Continue

Uit: Alle de werken van Publ. Ovidius Naso. Het eerste deel. Bestaande in Heldinne-brieven, Minne-dichten, Vrij-konst, Minne-baat. In de Nederlandse taale overgebracht door Abraham Valentyn. Met verklaaringen, en uitleggingen verrijkt, door Lud. Smids M.D. Amsteldam, By Pieter Mortier, Boekverkooper. MDCC [1700].
Gebruikt exemplaar: UBA 1171 J 2.
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.

Continue

[p. 1]

DE
HELDINNE BRIEVEN
VAN
PUBL. OVIDIUS NASO.

EERSTE BRIEF.
INHOUD.


ALs alle de Grieksche Koningen en Vorsten sich ten oorlog vervaardigden, om de geschaakte Helene de Trojaanen gewapenderhand weder af te eischen, socht Ulisses een middel om dien oorlogstocht niet te volgen, en te huis te blijven by Penelope, sijn nieuwsgetroude gemaalin. Veinsde deshalven sich dwaas en uitsinnig te sijn, en bedreef seldsaame buitenspoorigheden. Inwelken hy toch wierde achterhaald en betrapt van Palamedes, wel de snelste en schranderste onder gemelde Vorsten. Sijnde dan gedwongen en genoodsaakt, om nevens de andere Koningen, eenpaarig uit Aulis over te scheepen, en naar Trojen te vertrekken, heeft hij aldaar in ontelbaare gevallen getoond, van wat uivoeringe sijn listen en gevondene aanslagen waaren, wanneer die met kracht en dapperheid waren saamengevoegd. Eindelijk, is Trojen, na een thienjaarig beleg, en verscheidene veldslagen, arglistelijk ingenoomen, in brand gesteeken en verwoest. Maar als Ulisses, met de verdere Leger-hoofden, weder scheep ging om naar Griekenland te keeren, so heeft de gramschap van Minerva (wegens gepleegde kerkschennis op hem gebeeten) sijn schip, door een ysselijke zeestorm van de andere doen verdwaalen. Zedert welken hy thien jaaren van zee tot zee deerelijk heeft gedoold en omgesworven. Ondertusschen kon sijn huisvrouw, de jonge Penelope, geen redenen van dit ongemeen lang wegbijven bij sich selven uitvinden; houdende echter, midden in een veelvoudig aansoek, sich binnen de paalen van een onversetbaare kuisheid. Doch sij schrijft deeze sendbrief aan haaren Ulisses; pogende met allerhande slag van redenen hem naar sijn Koningrijk, het eiland Ithaka, toe te trekken.


PENELOPE AAN ULYSSES.


DEsen sent u, trage Ulysses, u lief Penelope. Schrijft mij geen antwoord: maar weest de bode selfs. Nu is Troje verwoest, voorwaar een nest van ’t Griekse vrouvolk vervloekt. Priamus en geheel Troje was schier zo veel hartseer niet waard’. Og was dien overspeler doen in d’ontstuime Zee verswolgen, als hij met sijn vloot na Sparta sette! Dan lag ik dus koel en eensaam niet in ’t bed, ik had geen reden om te klagen, dat ieder dag een jaar is. Dan hoefde ik om de lange nagten door te brengen, als de onbestorve weduwe, de handen met weven niet afgemat te hebben. Wanneer schrikte ik niet voor groter onheil als te wagten was? Want de liefde is een ding vol kommerlijke vrees. Mij dagt altijt, nu vallen de Trojanen fel op u aan. Hoorde ik Hector spellen, ’k besturf als een doek. Seid imant, Antilochus, is van hem verslagen: Antilochus was d’oorsaak van mijn schrik. Of dat Patroclus, in Achilles wapen vermomt, gevelt wiert; ik weende om dat de list geen scheutig luk kost treffen. Had Sarpedon met sijn speer Tlepolemus doorstooten, sijn dood vernieude weer mijn druk. In ’t kort, wat held daar sneuvelde uit ’t Grieks leger, ’t viel mij so kil op ’t hart als ijs. Maar God heeft mijn kuisse liefde genadig aansiende, Troje aan kolen geset, en u ’t leve gespaart. De Griekse Veldheeren sijn wedergekomen; d’autaars smoken: en den buit der barbaren werd vast voor onse Tempel Goden opgehangen. De prinsessen dank-offeren vast voor ’t behouden wederkeeren van haar mannen, die hen de rampen van Troje, door haar wapenen gebroet, in ’t breet uitmeten. Jonk en oud staat verset, en ’t wijf met gapende mond, en luistert na ’t verhaal van haar man. Enige trekken met wijnstrepen op tafel de gestalte van de felle veldslagen, en in ’t klein de stad Troje, tot beduid: en seggen: dus liep de stroom Simoïs, dit’s Sigees voorland, hier stond het pragtig hof van den ouden Priamus. Daar stont Achilles, hier Ulysses tent geslagen: daar sleepten schriksieke rossen Hectors lijk aan slenteren. Want al dit werk had den ouden Nestor u soon, afgeveerdigt om u op te speuren, verhaalt, en hij aan mij navertelt. Daarbenevens hoe Rhesus en Dolon, dese in slaap, gene door list om hals rogten. Gij dorst te euvel stout met u leven te spelen, en sonder op mij te denken, bij nagt ter sluik verrassen ’t quartier der Traciers: so veel sielen op eenen bot smoren, pas verseld van Diomedes: maar trouwens, gij waart voorsigtig genoeg, en dagt wel eerst op wijf en kind. ’T hart klopte mij in ’t lijf van schrik, tot dat mij vertrokken wierd, hoe gij met Rhesus ros door ’t Griekse leger quamt brageren. Maar wat baat mij dat Troje door uwen arm gemaakt is tot een puinhoop: als ik nog blijven moet in de selve staat, als doen Troje nog in stand was, en mijn man immer derven? Voor andere vrouwen is Troje uitgeroeid, mijnen ’t halve alleen nog in stand, schoon ’t van de zegepraalende Grieken reets werd overploegt. Nu wast het koren, daar eerst Troje stond; en ’t aardrijk met ’t bloed der Friegen gemest geeft welig veltgewas. De kouter krast allen ’t halve op ’t half begrave gebeente der gesneuvelde mannen; en stads ruïnen sijn overgraast. Maar gij verwinner blijft agter: en ik kan, o wreede, niet stikken waar gij steekt, of d’oorsaak van uw uitblijven. Wat vremdeling hier komt aanseilen, ondervraag ik scherp wat hij van u weet: en geef hem, bij aldien hij u ergens gesien heeft, een brief van mijn hand aan u te bestellen. ’K sond lest een expressen na Pylos, de stad van den ouden Nestor, om bescheid; maar vernam van daar niet sekers. Van gelijke na Sparta; maar daar was ’t even ’t selve. Waar steekt gij, of in wat oord werd gij opgehouden? ’T was mij beter geweest dat Troje nog stond. Helaas ’k onsteek om ’t verkrijgen van mijn wens! Dan kost ik weten waar gij vogt, niet anders vresen als voor krijgs-luk, en niet meer te klagen hebben als veel andere vrouwen. Ik weet niet wat mij te vresen staat: maar ik vrees ontsint alle onheilen, en vind een ruim veld van sorg en kommer open. Al ’t gevaar dat u te water of te land kan wedervaren, beeld ik mij in dat d’oorsaak van u lang dralen is. Maar terwijl ik dit dwaaslijk in mijn hoofd smede, kont gij misschien (want dat’s den aard van ’t manvolk) op een uitheems lief verslingerd sijn: en daar misschien vertrekken wat boerin u wijf is, niet anders geleert heeft als spin en weefwerk. Wat ’k hoop dit’s mis gewaant, en dat gij aan niemant verbonden de wil hebt van wederkomen. Mijn vader Ikarus port mij met geweld te hertrouwen, en knort sonder eind om dat ik ’t futselboek soeke. Maar laat hem vrij knorren, ik ben, en sal, als ’t hoord u lief genoemd werden, en Penelope altijd de naam houden van Ulysses egtgenoot. Dan ik set hem door mijn lievende gebeden en blijk van eerbaarheit soo om, dat hij sijn ijver intoomt. Hele troepen over dertele vrijers uit Dulichie, Samos en ’t verheve Zacynthos tornen met geweld op mij, spelen den baas onverhinderd in u hof, en verslikken u goed, mijn ingewand, van vraatsieke honden. Wat hoef ik u te seggen van Pisander, Polybus, den vervloekten Medon, die giereklauwen Eurymachus en Antinous, en dergelijke anderen, die, o schande, in u afwesen den bast vult van ’t geen gij wont met sweeten bloet? Irus den bedelbrok en Melanchus de roervinken om ons vee te slikken, sijn ’t laatste schuim der rovers van u goed. Wij sijn drie in ’t getal onmagtig ’t hoofd te bieden, u kragtelose vrou, vader Laërtes een oud man, en u soon Telemachus pas een jonge. Laast was ik hem schier quijt door ’s vrijers lagen, doen hij in weerwil van haar allen op reis was na Pylos. Maar ’k bid dat de Goden, na d’ord’re der nature schikken dat hij eerst uwe en mijne oogen luike. Dit wens met mij den Ossenhoeder u oude minne, en Eumeus de trouwe sorg van ’t verkens kot. Ook kan Laërtes, nu te oud om ’t harnas aan te schieten in ’t midden der vijanden ons rijk niet verdedigen. Telemachus sal (mag hij ’t leven) wel meer mans werden; maar nu hoorde hij, nog onder u vleugelen beschut, op te wassen. Veel min kan ik onse onbeschofte vijanden ten hof uit drijven: daarom komt gij te spoediger tot stut en behoud van d’uwe. Gij hebt een soon, lang moet hij leven, die in sijn groene jaren in ’s vaders wijsheid hoorde opgequeekt. Slaat ’t oog op vader Laërtes, die met ’t een been in ’t graf, pas ’t leven hout tot dat gij hem komt de verglaasde ogen luiken. Gewis ik sal u, slegs een meisjen voor u vertrek, al quamt gij op staande voet, een bes gelijken.

