Joan Blasius: Het huwlyk van Oroondate en Statira. 1670.
Uitgegeven door drs. Nanny ’t Hart.
Red. dr. A.J.E. Harmsen, Universiteit Leiden.
Ceneton010890Ursicula
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.

Continue
[
fol. *1r]

Het HUWLYK van

OROONDATE

EN

STATIRA,

Bly-eindend-Treurspel;

Door

Mr. JOAN BLASIUS,

Rechts-Geleerde.

    —— —— —— Mens omnis aberrat
In vultus, quos fixit Amor.
Claud.

Vertoont op d’Amsterdamsche Schowburg.

[Vignet: Perseveranter]

t’AMSTERDAM,
By Jacob Lescailje, Boekverkooper op de Middel-
dam, naast de Vismarkt, 1670.



[fol. *1v: blanco]
[fol. *2r]

Aan den Wel-Edelen Gestrengen Heer,

DEN HEER


Dr. GERARD
BICKER,


HEER VAN SWIETEN,

RAAD EN MEESTER

van de Reekkeningen over de Domeinen
van de Heeren Staten van Holland
en West-Friesland,

Hooge Heemraad van Rhijnland, &c. &c.

WEl-Edele, Gestrenge Heer,
Alhoewel de Groote Alexander by sijn Lijf-artz Thessalus vergast sijnde, met een on-heilige gift-beekker, door de hand van Kassander, Philippus en Iöllas, gebroeders, ten gevalle van sijn eerste Gema- [fol. *2v] linne Roxane, en op het bysonder aanraaden van hun wraak-suchtige vader Antipater, dingplichtig met de koninglijke Moeder Olympias, binnen Babylon, hem gedaan schenkken, tot voorkomst aller onheilen, uit sijn naderende dood te ontstaan, verscheide beveelen, sijn rijx- bestiering aanbelangende, self met de overgift van sijn Wapen-ring aan Perdikkas, gedaan hadde, soo heeft sijn afleeven echter geleert, hoe schadelijk de Staat-sucht voor Macedonië geweest is, daar yder naa’t hoogste en opper-gesag dong. Waar by quam, dat die vergoode Held twee Koningklijkke Weduen naaliet, een Persiaanse Roxane, de dochter van Kohortan, een van sijn gemeene onderamptenaaren, en eene Statira, als tweede, om eedeler vruchten by te verwekken, by hem gehuwt, die de oudste dochter was van Darius, Koningk van Persië, nevens haar Suster, Moeder en Grootmoeder voormaals in leegerstrijd by hem overwonnen: hebbende het noodlot evenwel gewilt, dat de on-edele Roxane op haar Gemaals aflijven ses maanden swanger, en de edele Statira, t’haarer onluk, van haar gemaals Lijfvrucht vry was, dewelke daar en tegens op een jonger en vaster Schoonheid, [fol. *3r] als de eerste, boven deselve onbedachtelijk verhoovaardigde. Maar, evenals de heemel geen twee sonnen gedoogt, soo kon Macedonië ook deese koninglijkke weduen niet te gelijk, als twee Rijx-vrowwen, op eene troon sien. Al de nagelaate Rijkken dan van Alexander onder de hoofden, die den andere, elk om ’t Rijx-hoofd te sijn, afgunstig waaren, verloot weesende, diende Roxane meede het geluk van by Statira de boven-toon te singen, ten opsichte dat sy met een wettig erfgenaam van ’t rijk beswangert ging, aan wiens sorgvuldige bewaaring Macedonië ten hoogsten geleegen was. Dit, van haar ingeboore staatsucht opgestookt, deê Roxane voorts staan naa ’t leeven van Statira, welke ook, op haar beveelen, ten proye van de dood soude sijn overgeleevert geweest, ten waare Perdikkas, door haar gesette bevalligheid verrukt, haar liever ter kerkker opsloot, als des doods deelachtig maakte, op hoop van t’eeniger tijd haar voor de sijne niet alleen uit te basuinen, maar ook daaren-booven met de benden van haar Prinslijkken Broeder Artaxerxes op het sterxte gevoegt, de kroon en scepter van Macedonien door haar te moogen erlangen. En on- [fol. *3v] getwijfftelt soude Perdikkas, op het verstooten van Roxane, alsdan sijn rijkkelijk minne-wit hebben getroffen, ingevalle Statira hadde kunnen, of, ten opsichte van haare liefde tot Oroondate, met reine gewisse sijne liefde hadde moogen erkennen, de welke haar geen hoope beneemen liet van met haare gedachten tot de besittinge van haaren Oroondate, Prins van Scythië, minne-moedig te keeren. Maar nademaal geen saak ter weereld soo aanmerklijk was, die Oroondate en Statira van den anderen soude hebben kunnen afscheuren, ofte beletten, dat sy haare diensten, tot den laatsten druppel bloeds toe, elkander in het minnen niet besteeden souden, soo was het ydel, hoe Perdikkas op Statiraas boesem stormde, en Roxane met haar blixem Oroondate vervaarde; tot soo verre, dat hy met het dreigen van Oroondates dood haar geens-weegs versette, als sijnde sy meerder vernoegt Oroondate om haar te sien sterven, als haar voor Perdikkas te moeten sien leeven; even alleens als Roxane, met geen minder minne-drift ontsteekken tegen Oroondate, voornam met het dooden van haar meedeminster Statira, soo tegen Oroondate, als over Perdikkas, haar selven brus- [fol. *4r] kelijk te wreekken. Deese staat- en minnescheuring verachterde het beloop van Macedonië soo seer, dat yder dag voor Babylon de jongste scheen. Wordende ook eindelijk de Persianen vermeestert, en door verscheide bedenklijkke tusschen-vallen Roxane, tot wanhoopens toe, gevangen, Statira door den eerstgevangenen Oroondate, met bystand van den Prince Artaxerxes en andre buiten-Perssen, uit haar gevangen Hof verlost, en gelukkig aan den ander gehuwt. Doende haar ten lande uitseggen, ende hem sneuvelen, die sijn gesag soo on-weerdelijk hadde misbruikt, ende sulks (ten einde der gooden rechtveerdigheid blijkke) self door de handen van dien vyand, dien hy weinig oogen-blikken te voor soo wreedelijk hadde willen vermoorden. Dus worden de luister-rijkke hoedanigheeden door ongeregelde hartstochten verdonkkert, en de eer van veel voorgaande daaden, door de verfoeilijkke laatste leevens werkken, in een verfoeilijkke schand-nacht versmoort.
    In de bespiegeling van deese weerelds voorbeelden, als ook in de verhandeling van deese byna weêrgaaloose voorvallen, hebben sich dierhalven twee Fransce Heeren, niet [fol. *4v] van de dofste geesten, weeten te verlustigen, tot soo wijd, dat de eene deese doorluchtige Personagien in een onverbeeterlijkke Proos stijl onder de algemeene tittel van Kassandre (de by-naming van Statira) en de andere in klinkkende rijm-reegelen, het Huwlijk van Oroondate en Statira, door de weereld heeft weeten te verbreiden. Ik, die Themis, als Meestres, en de Poësie, als haar Staat-Juffer, eer, heb my selven lang aangeprikkelt, om op dat voorwerp te versoekken, of misschien uit de erbarmlijkke geringheid van ’t geen ik maar kan, niet soude kunnen afgenoomen worden de overmaatige grootheid van ’t geen ik wel soude willen, ingevalle ik oit, ten tijde van Rechts-pleegingen, hier ter steede, de rijm-veder ter handen nam; dewelke voor mijn dagelijxe Rechts-oeffening wijkkende, noit, dan by Rechts-stilstand en land-leevende leedigheid Beemster-waards, tot de Dichtkonst versneeden word. Gelijk ik dan aan d’eene zijde my verrukt vond door het voorbeeld der Wis-konstenaaren, dewelke bree de rivieren door smalle streepen, en aansienlijkke Steeden door bynaa onsienlijkke stipjes weeten te verbeelden, soo sag ik aan [fol. *5r] d’andre sijde weêr tegen de soodanige aan, de welke, schoon van verwrongen verstand, vol onvermoogen, en meer aan het haatelijkke grond-sop van mis-preese eigen-liefde, als lof-rijkke volmaaktheid verankkert leggende, door een vergalde laat-dunkkentheid geen (self onbesprookke) schorsse goed keuren, als waar toe sy de oorspongklijkke, of, ten minsten, de voltoyende stoffe, op het schoonste, soo sy waanen, meesterlijk aangereikt hebben. Evenwel, ongekreukt alle buitenspoorige achter-rugse snaawery, meer op inbeelding, als oordeel, gegrond, heeft het lot-besluit van die uitsteekkende Kassandra, tot den aanvang van dit hun Persiaans Huwelijk mijn herssens soo meede deur-tintelt, dat ik soude vreesen verkracht te hebben de grootachting, die uw Wel-Ed. Gestrd. van deese gesolde lievelingen heeft, en de sonderlinge vernoeging, die uw Wel-Ed. Gestrd. in ’t leesen van hunne voor- en tegen-spoeden gevoelt; buiten en behalven, dat de verplichtingen, die my door uw Wel-Ed. Gestrd. daagelijx overkomen, niet toelaaten Uw Wel-Ed. Gestrds, begeeren, om deese uitheemsche leevens beelden ten tooneele alhier te sien voe- [fol. *5v] ren, verachtelijk te verwaarloosen, onder wiens gehoorsaamheid ik in tegendeel mijne sinlijkheid bepaal: veroorloovende my daar toe te meer, wijl uw Wel-Ed. Gestrd. door het lodderlijk geweld van geleerde dichtkonst, sich self soo soetelijk weet te bemachtigen, dat al de weereld moet erkennen de grondige kennisse, die uw Wel-Ed. Gestrd. van der maat-klankken prijs en weerdigheid, tot verwondrens toe, is hebbende. De natuur heeft ook nimmer met loflijkke verstanden en yverige weetgieren soo averechts gehandelt, dat een man op trappen van achtbaarheid, of geheel ten kruin-punt van aardsche glori gestelt sijnde, niet op meer als op eene kunst of weetenschap teevens soude kunnen of moogen verslingert weesen. Dusdanige ommegang met die heemelsche Sang-godinnen weet alle schrandere vernuften de bekoorlijkke geneegentheid tot haar gerijmde geheimenissen in te scherpen, waar door de weerdigheid van verheeve Rijm-schriften komt te gelden, wijl men altijd op klink-klaare weetenschappen moet uit sijn, die andere kennissen ten cieraade strekken.
    Uw Wel-Ed. Gestrd. gewaardige dan deese [fol. *6r] buiten Europische Personaagien met onder sijn Wel-Ed. Gestrds. bescherming te ontfangen, en haare, na het Fransce rijm en on-rijm, verplooide en geschaafde tong te hooren Nederduits geluid slaan, met een sulken genoegen,waar het moogelijk, als wel die Koningklijkke Guldemond van de Sweedse Christina van die haare leevendige verrukkingen, vervoerde wanhoopen, geweldige staat-sucht, driftige minnend’yver, en van soo een gewichtige saak als de Liefde is, voor weinig jaaren getuigt heeft, welkers Hoog-geboore siel, soo vol ongemeene gaaven, door hunne werkkingen niet alleen scheen verrukt te worden, maar vol rijkke bedenkkingen ten bovensten Liefde-heemel op te vaaren. Doch wat kracht dit voorwerp, van onder mijn handen in druk uitkoomende, op uw Wel-Ed.Gestrds. gemoed sal weeten te verwinnen, versocht ik wel uit uw Wel-Ed. Gestrds. onpartijdig oordeel te moogen verstaan, in gevalle ik my met iets aardigs daar inne vleide, of met een verwachting van uw Wel-Ed. Gestrds. voldaane nieusgierigheid tot een noitvolpreese dicht-kunde, reukloos kittelde. Dit Tooneelstuk dan, soo ’t is, vervalt onder de rijkke luister van Uw [fol. *6v] Wel-Ed. Gestrds. Naams-opschrift, om al de weereldt te doen be-oogen de on-eindige ver banden, die uw Wel-Ed-Gestrd. op my heeft, dewelke ik, onvermoogende sijnde te kunnen uitdrukken, ook on-moogelijk door eenige middelen weet te vergelden. De innerlijkke belijdenis daar van geeft my de hoope van Uw Wel-Ed. Gestrd. niet te sullen mishagen, Uw Wel-Ed. Gestrd. dankbaarlijk te eeren, hoewel het Uw Wel-Ed. Gestrd. mishaagen mochte, dat ik mijn schuldige dankbaarheid onder deese gedaante poogde te uitten, en mijn eewige plicht van dankbaarheid mits deese geringheid te quyten. Maar soo swak, als de veder van mijn hand, en de geest van mijn spraak-lit is, soo sterk is de geneegentheid in mijn hart, om Uw Wel-Ed. Gestrd. van mijne plicht-diensten te verseekkeren, in welkers uitwerkking alleen ik mijn grootst gebrek bespeure. Eindigende dan in mijn toevlucht tot Uw Wel-Ed. Gestrds. on-eindige goedertierentheid, en ongeblankkette-geneegentheid te mywaarts, bid ik den Heemel, dat hy deselve in lange bloeisaamheid doe bestaan, op dat Uw Wel-Ed.Gestrd.en desselfs waarde Gemalinne, en geheel roem-ruchtig Stamhuis, on- [fol. *7r] der haare gesegende welvaart, my vereerende met haare gebooden, uit mijn gehoorsaamheid die ik om deselve te voldoen gevoele, overtuigt moogen worden te gelooven, dat ik daar mijn hoogst-geluk in stel, dat Uw Wel Ed. Gestrds. my, in gevolge van deese mijne teekkening, gelieft te erkennen, onveranderlijk te sijn

            Wel-Edele Gestrenge Heer,

                        Uw Wel-Ed. Gestrds.

                                    onderdanige en plichtschuldige dienaar

                                                JOAN BLASIUS.



[fol. *7v]

Aen den hoog-geleerden Heer,

mijn seer goeden Vriend,

Mr. JOAN BLASIUS,

Advokaat voor den Edelen Gerechte
der Stad Amsterdam;

op zijn Eds. Bly-eindend Treurspel

VAN HET HUWELYK

van

OROONDATE en STATIRA.

DE Liefd’ en Staat-sucht, twee van d’allerswaarste driften
    Die in de weereld oit van iemand sijn gebroeit,
    En, daar die gaan te hoog, wel dienden uitgeroeit,
Eer ’t ingewand den Staat door tweedragt komt te schiften;


(5) Die statelijkke stof van deese Rijx-vergiften
    Bemin ik, om uw Pen, die sich daar meê bemoeit,
    Diens Int, als Venus bloed, van Liefde-brand so gloeit,
Dat ik die braave trant van uw gerijmde schriften


[fol. *8r]
    Meer acht, en liever lees, als ’t geen een ander dicht.
    (10) Uw dichten ( dit ’s mijn lest) recht dichten is, daar ’t licht
Van dicht en on-dicht Frans klaar uitblinkt; daar Kassandre

    Na ’t leeven, tot haar selfs verwondring, afgebeeld
    Op ’t Amsterdams Tooneel ten voorbeeld word gespeelt
Van Staatsucht, Wanhoop, Wraak, Haat, Min en Trouw voor andre.


Op Okkenburg, den
4 Februarii, 1670.
                                        J. WESTERBAEN.



[fol. *8v]

VERTOONERS.

Roxane, swangre Wedue van Alexander, Koning van Macedonië.
Statira, Wedue van Alexander, Koning van Macedonië.
Perdikkas, Na-volger van Alexander in Babylon.
Kassander, Na-volger van Alexander in Asië.
Seleukus, Na-volger van Alexander in Syrië.
Oroondate, Prins van Scythië.
Artaxerxes, Prins van Persië.
Hesionne, vertrowde van Roxane.
Arbate, vertrowling van Roxane.
Araxes, Kamerling van Artaxerxes.
Mandane, Staat Juffer van Statira.
Lijfwacht van Roxane.
STOMME.
Edel-luiden van Macedonië, Persië en Scythië.
Lijfwacht en Gevolg van Roxane, Perdikkas, Kassander,
Seleukus, Oroondate en Artaxerxes.
Het Tooneel is om en in de Stad en ’t Hof
van Babylon.
Continue
[
p. 1]

Het Huwelijk van

OROONDATE

EN

STATIRA.

EERSTE HANDELING.

EERSTE TOONEEL.

Roxane. Hesionne. Lijfwacht.

Rox. MEn sterve Hesionn’!
Hes.                                       O neen Mevrow, men leeve!
Rox. Aan hoe veel dwingers heeft mijn Siel haar opgegeeve!
    Vol wanhoop worstelt sy met Staat-sucht, Wraak en Liefd’.
    Drie beulen, waar van elk mijn siel by beurten grieft.
    (5) Hoor! hoor! de muuren van ons Babilon begeeven:
    Wiens dapper schudden doet mijn dappre Rijx-troon beeven;
    Die troon, daar ik mijn macht deê buigen onder my,
    Verkeert nu door een slag, die ik, meê-vallend’, ly.
Hes. De gooden sullen voor die neêrlaag u behoeden.
Rox. (10) Ik moet vry alles van een vyands heir vermoeden.
    Lysimachus beklimt stads-wallen aan dees kant,
    En Artaxerxes daar sijn krijgsbanieren plant,
    Wijl Oroondaate, wreed inbreekend langs de dijkken,
    Bereid een yslijk graf aan neêrgevelde lijkken.
    (15) My dunkt, dat ik hem daar noch rooken sie van bloed.
    ,, Hoor! monster, seit hy, die soo siel vergeeten woed,
    ,, De heemel, die ’t gebed eens Koningins verhoorde,
    ,, Send op uw misdaan my, om u te moogen moorde’,
[p. 2]
    ,, Doch, lust u ’t leeven? bid genaade, en met een
    (20) ,, Geef my mijn Statira weêrom, soo is ’t verbeên.
    Neen, Oroondaat’ uw trots en vriendschap ik versmaade
    Noch ik begeer van u noch straffe, noch genaade.
    Mijn teere kracht van deugd gehandhaaft door de eer,
    Bevestigt mijn geluk in sulk geval te meer;
    (25) En soo ik Oroondaat door haare hulp beleese,
    Soo sal mijn siel aan haar begeertens dankbaar weese’.
    Wat smaatheid dan uw wraak my doen gevoelen wow,
    Soo sondig ik doch voort, en voel geen naberow.
    Wen dan mijn boosheên aan elkander voedsel geeven,
    (30) Sterf ik in misdaân, wijl ik wil in misdaân leeven.



TWEEDE TOONEEL.

Roxane. Hesionne. Arbate. Lijfwacht.

