Jan Vos: Aran en Titus. Amsterdam, 1641.
Uitgegeven door drs. G.C. van Uitert
Red. dr. A.J.E. Harmsen, Universiteit Leiden.
Ceneton095780 - Ursicula
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd
met een asterisk. De fraktuurletter is in een aparte kleur weergegeven.

Continue
[
fol. A1r]

ARAN en TITUS,

OF

Wraak en Weerwraak:

TREURSPEL

Van

IAN VOS.

[Gravure]

t’AMSTELREDAM, Gedruckt by Dominicus vander Stichel.
_______________________________

Voor Aaltje Verwou, Weduwe van Balthazar van Dorsten, Boeckverkoop-
ster op den Middeldam, in ’t Schuldtboeck. Anno 1641.





[fol. A1v: blanco]
[fol. A2r]

OPDRAGHT

Aan d’Erentfeste en hooghgeleerde Heere

CASPAR van BAERLE,

Professor der Filosofie inde doorluchtige Schole der ver-
maarde koopstadt AMSTERDAM.

Doorluchtige Man,
WY noemen uw’E. door de mond van alle gezonde oordelen, met de bynaam van Doorluchtigh, zelf met de Poët

            Die, als een Zophokles t’ Atheen,
            Gehoost met hoogh gekurkte laarzen,
            Op ’t duytze Treurtooneel komt treên;
            Daar d’Echo van zyn goude vaarzen
            Het hardste hart zoo murruw maakt,
            Dat ’t oogh een beek van tranen braakt.


Met dien hoogdravenden Poët zeggen wy, daar hy zeit:

            Doorluchtige van Baerle,
            Ghy kostelijcke paerle,
            Aen Amstels Wapenkroon.


Wy offeren, op ’t autaar van uw’ E. onpartijdige oordelen, onze eersteling ARAN en TITUS, of Wraak en Weerwraak, onze misgeboorte, of, om recht te noemen, onze wanschepsel, omzwachtelt met de zoo ware als oude Spreuk:

            Wacht u voor de geen die van Godt getekent is.

op hoope, dat onze schrikdier de oogen van uw’ E. verstand, zoo verschrikken en mishagen zal, dat ghy ’t, de stralen van uwe gunst zult weigeren, en zoo ’t uw’ E. zoo mishaagt, zoo zullen wy, door zulk een mishagen, ons geen meer met ’t rankke en roerelooze schip, van onze vermetelheyd begeven in de grondelooze zee der heylige Poëzye; om niet, door de bulderende stormen der lasteraren, te vervallen inde gevaarlijke klippen der algemene oordelen: Want, zoo onmogelijk als ’t een Vorst is al de wereld wel te beheerschen, jaa zoo onmooghlijk als de natuur een berg zonder dal kan maken, zoo, en noch onmogelijker, is ’t een pen alle oordelen te behagen, maar ik twijffel aan uw’ E. mishaagen, overmits de grootste verstanden vaak de nieusgierigste van oogen zijn, en by wijlen staaren op schepselen, die Natuur de gevoegelijke maat der ledematen, en juiste hoogzelen en diepzelen van hare Vormen, heeft geweygert, ’t zy dat zy ’er yet wonders, of de volmaakte ommetrek van hunne eigen leest in speuren; want de zon blinkt noyt klaarder dan in de omhelzinge der wolkken, dies gelijk is de volmaaktheid noyt volmaakter dan in de verzellinge der mismaakte, ’t zy hierom, of ten minsten om de geesten uit te spannen, als de herssenen afgeslooft zijn, van de hoogte der Hemelen te meten, de diepten der Zêen te peilen, de Aardbodem te omvademen, de Natuur te ontleden van bezielde en onbezielde dingen, de Poëzy, het Goddelijkste van alle, op vaste voeten te zetten. Heeft uw’ E. zoodanigen mishagen,
            Zoo acht ons eersteling ’t getal der lastermonden,
            Als d’ongenaakbre Maan het bassen van de honden.

    Doorluchtige Man, ontfang de misgeboorte op zulk een wijs alsze uw’ E. geoffert word:
Zoo blijf ik                    Uwer E. alleronderdanighster leerling,

            In Amsterdam, den 27 van Octob. 1641.
        JAN VOS .


[fol. A2v]

Op het hooghdravend Treurspel

Van

JAN de VOS Glaezemaker.

SIet hier de kunst op ’t hooghst, de Schouburgh op zijn top,
Het Treurspel op zijn wreedst, de wraeklust vol van krop.
Noyt daverd het aeloud tooneel met meer gespoocks,
Noyt sachmen by de Griek meer bloedgespat noch roocks.
(5) ORESTES hout u mond. ANDRONICUS die raest,
En dubbelt wee op wee, en wraeck op wraeck, verbaest.
MEDEA stilt u toorn, laet THAMIRA vol gals,
Wt bulderen voor ’t volck, en liegen door haer hals.
Boosdadich PELOPS huys, swijght van u moordery,
(10) Nu ARAN hoopt op een en torst zijn schelmery.
Waer wasser oyt een disch gesteurt met meer geraes?
Dan daer de kinders zijn haers moeders laetste aes.
CASSANDRA wort geschent in ROSELYNS gewaet,
Geknot van tong en handt en eer, door ’s Moors verraet.
(15) Hier klaeght d’Onnozelheyt. hier dolt een HERCULES.
Hier krijght de Strengheyt en Barmhartigheyt haer les.
Hier strijt de Keysers kroon met d’ongetoomde min.
Hier kijft de oorloochs mond met ’t geestlijk hofgesin.
    Ick stae gelijck bedwelmt en overstolpt van geest.
(20) De Schouburg wort verset, en schoeyt op hooger leest.
Rijst SOPHOCLES weer op? stampt AESCHYLUS weer hier?
Of maekt EVRIPIDES dit ongewoon getier?
Neen. ’t is een Ambachtsman, een ongelettert gast,
Die nu de gantsche rey van HELICON verrast.
(25) Die noyt gezeten heeft aen Grieks of Roomsche disch,
Wijst nu de weerelt aen, wat dat een Treurspel is.
    ATHENEN las het Spel, en sprack; ick schrijf niet meer,
Die ons door glas verlicht, verduystert al ons eer.

CASPAR van BAERLE.



[fol. A3r]

Op ARAN en TITUS,

Of

Wraack en Weerwraack

Van

J. de VOS.

DEn Adelaar geloct van ’t Capitool beneden,
Viel op een’s Leeuwen aas, dien drijft de Wraeck tot moord,
Daar ’t Roomsch’ gevogelte het naar’ gekerm afhoort.
En sweert het dier, met moêr en jongen, te vertreden;
(5) Dies Dwinglandy verschijnt in grouwelijke kleden;
De Nijd, wiens ommetreck noit red’lijk oog’ bekoort,
Raact op de been, en brengt de felle Bloed-dorst voort.
Melpomene, de wraack hier ziend’ in volle leden,
Sou’ den ontaarden mensch dit woedende gedrocht
(10) Niet schricken, zeids’, indien ’t ter Schouburg wiert gebrocht?
Mit vat de VOS dat woord, en opent de gordijnen
Van het bebloed’ tooneel der dieren wreed van aart
In menschen schijn. Och! wild’ ons ’t quaat in ’t hert verschijnen
In sulck gewaed, wie bleef voor ’t quaet doen niet vervaart.

J. Vander Burgh.




[fol. A3v]

Op het Treurspel


Van

JAN de VOS.

DE Wyngodt (zo de Griek, een kluchtige poëet,
Verzierd) met Xanthias zijn knecht een reyze deed
Naer d’onderaerdsche Goôn, om vonnis daer te haele,
Wie best treurspelen schreef, in zijne moeders taele,

(5) De wyze Euripides, oft schrandere AEschylus,
Daer van d’omstaender niet durfd’ óórd’len zo oft dus:
Waerom dat Bacchus, om de twistzaek recht te scheyden,
Een yders vayrzen in een juyste weeghschael leydde;
Op dat de waerheyd uyt ’t gewicht der vayrzen bleek,

(10) En Aeschylus den kroon Euripides afstreek:
Maer hadde Bacchus met een onpartijdig ooge
Dit treurspel tegens d’ oude eens ernstigh opgewogen,
Hy had
JAN VOS vereert met een gewijde palm,
Om dat hy nu verstrekt der ouden wedergalm.

(15) Liefhebbers, wie ghy zijt, komt ziet, van wat vermogen
Een geest is, schoon hy niet in ’t school is opgetogen.
Een Glazemaker, die niet dan zijn moeders tael
En kan, verdooft de glans bynae van all te mael
De Dichters. Dies wy schier vrymoedig mogen spreeken;

(20) Wijkt Spanjen, Vrankrijk, wijkt zelf Romen, ja, wijkt Greeken.
Ik weet niet of’er wel yet grooters oyt uyt quam.
Schept moed, o nieuwe hoop van ’t magtigh Amsterdam,
En volgt de stappen van den Drost, van Vondel, Huygen,
En wilt de hengstebron met lust en yver zuygen,

(25) Zoo zal men t’zijner tijd noch zeggen, dat uw’ vayrs
Meê wayrdig wezen zal de Sophocleesche layrs.


VECHTERSEN.



[fol. A4r]

INHOUD.

TOen Titus Andronicus, een dappere Veldoverste der Romeynen, na ’t verdelgen der Gotten, haare Coninginne Thamira, te Roomen op ’t Capitolium, in Triomf gevangen brocht, werde Saturninus toen Keyzer van Roomen, zoo bevochten door de schoonheyd des Coningins, dat hy ’er de Scepter boot tot beloninge van weermin, ’t welk zy hem weygerde, ondertusschen waaren de Wichelaars bezich, om Aran, ’t welk een Moor was, in’t byzijn van Saturninus, voor ’t Outaar van Mars, te offeren: de Gotsche Coninginne, die hare gevange Veldoverste, wiens boel zy was, in de handen des Wichelaars zagh, pooghde hem zoo door haar zelfs ten offer te bieden, als door gebeeden te ontsetten; ’t welk Saturninus, op voorwaarde van haare weerliefde te genieten bewilgden, schoon Titus en alle de Wichelaars de Moor ten offer doemden. Aran door zulk een oorzaak op Titus gebeten, besluyt, terwijl ’t Hof op de Jaght is; ’t huys van Andronicus uit te roejen, tot welk een hulp hy Quiro en Demetrius, de Soonen des Gotsche Coningins, naar lange tegenstrevingh zo vervoerde, dat zy Bassianus, des Keyzers broeder, en vryer van Roselyna, d’eenige Dochter van Titus, vermoorde, en Roselyna niet alleen schenden, maar op dat het schelmstuck niet gemelt soude worden, de tongh en handen af snijden, hy self werpt Claudillus en Gradamard, twee Soonen van Titus in een put, daar hy alree een Hellemet met goud begraven had, en strooiden ’er voorts een zekere brief die als ofze door de moorders geschreven was, aan Pollander en Melanus, de jongste zoonen van Titus, kondschap zoude doen, hoe dat zy Bassianus, met hunne broeders vermoord hadden op de selfde plaats, daar zy de Hellemet met goud, dat quansuis ’t loon van deze moorden zoude zijn, begraven hadden, om niet door de munt beklapt te werden, zo dra als den brief van Titus gevonden en door Saturninus gelesen, en ’t goud voor den dagh gebracht, werden Pollander en Melanus met deze Moorden beticht, waar over Saturninus hun ter dood veroordeelde. De Moor hier mede niet vernoeght, maakt, terwijl dat Pollander en Melanus gerecht worden, Titus de Vaader wijs, dat de Keyzer zijne Soonen, zoo hy hem zijne rechtehand wilde leveren, verschoonen zal, Die hy daar op afkapt en aan den Keyser stiert, Quintus de staat jongen van Aran brengt hem uyt last zijns Heers, in plaats van zijn zoonen, de hoofden, en zijne afgekapte hand: Titus die wreedheyd en alle deze rampen peynzende, worde zinneloos, doch door aanspraak van Lucius, zijne oudste Soon, die ’t land ontzeyt was, overmits dat hy zijne Broeders met geweld ontsetten wilde, en Marcus sijne Broeder bedarende, sweert op de aanhitzinge vande Geesten, der vermoorden, Roomen tot de grond te verdelgen, waarop Lucius de Regementen, van zijne vermoorde broeders, sullende naar de Stadt voeren, vind Aran, verselschapt met Quiro, en Demetrius, die hem de hoedanigheid van Roselinas verkrachtinge vertellen, Lucius hier door getergt, krijght Aran, naar eenige tegenstand, dewijl Quiro, en Demetrius, hun op de vlucht begeven, gevangen, en stierde hem voorts, in een besloten Koets, naa ’t Hof van zijn Vader, daar Roselina, Askanius, ’t zoontje van hare broeder Lucius, ’t boek der veranderinge, van Ovidius, inde handen sach hebben, en opengeslagen daar de verkrechtinge van Philomella staat, wijst met de stompen van hare armen, op de Vaarzen, als wllende te kennen geven, ’t gewelt dat haar gedaan was, waar- [fol. A4v] over ’t jongken verbaast, naar zijne Grootvader loopt, en klaagd, dat zijne Moeye zijn boek ontnemen wilde, Titus die op de geschiedenis lette, vreesde voorts dat zijn Dochter meede zo mishandelt was, dies hy de Vaarzen las, en gekomen zijnde, daar de Poët zeyd, maar heeft de jongemaagd verkracht, zo sloegh zy haar Vader ’t boek uit de handen, als of zy wilde zeggen, dat zy op zodanigen wijs verkracht was, waar op dat zy van Marcus, ’t welk haar Oom was, geleerd, de naamen van die haar verkracht hadden, met een stock in ’t zand schreef, Thamera die door hare Zoonen kondschap had, dat Aran van Lucius gevangen was, verschijnt Titus, met hare zoons, die zy hare gespelen noemde, in de gedaante van de Wraak, en zoekt hem door zulk een middel wijs te maken, dat Lucius om de Moor te ontzetten en hem van kant te helpen, de oorzaak van alle de schelmery is. Titus die haar aan de spraak kende, veinst ’t zelfde te gelooven; dies hy haar, op voorwaerde dat zy ’er in de gedaante van zijne bode zou vervormen, om Saturninus stierde. Zoo dra als Thamera vertrokken waar, vermoorde hy ’er zonen, en deê de spieren braden en ’t bloed met Wijn mengen, dat hy ’er, na dat zy met Saturninus op de uitvaart van Lucius, die tot loon van ’t quaat, uit last van zijnen Vader, zoo hy zeyde, ’t hooft ofgeslagen was, ’t vleesch gegeten had, deed drinken, en de hoofde door zijn dochter Rozelina verthoonen, dien hy daar op om niet tot grooter ramp te komen, doorsteekt; en Aran, na dat hy hem door eenen lozen soldering, in een kolk van vuurs deed vallen, tot assche verbrande, en Thamera, in by zijn van Saturninus, ’t hert af stoot; ’t welck Saturninus Titus met gelijke munt betaalde, waar over Lucius de Keyzer de doodsteek geeft, en bekomt door zulk een wraak de Roomsche Croon.

            Het Tooneel is in, en om, Roome, het Treurspel begint, met den dagh, en ein-
                digt, inde andere nacht.


PERSONAADJEN.

Saturninus, Rooms Keyzer.
Marcus Andronicus, Broeder van Tit. An.
Titus Andronicus, Veldtheer der Roomeinen.
Lucius, oudste zoon van Titus Andron.
Pollander,
Melanus,
Claudillus,
Gradamard,
} Zonen van Titus Andron.
Ascanius, ’t zoontje van Lucius Andron.
Rozelyna, Dochter van Titus Andron.
Bassianus, Kaizers broeder en vryer van Rozelyna.
Thamera, Koningin van Gotland, Kaizers bruid, en Arans boel.
Quiro, Zonen van Thamera.
Demetrius,
Aran, een Moor, Veldheer der Gotten.
Leeuwemond, Wichelaar.
Quintus, Staatjongen van Aran.
Tacitus, Bode.
Rey van {
{
Roomsche Borgers.
Tempeliers.
Gotten.
Roomsche Jofferen.
Andronizenzer Jofferen.
Swijgende:
Roomsche Raden.
Roomsche Rechters.
Vier Kornellen.
Philippus.
Camillus.

Continue
[
fol. B1r]

HET EERSTE BEDRYF.

Saturninus. Markus Andronikus. Bassianus.
Roomsche Raden. Rey van Roomsche Burgers.

Saturn.     WIe zal den Adelaar zijn taje wieken fnuyken,
                Nu Titus strijdb’re bijl de Gotsche Leeuw doet duyken
                Voor ’t heylig Capitool? en slaat Augustus merk
                In ’t dartele sieraadt van ’s vyands metselwerk?
Burgers.   (5) Lang leev’ Andronikus.
Saturn.      Hoe schaatren alle volken!
                De Faam draagt Titus lof door ’t drift der bruyne wolken,
                De wyde wereld waagt van zulk een’ Scipion,
                Die ’t Roomscherijk bestraalt gelijk de middag Son.



Titus Andronikus. Thamera. Quiro. Demetrius. Pollander.
Melanus. Claudillus. Gradamard.

