Hulp gevraagd! Voor het voltooien van deze transcriptie heb ik vrijwilligers nodig. Wie een (klein of groot) aantal pagina’s wil transcriberen, kan zich opgeven bij Ton Harmsen

Wie zich opgeeft krijgt in overleg een aantal pagina’s toegewezen, om over te nemen met een willekeurige tekstverwerker.


Joan Dullaart: Het verloste Jeruzalem. Rotterdam, 1658.
Vertaling van Gerusalemme liberata door Torquato Tasso (1575).
Uitgegeven door Ton Harmsen, Universiteit Leiden.
Met bijdragen van Heleen Harmsen, Paula Koning en Gerrit van Uitert.
Facsimile bij Ursicula en bij books.google
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.

Het boek bevat 80 pagina’s voorwerk (waaronder het Leven van Tasso, diens Vergelijking van de dichtkunst en lofdichten van L. Jordaan, J. Cabeljau en H. Dullaart), en twintig “Gezangen”:
Canto 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20

Continue
[fol. (A)1r]

Het

VERLOSTE

JERUZALEM,

VAN

TORQUATO TASSO:

Vertaald door

J. DULLAART.

[Typografisch ornament]

Tot ROTTERDAM:
___________________

Bij JOANNES NAERANUS, Boekverkooper
op ’t Steiger, over de Koornbeurs: 1658.



[fol. (A)1v: blanco]
[fol. (A)2r: frontispice]

TORQ. TASSOOS
VERLOSTE
IERUSALEM



[fol. (A)2v: blanco]
[fol. (A)3r]

Den hoogedele, welgebooren, ge-
strengen Heer,
HEER

DANIEL van WYNGAARDEN,
            Heere van Moermond, Ambachts-
    heer van Werkendam, Heer in
    Renesse, Noordwelle, Zuid-
    land, &c. Balju en Dijkgraaf
    over de Stede, Landen, en Groot-
    waterschap van Woerden, &c.

HOOGEDELE HEER,
    Hier breng ik, ten allerlaatsten, de [fol. (A)3v] grootste Poeet van het gezegend Italie, voor Uw Ed. oogen; maar zoo van zijn eersten aard ontaard, en jammerlijk mishandeld, dat Uw Ed. hem mogelijk niet kennen zult; evenwel, mijn Heer, is het die doorluchtige Man, die van Pauzen, Koningen, Hartogen, Princen, Graven en Kardinalen, is om strijd verzocht en aangebeden geweest; Dien Man, die den Kardinaal Hyppolitus Aldobrandini (tot de waardigheid van Paus, onder de naam van Klemens [fol. (A)4r] de VIII. gekomen zijnde) in een openbaren Triumf, met de Lauwerkroon, op’t hooge Kapitool, als Hoofdpoëet van die gelukkige gewesten, wilde doen kroonen, en daar de Zegestacij al toe bereid wierd, indien d’onmedogende Dood hem van die glorij niet beroofd had; Dat gelukkig Vernuft, ’t geen echter, als een tweede NAZO, ellendig schipbreuk, in de gevaarlijke Zee der liefden, geleden heeft. Zijn Goddelijk JERUZALEM, dat Turken, Arabiers, Span- [fol. (A)4v] jaarden en Franssen in hare Taal lezen, heeft de geheele Wereld met verwondering geslagen; en is, buiten alle reik van opspraak, door de Faam, zoo hoog in top gedragen, dat alle gehate lasteraars, die hem zelfs in zijn leven zoo benijden, nooit een weinig de edele luister daar van hebben kunnen bezwalken. De beroemste Geesten van de voorlede en deze tegenwoordige eeuw, noemen ’t het volmaakste Werk dat ooit in Italien uitging. En zeker, die wel op [fol. (A)5r] alles acht slaat, zal bevinden, dat hij nooit tegens de regelen, die d’ Aalouwde Waarschijnelike noemen, gegaan heeft. Zijn vergelijking der Dichtkunst, tegens d’inwerpende verzierselen, toonen genoegsaam de wonderen van dat heerlijk Vernuft, en op hoe veel wijze hij zijn geestige verdichtselen, aan alles weet toe te passen. In dit uitstekende stuk, is hij over al zijn zelve gelijk, en als een bruisende Zeeboezem, die nimmer verflaaud, maar toeneemt,* en zijn [fol. (A)5v] schuimende stroom in d’open Zee uitschiet. Alles is na de rechte maat, en regelkunstig aan een geschakeld; en ijder Persoon, die hij invoerd, ’t zy Christen of Heiden, wreed of barmhertig; goddeloos of vroom, zijn kleed en gedaante zoo wel aangetrokken, dat zij zelf in wezen, het niet beter zouden konnen uitbeelden. Ik wil geen getuigenisse van vermaarde Schrijvers, om des Poeets achtbaarheid een glans te geven, ophalen; Uw Ed. wakker en deurzichtig [fol. (A)6r] oordeel, dat ijder ding na de rechte maat keurd, en zonder enig vooroordeel, zelf de zaken zijner partijen, altijd na de waarde schat; zal ongetwijffeld, in ’t overwegen van de stoffe, wel zien, in hoe veel verscheide wetenschappen en kunsten dat geleerde Verstand is ervaren geweest. Zijn wijze Zedewerken, zijn vernuftige t’Samenspraken, en aartige beschrijving van den Edeldom, zijn daar onwedersprekelijke proeven genoeg af. Voor mij, ik beken, dat [fol. (A)6v] door’t vermaak, ’t welk ik in ’t lezen van zijn braven stijl, en onnavolgelijke gedachten, gehad heb, een gedeelte van mijn moeiten verzoet is. Het aaloud en deurluchtig Geslacht, daar hij uitgesproten is, heeft mij bewogen, om dit adelijk Werk, aan niemand, als aan een van de oudste Huizen in ons Land op te dragen; daar onder het uwe, mijn Heer, geensints het minste is, hebbende de aanzienelijkste Ampten van onzen Staat bekleed; en een lange rij van [fol. (A)7r] jaren herwaards een Lid der Ridderschap geweest; en wij hopen dat deze overouwde Stam, in Uw Ed. zijn Takken breeder zal uitbreiden, om die zelve diensten, aan dezen vereenigden Staat te doen, die Uw Ed. Voorzaten bij der Graven tijden, tot kosten van haar bloed en leven gedaan hebben. Waar van wij alreede merkkelijke proeven in u, mijn Heer, bespeuren; die den verzoekende gedienstig, den geringen beleefd, den armen milddadig, den rechtvaar- [fol. (A)7v] digen een Handhaver, en den Verdrukten een Voorstander zijt. En zoo het ooit gebeurde, dat de Christenheid, die nu t’ellendig verdeeld is, die selfde gerustheid en vrede, die GODEFROOY, en andere Christeprincen, beleefd hebben, quam te smaken, dan mogten UwEd. Nazaten, met andere edele Spruiten, op het voorbeeld van de doorluchtige Stammen der EGMONDEN en ARKELS, mede onder den Christelijken Standerd* optrekken, om onzen gezworen Erfvij- [fol. (A)8r] and, op nieuw, dat vermaarde JERUZALEM uit de klaauwen te rukken, en ’t geperste Christendom, van zijn dreigende sabel en slavernij te verlossen; waar toe ons d’allerdoorluchtigsten Staat van Venetie, zoo kloekmoedig, het spoor baand. Ondertusschen wil ik hier van den voortgang verhopen, en altijd blijven,

Hoogedele Heer,
Uw Ed. ootmoedigsten en
    verplichtsten Dienaar
Rotterdam, 1657.
    dezen XXX van Win-
    termaand,
J. DULLAART.



[fol. (A)8v]

Aan den
LEZER.

BESCHEIDE LEZER,
    Ik wil u het Werk van dezen beroemden Dichter niet aanprijzen, noch geen lange Voorreden maken om mij over mijne misslagen t’ontschuldigen; alleen wil ik u dat verwittigen, dat ik voor dezen, zoo nu en dan, somtijds een Versken gerijmd heb, na’et verstand dat mij gegeven is, en dat ik in een ledigen tijd, op het Land wonende, dit VERLOSTE JERUZALEM met vertalen voleindigd heb; na dat ik over vier of vijf jaren, eens een proef van het veertiende Gezang, daar op gedaan had, ’t gene mij zoo beviel, dat ik, tot mijn eigen vermaak, huwende Diane aan Apol, voor mij nam het te voleindigen, doch met geen voornemen van het ooit in ’t licht te brengen. Maar, gelijk het ge- [fol. (B)1r] meenelijk met de schriften als met de menschen gaat, die somtijds voor haar nemen dit of dat te doen, ofte zulk een persoon te gaan begroeten, daar van weerhouden worden; ’t zij dat haar op weg eenige goede bekende bejegenen, die haar elders leiden; of ’t zij dat eenige weerspoed haar in heur voornemen verhinderd. Altijd is ’t mij, of om veel beter te zeggen, mijn Vertaling zoo gegaan, die van eenige vrienden ben verzocht en geperst geweest (mogelijk om haar eigen zinlijkheid te voldoen) deze Overzetting in d’ongestuime Zee der lasteraers te zenden, en mijn gewaande Nachtuil in heldre Zonnestralen te doen komen. Vertaalders zijn veeltijds als hooge boomen en spitse bergtoppen, die van storm en onweer gebeukt en bevochten worden; want indien maar een woord wat duister vertaald, en na het verstand van eenige niet wel uitgeleid is, dan willen terstond sommige neuswijze Letterzifters den Overzetter villen en braân, en schelden hem voor een groven Plomperd, die noch de taal niet en verstaat, noch veel minder beqaaamheid heeft, om onze Nederlanders iets geestigs in te boezemen; en wanneer het, gelijk ’t spreekwoord zeid, eens op een toegrijpen komt, en datse het verbeteren zouden, dan staanze en zien als een Ezel die Wijwater gezopen, of een die de kaart vergeven heeft. Doch dezen aard van lieden zijn zoo onbeschaamd, datse zelfs de gaauwste Vernuften van ons land derven aanvliegen, en den beroemden VONDEL, die Virgilius, na ’et oordeel van veel geleerde Mannen, zoo heerlijk vertaald, [fol. (B)1v] en zijn geestige zwier zoo deftig uitgedrukt heeft, is ’er zelf niet vrij af geweest, en heeft moeten lijden dat zijn kunstige Vertalinge meenigmaal gehekeld en geroskamd is. Deze onbeschaamde maken niet eens het onderscheid dat ’er tussen twee verscheide talen is, en wanneermen de aartigheid der lettergreep wil uitdrukken, dat men dan zomtijds heel van woorden veranderen moet, om den zin een geestigen zwier te geven. Doch deze lasterzieke verbijgaande, wil ik u, bescheiden LEZER zeggen, eer datje my, of door een vooroordeel, of uit eenen aangeboren haat van geringe dingen te verachten, van verwaandheid moogt beschuldigen, dat ik zulk een heerlijk proefstuk der Poëzij heb darren aantarnen, zoo wil ik u maar zeggen, dat het mij gegaan is als haar, die aan een heerlijk opgedischte tafel zitten, en lekker wildbraad, voor mager zenuwachtig ossenvleesch, keuren; en hoewelze met een boersse hand ongewoon zijn die edele leden, na den eisch, t’ontleden, en hier en daar slechts een stuk uitscheuren en plukken, ’t gene haar echter zoo wel smaakt, als of het met de afgerechte hand van een kunstig voorsnijder ontleed was; alzoo heeft mij TASSO, onder veel beroemde Dichters en Poëten, de beste aangestaan, dies ik hem uitgekipt heb, om mijn honger, of wel eer lust, te verzadigen; en schoon ik hem in onze Nederduitsche taal juist niet na behooren gehandeld heb, echter heeft dat niet belet mij in mijn vermaak te vergenoegen. Oordeeld dan heus van hem, die noch van Poëzy, noch van ver- [fol. (B)2r] taling, zijn gewoonte maakt, en dit door andere beletselen belet is, om de voorbegange misslagen te schaven en te vijlen. Keerd ondertusschen de Drukmisslagen ten besten, en vergenoegd u met de heerlijke gedachten van den beroemsten Poéet zijner Eeuw.



[fol. (B)2v: portret met onderschrift]
Dit’s Tassos beelt, Apolloos grootste zoon,
    die Goddlyck zong van oorlog en van minne[n]
Hij hadt Virgiel berooft zyn Lauwekroon,
    Hadt razernij hem niet berooft van zinnen.

Crisp. de Pas delin.




[
fol. (B)3r]

Kort Verhaal van

TORQUATO TASSOOS

Leven.