Continue

[p. 5]


TWEEDE BRIEF.

INHOUD.



DEmofoon, soon van Theseus en Fedra,
[...]

FILLIS AAN DEMOPHOON.


Demofoon, ik
[...]


Continue

[p. 10]

DERDE BRIEF.

INHOUD.


DE Grieken
[...]

BRISEIS AAN ACHILLES.


Dese brandbrief,
[...]


Continue

[p. 14]

VIERDE BRIEF.

INHOUD.


Theseus
[...]

FEDRA AAN HIPPOLITUS.


’T Kretenser
[...]


Continue

[p. 21]

VYFDE BRIEF.

INHOUD.


HEkuba,
[...]

ENONE AAN PARIS.


Leest
[...]


Continue

[p. 26]

SESDE BRIEF.

INHOUD.


PElias
[...]

HIPSIPILE AAN JASON.


’K Versta
[...]

Continue

[p. 31]

SEVENDE BRIEF
INHOUD.


DE stad Trojen eindelijk van de Grieken sijnde overweldigd, [...]


DIDO AAN ENEAS.


Dus singt de witte swaan aan de Meandervloed in ’t vogtig lies gespreit, als de dood naakt, haar [p. 32] lijklied. Denkt niet dat ik dit schreef op hoop van u met mijn gebed te vermurwen: neen, dat dult immers den hemel niet. Maar nu ik weldaden, eer, en deugd ligtvaardig heb verspild, is ’t een kleine saak wat woorden te quisten. Gij sijt dan nog gesint te reisen, u rampsalige Dido te verlaten, en trou en seilen aan een en deselve wint over te geven. Gij blijft, Eneas, nog bij ’t voornemen, om trouverbond en vloot gelijk te ontbinden, en u beloofd Italie te soeken dat gij nog niet en weet waar gij ’t vinden sult: En trekt niet eens ter harte ’t nieu Karthago. Mijn steigerende wallen, nog ’t Koninklijk gebied dat ik u opdroeg. ’T gerede vliet gij: ’t ongerede soekt gij. U staat een ander rijk ergens in de wereld op te speuren; hier hebt gij wat gij soekt. En schoon gij ’t land al vind, wie sal u dat overgeven? Wat gek sal sijn eigen erf aan vremden overlaten? Maar ’s schort u aan een ander lief, een andere [p. 33] Dido failt u, een andere doos om weer op niews uit te strijken. Wanneer sult gij een stad als mijn Karthago stigten, en u Heir van een verheve slot oversien? En schoon ’t u alles na wil en wens gelukte, waat gaalt gij een vrou die u so beminnen sal, als ik. Ik blaak als een was en sulfer fakkel, min nog meer als wierook op een op de smokende altaren. Eneas heb ik nagt en dag in ’t hart en sin. Hij is wel ondankbaar, hij agt mijn gaven drek, een gast die ik, so ’k wijs was, missen mogt: egter wens ik hem, al heeft hij ’t quade voor, geen quaad: maar ’k scheld sijn trouloosheit, en ontsteek, na ’t schelden, feller brand. Verschoon, Venus, u snaar, omhels, broer Kupido, u onvermurwbare broeder, en leer hem in u leger plukhairen: of mij: die hem (en ’t spijt mij niet) heb begonnen te beminnen: ten einde hij mijn liefde voedsel schaffe. Wat ik droom, en hij komt mij schijnvals in die gedaante voor oge. Hij heeft geen aas van moeders aart. Een steen, een harde berg bersse eiken op hoge kruinen gewassen, en wreed wild gediert heeft u geworpen: of de Zee uitgebraakt, so onstuimig als gij die nu door storm siet schuimbekken, die gij egter hoe guit en weerborstig sij tragt te beseilen. Waar heen vlugtsieke? Ontsie dit onweer: blijft niet om mij, maar om den storm. Siet eens hoe d oofste wind water uit water blaast. Vergun mij ’t luk van ’t weer, ’t geen ik u liever vepligt bleef. De wind en Zee sijn regtvaardiger als gij. Ik ben so veel niet waard’, schoon gij anders denkt, dat gij, om mij over de woeste Zee te ont- [p. 30] vlugten, omkomen soud. Dien haat staat u vrij diet, so gij, om mij te ontgaan, nog baar nog dood ontsiet. Strakt stilt de wind, legt de zee geschaaft, en rijd Triton met fijn blaaw gespan op ’t marmere nat. Og of gij met de wind verandren kost, en gij sult konnen, ten sij gij harder sijt als d’eike. Hoe? Had gij niet beproeft wat d’ontstuime zee vermogt? Betrout gij so ontfind de pekelplas die gij so vaak in nood gesmaakt hebt? Schoon gij bij moi weder anker ligt, dat woeste nat is egter vol gevaar. Troulose eedbrekers vinden ook in Zee geen heul: dat ’s een pijnbank van schelmse wijffelaars. Te meer als om minnebreuk: om dat de moeder van de Min gesegt werd naakt uit de Cytherese Zee geboren te sijn. Nog vrees ik voor de beul, die mij pijnigde, en ben bekommerd dat dien vijhand door schipbreuk sal vergaan. Leef, bid ik: so ontvlugt gij mij gelukkiger, als met de dood. ’K wens liever dat gij d’oorsaak van mijn sterven hiet. Genome gij wier (dat God verhoede) door een felle storm in Zee belopen: hoe sout gij te moede sijn? Strak sal u voorkomen die minedigheit, en Dido, door u trouloos bedrog genootsaakt tot sterven. Daar sal u voor d’ogen malen de schim van u bedroge wijf, bedrukt en met bloed beplengde lokken. Al wat u dan geschied, sult gij uitroepen, ’k heb ’t wel verdiend, og geeft gena: en menen dat alle uitgeschote bliksem op u hoofd gemunt is. Ei wagt nog een kleine tijd tot uwe verbolgentheit en d’ontstuimgheit der zee bedaart: ’t loon van een kort verblijf, sal u behoude reis verschaffen. Verschoon mij niet, maar u kleine Julus. ’T is genoeg dat gij den roem draagt van mijns levens rover. Wat quaad deet ’t kind Askaan? Wat u gevlugte Goden? Die gij uit den brand gerukt in ’t water sult verdrinken. Maar gij hebt die niet bij u, noit hebt gij, troulose, al draagt gij u roem daar op, dat heiligdom en u vader op de schouderen getorst. Gij liegt al wat gij snorkt. Want gij hebt niet eerst aan mij u valse tong getoont, [p. 31] tot mijn verdiet. Vraag imand waar de moeder van schone Julus vervoer: ik antwoord, s’ is van haar onbarmhertige man verlaten en vermoord. Dit maakte gij mij wijs: maar ik liet mij bepraten om dat ik u dienst deed. Dus hebt gij om haar minder straf te lijden, als om mij. Ik twijffel ook niet of u geprese Goden verdoemen u: want ’t is nu ’t sevende jaar dat gij op Zee sukkelt. Doen u de zee uitbraakte ontfint ik alsins op mijn ree, en bood u, schier nog bij name onbekend, mijn rijksstaf aan. Og had ik ’t bij desen dienst gelaten: en was de maar van mijn bijslapen begraven. Dien dag, dat ons die overwagte vlaag in de spelonk dreef is d’oorsaak