Nil Volentibus Arduum: Het huwelijk van Orondates en Statira. Amsterdam, 1670.
Uitgegeven door drs. Nanny ’t Hart.
Red. dr. A.J.E. Harmsen, Universiteit Leiden.
Ceneton063870Ursicula
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.

Continue
[
fol. *1r]

HET HUWELIJK

VAN

ORONDATES en STATIRA.

Nooit op de Amsterdamsche schouburg vertoont:

Neevens een Dichtkunstig ONDERZOEK en OORDEEL,
over een Spel van de zelfde naam, dat daar gespeelt wordt.

[Vignet: Nil Volentibus Arduum]

t’AMSTERDAM,

By ADRIAAN van GAASBEEK, op de Voor-
burgwal, by ’t Stadhuis. 1670.



[fol. *1v: blanco]
[fol. *2r]

Aan den Weleedelen, Gestrengen

HEERE,

Dr. GEERAARD BIKKER,

Heere van ZWIETEN,

Raadt en Reekenmeester over de Do-
meinen van de E:G. M. Heeren Staaten
van Hollandt en West-Vrieslandt,

Hooge Heemraadt van Rijnlandt, &c.

WELEEDELE, GESTRENGE HEER.
WY twijffelen geensins, of het zal U.WelEdt. zeer vreemdt voorkoomen, U. WelEdts. naam op het voorhoofdt van dit Treurspel te zien; te meêr, om dat een ander van de zelve naam zo eeven aan U.Wel Edt. is opgedraagen.
    Maar, mijn Heer, ten waare die Opdraght, wy hadden ’t niet bestaan zonder U. WelEdts. verlof, nademaal wy van die meyning zijn, dat men niets behoort op te draagen aan iemandt, van wiens toestaan en vergenoeging men niet ten vollen verzeekert is; ten zy het werk zo uitsteekend zy, dat het geen ongenoegen verwekken kan, of dat die geene, daar het aan opgedraagen wordt, amptshalven het goede en quaade voor lief moet opneemen; wanneer ’t blijkt, dat des opdraagers inzicht is iets aan te wijzen tot verbeeteringe of voortzettinge van dingen die de bediening, van dien ’t opgedraagen wordt,
[fol. *2v] raaken, al was ’t schoon dat het werk, neffens de reedenen, en bewijzen verwerpelijk en bespottelijk waare; doordien d’opdraager dan maar zijn eigen spot bewerkt, ende niet des geenen daar hy ’t aan opgedraagen heeft.
    Maar het wordt tot nadeel van iemandt geduidt, met groote Letters, als begunstiger en beschermheer van een boek te staan, dat al de weerelt bespot, en hy zelve indien hy eenige kennis heeft moet verachten: want het is ieder niet uit te leggen, of zijn naam, met of teegen wil, daar na toegesleept, en voor geplakt is.
    Wy willen dan hier meede ieder wel bekendt maaken, dat wy dit zonder U.WelEdts. verlof bestaan, en dat U.Wel Edt. diesweegen noch lof noch laster behoordt onderworpen te zijn.
    Ook zouden wy de geleegenheidt van waerdiger stoffe, en beblokter uitvoering waargenoomen hebben, om U. WelEdt op te draagen, indien ons geen groote reeden hier toe geperst hadde: naamelijk eene inwikkeling, die wy ons zelven gemaakt hebben, met aan den Overzetter ende Opdraager van de voorgaande
Orondates en Statira belooft te hebben, indien hy zo vermeeten waar, U. Wel Edt. de zijne op te draagen, gelijk hy al voor jaaren lang heeft durven dreigen, dat wy ’t ons ook verstouten zouden.
    Wy willen wel bekennen, dat wy toen meenden, dat het daar niet eens toekomen zoude, en dat hy, die korteling zo jammerlijk met het overzetten van de
Menechmen van Plautus gebotmuilt was, U. Wel Edt en zich zelven voor de schande bewaaren zoude van voorneeme beschermers tot leuren te kiezen, of leuren aan konstkenners op te draagen. Maar dat hy zich vergenoegen zoude, het zelve, ten Tooneele gevoert, den Bur- [fol. *3r] ger voor zijn gelt in de handt te stoppen, wanneer hy doch, als Hoofdt of Regent van de Schouwburg, ampts-en plichtshalven gedwongen zoude zijn, ’t zelve, by gebrek van wat beeters, voor den dag te brengen.
    ’t Is wel waar, dat, om minder in ’t klaare licht te staan, hy die samenvloeying van opdraghten aan U.Wel Edt. zo veel hem moogelijk geweest is heeft zoeken voor te koomen, met uit te strooyen, dat d’onze U.Wel Edt. zeer onaangenaam zoude zijn.
    Maar wy hebben U. WelEdts. noch ons eigen oordeel zo veel niet te kort willen doen, van dat voorgeeven aan te neemen. Ten eersten, om dat U. WelEdt. zich van een andere mondt zou gedient hebben, om ons dat ongenoegen bekent te maaken. Ten anderen, dat het U.WelEdts. kennis een onvergeeflijk ongelijk zoude aangedaan zijn, te vreezen, dat U.WelEdt. meêr behaagen zoude hebben in een zeer ellendige overzetting, als in een welgemaakt Tooneelstuk.
    Wy zeggen welgemaakt alleen in vergelijking van ’t zijne: want wy zijn zo verwaant niet om te gelooven, dat het onze onverbeeterlijk zoude zijn. O neen; wy weeten wel, dat andere (doch niet zonder moeyte en opmerking, gelijk wy meede aangewendt hebben) ons verre zouden konnen overtreffen, en veele gebreeken aanwijzen, en verbeeteren, zo wel zulke, die wy niet hebben konnen verhelpen, als die wy over ’t hoofdt moghten gezien hebben.
    Doch dit hebben wy van zodaanige niet te verwachten, die zonder oordeel en opmerking hunne rijmeryen slechts uitslooten, en met een hol en ydel gerammel vermaakt zijn, gelijk wy te gemoete gezien hebben van de
[fol. *3v] voorgaande Orondates en Statira, waar van ons een groot gedeelte ter handt gekomen zijnde, wy, als ex ungue leonem, van ’t geheele Spel, als niets verscheelende van alle zijne andere werken (gelijk nu klaar gebleeken is) gemakkelijk hebben konnen oordeelen. Behalven dat in het Fransch zelf eenige misslagen zijn, die hy met zijn overzetten verzwaart, en met zijn veranderen vermeerdert, en wy, zo veel in onze magt is, gemijdt en verbeetert hebben, welk alles hier aan te wijzen U. WelEdt: geduldt te veel gevergt zoude zijn. U. WelEdt. indien haar de moeite niet verveelen moght, zal ’t zelve wijdloopig vinden in ons Dichtkunstig Onderzoek, en Oordeel, dat hier achter aangedrukt is, en waaraan wy ons gedraagen.
    Maar lichtelijk zal die reeden, dat wy ons met een Derde, die U.WelEdt. niet raakt, ingewikkelt hebben, U. WelEdt. niet vergenoegen, noch ons ontschuldigen, dat wy ons verstout hebben U. WelEdt. dit werk zonder U. WelEdt. verlof op te draagen. Laat dan dit ons tot een schildt en toevlucht strekken, dat’er geen middel is om de kunst zijn volkomen luister, noch den Burger zijn behoorlijk vermaak te geeven, als de Onweetende met het aanwijzen van hunne gebreeken teegen te gaan; en aldus de Leeergierige (welke het graauw der Tooneelrijmers door hunne meenigte, door hun schreeuwen, en door ’t ophaalen van hun oudt gebruik den toegang ter kunst stopt) dien weg, en hunne oogen, door reedenen, en bewijzen te oopenen: en dat wy ten dien einde U.Wel Edts. doorzichtig oordeel, tot rechter, of wy ’t rechte wit beschieten, in deeze opdraght verzoeken, wijl ’t een ander op een veel slechter voet heeft durven waagen, en ons als den wegh geweezen tot
[fol. *4r] iemandt, wien wy ’t heel en al weeten te moogen toevertrouwen.
    En hier by komt noch U.WelEdts beleefde Eedelmoedigheidt, van de welke zo groot een gevoelen is, en die zo hoog te boek staat by ons Gezelschap, waar van eenige Leeden voordeezen de eer van U.Wel Edts byzondere ommegang en kennis genooten hebben; dat wy vastelijk verhoopen, dat U. WelEdt. onze vrymoedigheidt niet zal qualijk neemen, noch onze geringe gaave voor ’t hoofdt stooten.
    Deeze reedenen hoopen wy zullen U.WelEdt. volkomen vergenoegen; waar by noch een verzoek overschiet, naamelijk dat U.WelEdt. niet gelieve te versmaaden d’aanbiedinge van onzen dienst onder den naam van

                    Nil volentibus arduum,
Noch mijne byzondere, die tot groote eer reeken my te
moogen noemen,


    WelEedele, Gestrenge Heer,

                        U. WelEdts. Ootmoedige Dienaar,

                                            D. LINGELBACH.



[fol. *4v]

VERTOONERS.

ROXANE, Dochter van Kohortan,
STATIRA, Dochter van Darius,
} Weduwen van Alexander de Groote.
 ORONDATES, Prins van Schytien.
PERDIKKAS,
SELEUKUS,
} Nazaaten van Alexander de Groote.
HEZIONE, Vertroude
ARBATES, vertrouweling
} van Roxane.
SOLDAAT.
Het Tooneel is binnen Babilonien, in een zaal
van ’t Paleis van Roxane.
______________________________________

Eenige Misstellingen in den Druk te verbeeteren.

Op ’t 7
9.
16.
20.


31.
44.
bladt, 10
16.
4.
8.
17.
21.
34.
23.
reegel, voorverwonen leest
voorneemen
uw
velof
uw
krimt
gaat,
moedt?
verwonnen
voorheenen
u
verlof
uw
krimpt
gaat.
moedt,
Continue
[
p. 1]

t HUWELYK

VAN

ORONDATES en STATIRA,

TREURSPEL.
_________________________

EERSTE BEDRYF.

EERSTE TOONEEL,

ROXANE, HEZIONE.

ROXANE.
HEzione, kom, laat ons sterven.
HEZIONE
                                                      Laat ons leeven
Mêvrouw, en ’t ongeluk trots onder d’oogen streeven.
ROXANE.
Hoe veel Tierannen, in een vloekgespan verknocht,
Doorpijnigen mijn ziel, waar ben ik toegebroght!
(5) Een grouwelijk gety van dolle wraak, van tooren,
Van haat, van liefde, die na recht noch reên wil hooren,
Rijst, beurt om beurt, tot straf in mijn vertwijffelt hart;
Daar duizent wroegingen noch al die bittre smart
Verzwaaren, en gestaâg my, zonder meededoogen,
(10) Erinneren mijn zonde, en stellen ’t quaadst voor oogen.
Mijn hart hitst, door zijn beê, de Goden op my aan,
En smeekt hen niet, maar wenscht hartnekkig te vergaan.
’K voel ’t tot zijn eigen straf de wraak der Goden daagen,
En tergen. Wreede ziel, gy wekt myn zwaarste plaagen,
(15) Zeg, vinnigste van al mijn vyanden, zeg aan,
Verdoemt gy ’t schelmstuk, ’t geen gy zelve hebt gedaan?
Hoe kont gy, zo verwoedt, in my nu weederstreeven,
De wreedtheidt, daar gy eerst my hebt toe aangedreeven,
[p. 2]
En sarren d’ysre roe des Heemels met gebeên,
(20) Om u te scheuren, en te morzelen van een?
Maar neen, de heemel heeftme een ander lot beschooren;
Het eeuwig noodtlot heeft mijn doodt noch niet gezwooren.
En is’er iets voor my te vreezen in mijn noodt,
Hezione, het zijn de menschen; kleen en groot
(25) Heeft in mijn doot gestemt, en ’k zieze niet t’ontwijken,
Al wilde al ’t godendom handthaaven mijne rijken,
En in slagorde zelf voor mijn bescherming staan.
Hoort gy dat stormen niet? hoort gy die krijgsorkaan
Niet bruischen, en de muurrammeijers d’oude wallen
(30) Van Babel schudden? och! my dunkt, ik hoorze vallen,
En mijnen troon met haar, ’k voelze onder mijne voet
Wegzinken, en mijn hoofdt bestelpt met puin en bloedt.
HEZIONE.
Schep moedt, Mêvrouw, al dreigt de vyandt onze muuren,
En stormt’er fel op aan, wy zullen hem verduuren.
(35) Hy hoopt vergeefs uw rijk te dempen door zijn macht.
De Heemel waakt te trouw voor ’t Koninglijk geslacht:
Hy heeft u door zijn handt gehuldigt in uw staaten.
ROXANE.
Kon ik den vyandt zijn beleegring doen verlaaten!
Maar ’k vrees het alles, nu zijn hoogmoedt staat in top.
(40) Zijn stormgevaert rijst reets voor onze afuiten op,
Hy klimt daar langs, en plant zijn standers op de transsen
Der neêrgestorte muur, en overwonnen schanssen.
De moedige Orondaat doormijnt de hooge wal,
Brengt onverzaaghdt de bloem van al ons volk ten val,
(45) En trapt het harte en buik te barsten. ’K zie hem rooken
Van bloet, en, door een berg van dooden doorgebrooken,
My vliegen in ’t gezicht, met uitgetoogen zwaardt,
En zeggen; Monsterdier in gruwelen gebaart,
De Heemel heeft mijn arm tot uwe straf verbonden;

(50) ’T rechtvaerdige gebedt heeft eindlijk heul gevonden,
En ’s Heemels vierschaar my uw vonnis toegestaan.

[p. 3]
Doch staat u langer dit misdaadig leeven aan,
Herstel my Statira, en leer uw hoogmoedt breeken,
Met haar vergifnis voor uw boosheidt af te smeeken.

(55) Maar neen! wy trotsen zijn gevley en dreigement.
’K begeer van hem genâ, noch straf. De wreedheidt schent
My aan! Gy kiessche deugdt, die my van d’eer komt spreeken,
Vaar wel! Wy vesten ons geluk door snoô gebreeken,
En schelmerijen; en, indien ik in dien staat
(60) U moght bezitten, o doorluchtichste Orondaat,
Mijn groots gemoedt zou zich in d’euveldaaden vleijen,
En dankbaarlijk het goedt, dat zy my doen, verbreijen:
En, hoe verwoedt ons ook ’tgeweeten knaagen zou,
Men zal mijn misdaân nooit verzelt zien van berouw.
(65) Ik zal van ’t eene na het ander schelmstuk streeven,
En sterven goddeloos, gelijk ’t my lust te leeven.



TWEEDE TOONEEL

ROXANE, STATIRA, HEZIONE.

HEZIONE.
’K Zie Statira, Mêvrouw.
ROXANE.
                                              Terwijl de vyandt vast
De stadt bestormt, zijt gy, Mêvrouw, door mijne last,
Tot mindring van de schrik, die u alleen moght quellen,
By my geleidt.
STATIRA.
                        Was ’t in haar maght mijn ziel t’ontstellen,
(70) Zy zou vermeerdren door de teegenwoordigheidt
Van u, die al de grondt hebt van mijn ramp geleidt.
Uw dolle liefde, om stout haar oogwit te beschieten,
Heeft Orondaat, en my, oneindlijke verdrieten
Berokkent, en, verblindt door tuchteloozen brandt,
(75) Ten ondergang gesleept uw Vorst, en Vaderlandt.
In plaats van, na zo veel beschreylijke ongelukken,
[p. 4]
Te rusten, sloegt gy voort met woeden, en verdrukken;
En hebt, gedreeven van een zucht tot hooger staat,
(80) Na Alexanders doodt, door lasterlijk verraadt,
My in dit Hof vervoert, en had my van het leeven
Berooft, ontziende niet een steek in ’t hart te geeven
My, Alexanders weeuw, en vorst Darius bloedt,
Zelfs voor uw oogen, had Perdikkas ’t niet verhoedt,
(85) En een slavin voor my in ’t moordtvertrek doen slachten.
Wy weeten, welk een gonst my staat van u te wachten.
ROXANE.
Heeft mijn geneegenheidt verdient dit bits verwyt?
STATIRA.
Zeg uw vermomde haat, en weiffelende nijdt.
ROXANE.
Denk, waar gy staat, verwaande.
STATIRA.
                                                    In ’t Hof van mijnen Vader.
ROXANE.
(90) Voorheen; nu is het mijn.
STATIRA.
                                                Door hulp van een verraader.
Perdikkas muitgespan stijft uwe dwinglandy.
ROXANE.
’K ben Alexanders weeuw.
STATIRA.
                                          Wy zijn ’t zo wel, als gy.
ROXANE.
Maar nu in ons geweldt.
STATIRA.
                                      Hy had u lang verstooten.
ROXANE.
’K ben nu weêr in dien top gevoert van al de Grooten.
Gy zijt’er afgeschopt.
(95)
STATIRA.
                                    Dank dat uw valsch verraadt.
ROXANE.
Ik dank ’t mijn waerde, en mijn voorzichtigheidt.
[p. 5]
STATIRA.
                                                                              De daadt
Wil eindlijk toonen, wie ’t van ons te beurt zal vallen,
De wraak is op de been, en bliksemt op uw wallen.
Prins Orondates, met zijn Helden, dringt vast aan.
(100) ’T recht volgt zijn zy. Hem kan de zeege niet ontstaan.
ROXANE.
Het is die hoop dan, die u dus verwaandt doet spreeken?
STATIRA.
Of die, of andere. De Heemel zal ons wreeken.
Schoon dat hy toeft, het vuur der straf blijft ongedooft.
ROXANE.
Vley u daar meê. Maar, eêr zy neêrstort op mijn hoofdt,
(105) Zal ik beletten, datge u daar in zult verblijden.
Niets zal ik lijden, of gy zult daar eerst voor lijden.
STATIRA.
Roxane is lang gewoon te dorsten na mijn bloedt,
En ik dat aan te zien met onverschrokken moedt.
ROXANE.
Roxane laat zich niet van Statira braveeren.
(110) Komt Orondates, in den storm, te triomfeeren,
En Babilonien te buigen in dien noodt,
Dit staal zal mijne wraak voortzetten door uw doodt.
STATIRA.
Wy kennen uwen aart; gy hebt ons hier doen koomen
Uit bloedtdorst, niet opdat de schrik my werde ontnoomen.



DERDE TOONEEL.

ROXANE, STATIRA, HEZIONE, ARBATES.

ARBATES.
(115) PRins Orondates......
ROXANE.
                                        Och! die naam maakt my ontstelt,
[p. 6]
En snijtme door de ziel. Zo heeft hy dan het velt
Behouden? en zal hier zich in ’t paleis vertoonen,
Gelijk verwinnaar? mijn gezagh, en liefde hoonen
In d’onderdrukte Stadt? zo is de hulk van ’t rijk
(120) Gestrandt! Wy vallen, maar wy vallen tegelijk.
Hy zal, meê deelgenoot van onze neederlaagen
In ’t midden der triomf zich zijner vreugdt beklaagen.
En gy, o wrevele en vermeetele Vorstin,
Zult my niet tergen in ’t genot van zijne min,
(125) En in mijn aangezicht, wanneer hy keert van ’t vechten,
Om zijnen ysren hals uw dartele armen vlechten.
Om uwe min heeft hy zich teegen my verzet,
En ik, om zijne, ’t zwaardt op uwe strot gewet.
Wel aan; my lust mijn rijk, noch aanzien ’t overleeven.
(130) ’K wil sterven, maar gy zult eerst voor mijne oogen sneeven.
ARBATES.
Bedaar, het stormgeweldt des vyandts light ter neêr,
Mevrouw.
ROXANE.
                Die tijdinge herstelt mijn krachten weêr.
Maar waar is Orondaat?
ARBATES.
                                      Hy is in uwe handen.
ROXANE.
Wat goôn? wat dapperheên zijn ’t, die dien helt vermanden?
(135) Wie heeft met zulk een moedt my aan zijn dienst verplicht?
Nu, noem hem my, wie heeft die groote daadt verricht?
ARBATES.
Het vyandlijke heir quam naaulijks storm geloopen,
Of ’t zagh zich in een zee van eigen bloedt verzoopen,
En met een hagelbuy van pijlen overdekt;
(140) Terwijl een andre troep zijn vleugels verder strekt,
En stort ter muurbressee in. Toen zagh men d’onze dringen,
En moediger hun post beschermen, voor ’t bespringen.
Elk leeger stont nu op zijn hoefslag net geschaart,
Als Orondates, doorgeborsten met zijn zwaardt,
[p. 7]
(145) Alleen zich in den drang van d’onze een weg komt baanen,
Gelijk een Leeuw, die streeft met uitgespreide maanen,
Door boschgedrochten, en woestijnen, zonder padt.
Een doodsche schrik bevong de krijgsliên. Elk vergat
Zijn plicht, en leegertucht, en spatte uit zijn geleeden.
(150) De groote standert lagh in ’t bloedig stof vertreeden,
En al ons leeger scheen door hem ter vlucht bereidt.
ROXANE.
Wierdt hy verwonen? spreek, rek mijn langmoedigheidt
Niet meêr. Hoe hebt gy hem in mijn geweldt gekreegen?
ARBATES.
Een schielijk toeval liet zijn dapperheidt verleegen.
ROXANE.
(155) Verklaar het ons.
ARBATES.
                                    Hy brak zijn zwaardt tot aan’t gevest,
En met bebloeden vuist trotseert hy noch in ’t lest
Een heele weereldt van aandrieschende Soldaaten.
De bijstre wanhoop maakt hem dol, en uitgelaaten.
Hy schudt het hoofdt, en stampt in fieren overmoedt,
(160) En spalkt twee blikken op, als vier, en roodt van bloedt.
Maar, door ontallijk volk omsingelt, en besprongen,
Wordt zijn verbolgen moedt getuchticht, en gedwongen
Van hen, die beevend hem aanranden, en in ’t staal
Geklonken, met geweldt bestormen altemaal
(165) Een krijgsheldt zonder zwaardt Noch doet hyze al vertzaagen
Maar niemant hem. Hy wenscht nu weeder’t lijf te waagen
En grimt hen aan, en staat op elke voetstap stil.
Ik zie hem onder ’t oog, die my niet aanzien wil
Van toorne, en d’oogen wendt, en schijntme te verachten.
(170) ’K herroep zijn ouden zwier, en tredt in mijn gedachten,
En kenne, in ’t barnen van die wanhoop, en een staat
Zo zeer van hem vervloekt, dien grooten Orondaat.
Ik vraag de benden, die zich op dien buit vermeeten,
Waar zy hem leiden, en of zy hunne order weeten.
(175) Hy komt Perdikkas toe, roept iemant uit het rot.
[p. 8]
ROXANE.
Men breng hem hier. Gaa heen, volvoer het hooggebodt
ARBATES.
’K heb hen geraân dien buit de Koningin te geeven.
Ook rees ’er niemant om mijn eisch te wederstreeven,
Men brengt hem herwaarts aan. Gy zult hem daadlijk zien.
(180) Begeert gy ’t?
ROXANE.
                                Neen. Dit zou d’ontsteltheidt my verbiên.
En schoon ’t my luste, ik voel (helaas!) mijn moedt bezweeken.
’K verlang’er na, maar vind niet raadzaam hem te spreeken
Wy willen Orondaat niet zien, als meêr bedaardt.
Arbates, ga, verzorg, dat gy hem wel bewaart.
(185) Mijn halve lijfwacht zal u volgen. Doet hem leiden
In mijn Paleis, men zal hem een vertrek bereiden.
ARBATES.
’K gehoorzaam uw gebodt.
ROXANE.
                                          Arbates, vier zijn moedt,
Onthaal hem als my zelf; ik wil zijn tegenspoedt
Verzachten, en vooral laat hem van niemant spreeken,
(190) Zelf van Perdikkas niet.
ARBATES.
                                                Aan my zal niets ontbreeken.



