CENETON

BIBLIOGRAFIE

Continue

Gebruikte afkortingen

BLLBritish Library, Londen
BNNBiblioteca Nazionale, Napels
BNFBibliothèque Nationale de France, Parijs
DSUBibliotheek van Diversa Sed Una, Dordrecht
GBRGemeentebibliotheek, Rotterdam
KBHKoninklijke Bibliotheek, ’s-Gravenhage
KBBKoninklijke Bibliotheek, Brussel
MMWMuseum Meermanno-Westreenianum, ’s-Gravenhage
PBFProvinciale Bibliotheek Friesland, Leeuwarden
SBAStadsbibliotheek, Antwerpen
SBHStadsbibliotheek, Haarlem
UBAUniversiteitsbibliotheek te Amsterdam
KNAWKoninklijke Nederlandse Akademie
van Wetenschappen te Amsterdam
UBGUniversiteitsbibliotheek te Gent
ThysBibliotheca Thysiana, Leiden
UBGrUniversiteitsbibliotheek te Groningen
UBLUniversiteitsbibliotheek te Leiden
UBUUniversiteitsbibliotheek te Utrecht
UBVUBibliotheek Vrije Universiteit Amsterdam


Continue

K. Abel: Die Plautusprologe. [Mülheim (Ruhr)-Saarn] 1955. Inaug-Diss. Frankfurt am Main.

W. Abrahamse: ‘Zoete gedachten over de dood. Rodenburgh en La Serre.’ In: W. Abrahamse c.s. (ed.): Kort tijt-verdrijf. Opstellen over Nederlands toneel (vanaf ca. 1550) aangeboden aan Mieke B. Smits-Veldt. Amsterdam 1996, p. 133 - 140.

Aeschylus: Tragoediae septem. Cum scholiis Graecis omnibus; deperditorum dramatum fragmentis. Ed. Thomas Stanley. Londen (J. Flesher voor C. Bee) 1663. KBH 3191 A 20.

L.J.N.K. van Aken: Catalogus Nederlands toneel. Amsterdam 1954 - 1956. 3 dln.

F. Akkerman: Spinoza’s tekort aan woorden. Humanistische aspecten van zijn schrijverschap. Leiden 1977. (Mededelingen vanwege het Spinozahuis 36).

F. Akkerman: Studies in the posthumous works of Spinoza. On style, earliest translation and reception, earliest and modern edition of some texts. Meppel 1980. Diss. Groningen.

B. Albach: ‘De Amsterdamse geschreven bronnen van de Nederlandse toneelgeschiedenis.’ In: Scenarium 1 (1977), pag. 92 - 113.

B. Albach: Langs kermissen en hoven. Ontstaan en kroniek van een Nederlands toneelgezelschap in de 17e eeuw. Zutphen 1977.

Ph. Alegambe: Bibliotheca scriptorum Societatis Jesu. Antwerpen (J. Meursius) 1643. UBL 599 A 13.

P.J.M. van Alphen: Nederlandse Terentius-vertalingen in de 16e en 17e eeuw. Tilburg 1954. Diss. Nijmegen.

R. Anslo: Parysche bruiloft. Treurspel. Van inl. en aant. voorz. door H.H. Knippenberg. Zwolle, 1958. (Zwolsche drukken en herdrukken, 30)

R. Arpots:Toneel in Nijmegen. Catalogus van Nederlandstalige toneelwerken gedrukt in de Republiek in de 18e eeuw en aanwezig in de Bibliotheek van de Katholieke Universiteit te Nijmegen. Met een inleiding van prof. dr. W.J.H. Hummelen. Nijmegen 1991.

R. Arpots:Vondel in Nijmegen. Catalogus van Vondel-drukken tot en met 1855, aanwezig in de Bibliotheek van de Katholieke Universiteit te Nijmegen. Nijmegen 1987.

H. van Assche: ‘De abele spelen en een ‘Miracle de Nostre Dame par personnages’: een leeservaring’. In: E. Cocx-Indestege en F. Hendrickx: Miscellanea Neerlandica: opstellen voor Dr. Jan Deschamps ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag, dl. 2, Leuven 1987, p. 221-236.

W.J.M.A. Asselbergs: Pascha-problemen. Hilversum 1940. Ook in: Anton van Duinkerken: Verzamelde Geschriften. Utrecht 1962; dl. 3, p. 278-292.

F.H. d’Aubignac: La pratique du théâtre. Parijs (Antoine de Sommaville) 1657. MMW 107 E 26.

F.H. d’Aubignac: La pratique du théâtre. Amsterdam (J.F. Bernard) 1715. KBH 760 F 12.

F.H. d’Aubignac: La pratique du théâtre. Ed. P. Martino. Parijs 1927.

F.H. d’Aubignac: Terence justifié ou deux dissertations concernant l’art du théatre. Parijs (G. de Luynes) 1656. KBH 759 D 2.

E. van Autenboer: Het Brabants landjuweel van de rederijkers (1515-1561). Middelburg, 1981.
Continue

C. de Baere: Het edel en wijt vermaart Marox-hof op de Kamer van Rhetorica te Hasselt. In: Bulletin des Mlophiles 41 (1913), p. 95 - 120.

C. de Baere en J. Gessler: ’De Roode Roos. Geschiedenis der Hasseltsche Rederijkerskamer’. In: Limburgse Bijdragen 9 (1911), p. 23 - 132.

T.W. Baldwin: Shakspere’s five-act structure. Shakspere’s early plays on the background of Renaissance theories of five-act structure from 1470. Urbana 1947.

H.T. Barnwell: The tragic drama of Corneille and Racine. Oxford 1982.

P.J.H. Baudet: Leven en werken van Willem Jansz. Blaeu. Utrecht 1871.

J. Bauwens: La tragédie française et le théâtre hollandais au dix-septième siècle. I. L’influence de Corneille. Amsterdam 1921. Diss. Parijs.

J.J.M. Beckers: Een tekst voor alle tijden: een onderzoek naar de receptiesituatie van de oudste overgeleverde versies van Lanseloet van Denemerken. Amsterdam 1993. Proefschrift.

L’Abbé de Bellegarde: Reflexions sur le ridicule et sur les moyens de l’éviter. Den Haag (A. van Dole) 1734. KBH 2118 E 13.

H.C. van Bemmel: Bibliografie van de werken van Jan Hermans Krul. Arnhem 1981 - 1984. 2 dln. Diss. Univ. van Amsterdam.

H. van den Bergh: Konstanten in de komedie. Amsterdam 1972.

L. Berk: Epicharmus. Groningen 1964. Diss. Utrecht.

A. Montanus e.a.: Beschryvinge van Amsterdam. Amsterdam (M.W. Doornick) 1665. KBH 496 D 8.

Biblia, dat is: de gantsche H. Schrifture. Leiden (P.A. van Ravensteyn) [‘s-Gravenhage] (voor de wed. en erfg. H.J van Wouw) 1637 [1636!]. KBH 2112 A 1-2.

C. de Bie: Het gulden cabinet vande edel vry schilder const. Antwerpen (J. Meyssens) 1661. KBH 1305 E 25.

A. Blanchard: Essay sur la composition des comédies de Ménandre. Parijs 1983. (Collection des études anciennes).

J. Bloemendal: ’De eerste stappen van Grotius en Heinsius op het toneel.’ In: W. Abrahamse c.s. (ed.): Kort tijt-verdrijf. Opstellen over Nederlands toneel (vanaf ca. 1550) aangeboden aan Mieke B. Smits-Veldt. Amsterdam 1996, p. 51 - 57.

J. Bloemendal: Spiegel van het dagelijks leven? Latijnse school en toneel in de noordelijke Nederlanden in de zestiende en de zeventiende eeuw. Hilversum 2005.

C.W. van Boekel: ‘De Aulularia van Plautus en de Warenar van P.C. Hooft.’ In: Neophilologus 41 (1957), pag. 56-70.

F.C. van Boheemen, Th.C.J. van der Heijden: De Delftse rederijkers ’Wy rapen gheneucht’. Amsterdam, 1982.

F.C. van Boheemen, Th.C.J. van der Heijden: ‘Rebustaal op Hollandse rederijkersblazoenen.’ In: De zeventiende eeuw 15 (1999), pag. 131-140.

H. Borst: ’Loterij en toneel van Coster en De Koningh in 1615 en in 1616.’ In: W. Abrahamse c.s. (ed.): Kort tijt-verdrijf. Opstellen over Nederlands toneel (vanaf ca. 1550) aangeboden aan Mieke B. Smits-Veldt. Amsterdam 1996, p. 45 - 49.

A. Bossers: ‘Nil Volentibus Arduum en Vondel.’ In: Spektator 8 (1978 - 1979), pag. 95 - 103.

A. Bossers: ‘Nil Volentibus Arduum: Lodewijk Meyer en Adriaan Koerbagh.’ In: Opstellen over de Koninklijke Bibliotheek en andere studies. Bundel samengesteld door medewerkers van dr. C. Reedijk ter gelegenheid van zijn aftreden als bibliothecaris van de Koninklijke Bibliotheek te ‘s-Gravenhage. Hilversum 1986, pag. 374 - 383.

L. Braun: Die cantica des Plautus. Göttingen 1970.

R. Bray: La formation de la doctrine classique en France. Parijs 1927.

J.M. Bremer: ‘Why messenger-speeches?’ In: Miscellanea tragica in honorem J.C. Kamerbeek. Ed. J.M. Bremer, S.L. Radt, C.J. Ruijgh. Amsterdam 1976, pag. 29-48.

J.M. Bremer: Hamartia. Tragic error in the Poetics of Aristotle and in Greek tragedy. Amsterdam 1969.

J.M.G.M. Brinkhoff: Woordspeling bij Plautus. Nijmegen 1935. Diss. Nijmegen.

J. de Brune de Jonge: Wetsteen der vernuften, oft bequaam middel, om, van alle voorvallende zaken aardighlik te leeren spreken. Amsterdam (J. Lescaille) 1644. KBH 2105 A 44.

G. Buchanan: Poemata quae extant. Ed. postrema. Leiden (Ex officina Elzeviriana) 1628. UBL 562 G 14.

G. Buchanan: Poemata quae extant. Ed. postrema. Amsterdam (J. Waesberge en E. Weyerstraet) 1665. KBH 760 K 18.

I.C. Bulengerus Iuliodunensis: De theatro, ludisque scenicis libri duo. Troyes (P. Chevillot) 1603. Thys. 11811.

Wolfgang Bunte: Joost van den Vondel und das Judentum ‘Hierusalem verwoest’ (1620) und seine Antiken Quellen. Frankfurt am Main [etc.], 1984. (Judentum und Umwelt, 12)
Continue

J.B. Casalius: De profanis et sacris veteribus ritibus opus tripartitum, cujus prima pars agit de profanis Aegyptiorum ritibus. Frankfurt en Hannover (Th. H. Hauensternius) 1681. KBH 2104 B 20.

R. de Ceriziers: De H. Nederlantsche Susanna ofte Het leven van de H. princesse Genoveva. Vert. door C. van Houcke. Yperen (P. de Lobel) 1645. UBL 1198 F 38.

E.K. Chambers: The Mediaeval Stage. Oxford, 1903. 2 dln.

M.C. de la Chambre: Les characteres des passions. Amsterdam (A. Michel) 1658 - 1663. 5 dln. KBH 224 B 27.

J. Chapelain: Les sentiments de l’Académie Françoise sur la tragicomédie du Cid. Ed. G. Collas. Genève 1968. Herdr. van de ed. Parijs 1912.

J. Chapelain: Opuscules critiques. Ed. A.C. Hunter. Parijs 1936. (Société des textes français modernes).

Roger Chartier: Publishing Drama in Early Modern Europe. Panizzi Lectures gehouden van 8-10 december 1998 in de British Library. Nog te verschijnen.

M. Tullius Cicero: Opera omnia. Ed. C. Schrevelius. Amsterdam (L. et D. Elzevirius) en Leiden (F. Hackius) 1661. KBH 234 F 35.

M. Tullius Cicero: De officiis libri tres. Ed. H.A. Holden en E.S. Shukburgh. Amsterdam 1966. Herdr. van de ed. Cambridge 1899.

M. Tullius Cicero: Tusculanarum disputationum libri quinque. Ed. T.W. Dougan, R.M. Henry. Repr. New York 1979. 2 dln. Herdr. van de ed. Cambridge 1905 - 1934.

M. Tullius Cicero: De oratore libri tres. Ed. A.S. Wilkins. Amsterdam 1962. Herdr. van de ed. Oxford 1892.

Cl. Claudianus: Quae exstant. Ed. C. Barthius. Hannover (Willier) 1612. UBL 757 G 4.

J.Th.W. Clemens: Italiaanse boeken in het Nederlands vertaald (tot 1800). Bibliografie samengesteld door - . Met medew. van J.W. Steenbeek. Groningen, 1964. (Studia Litteraria Rheno-Traiectina, 8)

R.J. Clements: Critical theory and practice of the Pléiade. Cambridge [(Mass.)] 1942. (Harvard Studies in Romance Languages 18).

Dirk Coigneau: ’1 februari 1404. De Mechelse voetboogschutters schrijven een wedstrijd uit: stedelijke toneelwedstrijden in de vijftiende en zestiende eeuw.’ In: Een theatergeschiedenis der Nederlanden: tien eeuwen drama en theater in Nederland en Vlaanderen. Onder hoofdred. van R.L. Erenstein; red. D. Coigneau ... [et al.]. Amsterdam, 1996, p. 30-35.