van mijn quellagie. Ik hoorde een hol geluit; mij dogt de bosmaagden juigten; maar these resernijen gaven voorspook van mijn rampen. Wel aan neem straf geschonde maagdom: die ik tot Sicheus hoon besoedelde: waar na ik nu, og arm, vol schaamte tre. Ik heb nog in mijn marmeren tempel een beeld Sicheus toegewijd staan bepronkt met groente en witte lammervagten. Hier uit hoorde ik hem (want ik kende sijn stem) vierwerf mijn naam spellen, en soetjes seggen: om Elisa. [Dido] Ik kom, o waarde man, ik toef niet langer; maar draal slegs uit schaamt over ’t geen ik u misdeed. Vergeef mijn misdaad: ’k ben misleid door een geslepen bedrieger. Hij doet den haat van mijn misdrijf verdwijnen. Sijn moeder Venus sijn ouder vader, sijn soon, so dier en waardig pak, gaven mij hoop dat de man wel bij mij wennen soud’. So ik dan dolen most, ik doolde uit eerlijke beweegredenen. Doet gij hier bij sijn trou belofte: hij was, volstont hij, in genen dele te versmaden. ’T Rampsalig lot, dat mij van begin aan trof, verselt mij ten einde toe. Mijn man wiet in sijn huis voor d’auter neergevelt: van die moord draagt mijn broer den roem. Ik wierd als balling verdreven, most mijn mans graf, en vaderland ontruimen, en wierd van mijn vijandige broeder [p. 32] vervolgd, genootsaakt een gevaarlijke vlugt te nemen. Ik lande aan een vremde strand, en mijn broeder en Zee ontslipt kost ik ’t Zeegewest, dat ik u, troulose, heb opgedragen. Ik stigte een stad met wijd bemuirde wallen, een trots en schrik voor de gebuir volkeren. Den oorlog steigert vast, men dreigt mij, die een vrou en vremdeling ben met de wapenen: nau kan ik mijn stads wering en krijgsgereetschap in postuir brengen. ’K was duisend minnaars lief, die mij onder ’t vleien haar beklad deden, dat ik een wilde vreemdeling voor so veel Vorsten koos. Wat mart gij, mij geboeid aan Jarbas, Konink van Getulie, over te laten? ’K sou mij, om u schelms verraad, gevlegeld aan hem konnen en moeten overgeven. Daar bij heb ik nog een broeder [Pygmalion] wiens schensieke hand beplengd met ’t bloed van mijn man, nog dorst na ’t mijne. Leg af de goden, en Heiligdommen, die gij met handelen ontheiligt, U godlose handen betasten ’t godlijke onwaardig. So gij de Goden, die gij uit den brand bergde, most dienen, so spijt het haar, dat sij niet verbrand sijn. Misschien sult gij, o schelm, Dido swanger verlaten, en u vlees en bloed in mij gewonnen ontvlugten. So sal dan ’t deerlijk kind in ’s moeders lighaam sterven, en gij d’oorsaak van u nog ongebore vrugts dood sijn. So sal dan de broeder van de Julus met sijn moeder sneuvelen, en enen dolk twe zielen in een lighaam moorden. Maar die God last u te vertekken: ’k wenste dat hij u t’hier landen had verboden, en dat noit Trojaan den bodem der Penen had betreden. Met desen leidsman, een god quansuis, dobberd gij tegen weerbarstige winden in, en spild gij ruimen tijd in de woeste Zee. Aan Troje kost gij schier met geen meerder moeite komen, al stond het so stijf, als doen Hector nog leefde. Gij soekt geen Simoïs u vaderlijke stroom, maar ’t is den Tijber. Ongetwijfeld sult gij weer aangehaald werden, daar gij wenst te komen. Neen: na ik merk aan [p. 33] ’t afdeinsen van die ver gelede landsteek, sult gij daar met u vloot niet belanden voordat gij een oud man wert. Kiest liever dit mijn volk ten bruidschat, staak u omswerven, en ontfang de schatten die ik hier Pygmalion ontvoerde. Verplant hier Troje met meer gelukt in mijn Tyrier plantsoen plaats, en neemt als Konink dees gewijde rijksstaf. Hebt gij lust om te oorlogen: soekt uwer Julus stof tot krijgstriomp; ’k sal hem, om niet stil te sitten, vijand daar toe leverren. Dit ’s eens plaats om vrede en oorlog te hanteren. Ei doet het om moeders wil, om de schigten van u broeder [Kupido] om de Trojaanse Goden bij u gered, (so wens ik tegen al wat gij van d’uwen bergde, dat die wreden oorlogen en u schade hier me einde, dat Askaan voorspoedig grijse, en dat ’t gebeent van vader Anchises onder lugte aarde ruste) ontferm u dog over een huis, dat sig aan u opoffer. Want waar over kont hij mij beschuldigen, als dat ik u beminde? Ik ben geen Ftias telg, of van ’t groot Mycene geboortig: mijn man nog vader was tegen u gespitst. Schaamt gij u mij u vrou te noemen, noemt mij slegs u waardin. ’T Scheeld Dido niet, als sij maar uwe is, wat naam sij draagt. Ik ken de zee wel die d’Afrikaanse strand afslonst: dan is sij bevaarbaar, dan niet. So ras sal de wind niet goed sijn, of gij sult konnen ’t seil gaan. Nu wart u ’t drijvent wier om schip en riem. Belast het mij, ’k neem aan, u beste tijd te ramen: als gij reisen wilt, sal ik u niet ophouden. U bootsvolk snakt na rust, en u ontramponeerde vloot, pas half gekalefaat, vereist nog wat toevens. Voor al mijn weldaden, en ’t geen mij nog staat te verdienen, voor ons huwlijks hoop, bid ik om nog een kleinen tijd. Tot dat mijn minnesmert met de zee mag slenken, en ik allengs dees ramp kloekmoedig leer verdragen. So niet: ben ik van voornemen te sterven. Lang kond gij mij niet wreed vallen. Og saagt gij eens hoe mijn verf in ’t schrijven was verbleekt! Ik schrijf met u trojaans lem- [p. 34] mer op schoot. Mijn tranen rollen over mijn wangen op ’t blote swaard, dat haast in plaats van tranen mijn bloed sal geverfd sijn. Hoe wel komt u gift mijn dood te sta. Gij versiet tot korte vordering van mijn dood, mijn graf met de kleine gift van een rappier. Nu wort mij d’eerste steek niet in de borst gegeven; ’k heb al voorheen van u een minnewond ontfangen. Og Anna, suster Anna, die ter quader ure kondschap kreeg van mijn schuld, nu sult gij mij ook den laatste lijkdienst doen. En als ik ben verbrand op ’t lijkhout, sult gij op mijn marmere Sark niet houwen: SICHEUS VROU; maar dit grafschrift:
        ENEAS GAF MY ’T STAAL EN STERVENS REEN IN ’T VLUGTEN:
        MAAR DIDO WRONG ’T RAPPIER IN ’T HART, EN EIND’ HAAR SUGTEN.