VIERDE TOONEEL.

ROXANE, STATIRA, HEZIONE.

ROXANE.
’T Gaat wel: en zult gy noch, verwaande, teegen my
Aanwryten? en zo trots mijne opperheerschappy
Versmaaden? zeg, wat troost staat u voortaan te wachten?
De Goden lachen met uw vruchtelooze klachten.
(195) Ons vloeit een rijke zee van zeegen in den schoot;
Aan mijn genade hangt uw leeven, en uw doodt,
[p. 9]
En Orondaat heeft zelf te vliegen op mijn wenken.
STATIRA.
Gy kont het lichaam, maar de vrye ziel niet krenken.
Prins Orondates is te dapper van gemoedt,
(200) Om u te vleijen. Neen! hy kan de teegenspoedt
Verdraagen, en in u altijdt Roxane haaten.
ROXANE.
Ik zal hem, met die haat, doen uwe min verlaaten.
Dien braaven krijgsman voegt geen vrouwe, als met een kroon.
STATIRA.
Hy is te fier om niet te walgen van een troon,
(205) Door rijksverraadt gebouwt op Vorstelijke graven.
HEZIONE.
Mevrouw, Perdikkas......



VYFDE TOONEEL.

ROXANE, STATIRA, PERDIKKAS, HEZIONE.

PERDIKKAS.
                                    WY zien eindelijk de haven
Van ons geluk nu weêr geopent, en den slagh
Ontweeken, die ons scheen te dreigen deezen dagh.
Mevrouw, ik wilde u zelf die blijde tijding draagen.
(210) De vyandt is nu meede eens op zijn beurt geslagen,
En onze muuren voor zijn overval geredt.
Wy hebben het verlies hem ruim betaalt gezet,
En d’oorlogskans, die ons voorneemen quam t’ontvallen,
Heeft heeden met meêr gonst verdaadigt onze wallen.
(215) Deeze eer verdooft met winst het voorig krijgsschandaal.
ROXANE.
Wy danken ’t uw beleidt en voorzorge altemaal.
Gy zijt tot rust van ’t rijk, en myn behoudt gebooren.
Maar ’k ben verwondert niets van Orondaat te hooren,
En zijn gevankenis.
[p. 10]
PERDIKKAS.
                                Is hy in ons geweldt?
ROXANE.
(220) Zo heeft Arbates, eêr gy aanquaamt, my vertelt,
PERDIKKAS.
Hy is gevangen?
ROXANE.
                          Ja. En my door ’t lot gegeeven.
Elk hou de zijne. Ik zal met Orondates leeven,
En gy met Statira: ’t geluk is ons gemeen,
Wy blijven beide nu met onze buit te vreên.
(225) ’K zal u van ’t uw’, noch gy my van mijn’ recht versteeken:
Het sta ons eeven schoon. Gy kont my ’t grootste teeken
Van uw grootmoedigheidt betoonen, met voortaan
Die zelfde voorwaarde, en de macht my toe te staan,
Om nu met Orondaat te handlen, die ’k voordeezen
(230) Aan u, om Statira t’onthaalen, heb beweezen.
PERDIKKAS.
’K zal alles doen, gelijk ’t Mêvrouw op my begeert.
ROXANE.
Gy zult den Prinse, door een toeval overheert,
En die noch naaulijks kan die bittre smart verzwelgen,
Niet spreeken, op mijn beê. Zijn fierheit zou zich belgen
(235) Den winnaar haar te zien trotseeren in ’t gezicht.
Gy zoud zijn droevig lot verzwaaren, en hem licht
Met schamperheidt, gelijk uw meedeminnaar, groeten.
PERDIKKAS.
’K zou my verwinnen, en zijn ongeluk verzoeten.
Doch ’k zal uw beê voldoen, Mevrouw, en hem niet zien,
(240) Voor gy het zelf aan my vrywillig zult gebiên.
Maar ’k wenschte u, in ’t geheim, de rijksstandt t’openbaaren.
ROXANE.
Hezione, vertrek; laat Statira bewaaren,
Gelijk voorheen.
HEZIONE.
                            Mevrouw, wy volgen uwen last.



[p. 11]

ZESDE TONEEL

ROXANE, PERDIKKAS,

PERDIKKAS.
GY weet, Mevrouw, hoe Prins Seleukus wiert verrast,
(245) En in het oopen veldt van ’s vyands volk gegreepen,
Die hem gevangen voor hun Opperveltheer sleepen,
Toen onlanks ’t krijgsgeluk ons had de nek gekeert.
Wy kennen ’s mans waardy, dien zelf de vyandt eert.
Wy hebben proeven van zijn strijdbaarheidt bevonden,
(250) En weeten, dat hy ’t zwaardt heeft op de zy gebonden,
Tot voorstandt van uw rijk, en ’t kroonrecht, dat uw
hoofdt,
Na Alexanders doodt, alleen de kroon belooft.
Nu hoor ik momplen, hoe hy herwaarts staat te keeren,
Om, van uw handen, zijn verlossing te begeeren,
(255) Met voorbeê, dat gy een gekerkerden van staat,
Tot zijn rantsoen, meê van gevankenis ontslaat.
Voorwaar die plicht zou bestaan Orondates voegen.
ROXANE.
De vyandt zal zich wel met Statira vernoegen.
’T ontslaan van Orondaat was ’t gansche rijk gewaaght.
(260) Hy mist alreê den Heldt, daar hy zijn moedt op draaght.
De beste slagveêr is zijn wieken afgesneeden.
Een leeger light in zijn vermaarden val vertreeden.
Ik wierd zijn oorlogsmoedt, maer al te veel, gewaar,
En zal ik op mijn hals weêr haalen dat gevaar?
(265) Men leevre Statira, die kan ons minder schaaden.
PERDIKKAS.
Zy kent den stant van ’t rijk, en zoud ons licht verraaden.
In Babilonien is niets voor haar bedekt.
Ook weet gy, welk een moedt een schoone vrouw verwekt
In krijgsliên, lang bereidt haar ongelijk te wreeken.
(270) ’T is uit met ons, kan zy alleen den vyandt spreeken.
[p. 12]
ROXANE.
Hoe zeer gy schijnt, om haar te leeveren, bezwaardt;
Wy vreezen min haar tonge, als Orondates zwaardt.
Wie zal een wolf ontslaan, als hy hem heeft by d’ooren,
Dan die te driest zich zelf met voordacht geeft verlooren.
PERDIKKAS.
(275) Maar, hoe Seleukus dan gepaait in zijne beê?
Hem af te slaan? dat sleept te groot een opspraak meê.
ROXANE.
Geef gy hem Statira, wanner hy ’t zal begeeren.
PERDIKKAS.
Laat gy in zijne plaats Prins Orondates keeren.
Maar ’k zie dit twisten dus nooit eindigen. Mevrouw,
(280) Gy zijt uw Prins, en ik mijn Koningin te trouw.
’K zal eêr Seleukus, schoon ’t my smart, voor ’t voorhooft stooten,
Als zien, my van mijn liefde, en Statira, ontblooten.
ROXANE.
En ik zal liever, als den dappren Orondaat
Te missen, waagen en opzetten kroon en staat.
(285) Men kan Seleukus, met een glimp van noodt verzenden,
En zien, hoe zich de kans des oorelogs wil wenden.
Wees gy mijn min getrouw, en help ons, als voorheen,
’K zal u van Statira haast maaken aangebeên.
PERDIKKAS.
Indien gy hier in my uw diensten wilt betuigen,
(290) Zal ik zien, Orondaat tot uwe gonst te buigen,
En vlytigh trachten, na ’t ontworstlen onzer druk,
Te kroonen onze min met een gewenscht geluk.
Einde des Eersten Bedrijfs.
Continue
[
p. 13]

TWEEDE BEDRYF.

EERSTE TOONEEL.

ORONDATES, ARBATES.

ORONDATES.
WAarheen, Arbates? zult gy my noch verder leiden?
ARBATES.
Neen Prins; hier zijn we van de Koningin bescheiden.
(295) Z’ is in haar kamer, en zal daadlijk by u zijn,
Om u te spreeken, en te troosten in uw pijn.
ORONDATES.
O Heemel! Is ’t dan niet genoeg te zijn gevangen
In Babilonien, weleêr mijn zoetst verlangen,
Maar nu het voorwerp van mijn welverdienden haat,
(300) Daar alles, wat ik zie, en hoor, my teegenstaat!
Moet ik, tot overvloedt van smarte, voor mijne oogen,
Mijn grootste vyandin Roxane noch gedoogen,
Te woorde staan een, die in gruweldaaden leeft,
En al mijn ongeval my eerst berokkent heeft.
(305) O Goden! Is de deugdt u dan niet aangenaamer....



TWEEDE TOONEEL.

ORONDATES, PERIDKKAS, ARBATES.

PERDIKKAS.
WAar is de Koninginne, Arbates?
ARBATES.
                                                          In haar kamer,
Mijn Heer, en zal hier straks verschijnen.
PERDIKKAS.
                                                                  Ga, en zeg
Haar Majesteit, dat Prins Seleukus reets op weg,
En aantogt is. Hy komt, om ons iets voor te draagen
[p. 14]
(310) Van groot belang. Ga heen.
ARBATES.
                                                    Wy volgen uw behaagen.



DERDE TOONEEL.

ORONDATES, PERDIKKAS.

PERDIKKAS.
’k GEloof, zijn vryheidt is ’t, Prins, die hem herwaarts noopt,
En zijn verlossinge, die hy voor d’uwe hoopt.
ORONDATES.
’Kverwacht te mywaarts al mijn vrienden zo geneegen,
Dat hen niets, boven mijn behoudenis, zal weegen;
(315) Hun bystandt zal my nooit begeeven in den noodt.
En d’eedele inborst van Seleukus is zo groot,
Dat, schoon zijn eigen nut, en staatbelang, ’t ontraaden,
Hy niet zal weigeren, die moeite op zich te laaden.
Perdikkas, zo gy staat op eer en heldenplicht,
(320) En wilt met dankbaarheidt, al ’t geene ik heb verricht,
Erkennen, zult gy met uw bystandt hem versterken,
En met gewenste vrucht, in onze vryheidt, werken.
PERDIKKAS.
Neen, Orondates, gy bedriegt u, in die hoop.
Uw vryheidt weegt te zwaar: z’is nergens voor te koop.
(325) Die dwaaze dankbaarheidt zou ons te zwaarlijk schaaden,
De kracht van ’t rijk, en ons gemeene zaak verraaden.
Zo braaf een Krijgsheldt stijft den vyandt al te zeer;
En komt Seleukus, met dit inzicht: dat hy keer.
ORONDATES.
Ondankbaare, ’k beken ’t, ik ben in u bedroogen.
(330) Gy schijnt een oorlogsheldt, vol fierheidt, in mijn oogen,
Uw lijfsgestaltenis belooft een eedlen moedt;
Maar niet een droppel leeft in u van vorstlijk bloedt.
Uw list heeft Statira in uwe maght gekreegen,
Gy houdtze met gewelt, en vreest, zo lang mijn deegen
[p. 15]
(335) In ’t veldt haar vryheidt magh bepleiten voor uw wal,
Dat nooit uw laffe min verzeekert weezen zal,
Dit drijft u aan, om mijn verlossing te weêrstreeven,
Hoe gy ’t verbloemt; tenzy gy licht dien naam wilt geeven
Aan d’ydle staatzucht van Roxane, die zich by
(340) Haar dolle liefde voegt, en bouwt een dwinglandy.
Gy stijft dien overlast, en daarge uw Koninginne
Handthaaven moest, houdt gy,vervoert van woeste minne,
Haar opgeslooten in haar eigen Stadt, en Hof.
Een reeks van lasteren verdonkert al uw lof.
(345) Perdikkas, doeze eens weêr in d’oude luister schijnen,
En alle uw ondâan door een heldendaadt verdwijnen.
Verleen aan Statira haare eerste vryheidt weêr,
Verkrijgh haar gonst door dienst, en aangebooden eer,
Verhef haar op den troon, beschermze in haare rechten,
(350) En gun my ons verschil door eenen strijdt te slechten.
PERDIKKAS.
Schoon gy mijn daaden scheldt, haar roem blijft eeven groot.
Mijn konst heeft Statira bevrijdt voor zwaardt en doodt;
Mijn yverende min bewaart dat kostlijk leeven,
En poogt die Koningin, ten zeeteltroon verheeven,
(355) Te vesten op den stoel door mijne huwlijksbandt.
Door al die dienst is zy te dier aan my verpandt,
En zoude ik door een strijdt haar maaken tot de mijne?
Neen Orondates, neen: men vecht niet om het zijne.
ORONDATES.
Verrader, meent gy lof uit uwe schelmery,
(360) En eigendom uit staatgeweldt te trekken? Gy,
Gy hebt uws Konings weeuw eerst lasterlijk verraaden,
Daarna te schendiglijk met keetenen beladen,:
En houdtze noch met kracht gekerkert teegens plicht,
En veilt dien grouwel voor een dienst van groot gewicht.
(365) Wie zou zo schoon een min met weêrmin niet vergelden?
PERDIKKAS.
Staak, Orondates, staak dit lasteren, en schelden,
En terg mijn gramschap niet te vinnig buiten noodt;
[p. 16]
Gy zoud uw woorden licht bekoopen met de doodt.
ORONDATES.
Manhaftig heldt, gy durft een waapenloozen dreigen!
(370) Maar weerelooze te bespringen is uw eigen.
PERDIKKAS.
Dat wierd uw heir gewaar in ’t heetste van den slag.
ORONDATES.
Ja, toen ’k u schandlijk voor mijn sabel vlieden zag.
PERDIKKAS.
Al lang genoeg, hou op, of ’k zal die schande wreeken.
ORONDATES.
Men zal van deeze daadt, als van uw andre spreeken.
PERDIKKAS.
(375) Ik zal verhindren, dat gy my niet schenden zult.
Perdikkas dreigt Orondates neêr te houwen.



VIERDE TOONEEL.

ROXANE, ORDONDATES, PERDIKKAS,
HEZIONE, ARBATES.

ROXANE.
HOuw op, Perdikkas, staa, betoom uw ongeduldt.
PERDIKKAS.
Mijn zinnen zijn aan ’t ziên door zijn onaadlijk hoonen.
ROXANE.
Gy moet, om onzent wil, Prins Orondaat verschoonen.
Is u vergeeten wat gy my hebt toegezeidt?
PERDIKKAS.
(380) Het heugt my wel: Maar zulk een smaadig onbescheidt,
En bits trotseeren kan geen man van moedt verdraagen.
ROXANE.
Hy ’s mijn gevangen. Wie hem quetst zal my mishaagen.
Wijt zijn gevankenis al ’t geen hy u misdoet:
Dies stil uw toorne; en tree Seleukus te gemoet,
(385) Die herwaarts aankomt, zo Arbates my berichte
Uit uwen mondt en last, met zaaken van gewichte.
[p. 17]
Die Heldt verdient wel, dat men hem die eer betoon.
PERDIKKAS.
Gy weet, Mevrouw, hoe ik gehoorzaame uw geboôn.



VIJFDE TOONEEL

ROXANE, ORDONDATES, HEZIONE.

ROXANE.
WAt dunkt mijn Vyandt nu? Mijn liefde gaf u ’t leeven.
ORONDATES.
(390) ’T verscheelt niet, of ’t my wordt genomen, of gegeeven.
Het walgtme, en ’k zoek allang niet anders, dan mijn doodt.
ROXANE.
’T is wanhoop, Prins. ’K wil u behouden in dien noodt.
ORONDATES.
Uw dienst verveelt.
ROXANE.
                              ’K dacht u een weldaadt te bewijzen.
Schoon u mijn doen mishaagt, mijn toeleg moet gy prijzen.
ORONDATES.
(395) ’T kon spruiten uit uw min, die ’k onverzoenlijk haat,
En dan stondt d’oorzaak meêr te doemen, als de daadt.
ROXANE.
Neen Orondaat; waar uit mijn dienst ook zy gereezen,
Zo gyze niet erkent, gy zult ondankbaar weezen.
ORONDATES.
Wat is ’t een vinnige, en onlijdelijke pijn,
(400) Zijns ondanks, eenen, die men haat, verplicht te zijn.
Al d’ongemakken, hoe vervaerlijk die ons prangen,
Zijn draaglijker, als’t goedt, datwe uit zijn handt ontfangen.
[p. 18]
ROXANE.
Noch is ’t, die weldoet, een veel smartelijker hoon
Te krijgen, voor zijn gonst, d’ondankbaarheidt tot loon;
(405) En ’t is een zielverdriet, in zijn gewaande vrinden,
Zo hoogh en dier verplicht, doodtvyanden te vinden.
ORONDATES.
Zo misdaân weldaân zijn, sta ’k diep in uwe schuldt,
Gy hebt in overdaadt my daar meê opgevuldt,
En quaamt my t’elkens zo mildaadiglijk bestorten,
(410) Dat ik u dikwijls bad die vriendschap op te schorten.
ROXANE.
Ondankbre wreedaart, sta ik zo by u te boek?
ORONDATES.
Uw leeven kleeft aan een van werken, die ik vloek.
Gy zijt de bronaâr van mijn allerzwaarste plaagen,
Die ik niet eêr zal zien ophouden, dan mijn dagen.
(415) Zy staan noch leevendigh gedrukt in mijn gedacht.
Uw valsche list heeft my in al ’t verdriet gebraght,
Dat mijn standtvaste min zo dwars quam teegenstroomen,
En ’t leedt, dat Statira ooit over is gekomen.
Uw dolle staatzucht quam naauw Alexanders doodt
(420) Ter ooren, of, verrukt van razerny, besloot
Terstondt de haare; en had Perdikkas liefde uwe oogen,
Met een slavin voor haar te dooden, niet bedroogen,
Die godlijke Prinsses waar lang berooft van ’t licht.
ROXANE.
Mijn liefde had my tot dat moordtbesluit verplicht,
(425) Gy kont haar grootheidt uit dat trots bestaan ontdekken.
ORONDATES.
Was dat de minnekonst om my tot u te trekken?
ROXANE.
Ja Orondaat, dit toont mijn liefde in volle kracht.
Stelze eens by d’afkeer van een vrouw, die u veracht.
Wat min heeft Statira u immer laaten blijken?
(430) Wat goedt onthaal, dat gy by ’t mijne kont gelijken?
Mijn liefde is staâgh gegroeit zelf door uw teegenzin,
[p. 19]
En, daar gy my bestrijdt, blaak ik in uwe min.
ORONDATES.
Heb ik ooit mijn Prinsses te mywaarts straf gevonden?
Heeft zy van haar my, tot mijn onschuldt, weggezonden?
(435) En, door ’t lang afzijn my van onstandvastigheidt
Verdenkende, in die drift door jaloezy misleidt,
Gestemt, met weederzin, tot Alexanders trouwen?
Uw snoô verraadery heeft ons dat leedt gebrouwen.
Mijn liefde spreekt haar vry, ’t zijn streeken van uw konst.
ROXANE.
(440) Wel, zal uw wreede ziel dan niets bestaan ter gonst
Van eene Koningin, wiens min u drijft tot haaten;
Zo denk, hoe ver gy nu zijt van ’t geluk verlaaten:
Wat meedeminnaar, die van liefde, en gramschap woedt,
Gy tot uw vyandt hebt. Zijn handt dorst na uw bloedt.
(445) Bedien u van de mijne, om zijne te beletten.
ORONDATES.
Dewijl een dubble ramp my dreigt het hooft te pletten,
Verscheelt het niet, van waar die felle bliksemslagh
My treft; schoon ikze liefst van hem opdaagen zagh.
ROXANE.
Wat heb ik u gedaan?
ORONDATES.
                                  Een pijn, niet om te lijden.
(450) Ik voelze, reis op reis, mijn lijf en ziel bestrijden.
Ik draag mijn eigen boeye, en die van Statira.
Perdikkas komt my daar, en gy my hier te na.
Mijn ziel wordt door uw last geprangt met dubble smarte.
ROXANE.
Wat quelt u hier?
ORONDATES.
                            ’T geen daar haar pijnigt in het harte.
(455) Ik deel in haar verdriet, en zy (helaas!) in ’t mijn;
En uit mijn pijn durf ik oordeelen van haar pijn.
Perdikkas wijkt u niet.
[p. 20]
ROXANE.
                                    O smaadt, die my beleedigt!
Blusch mijne min niet uyt, zy is ’t, die u verdeedight.
ORONDATES.
Wat gonst, wat voordeel kan my van uw min geschiên?
(460) Zou zy my toestaan, dat ik Statira mag zien?
ROXANE.
U tot zo doodlijk een gesprek verlof te geeven!
Te zien vergaan de hoop, dieme over is gebleeven!
Neen, neen, eêr Statira zien smooren in haar bloedt,
Eêr in die plas gedooft mijn heete minnegloedt,
(465) En in haar hart gezocht uw hart, dat zij me ontroofde.
ORONDATES.
’K wacht alles, wat ik van uw wreedtheidt my beloofde.
Welaan, Roxane, ga zo in uw woede voort,
Zy heeft haar felle klaauw voorlang geverft met moordt.
Al rookten schoon, van’t bloet uw Konings, uwe handen,
(470) Al deedge een zee van vuur bestroomen uwe landen,
Al vulde gy ’t Heelal met schriklijke euveldaân,
Geen mensch is meêr ontzet in dat verwoedt bestaan.
De weerelt kent u voor een monster in het woeden,
Gansch Asien krimt noch voor uwe geesselroeden,
(475) En Babilonien, daar gy door dwinglandy
Den troon beklimt, heugt noch van uwe razerny.
ROXANE.
Ha! ’t is te schamperlijk mijn min, en goedheidt sarren!
Vrees op haar beurt mijn haat, dat zy niet eens in arren
En euvlen moede uitbarste, en zett’ mijn min de voet
(480) Fors op den nek, en plantt’ de wreekzucht in ’t gemoedt.
Indien die drift eens, op mijn ziel, komt veldt te winnen,
Te triomfeeren, en verbysteren mijn zinnen,
’K zal u bedelven in een poel van ramp, en smart.
Dies my, zo verre te verbitteren mijn hart,
(485) En, uit de gruwlen, die gy zegt ons te vermaaken,
Denk Orondates, hoe mijn overmoedt wil blaaken,
Wanneer de wanhoop drijft een wreede ziel tot wraak.
[p. 21]
ORONDATES.
Gy kont al, wat gy wilt, behalven eene zaak,
ROXANE.
Wat zaak vermag ik niet?
ORONDATES.
                                        My tot uw min te neigen.
ROXANE.
(490) Ach! ’t gaat te hoog! Gy durft my tergen in mijn dreigen?
Mijn liefde, schoonge dol rent nauw ongeval.....



ZESDE TOONEEL.

ROXANE, ORONDATES, HEZIONE, ARBATES.

ARBATES.
MEvrouw, Perdikkas met Seleukus zijn daar al.
ROXANE.
Men laat hen koomen. Gy, ga heen, breng Orondates
In zijn vertrek.
ARBATES.
                        ’K volg uw gebodt.
ORONDATES.
                                                        Kom, gaan we Arbates.



ZEVENDE TOONEEL.