Arb. PRinsces, Prins Oroondaat...
Rox.                                                 Die naam my siddren doet.
    Die zeege-praalt? hoe sijn mijn vyanden gemoed?
    Sijns’ in de stad al?
Arb.                            Neen Mevrow, sy sijn geslaagen.
Rox. In ’t midden van veel schrik komt gy mijn siel behaagen.
    (35) Maar nu, Prins Oroondaat?...
Arb.                                                   Is in uw magt.
Rox.                                                                         Is die
    Gevangen?
Arb.               Lust Mevrow hem hier te sien?
Rox.                                                                 Aan wie
    Ben ik voor hem verschuld? aan gooden, of gebeeden?
Arb. Ik ga de helft voorby van ’t geen uw wapens deeden.
    Uw vyand naakte pas de Babilonse wal,
    (40) Of voelde schicht op schicht, dien sterken overval
    Van onse pijlen sy een ruimen tijd verdroegen:
    Maar siend’ hun dapper om een vryen deurtocht swoegen,
    En met rams-koppen die beleegring by te staan,
    (Wijl d’Opperhoofden vast de poorten randen aan,
[p. 3]
    (45) Of met hun ladder-werk de muuren stout besprongen,
    En yvrig na de zeeg met bei haar vleugels dongen)
    Soo sijn sy afgeweert, gelijk sy aanval deên.
    Ons wallen sijn bedekt met duisend doode leên.
    De godlijk’ Oroondaat deê onse krijgs-troep vreesen,
    (50) Door ’t dondren van sijn stem: voor sijn manhaftig weesen
    Ontsette sich uw heir, doch wijl sijn macht verging,
    Rees elk ten doodslaap uit en keurden hem gering.
    In ’t einde, die d’er eerst verschrikten voor sijn blikken,
    Hem siende hulpeloos, weêr scheenen te verquikken,
    (55) En daadlijk word hy van uw leger aangerand.
Rox. Ei! al te lang vertoeft. In ’t kort, hy wierd vermand?
Arb. Door grooten toeval heeft sijn kracht een krak gekreegen.
Rox. Wat toeval?
Arb.                     Dat hy brak by ongeluk sijn deegen;
    En met dat endje staal, dat bloedig by hem bleef,
    (60) Bedreef hy daaden, die geen mensch voor hem bedreef.
    Vol wanhoop scheen hy noch verschriklijk aan ons allen.
    Maar voelende sich van uw drommen overvallen,
    Was ’t ydel, dat hy sich daar teegen stijven deê.
    Dus over-rompelt voert men hem gevangen meê,
    (65) En hoe vermant hy is, noch loopt hem ’t volk ter sijden,
    Verwondert over hem, en sijn onmenschlijk strijden.
    My siende, keert sijn oog, grammoedig, voor het mijn,
    Uit waan dat mijn gesicht onwaardig was het sijn.
    Ik vraag, hoovaardig op een sulke buit, de benden,
    (70) Waar dat hun last is, hem te houden of te senden?
    Elk na Perdikkas seit.
Rox.                                Dat men hem breng by my.
    Ga en besweer hun.
Arb.                             Daar bad ik hun om. Waar by
    Ik hun voort ried te gaan by u, als Koninginne.
    In ’t kort op sijn begeer brengt hem Neander binne.
    (75) Hy sal hier daadlijk sijn. Wilt gy hem sien? gebied.
    Spreekt, wilt gy?
Rox.                        Ia, ik wil, en heb de kracht doch niet.
[p. 4]
    Dat men hem koomen doe. neen.ja. neen. blijf ter zije.
    Helaas! mijn wil bootst na een ongedwonge, vrye,
    Weêrspannige slavin. Vorstin van korten stond,
    (80) Voeg d’handvest uwer macht by ’t keurboek van uw mond,
    En geevende een proef van uw almoogentheeden,
    Versterkt u needrig om uw meededoogentheeden.
    Neen, neen. mijn wil en heerst niet over my, verset
    My voor te houden sulk een krachteloose wet,
    (85) En u weêrgeevend aan de plicht van een slavinne,
    Laat ons gehoorsaam sijn den dwinger onser sinne.
    Men laat my noch niet sien dien winnaar, die nu viel.
    Ei! wacht wat tot ik u verseeker van mijn siel.
    Arbate deese last word u alleen gegeeven.
    (90) Ga, met de helfte van mijn wachten en mijn leeven;
    En breng Prins Oroondaat in ’t groot vertrek in ’t kort.
Arb. Ik ga, voldoende ’t geen door u gebooden word.
Rox. Arbate, dat men hem, gelijk als my, ontfange.
    Onthow de last, die ’k geef, en let op yders gange’.
    (95) Verbie voor eerst aan elk, self aan Perdikkas meê,
    Dien Prins t’onthaalen.
Arb.                                  ’k Doe, wat uw begeerte deê.
                                                            Arb. binnen.



DERDE TOONEEL.
Roxane. Hesionne. Lijfwacht.

Rox. WEl mijn vertrowde, wel, saagt gy mijn krankke bresse?
    Ik ben, soo ’k sie, van mijn hartstochten geen meestresse.
    Ik, vol ontsach, vercier voorbeelden, doch van niet.
    (100) ’k Heb ondersaaten, en ik heersch, en ik gebied.
    Dat onbepaalde recht van onse kroongelukken,
    ’t Welk in een ander werkt, voel ik in my verdrukken.
Hes. Mevrow, Perdikkas komt.
Rox.                                          Wat is sijn komst? Waarom?



[p. 5]

VIERDE TOONEEL.

Roxane. Hesionne. Perdikkas. Lijfwacht.

Perd. DE saak is twijffeloos, die ik u melden kom.
    (105) Met het geval, dat ons de hemel doet genaakken,
    Toont hy, wat aandeel hy besit in onse saakken.
    Men deê uw vyanden verwinnen in hun keer,
    Die eenen dag alleen zeegvierden, en niet meer.
Rox. Gy segt my niet van mijn gevangen Oroondate.
Perd. (110) Prins Oroondaat is hier.
Rox.                                                 Soo hoord’ ik uit Arbate.
Perd. Die Prins gevangen is.
Rox.                                      Dat meer is, hy is mijn
    Gevangen. Elk van ons beschermen moet het sijn.
    Met een gelijkke stof komt ons ’t gevaar vereeren.
    ’k Heb niet van u op uw gevangen te begeeren,
    (115) Maar ’t recht moet sijn gelijk, voor ’t geen de saak ons raakt.
    By die uw makker word mijn macht gelijk gemaakt,
    Aan die ’k u onlangs op mijn makkers heb gegeeven.
Perd. Van een voldoende siel word ik tot u gedreeven.
Rox. ’k Verbied u hem te sien. ’t Voegt geen kloekmoedig hart,
    (120) Datmen d’onlukkige verwijt doe van hun smart:
    Licht g’u te buiten gingt, by een, dien ik beminne.
    Hy is uw medgesel.
Perd.                          Schoon ik my sou verwinne,
    Soo volg ik niettemin ’t geen uw besluit my leert,
    En sal Vorst Oroondaat niet sien eer gy ’t begeert.
    (125) Voorts deê uw vyand ons sijn moedigheid gelooven.
    De gift, die hy ons deê, gaat alle dank te booven.
    Hy schonk Seleukus, dien manhaften held, ons weêr.
Rox. Is hy in Babilon?
Perd.                           Ja, met Nearch; hy d’eer
    Van u te spreekken soekt.
Rox.                                     Wat heeft hy my te seggen?
Perd. (130) Sijn raadslag diend u, om uw Rijx-grond vast te leggen,
[p. 6]
    Indien hy u iet raad, ik raad u, volg het in.
Rox. Men toon hem dan, hoe seer dat ik sijn weêrkomst min.
Perd. Sie daar Kassander met Seleukus al voor handen.



VYFDE TOONEEL.

Roxane. Hesionne. Perdikkas. Kasander. Seleukus. Araxes. Lijfwacht van Roxane, en Krijgsgevolg van Seleukus, met Dienaars van Perdikkas, en Kasander.

Rox. JAwel, Seleukus, gy ontknoopte dan uw banden?
    Seleuk. (135) Mevrow, ik ben verlost en dank den vyand.
Rox. Gy weet d’onmacht, daar ons ’t lot instorten deê; schoon wy
    U wensten weêr te sien, heeft wenschen ons bedroogen.
Sel. ’t Is waar, al wat men wenst, beteekkent onvermoogen.
    De wenschen, daar gy u meê paaide, wijl het Oost
    (140) My in den kerkker hield, my baarden weinig troost.
    Heel anders heb ik u mijn diensten voorgeschreeven.
    Ik dien u daaglijx en stel in ’t gevaar mijn leeven.
    ’k Heb in den laatsten slag mijn bloed geplengt voor u.
Rox. Hoe! van weldoender gy ondankbaar word. Hoe nu?
    (145) Mijn wensch verachtend met mijn achting ’t onderdelven,
    Laad gy de schande van mijn misdaad op u selven.
    ’t Verwijt maakt weldaad kleen, en ’t weldoen rugwaarts gaan
Sel. ’k Heb reeden dat ik klaag van niet te sijn voldaan.
Rox. Men moet u dan voldoen, Seleukus, voor uw plichte.
    (150) Wat is uw eisch?
Sel.                                   Dat is een stuk van swaar gewichte.
Rox. Elk neem dan sitplaats, en elk luister toe, wat hy
    En wat de vyand eist, dien hy stelt boven my.
                                Roxane op haar troon en yder daar neven, op stoelen.
Sel. Ik eisch Prins Oroondaat, en daarom quam ik binne.
    Kassander, en gy Heer, beweegt de Koninginne.
    (155) Gy Prinscen bei verbaast? word dus mijn dienst voldaan?
    Geveinsde! sy, wiens hart door ’t veinsen word verraân
[p. 7]
Rox. Seleukus, al te wreed!
Kass.                                   Seleukus te voltrekken!
Perd. Seleukus te barbaars!
Sel.                                      Elk komt sich dan ontdekken?
    Hoe moet ik u besien Perdikkas? wat vermoên?
Perd. (160) En gy Seleukus, en wat eisch durft gy hier doen?
Sel. Ik eisch Prins Oroondaat.
Perd.                                       Wel aan, men sal hem geeven.
    Mevrow, gedoog dit.
Rox.                              Ah! wat kom ik te beleeven!
    Perdikkas raad gy dit ten smaat van kroon en staf?
Perd. Voor ’t geen hy my betreft, sta ik hem willig af.
    (165) Kassander, wilt uw stem, by ’t geen ik toestem, voegen.
    Men gun aan onsen vriend dat, meer als wreed, vernoegen:
    En als hy voelt, hoe bloot dat onse vriendschap leit,
    Verg hem dan ’t overschot van sijn barmhartigheid.
Rox. Uw deugd, gy Heeren, sy in andre stof gequeeten.
    (170) Niet dus. Sijt mild van die uw Hof-gevangens heeten.
    Elk bondgenoote Prins weêreist ook Statira.
Perd. Eer dat word toegestaan, eer sterft Perdikkas. Ja!
Rox. Eer ik Prins Oroondaat weêr uytlaat van hier binne,
    Eer sterft Roxane. Ja!
Sel.                                 Ondankbre Koninginne!
    (175) Kassander al te flaaw! Perdikkas al te loos.
Kass. Uw eisch Prins, is een stuk onduldelijk en boos.
    En soo g’ uw vryheid kreegt met Oroondaat te wisselen,
    Soo eist gy ons een saak, die wy met recht bedisselen.
Rox. Perdikkas help my als Kassander; ’t is uw plicht.
Sel. (180) Van sulke raadslui word een raad na wensch verricht.
    Ha! wreede makkers van verwijfde rasernyen.
    Perdikkas te geveinst! sy kan uw siel bestryen;
    Sy heeft uw inborst al ten gronde toe beheert.
    Een en het felve lot uw harten bey regeert.
tegen Kass. (185) En gy, gy kent u self.
Perd.                                                      Uw misslag is te vaardig.
[p. 8]
    Ik heb voor u gedaan het geen gy sijt onwaardig.
Sel. Aan uw geringe raad wraak ik te sijn verschuld.
    Van uws gelijkke word geen trow by my geduld.
    De vriendschap tusschen ons acht ik geheel verlooren,
    (190) Weêrgeevend u de gunst, die gy my had geswooren,
    Waar aan ik, u ten spijt, niet eens te denkken kom.
Perd. Als een verslenste gift ontfang ik die weêrom;
    Die al voor langen tijd geweest is aan ’t versterven,
    En by mijn vyanden door u quam aan ’t bederven.
    (195) Een gift van sulk een prijs verwaarloos ik nooit meer.
Sel. Hoe seer ik die misacht ik by mijn sabel sweer,
    Soo dra uw vriendschap komt in iemands siel te kruipen,
    Soo sietmer t’evens iet oneerlijx ook insluipen.
Perd. Seleukus, ’t is te hoog.
Sel.                                       Neen! noch niet hoog genoech.
    (200) Ik sal mijn wraak voldoen.
Kass.                                               Hoe! dreigt gy ons?
Sel.                                                                                 Te vroeg
    Vreest gy, Kasander.
Kass.                            Hoe! voor uws gelijkke vreesen?
Sel. Ja, mijns gelijk by u ontsaglijk plach te weesen,
    Daar uws gelijke my nooit maakt een bange kans.
    Gy beid vast na uw dood in d’omkring uwer schans,
    (205) Terwijl ik die al soek in ’t midden van de keeten.
    Gy die my eer verliet en thans my hebt vergeeten,
    Met wien doch maakte gy mijn ongeluk gemeen?
Kass. Met een, die in waardy een Alexander scheen.
Sel. Gy, noch Perdikkas hebt niet dan het blood begeeren.
    (210) Die luister- rijkke naam is booven uw braveeren.
Perd. Ontsiet gy d’oogen niet die ons beschouwen?
Sel.                                                                            Neen.
    De schijn, van dat gy haar behaagt, stelt u te vreên.
Rox. Gy hebt den aard van die ons haaten ingenoomen.
    Ga, soo gy wenst weêr by ons vyanden te koomen.
Sel. (215) Wel, sie my dan noch doen, al ’t geen ik heb geseyt:
    En soo gy Oroondaat niet stelt in vryigheid.....
[p. 9]
Rox. Ons vyand kittelt sich vergeefs met Oroondate.
    Dien doch de vyand weet, dat wy van hier niet laate:
    Dies sal uw keer tot haar ons aangenaamer sijn,
    (220) Als dat ik Oroondaat sou afstaan, die is mijn.
    Gy moogt dan, als voorheen, in slaverny vry keeren.
Sel. Die viel noit hart voor my noch schandig. Op ’t begeeren
    Val ik uw vyand toe, verselt met meenig held.
    Het sal u rouwen, dat gy my ten spot soo steld.
    (225) Araxes, krijgsmacht, volgt.                 Arax. Sel. en Soldaten binn.



SESDE TOONEEL.
Roxane. Hesionne. Perdikkas. Kassander. Lijfwacht, en Dienaars.

Rox.         DIe kans diend waargenoomen.
    Hy loopt gevaar, van met de sijne om te koomen.
    Wy doen ons Rijk te kort, soo men hem woeden laat.
Perd. Broer Alcetas sal hem flus spreekken van uw staat.
Kass. Wierd gy ons dienst gewaar?
Rox.                                             Schoon ik die klaar beschowde,
    (230) Soo poogd ik echter my, al siende, blind te houde.
Perd. Ik wil u dienen, spijt die ik tot vyand vin.
                                                    Alle binnen behalven Rox. en Kass.



SEVENDE TOONEEL.

Roxane. Kasander.

Kass. ONs starkke eendracht heeft een werk vol wonder in.
    Ons eigen voordeel gaat om u, Mevrow, verlooren.
Rox. Een diergelijkke taal doet gy my daaglijx hooren.
Kass. (235) De reeden spruit uit het gestaadig onderhoud.
    Dus koestert liefde ’t brein, dat d’oorlog licht verkout.
    Uw brein is krank, of wel ondankbaar booven maate,
    Dat gy soud veinsen, dat het herbergt Oroondate.
    Hy wil geen plaats daarin, schoon gy hem daar besluit.
[p. 10]
    (240) My, die daar ingang soek, band gy onweerdig uit.
    Kassander te veracht! Gelukkig’ Oroondate!
    Met vreugd het vleyen van uw makkers neem te bate.
    Meng in uw blijschap, Prins, een kruimtje van mijn druk.
    Aanvaard mijn ongeluk, en schenk my uw geluk.
    (245) En door die wisselling vol eigenschap, en wonder,
    Soo maakken wy elkaâr gelukkig in ’t bysonder.
    Een en deselve tijd twee vrienden smelt in een,
    En stelt twee minnaars, die rampsalig sijn, te vreên.
    Wat klaag ik dappre Vorst? wat sijn ons ongelukken?
    (250) ’t Is d’een noch d’anders macht die rampspoên ’t onderdrukken,
    Wiens overlast u met soo strenge seelen gord,
    Dat, uit te groot geluk, gy ongelukkig word.
    Gy kunt twee makkers, die beklaaglijk sijn, geneesen,
    En twee geduldig in ellendigheid doen weesen.
    (255) Wegneemend het geheim, waar in gy u verhard,
    Maakt gy twee minnaars bei gelukkig in hun smart.
Rox. So gy mijn ongunst soekt, en wilt mijn gunst uitroeyen,
    Door eeuwig’ ongeneucht, soo moogt gy u vermoeyen;
    Soo gy mijn gunst dan mint, soo toon ik u die meer,
    (260) Doch soo gy haat mijn gunst, schiet ik mijn blixem neêr.
Kass. Vorhard Mevrouw dan in halstarrig wreed te weesen?
    Uw onbeleeftheid is die nimmer te beleesen?
    Waarom of gy, Mevrow, onwaardig my veracht?
    Vind gy gebreeken in mijn adelijk geslacht?
    (265) Veracht mijn afkomst niet, gesprooten uit de Vorsten.
    Ik voel mijn bloed ook na gewyde scepters dorsten.
    Schoon gy als echte weew eens Konings sijt gedost,
    Soo sijt gy echter maar de dochter van een Drost:
    Gy erft geen hooger staat, schoon gy behuwt een ander.
    (270) Of soekt Mevrow voor haar een tweeden Alexander?
    De eerste mensch sach geen gelijkke na-mensch an:
    Doch soo hy makkers na sijn dood ontfangen kan,
    Soo ben ik, vol ontsach, by sijn nakomelingen,
    En derf in hoogheid na gelijkke rijx-troon dingen.
[p. 11]
    (275) Jupijn, voor wien het rond autaaren, en veel meer,
    Heeft opgerecht, ontfangt van’t menschdom minder eer,
    Als gy van my geniet door mins-afgoderyen.
    Met minder yver komt de wereld hem bestryen,
    Als al uw minnaars, die benijders van mijn’ eer,
    (280) My sien geboogen voor uw heilige voeten neêr.
    Ik schei niet van Mevrow, eer ik in u sie koomen
    ’t Meedoogen, dat gy met uw minnaar hebt genoomen,
    En dat gy met uw wil soo veel verandren meugt,
    In ’t schenkken van uw gunst, als ik aanbid uw deugd.
Rox. (285) Ga onverstandig Prins, min elders, en min wijslijk.
    Weet dat gy voor mijn oog, Kassander, sijt afgrijslijk.
    Gy my behaagen wilt met bressen van uw borst,
    Daar ik u sie met bloed van mijn Gemaal bemorst.
    Als gy gesuivert sijt van ’t Lijk van Alexander,
    (290) Dan sal ik moogen sien en hooren u Kassander,
    Inmiddels ly, dat ik u uit mijn oogen ban,
    Als leelijxte van al en haatelijxte man.                 Rox. binnen.



