Gerbrandt Adriaensz Bredero: Groot lied-boeck. Amsterdam, 1622.
Voorwerk (32 p.), Boertigh liedt-boeck (120 p., gepagineerd 1-72 en 65-108), Groote bron der minnen (104 p., p. 90-96 gepagineerd als 70-76), Aendachtigh liedt-boeck (64 p.)
Uitgegeven door dr. A.J.E. Harmsen, Universiteit Leiden.
Facsimile bij Ursicula — register op fol. ****2r
Voor deze uitgave is dankbaar gebruik gemaakt van de editie G. A. Bredero’s Boertigh, amoreus, en aendachtigh groot lied-boeck in De werken van Gerbrand Adriaensz. Bredero (1983) onder redactie van G. Stuiveling e.a.
Evidente zetfouten zijn gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk. De fraktuurletter is in een aparte kleur weergegeven, evenals de civilité.
Continue
[fol. *1r]

Boertigh, Amoreus, en Aendachtigh

Groot Lied-boeck

VAN

G.A. BREDERODE,

AMSTELDAMMER.

Verçierd

Met vele Klinckers, oock Bruyds-lof en Klaeg-
Dichten. Door-mengeld met Sin-rijcke Beeltenissen. Alles tot
vermaeck en nut der Ieughet, Sampt allen
Lievers der Rijm-konst.

t’ AMSTELREDAM,
______________________________
Voor Cornelis Lodowijcksz: vander Plasse, Boeck-verkooper, wonende op den
hoeck van de Beurs, in d’Italiaensche Bybel.
1622.

Met Privilegie voor ses Iaren.



[
fol. *1v]

Extract uyt de Previlegie.

DIE Staten Generael der Vereenigde Nederlanden, hebben geconsenteert ende geoctroyeert, consenteeren ende octroyeren mits desen, Cornelis Lodowijcksz vander Plasse, Boeck-verkooper ende Borgher der Stadt AMSTELREDAM, dat hy voor den tijdt van Ses Iaren naestkomende alleene inde Vereenighde Nederlanden sal mogen drucken, ofte doen drucken, uytgeven ende verkoopen de Wercken soo Spelen, Poëmata, Emblemata ende andere Rymeryen vanden treffelijcken Amsterdamschen Poët Gerbrand Adriaensz Brederode Saliger, Verbiedende alle ende een yegelijck Ingesetenen van desen Landen binnen den voorschreven tijd van Ses Iaren naestkomende de voorschreven wercken vanden voorsz Poët, Gerbrand Adriaensz Brederode, in’t geheele, of ten deele, in’t groote ofte in’t kleyne te her-drucken, uytgeven ende verkoopen, ofte elders nagedruckt inde Vereenigde Provintien te brengen, om verkocht te worden, sonder consent vanden voorschreven Cornelis Lodowijcksz vander Plasse, by pene van verbeurte van sulcke naghedruckte Exemplaren, ende daer-en-boven vande somme van dry hondert Carolus guldens, T’appliceren een derden-deel daer van tot behoef vanden Officier die de Calengie doen sal, het tweede derden-deel tot behoef vanden Armen, ende het resterende derden-deel tot behoef vanden voorszegde Cornelis Lodowijcksz vander Plasse. Gedaen ter vergaderinge vande Hoogh-gemelte Heeren Staten Generael, In ’s GRAVEN-HAGE opten negenden Aprilis sestien-hondert twee-en-twintigh, ende was geparagrapheert E. vander Marck vt.            Leeger stond,

            Ter Ordonnantie vande Hoogh-Gemelte Heeren
                Staten Generael, ende was onderteeckent

C. Aerssens.



[
fol. *2r: gegraveerde titel]

Groot Lied-boeck
VAN
G.A. BREDERO
Amsteldammer.
1622.

T’Amsteldam,
By Cornelis Lodewyx
vander Plasse.



[
fol. *2v: blanco]
[fol. *3r]

Tot den

Sang-gierighen Leser:

ALSOO ick voor vele jaren herwaert, grooten vlijt en naerstigheyt hebbe gepleecht, int drucken der ghedichten en rymerijen, van den soet-vloeyenden Poët G. A. Brederode; als genoechsaem blijckt by de Spelen, Ghedichten ende Lieden, soo voor als naer des selven Poëts overlyden van my int licht ghebracht: is doch evenwel onder anderen, voornamentlick eene tot Rotterdam, die onaenghesien de billickheyt van niet in eens anders doent te treden, moghelijck ghehoort hebbende dat ick doende waer omme alle de Spelen en Ghedichten by een te vergaderen, hebbe naer ghedruckt de spelen ende ghedichten by my voor desen in druck ghegheven, de selve benoemende met den op-schrift van alle de spelen en gedichten van onsen Poët, daer ick noch drie spelen hebbe en verscheyden ghedichten die noch noyt druck gesien hebben. Heeft daer en boven noch oock’t ghene hy ghedaen heeft, jammerlijck met vele fauten bekladdet en mishandelt. Dan beminde Leser, de vremde koe lickt het vremde kalf. Ick sal maken dat ghy int mijn wel haest wat anders sult sien. Hier is voor eerst het dryvoudich Liede-boeck, dat u lieden den Poët selve al by sijn leven hadde toegeseyt, gelijck ghy uyt sijn volgende voor-reden genoechsaem kond verstaen. Hier in hebt ghy [fol. *3v] alle syne Liedekens, immers alle die ick naer ongelooffelicke moeyte hebbe weten te bekomen: die de sommige (soo hy my meerendeels in syn leven geordonneert hadde) met schoone sin-rijcke beeldenissen van koper gedruckt, zijn verciert en uytgebeeldet. Hier mede moogt ghy voor eerst uwen Sangerigen lust boeten, tot ick oock eer niet lange uwen Lees-gierigen geest kome verlusten met alle syne Spelen en Gedichten, die u lieden hebt te verwachten van
U lieden dienstwillighen
Cornelis vander Plasse.



[
fol. *4r]

Voor-Reden

Van

G.A. Brederoos

Gheestich Liedt-Boecxken,

by hem selven uyt-ghegheven.

LUstighe en vrolijck-moedighe Maagden en Ionghelingen, die u geneuchte en vermakinge in soete tijtkortinge neemt: ick offere u Lieden op, myne Blygeestige Kindertjes, om te leeren en tot uwen dienst te ghebruycken, het sy in vrolijcke Maaltyden, Gheselschappen, en Bruylofts-Feesten, of om voor u selven van swaermoedige gedachten te ontledigen met haare boertige vermakelijckheyt, want sy hebben voorzeker een aartjen van my haar Vader, die wel eer een sonderlinge wel-lustigheyt uyt der Boeren ommegang haalde, welcker boertighe treckjes sy op het levendigste na spelen en spreken sullen, indien ghy haar niet en steurt noch en verkort in haer eygenschap van uytspraac, de oude Aemsteldamsche en Waterlandsche Taal hebben sy so nagekomen als haar onse (doch te luttel) letteren toelieten. Veel ouwde en ghebruyckelijcke wóórden der Land-luyden hebben sy inne genomen, die sommige Latynisten (die doch eer en meer uytheemsch dan duytsch geleert hebben) veróórdeelen en smadelijck verwerpen, om dat syse juyst door onkunde niet en kennen: Maer ghy Toetsers en Proef-Meesters van ons Goude Nederlandsch, die soo vrypostich de Hollandtsche wóórden aen den Steen van u sinnelijckheyt strijckt, en daar en boven stoutelick de selve voor ongoet, valsch of biljon verklaart, keurt ende marckt verbiet, om dattet by u niet gangbaer noch bekent en is, is het daeromme al in Reden gegront, datmen dat ouwde verschimmelde Pot-gelt en de vierkante stucken sal verachten? Daar men nochtans door oude lieden haar waardije ende an haar swaarte en kracht hare deugt wel kan gissen, berekenen en kennen. Voor mijn deel ick bekent, dat ick met dit nieuwe Leydsche gevoelen niet over een en kom, en dat ick met een kettersche stijf-sinnigheyt aan het ouwde hange, ja dat al ben ick geen schroyer, geen Goudt-smit, noch Munt-meester, die ouwe Pot-penninghen met voordeel op soeck, om daar de eene tijt of d’ander yets goets na mijn behagen en vermogen af te maken. Het is mijn al goet als ’t hier-landsche onvervalschte onvermenghde munte is, als ick weet dat het by de ghemeene man in de dagelijcksche handeling en ommegangh gewraackt noch geweygert, maar by haer lieden voor goet gekent, en ontfangen wort: Het is myn alleens, of ick van een machtich Coning of van een arm Bedelaer leer de kennisse van mijn moeders tale, en of de wóórden uyt het vuylnis-vat of uyt de cierlijckste en gróótste Schat-kamers van de wereld komen: doch moet my elck na haer waarde goude, silveren en koperen gelde verstrecken. Sekerlijck ick en sal my nummermeer soo seer niet binden ande Eenrinstigheyt van sommige Een-sinnighe Schryvers, die meer der vreemdelingen boecken door-snoffelen, als de ghewoonte van ’t spreken haarder mede-Burgheren en Lands-luyden, doorsoeken, en op haar eyghen in-vallen en inbeeldingen onversettelijcke kercken bouwen, die dickwils nae wat onder-gravens lichtelijck daer henen storten en vallen. Wat my belangt, ick heb anders geen Boeck geleert als het Boeck des gebruycx, so ick dan door onwetenheydt der uytlandscher spraken, wetenschappen, en konsten hebben gedoolt: verschoont my ongeleerde Leke-broeder, en geeft den Duytsche wat toe: want ick heb als een schilder, de schilder-achtige spreucke ghevolcht, die daer seyt: Het zijn de beste Schilders die ’t leven naast komen, en niet de gene die voor een geestich dinghen houden het stellen der standen buyten de nature, en het wringhen en buygen der geleden en ghebeenderen, die sy vaack te onredelick en buyten de loop des behoorlickheyts opschorten en ommecrommen. Ick hebbe soo veel als ick vermocht de boerterijen met de soetste Boere-wóórden uyt gedruckt: het gene hier inne door versuymelheyt is mishandelt, over geslagen, ofte vergeten, wilt dat met u al-wetende geleertheyt, en ghewoonlijcke goedigheydt verbeteren, soo sult ghy alderbest betóónen
                            Dat hy is wijs en wel gheleert,
                            Die alle dingh ten besten keert.

    Eenige Neus-wyse en nau-gesette Lieden, met een voor-oordeel inne ghenomen zijnde, sullen dese mijne Liedekens van [fol. *4v] lichtvaardigheyt beschuldigen, al eer sy de moeyten sullen doen van te ondersoecken waarom, waar toe, en hoe die ghemaackt zijn, swaarlijck sullen sy konnen gelóóven dat ick de sottigheden eeniger menschen met een lacchelijcke manier beschrijf, soetjes berisp en haer dwaling voor de óógen houw, straffe, en andere waarschouwinge doe, om die dwaal-wegen bequamelick te vermyden. Veel dinghen heb ick op sijn boertsch gheset, die nochtans voor ettelijcke Ste-lieden haar Rekeninghe zijn, die ick, vermits ick hare sieckte, kranckheyt en schurfte kende, aldus heb moeten handelen, wetende dattet anders al te korresyvich, bitter en te scharp byten soude, en om dat het by velen niet qualijck genomen soude werden, gaan sy al vermomt, onder boeren ghedaanten daer henen met veranderde namen en bekleedinge: De uytlegginge hebben sommighe haar reuckelóós genoech onderwonden, maar mijns bedenckens noyt gevonden: Daar ick my in verblyde, want ick en ben met eens anders schande niet verkuyst, en om de waerheyt te spreken, ick heb haest vyanden genoech, al en maeck icker geen meerder. Ick hebbe dese malligheytjes meer uyt lust als uyt laster verdicht, om in Bancketten, Gast-gheboden, Waart-schappen en ander uytspanningen des Gemoets, my, en mijne vrienden en vriendinnen wat te verlustigen, met de verquickelijckheyt der Nieuwigheytjes, die ick voor dese van niemandt anders veel gesien hebbe; nochtans was ick noyt van sinne bekoort om dese grillige grilletjes door den druck ghemeen te maken, want my docht altóós datter wispelturigheyts en DRUCX genoeg inde werelt was, maer yemandt van myn voortreffelijckste Vrunden (die daer meer wercx van maakten als ick selve) heeft die naarstich en schriftelijck bekomen, en met een heerlijcke en gróóte Voor-Reden vereert, en de naam van Geestich gegeven (oft het selve verdient, laet ick de verstandighe en die daar lust in hebben, óórdeelen, voor mijn ick hebse altóós mijn malle Liedekens geheeten) en zijn by Govert Basson tot Leyden eerstmael gedruckt, die de selvige in een heel seltsame en ongelóóflijcke kortheyt van tyt versonden en verkocht heeft, en is in sulcker voegen begeert gheweest, dat ick selver gheen exemplaer en heb mogen behouwen, om het de een of d’ander reys te doen herdrucken: Doch is het ten tweedemale t’ Amsterdam van eenige Gesellen, sonder mijn weten ghedruckt, met sommige on-eerlijcke en ontuchtighe Liedekens, die al op mijnen naam lóópen, maer de eer die my daer mede geschiet is, en de danckbaerheyt die ick haar hier over schuldig ben, sal ick haar ter gelegentheyt met een vriendtschap vergelden, die haar heugen sal. Want waarlijck alle suyver-hertige en Edel-moedige menschen sullen sich voortaen wachten yets geneugelicx te laten uytgaan, nu de ongeóórloftheden soo gróót zijn, datmen onder den deck-mantel van yemandt anders sijn vuyligheydt uyt-stroyen mach.
    Ghy
Rymers, en ghy brave Dicht-Schrijvers van dese frayigheytjes, ick bedanck u, en bidde u dat ghy vóórder mijn wercken niet meerder met de uwe en vermenghelt, want ick ben te vreden dat ghy al mooght maken wat u lust, maar ick en begeer niet dat ghy mijn deuntjens an de uwe koppelt en kettingt, ick en sta na niemands oneere, en ick gunne u uyt goeder herten de lof die u toe komt: doch zijt ghy heel Eer-gierich, betóónt u Edele Geest en klaarheyt van u verstant, en schrijft sulcke dinghen die alle menschen verschricken en ontsetten, en laat my by mijn soete sotternijen blyven, en besteet u medelyden en verkeerde bermhertigheydt aen yemandt anders Armoede, voor mijn, ick ben uwe hulp voor dese tijdt noch onbehoeftich (God danck) want ick laat my voorstaan (al luytet wat verwaandelijck) dat icker al heel veel meer van die slach sou konnen voortbrengen, als ’t my eers genoech was, gelijck ick met eenighe nieuwetjes, hier in ghevoegt, bewesen hebbe: Maer wat is dit? ick praat hemel-val, ick springh van ’t een op ’t ander. Eer-waerde Maeghdekens, en lustige Iongelinghen, ick stuur u dit kleyne Voor-loopertje voor uyt, het welcke u komt waarschuwen, dat ick u eer lang meene toe te eygenen een gróóter Lied boeck, genaemt BRON DER MINNE, waar inne ick het meesten-deel van alle mijn Jammertjes, Klachten, Lyden, en Vermakelijckheyt aanden dagh sal brengen, indien ghy dit naar uwe ouwde goetheyt in danck ontfangen en aanvaarden sult, daer ick niet aen en twijffel, vermits ick daar nu tot tweemael toe, soo openbare proeven hebbe af ghesien: Op dit vertrouwen dan, soo wert u (O Sangerighe Keeltjes!) van gantschen gemoede toegeheylicht en toege-wijt, de meer dartele als treffelijcke Kinderen vande blyde geest, van uwen alle
Eer, en dienst-schuldige Vrundt en Dienaar
G.A. Bredero.



[
fol. **1r]

APOLLO

Den Voor-sangher der Musen, spreeckt
tot de Nederlandsche Ionckheydt.

WYCKT met eerbiedigheyt besitters van der aarden,
d’Onsachlijckheydt mijns staats heerlijcke hooge-waarden,
En knielt met ootmoed’ neer, en roept mijn Godtheydt aan,
Als den Mooren-lantschen danckbaren Indiaan,
(5) Die met dienst-knechtigheyt mijn bidden en aanbieden
Een offer vande vrucht, van vee, van land’ en lieden,
Om mijn groot-acht-baarheydt, en Godd’lijck aangesicht,
Want ick ben ’s werelts ziel, haar eenich oogh en licht,
Ia ’t hert der Hem’len die sich mengelend’ verwarren:
(10) De hooft-man vande Maan, de vader vande Starren,
De geest en heyligheyt, die dese schepsels geeft
Dat tint’lend’ blick’ren dat soo vrolijck in heur leeft.
Den jeuchlijcken Vier-vorst der geluck-sal’ger salen
Ben ick! en d’opper-Prins der heugelijcker stralen,
(15) Die ’s aardrijcx boesem stooft en streelt daer soetjens uyt
De weelderige jeucht van bloemen en van kruyt:
Wiens geylle dart’le tier de velden en Revieren
Met lovers en met loof van groene franje cieren.
Der boomen kruynen en het swoort der bergen hooch,
(20) Dat kruyf ick schoon met blaan, en netse vande looch
Des frisschen vuchtens-dauws versulleverde droppen:
Het welck met weerschijn ciert haer ruyge groene noppen.
[fol. **1v]
Ick ben ’t die ’s morgens vroeg verdrijf het droeve swerck,
En toon mijn glans-ryck hooft de spitsen vande kerck,
(25) Doch loop te post voor uyt den heeten lieve-loosen
Aurora dicht besnuwt van wit en roode roosen,
Ick ben der boeren vriend, hoe swart dat ickse brand,
Ick ben al segh ick ’t self de schoonste van het land.
Ick ben de klaarheyds merch, dat derf ick my verboogen,
(30) Noyt sagh mijn volheyd mensch met sterffelycke oogen.
Ick ben ’t die alle ding door-oogh’ met gauw op-merck:
Wel kundy my noch niet? dat ’s wel een wonder-werck!
’t Schijnd of ghy-lieden noyt mijn helderheyd en sagen:
Siedy niet wie ick ben? ghy siet my alle dagen,
(35) Ick treck de dampen op, de nevel en de mis,
En ’t swarte kleed des nachts aklige duysternis.
Mijn stralen die ontsien de kerckeren der Hellen
Met al haar hof-gesin van zielen en gesellen.
Ick ben een Voogt des Luchts die wyders mach gebien,
(40) Als ick u seggen kan of als u sinnen sien.
’t Palleys daar ick in woon staat op seer hooge posten,
Gewrocht van fynen goud (onschatt’lyck watse kosten)
’t Gewelfsel is yvoor, ’t voor-burgh silver, waer of
De konst kost meerder dan de kostelycke stof:
(45) Want Vulcaan heeft daar in gegraven en gegoten
Hoe dat des aarden-kloot met water is besloten,
Hoe sich den Hemel buygt over de wilde zee,
Waar in de blauwe Goon van lauwe liever-lee
Haar naackte boven-lijf vast blickeren en blakren,
(50) En in de kracht mijns deugds haar roosteren en bakren:
Voornamelyck Triton die de kinck-horen set
Aan zijn watrige mond, waar op hy wel trompet:
[fol. **2r]
Voorts Protheus wispeltuur in ’t koelen en verwarmen.
Daar sietmen Egeon met zijn seer lange armen
(55) Omhelsen vriendelyck de Wallevisschen groot:
Hier geeft haar Doris oock met al haar dochters bloodt,
Van welcker schijnd een deel op Dollephyns te swemmen,
En andre haar groen hayr te droogen en te kemmen:
Al zijn zy onderling wat ongelyck van schijn
(60) Nochtans is ’t wel te sien dat zy gesusters zijn.
Oock isser in gebootst uyt gulle geests versieren
De aarde, machtigh, ryck van menschen en van dieren,
Van allerhande slagh, van beecken en van land:
Ach! watte wonderheen begrypen hun verstand,
(65) Die al den ommeloop so weten na te rek’nen,
En stellen op zyn plaats des Hemels twalef tek’nen.
    In dees vermaalde troon so sit ick in myn kracht,
Wel rycklyck opgetoyt, van Purper is myn dracht,
Myn mantel is bestickt met dierbare gesteente,
(70) Daar by ben ick omringt met dese myn gemeente,
Te weten, eerst het jaer, en gantsch de maenden al,
De dagen kort en lang, de uren groot van tal,
De nieuwe Lenten met zyn krans van groene blaren;
De Somer moeder-naackt met al haar rype aren;
(75) De gruysigen Herrefst vol-lyvigh, laar en vet
Van al de druyven dien hy op-gegeten het;
De Winter gants in ’t bond doet niet dan klipper-tanden,
En uyt kout-vorstigheyd staag blasen in zyn handen.
Dit zyn myn trawanten, myn krygs-lien, en myn stoet,
(80) Die van myn schatten meest zyn ’t saart en wel gevoedt.
Myn hooge af-komst trotst’ de Goden alle-gader,
Want Iupijn is myn vaer, Saturnus myn groot-vader,
[fol. **2v]
Mijn moeder Latona van tweelingen gelach,
Een dochter met een soon, de gloor van nacht en dach.
(85) Waer van het maagdekijn int baren van haer broeder
Een vroede-vrouw verstrack, haar swacke swangre moeder;
De seld-saamste geboort daarmen van lesen mach.
Doch is het oock al vreemt dat Iuno met een slach
Die sy vertoorent smeet op ’s aardens harssebecken
(90) De Typhon straf en streng oon mans hulp gingh verwecken?
Om dat der Goden smit Mulciber had geklooft
De wijse Pallas uyt het breyn van Iupijns hooft:
Maar waar toe loop ick uyt het spoor van myne reden,
En kundich u niet voort al mijn naamhaftigheden?
(95) Geen roem en prickelt my tot eygen lof en prijs,
Van tytels sonder endt: doch dat ick hier bewijs
De grootheyt van mijn macht is om u aan te leyden
Tot een erkentenis van u ondanckbaerheyden:
O moeden onverlicht! swaar van begrijp, en traach
(100) Tot die goetwilligheyt en gunst dien ick u draach;
Maar yverich en snel int soecken van u schaden:
Ick sal noch andermaal de vorige weldaden
Met nieuwe deuchden u herdencken doen: misschien
Of ghy dan overtuycht u feyllen quaamt te sien:
(105) En dat de billicheen u herten soo beroerden
Dat sy aandachtich u tot innicheden voerden;
Doch waar u wel van nood’ dat ghy eerst wel bekent
De gene die ghy meest te dancken schuldich bent;
Siet daerom sal ick u mijn namen meer belyen,
(110) Ick ben de voorste Vorst en God der Artsenyen,
Aesculaep was mijn soon dien ick by Chiron sant,
De welck hem queeckten op met mellick van verstant.
[fol. **3r]
Mijn naaste maagschap voorts, als neefs en bloet-verwanten
Zijn tolcken en taal-lien der Goden: ja Gesanten
(115) Des hoogen Hemel-rijcks die door haer ed’le geest
By volcken zijn ge-eert, by Princen zijn gevreest.
Als toom der Vorsten, en als schrick der dwingelanden,
Die de bloet-honden straf recht in het voor-hooft branden,
Brandt-mercken van haar schand’, smaat-drucken vuyl’ veracht,
(120) Tot eeuwich lastering van hem en syn geslacht:
Dies schijnen veel uyt vrees gedweege sachte mannen
Die in haer hert nochtans syn wreede snoo tyrannen,
Dan doch de ware Prins die uyt lieft mint de deucht
Die bruyckt myn waardich volck tot syn vermaack en vreucht,
(125) Als hy haer rymen doet der vromer helden daden,
Der vrienden sege-winst, en der vyanden schaden,
De hitten vande krijch, ’t bloet-storten inde slach,
De neder-laagh soo naackt ofmen ’t voor oogen sach,
’T uytschudden vande kle’en, het plund’ren, ’t ondersoecken,
(130) Der befreysemde liens verholen knoppel-doecken.
Het welcken alles werdt soo levend’ afgebeelt,
Soo dat de Schilder vaack syn stoffe van haar steelt.
    Mijn dichters zijn vernoecht meer als de rijckste menschen,
Niet hebbend’ zijn sy rijck, en hebben wat sy wenschen.
(135) O Koninglijck geslacht! van ’t suyverlijckste bloedt,
Die heym’lyck by u draacht het alderbeste goet.
Ghy die door eygen deucht soeckt eerelick te schynen:
Ghy die de menschen wijst de kostelyckste Mynen,
Niet in het ingewandt der aarden vuyl en grof,
(140) Maar inden Hemel schoon van klaarheyt en van stof.
En hoe elck in syn selfs kan goude bergen vinden,
Wil hy maar innerlijck ’t opmercken onderwinden,
[fol. **3v]
Van zijn gedacht’ en doen, en overleggens’ met
De Wetten die ons God en de nature set;
(145) Dan speurtmen na het goed’, dan leertmen ’t quaat vernielen,
Dan krijghdy in u hert de schatten dyner zielen,
Dien ick u alle gun, ô suyverhertigh volck!
Die meer de pen gebruyckt als de vervloeckte dolck,
Der menschen moorders lust: dan, u vermaackt de reden,
(150) De Moeder van d’eendracht, de stichter vande steden:
De sadichster van twist, de herte-stroockster soet,
De hooghste Koningin van ’t menschelijck gebroet,
Waar na sich kleyn en groot gesamentlijck moet setten,
Sy stelt de keuren en de burgerlijcke Wetten,
(155) Die yeder in ’t gemeen moet wesen onderdaan:
Tot voorstant vande goen en straffe vande quaan,
’t Gemeene-best te nut, als oock het ’s lands welvaren.
Dit was Amphions konst, waar met hy de Barbaren
En wilde woeste lien so wijslijck heeft geleyd,
(160) Tot eenicheyd van wil en tot gehoorsaamheyd.
Als so de hoofden kloeck het groote lichaam meenen,
Meer als de eyghen-baat, so voegen sich de steenen
Eendrachtelijck te saam, yder doet zijn behoord,
So vestmen wallen, en so metstmen muyrr’ en poort.
(165) En ghy mijn eygen-kroost, wel! sal ick u vergeten?
Die om myn dienst te doen so veel tijds hebt versleten:
Wanneer als ghy met vlijt my uwe deuntjens schonckt,
Als ghy in u kantoor of yewers wand’lend’ songht,
Hoe u de kleyne God der Minnen heeft geschoten?
(170) Ick wil het loochnen niet, ghy zijt uyt my gesproten:
Want siet u werck en geest my geensins oock versaackt.
Voorwaar het eelste hert werd aller eerst geraackt:
[fol. **4r]
Hoe dickwils sucht ick hier uyt vaderlijck mee-lijen,
Als ick de klachten hoor van ’t ongeluckigh vrijen.
(175) Dat ghy somwijls te kroes uyt eygen-wil bestaat,
En vollight meer de lust als de gegronde raat,
En ghy blijft even sterck gheketent aen’t versotten,
Tot haar een ander krijght, en ghy het spytigh spotten.
Of als ’t laf-beckje jongh slinghs met u omme gaat,
(180) En doet u minnen een die u van herten haat,
Ghelijck als Daphne, die myn schichtigh pleegh te schuwen:
Hoe bitter is ’t, helaes! die wonden te vernuwen?
Maar ghy Sangh-meesters eel, bekranst, belauweriert
Met eeuwigh bloeyend’ groen, ten alderbraafst verçierd,
(185) Ick sal u danckbaarheyd en u gewoone klachten,
En u vermaarde naam onsterffelijck doen achten,
Tot een vergeldingh van u weldaad en u deughd,
Op dat u volgh’ in ’t goed’ de nakomende jeughd.
De liedjens die ghy hebt gesongen en geschreven
(190) Ter eeren van u lief, was ick gesint te geven
De blije wereld, maar ick heb mijn nu bedacht
Die te vereeren aan het Maaghdelijck geslacht:
Dat vriendelijcke volck heb ickse willen schencken,
Op datse an u leyd’ en lyden leeren dencken,
(195) Op datse al u smert, op datse al u pijn
Met lieve weder-loon u so gedachtigh zijn,
Tot dat zy zijn bekoort u selven te verlichten,
Sulcx dat ghy haar en myn mooght loven met gedichten.
    Nu ghy sacht-zinnigh volck! ghy Venus borgery
(200) Neemt dese gaaf in danck, al waar kleen haar waardy,
So werdse u nochtans gejont en aangeboden
Van my Apollo! selfs een vande grootste Goden,
[fol. **4v]
Die al de heerschappy des Hemels oversiet,
En watter op den gront des aarden-kreyts geschiet.
(205) Ontfangt mijn gift in goed’ ick geef geen quade gaven:
Het is den offer van u seer verliefde slaven,
Die na u hoochste eer, die na u vroomheyt staan,
En die ghy daeg’licx siet om uwent wil vergaan;
En lyck-wel met de Swaan de droeve jongelingen,
(210) Haar hertelicke smert, en eyndel-vaersen singhen,
Met blyder kelen uyt: ’t valt swaar, al waert maar schyn,
Van binnen droevich en van buyten bly te zyn.
    Doch ghy, o Maagdekens, moocht wel vrypostich lesen
Haar rijmkens so geschickt, dat ghy niet hoeft te vreesen,
(215) Noch dorperheyt, noch schand, noch wisseling van bloedt:
Ten syse u de Min al prickellende doet:
Wanneer als ghy daar siet beschildert en beschreven
D’ ellende van u liefs rampsalich stervend’ leven:
Veroorsaackt door u streng en ongenadich hert,
(220) Dat door haar staag gebet niet eens beweegt en wert:
Die daarom alle uyrs een nieuwe doodt ontfangen,
Om dat sy missen daar sy’t meeste na verlangen.
De strafheyt voecht u niet, Venus is sacht van aart,
U moeders warent oock, van wien ghy sijt gebaart.
(225) Of wildy beter zijn als oyt de vrouwen waren?
Dat’s een vermeetle wil, ten aansien van u jaren,
Gebruyckt u jonghe jeught, het is u beste tydt.
Gedenckt de gene dan die u van herten vrydt;
Bemint die u bemint, ghy lieffelycke lieden,
(230) Doet andren als ghy wout dat u selfs sou geschieden.
Indien ghy by geval soo doodlyck waert gewondt,
’t Geen ghy dan soecken soudt nu aan u dienaars jondt:
[fol. ***1r]
Nu aan u dienaars jond die ghy-lie hebt by scharen,
Die u lof-singen hier op zangerige snaren:
(235) Soo deftigh en soo grootsch, soo heerlijck en soo eel,
Van wien ick geen en noem, om datse zyn soo veel
Dat ’s al on-noemlyck zyn, want soo ’k maer een’ge roemde,
Ick deed groot ongelyck die ick dan niet en noemde.
Sy zyn ten minsten u stil-swygend wel bekend,
(240) Vermidts ghy Iuffertjes de styl wel zyt gewend
Van u beminners konst, en minnelycke klagen:
Indiens’ u smaken wel, of soos’ u soo behagen
Als zy u doenmaal deen, dat ick niet reppen mach,
Soo sal ick u eer lang meer brengen aenden dagh.
(245) Of zydy nu soo grof dat ghyse gaat verachten,
Soo wilter voor een wyl geen andere verwachten,
Neemt dese dan voor lief: het is myn beurt te gaan,
Want in myn plaatse dringt de silver-verwe Maan.
’t Kan verkeeren.


[
fol. ***1v]

GHY die door groot gemoed, en op-getogen sinnen
Vaack boven het gemeen u wack’re geesten voert:
Leest hier hoe BRED’RO met de slechte Wered boert:
Leest hier hoe heerlijck hy verheerlijckt heeft het minnen:
(5) Leest hier hoe dat zijn ziel van Godlijckheyd geroert
Heel GAER-BRAND van de vlam die hy gevoelt van binnen.
Virtutem Fortuna timet.

R.L.



In Effigiem.

UNUS & orbis Amor Batavi, quem cernitis hic est,
    Parte tamen facies haec meliore caret:
Quam quoquè si vigili Cupitis pernoscere cura
    Volvite divini sedulò vatis opus.

R.L.

[
fol. ***2r]

TReurt niet, maer lieft ghy hem so gunt hem ’t eewigh leven.
    Hy blijft toch Bred’ro, die hy altijd is geweest,
Hy leeft, al rot zijn lijf, daer leyd niet aen bedreven,
    By Gode rust zijn ziel, hier sweeft zijn groote Geest.

S.C.



HIer herbergt ’t lijf wiens geest in schertsen munten uyt,
En met veel boerterij steets swanger ginck van herssen,
Wien Charon willigh voerd om sunst in d’oude schuyt,
Vermidts de zieltjens droef noch lachten om zijn farçen.

I.v.V.



’t kan verkeeren
Gerbrand Adriaensz Brederode Amsteldammer is gheboren in ’t Jaer 1585, den 16.en Maert, ghestorven den 23.en Augs.ti des Jaers 1618. op d’uer zyns gheboortes, tusschen 9. en 10. uren ’s voormiddags.


VRaegt ghy wat BRED’RO dee’ de doodt?
De Geest die was het lijf te groot:
Nu hebben met hem Spel, en Kluyt,
En alle soete Deuntjens uyt.

H.C.H.
DAT niet door leer alleen den Aar’ der Poësyen
    Ontspringht in ons: maer door natuur oock werd geteelt:
In Gerbrand Bred’ro blijckt, die door zijn Rymeryen
    Zijn gheestighe Natuur in eeuwigh lof verbeelt.

P.S.



[
fol. ***2v]

In Editionem Poëmatum, nobilissimi

BATAVI POËTAE

Gerbrandi Brederodij.
ROMA sibi placuit divinâ capta Poësi,
    Dum placet argutis Accius illecebris;
Aut rediviva suis ardentia Pergama flammis,
    Quaeque gravis veterum digna cothurnus habet;

(5) Aut tristes elegi, aut satyrae mordentia verba,
    Aut festivus amor, compositive sales.
Quid sibi non placeat Batavum caput Amstelodamum
    Illa peregrinos iactat, at illa suum.
Adde; quod innumeri vix praestitêre Poëtae

    (10) Unus, sacra iocos tristia laeta dedit.
H.C. Hooft.



[
fol. ***3r]

Tot Lof vande Voor-treffelijcke

Rymer

G.A. Brederode.

KLuchtige Rymer, die u deuntjens hier laet hooren
Vol soete Boertery, de Min heeft u verkoren
Van kindsche jaren af, doen ghy noch teder waert,
Doe is de Rymery in u, door min, gebaert.
(5) De min u Meester was, die dwongh u om te singhen
Zijn wijd-beroemde lof, en nae den Palm te dinghen.
Poët om ’t breyn bekranst met een Lauwriere Kroon!
Hoewel hy u onthield u wel-verdiende loon,
Een Griecksche, of Roomsche, of een der Bataviersche Vrouwen:
(10) Die ghy wel hadd’ verdiend, en waerdigh waert te trouwen.
Maer de jaloursche min die heeft u sulcks belet,
Op dat ghy roemen soud de kracht van Venus Wet,
En aen de dorpels van haer heylige gestichten,
Versteken van u Bruydt, hem offren u Gedichten.
(15) Dit was een loos bedrogh daer hy u meed verriedt.
’t Welck ghy ter rechter tijd vernaemt, en hem verliet,
[fol. ***3v]
Die met zijn netten u socht dieper te verwerren:
En naemt een hoogher wegh, en sweefden na de Sterren,
En songht den Hemel lof, soo deftigh en ondieft,
(20) Dat flucx den Schepper selfs werd op u gheest verlieft:
Verdragende te nood dat ’t logge lichaem druckte
Een dichter soo vermaert, hem door de wolcken ruckte.
Hier liet hy ons zijn dicht, verstroyt, maer wel doorwrocht:
Dat onsen Drucker wijd en breed heeft op-gesocht.
(25) Wy zijn op ’t hooghst verblijd dat ons noch is voor handen
Dit werck ’t welck word gelooft by d’Edele verstanden.
Het Kluchtigh tot vermaeck, de Minne voor de jeughd,
Het Sedigh tot een spoor van sedigheyd en deughd.
Waarde Liefde blijft.




[
fol. ***4r]

SONNET.
WAT al een Minnaar doet in zijn verliefde sin,
Hoe dat hy bid en smeekt, hoe dat hy traant en vlait,
Hoe hoog hy die verheft die in zijn sinnen lait,
Wat gaven groot en veel hy mede siet daer in.


    (5) Wat heylsaam staat het is te leven inde min,
Wat dat hy bied en geeft, versweert en haar toeseyt,
Wat eyndlyck hy versoeckt voor zijn gedienstigheyt,
Ons
Bre’ro rijmde fray en song’t me in’t begin.

    Maar als hy sag daar naar dat sulx hem niet cond’ baten,

(10) Soo walchden hem zijn doen; en heeft zijn Stijl verlaten
En dichten over kloeck tot deuchts en konsts-vermeering

    Gedichten veelderley, en sangen geestelijck,
Nalatende ons die (te singen blydelijck)
Tot les voor ons al t’saam, en tot zijn waar bekeering.

Hope troost.


[
fol. ***4v]

SONNET.
COMT ghy Leer-gierge, komt, wild noch van Breedroo leeren
    ’t Geen u sin-rijkigh streckt tot stichting en vermaack,
    Doorsiet zijn kloeck
Vernuft en vloeijend Rijm, is Baack
Boven veel and’re die door
Studi hun beweren.

(5) Daerom hy waerdigh is den Lauren-Krans der eeren,
    Al is schoon ’t
Rif verhuyst, hier klinckt zijn duytsche spraack,
    Die d’
Echo vaack na-bootst her-halende de saack
Zijns wijdt-beruchte re’en, die tuyghen
’t Kan verkeeren.

    Verkeert so is ’t met dees Poët van onse tijd,
    (10) Niet twijflend’ dat hy hem in d’hooghste waard verblijd,
Daer veel
Poëten noch hun meeste glory derven.

    Hy is ons uyt ’t gesicht met ’t Lichaem, maar den Geest
    Van yder werd bekend, die zijne wercken leest,
Dies sal by ons zijn
Naam noch Lof hier nimmer sterven.
G.G. Wie faalt mach keeren.


[
fol. ****1r]

LOF-DICHT.

ZIND Garbrand Bredero de wereld is gesturven
Heeft zijn ver-Eeuwde Geest hier zonder lijf geswurven,
    En drong somwylen ons met aengenaam geluyt
    Ter ooren in, dan vloogh flucx tot den mond we’er uyt:
(5) Zulks dat wy van hem slechts met de gedachten spraken,
Dan d’ooghen mochten haar met Brero niet vermaken,
    Waar elck misnoeghden aan, en lasterde den dood.
    Cornelis vander Plas (wien dit verlies verdroot
Op ’t alder-zeerste) tradt na ’t Outaar der Poëten,
(10) En heeft de Lauwerier met armen op-gesmeten,
    De vlam doen blakeren tot boven by de Goon,
    Zijn’ yv’righe Gebeen (meer als zy wel gewoon
Van Menschen waren) so ten Hemel op doen steyg’ren,
Dat zy beweeght, hem niet zijn bede konde weyg’ren,
    (15) En deden Breroos geest, ons alle tot gerijf,
    O wonderlijcke saak! weer keeren in dit lijf,
Dat vander Plassen ons komt mildelijcke gheven,
Daer zy herboren in sal eeuwelijcke leven.
S.C.


[
fol. ****1v]

Eer-Dicht.

WAER zyt ghy Romen met u Dichten? ô Athenen!
    Warwaerts verschuyld ghy u? wel hoe! sydy bedeest?
    Verschijnd, en komt her-voor; met aendacht singt en leest
Dit soet-vloeyend’ Gerijm, ’t geen wy u niet ontlenen.


(5) Bejaerde Grysaerts, die de lust niet is verdwenen
    Om ’t lieffelijck Gesang te uyten, en u Geest
    Te senden hooger als oyt sterflyckx is geweest:
Hier vind ghy stof, ja meer, ja meer als ghy sult meenen.

    Ghy Nimphjes van ons Eeuw, u noodigh ick, met een,

(10) Om met dijn Minnaers aen de Groote Bron te rusten,
En daer u Zieltjes eens te laven, en verlusten

    Met
Minnelijck Gesangh, of Boertigh Ongemeen.
Vraeght niet wie dat u nood, ’t is BRERO een Hollander,
Der Rijm’ren pronck, die was, is, en blijft sonder ander.
I.I. Scheep-maker.



[
fol. ****2r]

REGISTER

VAN

Het Boertigh Lied-boeck.

ARent Pieter Gysen, met Mieuwes.Pag: 5
Als Dirckje in zijn koortse lagh.31
Ach proper Dier waer wilje heen.36
Al mijn begeerlijck.33
Ach dagh! wenschelijcke dagh.69
Ach blije Jongelingen.102
Al ben ick schoon Liefje niet.108
B.   
BEvallijcke schoone Maeght.41
C.   
COmt hellipt vrolijck singen.26
Corts als de vaeck en slaep.83
D.   
DE gierige Gerrit, de lebbige dief.16
Diewer is verliefd, byget.20
Die sonder hoop moet minnen.45
Door ieughdigh, domme, blinde.68
De harde Winter strengh.72
De Reden door de tijd bevijnd.89
De lieve, waerde, soete Mey.90
Die sich veynst, waent of vermeet.95
Die voor een doove preeckt.98
De blydschap koomt van mijn.105
E.   
EEl-hart, Moertje, heb ick lief.15
En had ick noyt bemint.99
F.   
FYtje Floris, mijn Speel-meysje.18
G.   
GEwapende godinne.62
Ghy wackr’re Nymphjens, en.72
Ghy drie-mael dry godinnen.96
H.   
HOu! sick hou, goen dagh in ’t huys.17
Hoort hier iens Bestemoer.19
Heb ick u niet geseyt.29
Houd u so kost’lijck als ghy meucht.43
Haerlemsche drooge harten nu.56
Hier legh ick af-geslooft.60
Hoe lustigh ist te spreken met.103
I.   
ICk moet met sang vertalen.81
Ick ben vervaert veur Heyntjeman.14
[fol. ****2v]
In ouder Eeuwen lang voor vele, etc.65
Ick veracht heel de nacht.70
In twijffel en met schreumt.77
Ick hadde noyt gevoelt in mijn voorleden.91
L.   
LIeve kijeren wat een deun.9
Laest als ick gantsch alleen.21
Laest als de* Goden bancketeerden.46
Lichtvaardighe minne.58
M.   
MArten Aepjes eer jy gaet.7
Maer siet sy sluyt.65
Mijn sinnen,, siet, die minnen,, hiet.78
Mocht ick verwerven ’t geen ick wou.94
Mijn sinlijkheyt,, heb ick geleyt.101
N.   
NYfje, nyfje, o jy ding.8
Nu Heere-man, en Jong-gesel.12
Neen Trijntje doetet niet.27
Nu hoort mijn vrient gepresen.32
Nae dien ick van mijn trouwe dienst.*34
O.   
O Jannetje mijn soete beck.10
Onse Lobbetje is so blijd.13
Om dat ick heb gepresen.28
O peerel, en puyck der Vrouwen.38
O on-eenige sinnen.44
O Bruydegom en Heer.53
O du tooversche kol.55
O leyder, minne.92
O Roem van Amsterdam.97
R.   
REden om met recht te klagen.54
S.   
SO haest als Gijsje had vernomen.6
Sondagh, sondagh, lest-leden.39
Schoon eerbaer Maeght gepresen.110
T.   
TRuytje ick moet u loven.67
V.   
VArt buyten ’t volck alleene.75
Vraeght ghy, waerom sucht, etc.107
U Vraegh ontfaen, gesien, bedacht.108
W.   
WAt mach ick dwaes toch, etc.*37
Waer dat kleyne guytje blint.47
Wilt ghy den Echten-staet.48
Wat last is Liefd, etc.59
Wilt aenschouwen met medoogen.63
Waerom zijt ghy, o wreede schaemt.64
Weet ghy Maaghden arm en rijck.74
Wegh segh ick, en vertreckt.79
Waer vlucht ghy Liefde henen.104
Wat onvertel’bre vreucht, en wat, etc.106*

Eynde.
   

[
fol. ****3r]

REGISTER

VAN DE

Bron der Minnen.

A.   
AY schoone Dochter blond, die ’t hulsel en paruycken.Pag: 5
Als ick in mijn ghedacht.36
Adieu schoonheden preuts, etc.47
Al waart dat mijn de God Jupijn.56
Ach strenge Liefd ghy schijnt, etc.65
Ay gulde Maan houd op u jacht.66
Ay hoogh verheven ziel, en over, etc.93
Als d’oogen schoon.100
Ach Florinde! mijn beminde.102
B.   
BEdaert en toeft.37
D.   
DE Minne die in mijn hartje leyd.29
De liefde doot,, mijn schaamye root.44
De moeyelijcke strijd, en d’amoureuse, etc.63
Die sich veynst, waant of vermeet.63
Doe laetstmael alle sorg en, etc.69
De Liefd’ die mijn begeert verveelt.85
Deur mijn verschalckte oogen.88
E.   
EDele ziel, verheven, groots, etc.6
G.   
G’Luckige Jonge Lien.25
Ghekroonde Keyserinne,29
Gheluck vereende menschen.43
Getrou van zeden.51
Granida schoon.52
Ghy stroom-Goddinnen gladt.61
Goddin, o Venus schoon! etc.67
Goddinne die den naem van ’t, etc.82
Ghy weet mijn lief wie u bemind.96
H.   
HA! licht vervlogen wijllen.14
Helaes! ick heb verloren.42
Hou, Herder slecht, waer loopt, etc.86
Hoe soet singt ons de Nachtegael.96
I.   
ICk wil Juffrouw (vertrouwt)53
Ja mijn bedroefden geest kund, etc.55
Ick sieje wel, al gaeje snel.92

[
fol. ****3v]
K.   
Kan ick eens recht bedwingen.38
’K heb u noyt lief geheeten.90
’K en kan u niet bedwingen.94
L.   
LIef wees gegroet.19
Lof Moeder vande minne.44
M.   
MOcht ick de Goude Zalen.8
Moy Aeltjen ist so haest vergeten.13
Mijn brossche ted’re sinnen.39
Maer waerom is mijn hart niet, etc.47
Mijn tong die moet nu boogen.49
Met edel hoogh begeeren.59
Mach ter wereld eenige pijn.83
N.   
NU dobbert mijn Liefje op de ree.10
O.   
O Keyserlijcke Vrouw, verheven, etc.5
O lichten brand van minne.27
O valschen droch vol loch, vol, etc.31
Orsus adieu Amour, &c.33
O schoonste schoonheyd wreet!50
Och snelle winden wilt mijn, etc.55
Oogen vol Majesteyt.81
O droeve tijd,, die ick verslijt.97
O Maeghden die met wond’ren siet.98
O soete tijd, ay schoone somer-vlagen.99
P.   
PRincessen preuts en prat.57
S.   
SOo haest als ick u, lief, aensagh.40
Seght my, seght my Vriendinne.48
Snachts rusten meest de dieren.89
T.   
’T Is Musen u bekendt, datmen sich niet kan geven.19
’T vertoont sich Vrouwe, etc.102
V.   
VYt [= Uyt] liefden kom ick dagelycx nu.16
U vriendelijcke oogen.34
Vaert wel mijn lief, mijn leven.78
W.   
WAer is nu dat hart, waer, etc.7
Wel op met vreught, met, etc.12
Wat baet my den dranck daer, etc.26
Wie sou hem niet verblijen.35
Wat baat u de vooghdy van, etc.46

EYNDE.
   

fol. ****4r]

REGISTER van ’t Aendachtigh Lied-boeck.

ALs ’t oogh van mijn gemoet.Pag: 8
Aenschout, o Heer, mijn hart.34
D.   
[De Eeren-Ampten zijn wel wens’lijck by de menschen.3]*
DIe God in zijn Gemoed.7
Daer zijnder nu so veel, die haer.25
Dit leven wert van myn een snelle.41
De God de Bruylofts God.47
G.   
GErbrande wilt ghy leven recht.5
Geluckigh, overluckigh.16
Ghy moet dees Feest met vreucht.32
Gedenckt mijn ziel uws Schepper.20
Geliefkens eer ghy waert geboren.51
Ghy Maeghden en Jongelingen.61
H.   
HOe star-ooght mijn gesicht.24
Het weten, en wijs zijn, sou my.56
Het Jaer wert nuw, de Tijd.59
I.   
ICk sal u stuckx-gewijs na’t leven.18
M.   
MYn zieltje schreyt, dat sucht.20
O.   
O Ongeboren God! drievuldigh.28
O God, stiert in mijn slechte ziel.38
O ghy geesten kloeck van sinnen.43
O ghy neus-wijse hoop, en nau gesette.53
O God die de gedachten.44
O levendige God, eeuwig etc.*63
R.   
RYst uyt den slaep der sonden.17
S.   
SIet hier gesegent Paer.11
Salige zieltjes die so verblijt.57
T.   
T’Gemeene volck en ’t puyck.39
’T Sonnetje steeckt zijn hoofjen op.45
V.   
VIntmen by out en iongh.21
Vermaledyden geld-honger snoot.37
Vernieut, o mensch, dijn leven.33
Vaert wel, Scepters vaert wel.57
W.   
WAt dat de werelt is.6
Wat staat ghy dus en suft.23
Wat raestu dolle mensch verwoet.27
Waan-wijse Lieden vals van oordeel.35
Wie boven al zijn God bemint.44
Wat wissel van leven, wat grooter.52
Wie dat so dol als onbedacht.60

Eynde.
   



[
fol. ****4v]

SONNET.

SINGHT held’re keeltjens, singt, queelt soetjens jonge sinnen,
    U stemmetjens vereent, spreeckt vrolyck Reden-rijck,
    Siet, hartjens, hier is stof, hier hebje ware blijck:
Hier leeft u
BRED’RO weer, hier sulje hem weer vinnen:

(5) Siet wat hy u hier jond, zijn Groote Bron der Minnen,
    Waer in vermaeck en deughd ghy vind gelijckelijck;
    Als in een kleene Werld. Dus haters neemt een wijck
Vermids ghy hatigh draeghd zijn eelheyds doen van binnen.

    Neemt soo veel penn’ en inckt als ghy wenscht na begeer,

    (10) En schrijft in Rymery tot lof van Prins of Heer,
’k G’loof ghy u leven lanck niet beters en soud maken,

    Want siende op zijn Rijm ghy sloeght u oogen neer,
    En roepen over luyd, u
BREED’ROOD’ komt de eer,
Kroont hem met Lauwerier. Fy haters! die hem laken.


Wie ghenoeght?

Continue
[a, p. 1]

Boertigh Liedt-boeck

VAN

G.A. BREDERODE,

AMSTERDAMMER.

[Typografisch ornament]

t’ AMSTELREDAM,
___________________________
Voor Cornelis Lodowijcksz: vander Plasse,
Boeck-verkooper, wonende op den hoeck vande Beurs,
in d’Italiaensche Bybel.    Anno 1622.
Met Privilege voor ses Iaren.


[a, p. 2]

Extract uyt de Previlegie.

DIE Staten Generael der Vereenigde Nederlanden, hebben geconsenteert ende geoctroyeert, consenteeren ende octroyeren mits desen, Cornelis Lodowijcksz vander Plasse, Boeck-verkooper ende Borgher der Stadt AMSTELREDAM, dat hy voor den tijdt van Ses Iaren naestkomende alleene inde Vereenighde Nederlanden sal mogen drucken, ofte doen drucken, uytgeven ende verkoopen de Wercken soo Spelen, Poëmata, Emblemata ende andere Rymeryen vanden treffelijcken Amsterdamschen Poët Gerbrand Adriaensz Brederode Saliger, Verbiedende alle ende een yeghelijck Ingesetenen van desen Landen binnen den voorschreven tijdt van Ses Iaren naestkomende de voorschreven wercken vanden voorsz Poët, Gerbrand Adriaensz Brederode, in’t geheele, of ten deele, in’t groote ofte in’t kleyne te her-drucken, uytgeven ende verkoopen, ofte elders nagedruckt inde Vereenighde Provintien te brengen, om verkocht te werden, sonder consent vanden voorschreven Cornelis Lodowijcksz vander Plasse, by pene van verbeurte van sulcke naghedruckte Exemplaren, ende daer-en-boven vande somme van dry hondert Carolus guldens, T’appliceren een derden-deel daer van tot behoef vanden Officier die de Calengie doen sal, het tweede derden-deel tot behoef vanden Armen, ende het resterende derden-deel tot behoef vanden voorschreven Cornelis Lodowijcksz vander Plasse. Gedaen ter vergaderinge vande Hoogh-gemelte Heeren Staten Generael, In ’s GRAVEN-HAGE opten negenden Aprilis sestien-hondert twee-en-twintigh, ende was geparagrapheert E. vander Marck vt.            Leeger stond,

            Ter Ordonnantie vande Hoogh-Gemelte Heeren
                Staten Generael, ende was onderteeckent

C. Aerssens.



[
a, p. 3]

SONNET.

TOT sulcken grootheydt sal Amstelredam noch komen,
Dat sy in treff’lijckheyd sal overwinnen
Romen,
In deftigheyd van Raed, in Mannelijck gewelt,
In Ooreloghs-beleyd, in Machtigheyd van gelt.

(5) Dat haer geblasen Faem sal snorren door de Wolcken,
En dreygen met ontsagh de wijt-gelegen volcken,
De
Geel en Swarte-Moor, de Turck en Persiaen,
Die sal haer mogentheydt om hulpe smeecken aen,

En onder handelingh met haer als vrienden plegen

(10) Met Wissel, of met Waer, nae dattet komt gelegen,
En doen gelijckelijck af-breuck en weder-stant

Den Spaengiaert, vyandt van ons waerdigh Vaderlandt,
Al door ’t bestieren van Godes voorsienicheden,
En ’t heerelijck beleydt der
Staten onser Steden.
’t Kan verkeeren.


[
a, p. 4]

Wie sal niet vande feest en boerekermis walgen,
Men doeter anders niet als vreten swelgen balgen:
Men vedelt springt en danst, men sackpijpt en men fluijt,
En eer de kennis scheid soo raekt het mesken uijt.



[
a, p. 5]

Boeren Geselschap.

Stemme: ’t Waren twee Gebroeders stout, &c.
ARent Pieter Gysen, met Mieuwes, Jaap, en Leen,
En Klaasjen, en Kloentjen, die trocken t’samen heen,
Na ’t Dorp van Vinckeveen:
Wangt ouwe Frangs, die gaf sen Gangs,

            (5) Die worden of ereen.
    2.  Arent Pieter Gysen die was so reyn int bruyn,
Sen hoedt met bloem fluwiel die sat hem vry wat kuyn,
Wat scheefjes en wat schuyn,
Soo datse bloot, ter nauwer noot

            (10) Stongt hallif op sen kruyn.
    3.  Maer Mieuwes, en Leentjen, en Jaapje, Klaas en Kloen
Die waren e kliedt noch op het ouwt fitsoen,
In ’t root, in ’t wit, in ’t groen,
In ’t grijs, in ’t graeuw, in ’t paers, in ’t blaeuw,

            (15) Gelijck de Huysluy doen.
    4.  Als nou dit vollickje te Vinckeveen anquam,
Daer vongdese Keesjen, en Teunis, en Jan Schram,
En Dirck van Diemerdam,
Mit Symen Sloot, en Jan de Doot,

            (20) Met Tijs, en Barent Bam.
    5.  De Meysjes vande Vecht, en vande Vinckebuurt
Die hadden heur tuychje te wongderlijck eschuurt,
O se waren so eguurt,
Maer denckt iens Fy,, had lange Sy

            (25) Heur Onger-riem ehuurt.
    6.  Sy gingen in ’t selsip: daar worden so eschrangst
Gedroncken, gesongen, gedreumelt en gedangst,
Gedobbelt en gekangst,
Men riep om wijn, het most soo sijn,

            (30) Elk Boerman was en Langst.
    7.  Maer Miewes en Trijntje, die soete slechte sloy
Die liepen met menkander uytten huys in ’t Hoy,
Met sulck geflickefloy,
En suck gewroet, och ’t was soo soet,

            (35) Mijn docht het was soo moy.
    8.  Aelwerige Arent, die trock het ierste mes,
Tuege Piete Kranck-hooft, en Korselige Kes,
Maar Brangt van Kaallenes,
Die nam een greep, hy kreegh een keep,

(40) Mit noch een boer vijf ses.
    9.  De Meysjes die liepen, en lieten dat geschil,
Kannen noch kandelaers, noch niet en stonger stil:
Maer Kloens die stack, en hil
Soo dapper uyt, dat een Veen-puyt

            (45) Daer doot ter aerden vil.
    10.  Symen nam de rooster, de beusem, en de tangh
En wurrepse Ebbert, en Krelis vuer de wangh,
Het goetjen gingh sen gangh,
Het sy deur ’t glas, of waer ’t dan was,

            (50) Mijn blyven was niet langh.
    11.  Ghy Heeren, ghy Burgers, vroom en wel gemoet,
Mydt der Boeren Feesten, sy zijn selden soo soet
Of ’t kost yemant zijn bloet,
En drinckt met mijn, een roemer Wijn,

            (55) Dat is jou wel soo goet.
’t Kan verkeeren.


[
a, p. 6]

Van Gijsjen, en Trijn Luls.

Stemme: Si c’est pour mon pucellage.
SO* haest as Gijsjen had vernomen
Dattet Kermis was in Stee,
Nam hy sen tuyg, sen poppe-goed mee,
Om wat eerlijck uyt te komen,

(5) Stack hy veeren op syn hoedt,
Wangt de Eer is ’t waertste goet.
    2.  Gysjen is nae Stee gevaren
Met Trijn Luls syn lieve Sangt,
’t Was de moyste Meyd van ’t langt,

(10) Dus most hy zijn eer bewaren
Daer hy in was op evoet,

Wangt de Eer is ’t waerdtste goedt.
    3.  Als de Kramers Gysjen sagen,
Riepen sy: kom koop wat vaar!

(15) Wilje niet? ick houme waar,
Gysje dorster niet na vragen,
Soo eerlijck was syn gemoedt,

Wangt de Eer is ’t waerdtste goedt.
    4.  Door ’t gequel en stadigh bidden,
(20) En op Trijntjen Luls versoeck
Koft hy noch ien lange koeck,
Die brack hy doe iuyst in ’t midden.
Deynckt! wat Liefd’ en Eer al doet,

Wangt de Eer is ’t waerdste goedt.
    5.  (25) Gysjen gingh wringen en duwen
d’Hiele koeck in sen holle mongt,
Sagger uyt soo kakel-bongt,
Datter ien mensch schier souw of gruwen,
Soo eerlijck had hy gewroet,

(30) Wangt de Eer is ’t waerdste goedt.
    6.  Onder ’t brassen en dit slempen,
Wou noch Gys enckel te bier:
Sus, sey Trijn, ’t is geen benier,
Stee-Luy souwen daer op schempen,

(35) Latet, ’t is de beste voet,
Wangt de Eer is ’t waerdste goedt.
    7.  ’s Nachts ging Gysjen Trijntjen prysen,
En hy sey: gy bint soo moy,
Was ick nou met jou in ’t hoy,

(40) Daer sou ick jou iens bewysen
Hoe men liefde eeren moet,

Wangt de Eer is ’t waerdste goedt.
    8.  Sus, sey Trijntjen, houwtje hangden,
Of ick word aers uyt me kraft,

(45) Wilje wat doen, soo doettet saft,
Hebje gien Eer! wat duysent schangden,
’k Rae niet Gysjen datjet doet,

Wangt de Eer is ’t waerdste goedt.
[a, p. 7]
    9.  Ongder dit stormen en dit woelen,
(50) (Seyden hy:) wel Trijntjen Luls,
Maackje hier om soo veul spuls!
Ghy meught immers mijn wel voelen
Van men hooft al tot me voet,

Wangt mijn Eer is oock mijn goet.
    10.  (55) Nou Gijs (sey sy) laet die woorden,
Praatme niet mier vande Eer,
Maar as je wilt soo komt vry weer,
Ick miende, ghy sout mijn vermoorden,
Och het eyndt dat was soo soet!

(60) Adieu mijn eer* mijn waerdste goedt.
    11.  Vrome Dochters rijck in Eeren
Soo ghy vreest de schande groot,
Geeft u selven niet soo bloot:
Wilt van Gijsjen niet begeeren,

(65) Wildy sijn ge-eert, gegroet:
Wangt mijn Eer is ’t waerdste goedt.
’t Kan verkeeren.


Aenspraeck vande Petemeuy, tot de Neef.

Stem: Helaes! Amour wat gaet my aen?

        MArten Aepjes eerje gaet
        So hoort hier noch ien kleyn beetje,
        ’k Raeje Neefje datje staet
        Noch ien lutje byje Peetje,

        (5) Gaet dan vry by Brangjes Brecht,
        Datsen Vryer! datsen Knecht!
            2.  Gaet benierlijck by de wegh,
        Liert jou woortjes wel beleggen:
        Hoortme seun wat ickje segh:

        (10) Ierst-in, asje wat wilt seggen,
        Siet dat gy genavent segt,

        Datsen Vrijer! datsen Knecht!
            3.  De Noom en ick die sin al klaer,
        Gae jy moytjes byje Vryster:

        (15) Datsen Man! wat so men Vaer!
        Trouwen vriendt, gy keunt te byster,
        Heer! je gaet so regel-recht,

        Datsen Vrijer! datsen Knecht!
            4.  ’t Is ien werrelt van een Man,
        (20) Van lijf en le’en uytgelesen,
        Hy speult soo aertigh mit de Kan,
        Dat hy ’t puycken plech te wesen
        Van Diemen en Duyvendrecht,

        Datsen Vrijer! datsen Knecht!
            5.  (25) Neefje, gaeje dan soo voort?
        Lustje noch niet wat te eten?
        Hemsick Marten: noch ien woort,
        Je sloncksje hebje noch vergeten,
        Wel me kijnt dat was te slecht,

        (30) Datsen Vrijer! datsen Knecht!
            6.  Marten segh ick, koomt in huys,
        Sin j’ al vry van Symen Sijtjen,
        Van Schele Stijn, van Griete Gruys,
        Van Pieter Paters dochter Fijtjen,

        (35) Sinjer oock me inden Echt?
        Datsen Vrijer! datsen Knecht!
[a, p. 8]
            7.  De Jongers hadden langt noch goet,
        Daerom schat ick binje scheijen,
        Tot Brechjes is klay an de kloet,

        (40) ’k Sie een hylick uyt je beijen,
        Gaetmen vaer, en maecktet hecht,

        Datsen Vrijer! datsen Knecht!
            8.  Mach ’t met Brechtje niet geschien,
        Of en keunjet soo niet meuy’ren,

        (45) ’k Sou niet meer na heur om sien,
        In ick sou na Stee gaen keuy’ren,
        Gaet mijn langst, doet as-je plecht,

        Datsen Vrijer! datsen Knecht!
            9.  Al quam in Ste soo plompen boer,
        (50) Als ien Kinckel oyt mocht maken,
        Al quam mall’ Oene met sen moer,
        Had hy gelt hy sou anraken,
        Siet Marten datjet wel belecht,

        Datsen Vrijer! datsen Knecht!
’t Kan verkeeren.


AENSPRAECK

Vanden Oom tot de Nicht.

Stem: Helaes! Amour wat gaet my aen?

        NIfjen, Nifjen, o gy dingh!
        Wilje noch niet aen het knechje?
        Klufje Klonters susterlingh
        Sprackme lestent: hoort iens Brechje

        (5) Het! hoe legje staegh en neyt?
        Datsen Vryster! datsen Meyt!
            2    Soo men moer! wel immers kijnt,
        Klufje kalde veul van Marten,
        ’t Is wongder (sey sy) hoe hy ’t pijnt,

        (10) Soo lief hetty jou van herten:
        Brechje, sit hy staech en seyt,

        Datsen Vryster! datsen Meyt!
            3    Heer! die knecht is soo estelt,
        Datsen hooft draeyt as ien meulen,

        (15) Sen Peet hetme soo veul vertelt,
        Spullen soumer wel of speulen,
        Brechje leyt hy snachts en greyt,

        Datsen Vryster! datsen Meyt!
            4    Is Marten murru, ’t is gien noot,
        (20) Hy het Apen en Meerkatten:
        Sen Peet hetme sen goet egroot,
        ’t Is een Boom vol Spaensche Matten:
        Gaeje Niffje, ierje scheyt?

        Datsen Vryster! datsen Meyt!
[a, p. 9]
            5    (25) Seght Kees Jong Kees, en Klaes Kloet,
        Datser spillen vry op steken:
        Van Proost, van Pronck, noch van Jaep Soet
        Daer wil ick niet iens van spreken,
        Siet dat jyer iou uyt dreyt,

        (30) Datsen Vryster! datsen Meyt!
            6    Je hebt op Bartje sin estelt,
        Maer wat souwjer me beginnen?
        Marten die het langt en gelt,
        Dat en hoeftmen niet te winnen,

        (35) Ick raeje, datje noch wat beyt,
        Datsen Vryster! datsen Meyt!
            7    Bartje (seghje) is ien geest,
        Die zijn weetje weet, te weten,
        Dat hy moytjes schrijft en leest,

        (40) Gaet daer iensjes wat van eten!
        Nicht bedwinght iou sinlijckheyd,

        Datsen Vryster! datsen Meyt!
            8    Brechje, vollight jy mijn leer,
        Laet iou Bartje niet bekallen,

        (45) Wijsheyd, Godsvrucht, Deught, en Eer,
        Is by Rijckdom niet met allen,
        Siet dat niemand iou verleyt,

        Datsen Vryster! datsen Meyt!
            9    Inde Stadt en op het langt,
        (50) Word de Rijckdom miest epresen:
        Ter werreld is gien mierder schangt,
        Als beroyt van geld te wesen:
        Geeft Marten tavend goed bescheyd,

        Datsen Vryster! datsen Meyt!
’t Kan verkeeren.


Twee-spraack van

Twee Buur-Wyven.

Stem: ’t Schaep dat voer naer Alleckmoer.

A.   LIeve kyeren wat en deun?
        Lieve kyeren, etc.
        Styve Pietje Stayl-oors seun
        Die sel de Bruygom worden.

N.   (5) Wat segje van die snarre Teun,
        Neemt zy die slechte Jorden?

            2.    Die kraftige Teun, dat spytig vel,
        Die kraftighe, etc.
        Jemeny moer, ia wel, ia wel,

        (10) Ick binder in verwongdert:
        Hoe komtse an die reyn gesel?
        ’t Is ien giest wat geltet hongdert.

            3.    Aalle-buur, ia watje secht!
        Aalle-buur, etc.

        (15) Hoe raecktse an de moye knecht,
        Dat dreutsche trotsche Teuntje?

A.   Al sin sen klieren wat boers en slecht,
        ’t Is al ien weeligh seuntje.

            4.    Niesje-buur, ay kom, hoor hier,
        (20) Niesje-buur, etc.
        Hy was tot lange Jaap te bier,
        Daer quam zy oock aen proncken,
        In hy was wat op zijn benier,
        Hiel over-stalligh droncken.

[a, p. 10]
            5.    (25) En zy was t’ongenaertigh net,
        En zy was, etc.
        Te euvelijcke mooy: by get!
        Tros yemes vande meysjes:
        Sy liepen mit in kaar te bedt,

        (30) Ick weet niet hoe veul reysjes.
            6.    As Jorden dus met Teuntje lagh,
        As jorden, etc.
        Van ’s aves totten lichten dagh,
        Verleckert op dit snoepen,

        (35) Quam lange Lijs daer op het slagh,
        En die begon te roepen:

            7.    Bruylift, Bruylift allegaer,
        Bruylift, etc.
        Hier leggender twie by in kaer.

        (40) Al ’t Jong spul quam mit kannen
        Ierst in, soo wees dit ionge Paer
        De saeck an goede mannen.

            8.    As Styve Pietjen in ’t selsip kam,
        As Styve, etc.

        (45) Hy gaf ien tonne-bier, ien ham,
        En vyf-en-twintigh koecken,
        Hier; mag’re Marry van Billerdam
        Die ging de Bruydt daer doecken.

            9.    Heer! het stonger so net om ’t lijf,
        (50) Heer! het, etc.
        Doe dronckme daer so fel en stijf,
        Ja mannen ende vrouwen,
        Hoe licht komt Jorden an ien wijf,
        Hy sel en Sundagh trouwen.

’t Kan verkeeren.


Een oudt Bestevaertje,
met een iong Meysjen.

Stem:

Pots hondert duysent slapperment, &c.

        L. O Jannetje mijn soete beck!
            Ey lieve blijft wat staen:

        I.  Wat schortje, seght jy ouwe geck?
            Ick raetje laetme gaen.

        L. (5) Al ’t gelt dat ghy hier leggen siet,
            Dat is voor u al ree.

        I.  Wegh kael-kop, ick en soeck u niet,
            Dat jy soeckt, soeck ick mee.

        L.   2   Van landen, zanden, gelt en goed
            (10) Soo ben ick machtigh rijck.
        I.  Dat acht ick niet, o suffe bloed!
            Ick wacht na mijns gelijck.

        L. Het goed is ’t daermen wel of vaert,
            Dus Meysjen weest gedwee,

        I.  (15) Ghy zijt mijn al te oudt bejaert:
            Dat jy soeckt, soeck ick mee.

        L.   3   Och kijntjen geefje mijn een soen,
            Ick geefje al dit gelt.

        I.  Dat sal ick wel een ionger doen,
            (20) Al gaf hy niet en spelt.
        L. Gelooft, Lief, dat ick u versoeck
            Ter eeren en ter Ee,

        I.  Wegh, wegh, wegh Hansjen hangebroeck:
            Dat jy soeckt, soeck ick mee.

[a, p. 11]
        L.   4   (25) Ick sel jou koopen watje lust,
            En doen wat jy gebiedt.

        I.  Ey Lammert Vaertje houdtje rust,
            Want jy en dientme niet:
            Waer jy maer twintigh jaren oudt,

            (30) Misschien of icket dee:
            Maer nou so zydy oudt en koudt:

            Dat jy soeckt, soeck ick mee.

              5   Dit is een Lansjen na mijn sin,
            Vol vrolijckheyd en vreught,

            (35) Die ick niet om sen goed bemin,
            Maer om zijn ionge ieught:
            U krachten die zijn oudt en af,
            Dus laetmen in mijn vree:
            En vrijd geen Vryster, maer een graf:

            (40) Dat jy soeckt, soeck ick mee.

        L.   6   Mijn dochter laet dees mellick-muyl,
            En neemt een deftigh man.

        I.  Och nam ick sulcken ouwen uyl,
            Wat raed ging my dan an?

            (45) ’k Sou immers by u levend lijf,
            (Waer vintmen meerder wee?)
            U Maegt zijn, en u Weeuw, jou Wijf:

            Dat jy soeckt, soeck ick mee.

              7   Vaert wel dan ouwe Rochelaer,
            (50) Ick blijf by mijns gelijck:
            Weet jy niet salige Beste-vaer,
            Dat
Wie genoeght is rijck?
        L. Ey staet toch stil, God segen ongs,
            Verhoort doch dees mijn bee.

        I.  (55) Ay Lammert-Vaer jy soeckt wat jongs:
            Dat jy soeckt, soeck ick mee.
’t Kan verkeeren.


[
a, p. 12]

Een oud Besjen met een Iongman.

Stem:

Pots hondert duysent slapperment, &c.

B   NU Heereman, nu Jong-gesel,
      Hoort toe, en houwt wat stal.

H   Nou laet mijn gaen jy ouwe vel,
      Wat schortje? sinje mal?

B   (5) Hoe komt dat ghy u soo verhaest?
      Ay lieve houwt wat stee.

H   Wegh, ouwe Totebel, ghy raest:
      Dat jy soeckt, soeck ick mee.

B     2  Hoe valt u dit so euvel in,
      (10) Dat ghy my soo versmaed?
H   Wegh quijl-bab met u kevel-kin,
      Wegh met u malle praet.

B   Ay Jonghman geeft my wat gehoor,
      Het is mijn eerste bee.

H   (15) En prevelt my niet meer an ’t oor:
      Dat jy soeckt, soeck ick mee.

B     3  Dit schenck ick u, o ionger Helt!
      Daer toe mijn lijf, en goed.

H   Nu Besje, laet mijn ongequelt,
      (20) En soeckt een gierigh bloed.
B   Ick maeck u Jongeling soo rijck
      Als ’t water vande Zee.

H   Ghy zijt my al te ongelijck:
      Dat jy soeckt, soeck ick mee.

B     4  (25) Ick sal u houden als een Graef,
      In ’t gouwt, in ’t silver stijf.

[a, p. 13]
H   Daer voor souw ick dan zijn een slaaf
      Van een verschrompelt wijf.

B   Dat kleuter is te wispeltuur,
      (30) Al is sy blanck as snee.
H   En ghy zijt my te goons en suur:
      Dat jy soeckt, soeck ick mee.

        5  Wech taye tandeloose Best,
      Wegh druyp-neus, wech root-oogh,

      (35) Gaet haelt ien kooltje in u test,
      En settet vry wat hoogh,
      En raest en blaest daer leven in,
      En laet mijn in mijn vree.
      Dit is een Meysjen na myn sin!

      (40) Dat jy soeckt, soeck ick mee.

B     6  Den ouderdom, is wijs van raet
      Daer toe suynigh en vroet.

H   Ghelijckheyd in den Echten staet
      Baerd vruntschap in ’t gemoet:

      (45) Wat is hier lieffelijcker dingh,
      Of ’t alderdroefste wee,
      Als goe, of geen vereenigingh?

      Dat jy soeckt, soeck ick mee.