Titus.         O Romen rijk van roem: wat torst uw’ hoofd al kroonen:
                (10) Wat swaait uw’ hand al gouds: wat drukt uw voet al troonen:
                Hoe zijtge staag omheynt van Room’lus Ridderschap,
                Gy zijt tot op de top van Alexanders trap.
                Heeft God Augustus ooit bestuwt van ysre drommelen,
                By ’t hitsen der trompet, en ’t moedigen der trommelen
                (15) Den Persiäen geparst, en buuren van den Nijl?
                Uw hopman heeft in ’t Noord, gewapent met de byl,
                De grenzen van Euroop Zeeg’ haftig op gaan byten;
                En keerde ’t woede heir der wettelooze Schyten,
                En dreef het met de kling, in klem van yzre vuist,
                (20) Op ’t bekkeneel geschaart, van breyn, en bloed begruyst;
                Tot in ’t Riphoees gebergt, daar Tanais golven wassen
                Tot voedsel van Maeot, en Pontus kille plassen.
[fol. B1v]
                De Godvergeten Got, de sarrende Carmaat,
                En d’overvinge Vinn’, beschorst met harnasplaat;
                (25) Al t’zaam ten krijg’ gerust, met d’ongeruste Russen,
                En ’t kors’le Deense volk, heb ik de vlam doen blussen
                Van God Gradivus toorts: de wraak verdelgt haar speer;
                Het oorlog walgt van bloed, ’t Latijnsche moordgeweer
                Heeft zich gants* sat geknaagt, de beemt komt bouwliên eissen,
                (30) Het paard wil na de ploeg, de kling buygt zich tot zeyssen,
                Het bosch schreeuwt om den bijl, de zeyssenkoets zoekt rust,
                Het vaandel wil te pronk, elk heeft de Vree gekust;
                Dies vul de holle buyk der hongerige roesten
                Met ’t gladde wapentuyg; uw’ handt zal scepters oesten:
                (35) De wereld zy uw’ erf, en strek u tot een troon
                En ’t blaeuw’ Turkoise dak een hel gestarnde kroon.
Saturn.      Heldhaftig oorlogs Heldt, Augustus heldenwagen,
                Zal u, gelijk een God tot aan de starren dragen:
                Ja dat de Hemel zelf van u can zijn verheert,
                (40) Dat heeft de zuyl uw’s neks al schragende geleert.
Titus.         Gy die de troon bekleedt van uw’ vergoode ouderen,
                En ’t Roomsch gewelfssel torst, als waar ’t met Atlas schouderen
                Gy die de bijl van ’t heir en ’s oorlogs standaar zweit,
                En met uw’ staale vuist een oegst van lijken meit,
                (45) Heeft Argos bitse wraak de buik van duizent zielen
                Bezwangert met haar zaadt, die zoo veel duizent kielen
                In Phrygen heeft gebaart, om Menelaus gemaal
                Te winnen, door de deugdt van ’t overzeesche staal?
                Wie zou om zulk een vrouw geen tien jaar willen kampen?
Saturn.      (50) Al schakelden ’t geval een’ reex van oorlogsrampen,
                Zoo schoot ik ’t harnas aan, en presten ’t heir te veldt.
                O welk een tooveres heeft Titus hier gestelt!
Titus.         ’t Is Gotlands Koningin.
Saturn.      Wat boezem zou niet blaaken
                Om zulk een roozengaardt, op leliwitte kaaken?
                (55) O goôn ik ben gewont! ontbintze die my boeit,
[fol. B2r]
                En ’t nooit gezengde hart in Aetnas schoorsteen gloeit.
Titus.         Daar is de Gotsche praal.
Saturn.      O juist gevormde leeden!
                Hoe dring ik door ’t gedrang van uwe godlijkheeden?
                Hier zijn tot een gesmeet, ô praal mijns hofgezins!
                (60) Op ’t aanbeeld’ van Natuur, twee groote vyandins:
                Dat ’s schoon, en eerbaarheidt. ik laat de schepter slippen
                Indien ik met mijn mondt op d’oever van uw’ lippen
                Mag stranden met een kus: ô mondt vol ambrozijn!
                Daar duizent kusjes vliên op wiekjes van robijn.
                (65) Uw’ voorhoofdt, zonder Voor, ten oogen toe gedolven,
                In eene goude zee van kronkelende golven,
                Weêrstraalt het stralend licht.
Thamer.    De Vorst die zy gerust.
                Het vuur dat vaardig brandt, wert vaardig uitgeblust.
                De naauw’ voldraagen roos, met d’uchtent zon gebooren,
                (70) Wordt door de middagh zon, op middagh afgeschooren.
                De min is als een bloem, een bloem is haast verdort.
Saturn.      Zoo schichtig is uw’ Rijk, door ’t Roomsche heyr, gestort.
Thamer.    Uw’ heyrkracht was wel groot; maar grooter zijn Gods roeden;
                Noch grooter onze zondt; zoo lang zal Gotlant bloeden
                (75) Door uwe geesselzweep, tot alles is voldaan:
                Dies zal ik ’t Roomsche juk met lijtzaamheidt ontfaân.
                De goude lijtzaamheidt bemint de zwaarste plaagen.
                Hoe dat de deugdt meer lijt, hoe datze meer kan draagen:
                Want lijtzaamheidt vereeldt.
Saturn.      Beeldt dat Pigmalions
                (80) Gezicht beviel, en ziel ontfing op ’t zwanendons:
                Stier my tot proef van min in d’onderaardsche kolken,
                Om Plutoos sleuteldrig, in spijt der helsche volken,
                Te slepen voor den dagh van daar nooit daghstraal blikt,
                En zoo d’all’ziende zon voor ’t schriklijk schepsel schrikt
                (85) Als in Alcides eeuw’; en haar paruik laat zinken
                In ’t pekel van de zee: dan zal de zon noch blinken
[fol. B2v]
                Van uw’ aanminnig oog.
Thamer.    Hoe mijn gezicht een zon?
                O oorzaak van mijn leet! noem het een zoute bron.
Saturn.      In koutheidt is ’t een bron, maar by den Alverwinner!
                (90) Een zon die my verteerdt.
Thamer.    Al d’eeden van een minner
                Zijn vry voor ’s hemels straf, zy worden van de windt,
                En zee verslonden: dies zweer vry by Venus kindt.
Saturn.      Kroondraagster van mijn ziel! indien ’t uw’ lust bestemden,
                Dat gy ten bosch woud’ gaan langs marjolyne bemden,
                (95) In hazelare schaauw’, ik volgden onvermoeit,
                In ’t opgetorste kleedt, met buigzaam eelt geschoeit;
                Ik zou het Kaizers ampt in d’open lucht verpoozen,
                Gezetelt op een struik, betullebandt met roozen,
                Gescheptert met een stok, omheint van knablent vee;
                (100) Dies gun dat ik het steen van uwe boezem kneê.
Thamer.    Een afgerechte tong is qualijk te ontslippen.
Saturn.      Máar d’oogen van een vrouw zijn Venus minneknippen.
Thamer.    Ik haat, ik vloek de Min. mijn oogen zijn te ang
                Voor zulk een krokodil, en doodelijke slang.
Saturn.      (105) Godin van ’t Gots gewest! zijt gy uit ijs gebooren?
                Geen paardt zoo hardt van huidt of’t draaft naar Venus spooren.
                De wrevelige stier: het borstelige zwijn:
                De logge wallevisch: de snelle dollefijn:
                En d’overfiere leeuw zijn vol van minnevonken.
                (110) De Min is niet t’ontgaan in bosschen noch spelonken.
                De schrander’ olifant is ’t middelrijf doorgrieft:
                De winden vliên elkaâr, door onderlinge liefd,
                Al hijgende te moet: de dikbeschorste boomen,
                Omhelzen ellikaâr: de koele waterstroomen
                (115) Vermengen haar in een: zoo zaait de Min haar zaadt,115115-
                En spint, met Cinthia, een endelooze draadt.
                O groote kracht des Mins! mijn boezem is vol bresschen.
                Mijn hart is aangebrandt. het vuur is niet te lesschen
                Dan door u weedermin.
Thamer.    ’t Is wellust die u quelt.
Saturn.      (120) Is ’t smeeken te vergeefs? zoo dient’er dan gewelt:
                Want die te flaauw verzoekt, die leerd een ander weigeren.
Thamer.    Wee hen die ’t heilig recht door minlust oversteigeren:
                Oft steunt gy op uw’ macht die zoo veel kroonen torst?
                De Vorst is om ’t gemeen; ’t gemeen niet om de Vorst.
Saturn.      (125) De Vorstelijke wil magh hier als wettig spreeken.
Thamer.    De Vorst die mag ’t gemeen wel buigen; maar niet breeken:
                Want hoe hy meerder recht in zich op andre vindt,
                Hoe hy, om recht te doen, zich meer aan ’t recht verbindt.
Saturn.      Daar ’t graau op ’t kussen zit, is ’t allerquaatst te duchten.
Thamer.    (130) Daar ’t recht in ’t staal bestaat, moet d’oude vryheidt vluchten.
[fol. B2r]
                Een redelijke Vorst doormengt het zuur met zoet:
                Men koopt zijn gunst voor zweet; maar niet voor menschen bloedt.
                De Vorsten, en ’t gemeen zijn eeven streng verbonden;
                Dies zie wat gy bestaat, de straf vervolgt de zonden.
Titus.         (135) Wel volgtze ’t Gotsche Rijk, dat eer zoo strijdbaar was;
                Maar nu door ’s oorlogs toorts bedooven leit in d’asch.
Thamer.    Wy steunden als wel eer, op ons aaloude machten.
Titus.         Die ’t al verdelgen wil, moet alle ding verwachten.
                Die tot op ’t hoogste klimt, verwacht de laagste val:
                (140) Dat tuigt het smookendt puin van uw’ gesloopte wal.
                Wat zich te zwaar verheft, moet door zijn zwaarte zinken.
                Fortuin is van gelas, als zy begint te klinken,
                Zoo bryzeltze tot gruis.
                Markus.
                Mevrouw’ zie wat gy doet:
                Wie Vorsten gunst ontzeidt, stapt zijne doodt te moet.
Thamer.    (145) Een reedelooze Vorst verdelgt zijn eigen muuren,
                En maakt zich zelf tot roof van vyandlijke buuren.
Saturn.      O min! o min! o min! hoe prikkelt uwe pijl
                In Saturninus borst!
Titus.         Men zal door ’s Priesters bijl,
                Ten offer van Godt Mars, het hooft der Gotten slachten;
                (150) Dan zal der Goden Tolk, vol van Sibyllas krachten,
                Als Delfos wichelaar in ’s Hemels vierschaar treên,
                Om d’uitkomst van u min, van lit tot lit t’ontleên.
                Rei van Tempeliers.
                Aran. Leeuwemond.
                O Krestonsche Wapengodt!153153-
                Die de toom des krijgs liet slippen,
                (155) Om het lieffelijk genot
                Van Vrouwvenus malsche lippen:
                Vier de toomen van uw lusten.
                Hy, die ’t vuur des krijgs uitblusten,
[fol. B2v]
                Stookt op uwen offerdisch,
                (160) ’t Vuur dat u geheiligt is:
                Om de Gotsche Moor te braaden,
                Die wel eer in ’t bloedt dorst baaden
                Van het strijdbre Roomsche volk,
                Door de snee, : || : : || : van zijnen dolk.
                Aran.
                (165) Houd op versteent gespook tot mijn verderf geschaapen;
                Geveinsde Tempeliers; van Godt vervloekte Paapen;
                Bloeddronke wichelaars: die, als ’t uw schenzucht wil,
                Het plonderende graauw, onkondig in ’t geschil
                Van kerk, en landbestier, ontslaat van al hunn’ eeden:
                (170) En t’zaamgerotte schuim der vrygevochte steeden,
                Als of ’t den hemel wou, op ’t heilig Raadhuis hitst;
                En ’t Rijk, door tempelwrok, en moordkrakkeel gesplitst,
                Ten roof geeft aan den muil der geestelijke tijgers.
Thamer.    Is ’t Aran? ja hy is ’t, o praal van alle krijgers!
                Aran.
                (175) O Gotsche Koningin!
Saturn.      Wat zijt gy voor een gast?
                Aran.
                Die ’t scharpgeslepen staal, als u de schepter, past;
                ’k Ben Gotlands Wapengodt, die ’t Roomsche heir deedt schrikken
                Door ’t dondren van mijn stem, door ’t blixmen van mijn blikken.
                ’t Is Aran die gy ziet.
Saturn.      Men geef hem voort aan ’t vier.
                Aran.
                (180) Men geef aan Mavors Paap een groen bekranste stier;
                Of paait de grage buik der hongerige vlammen
                Met geit, en bokkenbloedt, met uitgepikte rammen,
                Door ’s Priesters mes geslacht.
Thamer.    Wat eischt de Roomsche Vorst?
                Is ’t zuiver harte bloedt? doorprikkel deze borst;
                (185) Maar niet die ’t Gotsche Rijk, als met een wal, omhekte.
                O grijze Tempelier! dat gy mijn voorspraak strekte.
                Leeuwemond.
                Hy is Gods heil niet waardt, die ’t Godlijk ampt bedient,
                Die voor ’t gemeene best durft neigen tot zijn vriendt.
Thamer.    Zijt gy dan op het naarst der Baktriaansche heuvelen,
                (190) Waar dat men als op zee, om niet in ’t zand te sneuvelen,
                Naar het gestarnte reist, van een leeuwin gebraakt;
                Of is uw’ wreede hart van harde steen gemaakt?
                Of zijt gy op het top der staâgbesneeuwde Alpen;
                Of daar Thermodoön, met ys vermengt, komt zwalpen,
                (195) Met beeremelk gevoedt? of zijt gy voortgebracht,
                By die, van bloedt bemorst, in ’s aartboôms andre nacht,196196-
                Haar voeten tegens d’onz’ aanzetten? zijn de kuilen
                Van ’t woest Bazariën, daar ’t ongediert gaat huilen,
                U voedster steên geweest? zeg, Roomsche wichelaar.
                (200) O Vorst! ontsla de Moor van ’t schrikkelijk outaar.
Saturn.      Went u tot Mavors oor, die ons om ’t bloedt komt maanen.
Thamer.    De wapens van een vrouw zijn krachtelooze traanen.
                Hoe heeft de razerny tot u zoo breeden brug?
Saturn.      Het eens gesprooken woort kan nimmer weêr te rug.
                (205) Hy is aan Godt verlooft, ’t is billijk dat hy sneuvel.
                Leeuwemond.
                Voort: kniel voor ’t heilig mes op dees gewijden heuvel.
                Aran.
                Sta af bloeddorstge Paap.
                Leeuwemond.
                Wie ’s Priesters hand verlet,
                Vervalt in ’s hemels vloek, als die ’t gewijdt besmet.
Thamer.    Wie zag ooit menschen bloedt zoo goddeloos vergieten,
                (210) By die gevoestert zijn door ’t zap der suikre rieten?
                Hy heeft wel wreedt geweest die ’t eerste lemmer sleep;
                Maar wreeder was de handt, die ’t om te moorden greep:
                Dat was de eerste beul.
                Quiro.
                Sla uw’ scheurzieke pooten
                In Quiros ingewandt.
                Demetrius.
                Verdelg de Gotsche looten:
                (215) Hier is Demetrius borst.
Thamer.    Kom pletter Thamras hooft;
                Zoo wordt het vuur des wraaks door Thamras bloedt gedooft.
                Leeuwemond.
                Het noodlot eischt de Moor.
                Aran.
                Ik eisch het hooft der guiten,
                Die in zijn herssenschaal een noodlot weet te sluiten:
                Of dicht hun die hy haat een Styx; een Acheron;
                (220) Een nimmerzatte hel; een gloeiend’ Phlegeton,
                Vol doodelijke pijn, en endelooze straffen;
                Een Veerman met een boot; een rekel die met blaffen
                Een yzre poort bewaart: zoo houdt men t’ volk in toom
                Door een vervloekte vondt, en schelmsche papedroom:
                (225) Maar zoo’er duivels zijn, die tegens d’aardt zich kanten,
[fol. B4v]
                Zoo zijn ’t de Tempeliers met hunne vloekverwanten.
                De Vorsten vreezen meer voor ’t mijterdraagendt volk,
                Dan voor de scharpe punt van een verraaders dolk.
                Leeuwemond.
                O gruwel zonder gaa! een marmer beeldt zouw’ beeven.
Saturn.      (230) Zoo gy ons min erkent, zoo blijft de Moor in ’t leeven.
Thamer.    Wie lichtelijk gelooft word lichtelijk verleit.
Saturn.      Wy zweeren ’t by ons staf.
Thamer.    Geen min wordt u ontzeit.
Saturn.      Rijs Gotlands Goodenpraal.
                Leeuwemond.
                Uw’ zetels zijn aan ’t kraaken,
                Zoo gy door Thamras min dees offerhandt doet staaken.
Saturn.      (235) Ik offer speer en kling voor Venus elpen stoel;
                Want die Vrouw Venus eerdt, eerdt haaren dappren Boel.
Titus.         Wy Romers zijn verplicht aan ’t hoofdt der oorlogslieden,
                Deez streng gedoemde Moor op d’offerdisch te bieden.
Saturn.      Zoo weigert zy haar min.
Titus.         Verwintze door de tijdt.
Saturn.      (240) Hoe kan hy die de Min zijn boezem heeft gewijdt?
Titus.         Gy kunt indienge wilt; dies geef Godt Mars geen oorzaak
                Tot uw’ en ons bederf.242-
Saturn.      Gy toond’ u eerst als voorspraak
                Van Saturninus min, nu schijnt het dat gy deist.
Titus.         Nu gy den offer staakt, die Mavors heeft geëischt.
Saturn.      (245) Bekleedt het wreedt outaar met tienpaar gladde stieren:
                Ja dubbelt het getal.
                Markus.
                Godt Mars eischt menschen spieren.
Titus.         Hoe dus zeeghaftig Vorst, en zenuw’ des soldaats?
                (250) Het buldrend heir gekeert der vier onwinbre winden;
                Aan d’Ister was uw’ arm het yzigh noordt getroost;
                Op d’oever van Byzants het helderdaagend oost;
                In ’t Rhodiaans gebiet, omheint met zoute baaren,
                Het overzwoele zuidt; by Herkules pilaaren
                (255) Het zomerblaazend west; gy hebt, gelijk een Godt,
                Van ’t zwalpend pekelschuim, met uw’ getakeld vlot,
                Charybdis barrening, tot tweemaal, door gezwommen;
                Wie heeft de Pyreneen dan uwe hengst beklommen?
                Wie schuimde ’t Frans gewest? nu komt een tenger wicht,
                (260) En dwingt die ’t alles dwong met een vervrouwde schicht.
                O toomelooze lust!
                Aran.
                Waar zijn all’ oude krachte’
                Van mijn gevreesde handt, die zoo veel Romers slachte;
                Dat ik de stoute tong, die my ten offer doemt,
                Schoon hy ’t voor ’t Rooms gezag, met Mavors eisch verbloemt,
                (265) Niet daatelijk ontruk.
Titus.         ’k Zweer by deez’ groene telgen,
                Dat ’t aardrijk uwe bloedt, en Styx uw ziel zal zwelgen.
                Aran.
                O grijze schuddebol! is ’t waarheidt? of is ’t droom?
                De wapens zijn u nut, als Phaëton den toom.
                Uw speer zy u een kruk, op dat gy niet zult kruipen.
                (270) Uw hellemet een kop, om Bacchus uit te zuipen.
                Uw gulde beukelaar verstrekt u tot een disch.
                Uw sabel tot een mes, daar ’t lekkre wildbraadt is.
                De yzre schalischoen bekleedt de leest der handen,
                Op dat gy aan ’t gebraân uw vingren niet zult branden.
                (275) O krachtelooze dwerg!
Titus.         Wie leiden u het juk
                Dan Titus op de nek?
                Aran.
                Toen dienden u ’t geluk,
                Door ’t vluchten van mijn volk hebt gy my vast gekreegen.
                Maar niet door uw geweer: te stomp is uwe deegen.
Titus.         Wat houdtme? lasteraar!
                Markus.
                Hoe zijtge dus verwoedt,
                (280) Dat gy het Kapitool bespatten wilt met bloedt?
                Steek ’t lemmer in de scheê; men vecht hier met de wetten,
                Die Saturninus handt in Roomlus handtvest zetten.
                Aran.
                Ik zweer Andronikus!
                Bassianus.
                Ik bidt u weest gerust,
                Eer ’t uitgetogen staal de lamp des leevens blust.
                Markus.
                (285) Andronikus bedaar.
Titus.         Die ’t quaaddoen kan beteuglen,
                En ’t quaaddoen niet bestraft, die geeft het quaaddoen vleuglen,
                De vreeze voor de straf, is vyandt van het quaadt.
                Leeuwemond.
                O moeder van de Min! wat strooitge hier voor zaadt?
                Aran.
                Gy zult de slijpsteen zijn die elk het brein zal scherpen,
                (290) En blijven zelf zoo stomp, dat elk u zal verwerpen.
                Voort rekel, flux van hier; men vindt geen quaader quaadt,
                Dan daar een Papentong wil spreeken in den Raadt.
Saturn.      Voort Bassiaan geeft last, om Thamras oor te streelen
                Met windt, en snaargespel, doorwrocht met maagde keelen.
                Markus.
                (295) Wie hier? ’t is Lucius.
                Lucius.
                Waar is het Rooms Gezag.
Saturn.      Wat jaagt u dus verbaast?
                Lucius.
                Gun dat ik spreeken mag.
Saturn.      Wat is’er gaans? zeg op.
                Lucius.O eer der Saturnijnen!
                Al ’t landt is op de been, een zwijn, als twee paar zwijnen