Continue

[p. 38]

ACHTSTE BRIEF.

INHOUD.


HErmione, dochter van Menelaus en Helena,
[...]

HERMIONE AAN ORESTES.


Ik Hermione schrijf u, onlangs mijn broeder en man,
[...]

Continue

[p. 42]

NEGENDE BRIEF.

INHOUD.


HErkules, soon van Jupiter,
[...]

DEIANIRE AAN HERCULES.


’K ben blij, dat ’t veroveren van Echalie u lof-tijtelen
[...]

Continue

[p. 50]

THIENDE BRIEF.

INHOUD.


MInos, soon van Jupiter,
[...]

ARIADNE AAN THESEUS.


’K vond noit monster wreder,
[...]

Continue

[p. 54]

ELFDE BRIEF.

INHOUD.

Makareus en Kanace, kinderen van Eolus, der winden opperhoofd, besliepen malkanderen, onder de snode dekmantel van bloedverwanschap. Doch Kanace wierd swanger. Beviel van een jonge soon, welken als haar voetster uit het hof wilde dragen, om elders in het heimelijk te doen opvoeden, so is deesen handel ontdekt door sijn krijten. De Vader dit gerucht hoorende, liet het onnoosel kind daadelijk voor de honden werpen, en sond een blooten deegen aan sijn ontaarde dochter. Maar aleer sy met dit geweer haar leven eindigd, schrijft sy aan Makareus, (sich inden tempel van Apollo versekerd hebbende) verhaald haar ongeval, en bid hem de beenderen van het kind te versaamelen, en, nevens de haare, in een lijkbusje te begraven.

KANACE AAN MAKAREUS.