INDIEN de brave hoedanigheden van de geboorte en de ziel, zelden op den trap van volmaektheid t’samengevoegd zijn, dan zal men wel weinig menschen vinden die, die zoo volkomen bezeten hebben als TORQUATO TASSO. Zijn Vader BERNARD genaamd, zoo wel door zijn wetenschap als deugd beroemd, was van het geslacht van TORRE, ’t welk een van de deurluchtigste Huizen van Italien is. Zijn Voorouders waren een geruimen tijd Heeren van verscheide Steden van Lombardijen, en zelf van het Hartogdom van Milanen. Maar eindelijk, na datse verdreven waren door de genen, die seder Markgraven geweest zijn, vertrokkenze in den berg TASSO, tussen Komes en Bergamo gelegen, daar van zij die heerlijke naam, die haar dooral de wereld bekend heeft ge- [fol. (B)3v] maakt, ontleenden. Het vervallen van het Huis van Ferrant Sanseverijn, Prins van Salerne, verbonden Bernard, die zijn geheimschrijver was, hem tot Napels te begeven, daar hij eenigen tijd daar na, met PORCIA de ROSSI, een Juffrouw van doorluchtigen Huize, en die de Moeder van Torquato was, trouwden. Hij wierd van haar geboren in ’t Jaar MDXLIV, den elfden van Lentemaand, ontrent den middag, gelijk hij zelf getuigd in een brief, die hij aan Askaan Mori geschreven had. Surrento was zijn geboorteplaats, daar hij den heiligen doop ontfing, en den beroemden naam van Torquaat heeft hij meer achting door zijn geschriften gegeven, als d’aaloudheid aan die van Manlius, die hij tot vergelding van zijn dapperheid voerde. Een weinig hier na, droegen zijn Vader en Moeder zorg om hem tot Napels te doen vervoeren, daar hij, geduurende zijn kindsheid, opgevoed wierd. In ’t begin van zijn jaren zag men hem zoo ongemeene dingen doen, dat zoo veel als voorteikenen van zijn edele geest waren. Want hebbende naauwelijkx den ouderdom van zeven maanden bereikt, begon hij verscheide woorden zonder stamelen, gelijk als andere kinderen gewoon zijn, uit te spreken: ja zoo ver, dat men gezeid zouw hebben dat hij wel ter sneê antwoorden op ’t gene hem gevraagd was, en ’t gene hij wilde uitdrukken. Men zag hem niet als zelden lachen, of schreijen; en het scheen alreede dat hij [fol. (B)4r] in die teere jeugd, van zijn zelve deed, al’t gene zijn Vader en Voester van hem zouden kunnen begeren. Hij had zoo grooten en schrandere geest, dat zijn genegendheid hem van zijn derde jaar, natuurlijk met de andere kinderen na de schole dreef. Hij had Jan d’Angeluzzo tot Meester, een man van middelbare geleerdheid maar van uitstekende vromigheid; dien zijn Vader de zorg beval, hebbende een reize in’t Hof van Keizer Karel de vijfde te doen, met den prins van Salerne. Wederom van Napels gekomen zijnde, bevond hij dat zijn Zoon in de letterkunst genoeg ervaren was, om hem in de openbare scholen te oeffenen; ’t welk hem bewoeg, om hem in de vergadering der Jezuijten te zenden, daar hij zoo wel toenam, dat hij in weinig tijds, volkomen de Latijnse taal leerden, en een goed gedeelte van de Grieksche; zulkx dat hij op zijn zevende jaar, verscheide maal in ’t openbaar, redenen en gedichten op zijn wijze uitsprak, tot groote verwondering van die het aanhoorden. Maar het ongeluk wilde dat zijn Vader gedwongen wierd uit Napels te trekken, om den Prins van Salerne in zijn quade fortuin te vergezelschappen, en dat Torquato in zijn eerste jaren, in deze ballingschap hem vergezelschapten; daar Bernard en hij toe veroordeeld, en voor wederspannige, door openbaar gebod, verklaard waren. Hij ging dan na Roome met zijn Vader, die hem te jong achte, om de moelijkheid van zoo langen reis te [fol. (B)4v] verdragen, die hij na Vrankrijk met den Prins ging doen, beramende hem in deze beroemde Stad te laten, onder het opzicht van Maurits Kataneus, Edelman van Bergamo, op dat hij door zijn middel de geschiktheid der goede zeden, bij die van de menschelijke brieven mogt voegen. Gelijk hij in der daad hem zoo bequaam maakte, dat boven dien hij volkomen de zeden door het voorbeeld van Kataneus leerden, hij hem bevond op zijn twalefde jaar alreede te kunnen, d’aanlokkelijkste tuchten, als de kunst van iemand iets in te boezemen, van vaarzen te maken, en van te redenkavelen; daar hij de kennisse van verkregen had, door het lezen van verscheide Grieksche en Latijnse Schrijvers. Ondertussn vernam zijn Vader, die in zijn wederkomst uit Vrankrijk in Italien, hem in het Hof van Wilhelmus Gonzagues, Hartog van Mantua, begeven had, de dood van Porcia de Rossi, zijn Huisvrouw; die hem uitnemende gevoellelijk was. Eindelijk verzafte deze bitterheid, door het wonderlijk vergenoegen dat hij had in’t zien, dat zijn Zoon meer en meer in de loopbaan der eer, kunst en deugd, toenam. Om hem noch meerder aan te prikkelen, beraamde hij hem na Padua te zenden, om in de Rechten te studeren, in ’t gezelschap van Scipio Gonzages, die seder Kardinaal wierd, en een van de bezonderste vrienden van Tasso; van wiens vriendschap hij verzekerde proeven ontfing, in verscheide klinkdichten, die tot zijn lof gemaakt waren. [fol. (B)5r] Gelijk hij van een vierige natuur was tot de geleerdheid, vorderden hij zoo wel, dat hij op zijn zeventiende jaar, de waardigheid in de Rechten, Filozofije en Godgeleerdheid nam, en openbaar werk van deze kunsten maakten, tot groote verwondering van de Geleerde der hooge Schole van Padua. Maar het jaar daar na was geheel Italien noch veel meer verwonderd, zijn heerlijke Poëzij, REINOUT genaamd, te zien, ’t gene hij bij na tegen zijn dank in ’t licht gaf, om dat zijn Vader niet wel vergenoegd was; en niet en deê als om den Kardinaal van Est te believen, die hij ’t toeëigende. Door dit wonderlijk proefstuk van zijn geest, ’t gene hem in de algemeene achting van de geleerdste mannen, van zijn tijd, bragt, en door de geduurige brieven die hij ontfing, maar veel meer door de natuurlijke genegendheid die hij had om vaarzen te maken, liet hij zich geheel tot de geleerdheid der Poëzije en der Filozofije vervoeren, op het voorbeeld van Petrarcha en Bokatius. En om beter tijd te hebben, verliet hij het gebruik van de Rechten, en ging na Boulonje; daar de voornaamste Heeren van de stad, en de geleerde van de hooge Schole, middel hadden gevonden om hem daar te trekken, op het verzoek van den Onderlegaat, Peter Donato Cesi, die seder Kardinaal wierd. Daar bragt hij eenigen tijd door in hem t’oeffenen in alderhande wetenschappen, der hooge en openbare Scholen; zulkx dat ’er geen stof, hoe moejelijk datse was, [fol. (B)5v] of hij overleize vieriglijk, om daar in verlicht te worden, voornamentlijk het geen de Poëzij raakten, gelijk hij zelf getuigd in zijn eerste Boek der Heldendichten. Maar deze wonderlijke aangenaamheid van geest, die men in zijn ommegang bespeurden, veroorzaakten dat Scipio Gonzages, de waardste van zijn vrienden, om zijn afwezen verdrietig zijnde, hem uit al zijn ziel bezwoer, dat hij zich uit het geraas van Boulonje zouw begeven en weder te Padua komen, om met hem gerust te leven in de zoetigheid der geleerdheid: ’t welk hem Tasso zeer gaarne toestond, dit niet eerlijk kunnende weigeren, noch aan haar gemeene vriendschap, noch aan zijn eigen geest, die hem natuurlijk een stil leven deed beminnen. Hier was ’t daar hij zijn t’samenspraak begon te schrijven, met zoo een zuiveren stijl, en vermenging van zoo zoete en aangename gedachten, dat het niet mogelijk is die te lezen zonder te roemen. Zoo schrander was hij om den Filozoof met den Poéet te doen evenaaren. Hier maakte hij ’t ontwerp van zijn JERUZALEM, en stelde de grondvest, van den lof die hij voor hem nam aan den Huize van Est, in die goddelijke en onnavolgelijke Poëzij te geven. Daar hij hem zeker toe verplicht vond, door de grootmoedige genegendheid, die hem den Kardinaal Louijs en Alfonsus den tweeden, laaste Hartog van Ferraren, toedroeg, en die beide om strijd haar best schenen te doen, om hem blijkelijke [fol. (B)6r] kenteikenen van beleefdheid, achting en goede wille te geven. Ondertussen besnoeide hij scherpzinnig zijn genegendheid tot deze twee broeders, die hem eindelijk baden dat hij zich te Ferrare wouw komen neêrslaan; zulkx dat hij ’er na toe ging om haar te vergenoegen, hebbende noch maar den ouderdom van tweeentwintig jaren bereikt. Hij wierd van den Hartog met zoo veel eer en zoo veel blijkelijke proeven van zijn vriendschap ontfangen, dat ’er geen twijffel aan is, dat de grootmoedigheid van dezen Prins, de ongemeene verdiensten van dezen grooten man niet zouw beloond hebben, zoo de quade star, die hem seder op een vreemde wijze vervolgden, nu door ziekten van ’t lichaam, dan weder door die van de geest, haar niet wreedelijk tegen zijn rust en zijn goed geluk, gesteld had. In het Paleis van dezen Prins, het gene een beschermplaats en een Parnas voor zijn Zanggodin was, vorderde hij zeer zijn JERUZALEM, en maakten het eerste deel van zijn Mengelwerken in Vaarzen en in Proze, die men wel haast daar na drukten, tot groot vergenoegen van de gaauwste geeften die in Italien waren. ’t Gebeurden hier na dat de gelegendheid zich aanbood om een reis in Vrankrijk te doen, daar hij den Kardinaal Louijs, die van den Paus Gregorius de Xlll gezonden wierd, in de hoedanigheid van Edelman in vergezelschapten. Geduurende de tijd dat hij in’t Hof was, ontfing hij baarblijkelijke teikenen van de grootshartig- [fol. (B)6v] heid van Karel de negende, en van de bijzondere achting die hij van goede brieven maakten. Want boven dien dat hij de wonderlijke lichtigheid roemde die hij in ’t maken van de Vaarzen had, en het verstandig spreken van alle dingen, zoo oordeelde hij zich verbonden te zijn die groote lof t’erkennen, die hij aan zijn Landaard gegeven had in d’overwinninge van Godefrooy. Na dat hij eenigen tijd in Vrankrijk geweest had, vertrok hij in ’t gevolg van den Kardinaal, die hem weder recht na Ferraren brogt, daar den Hartog uitermaten verheugd was in hem weder te zien, en op nieuw proeve van zijn goede genegendheid gaf. Te zijner aankomste verbond hem de eerbare ledigheid, die hij zoo beminde, zich weder tot de geleerdheid te begeven, zulkx dat hij den vollegende winter zijn AMINTAS, of zijn Veldverciersel maakte, ’t gene vertoond wierd, en met algemeene lof en handgeklap toegejuicht. En zeker het was niet zonder reden, dat zoo een volmaakten werk, de ooren en de geest, van die het aanhoorden, betooverden. Want het wel overwegende, zal men bevinden, dat het een Poëzij is, die in al zijn deelen is volmaakt; dat zijn Maker d’ondervinding niemand als aan zijn zelven schuldig, en dat de stoffe zoo heerlijk is, dat hij in die zwier van schrijven roemen mag, d’aalouden en de tegenwoordige te boven gegaan hebben. Dit toond zich klaar genoeg in de werken van Theokritus, Virgilius, [fol. (B)7r] Sannazarius en andere Poëten die Harderskouten gemaakt hebben, men zalder niet een volmaakt verziersel in vinden, dat’s te zeggen daar de daad geheel is geweest, de tijd opgemerkt, den band t’zamengevoegd en ontknoopt gelijk ’t behoord, en het geheele werkstuk in meenigte vervuld, ’t welk de noodwendige partijen zijn, en zonder de welke men niet zeggen kan dat een Poëzij in zijn palen is. Hij maakte dit Proefstuk op zijn negen en twintigste jaar, ’t welk een rampzalig jaar voor hem was, in het welke hem de schoonheid van een groote Juffrouw heimelijk ontfonkten, met het schoonste van al het lijden. Uit deze hevige liefde, die hij in ’t diepst van zijn hart zocht verburgen, en in de stilte begraven te houden, vermits dat het voorwerpsel ’t gene hij beminde boven zijnen staat was, groeiden in hem, gelijk als in een tweeden Ovidius, zijn eerste ongelukken die zijn andere onheilen mede rukten. Evenwel wat moeiten dat hij deê, om het geheim van zijn liefde alleen bij hem te behouden, echter kon hij ’t zoo wel niet doen, dat m’er niet eenige gissinge door zijn vaarzen uit trekken kon; daar hij dikmaals de naam van Eleonoor verhaalden, dat men ’t daar voor hield, dat de Juffer die hij diende zoo genaamd was. ’t Is waar, om dat ’er in ’t Hof drie Eleonoraas van uitnemende schoonheid waren; daar van de eerste de zuster van den Hartog Alfonsus was, de tweede, dochter van den Graaf van Sala, en de dar- [fol. (B)7v] de een Staatjuffer van de Princesse Eleonora van Est, zoo kon men niet wel te recht oordeelen wie dat van de drie het bezonderste van hem bemind was. De Hovelingen niet te min, die door een gedreven haat en afgunst, zijn daden verspieden, hielden ’t onder elkanderen, dat hij de Princes Eleonoor van Est beminde, die nimmermeer de grootheid van haar moed onder de wetten van iemand had willen buigen, en altijd het trouwen geweigerd had, en gerust in het gezelschap van Princes Lucrees, haar oudste zuster, leefde. Maar wat gevoelen dat men van zijn verburge lijden had, het is zeker dat hij eenige jaren genoegsaam vergenoegd, en in zijn liefde te vreden was. In dezen tijd, die de geruste en het beste van zijn leven was, voleindigden hij zijn JERUZALEM, ’t gene men hem uit de handen rukten om het geheel in den druk te brengen. Want naauwelijkx had hij eenige Gezangen gemaakt, of de Boekverkoopers lieten die terstond tegen zijn wil drukken, en zonder hem de tijd te geven van die te overzien. Om wel van de verdiensten van zoo heerlijken Werk te oordeelen, zal het genoeg zijn maar te zeggen, dat zoo haast als het gedrukt was, de faam de wonderen daar van door de geheele Wereld verbreide. Daar onwedersprekelijke proeven af zijn de Vertalingen, die daar van in verscheide talen gedaan zijn, gelijk als in ’t Spaans, in ’t Frans, in ’t Turkx, en zelf in ’t Arabisch. [fol. (B)8r]
    Maar gelijk een groote stilte gemeenelijk van een groot onweder gevolgd word, zoo gebeurden ’t dat het goed geluk van Tasso, door de dood van zijn vader Bernard verstoord wierd, die hij op zijn dartigste jaar verloor. Bij dit ongeluk wierd twee jaar daar na, een ander gevoegd, ’t gene veel grooter was, en hem toe quam door de trouwloosheid van een Edelman van Ferraren. Dezen ongetrouwen vriend, die hij zijn verburgenste gedachten pleeg te openbaren, hem een eerlijk man en zijn eer waardig achtende, was zoo qualijk beraden, dat hij eenige bezonderheden van zijn liefde, die hij hem in ’t vertrouwen gezeid had, aan den dag brogt. Het welk Tasso bericht zijnde, hem hier over uitschol; en ziende dat hij tot zijn onschuld niet een waarschijnelijke reden bijbrogt; ja zoo ver, dat hij door zijn gelaat betuigden hem daar weinig mede te bekommeren, zoo verstoorden hem deze lichtvaardigheid zoo zeer, dat hij zich niet weêrhouden kon van hem een klap te geven, zelf in de zaal van den Prins. Den gehoonden Edelman wilde de hand niet aan ’t zwaard slaan, om dat hij in ’t huis van den Hartog was; maar ging daar terstond uit en liet Tasso uitdagen. Dit lijfgevecht begon door een bedrog, dat hem zijn vijand deê, die zoo haast niet in ’t veld gekomen was, of drie van zijn broeders vlogen toe om hem te helpen. Tasso haar ziende aankomen, verloor, noch het oordeel, noch de moed niet, maar in tegendeel verdubbelden [fol. (B)8v] zijn dapperheid in ’t gevaar; en hoe wel hij met vier te doen had, echter liet hij niet na zich wel te verweren en twee te quetsen; en mogelijk zoude hij de andere mede zoo gehandeld hebben, zoo daar geen volk was aangekomen die haar gescheiden had. Deze daad eindigden met de vlucht van de vier gebroeders, die seder gebannen wierden, en al heur goederen verbeurd verklaard. Aangaande Tasso, hij was van deze daad niet eens onsteld, die hij als een man met eeren gedaan had, en vertrok zich in zijn gewone Herberge, daar den Hartog zijn Meester hem wachten bestelden, om hem het uitgaan te beletten, en hem voor zijne vijanden te bevrijden, die hij wist dat machtig waren. Maar hij, die de meining van den Prins geheel anders uitley, ging hem inbeelden dat hij hem veel eer gevangen hiel, om hem van de verwaandheid van zijn liefde te straffen, als om de reden dat hij gevochten had. Dit dan in zijn geest gedrukt hebbende, joeg hij zijn zelve een schrik aan, en nam voor hem om heimelijk zijn wachten te ontsluipen. ’t Welk hem zoo wel gelukten, dat hij middel vond om onder de gunst van de nacht, uit Ferraren te vluchten; hij ging recht na Turin, daar hij voor hem nam een andere naam als de zijne te voeren, die hem door al de wereld bekend maakten. Evenwel kon hij niet lang verburgen blijven, om dat hem eenige vaarzen ontslipten die hem ontdekten. ’t Welk d’oorzaak was dat den Hartog [fol. (C)1r] hem terstond deê zoeken, en dat hij hem eerwaardig in zijn Paleis ontfing, daar hij hem huisvesten. Maar wat onthaal dat hem de voornaamste van het land deden, die door haar aanbiedingen en bezoekingen, hem alle betoonden in wat achtinge dat zij hem hadden, evenwel was hij altijd in een ongerustheid, en wreedelijk gepijnigd van twee onbewegelijke Tirannen, dat de Droefheid en het Wantrouwen was. Ook lietenze hem niet lang toe van deze gunsten van dien edelmoedigen Prins te genieten, en hem uit het Hof van den Hartog deden vertrekken, om te Roome te komen. Hij begaf zich dan alleen op den weg, en leê veel in deze reize, ter oorzake van zijn ongezondheid, en van de verburge ongenuchten die hij in de ziel had. Eindelijk na dat hij ’er gekomen was, wilde zijn goed geluk, dat hij daar gehouden wierd in het Paleis van den Kardinaal Albano, om daar te wonen met Maurits Kataneus, zijn oude vriend, in het zelfde huis daar hij zijn kindsheid in deurgebracht had. Hij wierd van d’een en d’ander, met alle betuigenisse van genegendheid ontfangen; en het is niet te gelooven hoe aangenaam dat zijn komst te Roome aan al het volk was. Geduurende den tijd dat hij daar verbleef, ontfing hij ongemeene eertekenen, van al het volk van staat, en daar was niemand, zelf tot de geringste lieden toe, die niet toeliepen om zijn aangezicht t’aanschouwen, zoo veel macht heeft een groote deugd, om zich van al de Wereld te doen prij- [fol. (C)1v] zen, en van de gene zelf die die maar in schijn bekennen. Eindelijk hebbende eenigen tijd te Roomen in den openbaren lof en toejuichingen doorgebrogt, nam hij voor te vertrekken, en na Surento zijn geboorteplaats te gaan, om eenige van zijn vrienden te bezoeken, en voornamelijk zijn zuster Kornelia. Hij vertrok dan terstond, onder deksel van een speelreis na Frescati te doen, daar hij op een avond uitging, en gedwongen was de nacht in de hutten van eenige harders door te brengen. Zijn droevigen aard, die van oogenblik tot oogenblik hem eenige nieuwe argwaan verbeelden, deê hem beramen van kleederen te veranderen, zulkx dat hij des anderen daags ’s morgens, hem vermomden met de kleederen van een van zijn waarden. In deze toerusting, die hem voor een Apollo zouw hebben kunnen doen doorgaan, toen hij de schapen van Admetus hoeden, vervolgden hij zijn weg te voet, en ging al slepende voord, met groote moeiten tot Gajette, om dat hij deze moeilijkheid niet gewoon was. Hier bij geluk een schip vindende dat na Surento toe wilde, begaf hij zich t’scheep, en na dat hij al de nacht gezeild had, quam hij des anderen daag ’s morgens in de Stad. ’t Eerste dat hij te zijner aankomste deê, was na ’et huis van zijn Zuster te gaan, en hem aan haar bekend makende, veroorzaakte, het onverwacht gezicht van zoo goeden Broeder, die zij met al haar hart beminde, de grootste vreugden die zij ooit van haar le- [fol. (C)2r] ven ontfangen had. Nu hoewel de schoonheid van ’t seisoen en het vermaak van de plaats, machtige aanlokselen genoeg waren om Tasso daar te houden, zoo nam hij voor hem, daar eenigen tijd in het gezelschap van zijn Zuster te blijven. Maar het gebeurden dat op het einde van drie maanden, Princes Eleonoor van Est, die door de zonderlinge zorg, die zij voor de dingen die hem raakten droeg, alle zijn gangen en komsten wetende, hem schreef dat hij wederom te Ferraren zouw keeren. Het welk de oorzaak was, om het gebod van haar na te komen, dat hij ’er voor de driede reis ging, met zijn gewone versaagdheid. Het onthaal dat hem die van het Hof deden, was veel prachtiger als voordeelig voor hem. Zulkx dat zijn ongezondheid en ongenuchten meer als ooit te voren toenamen; en om reden, daar men nooit de waarheid af heeft kunnen weten, hem weêr nieuwe ongunsten veroorzaakten. Want het gebeurden eindelijk, door de listigheid van zijne vijanden, dat den Hartog zijn ooren leenden aan de quade indrukselen die men van hem gaf; dat hij hem liet wijs maken; dat in zijn wijze van leven valscheid en zotheid vermengd was; en om hem niet in het vergenoegen van dienstbare geesten te zien, schreef hij zijn statigheid aan d’opgeblazendheid toe, en dat hij leê dat zijn werken van zijn haters veracht wierden, die de kladde namen, en het onvolmaakt en vol misslagen lieten drukken. Alle deze dingen t’samengevoegd, waren [fol. (C)2v] de oorzaak, dat hij na een geduurige dienstbaarheid van dertien jaren, zijn boeken en zijn geschriften verliet, om als een anderen Bias te gaan daar het geval hem geleiden. In deze reize trok hij van Mantua na Padua, en van Padua na Venetie; daar hij geen meer vertroostinge als elders vindende, in het zesendartigste jaar zijns ouderdoms in het Hof van den Hartog van Urbin was. Gelijk als dezen Prins hem zeer achten, ontfong hij hem deftig in zijn Paleis, en hield hem daar eenigen tijd; daar in hij hem eindelijk ried, hem niet moedwillig te versteken van de vergeldinge die men aan zijn verdiensten schuldig was, en wederom na Ferraren te keeren. En in der daad nam dit Tasso aan; die zoo haast daar niet gekomen was, of men maakten den Hartog wijs, dat hij meer als ooit te voren aan lichaam en geest ziek was, en dat zijn quaal van dag tot dag vermeerderden; dies hij met kracht van hulpmiddelen verzoeken wilde, of het niet mogelijk zoude zijn om hem te genezen. Hij beraamden hier op om hem in het Gasthuis van sint Anna te brengen; op dat’er de Geneesmeesters meer zorg voor zouden dragen, en hem een bequame vertrekplaats met wachters geven, om te beletten dat hij niet uitging; om dat hij van een natuur was, die zich niet gaarne de hulpmiddelen, noch de geboden der Geneesmeesters, onderwurp.
