Joost van den Vondel: Vertroostinge aen Geeraerdt Vossius
Kanonik te Kantelberg, over zijn zoon Dionys.
1633.
Continue

Vertroostinge aen Geeraerdt Vossius
Kanonik te Kantelberg, over zijn zoon Dionys.

Wat treurt ghy, hooghgeleerde Vos,
En fronst het voorhooft van verdriet?
Beny uw soon den hemel niet.
De hemel treckt. ay, laat hem los.
(5) Ay, staack dees ydle tranen wat,
En offer, welgetroost en bly,
Den allerbesten vader vry
Het puick van uwen aartschen schat.
Men klaaght, indien de kiele strandt,
(10) Maar niet, wanneerse rijck gelaên,
Uit den verbolgen Oceaan,
In een behoude haven landt.
Men klaaght, indien de balsem stort,
Om ’t spillen van den dieren reuck:
(15) Maar niet, soo ’t glas bekoomt een breuck;
Als ’t edel nat geborgen wordt.
Hy schut vergeefs sich selven moe,
Wie schutten wil den starcken vliet,
Die van een steile rotse schiet,
(20) Naar haren ruimen boesem toe.
Soo draait de weereldkloot; het sy
De vader ’t liefste kindt beweent:
Of’t kindt op vaders lichaam steent:
De doodt slaat huis noch deur voorby.
(25) De doodt die spaart noch soete jeughdt,
Noch gemelicken ouderdom.
Sy maackt den mont des reedners stom:
En siet geleertheit aan noch deught.
Geluckigh is een vast gemoedt,
(30) Dat in geen blijde weelde smilt,
En stuit, gelijck een taeie schildt,
Den onvermybren tegenspoedt.
Continue