ACHTSTE TOONEEL.

Kassander alleen.

ONtrouwe, die te min uw echtgenoot beminde,
    Om oorsaak tot mijn haat in sijne dood te vinde.
    (295) Soo dan uw achterdocht mijn liefde haaten moet,
    Soo vind gy my beklad met veel manhafter bloed.
    Welk droevig voorwerp u soo vol gevoel sal maakken,
    Dat ik afgrijselijk voor uw gesicht mag raakken.
    Prins, meedeminnaar, gy sult sterven. ’k soek uw dood.
    (300) Mijn wanhoop sta my by, en laat my niet in nood.
Continue
[
p. 12]

TWEEDE HANDELING.

EERSTE* TOONEEL.

Hesionne. Oroondate. Arbate.

Oroon. MAar, werwaarts leit gy my Arbat’ en Hesionne?
Hes. Tot hier Prins
Oroon.             Hier in ’t Hof van Babylon? de Sonne
    Schijnt my onaangenaam met al dit preuts gewelf.
    Een haatig schowspel word ik aan mijn eigen self.
    (305) Uw bysijn my behaagt, maar tergt my ook. Gaat binne.
Hes. Verbei’t besoek dan van Mevrow de Koninginne.
                                                        Arb. en Hes. binnen.
Oroond. Sy sal ook deelen in ’t mishaagen aan mijn oog.



    TWEEDE TOONEEL.

Oroondate alleen.
NIet als de schrik alleen woont onder deese boog.
    Mijn tegenspoed schijnt hier in deese plaats te woonen,
    (310) Daar duisend booden my in eene uur vertoonen
    De gruwlen, die sy op Roxanes oogwenk deên,
    Waarom elk loon eist van gepleegde godloosheên.
    Maar schoon mijn brein van die booswichten word bestreeden,
    Soo stel ik, Statira, u doch soo niet te vreeden.
    (315) Konmen my scheiden in een ogenblik van u?
    Konmen my rukken van sulk tijdverdrijf? wel nu
    Mijn siel, weêrkeer dan tot dat lieflijk beeld, vermeeten,
    Waarmee gy u bevind soo minnelijk beseeten.
    Afbeeldsel, dat mijn geest na ’t leeven soo bedenkt,
    (320) Waar in de peins-konst sulk een eedle siele schenkt,
    Kom hersens afgodes, kom scheem’ren in mijn oogen,
    Die streeken, die ik u schonk met gelijk vermoogen.
    Beeld van mijn liefde, doch een on-nabootslijk beeld,
    Vergeld mijn oogdienst, daar mijn oog u heeft geteelt.
[p. 13]
    (325) Gedachten, die by my soo godlijk sijt en schrander,
    Jaagt van my weg Roxaan’, Perdikkas en Kassander,
    En van al ’t beeld-werk, dat ik aanschow, voor of na,
    Bewaar voor my alleen ’t beeld van mijn Statira.



DERDE TOONEEL.

Kasander, met een sabel in de vuist, en Soldaaten, Oroondate.

Kass. KRijgsmannen komt niet in, wilt aan de deur my wachte’.
Oroond. (330) Hoe schelm! ben ik ’t, waartoe de raserny u brachte.
    Uw ongestadig hart, uw treeden al te licht,
    Uw sidderende hand, en uw verdraait gesicht,
    De reeden uwer komst my klaar genoeg ontvouwen.
Kass. Ik kan mijn hand, die na uw dood dorst, niet weêrhouwen.
    (335) Mijn haat begeert uw dood, die u geschonken ward.
Oroond. Behaagt gy bloodaart dus de driften van uw hart?
    Siel, die van jongs af in een bloedbad schiep behaagen!
Kass. Verwonderlijk ontsach, waar meed’ ik word geslaagen!
    Mijn hart een knaging voelt, die ’t nimmer heeft gesmaakt.
Oroond. (340) ’t Is, wijl uw boosheid nu is in haar top geraakt.
    Maar uw geveinstheid van berow is my gebleeken,
    Die ik geen knaaging, maar een ydle vreese reeken.
Kass. Neen, ’t is meedoogentheid, die deesen arm ontstelt;
    Doch sie, nu daalt die, sterf dan onder mijn geweld.
                                        Dreigt hem te doorsabelen.



VIERDE TOONEEL.

Oroondate. Kassander. Roxane. Arbate.
Hesionne. Lijfwacht.

Rox. (345) LAat af barbaar! blijf onbeweeglijk! spaar sijn leeven.
    Kom voer uw aanslag uit op my, en doe my sneeven.
[p. 14]
    Hoe! deelt gy self u self? weet gy geen keur te biên.
    Uw doodlijk aansien doe ons uw begeerte sien.
    Maar in ’t uitvoeren liet uw moed u in gebreeken,
    (350) Dies dunkt my, hoor ik u al om genaade smeeken,
    En ’t vluchten van uw volk althans in onse hand,
    Vernietigt uw besluit tot uwer eigen schand.
Kass. Hier raak ik niet wel uit.             Kassander binnen.
Rox.                                     De bloodaart is aan ’t vluchten,
    En bergt sich voor sich self met naberow van suchten.
    (355) ’k Wil dat men hem vervolg.
Oroond.                                 Hy word vervolgt te seer.
    Sijn eigen knaaging heeft hem niet gestelt ter neêr.



VYFDE TOONEEL.

Roxane. Oroondate. Arbate. Lijfwacht.

Rox. WEl dan, mijn vyand? dus bescherm ik u het leeven.
Oroon. Na d’offer, die gy doet, geen afgunst hoeft te streeven.
    Ik yver om mijn dood, niet om mijn leeven.
Rox.                                             Spijt
    (360) Uw wanhoop, soo bescherm ik u doch.
Oroond.                                             Door die vlijt
    Van doodelijke dienst word ik ter dood bestreede’.
Rox. Ik dacht in dit gevaar, dat ik u vriendschap deede.
    Nu vat ik d’oorsaak, nu d’uitwerking u mishaagt.
Oroond. Die spruit uit een begin, dat onvolmaaktheid draagt,
    (365) En soomen ’t oogwit, dat men voorstelt, wil bejaagen,
    Soo sou ’t uitwerksel meer als d’oorsaak, my behaagen
Rox. Schoon gy een uitleg, die geheim is, hier in stelt,
    Soo word gy doch gekeurt voor een ondankbaar held.
Oroond. ’t Sijn saaken vol gevoel en schier als onverduldig,
    (370) Dat men, spijt eigen self, sich aan sich self vind schuldig,
    En die weldoenders doen min onlust aan ’t gemoed,
    Schoon men van hun ontfangt veel quaad en weinig goed.
[p. 15]
    Soo ’t quaad ook goeddoen is, soo hebt gy my verbonden.
    Uw mildheid alle daag my overlaad. De gronden,
    (375) Waar uit gy die vergiet soo meenigvoud en vroeg,
    My dikwils seggen deên, Mevrow het is genoeg.
Rox. Ondankbre wreedaard’, tot hoe ver word gy gedreeven?
Oroond. Om te voltoyen een vertelling van uw leeven.
    Die is altans noch heel in mijn gedachtenis.
    (380) Edoch ik weet niet, waar het end of aanvang is.
    Waar sijn uw konsten, die gy voormaals hebt geweeten?
    Hebt gy uw boosheên, die uitneemend sijn, vergeeten?
    En dat gy, doende eens mijn eerste min te niet,
    Soo veel ik daagen heb, my doet soo veel verdriet.
    (385) Gy wist schier niet de dood van uwen Alexander,
    Of schikten ylings tot uw bedgenoot, Kassander.
    En had geen valsche dood bedroogen uw gemoed,
    Dees gansche land-streek was door u geraakt in bloed.
Rox. ’t Verwijt van deese daad ik tot mijn voordeel lijde.
    (390) Gy moet die aansien op haar aangenaamste zijde.
    Dit heerlijk voorval heeft mijn liefde u ontdekt,
    En door soo grooten glans heb ik haar onbevlekt
    Ter toon gestelt, en in een yders oog doen blaaken.
Oroon. Was dat ’t geheim, om my gevoelig te doen maaken?
Rox. (395) Geef oordeel Prinsce van de grootheid mijner min.
    Bespiegel die in ’t glas van liefdens tegensin.
    Wat min doch hebt gy van die Statira genooten?
    Wat vruchten sijnd’er uit haar mins onthaal gesprooten?
    Voor my, al uw geval gaf my een moed en mond,
    (400) Toen ik, vol bressen, u in ’t harnas tegenstond.
Oroond. Schoon ik onnoosel ging in droeve ballingschappen,
    Schoon ik beschuldigt, en met valse achterklappen
    Belaaden wierd, als ik te Susa van haar ging;
    Toen sy uit dwang besloot tot mins verandering,
    (405) En dulde, dat voor my haar Alexander minde,
    Soo sal sy in mijn hart doch haar bescherming vinde.
    Uw boosheid was’t, waarmee haar boesem wierd belaan,
[p. 16]
    En u wijt ik het quaad, dat sy my heeft gedaan.
Rox. Hoe! sult gy niet dan doen voor my, als Koninginne,
    (410) Die gy met haat vergeld voor haar getrouwe minne?
    Denk dat het noodlot u heeft in een staat gebracht,
    Die, nevens my, u geeft twee vyanden van macht.
    En dat in dit gewoel, waar meê hun sielen stryen,
    Sy op u storten doen al haare jaloesijen.
    (415) Dien u dan van mijn macht, op dat elk voor u buk.
Oroond. Wijl ik gestort ben in tweevoudig ongeluk,
    Soo sal ik, onder welk ik sterf, gelijk verdraagen.
    Maar daar te lijden sou my meer, als hier, behaagen.
Rox. Wat lijdg’ ondankbre hier?
Oroond.                             Afgrijselijk geweld:
    (420) Wat geest en lichaam kan verdraagen. Als een held
    Ik in twee plaatsen ly. twee kettingen my binde.
    Ik duld mijn kerker, en de kerker mijns beminde.
    En wijl een dubble plaag my tans te beurte viel,
    Lijd ik twee beulen van twee plaatsen in een siel.
    (425) Een dubble plei komt my in uw gebied bestrijden.
Rox. Wat lijd gy onder my?
Oroond.                             Al wat een siel kan lijden.
    Mijn lijden is het haar, haar lijden is het mijn.
    Mijn onluk vonnist van het onluk haarer pijn.
    Perdikkas woed, als gy.
Rox.                         Gy krenkt my door ’t misachten.
    (430) Prins koester doch mijn min.
Oroond.                                 Wat voordeel met gedachten,
    Wat gunsten kunt gy my voor mijne liefde biên?
    Gunt gy my dan de vreugd van Statira te sien?
Rox.. Hoe! sou ik een versoek, dat doodlijk is, verdraagen?
    Sou ik vernietigt sien de hoop die ik bejaage?
    (435) Ha! liever sal ik sien de dood van Statira.
    Die meedeminster voor mijn oog sal sterven. ja!
    Door mijne min-drift en beroerde rasernyen,
    Voel ik mijn geest al in haar stroomend bloed verblyen.
    Mijn hart, waar aan haar dood ten deel vernoeging geeft,
[p. 17]
    (440) Soekt in haar hart dan ’t hart, dat my gestoolen heeft.
Oroond. Ia tigeresse, ja, onweerdig’s Konings bloede,
    Gy hebt lang op haar dood al toegeleit, ’t vermoede
    Van dat gy swanger van uw Alexander gaat,
    Waar door een wettig erf voor ’t rijk te hoopen staat,
    (445) Het graaw vast blind-doekt, en doet met gedwonge treeden
    Tot uwaarts hellen; maar behalven lijf-vruchts reeden
    Was Statira soo wel noch Koningin als gy.
    Hoe tokkelde gy toen Perdikkas op d’een zy,
    Toen gy, hem vleyend, met roo gloeyend’ ooge-koolen
    (450) De dood van Statira in ’t heimlijk hebt bevoolen!
    Die hy te doen, u wel toestemde, maar noit deê.
    Eer sy van hem dan uw beswoore doodsteek leê,
    Veel eer en beeter, en uw Staat-suchtten vernoeging
    Sloot hy mijn Statira ten kerkker op. Wat wroeging
    (455) Waant gy dat Artaxerx’ om sijne Suster voelt?
    Meent gy, dat Persië niet met sijn nabuur doelt
    Om wraak van sulk een smaad, die gy, soo slecht van adel,
    Soo laag van afkomst, niet gereesen uit den sadel
    Van Koningen, derft doen aan Statira, die ’t kind
    (460) Is van Darius, daar uw vader sijn bewind
    Als Land-drost van genoot? Sy u, Kohortans dochter!
    Fy u Roxane! sy ondankbaar saad! verknochter
    Aan’t lot van Statira was niemand soo als gy.
    Nu speeltg’ als Koningin uw rol alleen, nu sy
    (465) Heet d’hof-gevangen van Perdikkas, die sijn minnen
    Aan haar te kost leit, en die om haar hart te winnen,
    Haar met sijn folter-tuig en kluister-dracht soo smaat,
    Dat haar geen uitkomst als de dood te wachten staat.
    Daar dan een Koningskind, en self een Koninginne
    (470) Gekerkkert sijn moet, om, een, dien sy haat, te minnen,
    En daar een swangre een onswangre weew verstoot,
    Daar roept de Staat om wraak, en ’t leeven om de dood.
    Gy moogt uw raserny dan vry ten eind vervolgen,
    Men sach soo dikwils, dat Roxane was verbolgen,
[p. 18]
    (475) Als sy met koningx bloed haar handen heeft besmet,
    Als sy sou maaken van haar losse wil, een wet.
    Uw misdaân sullen noch vervullen stad en landen,
    En met uw eigen vuur uw eigen staat verbranden,
    En niemand sal ’er om uw daad verwondert staan.
    (480) De weereld kent u voor bloedgierig. al uw daân
    Die stemmen over een met uw ontsteeken oogen.
    Elk een is kennelijk uw goddeloos vermoogen.
Rox. ’t Is onverdraaglijk, dat gy dus mijn liefde steurt.
    Vreest gy niet Prins, dat u mijn gramschap kom te beurt?
    (485) De min, ’t gebieden moe, laat gramschap dan gebiede’.
    En soo ik niet de raad eens nieuwen koningx vliede,
    Maar, soo ik als een vrow voor mijn gevoelen wijk,
    En in mijn siel het seil voor liefdens driften strijk,
    Soo soud ik u ten buit aan duisend straffen geeven,
    (490) En doen mijn hart vol vreugd in uwe schennis leeven.
    Sie voor u, dat gy my het hoogst hier van niet vergt.
    Bedenk Prins Oroondaat, hoe gy mijn liefde tergt,
    En met wat wreedheid gy my uur op uur betichte.
    Denk, denk, wat een Prinsces, die min voelt, uit kan richte.
    (495) En sie, hoe ver dat springt haar onbepaalde macht,
    Waar toe de wanhoop haar geseegend voedsel bracht.
Oroon. Tot alles, op iets na, hebt gy bequaame sinnen.
Rox. Wat kan ik dan niet doen?
Oroond.                         Dat ik u sou beminnen.
    Uw liefde niet om my, maar om Kassander denk.
    (500) Uw hart een schat is, die ik hem vrywillig schenk.
    Hy acht Mevrow een winst hoogloflijk en eêlaardig
    Gun hem uw liefd’, hy is alleen uw liefde waardig.
    Onnoodig is’t, dat hy sich minnend-yver brow.
    Indien gy hem begeert, hy is uw weerd Mevrow.
Rox. (505) Gy sart mijn min te veel. Ha trotsen Oroondate!
    Gy soekt uw nadeel.
Oroond.                 Ei! ten schaad niet. Gaanw’ Arbate.
Rox. Arbate, doe hem weêr in sijn vertrek-plaats gaan.



[p. 19]

SESDE TOONEEL.

Roxane. Hesionne. Lijfwacht.

Rox. WAt voel ik in mijn hart een heftig vuur ontstaan!
    Sie, hoe die vlam met gloed mijn aangesicht vervulde.
Hes. (510) Is dan uw siel geteelt, om sulk geweld te dulde?
Rox. Neen! neen! ’t is veel te slaafs, ik breek mijn band aan tweê,
    En bruik die macht op my, die ’kandre voelen deê.
    Prins Oroondaat, dien ik verlies, sal ook verliesen,
    Nu wy te faamen een niew’ heerschappy verkiesen.
    (515) Hooveerdige Tiran! gy kunt niet heerschen. Buigt,
    Gelijk uw nood-geheim in dit geval betuigt.
    Gy sijt mijn slaaf, en wilt de kracht eens Koningx toonen.
    En ’t is altijd geen tijd soo’n Koningin te hoonen.
Hes. Wat schoon geweld is dat, dat gy u self nu doet!
Rox. (520) Soo spreekt mijn hart, wanneer ’t verliefde gramschap voed.
    Maar ik bespeur mijn tocht in ’t warme hart te koelen.
    Ik schijn besaading in mijn minnevlam te voelen.
    Die driften, beurt aan beurt, door sijn geweld gegrieft,
    Sich onderwerpen aan de reeden van mijn liefd.
    (525) Mijn siel trekt heel na hem. Niet ’s, of hy kan’t gebieden.
    Hy maakt mijn hart my tot een slaaf die niet kan vlieden,
    En die gevluchte slaaf, die in mijn krijgsmacht viel,
    Sich weêr ter kerkker helpt en sluit daar ook mijn siel,
    Wijl sy hem dreigde te verdubbelen sijn bande’.
Hes. (530) Dat gy sijn trots betreurt, is u niet weinig schande.
Rox. Helaas! mijn Hesion de liefde my beheert.
    Het noodlot heeft mijn min, die doodlijk is, begeert.
Hes. Sie daar, Perdikkas komt, Mevrow wilt hem gedoogen,
    Verrâ de driften van uw siel niet door uw oogen.



[p. 20]

S EVENDE TOONEEL.

Roxane. Hesionne. Perdikkas. Lijfwacht; en Dienaars.