        7  Al waer de Rijckdom van u schat
      (50) Als al de wereld groot:
      En eer ickse met u besat,
      Ick was veel liever doot:
      Wech Morssebel gy hebt een gongs:
      Gaet door ghy ouwe quee,

      (55) Och Beste-moer ghy soeckt wat iongs
      Dat jy soeckt, soeck ick mee.
’t Kan verkeeren.


Van

Fobert en Lobbetje.

Stem: ’t Schaep dat voer naer Alleckmoer.
ONse Lobbetjen is so blijt.
Onse Lobbetjen, etc.
So datset over de buurt schier krijt,
Hoe zy-er vryer laet pracchen,

(5) Maer sachje hoe dat Fobert vrijt,
Je souwtje sticken lacchen.

    2.  Fobert is fijn en wel bespraackt,
Fobert is, etc.
Daer om as hy an ’t praten raackt,

(10) Kan wongder hy versieren,
O Lobbetje (seyt hy) wie het je maackt
Deuse verweende klieren?

    3.  Noch se staanje om ’t lijf so iuyst,
Noch se, etc.

(15) ’t Is t’ongenaertigh wel ekuyst,
Een* mensch die souwje schaken,
Staet stil (seyt sy) bruer onbesuyst,
Jy souwtme smeerigh maken.

    4.  Fobert die miend strick stracx al waers,
(20) Fobert, etc.
Sy lijckt so quaet dan as en baers,
En ’t is maer klinck-klaer iocken:
Maer dit doet die door-trapte Flaers,
Om hum noch mier te locken.

[a, p. 14]
    5.  (25) As Lobbetjen seyt, ay sus sit stil,
As Lobbetjen, etc.
Dat is so veul, as ’t is mijn wil:
Maer moetet so wat decken,
En dat hy schoon zijn hangden hil,

(30) Sy souwter seer aentrecken.
    6.  Wangt as hy hum wat koeltjes hout,
Wangt as, etc.
So mient zy dat sen lieft verkouwt,
En kittelt hem in sen zijen:

(35) Waer deur hum Fobert dan verstouwt,
En raackt dan dus an ’t vrijen.

    7.  O Lobbetjen! dien ick oyt verhief,
O Lobbetjen, etc.
Ick hebje so beseten lief,

(40) Ick kan me niet besturen:
Wech, wech (seyd sy) je hebt en brief,
Wech mit je malle kuren.

    8.  ’t Is mit Fobert al ’edaen,
’t Is mit Fobert, etc.

(45) Wangt Lobbetjen hiet hem altoos gaen,
En dat oock hiel ongwaerdigh,
In zy word (so ick heb verstaen)
Hiel spytigh en hovaerdigh.

    9.  Hoort nou alle guyse-gaer,
(50) Hoort nou alle, etc.
Fobert en vraeght oock niet na haer,
Hoe seer hy haer ierst minde:
En is ’t gien Lobbetjen, ’t is ien aer,
Hy sel sen diel wel vinden.

’t Kan verkeeren.


Twee-spraeck

Van de

Beste-moer met haer Nichte.


Stem: Den Admirant, den Admirant.

        ICK bin vervaert veur Heyntjeman,
        Ick bin vervaert, etc.
        Ay Besje! rater Weyntjen an,
        Die hetty lief, die hetty lief,

        (5) Ick binder liever een eyntje van,
        As by de brief.

            2.  Siet! wat sen harsebecken maeckt,
        Siet! wat sen, etc.
        Dat t’elckens versche gecken maeckt,

        (10) En ’t valt hem licht, en ’t valt hem licht,
        Als hy slechts dwarsche trecken maeckt
        Met zijn gesicht.

            3.  Sen asingt dat speult spullen vlack,
        Sen asingt dat, etc.

        (15) Die kop is hum op rullen strack,
        Hy breect veul wijnts, hy breect veul wijns,
        O! ’t is ien rechte bulle-back,
        Hy hoeft gien grijns.

            4.  Men zieter so veul datjes in,
        (20) Men zieter so veul, etc.
        Men zieter sprootjes en wratjes in,
        Och ’t is so milt! och ’t is so milt:
        Men sieter honckjes en katjes in,
        En watje wilt.

[a, p. 15]
            5.  (25) Besje, seght ongse naeyster Tiet,
        Besje, seght ongse, etc.
        Datse na ien goet mayster siet,
        Die ’t ongs iens kuyst, die ’t ongs iens kuyst,
        ’t Is best datmen ’t in plaeyster giet,

        (30) So hebmet juyst.
            6.  En steltet in de Warmestraet,
        En steltet inde, etc.
        By hem die dus zyn armen slaet,
        En leelijck kijckt, en leelijck kijckt,

        (35) ’k Wet as hy wat by Harmen staet,
        Dat hy ’t gelijckt.

            7.  ’k Wouw ick hum iens na ’t leven had,
        ’k Wouw ick hum, etc.
        En dat hy hoogh verheven sat,

        (40) Ick acht de lien, ick acht de lien,
        Die souwen daerom geven wat,
        Om hem te sien.

            8.  De maysters, Besje, op de Kolck,
        Die maysters, etc.

        (45) Die meugen hum huyren tot ien Tolck,
        Hy klapt uytheems, hy klapt uytheems:
        Of laten hum sien voor al het volck,
        Wangt ’t is wat vreems.

            9.  Ey lieve Besje! sus, swijght stil,
        (50) Ay lieve Besje, etc.
        Ick wou dat jy jou mongt wat hil,
        Hoe quelje mijn? hoe quelje mijn?
        ’t Sel, of men sin op hylicke vil,
        Gien Heynje zijn.

’t Kan verkeeren.


Twee-spraeck

Vande

Moeder en de Dochter.

Stem: Helaes! Amour wat gaet my aen.

D. EEl-hart, Moertjen, heb ick lief,
      En die selmen altoos minnen.
      Warre-nar die het en brief,
      In hy is so stuers van sinnen
.
M. (5) Ast ien van beyen wesen sal,
      Ist niet beter quaet as mal?

D.     2.  Moertie ’t is ien mallen bloed,
      En so haestigh daer beneven.

M. Dochter: deynckt om ’t groote goed,
      (10) Dat sen Vaer mit hum wil geven:
      Ast ien van beyen wesen sal,
      Ist niet beter quaet as mal?

D.    3.  Al was sen goet noch iens so groot,
      So mach ick de nar niet hooren:

      (15) Om myn bloet, noch om myn dood,
      Leltme niemeer an men ooren:
      Was hy geck, of quaet ’t was frey,
      Maer nou is hy ’t alle bey.

          4.  Comt hy op myn camer weer,
      (20) Moer, ick seghtje van te veuren,
      Ick schop de Kay van boven neer.

M.   Kijnt ie moetie niet versteuren:
      Ast ien van beyen wesen sal,
      Ist niet beter quaet as mal?

[a, p. 16]
D.     5.  ’k Weet niet, moer! ’k wil om de keur
      Niet iens van de ballick vallen:
      Het hy niet ien dolle breur?
      En al ’t geslacht dat is vol mallen;
      Was hy geck of quaet, ’t was frey,

      (30) Maer nou is hy ’t alle bey.
          6.  Moertjen, as de man is geck,
      Broets, en groots, en onbescheyen,
      De Vrouw die krygt oock dat gebreck,
      In die kyeren worden keyen:

      (35) Was hy geck, of quaet, ’t was frey,
      Maer nou is hy ’t alle bey.

          7.  Was hy krancksinnigh en quaet,
      Men mocht hem in ’t dolhuys sluyten.
      Maer Moertje-lief, ick weet gien raet,

      (40) So gaet War-nar hum te buyten:
      Was hy geck, of quaet, ’t was frey,
      Mar nou is hy ’t alle bey.

          8.  Geeft men Eel-hart die ick min,
      Wilje Moertje? seg, ay lieve!

      (45) ’t Is ien langhs-knecht na men sin.
      In ick houw toch van gien brieven:
      ’t Is mit War-nar niemendal,
      Wangt hy is korsel, geck, en mal.

’t Kan verkeeren.


Van gierighe
Gerrit, en Modde van Gompen.

Stem:
Daer ick gister avond quam, daer scheen de, &c.

            DE Gierige Gerrit, die lebbige dief,
            Die vrijt nu zijns ghelijck,
            Die vrijt nu, etc.
            Wangt hy het Modde van Gompen lief,

            (5) Die leelijck is en rijck,
            Die leelijck is en rijck,
            Die leelijck is en rijck.

                2.    Sy het ien asingt ruym van vel,
            Niet muysvael, noch niet bongt,

            (10) Niet muysvael, etc.*
            Na ’t rotte-graeu gelijcket wel,
            Maer swart wast inde grongt,
            Maer swart wast, etc.

                3.    Haer tangden zijn Kastangie bruyn,
            (15) Heur lippen pimpelpaers,
            Heur lippen, etc.
            Se het ien veurhooft tot heur kruyn,
            En hier en daer wat haers,
            En hier en daer, etc.

                4.    (20) In haer vermaelde wangen blieck,
            En in heur moye kin,
            En in heur moye kin,
            Daer sietmen ’t leger vande Grieck
            En trotsche Troyen in,

            (25) En trotsche, etc.
[a, p. 17]
                5.    Se is geborst, gebuyckt, gebilt,
            En louter inde vangh,
            En louter inde vangh,
            Praet van Rosbaijer soo ghy wilt,

            (30) Dees het ien ander gangh,
            Dees het ien ander, etc.

                6. Dit monsterum oft ongediert,
            Dat voert soo hooghen pracht,
            Dat voert, etc.

            (35) Daer wort ghien snof, gien snee versiert,
            Of ’t is heur daegh’lijcx dracht,
            Of ’t is heur, etc.

                7. Gerrit is wat root, en wat blaeu,
            Wat paers, wat kakelbongt,

            (40) Wat paers, wat etc.
            Sen tangden as ien wouwe klaeu
            Staen averechts in sen mongt,
            Staen averechts, etc.

                8.    Hij sieter nou soo Jongeties uyt,
            (45) Wangt hy het corts ehaert,
            Wangt hy het, etc.
            Na dat hy schoon was uyt eruyt,
            Kreech hy sen twiede baert,
            Kreech hy sen, etc.

            (50) Hy is soo anxstelijck moy,
            Men vreest datmen hum siet,
            Men vreest datmen hum siet,
            Sijn Vaer het brieven van Octroy,
            Men macht na-drucken niet,

            (55) Men macht nae, etc.
                10.    So yemandt noch een stempel vint,
            Die kaptse vry an twee,
            Die kaptse vry, etc.
            En drijftse met die woeste wint,

            (60) Diep inde Zuyer Zee,
            Diep inde Zuyer Zee,
            Diep inde Zuyer Zee.




Twee-spraeck, tusschen

Kniertje Knelis

En Lijsbet Leffers.

Stem: Wie wil hooren een nieu Liet, &c.

    K.    HOu sick hou, goen dach in ’t huys:
            Wel is hier nou niemant t’huys?

    L.    Ja Kniertje komt vry binnen,
            En siet iens waer wy sinnen,

    K.    (5) Wel, ’t is hier nou wel in jou bouw,
            Dus besich staech met spinnen?
            Maer wat ick jou segghen souw:

        2.     Lijsbet Leffers weet jy ’t niet
            ’t Is van sen leven niet eschiet,

            (10) Ala moer de Franse
            Wou niemant met me dansen
            Noch jonge Jan, noch ouwe Jan,
            Noch Ariaen, noch Jan Jansen,
            Noch Jan oom Janses Jan.

[a, p. 18]
        3.     (15) Is hy waert dat hy Broot eet
            Die oude deucht so haest vergeet?
            Jae! mocht zyn Vaer opkijcken,
            Hoe sou hy hem doorstrijcken?

    L.    Mar, segje dat? wat Jan so prat,
            (20) Liet hy jou daer staen prijcken?
            Kniertje Knelis, wat! wat! wat!

        4.     Wat! dat lijckt seper niette mijt.
    K.    Ja, meenje dattet men niet spijt:
            Ick heb hum hiele daghen

            (25) Op desen arm edraghen!
            Wat dat beduyt, staech wou hy uyt,
            Ick heb hem inden waghen
            Soo menichmael ekruyt.

        5.     Heer! Lijsbet moer, wel ick bekent,
            (30) Ick was totte jonghe so ewent,
            Ja ick en kon niet eten
            Had hy niet me egeten,
            Sneed’ ick ien stick, en smierdet dick,
            Wy beten beet aen beten,

            (35) Dan hy, en dan weer ick.



Twee-spraeck tusschen

Iaep Ians ende Fijtje Floris

Stem: Banghe suchjes gaet nu spelen,

        I.    FYtje Floris myn speulmeysje
            Wilje me na buyten gaen?
            Kom myn beckje noch ien reysje,
            ’k Selje dan wat nieus verslaen.

        F.    (5) Sus Jaep Jans, ay! swijcht stil,
            Hoe gaeren sinje op ten tril.

        I.  2.   Fijtje! wille wy gaen varen
            Met ien schuytje na ’t swart huys?
            Ick mach gien broot voor vrienden sparen,

            (10) ’k Heb noch moye negen duys
            Mit ien blanckje van mijn Oom,
            Heer! ick eet so garen Room.

        F.  3.   Jaepje meuchje wel suycker-peeren?
            ’k Hebse in mijn lincker-manckt:

            (15) Get, hoe wille wy bancketeren!
            Gaeuwe sitten op die kanckt,
            ’t Is hier soo ondiefte moy:
            Maer! hoe soetjes ruyckt dat hoy!

        I.  4.   Fijtje! gaeje daer so leggen
            (20) In dat natte langhe gras?
        F.    Jaepje, wil ick iou wat segghen,
            ’k Wouw Michieltje by ons was!
            Noch die knecht die is soo groen:
            ’k Weet niet wat ’k hem wel sou doen.

        I.  5.   Men souwer seper op verlieven.
        F.    ’t Is de warret: Maer neen kijns,
            Ick heb veer de outste brieven:
            Wangt Michieltje is goet mijns,
            Ja so seer, ick weet niet hoe,

            (30) Dat’s alliens, as daer en toe.
              6.   Michieltje wouwme lestent trouwen
            Met ien veter, in hy sprack:
            ’k Selje koopen ien nuwe Bouwen

[a, p. 19]
            Mit ien schorthaeck, en ien Jack:
            (35) Wilje, seyd hy, ’t is edaen?
            En ick nam ’t op mijn beraen.

        I.  7.   Hoort iens, Fijtje, songer iocken:
            Michieltje boodme flus noch trouw,
            Hy swoerme by de groote Klocken,

            (40) Dat hy mijn toe-maken souw,
            Voor ien Prins: en ’tis eschiet.
            Het hy-me lief, of het hy niet?

        F.  8.   Je selt hem by gort niet genieten,
            Al waerje siet noch iens so fel.

        I.    Wel, laete wy-er om opschieten
            Wie Michieltjen hebben sel,
            Rae jy kruys, so ra ick munt:
            Nou laet zien wat Godt mijn gunt.

            9.   Fijtjen hettet spul verloren,
            (50) Mar hy doeter wat hy wil:
            Al het hy Jaepjen hooch ghesworen,
            Daer is al wat aers in ’t til.
            Deynckt, of sy niet kloeckjes spint,
            Dat s’hem kost en bier-gelt wint!




Van Besje met Lijsje heur Dienst-meyt

Stem: Ach ongheluckighen dach!

L.  HOort hier iens Bestemoer!
      Hoe ick by Hansje voer,
      Die myn wel ier sen trouwe swoer,
      En met sen tongh soo heeft verdooft,

      (5) Dat ick van sinnen schijn berooft.
B.    2.  Lijsje! weet jy noch niet,
      Dat dit altoos gheschiet
      Van die hier milst sen dienst aenbiet?
      Liert Lijsje, liert me lieve kijnt!

      (10) Dat woorden syn niet mier as wijnt.
        3.  Veul sijn vrient met de praat,
      Of met een schoon gelaat,
      Mar weynich zijnder inder daat:
      Deynckt, as heur jonst soo haest verdwijnt,

      (15) Dat woorden syn niet mier as wijnt.
        4.  Wie dat hier licht vertrouwt,
      Doet haest dat hem berouwt,
      Siet Lijsje, datje dit onthouwt,
      As jy u by die praters vijnt,

      (20) Dat woorden zyn niet mier as wint.
L.    5.  Die ick niet wel en wil,
      Daer teughen swijgh ick stil:
      Maer hy swoer dat ’k hum wel bevil,
      En blies-men so veul in men hooft,

      (25) Dat ick van sinnen schijn berooft.
        6.  Veul lichter dan het stof
      Gaen hem de woorden of:
      Al sijn sy schoon vol gunst, en lof:
      Ick selt gedeyncken hoe hij ’t pijnt,

      (30) Dat woorden syn niet mier as wijnt.
B.    7.  Zo doeje assen meyt
      Ier iemet jou verleyt,
      So looft niet altoos watmen seyt:
      Mar deynckt, as hum een knecht verbynt,

      (35) Dat woorden zyn niet mier as wijnt.
[a, p. 20]
        8.  Al waertje beste vrient
      Die mier spreeckt as hy mient,
      Jou hert noch ooren nimmer lient:
      Hoe degelijck dat Hansje schijnt,

      (40) Deynckt woorden sijn niet mier als wijnt.
L.    9.  Besjen, ick segghet jou,
      Men vynt by Man en Vrouw
      (Godt betert) al te luttel Trouw,
      ’tIs miest geveynstheyt, ick bevynt

      (45) Dat woorden sijn niet mier as wijnt.



Van

Dieuwertjes Vryer.

Stem: Meester Clement ghy vuyle vent, etc.

DIeuwer is verlieft (by get)
Op sukken reynen vrijer:
Mar s’ hetter niet iens op elet
Hoe slim dat hy sen bienen set,

(5) Ghelijck en kreup’le Snijer.
  2.   Wangt asse mar sen asingt siet,
Sy kander niet uytkomen:
Sy weet dan van haer selven niet,
Sy staet wannier heur dat gheschiet

(10) Al waer sy op enomen.
  3.   Dan Dieuwertje je hebt jou reen,
Die jou daer toe andrijven,
Je siet op zijn volmaeckte leen:
Die ick van boven tot beneen

(15) Na ’t leven sal beschrijven.
  4.   Sen hayr dat is as sulver grijs,
Sen asingt daer beneven
Dat is so rongt, wijnt-hongts gewijs:
Ist dat icket niet genoech en prijs,

(20) Dat moetje myn vergeven.
  5.   Sen veurhooft is ghebult seer hooch,
Gien schilder souwt soo maken:
Daer by het hy ien slincker oogh
Dat is hiel leep en selden droogh,

(25) Gheboort met root scherlaken.
  6.   Daer toe het hy een groote Neus
Vol Parlen en Robynen,
Op het fatsoen van Heyntje Peus:
Van veruw is sy hiel glorieus,

(30) Miest uyt de karmosynen.
  7.   Sen kneveltjes staen hum so schots,
Steyl boven sen propre monckje,
Die hy ierst stijfden mit wat snots:
Nou kyck hy deur de hayrtjes trots

(35) Recht as en Ys-langs honckje.
  8.   Sen lippen sijn veur al niet swack,
En zyn Trompetters wanghen,
Die staen soo stijf, so straf, soo strack:*
Men souw met soo een Bulleback

(40) Wel ionghe nickers vanghen.
  9.   Sen kinnetjen is so wel edaen:
En waer het niet vol puysten,
Men souwer klauwen op of slaen:
Mar isser yemant om begaen,

(45) Die slaetse plat met vuysten.
[a, p. 21]
  10.   Het ongse Diewer dan gien recht,
Dat zy leyt al heur sinnen
Op dees verweende moye knecht?
Ick bidje (vrienden) datjet seght,

(50) Wie souw hum niet beminnen?
  11.   Wangt (siet) hy het mar ien gebreck
An al sen lijf, en leden:
Dat mier is, ’t is ien hoddebeck,
Een lompe loer, ien groote geck

(55) Van boven tot beneden.
  12.   Mar Diewer die is wijs en vroet,
Niet vleesschelijck noch biestigh;
Sy lieft sen vleys niet, noch sen bloet,
Mar s’is genegen tot sen goet:

(60) Bemints’ hum dan niet giestigh?
’t Kan verkeeren.


Bruyd-Lofs-Gedicht,

Ter Eeren

DIRCK PIETERSZ. VOSKUYL,

Ende

AAFGEN WILLEMS Dr.

LAEST als ick gants alleen, alleen was uyt getogen,
Der Minnen blinde God quam aen mijn zy ghevlogen,
Hy sprack, ô slechte Mensch! die steeds van ’t aartsche maalt:
Klimpt op mijn schouders gaeuw, flucx hooger stoffe haalt,
(5) Het oude is men warsch, wat nieuws verquickt de Vol’cken:
Met greep hy my om ’t lijf, en vlooch stracks door de Wolcken,
Tot in het Eeuw-Palleys, zyn alderhoochste kruyn,
Hy sprack verheught tot myn, (in ’t Aackelighe bruyn)
[a, p. 22]
U selden-satte lust versadicht hier nae wenschen,
(10) Vertelt myn wond’re kracht de nieuws’gierighe menschen,
Nu teeckent, dicht, onthouwt, het gheen ghy siet en hoort,
Wt had hy: en hy tradt by die vergad’ringh voort.
    Dees cleene, groote God, stack met sijn held’re stralen,
Der Goden throon in brandt, in vlam de gulde zalen,
(15) Wurp poppen inden hoop, van d’onsterff’lijcke Goôn,
Die gants dit nieuwe vier noch waren onghewoon:
Dies ’t vrolijck rustich Rijck, raackt schielijck aen het warren,
De Hemel dondert, siet! de weerlichtende starren
Met scheemer gloeyend-gloor, beschittert ’t schoon ghewelff,
(20) Dees floncker-vlam die brandt der Goden Vader selff,
Want d’heete meng-lust na zyn Suster hem deed joocken,
Die worst’lend hy verwan, door troetelen en ’t stroocken,
De gantsche Hemel was vol Minnelijck ghewoel,
Een yder roemden van dat lieffelijck ghevoel,
(25) Een yder roemden van dat vriendelijcke strijen,
Een yder claachden van dat bitter soete lijen,
Een yder claachden van den kouwden heeten brandt,
Die yder snerckten in zyn raesend inghewant.
Maer ’t eunjer Goodje loech, en clapten in zijn handen,
(30) En riep met groot ghejouw haar openbaare schanden,
Nu Dichter (seyd hy) schrijft hoe dat de grootsche Godt
Door dees mijn kindtsche booch, is dwaesselijck versot,
Siet al de narrery van die verwyffde Goden.
Iupijn is grammelijck ken-schuldich vluch ghevloden
[a, p. 23]
(35) (Wraackgierich door de spijdt) nae ’t schrickelijck gheweer,
En sloech den Lecker trots met d’eerste stoot ter neer.
Dewijl Cupido noch vast wispelt met ghewemel,
Wiert hy gheworpen voort al dwarlend uyt den Hemel,
De Goden hielden Raat: maer Venus was beswaert
(40) Als haren lieven Soon voor Ballingh wiert verclaert,
Die na den aff-val bleef noch inde lucht wat hanghen,
Om mijn swaar-wichtich lijff, voorsichtich wel te vanghen.
Want doen Iupijn den Al, herstelde in zyn stee,
Smeet hy ten lesten my van boven neder mee,
(45) De Goden lachten om myn overstout vermeten,
En wat sy deden meer dat is my schoon vergheten.
    Doch t’Heylichje my bracht, weer op mijn eerste plaats,
Daer wierden wy te saem de alderbeste maats,
Hoe dickwils sach ick hem, sijn kuurtjes loos bedryven!
(50) Hoe dickwils gaf hy my een oorsaeck om te schryven!
Hoe hy syn Pijltjes schoot op ’t Geyle woeste wilt,
Dat nae den ander noch soo tochtich, loeyd’ en gildt!
Hoe hy sijn Pijltjes schoot op Boeren en Boerinnen,
Die spelen noch om stryt, het lieff’lijck spel van Minnen!
(55) Hoe hy syn Pijltjes schoot op d’Edelinghen weeck,
Die terende vergaen, door teed’re Ioff’ren bleeck;
Hoe dickwils schoot hy uyt zyn wijdt-vlieghende Pijlen,
Quetsende door ’t ghehoor van over hondert mijlen!
Hoe dickwils menghden hy, die Suycker-galle smart,
(60) Die door de ooghen daalt in’t onbekende Hart!
[a, p. 24]
Dit wonder kleene Kindt kan met zyn vlammigh blaacken,
’t Onsichtber menschen Hart so juyst in ’t midden raacken!
Dit wonder kleene Kind, de aldersterckste man
Met een gesicht alleen, so licht verwinnen kan!
(65) Dit wonder kleene Kind temt wilde Iongelinghen;
En doet den ouden grijs doen jeughdelijcke dingen!
Dit is Heer Bruydegom het selfde loose wicht,
Dat noch zyn zetel houwt in ’t lodderlijck gesicht,
In ’t lodderlijck gesicht van u beminde Vrouwe,
(70) Daar hy, sint ick hem sach, heeft heym’lijck by onthouwen.
Dit is Heer-Bruydegom den brant van uwe borst,
Die ghy uyt-suchten wel, maar niet uyt-spreecken dorst.
Dit is den Seyl-steen, die, die u so menich maalen
Het harte dicht by haer uyt ’t lichaem konde haalen.
(75) Dit is Eerwaerde Bruyd, het dient u uyt geleyd,
Het geen den Bruygom u so dickwils heeft geseyd,
Dit zyn Eerwaerde Bruyd de sachte felle wonden,
Die gh’ in u Bruygoms hart so lieff’lijck hebt gesonden,
Ghy zyt de oorsprongh van zyn lieve layde pijn,
(80) Die van u goede gunst weer moet gebetert zyn:
Ghy hebt hem eerst gequetst, ghy moet hem oock genesen,
Ghy hebt hem eerst gequetst, ghy moet de Artsney wesen;
Recht als het yzer van Achilles Lancy was,
Die Prinçen wonden, en de selfde weer genas.
    (85) Hoe bloosdy dus Vrou-Bruyt? wat meughdy u bedwingen?
Ick sie wel dat de Min wil uyt u oogjes springen,
[a, p. 25]
Om ’t minneloos ghelaet niet meerder nu en peynst.
Wech met de kouwde grijns, ’t is langh ghenoech gheveynst,
Siet hier de lieve Nacht, betorst en wel befackelt,
(90) Wat popelt u ghemoet? hoe sit ghy dus en quackelt?
Wech met de doode vrees, ghy hebt in ’t minst geen noot,
Ghy sult gaen sterven nu die over soete doot:
Ick wedt ghy sult hier na het onghewoone leven,
Voor uwen Maachdom niet in Wissel willen gheven.
(95) Wat is die Maachdom doch? de spitse vande lien
En heeft de Maachdom noyt met ooghen eens ghesien.
    O Maachden! siet ghy niet die oversijtsche loncken,
O Maachden! siet ghy niet den Bruygom Minne-droncken?
(Staet op) o soet gheslacht! gheeft haer den lesten soen.
(100) Het over blijfsel sal den Bruydegom wel doen.
Gaat aan Speel-noots, gaat aan, wilt haer te bedde leyden,
Den Bruyd’gom sal terstont van al ’t Geselschap scheyden:
Sy rijst, sy staet, sy coemt, sy pieraarst, neen sy gaet;
Comt morghen ons doch by, maar in een ander staat;
(105) Comt morghen ons doch by, vertrect dan dese Maachden
Hoe dattet u staet an, hoe dattet u behaachden.
Gheluckich Ouders die ’tghewenschte houw’lijck siet,
Gheluckich boven al die dit gheluck gheniet,
Wy wenschen dat u God soo veel vreuchde wil gunnen,
(110) Alsmen op d’Aarden-creyts beleven souwde kunnen:
Wy scheppen uyt u heyl int minste gheen verdriet,
Soo wy betuyghen met dit nieuwe Bruylofts-Liet:
’t Kan verkeeren.


[
a, p. 26]

Bruylofs-Liedt,

Stem: Het daaghet uyt den Oosten, het licht, &c.

            COmt hellipt vrolijck singen
            Vrou Venus Borgery:
            Bly-gheestighe Ionglinghen
            U held’re Kelen bly,
            (5) Laet voor ons graaghe ooren
            Nu eens hooren.
              2   Singht op Bruylofts-ghenooten,
            Hoe dat dit lieve Paar
            Den Hemel heeft beslooten
            (10) Te houwden by mel-caer
            Tot dat de Doot haer beyden
            Comt te scheyden.
              3   O ghy versaamde menschen
            In een vergaart soo soet:
            (15) Wy gunnen: en wy wenschen
            U ’t Alderbeste-Goet,
            Dat d’Hoochsten u kan gheven
            Nae dit leven.
              4   Dit siel-mengend vergaaren
            (20) Sal hy Waap’nen voor druck,
            Begiften met wel-vaaren.
            Van steets bloeyend gheluck,
            En maken u Eer-waardigh
            Recht goet-aardich.
              5   (25) Staet op ghy blije-Lieden,
            Nu Bruydegom treed aen,
            Die soete strijdt moet schieden
            Die’ck wensch: dat moet vergaen
            Dat van u twee, den derden
            (30) Haest mach werden.
              6   PRINS laet In Liefde bloeijen
            Dees twee vermenght in een,
            Haer herten doet begroeijen
            Soo dicht: dat ghy alleen,
            (35) Of den Dood, t’uwer eeren
            ’t Kan Verkeeren.



[
a, p. 27]

Aen-spraeck van een ghetrouwde Vrouw,
en een ghevryde Vrijster.

Stem: Cupido geeft my raet om mijn liefs hart, &c.

            NEen Trijntje, doetet niet:
            Wilt op het goet niet kijcken:
            Ick raeje datje siet
            Na een u tijdts ghelijcken:

            (5) Wangt neem-je ien oude rijcke,
            En afgheleefde man,
            Diens krachten vast beswijcken
            Ghy benter qualijck an.

              2   Of schoon u Moeder praet
            (10) Van wongderlijcke dinghen
            Van hem, en van sen staet,
            Van kostelijcke ringhen,
            En and’re beuselinghen,
            Van Geer-aerts groote goedt,

            (15) Laet u daer door niet dringhen
            An sucken suffen bloedt.

              3   Het bloemtje van u jeught
            Laet van geen Droogert plucken,
            Of ghy sult al de vreught

            (20) Uws levens onderdrucken;
            In veul bedroefde stucken
            Van quellingh en verdriet:
            ’t Sal selden soo ghelucken
            Dat het na wensch gheschiet.

              4   (25) Ist dat u Eel-hart vrijt,
            Soo ghy my komt verklaren,
            O! sijn ghelijcke tijt
            In ouderdom van jaren,
            Sal mier vernoegings baren,

            (30) Dan al des Geer-aarts gelt,
            Die met sijn kaarich sparen,
            Sijn siel en lichaem quelt.

              5   Vervloeckt so sy de uur,
            Doenmen my ierst aen dienden

            (35) Van Melis ons ghebuur,
            Die my van herten miende,
            Mar korts daer op mijn Vrienden
            Die gaven my een knecht,
            Rijck, kreupel, en stick-siende,

            (40) Van lijf en sinnen slecht:
              6   Die nimmermier en doet
            ’t Gheen hy hoort te bestellen:
            Ick schaamt my in myn bloet,
            Ick macht u niet vertellen,

            (45) As my die lieden quellen,
            Of praten van wat soets,
            Mijn aderen die swellen,
            Ick wordt schier tjats en broets.

[a, p. 28]
              7   Al is hy noch soo groen
            (50) En tot my miest gheneghen,
            Hy staet as ien kapoen,
            En kan hem niet beweghen,
            ’t Is nimmer iens te deghen:
            ’k Ben by sen levend’ lijf

            (55) (Wat batet doch versweghen?)
            Syn meyt, syn weeuw, syn wijf.

              8   Wangt dese rechte vent
            Weet van gien and’re saken,
            Als dat hy wroet, en went,

            (60) En wentelt in het laken,
            En mient my te vermaken
            Allienich met sijn slaap:
            Mar! hoe mocht ick doch raken
            An dese drooghe Jaap?

              9   (65) Ick volchde vrienden raat,
            Dan ’t is myn wel berouwen:
            Ten is niet altoos quaat,
            Na eyghen sin te trouwen,
            Trijntje wilt dit onthouwen,

            (70) En overlegget wel:
            Men kan te samen bouwen
            Ien Hemel of ien Hel.

’t Kan verkeeren.


LIEDT,

Stem:

Pavane d’Espangie, &c.

            OM dat ick heb ghepresen
            Mijn waerde, soete, Beck;
            Moet ick daerom nu wesen
            Ghehouden voor een geck?

            (5) Dit ’s u grootste ghebreck
            Die uwe faem verslimt,
            Dat ghy soo licht vergrimt,
            En bitter schelt en schimt.

              2   Doch twee ghewenste gaven
            (10) Verleent u de natuur:
            Dat ’s overvloet van haven,
            En schoonheyt van statuur:
            Maer denckt, o Creatuur!
            En onthout dit van mijn,

            (15) Dat dese dinghen zijn
            Niet anders als een schijn!

              3   Dit maeckt meest alle Vrouwen
            Hoovaerdigh en verwaent,
            Dat sy te veel vertrouwen

            (20) Haer lieffelijck ghedaent:
            En alsmen haer vermaent
            Dat een lustigh ghestalt,
            Somwijl schielijck vervalt,
            Soo heeftmen sich verkalt.

[a, p. 29]
              4   (25) Een rijcke Vrou is lastich,
            Een schoone trots, en stout,
            Een middelbaer stantvastich,
            Wel hem die sulck een trout:
            Die vint hem niet vervrout,

            (30) Ghelijck men, leyder! siet
            Dat nu soo veel geschiet,
            Daer ’t Wijf de Man ghebiet.

              5   Ick merck Lief u begeeren,
            En u ghedachten hoogh,

            (35) Die sien na weytsche kleeren
            Die cierlijck staen in ’t oogh,
            Al heeft de man geen boogh,
            Is ’t een schalck, of een brief,
            Is ’t maer een rijcke dief,

            (40) Om ’t goet hebt ghy hem lief.
              6   Comt na u een minder kijcken
            Oprecht, vroom van gemoet,
            Die durft ghy wel uytstrijcken
            Ja schelden voor een bloet,

            (45) Ghy kent u schier te goet
            Dat ghy hem eens siet aen,
            Off by hem wat te staen,
            En dwingt hem stracx te gaen.

              7   Maer, Lief, het spijtich spreken
            (50) Van een mont snaver-snel,
            Noch dreutsche, scheetsche treken,
            Of een stuurs wesen fel,
            En voeghen niemant wel;
            Besonder, so men seyt,

            (55) Past voor een Jonghe Meyt
            Beleefde vriend’lijckheyt.

              8   Want ’t rat van Avonturen
            De rijckdom licht verkeert,
            En schoonheyt mach niet duren

            (60) Soo d’ ondervindingh leert,
            Dus eer ghy dees ontbeert,
            En eer ’t u qualijck gaet,
            Betoomt u woest gelaet,
            En straffe sinnen quaet.

’t Kan verkeeren.


LIEDT,

Stem:

Cupido geeft mijn raet, &c.

         1 HEB ick u niet gheseyt
            Dat ghy noch eens sout missen
            U rustighe schoonheyt,
            Of u wackere frisschen,

            (5) Blijde ghestaltenissen,
            Door sieckt of qualijck vaert?
            Segt my, segt nu, waer isse
            Daer ghy soo trots me waert?

              2   Recht als een vaste Roots
            (10) Sich niet en kreunt aen winden;
            Soo was u hart te groots
            Voor al die u beminden:

[a, p. 30]
            Maer nu men siet verswinden
            U schoonheyt (voor verhaelt)

            (15) Nu can men licht bevinden
            Dat uwe grootsheyt daelt.

              3   Wat werd hier op ter aert
            Meer als schoonheyt gepresen?
            Als deughd daer by vergaert,

            (20) Met reden en met wesen:
            Ey, dat ’s een uytghelesen
            Schoonheyt die niet verdwijnt,
            D’ander bereyt veel vresen,
            En s’ is niet dat sy schijnt.

              4   (25) De schoonheyt van t’ aensicht
            Can haest een man verdoren,
            En doet een vrou seer licht
            Tot snoode lust becoren.
            Maer recht schoon wert geboren

            (30) Uyt een Hemels ghemoet,
            Ghy hebt het valsch verloren,
            En vint het dierbaer goet.

              5   Te voren en mocht u
            Schier niemant sien of raken:

            (35) En tegenwoordich nu
            Staet ghy yeder te spraken:
            Ay wat seltsamer saken,
            En wonderlijcker daat,
            ’t Verlies dat doet u maken

            (40) Een seer veel schoonder staat.
              6   De schoonheyt die ghy wint
            Can ick ghenoech niet eeren,
            Die wert van my bemint
            Met hertelijck begeeren:

            (45) ’t Welck niet en kan verkeeren
            Door tijt, nochte door druck:
            Siet hier aen meuchdy leeren
            U groot, en goet gheluck:

              7   Soo wie een schoone siet
            (50) En daer op stelt sijn sinnen,
            Wanneer hij ’t schoon gheniet,
            Het geen hy wenscht te winnen,
            ’t Bedroeft hem haest van binnen
            Soo sijn schoon yets vervalt:

            (55) En soo licht is syn minne,
            Als haer wanckel gestalt.

              8   Siet hoe die schijn verlebt
            Door een weynich beswaren;
            De schoonheyt die ghy hebt

            (60) Verbetert door de Jaren,
            Over sulcx sal oock varen
            Mijn liefd’ met u int graff,
            Indien ghy kunt bewaren
            ’t Geen u u sieckte gaff.

              9   (65) Neemt dese spiegel voor,
            En spiegelt u ghedachten,
            Ick weet ghy sult hier door*
            U wel voor hoochmoet wachten:
            Alsulcke groote crachten

            (70) Uyt sellifs-kennis rijst:
            Wilt niemant seer verachten
            En middelmatich prijst.

’t Kan verkeeren.


[
a, p. 31]

Koortsigh Lietje.

Stemme:

Onlangs vroeg in ’t morgen-rood, &c.

        ALs Dirckje in syn Koortse lagh,
        Die hem het bloed besmette,
        Met een brandende hette:
        Hy sloech sijn ooghjens op, en sach

        (5) Dat sijn lieve Lijsbette,
        De selve sieckte lette,
        Doen heeft hy gheseyt:
        Mijn vriendelijckheyt,
        Hoe deert myn u leyt!

        (10) Och sterft niet, maer beyt,
        Want siet ick ben bereyt
        Mijn ziel u by te setten.

            2    De vlammen steghen an sijn hart,
        Sijn tongh hield op van klaghen:

        (15) Sijn pols begon te jaghen:
        Het scheen dat hy veel styver smart,
        Ja doodelijcker plaghen
        Om harent wil moest draghen,
        Dan doch niet temin,

        (20) So nam hy noch in
        Sijn soete vriendin,
        En sieckts-ghesellin
        Met siel en met sin,
        Een wonder welbehaghen.

            3    (25) Sy sloot haer ooghjens hallif toe,
        Als hy hem neder spreyde,
        En totter doot bereyde:
        Sy sach wel an sijn lipjens doe
        Hoe sijn ziel arrebeyde,

        (30) En al zyn kracht uytbreyde.
        Sy riep doen so seer,
        Met een stemmetje teer,
        Mijn Enghel! mijn Eer!
        Ick swijm, och mijn Heer,

        (35) En ick, seyd’ hy weer,*
        Gae van mijn sieltje scheyden.

            4    De woorden kleefden an de tongh,
        Sy bleven legghen swoegen,
        Met lieffelijck vernoeghen:

        (40) Haer Herten hijghde, en de Longh,
        En dat in sulcker voegen,
        Dat al de Aders sloeghen:
        Die tuychden ter noot
        Haer jammeren groot,

        (45) En quellinghen snoot,
        Hy sturf in haer schoot
        Een suyckerighe doot,
        Daer sy haer slap om loegen.

’t Kan verkeeren.


[
a, p. 32]

Een eerlijk Vrijsters antwoort-lied,

Stem: Van een eerbaer vrou en haren man, &c.

  NU hoort mijn vrient gepresen
Na dien ghy hier vermaent,
Van mijn beteutert wesen,
En mijn verschrickt gedaent,

(5) Mijn wanghen nat betraent
Die moet ick eerst af drooghen:
De anxst die ’t herte waant
Maeckt beecken van mijn ooghen.

    2  Al wat ghy hebt gedreven
(10) Is redelijck en goet
Na d’ kuntschap (o mijn leven)
Die ’k heb van u ghemoet:
Maer laest was hier een bloet
Die my van u yets zeyde

(15) ’t Welck ick soo heb begroet
Dat hy met schaemte scheyde.

    3  Meent ghy myn uytvercoren
Dat ick den dieren eedt,
Die ick u heb gesworen,

(20) Soo lichtelijck vergeet?
O neen dat waer mijn leet:
(Al is dit veel by vrouwen)
De beloft die ick deedt
Sal ick in waerden houwen.

    4  (25) Ick heb wel connen mercken
De jonst die ghy my droech,
An u verliefde wercken
Daer ick dickwils om loegh,
Als ick ’t oogh op u sloegh

(30) Ick kon my niet versaden
Staet op het is genoegh,
Ick bid u om ghenade.

    5  Het sal uyt mijn gedachten
Gaen nu noch nimmermeer,

(35) Hoe hooch ghy my ginght achten;
Mijn vrient, mijn lief, myn Heer,
Myn glorij, en mijn eer,
Al moet ick u ontbeeren
Ons lieffelijck begeer

(40) Sal Godt ten besten keeren.
    6  En ick sal al myn daghen
Waer in ick can, of mach
U soecken te behaghen,
Dus maeckt gheen meer geclagh,

(45) Soo haest als ick u sagh
Ontvoochde ghy myn zinnen
Die tot mijn laesten dach
Ghetrou u sullen minnen.
[a, p. 33]
      7  Kan ick u lieff ghenesen,
(50) Ghelijck ghy mijn ontbiet,
Alleen met myn bywesen,
Verblijt u nu t’gheschiet,
Dat ick het voormaels liet,
Was uyt vreese voor schande,

(55) Staet op mijn lief en siet
Hoe ick in minne brande!

    8  Ick bid u Prins verstandel,
Met beschaemd’ kaacken root,
Dat ghy dees lieven handel

(60) Ten snootsten niet ontbloodt:
Of anders voor mijn doot
Sou ick veel dooden sterven,
Ghy sout door liefde groot
U reyne Dienst-maecht derven.
’t Kan verkeeren.


Liedt,

Stemme: Pavane d’ Espangien.

  AL mijn begeerlijckheden
Gaen noch in liefde voort:
Hoe wel dat mijn gebeden,
Of ’t alderminste woort

(5) Niet meughen zijn verhoort
Van u, o mijn vriendin!
Dien ick met hart, en sin,
Doch hopeloos bemin.

    2  Die mint ’t gheen hy moet derven,
(10) Sijn meerder, off partuur,
Die sterreft voor sijn sterven,
Duysent mael in een uur.
Och lieff, t’ valt my soo suur,
Ja een hart dootlijck leyt,

(15) Dat d’onghelegentheyt
Ons van den and’ren scheyt.

    3  Mijn Gaerne brant van minnen
Blijft onbluslijck, en groot,
Ick sal met trouwe sinnen

(20) (Hoe seer van hoop ontbloot)
U lieven tot mijn doot.
O soet maagdeken teer!
Die ick na mijn begheer
Niet ghenoegh prijs en eer.

    4  (25) Godt weet, ’t gheen voor de menschen
Is onsienlijck en bedeckt,
En na wat wit mijn wenschen
Sich t’ eenemaele streckt,
En hoe mijn herte treckt

(30) Na uwe frissche jeucht,
En u bloeijende deucht
Is mijn ghewenschte vreucht.
[a, p. 34]
      5  Moet ick (soo ’t schijnt) ontberen
U, om t’geen dat ghy weet,

(35) So durf ick u wel sweren
Met een seer hooghen eedt,
Dat ick sal draghen leedt
Niet met rou-cleeders swart,
Maer binnen in mijn hart,

(40) Daer ’t niet ghesien en wert.
    6  Maer wou Fortuyn eens wenden,
Of was ’t Godts lieven wil,
Een goet middel te senden
Om slechten het gheschil

(45) Dat tusschen ons eens vil:
Och een soo eenich stuck
Sou dooden haest myn druck;
Ach! had ick dat gheluck.

    7  Ick sou van blijdschap springhen,
(50) En singhen seer verblijd,
Hoe dat des wereldts dinghen
Verkeeren metter tijd,
Tot troost van die noch lijd
Van minne soet ghewelt,

(55) Eer hem wan-hope quelt,
Die ’t ghemoet seer ontstelt.

    8  Princes ick sal verwachten
U graci met gheduld,
En hoop dat ghy myn clachten

(60) Noch eens verhooren sult:
Als de maat is vervult
Van uwe wreetheydt straf,
Die haest moet nemen af;
Of ghy brenght my in ’t graf.
’t Kan verkeeren.


LIEDT,

Stemme: Als ick laest van Hollandt voer, Ick voer &c.

            NA dien ick van mijn trouwe dienst
            Het loon langh heb verwacht, etc.
            So vind ick my op ’t onversienst
            Van u dus schots veracht,

            (5) Van u dus schots, etc.

              2  Is dit mijn hoop? is dit mijn danck?
            Is dit dan mijn waardy? etc.
            Gingh ick hierom myn leven langh
            In straffe slaverny?

            (10) In straffe, etc.

[a, p. 35]
              3  Te spaed wert ick mijn sotheyt kunt,
            Maer doch het is my leet, etc.
            De eer die ick u heb ghegunt
            Was aen u niet besteet,

            (15) Was aen u, etc.

              4  Had ick u noyt soo wel be-ooght,
            Soo waer ick niet ghequetst, etc.
            Soo had ick noyt soo hooch gheboocht,
            Of schadelijck geswetst,

            (20) Of schadelijck, etc.

              5  Want dees eer, en u groote goedt
            Doen dat u sotte hart, etc.
            Vol op gheblasen hooghemoet
            Nu dus hoovaerdich wart,

            (25) Nu dus hoovaerdich, etc.

              6  Siet na u nuwe vrijer nu
            Daer ghy dus hoofs om pronckt, etc.
            Maer hy en siet niet eens na u
            Hoe ghy loer-ooght en lonckt,

            (30) Hoe ghy, etc.

              7  Of ghy al schoon hem scheets vertreckt
            Mijn kintse liefde sot, etc.
            Daer ghy (soo ’t schijnt) dan met my geckt,
            Daer wert ghy selfs bespot,

            (35) Daer wert ghy, etc.

              8  Want nu ghy ’t hem dus openbaart
            t’Geen u toe was vertrout, etc.,*
            Soo acht hy u (met* recht) niet waart
            Dat hy met u wat kout,

            (40) Dat hy met, etc.

              9  Al kruyft ghy ’t hayr, en ciert u hooft,
            U kunst dat is maer wint, etc.
            Hy veynst het gheen dat ghy ghelooft,
            Dat is dat hy u mint,

            (45) Dat is dat hy, etc.

              10  O meysjen! soo ghy and’ren doet
            Soo wert u weer gedaen, etc.*
            Mijn eerste liefde was wel goet,
            Maer die is nu vergaen,

            (50) Maer die is nu, etc.

              11  Princesse die ick eerst verhief:
            Ick wensch u goeden nacht, etc.
            Adieu mijn suure, soete lief,
            Ick soeck dat ghy verwacht,

            (55) Ick soeck dat etc.
’t Kan verkeeren.


[
a, p. 36]

Avondt-Liedt,

Op de Stemme:

Als ick laetst van Hollandt voer,
Ick voer van Amsterdam.

            ACH proper dier waer wildy heen
            Dus inde nare nacht?
            ’tIs sorghelijck te gaen alleen
            My tot Convoy verwacht,

            (5) My tot Convoy verwacht, etc.
                2   Hoe komt dat ghy so schichtich bent,
            En vliedt van my dus vert?
            Geen vyand Lief is u omtrent,
            Waer toe dit loopen hert?

            (10) Waer toe dit, etc.
                3   Vreest ghy niet dat de boeven, Vrou
            U sullen randen aen?
            En sy u misdeden, ick sou
            Van rou en smart vergaen

            (15) Van rou en smart, etc.
                4   Ick heb u dit so dick gheseyt,
            Oock vande liefde mijn:
            Ghelijck het hout in ’t vier gheleyt,
            So leghick inde pijn,

            (20) So legh ick inde, etc.
[a, p. 37]
                5   Hoe dickwils heb ick my vermant
            Om u te loopen naer,
            Niet eens aensiende eer of schant:
            Ick achtent niet een haer,

            (25) Ick achtent niet een haer, etc.
                6   So vreemt als gh’u in ’t loopen toont,*
            So vreemt zijt ghy in als:
            Blijft al mijn moeyten ongheloont,
            Soo is de kaart heel valsch.

            (30) So is de kaart, etc.
                7   Als ick noch denck om d’oude vreucht,
            En om de laetste praat,
            Dan is myn hartje heel verheucht,
            Wat sou nu doen de daat?

            (35) Wat sou nu doen, etc.
                8   Waarom toont ghy so vreemt een schijn,
            Daer ghy mijn wel meucht sien?
            Ick bid u, troost, ontdecktet mijn,
            De oorsaeck van dit vlien,

            (40) De oorsaeck van, etc.
                9   Nu ghy my dit te kennen gheeft,
            En opentlijck vermont,
            So sal ick u myn Lief beleeft
            Beminnen t’ aller stont,

            (45) Beminnen t’ aller, etc.
                10   Princes moet ick scheyen alree,
            So beveel ick u d’ Heer,
            Die wil dy: my bewaren mee,
            Adieu mijn lief vol eer,

            (50) Adieu mijn lief vol eer.
’t Kan verkeeren.


Liedt,

Stemme: van Pironelle.

WAT mach ick dwaes toch minne leggen
Op een soo hooghen braven stam?
Ach! elck sou van mijn sotheyt seggen
Indien mijn liefde te voren quam.

  2   (5) Was ick van meerder doch gheboren,
Off immers maer mijn lieffs gelijck,
Soo had ick hoop: maer dat’s verloren,
Want ick ben arrem, en sy is rijck.

  3   Nu dan mijn hart, nu dan mijn leven,
(10) Ick sal ten minsten haer dienaer sijn,
Soo den Hemel my ’t gheluck wil gheven
Dat ick be-oogen mach haer schoon aenschijn.

  4   Mocht ick haer aenschijn steeds be-oogen,
Mijn last hoe swaer, veraart in lust,

(15) Ick sou met vreughd mijn smart gedooghen,
Ja noemen al mijn moyten rust.

  5   Soo veel vermach het soet aenschouwen,
Van dees croon-waerde wijse vrou,
Om wiens wille ick alle vrouwen

(20) By my in heel groot achtingh hou.
  6   Waant ymant dat mijn groots verkiesen
Sijn Lichaem vormt uyt haer macht
Die doolt seer swaer: want ick ben diese
Verr’ boven s’werelts rijckdom acht.

[a, p. 38]
  7   (25) ’Tis al geen goet dat goet werd g’heten,
Maer veel een middel tot groot quaad,
Wee hun, die deughd om gelt vergeten,
En wijsheyd om wat slijcx versmaad.

  8   De rechte rijckdom werd ghevonden
(30) In een vernoeghd en vroom ghemoed.
Lief, dat u God die kennis jonden,
Dat ghy woud kiesen eer voor goed.

  9   Ick sou mijn sorgh dan laten varen,
Maer nu ick twijffel of ick wil

(35) Mijn liefde heelen, of openbaren
Doch vrees voor schande, seyt swijght stil.

  10   Als my de min na u gaat sturen,
Terstont vervollicht my ’t ghesicht
Der loose lieden, die my zien gluren,

(40) En loeren na myn lief, mijn licht.*
  11   Mijn lief, mijn licht, wilt hier aenmercken
Hoe dat u beelt’nis in mijn sloop:
Maer soo ghy siet mijn sotte wercken
Duyt die ten besten, mijn troost, myn hoop.

’t Kan verkeeren.


LIEDT,

Stemme: Belle qui m’ave blesse d’un traict, Ce doux. &c.

            O Parl! en puyck der vrouwen!
            En bloem van onse tijd!
            Twee steden sijn om u in strijd,
            Elck wil hier houwen

            (5) Den lof van uwe deucht,
            Van u vermaertheyt, en u jeught.


              2   Drie en vier Griecksche steden
            Die streden oock aldus
            Om de eere van
Homerus,
            (10) Yder had syn reden
            Dat hy wiert, bleef en quam.
            Soo
Hoorn heeft, en Amsterdam.

              3   Ghy Hoorn meught wel noemen
            Als dat ghy hebt gheteeld

            (15) Een wel besneden suyver beeld:
            Wy sullen hier roemen
            Door ’t heele
Amstellandt*
            Van haer vermaert verlicht verstandt.

[a, p. 39]
              4   Sappho door u ghedichten,
            (20) En varsen, vol vernuft
            Sijn veel verwondert, en versuft.
            En door u ghesichte,
            Ghy blixemt ende gheeft
            Het vier daer in myn ziele leeft.


              5   (25) Wat soete sachte vlammen?
            Wat walen van ghemoet?
            Wat schielijck wandelen van bloet?
            Wat lieffelijck vergrammen
            Ontsetten myn ghedaent,

            (30) Als ghy my moeten onbewaent?*

              6   Te swack soo sijn myn sinnen,
            Of heb ick te veel stof
            Om van u deughd, om van u lof,
            En oock om myn minnen

            (35) Te uyten met bescheyt,
            Soo schort mijn, laes! welsprekentheyt.


              7   Natuur heeft u ghegheven
            Het beste dat ick weet:
            Wilt ghy niet sijn vernaamd voor wreet?

            (40) Soo neemt, o mijn leven!
            Al mijn bittere smert
            Uyt mijn verteerd verliefde hart.

’t Kan verkeeren.


Nieuw Liedeken,

Stemme: Als ’tbegint.

            SOndagh, Sondagh lest-leden,*
            Op eenen St. Jans-dach
            Ben ick buyten ghetreden,
            Daermen veel waghens sach,

            (5) Met soo veul omme-slach,
            Het volck quam met hoopen
            Al by de voer-luy loopen,
            En maeckten daer verdrach.

              2   De Kneukels en de Boeren
            (10) Die hadden ’t op ghestelt,
            Sy wilden niemand voeren
            Dan voor ghedronghen gelt,
            Dit (docht mijn) was ghewelt,
            Ick wandelde met lusten,

            (15) En gingh myn selven rusten
            In ’t groen gheschilderd veld.

              3   De gladde paerden renden
            Langhes de harde slijck,
            De Voerluy diese menden

            (20) Klatterden vreesselijck.
            De dorre drooghe dijck
            Die was besaeyt met Menschen,
            Ick sach het al na wenschen
            In mijn begraselt rijck.

[a, p. 40]
              4   (25) Flucx quam daer an rumoeren,
            En raesden sonder roy,
            Heele waghens met Hoeren,
            Die wierpen vast met hoy,
            Dit dunckt die lieden moy.

            (30) Sy riepen en sy kreten
            Al haddens niet ghegeten
            Dit goore gorle goy.

              5   Wel eer wouw ick wel weten,
            Waer van, of hoe het quam,

            (35) Datmen mal plach te heeten
            Het volck van Amsterdam:
            Maar als ick dit vernam
            Ick barsten uyt van lacchen,
            Het schijnt wy komen pracchen,

            (40) Der droogers Speck of Ham.
              6   Waer heen ghy broetsche lieden?
            Ay lieve, blijft in stadt:
            Laet hier u roockt-vleys sieden
            En monckelt hier doch wat,

            (45) Tapt eens uyt ’t beste vat,
            Laet die gulsighe wespen
            Haar geel-garstighe Hespen,
            En haer kranck-hoofdich nat;

              7   Ghewoonten, en Landts-zeden
            (50) Heeft u te seer verleyt:
            Ey luystert na de reden,
            Betoomt u sinlijckheyt:
            Vertoeft, een luttel beydt,
            Wilt my hier in gherieven,

            (55) Bestelt my dese brieven,
            By
Iaap Haas Majesteyt.
              8   Drogisten uytghenomen,
            Wy sijn dit vollick moe,
            Als sy tot uwent komen,

            (60) Soo sluyt u poorten toe,
            Tot ick se open doe,
            Of sydy so bescheyden,
            Stiert dit ghespuys tot Leyden,
            Ick neem ’t u of in ’t goe.

              9   (65) Sanckt Ridders wilt niet pocchen,
            Om dat ghy Meesters bent
            Over dees slechte Jochen,
            Diemen u willich sent,
            Warenser maer ghewent

            (70) By u gebooren beuken
            En hallif gaeren kreuken
            Die rouw waer al ghe-ent.

              10   De velden en de stoepen
            Met wijven sijn beseyt:

            (75) Waer heen, waer heen sy roepen
            Na Haerlem gilt en meyt,
            Met so veul vrolijckheydt:
            Maar als sy weder komen,
            Is haer de vreucht benomen

            (80) ’t Alleluya is gheleydt.
              11   Onder so menich hongdert
            Was nau een deeg’lijck Man,
            Ick was blydt en verwongdert
            Dat wy’er so raeckten van,

[a, p. 41]
            (85) Quaemt ghy op een Sint Jan,
            Sanckt Ridders ons versoecken,
            Ghy souwt in onse kloecken
            U wel verdwalen dan.

              12   Ghy Princen en ghy Heeren,
            (90) Of nieus-gierighe lien,
            Ghy meucht wel weder keeren,
            Want hier is niet te sien,
            Of lustet u misschien
            De waghens eens te tellen?

            (95) Of die voer-luy te quellen?
            Dat wil ick niet verbien.

’t Kan verkeeren.


LIEDT,

Stemme: Onder de linde groen daer ick
laetst, &c.

            BEvallijcke schoone maaght
            Hoe comt dat ghy dus vlied?
            Voor u lief, en dienaer trou,
            Daer ghy weet, o brave vrou!

            (5) Dat hy u garen siet;
            Daer ghy weet wat my behaaght,
            En hoe seer het my verdriet
            Als ick u, of niet anschou,
            Mocht ick u sien als ick wou,

            (10) Soo sou ick treuren niet.
                    Nu hoordt,, een woord
                    En blijft wat staen,
                    En met lust,, wat rust
                    Vant’ gaen,

            (15) Ghy wilt op u loopen
            Immers niet vercoopen?
            Wel hoe sulcken haest!
            Waer heen dus verbaest?
            Spreeckt doch een mensch eens aen.


              2   (20) Mach my van u lieve mont
            Soo veel jonst niet gheschien,
            Dat ghy myn bedroeft ghemoet
            Verquickt met een blije groet?
            Laet m’u ten minsten sien,

            (25) Vertoeft een corte stont
            En beyt noch wat mitsdien,
            Selden seytmen doet het goet
            Grooten haest of snellen spoet;
            Waer toe dan t’yvrich vlien?

                    (30) Hebt ghy,, op my
                    Eenighe nijdt:
                    Ghy mijn,, aenschijn
                    Dus mijdt.
            Seght uytvercoren

            (35) Hebt ghy versworen
            Dat ghy nimmermeer
            Sult doen mijn begheer?
            Want ghy myn vlucht altijdt.


[a, p. 42]
              3   Loopt niet van die u mint,
            (40) Maer vlucht van die u haat,
            Had ick uwe eerbaerheyd
            Yet oneerlijcx voorgheleyd,
            Soo waert ghy te rechte quaat:
            Nu ghy geen schult en vindt

            (45) In woorden of in daat,
            Want ick heb u noyt misseyt,
            Voor myn dienst en arrebeyd
            Werd ick dus dreuts versmaadt.
                    Gaet heen,, vry treen

                    (50) Daart u behaaght
                    Maer siet,, dat niet
                    Ghy nae beclaaght:
            Ick socht u ter eeren
            Doch het kan verkeeren,

            (55) Wel en wildy niet?
            Soo loopt dat ghy swiet
            Ghy hebt my wel geplaacht.


              4   U trotse sotte pracht,
            En malle hoovaardy,

            (60) Maeckt u soo verwaent, verweend,
            Dat ghy in u selven meent
            Dat het u al staet vry:
            Door u uytheemsche dracht,
            En wilde pronckery,

            (65) Dunckt u dat ghy zijt verneert
            Als u maer u minnaer eert,
            O slimme sotterny!

[a, p. 43]
                    Waer door ghy u,
                    Noch niemandt kent

                    (70) Want ghy meend dat
                    Ghy ’t waerdich bent
            U hooghe ghedachten
            Mijn slechtheyt verachten,
            Ja als ’k by u stae

            (75) Soo dunckt u bynae
            Dat u eer is geschend.


              5   Princesse wulps, en wups
            Mijn liefde is vercout,
            En myn min verkeert in spijt

            (80) ’t Verandert alles metter tijt
            Wat dat men hier aenschoud:
            Eertijts scheend ghy schoon en hups,
            Ja een Werelt van Goudt
            Wat ist of ick mijn tijd verslijd?

            (85) Ghy loont my met smaat en spijd
            Het welck my seer berout:
                    Wie weet,, wat leet,
                    Wat druck, wat rou,*
                    Ick nu,, om u

                    (90) Verdraghen sou,
            Liet ghy u tooren,
            En woud aenhooren
            ’t Gheen dat u dienaer seyt
            Die u met dienstbaerheyt,

            (95) Sou dienen schoon Jonckvrou.
’t Kan verkeeren.


LIEDT,

Stemme: ’t Schaep dat voer na Alleck-
maer om te comen, &c.

        HOut u soo kost’lijck als ghy meucht,
        Hout u soo, etc.
        En glorieert me in u vreught,
        Joffvrou ick macht wel velen:

        (5) Ghy sult niet meer mijn blije jeucht
        Sijn soete vrijheyd stelen.

          2   De tochtighe lust van ’t wullips hart,
        De tochtighe lust, etc.
        Die door het oogh gheboren wert,

        (10) En ghevoedt door ’t begeeren,
        Kan door een spijd, die bitter smart,
        In ooghenblick verkeeren.

          3   Mijn hartsen liefde was soo groot,
        Mijn hartsen liefde, etc.

        (15) Soo dat my docht dat eer de dood
        Mijn leven sou verslinden,
        Eer dat ick u door lust of noot,
        Sou laten, o beminde.

          4   Maer ick sie dat mijn naarstigheyd,
        (20) Maer ick sie dat, etc.
        En liefde die ick heb gheleyd
        Op u mijn uytvercoren,
        Is tijt-verlies en arrebeydt
        In ydel hoop verloren.

[a, p. 44]
          5   (25) ’K heb liever dat mijn lichaem rot,
        K’ heb liever dat mijn, etc.
        Eer ick van yeder wert bespot,
        Of m’ ongheval verweten;
        Dan ick en ben soo niet versot

        (30) Of ’k kan u wel vergheten.
          6   Wel an Jofvrou, wel an, ick ga,
        Wel an Jofvrou, etc.
        Maer doch misschien tot uwer scha:
        Hoe schijn hoogh u verkiesen:

        (35) Ghy sult, ducht ick, weten hier na
        De grootheyt uws verliesen.

          7   Die om het aarts verganck’lijck goet,
        Die om het aarts, etc.
        Neemt een straf, onwetend bloet;

        (40) Die is sich sellifs teghen,
        Want my dunckt dat in het ghemoet
        De rijckdom is gheleghen.

          8   En of ghy schoon (o meysjen) had,
        En of ghy schoon, etc.

        (45) De geen die ghy lieft om sijn schat,
        En niet om deughd’ en eeren
        Als ghy in onvree, met hem dat
        In treuren moest verteeren.

          9   Ghy hebt my meer als langh beproeft,
        (50) Ghy hebt my meer, etc.
        Ick heb oock wel te langh ghetoeft,
        Ick mach mijn gaen bereyden:
        In plaetse van te sijn bedroeft,
        Sal ick met blijschap scheyden.

          10   (55) Adieu moy meysgen quicx, en tjats,
        Adieu moy meysgen, etc.
        Ghy mint, u liever, om wat schats,
        En acht mijn clachten, kluchten,
        Paeyt and’ren oock soo snar, en bats

        (60) Met uwe blaeuw uytvluchten.
          11   Vaert wel mijn lief, Adieu ick ty,
        Vaert wel mijn lief, etc.
        Van hier, en soo ghy yets van my
        Somtijdts noch wilt verhalen,

        (65) Bevleckt mijn eerelijck gevry,
        Bid ick, met geen schandalen.

          12   Princes ick vraacht, eer ick dit sluyt,
        Princes ick vraacht, etc.
        Dunckt u dat dit wat spijtich luyd,

        (70) Wilt d’ oorsaeck overlegghen
        Dat die uyt u geveynstheyt spruyt
        En u ghemaackt afsegghen.

’t Kan verkeeren.



LIEDT,

Stemme:

Van een soo loosen boerman, &c.

            O On-eenighe sinnen!
            O noyt ghehoord gheschil!
            Want ick en myn vriendinne
            Sijn seer verscheyden van wil.

[a, p. 45]
              2   (5) Onghelijck wy van zeden
            Van wesen en van schijn
            En van gheneghentheden
            Wy over tweedrachtich zijn.

              3   Min ick haer uytermaten,
            (10) Gelijck sy merckt en siet,
            Sy en macher of hooren praten
            In het alderminste niet.

              4   En als ick schijn te branden
            In minne van myn vrouw,

            (15) Dan blaest zy in haer handen
            Van pure liefde kouw.

              5   De hette doet verdwijnen
            En smelt mijn vleys en bloet
            Zoo dat ick van banghe pijnen

            (20) Met mijn hooft int kussen wroet.
              6   De kouw gaet haer soo plaghen
            Dat zy het bedde houwt,
            Tis niet om te verdraghen
            Soo gants machtich is sy verkouwt.

              7   (25) Mijn hart dat is vol smerten,
            Vol koortsen en vol brand.
            En sy heeft ys in ’t harte,
            En loot en steen int inghewand.

              8   Ick ducht sy is ghebooren
            (30) Int noorden wrangh en wreet,
            Want haer ziel schijnt beswooren
            Van een te strenghen planeet.

              9   Wat vreemde loop der starren
            Heeft in mijn ziel gheboet

            (35) Dit vier? daer ick in verbarren,
            En dat my noch wonderlijck voed.

              10   Lief wilt u doch erbarmen
            Ick ben schier uytghewoelt
            Ghy sult u proper verwarmen

            (40) Soo ghy myn grooten brand verkoelt.
’t Kan verkeeren.



LIEDT,

Stemme:

Ick heb de groene straten, &c.

            DIE sonder hoop moet minnen,
            Dien isser ellendich aan,
            Die dwarlen al sijn sinnen
            In Idelheyt en waan.

              2   (5) Ick spreeck laas! uyt versoecken
            Want ick hebt selfs versocht:
            Dus mach ick wel vervloecken
            Mijn dwaesheyt onbedocht.

              3   Soumen wel sotheyd vinden
            (10) Soo groot (helaes!) als mijn,
            Die min, en langh’ beminde
            Die my niet eygen kan sijn?

              4   Ick min en heb verkoren
            Die ’ck met behaghen sach;

            (15) En ick weet van te voren
            Dat ickse niet krijghen en mach.

[a, p. 46]
              5   Nochtans voel ick myn drijven
            Van seecker tocht tot haer,
            De welcke my doet blijven

            (20) Een hoopeloos minnaar.
              6   Want veel die my wel gunden
            Ten minsten inden schijn,
            In plaats van waare vrunden
            Laas! mijn vyanden zyn.

              7   (25) Daerom waart wel van nooden
            Dat ick myn doorheyt quaat
            Met reden eens gingh dooden.
            Maar ach! myn hert wat raat.

              8   Geen dwang en kan afschricken
            (30) Mijn al verwonnen sin.
            De lusten my verquicken
            In mijn bespotte min.

              9   Die wijslijck niet can delven
            Syn sotten yver snood;

            (35) Die martelt, laes, sijn selven
            Met een langsame dood.

              10   Die hier sijn sinlijckheden
            Den toom gheeft volle ruymt,
            Of die mint sonder reden

            (40) Sich selfs met my versuymt.
’t Kan verkeeren.



Der Goden Waertschap.

Stemme: Sal ick langher met heete tranen, &c.

LAetst als de Goden bancketeerden,
En lurckten vanden Nectar soet,
So s’ over disch juyst redeneerden
Van ’smenschen alderhoochste goet,

(5) D’een sprack ’t waer lust,, d’ander t’ is rust,
D’een sprak ’twaer lust,, doen sey den God Jupijn
Waer toe dit kibb’len laet ons vrolijck zijn?

  2   ’tIs hier een tijt van quinckeleren,
Het aartsche volck woort-twist, en kijft,

(10) Ick wens, en wilt ghy Hemel-heeren,
Dat yeder juycht, en vreucht bedrijft,
Viert mijn gheboon,, o groote Goon,
Viert mijn geboon,, singht, springht, hippelt en lacht
Dit was geseyt, gehoorsaemt, voorts volbracht.

(15)   3   De salen die als sonnen bloncken,
Waren terstonts met vreughd vervult.
Als sy haer meugh hadden ghedroncken,
En haer wel sat hadden ghesmult:
Hier gingh den een,, daer lach de geen,

(20) Hier gingh den een,, daer Venus met haer pol,
De Nortsche Nydt steegh uyt haer helsche hol.

[a, p. 47]
  4   Haer fel vergift heeft sy gheblasen
Door den vergulden Hemel wijdt:
De Goden buys raeckten aen ’t rasen,

(25) Aen ’t wrocken, voort aen twist, aen strijdt,
Want Pluto bits,, heeft met een krits,
Want Pluto bits,, heeft Cupido verleemt,
Sijn booch en Pylen hy hem al beneemt.

  5   De Musen die met Phebo songen
(30) En Pallas, met den Bloedt-God Mars,
Sijn al vermeestert en bespronghen,
Van den drie-hoofden Cerb’rus bars:
Men sloecht al doodt, ’twas kleyn of groot,
Men sloecht al doot,, de Moeder vande min
*
(35) Heeft weynig (of schier gantsch geen) leven in.
  6   De Sulpher-Vorst die leert nu minnen,
Met woorden van silver en gout.
De deucht noch eer, noch ed’le sinnen
Sijn niet geacht van jongh noch oudt:

(40) Is ’thoer, of dief,, ’t is even lief,
Is ’t hoer, of dief,, sijn sy versien van gheld,
Sy werden voor den vromen nu ghesteld.

  7   Daermen een Hemel plach te bouwen,
Daer vestmen nu een droeve Hel,

(45) Dat doen sy die om ’t ghelts wil trouwen,
Een lompen loer, of leelijck vel,
Dies maeckt de droes,, de kop hun kroes,
Dies maect de droes,, selden tijt sonder strijt,
Daer d’ ander als in’t Paradijs verblijt.

’t Kan verkeeren.



LIEDT,

Stemme:

Datmen een reys van drincken spraeck, &c.

WAer dat cleyne guytje blint
G’lijckmen ’t uytgeschildert vint
Ick leed dan in mijn ziele niet
Dit lieffelijck en swaer verdriet.

  2   (5) Maer ’t loose boefje siet seer snel
’t Onsichtbaer hertjen raeckt hy wel
Die Crijghsluy stout hy niet en vreest
Doch d’ onbesorgde treft hy meest.

  3   Sijn boogh, sijn pijlen, sijn gheweer
(10) Die quetsen diep, maer doen gheen seer,
Sy coomen vaeck al lachend an
Geen blauw litteecken, blijfter van.

  4   Nu ’tpottertje my heeft ghewond
Nu biet het my sijn lieve mond,

(15) Nu wil hy peys, hy looft en sweerd
Te geven wat myn hert begheerd.

  5   Cupido: wel dit is mijn Eysch
Tot borrich-tocht van onse peys
Begheer ick nu gheen ander dingh

(20) Als de stoute Jonghelingh.
  6   Het schelmpje is nu soo voldoent*
Nu ’t hier me mach weer sijn versoent,
Hy seyt my toe, dat ick eer langh
Zal krijghen mijn begheerts ontfangh.

[a, p. 48]
  7   (25) Hierom myn hert, u troost, en denckt
Dat grooten druck, het leven crenckt,
En dat de sorgheloose vreughd
Ons macht vermeerdert en verheughd.

  8   Wel op mijn siel in vreughde leeft,
(30) De droefheyt, stracx zijn afscheyt gheeft,
En plaetst u
Rodd’rick inde stee
Van uwe minlijck hartenwee.
*
  9   Dan waer dat kleyne guytje blint
Ghelijck men’t uyt-gheschildert vint,

(35) Ick leed dan in mijn ziele niet
Dit lieffelijck en straf verdriet.

’t Kan verkeeren.



Bruyd-Lofs-Gedicht,

Ter Eeren

CORNELIS IANSZOON SCHOONEMAN,

Ende

MARYA ARENTS de LANGE.