Dog so gij mijn schrift door ’t kladden hier en daar niet kont lesen, denkt dat het is bemorst met ’s harten bloed. ’K heb in mijn regterhand de pen, in mijn linker ’t bloot rappier, ’t schrijfpapier vlak op de schoot: in dit postuir schrijft Kanace aan haar broeder: so dunkt mij kan ik mijn straffe vader best behage, ’K wenste wel [p. 55] dat hij selfs aanschouwer van mijn moord was, en ’t werk als werkbaas op quam nemen. Hij sou, volgens sijn woesten aart, vrij verwoeder als sijn winden, mijn eigen moord met droge kaken komen aanschouwen. Gewis doet het veel met barsse winden om te gaan: hij vlijd sig euvel wel na sijn onderdanen. Hij heerst over de zuide, weste, noorde en scheutigen ooste wind. Hij heerst eilaas, over winden, maar bedwingt sijn hevige grimmigheit niet: en toont dat hij minder heerschappij, als vuile driften heeft. Wat baat mij, dat ik door mijn geslagt ten hemel verheve selfs Jupiter voor mijn maagschap ken? Daar ik niet te min mijn doodpriem in de tengere vuist heb, die harde handen beter pasten? Og Makareus, was den dag, die ons koppelde, verschenen na mijn dood! Waarom hebt gij broer, mij oit meer als met broederlijke liefde bemind? Waarom toonde ik u meer mins als een suster toestont? Ik voelde ook al brand, en ’t kittelen, gelijk ik wel eer had hoore seggen, van ’k weet niet wat God, in mijn ingewand. ’K wiert bleek in ’t aangesigt; mijn ribben kost men tellen. Mijn eetens lust vergink, mijn kawers kregen klem. Ik sliep onrustig, ijder nagt geleek mij een jaar: ik sugte sonder reden. ’K sag egter geen reden waarom ik dit alles leet: ’k wist niet eens wat een minnaar was; maar ’k was reets van de min verwont. Mijn oude voedster rook ’t aldereerst dees vonk, en sei mij eerst: og Eools kind, gij mint. Ik schoot een blos, sloeg van schaamte, ’t gesigt in mijn schoot, en gaf, al sweeg ik stil, teekens genoeg van bekentenis. Nu begost mijn ontmaagden buik reets te swellen, en ’t sluikpak mijn swanger lighaam te verveelen. Wat wist mij mijn voedster niet al kruiden en juleppen te brouwen, en salf sonder schroom onder de buik te smeeren, om de vrugt (dat ’t eenigste was ’t geen wij voor u verborgen hielden) met kragt af te setten. Maar og, het sterke kind weerstont dit moord-tuig, en bleef in sijn blind harnas scheutvrij. Nu waaren reets nege maanden verlopen, en de tiende van mijn dragt in koers. Ik wist geen oorsaak van mijn schielijke weën, ik was een nieu soldaat, en wist niet wat baren te seggen was. Ik kraakte en schreeude. Sus, wat doet gij, wilt gij u eigen schand rugtbaar maken, riep d’oude bes? En sloot my de gapende mond met de hand. Wat doe ik, arme doos? Mijn weën persten my tot [p. 56] schreewen; maar vrees, voetster, en schaamte kroptent in. Ik loos sugt, ’k slik de halfgebalkte woorden in den hals, en most mijn eige tranen verswelgen. Ik sag mijn dood voor d’oogen: Lucyn gaf hulp nog troost, en most ik sterven, mijn dood most euvel schandig klinken. Als gij mistroostig ’t kleed van ’t lijf, en ’t hair uit het hoofd rukkende, mij omhelsde, en borst aan borst drukkende weer barens kragt gaf. Leef, seit gij, suster, leef lieve suster, en dood geen twee zielen in een lijf. Schep moet en kragt: gij sult u broeders bruid werden; een bruid van die u moeder gemaakt heeft, en vrou sal maken. ’K was dood, geloofd mij, maar herleefde op dit woord, en verloste van mijn vrugt, en schandig pak. Wat juigt gij al? Vader Eool sit hier midden in ’t hof: de schandvlek (’t kind) moet ter sluik uit vaders oogen. De vlijtige bes bestommeld het kind in groente, in witte olijfranken, en ligte windselen: dus gaat sij met ’t wigt te kerk, veinst of sij offeren most, en begost te bidden. ’t Volk maakt haar, dus devoot, ruim baan, selfs vader week ter sijde. Nu wassij reets bij den drempel: als ’t kind begost te schreien dat vader hoorde, en sig selve verrade. Fluks grijpt Eool het lam, ontdekt de schijnvalse offerhande, en bulderd dat ’t geheel hof weergalmde. Gelijk ’t water door een soeswind stribbeld en ’t boomloof door een sagte koelte ritseld, so trilden al mijn leden, en beefden de bedstee onder mijn lijf. Hij schoot toe, hangt mijn schande met bulderen aan de klokreep, en hielt sijn handen naulijks uit min bedrukt gesigt. Ik kost van schaamte niet als tranen storten, en van kilte schrik geen woord uitten. Reets hij had al belast, ’t wigt in de wildernisse te worpen ten proi van d’honden en ’t gevogelte. Maar ’t onnosel schaapje schreide, als of ’t sijn leed gevoelde, en bad sijn grootvaar in sijn taal gena. Hoe dunkt u, broeder, dat ik doen te moe was? (want gij kont mijn hart by ’t uwe weten) als mijn vlees en bloed in mijn tegenwoordigheit door een schelm gebragt wiert na ’t bos tot een aas van de wolf? Doe hij uit mijn kraamkamer was, begon ik eerst mijn borst te beuken, en ’t aansigt op te krabben. Onderwijl komt’er een trawant van vader, bedrukt van gelaat, met de degen instappen, en sprak dees harde taal: Eool sent u dit staal (met gaf hij ’t over) en last u te overwegen na schuldverdienst wat hij daarmee voor heeft. Og ’k weet dit wel: ’k sal ’t rawe staal, dit vaderlijk geschenck, kloekmoedig in mijn borst begraven. Is dit, o vader, de bruidschat tot mijn egt bereit? Is dit een huwelijks gave om u dogter te verrijken? Weg, bedroge huwelijks God, met u fakkels, en pakt u fluks uit dit vervloekte hof. Maar brengt u toorsen hier, die gij in de vuist draagt, swarte rasernijen, en steek daar mee mijn [p. 57] lijkstapel in brand. Trou, susters, met beter heil en segen als ik, en spiegeld u aan mijn misdaad. Wat misdreef mijn kind, nog soo weinig uren geboren? Waar mee verdiende ’t pas gebore schaap grootvader ongena? Kost het de dood verdienen, soo mogt men ’t schuldig oordeelen. Maar og, dat arme wigt sterft om mijn misdaad. Og mijn lam, moeders smert, aas voor scheursieke dieren, ai mij! Gij wert verscheurt op u geboorten dag: og schaap, deerlijk pand van mijn onsalige min, dit is u eersten dag, dit sal u laatsten sijn. Ik mogt u lijckje met geen moeder tranen bestorten, mijn afgeschoren hair niet in u grafje brengen. Ik mogt niet op u kil lighaampje de laatste kusjens plukken. Nu scheurt het gulsig wild mijn tenger ingewand. Ik sal ook met dees wond mijn kind in ’t graf volgen, niet lang moeder, en niet lang kinderloos genoemt werden. Maar gij, (Makareus) die van u rampsalige suster vergeefs bemint sijt, vergaar u kind verstroid gebeente: brengt het bij moeders as in ’t graf, en doet het met mij in een en deselve asbus, al valt sij nog so klein. Leef lang, gedenk mij altijd, stort tranen in mijn wonde, en schrik niet voor het lijk van u beminde. Voldoet gij dog den last van u te fel verstote suster. Ik sal vaders hoofd volgen.

Continue

[p. 58]

TWAALDE BRIEF.

INHOUD.


JAson (waar af boven,
[...]

MEDEA AAN JASON.


Ik Colcher koningin
[...]

Continue

[p. 65]

DERTIENDE BRIEF.

INHOUD.


TErwijl de Grieken sich toerusteden om naar Troje met alle hunne magt over te steeken, had sekere godspraak hen bekend gemaakt, dat die geene sekerlijk om sou komen, welke allereerst, uit de vloot der Grieken, sijn voet op den Trojaanschen bodem zoude zetten. Als derhalven Protesilaus, soon van Ifiklus, een dapper oorlogsman, sich nevens de andere Grieken had gevoegd, en, in Aulis, wegens den gedurigen storm, by hen bleef ten anker leggen; so schrijft hem Laodamia, dochter van Akastus, deesen brief; hem aan gemelde godspraak doende gedenken, en deswegen biddende, in het landen, so lang het mogelijk is, in de vloot te blijven.

LAODAMIA AAN PROTESILAUS.