    Verscheide dingen hulpen tot de oorzaak van zijn quaal, daar de voornaamste zijn droevigen aard, zijn [fol. (C)3r] ballingschap, het verlies van zijn goederen en vrienden, en de trouwloosheid van zijn gewaanden vriend, af waren; ook het geheim van zijn ontdekte liefde, zijn gevangenis, de lagen van zijn vijanden, zijn ongunst bij zijn Meester, zijn geduurige ongenuchten, zijn hardnekkigheid tot de geleerdheid, en het bedrog van zijn haters, in zijn schriften aan den dag te brengen. Zijn treurigheid was een zwaarmoedige ziekten, veroorzaakt door een quade hoedanigheid van geesten, of door de dampen van die zwarte vochtigheid, die in ’t brein opstijgen, zonder de zelfstandigheid te bederven. Men moet het dan mijmeringe en geen razernij heten, gelijk hij ’t zelf in eenige plaatsen van zijn Werken noemd, daar hij zeid; Dat al de qualen van de Wereld hem verdrukken, dat hij zijn geheugenis verloren had, en dat zijn razenden aard somtijds op het uiterste is van in zotheid te verkeeren. Maar daar zijnder die zeggen dat het, noch ’t eene, noch het andere was, maar veel eer een betoovering, geen schijn hebbende dat een mensche die zich door zijn geschriften beroemd maakten, een verkeerd gevoelen en verwerde geheugenis hebben zouw. Hoe’t ook zij, hij bekende zelf betooverd te wezen, en zoo veel geen Geneesmeester als een Priester van doen te hebben om hem t’ontooveren. Ik voeg hier ook bij, dat hij in verscheide van zijn brieven aan zijn vrienden geschreven, hem zeer beklaagd over een mallen of een quel- [fol. (C)3v] geest, die zijn koffers openende, het geld daar uit nam, en al zijn boeken omwierp, en hem des nachts beletten te slapen. Gelijk hij in tegendeel had, of zich inbeelden te hebben, een anderen geest, die hij zijnen goeden geest noemden, zoo gelijk als hij hem inde t’Samenspraak der Bode beschrijft, die dikmaals voor hem verscheen, zoo als hij zeid; hem in zijn verdrukking vertroostende, en gemeenzaam onderhoudende in de grootste en verburgenste wonderen der natuur. Dit waren dan de voomaamste oorzaken van Tassoos ziekten, die om de waarheid te zeggen voor zwaarmoedigheid, en niet zotheid mogten deurgaan, zoo hij geen schijn gemaakt had om eenige bijzondere redenen. Hij ondertussen moede zijnde van zoo lange in ’t Gasthuis van de heilige Anna te wezen, bad hij den Hartog van Ferraren medelijden met hem te willen hebben, en uit deze slavernij te verlossen. Maar ziende dat hij hem, noch door zijn brieven, noch door zijn vaarzen bewegen konde, begon hij hem opendlijk te beklagen van het ongelijk dat hij hem aandeed, ja zoo ver, dat hij aan den Paus Gregorius den dertienden, aan den Keizer Rudolfus, aan den Hartog van Florencen, aan den Kardinaal van Est, en aan verscheide andere Princen van Italien schreef. Eindelijk na dat hij wonderlijk van een heete koorts genezen was, geschieden ’t gelukkig voor hem, dat den jongen Prins van Mantua, te Ferrare ter Bruiloft zijnde, van den edelmoedigen [fol. (C)4r] Prins Cesar van Est, en Virginia de Medicis, na veel gebeden zijn verlossing bemiddelden. Men haalden hem dan uit het Gasthuis van sint Anna, om hem in ’t Paleis te leiden, daar hij den herrefst doorbrogt, en seder na Mantua vertrok, daar hij na de dood van den Hartog Wilhelm, van den jongen Prins, die hem uitnemende beminden, in zijn Paleis gehuisvest wierd, en toonden hem alle bedenkelijke gunsten, om hem te verplichten niet uit zijn Hof te vertrekken. Maar zijn ongezondheid, die hem niet een oogenblik rust gaf, bedwong hem van lucht te veranderen en na Bergamo te gaan, in het drieenveertigste jaar van zijn ouderdom. En door dien dat hij hem inbeelden over al gevangen te zijn, behalven te Roome, vertrok hij daar weder heen, en was daar zoo wel niet vergenoegd als op andere tijden; om dat hij zijn gedachten nergens op zetten, als op de reize die hij na Napels, met verlof van den Onderkoning waande te doen. Hij dat door middel van zijn vrienden verkregen hebbende, begaf zich terstond op weg, en quam daar met zijn gewone zwaarmoedigheid, zonder dat de zuiverheid des luchts van ’t land, noch de verburge krachten der badstoven, machtig waren om hem te genezen. Maar terwijl dat hij bezig was om zijn werken t’overzien, en een rechtzaak, die hij te Napels had, te vorderen, rakende een versterffenis, die hij oordeelden hem toe te komen, gebeurden’t dat den Graaf van Palene, door de won- [fol. (C)4v] dere wetenschappen van zijn verstand verrukt, hem deê beloven eenige maanden lang met hem deur te brengen, en hem een huis dicht bij ’t zijne gaf, om hem met meer gemak te bezoeken. Maar door dien hij seder wist, dat den Prins van Consa zijn Vader, dat niet goed en vond, uit vrees dat men niet zeggen zouw, dat zich den jongen prins verongelijkten hem van Tasso te dienen, wiens Vader de voornaamste vertrouwling van den Prins van Salerne geweest had; was dit de oorzaak, om den Vader en Zoon niet tweedrachtig te maken, dat hij voor hem nam door zijn afwezen daar in te verzien, hem hier in met de gelegendheid behelpende, die zich aanbood om na de Stad Bisaccio, in het gezelschap van Jan Baptiste Manso, die daar Heer af was, te gaan. Hier bragt hij eenigen tijd door in het gezelschap van zijn vriend, met dewelke hij weder te Napels quam, om achting op zijn zaken te geven. Zoo haast als hij die in stand gesteld had keerden hij wederom na Roome, ’t welk zijn vierde reize was, om door middel van Kataneus eenige van zijn goederen weder te verkrijgen, die te Bergamo in handen van twee of drie van zijn vrienden waren. De gunsten die hij van Paus Sixtus ontfing, hielden hem daar eenen geruimen tijd, die hij voornam te gebruiken in ’t maken van eenige t’Samensprekingen, en verscheide Vaarzen tot lof van zijn Heiligheid.
    [fol. (C)5r] Geduurende deze dingen liet Ferdinant, groot Hartog van Toscanen, komende in zijn Broeders Francois plaats, een groot getal van uitnemende mannen in zijn Hof komen, zijnde zeer begerig om den genen ook te trekken, die hij voor dezen te Roome gekend had, toen hij noch Kardinaal was. Hij gebruikten hier toe vele middelen, en zelf ook het gezag van den Paus, aan den welken Tasso beloofden daar voor eenigen tijd te gaan wonen. Daar gekomen zijnde, wierd hij grootelijkx van den Hartog en van al den adel verwellekomt. Maar wat goed onthaal dat men hem doen mogt, het was al niet magtig om hem te vergenoegen, om dat hij altijd den geest te Napels had, daar hij zich beloofden t’eeniger tijd van zijn goederen te leven, en het overige van zijne jaren in vreugden door te brengen. Deze hoop en begeerten die hij had van zijn zaken eens ten einde te zien, deden hem den Herfst daar na van Florence vertrekken. Maar eerst nam hij oorlof van den grooten Hartog, die hem met gunsten en rijke giften ophoopten, daar hij evenwel maar een klein gedeelte van nam, gelijk dat zijn gewoonte was. Alzoo ging hij in’t zesenveertigste jaar zijns ouderdoms, voor de vijfdemaal na Roome, daar hij dikmaals raad kreeg van den stand zijner zaken, en daar hij niet als een slotvonnis van verwachten. Maar het aanhouden van den Graaf van Palene, wiens Vader gesturven was, en hem het ampt van groot admiraal na liet; riepen [fol. (C)5v] Tasso weder tot Napels, in het Paleis van dezen jongen Prins. Hier begon hij het Gewonnen JERUZALEM, en het voleindigd hebbende in het huis van zijn vriend Manso, deê hij ’t seder te Roomen drukken, hier toe verzocht zijnde van den Kardinaal Aldobrandini. Hier begon hij zelf zijn goddelijke Poëzij der Zeve Dagen, dat hij onvolmaakt liet, en desgelijkx zijn t’Samenspraak der Vriendschap.
    Maar terwijl dat de aangenaamheid der geleerdheid, en de ommegang van zijn vriend, veel van zijn qualen verzachten; zoo verwekten hem de fortuin, die hem altijd tegen geweest was, de gelegendheid om uit die haven te gaan om hem in nieuwe stormen te begeven. Want het gebeurden dat in die tijd, als den Kardinaal Hippolijtus Aldobrandini, tot oppersten Paus verkoren wierd, en gebijnaamd Klement de achtste, zijn neef Cinthio, tot Tasso zond, en hem liet bidden dat hij te Roome zouw komen, om in zijn gezelschap te leven, met de zelve vrijheid van geest die hij elders hebben mogt. ’t Welk hemTasso niet eerlijk kon weigeren, om dat hij wel verzekerd was, wat die Prins verdiende, en dat hij hem altijd een goede genegendheid had toegedragen, volgden hij hier in zijn genegendheid en den raad van zijn vrienden. Ziet hier deè hij dan een zesde reis na Roome, daar hij met groot handgeklap van het geheele Hof ontfangen wierd, voornamentlijk van Peter en [fol. (C)6r] van Cinthio Aldobrandini, neven van den Paus, die hem terstond aan zijn Heiligheid vertoonden, doende allebey om strijd haar best, om hem de braafste proeven van gunst, van mildadigheid, van beleefdheid en genegendheid te toonen. Ondertussen weet hij niet hoe hij zich bij haar dragen zal, en zijn vriendschap zoo wel niet kunnende besnoejen, of hij gaf veel grooter proeven aan Cinthio als aan zijn neef, die hij evenwel zijn geleerd gesprek van de Heldendichten, ’t gene bij na de regel en de maat van zijn VERLOSTE JERUZALEM is, opdroeg. Echter zag hij wel dat de eene en d’andere niet even tevreden waren; ’t welk hem in een grooter zwaarmoedigheid als te voren dompelden, door de ongenuchten die hij ontfing, om dat hij de oorzaak van de twist tussen deze twee Kardinalen was.
    Onder deze ongenuchten van zijn geest, vertoonde zich de groote stilte daar hij zich te Napels pleeg in te verheugen, dies nam hij voor hem daar weder na toe te keeren, met het verlof van den Paus en de twee Kardinalen zijn vrienden, die niet als met groot leedwezen dit toestonden. Hij trok ’er dan na toe voor de vijfde reis, in het vijftigste jaar zijns ouderdoms, en herbergden in het Klooster van sint Severijn, om in volkome vrijheid te zijn, en zijn geest geheel te bezitten. Hij had in der daad eenigen tijd in zoo veel vermaak deurgebrocht, dat hij alreede vast gesteld had nimmermeer daar uit te trekken; [fol. (C)6v] wanneer den Kardinaal Cinthio, die niet zo zeer begeerden, als op het spoedigste een man van die verdiensten wederom te zien, om hem te betoonen hoe zeer hij hem beminden, den Paus en den Raad bad, hem in het volle Kapitool, in triumf, met de Lauwrierkroon te willen verheerlijken; ’t welk den Paus goed vindende, liet uitroepen, welk gebod terstond door de onderhouders daar van, wierd verkondigd en Tasso verwittigd, dat hy spoedig zich na Roome zouw begeven, om die eer, die hij waardig was, t’ontfangen, en van stip tot stip doen ’t gene noodzakelijk voor deze pracht zijn mogt. Maar hy, die zich nooit met de eergierigheid prikkelden, verklaarden grootmoedig aan alle zijne vrienden, dat hij zoo moede was van ’t reizen, en aan het Hof te wezen, dat alle de eer en prachtigheid van Roome, by de waardy van de eenzaamheid, hem droomen, of onverdragelijke lasten schenen te zijn. Evenwel hoe hardnekkig dat hy zich geliet in niet van Napels te willen vertrekken, zoo brogten hem eindelijk den raad van zijne vrienden, en bijzonder die van Manso, daar toe, tegen zijn voornemen. Hij vertrok dan een weinig daar na; en om het lichaam van den heerlijken sanct Benoist te zien, bragt hij de Feest van ’t nieuwe Jaar in ’t Klooster van den berg Kassin over; daar na nam hij de wech na Roome, en wierd zeer wel van den Paus en de Kardinalen ontfangen, voornamendlijk van Peter en Cinthio Aldobrandini, [fol. (C)7r] zijn bezonderste vrienden. Te zijner aankomste maaktemen heerlijke voorbereidingen, niet alleen in het Paleis van den Paus, daar Tasso t’huis was, en in ’t Kapitool daar deze Krooning geschieden zouw, maar ook in alle de straten van de Stad, daar deze heerlijkheid en pracht van dees triumf most doorgaan; en gelijk als of hij in het toekomende had doorgedrongen, zoo gaf hy altijd door zijn gelaat en woorden te kennen, dat alle deze voorbereidingen maar te vergeefs zouden zijn.
    Deze voorzegging van Tasso wierd niet als al te vast bevestigd, door de toeval die daar eenigen tijd op volgden. Want het gebeurden eindelijk, dat een ongezondheid, die men veel langer als gevaarlijker achten te zijn, hem ongevoellijk, de weinig kracht van leven die hem noch overig was, verminderden. En zoo de quelling en d’ongenuchten machtig zijn, gelijk ’er niet aan te twijffelen en is, om onze jaren af te snijden, zoo is’t te gelooven dat den loop van de zijne, zeer verkort zijn door een geduurigen vloed en hervloed van verdrukkingen, en moeilijkheid, die hem zijn tegenspoeden, zijn lange reizen, en zijn leerzaamheid veroorzaakten. Maar over al was hy eenigen tijd te voren, eer dat hy sturf, machtig aan een buikloop tot aan den bloetgang toe vast; ’t gene hem zoo verzwakten, dat hy eindelijk, ziende dat het geweld van zijn quaal de zwakheid van de natuur te boven ging, voor hem nam de rest van zijn [fol. (C)7v] dagen, in het Klooster van den heiligen Ounfres door te brengen. Daar wierd hy terstond in een bequame plaats gelegt, en van de voornaamste van ’t Klooster bezocht. Maar hoewel dat hem de geestelijke met veel zorg onthaalden, en dat de voornaamste Geneesmeesters van Roome haar best deden, om hem weder tot gezondheid te brengen; evenwel kon dat niet beletten dat zijn quaal niet verdubbelden door het geweld van een koortse; zulkx datse op den zevenden dag van zijn leven begonden te wantrouwen. ’t Welk Rinaldini, zijn oude vriend, wezende toen ter tijd Geneesmeester van den Paus, hem verwittigden, die hy hartelijk bedankten, ontfangende het Sakrament, en ontrok zich geheel van de genegendheid der aardsche dingen, om zijn gedachten ten Hemel te heffen door het misvertrouwen van zijn zelve: Een weinig hier na door den Opperste van ’t Klooster gevraagd zijnde, of hy zijn uiterste Wille wilde maken; antwoorden hy: Mijn Vader, ik behoor daar niet op te denken, en terwijl dat ik alle de rijkdommen, geduurende mijn leven, veracht heb, zoo ben ik wel verzekerd dat ik ’er geen na mijn dood zal nalaten. Ziet daar evenwel de grootste Schat, die ik ooit geven kan, en daar ik u erfgenaam af maak. Dit zeggende gaf hy hem een Kruisjefix van koper, ’t gene een proefstuk van de Tombe was, die den Paus Klement hem gegeven had, en’t gene men noch tot op dezen dag in dat Klooster, met een groote eerwaar- [fol. (C)8r] digheid bewaard. Door dat zelve middel bad hy de geestelijke, dat zy ’t niet qualijk wilde nemen dat zjjn lichaam in haar Kerk begraven wierd; ’t welk zy voor een bijzondere gunst achten. Daar na ziende dat zy hem baden dat hy zijn eigen Grafschrift zelf wilde maken, om op zijn Tombe gehouden te worden, antwoorde hy aan zijn Biechtvader; Schrijf ’er geen andere dingen op, als; Dat ik de ziel weer aan God geef dieze gegeven heeft, en het lichaam aan d’aarde daar het uit gekomen is. Maar eindelijk op den veertienden dag van zijn ziekten, die de laaste op een na voor zijn dood was, gevoelende hem al langsaam verzwakken, ontfing hy wederom het gewijde lichaam, daarna weêr ’t uitnemend olijfsel; en daar na weder den zegen van wegen den Paus, die hem den Kardinaal Cinthio gaf; die hem bijzonderlijk beminde. Ook belasten hy aan niemand anders als aan hem zijne Kinderen, dat ’s te zeggen de Werken van zijn geest, en bijzonder zijn JERUZALEM, ’t gene hy zeide het alderonvolmaakste van zijne Werken te wezen; ja zoo ver, dat hy hem standvastig bad, dat men de nadrukken die m’er af vinden mogt, in ’t vier zoude werpen indien het mogelijk was. Hier by voegende, dat een man van zijn hoedanigheid magt genoeg had om dat uit te voeren, indien hy ’t hem onderstond. Den Kardinaal beloofden hem dat te doen; uit vrees van hem te verstoren indien hy ’er tegen had gezeid. En als doen bad hem [fol. (C)8v] Tasso, dat men hem tot des anderen daags ’s morgens in zijn kamer alleen zouw laten, om hem gerust in zijn Zaligmaker t’onderhouwen; en dit zeggende hiel hy het Kruisjefix stijf in zijn armen omhelsd. Het gezelschap vertrok terstond, en den Kardinaal zey hem de laaste Vaar wel met de oogen vol tranen. Seder liet men niemand in zijn kamer als zijn Biechtvader komen, en eenige andere vrome geestelijke, die hem van heilige dingen onderhielen. Hebbende alzoo een gedeelte van de nacht en den volgenden dag deurgebrogt, voelden hy eindelijk dat het laaste oogenblik van zijn dagen vast naderden, en begon Godsdienstig deze woorden te spreken; Heer in uwe handen &c. En die niet kunnende uitbrengen, gaf hy zijn ziel aan God, in ’t Jaar MDLXXXV, in ’t eenenvijftigste jaar zijns ouderdoms, den vijfentwintigsten van Grasmaand, ontrent den middag. Zijn lichaam wierd in de Kerk van den heiligen Onufres begraven, gelijk hy in zijn leven begeerd had, en dit Opschrift wierd op zijn Tombe gezet;
        HIC JACET TORQUATUS TA$SUS.
    Maar het geschiede dat den Kardinaal Bonifatius Bevilaqua, hem met een deftige Tombe vereerden, die dikmaals van de vremdelingen, die in die gewesten reizen, bezocht word. Hy was lang van persoon, had een groot hoofd, kastanjebruin hair, een breed voorhoofd, blaauwe oogen, gelijk Homerus Pallas toeschrijft, middelmatige ooren, bleeke en [fol. (D)1r] magere kaken, een groote neus, bleeke lippen, witte tanden en wel geschikt, een afgerichte tong, grooten baard, breede schouderen, zenuwachtige armen, lange handen, welgemaakte beenen, en niet te vollijvig van lichaam: ook is het niet te gelooven hoe gezwind van lichaam, en hoe afgericht dat hy in alle oeffeningen die een goed Ridder maken, was. Maar hoe groot dat zijn hoedanigheden waren, echter moestenze voor het groot getal zijner deugden, die zijn ziel deurluchtig maakten, neêrbuigen. Want zijn brave daden gaven onwedersprekelijke proeven, dat hy een stip onderhouder der rechtvaardigheid* en een getrouw vriend der waarheid was; geboren om een ijder te verplichten, onbewegelijk in zijn trouw, vijand van quaad spreken, standvastig in zijn verdrukkinge, gedienstig in ’t mogelijke, genegen om de rijkdommen te verachten, voorzichtig in zijn woorden, ootmoedig indien het ooit een mensche geweest is, vaardig in ’t vergeven, vol van moed, sterk, grootshartig, voorzichtig, matig, goedertieren, en om het met een woord te zeggen, met alle uitstekende volmaaktheden begaaft, die noodwendig zijn om een eerlijk Man te maken. Aangaande zijn geest, om daar waardig van te oordeelen, moet men niet als zijn Geschriften lezen; daar in hy in rijkdom van ondervindingen, in de edelheid van stijl, en in de zuiverheid van spraak, altijd zijn zelve in gelijk is, en boven andere Schrijvers uitsteekt. [fol. (D)1v] Gelijk als hy het diepste der wetenschappen bezat, zoo heeft hy in alle wijzen van schrijven, in vaarzen en onvaarzen uitgeschenen: dat getuigen zijn onnavolgelijke t’Samenspraken, daar in hy handeld gelijk het behoord, van de zeden, van de regeringen, van de huishoudinge, hy heeft hem tot een voorbeeld voorgeschreven, de Redenkaveling van den goddelijken Filozoof Plato; getuigen zeg ik; die aangename Mengeldichten, die gelijk als de vaarzen van den grooten Virgilius, den genen dieze lezen nimmermeer vervelen, en aan al den genen doen bekennen, dat hy in’t overwegen van zijn JERUZALEM en zijn Amintas, bijzondere aangenaamheden en schoonheden in de Heldenpoëzij en in de kluchtige heeft. Men moet het zelve ook van zijn Liergezangen zeggen, waarin men op ijder blad de majesteit van Pindarus, de vloejendheid van Horatius, en de geestigheid van Martiaal ziet. Daarin hy zeker meer roemens waardig is, om dat hy standvastig alle de beletselen, die hy bekende in zijn natuur, in zijn fortuin en in zijn eige deugd gehad te hebben, te boven is gekomen. Om dat hy zijn werken niet als met groote moeiten, en voornamelijk zijn vaarzen maakten. In zijn fortuin, in ’t gene datse hem dikmaals de noodwendige dingen te schrijven weigerden, gelijk als zijn boeken, inkt, papier, en zelf het licht geduurende de nacht; en in zijn deugd, ter oorzaak dat vele die zeiden zijn vrienden te wezen, zoo [fol. (D)2r] trouwloos waren, dat zy hem zijn geschriften ontstalen en die drukken lieten, zonder dat hijze eens overzien, of verbeterd had. Maar hoe groot dat het quaad zijner benijders geweest is, zoo heeft het niet kunnen beletten, dat de faam zelf zorg gedragen heeft, door al de wereld de groote verdiensten van zijne Werken te verkondigen. Zulkx dat het te gelooven is, gelijk alsze by al de Wereld worden aangenomen, dat zy die in de geheugenis van al de Wereld zal behoeden, tegen ’t geweld der onwetende, en tegens de laster der jaren.