WIlt ghy den Echten-staet in vrede staende houwen,
De twist, en haer oorsaeck, die moet ghy voor al schouwen,
Waerdighe Bruydegom, gaet voorts u Bruydt wel voor:
Haer deuchdelijck ghemoet sal volghen in u spoor.
(5) Breeckt ghy dijn korselheyt met wijse raet en reden,
Sy sal haer spieg’len dan, in u leenighe zeden,
En printense in haar hart, en leerens’ an haer ziel
Door dag’lijcx oeffnen na, op dat, oft soo gheviel
Dat eenich mis-verstant, van dese wech u leyden,
(10) Sy, dan met lijtsaemheyt, dat buytje mocht of beyden,
[a, p. 49]
En swyghen voor een wijl, tot dat d’oploop van ’t bloed
Besaedt is en ghestilt, ghelijck ’t onweder doet
Dat maer een vlaagje duurt, al tiertet opgheblasen
En buldert hevich uyt met roepen en met rasen,
(15) Met stormen, met gheweldt op eenich klip of bergh,
Die sick niet seer en kreunt an al dat woest ghetergh.
Soo sal u brave Bruydt de winden van u Toren
Met een stantvastich hart verduldelijck anhooren.
Doch wildy al te straf beheerschen, en ghebien,
(20) Ghy maeckt u licht ghehaat, ghevreest, en seer ontsien,
’t Welck luttel vrientschap baart, maer speurt ghy in u sinnen
Van haer gheliefd’ te zyn, soo moet ghy eerst haer minnen,
Gheeft dy de swackheyt toe van u lieve Mannin,
Soo sal de eene jonst de ander brenghen in,
(25) Soo sal uyt d’eene deucht veel and’re deuchden vloeyen:
Soo sal de goedheyt Gods, u doen In liefden bloeyen.
Soo sal de seghen rijck van voorspoet, en van vree
Den Heer u voeren t’ huys: God is de liefde mee;
Verschoont uyt liefden dan des anderens ghebreken.
(30) Maer wildy juyst een saeck, of een gul-hertich spreken
Doorkloven tot een hayr, versteurt van bloet en breyn
Soo ist begrijp wel groot, soo is u liefde kleyn,
Soo suldy uyt u huys, de vrede gantsch verjaghen,
Soo krijghdy in haer stee de tweedracht, met haer plaghen
(35) Van ongheluck, van ramp, van laster, quaet-vermoe:
Tot wien de Bulle-back stracx licht sijn fackel toe.
[a, p. 50]
Dus kan ick u gheen goedt, ghelieven, meer aenprijsen
Als dat ghy wilt u plicht elckanderen bewijsen,
Ghelijck als ghy verstaet uyt ’tGoddelijcke woord
(40) Dat ellick Christen mensch sijn echt-Ghemael behoort:
T’ is buyten mijn beroep hier over disch te preecken
Doch ist my niet verboon somwijls wat goets te spreecken,
Maer hier by jonghe lien besonder by de wijn,
Ten dunckt my waerlijck niet dat het sal willen zyn;
(45) Dies ick my nechtelijck, en gantsch eerbiedich keere
Tot u, ons Bruydegom, die in u hoochste eere
In dese Bruylofts-feest nevens u speelknechts sit,
En blaackert u int oogh van’t bastert bruyne git
Van u ghekroonde Bruyt: de welcke, ick van varren
(50) Bekranst sie met een krans van tintelende starren:
Haer Maaghdelijcke kroon, wiens goude lovers fijn
Een glans gheeft an het dof en droeve Roosmarijn,
Ghevlochten, en gheswiert door het gheswinde sling’ren
Van u speel-maechden schoon haer ted’re langhe ving’ren,
(55) Ay siet Heer Bruydegom hoe dat de Bruyt al prijckt,
En hoe steel-wijs dat sy u syelinghs an-kijckt,
Al loer-ooghent ter sluyck om ’t vollick te bedrieghen,
Dan ’k sie dijn oogen soet wel lonckend’ overvlieghen:
Met lieffelijcke list. o Minnelijcke vondt!
(60) Hoe snackt haer heete hart, hoe veynst haar wijse mondt,
De Alderliefste lust die ghy’t saam met verlanghen
Soo dickmael hebt ghewenst in dese staat t’ ontfanghen;
[a, p. 51]
Die blyde tijdt ghenaeckt van u ghewilde wensch,
Die meest begheerde vreucht ter wereldt voor de mensch.
(65) O meer als noem’lijck goedt! voor die u recht verkoosen
En bruycken op syn maet, ick dool, sien ick niet bloosen
De Lely-witte Bruydt? ter Silver-blancke krop
En stijghen anders niet als roode-roosen op,
Die tusschen vel en vleys vast vlammende doordringhen
(70) En schild’ren wangh’ en kaack, ô watte wond’re dinghen!
Het dommelt sich in een, haer effen voor-hooft glat
Heeft van dees hooghe verf een aartjen oock ghevat.
Ick raas in myn verstant in dien men niet kan lesen
Al de bevallicheen in haer aanminnich wesen,
(75) Siet nu de schoonheyt an, die ghy wel eer soo preest,
Doch is haer lichaem schoon, noch schoonder is haer gheest,
Die blinckende steeckt uyt, meer als ick kan versieren
Van d’ edelheyt haars ziels bevallighe manieren,
Met deftigheyd bedaart, niet reuckeloos, noch wuft,
(80) Let hoes’ haer woortjens kleynst door ’t seeffje van ’t vernuft,
En hoe sy alle dingh ten orber kan besteden,
Tot nootdruft en tot nut, ’t blijckt by d’ ervarentheden
En d’ondervindingh selfs, versocht soo menich Iaer
Int raadelyck voorsien, waer het van noode waer.
(85) Vergheeftet mijn Vrouw-Bruydt al gae ick niet beschryven
U deuchden teenemael die onghenoemt noch blijven,
Door overvloedt van stof: of door ghebreck van kunst
Mits ick my niet ghenoegh, na grootheyt van mijn gunst.
[a, p. 52]
    Speel-meysjes! wildy niet het Bruylofts-bed bereyden
(90) Daer ghy ons waarde Bruydt ghesint zijt heen te leyden?
Bestroyet doch met palm, met Tuyltjes, en met groen
Ghelijck als men ghewendt na lands-wijs is te doen,
Verciertet op ’t verweenst met loovers en met bloemen,
Met sulcken aardicheyt als ick u niet can noemen;
(95) Ghy weet dat selver best: of is het al beschickt?
Ick sie wel ’t is al klaar, sy het my toegheknickt.
Ghenooden rijst wat op, Speel-nootjes tijdt doch heenen
En helpt de droeve Bruyd haer maaghdom doch beweenen.
Gaet volcht nu het ghebruyck van onse maachden t’saart:
(100) Maer diese dus verliest die heeftse best bewaart:
Dus is het noodeloos te schreyen of te schreeuwen,
Knoopt Bruyd’gom met u Bruydt De Langhe draat der eeuwen,
Door teelen van de vrucht en vreughden, langh verwacht,
En boet u lusten wat voor ’t eynde van de nacht,
(105) Op dat ghy na-maels meucht met blijdtschap noch aenschouwen
Van u lien voortghebracht veel Schoone Mans en Vrouwen,
Die ghy door onderwijs alsoo voor-leven meucht,
Dat sy voorts wassen op als spruyten van u deucht
Dat gun u Israels-Godt! dien ons allen wil gheven,
(110) Na dees Bedroefde tijdt het blyde, eeuwich leven.        Amen.
’t Kan Verkeeren.


[
a, p. 53]

Bruylofts-liedt:

Stemme: Ick hebber een uyt verkoren, &c.

        O Bruydegom en Heere,
        U waerde
Bruydt wilt eeren
        En beminnen als u ziel.
        Wilt ghy wijs’lijck regeeren?

        (5) Voor-doende, moet ghy leeren
        ’t Geen ghy gaaren onderhiel.
        Swijgt, en verdraecht,, en kreunt noch claecht,
        Of u wat swaers voor-viel.

          2   Wilt Godt u saeck bevelen
        (10) Die sal u mede deelen
        ’t Gheen sijn Godtheyt kent voor goedt.
        En soeckt niet te krackeelen,
        Te twisten noch verscheelen,
        Komt den ander wat te moet

        (15) Met goed bescheyt,, en reed’lijckheyt
        Sacht reckelijck, en soet,

          3   Vrou Bruydt, die’t gildt der Vrouwen
        Voortaen sult onderhouwen
        Mits ghy uyt de Maachden scheydt:

        (20) Wilt ghy de tweedracht schouwen?
        Ghy moet u Man vertrouwen
        De huys-sorgh en al ’t beleyt.
        Doet alst behoort,, leeft ’t samen voort
        In goed’ eendrachticheyd.

          4   (25) Door eendracht zyn de steden
        In alle eenicheden
        Vast vermenghelt en vereent.
        De Landen, en de leden
        En d’ Opper-vooghden meden

        (30) Is het hof, voor’t hooft verleent
        Wat dat ghebied,, oock stracx gheschiet
        By goedighe ghemeent.

          5   Salmen het Oorloch voeren,
        Men moet die Crijchs-lien snoeren

        (35) Door de wetten van een Prins,
        Wiens wijsheyt, kan beroeren
        Dat ’t haghel-schut, de boeren
        Noch het volck, verlast gheensins,
        Maer dattet tracht,, al na eendracht

        (40) Soo gaatet meest na wins.
          6   De eendracht, hout die dinghen
        Des Hemels, onderlinghen
        Gantsch verbonden en verstrickt
        In vrientschap, die gheringhen

        (45) Haer alleen so kan dwinghen
        Datter niemant knort noch kickt.
        En morter yet,, het gaet tot niet
        Soo heeftet Godt beschickt.

          7   Ghelieven, schickt u sinnen
        (50) Tot eendrachtighe minnen
        Die de vrede onderhoudt,
        Soo suldy Gods rijck winnen:
        Maer wildy twist beginnen
        Soo is het, laes! te vroech ghetroud.

        (55) Want uyt de mensch,, syn wil en wensch,*
        Hy Hel of Hemel bouwt.

’t Kan verkeeren.

[
a, p. 54]

Een beklach-Liedt,

Ter Eeren

Een welbekende, over ’t verlies van sijn Alderliefste.

Stemme: van de 5. Psalm.

        REden om met recht te claghen
        Heb ick, eylaes! deur groot verdriet;
        Doch menich weet die oorspronck niet,
        Waerom ick ben dus seer verslaghen

                (5) In dese daghen.
            2    Wullipsche Jeucht, vol dartel zeden,
        Waant niet dat ghy dan zijt in rust
        Als ghy door liefde boet u lust:
        Een blijen schijn, die kan u hede

                (10) Bedrieghen mede.
            3    Ick minden een dochter met eeren,*
        Meer als eenich ander jongh mensch,
        By wien ick quam naer lust en wensch
        Seer vriendelijcken te verkeeren

                (15) Na myn begheeren.
            4    Onghestadich Fortuyn, u winden
        My, onverwacht, hebben verneert,
        Ghy hebt myn Vrucht in smart verkeert,
        Mits dat ick nu ’t verlies bevinde

                (20) Van mijn beminde.
            5    Ay wreede doot! heel moortdadich,
        Heerscht ghy noch met soo groot ghewelt?
        Ghy hebt soo menich mensch gheveldt:
        Hadt ghy haer maer gheweest ghenadich,

                (25) Mijn lief ghestadich.
            6    Soo waer gheweest myn vrucht volcomen,
        So ghyse slechts eerst had besocht,
        Maer neen, haestich, en eerment docht,
        So hebt g’ haer en myn vreucht ghenomen

                (30) t’ Mijnder onvromen.
            7    O korte blyschap, ’swerelts vreughde!
        Begheerte, wellust, en dat meer
        Teghen de deucht strijt, schu ick seer
        En volch mijn voorbeeld vande deuchde

                (35) De bloem der jeuchde.
            8    Spieghelt u aen my, ghy Minnaren,
        Denckt dattet u oock mocht gheschien,
        ’t Bedroeft wesen, drijf ick door dien,
        Om dattet met my dus is ghevaren,

        (40) ’t Welck ick verclare.
’t Kan verkeeren



[
a, p. 55]

Toover-Liedt,

Stem: Ach ongeluckighen dach, &c.

            O Du Toversche kol,
            Wat karacters ghelol,
            Laest ghy uyt een onsichber rol,
            Doen ghy mijn siel belaest, beswoert,

            (5) Als sy mijn yligh wert ontvoert.
                2    Ach toomeloose tongh!
            Die mijn besnoert bedwongh:
            Ick twijffel wat u daer toe drongh,
            Dat ghy so met u guychellery

            (10) Mijn vrijheyt brocht in slaverny.
                3    Naemt ghy uyt hovaerdy,
            Over my heerschappy,
            Om dat myn slechte Rymery
            Met onvercierd’ Poeetsche pen

            (15) Sou singhen ick u slave ben?
                4    Oft en mocht ghy misschien,
            Als die nydighe lien,
            Mijn goedt en groot geluck niet sien,
            Of hebdy aen myn ziel ghedacht

            (20) Te toonen eens u kunst en kracht?
                5    Want voor dees toovery
            Was ick helaes so bly!
            So vroom, so vrolijck, en so vry,
            Soo redelijck en so gerust,

            (25) Mijn leven was een lieve lust.
[a, p. 56]
                6    Ick was verheucht van gheest,
            Licht-hertich onbevreest,
            Ick docht niet eens dat inde Feest
            Daer niet dan jonst was, of’t was schijn

            (30) Alsulcke Kollen souden sijn*
                7    Als die ’t Kerck-hof betre’en,
            En der versturven le’en
            Met vertwijffelde sno gebe’en,
            En grill’ge grepen, stout en straf,

            (35) De dooden driesschen antwoord af.
                8    O Circes! ghy gaeft mijn,
            Een schael met leck’re wijn,
            Op dat ick wellekom sou sijn,
            De woorden die ghy daer by spraeckt,

            (40) Die hebben myn te seer vermaeckt.
                9    O heymelijck verstant!
            Ghy naemt my by der handt.
            En brocht my aende Ledekant,
            Daer mijn lichaem, als sonder ziel,

            (45) In slapen van syn selven viel.
                10    ’k En kon noch wit noch swart,
            Ick mommelde van smart,
            Ick was verandert in een hart:
            Ick meende wel te spreecken yet,

            (50) Ick had de wil, ’t vermoghen niet.
                11    Och dit ghebeurtmen staegh!
            Dus sucht ick alle daegh:
            Ick sucht als ick myn droefheyt klaegh,
            Ach ’t is gheen snuyven van een beest!

            (55) Maer clachten van myn stomme gheest.
                12    Ach wijse toveres!
            Spreeckt een woord vijf of ses,
            En maeckt myn weder fris, en fres,
            Doch woorden sonder herten-gunst,

            (60) Is groot bedroch en kleyne kunst.
’t Kan verkeeren.


Nieuw Liedeken,

Stemme:

Te brug al binnen de Muren, &c.

            HAarlemsche drooghe harten nu,
            Komt toont hier wie ghy zijt,
            Wy Amsterdammers tarten u
            Te drincken eens om strijt:

            (5) Ellick die drinckt een volle kan,
            Al wart de buyck geswollen dan,
            Soo loopt niet als een dolle man,
            Blijft by den dronck altijd.

                2    W’ hebben soo vaste sitters hier,
            (10) En gladde keelen fris,
            ’k Verdwael in onse Kitters schier,
            Dat hier soo meenich is:
            Komt, maeckt onse Bier-hanen moe,
            En brengt elckaer met vanen toe,

            (15) Ghy verliest na mijn wanen vroe,
            Ons drinckers zyn te wis.

[a, p. 57]
                3    Een rustich vaandel Vrijers fijn
            Die eysschen u te veld:
            Maer dat ’t Wevers noch Snijers zijn,

            (20) Die men ons teghen steld.*
            Roept lustigh al u Baasen vry,
            Segt datse rustich blaasen by,
            Maer brenght kannen en glaasen by,
            En bruyckt vry u gheweld.

                4    (25) Wij hebben een soo vaardigh gast,
            Verkoren tot Cornel,
            Die dese staet seer aardigh past,
            Want hy drinckt stijf en snel,
            Als hy de vocht maar schuymen siet,

            (30) So sal hy hem versuymen niet,
            Niet veel hy op sijn duymen giet,
            Want hy macht al te wel.

                5    De Capiteyn een stouter Man,
            Die oock gheweldich veeght,

            (35) Die dese kunst soo louter kan,
            De kan schier stadich leeght,
            Een half vat kan hy stuwen hoort,
            En weetet soo te duwen voort,
            Wie weet hoe menich nuwe woort

            (40) Hy daer wel onder pleeght.
                6    De Luyt’nant sal gheen Molick zyn,
            ’t Is te nobelen baas
            Hy wil soo garen vrolick sijn
            Al by de jonghe Maats,

            (45) Op allerley manieren klaer,
            Drinckt hy de heele bieren daer,
            By drijen of by vieren, maer
            Doch sonder veel gheraes.

                7    Ons Vaenderich is dol ghenoegh,
            (50) Die inde kan soo slooft,
            Drie vier daghen over een boegh:
            ’k Haddet schier niet ghelooft,
            Daer hy soo trots wil ande kan,
            Hy vat die met syn tanden an,

            (55) En houter oock sijn handen van,
            En slingerts’ over ’t hooft.

                8    Ghelooft dat het wat wesen moet
            Die men kiest tot Sergeans,
            Daer een gelach voor vreesen moet,

            (60) Zijn immers al wat mans,
            Al schijnen ’t slechte sullen sneech,
            Sy drincken groote pullen leech,
            Sy roepen: laetse vullen veech,
            Aars hebben wy gien kans.

                9    (65) Ons Korperael wat druystigh is
            En daer by al wat vet
            Wonder hy niet meer puystich is,
            Daer hy noyt stort noch set
            Hy sal ’t doch niet ontloopen neen:

            (70) Hy stuert ’t met heele stoopen heen,
            Souwer noch wel an knoopen een,
            Was ’t anders maar ghewet.

                10    De schrijver* seyde noch onlanx
            Selven tot ons Forier,

            (75) Dat hy ghesoffen had viel dranx,
            En dat van Wijn en Bier.

[a, p. 58]
            Selden dat desen Broeder pocht,
            Nochtans oock al syn goeder vocht,
            Seyd’hy niet in een voeder mocht,

            (80) ’t Offici staet hem dier.
                11    W’ hebben ons Adelborsten vier,
            En Lansmissaten mee,
            Wiens keelen altijdt dorsten schier,
            Niet weynich praten mee,

            (85) Met ons Provoost wy brommen seer,
            Die drinckter so uyt kommen meer,
            Hem droncken eer ick omme keer,
            En kent wel laten mee.

                12    d’ Ouwe soldaten winnen prijs,
            (90) Die drincken met verstant,
            Haer selven en haer sinnen wijs:
            Is dat niet Triumphant?
            Nu voort an ghy optreckers treckt,
            Die garen wel wat leckers leckt,

            (95) Siet dat ghy nu als treckers* streckt,
            En tart het heele Landt.

                13    Beklaagd u niet ghy Princen eel,
            Ick van u naem niet roem,
            Want seker daer zijnder soo veel,

            (100) Dus so ick yemandt noem:
            D’ander die souden schelden my,
            Dat icker hen niet stelden by:
            Van op-spraeck is men selden vry:
            Wy missen noch een bloem.

                14    (105) Siet hier nu ghy Drogisten droogh,
            Ghy bent het niet alleen:
            W’ hebben hier oock kannisten hoogh,
            Die ’t oock konen, soo ’k meen,
            Wasser maar geld te winnen mee,

            (110) O bloed! wy souden minnen mee,
            Wy mosten strax beginnen mee,
            Dan waren wy te vreen.

                15    Onse Crijghsraat ghesloten heeft,
            Wat vroom of kloeck soldaat,

            (115) Die aldermeest gegoten heeft,
            Te vereeren met staat.
            Maackt de Waardin veel trompe diets,
            En soeckt haer te ontmompen yets,
            En gheeft haer vande lompen niets,

            (120) Ghy krijght de hoochste graat.
’t Kan verkeeren.


LIEDT,

Stemme:

Te Mey als alle de vog’len singen &c.

LIchtvaerdige Minne neemt u afscheyt,
En quelt haer, die door ledicheyt
Versuymen al haer daghen:
Sulck lief en leyt,, die geen bereyt

(5) Die u pack moghen draghen.

[a, p. 59]
    2    Becommerde sinnen, alsomen bediet,
Die en meughen dit soo wel lijen niet:
Brenght die geen liefd’ voor ooghen;
Maer lacy! siet,, wat myn gheschiet

(10) Ick schuws’ en moetse doogen.

    3    Aenmerckt de sotte Minne blint,
Ick min een dochter, en wert bemint
Van een ander met beven,
Mijn liefde wint,, eer haer begint

(15) Die mijn verkort het leven.

    4    Niemand en kan in sulcken kas
Dienen dese twee te pas
Sonder minnen, of haten,
Ick laet dees ras,, maer die ’t eerst was

(20) Dien sal ick niet verlaten.

    5    Al syn al mijn oorsaecken goed,
Nochtans voel ick dat mijn ghemoed
Hier deur is te onvreden
Men seght my soet,, siet dat ghy doet

(25) Als ghy wout dat m’ u deden.

    6    Vliet wech dan ghy minnaers tyrant,
Flucx vertreckt dan in een ander kant
Want ghy sult hier niet winnen;
Hier ist u ontmant,, deur een jongh quant

(30) Sijn staech-doende sinnen.
’t Kan verkeeren.


Nieuw Liedeken,
Stemme: E Gielle mette.

WAt last is liefd’,, ja recht een sware last
Voor myn ’tondiefd’,, dit spreeckwoort gaet vast,
Dat voel ick nu wel in myn sin
Want ick moetse nu draghen:

(5) Dus durf ick het claghen,, vry waghen
    Van dees vervloeckte min.


 2 O Raserny,, ’t onrecht men u liefd’ noemt,
U dwaeserny,, met schoonen schijn verbloemt
Nu heel het jonghe hert,, dat wert

(10) Door uwe glans bedroghen
En door dijn vermoghen,, ghetoghen
    In dees siel-sieckt soo vert.


 3 Dat schijn bedriegt,, dat wert ic nu wel waer,
U faem die vliecht,, van u deucht hier en daer

(15) Ick gh’loofden u ghelaet,, en praet;
Maer foey myn licht vertrouwen
Nu mach ick ’t onthouwen,, dat vrouwen
    Sijn te licht van beraet.


 4 ’t Scheen of u hert,, aen’t mijne waer gehecht,
(20) Maer wat een pert,, hebt ghy nu aengherecht,
Ghy verlaet mijn arm bloet,, om ’t goet
Moet ick myn Lief verliesen:

[
a, p. 60]
Dus moet ick van biesen,, nu kiesen
    Een dor ghevlochten hoed.


 5 (25) U Mins ghedaant,, heb ick te haest gelooft
Vergheefs gewaant,, en voor niet al geslooft
Geen grooter ongheluck,, of stuck
En mach myn overkomen:
Want ’t is my door schromen,, ontnomen

    (30) En ick blijf inde druck.

 6 Maer noch Goddin,, kan ick u haten,, niet
Door ware Min,, al ben ick verlaten,, siet;
Maer weest hier op niet trots,, noch spots
Ick denck het
Kan verkeeren,
(35) Dat u den tijdt sal leeren,, begheeren
    Die ghy nu weyghert schots.

PRINCE,
 7 Princes ick roem,, van u groote cracht,
Een Jongebloem,, hebt ghy t’ ondergebracht,
Myn voetsel is vercort,, verdort

(40) Alleenlijck door u t’ derven,
Ick wens menich werven,, om ’t sterven,
    Of dattet beter wort.

’t Kan verkeeren.


Amsterdams Klaagh-Liedt.*

Stemme:

Cupido gheeft my raet, &c.

            HIer legg’ ick af-gheslooft,
            Ick
Amsterdam vol treuren,
            En kan mijn treurich hooft
            Door ’t kermen nauw opbeuren:

            (5) Om dat my komt versteuren
            Een heymelijck verdriet,
            Want die ick was te veuren,
            Och die ben ick nu niet.

                2    Mijn Susters, Delf en Dort,
            (10) Hoe meuchdy my soo vraghen
            Wat dat my let of schort?
            Of wat my dus doet claghen?
            Het sijn de bittere plaghen
            Die in my sijn gheteeld,

            (15) Om dat ick niet kon draghen,
            Mijn aengheboren weeld.

                3    Die in weeldt is ghewendt,
            En in armoed’ moet keeren,
            Die smaeckt de swaarst’ ellendt,

            (20) ’t Versoeck met smart doet leeren:
            Mijn kind’ren waren Heeren
            Gheacht, en seer ghe-eert:
            Sy volchden haer begeeren,
            ’t Welck haer en my nu deert.

[
a, p. 61]
                4    (25) Hoe dick heb ick er-kauwt
            Dees myn bedruckte krachten:
            Hoe dick was ick benauwt
            In die donckere nachten,
            Wanneer mijn kinders brachten

            (30) Haer ghelt onsinnich deur,
            En ick most sitten wachten
            Gantsch vruchteloos nae heur.

                5    Ick krijt myn ooghen uyt,
            Ick moet met wee uytroepen

            (35) Hoe sy heur Sondachs-duyt
            Verquanslen en versnoepen,
            An Jotthoon, en an Poepen,
            In kroech, in kuf, in kot,
            Of somwijls inde stoepen,

            (40) Door hoere liefde sot.
                6    Als die vermoeyde straat
            Wat ruste waant te grasen,
            Menich kroes onverlaat
            Ontweckt haer door het rasen,

            (45) Of als hy als de dwasen
            Stribblich bevecht de wacht,
            Of bruyckt op broosche glasen
            Sijn onbekende macht.

                7    Doen konnen Herbergiers,
            (50) Glaas-makers, Medecynen,
            Pock-meesters, en Barbiers,
            Wel wat te winnen vynen:
            Want als d’ hetsighe wynen
            Gheklautert sijn in ’t hooft,
*
            (55) Werd de Mensch sonder pynen
            Van sijn verstant berooft.

                8    Die soo reuckloos versluymt
            Mijn sorrich-rijck besparen,
            Eng ick zijn wije ruymt,

            (60) En leer hem nu bewaren,
            Ja
tuchten en bedaren
            Door een
Heylighe-wech,
            Of, siet, ick laetse varen
            Maar eens na
Indien slech.
                9    (65) Wel HAERLEM, waerdtste Sus,
            Wat doet u so mees-muylen,
            Noost u mijn kommers dus?
            Dat belch ick my met pruylen:
            Mijn roode ooghen puylen

            (70) Door myn schuerend’ gheween,
            Als ick lach, sult ghy huylen,
            Dat leyt my op myn leen.

                10    Medooghend’ ick beclaagh
            Myn Susterlingh verheven,

            (75) Siet die bedroefde Haach
            Schijnd’ te lillen en beven,
            Om dat sy heeft ghegeven
            De middel tot haer smert,
            Haer kinders wilde leven,

            (80) Verdruckt haer moedich hart.
                11    Al die ghelycke leyt
            Met my hier moet besuren,
            Werden van my beschreyt;
            Besonder mijn Naburen,

[a, p. 62]
            (85) Wild uyt mijn droefheyt puren
            Een voordeel en een vreughd’:
            De jonghe Jeughd wild sturen
            Met reden tot de deughd.

                12    Om dat ick t’ Amsterdam
            (90) Haer niet en gingh bedillen,
            Maar al mijn vreughde nam
            In haer broodt-droncken grillen,
            Tot haer dertele willen
            Myn sotheydt geld toe-gaf;

            (95) Nu lijd ick na ’t verspillen,
            De recht-verdiende straf.

’t Kan verkeeren.


Der Musen wellekom.

Stemme:
Si tanto Gratiose &c.

        GHewapende Goddinne,
        Die uyt het brein uws vaders sijt geboren
        Ghy laet uyt ware minne
        En liefd’ tot ons de heugelijcke Choren,

                (5) U borghery
                De Hem’len bly
                d’ Onuytdrucklijcke zalen;
                En ghy alwaarde
                Die komt hier opter Aarden

                (10) By ons dalen.
          2   Dies kruyderen en bloemen,
        De heylicheen, bekent en noch verholen,
        Haer wel gheluckich noemen,
        Door ’t voelen van de platten uwer zolen

                (15) Waer ghy die stelt
                Het gras-rijck velt
                De bergen, beemden, bladen
                Vieren de treden
                Van u groot achtbaerheden,

                (20) Vol ghenaden.
          3   De sterffelijcke lieden
        Als sy ’t gheruys van u vermaertheyt hooren,
        Sy wijcken met eerbieden,
        En neyghen deft met nedrich hart en ooren

                (25) Voor u te voet
                In groot ootmoet,
                Dijn majesteyt ter eeren:
                Dus by u krielen,
                De sinnen en de sielen

                (30) Om te leeren.
          4   Vroe-moeder van de Reden,
        Ghy dochter vanden grooten God der Goden,
        Ghy Stichsters vande Steden,
        Ghy Koningin van wetten en gheboden.

                (35) Voochdesse, die
                Dees driemael drie
                In u dienst hebt ghenomen:
                Daalt af in vreden,
                En weest ons hier beneden

                (40) Welghekomen.
’t Kan verkeeren.


[
a, p. 63]

LIEDT,

Stemme: Si cest pour mon Pucellage &c.

        WIlt aenschouwen met medoogen,
        Naer u heusheyts aert bequaem
        ’t Gheen dat ick te clagen schaem:
        Laes, ghy siet de proef voor oogen

        (5) Van ’t gheclach, daer ick van raem
        In ’t gedicht op uwen Naem.

            2    Ach, hoe licht is dit te mercken
        Aen myn quynende gelaet,
        De waerheyt van dees droeve staet

        (10) Als ghy siet myn sotte wercken
        Dat ’k u volch, waer dat ghy gaet,
        Daer ghy nochtans myn dienst versmaet.

            3    Laestent (’t is my noch indachtich,)
        Steurd ick Neeringh onverhoets,

        (15) Doch ick wens u alles goets:
        Soud ghy daerom wel waerachtich
        Van my begheeren meerder boets
        Als dees gheleden teghenspoets?

            4    Beeld ’t u Vrouwelijck in, mijn vrouwe,
        (20) Dat ghy oock de Vrouwen slacht,
        Die van Naturen sijn heel sacht,
        Daer ick u oock sal voor houwen,
        Maer wanhoop seyt dach en nacht;
        Wel ghesien maer weynich gh’acht.

            5    (25) Vliet dan haestich, o myn clachten!
        In het herde hart, geveert,
        d’Inwendighe sinnen leert,
        En druckt vry in haer ghedachten
        Dat haer deucht mijn ziel verheert,

        (30) Op dat haer mijn druck eens deert.
            6    Ruymt doch u quade wreethede
        Mijn
Princes, die ’t hert ghebiet,
        Hoe wel u slaef u dit hiet,
        Verschoont my doch door myn bede

        (35) Soo boven ’t behoor gheschiet
        Ghenoeght u aen dit verdriet.

            7    Coortsen hiet het lichaem schaden,
        Hieter Coortsen quelt myn ziel,
        Noyt hittigher vier en viel

        (40) Om d’inwendich mensch te braden,
        Als min, die my ontroert hiel
        Het vernuft en ’t beckeniel.

            8    Princes, lief, in mijn af-wesen,
        Denckt om my als ’t komt te pas,

        (45) Neemt dit lied in handen ras:
        Willet singhen ofte lesen
        Of ick u eens hulp, helas!
        Ick wou ick altijdt by u was.

’t Kan verkeeren.



[
a, p. 64]

Stemme:

’t Enghels Schoenlappertjen.

        WAerom sijt ghy, o wreede schaemt!
        Mijn minnaer, nu dus tegen?
        Dat hy hier niet meer en versaemt,
        Maer soeckt de omme-wegen,

        (5) En vliet van my, die hy begheert,
        Om datmen soo niet mercken,, souw
            Syn wercken,, trouw
        Als ghy hem dus turbeert?

          2   Ach! noch verandert my ’t ghelaat
        (10) ’t Coleur door ’t over peinsen,
        Want als hy my moeten op ’t straat
        Wy conden bey niet veinsen,
        Daer quam de liefde voor den dagh
        Wy wierden beyd bevanghen,, bloot

            (15) Met wanghen,, root
        Als hy my, ick hem sach.

          3   Denckt wat u wreetheyt mijn ontreckt
        En dieflijck gaet ontrooven,
        Als ghy myn suyver min ontdeckt,

        (20) En doet yder ghelooven:
        Dit mijt hy; daerom comt hy niet,
        Dus derf ick sijn presency,, waart,
            D’ absency,, spaart
        Voor een die u verdriet.

          4  (25) Wast een manier oock hier te landt
        Ick wouw op u niet passen;
        Mochtmen gaen mommen sonder schant
        Ick souw u wel verrassen,
        Als ick secreetlijck was vermomt

        (30) Wat wou ’k op u dan schaffen,, meer
            Ay straffen,, Heer
        Die dus int root uyt komt?

          5   O schaamt! o wreede schaamte boos!
        Wat doet ghy ons al lijen:

        (35) Want het is ’s nachts soo prijckeloos
        Van ’t gheboeft, dat by ontijen
        Gaen woen en doen de goen, ghewelt,
        En my verdriet het wachten,, langh
            De nacht en,, dwangh

        (40) Van vrees en schaamt ons quelt.
          6   Voor Cupido ick protesteer
        Van ’t onghelijck en schade
        Om den intrest van mijn hart-seer
        Gheleen door u onghenade.

        (45) Verlaet my schaemte, ’t is u best,
        Of ick sal u doen vanghen,, voort,
            Doen hanghen,, hoort,
        Verliest ghy het protest.

          7   Princen, de dach is wel soo goedt
        (50) Om die minne te tooghen,
        Dat voort-comt wt een reyn ghemoet
        ’t Lieflijck onthael van d’ooghen
        Ontroert den mensch in al syn bloet,
        t’Wellick noch meerder pooghen,, doet,

            (55) Meedooghen,, soet
        Hebt met myn schaemte vroet.

’t Kan verkeeren.


[
a, p. 65]

Bruylofts-Ghedicht,

Ter Eeren

WYNANT BARTELSZOON,

Ende

TRYNTJEN STANSSEN.

IN ouder eeuwen langh voor vele duysent jaren
Ter werelt driederley gestalt van Menschen waren:
Te weten, Man en Wijf, oock alle-bey te saam,
Die by ons maer bekent alleen zijn met de naam.
(5) Dit volck, dit vreemde volck, (soo de Poëten schrijven)
Had dubb’le hoofden, en vier voeten, met twee lijven,
En handen twee-mael twee, en oogen oock soo veel,
Van alle leden had een yder dubbel deel.
Dit seltsaam Schepsel rondt was ruggelingh ghewassen
(10) Aan een heel wonderbaar, gantsch sonder naad of lassen.
Dit monster ronde volck dat pratten met haer macht
Van Sayelingen cloeck en wonderlijck van dracht,
Die ’t banghe Aerden-creyts een groote schrick an-joeghen;
De Hemel trilde self, de Hel had geen ghenoeghen
(15) Aan dit wanschapen goet, van dubbelt klem en gheest,
Want onlangh was te voor Iupijn bestoockt gheweest
Van het verwaant gheslacht der Reusen grof en groot,
Die ’t oorlogh eynde met haer schandelijcke doot.
[a, p. 66]
Den Opper-hemel-voocht heeft inder ijl ontboden
(20) Sijn mind’re, niet te min, aensienelijcke Goden:
In zijn besonden zaal quam Martem seer verwoedt
En lickten van sijn swaart het glibberige bloedt,
Om dattet in de schee soud’ uytslaen noch verroesten:
Zijn ooghen branden om te moorden en verwoesten.
    (25) Neptunus met zijn vorck, en Liber met geweer,
Hercules met zijn knods, en Pallas met haer speer,
Apollo dicht bestuwt met neghen zijn Godinnen
Tradt met dit selschap voort ter gulden Camer inne:
De geestige Vulcaan’ met syn verleemde voet
(30) Quam hinckepincken an en roock van róóck en roet,
En zyn verschroockte borst van anxsten dapper trilden,
Hy meenden datmen weer den Hemel stormen wilden,
Hy droppelde van vrees dat naare koude sweet,
De Goden gants verhit geraeckten voeglijck t’ zeet:
(35) En kort daer op Iupijn is in zijn Troon gestegen,
Dies tot erkentenis sy al eerbiedig negen.
Drie-mael zo hemden hy, versetten sich drie-mael;
En inde leste schick doen sweech de gantsche zaal.
    Ghy Hemel-vorsten, ghy onsterffelijcke scharen,
(40) Van eeuwich-durend’ zaat; d’oorsaeck van dit vergaren
Is groote swaricheydt, die ick met reden maack,
En roep u rijpen raet in dese sware zaack.
De Mensch, de dubb’len Mensch van zinnen en gedachten,
Van preutscher herten, werd stoutmoedich op sijn krachten.
[a, p. 67]
(45) Sy dwingen ’t Aardrijck vast, sy kruyssen vast de Zee,
Sy driesschen vast de Hel, ja zelfs den Hemel mee;
Soo wy haer opzet stout niet breydelen en kneusen,
Sal ’t arger gaan met hun als met de fortse Reusen.
Ghy Helden hoog verlicht, almachtich int bestaen,
(50) Wat middel dunckt u best in dese saack gedaen?
    De hoofden gingen t’ saem, ’t ging op een ondervragen,
Op redeneren, en op wijsselijck raatslagen:
Het meerderdeel heeft nut en noodig oock geacht
Men soude royen uyt het Menschelijck geslacht.
(55) Het vonnis wiert beweert, met dat sy inne brachten,
Soo hebben wy van haar geen muytery te wachten.
De schrandere Mercur’ loos van begrip en zin
Weerhield dit oordeel streng: Iupijn viel daar op in.
Heylige Prinsen, hout; de Goddelijcke wetten
(60) Vereysschen groot gesicht om op elck punct te letten:
Merckt: doody nu den Mensch (gelijck ghy-lien besluyt)
Soo is al onsen lof en al de Gods-dienst uyt.
Ick heb gedacht, en sal (doch met u wel-gelieven)
Den drijsten dubb’len Mensch verenckelen en klieven,
(65) So wert het off’ren meer, en minder hare kracht:
Dit wiert strax goedt gekent, gheboden, voort volbracht.
Daer stont den open Mensch van syn weerhelft gescheyden,
Prometheus met een naald de rug weer t’ samen neyden,
Herstellende het hooft en alle ding beknopt,
(70) En heeft een blakend’ vuyr voort inde borst gestopt.
[a, p. 68]
Daar was een woest ghesnor, men sach van blijtschap weenen,
Elck socht (ghelijck als nu) op’t naeste te vereenen:
Sy seyden onderlingh wy willen wesen stil,
En niet weer-streven meer den Donder-man zyn wil,
(75) Hy mocht ons anderwerf smal-deelen en door-kloven,
Of met zijn blixem snel dit soete leven roven.
Sy juychten voort van vreughd, sy hippelden om strijt,
Harmophraditus volck dat was te wonder blijdt,
Als ’t aan den and’ren quam te paren en te Echten,
(80) Dees comen noch als voor gheheelelijck ten rechten,
    Ick heb dees wetenschap uyt Venus boeck ghehaelt,
Om dat ghy weten zoudt van wien ghy zijt ghedaelt:
    Brandende Bruydegom, uyt dit gheslacht ghesproten,*
Van d’Hemel met gheluck begifticht en begoten,
(85) Siet hier u lieve helft, siet hier de schoone ziel,
Siet hier u suyv’re Bruydt die u soo wel beviel:
Siet daer u lieve helft die barst van vier’ge voncken,
Sy brant en blinckt van Min, haer ooghen zijn beschoncken;
Sy voelt dat levend’ vuyr vast krieuw’len in haer borst;
(90) Sy wenscht en snackt om u, ô! die het segghen dorst.
Blakende Bruydegom dit vuyr dat deed’ u jachten,
En wenschen om u Lief die leyder-langhe nachten.
Hoe menichmaal, helaes! ghevoelden ghy de smert,
De soete prickelingh in u ghezaaghde hert?
(95) Hoe menichmael, helaes! en wist ghy wat u deerden,
Of wat u lusten, ach! veel min wat ghy begheerden?
[a, p. 69]
Hoe menichmael, helaes! ghetuychden u ghemoedt
Die lieffelijcke smart door ’t wandelen van ’t bloedt?
ô Pijnelose pijn! beulinne der verstanden,
(100) Hoe dickmael deed’ghy ’t hert van Tryntjen Stanssen branden?
Hoe dickmaels branden sy van Maeghdelijcke schaemt
Als Wynant Bartelszoon zijn naem maar wiert ghenaemt?
Hoe dickmaels woud’ sy niet bekennen noch belyen
Haer heymelijcke min, en stille vryeryen.
(105) Hoe dus? Vrou-bruydt, hoe dus verwondert en ontstelt?
Wien my u suyv’re jonst soo levend’ heeft vertelt,
En d’ eyghenschappen van u swijgende verlanghen?
(Daer wassen Roosen aan haer silver-witte wanghen)
Dat kleyne kneubesje dat steets zyn Moeder vleyt,
(110) Dat heeftet my al stil soo eyghentlijck geseyt.
Vierighe Bruydegom, en siedy niet het loncken
Dat onder ’t prijcken u soo minlijck wert gheschoncken?
By vlaghen snapter oock een hong’rich suchtjen uyt:
Nu weyd dyn ooghen in de schoonheydt van u Bruydt.
(115) Siet haer verweende Ziel verciert met goede zeden,
Hoe lieflijck vloeyt haer mont van aanghename reden.
O deughden sonder tal! ô wel-gheschapen Maacht!
Die op u waerdich hooft de kroon der eeren draacht.
Bemint u Bruydegom met ware liefd’ en trouwe,
(120) Hy sal u neffens Godt in hoogher achtingh houwen.
Beleeft het geen ghy weet, en doet soo ghy behoort,
Lieft Godt, u lief, en elck, dit is Gods eygen woort.
[a, p. 70]
Ick wensch u dat ghy wenscht, dat wenschbaer is te wenschen,
Gerustheydt van gemoedt, en vrede met de Menschen.
    (125) Wel Rijmer wat is dit, zydy verrockt of zot?
Eerst meldy van de Goôn, nu spreeckt ghy weer van Godt.
Sacht Argus wickt u werck: mijn gunst heeft my verleyt:
Ick ben Poët noch Klerck, ick bruyck mijn vryicheyt.
    Schoone Speel-maagden wilt een weynich opwaert rijsen,
(130) Gelieftet u de Bruydt die heusheyt te bewijsen?
Denckt by u eygen hart, en is het noch geen tijt
Dat sy begeeft haer tot die minnelijcken strijt;
Die soete lieve strydt van ’t lieffelyck versamen.
Nu Bruydegom gaet aen, vereenicht u Lichamen:
(135) De deelen die so lang verscheyden zijn gheweest.
Helaes! de Bruydt verbleeckt, hoe nu? zydy bevreest
Om sotte clapperny oft malle vollicx praten,
Dat ghy u Maagdom daer te pant sult moeten laten?
Wat dat de Maagdom is dat heb ick noyt verstaan:
(140) Ist Vis, of Vleys, of niet? ick gis het is een waan.
Het is dan wat het is: soudy u lieve leven
U waerde Bruydegom niet wel op woecker geven?
Wat vreesdy voor een ding dat niemant heeft gesien,
Noch zelfs ’t waanwijse volck en spitsinnighe Lien,
(145) Die met de vreemde kunst van nieu-gevonden brillen
Door Hemels driemaels drie doorsichtich kijcken willen,
En tellen op haer duym de fackels die daer staen,
Of hoe veel werelden daar leggen inde Maen?
[a, p. 71]
Of hoemen op een prick met tal van graden meten,
(150) Der ronder Sterren loop, of grootheydt der Planeten.
Geeft uwen Bruydegom nu uwen Maagdom dan,
Die van een Maagd alleen veel Maaghden maken kan.
    Siet daar Aurora zelfs bedoven inde Rosen
Stuyft uyt het pluymich bed, en laet den liefdelosen
(155) Tyton: sy spant, sy spant de roode Paarden in:
Siet daer vrou Venus Koets met Anteros en Min
Die in het Bruylofts bed u comste gaen verbeyden.
Suyv’re Speel-maaghden wilt de Bruyd te bedde leyden:
Ghy Speel-knecht danst noch eens op Bruydegoms begeert,
(160) En draecht haer binnen soo de flaauwe Bruydt haer weert,
Speelnootjes staet wat af, en wilt met ons niet kyven,
Voor ’t leven van de Bruydt wil ick wel borge blyven,
De Bruydegom die gaet nu in sijn soete dood,
Daer ’t graf sal wesen, ach! sijn lieve liefjes schoot:
(165) Och mochten wy ghelijck oock sulcken endt verwerven,
Hoe willich souden wy die soete doot gaen sterven?
Vaart wel gheluckich paer, gheluckich recht gheacht,
De eyndeloose liefd’ verzel u dagh en nacht.
O heyl’ghe Eendracht! comt met Goddelijcke vrede,
(170) En zalicht desen stant van eeuw tot eeuwicheden.
Ghelieven denckt op ons wanneer het u wel gaet,
En comt ons morghen by, doch, in een ander staet:
Siet daer den Bruyloft Vorst, den gheneuchelycken Hymen,
Laet ons (ghelyck als hy) wat boerten, zinghen, rymen.
’t Kan verkeeren.



[
a, p. 72]

BRUYLOFTS-LIEDT,

Stemme:

Sal ick noch lang met heete tranen &c.

GHy wack’re Nimphjens en Dryaden,
Raept bloemtjens die hier Flora stroyt
Siet
Bachus schut sijn Wijngaert-bladen,
Hy clucht, hy singt, hy springt, hy poyt.

(5) Io jo, Poean,, jo jo Poean
Io, jo, Poean,, roept Hymen vrolijck uyt:
En huwt de zangh aan sijn luchtighe Luyt.


  2.   Waer sydy nu ghy Nuery-dillen,
Die menichmael uyt jonsten quaamt,

(10) Dit schreyend’ wicht met singhen stillen,
En steel-wijs uyt het wiechje naamt,
Met deuntjens soet,, wel slecht, maer goet
Met deuntjens zoet,, van ’tsuye nani pop,
Heft nu u stem tot hoogher stoffen op.


  3.   (15) De liefdekens die sijn ghekomen
Met haer bevallick schoon cieraed,
En hebben haer woonstee ghenomen
In ’tvriendelijck soet ghelaet,
Van onse Bruydt,, met deucht vertuyt

(20) Van onse Bruydt,, die wijlen was een kint
Die wert nu vanden Goden selfs bemint.


  4.   Heylighe liefde groot van waerden,
U ooghen op dees Lieven slaet:
Sackt neder op de logge Aerde

(25) En vesticht desen Echten staet,
Dats aen haer disch,, soo goet als fris
Dats aen haer disch,, kints kind’ren moghen zien,
Laet hare wensch en d’onse oock gheschien.


  5.   Ghy Vorst des lichts, en Heer der Heeren,
(30) Maackt dat de Liefde stadich bloeyt,
Wilt tweedracht, twist, van haer afkeeren,
Waer door dat alle sonden groeyt:
O Vader goet,, u wille doet
O Vader goet,, dien goeden gaven geeft,

(35) Maackt dat dit paer na dijn wille leeft.
’t Kan verkeeren.


[
a, p. 65/73, fol. K1r]

Liedeken,

Stemme:

’S morghens voor daegh, in’t velt
al by den wege, &c.

            MAar siet! sy sluyt,
            Ach Lief, wilt soo niet sluyten,
            Siet eerst eens uyt
            Wie dat ghy hier laet buyten

                    (5) U deurtjen gaen,
                    Compt fleurtjen aan
                    Aen ’t scheurtjen,
                    Een eurtjen
                    Aant deurtjen staen

            (10) Aenhoort mijn kleyn vermaen.

              2  Ach! wildy niet?
            En ist dan u behaghen
            Dat ick ’t verdriet
            Hier op de straet moet klaghen?

                    (15) Voor nijers boos,
                    Voor vrijers loos,
                    Noch wijder,
                    Voor yder,
                    Voor vrijers loos

            (20) Of yemant die my siet?

[a, p. 66/74, fol. K1v]
              3  Ick gaf een klop
            Met vreesen en met hopen,
            En seyd doet op,
            Sy seyd’ ick doe niet open,

                    (25) Wy sorghen,, seer
                    Koomt morghen,, weer,
                    Wilt borghen
                    Tot morghen,
                    Komt morghen weer

            (30) En eyscht dan u begeer.

              4  Ick bent, mijn roem!
            Mijn waerde uytghelesen!
            Die ick schier noem
            Mijn eygen hart te wesen;

                    (35) Sy vluchten toe,
                    Ick suchten doe,
                    Sy vruchte,
                    Ick duchte,
                    Ick suchte doe:

            (40) Hoe wee was ick te moe.

              5  ’k En kan voorwaar
            De heele nacht niet rusten,
            Maar dacht om haar,
            En veel verscheyden lusten

                    (45) Temteerden,, my,
                    Het deerden,, my
                    ’t Ontbeerde,
                    Begeerde
                    Dies keerd’ ick my

            (50) Van d’een op d’ander sy.

              6  Wel op mijn hert,
            En wilt niet langher treuren,
            Mach voor u smart*
            Haer jonst u niet ghebeuren,

                    (55) Soo laatse,, snel,
                    Maer praatse,, wel,
                    Soo staatse,
                    Ter plaatse,
                    Soo staatse wel

            (60) Daermen haer eeren sel.

              7  Princesjen eel!
            Als ick by u quam praaten,
            Wast een te veel,
            Daerom sal ick u laten

                    (65) Ghy maacktet,, trots,
                    Ghy spraacktet,, schots
                    Ick laacket,
                    En staacket,
                    Ghy maacket trots,

            (70) ’t Hadt seker niet veel slots.
’t Kan verkeeren.



[
a, p. 67/75, fol. K2r]

Kockje.

Stemme:

Schoon Lief wilt myn troost geven, &c.

            TRuytje ick moet u loven,
            Want ghy weet meer te hoven
            Als d’alderbraefste Kock,
            Met kunsjens te versieren,

            (5) Met schicken en schockieren,
            Dat ’s seker sonder jock.
                2    ’t Sy waer het is besproken,
            In Kamer of in Koken,
            Ick vind’ u even drock,

            (10) Met jongen en met oude,
            Met vrye en getroude,

            Dat ’s seker sonder jock.
                3    Met Burgers en met Boeren,
            Met Heeren en met Hoeren,

            (15) Die ghy kent by de schock:
            Met Waerden, en Waerdinnen,
            God gheef oock hoese sinnen,

            Dat ’s seker sonder jock.
                4    Met Wevers, en met Snyers,*
            (20) Met Voer-luy, met Paert-ryers,
            Met Boef, met Bedel-brock,
            Met Aaterlinghs, met Basters,
            Met luy vol lofs en lasters,

            Dat ’s seker sonder jock.
                5    (25) Met snoode Duyvel-jaghers,
            Met Broeders en met Swaghers,
            In eenich hoeck of hock,
            Met Botters, valsche Speelders,
            Met Heelders en met Steelders

            (30) Dat ’s seker sonder jock.
                6    Met Schooyers, en Wijn-koopers,
            Met schraepers en laegh-loopers,
            Wel hoe ick krijgh de nock:
            By Armen, en by rijcken

            (35) Laet ghy u goetheyt blijcken,
            Dat ’s seker sonder jock.
                7    Ghy slacht de goede Paerden
            Ghy werpt niemant ter aerden,
            Het valt als in Gods block:

            (40) U goetheyt is rechtvaerdich,
            Wel een root rockjen waerdich

            Dat ’s seker sonder jock.
                8    Maer als sy ’t u verwyten,
            Seght: die een hont wil smyten,

            (45) Die vint wel haest een stock:
            Maer kundy u verbyten,
            ’t Sal haer te meerder spyten,

            Dat ’s seker sonder jock.
                9    Die u hier over laken,
            (50) Laat sy ’t eens beter maken,
            Het zy om ringh of rock:
            Maer ofse schoon wat praten,
            Ghy seltet toch niet laten,

            Dat ’s seker sonder jock.

                                            ’t Kan Verkeeren.



[
a, p. 68/76, fol. K2v]

Liedt,

Stemme: Tobias tot sterven gheneghen, &c.

        DOor jeuchdich, blinde, domme, sinnen,
        Begaf ick my oock tot het minnen,
        Dies ’t hert,, verwert
        Meest alle daghen

        (5) Int treurich claghen.
            2    De Schoon die my dit spel bereyde,
        Is d’oorsaeck dat icker uytscheyde,
        Deur ’tschijn,, ’t welck myn
        Dus had ghetoghen

        (10) Heeft my bedroghen.
            3    Ick eenvoudighe slechte Herder,
        Dus reuckeloos en docht niet verder,
        Dan dat,, ick hadt
        Nu wel te deghen

        (15) Een Lief verkregen.
            4    Vertreckt ghy malle fantasije,
        Flucx versiet u mijn willich lije,
        Wech voort,, ’t paspoort

        Wert u ghegeven,
        (20) ’T is al geschreven.
            5    Ick ban u uyt mijn hart noch vaster,
        Ghy rust-roover, dijn stercke laster,
        Gheveynst,, maar peynst
        Het sal u missen

        (25) Hier meer te vissen.
            6    Ach Minne! daer ick dus voor vreese,
        Ick kan noch mach sonder u niet wese,
        ’t Hert kout,, onthout
        Mijn groeysel hede,

        (30) En mijn vreuchd mede.
            7    Mijn klare Son, deur het schoon weder,
        Straalden in en op de ooghen teder,
        Van haer,, dienaer
        Die heeft ontfanghen

        (35) Schaem-roode wanghen.
            8    Na dees stuur-Herfst comt den Somer,
        Die mijn gront verwermt ende vromer
        Begon,, mijn son
        Te laten dalen

        (40) Haer gulde stralen.
            9    De dorre stam gingh ick soo snoeijen,
        Datter nu nieuwe vruchten groeijen,
        Ja meer,, dan eer-
        tijts is bevonden

        (45) t’ Eenigher stonden.
            10    Mijn vrou, ’tis tijt, wilter op passen,
        De vruchten rijp sijn schoon volwassen,
        Comt ras,, ’t ghewas
        Mach niet meer toeven,

        (50) Tijt stracx an’t proeven.
            11    Alst windich suchten my verdroten
        Heb ick met traanen nat begoten
        De stam,, die quam
        Sich droef vertonen

        (55) Voor veel personen.
            12    Adieu mijn Son, fleur der Goddinnen,
        Mijn moyten is licht, mach ick verwinnen,
        Mijn leedt,, ick weet
        En hout secreter

        (60) Wist ghy ’t, ’t waer beter.
’t Kan verkeeren.


[
a, p. 69/77, fol. K3r]

LIEDT,

Stemme:

Met een Minnelycke sin, Com ick u, &c.

            ACh dach! wenschelijcke dach,
            Vol schoon gheleghentheyt,
            Dat ick menschelijcke mach
            Met mijn gheneghentheyt

            (5) Mijn Goddin doen bescheyt
            Op ’t gheen dat sy my seyt
            Deur haar praat,, of in daat
            Hoe het gaat,, in wat staat
            My ’t gheluck rechte voort leyt.

              2   (10) Sijn dit wrevelinge,, niet?
            Neent, droomend Fantasij?
            Flucx, wech revellinge,, vliet
            En maeckt u knap van my,
            Wech droeve dampen ghy,

            (15) De schoone dach naackt bly
            ’t Suchten vlie,, ick door die
            ’K weet wel wie,, dien ick sie
            Hier sitten an mijn groene sy.

              3   Sijt ghy’t, Egtillen,, jent,
            (20) Ick bid u dat ghy spreeckt;
            Sijn’t weer dolle grille,, blent
            Die de begeert ontsteeckt?
            Mijn oogjens onbevleckt
            Sien u, mijn lief perfeckt,

            (25) Ja voorwaer,, schoon en klaer,
            En geen aer,, het schort maer
            Aen u dat ghy my dit ontdeckt.

              4   In sulcken cierelijcken staet
            Gheloof ick nauw te sijn,

            (30) Dijn soet manierelijcke praet
            Die ick staech an u vijn,
            Nochtans is dit geen schijn,
            Ick siet voor d’ooghen mijn:
            Ick twijffel,, met ghequel

            (35) Of ick wel,, die ghesel,
            Die ick thans was, wel souw sijn.

              5   In d’onbegrijpelijcke,, vreucht
            Wentelt mijn wuft ghedacht
            Te sien u rijpelijcke,, deucht

            (40) En jonst dus onverwacht,
            Dat ick my gh’luckich acht
            Boven ’t mensch’lijck gheslacht:
            Want Keyser braaf,, Prins noch Graaf
            Heeft sulcken gaaf,, als u slaaf

            (45) Die ’t gheluck so soet toelacht.
              6   Och of ghy deelachtich,, waert
            Die vrucht die ick gheniet,
            Die in my soo crachtich,, vaert
            Dat my ’t vernuft ontvliet,

            (50) Laes! een dinck my verdriet,
            Dat u gheen eer gheschiet
            Deur vreuchden soet,, mijn ghemoet
            U niet groet,, als ’t herte doet
            Dat ghy naer wensch ghebiet.

[a, p. 70/78, fol. K3v]
              7   (55) Cleen souw de danckbaerheyt,, sijn
            Indien dat ick verstout;
            Dat is inder waerheyt,, fijn,
            Te spreecken was goet ront
            Met menschelijcker mont,

            (60) Die weldaet my ghejont
            Die ’k wardeer,, hooch en seer,
            Eeuwich eer,, na ’t begeer
            Ben ick, helaes! te swack ghegront.

              8   Spreeck ick beroemlijck,, yet
            (65) Princes myn schult vergeeft:
            Voorwaer onnoemelijck,, siet
            Syn u deuchden beleeft,
            U lof ten Hemel sweeft
            Daar ’t sonder twijffel leeft.

            (70) Ick bid Godt,, dat hy tot
            Volle slot,, na ’t ghebodt
            Ons met trou liefd ’t samen cleeft.

’t Kan verkeeren.


Liedeken,

Stemme: Pasemede Cicillie.

Wilt nu al, groot &c.

            Ick veracht,, heel de nacht;
            Doch ick doe ’t met rede:
            Want mijn gewoonlijckhede
            Was inde nacht, heel laet

            (5) Te wand’len by der straet.
            Eens ’t gheschacht,, dat verkracht
            ’t Ghemoet in eenichede,
            Dat siddrich van lede
            My dese borst noch slaet,

            (10) Als ’t hart dat dencken gaet,
            Lust en begeeren,, willen dit beweeren
            Door eyghen wanen,, recht,
            Lust tracht te leeren,, begeer probeeren
            Mijn cleyn vermanen slecht,

            (15) Dits ’t begin,, om den sin
            Hier van uyt te voeren,
            In speci te roeren
            Het stuck, en volgens dien
            Van ’t hooren en het sien

            (20) Dat my beancxst deed vlien.

              2   Inde nacht,, wert ghewracht
            Al d’onkuysche dinghen
            ’t Onnut geroep, en singhen
            Van menich droncken vent,

            (25) En heeft, so ’t schijnt, geen end.
            Den dief tracht,, dan heel sacht
            Met list te weech te bringhen
            Dat sloten vast ontspringhen,
            En rooft al soo behendt

            (30) s’ Heeren straat wert geschent.
            Hier hoortmen crijten,, daer hoortmen smijten
            Van ’t Goddeloos gheboeft
            De goten en hecken,, ter neder trecken
            ’t Welck den vromen bedroeft.

            (35) s’ Nachts de nijt,, toont met vlijt
[a, p. 71/79, fol. K4r]
            Haer moetwillighe grillen,
            Placken oock pasquillen,
            En alle boosheyt groot,
            Ja den verrader snoot

            (40) Kiest den nacht tot ’t exploot.

              3   ’s Nachts men hoort,, aen menich oort
            Honden schrickelijck huylen,
            Het droef ghekrijt der uylen,
            Der Katten naar ghecrol

            (45) Als ’t vervaerlijck gelol
            Men bespoort,, en verstoort
            Vander dooder kuylen,
            De Geesten die daer schuylen,
            Die verschricken hen oock,

            (50) Het waren en ’t ghespoock
            ’t Sijn ijdel schimmen,, Wat noch schijnt te glimmen
            Als vier is verrot houwt
            De vreese klimmen,, int hert, en nimmen
            ’t Hart al sijn stoutheyt stout:

            (55) Datmen siet,, is doch niet,
            Soo men seyt gheloghen,
            Maer van een schijn bedroghen
            Staet den mensch heel bevreest,
            En loopt alsoo bedeest

            (60) Al liep hem nae een Geest.

              4   Nacht ick haet,, u voor quaet,
            Doot-sond’ uyt u rijsen
            Dat wil ick u bewijsen,
            In u bijster heerschappy

            (65) Lijt ghy die Toovery,
            Den dach versmaat,, sulcken daat
            Met recht om of te ijsen;
            De Natuur heeft een afgrijsen
            Ja beeft beancxst in my,

            (70) Oock in yder wie het sy.
            Want daer verschijnen,, swaerlijck met pijnen
            d’Onsichtbaer Geesten swart,
            Die schielijck verdwijnen,, leghe plaets dan vynen
            ’t Verdoolt menschelijck hart

            (75) Schuwt den dach,, soo ’t best mach
            Want ’s daaghs ist claerder,
            ’s Nachts duyster en naarder
            Bequaem, na haren wensch,
            Voor den wanhoopich mensch

            (80) Die verloochend sijn Prins.

              5   Te veel stof,, is hier of,
            Dus wil ick ’t kort make
            Eer icker diep in rake,
            Segh ick in myn besluyt

            (85) Dat de nacht valt te buyt
            Cleyne lof,, verachtingh grof,
            Ider hoort haer te laken
            Want haer eyghe sake
            Die gheven sullicx uyt

            (90) Dat dit die waerheyt duyd.
[a, p. 72/80, fol. K4v]
            Seyt hier ymandt teghen,, die tijt op weghen
            En gaet des nachts sijn gang,
            Die ’t snachts-gaen plegen,, onversiens kregen
            Som een bacxjen an haer wangh,

            (95) Nu wel an,, laet ick dan
            Het teghenwerp hooren,
            Ick sal met open ooren
            Opmerck nemen vroet*
            Mijn werck neemt in ’t goet

            (100) Een klerck leeren moet.
’t Kan verkeeren.


LIEDT,     Stemme: O nacht! jaloerse nacht, &c.

DE harde winter strengh, met al haer wrede buyen,
Vertrecken met der vaart, de Son vergroot sijn kracht,
De Mey in overvloet baart schoone bloem’, en kruyen:
Maer, ach! wat baart een Mey al viers in myn gedacht?
  2   (5) Myn diep begraven vier, van kouden schijn bevroren,
Ontdoyt sich van myn Son, of, souwt wel syn van ’t weer,
Ho neen! dat ’s misverstant, dus singh ick als te voren
Dees Mey die toont haer kracht, mijn Son noch tienmael meer.
  3   Verwachte Somer soet, die ’t swaer hart kan vermaken
(10) U ken ick an u lof, an Oyvaer, Dieck, en Kieft,
Verquickt myn droomich hart, bid ick voor alle zaken
’t Wellick nu leyt en smoockt, ja brand soo seer van Liefd’.
[a, p. 73/81, fol. L1r]
  4   Gheneuchelijcke Mey wilt my dit Meyken jonnen,
Dat Meyken dat myn ziel dus fel bestrijdt en swaar,
(15) Op dat haer schaduw koel voor ’t heet broeyen der sonne,
Mijn groene borst bevry voor dampen bangh en naar.
  5   Groeyt met het weer de Min, warhooft in heete dagen,
Ick brant soo veel, ick mach, voorwaer ick weet geen raet,
Erbarmt u koele Mey, erbarmt over myn claghen,
(20) Verkoelt myn heeten brand eer ’t met my ergher gaet.
  6   Is dit niet arch ghenoech dat dit siel-sieckich quellen,
My’t inghewant verteert, verheert myn goe natuur?
So meuglijck als ghy kent des Hemels sterren tellen,
So meuglijck telt vry mee de vlamme van myn vuur.
  7   (25) Prins, een jong Meyken schoon jont my doch uyt genade,
Baaden sal ick in vreucht en wislen soo ’t verdriet,
Iont my doch dit gheluck, het kan u weynich schade,
Doch ter eeren van u soo singh ick nu dit liedt.
’t Kan verkeeren.


[
a, p. 74/82, fol. L1v]

LIEDT,

Stemme:

O ghy Nimphe hooch vermaart, &c.

        WEet ghy Maachden arm en rijck,
        Hoe dat ick ben verlieft,
        Op een Jonghelinck mijns gelijck,
        En die my mint ontdieft

        (5) Tis sijn hart, een groote smart,
        Als hy van myn scheyden moet,
        En een vreucht, voor ons jeucht
        ’t Selschap valt ons beyde soet,
        Siet wie daar ginder staat

        (10) Ist myn beminde? jaat,
        Ay siet toch wat hy doet.


          2   Siet sijn graasselijck wesen an,
        Dat soo van schoonheyt blinckt,
        Siet die uytghelesen man,

        (15) Hoort hoe sijn lietje klinckt,
        Hoort hoe eel, dat sijn keel,
        Draeyende beven kan
        Siet mijn lanst, hoe hy danst,
        Siet hoe hy leven kan,

        (20) Siet nae sijn weelicheyt,
        Siet dan sijn eelicheyt,
        Die hy daer nemen can.


          3   Och sijn hertjen en het mijn,
        Komen wel over een,

        (25) Maar ick toon met myn aenschijn
        Al of ick het niet en meen
        Mijn begheer, ick ontbeer,
        Lacy door men veynsen, siet
        Of dees helt, my al quelt,

        (30) Hy can myn ghepeynsen niet,
        Waer toe salt strecken nu
        Al myn bedecken schu,
        De wijlt my selfs verdriet.


          4   Oprecht Prinsselijck ghemoet,
        (35) Dat meer van deuchden hout
        Als van al het aertsche goet,
        En kiest die eer voor ’t gout
        Siet mijn geest, mint en vreest,
        U uyt goeder minnen weer

        (40) Ick maack noch, u Hertoch,
        Van myn goet en sinnen Heer,
        Wilt nu ghebieden maer,
        U wensch sal schieden, vaar,
        Myn roem, myn lust, myn eer.

’t Kan verkeeren.


[
a, p. 75/83, fol. L2r]

Nieuw Liedt,

Stemme: Daer ick lach en sliep, in een prieel van bloemen, &c.

        VArt buyten ’t volck alleene
        Beweech ick, door myn weenen
        De koude harde steenen,
        Deur mijn liefs onghenade:

        (5) Ay Goon ghy kent verleene
        Ons hulp eer wijt meene
        Want myn is daer verscheene
        Een Maacht in groen ghewade
        Bly-gheestich, schoon, en licht,

        (10) Behaaghelijck voor ’t ghesicht,
        Een lief, een levendich wicht,
        Soo tengher, snocker, en spicht,
        Haer braef, dierbaer cieraden,
        Waren verciert met bladen;

        (15) Maar ’t schijnt sy was beladen
        Met my, en heeft myn heuslijck opghericht,
        Sprack, u lief die duyt ten quaden*
        U klachten en weldaden
        Ick ghebiese u te versmaden

        (20) Vergeetse in myn lusthof vol en dicht.

          2   Ick sach u worstelen en strijen,
        Tegen ’t broot-droncken vrijen
        Ick kreech terstont meelijen
        Recht so ghy ’t hier siet blijcken;

        (25) Gaet u nu wat verblijen,
        Ghy meucht varen en rijen

[a, p. 76/84, fol. L2v]
        Besient aen alle sijen,
        Hier is ghenoech te kijcken,
        Kijckt hier of darrewaert,

        (30) Siet wie daer rijdt of vaert,
        Siet die Koe en dat Paardt,
        Siet wat hem openbaart
        Kijckt elck by sijns ghelijcke
        Daer gaet een paertjen strijcken

        (35) Die willen de Son ontwijcken
        In myn groen duyster verholen boomgaart,
        Siet hier lantschappe rijcke,
        Casteele, huyse, dijcke,
        Laet haer t’uys sitten prijcken

        (40) Die haer jonst soo kostelijck hout in waart.

          3   Ick stelt al in u handen,
        Bosschen, wouden en landen,
        Mijn wateren en stranden,
        Voorts alle myn vermogen

        (45) Gheniet ghy ’t ghenot vanden
        Beemt, Boomen, Duynen, Sanden,
        Maar ay, wat duysent schanden
        Mijn tijt is haest vervloghen,
        Weest vrolijck bly, mijn Heer

        (50) Boet danckbaar myn begheer:
        Adieu ick neem myn keer,
        Ick koom noch wel eens weer,
        Nu werd ick u ontoghen,
        Besietet, ’t is geen logen,

        (55) Ick heb u noyt bedroghen
        Ghelooft my dan des te seeckerder of meer:
        Nu vlie ick uyt u ooghen,
        Adieu en wilt u poghen
        Verheffen, roemen, booghen,

        (60) Verbreyt vry over al de Mey haer eer.

          4   Princes tot allen stonden
        Blijf ick an u verbonden,
        Om dat ghy myn maer jonde
        Dat ick naar lust vermeije,

        (65) Ick sal met sanghbaer monde
        U lof en prijs verconde
        Waer toe hielt ghy ghewonden
        Mijn ooghen alle beije?
        Dies ’t hart verwondert staet,

        (70) En vraacht de sinnen raet
        Die houwent niet voor quaet
        Dat ick dees hooghe daet
        Een yder gaa verbreyen
        En raet van de min te scheyen:

        (75) Nu laet ickse pruylen en schraijen
        Die myn eerst verachtelijck heeft ghehaat
        De boomen schudden en weyen
        Sy swieren, swerlen, Sweyen
        En gaen d’aerde bespreyen

        (80) Met dorre blaaden, nu ghy ons verlaet.
’t Kan verkeeren.


[
a, p. 77/85, fol. L3r]

Nieuw Liedt,

Stemme:

O Keyserlijcke vrouw! verheven en ontsien, &c.

IN twijffel en met schreumt soo hef ick op dit liedt
Beducht zynde voor schant, en of ick wil of niet,
Ontdeck* ick hier myn liefd, ’t welck my de schaamt ontraat,
En een raet-rijck opmerck beschut ons voor veel quaet.*
  2   (5) Beschut ons voor veel quaet een raet-rijcke opmerck,
Wat sal ick dan bestaan in dit mijn sinn’loos werck?
Och! sal ick? ja, ick moet haer klagen in myn noot,
Soo ick myn noot verswijch ick wert een wisse doodt.
  3   Ick werd een wisse doot soo ick myn noot verswijgh,
(10) Soo klaagh ick dan op hoop dat ick noch troost vercrijgh
Van die my heeft ghewont, van die my heeft gheraackt
Met haer omsichtich ooch, dat my haer volgher maackt.
  4   Dat my haer volgher maeckt met haer omsichtich oogh
En haer eerbare deucht, ick opentlijck verbooch
(15) Hoe ick met al myn hert vernedert legh en kniel,
En draech myn af Goddin in’t binnenst van myn ziel,
  5   Int binnenst van myn ziel draech ick myn af Goddin
Om noodt van wederliefd’, ick aldus klachtich* bin:
Myn lieve Angneets Dei! ten hanght niet op myn borst,
(20) Maer pronckt staegh in myn hert daar sy niet in bemorst.
[a, p. 78/86, fol. L3v]
  6   Daer sy niet in bemorst maer pronckt staagh in myn hart
Dese afgodery, daar ick in ben verwert,
Dit is myn soetste vreucht die in myn sinnen speelt,
De liefde van myn lief, myn alderliefste beelt.
  7   (25) Myn alderliefste beelt, verkoren Koningin,
Princesje van myn ziel, Bevoochster van myn sin,
Versteurt u daer niet in soo ghy mijn sotheyt merckt,
Maar denckt dat liefd en min somtijts veel grillen werckt.
’t Kan verkeeren.


LIEDT,

Soet Roosje. Of Ian sloot,, bier en broot,, een pot vol.

                MYn sinnen,, siet,, die minnen,, hiet,
                U overschoone Maacht,
                Met liefde vast,, als een trouw gast,
                Die reyne liefde draacht.

                (5) U klaer aenschijn,, verheuchtet harte mijn
                Als u klaarheyt,, inder waerheyt
                By my slech mach sijn.
                Droefheede,, vlucht, de wreede,, sucht,
                Met al ’t verdriet en pijn

                (10) Tot niet ist haest ghebracht
                Myn rouwe,, snoot, o vrouwe,, groot,
                Als ghy my maer toelacht.

                  2   Ick b’nijd,, en haet, met spijd,, en smaat,
                Dat ghy soo bent verkuyst

                (15) Met die gesel,, ghy kent hem wel,
                Die t’uwent dickwils ruyst
                Als ick by u wil gaen,, sie ick hem by u staen,
                Ick gae weder,, op en neder,
                Swaermoedich belaen,

                (20) Mijn yver,, klaacht, die styver,, jaacht,
                En port het hart vast aen
                Dat willend’ niet en mach,
                Door teghenheyt, gheleghentheyt
                Verwacht ick nacht en dach.

[a, p. 79/87, fol. L4r]
                  3   (25) Doch selden,, tijt,, oft quelt,, en spijt,
                My staach in myn ghemoet
                Dat ghy hier lijdt,, of wert ghevrijdt,
                Van sulcken slechten bloet,
                Wiens roem is syn gheslacht,, en is selfs niet geacht,

                (30) Van ellick,, een,, het wellick,, gheen,
                Kennis geeft de macht.
                De luyden,, nu,, sien huyden,, nu
                Al nae de weytse dracht,
                Doch is sy best bewaart

                (35) Die mercken,, set,, op wercken,, let,
                En op goe geest en aart.