ROXANE, PERDIKKAS, SELEUKUS, HEZIONE.

ROXANE.
(495) GY komt ons weeder by, Seleukus, vry en vrank?
SELEUKUS.
’K ben vry, Mevrouw, maar ’k weet dat onzen vyandt dank.
ROXANE.
Wijt dit onze onmagt, die ’t niet anders heeft geleeden,
Dan uw verlossinge te wenschen met gebeeden.
[p. 22]
SELEUKUS.
Een krachtelooze hulp voor een gevangen Vriendt.
(500) ’K heb met mijn sabel u, in ’t spits van ’t heir, gedient,
En nooit mijn bloedt gespaart in ’t waagen van mijn leeven.
Gy hebt niet, dan een wensch, een zucht, daar voor te geeven.
ROXANE.
’T schijnt, dat Seleukus van een vriendt ondankbaar wordt.
Gy doet uw weldaân door dit schots verwijt te kort,
(505) En spot met onze wensch, en goê geneegenheeden.
SELEUKUS.
Mijn ongenoegen steunt, Mevrouw, op recht, en reeden.
ROXANE.
Wel aan dan, dat men u vernoege, eischt onze plicht.
Wat komt gy handelen?
SELEUKUS.
                                      Een zaak van groot gewicht.
ROXANE.
Men zett’ zich neêr, en hoor bezaadigdt uw begeeren.
SELEUKUS.
(510) ’K eisch Orondates: dit is d’oorzaak van mijn keeren.
Hoe beide dus verstelt? Al lang genoeg geveinst.
’K zie uit de trekken van uw weezen, wat gy peinst.
Nu spreek, Perdikkas, wilt uw meening niet verbergen.
PERDIKKAS.
Seleukus, ach! wat is ’t, dat gy ons af durft vergen!
SELEUKUS.
(515) ’K eisch Orondates.
PERDIKKAS.
                                        Wel, men stelle u niet te loor.
Mevrouw vernoeg hem.
ROXANE.
                                      Ach! Perdikkas, wat ik hoor!
Spreekt gy ’t, en kentgy de waerdy van dien Gevangen?
PERDIKKAS.
Mijn eedelmoedigheidt wil gaeren al ’t belangen,
[p. 23]
Dat my hier in betreft, opoffren aan een Vriendt,
ROXANE.
(520) Gemaakte eêlmoedigheidt, die van een goedt zich dient,
Dat andren toehoort, om haar mildheidt te betoonen!
Maar is ’t u ernst, om hem zijn vriendschap te beloonen,
Zo komt hem, met het geene u eigen is, te sta;
Geef, voor zijn vryheidt, aan den vyandt Statira.
PERDIKKAS.
(525) Eêr ik haar geeve, zal Perdikkas ’t leeven derven.
ROXANE.
En eêr ik Orondaat hen geef, Roxane sterven.
SELEUKUS.
Geveinsde Vrienden, is mijn vriendschap zo gering!
’K zie door dat masker: gy verstaat u onderling.
PERDIKKAS.
Gy maakt u dus der gonst onwaerdig, die we u toonen.
SELEUKUS.
(530) ’K wil die niet waerdigh zijn, Perdikkas; ’t zou my hoonen.
Ik breek de vriendschap, die dus lang ons heeft vereent.
PERDIKKAS.
Ik heb al lang gemerkt, hoe flaauw zy wierdt gemeent:
De vyandt heeft gesmoort, al ’tgeen gy meê gingt draagen,
En ’k voel met vreugdt my van dat lastig pak ontslagen.
SELEUKUS.
(535) Dat ’s recht. Uw vriendschap strekt u vrienden maar tot last.
Zy sleept veel oneers na; daar ’s niet, dan schande aan vast.
PERDIKKAS.
Seleukus, ’t gaat te hoogh.
SELEUKUS.
                                          O neen, ik zal my wreeken.
PERDIKKAS.
Hoe, dreigen?
SELEUKUS.
                      Vreest gy niet?
PERDIKKAS.
                                              Voor u? dat ’s nooit gebleeken,
[p. 24]
SELEUKUS.
Voor mijns gelijken, toen gy my verliet in noodt,
(540) En in den laatsten slagh zo schandlijk heenen vloodt.
De doodt tarte ik in ’t veldt, gy vreest die hier te vinden.
O Heemel! ’k zie nu eerst met wie ’k my ging verbinden!
PERDIKKAS.
Die waerdiglijk op ’t spoor van Alexander draaft.
SELEUKUS.
Met zulke deugden heeft natuur u niet begaaft.
PERDIKKAS.
(545) ’T en waar de Koningin, het zou hier anders blijken.
SELEUKUS.
Een schoon beschutsel, daar uw gramschap voor moet wijken!
ROXANE.
Seleukus, deelt gy dan in ’s vyandts wreeden haat,
Dat gy weêr keert na ’t heir, en ons zo koel verlaat?
SELEUKUS.
’K zal houden mijn belofte in alls, daar ik zal konnen;
(550) En zo gy Orondaat zijn vryheidt niet wilt gonnen.....
ROXANE.
Neen, neen. De Vyandt dingt vergeefs na zulk een schat,
En ’t valt ons lichter, u te missen in de Stadt,
Als toe te staan, het geen gy komt van ons begeeren.
Gy kont, als ’t u behaagt, weêr na uw kerker keeren.
SELEUKUS.
(555) Wel aan, ondankbaare, wel aan: Seleukus gaat;
Maar ’t zal u rouwen, dat gy hem dus bits versmaadt.



ACHTSTE TOONEEL.

ROXANE, PERDIKKAS, HEZIONE.

PERDIKKAS.
DAt liep te hoog.
ROXANE.
                            De drift vervoerde mijn gedachten.
[p. 25]
PERDIKKAS.
Hy is een Oorlogsheldt, men moet hem niet verachten:
Verlaat hy ons, Mevrouw; men krijgt een dappre krak.
ROXANE.
(560) Gy zult hem natreên, en verhoên dat ongemak.
Maar ’k hadde niet verwacht, dat gy zijn eisch zoud stijven.
PERDIKKAS.
Ik veinsde slechts, om ons voorneemen door te drijven
Met beetren schijn: Ook rook hy daadlijk, hoe ’t er lagh.
ROXANE.
Ik merkte ’t ook; en hield my blindt, schoon ik ’t wel zagh.
(565) Wat baart de min in een verliefde ziele al vlaagen.
Ik moet van Orondaat steedts quaadt onthaal verdraagen,
Hy hoont, hy lastert my, en echter kan mijn hart
Hem niet ontbeeren, schoon ’t den staat met naadeel smart.
PERDIKKAS.
Mevrouw, een zelfde lot schijnt u, en my, beschooren.
(570) Ik vley, ’k smeek Statira; maar alles is verlooren.
Zy overheert mijn ziel, gelijk haar onderdaan,
En schoon ’t ons schaadt, ik heb geen maght haar af te slaan.
ROXANE.
Heeftze u dan iets gevergt?
PERDIKKAS.
                                            Helaas!
ROXANE.
                                                        Hoe, blijft gy steeken?
PERDIKKAS.
Zy heeft verzocht Prins Orondaat te spreeken.
ROXANE.
(575) O doodelijk verzoek! En hebt gy ’t haar belooft?
PERDIKKAS.
Ik kon ’t niet weigeren.
ROXANE.
                                    Wat heeft u ’t brein beroofdt?
Denkt gy dan niet, wat quaadt hier uit zou konnen spruiten
[p. 26]
Voor onze liefde? Neen, laat ons dat spreeken stuiten,
Perdikkas: Ach! daar steekt voor ons maar nadeel in:
(580) Zy hebben ’t slechts begeert tot voordeel hunner min.
PERDIKKAS.
Heeft Orondates dan u zulks ook voorgedraagen?
ROXANE.
Hy heeft het wel verzocht; maar ’k heb ’t hem afgeslagen.
PERDIKKAS.
In weêrwil van mijn min, heb ik ’t haar toegezeidt.
Maar, vindt gy ’t goedt, ik heb die minnaars iets bereidt,
(585) ’T geen hen, in dat gesprek, te bitter op wil breeken,
En daar, voor onze liefde, iets nutlijks in zal steeken.
ROXANE.
Uw woordt heeft u verplicht: ’k wil dat niet teegenstaan.
Nu zeg.
PERDIKKAS.
            Ik zal, terwijlwe, om hen te spreeken, gaan.
Einde des Tweeden Bedrijfs.
Continue
[
p. 27]

DERDE BEDRYF.

EERSTE TOONEEL.

ORONDATES, HEZIONE.

ORONDATES.
BEgunstigt Statira my dan met zulk een teeken
(590) Van haar geneegenheidt? Zal ik haar zien, en spreeken?
Is ’t waar, Hezione? Heeft zy ’t my toegestaan?
HEZIONE.
Ja, Orondates, en zy treedt vast herwaarts aan.
ORONDATES.
Het lust my nu niet meêr mijn rampen te beklaagen!
’K zal dan mijn Koningin, voor ’t einde van mijn dagen,
(595) Al is ’t niet op den troon, met Persische Eedelliên,
En Koningen bestuwt, gelijk ik wenschte, zien?
Maar, zal mijn ziele, in al die vreugdt, zich wel betoomen,
En niet verstikken! ach!
HEZIONE.
                                      Mijn Heer, ik zie haar koomen.



TWEEDE TOONEEL.

STATIRA, ORONDATES, HEZIONE.

STATIRA.
TReê nader, Orondaat.
ORONDATES.
                                      Mevrouw, waar meê beloont
(600) Mijn dankbre ziel de gonst, daar gy mijn min meê kroont.
STATIRA.
Wat vreemder hartstoght voel ik mijn gemoedt beweegen!
ORONDATES.
In zulk een overvloedt van vreugdt sta ik verleegen!
Mevrouw, laat ons, Roxane, en wie ons haat, ten spijt,
[p. 28]
Niet slijten, zonder vrucht, deeze uitgekochte tijdt.
STATIRA.
(605) ’T herdenken onzer ramp, daar wy zo diep in steeken,
Belet in blijschap ons gulhartig uit te breeken.
Elk oogenblik bestormt, met nieuwen druk, ons hart;
Perdikkas razerny berokkent ons die smart.
ORONDATES.
Roxane aan d’andre kant, zal ’t onheil noch vergrooten.
(610) Zy steurt zich niet, al heeft zy schandlijk ’t hoofdt gestooten.
’T schijnt, dat haar dolle min, door al mijn afslaan, groeit.
Zy is in ’t vergen, ik in ’t weigren onvermoeidt.
Zo haar getergde haat veroorzaakte mijn lijden,
’K vond in mijn zwaarigheên noch stoffe tot verblijden.
(615) D’ondraagelijkste pijn spruit uit haar minnegloedt.
STATIRA.
Perdikkas, dag op dag, houdt meê dien zelfden voet.
ORONDATES.
Roxane zal ’t niet aan vermeetelheidt ontbreeken.
Zy heeft my, roodt om ’t hooft gezwollen, en ontsteeken
Van gramschap, flus gedreigt meteen afgrijslijk lot.
STATIRA.
(620) Wat heeft ze u opgelegt?
ORONDATES.
                                                Een haatelijk gebodt,
Een vloekwet, waerdt alleen van haar te zijn gegeeven,
Die my in wanhoop stort, en rooft de lust tot leeven.
Zal ik ’t u zeggen? Zy begeert; dat gy my haat.
STATIRA.
Perdikkas, Prins, wil meê, dat gy mijn min verlaat,
(625) Of dreigt uw hals, en zal ze u doen door ’t staal verliezen.
ORONDATES.
Uw doodt, en leeven hangt, Mevrouw, aan dit verkiezen.
Gy hoort uw vonnis.
STATIRA.
                                  En gy ’t uwe uyt mijne mondt.
[p. 29]
ORONDATES.
Zo is het ons alleen veroorloft op dien grondt,
In d’uiterste oogenblik, van hunne last te spreeken?
(630) Zy hoopen dan door vrees den bandt dier min te breeken
STATIRA.
Prins, wat is uw besluit?
ORONDATES.
                                      Prinsses, wat is uw zin?
Zult ghy my haaten?
STATIRA.
                                Gy verlaaten mijne min?
ORONDATES.
Vertrouwt gy, dat ik kan Roxanes eisch volbrengen,
En mijne liefde zulk veranderen gehengen?
STATIRA.
(635) Meent gy, dat ik uit vrees Perdikkas wreede wet
Zal volgen, en dat hy mijn vast gemoedt verzet?
ORONDATES.
Gy weet, Mevrouw, aan welk een kant u staat te hellen.
STATIRA.
Gy weet het ook, mijn Prins.
ORONDATES.
                                              Zal ik dan ’t oordeel vellen?
Zo weet, dat ik de doodt veel eêr verkiezen zou,
(640) Als ’t onvergheeffelijk schoffeeren mijner trouw:
Maar ’k eisch niet, dat gy my zo groot een blijk zult geeven
Van uwe liefde, om niet door ’s vyandts handt te sneeven.
Ook raade ik niet, dat gy Perdikkas min beloont,
Dewijl zijn vuig gemoedt zich die onwaerdigh toont;
(645) En ’t magh my niet van ’t harte, om van u te begeeren,
Dat gy me in deeze staat zoudt met uw min vereeren:
Uw wisse doodt zou daar.....
STATIRA.
                                              Die is zo schriklijk niet,
Wanneer een moedigh hart haar onder d’oogen ziet.
Al dreigde ’t noodtlot my het bekkeneel te pletten,
[p. 30]
(650) ’T zou mijn standtvastigheidt noch grootsche ziel verzetten,
Neen, vrees niet Orondaat; gy zult my nooit mijn zin
Uit vrees zien buigen na Perdikkas weedermin.
ORONDATES.
Ziet gy my daar voor aan, dat ik zou konnen lijden,
Datge, om tot mijne gonst Perdikkas min te mijden,
(655) En gruwlijke overlast, zoudt sterven in mijn schoot,
Neen, ik zal u daar voor bevryden met mijn doodt,
Leef gy, Mevrouw.
STATIRA.
                              O wreede, is dit dan uw begeeren,
Dat ik mijn min van u zal na Perdikkas keeren?
ORONDATES.
Ja, stondt de keur my vry, en voegde ’t my, Mevrouw,
(660) ’K zag nooder u gedoodt om my, als ongetrouw.
STATIRA.
De liefde, die ’k u draagh, vertoont veel eedler blijken.
’K zag liever u in ’t graf, dan in uw trouw bezwijken,
En ’k zoude u sterven zien met min misbaar, en smart,
Dan of Roxanes min vast velt won in uw hart,
(665) En triomfeerde. Blijf voor my dan in het leeven,
Of sterf voor my.
ORONDATES.
                            Om u verzeekering te geeven
Van mijn getrouwigheidt, zal ik, na dat gy ’t voeght,
Of leeven maar voor u, of sterven wel vernoegdt.



DERDE TOONEEL.

STATIRA, ROXANE, ORONDATES, PERDIKKAS, HEZIONE, ARBATES.

ARBATES.
MYn Heer, ’t is tijt een eindt van uw gesprek te maaken,
(670) De Prins Perdikkas, en de Koningin genaaken.
ORONDATES.
Onzaligh Dienaar, die slechts toelegt op verspiên,
[p. 31]
En uitvoert, wat die twee verwaatene u gebiên.....
Doch ziet hen beide daar. In ’t norsch en dreigend weezen
Is ’t uiterste besluit van onze doodt te leezen.
ROXANE teegen Statira.
(675) Mevrouw, geen zwakheidt heeft mijn trotse ziel bevlekt,
’K voel geen beweeging, die my wroegingen verwekt.
Al wie lafhartigh vreest zijn oogwit na te jaagen,
Verdient de prijs niet van zijn misdaat wegh te draagen.
Wacht niet van my te zien een euveldaadt gelaakt,
(680) Die ’k door veel reedenen reets wettig heb gemaakt.
Ik kom niet om met u te spreeken tot mijn voordeel.
’K betrouw in dit besluit alleen mijn eigen oordeel.
’K erkenne niemant, als my zelf, tot toeverlaat,
Ook stel ik my alleen tot rechter van mijn daadt.
(685) Mijn voordeel is mijn wet, ’k wil na geen andre hooren.
Het vonnis light gevelt; ik heb uw doodt gezwooren.
Heb ik d’uitvoering, zo rechtvaerdigh, opgeschort,
Heb ik de wraak vertraagt, daar my de spijt toeport:
’T verwijft meêdoogen heeft by my voor u gedongen,
(690) Perdikkas heeft met haar mijn heevigheidt bedwongen;
Zy beide deên de straf schoorvoeten in ’t besluit,
En hebben noch uw doodt, zelfs in mijn handt, gestuit.
Maar nu gy voortvaart, en met opzet, my te schaaden,
En roekloos arbeidt, om u zelven te verraaden;
(695) Nu Orondates meê mijn zinnen, reets ontroert,
Met meêr versmaadingen tot wanhoop heeft vervoert,
Heeft mijne hartstoght geen meêr ooren voor die reeden,
Ik heb belofte, en recht, nu met de voet getreeden,
En ben onmaghtigh om mijn woede, en razerny
(700) Te toomen; zy barst uit met volle kracht, ten zy
Prins Orondates, met een neederigh berouwen,
My weêr doe stemmen, om u ’t leeven te behouwen.
PERDIKKAS teegen Orondates.
En gy, o Prins, weet ook, hoe ver mijn gramschap gaat
’T scheen tot dit oogenblik noch maar een kleene haat.
(705) Zolang de wanhoop mijn verwoedheidt kon beletten,
[p. 32]
Zocht ik gestaagh uw straf tot morgen uit te zetten.
Maar mijn wraakzuchtigheidt wil heeden zijn vernoeght,
En heeft, tot uw bederf, zich naauw by een gevoeght.
Mijn driften zijn vergroot, en mijn getergde tooren
(710) Heeft met Roxanes woede uw ondergang gezwooren.
Een toevlucht is alleen u ovrigh in dien staat,
Dat Statira my minne, en gy haar min verlaat;
En weigert gy ’t, gy zult straks van mijn handen sterven.
ORONDATES.
Wat poogt ge, oneedele Perdikkas, te verwerven?
STATIRA.
(715) Wat hebtge, onmenschlijke Roxane, in uwen zin?
ROXANE.
Gy zelve maakt, dat ik zo onverduldigh min.
Gy hebt hem my ontrooft, gy zult hem weedergeeven.
STATIRA.
’K zal hem bewaaren.
ROXANE.
                                    Neen, gy zult niet langer leeven.
STATIRA.
Gy hebt uw hart in wraak, en wreedheidt opgevoedt,
(720) Gy zette uw Vaderlandt in eene zee van bloedt,
En hebt voor elk uw dier gezwooren trouw verbrooken,
En uwen Koning zelf verwoedt na ’t hart gestooken,
Wanneer uw liefde, opdat haar niets verhindren zou,
Met zulk een bloedigh spel haar lust verzaaden wouw,
(725) En u die lekkerny doen smaaken, daar uwe oogen
Zo dikwijls hadden ’t zoet der voorsmaak uitgezoogen.
Die schrikkelijke toght tot moorden sloeg staâg voort,
En maakte u deelgenoot aan Alexanders moordt.
Uw ziel, die toestandt hadde aan ’t kroonverraadt gegeeven,
(730) Heeft door haar wensch de kracht van ’t helsch vergift gesteeven,
En, met zijn moorders in een vloekverbondt geraakt,
Die schelmen heeter na huns Konings doodt gemaakt.
[p. 33]
Gy dorst door eigen drift hun bloedigh opzet stijven,
En onderstondt daarna om Statira t’ ontlijven,
(735) Als zelf uw wreede beul, schuw voor die gruweldaadt,
Op ’t bloedtooneel haar niet wilde offren aan uw haat,
En, noch onmenschlijker, als gy, met haar te spaaren,
En ’t haatlijk leeven aan die droeve te bewaaren,
Haar elken oogenblik deed sterven duizent maal.
(740) Roxane, dus hebt gy gewoedt met gift en staal.
ROXANE.
Welaan, ik zal mijn werk voleinden, en verbolgen
Door uwen hoon, ’t spoor van mijn eerste toghten volgen,
En die verzeegelen met een beroemdt bestaan,
En kroonen met uw doodt mijn gruwlijke euveldaân.
STATIRA.
(745) Kom, wreede, voer vryuit dat bloedige begeeren.
Maar vruchtloos tracht gy mijn standtvaste min te keeren.
Zijn beeldt zal na mijn doodt noch leeven in mijn borst.
PERDIKKAS teegen Orondates.
Gy zwijgt, maar wat is uw besluit in ’t einde, o Vorst?
ORONDATES.
Bloedtdorstige Tieran, nu gy zijt opgereezen.
(750) Door mijne val, waant gy u alles vry te weezen.
Op zo oneedlen grondt hebtge u alleen vertrouwt,
En op mijn neederlaag uw laf gezwets gebouwt.
Hy vreest mijn aanzicht niet, die voor mijn arm moest duchten.
Ik zie hem weêr in u, die ’k schandelijk deê vluchten,
(755) En wiens lafhartigheidt mijn haat heeft aangeport.
Zie hier, zie hier de prijs; maak, gy ze waerdigh wordt;
Laat dit het strijdtperk zijn, daar we ons verschil beslechten,
En met gelijke kans om d’overwinning vechten.
Mijn Koninginne zy den winnaar toegeleidt.
(760) Ik gaf u ’t leeven, gy geef my mijn vryigheidt.
Oneedel minnaar, maak dat ik u moet benijden,
Verzwaar noch alle mijn verdrieten met dit lijden,
Dat ik een gonst geniet van zulk een schelm, als gy.
PERDIKKAS.
Was u ’t geluk gebeurt, een dienst te doen aan my,
[p. 34]
(765) Mijn hart zou ’t loochnen, en die plichten van zich weeren.
Denk niet, dat ik van u ooit weldaadt zal begeeren;
Ook is de gaaf verdicht, daar gy u van beroemdt.
ROXANE.
Al lang genoeg; ontfang, waar toe gy zijt gedoemt:
Mijn arm wordt moê; gy moet terstont en kort besluiten.
ORONDATES, teegen Statira.
(770) Mevrouw, wil uwe wet door uw schoone oogen uiten,
Wat gy beschooren hebt van u, en my met een.
STATIRA.
’K wil niet verkondigen, als mijne straffe alleen.
Mijn liefde heeft u van zo wreedt een lot ontslagen.
Leef Orondates, zo gy kont mijn doodt verdraagen:
(775) ’K zal voor u sterven.
ORONDATES.
                                            Ik geef my de zelfde wet.
Ik sterf voor u. Dus werde uw min betaalt gezet.
STATIRA.
Leef Orondaat: maar wil Roxane nooit beminnen.
ORONDATES.
’K zal voor u sterven, en zy nooit mijn haat verwinnen.
STATIRA.
Vergeef dees jaloezye aan een verliefde vrouw:
(780) Ik zag u liever doodt, als leevende ongetrouw.
ORONDATES.
Ik sterf voor u, Prinsses, en kan voor haar niet leeven:
En nu gy wilt, dat ik die minneproef zal geeven,
Wordt diergelijk een toets van uwe trouw begeert.
Wijl in de weedom, die mijn ziel heeft overheert,
(785) Zy door wat prikklings zich van minnenijdt voelt grieven,
Leef, mijn Prinsesse, leef, maar niet om hem te lieven.
En gy, Perdikkas, die dus yvert na mijn doodt,
’K vergeef ze u, red Mevrouw alleen uit deezen noodt.
Laat Alexanders weeuw uw razerny betoomen.
STATIRA.
(790) Hoe Orondates? is de doodt dan zo te schroomen,
[p. 35]
Dat ik, om niet berooft te zijn van ’s leevens licht,
Zoude aan Perdikkas hulpe, en voorzorg zijn verplicht?
’K heb mijn beschermer, Prins, in u alleen gevonden,
Aan wien ’k ondankbaar ben, niet min als dier verbonden
(795) Maar, nu mijn ziel zich dus gulhartig heeft verklaart,
Verdraag dan, dat mijn doodt uw weldaân eevennaart.
’K magh Alexanders echt, en trouwbeloften breeken.
Zijn doodt herstelt u, daar hy u van had versteeken.
Ban dan de jaloezy, die u genoegen stoort,
(800) Mijn Orondaat, en neem dit hart, ’t geen u behoort.
PERDIKKAS.
Ontfang het, zo ’t u lust uw eigen doodt te zoeken.
Het leeven is een gift...
ORONDATES.
                                    ’K zou die van u vervloeken.
Ik stierf van schaamt, was my die gunst van u geschiedt.
Ik ben het, die ’t u gaf, gy zijt het, die ’t geniet.
STATIRA.
(805) Perdikkas, hier ’s mijn borst: wat toeft gy u te wreeken
Op Orondates? kom, wil hem in my doorsteeken.
ORONDATES.
Ach, eêr.....
PERDIKKAS.
                  Mijn razerny, dus vinnig aangesart,
Zal door mijn wraak op u verdubbelen zijn smart,
En, smeltende onder een u beider rampen, doelen
(810) Om hem, by zyne pijn, ook d’uwe te doen voelen.
Nu Statira, besluit.
STATIRA.
                              ’K vrees niet in deezen staat.
’T is door mijn doodt alleen....
PERDIKKAS, zijn sabel trekkende, en de punt op
Orondates borst zettende.
                                                  Neen; beeter Orondaat.
’K heb nu ’t geheim ontdekt, om u van een te scheuren.
Sterf, trotse, sterf, u zal geen uitstel meêr gebeuren,
[p. 36]
(815) En geef my weer de rust, die gy my hebt ontroofdt.
ROXANE, Arbates sabel uittrekkende, en die op Statiras boezem stellende.
Hou stil, wat razerny heeft u ’t verstandt verdooft?
Perdikkas, sta, en ga te raade met uw zinnen,
Wat hartstocht allermeest behoorde op u te winnen.
Wat hebt gy liever, dat Prins Orondates leef,
(820) Of dat ik Satira met een den doodtsteek geef.
Verkies.
ORONDATES teegen Perdikkas.
              Perdikkas, ach! wil Statira behoeden.
Ik zal daarna die gunst u met mijn doodt vergoeden.
STATIRA, teegen Roxane.
Kohortans Dochter, kom, moord met ontzinden moedt,
In Alexanders weeuw, Darius godlijk bloedt.
(825) Kom uwe razerny tot barstens toe vergrooten,
Prins Orondates hart in deeze borst doorstooten,
En, ons opoffrende aan den Afgodt van uw haat,
Verbrijzel ’t outer, en het beeldt, dat daar op staat.
ORONDATES, teegen Roxane.
Neen, wreede Dwinglandin, kom hier u wraak volbrengen,
(830) En ’t bloedt van Statira, door my te moorden, plengen:
Want, nademaalze alleen in deeze boezem leeft,
Is ’t billijk, dat gy haar daar in den doodtsteek geeft.
ROXANE, zich stellende voor Orondates.
Gy zult niet sterven, neen, ik zal uw vyandt stutten.
PERDIKKAS, zich stellende voor Statira.
En ik zal Statira voor uw geweldt beschutten.
STATIRA, teegen Perdikkas.
(835) Hoe, meentge, dat ik voor een dienst acht, ’t geen gy doet?
Roxane is minder wreedt, nu zy mijn heldt behoedt.
Mijn deel dat sterven wil, bewaart gy in het leeven,
En had uw sabel haast ten boezem ingedreeven
Van ’t lief gedeelte, dat my meest ter harte gaat.
(840) Ik sterf in Statira, en leef in Orondaat.
Door zijn gevaar was mijn verleegen ziel aan ’t flaauwen,
Zo hem Roxane niet gerukt hadde uit uw klaauwen,
En teegen mijne doodt zich door die gunst gekant.
[p. 37]
ORONDATES, teegen Roxane,
En gy, ô Tijgerin, vergeefs vleit zich uw handt,
(845) Dat zy een wegh, tot mijn bescherming, heeft gevonden.
’K ben aan Perdikkas gonst, niet aan uw dienst, verbonden;
Dewijl hy, aarzelende om na mijn doodt te staan,
Een deel behoedt, waarvoor ik ’t meeste was begaan,
Daar uwe wreedheidt, met me in ’t leeven te bewaaren,
(850) Mijn helft, die sterven wil, poogt teegens dank te spaaren,
ROXANE, teegen Orondates.
Ik zal u eevenwel, in weêrwil van die smaadt,
Beschutten voor geweldt, en voor Perdikkas haat,
PERDIKKAS, teegen Statira.
En ik zal, schoon gy ’t vloekt, u moediglijk beschermen,
En voor Roxanes staal bevryden, met mijn armen,
ROXANE.
(855) Ik zie Perdikkas voor mijn teegenstander aan.
PERDIKKAS.
Gy hebt mijn vyandschap ook op uw hals gelaân,
En zult met alle uw maght niet teegen my vermoogen.
ARBATES.
Ziet toch elkander aan, met meêr bezaadigde oogen.
Uw onderling verschil versterkt des Vyandts zy,
ROXANE, teegen Orondates.
(860) Prins, ga van hier.
PERDIKKAS, teegen Statira.
                                      Prinsses, ontvlie haar razerny.
STATIRA.
Ontmenschte, zou dat vliên ons van de doodt bevrijden?
ORONDATES.
Een eevengroot gevaar dreight ons van weederzijden.
ROXANE.
Arbates, breng den Prins weêr veiligh aan een kant,
STATIRA.
Roxane, keer ’t geweldt en woeden, met uw handt,
(865) Indien Perdikkas hem trouwlooslijk wil bespringen.
ORONDATES.
Perdikkas, laat Mevrouw niet uit uw magt ontwringen.
[p. 38]
ROXANE.
’K laatme Orondates niet ontgaan, zolang ik leef.
PERDIKKAS.
En ik zal sterven, eêr ik Statira begeef.
ORONDATES.
Ik zweer, mijn Koningin, nu ik u moet verlaaten,
(870) Dat ik Roxane nooit ophouden zal te haaten,
En sterven, êer mijn min verzacht haar ongeval.
STATIRA.
En eêr Perdikkas van mijn weêrmin roemen zal,
Zultge in mijn grafspelonk mijn droeve doodt beweenen.
ROXANE teegen Perdikkas.
Dit teegenstreeven zal u spatten voor de scheenen,
(875) En rouwen, dat gy uw beloften trouwloos breekt,
Dus raazende na ’t hart van Orondates steekt,
En, in uw heete min te dol en onverduldigh,
’T ontzagh vertreedt, dat gy zijt aan mijn schepter schuldigh.
PERDIKKAS.
En u zal rouwen, datge uw sabel hebt gewet,
(880) En op de waerde borst van Statira gezet.
ROXANE.
Verdeedigh vry uw lief, gebruik daar toe uw krachten:
Ik zal haar eevenwel noch in uwe armen slachten,
En koelen, door een stroom van haar vergooten bloedt,
De toomelooze brandt van mijn gehoondt gemoedt,
(885) Gelijk gy hebt getracht mijn Orondaat te moorden.
PERDIKKAS.
Ik zal hem dooden, schoon gy, door uw scherpe woorden,
My dreigt. Spel uit mijn oog, hoe ik van gramschap blaak.
ROXANE.
Verraader, vrees mijn straf.
PERDIKKAS.
                                            Verwaande, vrees mijn wraak.
Einde des Derden Bedrijfs.
Continue
[
p. 39]