                Heeft zich in ’t west vertoont dicht aan de Tyberboordt.
                (300) De bouliên zijn vol schrix, en schreeuwen niet dan: moordt,
                Elk geeft zich op de vlucht, de klokken zijn aan ’t kleppen.301b
Saturn.      Op Roomsche Ridderschap, ’t is tijdt om u te reppen.
                Elk wapen zich met moedt; de noodt heeft ons geprest.
                Al wat de noodt vereischt dat is ’t gemene best.
                Rei van ROMERS, en GOTTEN.
                Zang.
                (305) Kleene werreldt, groote stadt,
                Die het Roomsche Rijk herstelden,
                Voesterwieg, en bakermat,
                Van zoo veel befaamde helden,
                Geef het glinsterende wapen,
                (310) Tot de Gotsche val geschapen,
                Aan de kaaken van de Tijdt,
                Die het al met roest deurbijt.
                Laat de sabel nu versmeede’,
                Op het aanbeeldt van de vreede,
                (315) Tot een kouter voor de ploeg;
                Want de krijg heeft haar vernoeg,
                Door de val der Gotsche steede’.
                Tegenzang.
                All’ uw’ roemen is om zunst;
                Roem op Thamras oorloogs tochten,
                (320) Op haar zoete toverkunst,
                Die den Vorst zo heeft bevochten,
                Dat hy ’t toom des krijgs laat slippen,
                Om te krijgen met de lippen,
                Van de Gotsche Koningin,
                (325) D’oorzaak van zijn eerste min;
                Want een veldslag van twee monden,
                Slaat de borst vol zoete wonden;
                Wonden, die de Minnegodt,
                Door het minnelijk genot,
                (330) Weet te heelen, op de sponden.
                Toezang.
                Septerdraager van Europe,
                Die de werreldt af zou loope’,
                Die de Gotten in het noordt,
                Met hun strijdbre bondgebuuren,
                (335) Zegenhaftigh hebt versmoort,
                Onder ’t puin van hunne muuren,
                Is’er tegen Min geen wapen?
                Kan een Vorst zich zoo vergapen,
                Aan ’t blankketsel van een hoer?
                (340) Aan de mondt vol paarlemoer?
                O vervloekte minneschichten!
                Die de starkste mensch doet zwichten,
                Die de leeuw, der dieren Vorst,
                Weet te prikklen in zyn borst,
                (345) Dat hy om zijn Gaa gaat raazen,
                Wie kan uwe kracht uitblaazen?
                H e t t w e e d e b e d r y f .
                Quiro. Demetrius. Aran.
                Quiro.
                Demetrius hou stant.
                Demetrius.
                Eer wijken Pindus heuvelen
                Eer dat Demetrius wijkt.
                Quiro.
                Deez’ handt zal u doen sneuvelen.
                Demetrius.
                Indien ik sterven moet, ik sterf voor Rozelijn.
                Quiro.
                (350) De weêrklank van die naam doet Quiro moedig zijn.
                Aran.
                Zacht Prinsen zijt gerust: ’k bezweer u by de handen
                Van die u middelrif, in hare min, doet branden,
                Dat gy het woeden staakt; oudt Room’ is eens bekladt
                Van eigen broedermoordt, al wordt het niet bespat
                (355) Van Thamars overschot, dat hun tot noch zoo wakker
                In ’s oorloogs onweer queet.
                Quiro.
                De fenix lijdt geen makker.
                Zoo lijdt een minnaars oog geen tweede, by de maagdt
                Die hem, gelijk de beemdt de versste dauw’, behaagt.
                Aran.
                Hoe kan uw’ oog de glans van Rozelijn verzwelgen,
                (360) Wiens Vader ’t Gotsche rijk zoo schendig quam verdelgen,
                En sleepten u geboeidt voor Saturninus troon?
                Een hooghgeboren ziel denkt altijdt aan de hoon
                Die hem eens is ontmoet; als wasze met een stempel
                In ’t herssenvat gedrukt: zoo krijgt de wraak een drempel
                (365) In ’t eedelmoedigh hardt van een doorluchte borst;
                Dies lijdt niet dat de min uw’ adeldom bemorst:
                Maar mindt haar als de lust uw’ boezem komt beschieten;
                Zoo zultge wraak door lust, en lust door wraak genieten.
                Demetrius.
                Die zich te schelms vergrijpt, door overgeile gloedt,
                (370) Die schandvlekt zijne faam, en geeselt het gemoedt.
                Aran.
                Het schelmstuk is niet schelms, zoo hy het schelms voor goedt schat.
                Verdelgt het heilig recht; maakt Romen tot een bloedbadt,
                Door bitse burgerkrijg, een schipbreuk voor ’t gemeen;
                Schept lust in dwinglandy; pleegt bloedschandt, met de geen
                (375) Die u ter werreld brocht; verft uw’ schenzieke handen
                Met broêr en zustermoordt; ontbindt de kuissche banden
                Van Vestas maagderey; bestormt het Godlijk zwerk;
                Schaft alle Godsdienst af, en bouw u zelfs een kerk;
                Mengt gif voor uw’ gemaal; draait stroppen voor uw’ Vaader;
                (380) Verschopt de waare deugdt; bemint de landverraader;
                Weest fel op weeuw’, en weez’; verkiest de wreedste mensch
                Tot uwe Tempelpaap, voldoet de helsche wensch;
                Geen schelmstuk is zoo schelms van Acheron bezeten,
                Of ’t wordt, zoo ’t wel gelukt, een schrandre deugdt geheten;
                (385) Ja daar de faam van waagt. ’t is een noodzaaklijk quaadt
                Het geenm’ om best wil doet.
                Quiro.
                Ik schrik voor zulk een daadt!
                Aran.
                Een eedelaardig Prins stelt zich in d’oope kaaken
                Van ’t wankelbaar geluk, en wil zijn leeven braaken
                Zoo hy zich wreeken mach. Een zoete schelmery
                (390) Behoudt der Goden gunst. De wraak is yder vry.
                Die zich niet wreeken kan, verzaadt zijn wraak met vloeken.
                Gy kunt, indien gy wilt. doorleest de goude boeken
                Van Gotlands heldenaardt; wat heeft die niet bestaan?
                Die zich in noodt bevindt, die moet zich laten raân.
                Quiro.
                (395) Die zich te haast laat raân, zal zich haast onheil brouwen.
                Aran.
                Die zelver trouwloos is, kan andre niet betrouwen.
                De Tydt betoont u gunst, het hof is op de jagt.
                De daadt moet, met de raadt, op een tijdt zijn volbracht.
                Die zich te langzaam draagt om iet te overdenken,
                (400) Als ’t voordeel van de tijdt gelegentheidt komt schenken,
                Verwaarloost zijn geluk.
                Demetrius.
                Zoo zy de schennis meldt,
                Vervalt de Gotsche stam in het Romeinsch geweldt.
                Aran.
                Een eerelijke maagt bijt liever op haar lippen,
                Eer zy, tot eigen schandt, haar mondt iet laat ontslippen.
                (405) Hoe zijt gy dus vertsaagdt?
                Demetrius.
                Ik vrees voor ongeval.
                Aran.
                Ik vrees dat uwe vrees het werk verbrodden zal;
                Want die zijn vyandt vreest, betoont zich overrompeldt
                Eer dat hy met zijn heir in ’s oorloogs moordkuil strompeldt.
                Een, die de vrees verwint, betoont een heldenstuk.
                Quiro.
                (410) Voorzichtigheidt, in noodt, is moeder van ’t geluk.
                Aran.
                Het is geen moedig Prins, die zich door vrees laat snoeren.
                Wat zwaar schijnt in ’t begin, is licht om uit te voeren.
                Uw’ moeders tweede bedt verstrekt u tot een wal,
                Daar Titus dommekracht vergeefs op woeden zal.
                Quiro.
                (415) De Veldtheer draagt ons gunst.
                Aran.
                Wat Titus in de koffer
                Van zijne boezem draagt, bleek toen hy my ten offer
                Van Mavors hadt gedoemt. de gunst van ’t hof is roet
                Met honigh ingeleit. wie iemant vriendschap doet,
                En geene reeden heeft, die hem tot vriendschap porden,
                (420) Dat is veeltijdts een schelm, of ’t zal een schellem worden;
                Dies wreek u van zijn list; maar niet door dwinglandy:
                Want dwang veroorzaakt vrees: de vrees baart veinzery:
                En ’t veinzen queekt verraadt. wie hoedt zich voor verraaders?
                Geen Argus ziet zoo gaauw’.
                Demetrius.
                Hy sterkt zich met de Vaaders
                (425) Van ’t Geestelijke Recht.
                Aran.
                Hun wieken zyn gekort.
                De troon van hun geweldt is plotzich neêrgestort.
                Demetrius.
                Ziet toe wat dat gy raadt! hy heeft een staale waapen,
                Die zich geharnast vindt met korzelige paapen.
                Andronikus verkiest de krachten van ’t outaar.
                Aran.
                (430) Steunt hy op ’t heiligdom? zoo is ’er geen gevaar
                Om ’t vuur, van Titus wraak, tot in haar kolk te blussen.
                De geestelijke stoel, en ’t werreldlijke kussen
                Zijn tegens een gekant; de tabberdt schopt de kap,
                En draaiboomt het geweldt van Mavors Priesterschap:
                (435) De rekels zijn te bits, hy muilbandt hen voor ’t blaffen.
                Hy lijdt geen menschen smeer op d’offerdisch te schaffen.
                Hy slaat hem uit de burg, die wijn met bloedt doormengt,
                Op Atreus moordbanket, aan zijne broeder schenkt.
                Quiro.
                Geen rotsen zijn zoo doof voor ’t ruisschen van de baaren,
                (440) Dan Quiro voor uw’ eisch. ik zweer u by de schaaren
                Van ’t onderaardsche rijk, dat ik u meerder haat,
                Dan ik u heb geliefd: ik walg van uwen raadt.
                Demetrius.
                Betoom uw’ gladde tong, en oordeel zonder kennis:
                Demetrius wreekt zich niet door Rozelijnas schennis.
                Aran.
                (445) Hier dient een kort bedrog; ik zet mijn zinnen schrap.
                Quiro.
                Ik voeg my by de Vorst.
                Demetrius.
                Ik by de Jofferschap.
                Aran.
                Sta Quiro! sta! ey sta! Demetrius kom niet naader:
                Het aartrijk braakt den geest van uw’ vermoorden Vaader;
                Maar niet in zulk een schijn, als op de Gotsche troon:
                (450) Of als hy was in ’t heir, en sloeg den oorloogs toon.
                Quiro.
                Hoe laat hy zich nu zien?
                Aran.
                Met spierelooze schinkelen;
                Zijn oogen, vol van vuur, staan in twee holle winkelen;
                Zyn baardt is roodt van bloedt; de hairen zijn bemorst
                Van ’t uitgespatte brein. hoe yslijk gaapt zijn borst!
                (455) Het aanzicht is doorkrabt, sta Quiro!
                Quiro.
                Wat zal ’t worden?
                Aran.
                Zaaght gy het toortslicht niet, dat voor u oversnorden?
                Quiro.
                Hoe Aran! ’t is een droom.
                Aran.
                Ik lil, als lillend riet;
                ’t Is een waarachtig spook.
                Demetrius.
                Waar is ’t dat gy het ziet?
                Aran.
                Hier komt het op ons aan; ik schuil my by deez’ eiken.
                Demetrius.
                (460) Wat eischt mijn vaaders schim? doe ons toch enig teiken.
                Quiro.
                Doe kondschap aan uw’ zoons.
                Demetrius.
                Wie hier? ’t is Rozelijn,
                Verzelt met ’s Kaizers broêr.
                Bassianus. Rozelijna. Demetrius. Quiro.
                Bassianus.
                Hoe yslijk vloog het zwijn!
                Hoe wurp het vuur, en vlam, uit zijn gehaate blikken!
                Rozelijna.
                Liefwaarde Bassiaan, de Stoutheidt zelf zou schrikken
                (465) Zoo zy het schrikdier zag; dies geeft u niet te bloot.
                Bassianus.
                De min heeft u geleert te vreezen voor mijn doodt.
                Rozelijna.
                Het is geen min: ô neen! de min weet van geen teugel.
                Nu isze dus, dan zoo; nu snelder dan een veugel;
                Nu trager dan een rups; nu kouder dan een stroom;
                (470) Nu heeter dan een vuur; nu groender dan een boom;
                Nu dorder dan een staak; nu zwakker dan een hallem;
                Nu stijver dan een zuil; nu lichter dan een gallem;
                Nu zwaarder dan een rots; nu blooder dan een das;
                Nu stouter dan een leeuw.
                Bassianus.
                My dunkt ik hoor ’t gebas
                (475) Der honden, die de Vorst op ’t ongediert deedt schennen.
                Rozelijna.
                Zoo zal ’t ons raadzaamst zijn, dat wy weer boschwaarts wennen.
                Demetrius.
                O Quiro wat een spijt! ik hoor hoe Bassiaan,
                De borst van Rozelijn in weedermin doet braân.
                Aran.
                Ik zweer o zaalge schim! by ’t purper van uw’ wonden,
                (480) Dat Titus door dit staal eer lang zal zijn geschonden.
                Quiro.
                Hou Aran, Aran hou.
                Aran.
                O broeders laat u raân.
                Demetrius.
                Wat wil ons vaaders schim?
                Aran.
                Dat gy na wraak zult staan.
                Quiro.
                Heeft vaader zulx gezeit?
                Aran.
                Zijn galm woud’ eerst naauw’ slippen,
                Hy morde binnens mondts; maar ’t smoord in zijne lippen;
                (485) Ten laatsten borst den Vorst van eedle gramschap uit,
                En dreunden in mijn oor met zulk een schor geluid,
                Gelijk wanneer de zee de peil van zijne boorden,
                Met euvle moed, beklimt, door ’t woên van ’t buldrend noorden;
                Ik sidderde van angst! het hair rees my te berg!
                (490) De schrik kroop deur mijn leên, en knaagde tot in ’t merg:
                Zoo gy de moordtpriem vloekt, die Gotlandts wettestelder
                (Zoo sprak hy en voer voort) deedt ylen naar de kelder
                Van ’t neevelige Styx; zoo maak dat Titus huis,
                Tot aan de grontvest toe, verplettert wordt tot gruis,
                (495) Pluk Rozelijnas roos; doe all’ haar broêrs verzuipen
                In eene zee van bloedt: zie hoe mijn wonden druipen,
                Die ik, in ’t Gotsch gewest, door Titus raadt ontfing,
                Van een daartoe gevloekt, en diergekochte kling.
                Uit hadt hy, en verdween.
                Quiro.
                Heeft Titus, door zijn Braaven,
                (500) In vaaders bloedt gebaadt? ik zal mijn wraaklust laaven,
                Door ’t schenden van zijn kindt, in spijt van Bassiaan.
                Aran.
                Die schelm moet eerst van kant, zoo gy na wraak wilt staan.
                Demetrius.
                Eer zal de jammerpoel tot aan de starren steigeren,
                Eer ik mijn Vaaders schim de wisse wraak zal weigeren.
                Aran.
                (505) Zoo dra als gy de roos van Rozelijna plukt,
                Is ’t noodigh dat gy haar de gladde tong ontrukt:
                Zoo zal de schendery by haar, en u verblijven.
                Quiro.
                Het derven van de tong, zal haar de handt doen schrijven.
                Aran.
                Snijt haar de handen af.
                Quiro.
                Geen quaadt schijnt my zoo quaadt,
                (510) Of ik zal ’t zelf bestaan.
                Aran.
                ’t Is een lofwaarde daadt.
                Saturninus. Thamera. Titus. Markus. Aran. Quiro. Demetrius.
Saturn.      Waar is ons wildschut? hou. waar Thamra met haar Zoone’?
Thamer.    Hier isze met haar kroost.
Saturn.      O dochter van Latoone!
                Begunstig onze jagt, maakt Saturninus bruidt
                Verwinster van het zwijn: zoo offert zy de buit
                (515) Op ’t vlak van uw’ outaar.
                Aran.
                Stafdraager van oudt Roomen!
                Waar is het ongediert?
Saturn.      Het is ons gins ontkoomen.
Titus.         Pollander en Melaan komt herwaarts met u volk.
                Voort Lucius kom voort, bezet deez’ modderkolk.
                Markus.
                Ik hoor mijn broeders stem. de bosschen zyn vol leevens.
Titus.         (520) Klaudil en Gradamard lost all’ de honden t’eevens.
                Bassianus.
                Andronikus hou standt.
                Lucius.
                Hier Bassianus, hier.
Saturn.      Elk went zich weêr naar ’t bosch, op ’t schichtig jagtgetier.
                Thamera. Aran.
Thamer.    Wat reeden heeft mijn lief dus ongerijmt te spreeken?
                Aran.
                Geveinsde Toveres, ’k zweer dat ik my zal wreeken.
Thamer.    (525) Doe kundschap van uw’ wraak.
                Aran.
                O duldelooze smart!
                ’t Is Aran in den mondt; maar Saturnin in ’t hart.
Thamer.    Ik bidt mijn tweede ziel!
                Aran.
                Zoo ga by Arans zwaager,
                Uw’ tweeden bruidegom, den grooten hoorendraager;
                Hy toeft u gins in ’t bosch: uw’ list is my bewust.
                (530) Ik zie den tijdt te moedt, dat uw’ vervloekte lust
                Op geilheidt afgerecht, zoo buiten ’t spoor zal hollen,
                Dat ’s Kaizers koets, ter sluik, staâg warm zal zijn van pollen:
                Wat zal het weeldrig hof vol aterlingen zijn!
                Een kuf vol zwagerschap.
Thamer.    O woorden als fenijn!
                (535) Heb ik, door uwe raadt, de moordsteek niet gegeeven
                Aan mijne Bedgenoot? op dat gy, na zijn leeven,
                Te veiliger zoud zijn op ’s Konings ledekant,
                Daar ik u heb gestooft met heete minnebrandt.
                Denkt gy alreets niet meer, hoe gy de doodt ontsnapte,
                (540) Toen ik wou dat men my, voor u, het bloedt aftapte?
                Ondankbre lustgenoot, die Thamras gunst verschopt,
                Daar uwe dertelheidt zoo vaak meê heeft gepopt.
                Aran.
                Toen ik in ’t elzenbosch mijn lippen wou ververssen
                Aan uw’ zarpzoete mont, omheint van purpre kerssen,
                (545) Stiet gy my ruggelings en deisde van my af;
                Dat mijn getergde min geen kleen bedenken gaf:
                Want *minnendyver ziet (zoo groot is haar vermoogen)
                Door ’t veinzen van een vrouw met meer dan duizent oogen.
                Maar ’t bleef hier noch niet by: voorts quam het Roomsch Gezag,
                (550) Gy ylden hem te moet met zulk’ een lief gelach,
                Als Venus, vol van gloedt, haar boelschap plach te naaken.
                Hy plukte met zijn mondt de roozen van u kaaken:
                Ik spoog mijn gal van spijt.
Thamer.    Al wat ik heb gedaan,
                Wierdt van den nood vereischt; had hy ons t’zaam zien staan,
                (555) Met onderling gekus, hoe zou zijn gramschap woeden!
                Want yverende min wil t’ allerquaadst vermoeden,
                Dies wees in all’s gerust: want Saturnin de Vorst
                Die leidt my op de tong; maar Aran in de borst.
                Ik zweer u by mijn min! zijn hartâar af te stooten,
                (560) Eer hy op ’t bruilofsbedt zijn lusten heeft genooten:
                Indien ’t mijn lief slechts lust.
                Aran.
                Zijn dootslagh lust my wel;
                Maar hier eist wysheidt eer men dit in ’t werrik stel.
Thamer.    Doe zoo ’t u best geval.
                Aran.
                Wie zonder overwegen
                Yet zorgelijx bestaat, vindt zich bywijl verleegen.
                (565) Een die voorzichtigh is, is langzaam in zijn raân;
                Maar vaardig in het doen.
Thamer.    Wat kan ons teegen staan?
                De kracht van uwen arm zal u een raadsman strekken.
                Aran.
                Een groote schelmery eischt tijdt om te voltrekken.
Thamer.    Gebreekt het aan u macht?
                Aran.
                De manslag is gering,
                (570) Al waar ’t in ’t vlakke veldt, met een gestroopte kling;
                Maar wat de leeuwenhuidt niet voegzaam kan bekleeden