                  4   Verkoren,, schat,, te vooren,, hadt
                Ghedocht en dan de daat,
                Wel voor u siet,, alst is gheschiet,,

                (40) Berouwt het meest te laet,
                Al raed’ ick u hier toe,, ghy meucht wel segghen hoe,
                Dus beladen,, met myn schaden,
                Raackt u wat ick doe?
                Dan waarde,, maacht,, die d’ aarde draacht,

                (45) Duyt myn goe sorch in t’ goe,
                U welvaert ick besin,
                Kend’ u letten doch, Annetta, och
                Dat ick u dus bemin?

                  5   U waerdigheyt en aardigheyt
                (50) Heb ick noyt eer ghedaen,
                Als ’t wel betaamt, dies ick beschaamt
                Voor u altijt sal staen.
                Ick heb u, lief, gelaeckt, en ben selfs niet volmaeckt,
                Ick soud’ wel laten, had sijn praten

                (55) My eerst niet gheraeckt,
                O braven dier, ’t begraven vier
                Na u begheeren haackt en siet niet na de konst,
                Lief, ick ten deele, my beveele in u goede jonst.

’t Kan verkeeren.


Liedeken,

Stemme:

Wil Paris nu helaes verlaat &c.

            WEch segh ick en vertreckt,
            Haas op ghy Raaserije
            Die myn ’t vernuft bevleckt
            Met nieuwe sotternije,

            (5) Die ’t eyghen komt ontvrije
            Met een lastich gebiet
            Van opperheerschappije
            Dats min, die my dit hiet
            En of ick wil of niet

            (10) Ick moet mijn willich vlyen
            In’t aengenaem verdriet,
            Om soete smart te lyen
            Isser wel meer verblije
            Als liefde noemt my iet?

            (15) Als sy aen weder sije,
            Trouw en oprecht geschiet.

              2   Ick prijs de min zyn deucht
            Vert boven alle dinghen;
            Ken acht geen ydel vreucht

            (20) Van spel, van dans, van singhen
            Dat sijn maar beusselinghen
            By d’ eele min deuchtsaam
            Die het ghemoet kan dwinghen,
            Het leyt maeckt aenghenaam.

[a, p. 80/88, fol. L4v]
            (25) Tot grootmakingh zijns faem
            Segh ick dat hy kan dringhen
            Twee zielen in een Lichaem
            Hy kan te samen minghen
            Die woeste vreemdelinghen

            (30) Door sijne deucht bequaem:
            Ick voel veranderinghen
            Als ick eens hoor sijn naem.

              3   Lecht my te voren vry
            Wilt gheen matery sparen,

            (35) Of’s werelts lusten bly
            (Ghenomen) by een waren,
            Soud’ men meer vreuchde baren
            En oordeelt niet verkiert,
            Dan die met lust verclaren

            (40) Het oogh en hert door-viert,
            Soo ’t onverstant hier tiert
            In sullicx on-ervaren,
            Ten bosch hem stoutelijck stiert
            Dat hy daer siet vergaren

            (45) D’ een wilde boom met d’ aren
            Sich lieffelijck ’t samen swiert:
            De Min doet doch al paren
            De mensch, ’t vee en ghediert.

              4   Loffelijck is de min*
            (50) En sterck daer beneven,
            Grootmoedichlijck van sin,
            Wiens Majesteyt verheven
            Doet vreesen en beven
            Menich sijn onderdaen,

            (55) Wie is hier in dit leven,
            Die hem durf teghenstaen?
            Hy grijpt wijs, starck, aen,
            En doet ’t ghedachte sweven
            Veel hoogher als de Maen

            (60) Wat heeft hy niet bedreven?
            Van cracht en van ’t gheschreven
            Moet hy de lof ontfaen
            Hy heeft middel ghegheven
            Met lust eer te begaen.

              5   (65) Is Honing-suycker soet
            Marmallaed, Syroop van smaken
            ’Tgheen so ’t overdaet doet
            Den mensch weer uyt moet braken.
            De soete Min haer saken

            (70) Die sijn van ander kracht
            Ay my, myn sinnen raken
            In een ghewenst ghedacht
            Ghy heerscht by dach en nacht
            Vermompt al onder ’t laken,

            (75) Stroyt ’t soetste datmen acht
            In het vriendtlijck ghenaken
            Doch Keulen en Aken
            Sijn op gheen dach volbracht
            Souw ick ’t elck een wijs maken

            (80) Dat waer niet in myn macht.
              6   Wil yemand segghen, dat
            De Min oock geeft veel pijnen:
            ’t Is waer, proeftet sure wat
            Ghy sult het ’t soeter vijnen:

[a, p. 81/89, fol. M1r]
            (85) Die dampen haest verdwijnen,
            En men verwacht schoon weer,
            Die lieve Son coemt schijnen
            Helder en claerder seer,
            En in haer bouten teer

            (90) Sal u de Min ontbijnen
            Met noegingh van ’t begheer
            Ontlaad u droevich quijnen
            In die wellustighe mijnen
            Wel wat begheert ghy meer?

            (95) Int sluyten ten fijnen
            Gheeft doch de min sijn eer.

’t Kan verkeeren.


Nieuw Liedeken,

Stemme:

Daer ick lach en sliep in een prieel, &c.

ICk moet met sangh vertalen
De Min myns jeughd afmalen,
Die my treurigh deed dwalen,
Tot dat ick quam te praten

(5) By haer, wiens ooghen-stralen
Mijn ziels krachten ontstalen,
Myn levens lust onthalen,
Sonder dat sy my haten:
Want haer lieflijck ghemoet,

(10) Is vriendelijck en goet,
Ick had haer wel gegroet,
Ghelijck een Jongman doet,
Maer noyt eenighe reden
Van myn gheneghentheden,

(15) Gebruyckten ick daer mede,
Maer brochten deur den tijd
Met boerterije soet.

  2   Daer nae, ist soo ghevaren,
Dat wy quamen te paren

(20) In een seer soet vergaren,
Of gheselschap vol vreughden:
Daer anders niet en waren
Als dochters jongh van jaren,
Ick kan ’t niet al verklaren,

(25) Hoe wy ons daer verheughden.
Daer na noch wat ghele’en
Hebben wy saem gere’en,
Ick en myn Lief by een,
Wy waren wel te vre’en,

(30) Ick docht doe niet dat treuren
Myn blijdtschap sou versteuren,
Der Minnen wille-keuren
Die gheven in ’t ghemeen
Voor wat vreuchts veel gheween.

  3   (35) Noyt had ick meer verblijen
Als ’s winters in het rijen,
Dat wy deden somtijen
Seer lieffelijck en lustich,
Maer als ick wat sou vrijen,

(40) En klaghen haer myn lijen,
Wierd ick door fantasijen

[a, p. 82/90, fol. M1v]
Swaer-hoofdigh en onrustigh,
En mijn ghepeynsen swaer
Streden tegen malkaer,

(45) Mijn schamel hart eerbaer,
En dorst niet melden daer,
Myn inwendige klachten,
Myn verbayend verwachten,
En hoe myn ziel ging achten

(50) De reyne ende klaer
Suyverheyd van haer.

  4   Nu noch onlangs geleden,
Heb ick met haer gereden
Hier binnen deser Stede,

(55) Op de geveegde banen,
Soo ionstigh wy dat deden,
Soo minnelyck vol vreden,
Het bedroeft my noch heden,
Als ick hier van vermane,

(60) Hoe snelle dat de tyd
Ons lieve vreughd afsnyd,
Ons geluck werd benyd,
Van die ’t sagen met spyt,
Met afgunst en met smarten,

(65) Haer boos en valsche harten,
Toonden haer oude parten
Wt scheldens nyt
Met schamperlyck verwyt.

  5   Met al myn hert en sinne
(70) Ick dees Dochter beminne,
Maer ick durf ’t niet beginne
Myn liefde te ontdecken.
Dus kermt myn ziel van binne,
En mis-trout te verwinne

(75) Het hart van myn vriendinne
Die ick met ionst wil trecken,
Och wou dees weerde Vrou
Als ick wel wil en wou,
Wt goeder harten sou

(80) Sy antwoorden myn trou,
Al derf ick’t niet klagen,
Sy siet meest alle dagen
Al myn verliefde vlagen,
Myn innerlycke vreucht,

(85) En heymelycke rou.
  6   Princesse, Lief verheven,
Wt ziel yver gedreven,
Met erenst en met beven,
Versoeck ick u genade,

(90) Waer is u ionst gebleven
Die ghy my placht te geven,
O Sonne van myn leven!
Beschuttet doch de schade,
Die my wan-hoop voorstelt,

(95) En doet Natuur geweld,
Vloeckt, en veracht het Geld,
Daer mennich om verseld
By een, die hen met pynen
Het leven doet verdwynen,

(100) Laet Lief u ionste schynen,
Als my myn geest alleen te voren spelt.

’t Kan verkeeren.


[
a, p. 83/91, fol. M2r]

Bruylofts-Ghedicht,

Ter Eeren

GUILLEBERT DE FLINES,

Ende

ANNA CORNELIS van GROOTEWAL.

COrts als de vaack en slaep mijn ooghen sacht bestreden,
Bestormden sy mijn hert, bestormden sy mijn leden;
Mijn slappe lichaem liet zijn ampteren bevreest:
Als my de vaack verwan, vervloogh mijn vlugge gheest,
(5) Recht als de Toover-riem de Collen doet verscheppen,
Die vlieghen inde schijn, en ’t doode lijf niet reppen:
Soo lach mijn aartsche block, soo lach mijn laffe romp
Onweerbaer, af-gheslooft, verstandeloos en plomp.
    Een labber-koele-wint die heeft mijn gheest gheheven
(10) Van d’aarde flucx om hooch, en door de Lucht ghedreven
Tot in de hooghste plaats, tot inde hoochste tip,
Van waer ick over-sach ’t onmetelijck begrip;
Van waar ick over-sach den grooten Raadt der Goden,
Die juyst op dese tijdt daar waren t’ saam ontboden:
(15) Een yeder heeft sich in zijn setel neer-gheset;
Sy keurden daar een keur; sy stemden daar een wet.
[a, p. 84/92, fol. M2v]
Een lieffelicke wet, dat al de Dochters souwen
De eerbaer Ionghmans reyn vry vriendelick aenschouwen;
En wie uyt bellich-sieckt dat weygherde te doen,
(20) Die sou dat boeten of, ten minsten met een soen:*
Wie op een goede vraagh antwoorde dreuts of koentjes,
Die mocht dat coopen af met vyf en twintigh soentjes.
    De Goden hielden dit den mensch te wesen nut,
Op dat voor alle twist sy souden zijn beschut,
(25) En dooden soo door Liefd’ het nydich fel vergrimmen.
Cupido ’t cleene wicht gingh op een heuvel climmen,
Met Boogh en Coocker vol van Pijlen hardt verstaalt,
Die hy eerst vande Smits nieuws-gierigh had ghehaalt.*
Gheeft lust (sprack hy) o Goon! g’hebt recht in u ghesetten;*
(30) Maar reden ist dat ghy voldoet u eyghen wetten.
Sy deunden met het Kind, en namen’t niet in’t goedt,
Dat Venus haren Soon soo stout had opghevoedt,
Dit speet hem euvel seer, hy nam een van zijn pylen,
Die hy op voordeel had drie-cantich laten vylen,
(35) Hy sleep het vinnich punt, en leydse op zijn boogh,
Die door zyn styve treck hem snorrende ontvloogh,
Tot in Iupijn zyn borst, daerse vast schuddend’ lilden;
Syn wel-ghetroffen hert stont als de pijl en trilden.
Hy voelden in zijn ziel een jeuckerige pijn,
(40) Die maar van Iuno cost alleen genesen zijn.
    De jeughdelijcke Godt (begaeft met’t licht der Sonnen,
Die Python ’tysselick Serpent had overwonnen)
[a, p. 85/93, fol. M3r]
Drang door de dichte schaar, tradt met een trotse tred,
En heeft zyn grootsche gangh nae Cupido gheset:
(45) (Hy sprack:) douw Hoeren-soon, gheeft hier dyn gulde boghen,
Dijn handen zijn te weeck, te kindts is dijn vermoghen;
Soo groote gaven zyn aan dy doch niet besteed;
Ick hebbe clem en kunst die die te hand’len weet.
    Cupido nam zijn wraack, van ’t smadelick verachten,
(50) Twee pylen scherp en spits, doch van verscheyden crachten;
De een ontstack in Min wie hy daar mede schoot;
Den ander, wien hy trof, de Min met angsten vloot.
Den Ionghen sprack, wel-aan, ghy sult tot voor-beelt strecken,
Der ghener die met mijn, of met de cleyne gecken;
(55) Met schoot hy d’eerste pijl in Phoebus herte diep;
Maar Daphne kreegh de schicht die voor de Minne liep.
Hy moes-janckt, claaght en bidt, die eerst soo dapper swetste.
Soo haast Cupido cleyn den braven Schutter quetste,
Sant hy een heeten straal na Pluto bles en grijs,
(60) Die zynde gantsch verdoort, sich elck een waant te wijs.
Het oud’ verkleumde bloed en cost dit niet verdraghen,
Hy socht door ’t eene vyer het ander te verjaghen:
Hy woelden te vergheefs, hy woelden al om niet,
Tot Proserpina quam hem blusschen zyn verdriet.
(65) De grillighe Neptun Cupidoos Toortsen puften,
Hy spotten met de Goon dat sy soo schielick suften.
Maar desen snorcker stracks oock klaaghden van een wee,
Die hy niet lesschen con met water vande Zee.
[a, p. 86/94, fol. M3v]
Hy dompelde zyn hooft, hy is geheel ghedoken,
(70) Syn brand de koude vloedt deed’ preutelende koken.
    Dewyl dat dit gheschach, soo gluurden over dwars
Den forschen Wapen-heer, den strenghen Strydt-god Mars:
Maar als Vrou-Venus hem eens lieffelick belonckte,
Syn Krijghs-bloet-dorstigh hert vlam-vyerigh hem ontvonckte.
(75) De lachende Goddin, als sy vermerckte dit,
Bewees hem meerder jonst als haar beroockte Smit.
De sachte Venus door de Troetel-kunst verkeerde
De handen die wel eer de Worstel-grepen leerde.
De handen die wel eer lobberde in het bloet,
(80) Die creghen doen de weet van ’t minne-stroken soet.
De Moeder nam haar Kint, de Moeder nam haar sluyertje,
Blint-hockte soo zyn hooft, en sant hem om een kuyertje.
Doe schoot hy blindelingh zyn pylen inden hoop;
Daar baten niemants vlucht, daar baten niemants loop.
(85) Wat wasser een krioel! men snobbelde, men kusten;
Den Diamanten Saal die brande vande lusten,
Het was my daar te heet, jae dat ick door de vlam
Beangst en wel verhetst weer tot my selven quam.
    Cupido riep my nae met vriendelicke woorden,
(90) Die ’k tuymelende nauw, maar dit nochtans wel hoorden.
    Seght uwen Bruyd’gom doch, dat hy zyn lieve Bruyt
Myn Moeders Wonder-boeck heel naacktelick beduyt:
En seght de nieuwe Bruyd dat sy nu moet begheven
Den Maaghdelicken staat om een veel soeter leven,
[a, p. 87/95, fol. M4r]
(95) Hy sprack; Ick coom beneen; met daalden hy seer licht
In ’t lieflijck gheslacht haar minnelick ghesicht.
Nu Bruydegom siet op, siet op ’t loer-ooghend gluren,
Die steel-wys u de Bruyd soo heymelick gaat sturen.
Siet hoe de suyv’re Maaghd met schaamte sit en prijckt,
(100) Haar held’re schoonheyd nu met aandacht wel bekijckt:
Hoe tockelt haar ghelaat, hoe stryen in haar sinnen
De koude vreese en de soete brand van minnen:
Haar hertje springht van vreucht, haar hertje angstich trilt,
Als sy ghedenckt dat sy moet in het Vrouwen-gilt,
(105) Soo murmelt haar ghepeyns met een bedwonghen swyghen,
Om dat sy die niet mach dan om haar Maaghdom kryghen,
Wat is den Maagdom doch? Niet anders als een woord,
Datmen van ouder Eeuw eens segghen heeft ghehoord.
Vrou-Bruyd weest niet beducht, en twifelt niet, want diese
(110) Dus eerelijck besteet, en canse niet verliesen:
Maar ghy krijght voor uw’gunst nu we’er een heele Man,
,,Die van een Maaght alleen veel Maaghden maken kan.
    Den witten dach die dringht door glasen en door spleten,
Wilt doch Speel-maaghden niet u plicht noch ampt vergheten:
(115) Leyd die ghecranste Bruyd na het gheluckigh bedt,
De jonghe-lieven doch haar lusten niet belet.
Staat op, o waerdigh Volck! staat op, staat op Iofvrouwen
En wilt ons waerde Bruyd niet langher teghen-houwen:
Sy staat, sy gaat, sy staet; sy schoor-voet, sy staet stil,
(120) Ach! haar eergierigh hert en weet niet wat het wil.
[a, p. 88/96, fol. M4v]
Sy gaat na ’t lieflijck endt, van al ons bitter lyen,
Sy gaet na ’t lieflijck end, van al ons heftich vryen;
,,Speel-nootjes maacktet cort, gheeft haer de leste soen;
,,Het ander dat ghy laat dat sal de Bruydgom doen.
    (125) De Bruyd’gom sit en peynst met een inwendigh malen,
Hoe hy syn lieve Bruyd op ’t soetste sal onthalen.
    Daar zyn de Maaghden weer: nu Bruydegom gaat voorts,
En sweet met vreuchden uyt u sonderlinghe Coorts.
Nu Bruydegom treet aan en pluckt de soete vruchten
(130) Van ’t daghelicks gheklagh, van u verliefde suchten.
Nu Bruyd’gom saeyt en plant in u ghewenste Oest,
Op dat het vruchtbaar land verwellickt noch verwoest.
    Vaart wel en leeft met vreucht ghy twee vereende menschen;
Onseg-baar is de gunst die wy u beyde wenschen,
(135) Maar als ghy ’t loon gheniet van uwe soete pijn,
Ons arme strijers wilt dan eens ghedachtich zijn.
’t Kan verkeeren.


[
a, p. 89/97, fol. N1r]

Bruylofts-Liedt,

Stemme: Ghy lodderlijcke Nimphen soet, &c.

    DE reden door de Tijd bevijnd,
Dat niets so vreemt alhier verschijnd,
Noch immer is verschenen,
Of’t streckt om te vereenen.


    2    (5) Natuur heeft alles wel beschickt,
Der dinghen wesen soo verstrickt,
Vermaeghschapt aen de Vrede,
Door eendrachtige zede.


    3    Hoe stribb’ligh, oock nochtans vergaert,
(10) Vyer, Water, Lucht, de swarte Aerd
Door onderlinghe krachten,
Haer al tot paren trachten.


    4    De Visschen inde wilde Zee,
En ’t geyle menigh-formigh Vee

(15) Dat joockt al na den ander,
En menght sich met malkander.


    5    Den over-hooft van al ’t gediert,
De Mensche, met vernuft verciert
Door harts-tocht, en beweghen,

(20) Tot minnen is geneghen.

    6    De Wereld souw haest ydel zijn,
Ten waer de lieve-leyde pijn,
Die wy soo tochtigh voelen,
In onse herten woelen.


    7    (25) Ghy Bruygom hebt oock wel gesmaeckt
Hoe dat de min de herten raeckt.
De
Bruydt kan ’t oock getuyghen,
Hoe hy ons sin kan buyghen.


    8    Gaet aen, gaet aen, geliefde Lien,
(30) Ter plaetse daer ’t ghevecht sal schien,
Daer niemand van u beyden
Sal roepen om te scheyden.


    9    Gaet dringht twee zielen in een lijf,
En komt dan uyt als Man en Wijf,

(35) En weest so de voor-beelden
Van ons verhoopten weelden.


    10    Be-yvert doch soo desen staet,
Op dat de Wereld niet vergaet.
Blijft ghy
In liefde bloeyen,
(40) Gods heyl sal u toe-vloeyen.
’t Kan verkeeren.


[
a, p. 90/98, fol. N1v]

Liedeken,

Stemme: Poolsch Amanje, &c.

            DE lieve, waerde, soete Mey
            Die toont haer vruchten menigerley,
            En pronckt haer op so hups en frey,
            In ’t lieflijck groen gekleed:

            (5) Mijn ooghe dien ick vluchtigh drey,
            Sien uyt de hard’ en schrale cley,
            En grasigh groeysaem, vette wey,
            Daer ’t hong’righ vee van eet,
            Het dorre Bos,, seer haestelijck begos,

            (10) En schielijck bewos,, vol bladeren en Mos
            Wt d’aerde kout,, dies ’t waerde Wout
            Is duyster van ’t beblaerde hout
            Dat sich soo wild verspreedt.

                2    Denckt hoe ’t de schoone Mey verciert,
            (15) Die haer so lustigh went en swiert,
            En ons so rustigh send en stiert
            Haer gaven onbeloont,
            Kijckt hoe hy ’t velt met bloemtjes ciert:
            Siet hoe ’t gevoghelt en ’t ghediert

            (20) Vermenighvuldight en vermiert,
            En hoes’ alle dingh verschoont:
            Haer jonste soet,, stoote wy mette voet,
            Namen wy in ’t goed,, gelijck sy ’t ons wel doet,
            Wy verghelden, siet,, te selden yet,

            (25) T’onrecht mach zy ons schelden niet
            Voor ondanckbaer van gemoed.

                3    Langs ’t waterigh moras en poel,
            Onder de frissche schaduw koel
            Ontvluchtmen Son en hette swoel,

            (30) Die ’s somers vinnigh steeckt:
            D’een kiest het Bosch, d’ander de Doel,
            Den derden die mijd het ghewoel,
            Voorts deur naturelijck ghevoel
            Is tot grooter brand verweckt,

            (35) Wt oorsaeck, want,, de Minne somers brant
            Heftigher dan ’t,, ’s winters, na mijn verstant:
            Dat breeder is,, soo ’t weder is,
            De mensch die swack en teder is
            Van gemoed en ingewant.

                4    (40) Ey siet; het vrolijck versch gewas
            Van ’t dierbaer kruyt, schoon bloemen, gras,
            En hoord der honden fel ghebas,
            Vervolghen ’t inde vlucht
            ’t Wilde Swijn, ’t Hart, of Das:

            (45) Hoe slingert de Jagher met zijn tas,
            En ’t water schijnt als spiegel-glas.
            De mensch, ’t geboomt’, en lucht,
            Ey siet toch, siet,, hoe daer de wey-man schiet,
            De visscher vanght niet,, de hanghelaer heeft yet,

            (50) De valckenier,, met balcken hier,
            Ey siet; hoe dat zijn schalcke dier
            Die voghels hoogh bespiet.

                5    Jeughdighe Mey, Princes vermaert,
            Ghy verquickt ’t herte seer beswaert,

            (55) Ghy verquickt out en jong bejaert
            Door u bevalligheyd soet,
            Ghy doet dat het gheveughelt paert,
            Ghy maeckt datmen rijd of vaert
            In plaets daer wullips of bedaert

            (60) De soete malligheyd doet.
            O Meye eel,, u deughden zijn so veel,
            Ick noemer maer een deel; Laets’ andere noemen heel,
            Die meerder zijn,, gheleerder zijn.
            Seer garen ick verneder mijn
*
            (65) Onder hooge Gheesten waert.
’t Kan verkeeren.


[
a, p. 91/99, fol. N2r]

Cupidoos Liedt,

Stemme:

Als ick uyt wandelen gae, &c.

IC hadde noyt gevoelt in mijn voorleden wylen
De schichten noch het vyer, noch de vliegende pylen,
De hongerighe vlam, noch ’t woeden, noch de wind,
Noch oock de fackel heet van ’t wreede Schutter-kind.

    (5) Ick hadde door ’t gesicht geleppert noch gesoopen,*
Dat schadelijck vergift, de smaeck van ’t lieflijck hopen
Dat in mijn ingewant soo nestelde met kracht,
En heeft my duysentigh krackeelen toe-gebracht.
    Ia duysent stryden straf, en duysent soete vrede,

(10) Die in mijn jong gemoed schermutste ende strede,
Ick wist niet of mijn hart (soo minneloos en kout)
Sou lyden wel den brand, die elck onlijdlijck hout.
    Ick waende, ’t dwase wicht most swack onmachtig wesen,
En dat zijn kindsche kracht was noodeloos te vresen,

(15) Maer als ick heb gesien dat hy de hooge Goon,
De Hemel en de Aerd so dwang met zijn geboon,
    De Bodem vande Zee, en d’afgrond vande Helle,
Die beven voor zijn macht, die schricken voor zijn quelle,
Een yder zéverbeckt voor dese kleene Godt,

(20) Die ’t al in all’s bestiert, met zijn dwingend’ gebodt.
    Ha! wreede (seyd’ ick doe) die met u felle smarten
De Lichamen verkracht, verdruckt de vrome harten

[a, p. 92/100, fol. N2v]
Die alle macht verniet, die ’t al is onderdaan,
Laet my mijn vrydom vry, sonder my dus te slaan.

    (25) Bedeckt ô stoute! niet mijn geest, noch oock mijn oogen,
Noch die levende kracht der Zielen groot vermogen,
En roof mijn oordeel niet, mijn vryheyd of mijn schild,
Als ghy mijn vaste sin streng’lijck beproeven wild.
    Maar laas! doen ick hem bad met ootmoedige beden,

(30) Heeft hy geschoten los (heel buyten recht of reden)
Van zynen esschen boogh, so vluchtigh en so ras,
De doodelijckste schicht die in zyn koker was.
    Hy heeft hem af-gelost en in myn hert gesonde,
Daer het verstaalde punct boorde so groot een wonde,

(35) Een grondeloose wond, een wonde onbekent,
Wiens smarte niet gedooghd datmense tast of end.
    Het yser soude my een snelle dood bereyde,
Indien de Minne niet de hand daar aen en leyde,
En quetste met een schicht op een gelijcke stond,

(40) Der gener die mijn hert gerooft heeft en gewond.
    Dees schoone klaarheyd hel, dees Cupido, dees stralen
Die my in haar gesicht so levendigh af malen:
Dat syn de mid’len van mijn eenigh groot geluck;
Maar zy herkennen niet myn trouheyd noch mijn druck.

    (45) Ach zy herkennen niet de trouwe van mijn Ziele!
En ick gevoele wel haar wreedheyd my verniele:
Sy kennen niet mijn dienst, noch ’t herte dat dus vlampt,
Geen van mijn sinnen vijf, voldoen haer eygen ampt.
    Also het vonckend’ vier, de vleugelen, de schichten,

(50) In mijn beroerde geest so woesten brand gaan stichten,
Met yser en met vlam, en met een styve wind,
Waar toe myn suffe hert gantsch geen remedy vind.

’t Kan verkeeren.


Een soete stryd,, tot kortingh van tijd,
    Is om een Ruyckertjen geresen,
Van een lief paar,, die de Minne daer,
    Bloems-gelijck tuyghden bewesen.

Ionghman.
        O Leyder Minne!
        Ghy quelt mijn sinne:
        Want dien ick min die gaet mijn hate,
        Hier tegen en baet mijn geen schoon prate,

        (5) De liefd’ is sonderlingh:
        ’t Is wel een selzaem dingh
        Of ick myn al bedwingh,
        ’t Mach mijn niet baten.

Dochter.
            2.   Benaeuwde harte,
        (10) Tot boet van smarte,
        Gebruycken die eele Medecyne,
        Tot verlichtinge van haer pyne,
        So doen dees Bloemtjes goet
        Deur haare reucke soet,

        (15) In mijn bedroeft gemoet
        D’onlust verdwynen.

Ionghman.
            3.   Mijn lief gepresen,
        Moet welkom wesen,
        Wat ’s d’oorsaeck van u droevigh suchten,

        (20) Daer ick van merck u klachtigh duchten?
        Wat bedien dees Bloemtjes veel,
        Die ghy Princesse
eel
        Gebonden hebt te deel?
        Spreeckt sonder vruchten.


[a, p. 93/101, fol. N3r]
Dochter.
            4.     (25) Ick sal de rede
        Van mijn droefhede
        t’ Uwen geval, u gaen verkonde:
        Gelijck dees sachte zijd houd gebonde
        Seer hard dees Bloemtjes jent,

        (30) So houd myn in torment
        De soete liefde blent,
        Dit ’s mijn vermonden.

Ionghman.
            5.     Maar dese fleure,
        Schoon van koleure,

        (35) Verdorren haestelijcke en verdwyne:
        En d’op-rechte liefde is vol pyne,
        Sy duurt en blijft altijd,
        Sy vermeerd, en wast subijt,
        Dat dit een Minnaer lijd,

        (40) Voel ick an ’t myne.
Dochter.
            6.     U reden wennen
        My tot bekennen:
        Hoe wel sy haest verdorren seere,
        d’Aerde, haer moeder, brenghtse weere,

        (45) Ander inde plaetse daer,
        De liefd is oock vruchtbaer:
        Verlaet ons een pijn swaer,
        Sy dubbeltse weder.

Ionghman.
            7.     Dat’s praet verlore
        (50) Mijn uytverkore,
        Want sulcke nieuwe baringh van bloemen,
        Kund ghy in uwen bond niet roemen,
        Na dien ghy ’t niet bewijst,
        ’t Geen ghy op ’t hooghste prijst,

        (55) Want in u niet verrijst
        ’t Geen wy weer-lieft noemen.

Dochter.
            8.     Ick gelijck ’t byde
        Band, sacht van syde,
        Die dese bloemtjes by een kan houde,

        (60) Oock wel kenne diene soude
        Tot bosjes meniger hand,
        So houd der Minnen band
        In een beroert verstant
        Het langh vertroude.

Ionghman.
            9.     (65) Och Prinçes aerdigh!
        Ghy sluyt te vaerdigh,
        Want dees Bloemtjes lieflijck ruycken,
        Schoon en behaeghlijck om te pluycken,
        En de liefd is, dunckt mijn,

        (70) Een wreet gevoel met pijn,
        Hoe souse haer gelijck zijn?
        Wilt re’en gebruycken.

Dochter.
            10.     Prins, alle saken,
        Die bly of droef maken,

        (75) Die van beminde persoone komen,
        Die werden altijd in ’t soet genomen
        Vande Minnaer wel verwacht:
        Waar van dat hem ’t gedacht,
        Veel soeter is ick acht,

        (80) Dan dese Bloemen.
’t Kan verkeeren.


[
a, p. 94/102, fol. N3v]

Liedeken,
        Stem:Nu spreyd u kapjen nedere,
Het is so moyen wedere, &c.
MOcht ick verwerven ’t geen ick wouw,
Of soo ’t na wensch gevil,
Ick kreegh een schoone wyse Vrouw:
Maer hoe-wel dat ick niet en trouw,

(5) ’t Schort my niet aende wil.
  2.      De angst die in ’t verkiesen leyd
Beswaert mijn hart soo seer,
Dat mijn arme geneghentheyd
Seer selden siet geleghentheyd,

(10) Soo ick die wel begeer.
  3.      Sie ick een aenschijn lief en soet,
Slecht, nedrigh, ongeacht,
Doch vroom, en eerbaer van gemoed,
Maer sonder eenigh haef of goed,

(15) De liefd’ en heeft geen kracht.
  4.      Soo ick dan nae een rijcker sie
Van schat, van pracht, en staet:
’t Is noodigh dat ick dan van die
Soo seer als van de arme vlie,

(20) Wil ick niet zijn versmaet.
  5.      Verkies ick dan een schoone Maeghd,
Bevalligh, hups en snel,
Die my in alles wel behaeght:
So ist oock al om niet gevraeght,

(25) Geval ick haer niet wel.
  6.      So ick (als veel) om ’t loose geld
Een leelijck wijf ansla,
So sie ick staegh ’t geen dat my queld:
De liefde door af-keer versmeld,

(30) Geen treck heb ick daer na.
  7.      Vaert wel die ouwe weeuwen vrijdt,
Ick bender veur vervaert,
En die zijn soetste jonge tijdt
Met sulcken ouwe Queen verslijt,

(35) Die is geen eere waert.
  8.      Vry ick een jeughdigh wacker dier,
Die ben ick schier te ouwt,
Want die waent in haer sinnen schier,
Dat in my al het minnen-vyer

(40) Is uyt-gedooft en kouwt.
  9.      De quade die begeer ick niet,
Het by-zijn is onsoet,
Van die met een wellust aensiet
Haer goede vrome mans verdriet,

(45) Voor die ben ick te goed:
  10.      Maer hoord deugd-rijcke Vrou, beleeft,
Voor-sichtigh, goed en wijs,
Mijn hart u alles over-geeft,
Door dien het u genomen heeft

(50) Voor zijn aertsch Paradijs.
  11.      Die mijn hier voor neuswijs beschempt,
Of lastert trots met lust,
Die doet noch goed, al luyd het vreemt,
Want t’wijl dat hy mijn eer beneemt,

(55) So heeft een ander rust.
’t Kan verkeeren.


[
a, p. 95/103, fol. N4r]

LIEDEKEN,

Stem: Amaril de decken sacht, vande nacht, &c.

        DIe sich veynst, waent of vermeet,
                    Dat hy weet
        ’t Geen hy niet en weet te weten,
        Werd met recht van elck bespot,

                    (5) Ja een sot,
        Of goed-dunckende geheeten.

            2   Die alleen zijn oogen slaet
                    Op ’t gewaet,
        Sonder eens na deughd te kijcken;

        (10) Machmen die door dit gebreck,
                    By een Geck
        Om zijn geckheyd niet gelijcken?

            3   Die boven alle dingen acht
                    Het geslacht,

        (15) Sonder de persoon t’aenschouwen;
        Machmen die oock niet wel voor
                    Dwaes of Door
        Om zijn grove sotheyd houwen?

            4   Die by een leelijck mensch verselt,
                    (20) Om het geld,
        Met een weer-sin gaet vernachten,
        Machmen die met alle recht
                    Niet voor slecht
        Of voor eenen gouwt-nar achten?

            5   (25) Die al waent, en houwt voor goedt
                    ’t Geen hy doet,
        En eens anders acht voor leuren,
        Datmen die in sulck geval
                    Noemde mal,

        (30) Souwmen daer oock an verbeuren?
            6   Die staegh op een ander siet,
                    Scheld en schiet
        Met veel spitse woorden vinnigh,
        En die sich selfs niet en kan

                    (35) Recht sien an,
        Noemt men die oock niet uytsinnigh?

            7   Die men klaer voor oogen leyd
                    Zijn dwaesheyd
        Sonder omslagh of bewimpel,

        (40) Die zijn trouwen vrunden raed
                    Grootsch versmaed,
        Die acht ick noch nesck en simpel.

            8   Ghy waert so quaed doen ick sey,
                    Dat de key

        (45) U achter ’t oor leyd en lottert:
        ’t Is mijn schult, ’t is waer, ick kent,
                    Want ghy bent
        Maer een onbeschaemde spottert.

            9   Spiegeld in dees spiegel wel,
                    (50) Niet u vel,
        Om dat cierlijck op te toyen,
        Vind ghy eenigh vuyl of swart
                    In u hart,
        Soeckt dat wijslijck uyt te royen.

            10   (55) Als ick (Lief) in mijn selfs ga,
                    En sie na
        Al mijn eygen liefdsche trecken,
        So dunckt my dat ick in mijn
                    Alles vijn

        (60) Dat ick in and’re wil begecken.
’t Kan verkeeren.


[
a, p. 96/104, fol. N4v]

Rhetoricaas Lof-Liedt,

Op de Stemme:
Si tanto gratiose, &c.
Of: O schoonste Personage! &c.

GHY drye-mael dry Godinnen,
Apollos bloed, Mercuri naeste Nichten,
Schrandert en spitst mijn sinnen,
Heldert mijn breyn, en leert my deftigh dichten,

            (5) Hoe wonderlijck
            De Redenrijck
            Met
Pallas is geboren,
            Doe
Vulcaan kloofde
            Iupijns bevruchten hoofde
            (10) Hier te voren.

    2    Als dit de Rymers singhen,
En gheestigh hier van vernufteliseren,
Men achtet dolle dinghen,
’t Belul-loos volck weet van geen redeneren,

            (15) Noch datmen kan
            Wt d’herssen pan
            Veel puyck van lessen smeden:
            De suyv’re breynen
            Sijn kloecke kond-fonteynen

            (20) Vande reden.

    3    Dit was ’t geluyt der snaren
Van
Orpheus Lier, die stillen kon de stromen,
Dien oock wist te vergaren
De beesten bot, ja beemden, berghen, bomen,

            (25) De reden-konst*
            Vind kracht en gonst
            Om Landen te versetten
            Sy kan de lieden,
            Hoe wilt, hoe woest, gebieden

            (30) Met haer Wetten.

    4    Scepters en heerschappye
Vonnis onthiet, en ’s werelts grootschen handel
Die gnocken haer vooghdye
Van u wijsheyd, hooghe Princes verstandel,

            (35) Ghy weet de schijn
            Van ’t ware zijn
            Te schiften, en te scheyen,
            En door u tolcken
            Kund ghy verweende volcken

            (40) Te recht leyen.

    5    Lof Reden-rijcke konste!
Lof weet-Godin, van wien de Rymen vloeyen!
Ghy baert ’t leven der jonsten,
Ghy stiert tot deught, en doet in liefde bloeyen,

            (45) Ghy leerd met vreught,
            Ghy sticht de Jeught,
            Ghy blinckt van glans op glanssen,
            Dus wy vercieren
            U hooft met Lauwerieren

            (50) Varsche kranssen.
’t Kan verkeeren.


[
a, p. 97/105, fol. O1r]

Loff-Liedeken,

Stemme: Aenhoord doch mijn geklagh, ghy Ruyters, &c.

        O Roem van Amsterdam!
        O Trots van alle Steden!
        O Hooft-tack van u Stam!
        O Dochter! die daer quam

        (5) Van Phoebus! en die nam
        U voedsel uyt de vlam
        Van zyne Godd’lijckheden.

            2    O Schoon! ja Sonne schier,
        Die mildelijck laet dalen,

        (10) U jonsten, goedertier
        Op my, u Dienaer hier,
        Met sulcken soeten swier,
        Dat ick brand van een vier
        Geboren uyt u stralen
.
            3    (15) Wanneer u klaerheyd groot
        Met blixem, en met blaken
        Haer voor mijn oogh ontbloot:
        Ick schaem mijn in mijn doot:
        ’t Hart word so kouwt als loot:

        (20) Nochtans een bloosend’ root
        Dringt door mijn wang’ en kaken.

            4    Als ghy (o mijn Vriendin!)
        U levendige lichten
        My slaet ter zielen in,

        (25) So schrickt mijn hart en sin:
        Doch met een lieve min,
        Door dien ick groot bevin
        De kracht van u gesichten.

            5    O kracht! die alle kracht
        (30) Mijns lichaems kan verplanten!
        Van waer komt u die macht?
        Of heeft u
Venus, sacht,
        Wt het kleed vande nacht
        Twee Starren schoon gebracht

        (35) U hooft tot Diamanten?
            6    O Licht van onse Tijd!
        O Gloor voor duysend Eeuwen!
        O Glans, gebenedijd!
        Wie u siet, hem verblijd,

        (40) En werd zijn selven quijt:
        Att’lanta werd gevrijd
        Van Hollanders en Zeeuwen.

            7    Wie dat u eens aenschouwt,
        En kan de dood niet vresen:

        (45) Maer werd moedigh en stouwt,
        Om met u in het Wouwt
        Te loopen, ick vertrouwt
        Hadd’ ick ’t bekoorlijck gouwt
        Ick sou verwinner wesen.

’t Kan verkeeren.


[
a, p. 98/106, fol. O1v]

Liedeken,

Stemme:

Aenhoort doch mijn geklag ghy Ruyters, &c.

            DIe voor een dooven preeckt,
            Wat schoons brengt voor een blinde,
            Hem selfs in moeyten steeckt,
            Daer hy zijn hooft me breeckt,

            (5) Want hoe hy’t klaeght of smeeckt,
            Te vergeefs ist wat hy spreeckt,
            So ick’t nu waer bevinde.

                2    Ick souw eer ’t yser koudt,
            En rotzen hart bewegen,

            (10) ’t Wilt-gediert in het woudt,
            Of ’t ruygh-bewossen hout,
            Verand’ren steen in goudt,
            Eer sy die op haer bouwt,
            Tot my souw zijn genegen.

                3    (15) Want sy bespot, belacht
            Smaed’lijck mijn waerde minne,
            Bescheldt ’t verwaent gedacht,
            Mijn dienst sy oock veracht,
            Maer waer ick groot van macht,

            (20) Uytheems en weyts van dracht,
            Sy souw my wel besinne.

                4    Mijn Lief heeft ’s werelts aert,
            Sy geeft de slechste ’t meeste
            Geluck, schat en wel-vaert,

            (25) Voor’t eel vernuft vermaert,
            Dat met recht ’t hoochst’ is waert
            Geeft sy het minst, en spaert
            Het eelst’ voor grove geesten.

                5    Maer ghy die u niet kreunt
            (30) Aen mijn seer droeve klachten,
            Daer schier u huys van dreunt,
            Dat ghy wel boeten keunt,
            Trots op u schoonheyt steunt,
            Maer daer ghy dus op leunt,

            (35) Verliest so haest zijn krachten.
                6    U dreutsich weyg’ren sult
            Ghy, sorgh ick, noch beklagen,
            Als verblick door u schult
            U blondigh hayr vergult,

            (40) Ja net en braef gehult,
            Hoe wel ’t nu dartel krult,
            Het mocht u noch wan-hagen.

                7    Als ’t laat-onnut-berouw
            U ’tharte knaeght, met reden,

            (45) Over mijn Liefd getrouw,
            Dien ick u droegh, myn Vrouw,
            Ghy verliet my, doen ick wouw,
            Als ghy wel willen souw,
            Sal ick u verlaten mede.

                8    (50) Eer ghy verliest u fleur
            Door wreede wraax onthalen:
            Eer noch u tijdt gaet deur,
            Ick raad u als een Breur,
            Neemt nu ghy hebt de keur,

            (55) De vruchten soet van geur,
            En rijp uyt gulde schalen.

                9    Eer betrens-Tijt onbreckt,
            Bid ick, weest op u hoede,
            Het be-vliesde oogh ondeckt,

            (60) En luystert doch perfeckt,
            Dubbeld nut het verstreckt
            Voor u, en die u treckt,
            En raed tot alle goede.

’t Kan verkeeren.


[
a, p. 99/107, fol. O2r]

Liedeken,

Stemme:

Fortuyn, helaes! bedroeft, &c.

EN had ick noyt bemint de witte reyne Deuchd,
So waer ick niet verliefd op u Maeghd’lijcke Ieucht,
So waer mijn hart noch vry van quelling en verdriet,
So voelden ick in my oock dese vreuchde niet.
    2    (5) Och! wat een blyschap ist wanneer als ick aenschouw
U suyver schoon Aenschijn? O eer-waerdige Vrouw!
Ghy! die met u gesicht u eerbaerheyd verrijckt,
Waer door mijn hart in’t zien van vreuchde gants beswijckt.
    3    In wat een droeven stroom werd ick gedompelt dan;
(10) Als ghy, mijn lieve helft, u aengesicht draeyt van
U Minnaer, die u mindt, so u wel is bekent,
Maer u af-keerlijckheyt veroorsaeckt mijn ellent.
    4    Dat al de werelt eert, is van my niet geacht:
Ick haet de hoovaerdy. Maer u eerlijcke dracht,
(15) En stille statigheyd, en nederigh gelaet,
Verçiert u Lief veel meer als ’t prachtige gewaet.
[a, p. 100/108, fol. O2v]
    5    ’t Op-sichtigh poppen-goed geeft wel een schoone schijn,
Doch die blinckende deughd kan in geen kleeren zijn,
Maer in een Eer-rijck hart, en deughdelijck gemoed,
(20) O Maeghdeken! dit is het alder-beste goed.
    6    Waart ghy niet op-gepronckt met dees heerlijcken schat,
Ick hadd’ u in mijn ziel soo lief oock niet gehadt:
Ick hadd’ u nimmermeer soo achtbaar aengesien,
De gaven van ’t gemoed ick meer als ’t lichaam dien.
    7    (25) De gaven van ’t gemoed, en ’s lichaams schoonheyd schoon
Stelt ghy voor ’t keurlijck oogh wel rijckelijck ten toon:
Dies blijft ghy mijn Prinçes in vreughd, en in gequel,
Ick offer u mijn hart, ’t welck snackt na u bevel.
    8    Ick hoor u, Lief, geheel, ick ben niet langer mijn,
(30) Mijn ziel kan langer niet van u verscheyden zijn,
Smeld onse herten t’saam, vereend ons wille nu,
Of laat ons metter daad gaan mengen my in u.
’t Kan verkeeren.


[
a, p. 101/109, fol. O3r]

Klaagh-Lied,

Stemme: Uyt Liefden siet,, Lijd’ ick verdriet, &c.

MYN sinlijckheyd,, heb ick geleyd,, op een die ick moet derven,
Die my onthoudt,, ’twelck myn so rout,, dat ick vaack wensch om sterven:
Niet dat ick haar,, mijn Lief eerbaar,, yet quaets souw willen gunnen,
Ja woud’ ick al,, (dat ick niet sal) ’k en souw voorwaer niet kunnen.

    2    (5) Want d’oogjens bly, die sy tot my, eertijts so lieflijck keerde,
Die heeft sy noch, waer door ick, och! haer hertelijck begeerde.
En haer wel-vaert, is lief en waert, in mijn getrouwe sinnen,
Souw ’t hart van mijn, wel konnen zijn, sonder haer te beminnen?

    3    Neen’t, seker neent, het sucht en weent, als het mijn Lief siet lijen,
(10) En in haer vreucht, schep ick geneucht, en over groot verblijen,
Want sy besint, die haer bemint, soo’t onberoemt mach blijcken,
Geen last of noot, sal voor de doot, my van mijn Lief doen wijcken.

    4    Hoe soud’ ick, siet, beminne niet, die so men mach bemercken;
Is wijs van Raad, arrem van praat, en rijck van goede wercken:

(15) Hier door ’t oogh viel, op d’ed’le Ziel, van mijn Lief uytgelesen,
In wien ick, ach! docht dat ick sach, het alder-schoonste wesen.

    5    Kleyn is mijn roem, of ick schoon noem, haer wel-geschickte zeden,
Want d’Ouders die, gaen so ick sie, haer aen Rijcker besteden.
En die haer eerst, scheen wel begeerst, gaat vluchtigh sy verlaten,

(20) Maer die aen-neemt, voor eygen, vreemt, laet sich door ’t geld bepraten.
    6    Het duyvels Geld, heeft oock geweld, sie ick in ’s menschen ziele,
Want die quaat doet, kan metter spoet, de Liefde licht verniele.
Geen Liefd maer schijn, want siet an mijn, of het my
Kan verkeeren,
Daermen Jonst koopt, hoe dat afloopt, sal ons de Tijd wel leeren.
’t Kan verkeeren.


[
a, p. 102/110, fol. O3v]

Stemme:

Si tanto gratiose, &c.     Of: O schoonste Personage! &c.

ACH! blije Jongelingen,
Kondy mijn liefd aen mijn ghelaet niet merken?
So luystert na mijn singen;
Of liever ooght op mijn verwonnen werken:

            (5) Den Hemel wil,
            Ick krijt, ick gil,
Hoe ick ben overwonnen,
            Waer zijn mijn krachten?
            Mijn levende gedachten

                    (10) Zijn verslonnen.
    2    Den Basilisq doet sterven
Wie hem ontmoet, of anders komt aenschouwen,
So moet ick oock verwerven
De dood, door ’t sien van u al-waerde Vrouwe,

            (15) O machtigh volck,
            Die mijn harts-kolck
So swoeler swoelt doet glooren,
            ’k Heb uyt so menigh
            Alleen een eenigh eenigh

                    (20) Uytverkoren.
    3    Schoon Lief wilt u niet storen,
Dat u mijn hart ootmoedigh soeckt te dienen,
Ick bender toe geboren,
Maer, waerde Vrou, wat kan ick u verlienen,

            (25) Ick heb geen macht,
            Ick heb geen kracht,
Of isser yets te vinden,
            Uyt harts begeeren,
            Sal ick’t u strax ver-eeren,

                    (30) O beminde!
    4    Mijn Ziel-gelijcke zeden,
Verselschapt van u goede hooge sinnen,
Leert my Natuur en Reden
Verr’ boven al ’s werelts pracht te minnen,

            (35) Ick vraagh na bloed,
            Na praal noch goed,
Na hoogheyd, noch Na-magen,
            Mijn Lief! mijn vreuchde,
            U schoon gepronckte deuchde,*

                    (40) My behagen.
    5    O Sleutel van mijn leven!
O Lust-hof van mijn cuysche lieve lusten!
’t Geen ick u heb gegeven,
Laet dat so lang in mijn plaets by u rusten.

            (45) Lief zijt niet norts,
            Ick hoop noch korts
U hart gemoet te buygen,
            Wilt uyt mijn dichten,
            Die ick uyt liefde stichten,

                    (50) Geen quaet suygen.
’t Kan verkeeren.


[
a, p. 103/111, fol. O4r]

Stemme:

Ick kan nu niet bedwinghen mijn uytgelaten vreught, &c.

            HOe lustigh is ’t te spreken
            Met verstandighe Lie’n!
            Die geen ooghen gebreken,
            Noch kennis om te sien

            (5) Op yder dingh,, soo sonderling
            Als ’t mooghlijck kan geschie’n.

                2    Want die gemeene wetten
            Van een scherp-sinnigh hooft,
            Is; met op-merck te letten

            (10) Eer ’t toe-stempt, of gelooft
            Der boosen vond,, of loosen mond,
            Die ’t sot hart licht gelooft.

                3    De Kloeckaarts onderscheyden
            Het wesen vande schyn:

            (15) Geen schaduw kan haar leyden
            Van het waarachtigh zyn,
            Haar oordeel sift,, het schilt, het schift,
            En schuymtet grof van ’t fyn.

                4    Naar een beslepen schrand’re
            (20) Heb ick alt’sints bespeurt,
            En, onberoemt, uyt and’re
            Een sulcken een gekeurt,
            Die mijn gemoed,, so heel voldoet
            Als ’t nau van duysent beurt.

                5    (25) Myn Sappho kan stracx mercken
            De grontvest, en het wit
            Van alle ed’le wercken,
            De zenuwen, en ’t pit,
            En waar de kracht,, van het gedacht

            (30) In rauwe bolster sit.
                6    Haar snelle geest kan dringen
            Tot in het ingewant
            Van d’alderfynste dingen
            Diemen op aarden vant,

            (35) Of vinden sal,, ’t Sy van wat stal,
            Sy kleynstet door ’t verstant.

                7    O spits-zinnige zinnen!
            Geleerd, en op-gevoed
            Om zielen t’overwinnen

            (40) Van ’t alder-klaarste bloed.
            Hoe haast naamdy,, u heerschappy
            Over mijn swack gemoed?

                8    U gesicht doet beswymen,
            Men sach ’t aan mijn geschie’n:

            (45) Ghy toovert met u rymen
            De voor-barighste lie’n,
            Die ghy versuft,, als zy ’t vernuft
            Van u besinnigh zien.

                9    Ghy puft de school-geleertheyd
            (50) Met u vloeyend gedicht,
            Want ’t is niet dan verkeertheyd
            Dat dwinght, en niet en sticht,
            U Poësy,, of rymery
            Is innerlijck verlicht.

                10    (55) Ons vriend’lijck redeneren
            Vol heusheyd, sonder maat,
            Dat sal, noch Kan verkeeren,
            Het gaat hoe dattet gaat.
            Maar siet, dat ghy,, o
Sappho! my
            (60) U Phaon niet verlaat.
’t Kan verkeeren.


[
a, p. 104/112, fol. O4v]

Liedeken,

Stemme:

Het daget uyt den Oosten, &c.

            WAer vlucht ghy Liefde henen?
            Waer streckt de loop dus heen?
            Wat proefdy nu u beenen
            En wack’re vlugge le’en?
            (5) Of u schichten moordadigh,
                    En genadigh?
                2    Treet vry so ghy wilt treden,
            En gaet vry-moedigh voor,
            Ick schrije in u schreden,
            (10) En stappe in u spoor,
            Al soud’ ick tot de Polen,
                    Met u dolen.
                3    Ick volge sonder vreesen
            U wreet, en soet gesicht,
            (15) Dat sal mijn Noord-Ster wesen
            En ’t licht dat my verlicht,
            Myn bolwerck hooch verheven,
                    Ia mijn leven.
                4    ’t Sy ghy het windigh Oosten
            (20) Of ’t luwe Westen kiest,
            ’k Salt my geduldigh troosten
            Hoe seer’t int Noorden vriest,
            Als onse twee Lichamen
                    Blyven t’samen.
                5    (25) De vlam-vierige linie
            Of ’s middaegs heeten brandt,
            Noch ’t Zuyen, noch Oostinie
            Dat warme Sonne-landt,
            En sal my niet af schricken
                    (30) Maer verquicken.
                6    Als ick maer mach aenschouwen
            Dat blinckend Starrelijn,
            Dat licht van alle vrouwen,
            Wiens klaerheyt schoon van schijn
            (35) Ick nimmer kan genaken
                    Noch aenraken.
                7    Ach! klaerheyt hel, en heyligh
            Die sacht is, en so soet
            Mijn waerde vryheyt veyligh,
            (40) Dus rooft uyt mijn gemoedt:
            Ach! geeft mijn weer mijn krachten,
                    En gedachten.
                8    Want dit lief-oogen, wijsen
            Dit locke-broodt, dit aes
            (45) Kan my niet langer spijsen
            Yet beters wensch ick, laes!
            Hoe wel ’t my in droefheden
                    Stelt te vreden.
                9    Mijn hartje woeldt in lusjes,
            (50) En snackt vast in zyn grondt
            Na die soet-sape Kusjes
            Van u beminde mondt,
            Daer ick wensch aen te kleven
                    Al mijn leven.
[a, p. 105/113, fol. O4v]
                10    (55) Om so mijn lust te blussen
            Aen u, o mijn Vriendin!
            Met een gesuyckert kussen.
            Maer wondert u mijn Min?
            Ick soeck naer ’t geen de Goden
                    (60) Selfs na vloden.
                11    Komt ghy my niet bespoelen
            Met uwen adems vocht,
            Noch desen brand verkoelen;
            Voorseker, Lief, ick mocht
            (65) Wel op de aerde sacken,
                    En verswacken.
                12    Ick ben, laes! die haert-stede:
            Ghy ’t vier dat mijn verteert:
            Ach! ghy kund uyt mijn smede
            (70) Het geen dat ghy begeert.
            Helaes! ick sal ontmenschen
                    Wildy ’t wenschen,
                13    En in een beest verkeeren,
            Of heel te niete gaen,
            (75) Gevoel, en spraeck ontberen,
            En sonder reden staen;
            Ist dat ghy weer mijn klachten
                    Wilt verachten.
                14    Ach! hebt dan mede-lyen
            (80) Heylige vriendschap soet,
            Met mijn begeerlyck vryen,
            Met mijn verliefd gemoed,
            Wild mijn siel met den uwen
                    t’Samen huwen.
’t Kan Verkeeren.


Liedeken,

            DE blijdscap komt van mijn:
            Een yeder juyghd van vreughd,
            Een woningh vande pijn
            Is, laes! mijn jonghe jeughd.

                (5) Ay! hoe bochten mijn gedachten,, wild
            Om d’ontrouw die ick doe,
            Ay Hemel! al mijn klachten,, stild,
            ’t En quam by my niet toe.

                2    Speelt, springht, en quinckeleert,
            (10) Vervrolijckt, u verblyd:
            Myn droevigh hart begeert
            Wat vryheyd, en wat tijd.
                Ay! hoe bochten mijn gedachten,, wilt
            Om d’ontrouw die ick doe,

            (15) Ay Hemel! al mijn klachten,, stild,
            ’t En quam by my niet toe.

                3    Besadight u, mijn hart,
            Hoe holdy dus ontoomt?
            Helaes! van enckel smart

            (20) ’t Gesicht van tranen stroomt.
                Ay! hoe bochten mijn gedachten,, wild
            Om d’ontrouw die ick doe,
            Ay Hemel! al mijn klachten,, stild,
            ’t En quam by my niet toe.

                4    (25) De leckernye soet,
            Die, proevende, vermaeckt,

[a, p. 106/114, fol. P1v]
            In mynen mond als roet,
            Of bitt’re galle smaackt,
                Ay! hoe bochten mijn gedachten,, wild?

            (30) Om d’ontrouw die ick doe,
            Ay Hemel! al mijn klachten,, stilt
            Ten quam by my niet toe.

                5    De blije sang en spel,
            Luyd-klagend’ in mijn oor,

            (35) My dunckt dat ick seer hel
            Mijn Lief daer suchten hoor.
                Ay! hoe bochten mijn gedachten,, wilt!
            Om d’ ontrouw die ick doe,
            Ay Hemel! al mijn klachten,, stilt

            (40) Ten quam by my niet toe.
                6    De lieffelijcke Lucht,
            Dat is my niet dan stanck,
            De Reuck die and’ren helpt,
            Die maackt my flauw en kranck,

                (45) Ay! hoe bochten mijn gedachten,, wilt!
            Om d’ ontrouw die ick doe,
            Ay Hemel! al mijn klachten,, stilt
            Ten quam by my niet toe.

                7    Ick doe niet dan ick suf,
            (50) Afwysich, schuw, en koel,
            ’k Heb in mijn Man geen puf,
            Noch lieffelijck gevoel.
                Hoe bochten mijn gedachten,, wilt?
            Om d’ ontrouw die ick doe.

            (55) Ach Hemel! al mijn klachten,, stilt,
            Ten quam by my niet toe.

’t Kan verkeeren.


Liedeken.

WAt onvertel’bre vreucht, en wat verwonderingen,
Wat lieffelijck onthael, wat heughelijcker Feest,
Mach komen onbewaant met een getuymel dringen
En ploffen plotselijck op mijn verdeelde geest?
    2
    (5) O vriendelijcke vreucht van uytghenomen krachten!
Hoe sweefdy van mijn Ziel tot in mijn harssen-pan,
Die ghy also beroert, dat ick met mijn gedachten
U niet begrypen, noch veel min uytdrucken kan.
    3    Ach! d’oorsaek van mijn vreucht zijn u vergode sinnen

(10) En u gebleyckt vernuft, en hel versont gemoet,
Waer met ghy zijt gewent in wijsheyt te verwinnen
De oordeel-rijckste en de suyverste van bloet.
    4    De klaarheyd van u geest, en u verstandelheden,
Die blincken in u werck gelijck een sonne-schijn,

(15) O volheyt van mijn vreucht! O sonne vande reden!
Waer voor het klaerste licht schijnt duysternis te zijn.
    5    Hoe dickwils sou mijn tong u groote kennis loven,
Indien ick waer versien, goddinne na mijn wensch,
Maer u waerdijen gaen de aertsche lof te boven,

(20) Hoe veel te meer dan van mijn onvermogen mensch.
    6    En dese schoone Ziel, rust in so lieve leden,
Van omme-treck so net, so poeslich en so sacht
Van goddelijck gesicht, en so vol proper-heden,
Als immermeer de kunst sou toonen in haer kracht.

    7    (25) Te kunstigh heeft u hand mijn slechte stijl gepresen,
Dies ick met
Hector spreeck (hoe-wel uyt soeten dwang)
Van geloofden gelooft ist loffelijck te wesen,
Maer, ick heb anders niet als ick van u ontfang.

’t Kan verkeeren.


[a, p. 107/115, fol. P2r]

Liedeken,

Stemme: Nachtegael kleyn wilt vogelken, &c.

VRaaght ghy, waerom sucht ghy so seer,
Dat doet my wel nu:
En ben ick u Lief, ben ick u niet veer?
Ja Vriendinne,, mijn sinnen,, die minnen

(5) Alleenigh u.
    2    U by-zijn mishaeght my niet, ach!
        Noyt liever stond;
Maer dat ick niet by u blyven mach
Doet mijn suchten,, ia vruchten,, en duchten

        (10) O rooder mond!
    3    Ick wensch dat ghy genieten meught
        ’t Geen ghy my geeft,
Dat is een over-soete vreught,
Die begeerlijck,, en heerlijck,, doch eerlijck

        (15) Om ’t herte sweeft.
    4    De vreese van ’t verand’ren haest
        Doet my suchten soo,
Soo dat mijn blijdschap suft verbaest,
U uytghelesen,, ghepresen,, eel wesen

        (20) Derf ick seer noo.
    5    U lodderlijck wesen braef en fris
        Verheught my ’t hart,
Maer ick weet wat my nakende is,
Door u derven,, te erven,, een sterven

        (25) Daaglijcks met smart.
    6    Is dan dit suchten soo sonder reen,
        Seght liefste dra?
Ick acht wel ghy sult seggen neen:
Op mijn jaghen,, en klaghen,, of vraghen,

        (30) Seght daer op ja.
    7    Prinçes, mijn liefde is soo groot,
        Sy neemt niet af,
Sy blijft by my tot inder dood,
S’wil lijen,, verblijen,, of glijen

        (35) Met my in ’t graf.
’t Kan verkeeren.


[
a, p. 108/116, fol. P2v]

Liedeken,

AL ben ic schoon Liefje niet machtig rijck,
Ick ben ten minsten als mijns ghelijck,
Wat geef ick om ’t goet,
Wat geef ick om ’t goet,

(5) De beste rijckdommen leggen in ’t gemoet.
    2    Ick laet den gierigaert na schatten sien,
En den staet-suchtigen na het gebien,
Ick geer, o mijn schoon!
Ick geer, o mijn schoon!

(10) Geen Konings scepter, noch Keysers kroon.
    3    Want de rust en opperste wel-lust leyt
In een onbekommerde vernoegelijckheyt,
En niet in het geld,
En niet in het geld,

(15) Dat staegh zijn meester met sorgen queld.
    4    Daerom Princesse so acht ick aldermeest
De gaven van u doorluchtigen geest,
En u hooch vernuft,
En u hooch vernuft

(20) Dat al de werelt braveert en puft.
’t Kan verkeeren.


Aen Ian Iacobsz Visscher,
Schilder en Glaes-Schryver.

Stemme: vanden xxiiij. Psalm, De aerd is onses Gods voorwaer, &c.

                            Die op het Rus-land stil,
                            Leyd zijn vernoeghde leven,
                            Werd dees brief (so God wil)
                            In eygen hand gegeven.

                                                Met vriendt die God bewaer.


            U Vraegh ontfaen, gesien, bedacht,
            Heeft in een twyffel my gebracht,
            Die schielijck stoof in mijn gedachten:
            Te weten, of ick uwe kunst,

            (5) Of uytgenome goede gunst
            Voor ’t grootst sal oordeelen en achten.

              2   Cort om, ick wil pluymstrijcken niet,
            ’t Is gulle gunst ’t geen ghy hier ziet,
            Geen diep verstant noch schrand’re spreucken,

            (10) Maer ondervinden, niet uyt waen,
            Dan seecker weten, en verstaen
            Van waere en van valsche breucken.

[a, p. 109/117, fol. P3r]
              3   Waerom het Eglentiertjen, ach!
            Niet bloeyt gelijck het voormaels plach?

            (15) Is Vrundt u vriendelijcke Vrage:
            De meeste mangel die ick weet,
            Dat is: dat elck zijn plicht vergeet,
            Want niemant wil den ander dragen.

              4   Dies d’Eendracht vlucht nu voor de twist,
            (20) De Eenvoud’ voor de schalcke list,
            De oude trouw is gantsch gebroken,
            De Liefde van de kunst is sieck,
            Of yver-loos;* door spijt of pieck
            En wert gedicht noch rijm gesproken.

              5   (25) Daer d’Overheyt niet wel en staet,
            En d’ongeregeltheyt toe-gaet
            Van bengels woest, en grootse gecken,
            Daer ellick voert het hooghste woort,
            Daer niemandt doet als hy behoort,

            (30) Daer moet het al ten quade strecken.
              6   Dies wertmen wette-loos, en slof,
            De goede zeden raecken of,
            En die’t hem schoon te recht wil moeijen:
            Die wert beguygelt en belacht,

            (35) Gelastert, en smaedlijck veracht,
            Hoe sou den
Eglentier dan bloeijen?
              7   Heeft yemant nu een Spel gemaeckt,
            Daermen (doch lachend’ niet) aenraeckt
            Met moeyten, en met tijdt verliesen,

            (40) Alsmen de rollen dan uyt-deelt,
            Den een die wrockt, d’ander krackeelt,
            Elck souse selfs wel willen kiesen.

              8   And’re brengen haer rollen weer.
            And’re willen niet spelen meer.

            (45) ’t Valt swaer veel hoofden te besturen,
            And’re willen, en kunnen niet,
            Zo hier geen beterschap geschiet,
            Zo mach ons Rijck niet langer duren.

              9 Ghy Princen rijck van goed verstant,
            (50) Die ’t Eglentiertjen hebt geplant,
            Wilt inden noot niet van ons wijcken,
            Mijn Vriendt, God geef u blije rust,
            Laet ons te samen, als’t u lust,
            Met stichtingh geest’lijck Reden-rijcken.


            De feylen die, helaes! op onse Kamer groeijen,
                Heb ick, met krancke kunst, bewesen en geseyt,
                Nu wacht ick, van mijn Heer, op dese vaers bescheyt,

            Dan sal de Reden-Rijck in ware Liefde bloeijen.
’t Kan verkeeren.
            Hier siedy ’t werck,, van een jong Klerck,
        Doch ’t is uyt jonst gheschreven,
            Soo ghy hier siet,, ’t geen u verdriet,
        Mijn slechtheyt wilt toe-geven.
        U vriendt blijft al zijn leven                    G.A. BREDERO.



[
a, p. 110/118]

Liedeken,

Stemme:

Lavagotte, &c.

            SChoon Eerbaer Maeght, gepresen,
            Ick min u alsoo seer,
            In ’t hart zijt ghy geresen
            Boven al d’ander veer,

            (5) Want u persoon,, die spant de kroon
            Voorwaer op deught en eer.

                2    Altoos sal ick beminne
            U eerbaerheyd en deught,
            Op u soo staen mijn sinne

            (10) Nu in mijn jonge Jeught,
            U klaar aanschijn,, keerd doch tot mijn,
            En mijn jonck hart verheught.

                3    Wat sucht ick bitter suchte
            Inwendigh, met verdriet,

            (15) t’Uwaerts doen ickse vluchte,
            Maer, laes! ghy weet het niet,
            Och! mocht ick nu,, verhalen u
            Het gheen dat my gheschied.

                4    Soo soud ick my verblijen
            (20) Noch eens in mijn torment,
            Mocht ick tot een’gen tijen
            Mijn liefd’ maken bekent,
            Met soete reen,, soud’ ick verbreen
            Mijn vreught en groot ellent.

                5    (25) Ick neem dickmael mijn ganghe,
            En ga verby u deur,
            Doch sonder troost t’ontfanghe
            Van u, wel reyne Fleur!
            Het hart verflouwt,, want ghy mijn houwt

            (30) Alleen in dit getreur.
                6    Niemand mach mijn vermaken
            Dan ghy, wel eerbaer Maeght!
            Ghy weet, en kend mijn saken,
            Geen liever mijn behaeght,

            (35) Men seyd seer goed,, na ’t suur komt ’t soet,
            Verhoord de geen die klaeght.

                7    Oorlof Prinçes verheven,
            Van my werdy bemind,
            Mocht ick den dagh noch leven

            (40) Dat ick oock word besint
            Van u alleyn,, o Maghet reyn!
            Versint eer ghy begind.

’t Kan verkeeren.


[
a, p. 111/119]

Genomen uyt de Fablen

AESOPUS.

Wie dat sich belght an dit, geloof ick niet dat schranckdigh is,
Hy stoot sich an een stroo, die sot en onverstanckdigh is
.

EEn plompen Esel sagh met oogen, dwars verkeert,
Hoe dat de wyse Leeuw van yder was ge-eert,
Van yder was bemind, van yder was gepresen:
Dit sotte Beest, dat socht gesien oock soo te wesen.

(5) Hy trock na ’t Diepe-land, daar men van ouder eeuw
De dieren licht vervormt in Aecxters, Vos, of Leeuw.
Het geld, het loose geld deed hem in schijn verand’ren.
Soo quam dit domme Dier hier als een Leeuw an-wand’ren,
Verkleydet inden huyt van een spits-sinnigh beest.

    (10) De neske Esel, trots, van op-geblase geest,
Kon wesen, noch gelaat recht na de kunst bestieren:
Bekend zijn sotheyd werd van die vernufte Dieren,
Want d’erge Vogels, kloeck, en ’t redelijcke Vee
Die dreven haren spot, en haren deun daar mee.

[a, p. 112/120]
(15) Sy schreden* an de wanckt, en gingen daar an schryven:
Wie dat een Esel is die moet een Esel blyven.
Flucx Garen-wat gaat wegh, wegh Weet-niet met u schijn,*
Iy bint een Plompaart, en jy wild een Kloeckaart zijn.
Met quam daar een krioel van Jongen en van Ouwen,
(20) En juighden uyt den Nar met hondert duysent jouwen.
’t Kan verkeeren.
Misschien een wrockend Geest, of een swaarhoofdigh bloed
Sal, schrollende met schemp, dit mijn versieren,, laken,
Deur dien hy, als te wijs, gelooft, noch en bevroed
Dat een-maal is geschied, dat stomme Dieren,, spraken:

(25) Men moet koer-Ossen fel: oock weer als Stieren,, raken:
Ghy Helden weest getroost, noch moet ick tot besluyt seggen:

Men kan somtijds een Man met moye klieren,, maken,
Mijn Heeren, ’t is mijn schuld kan ick mijn sin niet uyt-leggen.
G.A. BREDERO,   

’t Kan verkeeren.
Eynde van ’t Boertigh Liedt-boeck.
Continue
[b, p. 1]

DE

GROOTE BRON

Der Minnen.

Van

G.A. Brederoo

Amsterdammer.

[Typografisch ornament]

T’AMSTELDAM,
______________________________

Voor Cornelis Lodewijcksz vander Plasse, Boec-verkoo-
per, woonende op de Beurs in d’Italiaensche Bybel.
1622.
__________________________
Met Privilegie voor ses Iaren.


[b, p. 2]

Extract uyt de Privilegie.

DIE Staten Generael der Vereenigde Nederlanden, hebben gheconsenteert ende geoctroyeert, consenteren ende octroyeren mits desen, Cornelis Lodowijcksz vander Plasse, Boeckverkooper ende Borgher der Stadt AMSTELREDAM, dat hy voor den tydt van Ses Iaren naestkomende alleene inde Vereenighde Nederlanden sal mogen drucken, ofte doen drucken, uytgheven ende verkoopen de Wercken soo Spelen, Poëmata, Emblemata ende andere Rymerijen vanden treffelijcken Amsterdamschen Poët Gerbrand Adriaensz. Brederode Saliger, Verbiedende alle ende een yeghelyck Inghesetenen van dese Landen binnen den voorschreven tijd van Ses Iaeren naestkomende de voorschreven wercken vanden voorsz Poët Gerbrand Adriaensz Brederode, in’t geheele, of ten deele, in’t groote ofte in’t kleyne te her-drucken, uytgheven ende verkoopen, ofte elders na-ghedruckt inde Vereenigde Provintien te brenghen, om verkoft te werden, sonder consent vanden voorsz Cornelis Lodowijcksz vander Plasse, by pene van verbeurte van sulcke naghedruckte Exemplaren, ende daer-en-boven vande somme van dry hondert Carolus guldens, T’appliceren een derden-deel daer van tot behoef vanden Officier die de Calengie doen sal, het tweede derden-deel tot behoef vanden Armen, ende het resterende derden-deel tot behoef vanden voorschreven Cornelis Lodowijcksz vander Plasse. Gedaen ter vergaderinge vande Hoogh-Gemelte Heeren Staten Generael, In ’s GRAVEN-HAGE opten negenden Aprilis sestien-hondert twee-en-twintigh, ende was gheparagrapheert E. vander Marck vt.            Leeger stond,

            Ter Ordonnantie vande Hoogh-Gemelte Heeren
                Staten Generael, ende was onderteeckent

C. Aerssens.



[
b, p. 3]

[Gravure]

Komt klimt op Idalus blijgeestigh, en aenschouter
De Ieugd, die nederknielt voor Venus heiligh outer,
En offerhanden brengt voor haer en voor de Min
Die’t al set na sijn hand, en heeft de werreld in.


[b, p. 4: blanco]

[b, p. 5]

Amoureus nieu Liedtjen,

Op de Stem:


Als ick uyt wandelen gae, &c.

1.
O Keyserlijcke Vrouw, verheven en ontsien
Geboren soo ick hou om Zielen te gebien
Niet van ’t ghemeene volck onaerdich grof van bloet
Maer van, maer van, maer van, de grooste van ghemoet.

2.
    (5) De cloeckste van verstant en wijsheyt wel gheleert
Die door het heele Landt gheacht zyn en gheeert
Die knielen voor u neer eerbiedich en bevreest
Met schrick, met schrick, met schrick, voor dijn alwaerde geest.

3.
    O Goddelijcke Ziel! vervult met Hemels goet
(10) Hoe ootmoedelijck viel, mijn Hertjen u te voet
Doen ick u schoonheyt sach uyt glinst’ren als de Zon
Daer ick, daer ick, daer ick niet teghens zien en con.

