart gij niet in mijn een angst een schrik een schroom
    dan droom ik dat ik wordt van het wilt gediert verslonde
    dan droom ik dat ik wordt van ’t bos geboeft geschonde
[pag. 127]
    dan droom ik dat mijn een sijn trouwe hulp mijn biedt
    (300) en als ik wacker wordt so vind’ ik niemant niet
    ag leonoor wien sal aan-hooren eens u smeecke
    wat voel ik voor een vier daar in mijn hardt ont-steeke
leander stil    mijn engel ik
leonoor al vlugtende          elaas wat sal mijn weer geschien
leander    hoe dode wilt gij nu gaan voor u leeven’ vlien
    (305) gij die na oogen-schijn van droefhijt schijnt te sterve
    vlugt niet gij sult door mijn u leven weer verwerve
    ik kom hier niet om u t’ ontrooven van u eer
    neen leonore neen
leonoor knielende      ik buijg mijn voor u neer
leander    neen schoone neen staat op vergun mijn dat ik vrage
    (310) wat ongeluk heeft u dus deerelijk geslaage
    wat jaagt u hier... ij spreekt wat ’s d’ oorzaak van u leedt
leonoor    alleen na dat ik maar mijn vaders wille deedt
leander    wat waar u vaders wil verschoon mij in mijn vraage
leonoor    sijn wil was eens om met mijn broeder te gaan jaage
    (315) en heeft mijn me bepraat dat ik ben me gegaan
    schoon dat ik in het eerst’ daar tegen heb gestaan
    na datmen een goet stuk in ’t Bos nu was gekoomen
    so hebben wij aldaar een schrik’lijk dier vernoomen
    een dier dat vrees’lijk waar het maackte groot misbaar
    (320) een dier dat ons door schrik dus schijde van malkaar
    ag wist ik nu waar dat mijn vader waar gebleeve
    en broeder maar ik vrees sij bijde sijn om ’t leeve...
leander    staakt u geschrij hoe lang hebt gij in ’t Bos gedwaalt
leonoor    ik heb wanneer apol in tetijs schoot weer daalt
    (325) dus doolent door gebragt drij nagten en twe daage
    o Goon aan-siet mijn dog
leander                                  ij staakt dit treurig klaage
    ik sweer u trou te zijn en zal u brengen daar
    gij vijlig zijt en vrij van allerlei gevaar
    hept moet ’k sal met mijn knegt en dat in alle hoecke
    (330) van ’t Bos met lust en vlijt na u gemiste zoecke
leonoor    de Goon gelijden u
leander                                  ik bidt hebt maar gedult
leonoor    ik zal geluckig zijn zoo gij haar vinden zult
Bijde na Binne
 alhier wert franciskus en fardenandt
van drij Bos-rovers aangeranst, Leander
uijtkomende, en dit ziende kompt franciskus
en fardenant te hulpe, zijn degen uijttrekkende segt
leander met een loop.     wel hoe drij tegens twe dit kan ik geensins lijje
    sa heeren hou maar moet ik sal u helpen strijje
    (335) hou daar dien lijter al
fardenant                                  en die heeft me sijn loon
leander    waar is de darde nu
fardenant                                die is bevreest voor doon
leander    gij heeren segt mijn eens hoe qam gij an dit twiste
fardenant    om datmen 't geen men heeft so graag nog niet en mist
    ’t sijn schelmen die op buijt gaan loeren over al
leander    (340) de sulcken men als die dus braaf begroeten sal
franciskus, zugtende    aij mijn
leander daarop segt                  hoe heer gij sugt
franciskus                                                            ik sugt
leander                                                                            waarom
franciskus                                                                                    om reden
leander    hoe na bent u gewondt in een van uwe leden
[pag. 128]
franciskus    gans niet mijn heer
fardenant tegen leander              o neen dit is de reden niet
leander    mijn dunkt gij bijde treurt wat is u voor verdriet...
franciskus    (345) mijn dogter ben ik qijt
fardenant                                                  mijn suster is verloore
leander    hept moet hoe heet u kindt
franciskus                                          haar naam is Leonoore
leander tegen fardenant    u suster
fardenant                                        me alzo
leander                                                          is dit u vader dan
fardenant    o jaa ’t
leander tegen franciskus    wel hoe mijn heer bent gij de vader van
    hem
franciskus    jaa ’k
leander                  siet hier gij twe het endt van u elende
    (350) sou ’t u geen wonder sijn dat ik u dogter kende
franciskus    mijn dogter leeft die nog
fardenant                                            mijn suster nog niet doodt
franciskus    o blijtschap onverwagt
fardenant                                          o vreugde wonder groodt
franciskus tegen leander.    waar is mijn dogter
fardenant tegen leander.                                waar ’s mijn suster
leander                                                                                    staakt deese rede
    ik sal op staande voet gaan na u dogter trede
    (355) vertoeft een wijnig hier gij sult u dogter zien
    ik sal mijn haastig spoen
franciskus en fardenant       u wil die sal geschien