Dirk Coigneau: ’9 december 1448. De statuten van rederijkerskamer De Fonteine worden officieel erkend door de stad Gent: rechten en plichten van spelende gezellen.’ In: Een theatergeschiedenis der Nederlanden: tien eeuwen drama en theater in Nederland en Vlaanderen. Onder hoofdred. van R.L. Erenstein; red. D. Coigneau ... [et al.]. Amsterdam, 1996, p. 50-55

P. Corneille: Théâtre complet. Ed. P. Lièvre, R. Caillois. Parijs 1966 - 1968. 2 dln. (Bibliothèque de la Pléiade 19-20).

P. Corneille: Onderzoek over de Nederduitsche tooneelpoëzy. Amsterdam (A. Schoonenburg) 1724. Vert. van Discours. KBH 760 H 28.

Th. Corneille: Théâtre. 5 delen. Amsterdam (Henry Desbordes) 1701. UBL 268 G 24-28.

[G. de Coste de la Calprenède]: Cassandre. Parijs (A. de Sommaville) 1642 - 1645. 5 dln. KBH 184 E 20.

G. de Coste de la Calprenède: Het eerste (-vyfd) deel van Cassandre. Vert. door F.V.S. [= F. van Sambix]. Amsterdam (J. Vinckel) 1669. 5 dln. KBH 31 G 1-5.

M.W. Croll: Style, rhetoric, and rhythm. Essays. Ed. J.M. Patrick [e.a.] Princeton (N.J.) 1966.

L. Couperus: De tweelingbroeders. Jambische bewerking van Plautus’ Menaechmi. Ed. R. van der Paardt. ’s-Gravenhage 1982. Oorspr. verschenen als Dramatisch Bijvoegsel van Groot Nederland 14 (1916), pag. 1-76.




J. de Decker: Gedichten, versamelt en uytgegeven door J.K. Amsterdam (Jacob Colom) 1656. UBL 1204 A 20.

S.W. Deierkauf-Holsboer: L’histoire de la mise en scne dans le thatre franais Paris de 1600 1673. Paris : Nizet, cop. 1960.

J. Delesalle: La morale de Descartes. Lille 1975, 2 delen. Diss. Parijs.

R. Descartes: Les passions de l’âme. Parijs (H. le Gras) 1649. KBH 1124 B 15.

R. Descartes: Les passions de l’âme, of De lydingen van de ziel. Vert. door J.H. Glazemaker. Amsterdam (T. Houthaak voor J. Riewertsz) 1659. KBH 1350 E 122.

H. van Dijk: ’14 mei 1384. De graaf van Blois bezoekt een zoldertheater in Dordrecht’. In: Nederlandse literatuur, een geschiedenis. Hoofdred. M.A. Schenkeveld - van der Dussen. Groningen 1993, p. 62 - 67.

H. van Dijk: ’The structure of the "sotternien" in the Hulthem manuscript’. In: H. Braet e.a. (red.): The Theatre in the Middle Ages. Leuven 1985, p. 238-250.

Diogenes Laertius: De vitis, dogmatis & apophthegmatis clarorum philosophorum, libri X. Ed. Is. Casaubonus. Genève (P. en J. Chouët) 1615. KBH 544 J 7.

Diogenes Laertius: De vitis dogmatis et apophthegmatis eorum qui in philosophia claruerunt; libri X. Ed. Th. Aldobrandinus. Londen (Th. Ratcliffe voor O. Pulleyn) 1664. UBL 710 A 4.

Diomedes: Diomedis grammatici opus, ab Iohanne Caesario, ita emendatum, scholijsque illustratum, ut nulla porrò labes insideat. Item Donati de octo orationis partibus, & barbarismo libellus, ab eodem recognitus. Keulen (J. Soter) 1533. UBL BGW.

A. van Dixhoorn: Lustige geesten; rederijkers en hun kamers in het literaire, intellectuele en publieke leven van de noordelijke Nederlanden (1480-1650). Amsterdam 2009. Met internetbijlage

Ae. Donatus: Quod fertur commentum Terenti. Accedunt Eugraphi commentum et scholia Bembina. Ed. P. Wessner. Leipzig 1902 - 1908.

[J. Dubos]: Reflexions critiques sur la poesie et sur la peinture. Nieuwe, herz. en gecorr. dr. Utrecht (E. Neaulme) 1732 - 1736. 3 dln in 2 bdn. UBL 721 G 18-19.

B.P.M. Dongelmans: Nil Volentibus Arduum: documenten en bronnen. Een uitgave van Balthazar Huydecopers aantekeningen uit de originele notulen van het genootschap. Voorzien van een inleiding, commentaar en een lijst van N.V.A. drukken. Utrecht 1982.

J. Donneau de Visé: Trois comédies. La mère coquette, La veuve à la mode, Les dames vengées. Ed. P. Mélèse. Parijs 1940.

J. Dousa: Centurionatus, sive Plautinarum explanationum libri IV. Leiden (F. Raphelengius) 1587. KBH 1702 G 91.

P.-L. Duchartre: La commedia dell’arte et ses enfants. Parijs 1955.

G.E. Duckworth: The nature of Roman comedy. A study in popular entertainment. Princeton 1971. Herdr. van de ed. Princeton 1952.

F. Duim: Het hondertjaarige jubilée, wegens het stichten van den Amsterdamsche Schouburg. Plechtiglyk geviert den 7 van Loumaant, in den Jaare 1738. Amsterdam, Izaak Duim, [1738]. UBL 1094 D 7 : 2.

H. Duits: ‘‘De Moordt schuilt onder bruiloftsklen’. Twee spelen over de Parijse bloedbruiloft en de politieke actualiteit in het midden van de zeventiende eeuw’. In: Spektator 10 (1980-1981); p. 323-338; 11 (1981-1982); p. 396-410.


H. Duits: ’Dat Holland hier uit leer aan wien het zy verplicht’. Willem van Oranje als toneelheld in het tijdperk van de ’ware vrijheid’. In: Voortgang 6, 1985; p. 249-284.

H. Duits: ’Geraerdt van Velsen:
‘leugenaar’ of radicaal?’. In: De Nieuwe Taalgids 78 (1985), p. 404-413.

H. Duits: ‘Karel Stuart: martelaar en miles christianus.’ In: W. Abrahamse c.s. (ed.): Kort tijt-verdrijf. Opstellen over Nederlands toneel (vanaf ca. 1550) aangeboden aan Mieke B. Smits-Veldt. Amsterdam 1996, p. 193 - 199.

S. von Dunin Borkowski: Spinoza. Münster 1935. 3 delen.

P. van Duyse: De rederijkkamers in Nederland. Gent, 1900.




G. van Eemeren & H. Meeus: Genres in het ernstige renaissancetoneel der Nederlanden 1626-1650. Verslag van een onderzoek.

G.F. Else: The origin and early form of Greek tragedy. Cambridge (Mass.) 1965.

Van Elslander: ’Lijst van Nederlandse rederijkerskamers uit de Xve en XVIe eeuw.’ In: Jaarboek De Fonteine 18 (1968), p. 29 e.v.

J.A. Emmens: ‘Apelles en Apollo. Nederlandse gedichten op schilderijen in de 17de eeuw.’ In: J.A. Emmens: Kunsthistorische opstellen. Dl. 1 (Amsterdam 1981), pag. 5-60.

H.J.E. Endepols: Vijf geestelijke toneelspelen der middeleeuwen. Amsterdam, 1940.

Jody Enders: Rhetoric and the origins of medieval drama. Ithaca [...etc.], 1992.

D. Erasmus: Opera omnia. Ed. I. Clericus. Hildesheim 1961. 10 dln. Herdr. van de ed. Leiden 1703 - 1706.

D. Erasmus: Ausgewählte Schriften 7. Dialogus cui titulus Ciceronianus. Ed. Theresia Payr. (Darmstadt 1972).

D. Erasmus, H. Junius, J. Alexander e.a.: Adagia. [Frankfurt] (Wechelianus voor Cl. Schleichius & Petrus de Zetter) 1629. UBL 468 A 2.

R.L. Erenstein: ’1130. Het liturgisch drama Ordo Stellae wordt gekopieerd te Munsterbilzen: de ontdekking van het toneel in de middeleeuwen en het liturgisch drama’. In: Een theatergeschiedenis der Nederlanden: tien eeuwen drama en theater in Nederland en Vlaanderen. Onder hoofdred. van R.L. Erenstein; red. D. Coigneau ... [et al.]. Amsterdam, 1996, p. 2 - 9.

Eruditorum aliquot virorum de comoedia & comicis versibus commentarius. Basel (Ex off. Hervagiana) 1568.

Euripides: Tragoediae XIX [Graece]. In quibus praeter infinita menda sublata carminum omnium ratio hactenus ignorata nunc primùm proditur:
opera Gulielmi Canteri Ultraiectini. Antwerpen (Chr. Plantijn) 1571. KBH 1703 G 27.

Euripides: Tragoediae quae extant. Cum Latina Gulielmi Canteri interpretatione. [Z.pl.] (Paulus Stephanus) 1602. KBH 760 C 13.

Euripides: Phoenissae. Ed. J.U. Powell. London 1911.

Euripides: Tragoedia Phoenissae, emendata ex manuscriptis, & Latina facta ab Hugone Grotio. Parijs (J. Ruart) 1630. KBH 759 G 17.

Eusebius: Eusebii Caesariensis Episcopi Chronicon: quod Hieronymus presbyter divino eius ingenio Latinum facere curavit, & usque in Valentem Caesarem Romano adiecit eloquio. [Parijs] (H. Stephanus) [1518]. KBH 226 F 20.

Eusebius: Praeparatio evangelica. Ed. Fr. Vigerus e.a. Parijs (M. Sonnius, S. Cramoisius & C. Morellus) 1628. UBL 539 A 9.

Eusebius, Hieronymus en Prosperus: Chronica trium illustrium auctorum. Ab Abraham ad an. Christi 449. Bourges (S. Millangius) 1604. UBL 540 A 7.




Sextus Pompeius Festus: M. Verrii Flacci quae extant. Et Sexti Pompei Festi de verborum significatione, libri XX. In eos libros Aur. Augustini annotationes, ex editione Veneta. Ios. Scaligeri castigationes recognitae, ex Parisiensi. Ful. Ursini notae, ex Romana. [Z.pl.] (P. Santandreanus) 1613. UBL 763 E 72.

Sextus Pompeius Festus: De verborum significatu quae supersunt cum Pauli epitome. Ed. W.M. Lindsay. Leipzig 1913.

Tanaquin le Fèvre: Les poetes Grecs. Premiere partie. Saumur (D. de Lespiniere en J. Lesnier) 1664. UBL 550 G 33.

A.C.G. Fleurkens: ‘Jezus in tweespraak met de Samaritaanse. Coornherts dialoog Ware aflaet van zonden.’ In: W. Abrahamse c.s. (ed.): Kort tijt-verdrijf. Opstellen over Nederlands toneel (vanaf ca. 1550) aangeboden aan Mieke B. Smits-Veldt. Amsterdam 1996, p. 14 - 21.

B. Fonteyn: Per oratio poëtica, in laudem poësios, of ‘t lof der rym-konst. Amsterdam (B. de Wild’ voor A. Fonteyn) 1649. KBH 1350 E 108.

Fragmenta comicorum Graecorum. Ed. A. Meineke. Berlijn 1970. 5 dl. in 7 bd. Herdr. van de ed. Berolini 1829 - 1857.

’Fragmenten van een Limburgsch Antichrist-spel uit de xve eeuw.’ Bezorgd door J. Gessler. In: Album opgedragen aan J. Vercoullie. Brussel 1927, p. 137 - 146.

The fragments of Attic comedy. After Meineke, Bergk and Kock. Ed. J.M. Edmonds. Leiden 1957 - 1961. 3 dln.

P. France: Racine’s rhetoric. Oxford 1965.

A. Frank - van Westrienen: De groote tour. Tekening van de educatiereis der Nederlanders in de zeventiende eeuw. Amsterdam 1983. Diss. Leiden.

M. Fuhrmann: Einführung in die antike Dichtungstheorie. Darmstadt 1973.




F. Gaiffe: Le rire et la scène Française. Parijs 1931.

S. Gaselee: ‘The bibliography of Petronius.’ In: Transactions of the bibliographical society 10 (1910), pag. 141 - 233.

A. Gellius: Noctes Atticae. Cum selectis novique commentariis A. Thysii J.C. et J. Oiseli J.C. Leiden (P. Leffen) 1666. KBH 184 L 22.

E.M.P. van Gemert: Tussen de bedrijven door? De functie van de rei in Nederlandstalig toneel 1556-1625. Deventer, 1990. (Deventer Studin 11). Diss. RUU.

L. van Gemert: ‘Vrouwen voor vrijheid. Krachtmetingen in Vondels Batavische gebroeders.’ In: W. Abrahamse c.s. (ed.): Kort tijt-verdrijf. Opstellen over Nederlands toneel (vanaf ca. 1550) aangeboden aan Mieke B. Smits-Veldt. Amsterdam 1996, p. 213 - 218.

W.P. Gerritsen: ’De dichter en de leugenaars. De oudste poëtica in het Nederlands’. In: De nieuwe Taalgids 85 (1992), p. 2 - 13.