                Zal ’t vossenvel bekleên. hier dienen listigheeden.
                Dit schelmstuk is niet rijp. den angel van ’t verraadt
                Bekleedt men door de tijdt, met een beveinst gelaat.
                (575) Uw’ voorslag is te ruw’; men moet het eerst bedisselen.
                De beitel kan een blok wel in een beeldt verwisselen;
                Maar ’t heeft zijn tijdt van doen. de tijdt die doet een spruit
                Opwassen tot een boom; dies stelt de neêrslagh uit
                Van het Romeinsche hoofdt, de uur is niet gebooren
                (580) Van Saturninus doodt. Ik heb den val beschooren
                Van Titus huisgezin, en ’t is alree zoo var
                Dat dit in arbeidt gaat; eer Phoebus zijne kar
                In d’Oceaan bedelft, zal Thamera bemerken
                Wat haar gehoonde lief aan Titus stam zal werken.
Thamer.    (585) Wat heeft u brein gedicht?
                Aran.
                Ik heb uw’ zoons zoo veer
                Door myn beleit gebrocht, dat Rozelijnas eer
                Van daag verwelken zal, en Bassianus sneuvelen:
                Klaudil en Gradamard zal ik van deeze heuvelen
                Doen smooren in deez’ put.
Thamer.    Hoe zal ’t dan voorder gaan
                (590) Met hunne jongste broêrs, Pollander en Melaan?
                Aran.
                Mevrouw weest maar gerust, ik weet het zoo te brouwen,
                Dat elk de jongste zoons voor broederbeuls zal houwen.
                Dies heb ik by dees put, dat hun de doodt zal doen,
                Een hellemet met goudt begraven onder ’t groen:
                (595) Daar toe heeft mijn vernuft, om ’t schelmstuk op te tooien,
                Een zekre brief gedicht, die ik in ’t bosch zal strooien;
                Die van ’t begraaven goudt, en van de broedermoordt
                Zal melden. Ai! schep moed, zoo krijgt de wraak een poort.
Thamer.    Hoedanig is de zin?
                Aran.
                Mevrouw’ die kanze leezen.
                (600) Wat dunkt u van ’t bedrog?
Thamer.    Hier is in ’t minst geen vreezen:
                Het schellemstuk heeft schijn; maar elk is een soldaat;
                Dies wacht u voor de broêrs.
                Aran.
                Nooit lukt het quaadt zoo quaadt
                Als d’achterdocht wel ducht: hoe stouter, hoe verwoeder,
                Hoe braaver uitgevoert; de stoutheidt is de moeder
                (605) Van bloeiend’ achtbaarheit; de achtbaarheidt van macht;
                En macht van overhandt, daar elk zijn heil uit wacht.
                Wie naar de goudmijn steekt, moet zich den arbeidt troosten.
                Wie naar de paarel duikt, in ’t paarelrijke oosten,
                Ontziet zich geen gevaar; zoo doet de Gotsche Moor,
                (610) Die zich geprikkelt vindt van een wraakgierge spoor.
                Ik zal tot op den troon van Saturninus klaaveren,
                Van waar myn wil, gelyk een strenge wet, zal daaveren,
                Tot daar het zonlicht ryst; maar ’t heeft zijn tijd van doen;
                Wie dat hier teegens streeft, zal ’t met zijn hals vergoên.
Thamer.    (615) O oorzaak van mijn min!
                Aran.
                O oorzaak van mijn lusten!
                Bassianus. Rozelijna. Thamera. Aran.
                Bassianus.
                Hoe Thamra by de Moor?
                Rozelijna.
                Ik zag dat zy hem kusten.
                Bassianus.
                Ik zag, en zie het noch. is, dit de Gotsche telg?
                Wat houd my, dat ik haar niet daadelijk verdelg?
                Rozelijna.
                Ai! Bassianus sta.
Thamer.    Gins zie ik iemant koomen.
                Aran.
                (620) Vaar wel met deze kus.
Thamer.    Verschuil u by de boomen.
                Aran.
                Vaar wel Vorstin, vaar wel.
Thamer.    Wie raadt uw’ liên zoo stout,
                Te koomen by de bron, daar Thamra zich onthout?
                Bassianus.
                Wie raadt de Gotsche Vrouw de Gotsche Moor t’ontvangen?
                Dien zy, gelijk een klis, aan zijnen mondt bleef hangen.
Thamer.    (625) Ik zweer de laffe Prins!
                Bassianus.
                Ik zweer de geile snol!
Thamer.    Ik zweer u andermaal!
                Bassianus.
                Zweer by uw’ zwarte Pol.
                Rozelijna.
                Laat gy uw eerbaarheidt om zulk een schrikdier slippen!
                Om zulk een varkensmuil, met omgekrulde lippen!
                Wat heeft u dus bekoort, zijn oogen vol van vier?
                (630) Zijn krulde Satyrsbaard? zijn bakkes, als een stier?
                Of ’t hair, als lamre wol? of lompe ledematen?
                Of is ’t zijn platte neus, met opgespalkte gaten?
                Ik schrik voor ’t schriklijk beest, besmeert met schoorsteenroet.
Thamer.    Hadt ik Dianas macht, mijn lust was al geboet
                (635) Aan uw’ vermetelheit.
                Bassianus.
                Uw’ macht zal nimmer haperen,
                Om Saturninus hoofd met hoorens te bekaperen,
                Als of ’t Acteon waar.
Thamer.    ’t Sa Bengel, ga van hier,
                Met uw’ albaste pop, voort dartle Venusdier,
                Ga flux uit ons gezicht. verlaat deez’ groene bosschen:
                (640) Uw’ kindsheidt is de roê noch naauwelijx ontwosschen.
                Hoe lang is ’t wel verleên, zeg opgesmokte beeldt,
                Dat gy in ’t kindrehof met poppen hebt gespeelt?
                Rozelijna.
                Hoe lang is ’t wel verleên, dat gy de Gotten hoonde,
                Toen gy uw’ Egemaal het hoofd met hoorens kroonde?
Thamer.    (645) Hoe lang is ’t wel verleên, dat gy met Bassiaan,
                Hier in het eenzaam bosch, uw’ minslust hebt voldaan?
                Rozelijna.
                Hoe lang is ’t wel verleên, dat gy uw’ helsche lusten,
                In d’uitgestrekten arm van uwen broeder blusten?
Thamer.    ’t Was op de zelfden tijdt, dat Rozelijnas moêr
                (650) Haar bedt ontwijen liet van een Toskaansche boer.
                Rozelijna.
                ’t Was toen uw’ Vaader hem by zijne Moeder voegde,
                Die zijn vervloekte lust op ’t bedt haars mans vernoegde.
Thamer.    Zwijg Rozelijna, zwijg, uw’ huis dat is berucht.
                Rozelijna.
                Zeg alles wat gy wilt; maar zwijg niet van de vrucht
                (655) Die gy by Aran hebt.
Thamer.    Wat was uw’ eerste Vaader?
                Een speelkindt van godt Mars, een schellem, een verraader,
                Een moorder van zijn broêr, een die ’t Sabijns geslacht,
                In ’t midden van het spel, baldadig heeft verkracht.
                Bassianus.
                Help Vaader Romulus!
Thamer.    Help Quiro! help uw’ moeder!
                Quiro. Thamera. Rozelijna. Demetrius. Bassianus.
                Quiro.
                (660) Wat eischt mijn moeders schreeuw’?
Thamer.    Doorstoot des Kaizers broeder;
                Hy lastert onze stam: en boet uw’ lust met haar.
                Rozelijna.
                O schelms wat is uw’ doen?
                Demetrius.
                Dat wordt gy hier gewaar.
Thamer.    Stopt Rozelijnas mondt, hang ’t lijk aan deeze struiken.
                Verschuilt met Rozelijn, om haare roos te pluiken.
                Klaudillus. Thamera. Gradamard. Aran.
                Klaudillus.
                (665) Waar is het ongediert?
Thamer.    Gins borst het uit een horn,
                En ’t yld’ eerst op ons aan, maar ’t raakt in deeze born.
                656 speelkindt: onecht kind.
                Gradamard.
                Zoo is ’t in ons gewelt.
                Klaudillus.
                Zoo zal ’t ons niet ontworstelen.
                Gradamard.
                Zacht, zacht, my dunkt ik hoor het ramlen van zijn borstelen.
Thamer.    Voort Aran, nu is ’t tijdt.
                Aran.
                Leght daar vervloekt geslacht:
                (670) Zoo zal ’t uw’ Vaader gaan, die my ten offer bracht.
Thamer.    Zoo moet men Titus stam tot aan de wortel snoeien;
                Op datz’, in eeuwigheidt, niet weeder komt te groeien.
                Aran.
                Ik heb den brief gestrooit: ’t is tijdt dat yder vlucht.
                Klaudillus.
                Help, Vaader, help, help, help.
                Markus. Gradamard. Saturninus. Lucius. Titus. Klaudillus.
                Markus.
                My dunkt ik hoor gerucht.
                Gradamard.
                (675) Help, help, ik smoor.
                Klaudillus.
                Help, help.
Saturn.      Het schijnt by deeze linden.
Titus.         Het is in deeze put.
Saturn.      Men zal ’t geheim wel vinden.
                Voorts haal ons fakkellicht, om deur de duisternis
                In aller yl te zien, wat hier verborgen is.
                Lucius.
                Hou standt, wie datge zijt; of melt u door het spreeken.
                Markus.
                (680) Het is de Vorst zijn broêr.
                Lucius.
                Hy hangt en is doorsteeken.
Titus.         O heilloos schellemstuk! ô wreede dubble moordt!
                De eene door het zwaardt, en ander door de koordt.
Saturn.      O broeder Bassiaan! ik zweer u doodt te wreeken,
                Al zou het Roomsch gewest verzuipen in de beeken
                (685) Van ’t afgetapte bloedt.
Titus.         Al was ’t mijn eigen zaadt,
                Zoo wil ik dat de wraak de handen aan hem slaat.
                Markus.
                O wakker jongeling, de donder moet hem pletten,
                Die op uw’ dappre borst de wreede kling durfd’ wetten.
                Lucius.
                O driemaal wreede handt, die tot zoo boos een feit,
                (690) Daar ’s hemels heir voor schrikt, de stroppen hebt gedreit.
Saturn.      Moet ik mijn bruiloftswijn met bloedt en traanen mengen?
                O doodelijke drank! de blixem moet hen zengen.
                Indien ik my niet wreek, zoo is mijn macht onnut.
Titus.         Kom herwaarts met de toorts, op dat men in de put,
                (695) Daar ’t moordgeschreeuw’ uit klonk, tot aan de gront kan kijken.
                Markus.
                Ik zie iets schemeren.
Titus.         My dunkt ik zie twee lyken.
                Lucius.
                Indien ’t mijn vaader wil, zoo daal ik met ’er vaart
                In d’uitgedrooghde put; want hier bevindt men d’aard,
                Ten grondt toe, uitgespat; zoo datm’ ’er als langs trappen,
                (700) Met toortslicht in de vuist tot op de grond kan stappen.
Titus.         Ga voor, wy volgen u.
Saturn.      O aller steeden stadt!
                Die tweemaal twalef mijl, met uwe muur, omvat,
                Roem geen meer op ’t getal van vierdalf hondert tempelen,
                Noch zevenhondert toorns: deez’, die de hondert drempelen
                (705) Van ’t hooge Kapitool, als jongste Raadt, beklom,
                Eischt een verslagen hart. Och! vroeghgeplukte blom.
Titus.         O ramp! o groote ramp! o schrikkelijk vertoonen!
                Klaudil, en Gradamard, mijn levens waarde zoonen,
                Wie heeft u dus verdelght?
                Lucius.
                Klaudillus herssenvat
                (710) Is t’eenemaal gescheurt, hier leit het brein gespat;
                En Gradamard, o schrik! is ’t aanzicht heel aan mortelen.
Titus.         Op, op bloetgierge wraak, schiet uw’ verwoede wortelen
                In Titus ingewand. ach Markus! ach! ach! ach!
                Markus.
                Men beurt de lijken op, en draagtze voor den dagh.
Titus.         (715) Ik haat, ik vloek den dagh, ja Titus schuwt zich zelven.
                Gy zult Andronikus in dezen put bedelven.
                Markus.
                Klim Broeder, klim, ai! klim.
Titus.         Deez’ onderaardsche Mijn’,
                Zal uwe broeders lijk tot eene grafsteê zijn.
                Lucius.
                Zoo gy hier blijven wilt, wie zal de wraak aanschenden?
Saturn.      (720) O Bassianus dood! O bronaâr van ellenden!
Titus.         Vervloekt’, afgrijsselijk’ en onverzoenbre daad,
                Die God, op zijne troon, voor ’t eeuwigh voorhoofdt slaat!
                Och! kan d’alziende zon aan ’s hemels welfssel prijken,
                Nu zy haar oogen slaat op deez’ bebloede lijken?
                (725) O wee, ô barens nood! ô bitter ongeval!
                Dat all’ de Romers treft, maar Titus boven all’.
Saturn.      Wraak hemel, hemel wraak.
Titus.         O schrik der dwingelande’!
                Die uwe donderkloot, en blixem t’zamen spande,
                En wurpze met uw’ vuist op Typhons storremkat,
                (730) Och! wreek u van dit bloed, dat u in ’t aanzicht spat.
                Markus.
                ’t Is noodigh dat gy voort deez’ zielelooze lijken,
                Op ’t midden van de markt, aan yder een laat kijken:
                Zoo worden de gemoên van ’t burgerlijk geslacht,
                Naar eisch van burgerëedt, tot zulk een wraak gebracht,
                (735) Die d’overschelle Faam zoo yslijk uit zal blaazen,
                Dat zy met haar trompet het aardtrijk zal verbaazen.
Titus.         Hier leit een brief gestrooit.
                Markus.
                Men geefze ’t Roomsch Gezag,
                Op dat hy, zoo ’t hem lust, den inhoud lezen magh.
Saturn.      Hier schuilt de schelmery.
Titus.         Wie heeft het ons beschoren?
Saturn.      (740) Verraadt, (helaas!) verraadt.
Titus.         Ik bidt u laat ons hooren.
Saturn.      Pollander en Melaan: de wraak die heeft haar lust,
                Met Bassianus bloedt, alreê ten deel geblust:
                Uw’ broeders zijn verdelgt daar ik d’ontfangen gaaven
                (Het loon van deeze moord) zorghvuldig heb begraaven,
                (745) Voor ’t melden van de Faam. Het hof van Saturnijn’
                Heb ik ten dienst van u belooft aan Prozerpijn;
                Want die zijn hartenleet door leetdoen poogt te wreeken,
                Moet nooit een schellemstuk ten halven laaten steeken.
                Hoe Titus’ uwe Zoons staan die naar onzen val?
                (750) Men zoek hier naar het goudt. wat braakt de nijdt al gal!
Titus.         Dit schelmstuk is gedicht.
Saturn.      Wie kan dat oordeel strijken?
Titus.         De tijdt, die ’t al ontdekt, die zal ’t de Vorst doen blijken.
Saturn.      Wy wachten op geen tijdt, de blijken zijn te klaar.
                Uw zoonen zijn beticht. ons leven loopt gevaar,
                (755) Ten zy men uwe zoons zoo datelijk doet grijpen,
                Om d’oorzaak van de moordt uit haare tong te nijpen.
                Thamera. Saturninus. Aran. Titus. Markus. Lucius. Quintus.
Thamer.    O waarde Bruidegom! hoe is uw’ Bruidt gesleurt?
                Het aangezicht doorkrabt, en ’t lijfsieraadt gescheurt.
Saturn.      Wie durfde zulx bestaan?
Thamer.    Twee godtvergeeten schelmen;
                (760) Maar ’t aangezicht vermomt met glinsterende helmen.
Saturn.      Verhaal het stout bestaan.
Thamer.    Ik schuilde by een bron,
                In schaduw’ van ’t geboomt, voor ’t braden van de zon;
                Daar ik, met enen schelp, een weinigh water schepte;
                En eer dat uwe bruit de frissche koeldrank lepte,
                (765) Zoo greepme d’een by ’t hair, en wurpme voort ter aardt,
                En sprak: o Kaizers hoer! men zal u, door het zwaardt,
                Doen dalen naar het rijk der woede razernijen.
                Wat zwom ik in een zee van al te groot een lijen!
                Ik schreeuwde dat het klonk. op ’t ysselijk gerucht
                (770) Verscheen de Gotsche Moor. zy tegen op de vlucht;
                Maar Aran is als dol de schenders na gevloogen,
                En zonder zijn ontzet, ik had mijn ziel gespoogen.
Saturn.      Op Ridders, Ridders op, wy zijn althans verraân!
                Bezet in aller yl de monden van de paân.
                Aran.
                (775) O wijtberoemde Vorst! uw’ grontvest is aan ’t spatten,
                Ten zy men Titus zoons zoo datelijk doe vatten,
                En strafze met de doot. de wraak moet zijn voldaan.
Titus.         Wat oorzaak heeft de wraak naar Titus zoons te staan?
                Aran.
                Zoo haast als ’t woede zwijn mij zwijnspriet was ontkomen,
                (780) Heb ik in ’t nare bosch een naar geschreeuw’ vernomen;
                Ik ging op ’t schreeuwen aan, en vond Mevrouw’ gevat;
                Dies ik, getergt tot wraak, vol gramschap, derwaarts trad;
                De schelmen aarzelden; maar ik, geheel verbolgen,
                Bestondt de vluchters met het naakte staal te volgen;
                (785) Zy schuilden achter ’t loof, en deên hun helmen af.
                Toen kon ik Titus zoons, de schenners van uw’ staf,
                Pollander en Melaan.
Saturn.      Leef lang o eer der helden!
                Die Saturninus bruidt in haare vryheidt stelden.
                Aran.
                Dit lemmer is den een ontvallen.
Saturn.      Dit geweer?
                (790) Hoe! ’t is Pollanders kling; nu twijflen wy niet meer
                Of Titus huisgezin heeft onze val geschapen.
                Ik ken ’t vergult gevest; dit is den schelm zijn wapen.
Thamer.    Wat leggen hier voor doôn?
Saturn.      De letters van dit bladt
                Die hebben Titus zoons, met deze moordt, bekladt.
Thamer.    (795) Hun broeders, en uw’ broêr zoo jammerlijk doen sterven!
Saturn.      ’k Wil dat men Titus zoons van lit tot lit doe kerven.
                Elk geef zich boschwaart in, en zoek waar datze zijn,
                En sleepze streng geboeit voor ’t Recht van Saturnijn.
                Markus.
                De Vorst die zie wel toe; ’t zijn reedelooze dingen,
                (800) Zoo onbewust een stuk d’onnooslen op te dringen.
                Quintus.
                Hier is het heiloos goudt.
Saturn.      Wat zeit de Vader nu?
Titus.         Ik zeg gelijk als ’t is, dat ik voor ’t schelmstuk gruw’,
                En zweer ’t vervloekte feit op ’t alderwreedst te loonen,
                Tot zoen van uwen broêr, en mijn vermoorde zonen;
                (805) Maar waar het schelmstuk schuilt is duister om te raân.
Saturn.      Het duister is ontdekt; Pollander, en Melaan.
                Zijn Titus eigen zoons.
Titus.         Wie heeft den brief geschreven?
Saturn.      Die voor ’t genoten goudt deez’ moorden heeft bedreven.
Titus.         Een die de goude lof van mijne zoons benijdt,
                (810) Die zy, in ’t Gotsch gewest, verdienden in den strijdt.
                Schoon ’t waar, gelijk gy zegt: zoo porren mijne daaden,
                Die ik voor Romen deêdt, uw’ wreedheidt tot genaaden.
                Goedt roemens ben ik niet, o Roomsche Burgervoocht!
                Maar wie kan ’t heldenstuk (daar yder mond van boogt,
                (815) Ja daar de Faam meê stoft) van Titus tong verzwijgen?
                Gedenkt u wel den tijdt van onze burgerkrijgen?
                Wat was ’t aaloude Room een yslijk moordtooneel!
                Het Raadhuis vol verraadt; de Tempels vol krakkeel.
                Elk huisgezin gesplitst, het krielden in de straaten
                (820) Van felle plonderaars. de moord was uitgelaaten,
                En holden door de stadt. och! met hoe snelle schreên
                Quam d’onverwachte doodt het Kapitool betreên.
                Hier zagmen, tot veel leeds, het sloopen der gebouwen.
                Daar ’t woeden van de mans. gins ’t kermen van de vrouwen.
                (825) Hier ’t slepen van de doôn, die men van overal
                Ten vensteren uitwurp. de markt was, met een wal
                Van lijken, afgesneên, daar d’aangehitste gilden,
                Na ’t schoppen van de Raadt, haar razerny op spilden.
                De Ridderschap bezweek. het graauw’ was t’zaam gerot.
                (830) Elk vlamden op de buit, die zijnen erfgenot
                In twijffel hadt gebrocht, om hem te overleven,
                Wierdt van zijn erfgenot een mes in ’t hart gedreven;
                Zoo sloeg hier d’eigenbaat de handen aan zijn vrund.
                D’een ging zijn schuldenaars betaalen, met de punt
                (835) Van een vervloekte kling; een ander verft zijn handen,
                Door een verjaarde wrok, in ’t bloedt der bloedverwanden;
                Een wreder blusten ’t vuur van zijnen erfkrakkeel,
                In ’t uitgespatte brein van ’s broeders bekkeneel;
                Zulk een durft ’t felle staal in ’s amptmans boezem wringen,
                (840) Op hoope van zich zelf in ’t oopen ampt te dringen.
                Die zijne boelschap had bezwangert, door de tijdt,
                Die maakte zich, dat pas, de zwangre boelschap quijt.