Rox. (535) BEn ik hier Koningin? heb ik hier macht, of niet?
Perd. Mevrow gy hebt die, ja, in al wat gy gebied.
    Al waar gy u bevind, vind gy uw heerschappye.
Rox. Mijn macht schijnt kleen, schoon ik een grooten tittel lye.
    Kassander, onbeschaamt....
Perd.                         Ik weet al van sijn daad.
Rox. (540) Nam tijd in tijden waar in ’t afsijn van Arbaat.
    Vol wanhoop, Oroondaat, slag-offerde sich selven,
    Juist als mijn vroege komst sijn voorneem quam te delven
    De vrees of het gesach weerhielden toen sijn hand.
    Hy raasd’ en riep om moed, gevolgt van een trawant
    (545) Met vijf soldaaten, daar hy meê is doorgebrookken,
    En pas van hier geraakt.
Perd.                     Ik heb hem al gesprookken.
    Sijn weesen was met schrik vol gloeden aangedaan.
    ,, De Koningin, sei hy, sach my ondankbaar aan.
    ,, ’k Heb Oroondaat’ om haar behouden in het leeven;
    (550) ,, Doch soo mijn hand-swenk haar ontsach wierd toegeschreeven,
    ,, Soo seg haar, dat die slach noch morgen kan geschiên;
    ,, Doch soo sy voortvaart in haar afgunst my te bin,
    ,, Soo sal’t mijn eigen hals of’ s meede-makkers gelde.
    Dus sprak hy, driftig, dat ik flux ter needer stelde.
Rox. (555) ’k Verwonder my niet seer van sijn ontsteltenis.
Perd. Verstoot hem niet Mevrow, wijl hy u dienstig is.
    Hy is veranderlijk en wankkel van gemoede.
    Soo krachtig als hy spreekt, soo krachtig is sijn woede’.
    Hy is in doen, van aart, gelijk het vuur, soo licht.
Rox. (560) Maar hoe Perdikkas? wat ontdekt uw aangesicht?
Perd. Die ongeneuchten, daar mijn siel door is bewoogen,
    Ontfangt een yder, die my aansiet, uit mijn oogen.
Rox. Wat schut g’uw hoofd misnoegt? seg, waarmen u meê dien.
[p. 21]
Perd. Prinscesse, Statira....
Rox.                 Vaar voort.
Perd.                                     Begeert te sien....
Rox. (565) Wien?
Perd.         Haaren Oroondaat vol vuur’ ge minnebressen.
Rox. Ha onverdraaggelijkk’ hooveerdige Prinscesse!
    Gy kittelt u vergeefs met sulk een duur juweel.
    En soo gy toestaat sulk een minnelijk krakeel,
    Siet gy daar ’t end wel van?
Perd.                             Ik sie schier, sonder seggen,
    (570) Op welke midd’len sy dien handel doen beleggen,
    Haar onderling gesprek in ons byweesen sy.
Rox. Hoe! weet de liefde niet van gaawe veinsery?
    Hun tong sal swijgen en hun oogen sullen spreekken.
    Elk sal elx stomme taal heel wel verstaan. Ik reekken
    (575) Hun hart elkander in begeerten heel gelijk.
    Door hulp van suchten doen sy aan elkander blijk.
    Men schut hun saamen-spraak,bedacht tot ons bederven,
    En sy slechts poogen tot ons nadeel te verwerven.
Perd. Prins Oroondate wil.
Rox.                                 Die snoode wilt alleen.
Perd. (580) Mijn min, Mevrow, was ook daar eerst niet meê te vreên
    Maar hoe ik sulx weêrsta, moet ik het doch gedoogen.
Rox. Wel; huiden stel ik haar te vreeden na vermoogen.
    Waar spreekken dan vandaag dees twee elkander an?
Perd. In ’t groot vertrek Mevrow.
Rox.                                     Wel nu, ontbiedse dan.
                                                Perd. heen en weer binnen.
Perd. (585) Sy komt soo daadelijk.
Rox.                                     Haar bysijn sal ik mijden.
    Mijn hart heeft kennis van haar heimlijk minnelijden.
    ’k Wil Statira niet sien noch Oroondaat. Voldoet
    Hun beider eisch. Ik ga, treed gy haar in ’t gemoed.
                                                                    Al binnen behalven Perd.
Perd. alleen. ,,Dus moet ik Oroondaat met Statira doen spreeken,
    (590) ,, Op dat ik, soo ik word van Statira versteeken,
[p. 22]
    Roxaan’ dan ook, om my, versteek van Oroondaat.
    Dan mist en krijgt noch elk daar hy sijn oog op slaat.     bin.



ACHSTE TOONEEL.

Perdikkas. Statira. Hesionne. Mandane.

Perd. MEn moet u dan voldoen, wetgeefster aan mijn daagen?
    Ik heb de middel van te kunnen u behaagen.
    (595) En van veel diensten na uw eigen welgeval,
    Heb ik een dienst, waar meê ik u bekooren sal.
    Ook kan die middel niet uw dankbaarheid ontloopen.
    Schoon ik daar voor op geen vergeldinge derf hoopen.
Stat. Soek in de deugd uw loon.
Perd.                             Gy stelt my die te hoog.
    (600) Ik my een paal verbeeld, daar meenig siel voor boog.
Stat. Gy werkt u self te rug, en al uw dwarrelstroomen,
    Sal ik door trowe min, vol moed, te booven koomen.
Perd. De langkheid van de tijd geen dingk ontsnapt Mevrow:
    Dies ik te raakken hoop het wit, dat ik beschow.
    (605) Wat raad voor u, soo my de wanhoop komt versellen?
Stat. Wat soud sy bloodaard doen?
Perd.                                 ’k Sal ’t al te werkke stellen.
Stat. Meent gy te dreigen een, die sterven wil, met pijn?
    Die selve wanhoop kan my ook behulpsaam sijn:
    En deese toevlucht, daar d’ellendige na haakken,
    (610) Een blijde uitkomst geeft aan die verdrukking smaakken.
    Dat leert mijn dood my ook.
Perd.                             Leeft dan Mevrow, ja! leeft;
    Want buiten uwe tijd mijn tijd geen tijd meer heeft.
    Had ik beslooten u met doodslag te bestrijden,
    Mijn dood sou voor de daad van mijn begeerte lijden,
    (615) En door dees’ handen wierd mijn boesem omgewroet.
    Ik dempte mijn besluit in baaren van mijn bloed,
    Ten teekken ik mijn schand wel wow voor u ontblooten.
[p. 23]
    Op dat gy saagt mijn hart sou ik mijn wond vergrooten,
    Daar ’r hart gevult met bloed en gramschap, dan als nu,
    (620) Al lillend seggen sou, dat bloed stort ik voor u,
    Om d’halve misdaad, die soo snoo is, af te spoelen.
    Wilt dan mijn dood-schuld op mijn leeden-offer koelen.
    Ik mor niet tegens u: sou ook niet derven, neen;
    Mijn siel derft naaw om u eens suchten. Gy alleen,
    (625) Gespaart in ’t leeven, doet gy sneuvlen Oroondate.
    Ik hinder niet, dat hy sijn toorn niet uit en laate.
    Ik bid slechts, dat uw hart van my sich raakken laat,
    Wijl ik u min, gelijk Roxane Oroondaat,
    Wiens hart my toeroept, dat sijn sterven is mijn leeven.
Stat. (630) O bloodaard ,keer op my uw afgunst; doe my sneeven.
    Wat deed u Oroondaat?
Perd.                         Hy heeft gerooft mijn goed;
    Uw hart, Prinscesse.
Stat.                             Dat was nooit het uwe. moet
    Een minnaar sijn meesters met reede-kracht beleesen,
    Soo kon Perdikkas noit een Alexander weesen.
Perd. (635) Noch min, was ’t Oroondaat.
Stat.                                     Hy my verdienen kan.
    Indien men tegen hem een kamp-gevecht recht an,
    En soo ik my aan ’t lot des overwinnaars schonkke,
    Hy was bequaam, om met de glori-prijs te pronkke.
    En om te toonen, hoe dat ik u ken, mijn Heer,
    (640) En welken achting, dat ik hebbe van uw eer,
    Soo geefden Prins eens los en stry met hem om ’t leeven.
Perd. Ik geef niet weêr aan ’t lot een gift, my eens gegeeven.
Stat. Gy vreest, met reeden, dat uw kling vermeestert ward.
Perd. Sijn leeven ’t kosten sal ten koste van uw hart.
Stat. (645) Ik sal sijn leevens bloed, soo gy het spilt, vergaaren,
    En als ik ’t heb vergaart, sal ik het wel bewaaren.
    Indien uw raadslag dan half naa voldoening dorst,
    Soo sult gy rukken sien mijn hart uit deese borst.
    En soo de siel van hem ook wraak eist na ’t verscheiden,
    (650) Soo sal mijn hart daar toe, al hupplend, sich bereiden.
[p. 24]
    Wijl uw onmenschlijk oog dan sulk een schowspel mind,
    Soo schrikt mijn hart al, soo’t sich oit by u bevind.
    ,, Ik, Statira, volg u, Prins Oroondaat’, in ’t sneeven.
    ,, Ik sterf met u, en kan hier buiten u niet leeven,
Perd. (655) Prinsces gy nadeelt hem.
Stat.                                 Hoe! daar hy sterven moet?
    Hy sterf ten minsten dan met Statira. Vermoed
    Niet, dat gy uit sijn dood meer voordeel sult verwerven,
    Als dat ik sterf met hem.
Perd.                         ’k Sweer, Oroondaat sal sterven.
Stat. Volg vry uw raserny, en volg uw woord met moed.
    (660) Gedenk uw eed, die gy Perdikkas my hier doet,
    Verwacht van my niet, soo gy niet uw woord komt houwen.
Perd. Prinscesse! t’onbeleeft! ’t sa! gy sult hem aanschouwen.
    Gy sult, gy sult dan sien dien minnaar, sonder pijn.
    Maar of uw saamenkomst u goed of quaad sal sijn,
    (665) En na dat hy u laat geneegen of verbolgen,,
    Daar sal sijn dood, of sijn genaade hem op volgen.
    Ik na Roxane ga, en meld haar uw verband.
tegen Hes. En gy, draag sorg voor haar. Perd. binnen.
Stat.                                     O gooden! in wat hand?
    Ach! noodeloose sorg van u en uw verwinster.
    (670) Men sterfve dan by u, of by mijn meede-minster.
Continue
[
p. 25]

DERDE HANDELING.

EERSTE TOONEEL.

Oroondate. Hesionne.

Oroond. VErvreemding vol van lust! breintrekking al te soet!
    On-machten van de min! verkrachting van ’t gemoed!
    Aanloxels vol bedrog van schoone minne-vruchten,
    In ’t aangenaame beeld van trekkende genuchten!
    (675) Die ’t lichaam my bevrijd uit een gevangen staat,
    En voor een korte wijl voorspoedig minnen laat!
    Ik kan die blijschap niet, die endloos schijnt, verdraagen.
    Al haar wellusten mijn geboeide siel behaagen.
    In ’t midden van ’t vermaak, dat ik in haar bevin,
    (680) Bestormt gy plotseling mijn yverige min.
    Mits ik ten eersten die inbeelding niet kan dulde’,
    Waar meê het noodgeheim mijn gansche siel vervulde,
    Soo val ik van my self door veel bekoorlijkheên.
    Hoe kan ik, soo bedroeft, dien vreugdenberg betreên?
    (685) Waarom moet Statira dan over my soo brallen,
    Daar my dat schoon gesicht in on-macht sal doen vallen?
    Mijn hart beswangert van de vreugd, daar ’t na verlangt,
    Sal sterven, wel-bedacht, soo ’t al die vreugd ontfangt.
Hes. Gy Statira sult sien.
Oroond.                     ’k Sal mijn Prinsces beoogen.
    (690) Helaas! mijn siel geniet een blijschap van vermoogen,
    En mengt niet bitters met de soetheid, die het lijd.
    Laat ons al ’t ongemak vergeeten deese tijd.
    En wijl mijn hersens van inbeelding overstroomen,
    Laat ons gelukkig sijn, gedurende die droomen.
    (695) Hoe sie ik Statiraas soo minnelijk vertoog!
    Ik voel mijn volle siel reeds loopen door mijn oog.
    Mijn siel uit vreugden, die my krachtelijk bedriegen,
    Door suchten van genucht, dit lichaam sal ontvliegen,
[p. 26]
    Hoe spreek ik noch met haar! die wellust, dubbelvoud,
    (700) Gunt die my weinig tijds haar godlijk onderhoud?
    Mijn siel stelt haar een saak, die heerlijk is, te vooren.
    Maar, waar meê laat gy u, hoogmoedig brein, bekooren?
    Verwaan u niet, mijn geest, te kunnen melden al
    De hoogheid van mijn luk en dartel min-geval.
    (705) Haar godlijk bysijn, daar ik neederig voor nijge,
    Sal vol ontsachbre taal u eewig stil doen swijgen.
    En soo mijn oogen sien de glans van Statira,
    Ootmoedig sullen sy haar bidden om gena;
    En die misdaders dan ontbloot van toevlucht, echter
    (710) Niet sullen durven sien het aanschijn van hun rechter.
    Haar heemels opsicht sal niet kunnen sijn geleên;
    Veel min ’t volpreese schoon van haar min-waardigheên.
    Gy sult al stervend sien op d’aard gevest, vol wonder,
    Hun vaardig maakken tot den weerslagh van haar donder:
    (715) Mijn hart, dat, beevend voor sijn on-macht, als verslenst,
    Sal hooren ’t vonnis, dat het niet te hooren wenst;
    Schoon niemand steuren sal ons koosend saamenspreekken.
Hes. Sie daar, de Koningin.
Oroond.                     O goôn! mijn hart wil breekken!
    Roxane voor mijn oog?
Hes.                        ’t Is Statira alleen.
Oroond. (720) Mijn mond, mijn ogen, ach! wie spreekt er van u tween?
    Wie van u tween vreest meest die schoone te mishaagen?
    Seg my, wie van u tween poogt sich het kloekst te draagen?
    Ha mond! ha ogen! smelt uw tochten saam, en vlucht,
    Of doet uw woord in haar aanschouwen met gesucht:
    (725) Doet beide op een tijd uw minne-woorden klemmen.
    Maar ach! ik voel mijn mond en ogen saamen stemmen,
    Wijl in dat droef onthaal, daar soo veel heil in steekt,
    Mijn oog haar niet wil sien, soo niet mijn mond haar spreekt.
[p. 27]
    Dus hangt mijn siel vast in een twee-strijd voor en teegen.
Statira ter zijden op het Tooneel.
Stat. (730) Gelijk hy staat ontstelt, vind ik my ook verleegen.
    Waar brengt mijn min my toe? wat heeft mijn lot beraamt?
    Mijn deugden, lijd gy dan, dat hy my maak beschaamt?



TWEEDE TOONEEL.

Oroondate. Statira. Hesionne. Mandane. Arbate.