[
fol. (D)2v]

Vergelijkinge van de

DICHTKUNST.

DE Heldendichten, gelijk als een dier daar twee natuuren in t’samengevoegd zijn, worden van twee verscheide dingen gemaakt, als de nabootsing en de vergelijking. Door het eene trekt zij de geesten en ooren der menschen, die zij op een wonderlijke wijze betooverd, en door ’t andere onderwijstze haar in deugden, of kunsten, of in alle beide teffens. Elders gelijk als de nabootsing der Poëzy, altijd een oprechte gelijkenis en een beeld van het menschelijke leven is, alzoo is de vergelijking ook als een voorbeeld. Het geheel onderscheid dat ’er in zij, is dat de nabootsing de daden der menschen, die het uitwendig gevoelen onderworpen zijn, te voren steld; daar zij haar voornaamste werk af maakt, en tracht het voor de oogen in bequame woorden te vertoonen; waar van de verklaring machtig en natuurlijk is, zonder zich te verbinden, noch aan de zeden, noch aan de genegendheden, noch aan de redenkaveling van de geest; behalven als in ’t gene datse uitterlijk voortbren- [fol. (D)3r] gen, en ’t geenze in ’t openbaar door woorden gemeen maken, en door de werken dieze aan de daden verknochten en doen vergezelschappen. De vergelijking in tegendeel overweegt de driften, het gevoelen en de zeden in haar uitwendige maar veel meer in haar inwendige schijn, en die met een kleed, dat een weinig duister is, bedekkende, geeftse die door zekere tekenen, die men verburgen mag noemen, te kennen, en die niet gelijk als het behoord konnen begrepen worden, als door die alleenelijk, die met een goede wijze de eigenschappen en de verburge natuur van die dingen konnen bekennen. Maar voor tegenwoordig de nabootsing achterlatende, zal ik mij aan de vergelijking houden, terwijl dat het voorwerpsel is daar ik van voorgenomen heb te spreken. Gij moet dan weten, dat gelijk als men het menschen leven op twee wijzen moet aanschouwen, ons de vergelijking het eene en ’t andere afbeeld. Want wij verstaan gemeenelijk door den mensch, een t’samenvoegsel van lichaam, ziel en geest, en noemen het menschelijk leven ’t gene hem het bequaamst en eigenst is, tot uitwerking van het welke ijder van zijn partijen arbeid, en deze wijze van verkrege volmaaktheid voortbrengt, daar zij van natuur toe bequaam is. Men moet somtijds niet te min door den mensch verstaan, niet het t’samenvoegsel, maar zijn edelste gedeelte, ’t welk de geest is. Doch na deze leste beteikening, mag men zeggen dat het menschelijk leven bestaat in ’t overdenken en in de slechte uitwerking, door middel van het verstand. Wel zeker zijnde [fol. (D)3v] dat op deze wijze, het menschelijk leven van ’t goddelijke mede deeld, en dat het hemelsch word. Van dit aandachtig leven der menschen, is het blijspel van Dantes en d’ Adijsseen ook een ander voorbeeld, in elk van zijne deelen: daar bij ik noch voege, dat door d’Iliaden en d’Eneas het burgerlijk leven omschaduwd worden. Hoe wel deze leste, in ’t behoorlijk overwegen, een bequamer t’samenvoeging van daden en overdenkingen is. Maar gelijk den overpeinzende mensch de eenigheid bemind, gelijk als de bezige zich gemeenelijk in gezelschappen verheugd, zoo komt het daar van daan, dat Dantes, en Ulisses, in zijn vertrek, van Calipso, alleen verzierd worden, en niet van een groot getal oorlogsvolk vergezelschapt, in plaats dat men Agamemnon en Achilles op een andere wijze in Homerus beschreven vind, die den eenen Veldheer van ’t grieksche Leger, en d’andere het Hoofd van verscheide Mirmidoonse Troeppen maakt. Hier in bevestigende; dat toen Eneas in het oologsveld was, en dat hij andere burgerlijke daden deê, hem Virgilius nooit alleen vertoonde; maar wanneer hij hem in de helle en in de Elizeesche velden doet dalen, dan geeft hij hem niemand om te vergezelschappen, zelf niet zijn getrouwen Achates, hoewel hij gewoon was hem weinig met het gezicht te verlaten. Alzoo is ’t niet zonder reden, dat den Poeet hem verzierd alleen te zijn, aangezien dat ons door zijn reize afgebeeld is, een overdenkinge van moeiten en vergeldinge die voor de zielen in het andere leven bewaard wor- [fol. (D)4r] den. Elders is de uitwerking van een aanmerkenswaardig verstand, dat in een eenige macht bestaat, veel bequamer door de daad van een vertoond, die in plaats dat de regerende uitwerkingen, die uit andre machten van de ziel voortkomen, die als de inwoonders van een eendrachtige staat t’samen gevoegd zijn, zoo wel door een daad alleen niet kan uitgeleid woren, daar verscheiden niet t’samen bezich zijn tot een zelf einde. Gelijk als ik mij dan aan deze reden en voorbeelden verbonden heb, zo heb ik noodig geoordeeld de vergelijking van mijn Poëzij te stellen, na den zin die ik u hier nazeggen zal.
    Door het Leger dat men hier van verscheide Prinssen en Christen Soldaten t’samen gevoegd ziet, verstaan ik den waren mensch, die ook van een lichaam en een ziel t’samen gevoegd is; daar in aan te merken is, dat deze niet eenvoudig maar in verscheide machten verdeeld is. Door Jeruzalem, dat een starke Stad is, om datse legt op eenen hoogen berg, en ’t gene het doelwit en het einde van al de moeiten en aanslagen van het Leger der geloovige is, word ons aangewezen, de burgerlijke gelukaligheid die een Christen mensch voegd, gelijk wij hier na toonen zullen, ’t welk een goed is, daar mij de verkrijging wel bezwaarlijk af schijnt, om dat men het niet vind als op de hoogste en moeilijkste bergtop van de deugd, daar alle heerschende zaken als na heur roof op toeleggen. Godefrooy die Veldheer van al deze Benden is, bekleed hier de plaats van het verstand, en bezonder
[fol. (D)4v] van de gene die alleen de noodwendige dingen niet overweegd, maar ook de gene die de verandering onderworpen zijn, en op verscheide wijzen konnen gebeuren. Dat hij zelve, door de wille Gods en het algemeen bestemmen der Christen Prinssen, tot Hoofd van dezen aanslag verkoren is, om ons te doen zien dat God en de natuur aan het verstand een opperheerschappij, over het lichaam en de deugden van de ziel gegeven heeft, dewelke zij volkomen beheerscht. Aangaande Reinout, Tankredo, en de Princen haar spitsbroeders, zij betekenen de andere machten van de ziel en het lichaam der soldaten, die niet van het alderedelste zijn. Nu om dat de misslagen van de menschelijke natuur en de bedriegerijen van die haar vijand is, beletten dat den mensch na zulk een groote gelukzaligheid niet kan vertoeven, zonder inwendig verscheide tegenstrevende driften te gevoelen, noch zonder van buiten veel beletselen in zijnen weg te vinden; alle deze dingen worden teffens door de gemeene kunst aan de Poëten bedied. De dood van Suenes en zijn medegezellen, ver van ’t Leger gebeurd, vertoond ons het verlies dat den mensche aan zijn vrienden en uitwendige goederen lijd, het welk het spoor tot de deugd is, en diend om haar op eenige wijze gelukkig te maken. De Legers van Affrijke en Azien, daar de verwoesting der oorlogen uitvolgen, zijn geen andere dingen als vijanden van het menschelijk leven, en de toevallen van de tegendeelige fortuin. En zoo ’t vereischt om tot d’inwendige beletselen voord te gaan, dan word ons door de dwaze [fol. (D)5r] liefde van Tankredo en de andere Ridders, die deze gevaarlijke drift van Godefrooy vervoerden, en desgelijkx door de spijt die Reinout van zijnen aanslag weêrhield, geleerd de gevaarlijke voorwaarden, die twee moejelijke driften, te weten de wellustigheid en de gramschap, die tegen haar opstaan, smeden. De Duivelen, die onder elkanderen raadslagen om d’overwinning van Jeruzalem te beletten, vertoonen haar eigen zelve. Zoo veel te meer om dat het haar gewoonte is, haar hier beneden tegen ons geluk te stellen, op dat het ons voor geen ladder zouw dienen om ten Hemel te klimmen. De twee Toovenaars, Ismenes en Armijde, vervloekte dienaars des Duivels, die tot een hinderpaal aan de Christenen wapenen trachten te zijn, vertoonen de verzoekingen, die voor de twee machten der zielen, daar de zonden uit voortkomen, geduurig lagen leggen. Ismenes word voor die aard van verzoekinge genomen, die door valsche indrukkingen, het ware gevoelen dat men van de deugd heeft, zoekt te bedriegen. Armijde is een ander, die het lokaas voor de macht toond die men lust heet, zulkx dat door haar middel, de dwalingen van het gevoelen en van deze laatste, van de lust, voortkomen de bezweringen die Ismenes in ’t Bosch doet, daar hij het gevoelen door ijdele spoken bedriegt, is een voorbeeld van de valscheid der reden en d’overstemming, die in dat bosch geteeld worden, dat ’s te zeggen in de verwerde verscheidenheid der berichten der overredding, en der menschelijke redenkaveling. Nu alzoo het de gewoonte der menschen is, [fol. (D)5v] d’ondeugden te volgen en van de deugd te vluchten, ’t zij dat hem de arbeid en de gevaren onverdragelijke lasten schijnen, of dat hij, op het voorbeeld van Epikuur en die van zijn schole, het opperste geluk in de wellustigheid steld, dit is d’oorzaak daar van dat de betoovering dubbel is. Het vier, de draaiwinden, de duisternisse, de wanschepsels en andere diergelijke spoken, leeren ons, dat de eerbare moeilijkheden en de eerlijkste gevaren, niet zonder wolken zijn die ons trachten te verleiden, bedekkende het quade met een bedriegelijken schijn van ’t goede. Men kan het zelve zeggen, van de bloemen, fonteinen, stroomen, speeltuig, en de schoone nimfen, waar door men de sluitreden verstaat, die onder valsche verven trachten om voor waar te doen gaan, het vermaak van het gevoelen en der wellusten, die niet dan een oogenblik duuren.
    Dit zal genoeg zijn, zoo mij dunkt, aangaande de beletselen die den mensche in het uitwendige en buiten zijn zelve vind. Want hoewel dat hier dingen zijn daar de vergelijking niet in ’t lang genoeg uitgedrukt is, evenwel zal ’t niet moeilijk zijn te vinden, voor den genen die het zal willen zoeken, in den weg van zijn beginselen. Laat ons nu zoo wel tot d’inwendige als uiterlijke hulpmiddelen voortgaan, waar door den mensche de beletselen die zich tegens zijn voornemens stellen, te boven komt en gelukkig tot die begeerde gelukzaligheid geraakt. Het diamante Schild, ’t gene Reinout voor de verdading van Godefrooy bedekte, daar bij moet men
[fol. (D)6r] verstaan de bijzondere bijstand die God den genen doet, die hij in zijn bescherming beliefd te nemen. Aangaande de Engelen, zij verbeelden nu de hulp van boven en dan weder de goddelijke inblazingen, afgebeeld door den goeden raad des Kluizenaars en door den droom van Godefrooy. Deze zelve Kluizenaar, die tot Reinouts bevrijding twee boden tot den Konstenaar afgevaardigd, is een kenteken van de boven natuurlijke kunst, die men door een bijzondere genade van de dingen heeft, gelijk als den Konstenaar ook een andere van de menschelijke wijsheid is, van de welke, en van de kennisse der natuurlijke werken, en van haar onnavolgelijke hoofdstukken, in onze harten voortteelen en wortelen de rechtvaardigheid, de matigheid, de grootheid van de moed, de verachtinge des doods, en alle andere deugdsame zeden; daar zekerlijk de overdenkingen den mensch uitnemende in dienen kan, om veel waardiger te arbeiden als hij tot de uitwerkingen komt.
    Na de verziering, die na al deze dingen volgd, word gezeid dat den Konstenaar, die een Heiden van geboorte is, tot het Christen geloove door den vromen Kluizenaar bekeerd was, en dat hij zijn eerste hoogmoedigheid neerleggende, zoo quaden gevoelen van zijn wetenschap had, dat hij zich aan het oordeel van zijn Meester gedraagt. Om te toonen dat van oude tijden, de Filozofie der Heidenen in Egipten en Grieken sproot, van daar zij tot ons overquam, met een grooten laatdunkendheid van haar zelve, vergezelschapt met ongeloo-
[fol. (D)6v] vigheid, eergierigheid, en een onbepaalde opgeblazendheid; maar seder dat sant Tomas en andere geleerden der Kerke, haar vernietigden, en leerling en dienstmaagd der Godgeleerdheid maakten, wierdse geestelijk en zedig, tot op het uiterste punt van niets onbewust te durven bevestigen, tegen ’t gene dat van boven aan haar Meestres geopenbaard is. Het is ook niet zonder reden dat ’er gezeid is, dat dezen Konstenaar niet kon gevonden worden, noch veel meer weergebrocht, als door den eenigen raad van den Kluizenaar; om ons te leeren, dat de genade van God niet altijd zonder middelen in den mensche, of door ongemeene dingen; maar dat zy meenigmaal door natuurlijke middelen werkt. Volgens dit is het wel redelijk dat Godefrooy, die wij gezeid hebben een voorbeeld van ’t verstand te zijn, om dat hij in ’t stuk van godsdienst en medelijden, alle de andere te boven ging, bijzondere gunsten en genaden ontfangt, die aan niemand als aan hem geopenbaard worden. Wanneer het geschied dat de menschelijke wijsheid, door de kr;acht van boven geleid zijnde, de gevoellijke ziel van het quade verlost, en die de deugd der zeden inboezemt. Maar om dat dit niet genoeg was, is ’t om die reden dat den Kluizenaar Peter, Godefrooy en Reinout biecht, hebbende van te voren Tankredo bekeerd. En zoo veel te meer, om dat die zelve Reinout en Godefrooy de voornaamste Helden der Poëzij zijn, zal het mogelijk den Lezer niet onaangenaam wezen, dat ik eenige dingen, die ik gezeid heb, weer van stip tot stip [fol. (D)7r] herhale, om haar den zin van de uitlegging, die onder ’t deksel van hare daden verburgen is, te ontdekken. Men moet dan weten dat Godefrooy, die ik de eerste plaats in mijn werk geef, in verscheide plaatsen daar ik zeg, dat hij den Scepter zwaaid, en dat hij de ziel en het leven van ’t Leger is, het verstand betekend, gelijk ik daar strax getoond heb. En zoo ik het leven noem, is uit oorzaak dat onder de edele machten van de ziel, ook d’allerminste begrepen zijn. Na Godefrooy stel ik Reinout, die de tweede in waardigheid is, en die volgens dien in de vergelijking in een plaats behoord gesteld te worden, die hem eigen en bequaam is. En zoo ’er verschil is om te weten welk dat deze macht van de ziel is; die de tweede plaats heeft, dat zal niet moeilijk vallen, indien men aandachtig overweegt ’t gene ik zeggen zal. Men noemd het gramschap, deze macht van de ziel, die haar ’t minste van de edelheid van ’t verstand af begeeft. Mogelijk heeft hierom ook Plato schijnen te twijffelen, of zij van de reden verscheiden, of wel een zelve zaak met haar was. Maar d’ondervinding doet zien dat zij behoord, of dat zij behoord te wezen aan de ziel, ’t gene dat de Hoofden aan ’t oorlogsvolk zijn. Want gelijk het de plicht der soldaten is, aan den genen die de kunst van heerschen kan, te gehoorzamen en tegens de Vijanden te strijden, alzoo voegd het de toornige macht, als ten strijd afgerecht zijnde, haar tot voordeel van de reden tegen de begeerlijkheid te wapenen, en deze geweldige en razende drift, die haar aangeboren is, te gebrui- [fol. (D)7v] ken, om al het gene dat haar geluk krenken kan, uit te roejen. En zoo ’t gebeurd dat zij de reden niet gehoorzaam is, en dat haar eigen tocht haar vervoerd, alsdan wederstaat zij de wellustigheid niet, maar zij wapend haar veel eer tot heur voordeel: hier in een quade wachthond gelijk zijnde, die de schapen verbijt, in plaats van op de dieven toe te vallen. Maar hoewel dat deze deugd, die van zich zelve geweldig en onoverwinnelijk is, niet geheel door een eenigen Ridder betekend kan worden, niet te min is ’er Reinout het voornaamste voorbeeld af. Ook geeft hij ’er proeven van, wanneer hij in het lijfgevecht tegen Soliman, de palen van de wraak te buiten gaat, en dat de liefde hem in een uitsporigheid werpt ten dienste van Armijde. Gelijk als men in tegendeel bemerken kan, op wat wijze zijn gramschap door de reden bestierd word, wanneer men hem de betoovering van ’t Bosch ziet te niet doen, de Stad van Jeruzalem bestormen, en het Leger der Vijanden verstroojen. Zijn wederkomst en zijn verzoening met Godefrooy, betekenen dan eigendlijk d’onderdanigheid, die het gramstorig deel aan het redelijk gedeelte schuldig is: daar in voornamelijk twee dingen aanmerkenswaardig zijn; het eene dat Godefrooy zich tegen Reinout met een beleefde en eerlijke zedigheid, als Overheer betoond; ’t gene ons leerd, dat de reden over de gramschap, niet volkomendlijk maar beleefdelijk, gebied. Gelijk als in tegendeel, wanneer die zelve Godefrooy hem hoogmoedig betoond in het vangen van Argiljan, door welk middel hy het oproer [fol. (D)8r] intoomd; waar door ons bewezen word, dat de macht van de ziel over het lichaam is koninglijk en volkomen. De andere zaak die ons ondekt is, en die ik een groote overwegingen waardig achte, is gelijk als het redelijk gedeelte, dat van het verstoorde, de daden niet moet uitsluiten (daar in de Stoische grootelijkx gemist hebben) noch haar ampt ontnemen, om dat zulk een onrechtvaardige beneming, recht tegen de natuurlijke rechtvaardigheid strijden zouw; maar haar eel eer in de hoedanigheid van medegezel daar van dienen; alzoo most Godefrooy zelf niet de wonderen van ’t Bosch beproeven, noch hem de andere ampten, die Reinout behoorden, toe-eigenen. Daar door men zien kan, dat de kunst van den Poéet niet zoo groot zouw geweest hebben, en dat het onder de regeringe zijnde, hij zich zelve minder zorgvuldig, als hij wezen moest, zouw getoond hebben, hem het noodwendige tot een doelwit voorstellende, indien hij Godefrooy alleen, ’t gene noodwendig in de belegering van Jeruzalem was, had laten doen.
    Tegens de reden die ik daar gegeven heb, strijd geensints ’t gene dat Hugo zeid, wanneer hij Reinout en Godefrooy voor twee gelijkenisse, van het redelijke en vergrimmende deel steld, vergelijkende de eene bij ’t Hoofd, en d’andere bij de rechte Hand. Want zoo wij gelooven ’t geen ’er Plato af zeid; het hoofd is de zetel van de reden, en zoo de rechte hand de gene niet van de gramschap is, dan kan men ten minsten niet loochenen dat het haar voornaamste werktuig niet is. Maar om tot het
[fol. (D)8v] besluit te komen, dat Reinout en alle de andre Ridders weder in ’t Leger keeren, door een bijzondere genade van God en een menschelijke voorzienigheid, die haar heur Veldheer doet gehoorzamen, wil zonder twijffel beteikenen, dat zoo dikmaals als het gebeurd dat den mensch in staat van de natuurlijke rechtvaardigheid gebrogt is; of dat de opperste machten gebieden gelijk zij behooren, en de mindere aan die van boven gehoorzamen, als dan is’t zekerlijk dat’er geen meer betooveringen in het Bosch zijn, dat de Stad gewonnen, ’t leger der Vijanden vernield is; en dat al de voorgaande moelijkheden, die van buiten verschenen geen meer plaats konnen grijpen; ’t welk ook veroorsaakt dat al de beletselen eenmaal wech genomen zijnde, den mensche geheel de gelukzalige regeringe geniet. Maar door dien’t niet wezen moet dat zij het laaste doelwit der Christenen zijn zouden, wier gedachten en voornemen veel hooger moeten gaan, hierom is ’t dat den deugdelijken Godefrooy, zoo zeer niet begerig is om het aardsche Jeruzalem te verkrijgen, om alleenelijk het aardsche gebied te hebben, als om den Godsdienst te verkondigen, en aan de Godvruchtige Pellegrims den weg tot het heilige Graf veilig te maken. d’Aanbidding van Godefrooy maakt dan het besluit der Poëzij, om ons alle in ’t gemeen te leeren, dat t’elken maal als het verstand zich vermoeid vind van de moeilijkheid der wereldsche zaken, het eindelijk zijn rust in gebeden en in d’overdenkingen der goederen van d’andere Wereld, die onsterffelijk is, moet stellen, en diemen de volheid van alle onverganglijke gelukzaligheden mag noemen.