                De balling, die zich vondt van ’t burgerschap versteeken,
                Quam zich, met euvlen moedt, van ’t heilig vierschaar wreeken.
                (845) Geen schennis zoo vervloekt, noch gruwel zoo vol schrix,
                Noch wreedheidt zoo gehaat, en borst’er ooit uit Styx,
                Of ’t ging ’er toen in zwang. de witbesneeuwde hairen
                Verschoonden d’oude niet; noch d’onvolwasse jaaren
                De bloem des jongelings; noch d’achtbaarheidt de mans,
                (850) Daar Roomen roem op droeg, in d’oorloog met den Frans;
                Noch ’t weenen kon de schaar der werelooze vrouwen
                De breidelooze lust des schenders niet onthouwen;
                D’onnozelheid quam ’t kindt in ’t woeden niet te baat;
                Noch ’t godgewijde kleedt den Priesterlijken staat.
                (855) Het heiligdom was heel met gloejendt puin bedolven.
                Men zag een zee van bloedt, in kerk en Raadhuis golven.
                De Staatzucht greep uw’ staf, en stak naar uwe kroon.
                Die dag quam Room te staan op dertigduizent doôn.
                Wie kon de razerny, daar ’t wijdberoemde Romen
                (860) Dat pas van zwanger ging, dan Titus tong, betoomen?
                Ik deêdtz’ in reden staan; schoon dat de razery
                Na geene reeden hoort, zoo deêdtze ’t toen naar my.
                Is dit mijn loon, dat ik uw’ haardsteen, en outaaren
                Tot noch toe heb bewaakt, voor ’t woeden der Barbaaren?
                (865) Dit ’s uw’ besolding dan, ô overoude Stam!
                Weeg al het goedt en ’t quaadt dat ooit zijn oorsprong nam
                Van Titus huisgezin, ik zweer u dat mijn deegen
                Veel zwaarder dan de fout van mijne zoons zal weegen.
Saturn.      Is ’t billijk dat men deugdt met ware deugd bekroont?
                (870) ’t Is billijk dat men ’t quaadt met euvle wraak beloont.
Titus.         Die zich uit euvel wreekt, die wreekt zich niet uit oordeel.
Saturn.      De wreeklust van de Vorst, die neemt zijn macht tot voordeel.
Titus.         Die zich tyrannig wreekt, die schandvlekt zijne troon;
                En maakt zijn onderdaan ten dienst van ’s vyands kroon.
Saturn.      (875) Door ’t wreeken kan de Vorst de krijts zijns Rijx vergrooten.
Titus.         Door ’t wreeken werd de Vorst van zijne troon gestooten.
                De Vorst die wreekt zich wijs, die door vergeeten wreekt;
                Zoo maakt hy dat zijn faam tot door de wolken breekt.
Saturn.      Daar ’t quaadtdoen, door de straf, in teugel wordt gehouwen,
                (880) Daar kan de Vorst zijn troon tot aan de starren bouwen.
Titus.         De wreedheidt, en de straf zijn ongelijk van waardt.
                De streng bepaalde straf bestaat in ’t wettig zwaardt:
                De wreedtheidt in het hart der wreede dwingelanden.
Saturn.      De Vorst wreekt naar het leet de wraak een vierschaar spanden.
Titus.         (885) O Vorst! een reedlijk Vorst gebruikt in ’t wreeken maat.
Saturn.      Maar niet aan die zich heeft bezoedelt met verraadt.
Titus.         Is ’t zoo? de fout is groot, zoo groot dat ik moet yzen:
                Maar grooter de genaâ die gy ons kunt bewijzen.
Saturn.      Die zelf geen schelm wil zijn, die moet de schelmery,
                (890) Tot zoen van ’t heilig recht, bestraffen na waardy;
                Ook is ’t onmogelijk, dat een oprecht geweeten,
                Tot nadeel van het Rijk, het quaadtdoen kan vergeeten.
Titus.         De hemel is te goedt, gelijkwe daaglijx zien,
                Om iets onmogelijx aan ’t sterflijk te gebiên;
                (895) Indien het anders waar, zoo zijn ’er geen tyrannen,
                Die teegens ’t aardsgeslacht zoo wreedt zijn ingespannen
                Als d’onbepaalde God, de geever alles goedts:
                Die, ’t geen te bitter is, doormengelt met veel zoets.
                De Vorst die ’t quaadt vergeeft, die wordt van alle tongen,
                (900) Schoon hem de doodt verslindt, een leevend lof gezongen.
                De blijdschap van de wraak die duurt slechts voor een poos;
                Maar van barmhertigheit, die is gantsch endeloos.
Saturn.      De Vorst die zijn gemeent als straffeloos laat dwaalen,
                Die laat zijn mogentheidt van zijn gemeent’ bepaalen.
                (905) Hun wraaklust heeft te schelms in onze doodt gewrocht.
Titus.         Uw’ doodt scheen hunne wil; maar die is niet volbrocht.
Saturn.      Een onvolbrochte wil, geneigt tot schelmerije’,
                Die straft men als volbrocht.
                Markus.
                O Voocht der heerschappije!
                Vergrijp u niet, ziet toe, men twijfelt aan de fout.
Saturn.      (910) Wie twijfelt aan ’t verraadt? hier is de brief, daar ’t goudt.
                Markus.
                Wierdt Palemedes niet, dien Phenix, die de Grieken
                Bestraalde met de glans van zijn vergulde wieken,
                Door zoo vervloekt een brief, met landverraad beticht?
                Dit ’s een Ulysses vondt. de Vorst die is verplicht
                (915) Tot nauwer onderzoek, eer hy dit stuk kan straffen.
Saturn.      Wy wreeken zoo ’t ons lust: wie dart’er tegen blaffen?
Titus.         Heel anders blonk oud’ Room, toen d’elpebene staf
                Van ’t Burgermeesterschap zich op het landt begaf,
                En huwden aan de spa, in schaduw van de elzen;
                (920) Toen ’t Raadhuis en de ploeg elkander quam omhelzen
                Met onderlinge trouw; toen hier in ’s Veltheers kas
                Geen nodigh huwlijxgoed voor zoon noch dochter was;
                Noch dat men uit den boêl zoo veel by een kon haalen,
                Om ’t lijkvuur van zijn heer, en doodbus te betaalen;
                (925) Maar sedert dat de pruik, verlekkerd op sieraân,
                Met Kaizerlijke pracht van paarlen wierd belaân,
                En dat de zijde keurs van goudt en zilver kraakte,
                En met een koningrijk, van helle stenen, blaakte;
                Is all’ haar glans bezwalkt. De staatzucht gaat in zwang.
                (930) Het Raadhuis wort gevreest, als een getergde slang.
                Elk Rechter is een beul. de vierschaar wordt gespannen
                Van holle woekeraars. de gouddorst maakt tyrannen.
                De Rechter weet het recht te buigen als een was:
                Of, zoo ’t zijn boosheidt wil, te brijzelen als glas.
Saturn.      (935) ’t Ontbreekt uw’ lippen niet ons achtbaarheidt te schelden
                Maar ons ontbreekt noch min uw’ lastren te vergelden;
                Dies houd de wraak geen standt, voor dat zy haare lust
                Met uw’ moordaadge zoons, tot walgens, heeft geblust.
                Het oordeel is gevelt. Zy zullen ’t niet ontkoomen.
                (940) Voort, neemt de lijken op, en voertze binnen Roomen.
                Markus.
                Ik bidt voor broeders zoons, o aller vorsten Vorst!
                Eer gy uw’ groote deugt met menschenbloedt bemorst.
Titus.         Van godt gevloekte stadt, waar zijn uw’ roembaar’ eeuwen?
                Verduiveld wolvennest, en moordkuil vol van leeuwen!
                (945) Ik zie uw’ val te moet; uw’ oorloogstroon gesloopt,
                Het heilig recht onthult; de tabberd uitgestroopt,
                ’t Ontwijde Kapitool vol woede razernijen;
                Vol Sphynxen van bedrog, vol Hydren, en Herpijen;
                De handvest voor het graauw’; het kerkkelijk gebouw’
                (950) De nachtuil tot een nest, de spin tot weefgetouw’;
                De huisgoôn in het vuur; de huizen heel verlaaten
                Van Roomlus burgery; de kronkelende straaten
                Bezwalpt van burgerbloedt; de Kollatijnsche poort
                Met lijken toegestopt, de Tyber roodt van moordt;
                (955) De markten ruig begroeit; en d’outaarkleên beschimmelen;
                Het eeuwig vuur geblust; vrouw’ Vestas haardsteên grimmelen
                Van brullendt ongediert; de deugden zonder heul;
                Alreê zie ik den slaaf zijn eigen meesters beul;
                De zusters krans geschent van haar schenzieke broeder;
                (960) De dochter geeft vergift aan d’afgeleefde moeder;
                De vader door de zoon, de zoon, door ’s vaders staal,
                Van ’s levens grens geschopt; de vrouw haar egemaal,
                De man zijn bedgenoot op ’t bedt de ziel doet braaken;
                De voedster voedt het kindt met doodlijk spog van draaken,
                (965) En schaft het tengre lam, aan ’s moeders spit geroost,
                Op ’s moeders eigen disch, die haar gebraaden kroost
                Voor lekker wiltbraadt kauwt; hoe zal de Dondraar lijen,
                Als hy genaaken ziet zoo goddelooze tijen?
                O Zon die ’t al beziet! ondek de schelmery,
                (970) Daar ik, met mijne zoons, zoo onverhoeds, in gly.
                Rei van Roomsche en Andronisenzer Iofferen.
                Zang.
                Yder voeg zich om te toojen.
                Vlij de hagelwitte keurs.
                Sluit de tabberd rijk van ploojen,
                Met een gordel van veel kleurs;
                (975) Doet de paarlemoere pruike,
                Niet alleen naar balsem ruike;
                Maar naar ’t geurige himet:
                Streel de hairen, vlei de roozen,
                Hecht de sluijer aan ’t toppet,
                (980) Strikt de strikken op de broozen,
                Siert de borst met diamant,
                Spaar noch oor- noch arremringen,
                Tooi de poezelige handt
                Met getal van vingerlingen,
                (985) Ingeleit met esmaralt,
                Daar het geurig’ Oost meê bralt;
                Wat is Venus zonder gordel?
                Schoonheidt neemt sieraadt te vordel.
                Tegen-zang.
                Wegh met steenen, wegh met paarelen,
                (990) Hier eischt steen noch paarelsnoer;
                Want de traanen die hier dwaarelen,
                Stremmen nu tot perlemoer.
                Krab het aanzicht, klop de borsten,
                Smeek het hoofd der Roomsche Vorsten;
                (995) Al waar ’t hart als diamant,
                Zoo is ’t tot medoog te smeeden,
                Met de hamer van ’t verstant,
                Op het aanbeeldt van de reeden.
                Waar de Minnemoer versierdt,9
                (1000) Toen Adonis was gebeeten,
                Van het woedend’ ongediert?
                Venus heeft haar pruik gereeten,
                Ja haar geurge roozenhoedt.
                Val de Roomsche Vorst te voet.
                (1005) ’t Wapen van de Maagde reyen,
                Dat bestaat alleen in schreyen.
                Toe-zang.
                Huw de klank der schelle luiten
                Aan het spel der dertle fluiten,
                Leid de Bruid met zulk een’ galm,
                (1010) Met de sleep van haar gespeelen,
                Langs een vloer van maagdepalm,
                Naar de Roomsche wreektooneelen,
                By haer lieve Bruidegom,
                Die op d’oever van zijn leven,
                (1015) ’t Laatste kusje wenscht te geven,
                Aan zijn kuische Maagdeblom.
                HET DERDE BEDRYF.
                MARKUS. ROZELIJNA.
                Markus.
                Rampzaalge Rozelijn! vloekwaardig zijn de stonden
                Van uw’ geboortendag. wie heeft u dus geschonden,
                In ’t quikste van uw’ lent? O lijdelooze spijt!
                (1020) ’t Schijnt dat de woede wraak my ’t ingewand deurbijt.
                Titus. Saturninus. Pollander. Melanus. Lucius. Roomsche rechters. Markus. Rozelijna.
Titus.         Kan ik de Roomsche Vorst niet meuken met de tranen,
                Die, als een zoute zee, langs ’t rimplend aanzicht banen?
                Ik bidt u om de eer van uw’ doorluchte stam;
                Ik bidt u om de uur dat gy ter werreldt quam;
                (1025) Ik bidt u om de borst die uwe kindsheidt voede,
                Dat gy u niet vergrijpt, door al te hevig woede.
                Genaade groote Vorst, genaad, och! en geen recht;
                Erbarm, erbarm u toch met uw’ gebogen knecht.
                Heeft Roomlus kindsgeschrei de wolven niet bewogen?
                (1030) Bestraal, bestraal uw’ slaaf met straalen van medoogen;
                Of is u hert verhart in yzer, daar de tijdt
                Van mijn demoedigheidt haar tanden op verslijt?
                Ik geef mijn hartebloedt, om’t quaadt mijns zoons te boeten.
                Markus.
                Andronikus sta op.
Titus.         Ik kus de Vorst zijn voeten.
                Markus.
                (1035) Rijs broeder, broeder rijs.
Titus.         Ik laat de Vorst niet gaan
                Voor dat ik voor mijn zoons genaade heb ontfaân.
                Markus.
                Andronikus sta op, de Rechters zijn vertrokken.
Titus.         Wat woel ik in een zee van duizent ongelokken!
                Markus.
                Och! broeder zie uw’ kindt.
Titus.         Mijn uitverkooren roos!
                (1040) Hoe zijtge dus bebloedt?
                Markus.
                Z’is handt, en tongeloos.
Titus.         Hoe! handt, en tongeloos?
                Markus.
                Gelijk gy zelf kunt speuren.
Titus.         Hoe! handt en tongeloos?
                Markus.
                ’t Is nu geen tijdt van treuren.
Titus.         Hoe! handt, en tongeloos?
                Markus.
                Dit schellemstuk eischt wraak.
                Hoe broeder! wel hoe dus! is broeder zonder spraak?
                (1045) Hoe is ’t Andronikus? hoe zijtge dus verslaagen?
Titus.         Ik vindme veel te zwak om zoo veel ramps te draagen.
                Hoe! handt, en tongeloos? is ’t droom of spokery?
                Markus.
                Och! dat het spook mocht zijn.
Titus.         Mijn lieve honighby!
                Wat voor een beulsche klaauw heeft zich aan u vergreepen?
                (1050) Voorzeker heeft de schelm zijn oogen toegeneepen
                Toen hy dit schelmstuk wrocht; ’t is wonder dat het zwaardt,
                Toen ’t uwe schoonheidt zag, zich zelf niet heeft geschaardt,
                En aan de moordenaar de wreede sneê geweigert.
                O gruwel die de Faam vol schrix in d’ooren steigert!
                Markus.
                (1055) Betoom uw’ ongeval.
Titus.         Wie heeft zoo vinn’gen handt,
                Die teegens Titus zaadt zoo wrevlig is gekant?
                Geen halfgebraaden Moor, in ’s werrelds andre deelen;
                Noch woedend Arabier, op zijne moordtoonneelen;
                Waar heeft de wrede Parth, in ’t Kaspiaans gewest,
                (1060) Of d’ongastvrije Schyt, die ’t hongrig aardrijk mest
                Met dierbaar menschen bloedt, zich ooit zoo schelms vergreepen,
                Dat hy op zulk een lam zijn slachtmes heeft gesleepen?
                De felste Heniog ontslipten zijne dag,
                In ’t heetste van het woên, zoo hy ’t afbeeldsel zag
                (1065) Van Rozelijnas beeldt, en zwoer by Taurus toppen
                Zich zelfs verheert te zijn; verhangen in de stroppen
                Van haar gekrulde pruik. O paarel van Euroop!
                Hoe vloeit uw’ mondt van bloedt, die vaak van nektar droop.
                Zag Diomeed te rug, die zijne paarden voeden
                (1070) Met leevendt menschen vlees, hy deisde voor het woeden
                Van Romulus geslacht: Prokrustes en Buzier,
                Die eertijds zijt gevloekt, het alverteerend vier
                Van uw’ schenzieke handt is nu te Room’ ontsteeken.
                Markus.
                Spreek Rozelijn, ai spreek! doe ons toch enig teeken
                (1075) Van ’t goddeloos bedrijf. (helaas!) het is om niet.
                Wie zal ons kundschap doen hoe ’t schelmstuk is geschiet;
                En wie de schenners zijn van ’t puik der Roomsche maagde’,
                Die Saturninus broêr tot ene bruidt behaagde?
Titus.         Indien Apelles handt, met een bebloedt penseel,
                (1080) Dit schelmstuk had gemaalt, wie zou het tafereel
                Beschouwen, die het hart niet t’enemaal zou barste,
                Eer zich een droppel nats uit zijnen oogen parste?
                Of zoo de Poëzy, dat overduurzaam zout,
                Dat aller eeuwen boek voor rotting onderhoudt,
                (1085) Aan ’t ongeboren volk, deez’ gruwlen komt te melden;
                Wat zal men ’t Roomsch geslacht voor tigeraardig schelden!
                Mijn lieve Maagdelief! waar is de goude tong
                Die Vaders goude lof met goude vaarzen zong?
                Waar zijn de handen, die wel eer de dappre daaden
                (1090) In ’s Vaders wapenrok, met zijd’ en goude draaden,
                Borduurden als Minerv’? de rammelende veêl,
                De syter, en simbaal, gehuwt aan uwe keel,
                Zijn nu als gadeloos.
                Lucius. Titus. Markus. Rozelijna.
                Lucius.O overgrijze Vaader!
                Wat staatme nu te doen? men scheldme voor verraader;
                (1095) Voor derde moordenaar; het Rijk is my ontzeidt,
                Om dat ik met dit staal mijn broeders recht bepleit.
Titus.         Zie Lucius, ai zie! heeft uw’ gezicht ook kennis
                Aan dit mishandelt beeldt?
                Lucius.O gruwelijke schennis!
                Mijn zuster Rozelijn.
                Markus.
                Haar tong is uitgesneên,
                (1100) Haar handen afgekapt.
                Lucius.
                Is ’s menschen hart van steen!
                Wie heeft mijn Vaders huis dit ongeval beschoren?
                Heeft hemel, hel, en aardt ons vyandschap gezworen!
Titus.         Ik raas van ongedult, ik vloek, en weet niet wien.
                Wie heeft ’er ooit op aardt zoo wreedt een stuk gezien?
                Aran. Titus. Markus. Lucius. Rozelijna.
                Aran.
                (1105) Zeeghaftig oorloogsheldt, ik kom u tijding brengen,
                Hoe dat men ’t bloedt uw’s zoons, door ’t wettig zwaardt, zal plengen.
Titus.         Waar zal de slachtbank zijn?
                Aran.
                Dicht aan des Tibers boordt,
                In ’t aanzien van de stat; wiens marriktruime poort
                Byna te barsten schijnt door d’ aangedronge schaaren:
                (1110) De huizen loopen leêg; de vrouwen naar d’outaaren;
                De mannen naar ’t gerecht; het Kapitool is doodts;
                En ’t hof van Saturnijn gelijkt een ydle loots;
                De waterkant die leeft: het grimmelt op de daken:
                Al ’t heir is op de been: de popelboomen kraken
                (1115) Van ’t opgeklomme graauw’; de Tiber is bevloert
                Van schuiten, vol van volk, van overal gevoert;
                Een weereldt van gedrang begeeft zich in ’t bosschaadie.
                Zoo dra als uwe kroost de Roomsche wreekstellaadie,
                Al sidderend, beklom, omheiningt met een stoet
                (1120) Van Saturninus wacht, elke stietze met de voet:
                Wat mart het heilig Recht, begon ’er een te schreeuwen?
                Men werpze voor den muil der hongerige leeuwen,
                Of hang hun in de lucht aan een beschorste stam,
                En sleep hen voort langs d’aard, en braadt hen in de vlam,
                (1125) En dompel hen in zee, in ’t aanzien van hun tenten;
                Zoo wordt de woede wraak der twe paar elementen
                Naar haaren eisch voldaan, een ander riep: vaar voort,
                En straft de moordenaars voor hunne broedermoordt,
                Wy zullen ’t laauwe bloedt de wraak ten offer brengen,
                (1130) En met de weifflend’ asch van hun gebeente mengen,
                En zuipen het, tot zoen van ’t vinnig moordkrakkeel,
                Uit d’uitgezogen schonk, en ’t breinloos bekkeneel;
                Zoo zal de wraak haar vuur ten deele konnen blussen.
                Een ander riep: zie toe, de Vader zit op ’t kussen,
                (1135) En voert het Roomsche heir; indien gy uw’ vergrijpt,
                Dat gy het moordgeweer, op Titus zonen, slijpt,
                Zoo naakt de Roomsche val, die, als een pest, zal loopen
                Door ’t ingewandt des Rijx, tot dat wy zijn verzopen
                In ’t afgetapte bloed; ja dat de vremdeling,
                (1140) Wanneer hy herwaarts reist, met groot verwondering
                Zal zeggen: dit was Room; en met de vinger wijzen,
                Hier zag men ’t Kapitool, tot aan de sterren, rijzen;