DE Thessalier Laodamia sent en wenst mitsdesen haar lief en lantsman heil en welvare. De spraak gaat dat gij door storm in Aulis baai most blijven. Og doe gij mij ontsnapte, waar was hier tegenwint? doen hoorden de barre baren u riemen agter uit gekletst, doen de zee ter regter tijt geswollen te hebben. Dan had ik mijn man meer kusjens, meer vermaningen gegeven: want ’k had nog meer op ’t hart om u voor ’t laatst te seggen. Gij sijt mij hier schielijk ontrukt, en de wint daar gij op wagte, en ik om traande, woei matroos en schip in ’t seil. De wint was voor matroos wel goet, niet voor een verliefde vrou. ’K wert, Protesilaus, uit u armen gerukt. Mijn woorden bleven in ’t beveelen half in de mont. Hoe no kost ik dat droevig adieu seggen? de noorder Boreas blies stijf gekaakt in ’t seil, rukte ’t schip in zee; en mijn Protesilâus was reets ver van de wal. ’K sag mijn man soo lang na, als ik kost, mijn oogen starden sonder knikken op u gesicht. Doen ik u niet langer, kost ik nog u seilen sien; lang bleef mijn gesicht op u seilen gevest. Maar sedert ik nog u, nog seilen meer kost oogen, en dat ik niet als lugt en water sag: soo is mijn oogenligt met u te gelijk verdweenen, en seeg, als ’t volk mij sei, voor doot ter aarden neer. Nau heeft mij schoonvader Ifiklus, en vader Akastus, nau heeft mij mijn bedrukte moeder met kout water verquikt. Sij deden liefdens pligt, maar mij geen dienst. ’T spijt mij dat ik ellendige doen niet sterven mogt. So haast ik bequam, ontfonkte mijn smert, en knaagde mijn wetlijke liefde dit kuis hart. ’K heb nu geen lust meer om de vlegten te krollen, of stijf in ’t gout te pronken. Ik vlieg soo onbesuist gints en herwaarts, als de wijnpapinnen, die men gelooft door de wijnrankpiek van de gehoornde Bacchus geklopt aan ’t hollen raken. ’T Fylacier juffertuig komt mij besoeken en roept: Laodamie schiet u Koninginnen dos aan. Hoe kan ik in Tyris purper pronken, dat hij voor Troje stormt? sou ik de vlegten quikken, hij den stormhoet op ’t hooft drukken: ik in pragtig gewaat, hij in ’t harde harnas gaan? ik sal, soo veel ik kan, in slordig gewaat heen slonssende de krijgsramp na apen, en dees oorlog tijt in druk en rou overbrengen. Vorst Paris, schoon ten val van u hof, weest soo stompen vijant, als gij een quaden gast waart. ’K wenste wel dat gij of Helena’s schoonheit hadt gelaakt, of sij geen sin in d’uwe gehad hadde. Menelaus, die te fier om u gerooft wijf woelt, helaas hoe wilt gij om die wraak nog van vele beschreit werden! ’k bidt dat de Goden quaat voorbedietsel van mij wenden, en mijn man op sijn wederkomst de wapens voor Jupiters beelt ophing. Maar ’k vrees, soo dikwijl mijn gedagten malen op dien droevigen oorlog, mijn oogen tanen als sneeu voor de son. Troje, Tenedos, Simoïs, Xantus, en Ida sijn woorden die mij alleen schier een schrik op ’t lijf jagen. Noit hadde hij haar durven ontschaken, soo gek was die gast niet of hij wist dat hy sig weeren kost: hij had sijn kragt wel gewogen. Hy quam, gelijk men segt, uitmuntent in goutsier, om aan sijn lijf te tonen hoe rijk Frigie was: versien van vloot en volk, bequaam om te oorloogen, en met een gevolg, dat ’t minste deel van sijn rijk schier niet uitmaakte. Door desen swier oordeel ik, nigt Helene, dat gij verrukt sijt, en meen dat die ook de Grieken kan beschadigen. ’K vrees voor een Hector, wie die sij: Paris plagt te seggen dat Hector een bloedig krijgsman was. Wagt u, hebt gij mij lief, voor een Hector, ’t sij wie ’t is, maakt dat gij u selve die naam sterk indrukt. Dese geschuwt hebbende sult gij nog andere gedenken te mijden, en denken dat daar veel Hectors te velt sijn. Maakt dat gij segt, so dikwijl gij ten strijd sult treden: Laodamia last dat ik haar leven sparen sal. Moet Troje door de Grieken vallen, laat het vallen sonder u huit te scheuren. Laat Menelaus vegten, en op sijn vijant tornen, om Paris te ontwreeken ’t juweel, dat hem eerst ontschaakt wiert. Laat hem invallen, en die hij in regtvaardigheit van saak verwint, ook met den degen vermeesteren: uit ’t midden der vijanden mag hy sijn bruit halen. U interest is heel anders. Vegt gij maar om ’t lijf te verweeren, en wederom te komen om u deugtsaam wijf te omhelsen. Spaar, bid ik, Trojanen, een man uit so veel duisenden, en stort mijn bloet niet uit sijn wonden. Hy is de man niet die ’t voegt met bloot rappier te vegten, en fel tegen sijn vijant in te vliegen. Hij kan het beter, die uit grote liefde vegt. Laat andere oorloogen, en Protesilaus minnen. Ik had u, ’k bekent, schier wederroepen, en mijn gemoet getuigdent. Maar ik sweeg uit vrees van u een quaat voorteeken te geven. Doen gij uit de hofpoort stapte om na Troje te trekken, gaft gij door struikelen aan den drempel een quaat teeken. Dit siende sugten ik, en sprak bij mijn selven: og ’k bid dat dit mag sijn een voorspook van u gelukkige wederkomst. Dit verhaal ik u nu, om niet te fier op de vijant los te gaan. Maak dat mijn vrees in wint verdwijne. Ook dreigt ’t hemels lot, wie ’t sijn mag, die van de Grieken ’t eerst den voet op den Trojaansen bodem set, met de doot. Ongelukkig is de vrou, die ’t eerst sal beweenen ’t verlies van haar man. God geef dat gij niet voorbarig sijt. Laat, onder duisent, u schip het duisenste van de wal blijven, en alderlaast afgetobt komen aan plenssen. Dit waarschou ik u ook, dat gij ’t lest uit ’t schip stapt: want ’t is geen vaderlant om na te joken. Maar als gij weer komt set dan seil en riem bij, en spoeit u om op u kust te landen. ’T sij Febus ’t hooft onderhaalt of opsteekt gij sijt mijn hartseer nagt en dag. Maar meer bij nagt, als daags. De nagt is soet voor diertjens, die mont aan janskint spele konnen. Ik droom in mijn bedt veel valse worstelingen, en troost mij, bij faut van ’t ware, met ijdelen schijn. Maar waarom komt u gedaante mij soo doots voor d’ooge malen? waarom doet gij mij soo veel naire klagten; ik schiet uit mijn slaap, ik bid de nagtspoken aan: daar is geen autaar in heel Thessalie van mij onberookt. Ik offer wierook, en stort mijn tranen daar in, die opflikkeren, als wijn in ’t vuir gestort. Wanneer sal ik u weer met uitgestrekte armen omhelsen, en eens door blijtschap van mijn selve vallen? wanneer sal ’t sijn dat gij mij in ’t bedt omarmt sult vertellen de helde daden van uwen krijg? in welk verhaal, schoon ik smaaklijk sal toeluisteren, ik u, en gij mij veel kusjens knippen sult. In ’t kussen staakt de tong altijt gevoeg’lijk haar praat, die soete toeving smeert dat lit om des te gladder te labberen. Maar als ik denk om Troje, zee, en storm! smoort mijn goede hoop in kommerlijke vrees. Dit moeit mij ook, dat de tegen wint u schepen ’t uitlopen belet, en gij egter tegen weer en wint voort wilt. Wie sou bij weerbarstig weder na sijn vaderlant wille keeren? gij vliet tegen de golf in van u vaderlant. Self Neptuin baant u geen weg na sijn stat [Troje] waar wilt gij dus brusk heen? keer ijder weer na huis. Waar heen dus onbesuist Grieken? gehoorsaamt de tegenwinden: dit marren is geen schielijk geval, maar een bestier van den hemel. Wat ’s d’oorsaak van soo swaren oorlog anders als een overspeelster? keer Grieken met de vloot, terwijl ’t nog tijt is. Maar wat weerroep ik haar? wijk quaat weerroepens voorspook. ’K wens dat een voorspoedige koelte de vloot over de kabbelende zee drijve. ’K benij de Trojaanse vrouwen, die, als sij de lijken van haar mans sullen sien, den vijant digt onder de oogen sullen hebben. Daar kan een nieugehoude haar strijdbare man selfs den stormhoet opsetten, en ’t harnas aanschieten. Wapens toereiken, en midlerwijl kusjens knippen. Die slag van dienst sal ’t paar wedersijts soet vallen. Sij sal hem uitgelei doen, boekstaven, en seggen: maakt dat hij die wapenen Jupijn haast toeheiligt. Hij, die nog vers de les van sijn wijf onthout, sal voorsigtig pukhairen, en op sijn huis denken. Sij sal hem wederom gekome ’t schilt afligten, ’t helmet af nemen, en sijn vermoeide leden in haar schoot ontfangen. Wij sijn onseker: wij door bange vrees geperst geloven geschiet te sij, al wat gebeuren kan. Dog so lang gij krijger op een vremden bodem wilt oorlogen, troost ik mij met u wassebeelt. Dat toon ik mijn gevlei, en lieftaal van ons trou, dat omhelse ik als u selve. Gelooft mij ’t beelt heeft meer in, als het schijnt. Sloeg ’t maar geluit, het was Protesilaus selfs. Dit aanschou ik, dit hou ik, in plaats van mijn man, op schoot sitten, dit doe ik mijn beklag, als of ’t mij troosten kost. Ik sweer u bij u wederkomst en lighaam, mijn Godheit, bij ’t vuir dat onse harten en bruilofts ligt gelijk onstak: en bij u hooft (og mogt ik dat slegs grijs wedersien!) ’t geen gij selfs in u magt hebt om te konnen wederbrengen: dat ik u volgen sal, waar gij ook vervaart: ’t sij dat gij og: ’t geen ik vrees: of behoude blijft. ’K besluit mijn brief met een klein vermaninkje: draagt gij voor mij, draagt ook voor u selve sorg.