Stat. Kom by my.
Oroond.             Ach! helaas!
Stat.                             Prins Oroondaat.
Oroond.                                     Prinscesse.
Stat. Wat voelt mijn siel niet al verandring in haar bresse’!
Oroond. (735) Een die verweesen is, gedoog dat voor u kniel,
    Met offer van sijn hooft.
Stat.                             Ach! Prins, staat op, mijn siel
    Gedoogt die staat niet, daar uw siel meê schijnt te strijden.
Oroond. Wilt dees eerbiedigheid van my, uw schepsel, lijden.
    Misduiden yver niet van mijn verwaant gemoed,
    (740) Dat ik weer val voor u, mijn godlijkheid, te voet.
Stat. Rijs Oroondaat’, en neem dees plaats hier...
Oroond.                                         By mijn schoone.
Stat. la wel, mijn vyanden my deese gunst betoone’.
    Perdikkas en Roxaan’ gedoogden u te sien.
    Die gunst begeerd’ ik, en die gunst ik slechts verdien.
    (745) Gemerkt dan, dit geluk mijn voorspoed meenigvuldigt,
    Schaam ik het seggen niet, dat ik haar blijf verschuldigt.
Oroond. Schoon hy onheusheid doet op grond van weldaad staan,
    Dank ik hem doch van ’t quaad, dat hy ons heeft gedaan,
    Of immers, dat hy ons tans socht te doen in deesen.
    (750) Gemerkt sijn oogmerk was, niet, om u te beleesen,
    Maar om ons saamen-spraak, die doodlijk scheen, te broên.
[p. 28]
Stat. Spijt dan sijn oogmerk, soo behaagt ons noch sijn doen.
    En schoon hy is berucht in boosheid en vol rankken,
    Soo sullen wy doch ’t lot voor deese wellust dankken.
Oroond. (755) Wat trof mijn siel een angst toen mijne sabel brak,
    Dat gy, uit wanhoop van uw vryheid, ook een krak
    Soud geeven aan uw min, en geen gevangen achten.
Stat. Wat niewe droefheid quam in mijn gemoed vernachten,
    Toen uw gevangenis my in mijn oren klonk!
    (760) Niet anders was ’t, dan of ik in een see verdronk
    Van bittre traanen, die op onlux barning golven.
    Noch scheen mijn siel in een veel diepre poel gedolven,
    Toen ik vernam, hoe u Roxaan gevangen hield.
    Flux dacht ik, heemel! die bewaarnis my ontsield;
    (765) Daar sal mijn Oroondaat sijn liefdens schipbreuk lijden,
    Daar wankkelt hy en stelt sijn Statira ter zijden;
    Roxaan, die Circe, sal betoovren sijn gemoed;
    Sy maakt hem tegen my misdadig; sy verwoed,
    Maant hem tot ontrow. Die benestling der gedachten,
    (770) Uit minnend’ yver my ontseenuwde mijn krachten,
    Tot kaveling van reên of grond-besluit van raad.
    ’k Verban dan insgelijx, sei ik, Prins Oroondaat
    Ten Liefdens raadhuis uit. Ik seg hem op, weêrminne.
    Ik maak hem balling van sijn eigen en mijn sinne’.
    (775) Hy aan gequetste Min sich schuldig maakt. Indien
    Hy my geen uitkomst gunt, soo sal Roxaan misschien
    Haar vrucht-dracht sijn vervult, waar op de weereld blijkke,
    Of sy een soon baart, die sijn vaders Koningkrijke’
    Als Hoofd regeert; soo niet, soo hoop ik doch inkort,
    (780) Dat Babylon in haar ontsag geplondert word,
    En ik weêr Koningin.
Oroond.                         Ha drukkende gedachten!
    Soud gy, die trow bemint, my dan soo ontrow achten?
Stat. Om blijk van trow te doen liet ik de Hoop gebiên,
    En bad Perdikkas, dat ik u doch eens mocht sien.
    (785) Self toen had gy mijn hart, dat sich voor u buigt neder.
[p. 29]
Oroond. Ah! voor die vriendschap wat geef ik Prinsces u weder?
    Wat is ’t Mevrow, dat een ondankbre u verwijt?
    ’k Verdoem, om uwent wil, dees aangenaame tijd.
    Men treê tot ons geluk, waar meê sich gooden moeyen.
Stat. (790) Wy kunnen, waarde Prins, ons droefheid niet uit roeyen,
    Want onder ’t groot bewind, waarin wy lijdend sijn,
    Wy ieder ogenblik ontmoeten niewe pijn.
    Perdikkas ons vervolgt, en dreigt met swaarder boeyen.
Oroond. Roxane yvert ook mijn pijnkool te doen gloeyen:
    (795) Haar minne-siekke geest geen dwarsse slag-boom lijd,
    Die my ontsteekken volgt, hoe veel mijn oog haar mijd.
    Die smart, die sy my doet, sou ik al lijdend prijsen,
    Soo mijn geleeden quaad quam uyt haar haat te rijsen.
    Maar ah! mijn swaarste plaag rijst uyt haar minne-gloed.
Stat. (800) Dus plaagt Perdikkas my, als u Roxane doet.
Oroond. Roxaan geen moed heeft, noch Perdikkas ook van nooden.
    En wijlmen bruskelijk my dreigt vandaag te dooden,
    Soo voel ik d’eigen vrees, die ’k heb voor my, voor u.
Stat. Wat is ’t, dat u beswaart?
Oroond.                             Een wet, daar ik voor gruw.
    (805) Een wet, die haar alleen, om ’t vuil beding, is waardig.
    Een wet, die mijnen ’t wil is doodlijk en on-aardig.
    En soo ik ’t seggen durf, sy wil, dat gy my haat.
Stat. Dus wil Perdikkas meê, dat gy my heel verlaat.
Oroond. Op ’t weigren volgt uw dood, die sy u doet gehenge.
Stat. (810) Uw dood volgt ook, waar van ik u reeds tijding brenge.
Oroond. ’k Heb u mijn sin geseit.
Stat.                                     En ik u mijne meê.
Oroond. Die hart-spraak my verschuld aan uw besoek.
Stat.                                                             Dit deê
    My schuldig sijn aan u voor uw beloofde bresse.
    Prins raad-slaagt met u self.
Oroond.                                                     Gy ook met u Prinscesse
    (815) Bemint gy my dan niet?
[p. 30]
Stat.                                             En haat gy my dan wel?
Oroond. Waant gy Mevrow, dat ik na haar begeerten hel?
    Of datmen my sou sien Roxanes wet volbrengen?
Stat. Waant gy, dat ik oit sou Perdikkas eisch gehengen?
    Of sijn beveelen een vernoeging geeven sou?
Oroond. (820) In uw gevoelen gy gerechtig sijt Mevrow,
    En ook in al uw doen vrywillig, onvergeetend,
    En in het geene gy moet doen, ook niet onweetend.
Stat. Gy weet mijn hart.
Oroond.                                         En ’t geen Mevrow te doen bestond.
    Ik weet, dat gy met recht my noch verlaaten kond.
    (825) Niet, dat Perdikkas, soo hy waant, by u heeft voordeel.
    Niet, dat hy meer is in geboorte, moed of oordeel.
    Niet, dat ik ’t vonnis hier uit minnend-yver strijk.
    Want, wijl u geen van tween verdiend, sijn wy gelijk.
    Maar och! uw dood.
Stat.                     Die heeft niet wreeds in, Oroondate.
    (830) Al wierd die deese stond op my hier uitgelaate,
    En dat Perdikkas hier, en daar de dood sou staan,
    Gy soud verwondert sien, hoe ik ter dood sou gaan.
Oroond. Schoon ik uw dood-keur roem, soo sou de spijt door ’t kiesen
    Van dien Perdikkas, my het leeven doen verliesen.
    (835) Leef! leef!
Stat.         Begeert gy dat ik leef in sulken staat?
Oroond. Ja, en soo my althans uw wreedheid kiesen laat,
    Soo wensch ik u mijn lief, eer ontrow, als om ’t leeven.
Stat. De min, die ik u draag, schijnt meer in top verheeven,
    Die in mijn stel ontsteekt geweld van vreugd en row.
    (840) ’k Sag liever u, mijn Prins, gedood als ongetrow.
    Veel liever sach ik u, ten uitblus uwer bresse,
    In d’armen van de dood, als meede-minnaresse.
    Sterf onstantvaste dan, of leef alleen voor my.
Oroond. Ik leef en sterf om u mijn trow te toonen. Hy...
Arb. (845) Gelieven eindigt.
Oroond.                     Swijg, gy grootste der verradren,
[p. 31]
    En weerdig werktuig van uw ’s Heeren wil. ’k Sie nadren
    Perdikkas en Roxaan van menschlijkheid ontbloot.
    ’k Lees in hun oogen al het vonnis onser dood.



DERDE TOONEEL

Oroondate. Statira. Roxane. Perdikkas. Arbate. Hesionne. Mandane. Lijfwacht van Roxane en Perdikkas.

    Rox tegen Stat. WEet Statira, dat ik geen misdaad sal missaakken,
    (850) Die ik door duisend reên heb wettig kunnen maakken,
    Ik hier niet pleiten kom voor mijn rechtveerdigheid.
    Mijn eigen vonnis aan mijn eigen wilkeur leit,
    En wijl ik niemand, dan my self, smeek om genaade,
    Soo stel ik self, my self, tot rechter van mijn daade’.
    (855) ’k Weet van geen andre wet, als van mijn eigen sin.
    Uw dood staat vast; dat is het vonnis mijner min.
    Heb ik die uitspraak tot van daag noch stil gesweegen,
    En heeft mijn wraak tot noch geen volle toom gekreegen,
    ’t Was meêdoogentheid, die voor u heeft gepleit,
    (860) Waar meê Perdikkas toen belas mijn heevigheid.
    Die beide deeden ’t, dat ik u niet aan quam randen;
    Die rukten voor een tijd den blixem uit mijn handen.
    Vandaag heeft Oroondaat met smadelijk geweld
    Schier mijn verliefde geest tot wanhoop toe ontstelt.
    (865) Dies gy hartnekkig wicht, met oogmerk tot mijn schaaden,
    Uw yverig verderf komt op uw hals te laaden.
    Ik wil mijn driften nu geen meer geweld aan doen,
    Noch mijn gerechte wraak met langer uitstel voên.
    Ik kan het woeden van mijn siel niet langer laate’,
    (870) Ten sy gy my verschaft het hoofd van Oroondate,
    Wiens schijn van liefde, vol ondankbaarheid en smaat,
    Niet wil gedoogen, dat ik u bewaaren laat.
Perd, tegen Oroond. En gy Prins, leer, hoe seer mijn gramschap kan ontsteekken.
[p. 32]
    Tot nu toe heeft misschien u die noch licht gebleekken;
    (875) Want sint de wanhoop deê mijn hand en kling geweld,
    Heb ik mijn toorn altijd, tot daags daar aan, verstelt.
    Maar huiden zied mijn bloed, en mins-gevoelijkheeden,
    Om duisend hoonen, die ik heb van u geleeden,
    Vermeenigvuldigt, sijn in een verbond getreên
    (880) Met al de smaaden, die Roxane heeft geleên.
    Uw eenigst scherm-schild, Prins, is dat gy met elkander
    Bevlijtigt, om aan my te leeveren Kassander.
    Daar hangt uw dood aan, soo gy’t weigren durft, of deist.
Oroond. Wat is ’t Perdikkas, seg, dat gy soo trots my eist?
Stat. (885) Wat eist Roxaan’, die on-barmhartige Prinscesse?
Rox. Gy self maakt u een on-genaadige Meestresse.
    Gy rooft my Oroondaat, dien eisch ik van u weer.
Stat. ’k Sal hem bewaaren.
Rox.                                         Gy sult sterven, ja ik sweer.
Stat. Wreed opgevoed sijt gy in wreedheid overrompelt.
    (890) Gy hebt uw vaderland in burgerbloed gedompelt,
    Verradend eigen trow, ’t geen al de weereld sach.
    Uw Koningin sijn bloed, door u vergooten, lach
    Soo dra uw liefde, die een ander wou beletten,
    Uw geile oogen met een bloedstuk quam besmetten,
    (895) Waar van de lekkre kost men u heeft proeven doen,
    Wiens voorwerp, en niet meer, uw oogen plach te voên.
    Die bloed vergieting, die gy leerde op een ander,
    Deê u deelachtig sijn aan ’t bloed van Alexander.
    Uw siel, die noodhulp van dit snoô verraad most sijn,
    (900) Vermeerde door uw wensch de krachten van ’t fenijn,
    Waar door Kassander, die dus gruwlijk hem ontmenste’,
    Bloed-gulsig, als uw boel, uw kroon en huwlijk wenste,
    Al schrikten hy voor ’t bloed, daar gy soo dorste na.
    Op sulk een voorbeeld eist gy ’t bloed van Statira,
    (905) Waar voor d’uitwerkker van uw misdaân self ontsette,
    Die op uw raserny het offer niet verplette,
    Maar wreeder noch, als gy, met een behulpsaam staal
    My eens beschermende, my doode duisendmaal.
[p. 33]
    Sie daar Roxaan, sie daar, een leering voor uw benden.
Rox. (910) Wel, dit gewichtig werk sal ik dan nu vol-enden.
    Mijn siele, die alsnoch haar eerste driften toont,
    Sal kroonen het begin, waar in de uitgang woont.
    Uw dood beseeglen sal de misdaân van mijn leeven.
Stat. Werk uit dan d’afgunst, daar uw siel toe word gedreeven.
    (915) Maar denk niet, dat ik oit een niewe min verkies,
    Die ik, schoon ik verlies mijn leeven, noit verlies.
Perd. En gy Prins Oroondaat, bedwelmt door schandig swijgen,
    Wat raad besluit gy?
Oroond.                     Gy meent yder te door-rijgen;
    Maar d’on-macht, die ik voel, maakt u altans soo stout.
    (920) Op deese grond-steen al uw trotsheid is gebowt.
    De staat mijn’s vankkenis u fiere moed komt geeven.
    Die schroomden voor mijn arm, nu voor mijn oog niet beeven.
    Ik stuur weer in u self, hem, dien ik vluchten sach,
    Wiens flaawwe moed my dwong, dat ik hem haaten mach.
    (925) Laat ons die Statira ons selven weerdig maakken,
    En onse minne-twist om sulk een prijs-kroon* staakken.
                                                * toonende op Statira.
    Laat ons gelijk staan in gevecht van lijf om lijf;
    Men strijd’, en Statira voor d’overwinnaar blijf.
    Ik schonk u ’t leeven wel, wilt ook mijn vrydom lijde’.
    (930) Onwaarde makker, kamp dan dat ik u benijde.
    Maar denk dat deese kroon, daar ik met u om stry,
    Tot haar verwinnaar wenst, een man, niet min als gy.
Perd. Schoon ’t u gebeuren mocht, dat gy my dienen konde,
    Ik eist u doch een dienst soo doodlijk nooit. Ik vonde
    (935) Nooit welgevallen in uw diensten, en ontken
    Dat ik door weldaad oit aan u verschuldigt ben.
Rox. Mijn arm al moe is van haar donder in te sluitten,
    Gy hebt maar weinig tijds om u beraad te uitten.
Oroond. Verklaar nu Statira uw wilkeur, en wat gy
[p. 34]
    (940) Te doen beraamt hebt met u selven en met my.
Stat. tegen Oroond. Voor my alleen wil ik mijns leevens vonnis vellen.
    Mijn min ontslaat u van u ook daar in te stellen.
    tegen Rox. De Prins sal leeven, kan hy leeven sonder my,
    En ik, ik sterven sal voor hem.
Oroond.                                         Ly dat ik sy
    (945) Myself een wet, en sterf voor u mijn’ schoone min-Ster.
Stat. Leef Oroondate, doch niet voor mijn meede-minster.
    Ik leef om haar niet, maar vooruik sterven sal.
    Misdui mijn yver niet in ’t minnende geval.
    Eer ik u ontrow sach, sach ik u liever sneeven.
Oroond. (950) Ik sterf voor u Prinsces, en wil voor haar niet leeven,
    Wijl gy nu eist van my die vastigheid van trow,
    Soo verg ik u dan een gelijkke wet, Mevrow.
    In die onlusten, die sich voor mijn siel ontblooten,
    Houd ik om uwent wil ook minne-nijd beslooten.
    (955) Leef dan Prinscesse, maar leef voor Perdikkas niet.
    En gy Perdikkas, die vreugd in mijn sterven siet,
    Ik sterf met vreugd, so gy haar schermheer sijt so schrander.
    Gy siet in Statira de weew van Alexander.
Stat. Heeft dan uw leeven u soo groot vermaak gesticht,
    (960) Dat gy my stervend aan Perdikkas liet verplicht?
    ’k Heb tot mijn scherm-heer, u, mijn Prins, alleen, gevonden,
    Aan wien ik ben, soo wel ondankbaar, als verbonden.
    Maar na mins opening, die u mijn siel doet sien,
    Ly dat ik door mijn dood uw groote daad verdien,
    (965) En sonder te misdoen verschuif mijn Alexander;
    Het goed, dat hy besat, gaat over tot een ander,
    En voed geen brein meer van mispreese minne-nijd:
    Hervattend Prins een hart, dat u is toegewijd.
Perd. Ontfang die gift niet, die ter dood toe u sou prangen
    (970) Het leeven is een gaav’.
Oroond.                             Die ’k haat van u t’ontfangen.
    Ik sturf van schrik, soo gy my sette leeven by.
[p. 35]
    Ik ben ’t, die ’t u geef, gy die dat ontfangt van my.
Stat. Perdikkas mart gy? kom, ik ben gereet te sneeven.
    Neem wraak van Oroondaat, ten koste van mijn leeven.
    (975) Gelijk ik ly in hem, hem lijden doet in my.
Oroond. Helaas! veel eer.....
Perd. tegen Stat.                Welaan, dat hy in u dan ly:
    En dat ik door mijn dolk van uw geopend harte
    Doe vloeyen in sijn hart een deel van uwe smarte:
    Doch soo uw liefde u gevoelen doet die pijn,
    (980) Soo sal op andre wijs mijn siel gewrookken sijn.
    Uw beider misdaân sal ik door elkander woelen,
    En hem sijn eigen pijn, en u doen d’uwe voelen.
    Beraad u Statira.
Stat.                         Gy schrikt my niet. Geen nood.
    ’t Is door mijn dood alleen.
                    Perdikkas met een blooten saabel op Oroond.
Perd.                             Veel eer door sijne dood.
    (985) Om u te scheiden bei, heb ik ’t geheim ervaare’,
    ’k Heb u te lang gespaart. Sterf Scyth! Sterf gy barbaare!
    En leever my weêrom die rust, die gy my naamt!
                        Roxane met een werp-pijl op Statira.
Rox. Perdikkas sta! laat af! let op uw doen! beraamt
    Door welken drift uw siel het krachtigst is gedreeven,
    (990) Tot Statira, (gedood) of Oroondaat, (in ’t leeven?)
    Verkies.
Oroond.         Perdikkas! help, help doch mijn Statira.
    Dan wil ik, soo gy wilt, hier sterven daar ik sta.
Stat. tegen Rox. Verdelg, ô Koningin, dit vrowwelijk, doch schrander
    Bloed van Darius en de weew van Alexander.
    (995) Gevoelend in uw hart de wreedheid uwer daad,
    Boor door mijn hart heen en doorsteek daar Oroondaat.
    Vermits ik dan voor hem en hy voor my moet boeten,
    Soo werp sijn outer om, en treê sijn beeld met voeten.
Oroond. tegen Rox. Kom, kom ontaarde vrow, kom volg uw driften na:
[p. 36]
    (1000) Boor door mijn hart heen en doorsteek daar Statira.
Rox. beschermende Oroond. Gy sult niet sterven; neen, ik staan wil voor uw leeven.
Perd. beschermende Stat. Mijn kling voor Statira niet minder staat. Haar sneeven
    Ik wel beletten sal, al woed gy noch soo wreed.
Stat. tegen Perd. Hoe of Perdikkas dus sijn dienst aan my besteed?
    (1005) Roxaan’ is niet soo wreed, beschermend mijn beminde.
    Had gy gerust, ik had mijn dood al weesen vinde’.
    Gy ’t leeven houd van een waarin ik sterf, en gy
    Doet sterven een, dien ik beschermen wil voor my.
    Ik sterf in Statira en leef in Oroondate.
Oroond. tegen Rox. (1010) Uw arm Mevrow vergeefs uw goedheid nam te baate.
    Waan niet dat gy my soo verdeedigt hebt, ô neen!
    Ik aan Perdikkas heb verbintenis alleen:
    Wijl hy, sijn yver moê te mywaarts opgeheeven
    Voor my bewaart een deel, waar in mijn siel wil leeven:
    (1015) Daar uw verwoedheid, my beschermende Mevrow,
    Voor my bewaart een deel, waarin ik sterven wow.
Rox. tegen Stat.’k Sal u beschermen, spijt uw ondank en onminne
    En sal dit stuk, schoon ’t spijt Perdikkas, self beginne’.
Perd. tegen Oroond. ’k Sal u beschermen, spijt uw wil in dit geval:
    (1020) Self tegen een Roxaan’, of ik self sterven sal.
Rox. Van nu af houd ik u Perdikkas voor mijn vyand.
Perd. Daartoe hebt gy van doen een merkkelijkke bystand.
    Van nu af houd ik u voor mijne vyandin.
Arb. Ai! spreekt elkander toe in minnelijkker sin.
    (1025) Uw vyanden van ’t rijk op uwer tweedragt asen.
Rox. Treê binnen Oroondaat.
Perd.                     Vlucht Statira haar raasen.
Stat. Ons welvaard, wreed-aard, vol gevaar is, waar men wijk.
[p. 37]
Oroond. Ons ongeluk in bei haar handen is gelijk.
Rox. Geleiden Prinsce weêr in sijn vertrek, Arbate.
Stat. (1030) Roxaan’, ontweldig van Perdikkas Oroondate.
Oroond. Perdikkas ei! ontruk mijn Statira Roxaan.
Rox. Roxane sterven sal, eer sy dat toe wil staan.
Perd. Eer ik het ander ly sal ik mijn siel uitspowwe’.
Oroond. tegen Stat. Nu ik u laaten moet, soo sweer ik u Mevrowwe,
    (1035) Eer ik Roxane min, dat ik eer sterf door ’t staal.
    Eer gy Perdikkas mint?.....
Stat. in ’t weggaan.                 Eer sterf ik duisend-maal.
Rox. Gy sult beklaagen, dat gy hebt uw woord verstooten.
Perd.En gy, dat gy mijn lief schier had in ’t hart geschooten.
Rox. En gy, dat gy met staal de borst trof van mijn lief.
Perd. (1040) Gedenk mijn toorn.
Rox.                             En gy, gedenk mijn minne-grief.
Continue
[
p. 38]

VIERDE HANDELING.