                Daar was godt Janus kerk wel eertijds opgerecht,
                Maar nu een moordoutaar, door onderling gevecht;
                (1145) Van deez’ gesloopte trans heeft Neroos oog gekeeken,
                Toen zijn vervloekte lust de stadt aan brand deê steeken;
                Op dat hy zou bezien, van d’opgesteegen muur,
                Hoe Trooien branden door de gloedt van ’t Griekse vuur.
                Het graauw’ hier door getergt, heeft op hem aangedrongen,
                (1150) En d’al te losse tong uit zijne mond gewrongen,
                En trappeld hem op ’t hart dat hy zijn ziel uitspoog,
                En slurpten ’t reutlend bloed zoo ’t uit zijn aders vloog,
                En scheurde ’t ingewandt, en knaagd aan hun gebeente.
                Zoodanig was het woên van Romulus gemeente.
Titus.         (1155) O woekerende wraak! o reedenloos geslacht!
                Gy zijt van ’t ongediert op Taurus voortgebracht.
                Aran.
                De Roomsche val scheen toen te staan in haar geboorte;
                Haar overstrijdbre muur, en driemaal twalef poorte’,
                En Tempels hemelhoog ontzetten zich van schrik;
                (1160) Men slibberden in ’t bloedt in eenen oogenblik;
                Men vocht met stok en steen; want wie zich poogt te wreeken,
                Zal zelden wapentuig, in tijdt van noodt, gebreeken.
                In ’t midden van het woên genaakt’ ons eene maagdt,
                Als of ’t vrouw Venus waar, daar Paphos roem op draagt;
                (1165) Ten kuiten toe gehoost, met purperverfde broozen;
                Bemijtert met een krans van uitgepikte roozen;
                Gedost met wormgespin, dat glimprijk neêrwaarts plooit,
                Van Pallas geborduurt, met diamant bestrooit;
                Omgordelt met een riem by Venus riem geleken;
                (1170) De Zon die zou zijn toorts aan haar paruik ontsteken;
                Haar tabbert kraakt van goudt, het hair hangt onvertuidt,
                En golleft langs de rug, als ’t hair van eene Bruidt.
                Zoo klomz’ op ’t wreektoonneel, met neêrgeslagen oogen,
                En heeft, tot driemaal toe, voor ’t heilig Recht gebogen.
                (1175) Een yder was versaagt, en leide ’t moordgeweer,
                Met een verslagen moedt, voor haare voeten neêr.
                O zegenrijke Vorst! (zoo sprak zy in het midden
                Van ’t grimmelende volk) ik kom uw’ hoogheidt bidden
                Om Titus jongste zoon, mijn lieven Bruidegom!
                (1180) De Vorst bleef sprakeloos, hoe! zeidze, zijt gy stom?
                Gy zijt aan my verplicht, mijn eisch bestaat in reeden.
                Gedenkt u wel de tijdt, dat Roomen wierdt bestreeden
                Van ’t Afrikaans geweldt? wie heeft het heir geschut?
                De kassen waren leêg; de steeden uitgeput;
                (1185) Men riep om oorloogsvolk, maar ’t roepen mogt niet baaten.
                Daar geen bezolding is, daar zijn ook geen soldaaten.
                Uw’ Grootvaâr vol gevaar, verwachten, alle uur,
                Het overzeesche heir voor d’onbemande muur.
                Dat speet mijn moeders Moey; dies zy, met d’eer der Jofferen,
                (1190) Op ’t hooge Kapitool eerbiedelijk quam offeren
                Haar borst en halssieraat; de pruiken vol gesteent;
                De gordels daar de zon haar schittering van leent;
                De sluijers stijf van goudt; de keurssen vol simbaalen;
                De ketens, zwaar van wicht; de goud’ en zilvre schaalen,
                (1195) Met paarlen overzaait, die ’t volk op Bacchus feest,
                Ter kimmen toe vol wijns, met zorgelozen geest,
                In schaauw’ van wijngaardblaân elkander plach te bringen:
                Zy gaaven, tot de krijg, hun oor en arremringen.
                Zoo wierdt ’t verlegen Rijk, door moeders moey’, geredt.
                (1200) De bulderende trom, en dreunende trompet
                Die kreeg terstondt gehoor. der bondgenote steeden
                Die stelden zich te werk, om wapentuig te smeeden;
                Men gespte ’t harnas aan, en gorde ’t schittrend zwaardt,
                En steeg, met speer, en schild, vol moeds, op ’t moedigh paardt.
                (1205) De ploeg moest in de schuur; de zeissens wierden daggen;
                De sluijers van ’t toppet veranderden in vlaggen;
                Men sloopten huis en hof, wel eer tot praal gebouwt,
                En bezigden, uit nood, de balken, roodt van goudt,
                En gulde wellefsels tot schepen en galaijen;
                (1210) De vrouwen schooren ’t hair, om kabels van te draijen;
                Men sloeg in aller yl, al wat tot windvang past,
                Als wandt, en vloertapijt, voor zailen aan de mast.
                O oude goude tijd! waar zijt gy nu gevloogen;
                Zoo sprak de doodsche maagd, met traanen in haar oogen.
                (1215) Wy weten ’t, zeidt de Vorst, al wat gy hebt gezeidt;
                Dies zijnw’ aan u verplicht; maar in de reedlijkheidt:
                Dat ’s aan uw’ eigen stam; maar niet aan Titus kinderen:
                Indienge ’t Roomsche recht haar kracht niet wilt verminderen,
                Zoo poog geen moordenaar te vrijen voor ’t geweer.
                (1220) Die woorden quetsten haar, als een gescherpte speer.
                Zy vloekte ’t heilig recht, en ’t hoofd der Roomsche Vorsten.
                Zy krabden ’t aangezicht, en klopte voor haar borsten,
                En scheurde ’t blanke vel met haare naagels op;
                Zy wrong haar tuiten zaam, gelijk een beul zyn strop,
                (1225) En gordenz’ om haar hals, met sidderende handen;
                Zy kauden hare tong, en knersten op haar tanden;
                Zy liep als een Bacchant; haar docht zy zag de Maan
                De paarden van de zon in haar gareelen slaan.
                Orest, de moederbeul, vertoont zich nooit verwoeder
                (1230) Op ’t Grieksche treurtoonneel, als zijn vermoorde moeder,
                Met toortslicht in de vuist, quam spooken om zijn koets,
                En toonde haare borst, beklontert van veel bloeds.
                De Vorst stond als een eik, die al zijn telgen kraaken,
                Wanneer de dolle windt met wijtgespalkte kaaken,
                (1235) Komt buldren op zijn kruin. hy wist niet hoe hy zouw’;
                Nu dacht hy aan de moordt, dan dacht hy, zal de Vrouw’
                Den jongsten van de twee, als Bruidegom verwerven?
                Zoo is ’t onbillijk dat ik d’outste hier doe sterven.
                Hy nam een kort besluit, en eischt’ uwe rechte hand
                (1240) Tot zoen van uwe zoons; maar ’t recht toond zich gekant,
                En wil dat zy uw’ zoons de sneê van ’t zwaart doe voelen;
                Op datze, met hun bloedt, het vuur des wraax verkoelen:
                Dies zeg hoe datge wilt; de Rechtbank staat na straf.
                Daar is de Vorst zijn eisch.
Titus.         Ik houwze daadlijk af.
                Markus.
                (1245) Hoe broeder uwe handt! wie zal de sabel zwaaien,
                Zoo gy de Roomsche Vorst met uwe handt wilt paaien?
                Mijn handt is krachteloos; zy dient tot kling noch speer.
                Hier Broeder, hier ’s de mijn, kap af met uw’ geweer.
Titus.         De mijn is afgeleeft: hoe kanze beeter strijen,
                (1250) Dan als zy, afgekapt, mijn zonen zal bevrijen?
                Markus.
                Dat sta ik nimmer toe.
                Lucius.
                Noch ik gedoog het niet,
                Dat my zoo groot een’ hoon door vaaders wil geschied.
Titus.         De mijne wordt geëischt voor uwe broeders leeven.
                Lucius.
                Schoon d’uwe wordt geëischt ik wil de mijne geeven.
                Markus.
                (1255) Zacht Lucius, houw stant, hier Aran, hier ’s de mijn.
                Lucius.
                Ik zweer u by mijn eer, het zal de mijne zijn.
Titus.         Dit worstlen is onnut, het moet de mijne weezen.
                Lucius.
                Och Vader! uwe handt, die yder een deedt vreezen?
                Aran.
                Noch gaat het naar mijn zin; maar noch moet ’t anders gaan,
                (1260) Eer Saturninus kroon op Arans hooft zal staan.
                ’t Huis van Andronikus heb ik alreê aan ’t gijpen,
                Het wacht de jongste steek. het mes is weêr te slijpen,
                Om Saturninus zelf te stieren naar het graf;
                Zoo vlam ik op de kroon, en goude scepterstaf.
Titus.         (1265) Hier is de goude handt, die handt, die met den deegen,
                Ten dienst van ’t algemeen, Granaden met een reegen
                Van menschenbloedt begoot; die handt, die ’t Duitsche volk
                In d’Alpes heeft verheert; die handt, die Pontus kolk
                Met lijken heeft bevloert; die handt, die d’Epirotten
                (1270) Deêdt sneuvlen in ’t gebergt; die hand die ’t heir der Gotten
                Tot tweemaal heeft verdelgt; die handt, die Argos muur
                Ten puinhoop heeft gebeukt; die handt, die ’t oorlogsvuur
                Zeeghaftig heeft geblust: die handt, die goude wetten
                Voor Roomlus burgers schreef, moet die mijn zoons ontzetten?
                (1275) Daar Aran, daar’s de handt; ga geeftze nu de Vorst,
                En eischt zijn gramschap meer? zoo zal ik deeze borst
                Ontsluiten met de kling, en ’t kiemend bloedt aftappen;
                Of wil hy Titus hart? zoo kom weêr herwaarts stappen,
                En scheur het middelrif ten bangen boezem uit;
                (1280) Dan zult gy, ’t hof ten dienst, mijn overtaije huidt,
                Ten spieren afgestroopt, op ’t bekkeneel gaan spannen;
                Want zulk een keteltrom zal ’t hoofdt der aards tyrannen
                Noch kittlen, als hy zich, van brein en bloedt bespat,
                Op zijne zeegenkoets laat rijen door de stadt.
                Aran.
                (1285) Ik zal de strijdbre handt, tot zoen van uwe zoonen,
                In ’t midden van ’t gedrang, aan Saturnijn vertoonen.
Titus.         Kom hier mijn Rozelijn, al lang genoeg verschuilt,
                Wat is’er dat u deert? hoe zijt gy dus behuilt?
                Is ’t om uw’ Vaders handt, dat bey uw’ oogen leeken?
                (1290) Zy knikt, o God zy knikt! hoe gaaren zouze spreeken!
                Schep moedt mijn kindt, schep moedt, ik wis uw’ traanen af.
                1264 Bij sommige opvoeringen werd blijkbaar nog een passus van 16 regels ingelast, om Titus
                gelegenheid te geven ergens anders zijn hand ‘af te hakken’. Zie het Leidse ex. van de druk
                van Ian van Duisberg (1658), waarin 16 vss. in hs. zijn ingeplakt, als volgt ingeleid:
                ‘Bygevoegde Regels voor Aran en Titus in het Derde Bedryf (om dat Titus wat meerder tijd
                zou hebben om zyn hand af te kappen) ... eindigend: Geen Sterfling, ooit zo na als Aran, aan
                de Goôn.’ Wsch. van de hand van een acteur.
                Nooit heeft uw’ Vaaders handt voor Saturninus staf
                Zoo ridderlijk gestreên, by ’t klinken der trompette’,
                Als nu in deeze strijdt, daar zy uw’ broêrs ontzette.
                Lucius.
                (1295) Wie heeft dit wreede stuk aan Rozelijn gewrocht?
                Markus.
                Ik vondze gints in ’t bosch, en hebze voorts gebrocht,
                Door dit gewaadt vermomt, daar ik het bloên deê stempen.
                Lucius.
                Kon ik het vuur mijns wraax in ’t bloedt des schenders dempen,
                Ik stelde my te werk.
                Quintus. Titus. Markus. Lucius. Rozelijna.
                Quintus.
                O Roem van ’t Vaderlandt!
                (1300) Ik breng (gelijk gy ziet) uw’ afgekapte handt.
Titus.         Waar blijven mijne zoons, die Aran my beloofden?
                Quintus.
                Uw’ zonen zijn onthalst, hier ziet gy bei de hoofden.
Titus.         Dat u de donder sla.
                Quintus.
                Dat ik de hoofden breng,
                Is niet dan Arans last.
                Markus.
                Dat u de blixem zeng.
                Lucius.
                (1305) Vlie flux uit ons gezicht.
                Markus.
                Mijn wraak is niet te temmen,
                Voor dat ik in het bloedt des Roomsche Raads zal zwemmen.
                Lucius.
                Och Vaader! Vaader och! wat lijdt uw’ huis al hoons!
                Hoe wordt uw’ stam gesnoeit, door ’t slachten van uw’ zoons!
                Is Vaader sprakeloos? wie teugelt uwe lippen,
                (1310) Dat gy geen moordgeschreeuw uit uwe mondt laat slippen?
                Markus.
                Hy is gantsch roereloos, en staat gelijk de geen,
                Die door Meduzas pruik veranderden in steen.
                ’k Bezweer Andronikus, by mijn getergde tooren,
                Dat hy zijn hartewee aan mijn gehoor laat hooren;
                (1315) ’k Bezweer uw’ stramme tong, by uw’ mishandeld kindt;
                By ’t bloedt van uwe zoons; indienge zijt gezint,
                Dit heilloos schellemstuk op ’t allerwreedst te wreeken,
                Dat gy uw’ mondt ontsluit, en dwingt uw’ tong tot spreeken.
                Lucius.
                Zoo gy een Vaaders hart in uwe boezem draagt,
                (1320) Zoo zeg ons, of de wraak u ’t ingewant doorknaagt.
                Spreek Vaader, spreek, ai spreek!
                Markus.
                De Hemel wil ons helpen;
                De droefheidt bint zijn tong. wat ramp komt ons bestelpen!
Titus.         O wee! o wee! o wee!
                Lucius.
                Och Vaader! wat zal ’t zijn?
Titus.         O wee! o wee! o wee!
                Lucius.
                Hoe pijnigt ons uw’ pijn!
Titus.         (1325) O wee! o wee! o wee!
                Markus.
                Waar zijn mijn broeders zinnen?
Titus.         Wraak Hemel, hemel wraak.
                Markus.
                Laat reeden u verwinnen.
Titus.         Wraak Hemel, hemel wraak.
                Lucius.
                Ik bidt u, weest toch stil.
Titus.         Wraak Hemel, hemel wraak.
                Markus.
                Een die zich wreeken wil,
                Ontveinst zijn ongeval.
Titus.         Wat zal mijn veinsplaats strekken?
                (1330) De werreld is te kleen om Titus leet te dekken.
                Markus.
                Het ongeluk is groot; ja overgroot, ik ken ’t
                Dat gy bevochten wordt met allerlei ellend;
                Maar alles heeft zijn tijdt.
Titus.         Al waaren al de vlaagen
                Van ’t bulderende noord, en dolle donderslaagen,
                (1335) Tot een metaale stem, in Titus mondt, gesmeedt;
                Zoo waarze krachteloos, om d’oorzaak van dit leet
                Te melden na den eisch.
                Markus.
                Wy zullen ons noch wreeken,
                Van die dit schellemstuk zoo schellems heeft besteeken,
                Tot schennis van uw’ huis; dies roep den Hemel aan;
                (1340) Want zonder ’s Hemels hulp wordt hier niet groots bestaan,
                Veel minder uitgevoert.
Titus.         De hemel stopt zijn ooren,
                En wil my in het bloedt van mijne kindren smooren.
                Ik roep de hel tot hulp: komt felle razery,
                Komt dochters van de wraak, en voegt uw aan myn zy:
                (1345) Komt onderaards gespook, wy moeten ons noch baaden
                In ’t reutelende bloedt van vijfmaal honderd Raaden.
                Lucius.
                Hoe zijtge dus ontzint?
Titus.         Ik ben gelijk een schip,
                Dat zich aan splinters stoot, op een onzichtbre klip.
                Markus.
                Ik bidt, dat gy uw’ tong, voor deez’ tijdt, wilt betoomen:
                (1350) Uw’ klachten zijn vergeefs, gy klaagt het aan de boomen.
Titus.         Wiens lot betreur ik eerst, tot teeken van veel smarts?
                Pollanders, of Melaans? Klaudils, of Gradamards?
                Of mijn bebloede handt, die ’t slagzwaardt plach te draagen?
                Of zal ik Lucius, in ballingschap, beklaagen?
                (1355) Of Rozelijnas ramp, die kuische maagdeblom?
                Of Saturninus broêr, haar lieve bruidegom?
                Lucius.
                Verkrop uw’ harte wee.
Titus.         O vinnige tyrannen!
                Och Lucius! och! och! zijt gy altans verbannen?
                Moet gy in ballingschap, naar ’t koude Pontus, gaan?
                (1360) Heillooze ravenäas! dat u de moordt moet slaan.
                O smart! o pijn! o doodt! hoe is mijn hoop verdweenen!
                Hoe zal ik Lucius, hoe zal ik u beweenen?
                Markus.
                Andronikus schep moedt; ik zal u helpzaam zijn.
Titus.         Mijn kuische tortelduif, mijn lieve Rozelijn,
                (1365) De traanen, diege weent, zal ik met goudt doorbooren,
                En hangen die, tot pronk, voor paarlen aan mijn ooren;
                De drupplen van dit bloedt, vermengt met kristalijn,
                Die zal ik voor koraal, voor flonkerendt robijn,
                En zuiver amathisth, tot halssieraadt gebruiken;
                (1370) Met deze sprenkelen, als roozen op hun struiken,
                Zal ik mijn lauwerier, en goude stevenkroon,
                Op ’t herelijxt, bekleên; zie! elk is een Adoon.
                Stoft Tirus op de kuip van ’t Vorstelijk scharlaaken?
                De wakkre dageraadt op ’t purper van haar kaaken?
                (1375) De zomerzieke May, die wenscht haar roozenhoedt
                Te verwen in de bron van dit geplengde bloedt.
                O meer dan Philomel door Thereus mes geschonden!
                Wat voelt mijn bange borst al doodelijke wonden!
                Ik ben in lijfs gevaar.
                Lucius.
                Mijn vaader roept te luidt:
                (1380) Indien gy klagen wilt, zoo schudt uw’ krop eens uit,
                In ’t binnenst van uw’ tent.
Titus.         O overwaarde hoofden!
                Vloekwaardig zijn de geen die u van ’t licht beroofden;
                Pollander, en Melaan, is dit voor al de deugdt,
                Die gy voor Romen deê? de bloemen van uw’ jeugdt
                (1385) Zijn t’eenemaal verdort in ’t bloeienst van haar lenten.
                O dubble hartewee! zijn al de elementen
                Op Titus aangehitst? ik wreek my, eer de zon
                Haar heete straalen blust in aller vloeden bron.
                Vervloekte Saturnijn! hoe zal ik uwe darmen,
                (1390) Uit d’opgescheurde buik, noch hasplen op mijn armen!
                Markus.
                Is Titus zinneloos?
Titus.         Klaudil, en Gradamard,
                Die ’t zaaligh zielenveldt, in ’t leeven zonder smart,
                Met uwe broêrs betreedt, in schaduw’ van de boomen,
                Zult gy geen kondschap doen, door wienge zijt gekoomen
                (1395) Aan zoo rampzaalge dood, op dat men ’t schelmstuk straf?
                Want ik zal uwen asch niet leevren aan het graf,
                Of ik heb wraak gepleegt, aan die uw’ leevens smoorden;
                Schoon ’t recht uw’ broêrs beticht, die Saturnijn deê moorden.
                Lucius.
                Heeft vaader uitgeklaagt?
Titus.         O Bassianus ziel!
                (1400) Doe kondschap aan uw’ broêr, wie dat uw ’s leevens kiel,
                Op d’oever van de doodt, zoo jammerlyk deêdt stranden.
                Markus.
                Hou op, ’t is lang genoeg.
Titus.         O roem van alle handen!
                O handt! o dappre handt! daar ’s vyands macht voor boog:
                De zenuw’ van de stadt, en d’appel van haar oog;
                (1405) Gy zijt door ’s Kaizers eisch van deezen arm gehouwen.
                O schellem! o tyran! ik zal ’t vergift noch brouwen
                Daar gy aan barsten zult. ween Markus, ween, ai ween!
                En klop voor uwe borst met eene keizelsteen;
                Gy moet uw’ broeders zaadt, gelijk uw’ broêr, beschreyen.
                (1410) Laat uwe dappre handt uw’ hooft met asch bespreyen,
                En krab uw’ aangezicht.
                Markus.
                O Roomsche maagdenschaar!
                Beweent mijn broeders zaadt, met ongevlochten haar;
                En maak u aangezicht, door ’t rollen van de traanen,
                Gelijk mijn broeder doet, tot zoore pekelbaanen;
                (1415) Ik ben om broeders zaadt, tot in mijn ziel, ontstelt;