[
fol. (E)1r]

Op de vertaalde

GOFFREDO,

VAN

TORQUATO TASSO.

NEemt dan mijn wellust eens begin?
En is het deinzend uur geboren,
Waar op ik
TASSOOS Zangheldin
In ’t Nederlands zal zingen hooren,

(5) De brave GODEFROOY, wel eer
In ’t veld, voor zijn gekruisten Heer?
Gevoel ik reeds het heilig zoet,
Waar mee die gadelooze Schrijver
Een Ziel, die hem kan vatten, voed,

(10) En swelt mijn opgepersten ijver
Noch driftig niet tot een geluid
Van vreugd, en Zegevaarzen, uit?
O ja. Indien ik ooit mijn pen,
Bezwangerd van genegendheden,

(15) Tot lof van groote Dichters, en
Vergode vriendschap heb versneden;
Zij voeg’ er nu gedienstig na ’et
Bekende lof van mijn
TORQUAAT.
Torquaat, wiens penne, met het zwaard,
(20) En Godefrides Lauwerbladen
[fol. (E)1v]
Zich wonderlijk verevenaard:
En maakt het moeijelijk te raden,
Wie van dien Krijg meer lof verzeld,
Dieze eertijds voerde, of nu verteld.

(25) Al is die groote Vorst bij geen
Ook groote Vorsten t’saam te noemen;
Torquaat is ook zoo ongemeen
In zoo een groote Vorst te roemen;
Dat even zijn welsprekendheid

(30) Zoo groot is als zijn fier beleid.
Hij houd ons aan geen sufferij,
Of ongelooflijkheid gebonden.
Van lamme of zotte Poëzij.
Hij paart de waarheid aan ’t doorgronden

(35) Der wellust, die ooit hooge Ziel
Tot onderhouding best geviel.
Wie zoekt, door wijze dapperheid,
Voor al godvruchtig te regeeren,
Een volk, niet min door onderscheid,

(40) Van aarten ongelijk als kleeren?
Hij mag zich hier gedragen an
Een Veldheer, die ’t hem leeren kan,
Wie drijft een lust te glorij aan,
Door ’t bloedig ampt der Ridderschappen;

(45) Rinaldo zal hem vooren gaan:
Of volgd hij liever maagdestappen,

Klorinde is hier, die Maagd en Man,
En spooren, en vervaren kan.
Wie eischt een les van ware Trouw,
[fol. (E)2r]
(50) Hij zal z’in Odoardo vinden,
En in zijn trouwe en dappre Vrouw:
Ook in
Sophronij en Olinde,
Dat edel paar zoo trouw als fier
Onscheydelijk tot in het vier.
(55) Wie heeft vermaak in trage gunst
Van minzame herten t’overwinnen;
Hier leerdme vrijen na de kunst.
Zie hier, door wat voor slach van minnen

Erminia ’t volherden vind
(60) Daar zij Tankredi meé verwind.
Wat oog is gerig, om een beeld
t’ Aanschouwen, daar van alle zijden
’t Volmaaksel der natuur in speeld,
Het ga zich weiden in
Armijde,
(65) En schemere aan die schoonheid, geen
Gebore mens, als haar gemeen.
Wenst iemand buiten zijn gevaar
Ervarendheid in oorlogslagen;
Hij kan mijn Heldedichter naar

(70) Het oordeel van Raimonde vragen:
Daar is een rijp vernuft, gespitst
Op alle slach van oorlogslist.
Is ergens taay verstand belust
Te weten, wat in aardse dingen,

(75) De helsse boosheid opgerust
Tot bijstand van ’er gunstelingen,
En ’t al ontzettende gezag
Tot hulpe van zijn keur vermag;
[fol. (E)2v]
Hij zie ’er Hijdraotes macht,
(80) Argante, Soliman, Ismene,
En ’t woedig op de been gebragt
Gants Oosten onder Emirene,
Door duivelse ijver, voor de Wet
En haar beminden Mahomet:

(85) Hij zie ’er, tot verwijt der Hell’
Met duizend benden aangespannen,
Gods Heirgeleider Gabriël
De boosheid in ’er afgrond bannen:
En door
Goffredo, Christus Held,
(90) Egiptens Standert neergeveld:
Hij* zie ’er eindelijk, al wat
De wijze God, zoo lang te voren,
Tot vrijdom van zijn heil’ge Stad,
Door Christevorsten had beschoren:

(95) En wijte geen geluk, maar hem
’t Veroverde
JERUZALEM.
Zoo vloeid mijn TASSOOS overvloed,
Door wensch en keur des meestbeminden
Vermaakx van ijdereens gemoed.

(100) Zoo kan m’het al in TASSO vinden:
En al, te wonder boven dien,
Volmaakt bij hem verhandeld zien.
Men reyst’er, blijft’er, denkt en leest:
En stuyft van onder op na boven,

(105) Met d’overalverrukte geest,
Door hemelse, helsse, en Vorsten Hoven,
Door Aarde, Water, Locht en vuur,

[fol. (E)3r]
In ’t meest verborgen der natuur.
Men gruwt, voor’t geen hij gruwzaam noemt.

(110) Men doemt de zonde, op zijn verfoejen.
Men lieft de schoonheid die hij roemt.
Zijn aandacht doet d’eerbieding groejen,
Daar ijder kenbaar eert, en vreest
De Godheid, dieme bij hem leest.
(115) Dan is zijn Boek, reeds meer geen Boek;
Maar, in zijn wezendlijk bekooren,
Veel eer een levendig bezoek
Van doen, bewegen, zien, en hooren,
En al de tocht, begrepen in

(120) ’t Gevoelig waar van ziel en zin.
Gij, ô gelukkig Vaderland,
Van zoo een wonder aller tijden,
Is ’t wonder, zoo wij dat Verstand,
Gebonden aan een Taal, benijden,

(125) Bij u wel, maar misschien niet veel
Verstaan bij ’s Werelds beste deel?
Toskane, noch geheel alleen
Italie kan toch
TASSO vatten.
Zijn schoone Geest moet, algemeen

(130) Met ongemener glorij pratten.
’t Is
TASSOOS glorij niet, waar van
’t Gemeen zijn iet vermind’ren kan.
Hoewel de schaarsheid dikwils doet
De prijs van Kleinoodien verswaren,

(135) ’t Uitstekende blijft altijd goed.
Men kan de stralen niet bewaren

[fol. (E)3v]
Der Zon, die ijder is gemeen,
En nochtans waard bij ijder een.
Misgun ons dan niet een vermaak,

(140) Dat hem geen moeite doet vervelen,
Die aan zijn Landsluy, in ’er spraak,

TORQUATOOS vruchten meé komt deelen:
Bedank veel eer den arrebeid,
Die dus uw Dichters eer verbreit.

(145) Maar, groote Ziel, gij, zoo ’t u lust,
Met noch iet werelds te bemoeijen,
Zie eens van boven, daar gij rust,
Uw eeuwige eer hier onder groejen:
En vest, in dat oneindig schoon,

(150) Noch deze parel aan uw Kroon.
’t Is niet genoeg in ’s moeders Taal
Den prijs zijn Borgers af te halen.
Een Dichters eer hangt t’eenemaal
Aan ’t oordeel van verscheide Talen:

(155) Daar DULLAARDS ijver, aangemaand
Door gunst, u reeds den weg toe baant.
Zoo dan de Ziel van Gods Soldaat
Zich aan ’er Heldendadezinger
Ooit plichtig dankbaar hooren laat;

(160) Zoo dank hem meé, die niet geringer
Aan zijn vertalen u verplicht,
Als gij
GOFFREDO aan uw Dicht.
L. JORDAAN.



[
fol. (E)4r]

Op

TORQUATO TASSOOS

Verloste

JERUZALEM:

Vertaald door

J. DULLAART.

DE dubble Zwaan, die Griekse en Roomse Dichters kroonen,
    Homeer en Maro wierd ten hemel toe geacht,
Om dat haar Luit, met meer dan aangename toonen,
    Voor eeuwig heeft bezield d’aaloude wapenkracht,

(5) Daar ’t Aziaanse bloed, en ’t bloed van ’t schoon Europe
    Tien jaren heeft gevloeid voor’t Slot van eene Stad.
Dus kost dat schoone Kind den muil des Nijds ontslopen,
    Onsterflijk zijn, zoo lang men iet onsterflijks had;
De Xanth en Zimoïs haar Troje noch omringen,

    (10) De hooge Sceésche Poort noch overende staan.
Hier komt nu een
TORQUAAT wat ongemeender zingen,
    En in ’t nieuw Latium d’Eóólsche Cijter slaan;

[fol. (E)4v]
Niet hoe het Heidendom heeft lijf om lijf gestreden,
    En Rijk om Rijk gewaagd, voor een ontschaakte Boel.

(15) De vrome GODEFROOY in’t harnas toegereden,
    Verlost de heilge stad van d’Aladijnse Stoel,
En kapt op d’Indiaan, en Pers, en snoô Barbaren,
    Ten dienst van d’Oppergod, en Zijn gekruisten Zoon.
Hij stormd verwoed op haar verwoede Heijërscharen,

    (20) Op dat geen booze Draak meer heerscht op Zalems Troon.
Hoe prachtig weet
TORQUAAT zijn GODEFROOY te malen,
    ’t Geloof en ’t Ongeloof te stellen in een perk,
En schoonder dan de Zon op Libanon doen pralen,
    Het Heir, daar ’t al voor zwicht, wijl’t dingt om Christus Kerk.

(25) Hij mengd de zoete liefde in d’edle Heldezangen,
    Hij voegd de groote Mars bij Anadiomeen.

Tankredo blaakt op ’t bloos van Maagd Klorindes wangen,
    Terwijl’er voor de Stad zoo bloedig werd gestreên.
Die dappre Krijgsheldin komt haar in ’t harnas toonen,

    (30) En sart Tankredo uit; gelijk Penthezile
Voor Ilion, en haar gemaanschilde Amazonen
    Met bijl en beukelaar, de trotse Achilles dee.

Tankredo drukt het zwaard in ’t hert van zijn Klorinde,
    Hij zuigt de fiere Ziel uit haar bebloede wond,
(35) En kust, en drukt, en weend op ’t Lijk van die hij minde
    Als ook Achilles op ’t schoon Amazoontjes mond.

[fol. (E)5r]
Gelijk de Griekse Zon, nooit zat van heete slagen,
    Den grooten Hector, na veel slagen, heeft geveld;
Zoo doet
Tankredo, wien Argant vaak uit kwam dagen,
    (40) En meesterd Aladijn zijn besten Oorlogsheld.
Maar
Reinout hangt mee aan Armides roozelippen,
    Als een verwonne Slaaf der schoone Tooveres;
Hij zit haar stadig op den tabberd en de slippen,
    En blust zijn oorlogsgloed in dees Krijgsmeesteres.

(45) Zoo raakt de felle Leeuw wel voor een wijl aan’t slapen,
    Zoo word Alcides vacht een deksel van de min,
En schept nu lust voor helm, en knods, en speer, en wapen,
    In zijn Lardaansche Nimf, der Lijden Koningin.
Zoo word Ulysses van zijn Hof en Volk gehouwen,

    (50) Terwijl hy zorgloos speeld in Circes laffe schoot,
Zoo duikt den Vijand voor den Held, den Held voor Vrouwen,
    En ’t volk is klein dat staal, bij ’t geen dat liefde bood.
Nu Reinout blijft niet meer, gelijk hij plag, verwonnen,
    Hy wraakt de geile Kol, en spant weer moedig aan.

(55) Hij wil met GODEFROOY zijn draad zien afgesponnen.
    En, als een kopre zuil, voor ’t heilig Kruisschild staan.
De Wreedaard sneuveld met zijn helsche Legerbenden,
    Met zijnen Zoliman, Adrastes en Argant.
Tot d’overige van ’t hertnekkig volk erkenden,

    (60) De hooge Majesteit verkracht in ’t heilig Land.
Zoo doet de Dondergod, die hem wil tegenkanten,
    En met de verssenen aan zijnen prikkel stoot,
Vernielen met zijn Heir, en snoode Lijftrawanten.
    Maar Christeprincen was uw ijver nu zoo groot,

[fol. (E)5v]
(65) Daar zou geen Ottoman, met blaauwe Hemelmanen,
    Getulband en geschild, op uwe grenzen staan,
Te water en te lande uw edle Legervanen,
    Zoo slecht doen strijken voor den norssen Traciaan:
Het uwe was het uwe, en ’t zijn niet meer het zijne,

    (70) Haar bloed was uwe roof, uw bloed niet meer haar roof,
Gj heerschte in Edom, en in Jude, en Palestijne,
    Ter eeren van ’t geloof, in spijt van ’t ongeloof.
Men zouw het heilig lof in Zalems Tempel zingen,
    Daar zou geen Mahometh meer Overpriester zijn.

(75) Zoo ver de zwarte Zee haar golf en baren springen,
    Tot aan de groote Stad van Keizer Konstantijn.

J. CABELJAU, J.C.



[
fol. (E)6r]

Op het

VERLOSTE

JERUZALEM,

VAN

TORQUATO TASSO:

Vertaald door

JOAN DULLAART.