4.
    U klaerheyt en u Glans mijn ooghen sloeghen neer
Maer inderlijck nochtans erkenden ick niet eer

(15) U hooghe achtbaerheyt en heusheyt, doch ick kint
Dat ghy, dat ghy, dat ghy, veel meerder waerdich sint.

5.
    Wanneer ick u waerdy gae schatten in mijn breyn
Waerachtich dan dunckt mijn de Werrelt al te cleyn
En t’ Aerd’rijck al te Arm van Rijckdom en van Pracht

(20) En ick, en ick, en ick, te lomp in mijn ghedacht.
6.
    Om u na wil en wensch te toonen al mijn gonst
Doch meerder als een Mensch en Menschelijcke const
Soud’ ick daer toe besteen, indien ick had’ de macht
Ghy zout, ghy zout, ghy zout dan zien hoe ick u acht.

7.
    (25) Vaert wel mijn Keyserin van herten grootsch en braef,
Ziet dan meer op de Min, alst middelen van u slaef
Hoe wel zyn moedich Hert veel groote dinghen laet
Zoo neemt, zoo neemt, zoo neemt zyn jonste voor de daet.

’t Kan verkeeren.


Amoureus-Liedtjen,

Op de Stem:


Indien het claghen can.

1.
AY schoone Dochter Blont, die ’tHulzel en Paruycken,
Des Gouden Dagheraets verwelickt en verdooft,
Die den Snee witten melc en Lelyen doet duycken
Voor ’tSilver blancke vel, van u Eerwaerdich Hooft.

2.
    (5) O Margarieta schoon, o uytghelesen Bloeme
Stroyt uyt u braef vergult en lang Goudt dradich Haer
Dat de Sonne beschaemt verwondert is en hoe me
De Roosen, en ’tYvoor zoo Marmelt door malcaer.


[
b, p. 6]
3.
    Ontdect mijn Lief ontdect t’Meester stuc der natuiren
(10) Dit sonderlinge werck, dit uytnemende raeck
Dees Appel Borstjens hert dees lieve naghebueren
Die het lustgierich oogh beloven soet vermaeck.

4.
    Cust mijn: mijn soete: Ha cust my en cust my weder
Ha ha: ick sterf ick sterf de Ziele my ontvlooch

(15) Na uwen adem soet mijn Hert springt op en neder
En swoecht noch na de cracht die my u vier ontsooch.

5.
    Ick swym ay my ick swym t’leven wil my ontslippen
Ach ghy ontsuiget* mijn dat lieffelijck Ghebloemt
Dat ick te plucken plach van u Purpere Lippen

(20) Van ’t Corael Rijcke Hooft, en Roosen velt voornoemt.
6.
    Paeyt doch mijn groot verdriet, en wilt genae gebruycken
O schoone die myn Ziel volcomelijck bezidt
Geeft my de Bloemkens weer die so soet geurich ruycken
Gheeft my haer oude cracht haer leven en haer pit.

7.
    (25) Mijn oogen syn verstaart, met schimmer blint geslagen
Belamphert zoete Lief u Goddelijck ghesicht
O Vriendelijcke Mont ick en can niet verdraghen
U Flonckerighe brant, en vonckend’ ooghen licht.

8.
    Omhelst my waerde Lief en laet my troost verwerven
(30) Bluscht uyt mijn glimment vier, bluscht uyt mijn heete vlam
Die my op eenen stondt doen leven ende sterven
’t Waer scha dat onse Vreucht int midden eynde nam.

’t Kan verkeeren.


Klaegh-Liedt,

Stem:

Van d’Engelsche Fortuyn.

EDele siel verheven, groots en schoon,
Die u cieraet en huysingh stelt te toon,
Voor ’t brave volc van ongemeen verstant,
Dat u aenbidt, als Goddin van ons Lant.


    2    (5) Gheluckich, ach! gheluckich zijn de lien,
Die u schoonheyt gestadich moghen sien:
Niet salich slecht, maer heylich was de dach,
Doen ick u geest eerst door syn vensters sach.


    3    Diens Godlijckheyt heeft my terstont ontroert
(10) En uyt zyn troon mijn siel tot slaaf vervoert,
Ja gants berooft, daer en bleef niets in mijn
Als d’yle romp of d’uyterlijcken schijn.


    4    Mijn siel-loos lijf dat eerst te voorschijn quam,
In ’t Graefrijck groot vermaerde
Amsterdam,
(15) Leyt nu geschept recht voor de schans, en beeft,*
Vermits myn siel so arm in’t Tessel leeft.


    5    Wat ist of elck het schip-rijck Eylandt prijst,
Myn arme siel en wert daer niet gespijst
Als slechts met sien: oft nauwelijcx ter noot

(20) Met water brack, en sober daeglijcx broot.

    6    De Vader grijs, den grooten Oceaen:
Komt ongevraecht myn schip aen stucken slaen:

[b, p. 7]
Daer is geen hoop! ick wend’ ’t wel vande wal,
Maer ick ben laes! aldaer ick sterven sal.


    7    (25) Een ander lijt schip-breuck van gelt en goet,
Dan ick laet meer, ick laet haer myn gemoedt,
Tijd’lijcke schat daer geef ick weynich nae,
Want siel verlies is wel de grootste scha.


    8    Daer sinck ick del, gebooren is myn tijdt,
(30) Ick raack mijn siel, mijn lijf, mijn leven quijt,
Helaes! ick smoor, mijn adem gaet so flauw,
Van anxst en sorgh, syn nu mijn hayren grauw.


    9    Ghy Visschers die de dooden pluyst op ’t strant,
Vindt ghy mijn lijf geworpen op het landt,

(35) Wascht my van ’t sant, en graeft my inden schoot,
In ’t Tessel self, de oorsaeck van mijn doot.


    10    Vint ghy mijn rif, of d’uyt gebrande asch,
Soo ’t yet ghelijckt van dat ick voormaels was,
En brenghdy ’t voor niet datelijck by heur,

(40) Soo sal mijn geest staech waaren voor u deur.

    11    Goddinnen rijck van’t schreyer hoec en Ty,
Verhaelt myn doot aen al de werelt vry,
’t Sy waer ghy treckt, het sy met schip of vloot,
Vereert myn lijck ten minsten met een schoot.


    12    (45) Velt-Nymphjens die tenBurrich op de plaets
Te samen singht u deuntjens met de Maets:
Ghedenckt myn doot, gedenckt myn groote pijn,
En hoe dat ick verscheyden doch moet syn.

’t Kan verkeeren.


Amoureus Lied,

Op de Voys:

Est ce Mars le grand Dieu des Allarmes.

1.
            WAar is nu dat hart? waer de gedachten?
            Waer ’t gemoet?
            Dat so Mannelijck conde verachten
            ’s Weerelts goet

            (5) Dat de Croon
            En de Heerlijckheen
            En de scepters schoon
            Sou trots vertreen.

2.
                Dat Staten, en Steden, en Vorstendommen
            (10) En t’ gewelt,
            En t’ rammelen in Riddelijcke somme
            Van hart gelt,
            Jae t’ Cieraet!
            En ’s Aartrijcx hooghste pracht

            (15) Vaack heeft versmaet*
            En groots veracht.

3.
                Dat hart, kan sich breydelen noch bedwingen
            In syn leet,
            Dat soo groot moedelijck alle dinghen

            (20) Eerst versmeet.
            O verdriet!
            O pijn! o quaal! o smart!
            Ghy maalt tot niet
            Dit groote Hart.
*
[b, p. 8]
4.
                (25) Dat alle hoocheden heeft versmeten
            Inde Wint:
            Dat kan loshartich niet vergeten
            ’t Geen ’t bemint
            T’is te sot!

            (30) En al te langh gevrijt
            Die met my spot,
            En deunt altijt.

5.
                Op wien sal ick meer wrocken en wrijten
            Dan op mijn!

            (35) En sal ick het oock myn oogen wijten,
            Of de schijn
            Vande gunst
            Die my wel is geschiet?
            Ach! ’twas maer kunst

            (40) En anders niet.
6.
                Betoont nu de cloeckheyt van u sinnen
            O myn hart?
            Int wel vermeesteren, en verwinnen
            Van u smart,

            (45) En volcht raat
            Met vlaagjes wat vervreemt
            Ten is so quaat
            Niet als gij’t meent.

7.
                Ach! het valt myn so swaer te verlaten
            (50) Myn Vriendin!
            Al had ick oorsaeck om u te haeten
            Niet te min
            O Joffrou!
            Ick blijf in lust of noot

            (55) U noch getrou
            Tot inder doodt.

’t Kan verkeeren.


Op de Voys:

Daar ick lach en sliep, in een Prieel &c.

            MOcht ick de Goude Zaalen
            Doen op der aarden daalen:
            En dat my niets mocht faalen
            Noch waardicheyt, noch staaten:

            (5) Lief! ick sou u doen haalen,
            Met Fackelen, met straalen,
            Met Pronckerij, met Praalen,
            Van Heemelsche Soldaaten:
            Van Sol nam ick de schijn,

            (10) De Blixem van Jupijn,
            Ghy sout de sonne zyn
            En aldernaast aan mijn
            Hoe souden wy gaan streeven
            In dat vergoode leeven?

            (15) De Nichten en de Neeven
            Van Jove souden slechts onse dienstbooden syn.

2.
                Of mochtet noch gheschieden
            Dat ick maer mocht ghebieden
            De Landen ende lieden

            (20) Met opper Heerschappije,
            Ick souder stracx ontbieden
            En inder yl uyt wieden

[b, p. 9]
            Dat oncruyt, die u rieden
            Mijn gheselschap te mye

            (25) Maar laas! dits veer van daar
            Mijn ongheluck is te swaar,
            De vreesen bangh, en naar,
            De wanhoop, en tghevaar
            Die volghen my met drachten

            (30) Maar ick puf al haer crachten
            En Spieghel mijn ghedachten
            In d’eedel groote gheest, en ’tclaar verstant van haar.

3.
                Van haar die Ziel en zinnen
            Ghewoon is te verwinnen,

            (35) Hoe preutsch oock datse binnen
            Sy gheevent haast verlooren.
            Voochdesse der Goddinnen
            U neghen ghesellinne:
            Ghy moedighe Heltinne!

            (40) Wt Jupijns Hooft ghebooren
            Mijn Pallas onvertsaacht
            Het schijnt dat u behaacht
            Te blyven eewich Maacht
            Dat naemaals wert beclaacht

            (45) Wanneer de Jeucht, en Jaaren
            Syn snellijck door ghevaaren
            En weet ick niet hoe gaaren
            Ghy! leevent afghedruckt u beeltenisse saecht?

4.
                Den Heemel heeft met reeden,
            (50) Met Goddelijcke zeeden,
            Als met vierdaachse* kleeden
            U ziele gaen vercieren.
            En u volmaackte leden
            Wel juyst, en jent besneden,

            (55) Versien met aardicheeden
            En gheestighe manieren.
            Dit aansienlijck ghelaat,
            Dees schoonheyt sonder maat
            Syn u ghejont (verstaat)

            (60) Op woecker, en om baat
            O Hooft van alle Vrouwen!
            Als ick u wil beschouwen
            Ick kan myn soo niet houwen
            Of mijn hart (door dyn oogh getrocken) my ontgaat.

5.
                (65) De Vorsten en de Heeren
            By u souden verkeeren
            Indien de lust van leeren
            Haar prickelde om maatich
            En wel te redeneeren

            (70) Van wat dat zy begheeren
            Te weeten, en beweeren
            Verstand’lijck en staatich
            Want alsmen hier krackeelt
            U sinrijck breyn dat speelt

            (75) Opt dinghen selfs, en t’eelt,
            Soo dattet niet verscheelt
            Ghelijck de klaarste kloecken
            (Versleeten inde Boecken)
            Bekende int versoecken

            (80) Dat zy haar noyt soo veel en hadden inghebeelt.
6.
                Princesje Lief verheeven
            Met ziel yver ghedreeven
            Met errenst, en met beeven
            Versoeck ick u ghenaade.

            (85) Waar is u jonst ghebleven
            Die ghy myn pleecht te gheeven?

[b, p. 10*]
            O Sonne van mijn leeven!
            Beschuttet doch de schade
            Die mijn wanhoop verstelt

            (90) En doet natuur ghewelt
            Ach! sout ghy om het ghelt
            By eener syn verselt
            Die u noch sal met pynen
            Het leeven doen verdwynen

            (95) Met quellen, en met quynen
            Ghelijck als my de Geest uyt voorsicht nu al spelt.

’t Kan verkeeren.


Amoureus - Liedt,

Op de Stem:

Schoon* Liefjen jent seer excellent.

1.
    LIef weest ghegroet,, ghy die mijn ghemoet
    Soo sachjes kunt streelen
    En lecker voet,, met meer als Hemels goet
    En lieve lonckjens soet

    (5) Die u ooghjens my beveelen.
2.
        Als ghyse slaat,, en lieflijck gaat
    Daer lodd’rend me speelen
    In mijn ghelaat,, soo voel ick inder daat
    Een Vreuchde sonder maat

    (10) In al mijn Lichaams deelen.
3.
        Want door u leen,, soo vloeyen heen
    Lieffelijcke straalen
    Soo onghemeen,, mijn verstant is te kleen
    Om levendich, met reen

    (15) Mijn blytschap af te maalen.
4.
        Mijn bloet dat walt,, dat bruyst, dat bralt
    Met innich kryoelen
    In dier ghestalt,, mijn hart van vreucht ontvalt
    Maer ’trecht sich weder bald

    (20) Door ’thueghelijck ghevoelen.
5.
        Dat ghy hier bent,, doch ick bekent
    Voor u myn Vriendinne
    Als ghy afwent,, u ooghjens, en die sent
    Na yemant, hier ontrent

    (25) Soo mis ick schier mijn sinne.
6.
        O daagheraat,, wanneer ghy staat
    En and’ren hoort spreecken
    Of met haer praat,, ’tvermoeden dat is quaat
    Mijn dunckt ick wert versmaat

    (30) Dies wil my ’thartje breecken.
7.
        Als op u schoot,, door vryheyt groot
    De Jonglinghen vielen
    En kusten bloot,, u Roose Lipjens root
    Ick sacht, en socht myn doot

    (35) Met bitterheydt der Zielen.
8.
        Ghebenedyt,, sy uur en tydt
    Want mijn uytverkooren

[b, p. 11*]
    Heeft mijn verblyt,, en van Wanhoop bevryt
    Vermits sy (wien het spyt)

    (40) Haer trouw myn heeft gheswooren.
’t Kan verkeeren.


Amoureus-Liedtjen,

Op de Voys:

Phebus die is lang over die Zee.

1.
        NU dobbert myn Liefje op de ree
        Op de woelende springhende baaren
        Vande wytluchtighe groote Zee
        Dien hy elacy! nu sal bewaren:

        (5) Vaart heen, vaart heen vaart voorde windt
        En denckt altoos waar datje sint
        Op haar die u bemindt.

2.
            Och had ick twee ooghen als de Son
        Die de gantsche Werelt beschouwen

        (10) Of dat ickje troosje volghen con
        Ick souw u steets gheselschap houwen:
        Maar of’t lichamelijck niet gheschiet
        Vermits de eerbaarheyt ’tmijn verbiedt
        Mijn Ziel en latet niet.

3.
            (15) En al mis ick Dedalus kunst
        Die door de Lucht syn Lief con draghen
        Ick sal u gheleyden: met mijn gunst

[b, p. 12]
        Mijn waarste Lief, mijn wel behaghen
        Waar ick ontslaghen vant lodsich vleys

        (20) Myn Geest trock met u op de reys
        Nu doetet mijn ghepeyns.

4.
            Waar ick versien met Stentors stem,
        Ick souw ghedurich met u spreecken
        Maar laas! mijn keeltjen te cleen by hem

        (25) Kan door de Wolcken soo niet breecken
        Dan doch al vaardy noch eens soo vart
        Ick sal nochtans in druck en smart
        U spreecken met mijn hart.

5.
            Had ick Medeas Tovercracht
        (30) Ick sou Aeolus in syn Klippen
        Bekollen met syn volle macht
        Dat niet een wintje hem sou ontslippen
        Of borster een stoocker uyt syn sack
        Die sou ick in u seylen strack

        (35) Gaan stuuren met ghemack.
6.
            De winden ’twater en de vloet
        Hipplende Starren en vaste Polen
        Die worden nu mijn hoochste goet
        Mijn Lief, mijn licht, mijn leven bevolen

        (40) O goedertieren Gode vermaart
        O regheerders van Hemel en aart
        Mijn waarde Ceyx bewaart.

7.
            Alcyone u lieve Bruyt die schreyt
        t’Hart wil heur van droefheyt scheuren

        (45) Om dattet dus buldert, stormt, en wayt
        Doet u Tortelduyfje niet dan treuren
        O Ceyx! o Ceyx! waardighen Man!
        Wat hartseer gaat u Vroutjen an,
        Die van u niet syn en can.

8.
            (50) Nu dobbert mijn Liefje op de ree
        Op de woelende springhende baaren
        Vande wytluchtighe groote Zee
        Die hy Elacy! nu sal bewaaren
        Vaart heen! vaart heene! vaart voorde wint

        (55) Maar denckt altoos waar datje bint
        Om haar die u bemindt.

’t Kan verkeeren.


Amoreus Liedeken,

Op de Voys:

Edel Carsou, &c.

1.
        WEl op met Vreught, met blyschap moet ick loven
        Eerwaarde wijse Maaght!
        U groote deugt, en vrienschap daer en boven
        U schoonheyt mijn behaaght.

        (5) Wat mijn hier jaecht: kunt ghy hier uyt versinnen
        Tis jonst, die u mijn hartje draacht uyt sonderlinge minne.

2.
            Deuchd’rijck, beleeft, zedich, en goedertieren,
        Gheleerde Dochter braaf
        U eel ghemoet, u schoonheyt van manieren!

[b, p. 13]
        (10) U hooghe Zaarheyts gaaf
        Die doen u slaaf (helaas!) woorden ghebreecken
        Om hier een volcomen Lof, van u verstant te spreecken.

3.
            Och mocht mijn hart! het roemde t’aller uren
        Van u jonst, o Vriendin!

        (15) Ick moet met smart, af synde veel besuuren,
        Maar als ick by u bin:
        ’K stelt uyt mijn sin, ick gaa mijn ooghen weyden
        En went’len in’t schoon gesicht van Ziel en lichaam beyden.

4.
            Gods mogentheyt,, en crachten onvolpreesen
        (20) Die syn te mercken licht
        In de volheyt,, vant meer als mensch’lijck wesen
        Dat in u is ghesticht:
        Ach aengesicht! vol son-ghelijcke straalen
        Hoe kundy mijn arme Ziel haar levens lust onthaalen.

5.
            (25) Dit jaaght mijn hier, dit doet mijn vierich joocken
        En jancken, ach ick brant,
        Ick moet u Lief wat kussen, streelen, stroocken
        En drucken aen de hant,
        Of mijn verstant gaat t’eenemael verlooren.

        (30) Soudy om mijn soeticheyt u konnen wel verstooren.
6.
            Mijn grage wil,, myn verborghen gedachten,
        Mijn yverich ghemoet:
        Die pooghen stil,, al hoopende te wachten
        Nae uwe weerliefd’ soet,

        (35) Mijn troost mijn goet! laet ons de jeught ghebruycken
        Eer de Roosjens door den tijt verdroge op haer struycken.

’t Kan verkeeren.


Klaegh-Liedt,

Stem:

Hoe lang sal ick met heete tranen, &c.

    MOy Aeltjen is’t soo haest vergheten,
    Myn lang vervolg van dagh en nacht?
    De schoone tijd die ’k heb versleten,
    En met u wil heb door ghebracht:

        (5) In vriendelijckheydt, in vrolijckheydt,
    In vryicheydt, en soeticheydt van praet,
    Van ’s nachts tot ’s morghens en des avonts laet?


        2    Myn Vrienden smaet, en ’s Vaders toren,
    Die heb ick om u, in’t begin,

    (10) Met sware dreyging moeten hooren:
    Maer’t gingh soo haest my uyt als in,
        Dat bleeck soo dick, wanneer als ick
    Een blinck of blick,, van u schoon oogen sach
    Soo bleef ick by u den geheelen dach.


        3    (15) Hoe dick nam ick u ted’re handen,
    En drucktens’ aen myn slincker borst?
    Daer my het binnenst’ scheen te branden,
    Van t’ geen dat ick nauw spreken dorst:
        Daer wenst’ ick myn,, een vensterkijn,

    (20) Van Kristalijn, of van fijn spieghel glas,
    Dat ghy mocht sien hoe ick te moede was.


        4    So’k by myn hart had konnen komen,
    Ick hadd’ het met eerbiedicheyt

[b, p. 14]
    Stracx uyt syn legher-stee genomen,
    (25) En in u lieve schoot gheleyt,
        Soo lief waerd dy,, de siel van my,
    Docht ick dat ghy, so wulleps waert van sin,
    En so lichtvaerdich oock in uwe min.


        5    Daer ick ter Weerelt heb genooten,
    (30) De vreucht diemen verkrygen kan:
    Daer wert my nu de deur gesloten,
    En men hout daer een ander an.
        Hoe sydy nuw,, voor my soo schuw?
    Of wien heeft u, so schandelijck gheraen,

    (35) Dat ghy my hebt dees trots en spijt ghedaen?

        6    Wat moochdy in u selven dencken,
    Wanneer als ghy eens over siet:
    Myn leurtjens en kleyne gheschencken?
    Of’t geender by ons is geschiet?

        (40) Soo hier, so daer,, ghy weet wel waer,
    Met wat gebaer, en gantsch verslingert hert,
    Was ick gestaech in uwe min verwert.


        7    Wat woorden synder wel gesproken,
    Bedencktse eensjens in uw geest?

    (45) Wat Eden hebje myn ghebroken?
    ’t Is wonder datje niet en vreest:
        Dat ick u eens,, met vry wat reens,
    Yet ongemeens,, sal spelen op een tijd,
    Is dat myn liefde noch verkeert in nijdt.


        8    (50) Gaet heen geveynsde Kourtesane,
    Begoghelt d’oogen, en het breyn:
    Met uwe Kokedriele trane,
    Van den verdwaesden Kapiteyn:
        Dien blooten bloet,, van wien ghy’t goedt

    (55) Meer als’t ghemoedt, en dat met reden acht,
    Versteurt my niet, vaart wel en voort genacht.

’t Kan verkeeren.


Liedt, Op de Wyse:

O schoonste Parsonagie. Ofte Si tanto Gratiose.

1.
            HA! licht vervlooghen wyllen
            ’tHerdencken van u weelde maact my druckig
            Wat nyt doet u soo yllen?
            Laas! tot mijn ramp, daer ick scheen soo gheluckich,

            (5) Ja soo verweent
            Dat de ghemeent
            My Loffelijck verhieven,
            Als ick met Dichten
            Een yder soght te stichten

            (10) En believen.
2.
                Doe was my d’Hemel gunstich,
            De Werelt loegh op my soo Vriendelijcke,
            Ghy Lief noemde mijn kunstich
            Om dat myn lust, een reeden te verrijcke,

            (15) U heusheydt wast
            Die wel, en vast,
            Mijn harde Rymeryen
            Wist te versmeden,
            En op syn rechte steeden

            (20) Juyst te vlyen.
[b, p. 15]
3.
                Daar mijn de vroome wenschen
            De troost van Lief, met ontelb’re ghelucken:
            Het schuymsel van de Menschen
            Soeckt daar myn Heyl nu nydich te ontrucken,

            (25) Want Out, en Jongh
            Met gifte tongh
            Mijn Eere my berooven,
            Seer licht, de lieden
            Het goed ten quaaden dieden,

            (30) En ghelooven.
4.
                Dit pynnight mijn mit smarte,
            En martert laas! mijn afgemende Ziele
            Lief magh dit van u harte
            Dat ghy u Vrient onschuldich laat vernielen,

            (35) Om s’ vollicx praat
            Of ymants haat
            Vol enckel snoode looghen?
            Mijn troost, mijn vreughde
            Ach! hebben nu de deughde

            (40) Gheen vermoghen.
5.
                Soo g’lijck ghelijck doet Minnen,
            Wat doetje dan my van u deur afwysen!
            Helaas! d’eedele sinnen
            Die ghy voor sulcx uyt jonsten pleeght te prijsen

            (45) Sullen sy mijn
            Een oorsaack syn
            Van ballingh steets te blyven?
            Soo magh ick vloecken
            Pampieren, Pen, en Boecken

            (50) En het schrijven.
6.
                Want had ick niet gheschreven
            Soo sou mijn naam nu niemant niet* Trompetten:
            Ick waar oock niet verheeven
            Noch niemant sou op my soo nauwe letten,

            (55) De achterclap,
            Noch lachtertap,
            En sou my nu niet quellen:
            Men sou mijn treeden,
            Mijn passen, noch myn schreeden

            (60) Dus niet tellen.
7.
            ’tSchijnt dat de groote Gooden
            (Vermoeyd van mijn haer troetelkint te speelen)
            Deese strenghe ghebooden,
            En leyder wet, u lieve Mont beveelen:

            (65) Om dat mijn druck
            En ongheluck
            Te lichter my sou vallen
            Nu’t can verkeeren,
            Want Boeren werden Heeren

            (70) Berghen dallen.
8.
                ’tGheluck dat stuurt in staaten
            Weet-nieten Rijck, en overstoute plompen:
            Haar onbescheyden maaten
            Doet dees mijn Borst met diepe suchten pompen

            (75) De traantjens al
            Die by gheval
            Bevroosen van mijn schieten,
            Als fijne Parlen
            Die ick hou voor het dwarlen

            (80) Van Margriete.
[b, p. 16]
9.
                Vaart wel, vaart wel Joffrouwe
            Ick dool op’t Lant by’t hooghe Huys te Muyen
            Mijn Liefd’ sal niet verkouwen
            Al loost de Wint stormwinden Haghelbuyen

            (85) Ja vlocken grijs
            Jaght Sneeu en Ys
            Smelt voor myn vier met schande
            Kunt ghy niet rusten
            Soo denckt onder u lusten

            (90) Op Garbrande.
’t Kan verkeeren.


Amoureus Liedtjen,

Op de Voys:

Van Coridon.

1.
            UYt Liefden com ick dagelijcx nu
            By u deur dus henghelen,
            En soeck myn hartje met het u
            Heel in een te strenghelen,
            (5) Want u ghestalt
            Myn schoon bevalt
            Van al de aartsche Enghelen.
2.
                U levendighe Gheest gheswind
            Munt uyt seer eel, en waardich
            (10) Ick sie dat ghy de deught bemint
            Dies syt ghy recht eerwaardich:
            Voort wat ghy doet
            Dat is al goet,
            Bevallich, soet, en aerdich.
3.
                (15) Ia gheen Penceelen, tongh, noch Pen,
            Sou u schoonheyt wel treffen,
            De gunst die ick u schuldich ben
            Is niet te bootsen effen:
            Doch mijn hart sal
            (20) Meest over al
            Standich u Lof verheffen.
4.
                Om u ist dat ick swerf, en swier
            Als sinneloos, en droncken;
            En somtyts coom ick weder hier
            (25) Dan als een Pau aenproncken,
            En ghy slaat neer
            U ooghjens teer
            Met oversydts beloncken.
[b, p. 17]
5.
                Ick weet dat niemant en vernoecht
            (30) Een onbeschaamt aankycken,
            By schoonheyt gants niet wel en voecht
            t’Onwaardich, smaalich prycken
            Een reyn ghesicht
            Niet trots noch licht,
            (35) Can d’eerbaarheydt verrycken.
6.
                Och waer de Liefd’ in u soo groot
            Als sy in my is crachtich:
            Soo hoopten ick noch voor myn doot
            U Ionst te syn deelachtich:
            (40) Maar of ick Mensch
            Wel bidt en wensch
            Dat weet de Heer almachtich.
7.
                Och soo men my delft int aartryck
            Door een troost’loos verscheyen,
            (45) Een droeve sleep myn rouwich lijck
            Sal volleghen met schreyen:
            En naat ghehuyl
            Sal men myn cuyl
            Met Bloem, en Palm bespreyen.
8.
                (50) Doch soo een onverhoopt gheval
            Myn u noch stelt in handen,
            Wie weet wat vreught dat wesen sal
            Dan in myn Vaaderlanden:
            Een heugh’lijck vier
            (55) Sou yder schier
            Om myn noch gaeren branden.
9.
                Vergunt ons beyen Prins het best,
            En wilt u wil uytrechten:
            Nu bid ick u Lief noch int lest
            (60) Helpt myn knoopen, en hechten
            Ons Zielen t’saam
            In s’Heeren naam:
            O wel gheluckigh vlechten.
’t Kan verkeeren.


[
b, p. 18]

SONNET.
VAn dat Aurora vroech den dach begint te kippen,
    En toomt haar Paarden woest, met teughel en ghebit,
    En viert haer Standaart uyt, van Rosen* root en wit,
De Torens schoon vernist, en schittert op de Clippen.


(5) Dan schijndy O mijn Lief! my crachtich te ontslippen,
    Wanneer ick waande meest te raaken int* besit
    Van Min, van lust, mijn Hart, mijn Troost, wel hoe, wat’s dit?
En cleefden ghy niet stracx u Lippen aen mijn Lippen.

    Laas ’tis gheswinde droom nu ick het wel bekijck,

    (10) Wat doet de layder Dach de Nacht al onghelijck,
Want ick en kon mijn vreucht ten vollen niet betoomen.

    Vervormt my soo de schim, van een vermeynde schijn?
    O Goon, hoe zoet! souw dan, het eyghen wesen syn:
Vergunt my dat
Iuppijn, of laat my eeuwich droomen.
’tKan Verkeeren.

[b, p. 19]

Bruylofts-Dicht,

Ter eeren

DANIEL VORSTENS

Ende

CORNELIA MICHIELS.

T’Is Musen u bekendt, datmen sich niet kan gheven
Tot Dicht of Rymery, ten sy men wort ghedreven
Van eenigh God of Geest, die’s menschen hart en breyn
Optrecken van de snoo en aardsche dinghen kleyn,
(5) Tot hooger stoffen groots: Want anders is’t verkeertheyt,
Hoe wel gewoont en lust, met hulpe van geleertheyt,
Somtyts verrichten yet dat helder staet en bromt,
Soo ist de beste kunst die van den Hemel komt.
Daarom, roep ick u aan, ô Dochters alle Negen!
(10) Die tot u woonplaats hebt den dubbel-top gekregen,
Beweeght Apollo selfs, dat hy bestiert myn handt,
En reynicht myn vernuft van’t lompe onverstant
Op dat ic mach met kracht, en klaarheyt, schoon beschryven,
De dinghen die ick wensch in heugenis te blyven
(15) Van eeuw tot eeuwicheyt. Want ick en kan niet soecken,
De ouwde zielen uyt de aal versturven boecken,
[b, p. 20]
Als de geleerde doen, dus komt my leeck te baat,
Die toch niet liever schrijft dan dat hy selfs verstaat.
Genade, ach wat kracht slaet in myn swacke ooghen!
(20) Ick kan de blinckentheyt des Godtheyts niet ghedoogen;
Ick sie wat flonckerings van verre, ach het licht
Dat valt te schichtich op myn sterffelijck gesicht!
De onverwachte slach des donders, en het blicken,
Verbasen my gheheel. Wat mach den suffert schricken,
(25) Daar hy de hoochste wensch der bester nu geniet:
Dat’s dat hy’t heylich Choor der Hemel Vorsten siet,
Die uyt haer selfs beweegt tot goedtheyt en tot deuchden,
Nu sacken nederwaerts om hondert duysent vreuchden
En vrolijckheden bly te menglen inde Wijn,
(30) Die op de Bruyloft-Feest nu moet genutticht zyn.
Ick ben Iupijn, siet op! Mijn schencker komt u schincken
De soete Nectar, die de Goden sober drincken.
Dan nu ick selver kom, dat ick doch selden doe,
So brengh ick u al t’saem de BRUYTS gesontheyt toe.
(35) En u Heer-BRUYDEGOM geluck, en wel te varen
Tot in den ouderdom van u ghewenschte Iaren,
Dit is de Bruyloofts-Gaaf die ick u meen te doen:
Nu moet ick my om hoogh we’er naer den Hemel spoen,
Ick treck onsichtbaar heen: Mijn Dochter! lief komt nader;
(40) En vuldt de plaatse van u eyghen Heer, en Vader.
Zalige IONGE-LIEN, die niet met wel-lust blindt
Maer die met Eer en Deucht u Echt met GOD begint.
[b, p. 21]
Ick sal u van dees tijdt tot in u stramme grijsheyt
Begiften met een gift van onbesproken wijsheyt,
(45) Onthout dit tot een les, lieft God in u gemoedt,
En doet u naasten als ghy wilt datmen u doet,
En schuwt de eerste saak daar on-min mocht uyt rijsen,
En wilt malcanderen ionst en vrientschap steets bewijsen;
So suldy sien u lust, en alle dingh na wensch,
(50) De Zegen van u Godt, en liefde by den mensch.
Maer of het Avontuur u qualijc quam te slagen,
Ic sal de tegenspoet u leeren lijdtsaem dragen:
Neemt met ghelijck-gemoedt u Heyl en ongeluc,
En maticht met bescheyt u blydschap en u druck,
(55) Want alles heeft zyn tydt, en wilt g’u daer na schicken,
So sult ghy niet te seer bedroeven noch verquicken
In ’t tyttelyc geval, dat doch niet vast en staat,
Maar dat sich beurts-gewijs bequaam verschuyven laat.
En soect ghy gantsch getroost in u voorval te wesen?
(60) So mooght ghy Senecam zyn brave brieven lesen;
Daar vindy in van als, so wel van leyt als lust,
Hy wijst met Reden aan der zielen soetste rust.
Ick heb voor eerst volseyt, en datter mach gebreken.*
Sal ic u door de Tijdt met wijsheyt inne spreken.
(65) Brandende BRUYDEGOM, wie waant ghy dat ghy siet,
Ic ben de Bruylofts-Godt, wel kendy Hymen niet?
Dat geeft my al te vreemt: En siedy niet het blaken
Van myne fackel heet? en siedy niet de daken
[b, p. 22]
Met heugelycke vlam, van glans en gloor vervult,
(70) Hoe stady dus en dut? het is u menscheyts schult,
Want vleesch noch bloed, noch breyn dat wy niet selfs doen rypen,
En kan de Godheyt noch zyn wesen niet begrypen,
Siet! van myn klaarheyt nu de kamer blinct en blaackt.
Waar ick hier niet Vrou BRUYT de vreucht waer niet volmaect,
(75) Ic sal u dese nacht, en al de nachten schencken
So veel soetheyts en lusts, als ghy niet kunt bedencken,
Dus gae ic na u bedt, waer ic u sal doen spre’en
Lieflijcke Eenicheyt van Lichaem en van Le’en,
Van onbegryplijc goedt, van anders-ziel te suygen,
(80) Waar van ghy morgen best sult kunnen af getuygen.
Ic gae, want ginder komt de schoone Venus bly
Met haere lieve soon Cupido aan haar zy.
Lodd’rende Ionge-lien, die met verliefde sinnen
Bemantelt en bemopt u heymelijcke minne,
(85) Staat op eerbiedelijc, en haalt met heusheyt in
De Hemelsche Venus, de moeder vande min,
Die met haar groote schulp komt door het Ye swieren,
Om met haar aansien groots de Stacy te vercieren.
Hoe is de Ieught dus kouwt, (dat kan ic niet verstaan)
(90) Dat sy myn te gemoet niet feestelijc en gaan?
Maar koele BRUYDEGOM! die t’ansjens scheen te branden
Van ongemeene* lust, als ghy soo water-tanden.
Hoe sydy nu soo traach, nu ghy myn hoocheyt siet,
Dat ghy myn niet meer eers noch wellekooms en biet?
[b, p. 23]
(95) Daar ick u heb de BRUYT de lieve BRUYT gegeven;
En koom u leeren hoe dat ghy met haar sult leven
In alle vriend’lijcheyt, en soetheyt onbesmet,
Op’t onbesoedelt en gewenschte Bruylofts-bedt.
Ay slaat u oogen op, en siet de suyvre kycken,
(100) Siet wat een zedicheyt laat sy op’t voorhooft blijcken,
Met wat een staticheyt, u waarde sit en pronct,
En immers is heur borst wel levendich ontfonct.
O Go’on! wat is’t een smart van binnen jonst te dragen,
En daar’t de schaamt verbiet de noot eens uyt te clagen,
(105) Ic hebbet selfs versocht. Strijt vromelijc Vrou-BRUYT,
O BRUYDEGOM! daar snapt een hartlijc suchjen uyt:
Ghy hebt geen ongelijc. Vrou-BRUYT nu eens gedroncken,
Want den benauden is de Wijn nodich geschoncken.
Die trec heb ic versiert, want brengdyt eensjes om,
(110) Soo mooghdy vry en bly besien u BRUYDEGOM,
Die lang ter sluyp wel sach u zyelincxse loncken,
So brandend’ als myn Smits vierige goude voncken.
Wel aan, ic gaan voorheen. Maar DANIEL peurt wat aan,
En bidt CORNELIA, myn daadlijc na te gaan,
(115) Want ic vrees, seyd’ ic hier de minnelijcke saken,
Ic sou misschien de Ieught belust of nydich maken,
Van uwen Echten-stant. Wilt ghy my ionst aan doen,
Soo geeft uyt Venus naam u Na-gebuur een soen.
Vaart wel. Nu is’t myn beurt. Ghy brave iongelingen,
(120) Siet myn niet aan voor kints, ic doe geen kintsche dingen,
[b, p. 24]
Al schijnt dit uyterlijc een kinderlijc geweer,
Ic vel hier me de Goon, en stoute Reusen neer,
De Helden hooch gemoet, de Ridderlijcke borsten,
Dat weet den Bruydegom, myn slave DANIEL VORSTEN,
(125) Die ic heb met een Pyl in’t hart gheraect wel juyst,
Ic tem, ic breec, ic dwingh, wat my komt voor de vuyst.
Maar hier koom ic met vreucht my by u neder voegen,
Om nu met blyde lust u zieltjens te vernoegen.
Ay vriendelijc geslacht! O Venus borgery!
(130) Myn Nichjes, en myn Neefs van myn Vrou-moeders sy,
Weest vrolijc en verheught, wil kussen, stroocken, streelen
En Minne-deuntjens, en lieflijcke Liedjens queelen.
Bruydegom en Vrou-Bruyt ghy lieden wert verwacht
Selfs vande Bruylofts-Goon, van my, en vande nacht.
(135) Gespeeltjens wilt doch stracx de BRUYT te bedde leggen.
Nu Dichter ryst, ic gae: Segt kort dat ghy wilt seggen.
Gesegende TWEE-EEN, ic ben so opgenomen,
Door ’t schricken, dat ic niet kan tot wel-spreken komen,
De Goden hebben u, dunct my, genoech geseyt,
(140) Nu schorter anders niet als myn genegentheyt.
    Vaart wel, vaart Eeuwig wel, met al datmen can wenschen
Dat zalich is en nut voor alle goede Menschen,
Dat KORNELIA van u mach werden voort gebracht,
Een soo deughdsaem en groot een heerlijc braef Geslacht
(145) Dat ghy daar mede meught braveren alle Vrouwen,
Wanneer als sy u doen haer kostelijc tuygh aenschouwen:
[b, p. 25]
Gelijck de Dochter van de Roomsche Schypio deet.
Niet hooger voor dees tydt ic u te gunnen weet;
Dan dat ghy met een sleep van VORSTEN en van Heeren
(150) Hier op het marrect-veldt mooght comen aan brageeren,
Met ionge VORSTEN hoogh, en godlijck van gemoet,
Die niet verbastren, noch veraarden van haar bloet,
Maar die met VORSTEN cunst haar weten te generen
Haar selfs, en’t landt te nut, en GOD en u ter eeren.
’tKan verkeeren.


Bruylofts-Liedeken,

Op de Stemme:

Onder een Linde groen, &c.

1.
G’Luckige Jonge L’ien, wy wenschen u met vreught
            Al het geen dat ghy begeert,
            Of dat u kan zyn vereert,
            Van’s Hemels milde deught,

(5) Daar by, dat ghy mooght sien, van uwe lichaams Jeught
            Jonghe
Vorsten van u zaat,
            Soo van macht, en sulcke staat
            Als ghy haar wenschen meught.

Daniel Vorstens siet eens an
(10) De Vorstin die u verwan,
Met haar groot gemoet,, Met haar schoonheyt soet,
Met haar wijsheyt vroedt,, en al ’tander goedt
            Dat ick niet noemen kan.


    2.     Speel-nootjens bly van gheest, ay Loddert eens ter zy!
            (15) Met u ooghjens lief en schoon,
            Hoe dat sy malkander noon
            Op ander leckerny,
Diemen pluckt in’t groen
Foreest van Venus borgery,
            Wie dat daar maer eens af eet,

            (20) Al zyn leven hem vergeet
            In soete fantasy.

[b, p. 26]
Speel-Meysjen wilt ghy’t bestaan?
’k Wil met u oock wel eens gaen
Daarmen soent, en kust,, Daarmen soetjes rus
t
(25) Daar een mensch zyn lust,, Wel een weynich blust,
            Maar nimmer kan versaan.


    3.     Is dat geen groote saak, gheen vreuchde sonder ent,
            Dat een mensch een smaak geniet,
            Die hem nimmermeer verdriet,

            (30) Hoe zeer men’t hem gewent?
Och’t is een zoet vermaack! doch’t is my onbekent,
            Maar ick heb somtijts gehoort,
            Hier en daar somwijls een woort,
            Van daar of daar ontrent.

(35) Nu Vrouw-Bruyt gaat an, ay gaat!
Daar dat soete Lief-kruyt staet.
Siet de
Bruydegom!,, Siet so dickwils om,
Siet, hy wencktje stom,, Komt myn Liefje kom,
            Komt gaan wy’t is al laat.


    4.     (40) Vaart wel, vaart wel Vrou-Bruyt, wy wenschen u goe nacht,*
            Met de grootste vriendlijckheyt.
            Ach daar wertse ons ontleyt!
            En voort te bed ghebracht.
Ay Speel-nootjes krijt niet luyt! maar maacktet doch wat sacht,

            (45) Als ghij haar Maagdom beschreyt,
            Want het is een mallicheyt,
            Daar ellick een om lacht.
Komt
Bruygom, komt, drinckt met myn
Eerst een frissche Roemer Wijn.

(50) Wat ghy zyt te stil,, Drinckt een halve gril:
Wat so, doet myn wil,, Treckt nu opter tril,
            Ghy sult te vryer zyn.

’t Kan Verkeeren.


Den Droevigen

VRYER.

Stem:

Arent Pieter Gysen, met Mieuwes, Iaep en Leen.

WAt baat my den dranc daer ellick vreughd uyt suygd?
En dit lief gheselschap dat nu dus singht en juyghd,
                Met bly en soet gelach?
Als’t oogh hier niet,, de liefste siet,

                (5) Die ick so gaeren sach.

  2   Speelt ghy, en danst vry de lieve lange nacht,
Laet my myn selven vermaken met myn clacht,
                Die’t hart uyt droefheyt dicht:
Ick sal in myn,, smart vrolijc syn

                (10) Of ten minsten wat verlicht.

  3   Ach! daer een ander gheluckich hem bevindt,
Nevens de gene die hy van herte mint,
                Daer sit ick hier alleen:
Diens groot gheluck,, vermeert myn druck

                (15) Met droeve treuriche’en.

  4   Niet dat ick yemant syn voorspoet hier beny,
Maer ick beklaegh het wreet geval, dat my
                Dus dompelt in’t verdriet:
Hierom ben ick,, niet in myn schick,

                (20) So ghy hier merck’lijck siet.

[b, p. 27]
  5   Gaet hene Speelnoot, verheucht de jonge lien,
Ick sal myn selven van binnen wat besien,
                En dromen van myn Vrouw,
Al ist bedroch,, het sal my noch

                (25) Verquicken in myn rouw.

  6   Gaet hene, gaet hene, wat hebdy noch al praets,
Misschien sal u een ander afwinnen nu de plaets,
                En’t Meysjen oock daer by:
Ick danck u seer,, van al de Eer,

                (30) Die ghy bewijst aen my.

  7   Helaes Princesje! helaes waer sydy nu?
Helaes myn leven! wat ben ick sonder u?
                Een schaduw’ en een schijn,
En geen ding min,, als die ick bin,

                (35) Als ick by u mach zijn.
’t Kan Verkeeren.


Amoureus-Liedtjen,

Op de Wyse:

O schoonste Parsonagie.

        O Lichten brant van Minne
        Die met u vlam, soo weerlicht blick’rend flonckert
        In mijn verliefde sinnen
        Daer u de schaemt met groot gewelt verdonckert

        (5) U straelen heet
        Syn lief en leet

[b, p. 28]
        Heel grillich wanghelatich
        Ick wil u crachten
        Nu stracx in mijn ghedachten

        (10) Dompen statich.
2.
            Waer aen weerhaect mijn willen
        Hoe comt t’opset, soo haest verydelt nietigh
        Natuyr, sus, wilt u stillen
        Hoe raesdy dus onlustich of verdrietich

        (15) ’kHebt maer ghedocht
        Doch niet volbrocht
        Stelt u mijn Jeught te vreeden
        Nu, nu, wilt rusten
        En breydelt uwe lusten

        (20) Door de reden.
3.
            Wat mach my dus vervoeren
        Wat doet mijn vreucht soo schielijck diep bedelven
        Dat ick met groot beroeren
        Dus loop, en pleyt, met mijmmeren in myn selven

        (25) Maer holla sacht
        Dat met de nacht
        Hem niemant en verduystert
        Die al dit maelen
        Dus treurich hoort verhaelen

        (30) My beluystert.
4.
            Mijn Mont die moet steets booghen
        Van u mijn Lief: mijn Ridder uytgheleesen
        t’Hert kibbelt met mijn ooghen
        Of yewers wel sou schoonder mooghen weesen

        (35) Waer door ghy mijn,
        Gantsch maect te zijn
        Den al gheheelen uwen,
        Myn Ziel van weelden
        Die danst door het inbeelden

        (40) Of vernuwen.
5.
            Laes! by mijn soete vreuchden
        Quelt my een dingh te pynelijcke smertigh
        Dat ghy by al u deuchden
        Seer haestich syt oploopend’ en groot hertich

        (45) Waer door ghy stout,
        Te veel vertrout
        U eyghen selfs vermooghen
        Door sulck vertrouwen
        Soo wertmen wel met rouwen

        (50) Vaeck bedrooghen.
6.
            Mijn herten Prins vercooren
        Ghy hasardeert u leven, en het mijne
        Want wert het u verlooren
        Ick sal van louter hertseer haest verdwynen

        (55) Ach Rodderick
        Mijn tweede ick
        Mijn lust, mijn Ziel, mijn leven
        Cost ick beloopen
        U jonst, ick souse coopen

        (60) En u gheven.
’t Kan Verkeeren.


[
b, p. 29]

Amoureus-Liedt,

Op de Voys:


Ick bender een arme Pellegrim siet.

1.
        DE Minne die in mijn hartje leyt,
        Die sal niet eynden noch sterven,
        Al schijntet dat ick door teghenheyt,
        Mijn Lief sal moeten derven.

2.
            (5) Al reys ick te Landt, en over Zee,
        En swerf in vreemde Steede,
        Mijn Liefs Beeltenis draach ick mee,
        In mijn gheneeghenthede.

3.
            Al ben ick daer my veel jonst gheschiedt,
        (10) Het buycht gheen van mijn crachten,
        Maar als ’thart op mijn Lief eens siet,
        Soo juyghen mijn ghedachten.

4.
            Al syn meer andere schoon en Rijck,
        Sy kunnen my niet verwinnen,

        (15) Doch alsic mijn Jufvrous duechd’ bekijc,
        Aan bidden haar mijn sinnen.

5.
            Tsint dat mijn oogh op haar schoonheyt viel,
        So socht ick haar te behaaghen,
        En heb met eerbaerheydt in mijn Ziel,

        (20) Haer reyne jonst ghedraghen.
6.
            Heylich en eerelijck syn gheweest,
        Ons Minne, kusjes, boerteryen,
        Want haar ghesuyverde goede Gheest,
        Gheen dorperheyt kan lijen.

7.
            (25) Haar heusheyt en ooc mijn Liefde groot,
        Ons Vrientschap daer beneven,
        Die sullen duuren tot de doodt,
        Ja mueg’lijck na ons leven.

8.
            Of by ghevalle dees rasery,
        (30) Mijn Liefjen quam in handen,
        Haar Wysheyt redenkavelt my,
        Ten konfer of ten branden.

9.
        Mijn ruwer begrip, en stompe styl,
        Verwerckt die, o mijn Goddinne!

        (35) Met die sneedighe scharpe vyl,
        Van u gheleerde sinnen.

’t Kan verkeeren.


Liedeken,

Stem: Si tanto Gratiose.

                    1.
GHekroonde Keyserinne,
Veroveres der snedichste verstanden,
Die d’alderkoutste sinnen
Slechts met een wenc doet blaeckeren en branden,

[b, p. 30]
        (5) Ghy die bespringht,
        En’t leeger dwinght,
        Der Menschelijcke krachten,
        Ghy schrickt de volcken
        Met dese stomme tolcken,

        (10) Der gedachten.

    2    O overgoude Sonne!
Geen sterflijck ooch kan u ghesicht verdraghen,
Een yeder geeft verwonnen,
Als weerloos hem ghevanghen en gheslaghen,

        (15) Wie niet en vlucht,
        Moet met een sucht,
        Sijn sieltjen stracx op gheven,
        De wel ghesienste,
        Die acht veel meer u dienste,

        (20) Als syn leven.

    3    Ick sie de gulde waghen
Met u ghepronckt, met Cranssen van Laurieren,
Daer achter komen klagen,
Veel slepen van geboeyde Batavieren,

        (25) De eelst van bloet,
        De grootst van moet,
        De alder preutst van allen,
        Comt met gebeden
        Uwe ghenadicheden

        (30) Te voet vallen.

    4    De doorluchtighste Gheesten,
Daer Nederlant groothertich op mach roemen,
Die offren u geen Beesten
Noch Stieren wit, verciert met gout en bloemen,

        (35) Maer Vaersen soet
        Dat u ghemoedt
        Sich niet ghenoech verwondert,
        Mits sy die slachten
        Op’t Altaer der ghedachten,

        (40) Meer als hondert.

    5    Ghy acht noch vuyr noch bylen,
Noch roomsche pracht, noch heydensche manieren
Ghy wilt wanden noch stylen,
Met Schilt noch Helm van u verwonnen cieren,

        (45) Noch Vaen, noch Lans,
        Noch Croon, noch Crans,
        En steldy op u Vesten.
        Maer ghy doet stichten
        De eerelijckste dichten

        (50) Vande besten.

    6    Verwinster aenghebeden,
Wanneer ick laest sou in u handen stellen
De sleutels vande steden,
Laes! van myn siel, ick kent u niet vertellen,

        (55) Want dan ick souw,
        O brave Vrouw!
        My gheven als ghevanghen.
        Och! aen de tipjes
        Van uwe lieve lipjes

        (60) Bleef ick hangen.
’t Kan verkeeren.


[
b, p. 31]

Amoureus-Liedtjen,

Op de Wijse: Demophon, de wijl de Son.

O Valschen droch vol droch vol loch, vol ongetrou beloven,
O snooden boef door wien ic proef de saussen van de Hoven,
O Hem’len bly, ic clage dy mijn ongemeene rouwe
En vreeckt u van de slimste Man, en alderslechste Vrouwe,
2   (5) Die ghy hier siet gedenckt u niet, gedenct u geender wijsen,
Verrader boos geveynst en loos hoe ghy my pleecht te prysen,
Met woorden soet, die myn gemoet opt heftichst noch door snijden,
Myn Maeghd’lijc hert creegh met u smert beweechlijc medelijden.
3   En weet ghy dan nu nergens van? van t’helsen noch vant strelen,
(10) Noch hoe dat ghy met dievery de cuskens pleecht te stelen,
Doen u gesicht so valsch als licht myn aenschijn stijf aenschouden,
Doen ghy my hat so lief gevat, en myn de vinghers douden.
4   Doen stroyde ghy, de boevery, in onse soete koutjens,
Ick lietet toe, en namt int goe, dat maeckten u so stoutjens,
(15) Dat ghy ontdeet, ’tis my nu leet, de haken van mijn Lijfjes,
Mijn Borsjes ront, hert en gesont, verschickte ghy de schijfjes.
5   Ten was nau’los, oft roode blos, quam op myn wangen dringen,
Hoe sot was ic, maer in u schick, waert ghy te sonderlingen,
Ghy waert so groen, cond’ick vermoen, op de verborgen netten,
(20) Die ghy beleyt, vol schallicheydt, voor myn onnoosle wetten.
[b, p. 32]
6   O litsert schalck, gelijc een Valck, een Duyfjen vangt int vliegen,
So quaemdy my, met loosheyt by, myn slechtheyt te bedriegen,
Bedriegen fiel, guyt sonder Ziel, hoe hebdy aengehouwen,
Maer twou niet zyn, doen gaefdy myn, u houwelycksche trouwen.
7   (25) Waerom helaes, ic sucht ic raas, en ic en cant niet keeren,
Ghy hebt gerooft, t’geen dat myn hooft, by ider een deed’ eeren,
Myn crans myn Croon, wel eer so schoon, en crachtich in het blincken
Dat selfs de Son, daer noyt op won, maer liet syn stralen sincken.
8   Dan nu de lust, wat is geblust, u geylheyts onvernoegen,
(30) Die gaet u zin, met nieuwe min, weer op een ander voegen,
En ghy laet myn, in smart en pijn, in duysent swaricheden,
O wreede och, en heb ic noch, niet leets genoech geleden.
9   Siet vast myn schult, ick heb gedult, dat ghy een ander minden,
Maer wat ghy doet, in myn gemoet, zuldy geen misdaet vinden,
(35) Doch so ghy gaet, en d’ooch eens slaet, int binnenst van u sinnen,
Daer zuldy snel, sien claer en hel, de lichtheyt uwer minnen.
10   En oft geviel, dat hier myn ziel, van t’lichaem sich wou scheyden,
Ick sou myn doot, dan maken groot, door myn gestadicheyden,
Ick sturft zo lief, als ghy eerdief, te leven sonder rusten,
(40) Dats sonder trou, met lang berou, in vleyschelijcke lusten.
’t Kan verkeeren.


[
b, p. 33]

SONNET.
ORsus Adieu Amour, adieu Espoir & Crainte,*
Vous troubleras non plus mon Ame ni mon Coeur.
Alors, je prie toy mon Dieu & mon Sauveur!
Allumez mon Esprit d’Amour devot & Saincte:

(5) l’Amour du Monde n’est que tromperie & fainte
Leger & inconstant, vollant, & sans valleur
Sans rayson, sans Conseil, accompangie de peur,
En amitie faus, contrefaict par contrainte.*

    Mays l’Amour de vertu est seulement fondée

(10) A l’unique de la Divine Trinitée,
Qui gouverne le Ciel, qui gouverne la Terre!
O Pere eternel scrivez avecq tes doicts
Au millieu de mon Coeur, tes belles bonnes Loys
Que je t’en puis servir d’un amour volontaire.

’t Kan verkeeren.   

Faict par Garbrant de Brederode.


[
b, p. 34]

Amoureus-Nieu-Liedt,

Op de Wyse: O schoonste Parsonagie, &c.

            U Vriendelijcke ooghen
            Sijn seer seltsaem, en dubbelt van vermeughen!
            Sy doen mijn smart ghedoghen,
            En wederom heel hartelijck verheughen,

            (5) Wanneer als ghy
            U oogjens bly
            My toeschiet van tersyen,
            Dan kan ick voelen
            Mijn hart cryoelend’ woelen,

            (10) Door’t verblyen.
                Maar als ghy die gaat stuuren
            Uyt lust, of vrees, afkeerich tot een ander:
            En veynst voor u ghebuuren,
            Of ghy niet saaght, hoe treurich dat ick wander,

            (15) Laas dan tuyght mijn
            Bedroeft anschijn*
            Mijn heymelijcke smarte,
            Die ick by vlaghe
            Soo gants vermomt moet draghe,

            (20) In mijn harte.
                Als ghy my laast ghemoeten
            Kost ick van vreuchd’ mijn wesen niet bedwinghen,
            In plaats van u te groeten,
            Begost mijn tongh van blyschap schier te singhen:

            (25) Ick had dier tijdt
            Soo harden strijdt,
            Ick dorst u niet anranden
            Mijn hart met lusten
            Soo seer smackmondent kusten,

            (30) Uwe handen.
                U Kars blos roode lippen
            Ontsloot ghy Lief soo lieffelijck t’was wonder,
            Ick sagh u oock ontslippen
            De soete gunst, die daar noch schuylden onder:

            (35) U goede luym
            Mijn plomp versuym,
            Doet mijn in mijn selfs praaten
            Wrocken, eerkauwen!
            Dit gaat mijn Ziel benauwen

            (40) Uyter maeten.
                Och kost mijn Mont uytspreecken
            Het lief lijden van mijn verliefde sinnen,
            Een steenen hart sou breecken
            Door mijn seer groot, ja meer als trouwe Minnen,

            (45) Ach soo’t u noost
            Mijn Lief mijn troost,
            Mijn hartje, mijn beminde,
            Ick soeck met schromen
            Tot uwent eens te comen

            (50) Laat u vinden.
Princesse.
                Alwaarde starcke Vrouwe
            Ghy vangt, ghy wint de harten van de Mannen
            Alleen met u aenschouwen
            Soo kunt ghy haar an u ghekeetent spannen:

            (55) Ghy brenght tot niet
            Ons vryheyt siet
            An mijn het eyghen Beelden:
            Ons droeve pynen
            Noch door de Minnen schynen

            (60) Blye weelden.
’tKan verkeeren.


[
b, p. 35]

Amoureus-Nieu-Liedt,
Op de Voyse: Van de Furiliere.

            WIe sou hem niet verblyen
            In u aenschijn verheught,
            Ick wilt voor u belyen
            Ghy syt mijn troost, mijn Vreucht

            (5) Mijn stam, mijn Heer
            Mijn Afgodt teer,
            Mijn lust, en mijn geneucht.

                2.  Ick sal voor waarheyt houwen
            Dat mijn ghesicht u siet

            (10) Och Lief stelt u betrouwen,
            Op t’wanckelbaare niet,
            Eer u t’gheluck*
            Bereyt veel druck,
            En my een swaer verdriet.

                3.  (15) Wat hert sou niet beweeghen
            Door u mistroosticheyt,
            Ick was stracx soo gheneeghen,
            En behulp’lijck bereyt,
            O Jonghelingh

            (20) Of ick schoon singh,
            Mijn hart inwendigh schreyt.

                4.  ’k Sal my te vreden stellen
            Nu ghy’t op mijn begheert,
            Lief wilt u niet meer quellen,

            (25) Dewijl’t mijn hartje deert
            Dat ghy om myn,
            U bly aenschyn
            Soo droeffelijck verkeert.

                5.  Ghy kent soo veel uytbeelden
            (30) Ja Schilderen int claer,
            U ghebreck, en u weelden
            U vreuchden, en misbaer,
            Dat sie ick licht
            In u ghesicht,

            (35) En Spieghel my aldaer.
                6.  Had my niet seer verdrooten
            U ellend’ en u smert,
            Ghy had nu lang ghenooten
            De jonst al van mijn hart,

            (40) U eel ghemoet
            En heusheyt doet
            Dat ick gants moe werd’.

                7.  Hertogh van myn ghedachten,
            Mijn Prins van mijn ghemoet

            (45) Met u wil ick verwachten,
            Gheluck en teghenspoet
            Wat ons Godt gunt,
            Mijn Lief en Vrunt
            Het sy dan suer oft soet.

’t Kan verkeeren



[
b, p. 36]

Stem: Phoebe qui ce mesme Iour, &c.

            ALs ick in myn gedacht
            Der scheps’len aart deur-schouw,
            ’k En vind geen meerder macht
            Als ’t vermogen van de Vrouw,
            (5) Die met haer ghesicht
            ’s Mans moed verlicht, die met, &c.
            Van haer last, van haer leyt,
            Van haar smart, van haer smaet,
            Van haer quael, van haer quaet,
            (10) Van haer hoon, van haer haet
            Die sick ter vlucht verspreyt,
            Door een swenkje van haer vriendelijcheyt.*
              2   O Vrou! o’s werelts pracht!
            O Aerd-rijckx prael en pronck!
            (15) Ghy smoort der Reusen cracht,
            Met een minlijcke lonck:
            De moedichste Heldt,
            Of man in’t velt, De moedichste, &c.
            Die verschrickt, die verschiet,
            (20) Die verblickt, die verblauwt,
            Die verloomt, die verlauwt,
            Die verflout, die verflaauwt,
            En sackt in soet verdriet,
            So haest als hy u schoone oogen siet.
              3   (25) De Koningh vol ghewelt,
            Of d’aldergrootste Prins
            Van moghentheyt, en gelt,
            Is nietich, kleyn, en kints;
            Al schijnt hy verwoet,
            (30) Of groots van moet, Al schijnt hy, &c.
            Op syn macht, op’t gebien,
            Op syn staf, op syn staet,
            Op zyn rijck, op zyn raed,
            Op zyn deughd’, op zyn daed,
            (35) Op zyn land, op zyn lien,
            Hy word gedweeg door’t Vrouwe-Beeld te sien.
              4   Ist te verwond’ren dan
            Dat ick verwonnen ben,
            Daer dwinger noch Tyran
            (40) Geensins bestaen en ken?
            Al waer ick een Graaf,
            Ick wierd een slaaf, Al waer ick, &c.
            Van de Vrouw die ick min,
            Die ick lief, die ick loof,
            (45) Die ick stroock, die ick stoof,
            Die ick huys, die ick hoof
            In myn ziel, in mijn sin:
            Want in mijn hart daer woont een Ionghvrou in.

’t Kan verkeeren.



[
b, p. 37]

Amoureus-Liedt,

Op de Stemme:

Psalm 23.

                    BEdaart en toeft
                    Mijn verbysterde sinnen
                    Hoe wel ghy proeft,
                    Veel lydens door dit Minnen

                    (5) U wel besint,
                    Weest verduldich int lyen,
                    Aanstaan verwint
                    Soo’t blijckt tot alle tyen,
                    Dus weest te vreen,

                    (10) Wilt u tot hoope stellen,
                    Laat sorghen gheen
                    Noch pyne u meer quellen.
                        U starcke cracht
                    O Minne uwe zeeden

                    (15) Verheert met macht,
                    Mijn ted’re swacke leden,
                    Vernielt met pijn.
                    Door’t groot ghebreck van lusten
                    Can’t ghedacht mijn,

                    (20) Nauwelijcx laaten rusten,
                    Soo dat mijn Ziel
                    Hier seer is mee becommert
                    Met treuren hiel
                    Is mijn jonck hert beslommert.

                        (25) T’sal aen mijn niet
                    Maar lief aan Liefde schorten?
                    O Minne siet
                    Wilt toch u Minne storten*
                    In myn liefs gront,

                    (30) Op dat weer-liefd’ mach groeyen
                    Naar t’recht verbont,
                    Laat reyne Minne bloeyen,
                    Soo sal myn hart
                    Veel beter syn te vreden,

                    (35) So sal de smart
                    Oock lichter syn geleden.
                        Maar siet o Heer!
                    Het is veer vant verwerven,
                    T’schijnt nu wel eer

                    (40) Dat ick haer nu sal derven,
                    Sy vliet, wanneer
                    Ick haar coni te ontmoeten
                    Of vriend’lijck Eer,
                    En heusselijck wil groeten

                    (45) Door t’hart geneycht
                    Tot dienen en tot eeren,
                    Dus wantrou dreycht
                    Om metter yl te keeren.
                        Maar schrick of noot

                    (50) Can mijn Liefd’ niet verkouwen,
                    De bleecke doot
                    Sal t’Lichaam eer behouwen
                    Int doncker graf,
                    By de verrotten dooden,

                    (55) Gheen wreetheyt straf,
                    Gheen soo ancxtighe nooden,
                    Gheen suur noch soet,
                    Kan mijn Liefde vermind’ren
                    Doch haar ghemoet

                    (60) Dat kan my meest behind’ren.
[b, p. 38]
                        ’tHart van mijn Vrou,
                    Was eertijts vol medoogen,
                    En van mijn rou
                    Schreyden haar teere Ooghen,

                    (65) Sy hiel mijn druck
                    In haar hartje met vreesen,
                    En myn geluck,
                    Scheen haar geluck te wesen,
                    Maar doch den tijdt

                    (70) Die’t alles kan verkeeren,
                    Verkeert in nijt
                    Haar lieffelijck begeeren.

’t Kan verkeeren.


Amoureus - Liedeken,

Op de Voys:

Van Spaininielette.
        KOn ick eens recht bedwingen
        Mijn vliegend’ wilt gesicht
        Maar ick misbruyck dees dingen,
        Daarom is t’hart so licht:

        (5) T’lust altijt na wat varsch,
        Verandering is goet,
        T’nieuw maackt my t’oude warsch,
        T’verand’ren is so soet,
        Voor een die’t doet

        (10) Dat werd’ ick vroet,
        Door wanckelbaar gemoet.
            ’tOogh doet mijn cort beminne
        Een frisse suyv’re Maacht,
        Een bruynooghd’ Coninginne

        (15) Heeft dees weer haast verjaaght,
        Heur Hair was langh, en blont,
        Heur Oogjens swart als Git,
        Heur lachend’ roode Mont,
        Heeft tandetjens snee wit,

        (20) Soo blanck als dit
        Is elcken lit
        Dat an haar Lichaam sit.
            Als t’hart schier heeft vercreghen,
        t’Gheen mijn oogh garen siet,

        (25) De reeden seyt daar teghen
        Voorwaar ten dient u niet,
        Anmerckt wat ghy verkiest,
        Ansiet wat ghy begheert,
        Hoe haest een Mensch verliest

        (30) Daar ghy s’om mint en eert,
        Schoonheydt verkeert
        Versochtheydt leert,
        Ghy mint dat u meest deert.
            Doe heb ick uyt verkooren

        (35) ’T geen my wel nut syn sou,
        Een deuchd-rijck, wel gebooren,
        Bescheyde wyse Vrou,
        Recht is het dobble rou
        Als het komt anden dagh,

        (40) Die mogend’ niet en wou
        En willend’ niet en mach:
        Ick wou wel siet
        Maar sy wou niet
        Doe bleef ick int verdriet.

[b, p. 39]
            (45) Dit duurden eenige poosen
        Dat ick dus was belaan
        Men siet soo schoone Roosen
        Wassen, als daar vergaan,
        De Schepen of, en aan

        (50) Syn vast in een waardy,
        Wat wil ick mijn verslaan.
        t’Versoecken staat doch vry
        Een goet ghesel,
        Dus denck ick snel

        (55) Wil d’een niet, d’ander wel.
            Ick koos een Meysjen aardich
        Van minnelijck ghelaat,
        Van leeven heel eerwaardich,
        Van middelbare staat,

        (60) Beleeft en heus van praat,
        Oprecht, vriend’lijck, en trou,
        Maar buyten Vrienden raat
        Sy gantsch niet doen en wou,
        En ’twas haar sin,

        (65) Maar niette min
        Soo derf ick mijn Vriendin.

                    PRINCEN.
            Al moet ickse verliesen,
        Ick set daerom geen smart
        Ick maack door myn verkiesen

        (70) Een Gast-Huys van myn hart,
        Verandering van spijs
        Maackt lust en appetijt,
        T’verand’ren ick seer prijs.
        k’Verander metter tijt,

        (75) Daar syn soo veel
        Schoon, Rijck, en Eel
        Ick crijgh oock licht myn deel.

’t Kan verkeeren.



Amoureus-Lied,

Op de Stem:

Schoon Lief wilt my troost geven.

1.
        MYn brosche ted’re sinnen
        Die dwinghen my te Minnen
        Een mannelijcke Maaght
        Soo wijs en uytghenomen

        (5) Als immermeer mach comen:
        Of als de aarde draacht.

2.
            Het gheen my eerst becoorde
        En plotselijck verdoorde
        De Ziel en sin te saam,

        (10) Dat was het deftich prysen,
        Soo dat in gheender wijsen,
        Ick vraaghde haaren naam.

3.
            Want ’tcunstich cloeck verclaaren
        Deed’ my ghedachten staaren

        (15) Op haar volmaackte jeucht
        En schoonheyts crachtelheden
        Versiert met rijcke reden
        Vol onvolpresen deught.

4.
            ’tIs wonder! boven wonder!
        (20) Ick hoorde noyt ghesonder
        Noch onverlemder reen,
        Gheknurrift, noch ghebroocken*
        Maar gheestich, glat ghesproocken,
        Met alle voeg’lijckheen.

[b, p. 40]
5.
            (25) In’t onderscheydt der dinghen
        Soo blinckt sy sonderlinghen
        Als punt van Dyamant,
        Natuur had lust te baeren
        In groene jonghe Jaeren,

        (30) Een grijs en grauw’ verstant.
6.
            Haar Ziele die can siften
        De Bloem uyt de gheschriften,
        Die sy andachtich leest:
        Met gauw en goet opmercken

        (35) Pickt sy uyt schoone wercken,
        Het merrich en de Gheest.

7.
            Haar oordeel is doorsichtich!
        Dat wickt, en weeght, hoe wichtich
        De eyghenschappen syn:

        (40) Van uytghelesen kunsten
        Van veynsery, en gunsten
        Van wesen, en van schyn.

8.
            Oock weet sy wel te spreecken
        De deughden, de ghebreecken:

        (45) Het goed’, en quaad’ beleydt,
        Van alderhande daden,
        Ick can my niet versaaden
        Van haar bescheydentheyt.

9.
            Maar hoe sal ick haar noemen,
        (50) De Moeder van my roemen
        ’tIs Juno: neen tis niet
        ’tIs Venus aan haar wesen,
        Of Pallas is verresen
        In schijn van Margariet.

’t Kan verkeeren.


Amoureus-Liedt,

Opde Voys:

Meester Clement, ghy vuyle vent, &c.
            SOo haest als ick u (lief) aen sach
            Soo sloop ghy in myn sinne,
            Daar ghy vermeught, wat ick vermach,
            Ghy syt mijn vreucht, en myn geclach,

            (5) O wonderlijcke Minne.*
2.
                Het huys daar ghy vriendin in sat
            k’Sach van boven tot onder,
            O dacht ick dit vervallen gat,
            Bevanght soo hooghen schoonen schat:

            (10) O wonderlijcke wonder.
3.
                Och u verweende schoonheyts glants,
            En u vermogen crachten,
            Vermeesterde myn sinnen gants
            Al ist myn leet, ick moet nochtans

            (15) U voor een wonder achten.
4.
                Wat ist of ick u schoonheyt vier
            Met bidden en met smeecken,
            Vergeefs so com ick dickwils hier,
            Want met u jonst bent ghy te dier,

            (20) En wonderlijck te spreecken.
5.
                Ghy wonderlijcke lieve Beelt,
            Die soo licht kant bedwingen,
            t’Hart dat ghy sonder schande steelt
            Het welck al doet wat ghy beveelt

            (25) Met groot verwonderingen.*
[b, p. 41]
6.
                Wanneer myn hartge sucht en claacht
            Dat schijnt u te vermaaken,
            ’T is wonder uytvercooren Maaght
            Hoe dat u Vroulijck hart behaaght

            (30) Dees alte wreede saecken.
7.
                U schoonheyts waerde Lof en eer,
            Kan ick na wensch niet uyten!
            Maar het verwondert myn noch meer.
            Hoe uyt soo soeten Maghet teer

            (35) Kan sulcken strafheyt spruyten.
8.
                Ghy syt Princesse die my doet
            In mijn ghepeyns bedelven,
            Besitster van mijn hart en goet,
            Bestuurster van mijn jongh ghemoet

            (40) Ick min u als mijn selven.
’t Kan verkeeren.


[
b, p. 42]

Klachtich

Maeghden-Liedt,


Stem: Het daghet in den Oosten, &c.

            HElaes! ick heb verlooren
            De Vorst van myn ghemoet,
            Den Ridder hoogh ghebooren
            Van klaer en Prinslijck bloedt,

            (5) Dus mach ick zijn verscheyen,, wel beschreyen.

                2    Nu sal ick niet meer hooren
            Dat lieffelijck gheluydt,
            Dat my de siel ten ooren
            Soo soetjes troonden uyt,

            (10) Met aartigh minlijck smeken,, en schoon spreken.

                3    De Spieghel sal verdwynen,
            Daer ick myn aengesicht
            Soo helder sach in schynen:
            O lief, en vriend’lijck licht,

            (15) U luyster en u brallen,, sal vervallen.

                4    U wel ghedane wanghen,
            Van my soo vaeck ghekust,
            Met hartelijck verlanghen
            En sonderlinghe lust,

            (20) Die sullen wormen, Slanghen,, nu ontfanghen.

                5    En met een smaeck op eten
            U tongh en kuysche mondt,
            Die inde leckere beten
            Een lieve wellust vont,

            (25) Sy sullen met behaghen,, knauwen, knagen.

                6    De neus daer ghy te vooren
            Me roockt u spijs en dranck
            Die weet nu van geen smooren,
            Noch sticken van de stanck,

            (30) Sy sal nu inder kuyle,, gants vervuyle.

                7    Ghy syt sonder gevoelen
            Van lichaem en van hart,
            Ach, kon ick so verkoelen
            Myn ongemeene smart,

            (35) So souw ick nu niet weenen,, noch niet steenen.