                Zoo dat mijn bange hart byna aan traanen smelt.
Titus.         Hou op, elk heeft zijn deel, een yder voelt zijn lyen:
                Maar al wat yder voelt, komt my alleen bestryen:
                Beween uw’ broeders ramp. hoe zijtge zoo versteent,
                (1420) Dat gy uw’ broeders zaadt, en broeder niet beweent?
                Voort spalk uw’ groove keel, en val zoo naar aan ’t huilen,
                Dat bosch en berriggoôn zich voor ’t geschreeuw verschuilen
                In Kakus moordspelonk; ’t is nu de rechte tijdt,
                Dat elk, om Titus ramp, zich zelf aan traanen slijt.
                (1425) Ween Rozelijn, ween, ween, ontsluit de zuivre kraanen
                Van uw’ benaauwde borst, en stort de brakke traanen
                In deeze watering, omheint van groeizaam lis,
                Tot dat de varsche beek zoo zout als pekel is.
                Zoo Lucius, zoo, zoo, laat zoo veel traanen druipen,
                (1430) Dat Roomen, in een zee van traanen, kan verzuipen,
                Zoo Markus, dat gaat wel. stil Rozelijn, stil, stil,
                ’t Schijnt dat het gantsche bosch met Titus treuren wil.
                Markus.
                O roem van ’t Roomsche Rijk! gy zijt van daag gedraagen
                Gelijk een Scipio, op Cezars zegenwaagen;
                (1435) Betulband met lauwrier; begroet met handgeklap;
                Omheiningt door ’t gedrang van Roomlus Ridderschap;
                Bemantelt met de praal van Saturnijns gewaaden;
                De Borgermeesteren, en al de Roomsche Raaden
                Geleiden uwe koets, in ’t aanzien van de Nijdt.
Titus.         (1440) Ha, ha, ha, ha.
                Markus.
                Wel hoe! ’t is nu geen lacchens tijdt.
Titus.         Ha, ha, ha, ha, ha, ha; hoe zoud’ik konnen weenen?
                Mijn boezem is verdrooght; mijn traanen zijn verdweenen;
                Mijn hart is leeg geput; mijn ingewandt dat kookt;
                Zoo heeft de wraak haar vuur in deeze borst gestookt;
                (1445) Een vuur als AEtnas vuur, een vuur als ’t vuur van Trooien.
                Ik brandt, (helaas) ik brandt, hoe kan ik traanen strooien?
                Markus.
                Betoon nu wie gy zijt, en wie gy eertijds waart,
                Toen gy het Gotsche heir deêdt sneuvlen door het zwaardt.
Titus.         Van daar, noch eens van daar. weg weg, ’t zijn beuzelingen.
                (1450) Zacht Markus, zacht, ai zacht! waarom zal Titus zingen?
                Wat zeidt de domme loer? hoe yslijk gilt het zwijn!
                Het gantsche bosch dat dreunt. hoe zegt gy Rozelijn?
                Zwijg, zwijg, wy weeten ’t wel. hoor! hoor! hoe kanze smeeken!
                O hemel wat een vreugdt! mijn Rozelijn kan spreeken.
                Markus.
                (1455) O zinnelooze held! dit woeden duurt te lang.
Titus.         Wie daar, is ’t Titus? ja ’t, ik ken hem aan zijn gang.
                Sta Gradamard, sta, sta, gy zult my niet ontsnappen.
                Voort, voort, Klaudillus voort, ik moet naa Styx toestappen.
                Laat los Melaan, laat los, het is Pollanders Bruidt,
                (1460) Hier Aran, hier, kom hier, en krijt uw’ oogen uit:
                Hoe huilt de rekel dus? wat klimmen hier al spooken!
                De zon bezwijmt van angst, de hel schijnt uitgebroken.
                Lucius.
                O Vaader zie uw’ zoon!
Titus.         Ik bidt u blijf niet staan:
                Gy moet, met Vaader thans, naar ’t Roomsche Raadhuis gaan.
                (1465) De Vorst heeft my ontboôn, en bouwt’er zelf zoo wakker
                Aan ’t huis te weezenbloedt, op aller weeuwen akker;
                In ’t midden van de zaal, die overgoten is
                Van weeuw’ en weezenbloedt, zult gy de Vorst een disch,
                Van weeuw’, en weezenbeen, in aller yl, gaan stellen;
                (1470) Die alsins is bespreet met weeuw’ en weezenvellen;
                Hy heeft zijn wreede muil en tanden al gewet,
                Om zijn vervloekte balg, op ’t dierber moordbanket,
                Van weeuw’ en weezenvlees, tot walgens vol te vreeten,
                Terwijl hy in ’t geraamt der weeuwen is gezeeten,
                (1475) En zuipt het lauwe bloedt by ’t holle harssenvat
                Van een onnoosle wees.
                Lucius.
                Is vaaders brein bespat
                Van Lethus domme stroom?
Titus.         Weg weg, de Vorst is dronken.
                Hier komt de Kaizer zelf, en knaagt noch aan de schonken
                Van mijn vermoorde zoons; ’t bloedt loopt hem uit den bek.
                Markus.
                (1480) Is broeder hersseloos?
Titus.         Wie staat daar achter ’t hek?
                Och ’t is de Roomsche Raadt! o dood waar zal ik loopen?
                De Beul staat al gereedt om Titus op te knoopen;
                De ladder is gerecht; de stroppen al gedreit:
                Genâ, genâ, genâ; wort my genaad’ ontzeid?
                (1485) Wel hoe! waar blijft de dagh? my dunkt ik hoor iet fluisteren:
                Zwijg Thamra, zwijg, ey zwijg! ik moet een luttel luisteren:
                Ik hoor, maar ’k weet niet wat.
                Markus.
                Verzet uw’ ongeval:
                Hier namaals komt de tijdt, die ’t quaatdoen wreeken zal.
                Gy zijt wel eer geweest der raadeloozen raader;
                (1490) De weeduwen tot voogdt; der vaaderloozen vaader;
                Den burger tot een burg: een Kokles daar men stormt;
                Een Kato in den Raadt: maar nu zijt gy vervormt.
Titus.         Onlijdlijk schellemstuk! ik zal de doodt verrassen.
                Lucius.
                Houw’ vaaders handt toch vast.
Titus.         Ik wil de pekelplassen,
                (1495) Die Rozelijna weent, doormengen met mijn bloedt.
                Markus.
                Leg af het wreedt geweer: hoe zijtge dus verwoedt?
Titus.         Een gadelooze ramp is qualik te verzette;
                Dies zal ik, vol van wraak, mijn brein en sabel wette:
                De weêrwraak is getergt.
                Markus.
                Uw’ wraaklust is te groot.
Titus.         (1500) Een moedelooze ziel vreest altijdt voor de doodt.
                Markus.
                Een die voorzichtig is, die zoekt gebaande weegen.
Titus.         Geen weg is ongebaant, voor die zijn lust wil pleegen.
                Markus.
                Daar ’t recht is, daar is Godt: vertrouw slechts op zijn macht.
Titus.         De wraak is op de been: Godt heeft te lang gewacht.
                Markus.
                (1505) Die ’t woeden van de zee van d’oever kan beschouwen,
                En stiert zijn kiel van landt, wordt redeloos gehouwen.
                De zaak is vol gevaar.
Titus.         Het is geen eedel hart,
                Dat, door de achterdocht, tot vrees gedreeven werdt.
                Ulysses, en Achill’ heb ik in een geschapen.
                (1510) Vernuft, en strijdbaarheidt, is ’t allersterkste wapen.
                Lucius.
                Gy zijt, door broederschap, aan Vaaders huis verplicht.
                Markus.
                Ik vrees voor weederwraak.
                Lucius.
                Het leger dat hier ligt,
                Dat is tot Vaaders dienst: het kan niet quaalijk vallen,
                En zoo het quaalijk valt, zoo zal ik deeze wallen
                (1515) Bestormen met gewelt: wie zal ons weêrstand biên?
                De vrouwen van haar mans? dat wil die liefd niet zien.
                Markus.
                Ik buig my naar uw’ wil.
                Titus schrijft met zijn vinger in d’aard.
Titus.         Geen grooter bergen leggen,
                In d’ommering van d’aard, dan tusschen doen en zeggen;
                Dies zweere wy elkaâr, hoe datmen ’t Roomsche hof,
                (1520) Tot aan de grondvest toe, zal morsselen tot stof.
                Markus.
                Wat doet gy?
                Lucius.
                Vaader schrijft.
Titus.         Ik heb den eedt geschreeven.
                Markus.
                Den eedt gevalt my wel.
Titus.         Het geldt den Vorst zijn leeven,
                En al het hofgezin.
                Markus.
                De wraak verschoont geen vrundt,
                Schoon dat het halzen kost.
Titus.         Men zweer nu op de punt
                (1525) Van ’t wreekgeweer.
                Markus.
                Ik ben gereedt. leg aan.
                Titus, Markus, Lucius.
                Wy zweeren.
                De geesten van Klaudil, en Gradamard.
                Geesten.
                Wy zweeren.
Titus.         Wel hoe! zouw’ d’Echo wel de klank te rug doen keeren?
                Men treê wat aan d’een zy.
                Titus, Markus, Lucius.
                Wy zweer.
                Geesten.
                Wy zweer.
Titus.         Wie baut ons na?
                Markus.
                ’k Zie mensch, noch mensch gelijk.
                Titus
                ’t Is best men derwaarts ga.
                Titus, Markus, Lucius.
                Wy zweeren.
                Geesten.
                Wy zweeren.
                Lucius.
                Wie mach ’t zyn; wat wil ons hier vertoonen?
Titus.         (1530) Och! ’t is de naare galm van mijn vermoorde zonen.
                Klaudil en Gradamard, ik ken u aan de spraak;
                Wat wilt gy? spreekt, ai! spreekt.
                Geesten.
                Wy willen niet dan wraak.
Titus.         De wraak is al bestemt; meldt ons uw’ moordenaaren.
                Spreekt, spreekt, ai zonen! spreekt, hoe rijzen my de hairen!
                Markus.
                (1535) Komt voegt u tot den eedt.
                Titus, Markus, Lucius.
                Wy zweeren ’t Roomsche hof,
                Tot aan de grondvest toe, te morselen tot stof:
                Dat ons de donder sla, dat ons de aardt moet zwelgen,
                Indien wy ’t heilloos hof niet tot den grondt verdelgen.
Titus.         Nu vindt ik my gehardt, geharnast om de Vorst
                (1540) Het schitterende staal te wringen in zyn borst.
                Markus.
                Wat staat ons nu te doen?
Titus.         Wie dat zich poogt te wreeken,
                (Zoo schrander is de wraak) zal zelden raadt ontbreeken.
                Wy ylen naar de stat, blijf gy in uwe tent,
                En stier voor d’avondstondt uw’s broeders regement
                (1545) Tot ons verzekering, met vier van uw’ Kornellen;
                Wy zullen hun de wraak van ver eens voor gaan stellen;
                En stemmen zy de moordt, zoo wordt u weet gedaan,
                Door een geheimen brief.
                Lucius.
                ’k Laat alles op u staan.
                Gelukt ons deeze daadt, zoo is ’er niet te vreezen:
                (1550) Zoo zal myn Vaader Vorst, en ik zijn nazaat weezen.
                Lucius. Vier Kornellen.
                Manhaftige Kornels, ’t is nu de rechte tijdt,
                Dat gy naar ’t regiment van mijnen broeder rijdt,
                En voert het steêwaarts in, de Veldheer zal u wachte.
                Aran. Lucius. Quiro. Demetrius. Vier Kornellen.
                Aran.
                Hoe droeg haar Rozelijn, toen gy haar eer verkrachte?
                Lucius.
                (1555) Men treê wat aan d’een zij, zoo krijgt men best gehoor.
                Aran.
                Hoe is Demetrius stom?
                Lucius.
                Het is de Gotsche Moor.
                Demetrius.
                Ik ben de eerst geweest, die ’t maagderoosjen plukte.
                Quiro.
                Ik ben de eerst geweest, die haar de tong ontrukte.
                Demetrius.
                Ik sneêdt haar handen af, en tratze met de voet.
                Quiro.
                (1560) Ik verfde ’t aangezicht met ’t uitgespatte bloedt.
                Aran.
                Is ’t errenst dat gy zegt?
                Quiro.
                Gy moogt’er op betrouwen.
                Aran.
                Indien ik d’ondergang van Titus huis kan brouwen,
                Zult gy my bystant doen?
                Quiro.
                Die vraagt, het geen hy weet,
                Die is geen antwoordt waard.
                Demetrius.
                Hoe zich Demetrius queet,
                (1565) In ’t schenden van de maagd, dat kan mijn broeder tuigen;
                Dies zal ’k my, na de wil van uwe wille buigen,
                Indien het strekken zal tot Titus ondergang.
                Lucius.
                Op Roomsche Ridderschap: ’t gedult duurt veel te lang.
                Men loopt voort op hun aan.
                Aran.
                Wie komt ons hier bespringen?
                Lucius.
                (1570) Die het gestroopte staal tot in uw’ hart zal wringen.
                Aran.
                Eelaardig zaad, schep moed; elk weert zijn eigen lijf.
                Lucius.
                Leg af, leg af ’t geweer.
                Aran.
                Daar is mijn tijdverdrijf,
                Daar d’onverzade wraak haar kracht in heeft bezwooren.
                Lucius.
                Heillooze moordenaar! tot ons verderf gebooren,
                (1575) Meld ons uw’ schelmery.
                Aran.
                ’k Zal u myns leevens boek
                Eens lezen, zoo ’t u lust.
                Lucius.
                Uw’ daeden die ik vloek?
                Aran.
                Ik groei in menschen moordt: ’t was Aran, die de Nonnen,
                In ’t godgewijde koor, haar kuisheit heeft geschonnen;
                ’t Was Aran, die by wyl, met zijn gelaarsde voet,
                (1580) ’t Heilheiligheiligdom, bespat van menschenbloedt,
                Dorst trappelen in ’t puin der neêrgestorte daaken;
                ’t Was Aran, die zich queet, in ’t stroopen, moorden, blaaken;
                ’t Was Aran, die zich heeft met moedermoordt beklat,
                Toen hy haar buik op sneedt, en zag waar dat hy zat,
                (1585) Eer hy geboren was; ’t was Aran, die de beenen
                Der zuigelingen greep, en kneusdenz’ op de steenen;
                ’t Was Aran, die, in ’t noordt, zijn geile minnelust,
                Met eenen offerstier, voor ’t outaar, heeft geblust;
                ’t Was Aran, die, wel eer, zijn jongste broeder slachten;
                (1590) Wiens egemaal dat hy, op ’t lijk haars mans, verkrachten;
                Die hy door ’t zelfde mes, dat haare man verriedt,
                Noch roodt van ’t bloedt haars mans, de blanke borst doorstiet;
                ’t Was Aran, die de vrucht uit ’s moeders buik quam rijten,
                En ging ’t mishandelt kindt in ’s moeders aanzicht smijten,
                (1595) En dwong de vaader zelf te knaagen aan zijn zaadt;
                ’t Was Aran, die zijn beeldt, dat noch in ’t noorden staat,
                Daar ’t aangebeeden wordt, een marmrekerk deêdt bouwen;
                En liet in ’t hoogoutaar deez’ goude vaarzen houwen:
                Vaart voort boosaardig zaadt, hier na is straf noch heul.
                (1600) De doodt verstrekt de ziel als ’t lichaam tot een beul.
                Al wat uw’ Vaaders huis van daag is overkoomen,
                Dat is door my gewrocht.
                Lucius.
                Hoe zal ik my betoomen!
                Wat houdt my, dat ik u niet datelijk doorstoot?
                Vervloekte moordenaar, uw’ wreedheidt is te groot.
                Aran.
                (1605) De Wraak bewoont mijn hart: de Moordlust stiert mijn handen:
                De Schenzucht stookt het vuur, dat my de lust doet branden;
                De dertel’ Overdaadt, de felle Dwinglandy,
                De heete Stokebrandt, en d’arge Schelmery
                Heb ik tot edelliên.
                Lucius.O goddelooze stukken!
                (1610) ’k Zal u de wreede tong uit uwe mondt doen rukken,
                En scheuren ’t ingewant uit uw’ verwoede borst.
                O duivelaardig zaadt! dat staâg na wreedtheidt dorst.
                Aran.
                Indien het Duivels zijn, die my tot wreedheidt porden,
                Zoo zal ik, na mijn doodt, zoo wreeden Duivel worden,
                (1615) Als zich ooit heeft vertoont in het Romeinsch gewest,
                En doen de menschen vliên, als voor de heete pest.
                Lucius.
                Voort, zet de moordenaar in een beslote waagen;
                En doet hem, streng geboeit, naar Vaaders woning draagen.
                Rey van Andronezenzer en Roomsche Iofferen.
                Zang.
                O godvergeete wolvenest,
                (1620) En zeteltroon der Aards Tyrannen!
                Te vreezen als de doodsche pest,
                Ghy hebt de roem der Roomsche mannen,
                In ’t bloeienst van hun jeugt geknot:
                Hoe kon ’t oneerlijke schavot
                (1625) Het eerelijke bloedt verzwelgen?
                Al zuipt de wraak het bloedt voor wijn,
                Zoo is ’t te dier van zulke telgen.
                Och! och! te wreede Saturnijn,
                Indien, gelijk ’t wel waar te wenschen,
                (1630) Het quaat geen herreberrig kreeg
                In ’t ruime hart der aardsche menschen,
                Zoo bleeven al de kerkers leeg;
                Men wist in ’t Rijk van geen verbannen,
                De bijl des Rechts waar voor de roest;
                (1635) Men hoefd de vierschaar niet te spannen;
                Het heilig Raadhuis bleef verwoest,
                En zou van Amptenaars verminderen;
                De Vorsten waren voor ’t gemeen,
                Gelijk de poppen voor de kinderen,
                (1640) En niet om troonen te bekleên,
                Daar yder voor ’t gezicht moet yzen.
                In ’t Landt daar ’t volk in straf vervalt,
                Daar kan de Vorst zijn deugdt bewijzen;
                Maar Saturninus is vergalt:
                (1645) ’t Is waar, zy leefden om te sterven;
                Maar niet dat hun de beulsche kling
                De draadt des leevens zou doorkerven;
                Hoe sturf de jongste jongeling?
                Tegen-zang.
                Hy sprak op ’t hooge wreektoonneel:
                (1650) Hoe dus als uitgelaate wolven?
                Indien de bron van ’t moordkrakkeel,
                Die ’t borgerbloedt langs d’aard doet golven,
                Te stoppen zy door onze doodt,
                Zoo sla vry toe, de nek is bloot.
                (1655) Maar denkt niet datwe zullen sneuvelen,
                Als broederbeuls, zoo voer hy voort,
                Al staan wy hier op deeze heuvelen,
                Beticht met zoo vervloekt een’ moordt;
                Hoe zal de Wraak haar slachtmes slijpen!
                (1660) Indien de wijdberoemde Vorst,
                Zich zelf aan ons zoo komt vergrijpen,
                Dat hy zijn handt met bloedt bemorst.
                Het woên des Wraax is quaadt te toomen,
                Daar een getrouwe bloedtverwandt,
                (1665) Het bloedt van zijne vrundt ziet stroomen.
                Maar godt hoedt u en ’t Vaaderlandt.
                Toen sloot de Bruidegom zijn lippen,
                En knielde voor ’t meineedig zwaardt,
                Dat hem de ziel uit ’t lijf deê slippen,
                (1670) Het hoofd dat rolde voort langs d’aardt;
                En scheen in ’t lauwe bloedt te baanen;
                De Bruidt die kroonde ’t met haar krans,
                En ziltent met een zee van traanen,
                En zweem voort op het lijk haars mans.
                Toe-zang.
                (1675) Men vangt het bloedt in goude koppen,
                Deurmengt met paarlemoere droppen,
                Dat overkostelijke bloedt!
                Men vangt het bloedt van zulke bronnen,
                De drupplen zijn alreê geronnen,
                (1680) Tot roozen aan haar roozenhoedt;
                Wat groeien hier al roozeboomen,
                Langs d’oever der korale stroomen!
                O leevendige purperbeek!
                Gy leevert ons uit uwe mijnen,
                (1685) Een schat van gloeiende Robijnen;
                Vergun dat ik mijn hulsel steek
                In uw’ Tiriersche verruwkuipen,
                Die nu van dierzaam purper druipen;
                Vergun my daar ik u om smeek:
                (1690) Zoo zullen al de goude doppen
                Veranderen in roozeknoppen.
                Het vierde bedryf.
                Titus. De hoofden van Pollander, en Melanus.
                De Geesten van Klaudillus, en Gradamard.
                Klaudillus.
                Andronikus.
Titus.         Ai my!
                Gradamard.
                Andronikus.