H. Giebels en F. Slits: Georgius Macropedius 1482-1558. Leven en werken van een Brabantse humanist. Tilburg 2005.

G. Gilbert: Les amours de Diane et d’Endymion. Tragédie. Parijs (G. de Luyne) 1657. BNF Yf. 6208.

G.B. Giraldi Cinzio: Scritti critici. Ed. C.G. Crocetti. Milaan 1973. (Scrittori italiani. Sezione letteraria).

H. Gmelin: ‘Das Prinzip der Imitatio in den romanischen Literaturen der Renaissance.’ In: Romanische Forschungen 46 (1932), pag. 83 - 147.

J.A. van der Goes: Gedichten. Amsterdam (J. Rieuwertsz., P. Arentsz. en A. Magnus) 1685. KBH 346 F 231.

J.A. van der Goes: Alle de gedichten. Hier by komt het leven des dichters. 3e dr. Amsterdam (Nicolaas ten Hoorn) 1714. KBH 760 D 4.

J.A. van der Goes: Bellone aen bant, of Vrede, tusschen Karel de II. [...] en de [...] Staeten der Vereenigde Nederlanden. Amsterdam (P. Arentsz.) 1667. KBH Pamflet 9524.

J.A. van der Goes: Marsyas, satyr. Amsterdam (P. Arentsz.) 1676. KBH 448 K 120.

E.M. Grabowsky & P.J. Verkruysse: ’’Gadeloos, en onuytspekelik van waerden.’ Netwerken rondom de Amsterdamse Schouwburg.’ In: W. Abrahamse c.s. (ed.): Kort tijt-verdrijf. Opstellen over Nederlands toneel (vanaf ca. 1550) aangeboden aan Mieke B. Smits-Veldt. Amsterdam 1996, p. 227 - 242.

H. de Graef: Op de mensch ontleding. Door de uytstekende genees-heer Fredericus Ruysch. Amsterdam (A. Venendael) 1667. KBH Pamflet 9595.

C.C. van de Graft: ’Over het Spel van Herodes in den Dom te Utrecht’. In: Jaarboek van Oud-Utrecht, 1924, p. 71-102.

M.A. Grant: The ancient rhetorical theories of the laughable. The Greek rhetoricians and Cicero. Madison 1924. (University of Wisconsin studies in language and literature 21).

L.P. Grijp & H. Meeus: ‘Muziek op het toneel van de Gouden Eeuw. Eerste vruchten van een Vlaams-Nederlands samenwerkingsproject.’ In: W. Abrahamse c.s. (ed.): Kort tijt-verdrijf. Opstellen over Nederlands toneel (vanaf ca. 1550) aangeboden aan Mieke B. Smits-Veldt. Amsterdam 1996, p. 119 - 131.

L.F. Groenendijk: De Nadere Reformatie en het toneel. In: De zeventiende eeuw 5 (1989), nr. 1, p. 141-153.

B.A. van Groningen: ‘Charaktéres’ In: Mnemosyne n.s. 58 (1930), pag. 45 - 53

H. de Groot: De dichtwerken. Oorspronkelijke dichtwerken. Tweede deel, pars 5 A en B. Ed. B.L. Meulenbroek m.m.v. A.C. Eijffinger. Assen 1978.

H. de Groot: Dicta poetarum quae apud Io. Stobaeum exstant. Emendata et Latino carmine reddita ab Hugone Grotio. Accesserunt Plutarchi et Basilii Magni de usu Graecorum poetarum libelli. Parijs (N. Buon) 1623. KBH 186 C 13.

H. de Groot: Excerpta ex tragoediis et comoediis Graecis tum quae exstant, tvm quae perierunt: emendata & Latinis versibus reddita. Parijs (Nicolaus Buon) 1626. KBH 760 D 8.

H. de Groot: Inleiding tot de Hollandsche rechts-geleertheyd. ’s-Gravenhage (Wed. H.J. van Wou) 1631. KBH 392 A 12.

E.K. Grootes: Dramatische struktuur in tweevoud. Een vergelijkend onderzoek van Pietro Aretino’s Hipocrito en P.C. Hoofts Schijnheiligh. Culemborg 1973. (Teksten en studies uit de Nederlandse letterkunde).

E.K. Grootes: ‘[Boekbespreking van:] Jan Vos. Toneelwerken.’ In: De nieuwe taalgids 69 (1976), pag. 538-543.

E.K. Grootes: ‘Het berecht voor Jeptha en de prolegomena van Grotius’ Phoenissae-vertaling.’ In: Visies op Vondel na 300 jaar. Ed. S.F. Witstein en E.K. Grootes. Den Haag 1979, pag. 236-246.

E.K. Grootes: ‘De komische elementen in Bedero’s Palmerijnspelen.’ In: W. Abrahamse c.s. (ed.): Kort tijt-verdrijf. Opstellen over Nederlands toneel (vanaf ca. 1550) aangeboden aan Mieke B. Smits-Veldt. Amsterdam 1996, p. 79 - 85.

E.K. Grootes: ‘Een theaterhistoricus uit 1638? Het voorwerk van Bredero’s Alle de wercken en de kennis omtrent het theater uit de Oudheid in de zestiende en de zeventiende eeuw.’ In: Spektator 12 (1982 - 1983), pag. 452 - 479.

E.K. Grootes: ‘’t Lof der rym-konst van Barent Fonteyn.’ In: ‘t Ondersoeck leert. Studies over middeleeuwse en 17de-eeuwse literatuur ter nagedachting van Prof. dr. L. Rens. Leuven [etc.] 1986, pag. 319-327.

R.J. Gruijters: An eloquent eniga. The dramas of Jacobus Cornelius Lummenaeus à Marca (c. 1580 - c. 1628) and their contexts. Diss. UvA, Amsterdam 2010.




A. de Haas: Spaans toneel in Franse tijden (ca 1690-ca 1730).’ In: W. Abrahamse c.s. (ed.): Kort tijt-verdrijf. Opstellen over Nederlands toneel (vanaf ca. 1550) aangeboden aan Mieke B. Smits-Veldt. Amsterdam 1996, p. 251 - 256.

A. de Haas: De wetten van het treurspel. Over ernstig toneel in Nederland, 1700-1772. Hilversum 1998. Diss. Amsterdam.

A.G. van Hamel: Zeventiende-eeuwsche opvattingen en theorieën over litteratuur in Nederland. ’s-Gravenhage 1918.

S. Halliwell: Aristotle’s poetics. Londen 1986.

A. Harder: Euripides’ Kresphontes and Archelaos. Introduction, text and commentary. Leiden 1985.

A.J.E. Harmsen: ‘Apparaat voor de studie van het toneel in de eerste helft van de zeventiende eeuw.’ In: Dokumentaal 12 (1983), pag. 98 - 104.

A.J.E. Harmsen: ‘[Boekbespreking van:] B. Huydecoper: Arzases of ‘t edelmoedig verraad. Ed. M.A. Schenkeveld - van der Dussen’. In: Spektator 12 (1982 - 1983), pag. 387-389.

A.J.E. Harmsen: ‘Conradinus en de trits Vernulaeus, Oudaen, Smids.’ In: De letter doet de geest leven. Bundel opstellen aangeboden aan Max de Haan bij zijn afscheid van de Rijksuniversiteit te Leiden. Leiden 1980, pag. 172 - 188. (Publikaties van de Vakgroep Nederlandse taal-& letterkunde 9).

A.J.E. Harmsen: ‘Joannes Minellius: ethicus? didacticus!’ In: W. Abrahamse c.s. (ed.): Kort tijt-verdrijf. Opstellen over Nederlands toneel (vanaf ca. 1550) aangeboden aan Mieke B. Smits-Veldt. Amsterdam 1996, p. 219 - 226.

A.J.E. Harmsen: ‘Het spoockend weeuwtje, een onderwerp voor een doctoraalscriptie.’ In: Meta 11 (1976 - 1977), pag. 2 - 4.

A.J.E. Harmsen: ‘La théorie du ridicule chez Madius et le classicisme néerlandais.’ In: Acta conventus Neo-Latini Bononiensis. Proceedings of the fourth international congress of Neo-Latin studies. Ed. R.J. Schoeck. Binghamton, New York, 1985, pag. 491 - 499.

A.J.E. Harmsen: ‘Gebruik en misbruik van de rhetorica door Nil Volentibus Arduum.’ In: De zeventiende eeuw, 4 (1988), pag. 55 - 68.

E.J. Haslinghuis: De duivel en het drama der middeleeuwen. Leiden 1912.

G. van Hasselt: Over de eerste vaderlandsche kluchtspelen. Utrecht, De Waal, 1780. GBR 1156 C 34. Parijs.

A. Haury: L’ironie et l’humour chez Cicéron. Leiden 1955. Diss. Parijs.

Chr.L. Heesakkers: ‘Petrus Francius en het toneel. Latijnse testimonia.’ In: W. Abrahamse c.s. (ed.): Kort tijt-verdrijf. Opstellen over Nederlands toneel (vanaf ca. 1550) aangeboden aan Mieke B. Smits-Veldt. Amsterdam 1996, p. 243 - 250.

D. Heinsius: In Q. Horatii Flacci opera, animadversiones et notae. Leiden (Ex officina Elseviriana) 1629.. KBH 235 D 223.

D. Heinsius: De tragoediae constitutione liber. Herdr. Hildesheim [etc.] 1976. Oorspr. ed. Leiden 1611.

D. Heinsius: De tragoediae constitutione liber. In quo inter caetera tot de hac Aristotelis sententia dilucide explicatur. Editio auctior multo. Cui & Aristotelis de poëtica libellus, cum ejusdem notis & interpretatione, accedunt. Leiden (Ex officinâ Elsevirianâ) 1643. UBL 671 E 9.

M. Hendrickx: ’Aantekeningen betreffende de rederijkerskamer te Maaseik.’ In: Album M. Bussels. Hasselt 1967, p. 327 - 337.

H. Henrotay: ’De rederijkerskamer te Loon’. In: L’ancien Pays de Loon [of Looz?] 15 (1911) en 16 (1912).

M.T. Herrick: The fusion of Horatian and Aristotelian literary criticism, 1531 - 1555. Urbana (Ill.) 1946. (Illinois studies in language and literature 321).

M.T. Herrick: Comic theory in the sixteenth century. Repr. Urbana (Ill.) 1964.

Th. Hobbes: Leviathan: of Van de stoffe, gedaente, ende magt van de kerckelycke ende wereltlycke regeeringe. Amsterdam (J. Wagenaar) 1667. KBH 229 K 39.

[Gijsbrecht van Hogendorp]: De spelen van Gijsbrecht van Hogendorp. Uitgeg. door F.K.H. Kossmann. ’s-Gravenhage, 1932.

D. Hogenelst: ’1418. Verbod in het reglement van het Deventer gasthuis om binnenshuis op te treden met sproken en boerden’. In: Nederlandse literatuur, een geschiedenis, Hoofdred. M.A. Schenkeveld - van der Dussen. Groningen 1993, p. 97-102.

Jeanette M. Hollaar & E.W.F. van Elzen: ’Het vroegste toneelleven in enkele Noord-Nederlandse plaatsen’. In: De nieuwe taalgids 73 (1980), p. 302 - 324.

Homerus: Ilias & Odyssea. Ed. C. Schrevelius. Amsterdam (Ex off. Elzevirianâ) 1655 - 1656. 2 dln. KBH 763 C 16.

P.C. Hooft: Alle de gedrukte werken, 1611 - 1738. Ed. W. Hellinga, P. Tuynman. Amsterdam 1972. 9 dln.

P.C. Hooft: De briefwisseling van Pieter Corneliszoon Hooft. Ed. H.W. van Tricht [e.a.]. Culemborg 1976 - 1979. 3 dln. (Teksten en studies uit de Nederlandse taal- en letterkunde).

P.C. Hooft: Baeto. Van inl. en aant. voorz. door F. Veenstra. 4de herz. dr. Den Haag, 1980.

P.C. Hooft: Brieven. Ed. B. Huydecoper. Amsterdam (A. Wor en Erve G. onder de Linden) 1738. KBH 482 A 9.

P.C. Hooft: Gedichten. Verz. en uitg. door J. van der Burgh. Amsterdam (J. Blaeu) 1636. KBH 758 B 27.

P.C. Hooft: Gedichten voor Huygens. Proeven van tekst en commentaar voor de uitgave van Hoofts lyriek, II. Ed. P. Tuynman, F.L. Zwaan. Amsterdam 1968. (Verhandelingen der Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, afd. Letterkunde, N.R. 73, 4).

P.C. Hooft: Sonnetten. Reden van de waerdicheit der poesie. Ed. P. Tuynman. Amsterdam 1971.

P.C. Hooft: Warenar. Ed. C. Kruyskamp. 3e dr. Culemborg 1970. (Klassieken uit de Nederlandse letterkunde 14).

D. van Hoogstraten: Beginselen of kort begrip der rederykkunst. Amsterdam (G. onder de Linden) 1725. KBH 2105 A 1492.

Q. Horatius Flaccus: Opera Q. Horatii Flacci Venusini, grammaticorum antiquissimorum Helenii Acronis, et Porphirionis commentarijs illustrata [...] Ed. G. Fabricius Chemnicensis. 2 delen. Basel (H. Petri) 1555. UBL 766 A 13.