ONkundige oogen, wend ter zijden,
    Gij mogt, met uw verminkt gezicht,
    Op minder lichten afgericht,
Dit wijze Heiligdom ontwijden.

    (5) Hier is het niemand toegestaan,
Als Febus grootste Voesterlingen,
Die in ’t geheim der Zangkunst dringen,
    Den grooten
TASSO na te gaan.
Daar hij voor Zalems hooge wallen,

    (10) Ontheiligd door den Zarazijn,
    Den Tulband van Vorst Aladijn,
Voor
GODEFROOY ter neer doet vallen.
[fol. (E)6v]
    Die hij, als Hoofd van ’t Heldendom,
Dat d’oude Kruisbanier verdadigd,

(15) En onverzaagd, maar ook bezadigd,
    Vol vuur van heilige ijver glom,
Verheft op Klioos Oorlogsnaren.
    En mengeld edel bloed met stof,
    En laf verwijt met Heldenlof,

(20) De Lijkcijpres met Lauwerblâren;
    En dulheid met voorzichtigheid,
Geluk en ongelukkig strijden,
Op d’aard te gaan, te paard te rijden,
    En wat in wapenhandel leid.

(25) Dan is ’er zoo veel kracht gelegen
    In zijn verheve stijl en zwier,
    Als in het Loreinooisch Rapier,
Of ’s woesten Argants fieren Degen,
    Wiens trots
Tankredoos arm beslecht.
(30) Tankredo, zoo verliefd van zinnen,
Och was hij minder in het minnen!
    Of min op ’t vechten afgerecht!
Hij had
Klorindes strijbaar leven
    Zoo lichtelijken niet gewaagd,

    (35) Of haar verhaaste dood beklaagd,
Noch zich den rouw ten prooy gegeven.
Wie hier zijn minziek snikken hoord,
    Ziet van Apollos wijze lippen
    Een klagt om ’t Lauwermeisje glippen,

(40) Op Peneus vaderlijken boord.
[fol. (E)7r]
De Min die strijd ook onder ’t strijden,
    En ’t Musje nesteld in ’t helmet;
    Maar wie op
Reinouts minnen let,
Die leerd de Min zijn kracht belijden,
    (45) En ziet zijn beeld op ’t aangezicht:
En
Reinouts schild met mirth bestooken,
Die in
Armijdes schoot gedooken,
    Vergeet zijn ridderlijke plicht:
Terwijl zij met Klimop het lemmer,
    (50) Dat nimmer geen geweld en lee,
    Bewoeld in d’opgepronkte schee,
En temd den fieren Heldentemmer.

    JERUZALEM dat wacht u al,
O Held, die met bebloede handen,
(55) Den trotsen Koning aan moet randen,
    En planten ’t Kruismerk op de wal.
Zoo word het heilig Land verkregen.
    Zoo word een Oorlog afgedaan,
    Om weer een Oorlog aan te gaan,

(60) Tot dat den tijd, en Stad, en degen,
    En Helden, in het stof bedekt:
Maar
TASSO, boven Stad, en Helden,
Die Oorlog, Min en Zegen melden,
    Een andre muur om
ZALEM trekt,
(65) Bepaald van ’s Werelds wijdste palen;
    Daar nooit vermaledijde hand
    Des Zarazijns, zich tegen kant,
En daar den tijd in ’t graf moet dalen.

[fol. (E)7v]
    O grijze Ismeen! betooverd vrij,
(70) En grond, en bosch, en kruid, en lovren,
Hij kan de wijste zelfs betoovren,
    Hoe zoet is deze tooverij!
Tot noch toe was ons Taalgenooten
    Bedekt dit kostelijke pand;

    (75) Gelijk een hellen Diamant,
Die in zijn bolster leid beslooten.
    Nu komt een Pen, in Taal doorweekt,
Getrokken uit de Fameschachten,
Die
TASSO om den Aardkloot bragten,
    (80) Waar door hij zuiver Neerlands spreekt.
Hier derf ik nu den Lezer noden:
    Maar weest eerbiedig in ’t onthaal,
    Wij spreken enkele menschen Taal,
Doch dit’s een Taalman van de Goden.

H. DULLAART.



[fol. (E)8r, fol. (E)8v: errata]
Continue
[
Frontispice canto 1]
[p. 1]

TORQ. TASSOOS

Verloste


JERUZALEM.

Het eerste Gezang.

INHOUD.

    God zend eenen Engel te Tortouze, een Stad in Surien gelegen, tot Godefroy, die hem vermaand, dat hij de voornaamste Kristen Princen zou vergaderen, en haar tot den togt aanmoedigen, alzoo de Lente aanstaande was. Hij word tot Veldheer over ’t geheele Leger verkoren; Algemeene monstering van ’t Volk, en optogt naar Jeruzalem.

GOD Zend een Engel uyt den Hoogen, na de Stad
    Tortouze, in ’t Landschap van oud Surien gelegen:
Die Godefroy verschijnd, terwijl hij nedrig bad,
    Om heilge Hemelhulp en overdierbre Zegen.

[p. 2]
(5) Hij openbaard zijn last: dies Godefroy terstond
    De Kristen Princen bij elkandren doet verzamen,
En, door zijn wijzen raad, ook sluiten een verbond,
    Daar hij tot Hoofd gesteld word uyt hun aller namen.
Men monsterd Volk bij Volk in het gezicht van hem,

    (10) Daar op zoo trektmen heen na ’t hoog Jeruzalem.