VIERDE BEDRYF.

EERSTE TOONEEL.

ROXANE, HEZIONE, ARBATES.

ARBATES.
MEvrouw, ’k heb, op uw last, de Grieken, en Barbaaren,
(890) In volle wapenen, op ’t voorhof doen vergaâren.
Zy wenschen welgemoedt te sterven in uw dienst.
Maar ’k vrees, niet zonder reên, men zal op ’t onvoorzienst
U overvallen. Gy hebt voor verraadt te schroomen.
Perdikkas dreigt u met den morgen op te koomen.
(895) Daar loopt een straatgerucht, dat al zijn aanhang in
De wapens staat. Ik zorg, hy heeft niet goedts in ’t zin.
ROXANE.
Zijn toeleg is misschien, om schielijk met hen allen,
Op ’s vyandts leeger, in het donker, uit te vallen.
Maar, wijl hy gistren niet ontzag, in mijn gezicht,
(900) Mijn aanzien te vertreên, belofte en heldenplicht
Te schenden, en verwijft zijn driften in te volgen;
Staat my te duchten, dat hy, woedende, en verbolgen
Van minnenyver, en bezwalkende zijn lof,
My aan zal randen. Ga, bespie hem in zijn Hof,
(905) Arbates, luister, wie hy voorheeft te bespringen.
Maar doe mijn lijfwacht mijn Paleis vooral omringen:
Beveel mijn oorlogsvolk, dat ieder zich gereedt
Op ’t eerste teeken houde, en quijte zijnen eedt,



[p. 40]

TWEEDE TOONEEL.

ROXANE, HEZIONE.

ROXANE.
ACh, mijn Hezione! ’k zwem in een zee van rampen!
(910) Men dreigt van alle kant my fel aan boordt te klampen,
Perdikkas in de Stadt, de Vyandt voor de wal,
Beide eeven zeer op my gebeeten, en mijn val
Verhaastende. Zo gy, ô Goôn, de gruweldaaden
Der menschen straft, wilt nu uw tooren vry verzaaden.
(915) Slacht mijn Beleedigers tot zoening van mijn hoon,
Vult Babilonien met stapelen van doôn;
En, als gy ’t aardtrijk splijt, om hen daarin te zwelgen,
Laat dan uw donderkloot met een my ook verdelgen.
Dus zal, terwijl de straf neêrbliksemt van uw maght,
(920) Roxane van geen mensch ooit t’onder zijn gebraght.
HEZIONE.
Wat misdaân deedge, om dus der Goden haat te wetten?
ROXANE.
’K verdien, dat zyme op ’t wreedst vermorslen, en verpletten:
Maar ’k troost my, schoon ik wierd gestikt in eigen bloedt,
Die straf te dulden, om een misdaadt my zo zoet.
(925) Maar weet gy wel, waarom we ons volk zo vroeg deên wekken?
HEZIONE.
Ik zie niet, waartoe die voortvaarendheidt wil strekken,
ROXANE.
Ik wil Perdikkas Hof, met schrikkelijk allarm,
Vermeestren; Statira doorstooten in zijn arm;
En met de zelfde hand, die noch van ’t bloed zal rooken,
(930) Daar ’k ’t hart meê heb van mijn Meêminnaares door stooken,.
Haar Minnaer met een slag opoffren aan mijn wraak,
Twee hinderpaalen van mijn liefde, en zielvermaak.
Dit schouwspel zal de vlam van mijne haat verkoelen,
Mijn borst door hunne doodt verlichtenis gevoelen,
[p. 41]
(935) En, als ik hen den geeft zie geeven, zal de vreugdt
My overstelpen, en doen sterven van geneugt.
HEZIONE.
Hebt gy ’t op Orondaat gemunt? Waar wil dit enden!
ROXANE.
Zou ik mijn handen aan dat godlijk lichaam schenden,
Ontmenschte? Neen: veel eer ’t staal door mijn eigen borst
(940) Gedreeven, als het hart te quetsen van dien Vorst.
Twee offerhanden eischt mijn wraakzucht om te slachten
Perdikkas heeft mijn straf met Statira te wachten.
Maar Orondates, hoe verhardt hy my verstoot,
Zal ik verdeedigen, al waar het met mijn doodt.
(945) Ga heen, Hezione, zeg, dat mijn hart moet breeken,
Zo ik dien trotsen niet voor ’t laatst mag zien, en spreeken.
Indien hy ’t u ontzeidt, ben ik ten einde raadts.
Vley zijn hartnekkigheidt, en stel u in mijn plaats,
En zo de liefde ooit iets op uw gemoedt kon winnen,
(950) Zeg hem al, wat men zeidt, om zich te doen beminnen.
Maar, wat is d’oorzaak, dat Arbates, hier zo haast
Teruggekeert. Hy schijnt ontsteldt, en heel verbaast..



DERDE TOONEEL.

ROXANE, HEZIONE, ARBATES.

ARBATES.
MEvrouw, mijn zorg was niet gegrondt op los vermoeden;
Uw Vyandt naakt, en is vervaerelijk aan ’t woeden.
ROXANE.
(955) Wat vyandt? Want de ramp, daar ’k door mijn liefde in ben,
Belet, dat ik noch al mijn vyanden niet ken.
ARBATES.
Het is Perdikkas, die, van minnenydt gedreeven,
Met zijne benden, zich heeft herwaarts aan begeeven.
Zy hebben uw Paleis rondtom bezet; de poort
(960) Wordt reets vermeestert, en de schildtwacht ligt vermoordt.
[p. 42]
Zy dringen aan. Uw volk, en lijftrouwanten zetten
Zich wel ter weêr, om hen den doorgang te beletten;
Maar rechten weinigh uit. Perdikkas, wiens gezag,
En opperveldtheerschap by ’t krijgsvolk veel vermag,
(965) Geeft voor, dat hy niet komt, om iemandts bloedt te plengen,
Maar slechts om Orondaat hun vyandt om te brengen.
ROXANE.
Ach! ondersteunt my. ’K voel, dat mijne ziel dien slagh
Niet zal verduuren, noch die wreedheidt hooren magh;
En, eêr mijn lichaam, door dien storm, is neergeslagen,
(970) Kan zy de buy, die op komt dryven, niet verdraagen.
Laat my bezwijken, ach! weêrhoudt my langer niet;
Mijn lijf, gelijk mijn ziel, verdwijnt in dit verdriet.
Ik sterf, Hezione; ’k sterf, mijn getrouwe Arbates.
HEZIONE.
Helaas!
ARBATES.
            Mevrouw, schep moedt.
ROXANE.
                                                  Bescherm mijn Orondates.
(975) Dit ’s al, wat ik begeer.
HEZIONE.
                                                O Goôn! zy geeft den geest
Van droefheidt, en is meêr voor Orondaat bevreest,
Als voor zich zelve. Ik ben met haar verdriet bewoogen.
ARBATES.
’K zie, dat zy weêr bekomt Zy opent flaauw haare oogen.
ROXANE.
Waar ’s Orondates? Ach! Hezione, zijt gy ’t?
(980) Waar ’s Orondates? Is hy doodt? Ben ik hem quijt,
Of leeft hy noch? Spreek op.
ARBATES.
                                              Mevrouw, hy is in ’t leeven.
ROXANE.
Zult gy dan draalen, tot zy hem den doodtsteek geeven,
[p. 43]
En ’t onwaerdeerlijk bloedt verstorten van dien Heldt?
Arbates, volgme, kom, wy zullen met geweldt
(985) Dien Prins ontzetten. Voort, geef wapens, om te strijden
’T gevaar eischt spoedt.
ARBATES.
                                      Mevrouw, wil dat gevaar vermijden,
Zo lang gy kunt: want, in zijn dolle oploopendheidt,
Zou die weêrspannige u, met bijster onbescheidt,
Bejeegenen, en uw grootachtbaarheidt, en staaten
(990) Versmaaden. Blijf, Mevrouw; gy moght’er ’t leeven laaten.
ROXANE.
Ik acht mijn leeven niet, zo ik maar ’t leeven van
Mijn Orondates, door mijn doodt, verzeekren kan.
Maar ach! Wat zal mijn doodt hem baaten? niet met allen:
Perdikkas zal hem in zijn kerker overvallen,
(995) Hy zal hem dooden. Ach! hoe wordt mijn ziel bestreên!
Wil ik hem liever in zijn vrijheidt stellen? Neen.
Zou ik zo waerdt een pandt ontslaan uit zijne banden?
Waar zou mijn liefde, als hyme ontvluchte, dan belanden?
Maar zal ’t my nutter zijn, goedts moedts, te lyden, dat
(1000) Ons beider vyandt my ontroove zulk een schat?
En zijn bloedtgierigheidt, met euvlen moedt,vermoorde
Het eenigst voorwerp, datme, in al mijn ramp, bekoorde
Dit leeven met verdriet te sleepen. Neen, ga heen
Arbates, zend hem hier terstondt, en vlieg met een
(1005) Na ’t Neederhof, om daar de Vyanden te stuiten.
Men span de keetenen, of drijfze weêr na buiten.
’K zal Orondates hier verwachten.
ARBATES.
                                                      ’T zal geschiên,
Mevrouw; gy zult hem straks hier in uw Hofzaal zien.



[p. 44]

VIERDE TOONEEL

ROXANE, HEZIONE.

ROXANE.
HEzione, waar wil mijn kiel in ’t eind belanden?
(1010) Ik vrees, zy zal in dit afgrijslijk onweer stranden;
Want deeze nieuwe storm, opsteekende in mijn min,
Smijt my ten haven uit, en dieper t’zeewaarts in.
HEZIONE.
Stel uw gerust, Mevrouw; eêr zullen uw soldaaten,
Met onverschrokken moedt, voor u hun leeven laaten,
(1015) Als lijden, dat Tieran Perdikkas, met geweldt,
Den sabel op de borst van Orondates stelt.
ROXANE.
Zy zijn te zwak, om zijn krijgsbenden af te keeren,
Zijn razerny zal, door die teegenstandt, vermeêren.
Perdikkas, hoe ontaardt gy van uw plicht en trouw,
(1020) Die gy: verschuldigt zijt aan Alexanders vrouw!
Hy heeft zijn onderdaan niet op dien top gedraagen,
Opdat hy na zijn doodt zijn weeduw dus zou plaagen.
HEZIONE.
Uwe ydle klagten strooit gy vruchtloos in den windt;
Hy ’s voor uw zuchten doof, en voor uw traanen blindt.
(1025) Grijp moedt? Mevrouw.
ROXANE.
                          Die heeft mijn grootsheidt nooit begeeven.
’K vrees niet voor my, maar voor mijn Orondates leeven,
HEZIONE.
Daar komt hy.
ROXANE.
                      Hoe hem best ontmoet in deezen staat.



[p. 45]

VYFDE TOONEEL.

ROXANE, ORONDATES, HEZIONE.

ROXANE.
MYn droevig lot wil, dat wy scheiden, Orondaat.
ORONDATES.
’K verlang daar na.
ROXANE.
                              Ach! kost ik meê daar na verlangen!
(1030) Mijn min verbiedt my dat; zy houdt mijn wil gevangen:
En, hoe gy my, zelfs in mijn aangezicht, versmaadt,
Ik kan mijn liefde niet veranderen in haat,
ORONDATES.
Bemintge my, Roxane; ontslaa my uit uw handen.
ROXANE.
Welaan, ik houde u niet, ondankbre, en slaak uw banden.
(1035) Gy zijt onwaerdigh, dat ik langer u bescherm.
Ga heen, o wreede, en werp u in Perdikkas arm.
Hy dringt ter Hofpoorte in, en stormt met al zijn krachten,
Om u, ten offerhande, aan zijne wraak te slachten.
Hy zal niet rusten, voor hy u heeft neêrgeveldt.
ORONDATES.
(1040) ’K zal dat verdraagen met meêr vreugdt, als uw geweldt.
ROXANE.
Vaar voort, hy zal op u mijn hoon, en zijne wreeken.
ORONDATES.
Nu, dreigme vry: mijn moedt en haat blijft onbezweeken.
Ik ben de doodt getroost, wanneer ik, eenmaal vry,
Verbrijzelt zie het juk van uwe dwinglandy:
(1045) En, schoon ik Statira dan nimmer zal genieten,
Zal mijn verhaaste doodt te minder my verdrieten,
Dewijl ik mijn Prinsses niet zien zal in de magt
Eens meedeminnaars, die haar weêrmin vergt met kracht.
ROXANE.
Zy blijft in zijn geweldt; gy laat haar daar in steeken.
[p. 46]
(1050) Geef my mijn wapenen, ik zal haar boeyens breeken.
ROXANE.
Zy zijn te sterk; ’t getal verdrukte uw maght, en moedt.
Ach Orondates! spaar mijn traanen, en uw bloedt.
ORONDATES.
Zult gy dan lijden, dat Perdikkas, voor uwe oogen,
My moorde, en ’t zelfde staal, uit mijne borst getoogen,
(1055) En noch bepurpert met mijn bloedt, u drukke in ’t hart?
ROXANE.
Uw doodt alleen bezwaartme, en houdt mijn ziel benart:
Ja ’k vrees veel minder van Perdikkas handt te sterven,
Als uw gezicht, dat my zo waerdigh is, te derven.
Hezione, ga, haal zijn wapens.



ZESDE TOONEEL.

ROXANE, ORONDATES.

ROXANE.
                                                WAarom heeft
(1060) Mijn liefde, die alleen in uw behouding leeft,
De magt niet, om uw lijf, zo schoon en welgeschaapen,
Met mijne wenschen meêr te sterken, als uw wapen.
ORONDATES.
Een ongelukkige begeert die weldaadt niet.
’K haat zelfs de schijn van gonst, die my daar in geschiedt.
(1065) Schoon gy d’onsterflijkheidt my door een wensch kost geeven,
Ik zou de wreedste doodt verkiezen voor dat leeven.
ROXANE.
Wierdt u van Statira dat voordeel aangeboôn,
En moght uw min van haar verwerven zulk een loon;
Gy zoudt geen heemelgaaf zo kostelijk waerdeeren,
(1070) En min van ’t Godendom, als haar, die gonst begeeren.
Een zalig oogenblik, datge in haar arm versleet,
Had met die troost, nu lang versmolten al uw leedt.
[p. 47]
Dat zoudtge boven ’t heil van aarde, en heemel kiezen.
Maar ’t is gedaan. Gy zult nu Statira verliezen.
ORONDATES.
(1075) Neen, haar gedachtenis blijft in my vast geykt.
Zy laat me een merk, dat nooit uit mijn gedachten wijkt,
Dat godlijk beeldt zal niet, als min, daar in besluiten,
En drijven ’t voorwerp van mijn haat daar eeuwig buiten.
ROXANE.
Uw ziel belooft vergeefs zich een volmaakte vreugdt,
(1080) ’K zal om u waaren, en verstooren die geneught.



ZEVENDE TOONEEL.

ROXANE, ORONDATES, HEZIONE, ARBATES.

HEZIONE met de wapens van Orondates schielijk
uitkoomende, en gevolgt van Arbates.
HElp heemel! zie mijn haar van schrik te berge rijzen:
ARBATES.
Mevrouw, ik koom aan u mijn laatsten dienst bewijzen.
Perdikkas wreede handt heeft doodlijk my gewondt.
’K moet sterven, maar gy zult eerst hooren uit mijn mondt,
(1085) Hoe ’t muitgespan reets uw Paleis heeft ingenomen.
Uw lijfwacht keert hen in ’t poortaal, om op te koomen.
Ten waar die teegenweer, het was met u gedaan.
Een handt vol volks kan hun geweldt niet lang weêrstaan,
Verwacht geen uitkomst, of de Heemel moet u helpen,
(1090) Verkloek u teegen ’t lot. Ik ga, om ’t bloedt te stelpen,
Dat uit mijn wonden, en doorkorvene adren vliet,
En om u niet te zien in ’t uiterste verdriet.