Q. Horatius Flaccus: [Opera]. Ed. D. Heinsius. Leiden (Ex off. Elzeviriana) 1629 [1628!]. KBH 235 D 221.

Q. Horatius Flaccus: Arte poetica. Ed. A. Rostagni. Turijn 1930. ( Biblioteca di filologia classica).

Q. Horatius Flaccus: The ‘Ars poetica’. Ed. C.O. Brink. Cambridge 1971.

Q. Horatius Flaccus: Lierzangen en dichtkunst. In het rijmeloos vertaelt door J. v. Vondel. Amsterdam (Christophorus Cunradus voor Luidewijck Spillebout) 1654.

W.N.M. Hüsken: ’1391 - 1392. In Dendermonde wordt in de Paasdagen een Verrijzenisspel gespeeld: kerkelijk drama in de volkstaal’. In: Een theatergeschiedenis der Nederlanden: tien eeuwen drama en theater in Nederland en Vlaanderen. Onder hoofdred. van R.L. Erenstein; red. D. Coigneau ... [et al.]. Amsterdam, 1996, p. 24 - 29.

W. Hüsken: ‘Tweemaal Susanna. Een oud-testamentisch thema op het rederijkerstoneel.’ In: W. Abrahamse c.s. (ed.): Kort tijt-verdrijf. Opstellen over Nederlands toneel (vanaf ca. 1550) aangeboden aan Mieke B. Smits-Veldt. Amsterdam 1996, p. 23 - 29.

J.D. Hughes: A bibliography of scholarship on Plautus. Amsterdam 1975.

J. Huizinga: Engelschen en Nederlanders in Shakespeare’s tijd. In: De Gids 88 (1924), p. 219-235 en 367-383.

W.M.H. Hummelen: ‘Afbeeldingen van kwakzalvers of van kwakzalverskluchten?’ In: W. Abrahamse c.s. (ed.): Kort tijt-verdrijf. Opstellen over Nederlands toneel (vanaf ca. 1550) aangeboden aan Mieke B. Smits-Veldt. Amsterdam 1996, p. 31 - 37.

W.M.H. Hummelen: ’Tekst en toneelinrichting in de abele spelen’. In: De Nieuwe Taalgids 70 (1977), p. 299-242.

B. Huydecoper: Proeve van taal- en dichtkunde; in vrijmoedige aanmerkingen op Vondels vertaalde Herscheppingen van Ovidius. Amsterdam (E. Visscher en Isaac Tirion) 1730. KBH 234 F 49.

B. Huydecoper: Arzases of, ‘t Edelmoedig verraad. Ed. M.A. Schenkeveld - van der Dussen. ’s-Gravenhage 1982. (Nijhoffs Nederlandse klassieken).

C. Huygens: Gedichten naar zijn handschrift. Ed. J.A. Worp. Groningen 1892 - 1899. 9 dln.




A. van Impe: Over toneel. Vlaamse kroniek van het komediantendom. Amsterdam [etc.] 1978. (Literatuur in zicht 3).

R. Ingarden: Das literarischen Kunstwerk. Mit einem Anhang von den Funktionen der Sprache im Theaterschauspiel. Tübingen 1965.

A. Ingegneri: Della poesia rappresentativa & del modo di rappresentare le favole sceniche. Ferrara (Vittorio Baldini) 1598. BNN 41 G 702.

Isidorus Hispalensis: Etymologia. [Reutlingen] (G. Zainer) 1472. KBH 169 C 13.




H. Jacobson: The Exagoge of Ezekiel. Cambridge [etc.] 1983.

A. de Jager: ‘Meyers woordenschat.’ In: A. de Jager: Taal- en letteroefeningen. Leiden 1875, pag. 39 - 76.

R. Janko: Aristotle on comedy. Towards an reconstuction of Poetics II. Londen 1984.

J. Jansen: ‘Warenar, adaptatie in contrast.’ In: Spektator 18 (1988 - 1989), pag. 124 - 151.

J. Jansen: ‘Als de Tydt gaat spreken... Hoop en wraak in Gijsbrecht van Hogendorps Oranjedrama.’ In: W. Abrahamse c.s. (ed.): Kort tijt-verdrijf. Opstellen over Nederlands toneel (vanaf ca. 1550) aangeboden aan Mieke B. Smits-Veldt. Amsterdam 1996, p. 65 - 71.

H.H. Janssen: Latijnse letterkunde. 2e dr. [Utrecht] 1979.

N. Japikse: Johan de Witt. Amsterdam 1915. (Nederlandsche historische bibliotheek 9).

A. de Jeu: ‘Hoe dat een Vrouwen-beelt kan maken zulke Vaarzen.’ Reacties op de toneelstukken vn Catharina Verwers en Catharina Questiers.’ In: W. Abrahamse c.s. (ed.): Kort tijt-verdrijf. Opstellen over Nederlands toneel (vanaf ca. 1550) aangeboden aan Mieke B. Smits-Veldt. Amsterdam 1996, p. 179 - 184.

F. Junius: De pictura veterum libri tres. Amsterdam (J. Blaeu) 1637. KBH 1295 E 2.
Justinus: In Historias Trogi Pompeji epitomarum editio nova. Ed. J.G. Graevius. Utrecht (G. Zylius) 1668. KBH 3062 H 5.

D. Junius Juvenalis en Aulus Persius Flaccus: Satyrae. Ed. C. Schrevelius. Leiden (F. Hackius) 1658. KBH 767 D 46.




G. Kaibel: Comicorum Graecorum fragmenta. Berlijn 1899.

J.C. Kamerbeek: Aspecten van de tijd in de Griekse tragedie (speciaal bij Aeschylus). Amsterdam 1963. (Mededelingen der Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, Afd. letterkunde, N.R. 26, 4).

G. Kazemier: ‘De tragische held bij Vondel.’ In: De nieuwe taalgids 37 (1943), pag. 225 - 230.

E.G. Kern: The influence of Heinsius and Vossius upon French dramatic theory. Baltimore 1949. Diss. Baltimore. (The John Hopkins studies in romance literatures and languages. Extra volume 26).

A. Kircher: Lingua Aegyptiaca restituta. Rome (H. Scheus) 1643. KBH 652 D 18.

A. Kircher: Oedipus Aegyptiacus, hoc est universalis Hieroglyphiae veterum doctrinae temporum iniuria abolitae instauratio. Opus ex omni orientalium doctrina & sapientia conditum, nec non viginti diversarum linguarum authoritate stabilitum. Rome (V. Mascardus) 1652 - 1654. 3 dln. in 2 bnd. KBH 651 B 3.

G.P.M. Knuvelder: Handboek tot de geschiedenis der Nederlandse letterkunde. Deel 2. (Zesde druk. ‘s-Hertogenbosch 1977).

J. Koenerding: Landt-levens-lof, aen juff. me juff. Petronelle Cats. Door J.K. Amsterdam (G. à Roy voor D. Vincken-brinck) 1658. KBH 835 H 7.

J. Koppenol: Jacob Duym en de Leidse rederijkers.

A. Körte: ‘Charaktér.’ In: Hermes 64 (1929), pag. 69 - 86.

J. Konst: ‘De structuur van de handeling in Hoofts Baeto.’ In: De Nieuwe Taalgids 83 (1990), p. 41 - 53.

J. Konst: ‘Tot soo dolle wanhoop, en soo fel tot wraeck gedreven.’ Jan Six’ beeld van Medea.’ In: W. Abrahamse c.s. (ed.): Kort tijt-verdrijf. Opstellen over Nederlands toneel (vanaf ca. 1550) aangeboden aan Mieke B. Smits-Veldt. Amsterdam 1996, p. 185 - 191.

J. Koppenol: ‘Aan de weg van Delft naar Delphi: Jan van Hout en Aristophanes.’ In: W. Abrahamse c.s. (ed.): Kort tijt-verdrijf. Opstellen over Nederlands toneel (vanaf ca. 1550) aangeboden aan Mieke B. Smits-Veldt. Amsterdam 1996, p. 39 - 44.

E.F. Kossmann: Nieuwe bijdragen tot de geschiedenis van het Nederlandsche tooneel in de 17e en 18e eeuw. ’s-Gravenhage 1915.

W.J.W. Koster: Enige beschouwingen over de Dorische comedie en haar invloed op de Attische. Amsterdam 1963. (Mededelingen der Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, Afd. letterkunde, N.R. 26, 11).

W.J.W. Koster (ed.): Scholia in Aristophanem. Fasc. I A continens prolegomena de comoedia. Groningen 1975.

A.J. Kronenberg: Het Kunstgenootschap Nil Volentibus Arduum. Deventer 1875. Diss. Leiden.

J.H. Krul: Minnelycke sangh-rympies, vermenght met eenighe sonetten en and’re ghedichies. Amsterdam (P.J. Slyp) 1634. KBH 12 E 21.




H.C. Lancaster: A history of French dramatic literature in the seventeenth century. Baltimore [etc.] 1929 - 1942. 5 dln.

H.J. Lange: Aemulatio veterum sive de optimo genere dicendi. Die Entstehung des Barockstils im XVI. Jahrhundert durch eine    Geschmacksverschiebung in Richtung der Stile des manieristischen Typs. Bern en Frankfurt 1974.

C.C. a Lapide: Commentaria in Scripturam Sacram. Ed. nova. Ed. A. Crampon. Parijs 1874 - 1877. 21 dln.

J. Laurentius Lucensis: Polymathia: sive variae antiquae eruditionis libri sex. In quibus ritus antiqui [...] explicantur. Lyon (L. Anisson) 1666. KBH 187 B 6.

H. Lausberg: Handbuch der literarischen Rhetorik. Eine Grundlegung der Literaturwissenschaft. Tweede verm. druk. München 1973. 2 dln.

P. Lauter (ed.): Theories of comedy. Garden city (N.Y.) 1964. (Anchor books A 403).

R. Lebègue: Le théâtre comique en France de Pathelin à Mélite. Parijs 1972. (Connaissance des lettres 62).

P. Leendertz jr.: Bibliographie der werken van P.C. Hooft. ’s-Gravenhage 1931. (Bijdragen tot eene Nederlandsche bibliographie 5).

A. Leerintveld: ‘Een bijzonder exemplaar van Vondels Gebroeders.’ In: W. Abrahamse c.s. (ed.): Kort tijt-verdrijf. Opstellen over Nederlands toneel (vanaf ca. 1550) aangeboden aan Mieke B. Smits-Veldt. Amsterdam 1996, p. 157 - 164.

H.H.J. de Leeuwe: ‘Een politiek gelegenheidsspel van Jan Vos: ‘Ontzet van Koppenhaven.’’ In: De nieuwe taalgids 61 (1968), pag. 192 - 189.

A. Lesky: Geschichte der griechischen Literatur. Bern [etc.] 31971.

A. Lesky: Die tragische Dichtung der Hellenen. Göttingen 31972. (Studienhefte zur Altertumswissenschaft 2).

R. Levin: The multiple plot in English Renaissance drama. Chicago [etc. 1971].

A. Lieffering: De Franse comedie in Den Haag 1749-1793. Diss Utrecht 1999.

K.M. Lindhout: ‘ Frans-classicisme in De bekeerde alchimist: al moet ik nu en dan in u een’ misslag wraaken.’ In: Literatuur 7 (1990), p. 83-90.

K.M. Lindhout:Daar in zal goud zyn, wat men ziet. De alchemistische bronnen voor David Lingelbachs De bekeerde alchimist (1680).’ In: Spiegel der Letteren 32 (1990), p. 309-325.

W.M. Lindsay: The ancient editions of Plautus. Oxford 1904. (St. Andrews University publications 3).

J. Lipsius: Electorum liber 1. In quo, praeter censuras, varii prisci ritus. Antwerpen (Chr. Plantijn) 1580. UBL 766 D 5.

T. Livius: Historiarum quod extat. Ed. J.F. Gronovius. Amsterdam (L. & D. Elzevirius) 1664-1665. 3 dln. UBL 759 E 17-19.

H.E.H. van Loon: Nederlandsche vertalingen naar Molière uit de 17de eeuw. ’s-Gravenhage 1911. Diss. Leiden.

A. van Loven: ‘Joan de Grieck — Onderzoek naar het vaderschap over zijn werken.’ In: Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde. Gent 1928

L.R.: Zedig en dicht-lievend onderzoek op Aran en Titus, of wraak en weerwraak, treurspel; berymt door Jan Vos. Amsterdam (Joannes Oosterwyk) 1719. UBL 1095 D 633

M.A. Lucanus: Pharsalia sive de bello civili Caesaris et Pompeji libri X. Amsterdam (Ioannes Blaeu) 1643. UBL 755 G 28.

T. Lucretius Carus: De rerum natura libri VI. [Cum praefat. P. Candidi]. Florence (Ph. Giunta) 1512. UBL 715 F 1.

T. Lucretius Carus: De rerum natura libri sex. Ed. Tan. Faber. Saumur (Ioannes Lenerius) 1662. UBL 957 D 21.




A.T. Macrobius: Opera. Ed. I.I. Pontanus. Leiden (Johannes Maire) 1628. UBL 764 E 3.

A. Madirus: Pisander Bombylius. Dialogus iocularis, per actus in modum comoediae distinctus. Antwerpen (J. Grapheus voor J. Steelsius) 1540. KBH 231 G 19.

V. Madius Brixianus en B. Lombardus Veronensis: In Aristotelis librum de poetica communes explanationes: Madii vero in eundem librum propriae annotationes. Eiusdem de ridiculis: et in Horatii librum de arte poetica interpretatio. In fronte praeterea operis apposita est Lombardi in Aristotelis poeticam praefatio. Venetië (Officina Erasmiana Vincentij Valgrisij) 1550. UBL 707 A 8.