IK zing de Zeeghaftige wapendaden van een grooten Held, die vol van Godvruchtigen ijver het heilige Graf van JEZUS CRISTUS ging verlossen. Maar eer hij zoo braven aanslag ten einde brocht, is het niet te gelooven, hoe veel tegenspoed hij in deze heerlijke overwinning leed. Echter was het te vergeefs dat de Hel haar daar tegen stelden, en dat het volk van Azië en Libien, onder een vermengd, zich tegens hem haar wapenden. Want alles kan niet hinderen als men de Hemel te hulp heeft. Ook stelden hijze niet alle onder zijn Banieren die hem in deze Reis navolgden: ô Zanggodin; die de verwelkbre laurieren van Helikon veracht, vercierd uw hoofd met een onsterffelijke Kroon van Starren, u roep ik nu aan, deeld mij van uw heilige vierigheid mede, versterkt mijn stem en weest mijne gezangen gunstig. Ik bid u ook, dat gij ’t mij vergeeft, indien ik eenige verven bij de waarheid vermenge, en zoo ik, om mijne schriften op te pronken, die zomtijds met eenige andere ver- [p. 3] cierselen, als de uwe, vercier. Gij weet dat het volk garen loopt daar de vleiende Parnassus zijn zoetste zoetigheid uytstort; en dat dikmaal de gene, die het quaaste te vernoegen zijn, liever de ware dingen smaken, wanneerze door de geestigheid der vaarzen daar toe gedrongen worden. Alzoo is men gewoon, om een kind, dat ziek is, een drank in te geven, den rand van den beker met eenige zoetigheid te bevrijven. Ondertussen neemt het de bittre nattigheid in, en verkrijgt door deze bedriegerij zijn gezondheid. Wel aan dan, kloekmoedige Alfonsus, die de beletselen van mijn geluk gebroken en mij in behouden have gebrocht hebt, toen ik in’t midden der klippen en baren, die mij beukten, op het uiterste was om van de Zee ingezwolgen te werden, doet mij de eer, ik bid u, deze schriften, die ik u op een wijze van beloften toewijde, gunstig t’ontfangen. Mogelijk zal ’er eenen dag komen dat mijn penne, als een voorteiken van het toekomende zijnde, het wagen zal om een langer werk haar t’onderwinden, daar uw uitstekende deugden haar alreede stof toe leveren. En zoo het ooit de geloovige Volkeren, van Jezus Christus, gebeurd, datse haar in zoo gerusten stand bevinden, en wederom ter Zee en te landen mogen gaan, om te verkrijgen dat Landschap, ’t geen den wreeden Griekschen Tiran onrechtvaardig van haar bezit; dan zal ’t wel reden zijn, om hem zoo grooten roof uyt de handen t’ ontrukken, datze [p. 4] u Veldheer, op het eene en ’t andere Element, maken, na het voorbeeld van dien Zeeghaftigen Godefroy, daar gij de heerlijke daden van navolgd. Maar verwachtende tot dat geschiede, hoord mijne vaarzen, en bereyd u tot den slag.
    De Kristenen hadden, sedert zes jaren, de Zee doorkruist met een machtig Leger, van voornemen zijnde in’t oosten te gaan, om het heilige Land weder te verkrijgen. Alreede mochten zij roemen, datse stormender hand de stad Niceen veroverd hadden en door verassing Antiochien gewonnen, daarze haar sedert kloekmoedig hebben verweerd, tegen een ontallijk getal vijanden, die van Persen afquamen om die weder te verkrijgen. En boven al deze overwinningen; het veroveren van de befaamde Stad Tortouze. Wanneerze, door het strenge saizoen des winters, gedwongen wierden in heure winterlegeringen te vertrekken, tot de aanstaande Lente. Den eeuwigen Vader, ondertussen, die tot zijnen Troon het uitstekenste deel des Hemels heeft, zoo hoog verheven boven den Starrekloot, als die is boven de diepste afgronden, sloeg zijn hemelsche oogen naar beneden, die, met een eenig opslag, terstond ondekken al wat de wereld begrijpt, en ’t geen ’er geschied. Na dat hij alle dingen wel bezien had, veste hij eindelijk zijn gezicht op de Kristen Princen, en met die zelve oogen, die tot in de alderheimelijkste gedachten doordringen, bemerkten hij, dat den moedigen [p. 5] Godefroy, vol van vierig geloof, meer achten, dan de begeerlijkheden der ijdle eer en de schatten en rijken dezer wereld, zijn vierige begeerten, die hij had, om d’ongeloovige uit de heilige stad te verjagen. Maar in Boudewijn bespeurden hij een geest, die driftig na grootsheyd haakten, daar hij volkomen op hoopte. Hier bij zag hij dat het leven Tankredo tegen ’t harte was, zoo veel smart en ongenuchten veroorzaakte hem een dwaze liefde, die sedert weinig tijd hem bezeten heeft. Maar in Boehemond bespeurd hij, dat die zijn gedachten nergens toe aanwend, als om hem in zijn nieuw Koningrijk van Antiochien te bevestigen, waar toe hij goede wetten zoekt in te voeren, en t’effens goede kunsten en tucht in gebruik te brengen; en boven al om dit ongeloovig volk het ware Kristelijke geloof in te scherpen. Reinout is de leste die zich voor zijne oogen vertoond, met zulken krijgslust, dat hij van ledigheid onverduldig is. En zoo hem yets queld, het is noch de liefde tot rijkdommen, noch d’eergierigheid tot scepters, maar d’eenige begeerten die hij heeft, om eer door de wapenen te verkrijgen, daar hem den kloekmoedigen Guelfus vieriglijk toe aanprikkeld, wiens onderwijzinge hij altijd navolgd, en onderwint zich niet te bestaan buiten ’t voorbeeld van zijn brave daden.
    Den eenigen Monarch der Wereld, hebbende aldus in’t binnenste van ’t voornemen dezer Ridderen [p. 6] ingedrongen, riep tot zich, uit het midden van de reien der blinkende Engelen, Gabriël, de tweede van de eerste orden der Serafijnen, want hij den getrouwen bediender tussen God en zijn uitverkoren Zielen, welke hij een aangename bode is, om dat hij hier beneden de wetten verkondigd, die daar boven gemaakt zijn. Wel op, sprak hij tot hem, gaat terstond naar Godefroy, en vraagt hem, van mijnent wegen, hoe dat het komt dat hij de volvoering van zijnen aanslag dus lang uitsteld, en waarom hij voortaan den oorlog niet vernieuwd, om mijn Jeruzalem van de tierannijen der ongeloovige te verlossen? Zegt hem, dat hij al de hopmannen in den raad doet vergaderen en dat hij de slapsten onder haar, tot zoo grooten aanslag, aanmoedig; dat ik hem hier boven tot haar Opperhoofd verkoren heb, daar hij daarbeneden voor zal erkend worden, en dat ik versta, dat hij in dezen oorlog zal gebieden over de gene die noch korts zijne Spitsbroeders waren.
    Dit gezeyd hebbende, bereiden Gabriël zich, om te verrichten het geen hem geboden was. Hierom bedekten hij zijn onzichtbare gedaante met een wolk en onderwierp het een sterffelijk gevoelen. Hij vertoonden zich met zulk een wezen en lichaam, als d’ andere sterffelijke Menschen hebben, uitgenomen dat zijn glans, waarlijk door een hemelsche Majesteit uytblonk, en dat hij in een ouderdom, tussen de jongelingschap en kindsheid scheen te zijn. Zijn [p. 7] blonde lokken waren met een heldre starrekrans bekroond; zijn vleugelen, van witte pennen, aan d’einden verguld, en zoo gezwind datse door ’t vliegen nooit vermoeid wierden. Hij gebruiktse, hangende in de lucht boven Aarde en Zeen, om de winden en de dikste wolken te breken. In deze toerusting, nam dien hemelsche Bode zijn vlucht, van boven uit den Hemel, na de laagste gewesten der Aarden; rustende eerst op den Berg Libanon, en daalden daar na in de vlakten van Tortouze: De Zonne rees eerst op uit de oevers van ’t Oosten, en het grootste deel van zijn Kloot was noch in de baren gedompeld. Deze schoone star begon zoo haast op Godefroy niet te schijnen, of den Engel vertoonden zich voor hem, aan de zijde tegen den opgang, met veel meerder glans als die van de Zon. Hij hem in gebeden vindende, gelijk hij alle morgen gewoon was, sprak hem met deze woorden aan; Godefroy, waarom vertoefd gij langer om mijn Jeruzalem te verlossen van de slavernij daar het nu in is? Ziet gij niet dat het saizoen om te oorlogen nooit bequamer was als het nu voortaan wezen zal? Hebt dan moed en ga terstond de voornaamste hoofden in den raad vergaderen. Drijft stoutmoedig de zwakste aan, en vermaand haar om het einde van zoo braven aanslag te zien. God heeft alreede u tot haar Veltheer verkoren, gij hoefd niet te vreezen dat zij u niet gewillig zullen gehoorzamen. Eindelijk ’t geen ik u zegge is [p. 8] niet uit mijn zelve, God zelf zend mij hier om u van zijn wille te verwittigen, oordeeld nu of gij geen groote hoop van overwinning behoord te hebben en of gij niet verplicht zijt, om in toekomende, zorge te dragen voor het Leger dat onder uw beleid gesteld is.
    Zoo sprekende verdween den Engel, die zoo haast zijn vlucht niet naar het helderste en hoogste van den Hemel genomen had, of Godefroys dapperheid was niet minder verwonderd over die woorden, als zijn oogen door die glans verblind waren. Echter na dat hij zich een weinig hersteld had, overwoog hij neerstig wie den genen was, die daar van hem gescheyden, en van wiens wegen hij gekomen was, ook ’t gene hij hem gezeid had. En zoo hij noch kort te voren, dezen oorlog wenschten t’eyndigen, zoo brand hij nu, dat hij tot Veldheer van’t heele Leger verkoren is, van ongeduld om die ten eynde te brengen. Evenwel word zijn hart niet opgeblazen door eergierige ijdelheid, dat hij zich daar boven gevorderd ziet, boven zo veel kloekmoedige Hopmannen; maar het is veel eer een driftige begeerten, om zijn wille, die meer en meer in hem ontsteekt, gelijk de hette van een kool door het geweld van ’t vier ontvonkt, die van zijn eenigen Opperheer gelijk te maken. Hij draagt dan zorg om volkomen al de Ridders, zijn medegezellen, die hier en daar verstrooyd waren, zonder datse ver afgescheiden zijn, te [p. 9] vergaderen. En om haar te verplichten wat haastiger te komen, zond hij haar bode op boden, en brief op brieven, daar in hij zich zoo zorgvuldig queet, en wist zoo bequaam het bidden bij den raad te voegen, dat het scheen dat hij in zijn geest had t’zamen vergaderd, al het gene dat bequaam is om een edele dapperheyd aan te prikkelen en te lokken, en dat een quijnende en slaperige moed op kan wekken. Daarenboven voegden hij bij zijn reden zooveel vercieringen en aangenaamheid, dat zijn aandrijvingen hun bedwongen, zich na zijn wille te voegen, of uit heur eigen vrijheyd die te volgen. De Hopmannen quamen d’eerste, uitgenomen een eenige Bohemond die zich daar niet wilde vertoonen, en al de Soldaten volgden daar na. Eenige sloegen haar onder de hutten ter neder, andere legerden haar in Tortouze en de voorsteden. Een weinig hierna, verkozen de grooste van het Leger (een gedenkwaardige en heerlijke vergadering) een bijzonderen dag om op zoo zwaarwichtigen zaak te beraadslagen, en toen was’t dat Godefroy, met een stem, die niet minder klinkende, als zijn aangezicht vol Majesteit was, aldus begon te spreken.
    Strijdbare Ridders van JEZUS CHRISTUS, die den Monarch des Hemels tot bevordering van het Geloove, en om de schaden te vergoeden, uitverkoren heeft, ik bid u, verbeeld u eens, hoe na zoo veel lagen en gevaar, dat gij te water en te lande ge- [p. 10] loopen hebt, hij u alleen hier geleid heeft, daar gij tegenwoordig in zekerheid zijt. Gij weet dat wij door zijn gunstige hulpe, tot zijn’er eer, verscheide ongehoorzame landschappen hebben t’onderbracht en zelf het overwinnend teken van het kruis uytgesteken onder het volk dat uw dapperheid verdelgd heeft. Dit ’s niet geweest, indien ik mij niet bedriege, de begeerte om voor een weinig tijd van ons te doen stpreken, noch veel minder om het Land der ongeloovige te verkrijgen, dat ons onze Vrouwen, Kinderen en onze geboorteplaats heeft doen verlaten, of zelfs ons leven in de genade der baren, en in het gevaar van een Oorlog, die wij van zoo ver komen doen, te stellen? Indien dat dit zoo was, wij zouden ons zelven wel een kleine vergeldinge belooft, en ons bloed met te grooten gevaar en nadeel van ons leven uitgestort hebben. In deze Reize heeft ons voornemen altijd geweest om Jeruzalem te belegeren, de Kristenen van een onverdragelijke last van slavernij te verlossen, en in het beloofde Land een nieuw Rijk te bevestigen, daar het Kristen Geloof een verzekerde Stoel mag hebben. Door deze middel hopen wij ’t zoodanig te maken, dat hier namaals de Pellegrims, niet beletten zal om haar belofte voor het heilige Graf van JESUS CHRISTUS te komen doen. Nu alzoo men waarlijk bekennen moet, dat de dingen, van ons tot noch toe uitgesteld, van geen klein gewigte, en datse wel waardig zijn om over- [p. 11] wogen te worden, zoo wel om het gevaar daar wij ons in begeven, als ter oorzake van den grooten arbeid die wij geleden hebben. Zoo zijnze, in ’t gene de eer raakt, niet veel roemens waardig; te meer, alzooze naauwlijx te vergelijken zijn bij ’t gene ons in dezen aanslag, noch overschiet te doen. Als dit zoo is, ’t sij dat wij hier de macht van onze wapenen ophouden, of dat wij die elders voeren, wat voordeel zal der ons afkomen dat wij zoo groote Machten uit Europe geleid, en het vuur in Azië gebrogt hebben, zoo eindelijk, al dat gewoel, meer na den ondergang, als naar de bevesting der Rijken held? Waarlijk die heerschappijen op zoo zwakke grondvesten, als die van de Wereld, daar niet vast noch bestandig is, meend te bouwen, en ziet niet dat hij afbreekt in plaats van optimmerd. Zulx na dat hy de verwoestingen wel heeft omgevroet, onder dewelke hij verplet blijft, bevind hij, tot loon van al zijn arbeid, dat hij zich zelve een Graf gemaakt heeft om in begraven te worden. En zeker wij behoorden hier acht op te nemen, te meer, alzoo wij ons onder een Heidens volk bevindende, niet veel hoop van de zijde der Grieken hebben, noch veel volk dat van onze landslieden en geloove zijn. Hier bij, dat wij ver gescheiden zijn van de hulpe die ons van de Westersche Landschappen mochten toekomen. Ik weet dat die woorden, van Turkijen, Persen, Antiochien een wonderlijke schijn hebben, en dat de tijtel heel groot [p. 12] is; maar het is de Hemel, en niet ons, die wij d’overwinning schuldig zijn. Want het is zeker dat onze winsten in den rey der wonderwerken behoorden gesteld te worden. En zoo het gebeurd dat wij aan ’t einde afbreken, tegen het voornemen van hem die het ons gegeven heeft, dan ben ik zeer bevreest, dat hij ’er ons licht van berooven mocht, en dat wij, na zoo veel brave daden, die zoo door de wereld gebrald hebben, den spot van al de volkeren zullen worden. Wel aan dan, dat ’er niemand onder ons zij die ondankbaar is, om op het uiterste lafhartig die genaden te verwaarloozen, die wij bijzonder van den Hemel ontfangen hebben, ik bezwere u in den name Gods. Laat ons zoo veel merkelijke gunsten niet verzuimen, maar laat ons veel eer trachten om wel t’eindigen, het geen wij zoo gelukkig begonnen hebben. Alle dingen noodigd ons, nu de wegen voor ons open zijn, en het saizoen ons gunstig is. Is ’er dan eenige verhindering die ons beletten kan, niet met kleyne treden, maar met vollen loop na de heilige Stad te gaan? Is dat niet de voornaamsten roof daar alle onze overwinninge op hopen? Kristen Princen, weest verzekerd dat de vruchten van onzen aanslag beginnen rijp te worden, dat ’er niet overschiet als die te plukken. Het geen ik zeg is geen verziersel; maar in tegendeel, de betuigingen die ik ’er u af doe, zijn zoo waarachtig dat, boven dien de eeuw, daar wij nu in zijn, u de uitkomst daar van leeren zal, ik [p. 13] hoop de toekomende daar t’eeniger dag van zal spreken. Ik zeg noch meer, dat de Zielen der welgelukkige het daar boven in den Hemel aanhooren. Laat ons, ons dan ijverig in dit goed voornemen dragen. Want hoe dat wij langer wachten, hoe minder dat de gelegendheid bequaam zal zijn. Zulks dat het geen ons nu zeker is, hier naar onzeker zal worden. Ook vrees ik alreede, indien wij langer vertoeven, dat Egipten, hulp aan het beloofde land mocht toezenden.
    Naauwlijks had Godefroy zijne reden geëindigd, of tot teiken van handgeklap, ontstond ’er een kort gerucht onder de vergadering, ’t geen zoo haast niet gestild was, of Peter, den vromen Kluizenaar, stond op, met voonemen om te spreken; want hoewel hij maar een gemeen perzoon was, die noch bevel, noch last had, echter was hem toegelaten in den Raad en onder de Princen te zitten, om dat hij den eersten instelder van die groote Reize geweest was. Hierom nam hij ’t woord, en bedocht zich om dus tot haar te spreken:
    Het voornemen daar u den Hartoog Godefroy toe brengt, zeeghaftige en doorluchtige Princen, is niet te weêrspreken, indien men de waarachtige zaken voor zeker moet houden, gelijk ik u hoop klaar te vertoonen. Daar is geen verschil meer als toe te staan ’t gene bij u gezeid heeft. Maar eer ik verder ga, bid ik u, datge mij toelaat dit daar bij te voegen. Ik zal mij nimmermeer de partijschappen en verdee- [p. 14] ling verbeelden die onder u, om strijd, schandelijk ontstaan zijn. Na dat ik die wel overwogen heb, met het hardnekkig gevoelen, en de verscheiden listige ondervindingen, alleen om de gelukkige uitkomst, die wij van onze Reize verhopen, te verlengen. Terstond zien ik dan wel waar uit dit dralen en deze tweedragt ontstaat. Geloof mij, mijn Heeren, de oorzaak is afgekomen uyt den voornaamsten oorsprong, dat de eergierigheid, om te gebieden, haar teffens verspreid heeft, in zo grooten getal van verscheide stemmen; dat ijder in’t bijzonder gewild heeft dat zijn gevoelen boven een anders gevolgd zou worden. Zie dit is noch magtig om ons alle in verwerring te brengen.Want in stuk van heerschappij, zoo d’Oppermagt niet alleen aan een gegeven is, die de macht heeft om vergeldingen en straffen te beramen, of zelfs den genen, die het haar deugden waardig maakt, tot staat te verheffen, zoo moeten noodwendig alle dingen in onorden en verwerringen geraken. Maakt dan een Lichaam van verscheide leden, door een volmaakte liefde t’samen gevoegd.Verkiest een opperhoofd die d’anderen gebied en heur begeerten matigd. Met een woord, steld den Scepter een perzoon in handen die bequaam is, ende die gij voor uwen Opperheer erkend.
    Zie dit is het gene dat dien eerwaardigen Grijzerd, in weinig woorden sprak, en het was waarlijk een [p. 15] van uw uitwerkingen, ô Hemelsche ijver, terwijl het dan waar is, dat het voornemen en de aldergeheimste gedachten voor u niet kuuen verburgen zijn, zoo bid ik u, blaast in de herten van onze Ridders, den raad van die vromen Kluizenaar. Brengt haar tot heur plicht, en verband wel ver van haar die drift, die haar als aangeboren is, om onderling te twisten wie de voorzitting en de waardigheid der Ampten bekleden zal. Wilhem en Guelfus, die de eerste van de vergadering waren, verkozen ook de eerste Godefroy tot haren Veldheer. De anderen keurden terstond hare verkiezing voor goed, en bleven eenstemmig daar bij, dat van nu voortaan, niemand als hij, het Oppergebied over haar hebben zou. Dat hij alleen na zijn welgevallen van haar gemeene zaken mogt oordelen; de verwonnen zulke wetten voorschrijven als hem dienstig docht, den Oorlog brengen in wat plaats dat het ook was, en die verklaren aan den genen die’t hem goed zou dunken. Eindelijk, dat alle degene, die voor dezen, hem in gezag gelijk waren geweest, in toekomende wel te vreden waren om hem de plechtigheyd van getrouwe dienaars te bewijzen. Deze dingen aldus besloten zijnde, vloog het gerucht terstond in ijders ooren, en hare monden verspreiden het aan alle zijden. Ondertussen vertoond zich Godefroy aan de Soldaten, die alle met een gemeene overeenstemming bekenden, datmen, tot zoo braven Ambt, nooit [p. 16] een bequamer persoon zou kunnen verkiezen. Hier op ontfing hij van d’een en d’ander verscheiden toejuiching, en, door het goed onthaal ’t gene hij haar deed’, betuigden hij haar genoeg zijn goede wille. Na dat hij op haar ootmoedigheid, onderdanigheid en getrouwigheid, die men hem aan alle kanten bewees, voldaan had, gebood hij dat ijder Soldaat des morgen zich onder zijn Vendel zou begeven, in een braaf veld, dat daar niet verre van lag.
    De Zonne keerden in’t Oosten al reede wederom, daar hij zijn licht klaarder als naar gewoonte vertoonden, wanneermen, op zijn eerste stralen, alle de Troeppen van ’t Oorlogsvolk in het plein zag verschijnen. In deze monstering vertoonden zich de Soldaten aan haren nieuwe Veldheer, zoo braaf toegerust als haar mogelijk was, en deden de ronde van den geheele Beemd, daar Godefroy gezeten was, om troep, voor troep, van de Ruiterij en ’t Voetvolk te zien verbij trekken. Waarde geheugenis, die niet minder vijandinne van de vergetelheid, als van oude Jaren zijt, en zorge draagt om getrouwelijk te behouden, al het gene dat in de Wereld geschied, om het te verkondigen, ik bid u, staat mij met uwe gunst bij, maakt dat ik al de voornaamste Hopmannen van het Leger indachtig worde, en wat voor Troeppen en Vendels zij gehad hebben. Verhaald mij, wat haar dapperheid en faam geweest is, die de Jaren verduisterd of in de stilten be- [p. 17] graven hebben. Neemt van uw rijke schatten tot vercieringe van mijn penne, dingen, die de gene, die na ons zullen komen, aandachtig mogen aanhooren, zonder dat de toekomende Jaren ooit machtig mogen zijn die uyt te dooven. De eersten die op den rij verschenen, waren de Fransen, strijdbare Soldaten, die onder ’t beleid van Hugo, Broeder des Konings, voor dezen waren gelicht en uytgekozen in ’t Franse Eiland, een plaats van vier schoone Revieren besloten, zoo aangenaam in d’oogen, als breed in zijn uitbreiding. Maar na de dood van dien Prins, begavenze haar onder den Standerd der Lelibloemen, gevoerd door de grootmoedigen Klotarus, die niet als de naam van Koning ontbrak. Na deze vertoonden zich twee Veldels, het eene van duizend gewapende Mannen, en het andere van zoo veel lichte Paarden, alle Noormannen van geboorte, die onder ’t beleid van Hartog Robbrecht, haren natuurlijken Prins, optrekken; zij wijken de Fransen niet, noch in tucht, noch in Oorlogsrusting, noch in dapperheid, noch in braaf gelaat. Na deze vervolgden, de twee eerwaardige Prelaten, Wilhem en Aymart, die van langen tijd aan de Kerk verbonden waren geweest, en nu de wapenen tot haren dienst hadden aangenomen. Het is niet te gelooven, wat voor een aangenaamheid haar gaf, heur witte en grijze hairen, die in een verspreid, onder haar hoofddeksels heen zwaaiden. Den eersten had van de stad Oranje, en [p. 18] d’omleggende plaatsen, vier honderd paarden wel verzien en gewapend afgebrocht. De tweede, die Bisschop van Puts was, had ’er ook zoo veel, die de beste, noch in kloekmoedigheid, noch in toerusting weken. Boudewijn quam na haar met zijn Boulonjers, en het volk van zijn Broeder vergezelschapt, die hem het geleid daarvan gaf zoo haast als hij tot Veldheer van ’t Leger verkozen wierd. Hij wierd door den Grave van Cartres gevolgd, een Hopman van goeden raad en bequaam tot d’uitwerking. Die met hem voerde vier honderd uitgeleze mannen, maar Boudewijn had drievoudig, d’een en d’anderen, wel opgezeten en op voordeel gewapend. In een gedeelte van ’t veld, na de alderleste, verscheen terstond den Zeeghaftigen Guelfus, wiens verdiensten en deugden het opperste geluk, daar hij toe gestegen, gelijk was. Deze zelve Guelfus, was uyt Latinus gesproten en door een lange rij van Voorzaten, zekerlijk uit het doorluchtige bloed van Est geteeld. Hier bij mag hij roemen, een Hoogduitser van toenaam, en door d’oppermacht, van het machtige huis der Guelfen, Heer van Carinthien te zijn, en van al het geen d’aaloude volkeren van Sueven en Retien eertijds plegen te bezitten, langs den Danubes en den Rijn. Het was van zijn Moeders zijde, dat hij deze schoone landschappen erfden, daar hij sedert schoone overwinningen bij voegden. Van deze plaatsen had hij zoo vrome en stoutmoedige sol- [p. 19] daten gebrocht, dat se onder zijn beleid, waar hij haar ook gevoerd had, het maar voor spel zouden gerekend hebben, de dood aan te tarnen. Waarlijk een volk dat braaf in den oorlog ervaren, en onder een koud hemelteken geboren is. Het is waar, dat d’Inwoonders daar goede hulpmiddelen tegen gebruiken. Want zij hebben kachels daar zij hare Kamers zoo mede verwarmen, datse, door deze middel, de strengheid van den Winter verzachten, en brengen den tijd geneuchelijk deur, met elkanderen toe te drinken. Zij waren ontrent vijfduizend in getal toen hij haar uyt hun land bracht, maar nu was ’er niet meer als het derden deel over geschoten, die in den ondergang der Persianen geburgen waren. Na deze volgden een troep brave Soldaten, wier blankheid van verf en schoone gestalte, een wonderlijke aangenaamheid gaf in’t voeren van de wapenen. Zij quamen van een oord, dat tussen Vrankrijk en Duitsland leid, in die zelve plaats, daar den Maas en Rijn, door haar overvloeyinge, groote en breede moerassen maken; In deze landschappen, begrijp ik noch de naast gelegen Eilanden, die door middel van hare dijken, haar, het beste dat mogelijk is, versterken tegen ’t geweld van den Oceaan. Ook is hij grootelijks te duchten, terwijl hij door zijn razernij, niet alleen de schepen en koopmanschappen in zwelgd, maar ook heele Steden en Koningrijken. Deze laaste waren ontrent duizend sterk, die t’zamen [p. 20] onder ’t geleid van eenen anderen Robbrecht optrokken.