 Leander sijn best na Binne, kompt meteen
weder uijt met de verdwaalde leonoore
die haar vader van verre ziende, loopt haar
Best hem tegemoet, en zegt

leonoore    mijn vader
franciskus                og mijn kindt
fardenant                                        wat vreugt kompt ons ontmoete
    mijn suster
leonoor          og mijn broer
francis, tegen leander          ik buijg mijn voor u voete
leander    o neen staat op mijn heer
franciskus                                        de Gooden sij gedankt
    (360) wat ijst mijn heer tot loon
leander                                            wat dat mijn ijs belankt
    dat sal wel gaan vergun mijn dit in u verblijje
    dat ik u dogter mag tot in haar huijs gelijje
franciskus    u wil die sal geschien ’k hou mijn an u verpligt
    u naam zal sijn gedanckt so lang dat helder ligt
    (365) sijn gulde glans ons geeft
fardenant tegen leander                  u naam zal zijn geprese
    so lang daar sterren aan het firmament sal wese
leonoor tegen leander    u deugt die sal van mijn zo lange sijn geroempt
    so lang men hier op d’ aard’ de mensche menschen noempt
franciskus    ’k sal u gehoorsaam zijn so lang als ik sal leve
fardenant    (370) ik wil mijn in u dienst gewillig over-geve
leonoor    ik ben u dienares
leander tegen leonoor          en ik u dienaar ben
    u slaaf en al het geen dat ik niet noemen ken
    volbreng maar mijn begeert stelt alle praat ter sijje
    dat is vergun dat ik u dogter mag gelijje
franciskus    (375) het wert mijn heer vergunt
leander                                                              kom gaan wij ’t saamen heen
francis, fardenant,leonoor    gij sult ons gunste zien eer wij nog van u scheen
Alle na Binne



[pag. 129]

Leander uijt aan d’ ene zijde, een
Boer uijt aen d’ander zijde

leander roept    seg huijsman
boer                                        wat is de vraag
leander                                                            wilt gij wel gelt verdiene
boer    jaa ’k heer
leander                  maar dan moest gij u trouwe hulp mijn liene
Boer    wat wilt gij voor een hulp
leander                                          niet anders als dat gij
    (370) maar tot de middag toe mijn trouwe bode zij
Boer    ik ben te vreen wat brief sal ik voor u bestelle
leander    geen brief
boer                          wat dan
leander                                  gij sult een korte reen vertelle
    daar ginder aan mijn knegt
boer                                        maar heer dit is vrij gelooft
    de boere hebben geen goet morij in het hooft
leander    (375) gij meent memorij
boer                                                  ja mal-morij is mijn mene
    kom zegt maar u belang ik zal met een gaan gene
leander                              gij sult hem zeggen dit u heer die heeft gedaan
    een Brave vangst en is daar me na huijs gegaan
    gaat volgt hem daad’lijk na dit is u heerschaps zegge
Boer    (380) maar heerschap ’k voel daar in mijn hooft wat swaar hijt legge
leander    wat swaarhijt
boer                                als u knegt mij vraagt wat dat gij heeft
    gevangen
leander        segt een Hart
boer                                    morsdoodt
leander                                                neen dat nog leeft
boer    goet heer kom geeft maar gelt ik sal dit wel beschicke
leander hem Gelt gevende     bent gij hier me te vreen
boer dit besiende                                                    wat sijn dit silvre sticke
Leander     (385) kent gij geen gelt
boer                                                ja heer hier ben ik me te vreen
leander    nu doet u bootschap wel
boer                                                ik zal en ga so heen
    heer nog een woort wanneer en waar sal ik hem vinde
leander    ontrent de middag
boer                                      wel
leander                                        daar ginder aan die linde
boer    goet goet gaat nu maar heen
leander                                              nu doet u boot schap wel
boer    (390) ’k sal maacken dat gij van den boer niet klaagen sel
Bijde Binnen elk sijns weegs



Veranderinge van tooneel, het selfde is
gelijk als op folij [...]

Glaboor aan de Linde

hier is de rennevoe hier onder dese linde
hier sal leander heer zijn knegt Glaborus vinde
ik armen suckelaar hoe zal het met mijn gaan
ik hep nog haas nog knijn nog niet een Bril gevaan
(395) ’k verlang te weten wat mijn heertjen heeft gevange
en ook den honger doet mijn sop er me verlangen
[pag. 130]
’k sien ook dat foebus heeft den middag al gehaalt
’k sien dat hij al vrij hart na thetijs schoot neer daalt
laat sien wat zal Glaboor tot tijtverdrijf nu snappe...
Den Boer uijt - hij Glaboor
ziende, zegt, stil
Boer     (400) daar sit hij al ik sal met een so bij hem stappe
Glaboor den Boer siende zegt
Glaboor    wel huijsman wat is ’t woort
boer                                                        u heer die heeft gedaan
    een Brave vangst en is daar me na huijs gegaan
    Gaat volgt hem daad’lijk na dit is u heerschaps zegge
glaboor    wel dit gaat gij Glaboor al fijntjes voore legge
    (405) mijn heer na huijs
Boer                                    na huijs
glaboor                                            wel dit smaakt niet seer soet
    ik meen dat dit gedoen al vrij wat wesen moet
    dit kompt mijn duijster voor ik kan dit niet wel tasten
    ’k hoor ’t sou voor mijn hier sijn goet wagte maar qaat vaste
    wat heeft hij voor een vangst
Boer                                            een hart
glaboor                                                      een hart
boer                                                                        een hart
glaboor    (410) dit woort dat stoot Glaboor sijn qaathijt weer om vart
    is ’t levent of is ’t doodt
boer                                    ’t is levent
glaboor                                                wel gans kragte
glaboor    nu blijft Glaboor alhier geen half qartier meer wagte
    nou huijsman ’t gaat je wel ’k bedank je voor die maar
Glaboor Binne
Boer    ja eet daar eens wat of ik stap hem soetjes naar
Boer me Binne
ijnde van dit
eerste deel
Continue
p. 116 brenge. er staat: brenge
p. 117 strekkende; er staat: strekkende)
ibid. de een er staat: den
ibid. dat er staat: doot
p. 120 knegt er staat: knengt