[J. Magnon]: Le mariage d’Oroondate et de Statira, ou la conclusion de Casandre. Tragi-comedie. [Leiden (B. en A. Elzevier)] Suivant la copie imprimee a Paris, 1649.

J. Mairet: Chryséide et Arimand. Ed. H.C. Lancaster. Baltimore / Parijs 1925. Reprint New York / Londen 1973.

G.B. Marino: Della lira del cavalier Marino. Parte terza. Divisa in amori, lodi, lagrime, divotioni, & capricci. Venetië (G.B. Ciotti) 1616. UBGr e n 1093.

O. van Marion: ‘Een heldinnenbrief van Helena in het toneelwerk van Jan van Arp.’ In: W. Abrahamse c.s. (ed.): Kort tijt-verdrijf. Opstellen over Nederlands toneel (vanaf ca. 1550) aangeboden aan Mieke B. Smits-Veldt. Amsterdam 1996, p. 165 - 170.

Martialis: [Epigrammata ]. Ed. P. Scriverius. Leiden (Ioannes Maire) 1629. KBH 758 K 3.

T. ter Meer: ‘Huygens gestrand als tragediedichter.’ In: W. Abrahamse c.s. (ed.): Kort tijt-verdrijf. Opstellen over Nederlands toneel (vanaf ca. 1550) aangeboden aan Mieke B. Smits-Veldt. Amsterdam 1996, p. 59 - 64.

C.G. Meerhoff: Rhétorique et poétique au XVIe siècle en France, Du Bellay, Ramus et les autres. Leiden 1986. Diss. V.U. Amsterdam.

H. Meeus: ‘Het eerste prozastuk op de Amsterdamse schouwburg gespeeld?’ In: De nieuwe taalgids 73 (1980), pag. 181.

H. Meeus: Repertorium van het ernstige drama in de Nederlanden 1600 - 1650. Met inleiding van L. Rens. Leuven 1983. (Leuvense studiën en tekstuitgaven, N.R. 4).

F.Z. Mehler: ‘Een 17de-eeuwsche letterdief’. In: Nederland. Verzameling van oorspronkelijke bijdragen door Nederlandsche letterkundigen (1891), tweede deel, pag. 79 - 107.

M. Meijer Drees: ‘Beeldvorming en lering in de Spaanschen Brabander.’ In: W. Abrahamse c.s. (ed.): Kort tijt-verdrijf. Opstellen over Nederlands toneel (vanaf ca. 1550) aangeboden aan Mieke B. Smits-Veldt. Amsterdam 1996, p. 87 - 93.

J.V. Meininger en G. van Suchtelen: Liever met wercken, als met woorden. De levensreis van doctor Franciscus van den Enden, leermeester van Spinoza, complotteur tegen Lodewijk de Veertiende. Weesp 1980.

K.O. Meinsma: Spinoza en zijn kring. Historisch-kritische studiën over Hollandsche vrijgeesten. ’s-Gravenhage 1896.

Menander: Reliquiae selectae. Ed. F.H. Sandbach. Oxford 1972. (Scriptorum classicorum bibliotheca oxoniensis 39).

J. de la Mesnardière: La poëtique. Parijs (A. de Sommaville) 1640 [= 1639]. KBH 138 D 12.

A. le Métel, sieur d’Ouville: L’esprit folet. Comédie. Parijs (T. Quinet) 1642. BNF Yf. 643.

J.H. Meter: ‘Bredero e la "libertà poetica".’ In: Studi nederlandesi, studi nordici. Annali dell’ Istituto Universitario Orientale di Napoli 25 (1982), pag. 15 - 187.

J.H. Meter: ‘Amplificatietechnieken in Bredero’s Moortje.’ In: Spektator 14 (1984 - 1985), pag. 270-279.

J.H. Meter: De literaire theorieën van Daniël Heinsius. Een studie over de klassieke en humanistische bronnen van De tragoediae constitutione en andere tractaten. Amsterdam [etc.] 1975. Diss. Utrecht.

J.H. Meter: The literary theories of Daniel Heinsius. A study of the development and background of his views on literary theory and criticism during the period from 1602 to 1612. Assen 1984. (Respublica literaria Neerlandica 6).

L. Meyer: Disputatio medica inauguralis de calido nativo. Leiden (F. Hackius) 1660. UBL 236 A 1446.

L. Meyer: Disputatio philosophica inauguralis, de materia. Leiden (F. Hackius) 1660. UBL 236 A 1445.

L. Meyer: Disputationum medicarum secunda, de chyli à foecibus alvinis secretione. Leiden (J. Elsevirius) 1659. UBL 236 A 1616.

L. Meyer: La philosophie interprète de l’écriture Sainte. Ed. J. Lagrée en P.-F. Moreau. Précédée de Louis Meyer et Spinoza. Parijs 1988.

L. Meyer: Verloofde koninksbruidt. Ed. Werkgroep van Utrechtse neerlandici. Utrecht 1978. (Ruyg Bewerp 7).

L. Meyer: Nederlandtsche woorden-schat, waar in meest alle de basterdt-woorden, uyt P.C. Hóófdt [...] en andere voortreffelijke taelkundighe [...] vertaalt worden. Amsterdam (T. Fonteyn) 1654. KBH 3175 G 29.

L. Meyer: Woordenschat, in drie deelen ghescheiden. Amsterdam (Wed. van J.H. Boom) 1669. KBH 1016 F 50.

M. Meijer Drees: De treurspelen van Thomas Asselijn (ca. 1620 - 1701). Enschede 1989. Diss. Utrecht.

P. Minderaa: ‘Antonides’ satire Marsyas.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde 81 (1965), pag. 241-260.

A.S. Minturno: De poeta, ad Hectorem Pignatellum, Vibonensium ducem, libri sex. Venetië (Fr. Rampazetus) 1559. KBH 761 D 16.

A.S. Minturno: L’arte poetica. Venetië (G.A. Valvassori) 1563. KBH 764 D 26.

J.V. Mirollo: The poet of the marvelous. Giambattista Marino. New York etc. 1963.

P.H. van Moerkerken: Het Nederlandsch kluchtspel in de 17de eeuw. Sneek 1899. 2 dln.

J.B.P. de Molière: Théâtre complet. Ed. R. Jouanny. Parijs [1962]. 2 dln. (Classiques Garnier).

P. von Moos: ‘Poeta und Historicus im Mittelalter.’ In: Beiträge zur Geschichte der deutschen Sprache und Literatur 98 (1976), pag. 93 - 130.

J. Mosantus Briosius: Epistolae. Caen (Ioannes Cavelier) 1670. UBL 692 D 18.

A. van Mourik: ‘Van Trazil naar Nil.’ In: De nieuwe taalgids 70 (1977), pag. 485 - 499.

A. van Mourik: ‘Literair-theoretische bespiegelingen over de spelen met kunst- en vliegwerken.’ In: De nieuwe taalgids 61 (1968), pag. 89 - 97.




Naamrol van alle de bekende, zo oude, als hedendaagsche, Nederduitsche, gedrukte, tooneelspeelen. Amsterdam (H. Bosch) 1720. KBH 8 H 63 : 1.

Vervolg van de naam-rol, van alle de bekende, zo oude, als hedendaagsche, Nederduitsche, gedrukte, tooneelspeelen. Amsterdam (H. Bosch) 1723. KBH 8 H 63 : 2.

Naam-rol der tooneelspellen, behoorende onder de privilegie van den Amsterdamschen Schouwburg; benevens de naamen der dichteren van de genoemde tooneelspellen. Amsterdam (J. Helders) 1782. KBH 760 H 9.

Naemrol der Nederduitsche tooneelspellen, bijeen verzameld en nagelaeten door [...] Johan vander Marck, Ae.z. [...] Met de prijzen, waervoor dezelve verkocht zijn, door K. en P. Delfos, Jun. en C. v. Hoogeveen, Jun. Op den 28 April 1774. en volgende dagen. Leiden (C. van Hoogeveen Junior) 1774. UBL 1087 C 4.

F. Nietzsche: Die Geburt der Tragödie aus dem Geiste der Musik. Leipzig 1872.

Nil Volentibus Arduum: Antwoordt op het voor- en nabericht, by de Antigone gevoegt door N.N. en E.B.I.S.K.A. Amsterdam (A. van Gaasbeek) 1670. KBH 504 B 92. Dongelmans 14.

Nil Volentibus Arduum: Naauwkeurig onderwys in de tooneel-poëzy, en eenige andere deelen der kunst, zo wel van de oude als hedendaagsche dichters. Leiden (C. van Hoogeveen) 1765. KBH 3021 E 40. Dongelmans 87.

Nil Volentibus Arduum: Verhandelingen van der letteren affinitas of verwantschap: van het gebruik der accentus of toonen in de Nederduitsche vaerzen: en van de metaplasmus of woordvervorming. Amsterdam (Wed. G. onder de Linden) 1728. Dongelmans 114.

M. de Nood: Gysbreght op de planken. Theatervormgeving 1638-1988.

J. van der Noot: De "Poeticsche werken". Ed. W. Waterschoot. Gent 1975, 3 dln.




E. Oey - de Vita & M. Geesink: Academie en Schouwburg; Amsterdams toneelrepertoire 1617 - 1665. Amsterdam 1983.

E. Olson: The theory of comedy. Bloomington [etc. 1968].

P. Ovidius Naso: Opera. Ed. D. Marius. Frankfurt (Claudius Marnius en erven van Joannes Aubrius) 1601. 3 delen. UBL 724 A 5 - 6.

P. Ovidius Naso: Operum tomus II qui Metamorphoses complectitur editio nova. Ed. N. Heinsius Dan. F. Amsterdam (Ex off. Elzeviriana) 1659. KBH 235 E 17.

P. Ovidius Naso: Metamorphoses. Ed. W.S. Anderson. Leipzig 1977. (Bibliotheca scriptorum Graecorum et Romanorum Teubneriana).

P. Ovidius Naso: Herscheppinge. Vert. door J. van den Vondel. Amsterdam (D. Bakkamude voor wed. A. de Wees) 1671. KBH 759 E 6.

P. Ovidius Naso: Der Brief der Sappho an Phaon. Ed. H. Dörrie. München 1975.




H. Paalman e.a.: Leven en werk van Christoffel Pierson (1631-1714). Den kloeken rijmer en konstrijken schilder. Gouda en Schiedam (Stedelijke Musea) 1987.

A.J. Parrhasius Consentinus: In Q. Horatii Flacci artem poeticam commentaria. Napels (J. Sultzbachius) 1531. BNF Yc. 3807.

A.J. Parrhasius Consentinus: Liber de rebus per epistolam quaesitis. Lyon (H. Stephanus) 1567. KBH 1710 F 23.

A.J. Parrhasius Consentinus: Quaesita per epistolam. Ex recensione Henrici Stephani. Cum autoris vita ab Xav. Matthaei. Napels (Fratres Simonii) 1771. UBL 691 D 5.

E.J. Pellet: A forgotten French dramatist. Gabriel Gilbert (1620? - 1680?). Baltimore en Parijs 1931

A. Pels: Q. Horatius Flaccus Dichtkunst, op onze tyden, én zéden gepast. Amsterdam (J. Bouman) 1677. KBH 761 D 30. Dongelmans 54, opm. 3.

A. Pels: Q. Horatius Flaccus Dichtkunst, op onze tijden en zeden gepast. Ed. M.A. Schenkeveld - van der Dussen. Assen 1973. (Van Gorcum’s literaire bibliotheek 23).

A. Pels: Gebruik én misbruik des tooneels. Amsterdam (A. Magnus voor Nil Volentibus Arduum) 1681. KBH 835 H 36. Dongelmans 34.

A. Pels: Gebruik én misbruik des tooneels. Ed. M.A. Schenkeveld - van der Dussen. Culemborg 1978. (Teksten en studies uit de Nederlandse letterkunde).

A. Pels: Minne-liederen én méngelzangen. Amsterdam (Albert Magnus voor Nil Volentibus Arduum) 1684. KBH 863 F 41. Dongelmans 91.

G. Penon: Bijdragen tot de geschiedenis der Nederlandsche letterkunde. Groningen 1880 - 1884. 3 dln.

Petronius Arbiter: Petronii Arbitri Massiliensis satyrici fragmenta, restituta et aucta, e bibliotheca Iohannis Sambuci. Antwerpen (C. Plantijn) 1565. KBH 1705 E 42.

Marion Peters: ‘Nepotisme, patronage en boekopdrachten bij Nicolaes Witsen (1614-1717), burgemeester van Amsterdam.’ In: Lias, 25 (1998) 1, p. 83-134.

Fr. P. Philippus: Ecphrasis in Horatii Flacce artem poeticam. Venetië (Aldi Filii) 1546. BL 77.b.22.

M.A. Plautus: Comoediae XX. iam denuo diligentius recognitae. [Ed. G. Langolius]. Restituta in mensum suum non pauca carmina à nemine hactenus animadversa. Keulen (Joannes Gymnicus I) 1530. KBH 1084 D 20.

M.A. Plautus: Comoediae XX. Post omnes omnium aeditiones accuratissimi recognata. Ed. G. Longolius. Keulen (Joannes Gymnicus I) 1538. UBL 683 E 3.