                8    Nu wil ick my begheven
            In een kleyn kloosterkijn,
            En eynden daer myn leven
            En heymelijcke pijn,

            (40) En sal u doodt beklagen,, al mijn dagen.

                9    Doch ick sal u doen bouwen
            Hier op dit Graf een Huys,
            Daer ick my met vertrouwen
            In eenicheyt myn kruys

            (45) In myn rampsalich vrijen,, mach belijen.

                10    Nu moet ick my gaen ylen,
            En decken myn aenschijn,
            En draghen swarte wylen
            Ter eer de liefste myn,

            (50) Ick sal hem noch vereeren,, met rouw kleeren.
’t Kan verkeeren.


[
b, p. 43]

Bruylofts-Liedeken,

Stem:

O schoonste Parsonagie.

GHeluck vereende Menschen,
Den Hemel wil u staet ghebenedijen:
Ghelijck als wy u wenschen,
Om tydelijck en eeuwich te verblijen,

    (5) Met soo veel goets,, Met so veel soets,
Met soo veel vrolijckheden,
Met soo veel eeren,, Als ghylien kundt begeeren,
            Hier beneden.

2.    De Goddelijcke Minne
(10) Die door haar kracht vereenichden u beyden,
Die maack u ziel en sinnen
Tot inder doot in alles onverscheyden.

    Geliefjens hoort,, Leeft na Gods Woort
In Eendracht, en in Vreden,

(15) Als u in’t trouwen,, Te noen is voorghehouwen,
            Met goe reden.

3.    Soo sal de rijcke zeghen
U
Echten-Standt gheluckelijck doen bloeijen:
Ghelijck een dichten Reghen

(20) Het groene Gras bevochticht en doet groeijen.
    Of als een Boom,, Die by den Stroom
Hem uytschiet ’t allen zijen:
Soo sal u handel,, U leven, en u wandel
            Oock ghedijen.

4.    (25) Nu is de Tydt gheboren,
De uyr ghewenscht komt met veel duysent vreuchden
Siet daar u uytverkoren,
En brave
Bruyt gheciert met duysent deuchden,
    O
Bruydegoom!,, Nu ken gheen Toom
(30) Haar lieve Oogjes dwinghen,
Wy sien de lonckjes,, Als barrenende vonckjes
            Haar ontspringhen.

5.    Vrou-Bruyt ay staackt u suchtjes!
U duchjes, en al u verliefde kunsjes.

(35) Maer watte soete kluchjes!
De
Bruydgom dwaalt in zyn verwonnen gunsjes
    Wat soeticheyt,, Is u bereyt
In den anstaanden morghen?
Wel waarom lachje?,, Of ist om ’t leste nachje

            (40) Van u sorghen?
6.    Gaat aan, en wilt niet vresen,
Daar is geen noot, laat varen alle klachjes,
Het sal veel soeter wesen
Alst immer oyt verscheen in u gedachjes.

    (45) Soetertjes soet,, Weest wel ghemoet,
Gaat aan en houwt u koentjes,
En boet u lusjes,, Met hondert duysent kusjes,
            En met soentjes.

7.    Rijst op, rijst op Speelnootjes,
(50) Het is gheen tijdt om langher hier te blijven.
De
Bruyt die wort soo rootjes,
Sy is beschaamt, of sou sy willen kijven?
    Dat denck ick niet,, Ay siet! zy siet
Dan op, en dan weer neder,

(55) Vaart wel Getroude,, En komt als Nieu-Gehouwde
            Morghen weder.
’t Kan verkeeren.


[
b, p. 44]

Amoureus-Liedtjen,

Op de Voyse:


Schoon Liefien jent, seer excellent, &c.

1.
DE Liefde doot,, mijn schaemte root.
Door t’fel bedwinghen
Dwingt my de noot,, nu aen een twijffel groot,
Merckt o Mondeken root

(5) Met een voordacht, op mijn singhen.
2.
    Mijn hart voorwaer,, dat sucht seer swaer,
Met inwendich my claaghen
O lief eerbaer,, Isset u wille maer
Ghy moet, dit haest van daer,

(10) Met u lieve jonst, verjaeghen.
3.
    Wilt ghy myn leyt,, en mijn droefheyt
Ghy sout met reeden
Haest syn bereyt,, met troostelijck bescheyt
’tWelck van my wert verbeyt,

(15) Met grooter Lytsaemheden.
4.
    Och tis mijn pijn,, van u te syn
Waerde Vriendinne,
Soo wert ghy mijn,, die u oprecht en fyn
En niet met valschen schyn

(20) Maer met mijn hart beminne.
5.
    Dat ghy o Maecht,, de Vlammen saecht
Die mijn verteeren
Of t’geen my plaeght,, antwoort soot u behaecht,
En soud (u Lief) ick vraeght

(25) Mijn droeve smart niet deren.
6.
    Ick meen wel jaet,, Maechdelijck saet
Bloemptje der Vrouwen,
Met raet en daet,, u dienaer comt te baet
In dees bedroefde staet,

(30) Soo ick u deught vertrouwe.
7.
    Voorts ick begheer,, met u in eer
Vreetsaem te leeven,
Al nae de leer,, van onse Godt den Heer,
Dat hy ons Menschen teer

(35) Tot stichtingh heeft ghegheven.
8.
    Mocht ick dit sien,, nae wensch gheschien
O Vrouw vol waerden,
Hier voor de lien,, sou ick u Liefste bien
Mijn trouwe als ghy dien

(40) In t’goet wilde aenvaerden.
’t Kan Verkeeren.


Amoureus-Liedtjen,

Op de Wyse:

O schoonste Parsonagie.
            LOf Moeder vande Minne
            Met u gheswind en schutterlijcke jonghen,
            Die mijn verneerde sinnen,
            Wel eer,, met eer en achtbaerheyt ontfonghen,

[b, p. 45]
            (5) Ghy die t’ghemoet
            Soo vroolijck voet,
            En salicht steeds met vreuchden
            Comt daelt hier bymen
            En leert my konstich Rymen,

            (10) Mijn Liefs deuchden.
                O Schoonheyt net besneden
            Van leest, van schic, van swier, van stal, van standen
            Van uytghelesen leden,
            Van Hooft, van Hals, van heupen en van handen

            (15) Niet vangh noch vet
            Maer wel gheset,
            Bevallich en behendich
            Doch grooter gaven
            Sijn in u Ziel begraven,

            (20) Noch inwendich.
                Och wat volmaeckte reden
            De wyse Mont met val en vlot ontslippen,
            Die met verstandelheden,
            Eerst syn ghecleynst door t’breyn en lieve lippen,

            (25) Insonderheydt
            Met onderscheyt,
            En kennisse der dinghen
            Door dit opmercken
            Geen woorden nochte wercken,

            (30) Hem ontspringhen.
                Syn hooghe gheest doorluchtich
            Weet met de Pen te Schild’ren, en te schrijven
            Soo aerdich en soo cluchtich,
            Dat ons ghemoet en sinnen t’samen kyven,

            (35) Of t’waere zyn
            Of stoffloos schyn,
            Voor onse Geesten sweefde
            Hy maelt het vryen
            Het rechten en het stryen,

            (40) Of het leefde.
                Ick prijs Lief u manieren
            Ick roem in Rijm van u hoochdraghend wesen
            Al wat ghy cont versieren,
            En wat ghy looft, het wert van my ghepreesen,

            (45) Ick lees en schrijf
            Om tijdt verdryf,
            Lust my te Redenrijcken
            Ick soeck in veele
            Maer hoope dy ten deele,

            (50) Te ghelijcken.
                Ghy die my placht te leeren
            Het Gout gemynt, uyt t’Lichaem vander aerden,
            Loshertich te ontbeeren,
            En t’sienlijck goet te achten nae syn waerden,

            (55) Maer boven al
            Int aertsche Dal,
            Het Hemelsche te wenschen
            Want sulck verkiesen
            En baert gheen swaer verliesen

            (60) Voor de menschen.
                Wat baet my nu dit weten
            Mijn cloecke cunst, u leerelijcke lessen,
            Als ghy my wilt vergheten,
            O Toveraer van Joffers en Princessen

            (65) Die mijn bekolt
            Jae nolt en solt,
            Besweert en keunt beleesen
            Moochdy my haeten
            Of dus ellendich laeten,

            (70) In dit weesen.
’t Kan verkeeren.


[
b, p. 46]

Eenicheydt is Armoedt,

Stem:

Als ick uyt wandele gae, &c.

WAT baat u de voochdy van Landen en van Steen?
En’t prachtighe ghebouw vol duure kostel-heen,
Daer ghy in woont verseldt met princelijcke stoet,

Als ghy des nachts alleen in’t bedde slapen moet?
    2.  (5) Wat baat de groote sleep der Joff’ren blanck en bly?
En’t Vorstelijck ghevolch der Princen groot en vry?
Wat baat dat yeder u als Godd’lijck bidt en groet

Als ghy des nachts alleen in’t bedde slaepen moet.
    3.  Wat baat dat ghy een myl van Musck en Amber rieckt?
(10) En dat ghy leckerlijck met Wijn zijt op ghequieckt?
En dat de dertelheyt u jonckheyt heeft ghevoet

Als ghy des nachts alleen in’t bedde slaepen moet?
    4.  Wat batet of ghy schoon uyt gulde vaten eet?
En dat ghy aanden disch de hoochste plaets bekleet?

(15) En of u al de lust vaeck kittelt, sacht en soet
Als ghy des nachts alleen in’t bedde slaepen moet?
    5.  Wat baat de schoonheydt die ten ooghen uyt u blinckt
Soo edel, dat de Son, de gulde Sonne sinckt,
En deckt sijn glansich hooft met purper en swart bloet

(20) Als ghy des nachts alleen in’t bedde slaepen moet?
    6.  Wat baat dat u verstant soo wijs is en gheleert
Dat al de werelt dat verwondert acht en eert?
En dat de Fame u ontsterflijckheydt aen doet

Als ghy des nachts alleen in’t bedde slapen moet?
    7.  (25) Behalven alle de vreucht, soo slaeptmen soet en warm,
Ick wensch gheen meerder schat, als mijn Lief in den arm:
Ghy syt de armste mensch, al sydy rijck van goet,

Als ghy des nachts alleen in’t bedde slapen moet?
’t Kan verkeeren.


[
b, p. 47, fol. F4r]

Amoureus - Liedt,

Op de Voys: Esprits qui soupirez.

ADieu schoonheden preuts vol sachte tooveryen,
Ter wijl ick segh adieu verhoort mijn droeve klacht:
’Tis nu niet meer gheveynst mijn doot sal u belyen,
Dat ick mijn sterven soet en scheyden bitter acht.

2.
    (5) Adieu Godlijck ghesicht een oorsaeck van mijn ende,
Dat om mijn heete vlam te coelen tranen schept
d’Ondanckbaer tranen gaen, mijn ziel blijft vol elende,
Dit maeckt mijn sterven zoet, dewyl gh’er lust aen hebt.

3.
    Adieu gebloosde Mont, daer in verscheyden woonen,
(10) Soo soete lieve reen, en daer ick uyt bespeur
De teghensangh van mijn bedroefde dootsche toonen?
Daerom ick deur t’adieu meer als om sterven treur.

4.
    Adieu handen die bint met onghemeene banden,
Mijn handen, oogen, hert, mijn leven, en mijn spraeck,

(15) Die al mijn vryheyts vreught in slavernije spanden,
Waerom ick deur t’adieu mijn leven oock versaeck.

5.
    Adieu verheven stem, vermoghend’ om t’onsteken,
Van herde rotsen hert den alderhertsten hoeck
Hoe is dees lieve lust mijn hert dus hert ghebleken,

(20) Dat ick den sachten doot voor’t bitter scheyden soeck.
6.
    Adieu Yvooren hals daer ick mijn leven hoopte,
Dewyl ick sterven moet weest my zoo veel te wil
En graeft beneen u borst, het hert dat ghy soo noopte,
Soo siet ghy dan hoe soet dat my mijn sterven vil.

’tKan verkeeren.



Amoureus-Liedeken,

Op de Wijse:
Verheven hoochste Ziel.

MAer waerom is myn hert niet uytgebrant tot asschen?
Van waer comt t’water dat myn oogen steets bespoelt,
De Stroomen van de Zee en souden niet afwassen
De brant de heete brant die t’jonger Hert gevoelt.

  2.   (5) Waerom wilt ghy myn doot, segt uytvercooren Vrouwe
Hoe zydy doch so wreet, waer toe dees felle straf,
Ick brande in u min en die sal niet ophouwe
Voor dat ic Geesteloos legh uytgerect int Graf.

  3.   Mijn tong vergeet zijn ampt, myn oogh durft niet aenschouwen
(10) De Hemelsche schoonheyt die men in u beschout,
Mijn herte vlieght om hooch, met vleugels van myn trouwe
Tot dat zy in u Hert mijn Ziel een zetel bout.

  4.   Helaes! can myn verdriet, en ernste gebeden
Niet stillen u gemoet niet buygen uwe zin,

(15) Mijn ooge waer ghenoecht om u myn zoete wrede
Te toonen door gesicht hoe seer ick u bemin.

  5.   De diepe suchten die uyt bange Borst opsteegen,
Getuygen van myn smert Trompetten van myn rouw
Mijn waere tranen heet cunnen u niet bewegen

(20) Tot medelyden Lief, so doetet om myn trouw.
  6.   Siet myn belast gemoet, vermast van Druck en lyen
Neemt acht op myn elent, en jammerlijcke pijn,
Wilt ghy my gansch de wech, van uwe gunst afsnyen
Het sal u dienaers doodt, en syn verderven zyn.

  7.   (25) Jouffrou tot uwen dienst, is Hert en Ziele vaerdich
Bruyckt my waert u belieft, ick volligh u gebien,
Maackt my door uwe deught, doch so veel eere waerdigh
Dat ick u nacht en dach, nae myn vermogen dien.

  8.   Helaes! myn waerde Vrou, belet myn droevich sterven
(30) Mijn leven is het lest, myn lyen is te groot,
Soo’k van u lieve mont, geen troost en mach verwerven
So spreeckt het vonnis van myn leven of de doodt.

’tKan verkeeren.


[
b, p. 48]

Liedt, Op de Wyse:

Al van een eerbaar vrou en hare Man.

            SEght my, seght my Vriendinne
            Waarom verbercht ghy u?
            Om dat ick u beminne
            Syt ghy daarom soo schuu?

            (5) Het schijnt ghy crycht een gruu,
            Als ghy my siet aencoomen
            Laat my toch weeten nu,
            Wat u voor my doet schroomen.

                2.    Heb ick buyten t’behooren
            (10) Teghen u sin ghedaen?
            Dat u verweckt tot tooren,
            Ay doet my dat verstaan,
            Een valsche Tongh of waan
            Kan somtijts veel quaats wercken:

            (15) Daarom wilt u beraan,
            En op de waarheydt mercken.

                3.    Is dit dat ghy bekende
            Doe ghy my hebt gheseyt
            Dat nimmermeer sou enden,

            (20) U trouwe sinlijckheyt,
            Die ghy hadt doen gheleyt
            Op my maar t’syn maar vlaghen:
            Want die lichtvaardich scheyt
            Wat Liefde can die draaghen.

                4.    (25) Immers wist ghy te vooren
            Hoe hooch dat ick u hiel,
            Voor tgroost by my vercooren
            Jae als mijn hart mijn Ziel:
            Och oft noch soo gheviel

            (30) Dat ghy u eens wout wenden.
            Om my die voor u kniel
            Te troosten in d’ellenden.

                5.    Ist u Lief al vergheeten,
            Dat ghy in mijn ghedacht

            (35) Mijn werelt plach te heeten,
            Mijn ick, mijn al, mijn cracht
            O goude Mensch gheacht
            In myne jonghe sinnen,
            Hoe onghesien verwacht

            (40) Ick noch u jonst te winnen.
                6.    Soo langh sal ick u dienen
            Met eerbaarheyt en schaamt,
            Als Godt my sal verlienen
            t’Leven dat in my aamt:

            (45) Och of ghy selfs quaamt
            U Dienaars smart aanschouwen,
            Ghy sout werden ghepraamt
            Met deerenis mijn Vrouwe.

                7.    Maar als my quam bestraalen
            (50) Het vlick’ren van u ooch,
            Sou dan mijn kracht verhaalen
            Alleen door u vertoogh:
            Al comt my laat en vrooch,
            U beelt in mijn ghedachten,

            (55) Ick kan de schyn soo hooch
            Niet als het weesen achten.

                8.    Princesje Lief verheeven
            Doot u verborghen haat,
            En laat de Liefde leeven

            (60) Weer in syn eersten staat,
            U rijpelijck beraat,
            En wilt gheen waan ghelooven,
            Noch snoode clappers quaat
            Die d’eere van my rooven.

’t Kan verkeeren.


[
b, p. 49]

Amoureus-Liedeken.

Op de Wijse:


Adelijn, Bruynsmadelijn, ghy bent so hups en fijn.

            MYn tongh die moet nu boogen
            Van t’geen my hart behaacht,
            Want met bekoorde ooghen
            Heb ick ghezien een Maacht,

            (5) Becnopt van dracht,
            En rendelijcken
            Niet met pracht
            Wt wendichlijcken,
            Gelijck men’t nu wel draacht.

2.
                (10) Sy weet haer wel te cieren
            Met degelijck gelaat,
            Met bequame manieren
            Met cort, en heusche praat,
            Niet lichtvaardich,

            (15) Wangelaatich,
            Maar eer waardich,
            Ende statich
            Een Maachdelijck cieraat.

3.
                Met vierige dienst en willicheyt,
            (20) Vult sy het hart van mijn,
            Door haar stemmige stillicheyt
            En suyver soet aanschijn,
            Oock als haar mont
            My seer lieftalich

            (25) Een cus my jont
            Ick acht my salich,
            En vol gelucks te syn.

4.
                Sy nayt met lust seer sinnelijck,
            De traacheyt haar verdriet

            (30) Och als ick denck hoe minnelijck
            Dat somwijl sy op siet,
            En siet sy my
            Ver by gaan wand’ren
            So moeten wy,

            (35) Van cleur verand’ren,
            Soo dickwils alst geschiet.

5.
                Con ick met kunst en vreuchden
            Verhaalen al haar Lof
            Maar haer rijckheyt van deuchden

            (40) Is myn doel, en lust Hof,
            Daar ick niet weet,
            Wt te raacken
            En ick vergeet,
            My door t’vermaacken

            (45) In d’overvloet van stof.
6.
                Dees die in alle punten
            Soo graas’lijck is bedeelt
            Dat men haar siet uytmunten
            Als spiegel en voorbeelt,

            (50) Van ware deucht
            En rype reden,
            Die in haar jeucht
            So grijpe steden
            Dat syer myn hart mee steelt.

7.
                (55) De Maaght die my doet roemen,
            En is niet wijt van hier
            Maar ick en durf niet noemen

[b, p. 50]
            Dit reyn en eedel Dier,
            Want ick vrees haer,

            (60) Te versteuren
            En t’sou voor waar,
            My gebeuren
            Waar sy niet goedertier.

8.
                Ick sal met vriend’lijck spreecken
            (65) Haar leggen t’vier so naar
            Tot dat wy door myn smeecken
            Te samen syn een paar,
            Of so t’gevalt,
            Den Heer der Heeren

            (70) Hoemen kalt,
            Het kan verkeeren
            Den mensch is wanckelbaer.

t’Kan verkeeren.


Liedeken, op een Franse Voyse:

Phebe qui ce mesme Iour.

            O Schoonste schoonheyt wreet!
            Hoe pynicht ghy myn hert
            Met quelling van lief en leet,
            Met sacht en strenge smert?

            (5) Wat bitterde pijn, mach soeter syn? Wat, etc.
            O pijnbanck van mijn rust,
            O Beulin van myn bloet!
            O Goddin van’t gemoet!
            O myn waerdichste goet!

            (10) Dat myn hier is gewust,
            Ick brandt en blaeck van aengename lust.

                2    O ghy lieffelijck ghesicht!
            Vol blixems en vol glants,
            Als ghy maer u luyckjes licht,

            (15) Myn zieltje wort vol brants.
            O wonderlijcke brant, voor myn verstant, O etc.
            Lieve brant die myn geest
            So beset, so beschroeft,
            So bepuert so beproeft,

            (20) So verheucht, so bedroeft,
            Soo verblijt, so bevreest,
            Waer ick sonder u, ick waer dood geweest.

                3.  ’t Is een monster of een hout,
            Die noyt en voelde vlam:

            (25) En offer alsoo kout
            Ter Wereld yemand quam,
            Dat hy meerder scheen, een beeld van steen, Dat etc.
            Ja een mensch heel van loot
            Heel van tin, heel van stael,

            (30) Heel van glas, heel metael,
            Heel van ijs altemael,*
            Sach hy u schoonheyd groot,
            Hy wierd wel levendigh al waer hy doodt.
*
                4.  Dees levend-makende kunst
            (35) Van Goddelijcke kracht,
            Bestaet in goede gunst
            Van u minnelijcke macht.
            Maer vertrout dit deel, niet al te veel. maer etc.
            Nu vaert wel myn Chlorint,

            (40) Nu vaert wel soete mont,
            Nu vaert wel schoonheyt blont,
            Nu vaert wel, blijft gesont,
            En als ghy u wel vint,
            So denckt om hem die u te seer bemint.

t’Kan verkeeren.


[
b, p. 51]

Amoreus Liedeken,

Op de Voys:

Galiarde tortellerie, Ofte reyn van manieren,
is den Echten Staat.

1.
            GEtrou van zeeden
            Is der minnen,, bant
            Voel ick door u reeden
            In myn sinnen,, want

            (5) Die binnen,, brant
            Int hert oock so gevoelt
            Dat syn verstant
            Inwendich leyt en woelt.
            Door ’t soet,, begeeren,, swaar,

            (10) Noch moet,, ontbeeren,, haar,
            ’T is goet,, om leeren,, maar,
            Langsaam t’vercoelt.

2.
                Alsmen gebonden,, is
            In gelijcken,, graat,

            (15) Die Bloem gevonden,, is
            Die’t blijcken,, laat
            Op rijcke,, staat
            Sulck minnaar niet en denckt,
            Die wijcken,, gaat

            (20) Als* doot het Lichaam crenckt:
            Merckt int hantieren,, veel
            ’Twelck doet vercieren,, heel
            Dat syn manieren,, eel
            Die Zielen mengt.

3.
                (25) Redelijck en matich
            En Godvruchtich,, net,
            Haar wesen statich
            Sy heel tuchtich,, set
            En luchtich,, tret

            (30) Over haar cootgens,, gaat
            Eersuchtich,, met
            Haer reyn Speelnootjens,, praat
            Dat soet,, en aardich,, is,
            Sy doet,, dat waardich,, is

            (35) Dat goet,, rechtvaardich,, is*
            Kiest sy voorbaat.

4.
                Brant ick dan,, binnen
            In mijn jonge,, hart
            Want ick vant,, minnen

            (40) Dus gedwongen,, wert,
            Gedrongen,, smart,
            My op te leggen,, slecht
            De tonge,, tart
            U tot dit seggen,, recht

            (45) So ghy’t,, goedaadich,, quijt
            My toch genadich,, zijt,
            Die dus gestadich,, lijt
            Ick ben u knecht.

5.
                Nadien dus heftich,
            (50) My t’verlangen,, quelt,
            En ghy dus deftich
            U gevangen,, velt,
            Laas bange,, helt
            Wat sult ghy maacken,, gaan,

            (55) Laas dwange,, t’gelt
[b, p. 52]
            Ick sie myn saacken,, aan,
            En t’onderwinsel,, vroet,
            ’Twas een beginsel,, soet
            God wil myn binsel,, goet

            (60) Hecht binden aan.
6.
                Belieft u Vrouwe
            Meerder teecken,, nu,
            Van myn getrouwe
            Mins treecken,, nu

            (65) Als beecken,, nu,
            Streckt om vermanen,, wat,
            Toont meerder jonsten,, vry,
            Slecht is de Const van,, my,
            Het schiet uyt gonste,, by,

            (70) Reyn Eed’le schat.
7.
                Princes myn claagen
            Is verdreven,, toch,
            Ick hoop die dagen
            U beneven,, noch,

            (75) Te leven,, och,
            Dit is het winschen,, mijn,
            Verheven,, doch
            Meer als het Prinschen,, schijn,
            Want nae myn weynich,, leyt

            (80) Sal noch myn kleynicheyt,
            Met myn Liefs reynicheyt,
            Vergolden zijn.

’tKan verkeeren.


Amoureus-Liedeken,

Op de Wijse:


O Schepper fier, hoe lustich ist om wesen, &c.

                GRanida schoon
                Oorspronck van myn quellagie,
                Zyt ghy suyver imagie
                Mijn Coninginne soet?

                (5) Een slecht persoon
                Verwacht van u de gagie,
                Dus u Slaaf en pagie
                Te meer u minnen moet,
                Toecomend’ lief doet my verblijen,

                (10) Dese druck of duldich lijen:
                Want ick u voorwaer
                Nu kies en laat een aar.

2.
                    Den lastige last,
                Van mijn versotte sinnen,

                (15) Willich ick beginne
                Door hoop te dragen,, wel,
                Vertrou oock vast
                Op het aanstaand verwinnen
                Hoe wel ick binnen

                (20) Dien tijt seer clagen,, sel
                Die Fortuyn sal ick verwachten
                En door deughd naer u te trachten
                Met een reyn gedult
                Sal’t wel worden vervult.

3.
                    (25) Geen druck hoe groot
                Sal my van u Liefd’ trecken,
                Dat seg ick sonder gecken
                In myn begonnen,, min:

[b, p. 53]
                Of ziet de doodt
                (30) Sal myn begeerten decken,
                Ay wilt toch verwecken
                Lust in verwonnen,, sin,
                Siet naa t’aanschijn nat van traanen
                Die u tot de min vermaanen

                (35) Rou en onbeschaamt,
                Gelijck u recht betaamt.

4.
                    Meer lofs voorwaer
                Sal u u dienaer geven
                Als een Prins verheeven

                (40) Van Hooch beroemden,, stam
                Wiens minne maar
                Tot boellen is gedreven
                Schijnen heel te streeven
                Doch met verbloemde,, vlam:

                (45) Dus Princes wilt wijss’lijck kiesen,
                Wilt het goed om liefd verliesen,
                t’Goet baart veel onrust,
                En Liefde baart veel lust.

5.
                    Daar is verscheel
                (50) Soo veel int overwegen*
                So ghy bent genegen
                Tot het bescheyden,, recht,
                Siet Princes eel
                Op t’onderscheyd te deegen

                (55) Datter is ghelegen
                Tusschen ons beyden,, segt,
                Al syt ghy slecht, ick sal u beminne
                U Liefd oprecht, vernoecht u sinne,
                Die ghy toont en draacht

                (60) Het Heerschen my mishaacht.
6.
                    Princes gentiel
                Soo dit eens mocht geschieden,
                Maar myn slecht eerbieden
                Is van te cleene,, macht,

                (65) Och mocht myn Ziel
                Verhuysen Granide
                Diet’ tuycht te dieden
                Dat tot vereenen,, tracht
                Inwendich ons Zielen t’saamen

                (70) Syn gewassen die Lichaamen
                Syn geworden een
                Seer qualijck om te scheen.

t’Kan verkeeren.


Nieu - Liedeken,

Stem:

Ach ongeluckighe dach! Die’k wel beclagen mach.

            ICk wil Juffrouw (vertrout,)
            Om al het Weerelts gouwt
            U prysen met geen logens stout
            Want deed’ ick dat, het soude myn

            (5) En u, tot een beschamen sijn.
2.
                Ick sal met valsche vondt
            Niet seggen ongegrondt,
            Als dat u lieve kleyne mondt
            So veel Parfuyms en Ambers heeft,

            (10) Als ons Saba en Injen geeft.
[b, p. 54]
3.
                Noch dat u hayren schoon,
            Veel grootscher staan ten toon
            Als d’alderbraefste goude kroon:
            Noch dat ick in u oogen vin

            (15) Een woonplaets voor de geyle min.
4.
                Ofdat haer glans verwon
            De starckheyt van de Son,
            Daer noyt klaerheyt by komen kon:
            Want al het licht dat ons bestraalt

            (20) Syn levend’ luyster van haer haelt.
5.
                Noch dat u Lipjens soet
            Vol suyver blinckend’ bloet
            Een schant an Kraal en Karsjes doet:
            Noch dat u Tantjes, Parlen fijn

            (25) Gheset syn in brandend’ Robijn.
6.
                Noch dat u hooge ze’en,
            Of treffelijcke re’en,
            De mensch verkeeren kan in steen,
            Of dat ghy met u groote Geest

            (30) De wijste maeckt een botte beest.
7.
                Ghy syt so hups een Tas
            Als hier in lang oyt was,
            Dit segh ick als het komt te pas:
            Ja so, dat om een soete soen

            (35) Een Heremijt sou sonde doen.
8.
                Maer dat is niet geseyt,
            Van u onsterflijckheyt,
            Ghelijck ghy’t hier en daer verbreyt:
            Doch so u lichaem god’lijck is,

            (40) Struylt Rooswater in plaets van pis.
9.
                Dus spreeck ick, o Joffrou!
            Op datmen mercken souw
            Hoe veel ick van u schoonheyt houw,
            Waar aen myn lust syn tijdt besteet

            (45) Wanneer ick niet te doen en weet.
10.
                Ghy siet wel mijn Vriendin
            Hoe seer dat ick u min,
            Al gae ick hier vast uyt en in:
            Maer kosten elcken tree een duyt,

            (50) Ic quam termaent misschien eens uyt.
11.
                Al segdy soete dier,
            Dat ick segh: dat ick schier
            Om u verteer in’t minne-vier:
            Het is wel waer het is geschiet,

            (55) Ic hebt geseyt, maer ’k meenden’t niet.
’tKan verkeeren.


[
b, p. 55]

Amoureus Liedt,

Op de Voys van Susanna: Ofte,


Esprits qui souspirez.

IA mijn bedroefden geest cund ghy in vreuchd herscheppen
Ach langh geliefde, en mijn wel beminde Vrou:
Wanneer als ghy maar wilt de lieve oogjens reppen
En drayen die met jonst naar u Dienaar getrou.

    2    (5) So stuyft flucx inde wint mijn siecten, en het suchten,
En snapt een troostbaar woort dan uyt u soete mont:
Den wissel van myn staat doet mijn in twyffel duchten
Of ick dan ben de gheen, die ick noch was terstont.

    3    Hoe meuchdy waarde Lief dat soete aanschijn wenden
(10) Van my? die ghy hier door so wonderlijc vermaect:
En keunt, wan ghy maar wilt my t’leven of doot senden
Na u t’erbarmen in u wreede sin gheraackt.

    4    Wist ghy het vast opset, of het besluyt mijns harten
In’t lieven van u eer, en ’tminnen van u jeught:

(15) De weer pijn van mijn druck sou u meelyd’lijck smarten
En gunnen om mijn trou my een veel blyder vreugd.

    5    Meestres ist u een vreughd mijn pynelijcke quaalen
Soo doet en leeft met my na u lust en ghebien,
Al sou ick tot myn doodt dus Hoofdeloos gaen maalen:

(20) Maar dese strengheyt Lief kan ick uyt u niet sien.
    6    Wout ghy myn trouheyt eens met uwe gunst beloonen?
Ick leede met verdrach op hoop van ’tsoet dit zuur
Ick sou myn staticheyt, soo heel volmaeckt vertoonen
En leeven in ghenaa van u, en ’tavontuur.

    7    (25) Weygert ghy my de naam, of ’tweesen van verwinner,
Van hulp, van Vrient, van troost, van Lief, van hooft, of Prins
Mijn blijft de tytel doch van een getrou beminner,
U wreetheyt, tyt, noch doot, ontvoert my die gheensins.

’t Kan verkeeren.


Amoureus-Clacht-Liedt,

Op de Wijse:

Esprits qui souspirez. Ofte: Indien het clagen can.

OCh snelle winden wilt mijn overdroeve klachten
Gaan draagen nu te vlucht, in d’ooren van mijn Vrou,
Van daar tot in haar hart, de borne der ghedachten,
Op dat ick voor myn doot haar Beelt noch eens anschou.

2.
    (5) Klaaght haar weemoedelijck mijn ongemaackte suchten
Mijn seer benaut verdriet, en mijn aanstaande noot,
En hoe vertwyffelt my wanhoop het quaast doet duchten
En hoe mistroostich ick verwacht, en roep de doodt.

3.
    Maact mijn beklach heel groot, en mijmmert hare sinnen
(10) Tot dat haar Maagd’lijc hart deur ’tkarmen sy beweegt
My met volmaackte Liefd’ volcomentlijck te minnen,
En datse voort an my haar waare heusheyt pleeght.

4.
    O winden swetst en sucht, seer heftich onder’t klaghen,
En daar ick my versuym voeght daar van t’uwe by,

(15) Gelijck zy cunstich doen die jets wat over draghen,
Verhaalt dus op het grootst, het geene dat ick ly.

5.
    Ha wreede sult ghy noch u Dienaer langher proeven
Die ghy soo hebt ghetoetst, die ghy soo hebt versmaat?
Soo sal u eyghen daat eer langh u Ziel bedroeven

(20) Soo haast als ghy syn doot, en u hulp siet te laat.
6.
    Salt’ niet een schoone roem voor u o Vrouwe weesen
Dat ghy den oorspronck syt, dat hy soo deerlijck sturf?
Doch soo’t gheschiet, syn Graf, salt yder een doen leesen
Hoe dat hy voor syn tijdt de doot van u verwurf.

[b, p. 56]
7.
    (25) Ghy sult een oorsaack syn, door u felle manieren:
En door syn trouheyt hy, dat langhe naa syn tijdt
Veel Dichters cloeck in Rijm wonder sullen versieren
Tot syn leevendich Lof, en u eeuwich verwyt.

8.
    Al de Werelt sal u hertneckicheyt misprysen,
(30) Dat ghy die u soo bat, niet eens en hebt verhoort:
De Kinders sullen u met vingheren na wysen
En sult van alle man voorts raacken op het woort
.
9.
    Hy seyt u nu adieu, hy gaat soo heughlijck sterven,
Om dat hy heeft ghedaen soo een minnaar betaamt,

(35) Hy sal een goede Faam noch naa syn doot verwerven,
Als ghy kenschuldich sult veracht syn en beschaamt.

10.
    En of de bleecke doot nu dobbert op syn lippen,
Soo noch u lieve mont (seer Heemels van gheluyt)
Wat woortjens soet van troost, geseegent, laat uyt slippen

(40) Soo gaat wanhoop of doot haar Heerschappije uyt.
11.
    Doch dorst u na syn doot? soo kort nu in syn leven
En laaft u met syn bloet, naa uwe wreede wensch,
Of deert u syn verdriet, soo wilt hem hulpe gheeven,
En sallift met u jonst thart vande kranckste mensch.

12.
    (45) O winden als ghy haar dus hebt ghestelt in roeren
Soo brengt haar hier by my, of t’geene dat sy seyt:
Wilt op u Vleughels fluck mijn bootschap over voeren,
En t’vonnis van mijn doot, of eens ghewenscht bescheyt.

’tKan Verkeeren.


Liedeken,

Stem:

O lyden en pijn, droefheyt is mijn.

            AL waert dat mijn,, de Godt Jupijn,
            Of yemandt vande Goden,
            Haer glants, of schijn,, of gants haer sijn
            Van Godlijckheyt aenboden,

            (5) Dat ickse mocht verkiesen,
            En ick u most verliesen,
            Ick gingh tot haer met dese reen,
            Ick blijf veel liever hier beneen
            In myn armoed opter aerden,

            (10) In becommeringh, en verdriet,
            Eer ick wouw die last anvaerden.
            En hebben daer myn liefste niet.

                2.   Of lieten sy,, de toom eens vry
            Van’t Coninghlijck ghebieden,

            (15) En gheven my,, de heerschappy
            Van Landen en van Lieden,
            Dat ickse most beheeren
            Dat sou ick wel begheeren,
            Niet om rijck, Landt noch gelt,

            (20) Niet om aensien noch ghewelt,
            Niet om scepters noch om kroonen
            Noch om al het Werelts goet,
            Maer om dat ick u sou toonen
            Mijn gunst, en grootheydt van ghemoet.

                3.   (25) Ick sou de lien,, wel grootsch gebien
            U achtbaerheyt te eeren,

[b, p. 57]
            Op bloote knien, u doen ontsien
            By Princen, en by Heeren,
            Ick sou der Keyseren Vrouwen,

            (30) Voor u staet-dochters houwen,
            Mijn Koningen de grootst van lof,
            Die souden u steets in mijn Hof
            Met eerbiedigheyt gheleyden,
            En setten in u setel sacht,

            (35) Die ick eerst sou doen bereyden
            Met de kostelijcke pracht.

                4.   Van Elpen-been, vol vremdiche’en
            Soud’ ick u troon doen maken
            U vloer bespreen,, met ed’le kle’en,

            (40) Van Turcks, en goude laken,
            Met beelden en met bloemen
            So schoon alsmen kan noemen.
            Ick sou bewijsen door u dracht,
            Hoe dat ick u deuchden acht,

            (45) Hoe dat ick u hooghe zeden
            Meer bemin als ’t lieve gout,
            Dat ick rustich sou besteden,
            Daer, en waer ghy’t hebben wout.

                5.   Maer’k weet dat ghy, geen hovaerdy
            (50) Hebt in dees malle dinghen,
            Oock draagh ick bly,, meer goets by my,
            Als al de Hovelinghen,
            Al syn sy rijck van goede,
            Ick ben’t in den ghemoede:

            (55) Ick weet wel liefje datje weet,
            Dat onder een verwurpen kleet
            Wel wat grooters kan verschuylen.
            Als syn meerder wel vermoet,
            En datmen vaeck wel slechte uylen,

            (60) Hier bevinden seer begoedt.
’tKan verkeeren.



Liedeken,

Stem:

Fortuyn eylaes bedroeft.

1.
PRincessen preutsch en prat met al u pronckery
Van noode-loose pracht: staet op en wijct ter sy,
Maer groet eerbiedelijck met neygingh en ghekniel,
De triumphante Vrou van myn verwonnen ziel.


2.
    (5) Waer toe dit marren? ach! ghy jonge Jufferschop
Spreyt die Tapyten neer, en stroyt daer soetjes op
Ghemalen gout, oock zy, op dat de harde aerdt,
Haer ted’re voetjes niet en quetse noch beswaert.


3.
    Ghy grooten dicht bestoet met Vorstelijck gesnor
(10) Gebiet de Volcken, dat sich niemant drijft, en por
Te naken aen haer kleyt, te stooren haren gangh,
Op dats haer niet verblaes, noch quade lucht bevang.


4.
    Sy komt, o Goon! sy komt: de Princen staen als stom:
De verslagen gemeent stort van een swenckjen om:

(15) Als met haer wyse tong basuynt een helder woort,
Het dondert, en het wert met wonderingh ghehoort.


[b, p. 58]
5.
    Een yeder riep met my wat vruntschap en wat jonst,
Wat Goddelijcker glans, wat wijsheyt en wat konst
Heeft Jupijn oock gebruyckt, wanneer hy heeft verlicht,

(20) Dit schepsel dat ons sloech met blixem int gesicht?

6.
    ’tIs Venus, Venus ist, daer ick wel eer of las,
Die van het pekel-schuym der Zee geboren was
Die met een holle schulp door vloeden vlet en vlot
Ick hielt voor narrery, en beuselingen sot.


7.
    (25) Ach Heyl’ghe rymery, ick vonnisten verkeert,
Want eenich geest, of God heeft dit gepropheteert,
Op dat de werelt en myn tijt gelijcke lien,
Haer gulde Godtheyt niet onwaerdich souden sien.


8.
    Voordees* in’t gulde jaer van’t suytsche Cipres quam,
(30) Mijn soete Cithera in’t schip-rijck Amsteldam,
Daer sy den rouwen hoop van’t graeu en groots geslacht*
Heeft aen een sachten aert door les en leer gebracht.


9.
    Der ouden boosheydt snoot en d’ondanckbaere jeucht*
Vergolden na met spijt de wel-daet en de deucht,

(35) Mijn Venus die vertrock, o leydt! o quaet! o doot!
Sy sturf indiense kon in’t Dorp van Ackersloot.

’t Kan verkeeren.


[
b, p. 59]

Claech-Liedt,

Op de Wijse:

Het daget uyt den Oosten, &c.

            MEt Edel hooch begheeren
            Mijn Ziele wert gevoet
            Ick wille my verheeren
            In mijn gedachte soet,

            (5) Ick smaecke onder t’lijen
            Een verblijen.

2.
                Den lof van d’oude daden
            Is my soo lief en waard,
            Dat sy my doen versmaden

            (10) Den druck die myn beswaart
            Hoe wel dat my de pijnen
            Doen verdwijnen.

3.
                Die’ck ly met goeder harten,
            Cloeckmoedich ick verdraach

            (15) Haar strafheyt en myn smarten
            In dees myn nederlaach,
            Can d’eer van myn begheeren
            Niet verkeeren.

4.
                Laet vry een ander singhen
            (20) Van Wapens en ghewelt
            Van Crijghs-tochten bespringhen
            In het bestoven velt:
            Ick sie van and’re machten
            My vercrachten.

5.
                (25) Want hare flucxse handen
            Soo forts zyn inde strijdt:
            Als sy my croes vermanden
            En vlack ter neder smijdt.
            Haar aanval op myn sinnen

            (30) My verwinnen.
6.
                d’Onsiennelijcke wonden
            Veel schaadelijcker zyn:
            De quetsuer onverbonden
            Int Lichaam smelt met pijn

            (35) De Sotten Artz door’t doolen
            Helpt aan Koolen.

7.
                Koolen die glommend’ gloeyen
            In mijn hart en verstant
            Ick voel myn siele broeyen

            (40) Door sweeler swoele brandt,
            En schaamt maackt my een swijger
            Vanden Crijger.

8.
                Ach Crijch Heer die myn leven
            Soo sacht en ruych aantast

            (45) En soo veel lusts cundt geven
            Als myn verdruckte last,
            Hier doet myn swacke leden
            Sacken heden.

9.
                Aenhoort de droeve clachten
            (50) Myns commer-leyd, ghy sult
            Meelyelijcken achten
            Op’t afgesloofd ghedult,
            Veel liever wil ick sterven
            Als u derven.

[b, p. 60]
10.
                (55) Verwerpt niet myne gave
            O Crijch-Heer als te slecht:
            Ick noeme my u slave
            En overtrouwe knecht
            Mijn gheest buycht ond’r u stamme

            (60) Torts en vlamme.
11.
                Rooft, Brandt, en Moort mijn Ziele
            Soo wrev’lich als ghy wilt,
            Ick salse naa’t verniele
            Noch toeheylighen milt

            (65) U soet en straf begheere
            Tot een eere.

12.
                Als ick u slechs mach prijsen
            Met dees myn offerhandt
            Die my alleen mach spijsen

            (70) Met lust en leven, want
            Wat sou ick sonder minnen
            Doch beghinnen.

13.
                Con sonder minne dwalen,
            Mijn vreuchdeloose hart,

            (75) Den Hemel met zyn stralen
            Souw duyster zyn en swart:
            Hoe wel sy inder waerheyt
            Is vol claerheyt.

14.
                d’Aarde becleet met bloemen
            (80) Van veelderleye kleur
            Wiens schoonheyt veel beroemen
            Maar laas haar soete geur
            Doet my niet anders proeven
            Als bedroeven.

15.
                (85) Doch myn begheerten rusten
            In den Apolle braaf,
            De Sleutel van myn lusten
            Ick sie syn aanschijn gaaf:
            Ick hoor zijn stem uyt breecken

            (90) Tot my spreecken.
16.
                Ach doorschijnende claarheyt
            Die myn gheluck verclaart
            Ach stercke wanckelbaarheyt
            Die my de Siel beswaart

            (95) Wilt dese myn ellenden
            Haastich enden.

17.
                Wat baat dat my het leven
            Wt u instort en spruyt
            Als ghy myn Hert wilt gheven

            (100) De wreede doot tot buyt,
            Wilt my u min ontdecken
            En vertrecken.

18.
                Wat berghdy, o myn schoone:
            ’t Gheen men niet veynsen moet,

            (105) Wilt de claarheyt vertoone
            Van u weer-liefde soet,
            Soo sullen lief wy beyden
            Nimmer scheyden.

19.
                De Helften te vergaaren
            (110) Wt reynder jonste naackt
            En ’t Siel vereenicht paaren
            Volmaeckte vrientschap maackt:
            Soo wijse t’samen smeede
            Met de vreede.

’t Kan verkeeren.


[
b, p. 61]

Aen mijn Heere I. RUTGERS,

Raedt van den Coninck van Sweden,
wenscht
G.A. BREDEROO
gheluck op de reyse.

Voyse: Phebe quy le mesme Iour.

            GHy stroom Goddinnen gladt
            Die met u snellen vloet

            * De Bataviersche Stadt                        * Dordrecht.
            Maeckt Rijck, en mild’lijck voet,
            (5) Wiens Vader de Rijn,, met eed’len Wyn,, Wiens etc.
            Met syn Garst, met syn Graan
            Met syn Steen, met syn Staal
            Met syn Hout, en Metaal
            Gants de Wal, gants de Waal

            (10) Bestapelt, en doet staen,
            Ist u om roem, stelt
Rutgers boven aen.
                O Eer van t’Vaderlandt
            Cieraet van’t groot gheslacht
            Door wiens begaaft verstant

            (15) Batavy is vol Pracht,
            Want Heerlijcker Man,, noyt Moeder wan,, Want etc.
            Voor wiens raat, voor wiens Gheest
            Selfs de Turck, sels de Tart
            Selfs de Pers, selfs de Parth

            (20) Selfs de Pool, en Sarmart,
            De minst en oock de meest
            Vol angst, vol schrick, des
Rutgers syn bevreest.
                Maer ghy betraent, bedoudt
            Nu bos Goddinnen syt,

            (25) Zilvanus in het Woudt,
            Wert nu syn vreuchde quyt:
            Al ’tspringende goet, heeft nu geen moet, al ’tspringende, etc.
            Pan die sucht, Pan die schreyt,
            Pan die roept, Pan die raast,

            (30) Pan die bloet, Pan die blaast,
            Pan verdwynt, Pan verdwaast,
            De Satyrs is het leyt
            Dat
Rutgers uyt, haer soet gheselschap scheyt.
                Ghy Gooden vander Zee

            (35) Ghy Heylicheytjens goet
            En ghy Sirenen mee
            Comt singhet hem te moet,
            Komt Hemels gheclanck,, comt soeten sanck,, Comt etc.
            Verdryven syn verdriet

            (40) Speelt op Lier, speelt op luyt
            Speelt op Schulp, speelt op fluyt
            Speelt om ’tSchip, speelt om schuyt,
            Een hooch, en God’lijck Liedt
            Op dat
Rutgers gheen ongheneucht gheschiet.
                (45) Ick sie hy is ghelandt
            Ick sie hem moedich gaen,
            Op ’tRijcke Sweetse strandt
            Den Koningh spreecken aen,
            Den machtighen Heldt,, den Vorst van’t Velt,, Den etc.

            (50) Hooch van hart, hooch van handt
            Schoon van lijf, schoon van leen
            Eel van Ziel, eel van zeen
            Wijs van raet, wijs van reen
            Nu synd’ in ons verbant

            (55) Om Mosch en Pool te brenghen heel tot schandt.
t’Kan verkeeren.


[
b, p. 62]

Liedeken,

Stem:

Nu spreyt u kapjen nedere, 
Het is so moyen wedere, &c.

            MOcht ick verwerven’t geen ick wou,
            Of soo’t na wensch geviel,
            Ick kreegh een schoone wyse Vrouw:
            Maer hoewel dat ick niet en trouw,

            (5) ’t Schort my niet aen de wil.
                2.   De anxt die in’t verkiesen leyt
            Beswaert myn hart soo seer,
            Dat myn arme gheneghentheydt
            Seer selden siet gheleghentheydt,

            (10) Soo ick die wel begheer.
                3.   Sie ick een aanschijn lief en soet,
            Slecht, nedrich, ongheacht,
            Doch vroom, en eerbaar van ghemoedt,
            Maar sonder eenich haaf of goedt,

            (15) De liefd’ en heeft gheen kracht.
                4.   Soo ick dan nae een rijcker sie
            Van schat, van pracht, en staet:
            ’t Is noodich dat ick dan van die
            Soo seer als van de arme vlie,

            (20) Wil ick niet zijn versmaet.
                5.   Verkies ick dan een schoone Maeghd,
            Bevallich, hups en snel,
            Die my in alles wel behaacht:
            Soo ist oock al om niet gevraecht,

            (25) Gheval ick haer niet wel.
                6.   Soo ick (als veel) om 't loose ghelt
            Een leelijck wijf ansla,
            Soo sie ick staegh’t gheen dat my quelt:
            De liefde door af-keer versmelt,

            (30) Gheen treck heb ick daer na.
                7.   Vaart wel die ouwe weeuwen vrijt,
            Ick bender voor vervaert:
            En die syn soetste jonghe tijdt
            Met sulcken ouwe queen verslijt,

            (35) Die is gheen eere waert.
                8.   Vry ick een jeuchdich wacker dier,
            Die ben ick schier te ouwt,
            Want die waant in haer sinnen schier,
            Dat in my al het minnen-vier

            (40) Is uyt gedooft en kouwt.
                9.   De quaade die begeer ick niet,
            Het by-zijn is onzoet,
            Van die met een wellust aensiet
            Haer goede vrome mans verdriet,

            (45) Voor die ben ick te goet:
                10.   Maer hoort deuchd-rijcke Vrou, beleeft,
            Voorsichtich, goet en wijs,
            Mijn hart u alles overgheeft,
            Door dien het u ghenomen heeft

            (50) Voor syn aertsch Paradijs.
                11.   Die myn hier voor neus-wijs beschempt,
            Of lastert trots met lust,
            Die doet noch goed, al luyd het vreemd,
            Want t’wijl dat hy myn eer beneemt,

            (55) Soo heeft een ander rust.
’t Kan verkeeren.


[
b, p. 63]

Liedeken,

Stemme: Esprits qui souspireez.

1.
DE moeyelijcke strijt, en d’Amoureuse tranen,
Die’k biggelende stort, al rokende vol damp,
Kunnens’ u teder hart, bewegen noch vermanen
Tot de Siel-meestery, van myn benaude ramp.

2.
    (5) D’ijd’le hartstochten wuft, en vruchteloose pijnen
En d’onrust inde slaap, en ’tsuchten van myn geest
Doen my als ’twas voor ’tvier, versmelten en verdwijnen
Ick swijm de gene niet, die’k voormaals ben geweest.

3.
Dies laster ick de min, om uwe wreede handel:
    (10) Ick wissel van verkies, met eenen dolle sin.
De wispeltuere keur, ick weder cnaps verwandel
En schenck myn dienstbaar hart, myn pruytsche schoon
Goddin.
4.
    Ick vollech u Goddin, met ioock ende verlangen
Meestresse die myn Siel, kerckert in u gewout,

(15) Ick hoope door myn dienst, u hartgje noch te vangen,
In gijssel voor het myn, dat ghy ghecluystert hout.

5.
    Maar laas de schildery, verschrickt al myn gedachten
Vervloecte maalcunst die, myn lust vervormt in smart,
O spiegel-rijcke Leer: o wonderlijcke crachten?

(20) Door een ghesicht verkeert, Acteon in een Hardt.
6.
    ’T lust myn Diana oock, myn wesen te verruylen*
Want myn stuersche
Goddin, de blijdschap van my bant:
S’herschept mijn vreucht in rou, myn lachen laas in huylen
Myn edel hooch vernuft, in beestich onverstant.

7.
    (25) Wanneer mijn oogjens maar, eens steelwijs nechtich guwen
Na d’afgod van myn hert, daar ick dus laach voor kniel
Als myn dwarsche Jofvrou, my helpeloos gaet schuwen
Dan stijcht de vlamme in, myn leucker-laauwe Siel.

8.
    Sout ghy o wreede wel, in mynen doodt verheugen?
(30) Ach ghy martelt met lust, dit troosteloose hert:
Helaes myn trouwe dienst, is nietich van vermeugen
Want u ijscoude Siel, niet eens ontfonckt en wert.

Princes.
’K wil dat u eygen mont het vonnis van myn sterven
Ter vierschaar van u hert vrypostich stout uyt spreeck

(35) Of laat my door u hant, het hellep-cruyt verwerven
Van u gewenschte gunst, daar ick u steets om smeeck.

’t Kan Verkeeren.


Liedeken, Stemme:

Amaril de decken sacht, vande nacht.

        DIe sich veynst, waent of vermeet
                    Dat hy weet
        ’t Geen hy niet en weet te weten,
        Werd met recht van elck bespot,

                    (5) Ja een sot,
        Of goed dunckende gheheeten.


[b, p. 64]
        2    Die alleen syn ooghen slaet
                    Op’t ghewaet,
        Sonder eens na deughd te kijcken,

        (10) Machmen die door dit ghebreck,
                    By een Geck
        Om syn geckheyt niet gelijcken?


        3    Die boven veel dinghen acht,
                    Het gheslacht,

        (15) Sonder de persoon t’aanschouwen,
        Machmen die oock niet wel voor
                    Dwaas of door
        Om syn grove sotheyt houwen?


        4    Die by een leelijck verselt,
                    (20) Om het ghelt,
        Met een weer-sin gaet vernachten,
        Machmen die met alle recht

                    Niet voor slecht
        Of voor eenen Gout-nar achten?


        5    (25) Die al waent, en hout voor goet
                    ’t Geen hy doet,
        En eens anders acht voor leuren,
        Datmen die in sulck geval
                    Noemde mal,

        (30) Soumen daer oock an verbeuren?

        6    Die staech op een ander siet,
                    Scheldt en schiet
        Met veel spitse woorden vinnich,
        En die sich selfs niet en kan

                    (35) Recht sien an,
        Noemtmen die ooc niet uytsinnich?


        7    Diemen klaar voor oogen leydt
                    Syn dwaesheydt
        Sonder omslach of bewimpel,

        (40) Die syn trouwe vrunden raet
                    Grootsch versmaet,
        Die acht ick oock nesck en simpel.


        8    Ghy waert so quaet doen ic sey,
                    Dat de key

        (45) U achter’t oor leyd en lottert:
        ’t Is myn schuld, ’t is waer, ic kent,
                    Want ghy bent
        Maer een onbeschaemde spettert.


        9    Spiegeld in dees spiegel wel,
                    (50) Niet u vel,
        Om dat cierlijck op te toyen,
        Vind ghy eenigh vuyl of swart
                    In u hart,
        Sceckt dat wijslijck uyt te royen.


        10    (55) Als ick (Lief) in mijn selfs gae,*
                    En sie nae
        Al myn eygen liefdsche trecken,
        Soo dunckt my dat ick in myn
                    Alles vyn,

        (60) Dat ’k in and’re wil begecken.

’t Kan verkeeren.


[
b, p. 65]

Een Liedt,

Op de Wijse:

Het was een Rijck Burgers kint.

1.
            ACh strenghe Liefd ghy schijnt seer soet
            En lieff’lijck int beginne
            Maer die u vind in teghespoet,
            Die moet met smarte Minne

            (5) Soo ghy aen my mach’t leeren
            Die door te seer begheeren
            Van Liefde sterf
            Om dat ick derf
            Mijn Lief soo menich werf.

2.
                (10) Als ick des daachs verby haar gaa
            En meen in Huys te snappen
            Een yghelijck die siet my naa
            Dies vrees ick dan voor ’tklappen,
            Mijn opset moet verand’ren

            (15) En ick gaa dan vast wand’ren
            Ja gins en weer
            Op ende neer
            Tot dat ick ’thuys waarts keer.

3.
                Wil ick des avens by haar gaan
            (20) Om met haar wat te spreecken
            Soo sie ick imant by haar staan
            Of wert van die bekeeken,
            tDoet mijn wel heele nachten
            In een stoep sitten wachten,

            (25) Ghekreuckt, ghekromt
            Wel dicht vermomt,
            Tot dat dander uyt komt.

4.
                Als ick in mijn eenigheyt streef
            In mijn bedroefde klachten

            (30) Och t’is gheen leeven dat ick leef
            Maar swaare doot te achten,
            Want mijn Liefgiens afweesen
            Doot mijn door duysent vreesen,
            Dus t’herte raast

            (35) En denckt verbaest
            Een ander is de naest.

5.
                Wel opentlijck ick hier beken
            Dat ick haar niet kan laaten
            En als ick schoon al by haar ben

            (40) ’K en kan niet metter praaten,
            Noyt kunst sy van myn hoorden
            Maar veel ghebrooken woorden,
            Daer Liefde siet
            t’Vernuft ghebiet

            (45) Is de reden te niet.
6.
                Och Lief hoe dick heb ick versocht
            Mijn Minne te bedecken
            Dus nam ick voor te doen een tocht
            Om buyten t’Slans te trecken,

            (50) Doen ick de Zee aenschoude
            Terstont het mijn beroude,
            Ick kreech berou
            Dat ick soo sou
            Verlaaten mijn Jonckvrou.

[b, p. 66]
7.
                (55) Als ick haer bruyne Oghen sie
            Soo moet ick mijn vergaapen
            In haar soo schoone schoonscheyt die
            Soo Heerlijck is gheschaapen,
            Dat my niet kan verveelen

            (60) Het ghesicht of het streelen
            Van haar aenschijn
            Och wou sy mijn
            Soo trou als ick haar syn.

8.
                En of’t mijn schoon na wensche ghingh
            (65) Na langhe trouwe proeve
            Dat sy my tot haar Lief ontfingh,
            Een dingh sou ons bedroeven,
            Want siet ons ghesintheyden
            Syn int gheloof verscheyden,

            (70) Dit maeckt altijdt
            Een harden strijdt
            Op ’t laast of haat en nijt.

9.
                Al wat de Heere heeft versien
            Kan gheen mensche beletten

            (75) En ist Goods wil het sal gheschien,
            Na schickingh syner wetten
            Wat wil ick mijn dan quellen
            ’K sal mijn betrouwen stellen,
            Op God diet al

            (80) Best schicken sal
            In allerley gheval.




Een Liedt,

Op de Wyse:

Ghy Lodderlijcke Nimphe soet.

            AY Gulde Maan hout op u jacht
            Laat ick mijn Lief in deese nacht,
            Mijn afscheyt gaen berayen
            Op dat ick bly mach schayen.

                2.   (5) Goddin dewyl ick schayde moet
            Ghedoocht dat ick mijn lusten boet,
            En jont mijn dat de reeden
            Gheniet de leste beeden.

                3.   Ick bid indien het weesen mach
            (10) Dat ghy vertoont den klaren dach,
            Van u vercierde Ooghen
            Die nu de Son vertooghen.

                4.   Gheluckich sal ick schayden dan
            En achten ooc gheen sterflijck Man,

            (15) Onder veel duysent lieden
            Soo waard’ oyt kan gheschieden.

                5.   Maar neen u hert blyft hart als steen
            Als wint en damp syn mijn ghebeen,
            Voor u verstaelde Ooren

            (20) Die niet syn om becooren.
                6.   Jofvrou ic ga ick schay van hier
            En Laat tot pant u een Revier,
            Van uytghestorte traanen
            Waar in mijn Ziel moet baanen.

                7.   (25) Nu slaapt indient u slaepen lust
            Blyft langh ghesont in soete rust,
            Adieu adieu Goddinne
            Mijn Vrou en Coninghinne.

’tKan verkeeren



[
b, p. 67]

Een Liedt, Op de Wijse:

Nu leef ick in’t verdriet.

GOddin o Venus schoon verwect in mijns Liefs hert
Een soet gherechte loon voor mijne droeve smart,
Ick kan doch langher niet leeven in dit ellent
Ick brant, ick brant int vier der minne sonder ent.


                                2.
    (5) Eer ick u schoonheyt kon, of oyt met Ooch aensach
So docht mijn nieuwers Son, ter werelt scheen geen dach,
De Lucht was sonder Gout of sonder braef cieraat
Daar sy, daar sy, nu op het hoochst verheeven staat.


                                3.
    De Nevel en de Mis, de dagheraat verjoech
(10) Dampen en duysternis, de schoone middach sloech,
Het aarderijck dat lach ghewentelt in een klomp
Ten had gheen ooch, het scheen een maxselloose romp.


                                4.
    Het Hemels vier docht mijn, was doof en gans ontgloort
Het scheen wel doot te syn, of gans en al versmoort,

(15) De vlammen sterck vol schyn, vol leevens en vol brands
En sagh ick niet, of nau, wat flick’ring van haer glands.


                                5.
    En ’twaater wel eer bly, en quix en snel ter loop
Dat stont bedroeft ter sy ghestaapelt over hoop,
Met Wolleken en wint verselschapt en doorsprenght

(20) Want Aart, want Lucht, en vier, was t’eenemaal vermenght.

                                6.
    Maar even alsoo vaack, als ghy o Son verscheen
De groote Heemel brack, ’tlicht quam met u beneen,
De aarde neech en stroyde Lovers en groen kruyt
En waar ghy gingt of stond quam een versch Bloempjen uyt.


                                7.
    (25) De wyde lucht ghekleet, met Starren Son en Maan
Die stelden haar ter zeet, om op u dienst te staan,
Doch eer sy sitten gingh soo schonck sy u dat licht
Dat licht, dat licht, dat my betoovert int ghesicht.


                                8.
    Het heyligh vier bevreest, doch suyverlijck en reyn
(30) Vereerden met syn Geest, u Lichaem en u breyn
Dus quam de wackerheyt in u verheeven Ziel
Daar eerst mijn Oogh, en mijn ghenegentheyt op viel.


                                9.
    De wilde blancke Zee, aenziende dit ghebruyck
Die quam oock seer ghedwee, aenbieden u de Pruyck,

(35) Die op u eedel-Hooft soo hel en glinstrich straalt
Dat noch Goddin, noch Nimph, int minste by u haalt.


                                10.
    O Lief! o nieuwe Son! ick Offerden u op
Mijn Zieltje soo ick kon met deese Goude Kop,
Drie
Roemers dronck ick uyt, hoe kranck oock dat ick schijn,
(40) Als ick dan mocht u slaaf, en u lijfeyghen zyn.
’tKan verkeeren.



[
b, p. 68]

SONNET.

HOe wondert u mijn smart, en moeyelijcke vlaghen,
    die’t innerlijcke deel op’t alderswaartste praamt,
    Met onvernoegen groot? ja grooter als ghy raamt,
Of als my moog’lijck is om immer uyt te claghen.


(5) Wat mach myn jongh gemoet, met meerder strafheyt plagen,
    Als dat een ander hier dus wel ghesien versaamt?
    Of datmen my, O druck! om mijn geringheyt schaamt?
Of dat ghy laes verheelt u minne voor u maaghen.

    Dit raast en rammelt my ghestadich door het hooft,

    (10) So dat ick al gheheel van zinnen schijn berooft,
En vat een Mooker swaar van droefheyt en van trueren.

    Ist dat ghy waarde Lief, na wensch hier in versiet,
    Soo wart mijn Hart ontlast van quellingh en verdriet,
Soo niet het sal myn Ziel! tot inde gront verstueren.

’t Kan verkeeren.


[
b, p. 69]

Bruylofts-Dicht,

Ter eeren

DIERYCK GERAERTS

DOOTS-HOOFT,

Ende

HARMINIA PIETERS Dr.

VINCKX.

DOen laestmael alle sorgh en angst my was ontoghen,
    Verleyt door het ghedacht, dat gins, en weder sweeft,
Is myn vermoeyt ghemoet, door mymeringh, ghevloghen
    Ter plaetsen daer’t wat vreemts, en nieus vernomen heeft:
(5) De goude SON vertrock, om van’t ghe-ren te rusten,
    De schaduw werde groot, want, siet, den avont viel,
Het Purper-root verschoot, den droom-God yling susten
    Al juyterend in slaep. Des Wint-heers woeste siel,
Die sweem, hy valt, hy vat, en knelt syn sack met winden,
    (10) Tot datse tocht, noch storm, maer swoele suchtjens snoof:
Voort quam de swarte nacht de open locht verblinden,
    Vermits sy’t bruyne kleet voor al de Wolcken schoof.
[b, p. 70]
Doen gaven sich in rust ’t ghevoghelt, en de dieren,
    De redelycke mensch, en’t onvernufte vee,
(15) De hard-geschubde vis, de raesende revieren,
    Iae selfs den grooten AL was in syn legher-stee.
Maer de verliefde Maen, verselschapt met haer sterren,
    Die nam dees schoonen tydt, so wel gheleghen, waer,
Sy scheen haer bloode lief, Endimeon, te serren,
    (20) Om dat hy soude eens verneuckelen met haer.
Maer wat? Den droomaert liep en is verbaest verscholen,
    Om dat sy dede dat de minnaer best betaemt,
Waer over de godin heel hoofdeloos ginck dolen,
    En çierde’t blonde licht met root-verwige schaemt.
(25) Strackx quam daer een gekrack van blixem ende donder,
    Van balderend gebarst die scheurde’t groot gewelf:
Ick hoordent, ende sacht, ô goden, ist niet wonder!
    Dat ick schier hallif doot, noch raeckte tot myn self?
Den Hemel glom als vyer, de schitterige stralen
    (30) Bemisten’t doncker velt, versilvert door den douw:
Met sagh ick Venus Koets al sachtjens neder dalen,
    Waer op sy selver sat, wel statigh inden rouw,
De Min, haer Soon, die socht zyn Moeder te verquicken
    Met troetel-treckjes, en met scharsery en boert,
(35) Met duysent Fabeltjens, met kussen, sabbren, licken,
    Dan het was al om niet, sy was te seer ontroert.
Terwijl den Iongen haer naer wenschen niet kon paeyen;
    Soo heeft hy lange-wyl al stommeling ghepruylt,
[b, p. 71]
En als hy sagh zyn Mem soo bitterlijcken schraeyen,
    (40) Heeft hy luyd, op zyn kints, geballickt, en gehuylt,
Vrou Venus om zyn druck een weynigh te versachten,
    Geveynsende haer leet, verbloemdent wat voor hem.
Doen’t nocken was gestilt, heeft sy dees haere klachten
    Al weenend’ voortghebracht, met een ghebroken stem;
(45) Myn Soon, myn lieve Soon! myn eenigh welbehaghen,
    Waer is u scherp gesicht? waer is u groot ghemoet?
Hoe mooghdy doch dien trots, en kleynicheyd verdragen;
    Diemen u Majesteyt, en my u Moeder doet?
Siedy niet, slechte Kindt, hoe dat wy zyn verschooven?
    (50) Hoe Pallas ons vervolght met den beslanghden schilt?
Eylaes ick vrees, ick vrees, men schopt ons haest van boven
    Op’t aertrijc, daer geen mensch ons mind, noch hebben wilt.
Ten is haer niet genoegh de goden af te locken
    Van onsen dienst en eer, maer maecken ons verdacht
(55) By’t weeligh werelts volck, die sy soeckt aen te focken
    Tot grondigh onderganck van’t menschelijck geslacht.
Sy prijst de eensaemheyd, en haet het vrindlijck paren.
    Sy is waer datse kan u Hoocheyd inde weegh.
So ghy dit niet belet, sal min als hondert Iaren,
    (60) Het Lieden-rijcke ront zyn menscheloos en leegh.
Hier toe heeft sy den Boef Mercurium verkregen,
    Die door zyn pratery een yeder schier verwint,
Dees staen my alle bey vyandelijcke tegen,
    En schrollen al te bits op u myn kleyne kindt.
[b, p. 72]
(65) Siet daer mijn Soon, siet daer, het puyck der jongelingen,
    Is door ’ken weet niet wat tot eenigheyd verleydt,
Hy die nu in zyn fleur ons Lof-Lied hoort te singen,
    Die lacht, ja schimpt met ons, ô wat een bitterheydt!
Waer is u taeyen Boogh? waer zyn u wisse Pylen?
    (70) En hebt ghy klem noch konst, wat isser daer’t aen faelt?
’tMoer-Liefje, seyde Mem ick hebse laten vylen,
    Sy zyn nu wel versien, getempert, en verstaelt,
Dat Pallas hem beschut, en keere myne schichten
    Nu metten beucklaer van door-sichtich Kristalyn,
(75) Sy neme nu tot hulp haer schotse Negen Nichten,
    Die by den Heynsten-Bron met singen besig zyn.
Maer ken ick haer te recht, sy sal haer dat wel wachten,
    Haer spiegelende inde mislach vande Son,
Die overdwaels verwaent stont op syn eygen krachten,
    (80) En snorckte smaedelijck op’t schamperst dat hy kon.
Myn kroese bloed is my uyt myn teentjen geronnen
    Tot in myn hooftjen, dat vast yvrigh is om wraeck,
Ick heb in arren-moet den trotsen overwonnen,
    Die selfs verwonnen had den vreesselijcken draeck.
(85) Sint is den bitsen Nijt ter sinnen in gevaeren,
    Vanden gekransten god, en zyn gekroont geslacht
Van groene Rymelaers, die konstelijc verklaren
    My minder inde mont, maer meerder inde macht.
Hy nam zyn Boogh, en Pyl in bey zyn soete vuysjes,
    (90) Hy staet, hy mict, hy trect so hartich als hy mach,
[b, p. 73]
Het peesje snapten los, en ’t pijltje dat vloogh iuysjes
    Recht in de slincker borst, daer hy het hartje sach.
Den Ionghman voelende de ongewone krachten
    In zyn verloeyde borst, veranderde van hoot,
(95) En heeft zyn hart, zyn ziel, zyn snackende gedachten,
    Gedweegh, gelyc een Lam, geworpen in haer schoot.
Den schoot van de Vooghdes, die hem had overwonnen
    Door sonderlinge macht, door krachten van het kindt,
Door trecking, door gelock, door tint’len vande Sonne,
    (100) En duysent stricken meer die m’inde minne vindt.
Onnosel, die noyt was het lose net ontvlogen
    Des vangers, die hem had een Loc-Vinck voorghestelt.
Die hem door koosery in swym’ling heeft getogen,
    Mits sluyt hy’t gaeren toe, hy was in haer gewelt.
(105) Willighe slaverny! seer licht wort hy gevangen
    Die wilt gevangen zyn, die als een graege Mus
Verbeten op het saet, verlust is op de wangen
    Syns Nimphs, om eenmael te genieten ’tsoet ghekus.
Doen sprack Venus, myn Soon, myn glory, myn vermogen,
    (110) Myn kleynen dwingelant, wiens handen loos en fel,
Des Hemels grooten troon soo dickmael hebt verbogen,
    En naer u sin verwrickt de stoelen van de hel.
Ghy die het hofgesin der Kroon-dragende Goden
    Met slaverny, en last van soeticheyt beswaert.
(115) En praelt met uwen sleep van beçepterde Boden,
    Die ghy met eenen winck sent op en neder-waert.
[b, p. 74]
Gedenckt het Godlyck ampt, en uwer heyligheden
    Genadigh oud ghebruyck door goetheyt van u geest.
Erbermt u zyner doch, myn Sone, het is reden
    (120) Dat die ghy hebt gewont, dat ghy die oock gheneest.
Den strengen weest gestreng, maer handelt sacht den sachten,
    Aenschout syn dweegh gemoed gants leenich en bereyt,
Om tot een offerhand zyn sinnen u te slachten,
    Tot teecken van zyn dienst, en u groot achtbaerheyt.
(125) Hoe moogdy grooter saeck, en straffer straffe wenschen,
    Syn herte trild, en smilt, zyn dolheyt is hem leet,
Daer gaet een edel spreuck by d’alderbeste menschen,
    Dat is, weldaet gedenck, en euvel doen vergeet.
Hoe? sullen nu de gôôn van land en water-lieden
    (130) Gaen leeren eene les? dat’s ons te veel verneert,
Wy die op’t alderhoochst’ de schepselen ghebieden
    Tot die goetdadicheyt, doen selven gants verkeert;
Waert dat u Godheyt noyt van hen en had genoten,
    Eerbiedicheyt noch gift van duyf, of swanen bloet,
(135) Ick ston’t u wreetheyt toe, maer dick heeft hy begoten
    U heylichjen, u beelt, met tranen van ’t ghemoet.
Ach of u eens de kracht van d’onroerlycke tranen
    Met haer beweechlyckheen, als my, om ’t herte voer,
Ghy soud, en sult nu naer u moederlyck vermaenen
    (140) Zyn Ee-gaed ionnen hem. Doen sprack de Minne-broer,
Salige Moedertjen, ist saecke dat myn krachten
    Van sulck vermogen, als die van myn broeder zyn,
[b, p. 75]
So sal ick THEODOOR syn weedom doen versachten,
    En quetsen oock zyn lief met een gelycke pyn;
(145) So sal de eene wondt des anders salve wesen,
    Soo sal de eene min de and’re brengen voort.
Doen heeft hy uyt den tros een pyltjen uytgelesen.
    En heeft daer me de borst HARMENIae doorboort.
Het boefjen stond en loegh, ja knipten op syn duympjen,
    (150) Om dat het schutterlyc, en doel-recht had gemict.
De blonde Venus lach terwylen op haer luympjen,
    En heeft haer droevich hart een weynichjen verquict.
Ach soete schuttertjens! hoe crachtich syn u schichtjes!
    Al waer de borst van stael oft diamant geweest,
(155) Ghy breect de hardicheyt met uwe dopjens lichtjes,
    En jaechtse door het vlees tot binnen in den geest.
Ghy hebt de soete VINCK aen’t roer voor u gestellet,
    Tot lockaes van de geen die ghy gevangen hebt,
Nu hy is in u macht het Vincjen ghy beknellet,
    (160) En spantse in’t gareel, daer ghy u vreuchde schept.
Hoe wonder is u cracht! ghy doet het Doots-hooft bloeyen,
    Ghy maect hem dweeg als was, die voor was als verstaelt.
Ghy doet door uwe cracht uyt Doots-hooft aaren groeyen,
    Waer van het Vinckjen nu seer graegh haer voedsel haelt.
(165) Sy vloogh alleen in’t bos van velen wel gevryet,
    Doch door verborgentheyt voor dese man bespaert.
Sy sprong van tac op tac, den keur haer dic bestryet,
    Doch ghy hebt in haer hert tot Doots-hooft lust gebaert.
[b, p. 76]
Mits namse ernstich voor haer nestjen te gaen bouwen
    (170) Op’t Doots-hooft, tot den tyt, oft dood haer dat ontwringt.
Hier op staet haeren sin, hier op is haer betrouwen.
    Hier is haer hart, haer lust, hier sitse staeg en singt,
Dit doet de soete kracht van u door-togen Ionge,
    Die stadich vlecht, en bindt de waerde Zielen t’saem.
(175) Die stadigh vleyt, en koost met geconfyte tonge,
    En dwinght dien die u haet, te prysen uwen naem.
Dat weet ghy Bruydegom, op wien noyt Flitz en hefte,
    En spotte van te voor met u, en u gewaet,
Tot dat de deughd des Bruyts hem inden boesem trefte
    (180) Het middel-punt zyns harts, daer sy noch vast in staet.
Geen grillery, noch kracht heeft u ziel overwonnen,
    Maer’t komt van hoogher hant u sacken in het bloet.
De Godheyt doet u zien twee oogen als twee Sonnen,
    Een onbesproken Maecht van Goddelijck ghemoet.
(185) Van treffelijc geslacht, van welgebooren maghen.
    Gebonden aende eer in allen deuchden rijck,
Wiens heusche, lieve Ziel de uwe sal behagen.
    Want’t kan niet anders, als, gelijc bemint gelijc.
De Maar borst schielijck uyt, nam haer trompet in handen,
    (190) En blies met vollen mont HARMINIAES deugden uyt,
Dit nam den Bruydegom geboeyt in starcke banden,
    Ick heb u selfs bereyt dese vermaerde Bruyt,
Ick Venus ben waer voor de reyne minnaers knielen,
    Myn heylicheyt en is met geylheyt niet besmet,
[b, p. 77]
(195) Ick splits en rijgh aen een de alderschoonste Zielen,
    En smiltse ’t samen in een onbesoetelt bed,
Gerechticheyd en trouw, myn lieve Gesellinnen,
    Die zijn gekommen vanden hoogen Hemel af,
Op dat ghy trou en recht malkand’ren sout beminnen,
    (200) Met waere kuysse Liefd, die u myn godheyt gaf.
Wel aen de Liefdekens, en de bevallikheden,
    Die gaen ter Sale-waert tot aen de Ledekant,
Die sy met maachde-palm en soete roosjens spreden,
    Mijn Soontjens warmen’t bet gaet aen eer dattet brant.
(205) Ghevrinden rijst, en gaet, om immers niet te letten
    De lievers in de lust van haer so lang verwacht.
Ic kom u selver by, en sal my neder setten,
    En blyven hier in huys de lieve lange nacht.
Leeft langh ver-eenicht paer in verghenoechden vrede,
    (210) Wy wenschen u gheluc, en heyl, in desen staet,
En dat ghy naemaels moocht des Hemels-sael betreden,
    Daer vreuchd op vreuchde is, die nimmermeer vergaet.
’tKan verkeeren.
Doot synde, leeff ick.