Continue

[p. 70]

VEERTIENDE BRIEF.

INHOUD.


Uit verscheidene vrouwen had DanaŸs
[...]

HYPERMNESTRA AAN LYNSEUS.


Hypermnestra wenst u mits desen heil,
[...]

Continue
[p. 74]

VYFTHIENDE BRIEF.
INHOUD.


PAris van Troas oversteekende naar Griekenland, om de schoone Helene, van Venus hem beloofd en toegesecht, te schaaken; en met sich te voeren, is te Sparta van koning Meneläus ontfangen en gehuisvest. Ondertusschen wierd Meneläus genoodsaakt, wegens erfenissen van gewicht, om naar het eiland Kreta te vertrekken. Des hy den Troiaanschen vreemdeling by sijn huysvrouw laatende, haar ook het onthaal van deesen gast heeft aanbevoolen. Doch Paris bediend sich van die gelegenheid, send deese brief, soekt haar trouweloos te maaken, en tot sijn liefde te verlokken.

PARIS AAN HELENA.


IK Paris, Priam’s soon, wens u Helene, mitsdesen heil, ’t welk mij alleen uit u hant te wagten staat. Seg ik ’t? of hoef ik geen baken te geven van een vuir, dat reets hoger is gesteigert als mij lief is? ’K had wel liever dat het verholen bleef, tot dat de tijt quam van sorgeloose vreugt: maar ik kan ’t swaarlijk dempen: want wie kan vuir bedekken, dat door sijn eige vlam altijt verraden wert. Hebt gij geduld om mijn biegt te horen, ’k beken dat ik brant. Daar hebt gij met woorden ’t blijk van mijn hart. Ei spaar dog, die ’t belijde, lees de rest van dese brief met geen stuirsheit maar met soo vrolijk gelaat als u wesen medebrengt. ’k Was seer verheugt doen ik lest verstont dat gij mijn brief had aangenomen, en schep moet om op gelijke wijse by u welkom te sulle werden. Den hemel geeft het: en dat mij de min-godin u persoon niet vergeefs belooft hebbe, die mij desen togt heeft aangeraden. Want weet dat ik (op dat gij u niet onwetende vergrijpt) door haar Godlijken raat en van hoger-hant hier aan quam. Ik eis wel groten prijs, maar die mij is verschult. Venus heeft mij u ten huwlijk belooft. Onder haar bestier ben ik met de vloot, die Fereklus timmerde, dit ver-stuk weegs van de Sigeese kust over de sporelose zee kome stuiven. Sij gaf mij lieflijk weder, en blanke voorwind. Magt heeft sij over zee om dat sij uit zee-schuim is geboren. Dat sij volharde, de vlam van mijn hart, als de berning der zee bestiere, en mijn wens in haar gewenste haven stier. Ik bragt, maar vont hier dese vlam niet. Dit ’s d’oorsaak van mijn lang zee swieren. Want nog onweer, nog koers-fail dreef ons hier: ik sette met voordagt met mijn vloot op Lakonie aan. Denkt niet dat ik dese zeetogt doe met koopmanschappen. God segen maar de midlen die ik heb. Ook kom ik niet om de Griekse steden te besigtigen: de steden van mijn rijk sijn pragtiger als die. Gij sijt het doelwit: die mij de gulde Venus heeft belooft tot egtgenoot: op u verliefd’ ik, eer ik u kende. ’K sag eer u aanschijn met mijn geest, als met d’oogen. De faam was d’eerste bode van u wel-gemaaktheit. ’T is evenwel geen wonder, dat ik, als ’t hoort, van verre met minneschigten getroffe, op u schoonheid ben verlieft. So wou ’t den hemel, ’t welk op dat gij niet poogt omver te stoten, aanhoor ’t geen ik u hier waaragtig sal verhalen. Ik was nog ongebore in moeders kool, die nu ter voller dragt op ’t uiterste swanger gink. Zij droomde in ’t baren dat sij een groote blakende fakkel ter werelt bragt. De schrik stoorde haar slaap, sij rees op, verhaalt haar ijselijken droom aan den ouden Priamus, die aan de droombedieders. Dese voorspelden, dat Troje door Paris vuir stont te verbranden. Dat was de brand, die nu mijn hart door blaakt. Mij schoonheidt en fieren moet, schoon ik een harder scheen, waren merken van verborgen adel. Daar is, wat van de weg, een plaats midden in de dalen van de lomerrijken Ida met hars en eike bomen digt bewassen: waar op nog vreedsaam schaap, noch rots lievende geitjens, nog trage runderen grasen. Hier stond ik tegen een boom leunende, en bestaarde de stad Troje, de verheve gebouwen, en zee. Als wanneer mij dogt dat door ’t stappen d’aardt onder mijn voeten dreunde: ’k sal waarheit spreken, schoon ’t schier niet gelooft sal werden. Met sag ik Merkurius, neef van den groten Atlas en Pleione, voor mijn oogen schigtig neerscheeren. ’K mogt hem sien, en met waarheit ook verhalen ’t geen ik sag. Hij had in sijn hant een goude roe. Nevens die quam Venus, Juno, en Pallas met de tengere voeten op ’t klavergras bij mij gestreken. Ik stont verstokt, en ’t hair rees mij door kille schrik te berge: als mij de vleugbode seide: sijt niet bevreest. Gij sijt nu schoonheitkeurder: schift ’t krakkeel van dese Godinnen: wie van drie schoonder is als d’andere twee. En ten einde ik ’t niet aflsaan mogt, beval hij ’t mij uit Jupiters naam: met schoor hij door de lugt ten hemel. Doen quam ik weer tot mijn selve, kreeg schielijk nieuwe moet, ten schoomde niet ijder van onder tot bove te beneuselen. De prijs was elk wel waart, maar ’k schroomde dese trits als rigter even schoon te schouwen. Dog een van drie viel mij al van begin aan bevallijker in ’t oog: waar uit gij wel kont merken, dat het Venus is die mij dees min verwekt. Sij