                1692 Het vierde bedrijf speelt in de stad. De ‘Korte Inhoud’, gedrukt z.pl. en j. ‘Voor den Autheur’,
                beschrijft het begin van het 4e bedrijf als volgt: ‘Titus in zijn vertrekkamer eensaam
                slaapsluimerend zittende, vertonen zig Klaudil en Gradamard, en de hoofden van Pollander
                en Melanus, verzoekende over hunne onnoosele dood wraak: waardoor Titus als roereloos
                komt Ascanius (Sontien van Lucius) al schreeuwende, met een boek in de handen, gevolgt
                van Rosalina zijne Moeye. Titus het boek vattende (wezende de herscheppinge van Ovidius)
                wijst Rosalina, dat hy lezen moet de verkragtinge van Philomela, dewelke als hy is lezende,
                slaat zy hem het boek uit de handen, waar uit hy smartelijk verstaat, dat zy verkragt is.’
Titus.         Ai my!
                Klaudillus.
                Op, op, Andronikus, volvoer de wraak, die gy
                Zoo dier gezwooren hebt.
Titus.         Wie komt zich hier vertoonen?
                Gradamard.
                (1695) Klaudil en Gradamard.
Titus.         Waar heen, waar heen mijn zoonen?
                Het hair rijst my te berg! wat is ’er dat gy deist?
                Hoedanig is de wraak, die gy van vaader eischt?
                Pollanders hooft.
                Een zoenelooze wraak.
Titus.         Aan wie zal ikme wreeken?
                Melanus hooft.
                Aan die onz’ Vaaders val zoo schendig heeft besteeken.
Titus.         (1700) Wie wrocht uw’s Vaders val?
                Pollanders hooft.
                Gy zijt ten val gedoemt,
                Van Gotlands wapengodt; of die zich zelf zoo noemt.
Titus.         O goddelooze Moor! gy zult voor ’t schelmstuk boeten.
                Hoe zal ik met de kling, in uwe boezem, wroeten.
                Markus. Askanius. Titus.         Markus.
                Hoe staat mijn broeder dus? wat is ’t dat broeder peinst?
                (1705) Het is geen broeders hart, dat voor zijn broeder veinst.
                Askanius.
                Help, help, Grootvaader help.
Titus.         Wat doet mijn neefje krijten?
                Askanius.
                Mijn moey, Grootvaaderlief, wil my dit boek ontrijten.
                Daar komt zy uit de zaal, zy schijnt op my versteurt!
                Ai lieve houtze vast! eer zy de blaaden scheurt.
Titus.         (1710) Askaan mijn waarde neef, gy moet voor moey niet vreezen.
                Wat wijst mijn lieve lam? wat is ’t? moet vaader leezen?
                Wat wiltge dat ik lees? is ’t hier of daar gemunt?
                Is ’t hier rampzalig kindt?
                Markus.
                Zy wijst op d’eerste punt.
                Titus leest.
                Ovid 6 Boek der verschep.
                Na dat hy in zijn landt, met Philomela, quam,
                (1715) Brocht hy die schoone maagdt, om zijn onkuische vlam
                Te blusschen, in een huis, omheint van oude boomen;
                Daar zy, door vrees geparst, terwijl datz’ in de stroomen
                Van haare traanen zwom, om haare zuster riep:
                Maar Thereus was als doof, zijn wondt was veel te diep:
                (1720) Hoe datz’ haar zuster, en haar overoude Vaader,
                En boven al de Goôn, tot hulp zocht, de verraader
                Erbarmde niet, maar heeft de jonge maaght verkracht, &c.
                Rozel. slaat Titus ’t boek uit de hand.
Titus.         Is Rozelijn verkracht? is Rozelijn geschonden?
                Haar eerelijke bandt zo eereloos ontbonden?
                Markus.
                (1725) Zy knikt, o godt, zy knikt! (helaas) zy is verkracht.
                Wie heeft deez’ gruwelen, aan Rozelijn, gewracht?
Titus.         Verkracht! verkracht! verkracht! rampzaligst aller vrouwen!
                Uw’ zuiverheidt bemorst? uw’ handen afgehouwen?
                Uw’ gallemrijke tong, uit uwe mond, gescheurt?
                (1730) O gruwelijk bedrijf! daar Godt en mensch om treurt.
                Verkracht? verkracht? op wraak.
                Markus.
                Zoudt gy den schelm wel kennen,
                Indienge spreeken kond, die u zoo schelms dorst schennen?
                Kom hier mijn lieve nicht, zijn u de handen af,
                Zoo leer van uwen Oom, hoe dat hy met zijn staf
                (1735) Zal schrijven in het zandt. daar staat mijn naam geschreeven.
                Zoo gy de wreede beul, die ’t schelmstuk heeft bedreeven,
                Zijn naam, gelijk uws Ooms, kont schrijven in het zandt,
                Zoo is hy leevenloos.
Titus.         Zoo zal ik, door deez’ handt,
                Het overgeile bloedt voort uit zijn aadren pompen.
                Markus.
                (1740) Vat eerst met uwe mondt; stier nu met bei de stompen.
                Schrijf niet te dicht in een.
                Titus leest.
                Door Thamra, Arans hoer,
                Is Rozelijn verkracht, van Quiro, en zijn broêr
                Demetrius.
                O spijt! o godvergete lusten,
                Die uw’ vervloekte brandt, met zulk een schepsel, blusten!
                Markus.
                (1745) Nu is ons ’t stuk bekent.
Titus.         Door Thamra, Arans hoer,
                Is Rozelijn verkracht, van Quiro, en zijn broêr
                Demetrius.
                O spijt! o godvergete lusten,
                Die uw’ vervloekte brandt, met zulk een schepsel, blusten!
                Markus.
                Nu dient ons niet dan wraak.
Titus.         Door Thamra, Arans hoer,
                (1750) Is Rozelijn verkracht, van Quiro, en zijn broer
                Demetrius,
                O spijt! o godvergete lusten,
                Die uw’ vervloekte brandt, met zulk een schepsel, blusten.
                Askanius.
                Wat deert Grootvaader lief? is u ’t verstant ontrooft?
                Ik zal de moorderen hun oogen uit het hoofd,
                (1755) Ja zeker Grootvaâr lief! met deze handen scheuren.
Titus.         Uw’ kindsheidt is te zwak.
                Askanius.
                Gy zult wel anders speuren.
                Ai! denk niet dat Askaan voor zulke schelmen gruwt;
                Heeft Herkles, in zijn wieg, twee slangen doodgeduwt?
                Hoe veel te meer zou ik? ik ben de wieg ontwossen,
                (1760) Ik slaap al zonder Min, ik draag al vederbossen.
Titus.         Mijn neefjen is te jong, het stuk is u te zwaar.
                Askanius.
                Ik ga, Grootvaader lief, al in mijn tiende jaar.
                Mijn Vaader heeft gezeidt, als ik zoo mooy kan leezen,
                Als Alexander neef, dan zal ’k een Ridder weezen,
                (1765) En draagen een rapier, en rijen op een paardt
                Met een vergulde zaâl. ai! geefme maar een zwaardt,
                Ik zal de schenners strax de wreede buik op snijen.
Titus.         O roem van Titus stam! de moedt zou u ontglijen
                Dat gy de schenners zaagt.
                Askanius.
                Meent Grootvaâr dat ik schrik?
                (1770) Ik durf wel alle daag, ja yder oogenblik,
                Als ik voor ’t outaar sta, met onze huisgoôn spreeken.
Titus.         Het zal u niet aan moedt, maar aan de macht ontbreken.
                O zoon van Titus zoon! die in de dageraadt
                Van uwe lenten zijt; manmoedige soldaat!
                (1775) Gy zult de Kaizers staf als Cezars nazaat zwieren;
                De paarelrijke kroon zal u de kruin versieren.
                Markus.
Titus.         Ik schrijf aan Lucius, zoo wordt hem ’t stuk bekent.
                Thamera. Titus. Quiro. Demetrius.
Thamer.    Andronikus.
Titus.         Wie daar?
Thamer.    Ik kom door ’t aardrijk breeken,
                (1780) Om met mijn Speelgenoots uw’ ongeval te wreeken.
Titus.         Wie zijt gy?
Thamer.    Wie ik ben? ik ben de Wraakzucht zelf,
                Geboren uit de schoot van ’t onderaards gewelf.
Titus.         ’t Is Thamra met haar zoons, hier dienen veinzerijen:1783-1784a
                De spraak heeft haar verraân. kom wreexter van mijn lijen!
                (1785) Kom langverwachte Wraak! zijt driemaal wellekom!
                Mijn overschoone Bruidt! hier is uw’ Bruidegom.
                Ik bidt u om een kus, want zulke roode kaaken
                Doen Titus ingewandt in uwe liefde blaaken.
Thamer.    Andronikus sta af, mijn aanzicht ziet te naar.
Titus.         (1790) Die uwe schoonheidt ziet, die komt in groot gevaar;
                Want mint hy, door het zien, uw’ aanzicht vol van glooren,
                Zoo toont hy zich verwaant; blyft hy gelijk bevrooren,
                Zoo is hy zonder brein: maar wie is zoo verstaalt,
                Die uwe schoonheidt ziet, en niet in min verdwaalt?
                (1795) Dies houw dan niet voor vremt, in ’t raadhuis van uw’ zinnen,
                Dat ik (nu ik u zie) uw’ schoonheidt moet beminnen.
Thamer.    Heeft liefde zulk een’ kracht?
Titus.         O tergster van mijn Min!
                In liefd bestaat het al. de liefd is het begin,
                Het midden, en het eindt van menschelijke dingen.
                (1800) De liefde kan het hart, al was ’t van staal, doordringen.
Thamer.    Uw’ liefd’ die is gedaan, uw’ leeven loopt ten endt.
Titus.         Ik ben een jongeling in ’t jeugdigst van mijn lent!
                O suikerzoete Vrouw’! o poesle ledematen!
                Uw’ ving’ren zijn versiert met paarlemoereplaten;
                (1805) Uw’ mond met mildt robijn, spijt Ganymedes kelk;
                Uw’ kaak met roozebloedt, op spierwit lelimelk;
                Uw’ zacht albaste borst met purpre kerssebronnen;
                Uw’ hals met leenigelp; uw’ oogen met twee zonnen;
                Uw’ tanden met yvoor; uw’ pruik met schittrendt goudt;
                (1810) Uw’ toverende lach met zedigheidt gezout.
                Gelijk de goude zon de zilvre maan doet wijken,
                Zoo doet gy Venus zelfs haar schoonheids wimpel strijken.
Thamer.    Is ’t errenst datge zegt?
Titus.         Mijn zuchten zijn verliefd,
                Zoo heeft uw’ schoone glans mijn stale borst doorgrieft,
                (1815) D’een nestelt onder ’t dak van uw’ vergulde hairen,
                Die ’t Minnegootjen haalt om zijne boog te snaren;
                Een ander, bluscht zijn brandt in d’aassem van uw’ mondt;
                Een ander kust uw’ kaak; een ander, maakt zijn wondt
                Een gasthuis van uw’ krop; een ander, noch wat grager,
                (1820) Kruipt by uw’ boezem in, en daalt te met wat lager
                Naar Venus lustpriëel, in ’t dartle roozendal,
                En plukt de weelge blaân.
                1808 leenigelp: zacht, gemakkelijk te bewerken ivoor.
Thamer.    Andronikus houw’ stal;
                Uw’ vrijen loopt te hoog.
Titus.         Te laag wil wraakzucht zeggen.
                Kom gaanwy hier in ’t bosch, en vryen langs deez’ heggen.
                Quiro.
                (1825) Zijn harssens zijn ontstelt.
                Demetrius.
                Hy ziet gelijk een stier.
Titus.         Mijn hart dat wordt gebrandt door een wraakgierig vier.
Thamer.    Zoo gy uw’ hartewee door wreeken wilt betoonen,
                Zoo zet de wraak te werk aan d’outste van uw’ zonen;
                Want wat’er is gewrocht, dat is door hem gedaan;
                (1830) Hy was ’t die ’t goudt begroef; door hem is Bassiaan
                Zoo deerelijk vermoordt: nu heeft hy ’t mes te wetten,
                Om zich, door menschenmoordt, op ’s Kaizers troon te zetten.
Titus.         Geveinsde moorderes, ik merk uw’ schelmery.
Thamer.    De Vaader staat verbaast.
Titus.         Kom voeg u aan mijn zij.
                (1835) Mijn Dido! mijn Heleen! komt hier mijn trekkebekken,
                Die ’t goddeloos verraadt aan Titus komt ontdekken.
                Poogt hy de Roomsche Vorst te stieren naar zijn graf,
                Om zoo, door ’s Kaizers doodt, te raaken aan de staf?
                Dat sta ik nimmer toe: al had ik duizend leevens,
                (1840) Zoo zijnze voor de Vorst: ik zal mijn wraaklust t’eevens
                Betoonen aan die schelm, die wreeden Broederbeul.
Thamer.    De doodt van Bassiaan, die zal den Vaader heul
                Doen krijgen by de Vorst, om ’t schelmstuk fel te wreeken.
Titus.         Ik zal den moordenaar de wreede strot afsteeken.
Thamer.    (1845) Dat is dat Thamra zoekt.
Titus.         Gy staat naar Titus val;
                Maar ’t staal is al gewet, dat u doorstooten zal.
                Ik zal de Roomsche Vorst met zijne bruidt ontbieden,
                En melden ’t gantsche stuk.
Thamer.    Laat ons maar derwaarts vlieden;
                Ik zal de boodschap doen.
Titus.         Neen geurge balsem spruit:
                (1850) Dat Saturnijn u zag, hy liet zijn schoone bruidt,
                En viel voor u te voet, om ’t zoet uws monds te leppen.
Thamer.    Ik zal my in den schijn van uwe boô herscheppen.
                Heb ikme vaak verkeert in leeuw, in beer, in zwijn?
                Die goddelijke macht zal niet verandert zijn;
                (1855) Wy vormen ons bywijl in bergen, en in boomen,
                In lucht, in aardt, in vuur, in winden, en in stroomen,
                In bloemen vol vergift, dat dieze naaulijx ruikt,
                Eer hy zich ommekeert, de doodt zijn oogen luikt.
Titus.         Ga wraakzucht, ga, ja vlieg, en zeg het hoofdt van Roomen,
                (1860) Dat hy met zijne Bruidt zoo daad’lijk hier moet komen,
                Om zaaken van belang: de tijdt lijd geen verzuim;
                En groet hem uit mijn naam.
Thamer.    Wy vliên gelijk een pluim.
Titus.         Zoo zullen zy mijn hart noch meer tot wraaklust drijven:
                (1865) Ik bidt u ga alleen.
Thamer.    Nu zal ik Titus huis,
                Tot nootweer van de Moor, verpletteren tot gruis.
Titus.         Ga heen vervloekte hoer: nu zal de tijdt genaaken,
                Dat ik van uwe buik het graf uws zoons zal maaken.
                Hou Markus, Tacitus, Philippus en Kamil,
                (1870) Kom herwaarts met uw’ stoet.
                Quiro.
                Ai! Titus, zwijg toch stil.
Titus.         Waar blijft de kamerwacht? waar zyn de dienstbre slaaven?
                Mijn lijftrauwanten hou! kom al t’zaam herwaarts draaven.
                Hoe is ’er geen gehoor?
                Markus. Titus. Quiro. Demetrius. Tacitus. Philippus. Kamillus.
                Markus.
                Andronikus, wat is ’t?
Titus.         Wie meentge, dat hier staat?
                Markus.
                ’t Zijn Thamras zoons.
Titus.         Gy mist.
                Markus.
                (1875) Ik zweer ’t zijn Thamras zoons.
Titus.         Uw’ oogen zijn beneevelt.
                Markus.
                ’k Heb al haar doen gezien.
Titus.         Zwijg Markus, zwijg, gy reevelt:
                ’t Zijn speelnoots van de Wraak.
                Markus.
                Ik heb de broeders zelf,
                Verzelschapt met hun moêr, zien stappen naar ’t gewelf.
                Het veinzen heeft nu uit.weg met de pruik van slangen:
                (1880) Weg met de duivels kleên, gy zijt althans gevangen.
Titus.         Wel Broeders, wel hoe dus? vervormt u nu in vier,
                Of in een waterstroom, of in een wilde stier;
                Kont gy u zelleven verwisselen in winden,
                En laat gy u althans van menschen handen binden?
                Demetrius.
                (1885) Wy bidden lijfs genâ.
Titus.         Toen Rozelijna badt,
                Wie heeft met Rozelijn medogenheidt gehadt?
                Dies zal ik u de neus flux uit uw’ aanzicht bijten,
                En al wat manlijk is van uwe lichaam rijten,
                En stroopen u de huidt, al leevendig van ’t lijf,
                (1890) En steeken u aan ’t spit; en schaffen ’t helsche wijf,
                Uw’ godvergete moêr, de gaargebraaden schinken:
                En geeven haar uw’ bloedt, met wijn doormengt, te drinken.
                Quiro.
                Wy zijn, door Arans raadt, tot deze fout gebrocht.
Titus.         ’t Was uw vervloekte lust, die ’t schelmstuk heeft gewrocht.
                Markus.
                (1895) Nu broeder vaar maar voort, de tijdt lijdt nu geen rekken:
                Of treedt gy aarzeling?
Titus.         Komt herwaarts met een bekken.
                Hier Rozelijn, kom hier, wreek u van ’t schellemstuk,
                Terwijl ik met dit mes de wreede borst opruk.
                Hoe staatge dus? wat is ’t? ontbreekt het u aan handen?
                (1900) Scheur Quiro ’t middelrif, met uw’ bebloede tanden,
                Uit de’opgesnede borst, uw’ ramp heeft u verplicht.
                Daar, spuw ’t moordadig hart in ’s moorders aangezicht.
                Voort, voort Demetrius, men zal u als uw’ broeder,
                (1905) Daar leit het ingewandt, bedooven in het bloedt,
                Dat tegens Titus huis zoo schendig heeft gewoedt.
                Bode. Titus. Markus.
                Bode.
                De Vaader zy getroost, de Moor is nu gevangen.
Titus.         Door wien?
                Bode.
                Door Lucius.
Titus.         ’k Zal hem zijn straf doen langen.
                Waar is hy? in wiens tent?
                Bode.
                Hy is al binnen wals,
                (1910) In een besloten koets.
Titus.         Zoo is de schelm om hals:
                En al die Titus huis zoo wreedelijk bestormen.
                Hoe zal ik ’t Roomsche hof van deeze nacht vervormen!
                Markus.
                Al wat mijn broêr bestaat, dat zal ik meê bestaan.
Titus.         Het moet’er nu meê door, ’t zy hoe ’t ook mach vergaan.
                Rey van Andronezenzer Iofferen.
                Zang.
                (1915) Is Rozelijnas roos geplukt?
                Haar poesle handen afgesneeden;
                De tong uit haare mondt gerukt,
                Die ’t allerhardste hart kon kneeden?
                De glans van uw’ volmaakte leest,
                (1920) Heeft u dit ongeluk beschooren;
                Veel zaalger waar ’t mismaakt geweest,
                Dan handt en tong en eer verlooren.
                Te duldeloos is uwe smart.
                Gy draagt de roozen op uw’ koonen;
                (1925) Maar (laas!) de doorenen in ’t hart.
                Wie zal deez’ gruwelen beloonen?
                Tegen-zang.
                De vaader heeft de schelms geslacht,
                En d’ overgoddelooze leeden,
                Tot loon van zulk een maagdekracht,
                (1930) Al vloekende van een gesneeden;
                En om zijn wraaklust te verzaân,
                Half levendig aan ’t spit gesteeken;
                De vlammen weigren ’t vleesch te braân,
                Al poogt haar meester zich te wreeken.
                (1935) De spieren lillen aan het spit;
                Men hoortze somwijl deerlijk karmen,
                Maar hy die ’t hart vol gramschap zit,
                Die weet in ’t minst van geen erbarmen.
                Toe-zang.
                Hy dekt den disch op zulk een’ wijs,
                (1940) Gelijk als Atreus voor zijn broeder;
                Nooit schafte Roome vuiler spijs,
                Dan ’t vleesch der kindren voor de moeder.
                De galdery is al gereet
                Om Aran aan het vuur te geeven,
                (1945) O oorzaak van ons harteleet!
                Gy naakt de grenspaal van uw’ leeven.
                HET VYFDE BEDRYF.
                SATURNINUS. THAMERA. TITUS. MARKUS. LUCIUS in schijn van zijn Kamerling.
Saturn.      Was ’t Lucius, die ’t hart van Bassiaan doorboorde?
                Was hy ’t, die zijne broêrs zoo jammerlijk vermoorde?
                Was hy ’t, die ’t goudt begroef? heeft hy den brief gedicht,
                (1950) Die zijn onnoosle broêrs met broedermoordt bericht?
                En poogt hy nu zijn lust aan Saturnijn te toonen,
                Om zoo gevoegelijk te raaken aan de kroonen
                Van ’t machtigh Roomsche Rijk? dat wil de hemel hoên!
                Het zy dan, wie het zy, hy zal voor ’t schelmstuk bloên.
Thamer.    (1955) Ik bidt voor Titus zoon.
Titus.         Gy bidt hier voor zijn leeven,
                En poogt nochtans mijn zoon den steek des doods te geeven:
                O afgerechte hoer!
Thamer.    Hoe zeidt de vaader daar?
Titus.         Dat ik my wreeken zal, dat ik den moordenaar,
                Die ’t wreede stuk bestondt, van lit tot lit zal snijen.
                Lucius.
                (1960) Lang leef de Roomsche Vorst in zijne heerschappijen:
                Lang leef de schoone bruidt: lang leef de strijdbre heldt.
Titus.         Wat tijding van mijn zoon?
                Lucius.
                Ik heb uw’ zoon gevelt,
                In ’t midden van zijn lust.
Saturn.      Is Lucius verslagen?
                Lucius.
                Hier is ’t bebloede hoofd, dat uwe kroon wou draagen.
Saturn.      (1965) Hoedanig was zijn doodt?
                Lucius.
                ’k Heb hem, door Titus last,
                In d’armen van zijn boel, met deeze kling verrast;
                Mits ik, zijn kamerling, de kamerwacht verstierde.
Saturn.      Was Roomen vol van vreugdt, toen ’t hof de uitvaart vierde
                Van Nero? nu is ’t tijdt dat elk het zelfde doe.
Thamer.    (1970) Nu moet de Vaêr van kant, de wraak is noch niet moê,
                Daar na de Roomsche Vorst.
Titus.         O schelm! die zoo vermetel
                Het kussen wou bekleên van Saturninus zetel!
                Heilloozeradebout! meineedige tyran!
                Bloeddronken moordenaar! die in uw’ harssenpan
                (1975) De val van ’t Kapitool, zoo schendig, hadt beschooren;
                O helhondt! die u broêrs, zoo gruwlijk, deedt versmooren;
                Is dit de wreede muil, die ’t bloedt van Saturnijn,
                Uit vaaders bekkeneel, wouw’ slurrepen voor wijn?
                Markus.
                Weg, met dit raavenâas, de wraak heeft haar vernoegen.
                (1980) Indien ’t de Vorst geliefdt, hy kan zich dischwaart voegen.
Titus.         Kom wreeker van ons leet, gy doet de Vorst veel hoons,
                Zoo gy niet dischwaart komt.
Saturn.      Waar zyn Vrouw Thamras zoons?
Titus.         Die overdeugdelijk, en hooggebooren broeders,
                Die zullen daadlijk zijn in d’ommering haars moeders;
                (1985) Mevrouw, geen handt zalz’u onthouden, zijt getroost,
                Gy zult uw’ lust verzaân, in ’t byzijn van uw’ kroost:
                Ik zal uw’ dienaar zijn, waar zijn de mommerijen?
                Daar zich de tong vernoegt, moet ’t oog geen honger lijen.
Saturn.      De dans bevalt ons oog, gelijk de tong ’t banket.
Titus.         (1990) Ontsachelijke Bruidt, ontfang, naar Bacchus wet,
                Deez’ overgoude kop, ter kim vol wijn geschonken,
                Daar Titus gemaalin wel eer heeft uit gedronken.
                De Geesten van Quiro, en Demetrius.
Thamer.    ’k Ontfang de waarde gift, op d’uitvaart van uw’ zoon.
                Men pleng den wijn eerst toe de Vaaderlijke goôn,
                (1995) En drink dan voort. wat ’s dit? mijn handt begint te zinken;
                De kop bedriegt mijn mondt in ’t midden van het drinken:
                De wijn springt zelf te rug, en zijpelt langs mijn kin.
                De tafel springt van d’aardt.
Saturn.      Wat deert onz’ kaizerin?
Thamer.    Het toortslicht wordt gebluscht. hoor! hoor! de hemel dondert.
                (2000) Wat of ons naaken zal?
Titus.         Vorstin zijt niet verwondert:
                De hemel lacht ons toe. de tafel danst van vreugdt,
                Nu ’t schelmstuk is gestraft. o spiegel van de deugdt!
                O goddelijke vrouw! ’t is nu een tijdt van dartelen.
Thamer.    Ik voel iet leevendigs in deeze boezem spartelen.
                (2005) Ik wallig van ’t banket. ik ben in doods gevaar;
                Men roep mijn zoonen hier. wel hoe! wien hoor ik daar?
                Mijn bange boezem steent; maar niet van ’t eigen steenen.
                Waar of mijn zoonen zijn? o ramp! ik hoorze weenen.
                Komt hier, komt hier mijn zoons. van waar hoor’ ikze weêr.
                (2010) Och! och! mijn kinderen.
                Markus.
                Men zet Mevrouw’ wat neêr.
Thamer.    Voort haalt mijn zoonen hier.
Titus.         Mijn dochter Rozelijne,
                Die zal hier datelijk, met uwe zoons, verschijne’.
                Markus.
                Daar komt de droeve maagdt.
Saturn.      Met glans versierde spruit,
                Waar zijn Mevrouw haar zoons? hoe! geeftge geen geluidt?
                (2015) Wat draagtge, dus bedekt? hoe Rozelijn? geen reeden?
Titus.         Hoe kanze spraakzaam zijn? haar tong is uitgesneeden;
                Gelijk gy zelf kond zien.
Saturn.      Wie heeft dit werk bestaan?
Titus.         Die d’eevenrijpe maagdt haar maagdom heeft misdaan.
Saturn.      Is Rozelijn verkracht?
Titus.         Haar maagdelijke banden,
                (2020) Haar minnelijke tong, en poezelige handen,
                Zijn haar, op eene tijdt, dus gruwelijk, ontrokt.
Saturn.      ’t Is wonder dat hier d’aard de schelmen niet inslokt!
Titus.         Neen, Saturninus, neen, het aardrijk zou ’t zich belgen,
                Dat het die vuilen brok door d’open keel moest zwelgen.
Saturn.      (2025) Hoe kan Andronikus ’t mishandeld schepsel zien?
Titus.         Ik zal de moordenaars de punt van ’t lemmer biên:
                En op dat Rozelijn niet vaaderloos zal leeven,
                Zoo ik te sneuvlen kom, zal ’k haar den doodsteek geeven.
                Houw’ daar mijn Rozelijn, en trouw’ met Bassiaan:
                (2030) Vergeeft my wat ik doe, ’t wordt u ten dienst gedaan.
Saturn.      Wat raazerny is dit?
Titus.         Mijn doen bestaat uit reeden:
                Uw’ broêr, haar bruidegom, die zal haar teegens treeden,
                En leyen haar langs myrth, in ’t Elyzeesche veldt.
Saturn.      Wie heeft uw’ kindt geschent?
Titus.         O wijdbefaamde heldt!
                (2035) Die, die ’t doorluchtig tal van Titus huis verminderen.
Saturn.      Wie, Lucius?
Titus.         O neen, ’t zijn Thamera haar kinderen;
                Demetrius, en zijn broêr.
Saturn.      Men haalt hun hier.
Titus.         Houd stal.
                De moordenaars, daar gy om stuurt, die zijn hier al.
Saturn.      Waar zijnze? wijstze ons.
Titus.         Hoe! heeft de Vorst geen oogen?
Saturn.      (2040) Ik zieze hier, noch daar.
Titus.         ’t Gezicht heeft u bedroogen.
                Hier zijn de moordenaars, deez’ hebben ’t quaad bestaan.
                Bezietze wel te deeg.
Thamer.    O ramp, wy zijn verraân!
Titus.         Kent gy de hoofden wel? dit zijn de wreede hoofden,
                Die Rozelijn haar eer, door uwe raadt, ontroofden.
Thamer.    (2045) Hoe kon zy kondschap doen, zy had noch tong, noch handt.
Titus.         Zy heeft het met een staf geschreeven in het zand.
Thamer.    Waar is het overschot van mijn vermoorde zoonen?
Titus.         Al wat’er over is, dat zal ik u vertoonen:
                En wat’er geen meer is, dat hebt gy nu al weg:
                (2050) Hier is het overschot.
Thamer.    Is ’t errenst?
Titus.         ’t Geen ik zeg
                Is waar: g’hebt zelf uw’ zoons, gy hongerige raaven!
                Door d’ingang van uw’ keel, in uwe buik begraaven.
Thamer.    Hoe! zijn de kinderen in ’s moeders ingewandt?
Titus.         Gy hebt aan uwe zoons terstondt gelekkertandt.
                (2055) Gekerft, geknaagt, gescheurt, met uw’ scheurzieke koonen.
                Geen tiger is zo wreedt, of hy zal ’t jong verschoonen;
                Maar gy maakt uwe balg uw’ zoonen tot een graf.
Saturn.      Voort, vat den moordenaar, ’k zal hem voor dagh zijn straf
                Doen voelen, naar verdienst.
Titus.         Doorluchtige kornellen!
                (2060) Schiet toe, en knelt de Vorst, die Titus zoekt te knellen.
Thamer.    Wee my onzalig wijf! wat quaadt is hier berokt?
                Heb ik mijn eigen zoons zoo gierig ingeslokt?
                Hoor Titus! Titus hoor! hoor Thamras zoonen karmen!
                Zy bijten in mijn hart, en scheuren mijne darmen,
                (2065) En krabben aan mijn borst, om door een enge baan,
                Als eer uit ’s moeders schoot, in ’s werelds schoot te gaan.
                Kom Titus, laat uw’ zwaardt een oopen venster maaken
                In mijn vervloekte buik, ik zal de leeden braaken
                Van mijn vermoorde zoons. sta felle moordenaar,
                (2070) Eer ik uw’ gorgel grijp, en wurgze met mijn hair;
                Verschoon de geesten die in ’s moeders lichaam spooken.
                Hoe zal ik mijne zoons ’t behoorlijk lijkvuur stooken?
                Ik ben gantsch raadeloos, ten zy de blixem zelf,
                Ten slinger uitgegooit, komt daalen van ’t gewelf,
                (2075) En zengt mijn wreede borst met al haar ingewanden:
                Want zoo ik mijne zoons tot assche wil verbranden,
                Zoo moet ik zelver ook verberrenen tot asch.
                Kom helsch, en hemelsch vuur. och dat de Moor hier was!
                Help Aran! Aran help.2079a
                Aran. Thamera. Saturninus. Titus. Markus. Lucius.
                Aran.
                Wie hoor ik Aran melde?2079b
Thamer.    (2080) Och! Aran zijtge daar? zoo gy u zelf ooit stelde
                Voor Saturninus Bruidt, zoo komt haar nu te baat;
                Want Titus stelt my hier als oorzaak van al ’t quaadt,
                Dat zijn geschonne kindt, in ’t bosch, heeft overrompelt;
                Hy heeft zijn zwaardt, in ’t bloed van mijne zoons, gedompelt,
                (2085) En ’t versche vleesch, gebraân, de moeder voorgestelt:
                De Vorst, die ’t keren wou, die keert hy door gewelt.
                Aran.
                Al wat’er is gedaan, is hem door my gebrouwen;
                Door my hebt gy de handt van uwen arm gehouwen;
                Door my is Rozelijn zoo deerelyk verkracht;
                (2090) Door my zijn uwe zoons moordaadig omgebracht;
                Door my is Bassiaan zijn hartaâr afgesteeken.
Saturn.      Hoe zal ik Broeders doodt, hoe zal ik ’t schelmstuk wreeken?
                Wie zal my bystandt doen?
Titus.         Ik zal u hulpzaam zijn.
                Aran.
                O ysselijke val! o doodelijke pijn!
                (2095) Help Titus! Titus help! ik zal uw gramschap kussen.
Titus.         De wraak keert u de nek.
                Aran.
                Wie zal deez’ vlammen blussen?
Titus.         De traanen van uw’ hoer.
                Aran.
                Genâ! genâ! genâ!
Titus.         Als ’t quaaddoen wordt gestraft, dan komt ’t berouw te spâ.
                Aran.
                O Titus! geef genâ.
Titus.         De wraaklust heeft geen ooren.
                Aran.
                (2100) Bepaal de woede wraak van uw’ getergde tooren.
Titus.         Hadt gy u wreede handt, in al uw’ doen, bepaalt,
                De weerwraak was zoo fel niet op uw’ hooft gedaalt.
                Hier leit hy in zijn graf die ons in ’t graf wou wikkelen.
                Aran.
                O overheete vlam! o al te scherpe prikkelen!
                (2105) Kom Titus, Titus kom, en kerf mijn leevens draân.
Titus.         Eerst moet het rauwe vleesch tot op het been toe braân.
                Aran.
                Help spooken! spooken help! ik ben om hulp verlegen.
                Stort dolle donderaar, stort nu een dichte regen,
                Met uw’ vergramde vuist, van blixems op my neêr;
                (2110) Op dat ik, in der yl, tot assche toe, verteer.
                O wee! o wee! o wee!
Titus.         De schelm is al gezonken;
                Hy leit, als in de gloedt van AEtnas bergspelonken.
Saturn.      Nu is mijn wraak vernoegt: mijn broeders geest gepait;
                Ik zwem in ene zee van alle dartelheidt:
Titus.         Ik zal de vreugdt betoomen.
                Daar moorehoer, hou daar; gy zult uw’ pol bekoomen
                In ’t onderaardsche Rijk.
Saturn.      Hou daar vervloekte guit,
                En volg de bloedge schreên van Saturninus bruidt.
                Lucius.
                Is vaader doodt? o doodt! door Saturninus handen?
                (2120) Tyran daar is uw’ loon.
                Markus.
                Uw’ Kaizerlijke banden
                Zijn nu voor Lucius, en wat aan ’t Rijk behoort.
                Nu zal het noodig zijn, dat gy des Tybers poort,
                En ’t ruime marriktveldt, omheinigt met uw’ troepen,
                Dan zalmen ’s Vorsten doodt, en u voor Vorst, uitroepen;
                (2125) En wie’er teegens streeft, alwaar ’t de Ridderschap,
                Zal voort naar Pontus Meir, in eeuwge ballingschap.
UIT.

Continue