EERSTE TOONEEL.

Seleukus. Araxes.

Arax. SAl Artaxerxes, als een moedig Prins, seer grieven,
    Dat men met Oroondaat hem weigert te believen,
    En ook dien Prins niet in gelijke vrydom stelt
    Gelijk m’ u stelde op dat wissel-recht, ’t geweld
    (1045) Der wapens stilstand kreeg.
Sel.                 Gy weet, hoe ’k wierd verhindert,
    En hoe men mijn ontsach door dit ontseggen mindert.
    Maar vriend Araxes, soo ik iets op u vermag,
    Ga seg mijn vyanden, hoe dat ik d’eerste dag,
    Met u in Babylon geraakt, ben afgeslaagen.
    (1050) Doch voeg ’er by, dat ik hier alle vlijt sal waagen,
    Om hun hier, t’mijner wraak, gewenste dienst te doen.
    Het geen mijn woord niet deê, sal tegen hun vermoên
    Met wapens sijn gedaan. Ik sal uw Heer en Meester
    Prins Oroondate in sijn vryheid stellen. vreest ’er
    (1055) In ’t minst niet voor. ik sweer ’t ten koste van mijn hals.
    Prins Artaxerxes sy verseekkert, dat geen vals,
    Geen averechts bedrog hier huisvest. en te toonen,
    Dat ik, sijn Vriend, niet sal, noch Hof, noch Stad verschoonen,
    Soo seg mijn vyanden, dat wel mijn troep is swak;
    (1060) Doch soo de bystand van hun leeger my ontbrak,
    Dat ik dan om en om de wallen op sal steekken
    Bloedroode standaarts, dan sal ’t nood sijn op te breekken,
    En met hun legers hier te trekken voor de poort.
    Dit sy u toevertrowt; ook dat mijn sabel voort,
    (1065) Schoon ’t spijt Perdikkas, hun een weg ten hoof, sal maaken.
    Araxes meld mijn trow en wraak-lust.
Arax.                             Deese baakken
[p. 39]
    Sijn ’t graf van Babilon, tot huiden noit gehoort.
Sel. De stad onveilig is, ik lei u door de poort.         binnen.



TWEEDE TOONEEL.

Roxane. Hesionne. Arbate.

Rox. WEl mijn vertrowde Twee, Roxane is verlaaten.
    (1070) Doch die verandring treft mijn hart niet booven maaten.
    Maar die Lysimachus, Perdikkas, Artaxerx,
    Kassander en Seleuk my maaken te veel werx.
    O heemel! die voor elk voert blixem in uw handen,
    Maak die verraders al tot uw slag-offeranden,
    (1075) Bow u een grafsteê op van hun rechtvaarde straf,
    Maak u gansch Babylon tot een doorluchtig graf.
    Wen gy het aardrijk dan opspalken doet haar kaakken,
    Soo wilt, o heemel! met uw donderslag my raakken;
    En wijl ik d’omkeer van mijn Rijx stoel van u wensch,
    (1080) Soo geef de glori van mijn val doch aan geen mensch.
Arb. Wat misdaân deed gy, dat de donder u moet raakken?
Rox. Al veel Arbate, om mijn leeden te rabraakken.
    Maar soo mijn straf met schrik oit worden most vervult,
    En brengen’t godendom tot knarssend ongeduld,
    (1085) Soo is mijn daad te schoon, om niet bemint te worde’,
    Die elk, die ogen heeft, om na te volgen porde.
    Is al mijn krijgsmacht saam Arbate in een drom?
Arb. De wachten van uw Hof verdubbelt sijn alom,
    En noch, in tijd van nood, heb ik tien duisend knechten.
Rox. (1090) Ik hou die saamen, om mijn oogmerk te bevechten.
    Ga heen, waarschowts’ en hou die wakkre troep gereed.
Arb. Ik ben gehoorsaam.                     Arb. binnen.



DERDE TOONEEL.

Roxane. Hessionne.

Rox.         GY, die mijn geheimen weet,
    Kunt gy niet gissen het besluit gy van mijne sorgen?
[p. 40]
Hes. Uw voorneem is soo wel voor my, als hun, verborgen.
Rox. (1095) Ik na Perdikkas ga met wapens in allarm,
    Om daar die Statira te slachten in sijn arm,
    En ’t selve ogenblik, om niemands siel te spaaren,
    (Den arm noch rookkend van mijn meede-minsters aaren
    Wijl ik het dubble schut van mijne min dus breek,)
    (1100) De vrijster en haar lief te dooden met een steek.
    Mijn ogen dan vernoegt beschowwende haar wraakke,
    Door hun rechtvaarde dood verlichting sullen smaakken,
    En siende, dat haar geest van d’aarde neemt sijn keer,
    Soo sterf ik door vermaak, als sy niet leeven meer.
Hes. (1105) Spreekt gy van Oroondaat?
Rox.                                 Onmenschelijkke siele!
    Wilt dat beminde hoofd in gramschap niet verniele’.
    Veel eer dan, als dit stuk verweeten wierd Roxaan,
    Greep mijn verwoede vuist mijn eigen boesem aan.
    ’t Is Statira, waar op mijn wraaklust hoop te stranden,
    (1110) Mijn hoon uit minnenijd eist twee slach-offerhanden,
    De een’ Perdikkas is, die moet ’er sijn geslacht,
    Mijn hart uit sijne dood gewenste troost verwacht.
    Ga dan na Oroondaat, en seg hem mijnent weegen,
    Dat een onlijdbre smart is in mijn hart geleegen,
    (1115) En dat ik ben in een bedrukter staat, als hy.
    Dat ik noch eens voor ’t laast eisch sijn besoek. ja, by
    Hem self wel koomen wil.
Hes.                     Min sonder troost verlaatse;
    En leg op hem niet toe.
Rox.                 Stel u maar in mijn plaatse,
    Soo dan mijn yver kan bestelen uw gemoed,
    (1120) Seg hem, al wat men segt, als men hem minnen moet.
                                                        Hes. binnen.



VIERDE TOONEEL.

Roxane alleen.

VErgoode liefde! die mijn inborst quaamt te raakken
                Van mijne wieg-tijd af,
[p. 41]
    Ik denk, dat gy om u onsterfelijk te maakken
                My volgt tot in mijn graf.

    (1125) Gy uw geboorte naamt uit mijn geneegen wille,
                Die ’k self noch niet verstoot;
    Maar ’k lijde, dat sy duur, en wensch haar niet te stille’,
                Maar leeve na mijn dood.

    Die preutse tittel van een weew van Alexander,
                (1130) Daar helden bukten veur,
    Die onvolmaakte lof, die ’k aan-erf van Kassander,
                Is minder, als mijn keur.

    Mijn siel haar kittelt met een eer van meerder trowwe,
                Mijn hart en liefde saam
    (1135) Gevest sijn op de roem van Oroondates Vrowwe.
                O groote weerelds naam!

    En gy vol-liefden Held * , wiens schaaw my komt verwijten,
                                                    * Alexander.
                Dat ik mijn trow verra,
    Mishandel doch niet my, uw weew, met soo veel spijten.
                (1140) Hem mind’ ik voor, u na.

    Ik wierd uw vrow, alleen uit eersucht, want de liefde
                Ontsei aan u mijn hart.
    Gy dan daar uit geraakt, Prins Orondaat, die ’t griefde,
                Daar van verwinnaar ward.

    (1145) Die plaatst daar in soo vast sijn goddelijkke werkken;
                Dat, soo sijn beeld door ’t lot
    Moet sijn te niet gedaan, dat men dan breek twee kerkken;
                Het autaar en den God.



VYFDE TONEEL

Roxane. Arbate.

Rox. DAar keert Arbate. wel, hoe staan mijn oorlogsschaaren.
[p. 42]
Arb. (1150) Ik heb by een gerukt de Griekken en Barbaaren.
    In groote saakken drijft de siel op ’t onvoorsienst,
    Dies yvert yder om de eer van uwen dienst.
Rox. Men doe Perdikkas dan om Statira aanranden.
Arb. Licht neemt hy d’oorlog ook om Oroondaat ter handen.
Rox. (1155) Seg op, wat is het, dat u waarschowt van verraad.
Arb. ’k Sag onder eene vaan al ’t volk, dat met hem staat.
Rox. Arbate, als een spie sijn voorneem af ga maalen,
    En kom my vlijtig al uw voorval weêr verhaalen.
    ’k Mis-trow nu self my self. Dat hy hier kom als vrind.
    (1160) Hoe minder kommer, hoe ik meer bescherming vind.
                                                        Arb. binnen.



SESDE TOONEEL.

Roxane alleen.

I.

        ONtaarde bron-aâr van mijn lijden,
                Getuigen self uw oogen niet,
                Sint ik u soo beschermen liet,
            Wat quaad en sorgen my bestrijden,
                (1165) Door suchten en gesicht verwekt?
                Ik heb mijn inborst u ontdekt:
            Maar schoon mijn mond mijn min u melde,
                Soo is nochtans uw siel soo wreed,
            Dat gy dar quaad, dat my ontstelde,
                (1170) Noch, als ontmenscht, aangroeyen deed.
                                                II
            Mijn hart sich kittelt uitgelaate,
                Versoekkend uw meedogentheid,
                En ook uw vriendschaps moogentheid;
            En krijgt het dit van Oroondate,
                (1175) Soo maakt de vreugd my leevens moe,
                Om ’t peinsen, dat my dit komt toe.
            Mijn ydle siele die gy griefde,
                U offerend, wenscht keer om keer,
[p. 43]
            Voor ’t allerlaatst geschenk, uw liefde,
                (1180) Uw haat ten spijt, en my ter eer.
                                                III.
            Geef my, dat ik u geef in ’t leeven,
                O wreede Prins! indien ’t u smart
                Dat gy verlooren hebt uw hart,
            ’k Wil my, om ’t weêr te vinden, geeven.
                (1185) En is ’t aan Statira verknocht,
                ’t Sal worden in haar hart gesocht,
            Want my komt eigen Oroondate.
                Om dan te stellen my te vreên
            Sal sy ’t my moeten volgen laate’,
                (1190) Of ik scheur ’t door haar borstweer heen.



SEVENDE TOONEEL.

Roxane. Hesionne.

Rox. ,, NU hoor ik, wat hy seit, die haat-vol is, doch minlijk.
    Prins Oroondate....
Hes.                 Schijnt afkeerig en onwinlijk.
    Wiens hart-aâr van de min noit t’uwen opsicht klopt,
    Wijl ik dien held bespeur, dat hy sijn leed verkropt.
    (1195) Hoe veel stantvastigheid hy toonde in sijn weesen,
    Noch kan men raserny en droefheid daarin leesen.
    Sijn hart veel vroomer als sijn leevens tegenspoed,
    Beswijkt voor al de pijn, die ’t lot hem lijden doet.
    Sijn siel dan onder ’t juk van sulk een last aan ’t swichten,
    (1200) Barst uit in suchten, om haar geesten te verlichten.
Rox. O doodelijkke pijn! die Lief en Liefde treft,
    Sterft gy door swijgen of door spreeken? Ei! beseft,
    Om niet mijn lijden met meer ongeval te tergen,
    Of ik mijn driften moet ontdekken of verbergen.
    (1205) Helaas! ’t is my aleens, ’t zy dat ik spreek of swijg.
    Ik weet niet, hoe ik voor mijn siel noch adem krijg.



[p. 44]

ACHTSTE TOONEEL.

Roxane. Hesionne. Arbate.

Arb. NIet sonder reên, Mevrow, scheen mijn gemoed te schroomen.
Rox. Arbate, spreek recht uit.
Arb.                     Uw vyand is aan ’t koomen.
Rox. En welke? want de min heeft my in staat gebragt,
    (1210) Waar in ik duisenden van vyanden verwacht.
Arb. De Prins Perdikkas, en Kassander aangedreeven
    Door liefdedrift, uw Hof met Leeger-volk omgeeven,
    En souden, door geweld van vyands-bloed in ’t stof,
    Al schier gedrongen sijn tot binnen in uw Hof,
    (1215) Om daar te dooden in uw arm, uw Oroondate.
Rox. Mijn dochter, ondersteun my, hou my vast Arbate.
    ’t Geweld onlijdlijk is, dat op mijn boesem slaat;
    Door pijn, die ’k lijde, mijn gevoelen my vergaat.
    En sulk een slag, waar meê het noodlot my komt raakken,
    (1220) Doet mijn bedwelmde siel na vreugdig’ uitkomst haakken.
    Niet meer my ondersteunt. Dat ik beswijk! mijn aâm,
    Mijn oogen en mijn hart beswijkken al te saam.
    Ik sterf mijn Hesionn’. Ik sterf mijn trow’ Arbate.
Arb. Draag sorg Mevrowwe.
Rox.                                     Ga, bescherm dan Oroondate.
    (1225) Daar is mijn meeste sorg....
Hes.                             O gooden! sy versmacht.
Arb. Sy opent haar gesicht, nu ’t hart hervat sijn kracht.
Rox. Hoe voel ik my uyt d’een in d’andre onspoet glyen!
    Gy pijn, gy liefde, meld door welke tooveryen,
    En door wat weegen gy een arme siel ontmoet,
    (1230) En, die gevoeloos was, opniew gevoelen doet.
    Sal ’t gelden Oroondaat? komt dan mijn siel ontginne’,
    Die meerder is in my, als hem, dien ik beminne.
    Men geef het lichgaam op, en spaar het hart. Men ga,
    Men ga hem bystand doen!
[p. 45]
Arb.                         Ah! vrees hun ongena.
    (1235) Door blindheid van geweld der uitgelaate gasten,
    Kon ’t weesen, dat sy u ook quamen overlasten;
    Sy sloegen acht, noch op uw hoogheid, noch gemoed.
Rox. Wel dan, ik offer, aan hun honger, vlees en bloed,
    Om ’t edel minne-rif van Oroondaat te spaaren.
Arb. (1240) Elk eist hem.
Rox.                         Elk sijn eisch sal moeten laaten vaaren.
    Eer gaf mijn minnaar door sijn eigen hand sijn siel,
    Eer hy in hand van die on-menschelijkke viel.
    Ga en bescherm dan, tot uw laatste aâm, sijn leeven,
    Slag-leever hun, Arbaat.
Arb.                 Al sou ik moeten sneeven
    (1245) En stappen na mijn graf, soo is mijn drift doch groot.
    Om u te dienen, vlieg ik willig in mijn dood.
Rox. Ga Hesionne, haal my hier mijn Oroondate.             Hes binn.



NEGENDE TOONEEL.

Roxane alleen.

O herssens kitt’ling! wilt uw blinde Troon-roem laate.
    ’t Is ydel, ’t is al niet, daar d’eersucht my meêvleit.
    (1250) Ik haat den Scepter en de weerelds Majesteit.
    O Kroon! die met uw vlucht neêrploffen woud mijn staate’,
    Gy, gy verlaat my niet, ik ben ’t die u verlaate.
    O Troon! die ’k noit meer wensch met voeten te betreên,
    Soo ’t huwelijk niet maakt ons beider harten een.
    (1255) Perdikkas al te wreed! t’ondankbaar! t’uitgelaate!
    Ik laat u Statira, laat my mijn Oroondate.
    Wijl, dan ons liefdens bei sijn doodlijk voor ons’ eer,
    Soo neem uw minnares, en schenk mijn minnaar weêr.
    Weg-neemend d’oorsaak, daar uw siel meê schijnt te stryen,
    (1260) Raakt ook het voorwerp los van onse jaloesyen.
    Op dat ons d’yver dan niet stort ten doodpoel in,
    Vernoeg sich yder met het voorwerp sijner min.
    Maar wat geklikkak op rondassen treft mijn ooren?
    Op holle schilden schijn ik sabel-slag te hooren.
[p. 46]
    (1265) Ik spoei my toorn-waarts, en, sie van de trans, hoe ’t gaat;
    Edoch vermomt.



TIENDE TOONEEL.

Perdikkas. Kassander. Soldaaten. Roxane op een toorn.

Perd.         WAt docht Kassander van die smaat
    Diew’ Andiagoras en al sijne meede-standers
    Met vluchten deeden?
Kass.                     ’t Gaat tot noch toe wel. Niet anders
    Had ik ten wraakke van Roxane my verbeeld;
    (1270) En soo Roxane my geen weêrmin meededeelt,
    Noch tot navolger wil van Alexander kiesen,
    Soo sal, of sy, of ik, door ’t staal het hooft verliesen.
Perd. Leg neêr uw wapentuig Roxane. En ik sweer
    Dat al mijn krijgsgeweld u doet geen hinder meer,
    (1275) Indien gy u verkloekt my Oroondaat te geeven.
Rox. ,,Eer ik u min, of hem u geef, eer wil ik sneeven.
Kass. Men spoei al voort, en graas in ’t ingewand der stad.
    De trom vast rammelt, en de flitsen vliegen, dat
    De Maan haar aansicht dekt. ’k Hoor klettren langs de keeg’len
    (1280) Van ’t kleppend hoefstaal.
Rox.                 Hier sal ik mijn min na reeg’len.
    Daar sal ik Oroondaat in vryheid by doen sijn,
    Om hun te stutten ten behoud van hem en mijn.
    Ik wacht hem in mijn saal, daar ik hem had bescheiden.
Perd. Trek op dan mannen! laat de kling een weg bereiden
    (1285) Tot voordeel van de stad, en nadeel van Roxaan.                 Binnen.



ELFDE TOONEEL.

Roxane. Hesionne. Oroondate.