woelden so ijverig ijder om de prijs, dat sij mijn vonnis met gote schenkagien tragten te verbasteren. Juno loofde mij Koninkrijken, Minerva deugt, en manhaftigheid; ik twijffelde of ik magtig of kloek wesen woude. Venus lagte soet, en sprak: laat u, Paris, met die schenkagien d’oogen niet uitsteken; beide sijn sij onderhavig wankelige vrees. Ik sal u geven, dat gij lieven kont: en in u arme schenken de dogter van de schone Leda, vrij goelijker als haar moeder. Dus sprak sij, en als ik haar geschenk en schoonheit voor ’t best gekeurt had, schoor sij met de prijs weer ten hemel. Onderwijl wierd ik (’k geloof doe mij den hemel jonstig wiert) uit sekere merken erkent voor ’s Koninks kind. Ons hof was vol vreugde om ’t opstikken van haar lang verloren soon: en Troje beraamde desen dag tot een jaarlijkse feestdag. En gelijk gij mij bevalt, so beviel ik doen de jonge Prinsessen. Gij kont alleen de wens vn soo veel juffren weg dragen. ’K had slegs geen Koninks en Vorsten dogters tot minnaressen: ik wierd ook ijverlijk van Nymfen gefeest. Maar ’k had van al dit tuig een walg, sedert ik kost hoop scheppen om met Helene te paren. ’K sag u daags met mijn oogen, ’s nagts met gedagten, als mijn oogen door lieflijke slaap geloke leggen. Wat sult gij ’t bij-wesen doen, die mij nog noit gesien deedt blaken? ’K ontvonkte, schoon het vuir nog ver van mij was. En langer kost ik mij ’t genot van die hoop niet schuldig blijven, of ’k sogt mijn wens over de blauwe zee te bejagen. De Frigiaanse bijl doorkerft de Troise pijn-bomen, en al wat hout bequaam tot vaartuig was. ’T hoge Gargara wiert ontbloot van hoge bomen: de langen Ida verschafte mij ontelbare balken. D’eiken boog men vast tot kielen; ’t kromme vaartuig gogt vast in ’t geraamt. Men siet het met raaien en seilen om de masten, en schildert Goden agter op ’t gekrulde paveljoen. Maar ’t schip, waar op ik vaar, is beschildert met Venus, die mij dees bruit beloofde, en haar soon Kupido, nevens een. Als de vloot seilree was, wierd ik aanstonts gelast na d’Egeese zee te steken. Vader en moeder weerstonden mijn heiloffer en vertek met smeken, en stutten mijn voorgenomen togt met beweegreden soo veel sij kosten. Ook riep suster Kassandra, als ik op ’t afvaren stont, met hangende vlegten, gelijk sij was: waar druist gij heen? gij sult brant weer brengen. Gij weet niet hoe groten vuir gij over dees baren halen sult: waar sprak de Profeters: ’k ben ’t gespelde vuir wel gewaar geworden: nu in mijn teere borst een felle minvlam blaakt. ’K steek uit de have: seil met een blanke voorwint, en raak, Ebalus kroos, op uwe kust ten anker. U man onthaalt mij als gast. Dit ’s ook niet sonder bestier van den hemel geschiet. Hij toonde mij wel al wat in de stadt Lacedemon waardig en heerlijk te sien was; maar mijn oog was nergens om belust als te stare op u volsprese schoonheit. ’K stont verbaast, als ik u sag: mijn hart en ingewant voelde ik op nieus doorgrieft door den bliksem van u gesigt. So schonen troonje, had, na mijn onthout,* Venus, doen sij voor mij ten oordeel stont. Indien* gij doen met haar gekomen waart tot keur, ’t had met Venus prijs kampel afgelopen. De faam heeft wel veel groots van u schoonheid getrompet, en de geheele weerelt over gegalmt: daar is ook geen dier in Frigie nog van den opgank der sonne, die bij u in welgemaaktheid hantwater heeft. Kont gij dit ook wel geloven? u schoonheid verbluft dien roem, en de faam schiet vrij te kort in ’t melden van u braaf postuir. ’K vind hier meer als Venus mij beloofde; u glorie is van haar stoffe verbluft. Soo brande Theseus wel te regt, die dit alles wist, en u ontschaking scheen soo roemruchtigen heldt wel waardig: als hij u moeder naakt, na ’s lants wijse, van d’olij grommende, in ’t worstelperk sag spelen, onder ’t naakt manvolk. dat hij u weg roofde prijs ik: maar ben verwonderd dat hij u oit weder gaf. Soo kostlijken buit hoorde in taje klauwen gehouden te werden. ’K liet mij eer dit hooft van den rom pouwen, als u uit mijn koets en armen te late rukken. Neemt dat ik u oit weer uit de hatnt wilde laten gaan: neemt dat ik u bij mijn leven van de shcoot liet halen? most ik u geven, ’k sou egter iets bij provisie voor afgenomen, en getoont hebben dat mijn Venus niet t’eenemaal duf was. [...]


Continue

[p. 82]

SESTHIENDE BRIEF.

INHOUD.


VEele
[...]

HELENA AAN PARIS.*


AAngesien
[...]


Continue

[p. 87]

SEVENTHIENDE BRIEF.

INHOUD.


LEander,
[...]

LEANDER AAN HERO.


Den Abydener
[...]


Continue

[p. 93]

ACHTTHIENDE BRIEF.

INHOUD.


HEt is niet
[...]

HERO AAN LEANDER.


LEander, op dat ik de groet, laatst
[...]


Continue

[p. 97]

NEGENTHIENDE BRIEF.

INHOUD.


AKontius
[...]

AKONTIUS AAN CYDIPPE.


Vrees niet:
[...]


Continue

[p. 102]

TWINTIGSTE BRIEF.

INHOUD.


DEese
[...]

CYDIPPE AAN AKONTIUS.


’K was
[...]


Continue

[p. 103]

EENENTWINTIGSTE BRIEF.

INHOUD.


SAffo
[...]

SAFFO AAN FAON.


Kont gij, so ras gij
[...]
Terstont ontvonkte Pyrrha's onverhitbare [p. 110] botst, en verkoelde Deukalions brand. Die kracht heeft dat rak.