ACHTSTE TONEEL

ROXANE, ORONDATES, HEZIONE.

ROXANE.
O Onverwachten slag?
ORONDATES.
                                      Dit klaagen kan niet baaten;
[p. 48]
Waar toeft gy na, Roxane.
ROXANE.
                                          Ik kan u niet verlaaten,
(1095) Noch hier behouden. Ach! Balstuurig lot! wat zal
Mijn ziel besluiten, in dit deerlijkste ongeval!
ORONDATES.
Geef my mijn wapens.
ROXANE.
                                    Laat ik ze eerst met mijne traanen
Bsproeyen; gun, nu ’t u den weg ter doodt zal baanen,
Dat ik, al beevende, u het harnas, tot een pandt
(1100) Van mijne trouwe liefde, aangespe met mijn handt.
Maar, ach! zy weigert, en bezwijkt in deeze plichten.
Hezione, kom gy dat werk voor my verrichten.
HEZIONE.
Mevrouw, genade; ik wensch hierin te zijn verschoont.
ROXANE.
Met welk eene uitkomst ook ’t geval mijn daadt bekroont,
(1105) Zy werde niemandt, dan Roxane, toegeschreeven.
Indien hy blijft, de schuldt is hem voor ’t meest te geeven,
Dewijl zijn moedigheidt hem aanprest in’t gevaar:
Hy lijdt de straf, daar ik hem vruchtloos voor bewaar.
Maar komt hy leevend door dat krijgsgewelt gebrooken,
(1110) En ziet zich rustigh van Perdikkas hoon gewrooken,
My, die hem wapende, behoort alleenigh d’eer.
Kom, Orondates, neem uw sabel. Ach! hoe zeer
Ben ik ontstelt!
ORONDATES.
                        Dees daadt, Roxane....
ROXANE.
                                                            Wilt vertrekken,
En zonder, dat ik ’t zie, ’t zou my meêr pijn verwekken:
(1115) En pars my niet, dat ik mijn afscheidt neem met smart;
Ik voel, het is de laatste, aan ’t kloppen van mijn hart.
ORONDATES.
Indien de Goden my....
[p. 49]
ROXANE.
                            Ga heen, verweer uw leeven,
En wil mijn traanen, en gezucht haar vryheidt geeven.
ORONDATES, weggaande.
O Goôn! nu ik haar mijn meêdoogen waerdig vindt,
(1120) Gunt haar mijn vriendschap, wijl mijn hart een andre mint.



NEEGENDE TOONEEL.

ROXANE, HEZIONE.

ROXANE.
DAar gaat die Heldt, om van een snoode handt te sterven!
Hy scheidt voor eeuwig, die ’k geen oogenblik kan derven,
De ziel mijns licchaams, en mijns leevens liefste lust,
En ’t lijf (helaas!) blijft hier, berooft van hoop, en rust!
(1125) Hezione, kom, laat ons volgen, laat ons streeven
Door spiets en sabelen, om dat hoogwaerde leeven
Met kracht te redden, uit dat oorelogsgevaar.
Breng zwaardt, breng wapens aan. Ik zal....
HEZIONE.
                                                                    Mevrouw, bedaar.
Uw handt zoude uwen moedt, en hart verleegen laaten.
(1130) Wat zal een vrouw in zulk een onweer van Soldaaten?
ROXANE.
Het geen Roxane met haar handen niet vermagh,.
Zal Alexanders weeuw met koninglijk gezagh.
HEZIONE.
’T heeft uitgedient, sint gy Perdikkas hebt verlooren;
En ’t krijgsvolk zal u in het stormen zien, noch hooren.
ROXANE.
(1135) Mijn tegenwoordigheidt versterkt mijn volk met moedt.
HEZIONE.
Dat light getrappelt, en vertreeden in zijn bloedt.
ROXANE.
Ik zal dan sneuvelen voor Orondates voeten,
[p. 50]
Geef wapenen; ik wil mijn lust, en wanhoop boeten.
’K voel, hoe de vreeze voor mijn Heldt my ’t hart doorsnijdt.
(1140) Mijn min....
HEZIONE.
                            Mevrouw....
ROXANE.
                                            Indien zijn leeven schipbreuk lijdt,
En ik noch leef, zal ik my op Perdikkas wreeken,
Mijn meedeminnares in zijn Paleis doorsteeken,
Hem zelfs opofferen aan zijn verdiende straf,
En rukken Statira, en hem, met my in ’t graf.
(1145) Hezione, kom voort: of vreest gy voor uw leeven?
Welaan, ik zal alleen my derwaarts aan begeeven.



TIENDE TOONEEL.

ROXANE, PERDIKKAS, HEZIONE.

PERDIKKAS.
WAarheen, Roxane, ’t is nu uit met uw gezagh.
Uw heerschappy valt tot my over deezen dag.
Uw volk ligt neêrgehakt, en gy zijt mijn gevangen.
(1150) ’K zal my nu wreeken, en gy zult uw loon ontfangen.
ROXANE.
Na Orondates doodt, geef ik om ’t sterven niet,
En stoot met trotsen voet mijn aanzien, en gebiedt.
PERDIKKAS.
Hy leeft; maar met een kleen gevolg van uw trouwanten.
Zy zijn bezet. Vergeefs is al zijn teegenkanten.
ROXANE.
(1155) Bedrieg u niet. Gy zijt geen meester, zo hy leeft.
Lafhartige, gy vreeft zijn sterken arm, gy beeft
Voor zijn verstaalden vuist, en onverwonnen krachten.
Gy sloopt uit blooheidt weg, en dorst hem niet verwachten.
Uw hart krimpt in uw lijf voor ’t allerminst gevaar.
(1160) Aan zulk een krijgsheldt, als Perdikkas, valt het zwaar
En schriklijk, ’t glinstrend vier dier oogen aan te schouwen.
[p. 51]
Mijn zeetel staat noch vast. Ik durf mijn hoop noch bouwen
Op zulk een oorlogsman,voor wien het alles vreest.
Wy houden moedt. Maar wat wil deeze, zo bedeest.



ELFDE TOONEEL.

ROXANE, PERDIKKAS, HEZIONE, SOLDAAT.

SOLDAAT.
(1165) EEn schrikkelijk gerucht, mijn Heer, holt langs de straaten.
Men mompelt van verraadt. Een vliegend rot Soldaaten
Streeft herwaarts aan, en rukt om verre al, wat hen stuit.
De Burgery bezwijkt. Men kan ’t verwardt geluidt
Niet onderscheiden, en voor wien men heeft te schroomen.
(1170) Hoe ’t zy, mijn Heer; zie toe: men dreigt u op te koomen.
PERDIKKAS.
Ik zal hen teegenstaan, en zulk een muitery
Verleeren.
SOLDAAT.
                ’T schijnt een troep van onzes Vyandts zy.
PERDIKKAS.
Of vyandt, of verraadt: men zal hun moedwil straffen,
En gy zult my hier na zo trots niet teegenblaffen.
ROXANE.
(1175) Gy dreigt me, en ’t ongeval hangt zelfs u over ’t hoofdt!
De zeege hebt gy te voorbaarigh u belooft,
Vermeetele; Orondaat zal noch verwinnaar keeren,
En zien Roxane u in uw aangezicht braveeren.
PERDIKKAS.
Wy wachten ’t af, en gaan om hen het spits te biên,
ROXANE.
(1180) En wy, om d’uitslag van uw dapperheidt te zien,
Einde van ’t Vierde Bedrijf.
Continue

[
p. 52]

VIJFDE BEDRYF.

EERSTE TONNEEL.

ROXANE, HEZIONE.

ROXANE.
HOe! hier te sterven, daar ik veiligst dacht te leeven.
HEZIONE.
Men ziet hen overal, als overwinnaars, streeven,
ROXANE.
De Vyandt in de Stadt?
HEZIONE.
                                    Hy is’ er meester van.
De kloekste Helden woên vooraan in een gespan,
(1185) En rukkende, straat op straat neêr, met euvlen moede,
Verbaazen elk, door hun vervaerelijke woede.
ROXANE.
Hoe zijn ze in Stadt geraakt?
HEZIONE.
                                              Weet dat Seleukus dank.
Hy heeft het spoor gebaant tot deezen overgank,
En, zijn standaarden op de wallen doende planten,
(1190) Heeft, door deeze oorlogsleus, te schelmsch,van alle kanten,
Den vyandt toegewenkt, die, voortgeprest daar op,
En zijne laddren fluks aanvoerende ten top
Der muuren, flaauw beschermt van schelmen, en verlaaten
Van ’t meeste volk, die licht beklom met zijn soldaaten.
ROXANE.
(1195) Hoe onvoorzichtigh (ach!) werkt een verlieft gemoedt!
Had ik Seleukus met wat beeter hoop gevoedt!
Maar ’t is vergeefs, en veel te laat: hier helpt geen klaagen.
Men had dien muiter voort ter Stadt uit moeten jaagen.
Doch, schoon de spijt hem hier had dit verraadt geraân,
(1200) Wat kon hy, buyten ons verschil en haat, bestaan?
[p. 53]
HEZIONE.
’T is uit met ons. Nu zal Perdikkas niet beletten,
Dat zy u in ’t Paleis doen luistren na hun wetten,
Dewijl Seleukus, met zijn magt, zich heeft gevoegt
By onzen vyandt. Nu zal Statira, vernoegt
(1205) Door onze neêrlaagh, zich ten Hemel zien verheffen:
En wy, vertreeden door de plaagen, die ons treffen,
Haar moeten danken voor ’t ellendigh overschot
Ons leevens, treurende in ons ongenadigh lot.
ROXANE.
Maar weet gy niet, hoe ’t met Perdikkas staat geschooren?
(1210) Leeft hy Hezione!
HEZIONE.
                                        Niets kon ik van hem hooren.
Ook zou hy u geen hulp verstrekken in ’t verdriet.
ROXANE.
Ik ben, en blijf Roxane; en ’t zy hy leeve, of niet,
Z’is onverandert in de rampen, die haar drukken;
En durft, zo haar de min verzelt, alle ongelukken
(1215) Uittarten, daar de Goôn, in hun verbolgenheên,
’T misdaadigh menschdom meê verbrijslen, en vertreên.
Waar wacht gy op, mijn ziel? wat weg staat u noch open?
Zeg liefde, van wiens handt heb ik de doodt te hoopen?
Indien ’er eenig goedt voor my t’ontfangen staat,
(1220) Maak, dat ik dat alleen verkrijgh van Orondaat.
Ach! mogt hy d’eerste zijn, die my quame onder d’oogen!
Gy Heemel, voer hem hier, en wees met my bewoogen.
Maar wie komt daar. Ach! ’t is die ik het noodste zie,
En wiens afgrijselijk gezicht ik vloek, en vlie.



[p. 54]

TWEEDE TOONEEL.

ROXANE, PERDIKKAS, ondersteunt van enige Soldaaten, HEZIONE.

PERDIKKAS.
(1225) HOe, moest my Orondaat dan noch den doodtsteek geeven?
Moest die gehaate handt Perdikkas van het leeven
Berooven? Moet Roxane in eene stroom van bloedt
My smooren zien? Voort brengt my wegh.
ROXANE.
                                                            Hoe dus verwoedt,
Perdikkas? ’t voegt u niet uw Koningin te mijden.
(1230) Sta stil, en laat ik my in uwe ramp verblijden.
PERDIKKAS.
Ontmenschte, schept gy dan behaagen in mijn smart?
Verheugt dit Treurspel, en mijn doodt uw gruwlijk hart?
ROXANE.
Ja, ’k groey’er in, en dank de Goden voor uw wonden.
PERDIKKAS.
Geen onmeêdoogender gemoedt is ooit gevonden.
(1235) En ’t dunkt my vreemdt, dat gy, ontaarde Dwinglandin,
Uw onverzetlijk hart tot Orondates min
Kost buigen. Maar ’t gaat vast, die min is meêr te haaten
Van zo verwaten ziel, zo dol, en uitgelaaten,
Als d’allerwreedste haat, en, stondt hem ’t kiezen vry,
(1240) Hy koos, voor uwe liefde, uw haat, en razerny.
ROXANE.
Welaan, nu ’t Noodtlot my die liefde heeft beschooren,
En dat gy tot mijn haat, en afschrik, zijt gebooren,
Zal mijne hartstogt, niet verwislende van staat,
Hem kroonen met mijn min, u doemen tot mijn haat.
PERDIKKAS.
(1245) Die strekt my tot geen straffe, en doet my minder schade,
Als hem uw wreede min, en vleyende ongenade.
[p. 55]
Maar woedt vry voort, en voedt de wraakzucht in uw hart,
Gy kont geen van ons tweên beleedigen met smart:
Niets hebt gy over, nu u yder heeft verlaaten,
(1250) Als vruchtelooze min, en onvermoogend haaten.
ROXANE.
Ik maatigh my geen recht op uwe vryheidt aan.
Uw overwinnaar weet, wat hem te doen zal staan.
Gy hebt tweemaal vergeefs hem na zijn hals gedongen,
En eindlijk met geweldt in mijn Paleis besprongen,
(1255) En trouweloos uw min vermengende in ’t belang.
Des Rijks, mijn Oppermagt, met openbaaren dwang,
Hardtnekkig geschoffeert en door mijn wacht gebroken,
Ten derdemaal hem, voor mijn oog, na ’t hart gestooken.
PERDIKKAS.
Zeg, dat ik u in hem vervolgde, en niet bestondt,
(1260) Of gy had zelf, voor my, gebouwt op zulk een grondt:
En voegde ’t my, Roxane, uw bloedtspoor na te treeden,
Gy leedt van my niet, of ik heb ’t van u geleeden.
Mishaagt u, dat gy my gelijkt in deezen schijn,
Ik schuw, en schrik noch meêr, om u gelijk te zijn.
ROXANE.
(1265) Wat schelmstuk rechte ik aan, als Orondaat te minnen?
PERDIKKAS.
Wat ik, als Statira, met al mijn harte, en zinnen,
Te lieven? Maar, by al uw bloedige euveldaân,
Hebt gy de schuldt van mijne ook op uw hals gelaân.
ROXANE.
Ik wil geen deel aan d’uwe, en heb ik my misgreepen,
(1270) De min, en Orondaat zal ’t alles met zich sleepen.
PERDIKKAS.
Zo draagt ook Statira de schuldt van al mijn leedt.
ROXANE.
Gy voelt vast, hoe de straf u op de hielen treedt.
PERDIKKAS.
Gy zij treets meê gezengt van ’t vier, daar wy in branden.
Zie toe, die vlam staat u noch feller aan te randen,
[p. 56]
(1275) Als d’eenigste oorzaak van dees ramp, en neederlaag.
ROXANE.
De straf, die eerst u heeft vervolgt met deeze plaag,
Toont, wien men van ons tweên misdaadighst heeft te heeten.
PERDIKKAS.
’s Rijks bondtgenootschap was zo niet van een gereeten,
Hadge Orondates voor Seleukus afgestaan.
ROXANE.
(1280) Had gy hem, in mijn Hof, niet zoeken te verraân,
En met uw oorlogsvolk my op den hals gevallen,
De vyandt stormde noch vergeefs op onze wallen.
PERDIKKAS.
Welaan; ons beider liefde is dit rampzalig lot
Te wijten. ’K voel de stam mijns leevens afgeknot.
(1285) Ik ly mijn straffe, en gy hebt d’uwe te verwachten.
ROXANE.
Wy durven ’s vyandts woede, en razerny verachten.
PERDIKKAS.
Wy sterven vrolijk, nuge ons volgen zult op ’t spoor.
ROXANE.
Ik zie mijn wraak, en streef alle ongevallen door.
Dit schort’er maar, om noch mijn rampen te vermeêren,
(1290) Dat Statira my koome in mijn gezicht trotseeren.
Daar komt Seleukus aan, en leidt haar by de handt.
’T schijnt Hemel, aarde, en hel zijn teegen my gekant.



DERDE TOONEEL.

ROXANE, SELEUKUS, STATIRA, HEZIONE.

SELEUKUS, teegen Statira.
MEvrouw, Prins Orondaat zal daadlijk herwaarts komen.
Ik breng u in dit Hof, om dat gy, zonder schroomen
(1295) Voor ongemak, hier zoudt in stilte zijn. Gy zult
Hem konnen wachten met meêr rust, en meêr geduldt,
[p. 57]
STATIRA.
Het een, en ’t ander Hof is gruwlijk in mijne oogen,
En komt mijn Vyandinne, of Vyandt my vertoogen.
Elk heeft het eevenzeer bekladt met moordt en bloedt;
(1300) En wilt gy, dat ik hier verlustigh mijn gemoedt?
ROXANE teegen Statira.
Verwonnen ziet gy my, mijn meedeminnaaresse,
Gy zietme ellendig, o gelukkige Prinsesse.
Hoe zeer ik eevenwel van ’t onluk ben vermandt,
’K laat u uw minnaar niet: mijn liefde blijft in standt.
(1305) Mijn blaakend hart voelt al te diep de minneschichten. ’
Roxane wijkt u niet: zy zal, en kan niet zwichten,
Noch, leevend, laaten u ’t bezit van Orondaat.
Wacht dan mijn sterven eerst, en wilt, in deeze staat,
Uwe oogen, in mijn doodt t’aanschouwen, noch vernoegen,
(1310) Eêrge u by Orondaat, als bruidt, ten troon zult voegen.
STATIRA.
Ach! staaken wy die haat, zo schaadelijk voor ’t rijk,
En laat ons Zusters zijn, in naam en daadt gelijk.
ROXANE.
Zo lang de min hier woont, zal my uw gunst verveelen.
’K haat uw geneegenheidt, en kan mijn hart niet deelen.
(1315) En, nu ik Orondaat, door ’s Noodtlots wreedt besluit,
Voor eeuwigh missen moet, blusch ik mijn leeven uit,
En overleevere, met spijt, in uwe handen,
Beneevens hem, ’t gerust bezit van mijne landen.
Maar, als gy hem nu met de weereldt hebt in dwangk;
(1320) Zo weet my, stervende, zo groot een weldaadt dank.
STATIRA.
’T viel my te duur, die vreugdt met uwe doodt te koopen,
Prinses; en zo mijn min geen andre grondt van hoopen,
Als in uw sterven heeft; ik sta gewillig af,
En ik verkieze voor dat huwelijk mijn graf.
ROXANE.
(1325) Neen, neen; geniet in vreê mijne overwonnen staaten,
[p. 58]
En onzen minnaar, die ’k u, door mijn doodt, wil laaten.
STATIRA.
’K genoeg my met de helft; en, zijt gy noch te raân,
Neem Orondaat, en my in vriendtverwantschap aan.
ROXANE.
Of liefde, of doodt: hier is geen midden in te kiezen.
(1330) En, wijl ik teffens moet mijn lust, en hoop verliezen,
En mijn verkiezing wordt gedwongen tot het een,
Wil ik voor ’t andere mijn vrye keur alleen.
’K zal hem van my ontslaan; verblijdt u in mijn sterven.
Zie daar, dit staal zal u een veilig lot verwerven.
SELEUKUS.
(1335) ’K waag my voor u, Mevrouw....
ROXANE.
                                                        Sta, nader my niet meêr,
Of ik zou licht op u beproeven mijn geweer;
En dwing my niet u weêr t’aanschouwen met mijn oogen:
Ik schrik daarvoor, en kan uw aanzicht niet gedoogen.
STATIRA.
Ontzinde minnaares, hou stil; wat hebt gy voor?
ROXANE.
(1340) Ontwijk mijn razerny: het moet’ er nu meê door.
Hoe? wilt gy dan, dat uw meêminnaares, vol rouwe,
U met uw minnaar in zijn hoogste vreugdt aanschouwe?
En, door uw averechtsch meêdoogen, voel de pijn,
En bittre spijt, van op uw bruiloftsfeest te zijn?
(1345) En zich verbeelde dat doorstraalend zielvermaaken,
Bekent aan die in liefde, en minnenyver blaaken?
Is ’t niet genoeg, dat zy ’t met hartseer weete, en vlie?
Wilt gy’t vermeêren, en haar dwingen, dat zy ’t zie?
Neen, laat ons door de doodt voorkoomen.....



[p. 59]

VIERDE TOONEEL.

ROXANE, STATIRA, SELEUKUS,
ORONDATES, HEZIONE.

ORONDATES.
                                                              HOudt, verwoede,
(1350) Laat los dit staal.
ROXANE.
                                      Helaas! kan ik, dus droef te moede,
Kan ik my zelven dan niet helpen aan een kant?
Moet d’oorzaak van mijn doodt, die hindren met zijn handt?
ORONDATES.
Ik geef u weêr de gonst, die ’k van u hadde onfangen.
’K acht u volop betaalt.
STATIRA.
                                      Mevrouw, om mijn verlangen
(1355) Te boeten, sta my toe, dat mijn vernoegt gezicht,
Aan mijn beminden Heldt, voldoe zijn eerste plicht.
ROXANE.
Vergun my, dat ik sterve, of uit dit landt mag vlieden.
ORONDATES.
Heel Grieken hoort u toe: gy kont dat rijk gebieden,
En trekken, zo ’t u lust, ten eersten derwaarts heen,
ROXANE.
(1360) Vaart wel, wreedtaartige.
ORONDATES.
                                                  Men laat haar niet alleen,
Trouwanten, volgt; gy moet gestaadig by haar blijven.
ROXANE.
Geen noodt: mijn goedt geluk zal eindlijk boven drijven.
Nu, meededoogend Prins; gy zult my houden in
Het leeven, maar om steedts t’ontrusten uwe min:
(1365) En, zo deminnetoght mijn boezem nooit begeeve,
Vergunn’ my ’t Godendom, dat ik u overleeve,
Opdat, dewijl mijn heil bestaat in uw bederf,
Ik u zie sterven vol ellenden, eêr ik sterf.



[p. 60]

VIJFDE, en laatste TOONEEL.

STATIRA, ORONDATES, SELEUKUS.