M.A. Plautus: Comoediae XX. diligente cura, & singulari studio Ioachimi Camerarii Pabeperg. [sic] emendatius nunc quàm antè unquam ab ulli, editae: adiectis etiam eiusdem ad singulas comoedias argumentis & annotationibus. Basel (Ioannes Hervagius) [1552?]. UBU Donum Plaut. 20.

M.A. Plautus: Comoediae viginti, olim a Joachimo Camerario emendatae: nunc vero plus quàm cc. versibus, qui passim desiderebantur, ex veteris codicis additis, suo quodammodo nitori restitutae; opera et diligentia Joannes Sambuci Tirnaviensis Pannonii. Antwerpen (Chr. Plantijn) 1566. KBH 1702 G 90.

M.A. Plautus: Comoediae facilè principis Fabulae superstites XX. Ex recensione Dousica. Leiden (Ex officina Plantiniana apud Franciscum Raphelengium) 1589. UBL 755 G 18.

M.A. Plautus: Fabulae XX. superstites. Cum novo et luculento commentario doctorum virorum, operâ Friderici Taubmani. [Wittenberg] (Z. Schurerus) [1605]. UBL 759 C 14.

M.A. Plautus: Comoediae XX. superstites. Studio et industria F. Taubmanni. [Wittenberg] (Zacharias Schurerus) 1612. KBH 760 D 3.

M.A. Plautus: Comoediae ex recognitione Jani Gruteri; accedunt commentarij Friderici Taubmanni auctiores. [Wittenberg] (Zacharias Schurerus) 1621. KBH 393 C 21.

M.A. Plautus: Comoediae superstites XX. Ad doctissimorum virorum editiones repraesentatae. Ex museo I.I. Pontani. Amsterdam (J. Ianssonius) 1630. UBU *OCT u 83.

M.A. Plautus: Comoediae. Ed. M.Z. Boxhornius. Leiden (F. Hackius) 1645. KBH 480 J 10.

M.A. Plautus: Comoediae. Ed. J.F. Gronovius. Leiden (Ex off. Hackiana) 1664. KBH 760 H 1.

M.A. Plautus: Comoediae. Ed. J.F. Gronovius. Leiden en Rotterdam (Ex off. Hackiana) 1669. KBH 3016 G 34.

M.A. Plautus: Amphitruo. Ed. W.B. Sedgwick. Manchester 1960.

M.A. Plautus: Menaechmi. Ed. Iacobus Chrysus Suollanus. [Zwolle, S. Corver, ca. 1519]. KBH 151 D 334.

M.A. Plautus: Menaechmi. Comoedia facetissima annotationibus Dionysii Lambini illustrata. Salamanca (J. Pulmannus) 1583 [= 1581?]. UBL 181 G 22.

M.A. Plautus: De tweeling van Plautus. Twee zeventiende-eeuwse Plautus-bewerkingen. Ed. B.F.W. Beenen, A.J.E. Harmsen, B.C. Damsteegt. Utrecht 1985. (Publikaties van de Vakgroep Nederlandse taal- en letterkunde 14).

M.A. Plautus: Rudens. Ed. F. Marx. Amsterdam 1959.

M.A. Plautus: Scenae suppositiciae oder der falsche Plautus. Ed. L. Braun. Göttingen 1980. (Hypomnemata H 64).

Plutarchus: Omnium quae exstant operum tomus primus, continens vitas parallelas. Cum Latina interpretatione Cruserii, & Xylandri: et doctorum virorum notis. Parijs (Typis Regiis, apud Societatem Graecarum Editionum) 1624. KBH 188 A 11.

Plutarchus: Omnium quae exstant operum tomus secundus, continens moralia. Gulielmo Xylandro interprete. Parijs (Typis Regiis, apud Societatem Graecarum Editionum) 1624. KBH 188 A 12.

Plutarchus: T’leven der doorluchtige Griecken ende Romeynen. Uit de Franse vert. van J. Amyot vert. door A.V.Z.V.N. [= A. van Zuylen van Nyevelt]. Bez. door S.G.S. [= S. Goulart]. Leiden (J.P. Jacobsz. en J. Bouwensz.) 1603. UBL 474 A 17.

Plutarchus: T’leven der doorluchtige Griecken ende Romeynen. Uit de Franse vert. van J. Amyot vert. door A.V.Z.V.N. [= A. van Zuylen van Nyevelt]. Bez. door S.G.S. [= S. Goulart]. Delft (A.G. van Beyeren en F. van Sambix) 1644. UBL 1171 A 1.

Plutarchus: T’leven der doorluchtige Griecken ende Romeynen. Uit de Franse vert. van J. Amyot vert. door A.V.Z.V.N. [= A. van Zuylen van Nyevelt]. Bez. door S.G.S. [= S. Goulart]. Delft (A.G. van Beyeren en F. van Sambix) Utrecht (D. van Hogenhuysen) 1644. KBH 3193 B 5.

W. Pökel: Philologisches Schriftsteller-Lexicon. Leipzig 1882.

Pomponius Porphyrio: Commentarius in Q. Horatium Flaccum. Ed. G. Meyer. Leipzig 1884.

K. Porteman: ‘‘Van de twee sandaarden.’ Een Brussels jezuÏetenspel uit 1640.’ In: W. Abrahamse c.s. (ed.): Kort tijt-verdrijf. Opstellen over Nederlands toneel (vanaf ca. 1550) aangeboden aan Mieke B. Smits-Veldt. Amsterdam 1996, p. 141 - 148.

S. Prete: ‘Camerarius on Plautus.’ In: Joachim Camerarius (1500 - 1574). Beiträge zur Geschichte des Humanismus im Zeitalter der Reformation. Ed. F. Baron. München 1978. (Humanistische Bibliothek. Reihe 1, Abhandlungen 24), pag. 223-230.

G. Proot: ‘Toneelprogramma’s in het JezuÏetenhuis te Heverlee.’ In: Archives et bibliothèques de Belgique 68 (1997), p. 313 - 355.




Ph. Quinault: Agrippa roy d’Albe, ou le faux Tiberinus. Parijs 1661. UBL 733 F 43.

Ph. Quinault: La mere coquette ou les amans brouillés. Comedie. Suivant la Copie imprimée à Paris. [Parijs 1784]. KBH 847 A 130:2.

Ph. Quinault: Théâtre choisi. Nouv. éd. Ed. V. Fournel. Parijs 1882.

M.F. Quintilianus: Institutionum oratoriarum libri duodecim. Leiden en Rotterdam (Ex off. Hackiana) 1665. KBH 479 G 13.




B.A.M. Ramakers: ‘Een onafscheidelijk stel. ‘Rhetorica en Scriptura in het rederijkerstoneel.’ In: W. Abrahamse c.s. (ed.): Kort tijt-verdrijf. Opstellen over Nederlands toneel (vanaf ca. 1550) aangeboden aan Mieke B. Smits-Veldt. Amsterdam 1996, p. 7 - 13.

K. von Reinhardstoettner: Plautus. Spätere Bearbeitungen plautinischer Lustspiele. Ein Beitrag zur vergleichenden Litteraturgeschichte. Leipzig 1886. (Die klassischen Schriftsteller des Altertums in ihrem Einflusse auf die späteren Litteraturen 1).

F. Ritschl: ‘Ueber die Kritik des Plautus; eine bibliografische Untersuchung: I. Handschriften, II. Ausgaben.’ In: Opuscula philologica 2. (Leipzig 1868), pag. 1 - 165. Ook verschenen in: Rheinisches Museum 4 (1836), pag. 153 - 216, 485 - 570.

F. Robortellus Utinensis: In librum Aristotelis De arte poetica explicationes. [Accedit:] Id.: Paraphrasis in librum Horatii, qui vulgo De arte poetica ad Pisones inscribitur. Eiusdem explicationes de satyra, de epigrammate, de comoedia, de salibus, de elegia. Florence ( Laurentius Torrentinus) 1548. KBH 761 A 9.

D. Romano: Essai sur le comique de Molière. Bern 1950. (Studiorum Romanicorum Collectio Turicensis 4).

N. Rossi: Discorsi intorno alla tragedia. All’illustrissimo Signor Tomaso Contarini Podestà di Vicenza. Vicenza (Giorgio Greco) 1590. BL 1175 a 801.

E. Rotermund: Affekt und Artistik. Studien zur Leidenschaftsdarstellung und zum Argumentationsverfahren bei Hoffmann von Hofmannswaldau. München 1972.

J. de Rotrou: Les Ménechmes. Comédie. Parijs (A. de Sommaville) 1636. UBA 1942 F 11.

J. de Rotrou: Les Sosies, comédie. Parijs (A. de Sommaville) 1638. BNF Yf. 656.

P. Rutilius Lupus: De figuris sententiarum et elocutionis libri duo. Accedunt Aquilae Romanae et Julii Rufiniani de eodem argumento libri. Ed. D. Ruhnkenius. Leiden (S. en J. Luchtmans) 1768. KBH 479 F 41.

P. Rutilius Lupus: De figuris sententiarum et elocutionis. Ed. E. Brooks. Leiden 1970.




J.E. Sandys: A history of classical scolarship. Reprint. New York [etc.] 1967. 3 dln. Herdr. van de ed. Cambridge 1906-1908.

A.S. Sannazarius: Opera omnia. Haec quarta editio ab innumeris (quibus aliae scatebant) mendis expurgata est. Amsterdam (Joannes Schulperoort) 1648. KBH 850 D 27.

J. Sartorius: Adagiorum chiliades III. In Batavicum sermonem proprie ac eleganter convertit, et brevi ac perspicua interpretatione illustravit. Antwerpen (ex off. J. Loei) 1561. UBL 1201 E 31.

J. Sartorius: Adagiorum chiliades tres, sive Sententiae proverbiales Graecae, Latinae & Belgicae. Ed. C. Schrevelius. Amsterdam (J. Ravesteinium) 1670. KBH 187 N 17.

J.C. Scaliger: Poetices libri septem: I, Historicus. II, Hyle. III, Idea. IIII, Parasceue. V, Criticus. VI, Hypercriticus. VII, Epinomis, ad Sylvium Filium. Lyon (A. Vincentius) 1561. UBL 427 B 13.

J.J. Scaliger: Opus de emendatione temporum. Hac postrema editione, ex auctoris ipsius manuscripto, emendatius, magnáque accessione auctius. Genève (Roverus) 1629. KBH 2146 D 9.

P. Scarron: Les oeuvres. Amsterdam (R. & G. Wetstein) 1712 - 1717. KBH 189 M 11.

M.A. Schenkeveld - van der Dussen: ‘Snede, rust en enjambement bij Huydecoper en Pels.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde 85 (1969), pag. 120-133.

M.A. Schenkeveld - van der Dussen: ‘Witte-broots Kinderen van Pieter Godewyck.’ In: W. Abrahamse c.s. (ed.): Kort tijt-verdrijf. Opstellen over Nederlands toneel (vanaf ca. 1550) aangeboden aan Mieke B. Smits-Veldt. Amsterdam 1996, p. 171 - 177.

J. Scherer: La dramaturgie classique en France. Parijs [1950].

A.C. Schuytvlot: Catalogus van werken van en over Vondel gedrukt vóór 1801 en aanwezig in de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam. Nieuwkoop 1987.

G.L. Schmeling en J. H. Stuckey: A bibliography of Petronius. Leiden 1977. (Mnemosyne, Bibliotheca Classica Batava Supplementum 39).

Schouwburg nieuws, of merkwaardige berichten; wegens de inhoud der fraaiste en deftigste treur- bly- als kluchtspelen, die op de Amsterdamse Schouwburg gespeeld worden. Amsterdam 1764-1765. 2 dln. KBH 3037 G 38 - 39.

P.R. Sellin: Daniel Heinsius and Stuart England. With a short-title checklist of the works of Daniel Heinsius. Leiden [etc.] 1968. (Publications of the Sir Thomas Browne Institute, Leiden. General series 3).

I.F. Senault: De l’usage des passions. Parijs (Veuve J. Camusat) 1641. UBL 546 E 17.

L.A. Seneca: Opera omnia. M.A. Seneca Rhetoris Quae exstant. Bez. en geannot. door J.F. Gronovius. Amsterdam (L. & D. Elzevirius) 1658-1659. 4 dln. KBH 235 F 32.

L.A. Seneca: Epistulae morales. Ed. L.D. Reynolds. Oxonii 1965. 2 dln. (Scriptorum classicorum bibliotheca Oxoniensis).

L.A. Seneca: L.A. Senecae et aliorum tragoediae. Serio emendatae. Cum Iosephi Scaligeri, nunc primum ex autographo auctoris editis, & Danielis Heinsii animadversionibus & notis. Leiden (Henricus ab Haestens voor Iohannes Orlers, And. Cloucq, & Iohannes Maire) 1611. UBL 756 G 23.

L.A. Seneca: Tragoediae. Ed. J.F. Gronovius. Leiden (Ex off. Elzeviriana) 1661. UBL 756 G 27.

L.A. Seneca: Medea. Ed. C.D.N. Costa. Oxford 1973.

M. Servius Honoratus Grammaticus: [Commentarius in Vergilium]. [Straatsburg (J. Mentebin) ca. 1470]. UBL 1367 A 2.

M. Servius Honoratus Grammaticus: Qui feruntur in Vergilii carmina commentarii. Ed. G. Thilo, H. Hagen. Leipzig 1881 - 1902. 3 dln.