Rox. Myn staat gevaar loopt; maar: daar komt mijn schermheer aan.
    Wat mannelijkke tret? wel nu uw droeve bresse’
    Sijn die verandert Prins?
Oroond.                 Ei! geef my mijn Prinscesse,
Rox. Ik u Roxane geef.
Oroond.                 Ei! neem die gift vry weêr.
[p. 47]
    (1290) Verwacht ook uit mijn mond geen vleyeryen meer.
    En maak u niet op ’t niew aan saamenspraak weêr schuldig.
    Waar door mijn hart verteert en ’t brein word onverduldig,
    Verquist geen tijd meer in een min-taal, die ik schuw.
    Ik heb geen ooren noch geen oogen meer voor u.
    (1295) De schrik, die ’k heb voor u, voert my my self te buiten.
Rox. Men siet uw siel, in ’t geen gy haat, het minst besluiten,
    En meest in ’t geen gy mint. Waarom ik ook soo niet?
    Gy trotst my, en uw trots mijn liefde niet ontsiet.
Oroond. Roxaan’,in goden naam, is ’t waar, dat gy my minde?
Rox. (1300) Mijn god is Oroondaat, dat hy hem weerdig vinde
    Te sweeren by sich self, en dat hy my noem, Lief.
    ’k Verbind my op dien eed, dat ik verhoor sijn grief.
Oroond. Schenk my mijn vryheid.
Rox.                         Wel, die schenk ik u daar neeve’,
    Onweerdig d’onderstand die ’k u behulpsaam geeve.
    (1305) Ga, ga wanhoopig Held, en vin Perdikkas, ga,
    Ga werp u in sijn arm, en voel sijn ongenâ.
    Uw vyanden u aan de Hof-poort reeds verwachten,
    Om dat sy wenschen, als uw makkers, u te slachten.
    Ga, kniel, als ’t offer, voor de voet van hun altaar,
    (1310) En neem van haaren dolk den laatsten doodsteek waar.
Oroond. Daar sou ik beeter sijn als hier by u.
Rox.                                             Ten teeken
    Van dien, soo sullen sy, my, als hun selven, wreeken.
    Gedenk wat gooden gy met uw slacht-offer blust.
Oroond. ’k Sal sterven wel getroost, ja dubbel wel gerust.
    (1315) Gy sult niet langer by uw dwinglandy my vinden,
    En siende Statira van my, haar siels-beminde,
    (Schoon ik mijn moedig hart haar bloedig swaart aanbiê)
    Sal ik haar niet meer sien, daar ik die makkers sie.
Rox. Verlaat gy haar dan?
Oroond.                         Neen, maar gun ik haar verdeedig;
    (1320) Geef my een staal, waardoor ik self de dood beleedig.
Rox. Gy krachteloos geweld, en anders niet, hun doet
    Mijn Oroondate, spaar mijn traanen en uw bloed.
[p. 48]
Oroon. Laat my doch gaan Mevrow.
Rox.                     Uw gang sal u verdrieten.
Oroond. So gy my wel wild, so doet my mijn kling genieten.
    (1325) Kunt gy gedoogen, dat die twee ontmenste my
    Hier quaamen dooden voor uw oogen? en dat sy
    Uw hart door-reegen en hun dolk met bloed bekladden,
    Dien sy alvoorens in mijn bloed getempert hadden?
Rox. My doen een van die twee rampspoeden hartlijk seer.
    (1330) Noch vrees ik min uw dood, maar uw afweesen meer.
    Gy sult dan vluchten? doch ten schaad niet. * Haal sijn deegen.
                                        * tegen Hesionne, die binnen.
    Ha liefde! kan ik hier geen toverkunsten pleegen?
    En wijl ik deelgenoot van sijne welvaart ben,
    Hoe is ’t, dat ik om hem dat nachtgeheim niet ken?
    (1335) Gemerkt dan, dat sijn dood my sonder troost sou laate’,
    Soo wensch en wil ik, dat geen scherp quets’ Oroondate.
Oroond. Die uitslag word van een onlukkig’ u ontseit,
    Soo gy hem schenkken moet ’t lot van onsterflijkheid.
    Soo ’t sijn moet, dat uw wensch verlangen most mijn leeven,
    (1340) Ik sou u weinig danx voor sulk verlangen geeven.
    En soo uw wensch voor my het eewig had bereid,
    Soo koos ik eer de dood, als die onsterflijkheid.
Rox. Indien u Statira aanbood onsterflijk leeven,
    Gy soud haar grooter dank, als al de gooden, geeven,
    (1345) En self de kleenste lust van haar u soeter scheen,
    Als al ons handlen van verheeve minne-reên.
    Uw siel, versaadigt door haar onversaade oogen,
    Door twee uitsinnigheên sou worden onvermoogen,
    En sulke grillen, vier of vijf, in uw gemoed
    (1350) U scheenen meerder weerd, als al het heemels goed.
    Dus schend uw oog het werk.
Oroond.                         Ik sal dat beeld bewaaren;
    En mijne siel, waar in de weerschijn leeft van haare,
    Haar afgod over al meêvoerend, sal het lot,
    Haar gansch genieten doen het voorwerp van haar god
    (1355) Daar dan mijn sinnen, die langduur’ge pijn uit stonden,
    Daar dan mijn oogen, van uw haatlijk beeld ontbonden,
[p. 49]
    In ’t minst niet waardig sijn haar schoonheids dag te sien,
    Daar sou mijn siel haar dienst, haar lief aanbiddend, biên.
Rox. Quam u wel eenig goed, dat noit bedurf, te veuren?
    (1360) In ’t midden van uw tocht sou ik u koomen steuren,
    En houden voor uw oog een haatelijkke vrow,
    Waar van uw siel dan, door uw oogen, schrikken sow.
    De liefde... maar daar brengt uw wapens Hesionne.



TWAALDE TOONEEL.

Roxane. Oroondate. Hesionne.

Rox. ’t IS Statira dan, die u sal bekooren konne’?
    (1365) Uw hart door het verbond, met hare siel versterkt,
    Houd voor onweerd de gunst, die u mijn hart bewerkt.
    Haar schoone bystand u onwinbaar schijnt te maakken,
    Om al uw makkers te doen sneuvlen. wilt niet wraakken
    De wenschen, wreedaard, die een vrowwe voor u doet,
    (1370) Als deelbaar aan de eer, die u in ’t veld ontmoet;
    Want onse min, tot uw bescherming, eens van aart is.
    Sijt my, soo wel als haar, dan dankbaar die het waart is.
    Schoon van ons beiden in dit adelijk verband
    Sy eerst gewapent heeft uw hart, en ik uw hand,
    (1375) Soo wik, of u het hart of d’hand, doet zeegepraalen,
    En wien gy van ons tweên die glori moet betaalen.
    Ah! krachtig voorwerp dat ik voor mijn oogen stel.
    Van waar mijn liev’ Arbaat?



DERTIENDE TOONEEL.

Roxane. Oroondate. Hesionne. Arbate.

Arb.         IK na mijn dood-uur hel,
    Dit is de rechte loon van mijn verraderyen,
    (1380) Die ’t end mijns leevens doen in uw byweesen lyen.
    Uw meedeminnaars sijn tot in het hof geraakt,
    Daar elk, vol nijd, gewach van sijne liefde maakt,
    En daar men my voor ’t eerst slag-offer aan wou steekken,
    Kassanders sabel sal u van mijn misdaad wreekken.
    (1385) Ik sterf, en soek een plaats, van waar ik vlieg om hoog.
[p. 50]
    Mijn voorhoofd schaamt sich van te sterven voor uw oog,
    En ’t hart in my vol schrik voor hun te moeten sterven.
                                                                            Arb. binnen.



VEERTIENDE TOONEEL.

Roxane. Oroondate.

Oroond. ONtrouwe sulk een eind, gelijk hun voegt, beërven.
    Waar wacht gy na Roxaan?
Rox.                 ’k Moet swijgen, ik u niet
    (1390) Bewaaren kan, en kan u ook niet laaten. Siet
    De laatste slag van ’t lot.
Oroond.                 Doet my mijn wapens schenkke’.
Rox. Sta toe eerst, dat ik in mijn traanen die verdrenkke,
    En dat mijn eer-naam sy door dit geval vergroot,
    Dat ik u beevend geef bereidsels tot uw dood.
    (1395) Maar,’t hart verbied my, dat mijn hand reeds had begonne.
    Doe gy die dienst hem, die hem doods is, Hesionne.
Oroond. Doe my een dienst Mevrow van meer bevalligheên.
Rox. Wel; hy is d’uitval aan my schuldig dan alleen.
    Ik ben maar d’oorsaak half, indien hy daar moet sneeven,
    (1400) Want sijn begeerte bracht hem noodloos self om ’t leeven.
    En soo hy komt van daar als een verwinnaar weer,
    Soo krijgt mijn hand, die hem gewapent heeft, die eer.
    Daar; neem uw wapens dan. Ah! hoe word ik bewoogen.
Oroond. Die weldaad Koningin....
Rox.                                 Ga Prins, ga uit mijn oogen.
    (1405) Vlucht sonder dat ik ’t sie. Verlaat dees plaats, en quel
    Noch dwing my niet, dat ik u seggen moet, Vaar wel.
    ’t Geen ik u eewig wensch, ken ik mijn min te rechte.
Oroond. De goôn.....
Rox.         Met suchten en met traanen moet ik vechten.
                                                                            Binnen.
Oroond. O gooden! die mijn hart meêdoogentheid stort in,
    (1410) Roxaan mijn vriendschap hebb’, en Statira mijn min.
Continue
[
p. 51]

VYFDE HANDELING.

EERSTE TOONEEL

Roxane. Hesionne.

Rox. HOe Hesionne! van mijn Troon mijn Graf te maakken?
Hes. Men siet uw vyanden voorspoedig binnen raakken.
Rox. Al binnen mijne stad?
Hes.                                 Ja Babylon is haar.
    Vorst Artaxerxes, vraagt, met blixem-blikken, waar
    (1415) Sijn susters sijn, en met gevolg van vuur en koorde’,
    Getuigt hy overal, hoe gy sijn hart verstoorde.
    Een on-meêdoogen en een wanhoop drijft hem aan,
    Om veeler vriendschap met uw bloed op een te laân
    Lysimachus, vol toorn, word langer hoe verwoeder,
    (1420) En volgt sijn dollen droes ter wille van fijn broeder,
    Naspeurend met verlang het hof van Parisaat’.
    Dus gist de Liefde van dien dwaas in overmaat.
    Prins Oroondate kruist vol raserny de straaten,
    En is soo dapper in verwoedheid uitgelaaten,
    (1425) Dat elk, die hem ontmoet, met kling of javelijn,
    Hem, onder d ’oploop, een Perdikkas schijnt te sijn.
Rox. Weet gy ’t geheim, hoe sy de stad sijn ingekomen?
Hes. Die intreê was hun licht, toen ’t werk was ondernomen,
    Seleukus deê rond-om de Babylonse wal
    (1430) Roô Standaarts rechten, met welk teekken over al
    Uw Heir, vol ontrow, scheen uw vyanden te seggen,
    Dat elk sijn Storm-leer vry kon aan de muuren leggen.
    Perdikkas met sijn troep was eer niet afgespat,
    Eer dat Kassander lang sijn post verlaaten had.
    (1435) Dus was het Stads-verraadden vyand opgegeeven.
    De aan- en in-val brusk en stout wierd aangedreeven.
    Noch kan de vyand wel gedwongen worden, ja
    Uw macht hem jaagen kan tot in sijn leeger na.
[p. 52]
Rox. Hoe ging ’t, wat hoort gy van Perdikkas en sijn vaane?
Hes. (1440) Niet.
Rox.             Van Kassander?
Hes.                         Niet.
Rox.                                     Geef u dan op Roxane!
Hes. Geef u dan op! aan wie?
Rox.                                 Wel, aan my self alleen,
    Ik ben deselve noch na dees’ oproerigheên.
    ’k Verwacht, schoon gy hier sijt, dat yder ogenblikken,
    De liefde my verlaat, om my te doen verschrikken.
    (1445) Waar wacht gy na Roxaan? wat lot moet gy vermoên?
    O liefde! welke hand sal my de dood aandoen?
    Doch soo ik iets op u vermag met mijn gebeede’,
    Soo geef, dat Oroondaat my self de dood aandeede!
    Geef heemel, dat ik hier sie die doorluchte siel,
    (1450) En dat hy d’eerste zy die voor mijn oogen viel.             Binnen.



TWEEDE TOONEEL

Oroondate al woedende.

Oroond. WAar schuilt helden? is de lust van my te dooden
    Soo haast verkout? sijt gy voor sulk een Prins gevlooden,
    Dien gy soo kort te voor verweesen had ter dood?
    Ik ben uw mergeseli n liefd. Doet u de noot
    (1455) Roxaan’, en Statira, en my, soo dra verlaate?
Perd.van binnen. Kassander! herwaarts, ’t schijnt ik hoor daar Oroondate.



DERDE TOONEEL.

Artaxerxes. Araxes. Oroondate, met bloote saabels en gevolg van Edelen aan d’eene. Perdikkas. Kasander, en Trawanten aan d’ander zijde.

Perd. WAar is de Prins?
Oroond.                 Hier is uw vyand of uw vriend.
[p. 53]
Perd. Sie hier Perdikkas dan, daar u ’t geluk van diend.
    Soo ik u had gedood, toen ik het kon voor deesen,
    (1460) Ik sou de dood ook nu niet van uw handen vreesen;
    Maar soo g’ uitheemsche Prins sijt edelmoedig, en,
    Indien gy Statira, die ik genooddrukt ben
    Tans te verlaaten, u en uwe min keurt waardig,
    Soo sult gy trachten my het leeven edelaardig
    (1465) Te neemen, of het uw te geeven hier ter steê.
    Ons vrienden wedersijds staan als getuigen reê
    Van onse laatste daad. En schoon ik door mijn daade’
    U niet verplicht heb tot beleeftheid of genaade,
    Soo weet doch, ik voor u bewaart heb Statira,
    (1470) Die sonder my niet meer in ’t leeven was en.....
Oroond.                                                     Ia,
    Mijn wraak, hoe ik die socht door uw verniste daaden
    t’Ontschuldigen, sou sijn ten hoogsten wel beraaden.
    Maar voor de dienst die gy hebt Statira gedaan,
    Sal ik uw leeven niet alleen niet tasten aan,
    (1475) Maar laat u ’t leeven, soo gy ’t wilt van my aanvaarde’.
Perd. Neen, Alexanders stam is van een meerder waarde.
    Wy neemen’t leeven niet uit onse vyands hand.
    ’t Vernoegt my, dat uw deugd my aanbied tegenstant.
    Door uw ontsag, dan niet, maar door uw heldendeegen,
    (1480) En door Perdikkas dood, verhoopt voor u de zeegen
    Van onse Statira.
Oroond. tegen Artax. en gevolg.     Eêl-moedig vrienden-tal,
    Gy hebt mijn eer te lief, dan dat in dit geval
    Die sneuvlen sou; ’k versoek, dat ik alleen mag onder
    Ons allen strijden met Perdikkas, en ook sonder
    (1485) Uw bystand. Soo het dan de groote goden lust,
    Dat sijn beroemde * dach de lamp mijns leevens blust,
    En hy my sterven doet, soo eisch ik van u allen, * deegen.
    Dat gy, sijn overhand ten loon, en te gevallen
    Van onse vriendschap, hem sijn manlijk leeven laat,
    (1490) En in sijn vryheid stelt. Perdikkas Prins, verstaat
    De twee-strijd, die ik thans heb tusschen ons beslooten:
[p. 54]
    Mijn bloed door u, of ’t uw door my moet sijn vergooten,
    Bereid u tot dienslag.
Perd.                     Kassander, gun my d’eer
    Van hem te doôn.                Sy vechten.
Oroond.                 Gy kunt u tegen my niet meer
    (1495) Verdeedigen! neen! maar ontfang van my uw leeven,
    Daar ik de sorg voor draag; of dat sal u doen sneeven.
Perd. Mijn leeven is niet in uw macht Prins Oroondaat,
    Vermits ik u alleen uw leeven overlaat,
    En d’overwinning en uw Statira met eenen.
Oroond. (1500) Geef op uw siel. De Son uws leevens is verdweenen.
Perd. Aimy!                                     Valt dood ter aarde.
Artax.         Daar leit die held gesneuvelt door de hand
    Van Oroondate, dien hy door vervoerde brand
    Niet lang te vooren, als een vyand, dacht te dooden.
    Die selve Stad ontfangt den adem van dien snooden,
    (1505) Die soo onwaardig sijn gesag daar heeft misbruikt.
Oroond. Of schoon uw Schild-dragt voor mijn strijtbre sabel duikt,
    Soo voel ’k doch meêly om mijn hulp u by te setten,
    Termin van Statira. ’t Gesicht vind ik vol smetten,
    Gebloed-ritst, ’t hart gegrieft.
Kass.                 ,, Nu dunkt me dat ik sie.
    (1510) ,, Geneegen wraaktijd, wijl hy op sijn linkker knie
    ,, Aan ’t Lijk geleegen, poogt die doode Siel t’ontroeren,
    ,, ’t Lijk van Perdikkas en de wanhoop my vervoeren.
    ,, Met opgeheeven swaard neem ik de wraak daar van,
    ,, En sonder meêly, val dien Prins, vol meêly, an,
    (1515) ,, En tref hem dus, dat hy het hoofd en al moet bukken.
    Hou daar.....
Artax.                 Die slag geschut verwekt uw ongelukken.
                                                            Sy vechten.
    De Tulband valt hem, sie, wie die verrader sy.
Oroond. Hoe nu! Kassander? geef Prins Artaxerxes my
    Kassanders leeven.
Artax.                             ’k Schenk dien bloodaart u.
[p. 55]
Oroond.                                                 Kassander,
    (1520) Ontaarde Ridder, die van Koningk Alexander,
    Door uw fenijn gestikt, na-volger heet, geef u
    Flux aan my over, die hier voormaals meer, als nu,
    Uw Vriend was. reik uw kling. met staal gewicht van boeyen
    Lei-men hem hofwaart, om Roxane te doen groeyen
    (1525) Van jaloesy, en haat, en liefd. drie beulen, die
    Haar inborst knaagen en u plaagen alle drie.            binnen.



VIERDE TOONEEL.

Roxane. Hesionne. Kassander gevangen. Lijfwacht.