ORONDATES.
PRinsses, vergun mijn ziel, die eeuwig u zal minnen,
(1370) Dat zy de driften, en verrukking mijner zinnen,
Niet uit te spreeken voor het menschelijk verstandt,
Door deeze kus uitdrukke op uwe albaste handt.
STATIRA.
Mijn hart schijnt u verlof te geeven, door mijn zwijgen,
En mijn ontsteltheidt u die gonsten te verkrijgen.
(1375) Rijs op: deez’ needrigheidt, mijn Prins, maakt my beschaamt.
ORONDATES.
Sta toe, Mevrouw, dat ik Seleukus, zo ’t betaamt,
Bejeegene, en my magh van mijne plichten quyten.
Wy hebben ons geluk zijn wapens dank te wijten.
Grootdaadigh Prins, wiens moedt Heldt Alexanders spoor
(1380) Zo loflijk nastreeft, en der Prinssen gonst, die voor
De zaak der Koninginne in ’t oorlogsveldt zich gaven,
U overwaerdigh toont, gy opent ons de haven
Der zeege, en hebt door uw gevreesden arm behoedt
Het deerlijk overschot van ’t Koninglijke bloedt
(1385) Van Persen, daar ’t geweldt zijn lusten meê wou boeten.
Laat ik u, voor die daadt, bedanken, voor u voeten.
SELEUKUS.
Verschoon my, Prins.
ORONDATES.
                                  Sta toe dan, dat mijn arm verricht
In u t’omhelzen, tot erkentenis, de plicht
Van mijne tong, die hier moet ingebreeke blijven.
SELEUKUS.
(1390) Het grootste deel is aan uw krijgsdeugdt toe te schrijven.
Uw meedeminnaar week reets voor uw oorlogsmoedt.
[p. 61]
ORONDATES.
U komt de lof: gy hebt onze ondergang verhoedt.
SELEUKUS.
Ik wil mijn deel in zo doorluchten oorlogszeegen
Niet weigeren.
ORONDATES.
                        Laat ons, dat deel zo naauw niet weegen.
(1395) Ontfang mijn hart, het blijft voor eeuwig in uw schuldt.
SELEUKUS.
Gy vergt u liefde, Prins, een al te lang geduldt;
Wijl onze zeege schijnt haar zeege te bereyen.
ORONDATES.
Mijn ziel mistrouwt zich zelf, hoe zeer zy zich durft vleyen,
En, neêrgeslagen door dat goddelijk ontzagh,
(1400) Blijft in haare ootmoedt, schoon zy ’t alles hoopen magh.
STATIRA.
Spreek Orondates.
ORONDATES.
                            ’K wensch te spreeken door mijne oogen.
Laat mijne liefde in ’t eind verwekken uw meêdoogen.
Mijn meedeminnaar, die, met overdwaalsch geweldt,
Na uw bezitting dong, light door mijn staal gevelt;
(1405) En niemandt kan voortaan zich teegen my verzetten,
Als gy alleen, om uw genot my te beletten.
Mishaagt mijn liefde u niet, bekroonze met uw min,
En gun, na zoveel leedts, my zulk een schoon gewin.
STATIRA.
Prins Orondates trouw heerscht over mijn gedachten.
(1410) Wy willen toonen, hoe wy uwe deugden achten.
Gy zijt het, wien mijn ziel met rechte toebehoort.
ORONDATES.
Ik ken geen rampen meêr na dat gewenschte woordt,
En al des weereldts heil moet voor het mijne wijken.
’K veracht daar by ’t bezit der Persiaansche rijken.
(1415) De landeryen in deeze oorlogh overmandt,
[p. 62]
Geef ik te deelen, Prins, aan uwe strijdbre handt.
SELEUKUS.
’T komt Orondates toe.
ORONDATES.
                                    Al, wat my toe mag koomen,
Draag ik u op. Het werde in dank van u genomen.
En, my met Statira vernoegende op den troon
(1420) Van mijn Voorouderen, streef ik voorby de Goôn.
STATIRA.
’K bezit het al in u.
ORONDATES.
                              Kom, gaan we, om onze leeden
T’ontwapenen, en, na zo veel rampzaligheeden,
Ons ovrigh leeven te voleindigen met vreughdt.
De Heemel kroont de liefde, als ze is gegrondt op deughdt.
Einde van ’t Vijfde, en laatste Bedrijf.
Continue
[
p. 63]

DICHTKUNSTIGH

ONDERZOEK

EN

OORDEEL,

Over het

TREURSPEL


VAN

ORONDATES en STATIRA.

ALhoewel wy, kunstlievende Leezer, uwen yver tot de Tooneelpoëzye, in onze Opdracht voor Het Spookend Weeuwtje, hoope gegeeven hebben van alleen, of by het Spel, dat wy namaakten, eene Critique ofte naauwkeurige Aanwijzinge der gebreeken van ’t werk onzer teegenpartyen te laaten uitgaan, met byvoeging, dat het zelve wel moogelijk het allereerste Spel, dat na het voorzeide vertoont wierdt, te beurte mogte vallen, ten waare het uit de penne voortquame van eenen, dien wy zo veel eere, en moeite niet waerdigh schatteden: zo twijfelen wy niet, of die maar een weinig verstandt in de Dichtkunst heeft, zal klaar bemerken, waarom wy onze belofte, ten opzicht van het Tooneelspel, Den Dullen Ammiraal genaamdt, niet gehouden hebben. En het zal den Berijmer van het zelve, en allen den geenen, die in zulk slag van rijm smaak vinden, gelieven ons voor zulke Schaepshoofden niet aan te zien, dat wy de waerdye onzer Neederduitsche Speelemaakers niet beeter zouden weeten te weegen, en ons verstouten teegen zo manhaftig een Heldt in de Rijmkunst, als hy is, in het vechtperk te treeden. Wy kennen ten naasten by onze krachten, en willen die niet gebruiken in een gevecht, daar de neederlaagh zeeker is. Zijn Tooneelspel is doorwrocht met al- [p. 64] lerhande slagh van geleerdheidt. Gy hebt daar in, uit de H. Schriften van Lucifers val, van twee Adams en twee Evas, van Eden en de slang, van David en Saul. enz: Uit de weereldlijke Historien, van Damon en Pythias; van ’t Trojaansche paardt van Etnas brandt; enz: Uyt de Fabulen der Oude Poeëten, van Diana en Actaeon; van Appollo en Thetis; van Scylla en Charybdis; van Aurora, enz. Gy vindt het doorgaands bezaait met kostelijke staat- en zeedekundige zinspreuken, als Bedriegery bedriegt; wat oneerlijk is, men niet zal eerlijk vinden; weet, dat het slechste loot meêr gelt als ’t goud, wanneer de ziel verheert is; genooten weldaet is een kroon van lijngewaet; voor het vleyend oog, zijn goude en zyde kleeden maar uithangborden, enz. Ook schijnt onder al zijn schoone Poezy ook Profesy te loopen, en in hem waar te weezen, dat de Poeeten somtijdts Profeeten zijn: als hy in zijn Tooneelspel zegt, en wel met nadruk, Noch eens, het was de Graaf, die ’t strekken zal tot schanden. En dit alles is opgepronkt met zulke snorrende vaerzen, en diepzinnige en ongewoone wijzen van zeggen, en zo wonderlijk aan een gehecht, dat het van niemandt verstaan kan worden, als die zich zo dronken uit de Hengstebron gezoopen heeft, als hy zelve, die na de meening van zijn rijmen gevraagt zijnde, daar zelf in is blijven steeken, en ze niet heeft konnen verklaaren. En hier op schijnt zeer aartigh gespeelt te hebben een der Toezienders, die gevraagt zijnde, waarom de Ammiraal dul wierdt, dewijl hem daar toe geen reeden was gegeeven, geestig antwoorde, om dat hy noch ’t geen hy zelve zeide, noch ’t geen hem gezeidt wierdt, verstaan konde.
    Om alle deeze Reedenen dan hebben wy ons gewacht teegen zo ontzaghlijken weêrparty te velde te trekken: en heeft men voordeezen hem in ’t berijmen van den Agrippa, of Gewaan den Tiberinus het spits geboden, het is maar geweest ten opzicht van des zelfs konstigen, en in de Fransche Taal wel ervaarenen Overzetter, die zich al voorlang beroemt heeft, dat hy alles wat hy niet verstaat, overslaat, of daar voor uit zijn spitsvindige herssenen iets anders in de plaats dicht. Ook heeft de daadt ghetoont in zijn Agrippa, en andere nieuwe Fransche Speelen, die van zijn vertaaling: het Tooneel gekomen zijn, en van welke de Berijmers geen andere, als zijne overzetting, gehadt hebben, dat’er by na niets van den Fransman in gebleeven is, als de stelling van de Bedrijven en Tooneelen; de krachtige reedenen der Tooneelisten achterblijvende, en der zelver Karakters slor- [p. 65] digh verandert zijnde, en alzo de Kijkers en Leezers zich leelijk bedroogen vindende, wien, in plaats lekker op zijn Fransch, gelijk hen belooft was, met geurige pottaziën en smaakeljke poeletten getoeft te zijn, niet voorgezet wordt, dan een hoop garstigh spek, en mager en gortig varkensvleesch, opgedischt met windige en klinkende woorden, daar de blinde tooneelyver van den eenen of anderen raazenden Rijmelaar ze meê bekleedt heeft.
    Wy bekennen wel, dat wy ons hebben laaten verluyen, als of wy het Tooneelspel van den Dullen Ammiraal namaakten: maar men weete, dat wy dat tot een middel gebruikt hebben, om voor den dagh te doen koomen eene zeer groote Voorreeden van twee heele groote vellen vol schrifts, daar hy ons meê dreighde, en daar in hy lustig vonk op ons zoude geeven, zo wy zijn spel narijmden. Wy hebben de werreldt van zo heerlijk een stuk werks niet willen versteeken, en het is ons leedt, dat de Liefhebbers, door ons voorgeeven, niet meêr, als zo weinig van die zeer groote Voorreeden, in zijn Opdragt bekomen; doch na wy hooren, het is het merg en pit daar uit getrokken. Die ze met aandacht wil leezen, zal de diepzinnigheidt, en snorrende stijl, die in zijn gansche Tooneelspel is, daar niet in vinden; maar zien, dat zy zeer laf, plat, en welverstaanlijk is, en dieshalven neevens ons lichtelijk bemerken, dat zy uit zijn koker niet komt. Ook gaat het gerucht, dat zy met hen neegenen daar aan gearbeidt hebben; en het is een werk zo veele maakers waerdigh. Het is zonder ordre; men vindt er van al hun zeggen niet een eenige reeden, en het kleeft nergens aan een. Het schijnt schier, of elk wat woorden op ’t pampier gespoogen heeft, en dat zy die zo na elkander hol over bol hebben laaten drukken. Het smart reets zommigen uit hen, dat hunne gebreeken van ons zo klaar aangeweezen zijn, en zommige zien te gemoet, dat hen dat ook in toe- koomende te beurte zal vallen, en geen reeden weetende, om die te verschoonen, en die niet konnende of willende verbeeteren, zijn zy t’onvreeden, en willen zich wreeken, en ons, van dat meêr te doen, afschrikken, met ons zwart te maaken, en een deel onnoozele valscheeden te laste te leggen, die wy nu meêrmaals weederlegt hebben, en die ieder, die onze Voorreedenen leest, zonder dat wy ze aanwijzen, klaar zal konnen zien. Ook is het een belaccheljcke plasdank, die zy by den Heer J. v. Vondel heb- [p. 66] ben willen behaalen, als zy zijne geleerde poëetische lessen zo, jammerlijk te passe brengen, en tonen, dat zy niet weten, hoe zijn E. de nakrabbelaars der poëeten uitvunst, en, dien de eer van nader toegang en kennis met dien voortreffelijken Man toegestaan is, weeten hoe hoog die Lompen by hem te boek staan. Eindelijk konnen wy ons niet genoeg verwonderen, dat een man, als onze Dulle Ammiraal, anderen zijne pooten leent, om de Kastanjen meê uit het vier te haalen, en eene opdraght voor zijn Tooneelspel laat hechten, daar hy niet aan gemaakt heeft, als dit besluit, zo dat U. E. konstkundige Heer, gelieve dit spel voor zoodanig aan te neemen als het U. E. zal behagen, om met den naem van Strijt om d’Eer te begroeten, en met alle dankbaare moogelijke vriendschap te verplichten, waarop ik blijve, enz. daar in zijne gewoonelijke diepzinnige, en letterkunstige stijl te zien is, en met een hoe wonderlijk aartigh het vloeit uit het voorgaande.
    Gelijk wy nu ons niet roekeloos in het Dichtperk willen begeeven teegen Helden, daar de zeege niet in de waagschaal hangt; zo zijn wy ook te eedelmoedigh het zwaardt te trekken teegen zulke, die onze opmerkinge onwaardigh zijn; en zouden daar om het Spel van Orondates en Statira, gelijk den Dullen Ammiraal over een zelfde kam geschooren, en met een verachtende stilzwijgenheidt voorbygegaan hebben: alzo door het dichten van ons kluchtigh Blyspel de Gelijke Tweelingen, teegen het Dubbel en Enkel, Jok- en Ernst spel van dien zelfden Rijmer, beide getrokken uit de Menechmen van Plautus niet alleen de verstandige en kunstkennende Liefhebbers, maar ook die nu en dan zich maar bemoeyen een Tooneelspel te leezen of te komen aanschonwen, klaar hebben konnen zien, dat hy, zelfs met de gemeene Rijmers, niet op eenen dagh is te noemen, maar als een onnoozelen kreupel onder de slechtste Spellemaakertjes behoort geplaast te worden. Maar alzo hy sints verheeven is tot een Lidt, van eene Vergaderingh, aan wie de keur staat om de Tooneelspeelen ten tooneele te doen voeren, of daar af te houden; en by de welke derhalven eene grondige kennis van alle de deelen der Tooneelpöezye behoorde te zijn, twijffelen wy geensins, of Apollo zal hem sedert, op eene wonderlijke wijze, bescheenen hebben met de kostelijke straalen van zijnen Pöeetischen geest, of, zo hem dit geluk, gelijk voorheen, geweigert waar, zal hy ten minsten, door den ommegang, en de [p. 67] dichtkunstige lessen, die hy van zijne in de konst door geleerde amptgenooten, gehoort zal hebben, tot wat hooger trap van kennis in de Tooneelpöezye geraakt zijn, en wy alzo eenen waardigen teegenparty in hem vinden, teegen den welken het ons geen schande zal zijn te velde te trekken, en om den lauwer te strijden.
    Met dit inzicht dan hebben wy, hoorende dat het Huwelijk van Orondates en Statira, of het Besluit van Kassandra, van dien Heer uit ’t Frans vertaalt en berijmt, ten tooneele gevoert zoude worden, beslooten, het zelfde meede te maaken, en volgens onze belofte in de Opdragt van ’t Spookend Weeuwtje gedaan, daar aan, te hechten eene Critique, of naauwkeurige aanwijzinge van de voornaamste misslagen teegen de gronden der Tooneelkonst, die ze in zijn werk mogten gevonden worden; het zy de Fransche Dichter, wiens stuk hy vertaalde, of hy zelve die begaan mogte hebben. En dat wel op zo goedt weerom, als die nooit zo verwaandt geweest zijn van zich in te beelden, ten hoogsten volmaakt, en zonder gebreeken te zijn: maar met alle vlijt trachten, hoe langs hoe meêr, daar van gezuivert te worden, en derhalven, gelijk wy voor deezen meermaals gezegt hebben, in dank zullen aanneemen, zo iemandt zigh verwaardige, ons de onze aan te wijzen: verhoopende, dat onze teegenparty van dit zelfde reedelijk verstandt zal zijn in eene zaak, daar van weederzijden voordeel uit te trekken is; en in plaats van over onze vrymoedigheidt en openhartigheidt verstoort te worden, ons dank zal weeten, dat wy hem, zo niet den weg baanen, ten minsten aenleiding geeven, om tot meeder kennis in de konst te geraaken.
    De Fransche Tooneeldichter, van wien dit werk is uitgegeeven, heeft daar niet weinig lofs meede verdient, en getoont, dat de ken-
    dis, die hy van de Tooneelpöezye hadde, niet te verachten was. Maar na de kleene weetenschap dier tijden, in de welke hy zijn spel ten tooneele voerde, zijn’er, hier en daar, eenige misslagen ingesloopen; van welke wy de voornaamste, ten opzicht der Stellinge en schikkinge, als ook der Reedeneeringen, aan zullen teekenen, alzo die by ons meest in aanmerking koomen ten opzicht van ons oogmerk. Die’er, aangaande de Taal en ’t Rijm, mogten in zijn, laaten wy den Franschen, zijn landtsgenooten, over: en zullen de grofste en botste gebreeken van onzen Duitschen Rijmer (want zo wy ze alle wouden optellen, zou deeze onze aanmerking wijder, als zijn heele Tooneelspel [p. 68] uitdyen) zo in de stelling, als het rijm en de taal daar aanvoegen. Het welk het voornaamste zal uitmaaken, daar in een Tooneelspel, staat op te letten.
    De voortreffelijkste Konstenaars, die van de Tooneelpöezye geschreeven hebben, onderscheiden de Tooneelstukken ten opzicht de Historie ofte stoffe, die zy begrijpen, in Eenvoudige, en Ingewikkelde, dat zy, met Latynsche Konstwoorden, Fabulae Simplices & Implexae uitdrukken. De Eenvoudige zijn, in de welke niet, of zeer weinig gebeurt is voor ’t geene, dat op het Tooneel vertoont zal worden, en dat men dient te weeten, om tot een klaar verstandt van ’t zelfde te komen. De Ingewikkelde in teegendeel zijn, inde welke veel geschiedt is voor ’t geene, dat afgebeeldt zal worden, en ’t welke de Aanschouwer vooraf dient te weeten. Waar uit voorders blijkt, dat de wijs van verhandelen tusschen deeze tweederleye slag van Tooneelstukken verscheiden is, en dat in de Ingewikkelde door eene vertellinge, of eenig ander konstigher middel, alles moet bekent gemaakt worden, dat tot verstandt van ’t geene vertoont zal worden noodig is; het welk in de Eenvoudige niet behoeft.
    Die het Fransche stuk maar ter loop leest, of met aandagt den Tijtel overweegt, zal terstondt zien, dat het onder de Ingewikkelde de te plaatsen is, als een besluit zijnde van een groote Roman van vijf deelen, Kassandra genaamt; en dierhalven als zodaanig moeste verhandelt worden, het welke de Fransche Dichter niet nagekoomen heeft, en alzo gemaakt, dat zijn. stuk aan die geene, die de Roman niet geleezen hebben, of wien ze niet versch in ’t geheugen light, onverstaanlijk is. Hy hadde, door eene vertellinge, of andersins, zijn Aanschouwers of Leezers behooren te onderrechten ten minsten van al het geene, dat tusschen zijne Hooftpersoonazien, Orondates, Statira, Roxane, en Perdikkas geschiedt was voor het geen, dat hy hen op het Tooneel in zijn spel wil doen vertoonen, opdat moghte blijken, hoe het geene men ziet, vloeit uit het geene men niet ziet. Maar hy heeft dat verzuimt, het zy uit onweetenheidt, het zy uit onmagt, of om dat hy gevreest heeft, dat zijn vertelling grooter, als zijn gansche Tooneelspel, zou groeyen. Om welke reeden ook wy dat niet volkoomendlijk hebben konnen verbeeteren. Wy hebben eevenwel in het tweede Tooneel van ons eerste Bedrijf, dat wy daarom geheel daar by gevoegt hebben, en elders den Aanschou- [p. 69] wer, en Leezer veel lichts toegebragt, en getoont, dat’er dit gebrek, niet door onze onkunde, maar door de onbequaamheidt der stoffe, niet uitgeraakt is; welke niet van onze verkiezing zijnde, is ons die schuldt niet op te leggen. En hier uit blijkt voorders, dat ten deezen opzichte de Historien ook onbequaam konnen zijn, om ten Tooneele gevoert te worden; waar teegen van veele heedendaagsche Rijmers, die zich bemoeyen met Historiespellen te maaken, en zonder kennis, en by de tast maar een geschiedenis, schoon zy van natuure weigert in de vereischte vormen van een goedt Tooneelspel gegooten te worden, by ’t haer grijpen, grovelijk wordt gezondigt.
    De Fransche Tooneeldichter dan, na dat wy uit het geheele stuk konnen afneemen, onderstelt, dat zijn Aanschouwers effen de Roman van Kassandra, daar zijn Spel het besluit af is, geleezen, en noch versch in ’t geheugen hebben, zodaanigh, dat zy dat zelve nu koomen zien vertoonen. Waarom het op veele plaatsen voor anderen zeer duister, en onverstaanlijk is, en dingen begrijpt, die overtolligh zijn, en niet tot de knoop of ontknooping van het stuk dienen, welk alles wy gepoogt hebben te verbeeteren.
    Wy laaten derhalven heel end’al achter de Perfoonazie van Kassander, als t’eenemaal overtollig; en om eevenwel het werk, dat hy daar in doet, niet te verliezen, passen wy het zelfde toe aan Perdikkas, wien het gansch niet onvoeglijk is. Zo doen wy in ’t tweede Tooneel van ons tweede Bedrijf Perdikkas Orondates na ’t leeven staan, nadat hy door hem met bitse woorden gehoondt is; daar de Fransman Kassander toe gebruikt, door Roxanes Liefde aangedreeven, in het derde Tooneel van zijn tweede Bedrijf. Insgelijks laaten wy Perdikkas, in het zeste Tooneel van ons tweede Bedrijf, alleen zeggen teegen Seleukus, die zijne verlossing voor die van Orondates komt verzoeken, en eisschen, het geene de Fransman hen beiden doet zeggen, in het vijfde Tooneel van zijn eerste Bedrijf. Zo ook doen wy Perdikkas, in het tweede Tooneel van ons vijfde Bedrijf, by Roxane in plaats van Kassander op het tooneel verschijnen, en den eenen de schuldt van hunne neederlaag op den hals van den anderen schuiven: waar by wy, schoon hy Kassander ongequetst invoert, Perdikkas doodelijk gewondt stellen te zijn, en dat wel met groote opmerking, opdat de Aanschouwers ter deege moogen weeten, hoe [p. 70] het met zo een Hoofdtpersoonazie als Perdikkas, vergaan is. dat in ’t Fransche stuk slechts op eene plaats, en dat wel heel duisterlijk te kennen gegeeven wordt. Alle de andere plaatsen daar Kassander op het Tooneel komt, hebben wy achtergelaaten, als slechts uit de Roman zijnde, en geen werkelijkheydt inbrengende, noch iets tot de ontknooping doende. En schoon wy in deezen deele van de Historie af wijken, bestaan wy niet, als dat de grootste Konstenaars toe laaten, en daar de Fransche Tooneeldichter zelf niet vry van is.
    Insgelijks hebben wy veele naamen van groote Persoonazien, als Artaxerxes, Lysimachus, Nearchus, Alcetas, en anderen, die de Fransman in zijne reedenen mengt, en uit de Roman gehaalt heeft, t’eenemaal stil gezweegen, als niet in ’t werk doende, en den aanschouwer onbekent zijnde, in hem nieuwsgierigheidt, en die onvoldaan blijvende, verwarring verwekken. Zo ook hebben wy, Statira nergens Kassandra genoemt, schoon zy in de Roman dien naam meede voerde, gelijk de Fransche Tooneelpoëet somtijdts gedaan heeft, en alzo daar hy een Kassander in ’t spel heeft, eenige duisterheidt veroorzaakt, en voet geeft om den eenen voor den anderen te neemen, gelijk dat onze Duitsche vertaaler tweemaal over gekoomen is, als hier na aangeweezen zal worden.
    Het is of Seleukus in het Fransche Spel uit de lucht komt vallen, in het vijfde Tooneel van ’t eerste Bedrijf, zonder eenige voorbereiding. Ook is zijne komst te schielijk, want Perdikkas, in het voorgaande Tooneel, eeven uit de storm koomende, daar de Vyandt in afgeslagen was, kon van Seleukus niet boodschappen, noch hy zo kort daar op volgen; omdat de Vyandt eerst van den muur moeste af trekken, Orondates gevankenis weeten, den krijgsraadt spannen, en eindelijk besluiten Seleukus voor hem te wisselen; die dan uit het Leeger eerst in de Stadt, en eindelijk in ’t Paleis voor Roxane konde verschijnen. Wy hebben dit beide verholpen, met in het eerste en vijfde Tooneel van ons eeste Bedrijf, gewag te maaken van een veldtslagh, die Roxanes party verlooren hadde; en in ’t laatste Tooneel daar by te voegen, dat Seleukus in de zelve gevangen was, en misschien van de Vyanden voor Orondates zoude aangeboden worden; en voorts in ’t tweede en vierde Toneel van ons tweede Bedrijf, Perdikkas de tijding te laaten brengen, dat Seleukus op weg was. Dus [p. 71] komt hy eindelijk in ’t volgende zeste Tooneel by ons te voorschijn; en alle deeze dingen geschieden alzo in langer tijdt en met meerder verdragh.
    Arbates wordt, volgens de Roman, ingevoert, als veele schelmstukken aan Orondates bedreeven hebbende: maar dewijl dat alles tot de knoop, en ontknooping van de voornaame handeling niet strekt, hebben wy dat overgeslagen, en hem niet, dan als een vertrouweling van Roxane ten Tooneele gevoert.
    Insgelijks hebben wy, om de zelfde Reeden, veele ondienstige Reedeneeringen, die de Fransman, zommige uit de Roman, zommige daar buiten verdicht, in zijn werk gevoegt heeft, achtergelaaten. Zo komt niet te passe ’t geen Orondates, in ’t tweede Tooneel van zijn derde Bedrijf met Statira spreekt, dar zy hem eeuwigh uit haar gezicht gebannen heeft, enz. Zo voegt niet het begin der samenspraak van liefde tusschen Orondates en Roxane in het neegende Tooneel van zijn vierde Bedrijf (dat by den Vertaaler ’t elfde is) terwijl Perdikkas het Paleis bestormt. Zo is overtolligh de vertelling van Roxane, en Hezione, in het eerste Tooneel van zijn vijfde Bedrijf, hoe zy na ’t Paleis van Perdikkas geweest zijn, en Statira daar getragt hebben om ’t leeven te brengen, en belet wierden: en diergelijke meêr.
    Na de weinige kennis in de Tooneelpöezye van die tijdt, heeft de Fransche Dichter daar noch in gebragt veele Alleenspraaken en Terzydespraaken, die wy verandert, of achtergelaaten hebben; als de Terzydespraak van Roxane in het tweede Tooneel van zijn eerste Bedrijf; de Alleenspraak van Orondates in het tweede Tooneel van zijn tweede Bedrijf; de Terzydespraaken van de zelfde, en van Statira in het eerste Tooneel van zijn derde Bedrijf, en dry Alleenspraaken van Roxane in zijn vierde Bedrijf, het derde, vijfde, en achtste Tooneel uitmaakende, die by den Vertaaler het vierde, zeste, en neegende geworden zijn.
    Dewijl wy nu alle deeze misslagen wilden mijden, hebben wy veeleTooneelen van ’t Fransche stuk moeten verstellen,veele uit laaten, en veele daar weêr in voegen. Die ’t de pijne waerdig acht, zal die konnen nazien. Boven al, die Kassander raaken, en verandert of achtergelaaten worden, zijn wel de voornaamste, het laatste Tooneel van zijn tweede Bedrijf hebbende liever Perdikkas en Roxane willen, in ons laatste Tooneel van ’t zelfde Bedrijf, eenige opening laaten doen van de byeenkomst van Orondates [p. 72] en Statira in ’t volgende Bedrijf, en duisterlijk te kennen geeven (om de Aanschouwers in verlangen te houden) de strik, die zy die twee gelieven gespannen hadden, dan meêr opening daar van te doen door een samenspraak van Perdikkas met Statira: als ook alle de Tooneelen van ’t vierde Bedrijf, die wy zeer verschikt en verandert hebben, doende zelfs buiten den Franfman, op ’t einde Perdikkas ten tooneele komen, en de slechte staat daar Orondates, en Roxanes zaaken in waaren, te kennen geeven, en, door ’t schielijk en verbaast uitkoomen van een Soldaat, eenige verandering hoopen, en alzo, in ’t einde des Bedrijfs, de gedachten der Toehoorers ophoudende.
    Eindelijk noemt hy zijn Tooneelspel, een Tragicomedie, dat is, Blyeindend Treurspel; daar het waarlijk een Tragedie, dat is, Treurspel (gelijk wy ’t noemen) is; als waar in de vier Hoofdt perfoonazien gevaar van ’t leeven loopen, en daar by Perdikkas dat verliest, en Roxane haare heerschappy quyt raakt.
    En dit zijn de voornaamste misslagen, die wy in het Fransche Tooneelstuk aangemerkt hebben. Laat ons nu tot het werk van onzen vertaalenden Rijmer overtreeden, en zien, hoe hy zijn verstandt in de Tooneelpoëzye te werk gelegt heeft.
    Alle de opgetelde misslagen heeft hy onverandert in zijn Tooneelspel gelaaten, behalven alleenlijk twee. De eene is de onnoodige vertelling van Roxane en Hezione in ’t eerste Tooneel van ’t vijfde Bedrijf, die hy overgeslagen heeft. De andere, dat hy klaarlijk te kennen geeft, hoe het met Perdikkas is afgeloopen Maar, wien het lust beide deeze verbeeteringen naaukeurigh t’onderzoeken, zal klaarlijk merken, dat die misslagen by geval, en niet door overleg en oordeel des Rijmers, daar uit geraakt zijn. Want de lange vertelling tusschen Roxane en Hezione schijnt nergens anders om achtergebleeven te zijn, als om zijn vijfde Bedrijf, door zijne ingeflanste Tooneelen, niet te onmaa- tigh te doen uitdyen. En Perdikkus doet hy voor ’t oog des Aan- schouwers sneuvelen, om een Don Quichots ridderlijk lijfgevecht op zijn Tooneel te hebben, en door dat kostelijk en konstig schermen, zijn Spel een adelijken glans by te zetten.
    En dat wy dit niet zonder grondt, en niet met vooroordeel zeggen, betuigt de overvloedt van zeer lompe, en grove misslagen, daar zijn werk tot barstens toe van volgepropt is, en van de welke wy ons de moeite getroost hebben, om eenige onder [p. 73] ’t leezen aan te teekenen, en te schokkeeren; en ze nu, als aan eenen rist gehecht, hier onder vervolgens op te tellen.
    De plaats, waar in het Spel speelt, en die de Fransman, na de Tooneelkonst een eenige stelt, naamelijk, een Zaal in ’t Paleis van Roxane, zegt hy zelfs, dat hy tot dry maakt, te weeten om en in de Stad, en ’t Hof van Babylon, en wy willen gaeren den man by zijn woorden gelooven, schoon wy niet anders konnen zien, of hy heeft een misgetelt, om een man te weezen, die dry tellen kan; alzo zijn Tooneel nooit buiten de Stadt springt.
    De naamen der Perfoonazien heeft hy uit armoede van rijm, zonder kennis en omzicht verlamt, zeggende Oroondate, en Arbate, daar hy, Oroondates en Arbates zeggen moest, zo wel als Araxes en Artaxerxes, welke laatste hy noch in zijn vaerzen, om den trant en ’t rijm te vinden, jammerlijk rabraakt tot Artaxerce, en Artaxerx. Zo moest hy ook niet Hesionne, maar Hezione, zeggen, volgens Virgilius in zijn 8 Boek van Eneas,
        Nam memini Hesiones, & c.
En Ovidius in zijn 11. Boek der Herscheppinge,
        Hesioneque datâ potitur.
Ook hebben wy Orondates, en niet Oroondates met twee o willen schrijven, opdat niemandt deeze naam te lang zoude rekken, en Oroöndates leezen.
    Boven alle de Alleenspraaken, en Terzijdespraaken, die in ’t Fransch zijn, en wy uitgelaaten hebben, heeft onze Konstenaar daar noch een Terzydespraak van Kassander in het derde Tooneel van zijn vijfde Handeling, en twee Alleenspraaken ingevoert; de eene op ’t einde van ’t zeevende Tooneel van zijn tweede, en de andere in het tweede Tooneel van zijn vijfde Handeling.
    En daar de Fransche Tooneeldichter een overtollige Perfoonazie, naamelijk Kassander in zijn werk inbrengt, die wy teenemaal voorbygaan, trekt hy’er noch daarenboven dry by ’t haer in, als Artaxerxes, Araxes, en Mandane, die noch veel minder, als de voornoemde, te passe koomen, en niet anders uit rechten, als de wanschikkelijkheidt vermeerderen.
    Gelijk hy nu zo overdaadig is in zijn Persoonazien, zo is hy noch milder met zijn vruchtelooze Tooneelen, die buiten het Fransch daarin gelapt zijn, en, niets tot de Ontknooping doende, ’t getal van zes uitmaaken, als het eerste en tiende Tooneel van zijn vierde, en het tweede, derde, zeevende, en achtste Tooneel van zijn vijfde Handeling.
[p. 74]
    En deeze Tooneelen doen niet alleen geen voordeel, maar sleepen noch eenige mismaaktheidt met zich. Want, daar de Fransche dichter alle de zijne zo zorgvuldigh aan een gehecht heeft, en om dat sieraadt zijn spel te geeven, liever vier Alleenspraaken heeft willen invlechten, in zijn vierde Bedrijf, dan dat te missen; maakt deeze schoone Verbeeteraar, dat zy op veel plaatsen gescheurt zijn, en niet aan een hangen; als het 1 en 2, 9 en 10, en 10 en 11 Tooneel van zijn vierde, als ook het 1 en 2, 3 en 4, 5 en 6, en 6 en 7 Tooneel van zijn vijfde Handeling. Behalven dat noch in ’t 7 Tooneel van zijn tweede Handeling Perdikkas binnen treedt, om Statira t’ontbieden, in welke tijdt het Tooneel zonder spraak is, daar meê hy toont den Fransman niet verstaan te hebben, die Perdikkas haar niet doet haalen; maar hem invoert, vastelijk weetende, dat zy komen zoude.
    En dat hy geen grondige kennis van de Fransche Taal heeft, betuigen ook inzonderheidt de navolgende plaatsen, als op het 2 bladt, in de 5 en 6 reegel, daar in ’t Fransch staat,
        Delicate vertu, qui me preschez l’honneur,
        A force d’attentats j’establis mon bonheur,