[
b, p. 78]

Adieu-Liedt,

Stemme:

O schoonste Personagie, &c.

    VAert wel mijn Lief, mijn leven:
    Hoe kranck is, laes! ’tvermoghen by de Menschen,
    In Godt bestaet het geven
    Van ’tluck en heyl, dat wy den and’ren wenschen.

    (5) ’kWensch dat de Heer
    U wint en weer,
    En voorspoet gheef in’t varen,
            ’k Hoop Gods ghenade,
            Sal u voor alle schade

            (10) Wel bewaren.
2.
        O ghy weeldighe vloeden,
    Brootdroncken, licht, en neetlich vol beroeren,
    Wilt met dit buyich woeden,
    Des noorden wints, geen strijt, noch oorlog voeren:

    (15) O Zuyer Zee,
    Van liever lee
    Laat doch u rugh doorsnyen,
            Wat sy door seylen,
            Sal weer sonder verdeylen

            (20) ’tSamen vlyen.
[b, p. 79]
3.
        Voor d’Amsteldamsche palen
    Lach ’tbruyne Schip, met swarte taeckel Touwen,
    Dat mijn Goddin quam halen,
    In plaets van koets, voor ’tpuyck van alle Vrouwen,

    (25) Was ’tvunstich ruym,
    Het witte schuym,
    De voor-boech nat bevochten:
            Maer als ghy scheyden,
            Mijn ooghen u gheleyden,

            (30) Soose mochten.
4.
        De Son met goude Stralen,
    Brack met ghewelt door blauwe Wolcken henen,
    De Winden my ontstaelen
    Het Schip, en lijf, die allenghs vast verdwenen,

    (35) ’tHert wiert als loot,
    Roer-loos als doot,
    Door in-beeldinghs bewelven,
            Naer langh af-sond’ren,
            Soo quam ick met verwond’ren

            (40) Tot myn selven.
5.
        U seer verlichte zinnen,
    De myne Lief, in alles overstreven,
    Behalven in het minnen,
    Daer moet ghy my de volle prijs af gheven,

    (45) Ick wint in gunst,
    Ghy lief in kunst,
    In wijsheyt en in reden,
            In aengheboren,
            En eyghen selfs vercoren,

            (50) Brave zeden.
6.
        Ghy die uyt soute baeren
    ’tVlam-vierich hooft onuytghedooft liet blijcken,
    Schift doch de gryse schaeren,
    Voor ’tdriftigh Schip, laat golven angstich wijcken,

    (55) Blancke Goddin
    Voert mijn lief in
    De wel ghewenschste steden,
            En brenght mijn Vrouwe
            Gheluckich, en behouwe

            (60) ’tHuys met vreden.
7.
        Al wat een Mensch can dencken
    Om aen syn Vrient, of waarde lief te gonnen,
    Dat soud ick, troost, u schencken
    Waer’t Godes wil het selfde my te jonnen.

    (65) Ach! denckt om my,
    Als ick aen dy
    Met yverich verlanghen:
            Al mijn ghedachten,
            Die snacken en verwachten

            (70) U ’tontfanghen.



[
b, p. 80]

SONNET.

VRoegh in den dageraet, de schoone gaet ontbinden,
    Den Gouden blonden tros, Citroenich van coleur
    Gezeten inde Lucht, recht buyten d’achter deur,
Daer groene Wijngaert loof oyt louwen muer beminde.


(5) Dan beven Amoureus de lieffelijckste Winden,
    In ’tgheele zijdich hayr, en groeten met een geur
    Haer Goddelijck aenschijn, op dat sy dese keur
Behielt, van dagelijcx haer daer te laten vinden.

    Gheluckich is de Kam, verguldt van Elpen been,

    (10) Die dese vlechten streelt, dit waerdich synd’ alleen:
Gheluckigher het snoer, dat in haer dicke tuyten

    Mijn Ziele mee verbint, en om ’thooft gaet besluyten,
    Hoe wel ick ’tliever zie wilt golvich na syn jonst,
Het schoone van natuur passeert doch alle const.

’tKan verkeeren.


SONNET.

DAt ic u nacht en dach mijn groot geween laet hooren
    Dat ghy des morgens vint mijn tranen voor u deur
    En dichten die daer syn vervult met myn ghetreur,
Mijn Lief daer gaet ghy u te dapper om verstooren.


(5) Maer laes! wat sal ic doen, wie sal mijn brant dan smooren
    Als ick aen u mijn Lief geen Hoop van hulp bespeur,
    Ghy neemt het al te hooch dat ick by nacht versteur
In uwen eersten slaep, met mijn gheschrey u ooren.

    Dan soo hier in u gheest soo dapper is ghequelt

    (10) Ick bidd’ u om ghenaed’, laet zincken het ghewelt
Van uwen toorn verwoet, wilt my dan Lief vergheven,

    Dat ick u schoon gesicht heb al te seer bemint,
    Want zoo ghy al mijn doen te rechten wel verzint
Dit is alleen mijn schult meest teghen u bedreven.

’t Kan verkeeren.


[
b, p. 81]

Nieu-Liedeken,

Op de Voyse:

Aenhoort doch mijn gheklach, ghy Ruyters, &c.

            OOghen vol Majesteyt
            Vol grootsche Heerlijckheden:
            Hoe komt dat ghy nu scheyt
            Van u Eerwaerdigheydt

            (5) En soete aerdigheyt:
            Laas! wat lichtvaerdigheyt
            Aanneemdy sonder reden?

            2    Van waar komt dit versmaan?
            Voorwaar ick kant niet sinnen,

            (10) Noch geenerwijs verstaan
            De oorsaak van dit gaan:
            (U quelt misschien, een waan)
            Soo ic u heb misdaan
            ’T is met te veel te minnen.

            3    (15) Die Waan quelt u misschien
            Dat ic u soeck te vryen
            ’K heb noyt soo hoogh gesien
            Of ic wist wel op wien:
            Want die machtighe Lien

            (20) Die soecken te ghebien
            En dat can ic niet lijen.

            4    Ick ben te groot van moedt
            Om yemandt yet te achten
            Om Rijcdom, of om goedt

            (25) Sot is hy die’t ooc doet:
            Ic prijs u Edel bloedt;
            Dat God’lijc is ghevoedt
            Met Hemelsche ghedachten.

            5    Daar ghy, myn vaack met speest
            (30) Als ic hier quam verkeeren
            Ootmoedich, en bevreest
            Voornaamlijck aldermeest
            Om u geswinde gheest!
            ’K heb noyt soo stout geweest

            (35) Dat ic u dorst begheeren.
            6    Maar lieve oogjens bly
            En heught u niet het wencken?
            En t’gluuren van ter sy?
            En t’loncken teghens my?

            (40) Soo vriendelijc als vry?
            Nochtans op vryery
            Heb ick noyt willen dencken.

            7    Hoe sou eender van staet,
            Als ick, dat dencken kunnen?

            (45) Hy mocht: door feyl van raat,
            Oft om syn eygen baat:
            O Vrouwelijck Cieraat!
            Ick sou u soo veel quaat
            Om myn niet mogen gunnen.

            8    (50) Ghy ziet mijn Liefde in,
            Met inderlijck meedooghen,
            Ick kent, dat ick (Vriendin)
            U als myn Ziel bemin,
            Maer eer ick meer begin,

            (55) Ghy sluyt my uyt u sin,
            En bandt my van u ooghen.

            9    Ooghen! ist dat ick dan,
            Myn lantwinning moet derven?
            So bid ick ziet eens an,

            (60) My! d’alderdroefste Man
            Die oyt Moeder ghewan:
            Overmits dat ick van
            De braefste ziel moet swerven.

’t Kan verkeeren.


[
b, p. 82]

Liedeken,

Stem:

Als ick uyt wandelen gae, &c.

1.
GOddinne die de naam van ’tschip-rijck Eylant voert
Die met geen Tooverkracht Hemel en aart beroert
Maar die met u ghesicht en Goddelijcke kunst
De grootste man beweegt doet snacken na u gunst.

2.
    (5) De grootheyt van u macht ick noyt soo hooch en hiel
Als ick de hoocheyt doe van u verheven ziel
Die op den top des Lofs ten pronck des werelts staat
Sulcx dat de Zon beschaamt syn ooghen neder slaat.

3.
    Als hy eerbiedich u eerwaerdicheyt aenschout
(10) Hy schimmert en hy staart: en ’t ciert syn hooft met gout
En bromt soo voor u deur daer hy een lonckje pracht
Waar met dat hy volnoecht voldoet syn groote jacht.

4.
    Smorgens voor dauw voor dach, en in den dagheraat
Wanneer hy opghetoyt uyt syn slaepkamer gaet

(15) Als ghy noch legt en slaapt met al u Huysghesin
Dan komt den brallert aen door glasen Vensters in.

5.
    Hy kyckt hy wederkyckt en siet u schoonheyt door
U Silverblancke vel vergult hy met syn gloor
Ghy voelt de luwte van syn straalen soet en sacht

(20) En toont hem al het t’gunt hy meest op Aarden acht.
6.
    Hy doet al wat hy wil en wat hem best behaaght
Dan gaet den snoepert deur hy schent so menich Maagt
Waer dat die Vrouwe Man maer steelwys eens insluypt
Hy vint gheen Vrouwtje die hy niet in slaap bekruypt.

7.
    (25) De leste reys Goddin als hy u wel besach
Doen ghy in diepe rust en onbekommert lach
Doen stal hy uyt u Hooft op ’taardichst dat hy kon
U ooghen en hy liet voor elcken Ooch een Son.

8.
    Soo komet by Goddin dat ick en alle lien
(30) Die dese Majesteyt vol Heerlijckheden sien
Door ’tblincken van u snel en weesselijck ghesicht
Waar met dat ghy myn siel inwendich noch verlicht.

9.
    Dit is myn hooghste vreucht daer ick my in verbly
Dat ghy u ooghjens slaet uyt goetheyt eens op my

(35) Als u ghenade my eens vriendelijck aensiet
Ick ruylden dat gheluck om al de Werelt niet.

’tKan verkeeren.


[
b, p. 83]

Dochters Klach-Dicht,

Van de ongetrouwicheyt van een die sy bemint.

Op de Wyse:

Alst begint.

        MAch ter werelt eenighe pijn
        Hier des menschen herten quellen?
        Macher eenighe droefheyt sijn
        Die ons altijdt gaat versellen?

        (5) Om onsen grooten ongheluck
        Te doen kennen door de druck.

2.
            Soo de smarten ons nemen af
        En de menschen vast aencleven
        Tot int verrotte stinckend’ graf,

        (10) Soo aenschouwt mijn droeve leven
        En hoe dat de Fortuyne snoot
        Mijn Jonckheyt spysset metter doot.

3.
            Het Jaar verjaert sich alle Jaars
        Steedts vernieuwen haer de dinghen,

        (15) Latende hier gheheuchnis schaars
        Door de buerts veranderinghen
        Sleept soete Lent de Somer heet
        En gure Herfst de winter wreet.

4.
            De ys-keeghels van cleyne vreucht
        (20) Die de koude vorst mach senden:
        Die werden vervormt en verjeucht
        Haar wranghe kild’ slist int ende,
        Als des goude Sons blond ghesicht
        De Ram vergult met glantse licht.

5.
            (25) Maer eylacy myn banghe last
        Is geplaatst soo gants stantvastich,
        En myn ongheluck blyft oock vast
        Mits ’tghevalle overlastich
        My flucx ontrooft de soetste vreucht

        (30) Van myn tedere groene jeucht.
6.
            ’Tonweer noch de gillende wind
        Becrijcht soo niet de Zeebaren.
        Niemandt hem soo beangst en vindt
        Om ghevaerlijck snachts te varen,

        (35) De Zee niemant soo seer en schent
        Als my dit ongheluck vol ellent.

7.
            Soo de schaduw’ de Ziel verbeeldt
        Een ontgloorde doove koole.
        Myn klaarheyt ghy oock soo ontsteelt

        (40) Dies moet ick int duyster doolen:
        Wech doode hoop vol valsch bedroch
        Wat pluymstrijckt ghy mijn harte noch?

8.
            Indien het vervolch van myn smart
        Waar ghebouwt op hoop of reden

        (45) Ick leed’ gherust, ghetroost van hart
        Seer wel ghenoeght, ja te vreden
        Ghy soudt myn seer schuldige vlyt,
        En trouwe plicht mercken altyt.

9.
            Maar Hope is syn sterckheyt quyt
        (50) Dies moet ick het onrecht lyen,
        Want voor mijn liefde crijch ick spijt
        Voor mijn trouwheyt een vermyen:
        Ach! ick onschuyl het claar ghesicht
        Van’t doorluchtich heldere licht.

[b, p. 84]
10.
            (55) Eylacy! recht als ’truyghe cruyd’
        Op ’tghebercht, en diepe dalen
        Niet sonder vocht, voort en spruyt:
        Soo loop ick lusteloos dwalen
        Als haar dat werelts ooghe rept

        (60) Dat alle maanden sich verschept.
11.
            Had ick Medeas Rieme cracht
        ’K souw die Toverkunst gaan leeren
        Ick sou haast crijghen in myn macht
        Myn ontroofde lief en Heere

        (65) Ick soude hopen dat ick dan
        Hem sou ghenieten voor myn Man.

12.
            Maar ic heb wapen, cruyt, noch kunst
        Noch verboden gogel-weten
        Om u te trecken tot mijn gunst

        (70) Ach hoe meuchdy my soo vergheten?
        In dees myn troosteloose noot
        U liefde voert my in de doot.

13.
            Laas waar is de beloofde* trouw
        Waar is de naam van u vrouwe:

        (75) Siet hoe heylich dat ickse houw
        En u trouw, is onghetrouwe
        Gants meyneedich heel gheveynst
        En myn eed is noch op het reynst.

14.
            Ach moet ick claghen dus om u!
        (80) Moet ick met myn laauwe tranen
        De rulle aarde sprenghen nu?
        Ach ick smelt door het vermanen,
        Maar ghy wreede, scharst en lacht
        Met myn droefheyt, en myn clacht.

15.
            (85) Sal ick soo heel schots syn versmaat
        Sal ick soo verlaten werden?
        Sonder schult van eenigh misdaat?
        Ach lief siet myn trouw volherden,
        Verleden jonst of deught en eer

        (90) Ghedenckt ghy liefste die niet meer?
16.
            Ick ben niet slingerliefd, noch licht
        Noch van weyffelbare sinnen.
        Noyt en becoorde myn ghesicht
        Een ander lief, als u te minnen,

        (95) Als u: door wien myn jonge Ziel
        Hem wel eer gheluckich hiel.

17.
            ’Tqaatste lief dat ick begeer,
        Is dat ick u myn trouw wil gheven
        Myn eenighe troost, naast God den Heer

        (100) Hier in myn beschreylijck leven
        Och can u myn commerlijck leyd
        Niet brenghen tot medogentheyd?

18.
            Dat ghy my om een minder laat
        Dat en can ick niet verdraghen

        (105) Waar sy noch van een hoogher staat
        Soo sou ick soo seer niet claghen!
        Of my toe-schick, of nood-lod raackt
        Myn trouheydt blyft even volmaackt.

       
19.
            Comt myn Lief, myn hart, myn vreugt
        (110) Comt omhelst ons oude minnen
        Als ick u sie, myn Ziel verheucht
        Dan vernieuwen haer myn sinnen
        Myn hart syn cracht by een vergaart
        Myn leven wert voor u bewaart.

’t Kan verkeeren.



[
b, p. 85]

Amoureus-Liedeken,

Op de Stem:

Alst begint.

        DE Liefd’ die myn begeert verveelt
        End’ oorsaec van myn smerten teelt,
        Ja van myns Ziels genuchten,
        Ontsteeckt int midden van myn Hert

        (5) Een vyer een oorsaeck van myn smert
        End’ van soo heete suchten.

2.
            Dat’t blint verstant ’t welc is in myn,
        Hoe wel het lijdt een vreemde pijn,
        Niet merkct zyn eygen lijden,

        (10) Want siet het queelt, het sterft daer heen,
        Het can gantsch geen gheluck betreen
        End’ ’tnoemt dit noch verblyden.

3.
            Helaes! ick voel niet dat de smert
        Begint te mind’ren in myn hert,

        (15) Als ick by u mach wesen
        ’k Moet in u teghenwoordicheyt
        Noch ’tselfde vreucht, end’ ’tselfde leyt
        Als in u afsijn vreesen.

4.
            Hoe soud’ dit Hert dan van syn quaet
        (20) Ghenesen, d’wijl het selfs de staet,
        Nau van syn lyen kennet,
        Ach Lief, ghy wetet maer alleen
        Die deur u schoone trotse zeen
        Al myn gedachten mennet.

5.
            (25) Want dit Hert dat wel eer was mijn
        Is’t nu niet meer, maer gantschlijc dijn
        Het heeft van u zijn leven,
        Het voedt hem in u gonst altijdt
        End’ als het wreetheyt van u lijdt

        (30) Begint het voort te beven.
6.
            Dus my doch nu niet meer verbaest
        Maer om my te vertroosten haest,
        Hoort doch ws Slaefs gebeden,
        Verlicht dit Herte dat ghy hout

        (35) In u gebiedt, end’ staech benout
        Stelt het doch weer te vrede.

7.
            Siet wat ick doe om vasticheyt
        Mijns hoops te sien in’t Hert geheyt
        Van de gheen dien ick eere.

        (40) Siet hoe myn Hert om gonste slooft
        Om Liefd’ end’ om te syn ghelooft
        Van myn Eleonore.

8.
            ’T vermetel Mahometisch heyr
        Gewapent in haer vol geweyr

        (45) Sou myn Ziel niet verschricken,
        Nochtans soo gaet het zitt’ren staech
        Om hem naer uwen dienste graech
        (Ach lieve lief) te schicken.

9.
            Ten is gheen bloote vrees van pijn
        (50) Dien ick voel in myn hert te zijn:
        Maer ’tis een yvrich haecken,
        Ick voel my sonder sterckte neer
        Gheslagen, sonder dat ick weer
        Hulp van myn vrouw genaecke.

[b, p. 86]
10.
            (55) Stelt weer u Ridder in zijn cracht
        End’ hem doch voor u Krijger acht
        Want hy dient u getrouwe,
        Soo ghy hem meer in twijffel hout
        End’ niet zyn laffe geest herbout

        (60) Men sal voor wreet u houwen.
11.
            Wreet salmen u noch noemen dan
        End yeder een sal weten van
        Myn trouheyt end’ u strafheyt,
        Dan salmen my staech geven prijs

        (65) Maer van u singen dese wijs
        Een trotsert hier in’t graf leyt.

12.
            Het was een soete schoonicheyt
        Vermengt met bitt’re strafficheyt
        Een vrientschap loos, bedeckt doch,

        (70) Neen, neen sal myn geest seggen juyst
        (Wanneer sy uyt dit Lijf verhuyst)
        Haer Liefde na my treckt noch.

13.
            Maer Gods wil was ons in de weech
        End’de Fortuyn en wou gheen deech

        (75) Om ons beyd’ te vereenen.
        Want sy en wilde niet de hit
        Van dese kool dus maecken mit
        Haer coude hert gemeene.

’t Kan Verkeeren.


Liedt, Op de Engelsche Fortuyn.

HOu, Herder slecht,, waar treckt de loop dus heen?
(De Liefst oprecht,, te Off’ren myn gebeen
Ja hert en sin,, in will’ghe slaverny)
Wech met de Min,, t’is niet dan kasserry.

    (5) Het is wel waar,, ick ken myn cleene macht,
Dat niet een haar,, Ick, by heur ben geacht,
Maar t’out gepeys,, van dese schoon Goddin
Siet int Fourneys,, myn Ziel door heete Min.
    Want als ick weer,, aensie dees waarde Vrouw

(10) Vermeert ’tbegeer,, en ’tverdubbelt myn rouw,
Haar schoone glans,, en lieffelijck ghedaant
My nu althans,, tot d’ouwe Liefd’ vermaant.
    Door u ghesicht,, so lijd ick
Garen Brandt,
Wiens Fackels licht,, verlicht myn dom verstant
(15) Hoe wel ick swerf,, na ’t geene dat myn schaat
Ja leevend’ sterf,, veel duysent dooden quaat.
    Doch in ootmoedt,, werp ick my sellifs neer
Voor u te voet,, verschoont myn trots begeer
U heuschen aardt,, laat blijcken op het minst

(20) Ick bendt niet waardt,, al wens ick dese winst.
    Maar belght myn Vrouw,, dat een so slechten slaaf
Als ick my houw,, staat na de waartste gaaf:
Maar niet dat ghy,, maer ick sal u ontsien
Heerscht Liefste vry,, wat wilt ghy my gebien.

    (25) Wat u Hert lust,, ghy crijcht wat u behaacht
Van die d’Aard kust,, die uwe Voeten draacht
K’droech u op d’hand’,, nam ghy’t
Princes int goet:
Komt sulcken brand’,, ws dienaers te gemoet.

    Princes te hooch,, ick myn begeer gevoel
(30) Voorwaar sat ooch,, waart ghy myn wit myn doel,
Och soot syn mocht,, maar soot niet mach geschien?
Nemt u genocht,, in my dat ick u dien.

’tKan Verkeeren.

[b, p. 87]
SONNET.
GHy Moeder van de Min, die met u held’re lichten
Verjaagt de woeste Wint, end’ ’trasende tempeest,
U boorte plaets de Zee, u leven is geweest
Om hier int groote ront, u soeticheydt te stichten.


    (5) O Venus waarde Vrou, doet doch de Winden swichten,
Diens bulderent gewelt, verschricken mynen gheest,
En maacken ’twater vadt, end’ mynen vaart bevreest.
Want haer spuwend’ gewelt, myn verderf schijnt te dichten.

Geleydt myn Schip, myn Vrou, end’ ghy gunstige Star,

(10) Drijft van den Hemel wech dees duyster Wolcke var.
    Op dat ic lichteloos niet heel en ga verloren,

Sonder u blinckend’ hooft, end’ glinsterich Aenschijn
Schijn ic in wanhoops Zee, begraven schier te syn,
    Wiens water-ad’ren my, gantsch driegen te versmoren.

’tKan Verkeeren.


SONNET.
ICk twijfel lieve Lief wat my eerst mocht vercrachten
    De schoonheyt van u Ziel: of van u rijpe Jeucht:
    Of u verlicht verstant, of u volmaakte Deucht
Of wat ick sal voor ’t Eelst van dese dingen achten.


(5) O soete straffe strijt! o stribblighe gedachten
    Hoe stoot en stommel dy
Garbrande inde vreucht
    Die van syn selven nau een trisseltje en heucht
Want siet vergetel dranc, dronck hy verscheyen nachten.

    Door de beschouwing van niet Werelts noch niet cleyns

    (10) Maer, van u schoone ziel! die waerlijcx niet gemeyns,
Heeft, met dit aertsche volck van logge lompe sinnen.

    O soetheyt! laet my noch een weynich nuchter Breyns
    Op dat ick in myn hart met erenst overpeyns
Of ymandt meer als ick haer deuchden mach beminnen?

’t Kan Verkeeren.


[
b, p. 88]

Liedeken,

C’estoit une Fillie de noble coeur.

            DEur myn verschalckte ooghen
            Is aangenaam myn smert
            Sou ick myn onwil dooghen,
            Seyt, myn verwonnen Hert

            (5) T’is een soet strengh ghebiedt
            Van myn
Princes ghepreese
            Die ick ghehoorsaem vreese
            Waart anders, t’waar my liedt.
                Ick ben met Liefd ghevangen

            (10) Met een bedeckte list
            Int hertelijck verlanghen
            Schuylt, inwendich, een twist
            Behalven dit soo ist
            Noch onbekent die gheene

            (15) Die my hulp kan verleenen
            Ick wout wel dat sy’t wist.
                Een twist om strijdt te maacken
            Tusschen myn schaamt, en Min
            D’een tracht, nae het genaacken

            (20) D’ander vreest, het begin
            Wel hoe verwerde sin
            Ledt toch eens op u zaacken
            Daar ghy niet uyt sult raacken
            Maar wort’len dieper in.

                (25) Waar toe dan lang verborgen
            Verborghen, groote strijt
            Waarlijck het is te sorghen
            Dat haar een ander vrijt
            Ondeckt t’is over tijdt

            (30) T’is lang genoech gheleede
            Kiest doch voor morghen, heede
            Eert u berout, en spijdt.
                Laast, had ick voorgenomen
            Myn noot te klagen koen

            (35) Helaas! int by een komen
            Sonck my t’Hert inde Schoen!
            Fy! ick dorstet niet doen,
            d’Ov’rhand heeft schaamt gehouwen
            Bloot hart minde noyt Vrouwe:

            (40) Ick wil my anders spoen.
                Al moet ick dus veel lijen,
            Ick reekent voor gheluck
            En treek een groot verblijen
            Wt dees vrolijcke druck

            (45) De lust maackt t’sware, licht,
            d’Onlust t’licht, swaar doet schijne:
            ’Verbly my in myn pijne
            Deurt waardich aangesicht.

                Princes wie sou uyt spreecken
            (50) U Deuchden, of aan val
            Myn smert daer by geleecken
            Is grooter van getal
            Op hoop ick leven sal
            En denck de tijdt sal leeren:

            (55) t’Gheluck dat kan verkeeren
            ’Tgeen my is teghen al.

’t Kan Verkeeren.

SEcht wiens gebruyck, hout ghy voor ’tpuyck
            En eerlijcxst, soo sy faalen
Die door schaamte swijcht, of te stout vercrijcht
            Belach’lijcke schandaalen?

(5) U oordeel rijp met reen, van gewichte wilt vertaalen
Wie van haer stoot de scheen, om licht een kous over te haalen.

’tKan Verkeeren.


[
b, p. 89]

Liedeken,

Op de Wyse:

Wellustige jongelingen, dat eedele

1.
            SNachts rusten meest de dieren,
            Oock menschen goet, en quaat,
            En mijn Lief goedertieren
            Is in een stille staat:

            (5) Maer ick moet eensaam swieren,
            En cruysen hier de straat.

2.
                Ick sie het swierich dryven,
            Ick sie de claare Maan
            Ick sie dat ick moet blyven

            (10) Alleen mistroostich staan,
            Ach lief wilt my gheryven
            Met troostelijck vermaan.

3.
                Ach Lely hoogh verheeven
            Verheven in mijn sin,

            (15) Mijn hoope van mijn leven,
            Ghewenste, schoon Vriendin,
            Wilt my u jonstich gheven
            Een lieve weder min.

4.
                Met hoop en vrees bevanghen
            (20) Met een ghestaeghe stryt
            Van sorghen en verlangen
            Verwacht ick nu ter tijdt
            Van u myn troost t’ontfangen
            t’Woort, daar men lang om vrijt.

5.
                (25) Myn vruchteloos verwachten
            Myn commer niet en blust,
            Sult ghy my heel verachten
            Och voester van mijn lust
            Maer siet ick onbedachte

            (30) Claagh nu, sy leyt en rust.
6.
                Och slaapt ghy myn behagen,
            Dewyl ick doe myn clacht?
            Wat baat my dan myn claagen
            Nu ghy den dooven slacht,

            (35) Ick salt gheduldich draagen,
            Ick wensch u goede nacht.

7.
                Adieu Prinsesge jeughelijck
            Mijn Vrou van mijn gemoet:
            Adieu en droomt gheneughelijck,

            (40) En slaapt gerust en soet:
            Ach tis my soo onmeuchlijck,
            Te rusten als ghy doet.

’tKan Verkeeren.


[
b, p. 90*]

Liedeken,

Op de Wijse:

Fortuyn, eylaes bedroeft ben ick tot &c.

1.
EN had ick noyt bemint de witte reyne deughd,
So waar ick niet verlieft, op u Maagd’lijcke jeught
Soo waar myn hart noch vry van quelling en verdriet
Soo voelden ick in my oock dese vreuchde niet.

2.
    (5) Och welcken blyschap ist wanneer als ick aanschou
U suyver schoon aanscijn, o eerwaardighe Vrou,
Och die met u ghesicht, u eerbaerheyt verrijckt,
Waar door myn hart int sien van vreuchde gantsch beswijckt.

3.
    In wat een droeve stroom wart ick gedompelt dan,
(10) Als ghy mijn lieve helft u aanghesicht drayt van
U minnaar die u mint, soo u wel is bekent,
Maar u afkeericheyt, veroorsaackt mijn ellent.

4.
    Dat al de Weerelt eert, is van my niet gheacht,
Ick haat de hovaardy, maar u eerlijcke dracht,

(15) En stille staticheyt, en nedrich ghelaat,
Verciert u Lief veel meer, als Prachtighe ghewaat.

5.
    ’Topsichtich Poppen goet, geeft wel een schoone schijn
Dan die blinckende deught can in geen cleeren zijn,
Maar in een eerlijck hart en deuchdelijck gemoet

(20) O Maaghdeken dit is het aldeibeste goet.
6.
    Waart ghy niet opghepronckt met dees Heerlijcken schat,
Ick had u in mijn Ziel oock niet soo lief ghehadt,
Ick had u nimmermeer, soo achtbaar aanghesien:
De gaven van’t ghemoet ick meer als t’Lichaem dien.

7.
    (25) Den gaven van’t ghemoet, en Lichaams schoonheydt schoon,
Stelt ghy voort keurich oogh, in’t licht rijck’lijc ten toon
Dies blijft ghy myn Princes, in vreugd’, en in gequel,
Ick offer u mijn hart, t’welck snackt na u bevel.

8.
    Ick hoor u Lief gheheel ick ben niet langher mijn,
(30) Mijn hart kan langher niet van u verscheyen sijn,
Smelt onse harten t’saam, vereent ons wille nu,
Of laat ons metter daet gaen mengen my in u.

’tKan verkeeren.


[
b, p. 91*]

Nieu droef-schey Liedeken,

Op de Voys:

Ic peyns om een persoone, nacht ende dach.

1.
            K’heb u noyt lief geheeten
            Om u kost’lijck gheweyt:
            Noch ooglust, of waan weeten
            En heeft myn niet verleyt:

            (5) Maar om u deugd’, en reynicheyt
            Maar om u deugd’, en reynicheyt
            Mijn quaat gheluck
            Druckt myn in druck
            Deur dient my van u scheyt.

2.
                (10) Ach scheyden bitter scheyden,
            Scheyden met droefheyt groot:
            Ghy gaet myn Jeugd’ bereyden
            Een overdroeve doodt
            Ach comt o troost aen siet myn noot,

            (15) Ach comt o troost aensiet etc.
            Siet hier mijn hart
            Vol pijn en smart
            Van lief en hulp ontbloot.

3.
                Viert Maagden Jongelingen
            (20) Met schreyen myn uytvaert,
            Myn lof met rou wilt singhen
            Alsmen my stopt in d’aart,
            Stelt op myn graft dees woorden waert,
            Stelt op mijn graft, etc.

            (25) Dees Steen bevat
            Die te Lief hadt,
            En sturf van Liefd beswaart.
4.
                Wil d’ doot mijn leeven spaaren,
            Soo sal k’ indien ick kan

            (30) T’eynde der werelt vaaren,
            Soo sie’k mijn leyt niet an:
            Maar ick mistroostigh’ jonge Man
            Maar ick mistroostigh’ etc.
            Waar dat ick gae,

            (35) Waer dat ick staa,
            Het volght my achteran.

5.
                Soo ick de doodt moet smaacken
            Begeer ick dese beed’,
            De Huysen met swart Laacken

            (40) Rouwich en statich cleet:
            Luyd op het droefste dat men weet
            Luyd op het droefste etc.
            O draaghers hoort
            Gaat niet ras voort

            (45) Maar droeve schreeden treet.
6.
                Ben ick hier toe gheschapen
            Te lyden deese strijt,
            Kunt ghy met rust noch slapen
            Lachen, of syn verblyt?

            (50) Mijn bleecke schim met naar ghecryt,
            Mijn bleecke schim etc.
            Sal u voorwaar
            Noch volghen naar,
            Na’t eynde van mijn tijdt.

[b, p. 92*]
7.
                    (55) Adieu ick schey met smarten
            Van u die ick verhief
            Adieu seg ick van harten,
            Adieu ontrouwe Lief:
            Denckt om myn treurige Minne-brief

            (60) Denckt om myn etc.
            d’Welck was beklat
            Met traantgens nat,
            Tuygende t’ongerief.

8.
                Adieu Vriend’ en Uyanden
            (65) Die m’ gunnen goet of quaat
            Ick treck in vreemde Landen:
            En troosteloos verlaat
            Mijn gheboorte Stadt ende staat
            Mijn gheboorte Stadt etc.

            (70) Adieu ick ty
            Lief denckt om my
            Alst wel, of qualijck gaat.

’t Kan Verkeeren.


Voor-sangh,

Stem.

Hansje sneed dat kooren was. &c.

1.
            ICK sieje wel, al gaeje snel,
            U in het bosch vertrecken,
            O Maechdekijn! u klaar aenschijn,
            En kundy niet bedecken.

2.
                (5) Voor die u mint, mijn Lief! ick bint,
            Ay! went u snelle voetjes:
            En ist u wil, so staet wat stil,
            Of gaet ten minsten soetjes:

3.
                Laet mijn doch yet, verwerven siet,
            (10) Op mijn lieve gebeetjes,
            En schort u gang, die my te langh
            Valt, door u vlugghe treetjes:

4.
                Komt vlyt u weer, by my hier neer,
            In dese groene blaatjes,
            (15) Als wy verle’en, de Sondach de’en,
            Des avonts al wat laetjes.

5.
                Als ick noch denck, om het ghewenck,
            Om al ons blije kuurtjes,
            Van ons ghevry, en hoe dat wy

            (20) Vertelden avontuurtjes:
[b, p. 93*]
6.
                Daer wy den tydt, met wierden quyt,
            En van die nieuwe dansjes,
            En was daer geen, dan ghy alleen,
            Die wan de Roose-Kransjes.

7.
                (25) Komt weest niet schuw, t’is hier so luw,
            Vol dichte Eglentiertjes:
            Mijn hart verheught hier door de vreucht,
            Van die vrolycke diertjes:

8.
                ’tWildt danst en springt, ’tghevoghelt singt,
            (30) ’tIs hier vol blije lusjes,
            Waert ghy hier nu, ick segghet u,
            Ghy kreecht wel duysent kusjes
.
9.
                Ick gis ghy vliet, uyt vreese niet
            Voor dese dreygementjes:

            (35) Maer wilt misschien, na hooger sien,
            Of na de ionge ventjes,

10.
                Die ghy bekoort, en licht verdoort
            Door u beveynsde grilletjes,
            Daer ghy uyt suycht u lust, en buycht

            (40) Haer hertjes na u willetjes.
11.
                Wie eens aenschout,, u hayr als gout,
            Of u ghebloosde wanghen,
            En roode mont, die is terstont,
            Al eer hy ’tweet, gevanghen:

12.
                (45) Want u ghesicht, boeyt ons seer licht,
            In onsichtbaere kluysters:
            En u schoonheyt, ons voort verleyt,
            Door haer besond’re luysters.

[b, p. 94*]
13.
                t’Hert dat ghy neemt,, ghy flucx vervreemt
            (50) Van alle sijn vriendinnetjes:
            Mits ghy ons stelt, in ’tsoet ghewelt,
            Van uwe lichte sinnetjes.

14.
                Die troertigjes,, en boertigjes,
            Vloeyen van soete kluchtjes:

            (55) Daer ghy wel weet,, dat ghy me smeet
            Soo veel verliefde suchtjes.

15.
                En ’tis genoech,, ick hijgh en swoegh.
            Mijn uytverkooren Troosje!
            Ick ben so moe, doet als ick doe,

            (60) En rust u hier een poosje.
16.
                Hoe moochdy mijn,, so hatich sijn,
            So strafjes, en soo fiertjes?
            Ick sieje wel, al gae-je snel,
            ’tZijn u dreutsche maniertjes.

’t Kan Verkeeren.


Amoureus-Liedeken,

Op de Wijse:

Esprits qui Souspirees. Ofte van Susanne.

1.
AY hooch verheven Ziel, en overschoone Vrouwe
Godinne vande Goon, ghebiester van mijn hoop,
Waerom vliet ghy van mijn, is dit oprechte trouwe
Soo smelt mijn bradent hert, dat ick met traenen droop.

2.
    (5) Mijn Vrou mijn teer gemoet, vermeestert met gepeynsen
Jaecht my nu nae de deur, van u gheluckich Huys,
Ick coom hier raesent heen, ick kan niet langer veynsen,
Maer laes de deur is toe, dat is mijn t’meeste cruys.

3.
    Ach deur, ach wreede deur, is dit dan u vermaecken
(10) Behaecht u mijn verdriet, en onghemeene smart,

Laet my ten minsten toe, dat ick eens mach ghenaecken,
Het straalen van haer ooch, dat mijn ghemoet verwart.

4.
    Gheluckich zyt ghy huys, die in u hebt beslooten
Des werelts hooghe roem, en sijn ghecierde pracht,

(15) Al dees ghewenste lust, hebt ghy alleen ghenooten,
Gheluckich sijt ghy wel, maer meerder niet gheacht.

’tKan verkeeren.


[
b, p. 95*]

Een nieu Liedeken, Op de Voyse:

Het vryde een Wals Walinneken.

En moet met het Lietje vers om vers ghesongen worden,

Wie sou hem niet verblijden. Fol. 35.

            K’en kan u niet bedwinghen
            Mijn uytghelaten vreucht
            Van blijdtschap moet ick singhen,
            En roemen van u deucht,

            (5) O schoon Jonckvrou,
            Die ick noch hou
            Voor t’puyckjen van de jeucht.
                Ick leef op hoop en vreesen
            En twijfel in mijn sin

            (10) Oft waer sou moghen wesen
            Dat ick hier by u bin,
            Tis waer ick siet,
            Maer loof het niet
            Mijn soete Coningin.

                (15) Voor u gheluckigh ooghen
            Ghy zijt de schoone Maeght
            Ghy zijter vol medoghen
            Ghy doet dat my mishaecht
            U pijne wreet

            (20) Jammer en leet
            Dat ghy soo t’schijnt beklaecht.
                Enghelken weest te vreden
            Want ick heb dese smert
            Verduldelijck gheleden

            (25) Stilswijghent in mijn hert
            Hoe wel t’aenschijn,
            Door druck en pijn
            Somtijdts verandert wert.
                Het aenschijn wordt gheleecken

            (30) Een spieghel vant ghemoet
            Siet hier in wordt ghekeecken
            Watmen inwendich doet
            Of hy het lijdt,,
            Of hem verblijdt

            (35) Of hy quaet is of goet.
Prince.
                Glory van mijn ghepeynsen
            Soo ghyt van herten mient
            Hoe kan hem een mensch veynsen
            Voor syn recht waerde vriendt

            (40) Ghy sult van my,
            Hebben voochdy,
            Van tgheen ons Godt verlient.

’tKan verkeeren.


[
b, p. 96*]

Een Liedeken,

Op de Wijse:
Alst begint.

HOe soet singht ons de Nachtegaal
Elck Vogeltje singt zijn eyghen tael
            Hoe sou ick my bedwinghen
Mocht ick met mijn schoonliefste smal

(5) Spanceren in het Roosendal,
Spanceren,, lief twas mijn begeeren.

2.
    Haer Oochgens bruyn, haer mondetgen root
Haer Borsgens ronder dan een cloot
            Sy doet mijn Vleys verteeren,

(10) En ben ick niet wel in lyden groot
Sy heeft mijn Hooft in haren schoot,
Ghegreepen,, dat block dat moet ick sleepen.

3.
    Haer handetjens wit, haer vingertjens broos
Mijn docht sy waeren my veel loos,

            (15) Doen ick haer laest aenschoude
Sy toonden my een seer lieflijcken gloos
Doen ickse tot mijn soete lief koos,
Met luste,, Lief mocht ick by u ruste.

4.
    Een troostelijck woort, moet icker ontfaen
(20) Al eer ick hier van daen zal gaen
            Al sout ghy my ontlyven
Ick laeter soo meenighen natten traen
Al over mijn bloosende wanghen gaen
Met rouwe,, wel eelder schoon Kersouwe.

5.
    (25) Schoon lief doet mijnder toch eens gherief,
En schrijfter my toch een minnebrief,
            Als ick van u moet scheyden
Want ghy beroofter mijn sinnetgens vijf
Daer toe hebt ghy der mijn jonghe lijf,

(30) Bedurven,, Liefste waer ick nu ghesturven.
6.
    O Venus weest my nu ghetrou
Bespronckelt my met den koelen dou,
            Gaarbranden al mijn leeden
Snijt nu ontween, dat minne tou

(35) Ick hebt ghedragen op mynnen mou,
Soo suyre,, dat block wil ick verhuyre.

’t Kan verkeeren.


Nieuw-Liedeken

Stem:
Engelsch Schoenlappertjen.

GHY weet mijn lief wie u bemint
Met waer en reyne minne,
Ick ben lichtvaerdich noch verblint,
Wispeltuurich van sinnen,

(5) Mijn liefde groot,, sal totter doot,
So ghy my wilt, ghenadich sijn,
            Gestadich sijn,
In vreuchden en in noot.
    Geen winter kout, geen Somer hiet,

(10) Geen reghen, wint noch donder,
En konnen my beletten niet
Mijn liefd (en ist niet wonder?)
Mijn liefd’ staet vast,, in lust of last,
Door kracht van mijn genegenheydt,

[b, p. 97]
            (15) Geen tegenheydt
Heeft oyt mijn Liefd’ verrast.
    De langhe wech mijn gewoone gangh
Verdriet my niet met allen,
Geen naer gekrijt en maeckt my bangh,

(20) Noch wat my mach voorvallen,
In ’tghevecht op straet,, van boeven quaet,
Mijn liefd’ leert my sorchvuldich sijn
            Gheduldich sijn,
Met voorsicht en beraet.

    (25) Geen smert, geen druck en geen hartsweer,
Geen nijdt of spijt, geen quellen,
En konnen mijn dit lief begeer
Niet uyt mijn hert ghestellen,
Want dus ondieft,, ben ick verlieft,

(30) Maer of dit langh sal blyuen staen
            Of dryven gaen,
Ick doe wat v belieft.
    Wat dat u lust, dat lust oock mijn,
Vereent so sijn ons willen:

(35) Ghy wilt dat ick gerust sal sijn
En dese moeyten stillen,
En dat met reen,, ick ben te vreen,
So lief als mijn ’tverwerven is
            Oock ’tderven is,

(40) Ghy benter niet alleen.
    Ick set mijn hart op een goe stee,
Ick macher niet van praten:
Alsoo ghy wilt so wil ick mee
Al wouw jy my verlaten,

(45) Of’k u ontbeer,, daer sijnder meer
Ay hout u dan so trotsjes niet,
            So schotsjes niet,
Adieu ick kom niet weer.

’t Kan verkeeren.


Een Klach-Liedtjen,

Op de Wyse:


Hansje sneed dat Kooren was lanck.

            O Droeve tijdt,, die ick verslyt
            Met vruchteloos beclaghen
            O aertsche Hel,, doot mijn ghequel,
            Door t’snoeyen van mijn daghen.

3.
            (5) Ick ben alleen,, verd van de geen
            En tegen danck gebannen,
            Helaes! van die,, ick ’t liefste sie
            Van alle jonghe Mannen.

4.
            Ach ongheluck,, ach leyde druck
            (10) Sult nimmer ghy ophouwe,
            Dit hart ghewelt,, dat nu dus knelt,
            Dees teer benaude Vrouwe?

5.
            O schraele doot,, comt en door stoot
            Dees vrouwelijcke Borsten,

            (15) Ach! strengh gemoet,, dat so verwoet,
            Na u Kints bloet gaet dorsten.

6.
            Mijn Moeder wreet,, doet my dit leet
            En ghy versufte Grijser:
            Een Keysers kint,, om dat het mint,

            (20) Besluytmen straf int Yser.
[b, p. 98]
            U fel ghegrim,, u wreetheyt slim
            U dreyghen, noch u sweeren,
            Geen schric noch noot,, noch duyvel doot
            En can myn Liefde deeren.

7.
            (25) Maer als ick sal,, int traenen dal
            Door ongheneught verdwynen,
            Mijn schim bevreest,, of bleecke gheest,
            Sal nae myn doot verschynen.

8.
            En quellen swaer,, myn Ouders maer
            (30) Mijn Echte Man ghepreesen,
            Die sal ick dan,, waer in ick can,
            Noch even dienstich weesen.

9.
            Mijn Prinsch vertoeft,, weest niet bedroeft
            Bedaert, u wilt verlanghen,

            (35) Mijn hart blyft u,, al ist lyf nu,
            In een Kercker ghevanghen.

10.
            De trou en eed,, dien ick u deed
            Die zullen geen sints lieghen
            Hoopt, en vaert wel,, de dinghen snel,

            (40) Op aerden licht vervliegen.
’t Kan verkeeren.


Een Maechden klagh Liedetjen,

Op de Voyse:

Amaril de decken sacht, vande nacht, &c.

1.
            O Maechden die met wond’ren siet
                        Mijn verdriet,
            Mijn woorden t’martelend’ lyen,
            Dat nu pynicht mijn ghemoet

                        (5) Is mijn soet,
            Door mijn ongheluckich vryen.

2.
                Ghelijck de wilde witte Swaen
                        Doet verstaen,
            Haere doot met droevich singhen,

            (10) Soo queel ick nu oock uyt noot,
                        Van myn doot
            Door syn dreutsche weygheringhen.

3.
                Het quaet dat my steets quelt en knaecht,
                        En dus plaecht

            (15) Is van syn schoonheyt ghecoomen,
            Doch de quellingh van myn sin
                        Heeft begin,
            Wt myn trouwicheydt ghenoomen.

4.
                De lust tot syn ghecroonde deucht
                        (20) Drongh mijn jeucht,
            Om syn vroomheydt te beminnen
            Die my toch soo wel beviel,
                        Maer zyn Ziel,
            Is te coel en cout van sinnen.

[b, p. 99]
5.
                (25) Wat ick hem treck, wat ick hem troon
                        Tuych en toon,
            Met ghesichten en met suchten,
            Hoe dat hem myn hert bemint
                        Tis al windt,

            (30) Hy doet niet dan van my vluchten.
6.
                Ongheluckighe als ick ben
                        Ick en ken
            Hem niet volghen noch begheven,
            Dies moet ick met pynen wreet

                        (35) En met leet,
            Eynden laes mijn druckigh leven.

7.
                Wat can op aerden swaerder syn
                        Als met pyn,
            Het gheliefde lief te derven

            (40) En dat is met strengicheyt
                        My ontseyt,
            Daerom wensch ick om mijn sterven.

8.
                Want het leven is dunckt myn
                        Maer een schyn,

            (45) En een staeghe doot te achten
            Nu gaet heen myn lusjens sot
                        Ick wil Godt,
            En myns levens eynt verwachten.

’tKan verkeeren.


Amoureus-Liedeken,

Op de Wyse:

Maaghdeken jent, Princesken suyverlijcke, &c.

1.
O Soete tyt ay schoone Soomer vlaaghen,
Hoe haast verkeert u blat?
Want met jolyt leefden ick eens dry daaghen
Dat ick mijn lusten hadt,

(5) Doen ick by haar sadt,
Maar laas, t’is te beclaaghen,
Ghy reeckent nu mijn dat
Soet wel voor duysent plaaghen.

2.
    Mijn sinnen vyf souden niet connen vinden
(10) Gheen liever tijdt noch stont,
Of tyt verdrijf als doen mijn beminde
Haar jonst my heeft ghejont.
Wt een goede gront
Docht ick sy my besinde,

(15) Nu thoonse haar goet ront
Of sy my niet en kinde.

3.
    t’Gesicht vant Bos of wel geswierde Mayen
Daart vlietend’ Water ruyst,
Geen wilde Mos of aenghenaam vallayen

(20) Van Berghen onbesuyst
Is niet ick ben verkuyst,
t’Ooch na haar te drayen
Die my met weenen kruyst:
Doch als sy wilt kan payen
.
[b, p. 100]
4.
    (25) Geen woest ghetier, van blye Vogelskeelen
Hoe vrolijck wel ghebeckt
Jaa Harp of Lier, Bondol Luyt noch Veelen
Hoe wel ghespeelt coreckt,
My sulcken Vreucht verweckt

(30) Als dit vermakelijck queelen,
Dat meer reeden ontdeckt
Als het ghewayt en speelen.

5.
    Wat reucken secht is t’liefelycxt en hoe men
Die aygentlijck beduyt,

(35) Ist wel gevlecht een crans van schoone bloemen
Ghesochte ruyckers uyt,
Muskus Noot of Cruyt
Is soo waart niet om roemen
Als d’asem van een spruyt

(40) Die ick niet darf noemen.
6.
    Geen wyn hoe eel, geen leckere bancquetten
Hoe groot van overdaat,
Die Dienaers veel ordentelijck op setten
Gout Silver tot cieraet

(45) ’tGraach begheer versaat
Van d’inwendighe hetten
Als haar goeden raat
Voor dees strenghe wetten.

7.
    Wie sou hier voor onder ’tVee willen woelen
(50) Hoe sacht van Wol of Pluym
Had’ ick mijn keur ick koos schoone boelen
In plaats van sulck schuym,
Die naar kostuym
Ons haer sachtheyt doen voelen

(55) Met soete kusjens ruym
Die nochtans niet en koelen.

8.
    Prinses ick Sie u over schoone gaven
Ick
Hoor u grooten Lof,
Ick
Smaack troost die my een weynig can laven
(60) Ick Ruyck u Deuchtlijck Hoff,
Ick
Voel slechts en groff
Mijn eyghen kleynheyt draven,
Al sterft ghy mijn off,
’tHart leyt by u begraaven.

t’Kan verkeeren.


Nieuw Liedeken,

Stem:

’tEerste gebodt eer Adam wert, &c.

1.
            ALS d’ooghen schoon,
            Die myne siel besworen,
            Mijn steel-wijs noon
            Met anminnich bekoren,

            (5) Soo moet ick doon,
            Soo moet ick doon
            Mijn wrevle moet, gheboren
            Wt spijt en hoon.

[b, p. 101]
2.
                Soo veel vermach
            (10) De waertste Vrou der Vrouwen,
            Dien ick aensach
            Met al te groot betrouwen:
            O hart ghelach!
            O hart ghelach!

            (15) Vervloeckt, soo moet ick houwen
            Die layde dach.

3.
                Doen ick verkoor
            Om eeuwelijck te minnen,
            De glans en gloor

            (20) Der Amstelsche godinnen.
            Nu is te loor,
            Nu is te loor
            ’tGoetduncken van mijn sinnen,
            Dat mijn quam voor.

4.
                (25) Want doen quam my
            Met holle hoopen asen
            Pluymstrijckery,
            Vol wints en opgheblasen
            Van Hovaerdy,

            (30) Van Hovaerdy,
            En licht gheloof, der dwasen
            Aarts Kettery:

5.
                Dit is de seckt,
            En dwaling van de wysen:

            (35) Die ’t breyn vergeckt
            Van jonghe en van grysen,
            Dien sy bedeckt,
            Dien sy bedeckt,
            Beveynst, weet aen te prysen.

            (40) Daar ’thert na treckt.
6.
                Ach ydelheydt!
            Ach nietich overmoghen
            Door’t onderscheyt
            Van waerheyt en van loghen:

            (45) Ben ick bekeyt,
            Ben ick bekeyt,
            En vind my selfs bedroghen
            Door ’t quaet beleyt.

7.
                Wel die met raet
            (50) De saken overweghen,
            En voor de daet
            Afmercken eens te deghen
            Het goet en quaet,
            Het goet en quaet,

            (55) En watter is gheleghen
            An’t schoon ghelaet.

8.
                Dat was dat mijn
            Soo licht’lijck kon verleyen:
            Ach schoone schijn!

            (60) Ach troetelen! ach vleyen!
            Ach Maechdekijn!
            Ach Maechdekijn!
            Hoe bitter doet ghy scheyen
            Den Dienaer dijn?

9.
                (65) Al waer verwoedt
            Van nijt mijn hart ontsteken,
            Al soodt mijn bloedt
            Wt lust, om my te wreken:
            Een lonckje soet,

            (70) Een lonckje soet
            Sou al de gramschap breken
            Van mijn ghemoet
.
’t Kan verkeeren.


[
b, p. 102]

Requeste,

Lief uyt verkooren,, Lief tryumphant.

T’Vertoont sich Vrouwe,, in alder ootmoet
U Lief ghetrouwe,, en Dienaar goet,
Met weenend’ ooghen,, bedenckt, beschaamt
Versoeck meedoogen,, Prinses vernaamt,

            (5) Mijns lyder smart
            Dees wetten hart
            Sijn veels te vart,
            Van een goed Maacht befaamt.

    2.    Ick onderdanen,, heb nacht, op nacht
(10) Veel sucht en traanen,, ja clacht, op clacht,
Ghestort, ghegooten,, met bitter getreur
Maar noyt ontslooten,, u wreede deur,
            Dit claach ick Godt
            Want treed’ ick tot

            (15) Het staale slot,
            En grendels synder veur.

    3.    Koom ick behendich,, ontrent u gelas
My ontmoet schendich,, snel het ghebas
En t’gerucht der mensche,, dat ick seer haat

(20) Mijn Vrou ick wensche,, en bid ghenaad
            O quamt,, ick namt
            Vant t’hart dat vlamt
            Gheeft dat dit ampt,
            Maar voor my oopen staat.

    4.    (25) Soo uyt ghenaade,, dees jonst gheschiet,
Ick sal die weldaade,, vergheeten niet,
Maar die beloone,, met danckbaarheyt
Met Lof betoone,, ben ick bereyt,
            Tot alder stont

            (30) Doort Heyl verbont,
            Met hert en mont
            Wert uwen naam verbreyt.

PRINSES.
    5.    Voor u wel vaare,, Prinses eerbaar
Stelt hy t’syn
Gare,, brand u Dienaar
(35) In jonst dus vierich,, wech arech vermoen
Syt ghy eergierich,, soo wilt u spoen
            Na dit request
            Soo doet u best
            Ick sech int lest:

            (40) Dus doende sult wel doen.
’tKan verkeeren.


Liedt,

Op de stem:

Iets moet ick u Laura vraghen.

1.
            ACh Florinde! mijn beminde?
            Wanneer sal ick t’loon eens vinden
            Die myn dienst van u verwacht?
            Dat mijn hart op hoop doet leven

            (5) Kunt ghy aen u Dienaar gheven,
            Soo ghy wilt, ghy hebt de macht.

2.
                g’Hebt de volheyt van u jaaren
            Waerom sout ghy niet vergaaren,
            In het hartje van u tijdt!

            (10) Ghelooft mijn Liefje dat de oude
            Ons gheluck, en trou weerhoude
            Niet om u maar haar profijt.

[b, p. 103]
3.
                Princes syt ghy by u sinnen
            Waarom soudy niet beminnen

            (15) Dien ghy aldermeest verkiest?
            En op t hoochste pleeght te setten,
            Saaghdy aan eens anders wetten
            U geliefde, ghy verliest.

4.
                Keurvorstin van u ghedachten,
            (20) Cundy beeter Heyl verwachten
            Als vernoegingh van u Ziel?
            Om u Vriendin te behagen
            Reedt u self gheen eeuwich klaaghen
            t’Sou mijn deeren soo t’gheviel.

5.
                (25) Coningin van mijn begeeren
            Pleeghdy my niet wel te sweeren
            Dat gheen ander boven mijn,
            En sou sitten in u harte?
            Maar (helaas!) ick sie met smerte

            (30) Dattet niet dan woorden syn.
6.
                Heemel! mocht mijn seecker vresen
            Slincx en loghenachtich wesen:
            Dat mijn Hoop schielijck verrees!
            Die nu Ziel tocht om te sterven

            (35) Mits ick wantrou te verwerven,
            Ach! dit is mijn grootste vrees.

7.
                Dat ghy hebt voor mijn verkooren
            Een van hoogher stam ghebooren,
            En driedubbele wel soo Rijck:

            (40) Een van langher lijf en leeden
            En van goonscher grootsche zeeden,
            Doch in Liefd’ gheen mijns ghelijck.

8.
                Heeft natuur mijn niets geschoncken
            t’Geen voor ’tvolc weyts doet proncken

            (45) Van Erfgoen, noch van gheboort,
            Dat wil ick gheduldich draghen,
            t’Is maar schijn en valsch behagen
            Dat de Sotten licht verdoort.

9.
                Laat u sullicx niet beweghen,
            (50) Doch mijn Rijckdom is gheleghen
            Niet in ghelt maar int ghemoet:
            Dat sal u o lief wel gheven
            Een gheruster liever leven
            Dan al ’taarts, en’t Werelts goet.

10.
            (55) Sou Iupin soo licht bewegen
            Met een cleene Goude reghen
            d’Ysere Grendels van dit Huys?
            De wachter op hoop van winnen
            De schender sou laaten binnen?

            (60) By de saerte Danae cuys?
11.
                Die om t’gelts wil hier verkiesen
            t’Alderbeste goet verliesen
            Dat’s de smaack van alle dingh,
            De vreed’, en de soete ruste

            (65) De Vrientschap en lieve luste,
            d’Onverdeyld’ vereenegingh.

12.
                Hier op volghen statigh knaghen
            Nae berou, en droeve daghen,
            Harten leet, en langh ghequel:

            (70) Twisten straf, en quaade vloecken
            Overspel, en t’boos versoecken,
            Rasery, opt lest de Hel.

’tKan verkeeren.


[
b, p. 104]

                Daer is gheen Mensch hy werct een kuer,
            Want sy syn al seer wispeltuer,
            Elck het syn lusten en invallen.

                COORENHART looft de Vangenis,
            Seght datse zoet en Salich is.
            En ERASMUS prijst de Sotheyt.
            ROEMERT de Muts en blaeuwe-Scheen.
            SPIEGHEL de Kunst van wel te Réén.
            HEYNSIUS Bachus en de Godtheydt.

’tKan Verkeeren.
_________________________

Eynde vanden Bron der Minnen.

Continue
[
c, p. 1]

Aendachtigh Liedt-Boeck

VAN

G.A. BREDERODE,

AMSTERDAMMER.

[Typografisch ornament]

t’AMSTELREDAM,
___________________________
Voor Cornelis Lodowijcksz: vander Plasse,
Boeck-verkooper, wonende op den hoeck vande Beurs,
in d’Italiaensche Bybel. Anno 1622.
________________
Met Privilege voor ses Iaren.


[c, p. 2]

Extract uyt de Privilegie.

DIE Staten Generael der Vereenighde Nederlanden, hebben geconsenteert ende geoctroyeert, consenteren ende octroyeren mits desen, Cornelis Lodowijcksz vander Plasse, Boeckverkooper ende Borgher der Stadt AMSTELREDAM, dat hy voor den tijdt van Ses Iaren naestkomende alleene inde Vereenichde Nederlanden sal mogen drucken, ofte doen drucken, uytgeven ende verkoopen de Wercken soo Spelen, Poëmata, Emblemata ende andere Rymerijen vanden treffelijcken Amsterdamschen Poët Gerbrand Adriaensz Brederode Saliger, Verbiedende alle ende een yegelijck Ingesetenen van desen Landen binnen den voorschreven tijd van Ses Iaren naestkomende de voorschreven wercken vanden voorsz Poët, Gerbrand Adriaensz Brederode, in ’t geheele, of ten deele, in ’t groote ofte in’t kleyne te her-drucken, uytgeven ende verkoopen, ofte elders nagedruckt inde Vereenighde Provintien te brengen, om verkocht te worden, sonder consent vanden voorschreven Cornelis Lodowijcksz vander Plasse, by pene van verbeurte van sulcke naghedruckte Exemplaren, ende daer-en-boven vande somme van dry hondert Carolus guldens, T’appliceren een derden-deel daer van tot behoef vanden Officier die de Calengie doen sal, het tweede derden-deel tot behoef vanden Armen, ende het resterende derden-deel tot behoef vanden voorschreven Cornelis Lodowijcksz vander Plasse. Gedaen ter vergaderinge vande Hoogh-gemelte Heeren Staten Generael, In ’s GRAVEN-HAGE opten negenden Aprilis sestien-hondert twee-en-twintigh, ende was geparagrapheert E. vander Marck vt.            Leeger stond,

            Ter Ordonnantie vande Hoogh-Gemelte Heeren
                Staten Generael, ende was onderteeckent

C. Aerssens.



[
c, p. 3]

Een
Sekere Harts-tocht oft ontroeringe, waer genomen uyt mijn woelende gedachten, rechts voor mijn Op-trecken met het Vaandel.

DE Eeren-Ampten zijn wel wens’lijck by de menschen,
Doch d’op-spraak acht ick meer als ’t geen de and’re wenschen:
    Dies ballanst mijn gemoed, dat vast met Reden wickt,
    Het geen een ander kloeckt; mijn moedigh harte schrickt.
(5) De glori daer elck een met moeyten om sou loopen,
Die soeck ick, laas! met schaamt, met anxst-sweet af te koopen.
    Wel hoe Garbrande, hoe! waar is u sin? u wit?
    Waer is dat stoute hart dat in u boesem zit?
Wat heeft u fiere moed soo moedeloos verslaghen?
(10) Schroomt ghy met eeren hier de Prinçe-Vaan te draghen?
    Puft swavels licht geblick, en ’t bald’ren vande Roers,
    ’t Is sotte flauwigheyd; van bloodheyd werdmen boers.
Recht op dijn eerlijck hoofd, al mochtet yemand laacken:
Wie kan ’t Ian-alleman doch recht te passe maacken?
’t Kan verkeeren.


[
c, p. 4: gravure]

Wanneer de mensch bedenkt sijn Ydelheid met leet,
Hy Venus oorloff geeft, en ’s weerelds prael vertreed,
En leent demoedig ’t oor der Deugden heilge leering,
En offert dankbaer Gode het wierook van bekeering.




[
c, p. 5]

Een gerust leven.

Stem: D’Engelsche Fortuyn, &c.

GArbrande, wilt ghy leven recht gerust?
So lieft uyt liefd’ den lieven God met lust:
Schuwt het misbruyk van d’algemeene lien,
Die meer op elck als op haer selven sien.

2. (5) Wilt dat ghy meugt, en wenst geen sotten wens:
Genoegh vernoeght den licht-vernoeghde Mens:
Armoe van wil die salight het gemoed,
Meer als de vreck en rijcken overvloed.

3. Bedenckt u lang, weest vry in ’t hooren snel,
(10) Haet achterklap, spreeckt weynigh, en dat wel:
Siet om of swijght, dijn oordeel schick dijn woord,
Naer eysch van saeck, na ’t vrund of vyand hoord.

4. In boecken-kijf, en woorden spitse strijd
Verwaerloost niet u kostelijcken tijd:
(15) Leeft slecht en recht, leest de suyvere Schrift,
Maer kloeckaerts kunst met rype sinnen sift.

5. Mont-wetenschap het domme vollick prijst,
Harts-wijsheyd steets haer inde daed bewijst,
Niet in vernuft noch kibbeligh verstaen,
(20) De werelt dwaelt in onverstand, en waen.

6. Ghy weet wel veel, so ghy dijn selven kend,
Wat dat ghy waert, wat dat ghy word in ’t end,
Slijm, stof en stanck, der wormen aes, en aert:
Dees kennis baert geen eer-sucht, noch hoovaert.

7. (25) Leeraert u self eer ghy een ander leert,
Of’t is om niet wat ghy Philosopheert:
’t En doet geen nut datmen op yemand smaelt:
En siet niet uyt, maer in u harte daelt.

8. Daer is genoegh dat noodigh dient vervormt,
(30) Dijn Tempel Gods (doch geestelijck) bestormt,
Werpt d’af-Goon uyt van qua gewoont en lust,
Van lief en leed, en van gewaende rust.

9. Van boeldery met Mammon, of den buyck,
Van Duyvels dienst, van ’t ouwe snood misbruyck
(35) Van poppen-goed, van guychel-spel, van schijn,
Van lippen-liefd, en watter meer mach zijn.

10. Sulck kercke-slaen, en heyligh stormery
Is Christelyck, en staet een yder vry:
Maer ’t leecke-boeck is lang veel eer verjaeght
(40) Als ’t beelde-werck dat elck van binnen draeght.

11. Garbrande, wilt ghy leven recht gerust?
So lieft uyt liefd’ den lieven God met lust:
Schuwt het misbruyck van d’algemeene lien,
Die meer op elck als op haer selven sien.
’t Kan verkeeren.


[
c, p. 6]

Geestigh Liedt,

Stem: Ick schou de Wereld an.

            WAT dat de wereld is,
            Dat weet ick al te wis
            (God betert) door ’t versoecken:
            Want ick heb daer verkeert

            (5) En meer van haer geleerd
            Als vande beste boecken.

                2.  Want of ick schoon al las
            Het geen soo kunstich was
            Als Goddelijck geschreven;

            (10) Ten gingh ter ziel, noch sin
            Soo nyver my niet in
            Als ’t eygen selfs beleven.

                3.  Nu heb ick ’t al versocht:
            Soo dol, als onbedocht,

            (15) Soo rauw als onberaden.
            Och Godt! ick heb te blind
            En al te seer bemind
            De dingen die my schaden.

                4.  Een hooft vol wind en wijn,
            (20) Een hart vol suchts en pijn,
            Een lichaem gants vol qualen
            Heeft Venus, en de kroes,
            Of selfs die leyde droes,
            My dickwils doen behalen.

                5.  (25) Och! een bedroeft gemoet,
            En een hert seer verwoet
            Van duysent na berouwen,
            Van overdaet en lust,
            Met een ziel ongerust

            (30) Heb ick in ’t lest behouwen.
                6.  Hoe strengh breeckt my dit op:
            Mijn kruijfde krulde kop
            Die brenght mijn voor de jaren,
            In mijn tijds Lenten voort

            (35) Op ’t swart, en ’t swetigh swoort
            Veel gryse graeuwe hayren.

                7.  Wanneer een ander leyt
            Gestreckt en uytgespreyt,
            En rust met lijf en leden:

            (40) Dan plaeght my aldermeest
            De quellingh van mijn Geest
            Met beulsche wredicheden.

                8.  Dan dringht my door de huyt
            Het bange water uyt

            (45) Door kommerlijcke sorgen,
            Dies my het herte barst,
            En wenscht alsoo gheparst
            Den ongeboren morgen.

                9.  En nimmer ick den dagh
            (50) Alsoo geluckich sagh
            Dat sy my vol verblyden:
            Voorwaer ’k heb uur noch tijd,
            Of ellick heeft syn strijd,
            Sijn lief, zijn leed, zijn lyden.

                10.  (55) Al ’t gene dat de Lie’n
            Ter Wereld mogen sien;
            Of immermeer verwerven,
            En wensch ick niet soo seer,
            Als saligh inden Heer

            (60) Te leven en te sterven.
’t Kan verkeeren.


[
c, p. 7]

Aendachtigh Liedt,

Stem: Mijn ziel maeckt groot den Heer.

            DIE God in zijn gemoed
            Houd voor het hooghste goed,
            Die sal niet anders wenschen
            Als sijnder zielen rust,

            (5) En wel doen met een lust
            Aen alle goede menschen.


                2.  Wat is hier meer gequel,
            Of aerdscher droever Hel
            Als ’t knagen vande sonden?

            (10) Die als sy zijn begaen,
            De ziele eeuwigh slaen
            Veel geestelijcke wonden.


                3.  Wat is hier meerder vreughd,
            Als die heylsame deughd

            (15) Met waerheyd te beleven?
            En sich naer een gemoed,
            Dat niet nae hoogheyd wroet,
            Vreedsamich te begeven?


                4.  Ick trots de grootste mensch!
            (20) Die nae zijn wil en wensch,
            In hoogheyd is verheven:
            Ghy die in ’t hartjen hoord
            Gods eygen suyver woord,
            Gantsch ongevalscht gedreven.


                5.  (25) Niet door verweent verstant,
            Maer door de Predicant
            De Geest des Heeren heyligh,
            Die treckt noch kiest geen sy,
            En maeckt de zielen vry

            (30) Van sonden vranck en veyligh.

                6.  Hoe salich is die man
            Die met God spreken kan
            In ’t tempeltjen der eeren!
            In ’t Kerckjen gebout

            (35) Van silver noch van gout
            Maer van den Heer der Heeren!


                7.  Daer Godt vaeck selver set
            En schrijft syn waerde Wet
            Met Goddelijcke vingers:

            (40) Daer weetmen van geen twist,
            Van vonden noch van list,
            Van felle bitt’re dringers.


                8.  Daer soecktmen staet noch eer,
            Maer de heylsame leer

            (45) Met kinderlijcke vreesen:
            Met waer berou en boet,
            Meer deughdelijck en goet
            Dan wereld wijs te wesen.


                9.  Heer! als ghy my aenspreeckt,
            (50) En innerlijck bepreeckt
            ’t Geheym van mijn gewissen:
            Soo opent mijn gesicht,
            En brenght mijn in het licht
            Wt duysent duysternissen.

’t Kan verkeeren.


[
c, p. 8]

Liedt,

Stemme: Esprits qui souspirees, &c.

ALS ’t oogh van mijn gemoed aendachtigh gaet aenschouwen
De wereld en de mensch die hier soo dwerligh sweeft,
So moet ick, en ick kan ’t, met reden staende houwen
Dat in een stage dood het arme schepsel leeft.

    2.  (5) Het arme schepsel leeft gestadigh in zijn sterven,
Grenst aen zijn laetste nacht, gaept na de laetste sucht,
En moet, eer hy dat denckt, het waen-schijn-leven derven,
Hoe mach ’t een leven zijn dat schichtigh van ons vlucht?

    3.  Recht als ’t speel-siecke kind, met pijpjens gaet op-blasen
(10) Zijn bellen rond en hol tot inde dunne wind:
So is dit leven hier. Daerom ghy aerdsche dwasen
Tast, grijpt, en siet hier na wat dat ghy dan al vind!