Rox. VAn veel voorwerpsels komt daar ’t schriklijxte van allen.
Kass. Hebt gy in ’t schennen van een arme Prins gevallen?
    Uw last Soldaaten slechts tot mijn bewaaring leit.
    (1530) Waar leid gy my dan?
Rox.                     Sta Kassander, en verbeid
    Tot ik bespiegelt heb al uw rampsaligheede’.
Kass. Is dan mijn ongeluk u aangenaam? seg wreede?
    Gy sijt het Treurspel weerd, dat ik u oog vertoon.
Rox. Voor dat gy speelt die rol dank ik de groote Goôn.
Kass. (1535) Die hebben u met een ontaarde Siel beschonkken,
    En doen, met ongevoel van eigen self, u pronkken.
    En wijlmen in uw hart geboore wreedheid vind,
    Soo weet ik niet, waar door gy Oroondaat bemint.
Rox. Dat hy mijn afgod is, sijn noodgeheims beschikke’.
    (1540) Dat hem mijn hart aanbid’! en dat het voor u schrikke!
    En sonder dat ik oit mijn min verandren laat,
    Soo wensch ik, dat hy heb mijn Liefde, gy mijn haat.
Kass. Gy meent my met uw haat te pijnen in ong’naade,
    Maar meer uw Liefd’ hem schaad, als my uw haat kan schaade.
Rox. (1545) Uw pijn-straf matig ik in geenen deel my aan.
    Uw winnaar keuren mag, wat gy hem hebt misdaan;
[p. 56]
    Dus voor de tweede maal gewapent op sijn leeven.
Kass. Voor d’eerst’ of tweede maal daar is niet aan bedreeven.
    ’k Draag wapens tegen hem, en wapens tegen u.
    (1550) Maar, hoe mint gy hem dus, en hoe is hy so schuw?
Rox. Daarin misdoe ik meest, dat ik hem so beminde.
Kass. Daar in misdoe ik meest. dat ik u so besinde.
    Ondankbre! ik beswaar met mijne daad uw daân.
    Mijn Liefde.....
Rox.             In het minst wensch ik geen deel daar aan.
    (1555) Maar volgens reeden, die uw Min my stelt tot voorspraak,
    Noem ik Prins Oroondaat van al mijn daaden d’oorsaak.
Kass. En al mijn misdaân sijn veroorsaakt door Roxaan?
Rox. Ia, want d’uitwerxels u gevoelig kleeven aan.
Kass. En van u misdaân komt gy ook uw straf te lijden,
    (1560) Maar ’t is my leet, dat noch uw makker loopt ter zijden.
Rox. Mijn Minnaar schuldig aan de straffen van mijn doel?
    Ach! dat hy draag de naam, maar noit de straffen voel.
Kass. So ’t Lot u in mijn haat mijn wenschen wil verschaffen,
    So wensch ik, dat gy draagt de naam en ook de straffen,
    (1565) En voor uw gruwels lijd een lijdeloos geweld.
Rox. Die schuldig is, als gy, sie ik het eerst geknelt.
Kass. Maar gy, gy word bewaart tot noch veel swaarder plaagen.
    Ik hoop u noch te sien van alle hoop ontslaagen.
Rox. Wat kan ’t u baaten, dat geen hoop my overblijf?
Kass. (1570) Mijn hoop uws onhoops maakt my meester van uw lijf.
Rox. Waant gy, ik in usie een tweeden Oroondaate?
Kass. Mijn wraak in meer vermaak sich voorneemt uit te laate’,
    Die Hoop in ’t midden van mijn rampen my noch voed,
    Dat ik Roxane noch sie vallen my te voet,
    (1575) En dat sy needrig mijn onsterfbren haat sal koelen,
    So als haar Liefde my mijn lijden deê gevoelen;
    Tot dat sy, opgevult van droevig ongeval,
    Haar Lot beschreyen, ik, haar Lot belacchen sal.
                            Kassander met een gedeelte der soldaten binnen.



[p. 57]

VYFDE TOONEEL.

Roxane. Hesionne. Lijfwacht.

Rox. WAar moet men my doen? dat men my lei, Soldaate’.
Lijfw. (1580) Mevrow ’t en mag niet sijn, dat m’u in vryheid laate.
    Wilt ons gedoogen tot Trauwanten van uw lijf.
Rox. ’k Sal niet vertrekken; ’k heb geen kommer mannen; blijf
    Tot mijn bewaaring vry, ik sta ’t u toe. Wat hoonen,
    Wat vreeslijk dreigen quam sijn mond en oog vertoonen!
    (1585) Wat sei hy Hesion? verstond gy hem wel? ah!
Hes. ’t Sijn tijdverdrijfsels, die hy niet genieten mach.
Rox. Niet schiet’ er over als mijn makkeres t’ aanschowwen.
    Dat wy ons self dan op die Galdery betrowwen,
    Van daar bespietmen ’t rot der vrye Statira.
                                        Gaan na de Galdery van binnen.



SESDE TOONEEL.

Seleukus. Statira. Mandane. Soldaaten.

Sel. (1590) Mevrow, Prins Oroondaat volgt my so daadlijk na.
    ’t Vernoegt my, dat ik u door duisend ongelukken,
    Van daar het krijgsvolk woed, hun schennis quam ontrukken,
    En dat gy hier ter plaats sult sijn in meerder rust.
Stat. Noch ’t een, noch ’t ander hof (bei schriklijk) my verlust.
    (1595) In dat Perdikkas woont, in dit mijn vyandinne.
    En yders Hof een weerd, vol on-eer, heeft van binne’.
    ’t Is ver, dat hier mijn oog vermaak wierd aangedaan,
    My dunkt, ik steets ontmoet Perdikkas en Roxaan’.
Mand. Sie daar, Roxane weêr ter galdery aan ’t woede
    (1600) Met een ontbloote Pook, Mevrow sijt op uw hoede,
    Dat niet uw lichaam in uw vryheid word gewont.
Stat. Men treê van hier eens, licht of Oroondaat ons vond.



[p. 58]

SEVENDE TOONEEL.

Roxane. Hesionne op een uit-steekkende galdery.

Rox. SAl ik my lijden doen een dood die ’k wel verdiende?
    Sal ik my dooden doen van mijne tegen-vriende’?
    (1605) Of sal ik Statira, die ik heb willen doôn,
    Om ’t leeven smeekken. Neen! die on-uitwisbre hoon
    Voegt geen Roxaane, noch een weew van Alexander.
    Sterf, sterf ellendige! doch sterf niet door een ander,
    Maar door uw eigen hand. Werp, als een Amazoon,
    (1610) U van dees galdery te plettren. Maar, de Soon,
    Dien ik beswangert draag van sijn vergoode vader,
    Gelijk ’t Orakel melt, sou ik, hoe langs hoe quader,
    Die koningklijke vrucht, dien onwaardeerbren Soon
    Doen sterven? wreeder als Medéa sou ik Goôn
    (1615) En menschen sarren, so ’k hem doode in mijn toorne.
    Waarom doch kan ik niet van u, mijn ongeboorne,
    Mijn leeven scheiden, en de schuldige Roxaan
    Doen sterven sonder u te dooden? Sie niet aan
    Hoogwaardig bloed der Goôn t’on-menschelijk geweemel
    (1620) ’t Geen my het noodgeheim en d’onbarmhartig’ heemel
    Doet tegen u begaan. Misschien scheeld’ uw geboort
    Van ’s vaders leeven, en door mijn self eigen moord,
    Soo erfde gy veel-licht meer ondeugd van uw moeder,
    Als van uw vader deugd.



ACHSTE TOONEEL.

Seleukus. Statira. Soldaaten. Roxane. Hesionne.

Hes. Daar nadert de Behoeder
    (1625) Van Statira met haar.
Rox.                     Hou Statira! hoor aan
    De laatste woorden, en beschow de laatste daân
    Uws Koningins. ’k Wil u om geen vergifnis bidden
    Van duisend misdaan, die ik tegen u, in ’t midden
[p. 59]
    Van Min en On-min heb begaan; sy sijn te groot,
    (1630) Te kloek, te braaf geweest, dan dat ik dies genoot
    Vergifnis of berow, ik eisch van u geen leeven,
    Noch lijfs genaade. Nu de Goôn u vrydom geeven,
    So zeegepraal vol vreugd vry over mijne dood
    En misdaân. maar so dra als mijn bevruchte schoot
    (1635) Verlost is van de Soon des Grooten Alexanders,
    So offer ik dien Soon aan u, en niemand anders.
    Hy, onser beider Man, door onser beider vlijt
    Moet in gedachtenis behouden worden. Sijt,
    Wanneer mijn leevens Son beneeden haare kimme’
    (1640) Ten westen is gedaalt, sijt tegen al de slimme
    Handhavers van mijn rif bescherm-vrow. En indien
    Mijn boosheid sneeft, het geen mijn droes noch niet kan sien,
    So berg my, sonder row, in ’t graf by Alexander.
Stat. Daal tot ons af Vorstin, en uw besluit verander.
    (1645) Ik soek geen recht op u, noch op de teere vrucht
    Die gy te saam met u wilt sterven doen. Ik zucht
    Om sulk een moordstuip.
Sel.                             Kom beneeden Hesionne.
Rox. Ik daal met haar, om daar de web, die ’k heb begonne,
    Voort af te weeven met mijn sterven. Bei, ik kom.
Sel.. (1650) Sy woed ten kosten van u en uw Bruidegom.
    De wanhoop sal haar vrucht, en haar noch onheil baaren.
                                            Rox. en Hes. by Sel. &c. op het tooneel.
Stat. Vorstin vol onluk!
Rox.                     Kan mijn onluk u beswaaren?
    Kan dat doen rijsen uw meedoogentheid in top?
Stat. Men geef, ô Koningin, ons vyandschap de schop.
    (1655) Dat ik u dan omhels, als achtend u, mijn Suster.
Rox. Noch vol van liefde stelt uw gunst my niet geruster.
    My uw gestrengheid door uw mildheid kundbaar ward.
    Gewis het heeft sijn reên, dat gy my schenkt uw hart;
    Want gy, die merkt dat ik ondankbre tittels haate,
    (1660) Poogt door uw gaav weêrom te krijgen Oroondaate,
    En my te dwingen tot de weêrgaav van uw gaav.
[p. 60]
    Maar het vermaak van sulk een Prins acht ik te braaf.
    Dan so ik wow voor uw aansienbre vriendschap wijkken.
    Soo kan ik u doch niet ons minnaar doen gelijkken.
Stat. (1665) Ik wil niet fijn verschuld aan mijn bevalligheid,
    Als of mijn schoonheid voor sijn vrydom had gepleit,
    Vind hy dat schoon hier, dat hy vlucht op ’t onvoorsienste,
    ’t Komt door sijn blind-oog toe, en niet door mijn verdienste’,
    Mijn keur is so niet, dat ik meenen sou, dat hy
    (1670) In u gevonden had, het geen hy soekt in my.
Rox. Neen, neen, geniet dat goed u, door mijn dood, te worden.
Stat. So dat vermaak was, ’t was in onrecht en mis-orden.
    En so ik door uw dood ons Minnaar erven moet,
    So word hy veel te duur met sulk een prijs geboet.
Rox. (1675) Ia, ja, gy komt hem door mijn dood my af te persse’.
    Beheersch de weereld dan en hem, als een meestersse.
    Mijn meede-minster boei elk een na uw geval.
    Neem overmacht op hem, gelijk op dit Heel Al.
    Als Alexanders Weew en nu sijn Lief daar neeven,
    (1680) Besit die giften, die ik u weêrom kom geeven,
    Doch ’t eelste van die twee bewaart voor uw gemoed,
    En dank ’er my voor, die u die twee giften doet.
    Beken maar, nu ik met mijn Liefde u laat brallen,
    Dat ik, naast u, alleen hem weerdigst was van allen.
Stat. (1685) Van die twee giften word de helft u weêr gedaan,
    Nu Oroondaat en ik u bieden vriendschap aan.
Rox. Prinscesse, of de dood of weêrliefd my bevrijde’:
    En wijl mijn hoop van Liefd, als stilstaat aan d’een zijde,
    En wijl die keur slechts van die twee is in mijn macht,
    (1690) So sla ik mijn verlangen niet uw vriendschap acht,
    Ik zal de weereld doen mijn doods-verlies ontleeden.
    ’t Sa! deese Pook dan stel een Koningin te vreeden.
Sel. Bedaar! ik offer my.
Rox.                         Kom my niet nader nu,
[p. 61]
    Eer mijn gevoelig leet haar werkken doet op u.
    (1695) Dwing, dwing mijn ogen niet om uw gestel t’aanschowwem,
    Herdenk het leet, dat gy, verraâr, my hebt gebrowwen.
Stat. Ontsinde Minnares? waar brengt g’uw pook na toe?
    Hou stand.
Rox.             ’k Seg u, dat gy ontsiet mijn gramschap. Hoe!
    Wilt gy mijn ogen tot uw min-getuigen howwen,
    (1700) En my, Meê -inster, om u en uw Lief t’ aanschowwen?
    Op dat al ’t hooning-raat, het geen uw liefde teelt,
    My, die vol jaloesy en min ben, sy verbeeld?
    Mijn dood kom al dit voor!.....         Wil haar doorsteekken.



SEVENDE TOONEEL.

Statira. Roxane. Hesionne. Mandane. Seleukus. Artaxerxes. Araxes. Oroondate. met Krijgs-gevolg en Lijfwacht, en Kassander geboeit.

Oroond.         WAt wilt gy doen? ontsinde?
    Lang my uw Pook.
Rox.                     Ia wel, onlukkig die so minde!
    (1705) Is ’t dan beraamt, dat ik niet sterven mag noch moet?
    En dat hy ’t leeven geeft, die u de dood aan doet?
Oroond. De Liefd, die gy my had geleent, geef ik u weeder.
    Wijl u mijn siel voldeê, doch nooit, als nu, gereeder.
Stat. Nu mijn genoegen, hart en herssens, overzied,
    (1710) Gedoog, dat ik Mevrow mijn eerste vriendschap bied.
Rox. Ha! ly doch, dat ik mag of sterven of vertrekken.
Oroond. Trek na Cohortan by uw vader weêr. de vlekken
    Van Griekkenland sijn d’uw en uw gebied.
Rox.                                 Vaart wel
    Gy wreede twee.
Oroond.                         Dat voort mijn Lijfwacht haar versel.
    (1715) Verlaatse niet, weêrstaat al wat haar yver browde.
Rox. Ia, om uw beul te sijn, sal ik noch ’t leeven howde,
    En mits gy ’t so begeert hersien mijn leevens dag,
    Op hoop, dat steets mijn naam uw Huwlijk steuren mag.
[p. 62]
    Wen dan mijn driften my getrow sijn tot de wraakke,
    (1720) So bid ik ’t Noodlot my onsterfelijk te maakken,
    Op dat dan ik, die in uw onrust rust geniet,
    U noch sien sterven mag, en self doch sterven niet.
                                    Rox. met eenige Lijfwacht binnen.



LAATSTE TOONEEL.

Statira. Oroondate. Seleukus. Artaxerxes. Araxes, Mandane. Kassander geboeit. Krijgs-gevolg van Edelen. Lijfwacht. en de Lijk-Tombe van Perdikkas.

Oroond. ALwaar mijn brand my lokt, treed ik als opgetoogen
    Met een verheeven siel, door twee verrukte oogen,
    (1725) Die ’t mannelijk verstand uitputten tot de grond.
    My dunkt, dat deese kus mijn siel lijmt aan uw mond.
Stat. De Tijd geeft vrye moet en u tot kussen oorsaak.
    Mijn siel, die stil swijgt, schijnt van die toelating voorspraak.
    Gy brengt my schaamrood aan. sta op mijn Prins. ei rijs.
Oroond. (1730) Ly, sonder dat uw oog haar minne-nijd bewijs,
    Ly, sonder dat uw schoont verplichte eerdienst derve,
    Dat ik mijn siel in tween met Prins Seleukus kerve.
    Seleukus vol van moed! en goddelijkken Held!
    ’t Gevoelen weerdig, dat de weerelds-faam ons meld,
    (1735) En sulk een vryheid als gy kreegt van Artaxerce;
    Gy, gy behoed de stam van het geslacht der Persse;
    En * haar verlossend van een afgespatte schaar            *Statira.
    Schenkt g’ Artaxerxes aan sijn Suster, my aan haar.
    Wilt met mijn voetval dan mijn dankbaarheid ontfange’.
Sel. (1740) Prins gy misdoet my.
Oroond.                             Wel, dat ik u dan omvange,
    Op dat mijn hart, ontstelt voor d’andermaal, tot wraak
    Volbrenge door mijn arm de plichten van mijn spraak.
Sel. Held! die een hart verdiend, als Alexanders harte,
    En Statira, die een Kassandra is, ter smarte
[p. 63]
    (1745) Den Prins niet, dat het Lot u meede minnaars gaf.
Oroond. Door u en * u ben ik van al mijn rampen af.
                                                                            * Artaxerxe.
Sel. Ia, ik ontken niet, dat ik deel heb aan uw zeegen,
Artax. Daar heeft Nearch met my sijn deel ook aan gekreegen.
Oroond. Dat men ons’ harten vlecht met een omhelsing saam.
Sel. (1750) Gebruik uw tijd Prins tot dat tintel-licht bequaam.
    Die flonk’rend’ ogen een geheelen Prins begeeren.
Oroond. Mijn siel haar self altans mistrowt en vleit. Hoe keeren
    Mijn sinnen, die geroert door ’t straal-gesicht, bereid
    Om al te durven, doen u haar eerbiedigheid.
Stat. (1755) Spreek Oroondate.
Oroond.                         Sou ik ’t durven doen Mevrowwe?
Stat. Ik wil ’t.
Oroond.             Mijn ogen, ei! laat haar mijn siel aanschouwwe.
    Daar leit Perdikkas, in die tombe, neêrgevelt.
    Daar is Kassander, die met hem voerd’ een geweld.
    In ’t kort, ik schiet alleen van uw drie minnaars over.
    (1760) Geef my..... (maar hunne dood maakt licht uw oren doover)
    Ik durf niet.
Stat.         Nu vaart voort.
Oroond.                        ’k En durf.
Stat.                                     Wat eischje? nu.
Oroond. Genaade.
Stat.                 Wat noch meer?
Oroond.                         Daar kniel ik om voor u,
Stat. Van welke misdaad dan versoekt gy mijn genaade?
Oroond. Van mijn verwaantheid.
Stat.                                     Die verdraag ik om uw daade’.
    (1765) Maar die manier waarop gy u betoonen quaamt,
    Vol onbeleeftheid sou my maakken onbeschaamt.
    Spreek op dan.
Oroond.                 Wilje ’t?
Stat.                             Ia, ja ik beveel ’t u Heere.
Oroond. Sult gy my schenkken dan ’t geen ik van u begeere?
[p. 64]
Stat. Ia, hoop maar Prins.
Oroond.                             Ha! ’t is te veel gewaagt; ik schrik.
Stat. (1770) Spreek op Prins.
Oroond.                                 Mag ik u genieten?.... Goôn! sal ik,
    Sal ik gelukkig sijn? seg of ’t Mevrow geviele.
Stat. In ’t eind raakt Oroondaat in mijn geraakte siele.
    Weew en ontboeit ben ik weêr Koningin en d’uw.
Oroond. Sijt voor mijn welvaard niet afgunstig Goôn! noch schuw.
    (1775) Kassander mag dan vry weêr na sijn landstreek keeren.
    En die tropheen, die t’hans vol lof het loof vermeeren
    Van mijne Lauren, deel Seleukus, kleen en groot.
Sel. Gy sijt.....
Oroond.                         Beraad u met Lysimachus, is ’t nood.
    En wat het lot belangt van my en Artaxerce,
    (1780) Wy staan gewillig af de heerschappy der Persse.
    En so ik my, gelijk mijn af komst-stam, vertoon,
    So vergelijk ik my, met Statira, de Goôn.
Stat. Ik heb het al met u.
Oroond.                                 Men laat de Wapens rusten,
    En, ’t brein verbeeldend uw aanbiddelijkke lusten,
    (1785) Sterf in verrukking, die, als onuitdruklijk, geen
    Ter weereld is bekent, dan, die bemint, alleen.
Continue

Tekstkritiek:

voor vs. 301 EERSTE er staat: EERTE