Zet hy over,
        Mijn teere kracht van deugd gehandhaaft door de eer,
        Bevestigt mijn geluk in zulk geval te meer;
En wy,
                    Gy kiessche deugdt, die my van d’eer komt spreeken,
            Vaarwel, wy vesten ons geluk op snoô gebreeken,
        En schelmeryen.
Zo vertaalt hy op ’t zelfde bladt in de 27 reegel charmes, gebeeden, dat gansch geen zin maakt. Op ’t 4 bladt 22 reegel, zet hy over j’obeys de ce pas, ik doe, wat uw begeerte deê, daar wy hebben, aan my zal niets ontbreeken. Op ’t 9 bladt in de 14 en 15, reegel, daar de Fransman zeidt,
                    Il nous le faut reduire,
        Luy secondé de siens est en estat de nuire.

Verduischt hy,
                    Die kans dient waargenomen,
        Hy loopt gevaar van met de zijne om te koomen.
Dat overgezet moet worden,
                    Men moet hem weêr doen keeren:
[p. 75]
        Hy met de zijne zoude ons dapper konnen deeren.
Op het 10 bladt, in de 33 reegel, daar in ’t Fransch is,
        Le premier des humains n’a point laissé d’egal.
Vertaalt hy,
        De eerste mensch zag geen gelijken namensch an.
Daar de Fransman wil zeggen, dat Alexander de grootste en magtigste van alle menschen zijns gelijken niet nagelaaten heeft,*en onze Vertaaler van Adam schijnt te spreeken. Op het 12 bladt,
    in de 23 reegel, verduitscht hy entretien, tijdtverdrijf, dat onderhouding of samenspraak te zeggen is. Op het 15 bladt, in de 14 en 15 reegel, aar in ’t Fransch staat,
        A peine aviez vous sceu le trespas d’Alexandre,
        Que vostre premier soin fut de saisir Cassandre.

Zet hy over,
        Gy wist schier niet de doodt van uwen Alexander,
        Of schikten u links tot uw bedtgenoot, Kassander,
En wy,
        Uw dolle staatzucht quam naauw Alexanders doodt
        Ter ooren, of, verrukt van razerny, besloot
        Terstondt de haare,
Dat is, die van Statira, welke eeven in onze voorgaande reegel genoemdt wordt, en ook de naam van Kassandre voerde; daar onze Overzetter niet op gelet, en zeer slordig Kassandre voor gestelt heeft, gelijk hy dit noch eens doet, op hetr 32 bladt, in 9 reegel, daar de Fransman zeidt, -
        Prince le seul secret de s’en pouvoir defendre,
        C’est de se disposer à me rendre Cassandre.

    Dat hy vertaalt,
        Uw eenig schermschildt, Prins, is, dat gy met elkander
        Bevlytigt, om aan my te leeveren Kassander.
En wy,
        Een toevlucht is alleen u ovrig in dien staat,
        Dat Statira my minne, en gy haar min verlaat.
Op ’t 19 bladt, in de 28 reegel, zet hy languir dans ces chaines. over, zijn trots betreuren; daar het te zeggen is, in die boeyens quijnen. Op ’t 24 bladt in de 20 reegel: in ’t Fransch is,
        Je m’envay de Roxane appendres le dessein.
Verduitscht hy,
[p. 76]
        Ik na Roxane ga, en meld haar uw verband.
Daar ’t overgezet moest worden,
        Ik ga verneemen, wat Roxane heeft in ’t zin.
Op het 37 bladt, in de 16 reegel, daar de Franschman heeft,
        P. Redout ma fureur. R. Toy, mon ressentiment.
Zeidt hy,
        P. Gedenk mijn toorn. R. En gy gedenk mijn minnegrief.
En wy,
        R. Verrader, vrees mijn straf. P. Verwaande, vrees mijn wraak.
    Op het 41 bladt, in de 15 reegel, zet hy Ialoux mary over volliefden Heldt, daar het jaloersch man te zeggen is. Op het 47 bladt, in de 35 reegel, vertaalt hy, reculer ma mort, de doodt be-
    leedigen, daar het beteekent, mijn dood te rug zetten. Op het 48 bladt, in de 7 reegel, zet hy tremper over temperen, daar het indompelen beduidt. Op ’t 49 bladt in de laatste reegel, daar in ’t Fransch staat,
        Ie meurs, & pour finir je cherche d’autres lieux.
Vertaalt hy,
        Ik sterf, en zoek een plaats, van waar ik vlieg om hoog.
    Als of Arbates, die ’t zeidt, en zich zo eeven, een grooten schelm te zijn, beleeden hadde, nu, om zijn berouw, als martelaar, ten Heemel voer. Daar het te zeggen is,
                                                                                Ik sterf,
        En zoek een andre plaats, waar ik de geest mag geeven.
    Op ’t 62 bladt, in de 10, 11, 12, en 13 reegel, daar in ’t Fransch is,
        Que je r’entre en l’extaze ou m’entraine ma flame,
        Et que par des transports ou s’eleve mon ame,
        Capables d’epuiser tous les discours humains,
        Je semble en ce baiser la laisser sur vos mains.

Verduischt hy,
        Al waar mijn brandt my lokt, treed ik als opgetoogen
        Met een verheeven ziel, door twee verukkte oogen,
        Die ’t mannelijk verstandt uitputten tot de grondt.
        My dunkt, dat deese kus mijn siel lijmt aan uw mondt.
En wy,
        Prinsses, vergun mijn ziel, die eeuwig u zal minnen,
        Dat zy de driften, en verrukking mijner zinnen,
[p. 77]
        Niet uit te spreeken voor het menschelijk verstandt,
        Door deeze kus uitdrukke op uwe albaste handt.
    En dusdaanige quaade vertaalingen zijn’er zo overvloedigh, dat men veel meêr moeiten heeft, om de goede, als de quaade te vinden, gelijk ieder, die het de pijne waerdig acht, om het Fransch teegen zijn Duitsch te overzien, klaarlijk zal bemerken: doch die het mog te verveelen, gelijk het ons gedaan heeft, en ieder zonder twijffel doen zal, lees noch maar tot een staaltjen, op het 42 bladt de 2 Stance van Roxanes Alleenspaak, en hy zal zijn bekomst volkomen hebben. En uit al deeze voorgaande proef- stukken oordeelen wy gunstelijk, dat voor onzen Vertaaler ontwijffelijk te hoopen staat, dat hy, indien hy maar zo voort leert, in de kunst van uit het Fransch te verduitschen, den gezwooren Overzetter van de Schouwburg, wiens lof wy hier vooren waer- dighlijk opgehaalt hebben, in ’t kort, zo niet voor by loopen, ten minsten niet zal hebben toe te geeven.
    Gelijk nu uit zijne vertaalingen blijkt, dat hy niet veel Fransch verstaat, zo toont hy ook in zijn schryven, dat hy van zijn eigen moederstaal zeer weinig kennis heeft, als in veele hooftstukken zeer plompe misslagen begaande. Zo gebruikt hy zeer veele woorden niet in haar behoorlijke beteekenis. Als op ’t 1 bladt in de 8 reegel, begeeven voor my begeeven, op ’t 3 bladt, in de 20 reegel, stijven deê voor stijfde; op ’t 4 bladt, in de 3 reegel, verzetten voor aflaaten, op ’t 20 bladt, in de 23 reegel, meedemakker voor meedeminnaar, waar voor hy ook elders makker, en metgezel heeft; op ’t 24 bladt, in de 5 reegel, nadeelen voor nadeeligh zijn; op ’t 25 bladt, in de 25 reegel, beoogen voor zien; op ’t 26 bladt, in de 5 reegel, verwaanen voor verwaandt zijn? op ’t 29 bladt, 27 reegel, de doodt gehengen voor de doodt lijden; op ’t 32 bladt, 3 reegel, verstellen voor uitstellen, en de 29 reegel, ontmenschen voor dooden; op ’t 34 bladt, 20 reegel, schrander voor dapper of eedel, als ook op ’t 35 bladt, 29 reegel, en andere meêr; op ’t 35 bladt, 11 reegel, woelen voor onder een mengen; op ’t 37 bladt, 12 reegel, woordt verstooten, voor woordt niet houden; op ’t 48 bladt, 2 reegel, verdrieten voor berouwen; op ’t 49 bladt, 16 reegel, deelbaar voor deelachtig; op ’t 50 bladt, 17 reegel, doodsch voor doodelijk; op ’t 52 bladt, in de 16 reegel, viel voor verscheen; op ’t 4, 11, 15, 21, 27, 29, 30, en 46 bladt, bresse, dat hy schijnt niet verstaan te hebben, en diergelijke ontallijke meer.
[p. 78]
    Zo maakt hy ook veele oneigentlijke Koppelwoorden, als op ’t 17 bladt in de 11 reegel, oogekoolen, en in de 29 reegel, kluisterdragt; op ’t 20 bladt 19 reegel, handswenk; op ’t 23 bladt 5 reegel, leedenoffer; op ’t 29 bladt 9 reegel, pijnkool, en 30 reegel, Hartspraak; op ’t 37 bladt 16 reegel, minnegrief; op ’t 30 bladt 21 reegel, doodkeur; op ’t 41 bladt 15 reegel, volliefde, op ’t 45 bladt 6 reegel, minnerif, en 19 reegel, troonroem, op ’t 54 bladt 18 reegel, schildtdraght, en 21 reegel, gebloedritst;op ’t 58 bladt 4 reegel, teegenvrienden, voor vyanden; op ’t 63 bladt 11 reegel, Straalgezight. enz.
    Zo maakt hy ook veele quaade Samenstellingen in de reedenen, ’t geen de Latijnen Constructiones noemen, als op het 3 bladt, in de 26 reegel, een zulke buit voor zulk een buit; op ’t 11 bladt, in de 18 reegel, leelijkste van al voor leelijkste van allen; op ’t 16 bladt in de 16 reegel, mijns beminde voor mijner beminde, of van mijne beminde; op ’t 17 bladt 23 reegel, verknochter voor verknocht; op ’t 18 bladt 11 reegel, de min ’t gebieden moe voor moe zijnde; op ’t 38 bladt 16 reegel, te toonen voor om te toonen; op ’t 52 bladt 14 reegel, aandeede voor aandoe; en 16 reegel, viel voor val, enz.
    Zo heeft hy ook veele oneygentlijke Wijzen van spreeken, Phrases genaamt, als op het 3 bladt in de 20 reegel stijven doen, voor wederstaan, en in de 22 reegel iemandt ter zijde loopen voor vluchten; op ’t 16 bladt 19 reegel een pley komt my bestrijden voor ik voel pijn; op ’t 17 bladt 8 reegel, lijfvruchtsreeden voor bezwangertheidt, op ’t 18 bladt 29 reegel minnend yver brouwen voor jaloers zijn; op ’t zo bladt 19 regel, zijn wezen was met schrik vol gloeden aangedaan voor hy was verschrikt; behalven dat hier, noch een strijdigheidt is, alzo de schrik niet roodt, maar bleek maakt, op ’t 27 bladt 33 reegel, ons samenspraak broên, gelijk, of ’t hennen waaren; op ’t 30 bladt 18 reegel, de doodt uitlaaten, als een wildt gedierte uit zijn kot; op ’t 34 bladt 31 reegel, voed geen brein meêr van mispreeze minnenijdt, voor geeft geen oorzaak tot jaloezy, enz.
    Zo neemt hy de orde der Taal niet waar, als op ’t 2 bladt, in de 3 reegel, uw vriendschap ik versmaade, voor ik versmaade uw vriendschap; en 16 reegel, die naam my siddren doet, voor die naam doet my sidderen; en 30 reegel, dien overval zy verdroegen, voor zy verdroegen dien overval, en 34 reegel, de hoofden [p. 79] de poorten randen aan, voor de hoofden randen de poorten aan; op ’t 3 bladt 29 reegel, elk na Perdikkas zeidt voor elk zeidt na Perdikkas; op t 4 bladt 1 reegel, dat men hem koomen doe, voor doe koomen, op ’t 5 bladt 11 reegel, die Prins gevangen is, voor die Prins is gevangen; en 13 reegel, elk beschermen moet het zijn, voor elk moet het zijne beschermen; en 34 reegel, hy de eer van u te spreeken zoekt, voor hy zoekt de eer van u te spreeken; op ’t 6 bladt 14 reegel, my baarden weinigh troost, voor weinigh troost baarden; en 19 regel, gy ondankbaar wordt, voor gy wordt ondankbaar, en van diergelijk een slag grimmelt het op alle de volgende bladen.
    Eindelijk gelijk hy in zijne vertaalinge, en ’t schrijven van zijn moederstaal gedwaalt heeft, zo struykelt hy ook niet minder in de Rijmkonst, zondigende grovelijk teegen de meeste en voornaamste wetten. Zo neemt hy de grootsheidt van een Treurspel, en zijne persoonazien niet waar, als hy op het 3 bladt in de 16 reegel, Arbates van Orondates doet spreeken, als ’t graauw met een endtje staal, en op ’t 9 bladt, in de 16 reegel, Perdikkas van zijnen broeder Alcetas, of ’t een Munnik was, broêr Alcetas, gelijk broêr Kornelis; en op het 10 bladt in de 4 reegel, Kassander, een kruimtje van mijn druk, gelijk of hy van een stuk, roggenbroodt sprak; en op 26 bladt 6 reegel, Orondates, die nergens dartel is, maar een voorbeeldt van ingetoogenheidt, van dartel mingeval, en op ’t 33 bladt 12 reegel, den zelfden, tegen Perdikkas, gy meent ieder te doorrijgen, als of hy hoenderen, aan ’t spit zou steeken; en op ’t 48 bladt in de 29 reegel, Roxane, van zulke grillen, vier of vijf, welk zeggen voor een Koningin, als Roxane, wel te recht grillen zijn; en op ’t 52 bladt 10 reegel, doet hy Artaxerxes voor den dagh koomen met gevolg van vuur en koorden, als een Ducdalf, daar hy t’eedelmoedigh was, om ’t volk op te knoopen; en op ’t 26 bladt in de 14 reegel, doet hy Orondates Statira kussen, dat het zijn ziel aan haar mondt lijmt; daar hy korts daar na zich te needrigh toont, om haar aan te spreeken, enz.
    Zo gebruikt hy meenigmaal wanschikkelijke Bywoorden, by de Konstenaars Epitheta genoemt, als op het eerste bladt in de 9 reegel, dapper schudden, en dappre rijkstroon; op het 26 bladt, 20 reegel, koosend samenspreeken, ’t welck hy Orondates doet zeggen; op het 31 bladt 26 reegel, yverig verderf, op het 39 bladt 21 reegel, knarssend ongedult, [p. 80] dat hy den Goden toe schrijft; op 59 bladt, 34 reegel, ondankbre tijtels, enz.
    Zo brengt hy veel woorden zeer oneigentlijk over in een andere beteekenis, dat de Reedenrijkkonstenaars Metaphora, Synecdoche enz. noemen, als op ’t 17 bladt, in de 20 reegel, gereezen uit de zadel van Koningen, voor gesprooten uit de stam; op ’t 28 bladt, 10 reegel, traanen, die op onluks barning golven; en 18 reegel, benestling der gedachten; en 22 reegel, verbannen ten liefdens raadhuis uit; en ’t 29 bladt, 10 reegel, pijnkool doen gloeyen; en 40 bladt, 5 reegel, mijn meedeminstersaaren, voor bloedt; op ’t 44 bladt, 30 reegel, de ziel ontginnen, of ze een gebraaden hoen was; op ’t 46 bladt, 17 reegel, ’t ingewandt der Stadt; op ’t 62 bladt, 21 reegel, een ziel in tween kerven, enz.
    Om de trant in zijne vaerzen te vinden, trekt hy zeer hardelijk twee syllaben, of lettergreepen in een, als op het19 bladt, in de 14 reegel, zoo’n voor zo een, en op ’t 55 bladt, 30 reegel, ong’nade voor ongenade, enz. Zo laat hy, om de zelfde oorzaak, op ’t 58 bladt, in de 20 reegel de e uit voor de h in onbarmhartig’ Heemel, dat zeer stoot, daar hy doorgaans meest de e voor een klinkletter niet achterlaat. Zo neemt hy ook de klank of Accent der woorden niet waar op ’t 9 bladt, in de 16 reegel, in A’lcetas voor Alcétas, dat een man van letteren, als hy, hadde behooren te weeten; en op ’t 12 bladt, 18 reegel, in booswíchten voor bóoswichten; en op ’t 39 bladt, 21 reegel, in rabráaken voor rábraaken, enz.
    Ook blijkt doorgaans zy verleegenheidt in de rijmwoorden, wanneer hy op ontallijke plaatsen, de letter n wegwerpt, als wel weetende, dat zonder het zelve zijn rijm niet deugen zoude, gelijk het niet doet op twee plaatsen, te weeten op ’t 4 bladt, 4 en 7 reegel, in almoogendheeden en meedoogenheeden, en op ’t 34 bladt, 8 en 9 reegel, in min-Ster en meedeminster, daar hy noch teegen de accent aanloopt.
    Wy zullen hier noch, tot een toegift, aanknoopen eenige zinnelooze plaatsen, die ons te moeylijk gevallen zouden hebben in schokken te brengen, en daar wy den Leezer zijn verstandt willen op laaten oeffenen, als op ’t 17 bladt, 33 en 34 reegel.
                    Daar een zwangre een onzwangre weeu verstoot,
        Daar roept de Staat om wraak, en ’t leeven om de doodt.
[p. 81]
Op het 22 bladt, de 2 laatste reegels,
        Ik dempte mijn besluit in baaren van mijn bloedt.
        Ten teeken ik mijn schand wel wou voor u ontblooten, enz.
En dit zeidt Perdikkas teegen Statira.
Op ’t 28 bladt, de 30reegel,
                    Soo hoop ik doch inkort,
        Dat Babylon in haar ontsag geplondert word,
        En ik weer Koningin.
Op ’t 30 bladt, de 21 en 22 reegel,
        Schoon ik uw doodkeur roem, zo zou de spijt door ’t kiezen
        Van dien Perdikkas, my het leeven doen verliezen.
Op ’t 32 bladt, de 17 reegel,
        Wreedt opgevoedt zijt gy in wreedheidt overrompelt.
En de 34 reegel,
        Die op uw razerny het offer niet verplette,
Op het 33 bladt, de 3 en 4 reegel,
        Mijn ziele, die als noch haar eerste driften toont,
        Zal kroonen het begin, waar in de uitgang woont.
En 18 reegel,
        Ik stuur weêr in u zelf, hem die ik vluchten zagh.
Op ’t 34 bladt, de 23 en 24 reegel,
        Heeft dan uw leeven u zo groot vermaak gesticht,
        Dat gy my stervend aan Perdikkas liet verplicht.
Op ’t 40 bladt, de 30 reegel,
        Zeg hem al wat men zegt, als men hem minnen moet.
Op ’t 41 bladt, de 25 reegel, enz.
            Dat zo zijn beeldt, door ’t lot
        Moet zijn te niet gedaan, dat men dan breek twee kerken;
            Het autaar en den Godt.
Op ’t 42 bladt, de 2 reegel,
        In groote zaaken drijft de ziel op ’t onvoorsienst.
Op ’t 48 bladt, de 9 reegel,
        Noch vrees ik min uw doodt, maar uw afweezen meer,
Op ’t 51 bladt, de 27 reegel,
        Dus was het Stadtsverraadt den Vyandt opgegeeven.
Op ’t 60 bladt, de 33 reegel,
        Ik zal de weereldt doen mijn doodtsverlies ontleeden.
Op ’t 64 bladt, de 7 reegel,
        Weeu, en ontboeit ben ik weer Koningin en d’uw.
[p. 82]
Uit alle welke, en noch ontallijke diergelijke, die wy overslaan, en de opmerkende Leezer gemakkelijk zal konnen aanteekenen, het schijnt, dat onze Rijmer den Dullen Admiraal na den Lauwerkroon heeft willen steeken, en de eer benijdt, die hy met zijne diepzinnige rijmen ingelegd heeft.
    Boven zo groot een getal van grove misslagen, kan zijn werk de hoogdraavendheidt van stijl, die in een Treurspel vereischt wordt, nergens na bereiken; maar het is overal zeer laf, en plat, en by der aarden kruypende, en daarby de kracht van zeggen, die de Fransman heeft, doorgaans ontzeenuwende, gelijk die zijn Spel met het Fransche wil vergelijken klaar zal konnen bemerken. Wy zullen omdat dat stuk niet wel te krijgen is, en het veele niet de pijne waerdt achten, het een teegen ’t ander te leezen, hier een plaats twee, dry, uit het Fransche en zijn Duitsche te berde brengen, en daar onze vertaaling aanhechten, opdat men oordeelen mooge, wie daar ’t naaste by komt. In het derde Toneel van het derde Bedrijf heeft de Fransche Toneeldichter aldus.
PERD. Tirant l’espée de son costé en la pointant contre Oroondate.
                                                Plutost par son trespas,
        J’ay treuvé le secret par qui je vous separe,
        Je t’ay trop espargné; meurs Scite, meurs Barbare,
        Et me rends le repos, que tu m’avois osté.