    4.  Och arm! een groote Niet is al het smenschen leven.
Een schaduw en een droom, een vertooning, een spel,

(15) Een schijn-ried, een onrust, een kruyce, daer beneven
Een heel onseecker ding, een doodelijck gequel.

[c, p. 9]
    5.  De Werelt fraey vermomt, hoe schoon dat sy mach schynen,
En is niet anders als een dool-hof, een woestijn,
Een rasery, een kuyl, een pijnbanck om te pynen

(20) Haer sotte Lievers die noch in haer kercker zijn.
    6.  Al die door lust of dwangh haer dienen gaen, of eeren,
Die haet die waerheyt eel, en liefd’ de loghen snoot,
Die niet en mindt den Heer, den Heere alder Heeren,
En is die niet (o mensch!) een levendige doot?

    7.  (25) Ghy die dit singht of leest, of die dit hoort verhalen,
Bedrieght u selven niet met dese ydelheyt:
Maer soo ghy hebt gedoolt, en wilt niet blyven dwalen,
En soeckt den waren wech die tot den leven leyt.

    8.  Christus die is de wech, de waerheyt, en het leven,
(30) Bidden wy onse God, zijn al-hulp-rijcke handt,
Sal ons van alles veel en overvloedigh geven,
En een blijf-soete vreughd in ’t eeuwigh Vaderlandt.

    9.  O opper Prins, en Heer, laet u genade-stralen
Op u verloren zoon, op mijn bedroeft aenschijn:

(35) Nae uwe goedtheyd groot, uyt medelyen dalen,
Soo sal ick door u dood in ’t ware leven zijn.

’t Kan verkeeren.


[
c, p. 10]

Cupido reyst van hier ghy zyt hier niet bescheyden,
    U krachten zijn hier dof, ghy zyt hier onbekent.
De GOD, der trouwen GOD vereenighde haar beyden
    Met Liefde. Niet met Min, die qualyck loont int ent.




[
c, p. 11]

Bruyd-Lofs-Gedicht,

Ter Eeren

NICOLAAS VAN SITTEREN,

Ende

HENDRICKJE PIETERS Dr.

SIET hier gesegent paar! siet hier vereende Menschen!
U alderhooghste staat, die ghy hebt konnen wenschen.
O ghy wel saligh paar! Heer Bruygom en Vrou Bruydt,
Die uwe vryery geluckelijck besluyt;
(5) En inde reyne Echt u willigh hebt gegeven,
Om inde vreese Gods eendrachtelijck te leven
In ware heylicheydt, Gods vruchtich, en vreedsaem
Tot lof, en pryse van Iehova groote naam.
    En denckt niet Ionge-lien: dat ghy uyt het bewegen
(10) En neygingh uws natuurs die harts-tocht hebt gekreghen
Tot u vereenigingh: maer dat het is beleydt
Door d’Opper-Hemel-Voochts wyse voorsienicheydt:
Waer uyt d’Antreck’lijckheydt (ô Lievers!) eerst ontspruyt
Dat d’Albestierder voert nae zijn behagen uyt.
    (15) Heer Bruygom en Vrou Bruydt u zielen onderlingen
Die waren al gepaart, al eer sy Lijf ontfingen.
[c, p. 12]
(O wonder schickingh Gods!) u jonst was voor den tijd,
U Houwlyck was gemaackt eer dat ghy hebt gevrijd.
Al eer ghy hebt gemint waardy van Godt verkoren
(20) Tot wettich Man en Wijf. Al eer ghy waart geboren
Met vleys en bloet gheformt dus uyterlijck van schijn,
Soo waardy dat ghy syt, en sultet voortaen zijn:
Ghy Twee waart Een voor God, die doet u weer vereenen
Nu ghy op aerden hier den ander zyt verschenen
(25) In lijflijcke gedaent. Gelijck hy Adam heeft
Sijn Eva toegebracht, soo ist oock dat hy geeft
Het Christelijck getal haer Echt en Ee-genoten,
Na hy in zijn besluyt voorsienich heeft besloten.
Ghy saacht ô Bruydegom! doen eerst u liefde viel,
(30) Op ’t lichaem niet soo seer, als op de schoone ziel
Van u beminde Bruydt; die met soo hooge zeden
En sinnen is versien. Die met welsprekentheden
(Een Goddelijcke gaaf van helder klaar verstant)
Den yver heeft vernieuwt die in u was geplant.
(35) Ghy loecht, ghy loecht haer toe: ghy sweemt in duysent vreugden,
Als ghy den Dool-hof saaght van haer waardige deughden:
Haar innicheyd tot God, haar liefde tot de Leer,
Haar lichaams voeglyckheyt, haar suyverheyt, haer Eer,
Haer goedicheyt des Geests, haar recklyckheyt van sinnen,
(40) Haar vroomheyt van gemoed, haar vriendelijcke minnen,
Haar lieffelijck gelaet, haer minnelijck gesicht,
Doen wiert ghy teenemael ten lichaam uytgelicht,
[c, p. 13]
En smolt met ziel en sin so heugelijck te samen,
Datmen geen onderscheyt in beyden en kost ramen.
(45) Gelijck als d’eene vrundt den ander helsent groet,
Als hy hem onverwacht in vreemde landen moet:
Sy houden en sy sien, en staaren op melkander,
En staan gelijck gegroeyt (van vreughden) an den ander,
Vermits de oude jonst, voor wylen wel gehadt:
(50) Al even en alleens soo waart ghy oock omvat,
Verwondert, en verblydt door ’t luckich overkomen
Der zielen, want ghy stont gelijck als opgenomen.
    Gekroonde waarde Bruydt, verwonnen u niet meest
De groote gaven van u wyse Bruygoms Geest?
(55) d’Oprechtheyt synes ziels, de krachten syner reden,
Sijn weselijck gelaet, syn rechte deeghlyckheden,
Sijn ongemeene deughd, sijn kennis en syn raet,
In saken die de staat van zijn persoon aengaat?
Syn errenst in ’t geloof, die door een goe-gesintheyt
(60) De blinden yver haat der menschelijcker blintheyt,
En waren dit niet meest de trecken, waar hy mee
U zieltjen in syn ziel volkomen komen dee?
    Of sloeght ghy meer dyn oogh op zijn volmaackte leden,
En wel gestelde jeucht, en haar bequamicheden
(65) Als op zijn edel hart? o neen! dat kan niet zijn,
U oordeel is te goet, ghy siet wel door de schijn:
Of wel zijn schoon gestalt des lichaams wort gepresen,
Soo mach het voor zijn ziel doch niet gerekent wesen.
[c, p. 14]
Wats lichaams schoonheyt doch? niet dan een yd’le roem!
(70) Niet anders als een bel! of als een fraeye bloem!
Die voor een korte tijd wel wat te wesen schynen;
Doch in een kleyne wijl verdorren en verdwynen.
    Of hebt ghy als het volck u sinlijckheyt gestelt
Wt woecker, niet van liefd’, maer van ’t vervloeckte gelt?
(75) Dat hoop ick nimmermeer. Die om ’t gelts wil verkiesen,
De ware rust, en lust, en ’t beste goet verliesen.
Hoewel het goet is goet, gebruycktmen recht en wel,
Maer ’t misbruyck leyt de mensch gemeenlijck inde Hel.
    Wat vraagh ick te vergeefs? de Heere heeft u lieden
(80) Vereenight, en verknocht, en alst die wil gebieden
Wie kan zijn wille en geboden wederstaen?
En wat syn Godheyd doet, is dat niet wel gedaen?
    Gaet aan Heer Bruydegom! de liefde die u beyden
Gekoppelt heeft an een, die blijft tot u verscheyden,
(85) Met waare Ionst en min, woonachtigh in u Huys,
Op dat ghy met verdragh draaght d’een des anders kruys.
Indien zijn goetheyt u dat immer mocht toestuuren,
Gedenckt het sal altoos niet eeuwelijcke duuren.
Verslaat u niet te seer soo u het ong’luck treft,
(90) En in u voorspoet u niet sottelijck verheft,
Gelijck de menschen doen, die door Rijckdom van have
Haar hart trecken van God, en bidden an zijn gaven,
En dryven groote pracht, met tijdelijcke goet
Het welck het Schepsel doch ter wereldt laten moet.
[c, p. 15]
    (95) Heer Bruygom en Vrou Bruydt ick wil u voorts vertrouwen,
Hoe ghy u tegen een na Christus woord sult houwen:
Want soo ’ck my niet bedriegh, soo is u dat verstant
Door voorgangh, tucht, en leer van kintsheyt ingeplant.
En of, dat niet en is, u yets noch waar ontbroken,
(100) Dat is u t’achternoen door Gods Geest ingesproken
En andermaels vernieut, door syn heyligh Gesant
Als ghy den ander gaaft u trouwe rechterhant.
Wilt die beloften, en de Ionsten steets gedencken
Die u voor desen de’en u Trouw elckander schencken.
(105) Godt geef dat ick u gun, en u van herten wensch,
Soo salt u gaan so wel als eenigh levend mensch:
Ick wensch dat u de Heer gestadigh wil byblyven,
En dat ghy met geluck u handelingh moocht dryven.
En dat ghy meucht u lust aen al u kind’ren sien,
(110) En wat ghy meerder wenscht, Amen, dat moet geschien.
Soo ghy dit mede wenscht, Maeghden, en Iongelingen
Soo wilt nu al gelijck dit Bruylofts-liedtje singen:
En verciert met u sangh ’t geselschap, en de Feest,
En toont met eerbaarheyt de blydschap van u Geest:
’t Kan verkeeren.



[
c, p. 16]

Bruylofts-Liedeken,

Op de Stem:
O schoonste Personagie!

            GHeluckigh, overluckigh,
            Gesegent paer! die op den dagh van heden:
            Nae al u lyden druckigh
            Syt inde Echt (door Gods beschick) getreden

            (5) Want eer de grond,, Des werelts stont,
            Of eer ghy waert in wesen;
            Heeft God u beyden,,
            Door zijn voorzienicheyden
                Wt gelesen.

                2.    (10) Wt soo veel duysent zielen,
            Gelijck hy sach, als daer toekomend’ waren.
            Want eer u sinnen vielen
            Besloot de Heer u beyden te vergaren.
            En nu ghy t’saem,, Inden lichaem

            (15) Den ander zijt verschenen;
            Heeft God almachtigh,,
            U herten seer eendrachtigh
                Gaen vereenen.

                3.    Recht als hy Adam dede;
            (20) Die hy toebrocht zijn uytgenomen Yve,
            Soo doet den Vorst der Vrede
            Nu huyden oock, met u waerde gelieve!
            Die dese Staat,, Met God aengaat:
            En vollight zijn gebieden.

            (25) Ghy mooght in eeren,,
            Nu wassen en vermeeren
                Jonge Lieden.

                4.    ’t Sijn geen Lycurgus Wetten
            Die Haydens woest tot huwen plegh te dringen

            (30) Noch geen menschen insetten,
            Vol beusel-marckt, van sotte vreemde dinghen.
            Maer ’t is ’t gebodt,, Van onsen Godt
            En Heere alder Heeren;
            Om dat wy souwen,,

            (35) De gayle sonden schouwen,
                En afweeren.

                5.    Veel beter ist te trouwen
            Dan door Wellust onkuyschelijck te branden,
            Doch die hem kan onthouwen

            (40) Is d’Eenicheyt geen sonden noch geen schanden
            Die suyver leeft,, En niet en sneeft,
            Die zijn in bey te prysen:
            Dan sulcke menschen,,
            Die zijn hier wel te wenschen,

                (45) Niet te wysen.
                6.    Doch onder alle staten
            Hoe grootsch, hoe hooch, hoe heerlijck datse schynen,
            Is geen soo uytermaten
            Als d’Echten-stant in ’s werels ront te vynen.

            (50) Geluckich dan,, Is Wijf en Man
            Door ’t Huwelijck besloten;
            Daer sy met sinnen,,
            En Goddelijcke minnen
                Wert genoten.

                7.    (55) De God die ’t eerste wonder
            In
Canaan deed’, moet stadich met u wand’ren.
            Die druck u Tweedracht onder,
            En doet in Wijn u Water droef verand’ren.

            BRUYDEGOM HEER,, Vrou BRUYT vol eer,
            (60) God laet u t’samen leven
            In soo veel vreughden,,
            Als hy een mensch, vol deughden
            Hier kan geven.

’t Kan verkeeren.


[
c, p. 17]

Nieu-Jaer-Liedeken,

Stem: ’t Is huyden een dagh van vrolijckheyd &c.

RIIST uyt den slaep, der sonden snoot,
Weest wacker en voorsichtigh:
Siet op, o mensch! ’t is hooge noot,
Want die saeck is soo wichtigh,

(5) Van d’aertsche schat sy niet belanght,
Maer daer u saligheyd aenhanght,
Het hooghste goet verkoren,
Den oude mensch willigh versaeckt
Wilt ghy zijn als een kind naeckt

(10) Vernieut ende herboren.
    2.    De oude tijdt is soo snel voor heen
Gelijck een windt gedreven,
Maer d’oude mensch berooft van reen
Is oud en boos gebleven:

(15) Waer in dat hy verhard, verstijft,
Door d’oude lust die hem soo drijft
In ’s werelds vals behagen,
Die moetwilligh in sonden blijft,
En met God niet is ingelijft,

(20) Die salt te laet beklagen.
    3.    Tracht nu de nieuwe tijd begint
Nae nieuwe goede sinnen,
Den nieuwen mensch God seer bemint
Die met nieuwe liefd’ beminnen

(25) Sijn waerheyd, sijn woord, sijn leer
Met nieu vertrouwen inden Heer
Die mensch mach hem verblijen,
Want Godes gunst, Gods heyl vol eer
Gods zegen sal na syn begeer,

(30) Hem seer gebenedijen.
    4.    Die d’oude boosheyd staegh behaeght
En kiest tot zijn vermaken,
Die werd in ’t leste hert geplaeght
Met klagelijcker wraecke,

(35) Een verschrickelijck loon van ’t quaed
Sal volgen nae de boose daed:
Och menschen laet het quade,
Bekeert u nu eer ’t is te laet,
Dewijl den toegangh open staet,

(40) Tot den troon der genade.
    5.    Die voor d’oude valscheydt gruw’t,
En ’t oude quaet recht haten,
Die werden inden Geest vernuwt,
En Gods nieuwe lidtmaten.

(45) De Heer vernieut dan haer gedacht,
De Heer die geeft haer versche kracht,
De Heer vervormt haer wenschen,
De Heer heeft op dit nieu volck acht,
De Heer beschermt dit nieu geslacht,

(50) Wel salig nieuwe menschen.
    6.    Geeft Heer dat wy dit Nieuwe Jaer
In nieuwe deughd besteden,
En verleent ons menschen te gaer
Een nieu salige vreede.

(55) Vader geeft dat ons hert en Geest
U kinderlijcken eerd en vreest,
Ootmoedigh en bequame,
En maeckt ons Heer van nieuwen wil
Godvruchtigh, heyligh ende stil,

(60) Als nieuwelingen Amen.
’t Kan verkeeren.


[
c, p. 18]

Aendachtigh Liedt,

Stemme:

O nacht jaloursche nacht, etc.

ICK sal u stucxgewijs, nae ’t leven gaen afmalen
Dat heel seltsame dier, datmen hier Ellick heet,
Het welck de groote grond, van swerelds wyde palen
Op een gelijcke tijdt, en oogenblick betreet.
    2.    (5) Het veel hoofdige Elck is over al geboren,
Ellick leeft hier en daer, elck is verr’ ende hent,
Elck schuylt in ’t Nederlandt, en by de swarte Moren,
En ellick woont in elck, maer ellick onbekent.
    3.    Elck slooft om schat en goud, elck jaegt na ’t goet archlistigh,
(10) Elck heeft sich selfs lief, elck doet syn selfs leyt,
Elck strijdt met ellicken, elck is met elck twistigh,
Iae elck waent hem wijs, en elck is vol sotheydt.
    4.    Ellick snact veel van deughd, en ellick werrickt sonden,
Ellick is averechts, als elck van buyten veynst:
(15) Elck heeft een goeden schijn, en wordt vol quaets bevonden,
Ellicx tongh klapt het geen zijn herte niet en peynst.
[c, p. 19]
    5.    Elck poght met zijn gebreck, vermetel en hoovaerdigh,
Elck is een ander wijs, en meest zijn selven sot,
Elck acht hem schoon en groot, en veel waerdyen waerdigh,
(20) Elck geckt met ellick, en elck wert van elck bespot.
    6.    Elck loopt, elck vloeckt, elck smijt, elck doet veel quade dingen,
Elck maeckt van eere schand, elck soeckt van schande eer,
Elck is ontrou en licht, en vol veranderingen,
Dat elck huyden pryst, veracht hy morgen weer.
    7.    (25) Elck mint het wereldts goet, en haet Gods rijcke gaven,
Elck doet met lust het quaet, en doet uyt vrees het goet,
Elck heeft zyn aerdsche hart, in ’t tydelyck begraven,
En ellick loopt de doodt onwetend’, te gemoet.
    8.    Ick waerschuw’ Elck nu, dat willigh hy gaet derven
(30) Dit aerdsch getuymel, en zijn snoode sonden vuyl.
Och! Elck bidt en waeckt, gedenckt dat ghy moet sterven,
Beveelt u ziel den Heer, en ’t lichaem hier den kuyl.
    9.    O groot en goede God! ghy die ’t al Kan verkeeren,
Vervormt Elcx gemoet, en vernieut Ellicx hert,
(35) Wilt Ellick u gebo’on, soo onderhouwen leeren,
Dat u heylige naem van Elck gepresen wert.
’t Kan verkeeren.



[
c, p. 20]

Aendachtigh Liedeken,

Stemme: Maximilianus de Bossu. &c.

            MIJN sieltje schreyt, dat sucht en weent,
            Mits ick met aerdsche dinghen
            Meer, als met Gode ben vereent;
            En nimmer recht kan dwingen

            (5) Mijn ongebonde sotte wil.
            Heer, maeckt my selve-loos en stil,
            Als u verkorelingen.


                2.    En laet my toch door voorsicht sien
            Hoe grootsch ghy sult verrysen,

            (10) En wat ten jonghsten dagh sal schien,
            Als ghy ’t oordeel sult wysen:
            Op dat ick door ’t schricken bevreest
            De sonden geessel uyt mijn Geest,
            En u grootheyd mach prysen.


                3.    (15) Leert my (o Godt!) mijn boose lust
            Bestrijen en verwinnen.
            Gheeft my inden gemoede rust,
            En Christelijcke sinnen,
            Die noch de werelt, noch haer vreughd

            (20) Maer die d’oprechte ware deughd
            Oneyndelijck beminnen.


                4.    Gaet selfs tot mijnder sielen in,
            Of geeft my te doorgronden,
            Met stagen erenst in mijn sin

            (25) U goetheyt, en mijn sonden:
            Op dat ick in dit jammer dal
            Aen siel noch lichaem niet en val
            Meer geestelijcke wonden.


                5.    Mijn hert, als ghy u kindsheyt siet,
            (30) U jonckheyd, en u leven,
            Ghy en bevind daer anders niet
            Als boosheyd in bedreven:
            Soo ghy u selven nu verlaet,
            En waerdelijck in Gode gaet,

            (35) Hy sal u alles geven.

                6.    Geeft my (o God!) doch wyse raet,
            En menght mijn vreught met vresen:
            Doet my gedencken an de staet
            Van dit vergancklijck wesen,

            (40) Dat soo kort als de wint verkeert,
            En maeckt mijn siel meer God-geleerdt
            Als door letters te lesen.

’t Kan verkeeren.


Stem: De vijfde Psalm.

        GEdenct mijn siel uws scheppers krachtich,
        Die al wat is eerst schiep uyt niet,
        En door zijn woord als noch gebiet,
        Troost u in hem hy sal waerachtich

                    (5) U sijn gedachtich.

            2.    Verdraegt u leet, en syt geduldigh
        In kommer-kans of tegenspoet.
        Erleght in al wat u ontmoet,
        Dat uwe sonden menichvuldigh,

                    (10) Noch meer sijn schuldigh.

[c, p. 21]
            3.    Mijn ziele wilt toch overwegen
        De schoonheydt Gods, en ’t groote goet
        Dat hy gestadigh aen u doet.
        En hoe ghy sijt (voor danck) daer teghen,

                    (15) Tot quaet genegen.

            4.    Ist wonder dan dat Gods goetheden
        Haer wenden van u boosheydt af,
        En die beloont met straf op straf?
        God haet de sonden, en qua zeden,

                    (20) En dat met reden.

            5.    Nochtans al schijnt, dat hy zijn ooren
        Voor u verstopt, en dickwils dreyght,
        Soo is sijn goetheyt, eer geneyght
        Om u gebeden te verhooren

                    (25) Als tot zijn tooren.

            6.    De Heer soeckt u niet te bedroeven
        Met ballinghschap, met kruys en noot,
        Met ouders, of met vrunden doot,
        Met achterklap van snoode boeven,

                    (30) Maer te beproeven.

            7.    Draeght gelijckmoedigh al u spoeden,
        Want vanden Hemel komt ons af
        De bedel-nap, de Conincx staf,
        De rijckdom en de arremoede

                    (35) Yder ten goede.

            8.    Laet my o Heer! niet langer swerven
        Met een gemoet dus ongerust,
        En geeft mijn ziel geen hooger lust,
        Als in mijn hert u te verwerven,

                    (40) En wel te sterven.
’t Kan verkeeren.


Aendachtigh Liedt,

Stem:

Het was een jonger Heldt. Of de Lof-
sangh Maria.

                VIntmen by oudt of jongh
                Soo saligh wel een tongh,
                Die Gods wond’ren kan spreken?
                    Ick hout voorseker neen,

                (5) Want kunst, woorden, en reen
                Die souden eerst gebreken.


                    2.    Hoe sou het slijm en stof
                Heylige Godt u lof
                En grootheydt dan verhalen?

                    (10) Dat al de Eng’len schoon
                En dienaers van u troon
                In mogentheyt moet falen.


                    3.    Wie sal u Majesteyt
                U groote waerdicheyt

                (15) U eygenschap uytroemen?
                    U waerde borgery:
                Als niemandt wie ’t oock zy
                Sijn woordingh niet kan noemen.


                    4.    Nochtans niet soo ick wensch!
                (20) Maer als een danckbaer mensch
                Soo sal ick Heere boogen
                    U goetheyd, en het goet
                Dat my van u gemoet
                En dag’lijcx komt voor oogen.


[c, p. 22]
                    5.    (25) Ghy hebt mijn lijf bereyt
                In mijn moeders geweyt,
                Daer toe een ziel gegeven:
                    En onsichtbaer gevoet,
                Als ghy nu sichtbaer doet,

                (30) En doen sult al mijn leven.

                    6.    Ick danck u Heer daer van,
                Dat ghy my schiept een man
                En brocht in tijdt en stede
                    Daermen u eer bewijst

                (35) En geen Afgoden prijst,
                Gelijck de Heydens deden.


                    7.    Slae ick mijn oogen op
                Ten Hemel inden top,
                U Son schittert van verre,

                    (40) Des daeghs, maer inde nacht
                Soo drijft de Maen haer pracht
                Met goud en silv’re Sterren.


                    8.    En schou ick nederwaert
                Op die vruchtbare aert,

                (45) Soo sie ick ’t meeste wonder
                    Van schepsels en van Vee,
                Van monsteren der zee,
                En het gewas daer onder.


                    9.    Dan barst ick dickwils uyt,
                (50) En roep wel overluyt
                Dat my die dingen leeren
                    Niet slecht op haer te sien,
                Maer dat ick met eerbien
                Der wond’ren God moet eeren.


                    10.    (55) Ick siet, o Heer, wel an,
                Maer wat ist? ick en kan
                Ten vollen niet vol-loven,
                    U goetheyt is soo klaer,
                Soo hoogh soo wonderbaer,

                (60) En mijn verstant te boven.

                    11.    Want u weldaden al
                Sijn talleloos van tal,
                Ghy blijft die noch volharden
                    Aen een onwaerdigh mensch,

                (65) Maer goede Godt ick wensch
                Dat ickse waerdigh werde.


                    12.    Geeft Heer dat mijn Gebedt
                Geschiede sonder smet,
                Van onsuyvere sinnen,

                    (70) En vliegend’ woest gedacht,
                En dat ick door u kracht
                Mijn selven mach verwinnen.

’t Kan verkeeren.


[
c, p. 23]

Christelijcke Ridder.

Stem:

Esprits qui souspirez. Of van Susanna.

WAT staet ghy dus en suft? waer toe dit tril gecidder?
T’sa! t’sa! en rust u toe, en wapent u ter strijt,
Ghy bent van Godt gemaeckt een Christelijcke Ridder,
Quist niet dus ydel (mensch) u over duren tijt.


  2  (5) Treet aen en grijpt een moet, en volligt na de bende
Vanden Opper-Velt-Heer, d’eeuwige Sone Gods;
Laet u geen liefd’ of straf, van zijn Velt-teycken wenden,
Maer blijft hem steets getrou soo syt ghy buyten schoots.


  3  Vat den Schild des geloofs, en ’t Swaert des Geests in handen,
(10) Dat is dat Godlijck woort. En u lendens begort,
Weest nuchteren en waeckt, op dat (van u vyanden)
Door reuckeloos versuym ghy niet verrast en wort.


  4  Wy hebben niet alleen met vleysch en bloet te kempen,
Maer met den ouden Slangh, den helschen hooft-vyant,

(15) Wiens inspreecken wy ten gronde moeten dempen,
En doen hem door ’t geloof een manlijck wederstant.


  5  Al is den vyant loos, geswint en spits van sinnen,
Hoe listigh hy versoeckt, zijn kunst is al om sonts,
Want wie in God vertrout, kan door ’t gebed verwinnen

(20) En blyft den Heer ons by, wie mach dan tegens ons?

[c, p. 24]
  6  Hoewel den drangen noot somtijts ons gaet verstellen
Door des vyants aenloop, en onverwachten slagh,
De Heer die is soo goet, hy kan den lidsart vellen,
Hy laad niet op den mensch meer als hy dragen mach.


  7  (25) Beproeft u selven recht ghy vromen karsten knechten,
Siet oft oock in u schuylt, ’t geen garen overvliet;
Al u begeerten quaet die moet ghy strengh bevechten,
Slaet inden vuylen hoop dat Godt zijn lust daer siet.


  8  Ghy die een ander leert, leert sellifs oock soo stryden,
(30) En strydet met den Heer een Ridderlijcken strijt,
Dat ghy den zegen wint, soo sult ghy oock in ryden,
Op den Eer-wagen schoon int rijcke Godts verblijt.


  9  Opperste Prins en Heer, leytsman van u krijgsknapen
Stelt my inden slachoord daer ick niet en beswijck;

(35) Beschickt mijn (o mijn God) soo overfyn een wapen,
Dat het mijn eeuwigh maeckt by u onsterffelijck.

’t Kan verkeeren.


Liedeken van mijn selven.

Stemme:

Esprit qui souspirez, &c.

HOe star-ooght mijn gesicht? wat mach ’tgepeyns bedelven?
Wat isser in mijn breyn dat tot den Hemel klimt?
O klare Spiegel van de kennis van mijn
selven.
Ghy toont my’t kundich quaet dies my het herte krimpt.

  2  (5) Ick selve sie mijn self met schricken en met schreumen,
Mijn siel is soo bebloet, dat icker
selfs of schurck,
Ach etterachtigh beeldt! mijn krachten die verkleumen,
Ick vrees meer voor mijn self als voor den quaetsten Turck.


  3  Ick selve ben mijn self, en God den Heere tegen:
(10) Ick selve haet mijn self, en lief my in de schijn:
Ick
selve die ben self tot mijn verderf genegen,
Hoe wel mijn selven ick schijn vorderlijck te zijn.


  4  Want my verleyt en vleyt het vleyschelijck verkiesen,
Als ick na wensch en wil my lodder inde lust:

(15) Doch als ick die geniet, so doetse my verliesen
Mijn naem, mijn goede faem, en mijnder sielen rust.


  5  Hoe dickwils heb ick self mijn selven gaen bekyven
Van sonden, die ick
self voor God den Heer beken,
Ick neem wel dickwils voor de boosheyt uyt te dryven,

(20) Maer wat ick doe of laet, ick blijf vast die ick ben.

  6  Helaes, dat ick mijn self geen wetten en kan maken,
Die mijn verpenen straf, of locken tot het goedt,
Dat doet mijn droeve ziel vaeck bitt’re tranen braken,
Met suchten die gepranght, geparst syn uyt mijn bloedt.


  7  (25) Maer wien sal ick mijn leet meer als mijn selven klagen?
Die
selve heb verschult door ’t boeten van mijn wil:
Dus moet ick met gedult mijn smart oock selver dragen,
En klagense aen God, en swygen voorder stil.


  8  Ist dat yemant syn self noch niet en kan bekennen,
(30) Die treet in zijn gemoet, en biechte hem voor God,
Met waer berou en boet: so sal hem Christus wennen,
En brengen door de deught tot dienst van Gods gebod.


  9  O groote Coningh die de gulde heyl’ge rijcken
Der Hemelen besit, en alles over-heert:

(35) Laet in mijn selven doch u lieve goetheyt blijcken,
En van den dwael-wegh my genadelijck bekeert.

’t Kan verkeeren.


[
c, p. 25]

Aendachtigh Liedt,

Stem:

Van Susanna.

DAER synder nu soo veel, die haer seer gaen beklagen
Van ’t swerelds valsch bedrogh, en wonderlijck verraet;
Diens doode weet-kunst, niet soud’ seggen op dat vragen
Wat dat de Wereld is, en waer sy in bestaet?
    2.  (5) ’t Vernuft en reden sal hier klarelijcke afbeelden
Mijn meeningh op de vraegh, hier boven voor gemelt,
Och of mijn God met kunst soo rijckelijck bedeelden,
Dat ick het wit wel trof van ’t geen hier is gestelt.
    3.  De boose wereldt is alleen het boose leven
(10) Vanden wereldsche mensch, die wereldts en verdoort
Hier voor dit wereldts goet, het eeuwige gaet geven,
Om dat des Werelds Prins met goedtheyds schijn bekoort.
    4.  Dit wast dat Salomon, den wysen Coningh, seyde
Van ’s wereldts woest gevaer, soo syn spreuck-boeck verbreyt,
(15) Ydele ydelheyt, wiens lichte lichticheyden,
En vaste vastigheydt, is sek’re onsekerheyt.
[c, p. 26]
    5.  De wereld is vyand, al schijnd sy vrient te wesen
Haer vollick troetelt sy, en lockt door lust de vreemt,
Sy mint de boosen seer, de vrome doet sy vresen,
(20) Het leven ende dood, sy naem en faem beneemt.
    6.  Sy verheught haer in ’t quaet, de sonden syn haer vreughden,
Sy steld ons duren tijdt, en voert ons in het wildt,
Sy is een moorderin, een beul van alle deughden,
Sy is vreck met haer goet, en met het onse mildt.
    7.  (25) Doch den verwaenden Nar, die schenckt sy staet van eeren.
Den gierigaert rijckdom, den gulsigen gebraet,
En den verwijfden bloet, vergunt sy zijn begeeren,
Den pronckert pracht en prael, met kostelijck gewaet.
    8.  O wereld boos van aert! hoe lustigh kondy venten,
(30) U seer goed-schynend’ quaet, dat ghy soo hoogh verkoopt,
Dat het de bruyckers, laes! syn seer sware ziel-renten,
Want u niet-wesend goet, hun in ’t verderven doopt.
    9.  O ghy der eeuwen God! en Heer van alle glory,
O Vader alles goedts! Verlosser van mijn siel!
(35) Geeft ’t menschelijck geslacht, doch over haer victory,
Gunt dat ick de wereld, in my dood en verniel.
’t Kan verkeeren.


[
c, p. 27]

Stemme:

Op de voyse vanden 68. Psalm.

        WAT raestu dolle mensch verwoet?
        Wat klampstu dus met arremoet
        In aver oude twisten?
        ’t Is ydelheyd (o schepsel blind!)

        (5) Dat ghy dijn selven soo vast bind
        Aen ’t wanen of sectisten:
            Want de erf-leer en voorgangh port,
        Datmen onstuymigh toornigh wort,
        Oock vadsich, en versuymel.

        (10) War-geesten kloeck, en kibbel sieck
        Verwecken uyt een wrock, of pieck,
        Veel nickers woest getuymel.

            2.   Hoe derfstu schim met koener kop,
        Soo stijgen hen ten ladder op

        (15) In Gods geheymenissen?
        Meest ’t komt die steets op d’Hemel staert,
        Sijn selfs vergetend’, ende aert,
        In vuyle val te glissen.
            Wat wilstu dan, o aerden worm!

        (20) Gods hoogen raet, en schoener form
        Met aerts vernuft doorgronden?
        Het blind verstant, schermutst en mist
        Gedenckt, o mensch! hoe dat du bist
        Bewentelt in dijn sonden.

            3.   (25) Wie sich tot sulck hert-spieg’len went,
        Sijn eygen snootheyt eerst bekent,
        Dees doet hem Gode kennen,
        En zijn verwende qua natuur
        Leert hy (met Christ) al valt het suur

        (30) Door tegen-wenst ontwennen.
            Ach God, hoe dick en menigh reys
        Weer-streeft dit stribblich weelich vleys
        Mijn redelijck vermogen?
        Wel duystmael (leyder!) op een dach;

        (35) Heer geeft dat ick verwinnen mach
        De Vader vande logen.

            4.   O Schep-Heer my tot dy bekeert,
        Ick bid dat ghy mijn bidden leert,
        Oock sterven, en wel leven;

        (40) Eer dat mijn jaren rollen af,
        En my den doodt het stinckend’ graf
        Sal tot een proije geven,
            Gelijck het lijf hier heeft van noot
        Huys, kleedingh, wijn, water en broot:

        (45) Soo heeft de ziel van noode
        Gesont geloof, verlicht verstant,
        O Heer u Geest, u woord, u hant
        Die treckt ons uyt den doode.

            5.   O Bou-Heer van ’t menschlijck geslacht,
        (50) Suyvert mijn hert, en geeft mijn kracht
        U wegen te bewand’len:
        Maeckt my alleen niet letter-wijs,
        Maer geeft dat ick u goetheyt prijs
        By vromen en verstand’len.

            (55) Wel hem die ’t geen hy kent voor goet
        Recht wel beleeft, en daed’lijck doet
        Met ware goede daden,
        En niet op sijn verdiensten siet:
        Gods segen hier, en nae geniet

        (60) Den Hemel uyt genade.
’t Kan verkeeren.


[
c, p. 28]

BRUYLOFTS-DICHT,

Ter Eeren

ADRIAEN VANDEN HEEDEN,

Ende

CHRISTYNA GERRITS WESTERHOFS.

O Ongeboren GOD! drievuldigh onverscheyden,
Vol onbegrijplijckheydts van u selfstandigheyden.
O ongeboren GOD! voor eeuwigh, en voor Tijt,
Die nieuwers buyten, noch oock ingesloten zijt.
(5) O ongeboren GOD! O oorsaeck aller dingen!
Leerd my den aenvangh van den Echten-stant eens singen:
En reynight mijn verstant, en geeft my kracht, en klem
Van reden en begrijp, op dat mijn swacke Stem
Gevoegelijck met maet de sangerige kelen
(10) Door myne sangh beweegh, u lof-sangh t’helpen quelen:
Iae dat de Engeltjens met onsen lagen toon
De boven sangh ontroert uytschatren voor u Troon.
O driemael Heylich GOD! ick en wil niet beschryven
Wat ghy voor ’s wereldts gront mocht maken, of bedryven,
(15) Want dat is my te hoogh, al doen ’t sommige lien,
Ick heb op Iacobs Leer ’t verborgen niet gesien.
Ick wil maer slecht en recht soo veel mijn oogen mercken,
En soo veel als ick kan getuygen van u wercken:
Het menschelijck vernuft dat doch niet vart en siet,
(20) Heeft vyantschap met GOD, en vat het Godlijck niet,
Maer na de gaven Heer die ghy mijn hebt gegeven,
En naer het gene dat door u Geest is geschreven,
So ty ick dan te werck, op ’t geen ghy myn in geeft:
    Nae dat de groote GOD op ’t water had gesweeft,
[c, p. 29]
(25) En dat hy nae zijn lust, en Godlijck wel behagen
Alles geschapen hadd’ in ses verscheyde dagen,
Soo schiep hy voor het laetst de aldereerste Man,
Waer aen zijn wysheyt deed een wonder proef-stuck an,
Hy nam een klomp of kluyt die hy soo leïch kneden,
(30) En bieck daer af een mensch, een mensch met al zijn leden,
Een mensche hem gelijck, en nae zijn Godheydts sin,
En blies hem door de neus het levend adem in:
Soo wiert den eerste mensch met lijf en ziel geschapen,
Die sonder Godes kracht noch in het stof sou slapen.
(35) Soo wert den eerste Mensch met lijf en Ziel gemaeckt,
Soo is den Adam eerst an lijf en Ziel geraeckt.
Soo wiert de eerste Man tot eeuwigheyd geboren,
Die tot een Coningh selfs van GOD was uytverkoren.
Die tot een Coningh selfs van GOD werdt voortgebracht,
(40) Tot Heerscher, en tot Heer van ’t dierelijck geslacht.
Het lustigh Paradijs, de wereldsche waranden
Stelt hem der Heeren Heer als eenigh Heer in handen.
Gelucksalige Man! die soo veel wert vereert
By wien der Hem’len God soo minnelijck verkeert.
(45) Hoe hoogh is u geluck? O Vader aller menschen!
Och soudy wel, seght my, yet grooters konnen wenschen
Als Gods aenschijn te sien? O neen ghy, waerlijck niet;
Want wie dat eens aenschout, het grootste wonder siet.
De schoone Godheyt is soo hoogh, soo groot van krachten,
(50) Datse geen sterflijck mensch kan sien dan met gedachten,
Zijn goedheyt is soo goed, sulcx dat sy niet en doet
Dan dat wel wenschelijck en heylsaem is en goet.
    De onbegonnen GOD, begon zijn groote wercken,
Met zyne wijsheyd selfs wel grondigh aen te mercken:
[c, p. 30]
(55) Hy vandse alle goed, bequaem en nae zijn wensch,
Behalven als alleen de Gade-Loose mensch,
De Schepper deed een slaep over syn schepsel komen,
En heeft een Ribbe uyt de slapers rugh genomen,
En schiep daer af een Vrou, ô sonderlinge kracht!
(60) Een Vrou werdt uyt een Man ter wereld voort gebracht,
En Adam toegevoeght: Die sy nau was verschenen,
Of hy riep, met een schreeuw, Dit ’s been van mynen beenen,
En vleesche van mijn vleesch.
O heymelijck gemoedt!
Hoe krachtigh is de treck, en kennis van ons bloedt?
(65) Hoe dickwils propheteert de Geest ons van te voren,
Wat ziel tot onse ziel van Gode is geboren?
Vol-doende-groote-God, doen hebdy ingeset
Den Heyl’gen Echten-Standt, de Goddelijcke Wet.
Ghy gaeft de mensch zijn Gay, en voorts was ’t u begeeren
(70) Dat hy hem met zijn zaet mocht wassen en vermeeren.
O goetheydt sonder endt! al wat ghy hebt geplant
Stelt ghy (o Maker!) selfs in uwe maecksels hant:
Ghy maeckt hem u gelijck, O wat genadigheden!
Ghy set hem tegen ’t Oost, inden Lust-hof van Eden,
(75) Toch met een peen des doodts, indien hy hem vergaet
In ’t eten vanden boom des wetens goed en quaet:
Maer List en Licht-geloof die doen ons god-vergeten
Noch alle daegh de vrucht daer wy de dood aen eten,
En dat was Adams val in ’t lustigh Paradijs,
(80) Leerdt nu met anders scha, O Bruydgom! sydy wijs.
O Bruydgom! sydy wijs, soo leerdt aen Adams schade
En bruyckt doch danckbaerlijck de volheyd der genade,
Die u de Heere doet. Aensiet u lieve Bruyt
Hoe blinckt haer schoone Deughd ten kuysschen oogen uyt:
[c, p. 31]
(85) Haer zeden en gelaet de grootste ziel sou troonen
Beweeghlijck uyt syn borst om steets by haer te woonen.
En voeldy niet een kracht, en tuygingh in u bloet,
Dat dit u halve ziel u eygen wesen moet?
Ick houd gewis en vast. En siedy daer niet blaken?
(90) Daer wassen Roosen op haer Lely-witte Kaken,
Haer soete roode mont die toont u seer verblyt,
Dat ghy haer hooghste goed, en al haer leven zijt.
O lieffelijcke Bloem! van d’alderbester lof,
In ’t oosten niet gezaeyt, maer in ’t soete Wester-hof,
(95) Dat d’Opper Bou-Heer selfs den Bruydegom van Heeden
Tot eeuwigh gunnen wil in wenschelijcker vreden.
Dat uyt u Wester-hof mach werden voort gebracht,
(God-vruchtige Kristijn!) Een Kristelijck geslacht,
Die in een ronde kringh u disch mogen besluyten,
(100) Gelijck een Groene-Boom met jonge Groene-Spruyten,
Een çingel-trans hem maeckt, en roept als ghy dit siet:
Van Heeden is dit huys een saligheyt geschiet!
Van Heeden
moet u t’saam soo veel voorspoets geschieden,
Als God u geven kan, O brave Ionge-lieden!
(105) Van Heeden wensch ick u, o waerdige Kristijn!
Dat ghy noch binnen ’t Iaer mooght blye-Moeder zijn.
’t Is tegen mijn beroep mijn wyser yet te leeren,
Ick wijs u vanden Mensch op ’t eygen Woordt des Heeren,
Dat is van sulcken kracht, voor die ’taendachtich leest,
(110) Dat het de Zielen troost door Godes Heyl’gen Geest:
Geen moeden soo verlaen met droefheyt, noch met plagen,
Of daer in vindmen raet om wel zijn kruys te dragen.
Komt u de Zegeningh van God in overvloet;
Danckt God, besit u schat met een gelijck gemoet,
[c, p. 32]
(115) Want nae des werelts loop die dingen haest verkeeren,
Men moet sich voor de noot, de noot, te dulden leeren.
    Noch loop ick uyt de tret dien ick docht eerst te gaen,
U wysheyd duyd’ in ’t goed mijn al te stout bestaen
Eersamen Bruydegom, wilt goedichlijck gedencken,
(120) Dat yeder een is mildt in ander raet te schencken.
Gaet, doet als ghy behoordt, gaet henen alle bey:
En plant u eerste vrucht op d’eerste nacht van Mey.
’t Kan verkeeren.


BRUYLOFTS-LIED,

Stem: Sal ick langher met heete tranen, &c.

            GHY moet de feest met vreught ver-eeren
            Joffrouwen schoon, vol blijtschap soet:
            Wilt ons een deuntje quinckeleren
            Wt een verheught en braef gemoet:

            (5) Want nu wy zijn,, Hier by de wijn,
                        Isser dunckt mijn
                        Geen vrolijcker geneucht,
            Als die vermakelijcke Tafel-vreucht.

                2.    Wech met de koude suffe-sinnen,
            (10) Bekommert met het aerdsche goet:
            Al mochtmen al de wereldt winnen,
            Wat isset alsmen ’t hier laten moet?
            Och niet en mijdt,, ’t Is nu een tijdt
                        Om wel verblijdt

                        (15) Te singen uyt der borst,
            En eens te drincken voor de drooge-dorst.

                3.    Ionghmans ick sie u wel beschouwen
            Met opgetogen hert en geest,
            De schoonheyt groot van u Juffrouwen,

            (20) Die hier vercieren de Bruylofts-feest.
            Wat heeftet sien,, Toch te bedien?
                        O jonge lien!
                        Geeft ellick aar een kus.
            Of ghy’t niet wist: soo doet ten minsten dus.

                4,    (25) Een kusjen is maer een af-vegen,
            En immers ist soo soeten dingh:
            Komt laet ons kussen eens te degen:
            Ick kus veel liever dan ick singh,
            Wel dat gaet wel,, Maer ’t is te snel,

                        (30) Ay siet niet fel!
                        Ick doe u doch geen seer,
            En soo ’t u lust kust mijn vry helf te meer.

                5.    Vaert eeuwich wel Getroude Lieden,
            Aen siel en lijf, aen bloedt, aen staet:

            (35) Godt laet u soo veel goedt geschieden
            Als wy u wenschen vroegh en laet.
            Gaet
HEEDEN of,, Nae WESTERHOF,
                        Wiens edel lof
                        Is lustich, schoon, en frey,

            (40) Gaet heen en plant de soete koele Mey.
’t Kan verkeeren.


[
c, p. 33]

Nieu-Jaer-Liedt,

Stemme: O schoonste personagie, &c.

            VErnieut, o mensch! dijn leven,
            Doet op de poort van ’t slaperich hert en ooren.
            Siet hoe d’Engeltjens sweven,
            Wiens soet gejuyg ghy kennelijck meugt hooren:

            (5) Sy singen seer
            Gods hooghste eer,
            Het schepsel vreed’ op aerde,
            Blixem en Wolcke
            Doorscheurde, en ’t licht den volcke

                    (10) Openbaerde.
                6.    De anghstvallende kudde
            Door bleke vrees besturven, schichtigh trilden:
            De bange Herders schudde,
            Een bootschap blyd’ haer bloode herten stilde,

            (15) Die sand haer doe
            Nae ’t Bethlem toe,
            Gods rijcke Soon te soecken,
            Die s’arrem vonden
            In een krebbe gewonden,

                    (20) Inde doecken.
                3.    Het goude Hemels teken,
            De Leyd-ster klaer bescheen der Vorsten tenten,
            Hier werden door ontsteken
            De Coningen van ’t goud-rijck Orienten,

            (25) Dies reysens lust
            Haer gaf geen rust,
            Voor sy in Bethlem togen,
            Daer sy nae ’t draven
            Hem offerden haer gaven,

                    (30) Nae vermogen.
                4.    O Geestelijcke Schapen!
            Wat slaep-kruyt houdt u oogen soo gebonden,
            Wat doet u dood’lijck slapen,
            In ’t schalck bedrogh van Duyvels list en sonden?

            (35) Went u gesicht
            Nae ’t levend’ licht,
            Verlaet de aerdsche palen,
            En vliet van ’t quade
            God sal u met genade

                    (40) Licht bestralen.
                5.    Die eenvoudige lieden,
            Oprecht en slecht van ’t waenwijs volck verschoven,
            Liet Godt voor eerst ontbieden,
            Hoe dat zijn Zoon vernedert quam van boven,

            (45) Want Godt wierd mensch
            Om ons na wensch
            Met zijn armoed te rijcken,
            Die van haer goeden
            De nood-druftige voeden

                    (50) God gelijcken.
                6.    Nae-yvert u voorbeelden,
            Ghy Princen stout, ghy weecke groote Heeren,
            Die swemt in ruyme weelden,
            In leckerny, in lust, in bancketteren,

            (55) Die ’t wel insiet
            ’t Swaert en ’t gebiet,
            Dat is u lie’n gegeven,
            Om ’t quaedt te snoeijen
            Doet elck in liefde bloeijen,

                    (60) Door u leven.
’t Kan verkeeren.


[
c, p. 34]

Klachtigh A.B.C. Liedt,

Stemme: Mijn hert versucht eylaes, &c.

AEnschout, o Heer, mijn hert! en wilt dat eens vervormen:
Bereydt mijn na u wil, monstert uyt mijn het quaet,
Comt hellept mijn, o God! verwinnen en bestormen
Den loosen Sathan, die mijn salicheyt seer haet.
    2.  (5) Een duysent kunstenaer, is dese die met listen
Flucks met zijn schalckheyd snoot, de arme Menschen dwinght.
Ginck ’t mijn vyand na wensch, hy maeckten my on-Christen,
Helpt Heer mijn schoone ziel, eer hy die we’er bespringht.
    3.  Ick wierd eerst door mijn jeucht, gevangen en gebonden,
(10) ’K en kon den droch noch niet, die met zijn listigheydt
Lustich had op gepronckt, de wereld en de sonden,
Met fier en schoon gelaet, dat my haest heeft verleyt.
    4.  Noch quam den schijn-wellust, met Juffrou valsch behagen
Omhelsen strengh mijn hals, met een waen-vreuchde soet,
(15) Porden, jae drongen my dat ick haer jonst moest dragen,
Quetsten, och armen! dus mijn Godvruchtich gemoet.
    5.  Reden wert daer geboeyt, en sotheyt wert verheven,
Siet wat een swacken dingh is de mensch’lijcke stant:
Trouwens het is mijn schult, al wat ick heb bedreven,
(20) Vergeeft my dat, o God! beschermt my met u hant.
    6.  Wilt u genadich oogh, o Prins! niet van mijn keeren,
’Xerceert mijn in ’t goet, ’t welck ick noch niet en ken:
Yder sal dan met mijn u hooge goetheyd eeren,
Zo ghy mijn maeckt de geen die ick noyt was, noch ben.
’t Kan verkeeren



[
c, p. 35]

Aendachtigh Liedt,

Stemme:

Sal ick langer met heete tranen, &c.

WAen-wyse lieden, valsch van oordeel,
Geslacht-sieckt is maer sotte pracht,
Ten doet in u geboort geen voordeel,
Noch ’t çiert u met geen kunst, noch kracht,

            (5) Was dijn af-komst
            De rijckst, de vromst,
            Was dijn af-komst
Seer hoogh begaeft van God,
Wat nuttet sydy selven nar of sot?


    2.    (10) Veel Ouders zijn van Geest doorluchtigh,
Groot van vernuft, dapper en rijck:
Haer kind’ren boersch, nesck en ontuchtigh,
In geene zeden heur gelijck,
            Die ’t wel besiet

            (15) Af-komst seyt niet,
            Die ’t wel besiet,
Een quist-goed baert een vreck,
Een wyse Vader teelt wel een geck.


    3.    ’t Is beusel-marckt dan veel te roemen,
(20) Van oude stam, wel eer vernaemt,
Alsmen in ’t maeghschap u niet mach noemen
Of dat u bloed-vriendt uwer schaemt,

[c, p. 36]
            Door misbruyck, of
            Van slemp, van slof,

            (25) Door misbruyck of
Soo quaet gebreck u deert;
U bloed verwanten ghy selfs seer onteert.


    3.    Alleens werden wy meest geboren,
Maer niet alleens tot deughd gement.

(30) ’t Goed leven, oft quaed werdt verkoren
Nae dat den mensch hem selven went.
            Voor-Vaders deughd
            Geeft wel een vreughd,
            Voor-Vaders deughd

(35) Men niet als rijckdom erft,
En ist niet jammer dat sy met hun sterft.


    4.    Geschapen dingen kan men wennen,
Recht (alsmen seyt) van ’t jonge rijs
Het ed’le schepsel sich selfs leert kennen

(40) Door sticht’lijck volck en onderwijs,
            d’Opvoedingh doet
            Veel nut en goet,
            d’Opvoedingh doet
Oock datmen schier ontmenscht,

(45) Men raeckt (God betert) licht in quade wenst.

    6.    Men mocht de goe natuur wel vloecken,
Schiep sy de armen soo veracht,
Datmen de deughd alleen moest soecken
By snorckers van haer groot geslacht,

            (50) God heeft voor al,
            Door schick of val;
            God heeft voor al
Daer heerlijck in versien;
Men vint by rijck en arm wel goede lien.


    7.    (55) Ghy vrouwen grootsch, en trotsche Heeren,
Bouwt niet te seer op ’t avontuur,
U hoogheyts staet haest kan verkeeren,
En oude armoe smaeckt soo suur.

            De hooge moet
            (60) Op oor of bloet,
            De hooge moet
Met reden wort begeckt,
Wat baet u’t suyver bloet als ghy ’t bevleckt?


    8.    Ghy wereld-volck of rechte wysen,
(65) En pronckt niet met eens anders deught:
Dijn eygen leven laet u dat prysen,
Dat geeft de ziel een meerder vreught:
            Soeckt niet te vert
            Gaet in u hert,

            (70) Soeckt niet te vert
Siet wat ghy selven bent,
En lastert niemant die ghy niet en kent.

’t Kan Verkeeren.


[
c, p. 37]

Aendachtigh Liedt,

Stemme:

O roosje root! o peerle jent! &c.

                    VErmaledyden
                    Gelt-honger snoot,
                    Die nu dus byden
                    Mensch is soo groot,

                    (5) Want d’eygen baet
                    Blijft onversaet,
                    Altijt
Door ’t gierigh begeeren die hun ’t hert verbijt,
                    Nootdruft en maet

                    (10) Hy gantsch versmaet,
                    En mijdt,
Tot hem de gierigheyd recht kastijt.

                      2.  ’t Verdoemt begeeren
                    Alsmen ’t verwerft,

                    (15) Gaet sich vermeeren,
                    Dus die ’t niet sterft
                    Die quelt,, syn hert
                    Verselt,, met smert
                    En siet,

(20) Sijn volkomen wenschen verkrijght hy niet,
                    Hy is te vart
                    In ’t gelt verwart,
                    ’t Geschiet
Dat dan noch ’t geldt zijn Meesters gebiet.

                      3.  (25) ’t Ellendigh leven,
                    En vervloeckte vrucht,
                    Van die haer geven
                    Tot dese gelt-sucht.
                    Diens hert,, derft,, rust,

                    (30) Door smart,, sterft,, lust
                    Hen af:
En dese gelt-sieckt helpt heur in ’t graf,
                    Mits giericheyt
                    Hun haest bereyt

                    (35) Een straf,
Want sy haer dienaers noyt de kost en gaf.

                      4.  Fy onbedochte
                    Gierige lien!
                    Die korts verkochte

                    (40) So men heeft gesien,
                    U kindt vermaart,
                    Aen een Rijckaart
                    Soo ’t scheen,
’t Geldt berooft de mensch van alle re’en;

                    (45) Hebt ghyse gespaert
                    Hier toe bewaert
                    Voor een,
Die u met goudt de oogen sou bekleen?

                      5.  U blintheyt blinde,
                    (50) Blinder dan blindt
                    Sult ghy bevinden,
                    Ghy die voor u kindt
                    Haer voordeel niet
                    Te recht insiet

                    (55) Om ’t gout.
Siet dat het namaels u niet berout,
                    Als haer ’t verdriet
                    Van hem geschiet
                    Vertrout,

(60) Dat ghy dan geen beklagers hebben sout.
[c, p. 38]
                      6.  Wie sout beklagen
                    Die ’t sijn selfs doet?
                    Door ’t snoot behagen
                    Van ’t valsche goet:

                    (65) Ghy socht veel meer
                    Het geld, als eer
                    En deughd,
Ghy waenden in ’t geldt den grootsten vreughd,
                    Maer als dit weer

                    (70) Eens neemt zijn keer,
                    Soo meught
Ghy dit beschreijen met veel ongeneucht.

                      7.  ’t Sijn ware Princen,
                    Jae Heeren groot,

                    (75) Die niet veel winschen,
                    En die verstoot
                    Den overvloet
                    Van ’s werels goet
                    En pracht,

(80) Die heeft een Princelijck gedacht,
                    Die sich matelijck voet
                    Nae zijn honger soet,
                    Ick acht
Dat sulcken Prins ’s werelds doen belacht.

’t Kan verkeeren.


Stichtigh Clagh-Layt,

Stemme: Ick ly in ’t hert pijn ongewoon, &c.

            O God stiert in mijn slechte siel,
            Doof van gedachten,
            God’lijcke krachten,
En wilt my, die voor u Heer kniel,

            (5) och oock mijn klachten,
            Doch niet verachten:
U maecksel selfs bereyt tot bidden Heere!
            Dat ick met nederheyt
            U hooge Majesteyt

            (10) Eerbiedigh eere.
        2. O Heer! die voormaels hebt gesticht
            De Firmamenten,
            En groote tenten,
Van ’t Hemel-hof, en ’t lichte licht

            (15) Dat uyt Orienten
            Nae syn gewenten
Soo triumphant verrijst, in den daegh’rade.
            Mijn hert u goetheyt prijst
            Die ghy soo milt bewijst,

            (20) Aen goed en quade.
        3. Leert my u Lof-sangh Heer, met rijm
            Cierlijck opsmocken,
            En wel gelocken:
O Vader! die uyt bloet en slijm

            (25) My hebt getrocken;
            Wilt doch verrocken
Mijn herte van het boos, en sot verkiesen,
            Waer door wy menschen broos,
            Soo wilt als reuckeloos,

            (30) Ons heyl verliesen.
[c, p. 39]
        4. Ghy hebt ons Heer van water, vuyr,
            Van doot, van leven
            De keur gegeven.
Maer laes! het oordeel valsch doet hier

            (35) U schepsels sneven,
            Die ’t quaet nae streven.
O wat bedroefder saeck! ist voor ons allen
            Dat wy om schijn-vermaeck
            Soo menighmael, soo vaeck

            (40) In sonden vallen?
        5. Van al, die op der Aerden-kloot,
            In sonden vielen:
            Noch noyt en hielen
U Wet, en wasser gheen soo snoot

            (45) Als dese ziele!
            Daer noch in kriele
En grim’len bol en dick, veel qua gebreken:
            Soo dat ick Heer verschrick
            Soo menigh reys als ick

            (50) U aen wil spreken.
        6. Ick heb u werck te seer bemint;
            Och ick verkeerde!
            Ick Af-goddeerde
Met lust aen ’t tijdlijck goet verblint,

            (55) Dat ick begeerde,
            Ja prees en eerde
Meer als mijn salicheyt, O blinde kennis!
            Die sonder onderscheyt
            Mijn willen hebt verleyt

            (60) In alle schennis.
’t Kan verkeeren.


Aendachtigh Liedt,

Stemme:

Aenhoort doch mijn geklagh ghy Ruyters fray.

            ’t GEmeene volck en ’t puyck
            Als Ketters zijn gedreven,
            Vrypostigh en ter sluyck
            Nae elcx Afgod de buyck,
            (5) Dees leyt van ’t recht gebruyck
            In een doodelijcke fuyck,
            Met schijn van wel te leven.

               2.  Al levend syn sy doot
            Die inde Wereld woelen,
            (10) Elck voert zijn ziel in noot,
            Al is Gods goetheyd groot,
            Sijn schepsel hem verstoot,
            Want siet de mensche snoot
            Met haer lust-Goden boelen.

               3.   (15) Elck smeet uyt waen een God,
            Elck wil met Pallas proncken,
            Elck soeckt Plutoos genot,
            Elck doet Venus gebod,
            Elck werdt van elck bespot:
            (20) Want elck dient sat en sot,
            Den Bras-God dol en droncken.

[
c, p. 40]
               4.   Verblinde mensch ghy mist,
            Laet af van ’t Afgodderen,
            Gaet uyt u selfs in Christ,
            (25) Moeyt met geen Kercken-twist,
            Verwaende sotheydt ist,
            Van Gods afcomst met list
            Te vernufteliseren.

               5.   De letter-vretery
            (30) En ’t pralen met veel boecken,
            Sticht inden mensch (dunckt my)
            Geest’lijcke hoovaerdy,
            Roem-sucht en klapperny,
            Fael-grepen, van te vry
            (35) En te diep ondersoecken.

               6.   Wat schrijft, leeraert of preeckt,
            Gaet vrymoedigh uyt dond’ren
            Wat God docht, denckt of spreeckt,
            Waer schrift-wijs sich in steeckt?
            (40) Mensch of ghy eens bekeeckt
            Wat u noch goeds gebreeckt
            Ghy sout u seer verwond’ren.

               7.   Van u verdwaelsheyt drijst
            En oock van Gods genade.
            (45) Bid, waeckt, wan-hoopt noch yst
            Voor God die ’t alles spijst,
            Wel hem die Gode prijst,
            En zijn geloof bewijst
            Met Christelijcke daden.

               8.   (50) Die klap-sieck mont gelooft,
            Pracht drijft met hersen-reden,
            Want syn scherpsinnigh hooft
            Een woort tot hayr toeklooft,
            Slecht, en recht wert verdooft
            (55) Die acht meer datmen slooft
            En goede wercken deden.

               9.   Die weet dat hy niet weet,
            Die heeft een goet geweten;
            Die in zijn herte treet,
            (60) En biecht voor God met leet
            De sonden, die hy deed
            Met tranen, bloed en sweet
            Sal sich niet groots vermeten.

               10.   Heer geeft myn dit insicht,
            (65) En maeckt my recht verstandel,
            Soo door u Geest verlicht
            Dat ick voldoe mijn plicht,
            Geeft dat mijn simpel dicht
            My en mijn naesten sticht,
            (70) In leven en in wandel.
’t Kan verkeeren.


[
c, p. 41]

Liedeken,

Stemme:
So’k heb ghemint, &c.

DIT Leven werdt van my een snelle windt geheeten,
Of recht des boosheyts kraem, daer yder door ontmenscht:
Waer in de ed’le Mensch so gantsch hem gaet vergeten,
Dat hy de doodt vervloeckt, en ’t leven hongh’righ wenscht.

    2.    (5) Wat vreest ghy voor de doodt? o ghy verbaesde lieden!
’t Is ’t eynd van alle ding, en der vermoeyde rust:
Een onbreeck’lyck geset, dat ellick moet gheschieden,
Voor hy van’t aerds tooneel raeckt in d’eeuwige rust.

    3.    Een goeden dood die is d’inganck van ’t goede leven:
(10) Den doodt die is een Boodt, dienstigh ter saligheydt.
Een Schat-heer is de doodt, die ellick tol moet geven:
De doodt die is het laetst’ alsmen van ’t leven scheyt.

    4.    De dood die is een slaep, een Moeder aller dromen,
De doodt die is een dief van alles wat hier leeft,

(15) Sy is der boosen straf, en ’t loon oock vande vromen,
De doodt is een ontsich daer elck voor sucht en beeft.

[c, p. 42]
    5.    De dood een toevlucht is van die bedroefde menschen,
Haer haven en haer hoop, en haer seer soete troost:
Sy is der rijckaerts schrick, der armen herten wenschen.

(20) De dood ontlast de geen die noodigh zijn verpoost.
    6.    Hy heeft seer wel geleeft die niet behoeft te wesen
Seer verschrickt voor de doodt, met een anghstigh afgrijs:
Die qualijck heeft geleeft die siet men haer seer vresen:
De doodt die is gebaert in ’t lustigh Paradijs.

    7.    (25) Wat maeckstu aerdschen geck? wat boutstu hooge muren?
Wat waenstu dat te zijn voor u een scherm of schilt?
De tijd breeckt alle dingh, de dood de Creaturen:
Daeromme leeft (o Mensch!) soo als ghy sterven wilt.

    8.    Hy die dit liet eerst sangh, vermaent u en zijn selven
(30) Te sterven met berou al d’oude boosheyt snood:
Eermen de doode romp, in d’aerde weer gaet delven:
Want, laes! geen bet’rens tijd en is hier nae de dood.

    9.    O hooge Hemels Prins, wilt my, verdoolde, geven
De kennis uwes weghs en van u Godlijck woordt,

(35) Voert my door dees mijn dood in ’t eeuwigh blyde leven:
Geeft my u geest, o Heer! en wat daer meer toe hoordt.

’t Kan verkeeren.


[
c, p. 43]

Camer-Liedt,

Stemme: Met gantscher bedruckter herten, &c.

        O Ghy Geesten kloeck van sinnen,
        In Liefd’ Bloeyende vergaert,
        Die de Reden-kunst beminnen
        Sijt ons welkom, lief, en waert,

            (5) Ghy Rymers doorluchtigh,
            Vol spitscheyt hoogh-vluchtigh,
            En sindelijck vernuft,
            Wilt niet langer peynsen,
            Waer toe dient dit veynsen?

            (10) ’t Is langh genoegh gesuft.
            2.  Het lieffelijck redeneeren
        ’s Menschen ziel lustigh verquickt,
        Yets goets met vreughde te leeren
        Over disch, niet qualijck schickt,

            (15) Vrolijcke gedichten
            Vermaecken, en stichten
            Den aendachtigen man,
            Die het wel geschreven
            Hier soeckt te beleven,

            (20) Nae ’t beste dat hy kan.
            3.  ’t Is loffelijck veel te weten
        Als het tot Gods eer geschiet:
        Maer ach! leyder! wy vergeten
        Meest het geen ons God gebiet:

            (25) Die van y’le saecken
            Hier yets grootsch kan maecken,
            Men tot den Hemel looft,
            Doch meer is te prysen
            Die steets met de wysen

            (30) Christelijck philosoopht.
            4.  Vele dolle droncken wynen
        Onse tafel niet en ciert,
        Geen Harten noch wilde Swynen,
        Phasanten, oft vreemdt gediert:

            (35) De Vader der Meyren
            Gaet ons wel stofferen
            Met smakelijcke visch,
            Gesoon en gebraden.
            Inde overdaden,

            (40) Geen rechte wel-lust is.
            5.  Gulsigh eten ofte drincken
        ’t Reysich lijf te veel vermast,
        d’Oversorgh de ziel doet sincken
        In kommer-kans, anghst en last.

            (45) Hy leeft wel na reden,
            Die vernoeght in vreden
            Met ’t geen hem God verlient.
            Kunt ghy maer stillen
            U vrecke willen,

            (50) Ghy hebt al wat u dient.
            6.  ’t Verkrygen van aertsche wenschen,
        Geen volkomen rust en brenght:
        ’t Hert van gier’ge vrecke menschen
        Is met heb-sieckt steets vermenght.

            (55) O doolende blinde!
            Waent ghy hier te vinde
            De rust in u veel goet?
            ’t Sal u dapper misse,
            Want nieuwers en isse

            (60) Als in ’t vernoeght gemoet.
[c, p. 44]
            7.  Die zyn lust wel kan ghebieden
        En wel wijss’lijck met maat betoomt
        Sijn eerst rechte rijcke lieden;
        Niet ghelijck den rijckaart droomt

            (65) Die in overvloede
            Van zyn aartsche goede
            Soeckt saligheyd, en rust.
            Die kleyn en wel leven
            Wert van God gegeven

            (70) Een eeuwigh blije rust.
            8.  Ghy Meesters en wyse Heeren
        Neemt in danck mijn ruyge kunst,
        Ick en kan u niets vereeren
        Na de grootheyd van myn gunst,

            (75) Ick hoop dat u lieden
            Niet in ’t quaet sult dieden,
            Of ’t rymen niet en vloeyt,
            Laet op heden blijcken
            Dat ons Reden-rijcken

            (80) Alhier In liefde bloeyd.
’t Kan verkeeren.


Liedeken.

Op de wijse: Als ’t begint.

WIE boven al zijn God bemind,
Sijn God in alle dingen vind;
Wie yet meer wil verkiesen
Sal God en Mensch verliesen.


  2.   (5) Wie wyslijck doen wil woecker winst,
Dien mind God meest, zijn selven minst,
Die hem tot God kan neygen
Die maeckt van God zijn eyghen.


  3.   Min ick een mensch dat seker is,
(10) Dat hy my mint is t’ongewis,
Dus wil ick God mijn leven
Mijn ziel en alles geven.


  4.   Want God is trou, die trou oock houd:
Maer die hem op menschen betrout,

(15) Vertrout hem oock de logen,
En is vervloeckt bedrogen.


  5.   Hy is wel dol, wel sot, wel blind
Die yet meer als zijn God bemind.
Het zijn verloren menschen

(20) Die oock yet anders wenschen.

  6.   Want alles wat men sichtbaer siet,
Dat is een sichtb’re groote niet,
Daer niet op is te bouwen,
Maer God is te vertrouwen.

’t Kan verkeeren.


[
c, p. 45]

Aendachtigh Liedt,

Stemme: ’t Windeken daer het bosch, &c.

T’Sonnetje steeck zijn hoofjen op,
En beslaet der Bergen top,
        Met zijn lichjes,
        Wat gesichjes,

(5) Wat verschietjes verd en flauw
Dommelter tusschen ’t grau en blauw.


    2    ’t Vochtige Beeckje blinckt verciert,
’t Vrolijck Vinckje tiereliert,
        Op de tackjes,

        (10) Wilt en mackjes,
En weer strackjes op een aer
Huppeltet met zijn weder-paer.


    3    d’Hemelen werden meer begroet
Van de Diertjes kleyn en soet,

        (15) Als van Menschen,
        Die maer wenschen
Nae het aerts vergancklijck goet,
Datmen hier doch al laten moet.


    4    Hemeltjes wijs en wel geleert,
(20) Meer met reden gestoffeert,
        Als de lieden
        Die ’t gebieden
Van een werelt noch verdriet,
Sy hebben u vernoegen niet.


    5    (25) ’t Herdertje met zijn wolligh Vee,
Schrolt op’t volckje vande Stee,
        Daer zijn knaapjes,
        Van zijn schaapjes
In zijn slaapjes sacht en stil,

(30) Willigh voldoen haers Heeren wil.

    6    Menschjes God geeft ellick zijn deel,
Maer elck doet zijn best, om veel
        Te vergaren,
        Dan ’t bewaren

(35) Voor de Jaren, is een kunst,
Danckt de Goden voor haer gunst.


    7    Geen dingetjes so slecht, so teer,
Of sy geven ons een leer,
        Wilt maer mercken,

        (40) Op de wercken
Vande Goden wonderbaer,
Niet en vindy sonder haer.


    7    O redelijcke Beesjes dwaes!
’t Onvernuftigh Vee, helaes,

        (45) Is veel nyver,
        En veel styver
In den yver tot Gods lof,
Als den Mensch van ’t beste stof.

’t Kan verkeeren.


[
c, p. 46]

Swaen-Ridder, geyl, en blindt, ghy moet van hier vertrecken,
    Hier hebdy niet te doen, want dit geliefde Paer
Dat heeft die goede God
met wijsheydt gaan verwecken,
    En met zyn Liefde voort vereenight met melkaer.




[
c, p. 47]

Bruylofts-Dicht,

Ter Eeren

PIETER BENOYT,

EN

ANNA DE MAREES.

DE God de Bruylofts-God, niet de Poëtsche Hymen,
Aenroep ick met gesmeeck, dat hy my leere rymen
De dingen diemen mach, en diemen kan verstaen,
Die boven het vernuft der menschen niet en gaen.

(5) U meen ick groote God! by wiens al-wyse Godheyt
Het menschelijcke breyn niet is dan pure zotheyt:
U meen ick groote
God! die alle wesen sach
Wanneer ’t noch in een klomp, en sonder wesen lach,
U meen ick groote
God! die nae u welbehagen
(10) De wereld en den Al gemaeckt hebt in ses dagen,
Die met u wijsheyt hebt voorsichtelijck voorsien,
Dat sonder orden hier geen goed en kan geschien,
Die in het Paradijs de Goddelijcke wetten
Des houwelijcken stants voordachtigh inne setten.

(15) Wet-gever vande Echt! ghy Vader vande Trouw,
Ghy die de zielen smelt in een van man en vrouw,

[c, p. 48]
Kleynst selven mijn verstant, en doet my so wel dichten
Dat ick een ander mach verheugen ende stichten.
    Wat waant ghy
Bruydegom, dat ghy door u besluyt
(20) Dees dingen hebt gebrocht also geluckigh uyt?
So dooldy al te seer. Al ’t goedt dat wy beleven
Dat wert ons door Gods kracht van boven in gegeven:
Daar komtet ons van daan, dies sy hem lof en eer,
De neyging tot u Lief die quam u vanden Heer

(25) Des hoogen Hemelrijx, die onse sinn’lijckheyden
Na zijnen wille weet bequamelijck te leyden,
En voertse door zijn macht tot sulcken goeden endt
Als zijne goedigheydt voor ’t salighste bekent.
De Liefde die u borst so menighmaal deed’ blaken,

(30) Om met gewenschte lust by u Ioffrouw te raken,
Die quam niet door u selfs, maar door het wel beleyt
Des eeuw’gen
Opper-Voogds wijse voorsienigheydt.
O Goddelijcke kracht! die d’alderbeste sinnen
En zielen dwingt, en dringt zijn Egae te beminnen,

(35) O wonderlijcke tocht des herten! hoe beroert
Hebt ghy den
Bruydegom, vaack van zijn selfs vervoert?
En scheen meer in zijn
Bruydt als in zijn selfs te leven,
Mits hy zijn selfs an haar had over gantsch gegeven.
Hoe dickwils heb ick u sien spreken inde geest,

(40) Mijn waarde Anna! Lief! ick Ben noyt so geweest,
Gelijcken als ick ben, ick ben ick weet niet hoe!
Ick weet niet hoe ick leef, noch wat ick denck of doe.

[c, p. 49]
Als ick my vind alleen, soo dwarlen mijn gedachten,
En als ick by u ben soo voel ick mijn verkrachten

(45) Van onbegrijp’lijck goed, ick weet niet wat my schort.
Maer dese hevicheyt die wert ons ingestort;
Want onse zieltjens die dus snacken nae den ander,
Die zijn in eeuwicheyt vereenight an malkander,
En als sy ellick aer nu inden vleesche sien,

(50) Soo moeten sy haer dienst goet-gunstich aane bien,
Vernieuwende de jonst die soo langh scheen verloren,
Die haer beginsel nam al eer sy zijn geboren:
Bewegelijcke treck, verborgen in ’t gemoet,
En die hem openbaert ten aensicht in het bloet,

(55) Met tockelingh in ’t hert, met kort en hallif breken
Van reden, diemen waent en niet geheel kan spreken,
Met suchten ondermenght, met sinnen gantsch verstroyt,
Dat weet ghy selven best
Heer Bruydegom Benoyt.
En ghy oock waerde Bruyd, door ’t sonderlingh bewegen,
(60) Der zie