Ph. Sidney: A defence of poetry. Ed. J.A. van Dorsten. Repr., with corr. Oxford 1973.

W.A.P. Smit: ‘De ‘exitus infelix’ in de tragedie. ’ In: De Nieuwe Taalgids 78 (1985), p. 273-274.

W.A.P. Smit: Kalliope in de Nederlanden. Het Renaissancistisch-klassicistische epos van 1550 tot 1850. Assen [etc.] 1975. 2 dln. (Neerlandica Traiectina).

W.A.P. Smit: Van Pascha tot Noah. Een verkenning van Vondels drama’s naar continuÏteit en ontwikkeling in hun grondmotief en structuur. Culemborg 1956 - 1962. 3 dln. (Zwolse reeks van taal- en letterkundige studies 5).

W.A.P. Smit: Twaalf studies. Zwolle 1968. (Zwolse reeks van taal- en letterkundige studies 29).

M.B. Smits-Veld en G. Teusink: Conventies in de mise-en-scène op het toneel van Van Campen (1637-1665). Een onderzoek naar de voorstelling van de ‘gespeelde ruimte’. Amsterdam 1978.

M.B. Smits-Veldt: ‘Vondel en de Schouwburg van Jacob van Campen. ’ In: Visies op Vondel na 300 jaar. Red. S.F. Witstein en E.K. Grootes. ’s-Gravenhage 1979, p. 247 - 269.

M.B. Smits-Veldt: Samuel Coster, ethicus-didacticus. Een onderzoek naar dramatische opzet en morele instructie van Ithys, Polyxena en Iphigeneia. Groningen 1986. Diss. Univ. van Amsterdam.

M.B. Smits-Veldt: ‘La Bible et le théâtre aux Pays Bas. ’ In: Le Grand Siècle et la Bible. Parijs 1989, p. 405 - 503.

M.B. Smits-Veldt: ‘Le théâtre hollandais chez Vondel. ’ In: Le Grand Siècle et la Bible. Parijs 1989, p. 563 - 580.

M.B. Smits-Veldt: Het Nederlandse Renaissancetoneel. Utrecht 1991.

M.B. Smits-Veldt: ‘‘‘Waer in ons daden, boven de Romeynsche zijn te prijsen’’: rederijkers dragen bij aan het Hollands zelfbewustzijn. ’ In: Spektator 21 (1992), p. 83 - 100.

M.B. Smits-Veldt: ‘21 mei 1658: Jan Baptist van Fornenbergh koopt een huis en een erf aan de Denneweg in Den Haag om in de tuin een theater te bouwen. ’ In: Een theatergeschiedenis der Nederlanden: tien eeuwen drama en theater in Nederland en Vlaanderen. Onder hoofdred. van R.L. Erenstein; red. D. Coigneau ... [et al.]. Amsterdam, 1996, p. 242 - 249.

M.B. Smits-Veldt: ‘De Isabella van Hooft en Coster: modern of modieus?’ In: ‘t Ondersoeck leert. Studies over middeleeuwse en 17de-eeuwse literatuur ter nagedachtenis van Prof. dr. L. Rens. Ed. G. van Eemeren, F. Willaert. Leuven 1986, pag. 233-244.

M.B. Smits-Veldt: ‘Menenius Agrippa op het rederijkerstoneel in Vlaardigen en Amsterdam.’ In: Liber amicorum Kåre Langvik-Johannessen. Leuven, 1989, p. 185 - 197.

M.B. Smits-Veldt: ‘17 juni 1660: de zuster van de Engelse koning Karel II houdt een intocht in Amsterdam. Daarbij wekt een ‘tableau vivant’ van Jan Vos haar afschuw. Dichters als maatschappelijke en politieke commentatoren. ’ In: Nederlandse literatuur, een geschiedenis. Hoofdred. M.A. Schenkeveld - van der Dussen. Groningen 1993, p. 265 - 270.

[Sopater]: In Aphthonii Progymnasmata commentarii innominati autoris, Syriani Sopatri, Marcelli commentarii in Hermogenes Rhetorica. Venetië (Aldus) 1509. KBH 228 D 6.

Sophocles: Tragoediae septem. Unà cum omnibus Graecis scholiis, & Latina Viti Wisinsemij ad verbum interpretatione. [Parijs] (P. Stephanus) 1603. KBH 760 D 91.

Sophocles: Ajax lorarius, stylo tragico à Josepho Scaligero Iulii F. translatus. Eiusdem epigrammata. [Heidelberg] (in bibliopolio Commeliniano) 1621. KBH 766 G 52.

Sophocles: Tragoediae VII. Unà cum omnibus Graecis scholiis ad calcem adnexis, Editio postrema. Cambridge (J. Field, voor E. Beechinoe [in andere exemplaren voor Jonas Hars]) 1669.

Sophocles: The plays. Ed. R.C Jebb. Vol. 7. The Ajax. [2nd ed.]. (Cambridge 1907).

M. Spies: ‘Het epos in de 17e eeuw in Nederland.’ In: Spektator 7 (1977 - 1978), pag. 379 - 411 en 562 - 594.

M. Spies: ‘Jan Thönisz, stadsbode te Amsterdam, ‘Hue mennich mensch suect thuys van vreeden.’’ In: W. Abrahamse c.s. (ed.): Kort tijt-verdrijf. Opstellen over Nederlands toneel (vanaf ca. 1550) aangeboden aan Mieke B. Smits-Veldt. Amsterdam 1996, p. 1 - 6.

B. de Spinoza: Opera posthuma [Ethica, Politica, De emendatione intellectûs, Epistolae, & ad ea responsiones, Compendium grammatices linguae Hebraeae. [Amsterdam] [J. Rieuwertsz] 1677. KBH 366 C 4.

P.P. Statius: Opera. Ed. J.F. Gronovius. Amsterdam (Typis L. Elzevirii, sumpt. Societatis) 1653.. KBH 224 A 9.

H.J.A.M. Stein: Boileau en Hollande. Essai sur son influence aux XVIIe et XVIIIe siècles. Utrecht 1929. Diss. Amsterdam.

H. Stephanus: Thesaurus Graecae linguae. Parijs 1865.

J.F.M. Sterck: ‘Een door Vondel verbeterde drukproef.’ In: Zesde verslag Vereeniging het Vondel-Museum 1912-1913. Amsterdam 1914, p. 36-48.

R. van Stipriaan: Leugens en vermaak. Boccaccio’s novellen in de kluchtcultuur van de Nederlandse renaissance. Amsterdam 1996. Diss. UVA.

R. van Stipriaan: ‘Hollandse botheid in de Spaanschen Brabander.’ In: W. Abrahamse c.s. (ed.): Kort tijt-verdrijf. Opstellen over Nederlands toneel (vanaf ca. 1550) aangeboden aan Mieke B. Smits-Veldt. Amsterdam 1996, p. 94 - 101.

L. Strengholt: ‘Daniël: Lees: David Lingelbach.’ In: Spiegel der Letteren 17 (1975), pag. 39 - 44.

L. Strengholt: ‘[Boekbespreking van] B. Huydecoper: Arzases of ‘t edelmoedig verraad. Ed. M.A. Schenkeveld - van der Dussen.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde 99 (1983), pag. 161 - 164.

A. van Strien: ‘Inconsequent of inconsistent? Over de interpretatie van Bredero’s Moortje en Hoofts Ariadne.’ In: W. Abrahamse c.s. (ed.): Kort tijt-verdrijf. Opstellen over Nederlands toneel (vanaf ca. 1550) aangeboden aan Mieke B. Smits-Veldt. Amsterdam 1996, p. 73 - 78.

E. Stronks: ‘Een gereformeerd predikant als toneelschrijver. Franciscus Ridderus’ Tafel des Heeren (1660-1666).’ In: W. Abrahamse c.s. (ed.): Kort tijt-verdrijf. Opstellen over Nederlands toneel (vanaf ca. 1550) aangeboden aan Mieke B. Smits-Veldt. Amsterdam 1996, p. 207 - 212.

H.W. Sullivan: Calderón in the German lands and the Low Countries: his reception and influence, 1654-1980. Cambridge [etc.] 1983. (Cambridge Iberian and Latin Americain studies).

J. Sullivan: The Satyricon of Petronius. A literary study. Londen [1968].

W.O. Sypherd: Jephthah and his daughter. A study in comparative literature. Delaware [1948].




T. Tasso: Aminta, favola boscareccia. Amsterdam (D. Elsevier voor T. Jolly te Parijs) 1678. KBH 224 B 4.

P. Terentius Afer: Comoediae sex, tum ex Donati commentariis, tum ex optimorum, praesertim veterum, exemplarium collatione, diligentius quàm unquam antehac, emendatae. Parijs (Robertus Stephanus) 1529. UBL 760 B 1.

P. Terentius Afer: Sex comoediae. Ed. A. Barlandus. Leuven (R. Rescius) 1530. KBH 225 G 28.

P. Terentius Afer: Comoediae n. VI. et in eas: Aelii Donati VC. oratoris urbis Romae. et Eugraphii veteris grammatici commentaria. Ed. F. Lindenbruchius. Parijs (H. Perier, ex off. Plantiniana) 1602. KBH 758 D 27.

P. Terentius Afer: Comoedia sex. Ex recensione Heinsiana: qui autoritate MSS. eas nitori suo nunc demum restituit. Praemissa est ejusdem de Plauto et Terentio dissertatio. Amsterdam (G. Janssonius) 1618. UBL 682 E 16.

P. Terentius Afer: Comoediae sex. Ed. D. Heinsius. Leiden (Ex off. Elzeviriana) 1635. KBH 224 A 22.

P. Terentius Afer: Comoediae sex. Ed. C. Schrevelius. Leiden (F. Hackius) 1657. UBL 181 E 20.

P. Terentius Afer: Comoedia sex. Ed. C. Schrevelius. Leiden en Rotterdam (Ex off. Hackiana) 1669. KBH 758 H 13.

P. Terentius Afer: Comedies. Ed. W.O. Hassall. Bicester [etc.] 1978. (O.M.P. Medieval mss. Bodleian series I, 9).

P. Terentius Afer: Ex P. Terentii comoediis Latinissimi colloquiorum flosculi, ordine selecti: unâ cum eiusdem poetae insignioribus sententiis iam denuo recognitis atque recenti auctario illustratis. Antwerpen (M. Hillenius) 1532. KBH 230 G 2.

P. Terentius Afer: Comedien. Uit het Latijn in het Nederlands vert. door C. van Ghistele. Antwerpen (S. Cock) 1555 [deels 1562 en 1596]. KBH 1704 B 9.

P. Terentius Afer: Comoediae sex. In het Nederlands vert. door H.O. [= H. Oosterhaern]. Rotterdam (S.M. Wagens) 1646. KBH 2110 D 32.

P. Terentius Afer: Comoediae sex. Ed. H. Zwaerdecroon. Rotterdam (Ex off. P. Waesbergii) 1648. KBH 1121 E 75.

P. Terentius Afer: Vulgaria terentii in Theutonicam linguam traducta. Antwerpen (G. Leeu) 1487. MMW 1 E 10.

C.L. Thijssen - Schoute: L. Meyer en diens verhouding tot Descartes en Spinoza. Leiden 1954. (Mededeelingen vanwege het Spinozahuis 11).

C.L. Thijssen - Schoute: Nederlands Cartesianisme. Amsterdam 1954. (Verhandelingen der Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen, Afd. letterkunde, N.R. 9).

C.L. Thijssen - Schoute: Nicolaas Jarichides Wieringa. Een zeventiende-eeuws vertaler van Boccalini, Rabelais, Barclai, Leti e.a., bevattende ook een onderzoek naar de vermaardheid dier schrijvers in Nederland. Assen 1939 (Teksten en studiën 2).

C.L. Thijssen - Schoute: Uit de Republiek der Letteren. Elf studiën op het gebied der ideeëngeschiedenis van de Gouden Eeuw. ’s-Gravenhage 1967 [= 1968].

[A. Tibullus]: Catulli, Tibulli et Propertii opera. Amsterdam (J. Janssonius) 1630. KBH 761 K 33.

J.J.M. Timmers: Christelijke symboliek en iconographie. 3e dr. Haarlem 1978.

D. Traudenius: De Nederduytsche tyd-zifter. Dat is: Kort tractaet van de onderscheydinge ende afdeelinge van den tyd. Zaandam (T. Houthaak te Amsterdam voor H.J. Zoete-Boom) 1648. KBH 503 B 60.

D. Traudenius: Tyd-zifter, dat is, Kort bericht of onderwijs van de onderscheidinge en afdeelinge des tydts. Gecorr. verm dr. Amsterdam (G. van Goedesberg) 1662. UBL 1205 A 14.

A. Turnebus: Adversariorum tomi III. Auctorum loci, qui in his sine certa nota appellabantur, suis locis inserti, auctoribusque suis ascripti sunt. (Editio altera) Argentinae (sumpt. L. Zetzneri) 1599. KBH 252 B 791.




F. Ulivi: L’imitazione nella poetica del Rinascimento. Milano 1959.

J.H.W. Unger: Bibliographie van Vondels werken. Amsterdam 1888. (Bijdragen tot eene Nederlandsche bibliographie 2).