ROXANE, Prenant une javeline des mains d’un garde,
                                        & la pozant au sein de Statira.
        Arreste Perdicas, regarde à ton costè,
        Quelle des passions est en toy la plus forte
        Ou voir vivre Orondate, ou voir ta Reyne morte,
        Choisis.

OROOND. à Perdicas. Ah! Perdicas protege Statira,
    Apres si tu le veux Oroondate mourra.

STATIRA, à Roxane. Fille de Cohortan pers dedans ta furie
    La femme d’ Alexandre & le sang de Darie,
    Et portant dans ton sein ta derniere rigueur
    Viens fraper Orondate au travers de mon coeur,
    Et nous sacrifiant au demon de ta rage
    Renverse tout ensemble & l’ Autel & l’image.

OROOND. à Roxane. Viens femme furieuze acheverton dessein
    Et fraper ta rivale au travers de mon sein.

ROXANE, se mettant devant luy.
    Non tu ne mourras point je deffendray ta vie.
[p. 83]
PERDICAS, au devant de Statira.
    Et j’auray pour la Reyme une semblable envie,
    Contre tes cruautez je la veux proteger.

’t Welk hy aldus vertaalt, op ’t 35 bladt, in de 13 en volg. reegels.
                PERDIKKAS met een blooten saabel op Oroond.
PERD.                            Veel eer door sijne dood.
    Om u te scheiden bei, heb ik ’t geheim ervaare’,
    ’k Heb u te lang gespaart. Sterf Scyth! sterfgy barbaare!
    En leever my weêrom die rust, die gy my naamt!
                    ROXANE met een werp-pijl op Statira.
ROX. Perdikkas sta! laat af! let op uw doen! beraamt
    Door welken drift uw siel het krachtigst is gedreven,
    Tot Statira, (gedood) of Oroondaat, (in ’t leeven?)
    Verkies.
OROOND. Perdikkas! help, help doch mijn Statira.
    Dan wil ik, soo gy wilt, hier sterven daar ik sta.
STAT. tegen Rox. Verdelg, ò Koningin, dit vrouwelijk, doch schrander
    Bloed van Darius en de weew van Alexander.
    Gevoelend in uw hart de wreedheid uwer daad,
    Boor door mijn hart heen en doorsteek daar Oroondaat.
    Vermits ik dan voor hem en hy voor my moet boeten,
    Soo werp zijn outer om, en treê zijn beeld met voeten.
OROOND. tegen Rox. Kom, kom ontaarde vrow, kom volg uw driften na:
    Boor door mijn hart heen en doorsteek daar Statira.
ROX. beschermende Oroond. Gy sult niet sterven; neen; ik staan wil voor uw leeven.
PERD. Beschermende Stat. Mijn kling voor Statira niet minder staat. Haar sneeven
    Ik wel beletten sal, al woed gy noch soo wreed.
    En wy aldus op het 35 bladt in de 33 en volgende reegelen.
            PERDIKKAS, zijn sabel trekkende, en de punt
                                op Orondates borst zettende.

                                        Neen; beeter Orondaat.
    ’k Heb nu ’t geheim ontdekt, om u van een te scheuren.
    Sterf, trotse sterf, u zal geen uitstel meer gebeuren,
    En geef my weêr de rust, die gy my hebt ontroofdt.
                    ROXANE, Arbates sabel uittrekkende, en die op
                                        Statiras boezem stellende.

Hou stil, wat razerny heeft u ’t verstandt verdooft?
[p. 84]
    Perdikkas, sta, en ga te raade met uw zinnen,
    Wat hartstocht allermeest behoorde op u te winnen.
    Wat hebt gy liever, dat Prins Orondates leef,
    Of dat ik Statira met een den doodtsteek geef.
    Verkies.
                    ORONDATES teegen PERDIKKAS.
    Perdikkas, ach! wil Statira behoeden.
    Ik zal daar na die gunst u met mijn doodt vergoeden.
                            STATIRA, teegen Roxane.
    Kohortans Dochter, kom, moord met ontzinden moedt,
    In Alexanders weeuw, Darius godlijk bloedt.
    Kom uwe razerny tot barstens toe vergrooten,
    Prins Orondates hart in deeze borst doorstooten,
    En, ons opoffrende aan den Afgodt van uw haat,
    Verbrijzel ’t outer, en het beeldt, dat daar op staat.
                    ORONDATES, teegen Roxane.
    Neen, wreede Dwinglandin, kom hier uw wraak volbrengen,
    En ’t bloedt van Statira, door my te moorden, plengen:
    Want, nademaalze alleen in deeze boezem leeft,
    Is ’t billijk, dat gy haar daar in den doodtsteek geeft.
                    ROXANE, zich stellende voor Orondates.
    Gy zult niet sterven, neen, ik zal uw vyandt stutten.
                        PERDIKKAS, zich stellende voor Statira.
    En ik zal Statira voor uw geweldt beschutten,
In het neegende Tooneel van ’t vierde Bedrijf zeidt Roxane in
    ’t Frans. Si Statira t’offroit une vie immortelle
    Ton ame l’agreeroit bien moins des Dieux que d’elle,
    Et mesme entre ses bras un moment escoule,
    De nos longs entretiens t’auroit ja consolé.
    Ton ame de ses yeux pleine & rassasiée
    Parmy de doux transport se feindroit extasiée,
    Et quatre ou cinq instans dans ton coeur amoureux
    Vaudroient l’eternité de tous les bien-beureux,
    Mais tes yeux la perdront

    Dat hy aldus verduischt op ’t 48 bl. in de 22 en volgende Reegels.
    Indien u Statira aanbood onsterflijk leeven,
    Gy soud haar grooter dank, als al de gooden, geeven,
    En self de kleenste lust van haar u soeter scheen,
    Als al ons handlen van verheeve minne-reên.
    Uw siel, versaadigt door haar onversaade oogen,
    Door twee uitsinnigheên sou worden onvermoogen.
[p. 85]
    En sulke grillen, vier of vijf in uw gemoed
    U scheenen meerder weerd, als al het heemels goed.
    Dus schend uw oog het werk.
En wy alzo, op 46 bladt, in de 29 envolgende reegels.
    Wierdt u van Statőra dat voordeel aangeboôn,
    En moght uw min van haar verwerven zulk een loon;
    Gy zoudt geen heemelgaaf zo kostelijk waerdeeren,
    En min van ’t Godendom, als haar, die gonst begeeren.
    Een zalig oogenblik, datge in haar arm versleet,
    Had met die troost, nu lang versmolten al uw leedt.
    Dat zoudt ge boven ’t heil van aarde, en heemel kiezen.
    Maar ’t is gedaan. Gy zult nu Statira verliezen.
In het twaalfde Tooneel van’t zelfde vierde Bedrijf is by den Franschen Dichter aldus:
Oroond. Roxane qu’attens-tu. Rox. Faut-il enfin ceder,
    Ie ne puis te quitter & ne puis te garder,
    Fatale extremité.
Oroond. Fay moy rendre mes armes.
Rox. Permets qu’au paravant je les baigne de larmes,
    Et que dedans l’instant que me donne ton fort
    Ie te donne en tremblant les aprésts de ta mort,
    Mais je sens que ma main refuse cét office
    Hezionne rendez luy ce funeste service.

Hez. Donnez moy ma Princesse un plus sortable employ.
    En weinig voort.
Rox. Tiens prens donc cette espée :ah’que je suis esmeuë.
Orond. Roxane ce bien-faict ...Rox Oste toy de ma veüe Sans memonstrer tafuite, abandonne celieu 2.
Rox. Tiens prens donc ceste espée: ah! que je suis esmeuë.
    Oroond. Roxane ce bien-faict...   Rox. Oste toy de ma veiüe.
    Sans me monstrer ta fuite, abandonne ce lieu
    Et ne me force point à te faire un adieu,
    Ie le pense eternel si j’encroy mes alarmes.

Orond. Si les Dieux. Rox. Laisse agir mes suspirse & mes larmes.
Oroond. sortant. O dieux! qui dans mon coeur mettez tant de pitë
    Puisqu’un autre a l’amour qu’elle ayt mon amitié.

Dat onzen Rijmer dus overzet, op ’t 50 blad tin de 7 en volgende reegels.
Orond. Waar wacht gy na Roxaan?
Rox.                                                 ’k Moet swijgen, ik u niet
    Bewaren kan, en kan u ook niet laeten. Siet
    De laatste slag van ’t lot.
Orond.                                 Doet my mijn wapens schenkke.
[p. 86]
Rox. Sta toe eerst, dat ik in mijn traanen die verdrenkke,
    En dat mijn eer-naam sy door dit geval vergroot,
    Dat ik u beevend geef bereidsels tot u dood.
    Maar, ’t hart verbied my, dat mijn hand reeds had begonne.
    Doe gy die dienst hem, die hem doods is, Hesionne.
Orond. Doe my een dienst Mevrouw van meer bevalligheên, enz.
En weinig daar na.
Rox. Daar; neem uw wapens dan. Ah! hoe word ik bewoogen.
Orond. Die weldaad Koningin....
Rox.                                             Ga Prins, ga uit mijn oogen.
    Vlucht zonder dat ik ’t sie. Verlaat dees plaats, en quel
    Noch dwing my niet, dat ik u zeggen moet, Vaarwel.
    ’t Geen ik u eeuwig wensch, ken ik mijn min te rechte.
Orond. De goôn....
Rox.                     Met zuchten en met traanen moet ik vechten.
Orond. O gooden! die mijn hart meêdoogentheidt stort in,
    Roxaan mijn vrienschap hebb’, en Statira mijn min.
En dit vertaalen wy op ’t 48 bladt, aldus.
Orond. waar toeft gy na Roxane!
Rox.                                             Ik kan u niet verlaaten,
    Noch hier behouden. Ach ! Balstuurig lot! wat zal
    Mijn ziel besluiten, in dit deerlijkste ongeval!
Orond. Geef my mijn wapens.
Rox.                             Laat ik ze eerst met mijne traanen
    Besproeyen; gun, nu ’t u den weg ter doodt zal baanen,
    Dat ik, al beevende, u het harnas, tot een pandt
    Van mijne trouwe liefde, aangespe met mijn handt.
    Maar, ach ! zy weigert, en bezwijkt in deeze plichten.
    Hezione, kom gy dat werk voor my verrichten.
Hez. Mevrouw, genade; ik wensch hier in te zijn verschoont,
En weinig voort.
Rox. Kom, Orondates, neem u sabel. Ach! hoezeer
    Ben ik ontstelt!
Orond.                 Dees daadt, Roxane....
Rox.                                                        Wilt vertrekken,
    En zonder, dat ik ’t zie; ’t zou my meêr pijn verwekken:
    En pars my niet, dat ik mijn afscheidt neem met smart;
    Ik voel, het is de laatste, aan ’t kloppen van mijn hart.
Orond. Indien de Goden my....
[p. 87]
Rox.                                        Ga heen, verweer uw leeven,
    En wil mijn traanen, en gezucht haar vryheidt geeven.
Orond. weggaande. O Goôn! nu ik haar mijn meêdoogen waerdig vindt,
    Gunt haar mijn vriendschap, wijl mijn hart een andre mint.
    Doch het schijnt schier, dat hy de laege en slechte stijl van zijn Treurspel heeft willen vergoeden met de hoogdraavendheidt van zeggen, daar hy zijne Opdragt meede uitgestreeken heeft. En wy gelooven, dat’er Lieden van zo weinig doorzichts, en die ’t geen zy niet konnen verstaan, voor wat kostelijks aan zien, genoeg gevonden zullen worden, die zich aan dien weidschen zwier, en brommenden dreun vergaapende, meenen zullen, dat het vry wat te bedieden heeft, en uit een geleerde en konstige penne voortgevloeit is. Maar alle, die wat pit achter ’t oor hebben, en gewoon zijn door zulke kladderige vernissen, en konstelooze blanketselkorsten met de scherpe straalen van hun geloutert oordeel heen te booren, zullen ter eerster opslag bemerken, dat hy de waare Historie van Alexander de Groote met de Roman van Kassandra slordighlijk, als een die ze beide niet te deegen doorkroopen heeft, onder een mengt, en niet dan een grooten hoop windige en bommende woorden, die weinig zeggen willen, met zeer lange, gedwongene, en onverstaanelijke Perioden uitstoot, en op ’t pampier werpt.
    Dit nu zijn, Kunstlievende Leezer, onze Aanmerkingen over het Tooneelspel van Orondates en Statira. Wy twijffelen geensins, of het zal uw geduldt in ’t leezen, gelijk ons in ’t schrijven, al lang verveelt en verdrooten hebben, en gy zult verwondert zijn, dat wy ons daar meede zo lang opgehouden, en zo veel moeite daar aan te kost gelegt hebben: en wy bekennen ook, dat gy dubbel gelijk hebt. Maar die met de Drommel gescheept is, gelijk het spreekwoordt zeidt, moet daar meê over. Waarlijk, wy hadden het van onzen Rijmer zo slecht niet verwacht, noch ook dat hy ons zo veel onnoozel werks zoude berokkenen, als wy nu ondervonden hebben: en hebben vertrouwt, dat, daar hy met zijn Dubbel en Enkel zo slecht gevaaren was, hy nu wat beeters en waerdigers in ’t licht zoude geeven. Zonder dit vertrouwen, zouden wy ons zelve de moeite van zijn Tooneelspel na te maaken, en zijne misslagen op te teekenen, en dus in ordre te brengen; en de Lief-hebbers, van die te leezen, en onderzoeken, gespaart hebben. Ook willen wy in toekoomende hem, zo lang [p. 88] hy niet beeter leert, en allen, dusdaanige lompnen voor den dag brengen, wel belooven, dat wy, noch hunne Toonneelspeelen namaaken, noch over hunne begaane misslagen onze aanmerkingen geeven zullen. Want, schoon wy dat slechts, als een tijdtverdrijf doen, en niet dan onze leedige uuren, die wy, van onze nutter en noodtzaakelijker beezigheeden, tot uitspanning, over hebben, daar aan hangen; zy zijn ons eevenwel zo onwaerdt niet, dat wy ze in zulke beuzeleryen, zo reeden- en roekeloos willen verquisten, en verspillen, als die vry beeter en nuttelijker weetende te besteeden.
    Wy verhoopen eevenwel, dat onze tijdt en moeite niet teenemaal verlooren zal zijn; alzo wy niet twijffelen of veelen Aankomelingen in de Dichtkunst zal, beneevens hem, door deeze onze Aanmerkingen een baken opgerecht zijn, om diergelijke klippen en zanden in toekomende te mijden, by wie wy zonder twijffel dank zullen behaalt hebben; gelijk wy ’t zelve van onzen Rijmer, zo hy reedelijk en recht eedelmoedigh is, vertrouwen, en dat hy onze vrymoedigheidt van zijne struikelingen zo rondelijk aangeweezen te hebben, in geenen deele quaalijk zal neemen, alzo het met geen ander inzicht gedaan is, als om de Neederduitsche Pöezye, hoe langs hoe meêr, voort, en eindelijk eens, ten top verheeven, in haare volle glans te helpen zetten. Te meer, alzo wy niet alleen wel moogen lijden; maar zelf hem, met zijnen ganschen aanhang, beleefdelijk verzoeken, dat zy ons Tooneelspel, zo zy ’t zich durven onderwinden, op de zelfde wijs ten toets brengen; niets aangenaamers wenschende, als dat ons de misslagen, die wy moghten begaan hebben, aangeweezen worden; opdat alzo door die weederzijdsche onderrechting de Tooneelkonst te beeter mogte opgebouwt worden, en alle Lief-hebbers in de kennis van de zelve toeneemen: waar toe, en met welk inzicht ons Konstgenootschap opgerecht is, en onze byeenkomsten aangelegt zijn, uit de welke de waare Liefhebbers te zijner tijdt te wachten hebben een Onderwijs in de Tooneelpoëzye zo wel van de Oude, als Heedendaagsche Dichters, om hen daar meede, gelijk door dit Dichtkunstigh Onderzoek en Oordeel, onze geneegenheidt te betoonen, en dienst te doen, welke beide wy hen hier van goederharten aanbieden onder den naam van
NIL VOLENTIBUS ARDUUM.
Continue

Tekstkritiek:

p. 75 heeft, er staat: heefs,
p. 84 les er staat: lrs