M. van Vaeck: ‘Den noodt van Vlaendren wordt in den hemel (...) verthoont.’ Petronella Keysers’ toneeldialogen gespeeld op de Hemel-waghen’ tijdens ‘de H. Bloedt-feeste der stede van Brugghe’ (1641-1644).’ In: W. Abrahamse c.s. (ed.): Kort tijt-verdrijf. Opstellen over Nederlands toneel (vanaf ca. 1550) aangeboden aan Mieke B. Smits-Veldt. Amsterdam 1996, p. 149 - 156.

Valerius Maximus: Dictorum factorumque memorabilium libri IX. Ed. J. Lipsius. Amsterdam (J. Janssonius) 1647. KBH 234 M 17.

Valerius Maximus: [Dictorum factorumque memorabilium libri IX]. Bez. door A. Thysius. Leiden (ap. F. Hackium) 1651. KBH 545 H 39.

E. Vander Straeten: Le théâtre villageois en Flandre. Histoire, littérature, musique, religion politique, moeurs. 2 dln. Brussel etc. 1874 - 1880.

C. Varese: Traiano Boccalini. Padua 1958.

D. Veegens: Historische studiën. ’s-Gravenhage 1884. 2 delen.

H. van der Veen: Het leven en werk van Abraham Louis Barbaz 1770-1833. Hippolytushoef 2016.
J. vander Veen: Zinne-beelden, oft Adams appel. Amsterdam (E. Cloppenburgh) 1642. KBH 10 J 1.

F. Veenstra: Bijdrage tot de kennis van de invloeden op Hooft. Assen 1946. Diss. Groningen.

F. Veenstra: ‘P.C. Hooft in de troebelen van het Twaalfjarig Bestand. Waarom hij zijn Baeto in portefeuille hield.’ In: W. Abrahamse c.s. (ed.): Kort tijt-verdrijf. Opstellen over Nederlands toneel (vanaf ca. 1550) aangeboden aan Mieke B. Smits-Veldt. Amsterdam 1996, p. 111 - 118.

C. van der Veer: ‘t Hervormde slag-swaard of geestelyke hane-kraay oover de bedroefde toestand, van onse scheeps-vlood. [Z.pl., z.n., z.j.]. KBH Pamflet 9343.

L. de Vega Carpio: ‘La comedia de la fuerza lastimosa.’ In: Segunda parte de las comedias de Lope de Vega Carpio. Antwerpen (Wed. en erven Pedro Bellero) 1611, pag. 1 - 60. UBL 699 D 11.

A. van der Venne: Tafereel van de belacchende werelt, en des selfs geluckige eeuwe. ’s-Gravenhage (Voor den autheur) 1635. KBH 1350 A 124.

Polydorus Vergilius: De rerum inventoribus libri VIII. Et de prodigiis libri III. Leiden (Franciscus Hegerus) 1644. UBL 313 G 9.

Polydorus Vergilius: Waerachtige beschryvinghe. Inhoudende wie de eerste autheuren en vinders aller consten, inventien, en hantwercken sijn geweest. Uit het Latijn vert. door E.M.G. Amsterdam (A. van den Heuvel) 1663. KBH 28 E 16.

P. Vergilius Maro: [Opera]. Ed. C. Schrevelius. Amsterdam (Abraham Commelinus) 1646. UBL 572 D 1.

B. Vickers: Francis Bacon and Renaissance prose. [London] 1968.

H.J. Vieu-Kuik en J. Smeyers: ‘De letterkunde in de achttiende eeuw in Noord en Zuid.’ In: Geschiedenis van de letterkunde der Nederlanden, deel 6, ’s-Hertogenbosch 1975.

Io. Antonius Viperanus: De poetica libri tres. Antwerpen (Ex officina Christophori Plantini) 1579. KBH 1704 E 10.

M. Vitruvius Pollio: De architectura libri decem. Amsterdam (ap. L. Elzevirium) 1649. KBH 36 G 4.

G. Voetius: Disputatio de comoediis, dat is, twist-redenering van de schou-speelen. Uit het Latijn in het Nederlands vert. door B.S. Amsterdam (A. Roest voor J.A. Star) 1650. UBA 2765 G 12.

J. van den Vondel: De werken, Volledige en geÏllustreerde tekstuitgave in tien deelen. Ed. J.F.M. Sterck, H.W.E. Moller, C.G.N. de Vooys [e.a.] Amsterdam 1927 - 1940. 10 dln. + register. [W.B.-editie.]

J. van den Vondel: Aenleidinge ter Nederduitsche dichtkunste. Ed. Werkgroep van Utrechtse Neerlandici. Utrecht 1977. (Ruygh-Bewerp 6).

J. van den Vondel: Bespiegelingen van Godt en Godtsdienst. Amsterdam (Wed. A. de Wees) 1662. KBH 863 E 551.

J. van den Vondel: Poëzy of verscheide gedichten, op een nieu by een vergadert, en met veele ook voorheen nooit gedrukte dichten vermeerdert: mitsgaders een aanleidinge ter Nederduitsche dichtkunste en het
leven des dichters [door G. Brandt]. Franeker (L. Strik) 1682. 2 dln. KBH 759 E 1.

J. van den Vondel: Tooneelschilt of Pleitrede voor het tooneelrecht. Amsterdam, Wed. Abraham (I) de Wees, 1661. UBL 1496 F 28.

J. van den Vondel: Twee zeevaartgedichten. Ed. M. Spies. Amsterdam etc. 1987. 2 delen.

J. van den Vondel: Verhael van de verwoestinge des Stadts Troje. Uyt het tweede, en ten deele uyt het eerste Boeck van Virgilius. Voorgestelt, en door levende afbeeldinge verthoont by eenige Amsterdamsche Studenten, onder het beleyt van D. Franciscus van den Enden. Amsterdam (P. la Burgh) 1654. UBA Vondelmuseum.

J. van den Vondel: Vondelbrieven. Ed. J.F.M. Sterck. Amsterdam 1935.

J. Vos: Alle de gedichten. Verzamelt en uitgegeven door J.L. Twee delen. Amsterdam (Jacob Lescailje) 1662 - 1671. KBH 1232 N 29.

J. Vos: Toneelwerken. Aran en Titus, Oene, Medea. Ed. W.J.C. Buitendijk. Assen [etc.] 1975. (Van Gorcum’s literaire bibliotheek 28).

J. Vos: Inwyding van de Schouwburg t’Amsterdam. Amsterdam (J. Lescailje) 1665. UBL 1095 D 636.

J. Vos: Scheepskroon der zeehelden van de vrye Neederlanden. Amsterdam (J. Lescaille) 1661. KBH Pamflet 9313.

G.J. Vossius: De artis poeticae natura, ac constitutione liber. Amsterdam (ap. L. Elzevirium) 1647. KBH 761 D 141.

G.J. Vossius: Commentariorum rhetoricorum, sive Oratoriarum institutionum libri sex. 3e gecorr. verm dr. [eigenlijk vijfde druk]. Leiden (Ex off. J. Maire) KBH 3199 D 32.

G.J. Vossius: Elementa rhetorica, oratoriis eiusdem partitionibus accomodata. Amsterdam (C. Joannis) 1646. UBL 722 G 5.

G.J. Vossius: Elementa rhetorica, dat is beghinselen der redenriik-konst. Vert. door A.L. Kok. Amsterdam (J. Troost) 1648. UBL 1193 F 39.

G.J. Vossius: Etymologicon linguae Latinae. Praefigitur ejusdem de literarum permutatione tractatus. Amsterdam (L. & D. Elzevirius) 1662. KBH 252 A 13.

G.J. Vossius: De historicis Latinis libri tres. Leiden (Ioannes Maire) 1627. UBL 181 D 4.

G.J. Vossius: Poeticarum institutionum, libri tres. Amsterdam (L. Elzevirius) 1647. KBH 761 D 142.

G.J. Vossius: De imitatione cùm oratoriâ, tum praecipuè poeticâ; deque recitatione veterum, liber. Amsterdam (L. Elzevirius) 1647. KBH 761 D 143.

G.J. Vossius: De quatuor artibus popularibus, de philologia, et scientiis mathematicis, cui operi subjungitur, chronologia mathematicorum, libri tres. Amsterdam (I. Blaeu) 1650.

G.J. Vossius: De theologia gentili, et physiologia Christiana, sive de origine ac progressu idololatriae, ad veterum gesta, ac rerum naturam, reductae; deque naturae mirandis, quibus homo adducitur ad Deum [libri IV]. Amsterdam (Ioannes & Cornelius Blaeu) 1641. Reprint New York 1976, 3 dln.

G.J. Vossius: De veterum poetarum temporibus libri duo. Amsterdam (J. Blaeu) 1654. KBH 311 J 25.

W.B. de Vries: ‘Westermeer, Ockenburgh en Soelen, verwijzingen naar het toneel in enkele hofdichten.’ In: W. Abrahamse c.s. (ed.): Kort tijt-verdrijf. Opstellen over Nederlands toneel (vanaf ca. 1550) aangeboden aan Mieke B. Smits-Veldt. Amsterdam 1996, p. 201 - 206.
Continue

C.G. de Waard: ‘Nog eens over Geeraerdt van Velsen.’ In: Van en over P.C. Hooft. Bijdr. van E.F.T. Stakenburg-Mees [e.a.]. Rotterdam 1981, pag. 17-23.

M.J. van der Wal: De taaltheorie van Johannes Kinker. Leiden 1975. (Publikaties van de Vakgroep Nederlandse taal- & letterkunde 5).

T.B.L. Webster: The tragedies of Euripides. Londen 1967.

B. Weinberg: A history of literary criticism in the Italian Renaissance. Chicago 1974; herdr. van de ed. ibid. 1961.

B. Weinberg (ed.): Trattati di poetica e retorica del Cinquecento. Bari 1970 - 1974, 4 delen.

S. Werenfels: Redevoering over de toneelspelen, opgesteld door den wijd beroemden Sam. Werenfels, hoogleeraar in de H. Godgeleerdheid en welspereekendheid te Bazel; uit het Latijn vertaald door Ernst Willem Higt. Waar agter Lof der tooneelpoëzy, door den zelfden. Amsterdam, Yntema en Tiboel, boekverkoopers [ca. 1750?] UBA 330 C 27.
J. Westerbaan: Het eerste (-derde) deel der gedichten. ’s-Gravenhage (J. Tongerloo) 1672. 3 dln. KBH 841 B 14.

C. Westermann: Der Aufbau des Buches Hiob. Ed. J. Kegler. Stuttgart 21977. (Calwer Theologische Monographien Reihe A, Bibelwissenschaft 6).

I. Willichius: Commentaria in artem poeticam Horatii. Straatsburg (Z.dr.) 1539. BL 11385.b.41.

J. te Winkel: Bladzijden uit de geschiedenis der Nederlandsche letterkunde. Haarlem 1882, pag. 98 - 129.

J. te Winkel: De ontwikkelingsgang der Nederlandsche letterkunde. Ongewijzigde herdruk van de 2e dr., Utrecht [enz.] 1973. 7 dln. Oorspr. ed. Haarlem 1922 - 1927.

J. te Winkel: ‘De invloed der Spaansche letterkunde op de Nederlandsche in de zeventiende eeuw.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde 1 (1881), pag. 59 - 114.

J. te Winkel: ‘Vondel en Nil Volentibus Arduum.’ In: Negende verslag [van de] Vereeniging het Vondel-Museum 1918-1919. Amsterdam 1920, pag. 15 - 34.

S.F. Witstein: Funeraire poëzie in de Nederlandse Renaissance. Enkele funeraire gedichten van Heinsius, Hooft, Huygens en Vondel, bezien tegen de achtergrond van de theorie betreffende het genre. Assen 1969. Diss. Utrecht.

S.F. Witstein: Bredero’s ridder Rodderick. Groningen 1975. (De nieuwe taalgids cahiers 4).

S.F. Witstein: ‘Aandacht voor de Aenleidinge.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde 88 (1972), pag. 81 - 106; ook in Id.: Een wettsteen voor de ieught. Groningen, pag. 89 - 110.

J.A. Worp: ‘Sibylle van Griethuizen.’ In: Oud-Holland 3 (1885), pag. 23 - 32.

J.A. Worp: ‘Plautus op ons tooneel’. In: Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde 8 (1888), pag. 81 - 154.

J.A. Worp: Geschiedenis van het drama en van het tooneel in Nederland. Herdr. Rotterdam [c. 1972]. 2 dln. Herdr. van de ed. Groningen 1904 - 1907. 2 dln. De tekst is uitgegeven door de
DBNL

J.A. Worp: Geschiedenis van den Amsterdamschen Schouwburg 1496 - 1772. Uitgegeven met aanvulling tot 1872 door J.F.M. Sterck. Amsterdam 1920.

C.N. Wybrands: Het Amsterdamsche tooneel van 1617 - 1772. Bewerkt naar meerendeels onuitgegeven, authentieke bescheiden. Utrecht 1873.

N. Wijngaards: Jan Harmens Krul. Zijn leven, zijn werk en zijn betekenis. Zwolle 1964. (Zwolse reeks van taal- en letterkundige studies 14).
Continue

J. IJsewijn: ‘Theatrum Belgo-Latinum. Het Neolatijns toneel in de Nederlanden.’ In: Mededelingen van de Koninklijke Academie voor Wetenschappen, letteren en schone kunsten van België. Klasse der letteren 43 (1981), I, p. 69-114.
Continue

W. Zuidema: ‘Jan Zoet.’ In: Oud Holland 23 (1905), pag. 83 - 104 en 175 - 188.

Continue