    Achter deze verschenen de troeppen der Engelsche wiens getal veel grooter was als dat van al d’anderen, zij hadden tot haar Overste Wilhem den jongsten Zoon des Konings, en voerden alle bogen voor hare wapenen. Zij brochten noch andere volkeren met haar, die om datse dicht onder de Noorderpool gelegen waren, schenen van de uiterste palen der aarde gekomen te zijn; zij zijn Iren geheten, een Zeevolk, dat een Land, dicht met wildernisse bewossen, bewoond. Den genen die haar volgd, is den zeeghaftigen Tankredo, van wien men waarlijk zeggen kan, dat van al die onverwinnelijke Helden, hij de eenigste, uitgenomen Reinout, die zich het beste met een zwaard en een speer kan behelpen, en het braafst van gestalten is; daar de wonderen van zijn dapperheit en edelen aard noch zijn bijgevoegd. En zoo daar iets in hem is, dat, zoo veel als’t zij, de luister van zijn glans mogt verduisteren, dat is, zonder twijffel, een dwaze min, die, zeder weinig tijd hem gequeld heeft. Waarlijk een blinde liefde, die onder de wapenen, in ’t hart van dien Ridder zijn oirsprongk genomen heeft, en zich voed en versterkt in’t midden der ongenuchten en droefheid. Men zeid dat in die gedenkwaardigen dag, daar de Fransen, van de verdelging der Parsianen, de eer hadden, Tankredo zoo heerlijk het voordeel van d’overwin- [p. 21] ning gebruikten, dat hij, eindelijk moede wierd van de Vijanden, die geheel verstrooid waren, te vervolgen, en voor hem nam een plaats te zoeken, om zich van de vermoeidheid der wapenen wat te vervarssen. Met dit voornemen ging hij aan de kant van een Springbron, van kleine heuveltjes, die tot stoelen verstrekten, omringd. En zoo als hij zich onder deze aangename schaduwen verquikten, quam, om die zelve reden, daar ook een Ridder, van brave gestalte, met alle stukken gewapend. Hij, niet twijffelende dat hij van iemand konde bespied worden, ontgespten zijn helmet, en ondekten terstond zijn lange ver gulde lokken. ’t Welk Tankredo terstond deed oordelen, dat ’er de grootste schijn ter wereld was, dat deze Perzoon, die hij in de gedaante van een Krijsman vermomd zach, een Maagd moeste zijn. Ondertusschen staat hij opgetogen, zoo veel schoonheid in haar te bespeuren, dat hij haar naauwlijks gezien heeft, en haar na zijn welgevallen bevindende, of terstond in liefde brand. O wonder, de liefde is naauwlijks geboren, of zij heeft haar volle wasdom. Alrede vliegtse aan alle zijden, en zegepraald gewapend. Maar die Schone, in wien de misprijzing zich bij d’opgeblazen aard voegd, is zoo verstoord ontdekt te zijn, datse terstond haar helm vatte, en waarlijk, indien zeven of acht Paarden van Tankredoos Standaard, die hem zochten om aan te doen, daar op niet gekomen waren, zij zou niet nagelaten heb- [p. 22] ben hem te bespringen. Maar de wetten der noodwendigheid, en het groot getal der Vijanden, tegen dewelke zij haar niet stellen kon, als met een te brusken dapperheid, dwongen haar de plaats te verlaten. Zij heeft goed te vluchten van een Perzoon die zij alreede tot haar Slaaf gemaakt heeft. Echter is dat geen beletsel, dat hij het Beeld van haar schoonheid niet altijd voor zijn oogen heeft. De strijdbare moedigheid, die hij in haar bemerkt heeft, blijft in het diepste van zijn hart, het indruksel is te diep om zoo licht uit zijn gedachten te wissen, en boven dien, dat haar braaf gelaat, en de plaats daar hij haar eerstmaal gezien heeft, dingen zijn, die hij niet vergeten kan, zoo zijnze ook noch het voedsel, die geduurig zijn vlamme onderhouden. Zoo iemand, in deze groote drift, de moeiten gedaan had om neerstig op hem te letten, voorzeker zou hij deze woorden op zijn aangezicht hebben kunnen lezen: Deze Mensch brand van liefde, en heeft ook niet veel hoop om zijn begeerten vergenoegd te zien. Want het was een smert te zien, hoe hij zuchten, en wat voor getuigen van zijn lijden zijn oogen gaven, die hij, op een quijnende wijze, ter aarde hield gestrekt. Door zijn ongeneugten gequeld, verliet hij dit schoone veld, en de wonderen van sijn oogen, dit proefstuk van de natuur. Ook schenen hem de vruchtbare heuvelen, die het omringden, tot liefde te verwekken, zoo aangenaam en wellustig was die plaats.
[p. 23]
    Twee honderd gebooren Grieken volgden, na den moedigen Tankredo, met alle stukken gewapend, dragende kromme zwaarden, halvemaanswys, op zijde, en rammelende pijlkokers en bogen op de schouderen. Zij waren op lichte Paarden gezeten, die bij naar altijd te viervoet rennen, zijn onvermoeid in den arbeid, zober in heur leven, afgericht in ’t bespringen en aarzelen, en gewoon, al vluchtende, in verscheide troeppen, zonder onorden, te strijden. Den genen die haar geleide, heet Latinus, den eenigen Griek, die de machten der Latijnen vergezelschapt. Waarlijk een groote schande, en een baarblijkelijk teiken van uw lafhartigheid, ô rampzalig Rijk der Grieken, die tegenwoordig den Oorlog zoo na bij u niet behoorden te hebben. Maar gij zijt het wel waard, terwijl uw ledigheid geleden heeft, dat gij ’t einde van dezen braven aanslag aanzaagt, gelijk als eenig werk, datmen in ’t openbaar, op een groot Tooneel vertoond. En zoo gij tegenwoordig, onder een schandige dienstbaarheid gebrogt zijt, daarom moet gij nu niet bedroefd zijn, want het veel eer een rechtvaardige straffe is, als een laster u aangedaan. na alle de anderen volgden voor het leste gedeelte, maar die door haar groote eervarendheid, en door de brave proeven van hare dapperheid, wel verdienden in den eersten rij gesteld te worden, d’onverwinnelijke vrijwillige, die men met recht den blixem van Mars, en de schrik van Azien, noemen mag. Voor [p. 24] haar moet het beroemde Schip van Argos zich verbergen, en den Koning Artus zwijgen met zijn versierde ronde Tafel en doolende Ridders, die ontallijke boeken met ijdele dromen vervuld hebben. d’Aaloudheid heeft nooit wat zoo gedenkwaardigs gedaan, noch iets geen zich bij de dapperheid van deze Helden mag vergelijken. Wie is dan de gene die waardig is haar Overste te zijn? Het is den zeeghaftigen Hugo van Kousé, maar om dat de anderen wisten, dat hij haar ver in edelheid en deugd te boven ging, bestemdenze, zich met elkander, tegen zijn verkiezing te stellen. Hoewel hij in der daad, hem veel beroemder gemaakt heeft, als iemand onder haar, door een groot getal van brave daden, en een lange eervarendheid. En waarlijk, hy was in een ouderdom, daar de goede zeden en d’achtbaarheid gemeenlijk elkanderen ontmoeten. En vertoonden een groote wakkerheid, van geest en lichaam in een grijze bejaardheid. Boven dien dat de gevaarlijke wonden, die hy in verscheide slagen ontfangen had, hem in plaats van zoo veel eerteikenen verstrekten, die zijn dapperheid genoeg betuigden. Eustaas verscheen een van de eerste, onder zooveel beroemde Ridders. Hy was niet alleen doorluchtig door zijn geboorte en brave daden, maar de faam van den Hartoog van Bouillon, zijn Broeder, maakte noch een gedeelte van de zijne. Ook zagm’er Gernand, die van de Koningen van Noorwegen afgedaald zijnde, [p. 25] roemen mocht op de Scepters en Kroonen, en heerlijke eertijtels, die zijn Voorzaten gevoerd hadden. Rogier van Elstat was ook aanmerkens waardig door d’aaloudheid van zijn Huis, om dat hij van Engerrand afkomstig was. En onder de edelste en afgerichste, steken een Anthoni, een Rembout, ende de twee Geerrads uit. In heur gezelschap trokken, Hubout en Rossemond, Erfgenamen van het groot Hartoogdom van Lankaster. Ik moet Obbizes van Toskanen niet vergeten, noch zijnen naam in den stroom begraven laten, die de geheugenis van de schoonste dingen doet vergeten, noch zelf die van de drie Lombardysche Broeders, Achilles, Sforse en Palamedes. Wiens faam verdiende, van alle volkeren der Aarde, bekend te zijn. Wy stellen ook noch in den rij, den sterken Ottho, die het Schild won daar men een kind op geschilderd zag, ’t gene uit de keel van een Slang gebraakt wierd. Wij moeten noch, Gaston, noch Endolf, noch d’een, noch d’ander Gujus, alle bei Mannen van aanzien, achterlaten, noch Everard, noch Garmer, wiens verdiensten zoodanig zijn, datmen die niet als ondankbaar erkennen, noch van spreken kan. Maar na dat ik alrede vermoeid ben van hier het getal der Ridders te beschryven, kan ik minder doen dan my t’uwaards te laten trekken, ô Gildippe en Odoart, getrouwe minnaars, die onlangs getrouwd zijt met zoo grooten liefde tot elkanderen? Zeker uw onderlinge minne, heeft u zoo [p. 26] vast in dezen Oorlog t’samen gevoegd, dat het te gelooven is, dat gy, zelfs na uw dood, zult onscheidelijk zijn. Maar waar toe is de schole der liefde niet bequaam, en wat is ’er dat daar in niet geleerd word! Hier is ’t daar die schoone Krijgsheldin zoo kloekmoedig geworden is, datze haar nooit van de zyde haars Minnaars begeeft, zulkx dat haar algemeen leven aan een zelve nootlot schijnt te hangen. Ook is de vereeniging van haar harte, zoo vast, dat d’een niet kan gewond worden, zonder dat ’er den anderen de smert af gevoeld. Gelijk zy beide van een en zelve wonde quijnen, zoo deze maar een weinig bloed verliest, terstond kan den anderen niet meer leven, en stort ook het beste van het zyne uit.
    Maar ’t is nu wel reden, dat wy van den jongen Ridder Reinout spreken, om het groot voordeel, dat hij heeft boven al die gene, die in deze monstering verschenen. In ’t aanzien van zijn braaf gelaat, zou daar niemand geweest zijn, die niet opgetogen zou gestaan hebben, zulk een aangenaamheid en Majesteit heeft hy op dat koningklijk voorhoofd, daar een ieder zich in spiegeld. Zijn ouderdom is zoo rijp, in een groene Jeugd, dat de daden, de hoop die men van hem heeft, te voren komen, en dat de vruchten t’effens met den bloezem opwassen. Maar zoo gy zaagt, met wat voor een brave dapperheid, hy zich in de wapenen beweegd, gy zoud hem zonder twijffel voor een Oorlogsblixem of tweede Mars houden, [p. 27] en voor een Kupido achten, indien hij zijn helmet, daar het schoone aangezicht mede bedekt word, opsloeg. Het was op den Oever, van den Stroom Athesis, daar hij van Sofije geboren wierd. Men houd het daar voor, dat zij hem van Bartholdus ontfangen heeft, die niet minder door zijn dapperheid gevreest wierd, als zij aanminnig door haar schoonheid was. Hij had naauwlijks de borsten verlaten, toen Matilde, de zorg op haar nam, van hem op te voeden. ’t Geen zij met groote voorzorg deê, zonder iets te vergeten van ’t gene zijnen geest tot groothartige daden mogt porren, en hem de waardige bequaamheid van een Prins, aan te doen nemen. Seder is hij niet van haar geweken, tot dat zijn jonge moedigheid, eindelijk wierd opgewekt, door ’t geluid der Trompetten en de groote dingen, die de faam verkondigden van deze Oosterschen Oorlog. Hij toen den ouderdom van vijftien Jaar bereikende, ontsloop het alleen, daar na d’Egeese Zee, door wegen die hem onbekend waren, doorkruist hebbende, lande hij aan de zijde van Grieken, ende quam eindelijk in’t Leger, in deze vergelegen gewesten. Waarlijk een groothartige vlucht, en dat wel verdiend tot een voorbeeld te strekken, om nagevolgd te worden, door de Helden die uit zijn Stronk zullen spruiten. Maar zoo eenig ding dit voorbeeld gedenkwaardig maakt, is dat hij drie Jaar de wapenen droeg, zonder dat het minste hair op zijn kaken uitbrak.
[p. 28]
    Na de Ruyterij, verscheen terstond het Voetvolk, om haar monstering te doen. Hier trat, voor alle andere, de Grave Reimont van Toulouze. Hy had tusschen de Pireneen, de Garone, en de groote Zee, zijn Soldaten gelicht. Zij waren vier duizend in getal, al t’samen wel toegerust, en onvermoeyelijk in den arbeid. En zulke brave Krijsknechten konnen niet beter, als door zoo een braven Hopman geleid worden. Maar de vijf duizend Mannen, die Steven van Amboize, van Blois en Touraine, had meê gevoerd, waren van geen heel sterken aard, noch arbeidzaam, hoe groot dat de glans van hare wapenen ook was. Ook ziet men zeer zelden, dat d’aangename, ledige en wellustige Landschappen, andere lieden voortbrengen die haar niet gelijken. Want hoewelze, in het begin, fel en vinnig aanvallen, zoo duurd het niet lang, zulks dat al haar kracht verslapt zoo ras de eerste drift over is. Alkastes vertoonde zich de derde op den rij, met zulk een onversaacht gelaat, als dat van Kapaneus in de belegering van Theben. Hy had van de Kantons en d’Alpen ontrent zes duyzend Zwitsers gebrogt, een Volk veel beroemder door haar moed, als geboorte. Want gelijkse nooit in den strijd aarzelen, zoo scheppenze zulk een vermaak daar in, datse van het ijzer, daarze kouters tot haar bouwerij, van plegen te maken, wapenen hadden gesmeed. Een wonder zoo veel te grooter, om dat zij het in een gebruik verkeeren, [p. 29] onvergelijkelijk veel deftiger als te voren. En het gebruiken om haar Vijanden mede te bestrijden. Daar inze zulk een stoutmoedigheid betoonen, dat die zelve hand, die voor dezen het Vee gewoon was op ’t veld te hoeden, nu tegenwoordig wel Koningen dard ontseggen, en haar in heur Land bespringen. Achter deze was de groote Standerd der Kerke ontvouwen, met het Hoofdcieraad en de Sleutels van Sant Peter. Onder haar trokken zeven duizend Mannen, alle op voordeel gewapend; zij wierden door den deugdsamen Kamillus geleid, die zich de gelukkigste Mensch ter Wereld achten, om dat hij van den Hemel tot zoo grooten aanslag verkoren was. En waarlijk hier vernieuwden hy de eer van zijn doorluchtige Voorzaten, doende, door zijn voorbeeld, blijken, dat zoo eenig ding ontbrak aan die groote moed der Romeinen, die eertijds de hele Wereld t’onderbragten, dat het maar alleen d’aaloude Krijchstucht was. Deze Bende was de leste van alle d’anderen, en had zich naauwlijks met een goede orde vertoond, of Godefroy riep de voornaamste Hopmannen bij zich, om haar zijn voornemen t’openbaren. Ik wil, sprak hij, dat morgen het Leger van hier vertrekt, en dat het, met alle naarstigheid, naar de heilige Stad spoeid, zoo ras als den dageraad begint te lichten, op dat wy daar mogen aankomen, wanneer zij ons ’t minst verwachten. Bereid u dan stoutmoedig tot den tocht, tot den strijd [p. 30] en tot d’overwinning. Deze woorden van zoo een voorzichtigen Veldheer, maakten dat ijder een terstond moed grijpt, en zijn plicht betracht. Zulkx datse des anderen daags alle vaardig zijn, om voor den dag te vertrekken, zoo onverduldig zijnze om de wassende klaarheid van den Morgenstond te verwachten. Ondertusschen kan Godefroys voorzichtigheid, hoe groot datse is, hem niet buiten vrees houden. Want hy heeft zekere tijdingen, dat den Soudaan van Egipten op den weg van Gaza is, gevolgd van een machtige Oorlogstoerusting, die langs de zijde van Surien heen vaard. Ook kan hij zich niet inbeelden dat een Man van zulken slag, en die nooit zonder eenigen aanslag is, nu tegenwoordig zou stil zitten. Door deze ongenuchten gequeld, verwacht hij niet goeds van die zijde, en beeld zich daar op in, binnen weinig dagen, een machtigen Vyand op den hals te hebben. Hebbende dan bij zich doen komen de getrouwste van zijn Boden, sprak hem aan, Mijn waarde Henrik; gaat terstond u in een Bespieschip schepen, en wend alle naarstigheid aan die gy kund om in Grieken te komen. Men heeft my van goeder hand bericht, dat, deze dagen, daar een onverwinnelijk Ridder moet aankomen, die zijne wapenen by d’onze komt t’saamvoegen. Maar ik heb groote vrees, dat den Keizer van Konstantinopolen, zijn gewone listigheid gebruiken zal, om hem weder te rug te doen keren, en zijn Wapenen in andere Ge- [p. 31] westen, ver van deze afgescheiden, te doen brengen. Zie daarom zende ik u alleen, gy die my voor een Gezant en waren Raadsman verstrekt, om dat gy met uw gewone behendigheid, hem zult raden tot het gene dat ons en hem het beste is. Gy zult hem van mijnen’t wegen zeggen, dat hij op het spoedigste kome, en dat hier verschil van een zaak is, daar in het vertoeven, voor zoo een Prins, als hij is, tot oneer verstrekt. Ik vinde ook goed, dat gij in zijn gezelschap niet zult te rug keren, maar dat gij bij den Keizer blijft, om hem te dringen dat hij ons de hulp zend, die hij ons verscheiden malen beloofd heeft, en die hij verplicht is ons te geven, door ’t verdrag dat wij met elkanderen gemaakt hebben. Dit was ’t geen Godefroy zijn Bode belaste, die naauwlijks zijn bevel en goede geheugenis had van ’t gene hem te doen stond, of hij nam terstond van zijn Meester oorlof, die zich ondertusschen wat herstelden, om dat dit vertrek machtig was, d’ongenuchten van zijn Geest wat te verquikken.
    Zoo ras de Zonne, des anderen daags, zich in ’t Oosten vertoonden, hoordemen in ’t Leger een vreemd geluid van Trompetten, Fluiten en Trommels. Dit teken noodigden de soldaten te vertrekken, ’t geenze met zoo grooten bequaamheid deden, dat haar ondwingbare dapperheid betuigde datse niet minder vermaak in ’t geluid van dit Oorlogstuig scheppen, als het algemeen Volk heeft, zooze bij [p. 32] geval, in het heetste van den Zomer, het gerucht van den Donder hooren, die haar hoop van water geeft. Daar is niemand onder haar die alreede niet in’t Veld wenscht op te trekken. Want de begeerten die zij daar toe hebben, is zoo groot, dat het een wonder te zien is, met wat voor een vierigheid zij hare Wapenen opvatten. Na dat zij in een kleinen tijd vaardig waren, begavenze haar onder heur Hopmannen, en alrede was het Leger in orden, en elk Vendel ontwonden. Maar boven al de Standerts, scheen de groote keizerlijke Banier uit, daar het zegepralend Kruis in geschilderd was. De Zonne, die ondertusschen geduurig den Hemel naderden, en opwaards steeg, verdubbelden den glans van ’t gladde staal, daar hij met zijn stralen op neêrscheen, en weêr afblonk, als blixemstralen. De Lucht zelf scheen in vlam te staan, ende van boven te ontsteken. Hier bij maakte het gebries der Paarden, en het gerammel der Wapenen, die tegens elkanderen aanhorten, zoo grooten gerucht, dat geduurende de Soldaten in ’t veld voorttrokken, het haar onmogelijk is elkander te verstaan. Maar alzoo den Veldheer niet van meininge is zijn Troeppen vorder te leiden, voor dat hij haar verzekerd heeft tegen de lagen en verrassingen, daar de Vijanden haar op den weg mogten meê bespringen, zond hij een goed getal Voorloopers voor uit, om de wegen t’ondekken. Na haar volgden de Gravers, wier last was om op ’t [p. 33] verbeteren der quade wegen te letten, de sloten te vullen, d’oneffenheden t’effenen en d’engten te openen die men mogt toegestopt hebben. Daar in den een en d’ander zich zoo manhaftig queet, dat noch de troeppen der Ongeloovige t’samen gevoegd, noch de sterkste muuren, nog de snelste Beken, noch de diepste graften, noch de hoogste bergen, noch de dichtste wildernissen, niet machtig zijn om te beletten dat het Leger niet voort trekt Even alzoo is’er geen zoo grooten tegenstand machtig om ’t geweld te beletten van d’Eridaan, die moedigen Koning der Vloeden, die zoodanig opzweld, ziende, dat de anderen hem voor haar Opperhoofd erkennen, dat hij met geweld over de velden heen vloeyende, niet op zijne oevers laat vast blijven, ende het geheele land in ’t ronde bevochtigd. Den Koningk van Tripoli is de eenigste die in den omring der muuren, daar hij goede wachten op gesteld heeft, zijn volk, zijn wapenen en zijn schatten besloten houd. En mogelijk zou hij machtig genoeg zijn, om de Fransse troeppen op te houden, zoo de vrees hem daar niet afschrikten. Want hij dartse niet aanvallen en ontfangtse gewillig in zyn land. Maar te voren heeft hij haar gunst gewonnen door gezanten en giften, die hij haar gezonden heeft, zonder dat hij de voorwaarden van vrede weygerd t’aanvaarden, zoo als Godefroy hem die beliefd voor te schrijven. Hier daalde van den hoogen berg [p. 34] Scir, die van de zijde der Zonnen opgang de Stad gebood, een groot getal geloovige, van alle oudheid en kunne. En om de zegepralende Kristenen te verquikken, brogtenze haar verscheide verversingen, niet minder verheugd in haar t’aanschouwen, alsse verwonderd waren haar met vremde wapenen, die heur onbekend zijn, bedekt te zien. Uit deze nam Godefroy een vroom en getrouw Leydsman, die zijn leger, langs de nabuurige zijden, geleiden. Op dat de scheepsvloot, van de Ree niet verstekende, de Soldaten mocht gemakkelijker haar behoeftigheid toeschikken. Ook ontbrak haar geen koren, ’t gene van de naastgelegenste eilanden quam, of deftige wijn van Kandie, of van ’t steenachtig Scio. Ondertusschen schenen de Zeeoevers onder ’t zwaar gewigt der schepen te zuchten. Over al, waar men zijn oogen op ’t water slaat, ziet men zoo veel schepen van allerhande slag, dat, zoo van nu af, de vloot der Heidenen aanquam, het niet goed voor haar wezen zou. Want boven de schepen ende galeyen, die Sant Joris, en Sant Markus op zee gebrogt hebben, aan de zijde van Genua en Venetien, zoo heeft Engeland, Vrankrijk, Nederland, en ’t vruchtbaar Sicilie, zoo grooten getal gezonden, dat men die naauwlijx zou kunnen tellen, noch nimmermeer onthouden kunnen de gene, die uit hun vrije wille haar t’zamen hebben gevoegd. Om zoo heerlijken reize te doen, hebben haar de benden, die te [p. 35] landen mosten gaan, van alles wel voorzien van ’t geenze noodig achten, zoo dat zij niet meer vindende, terwijl al de wegen veilig zijn, ’t gene zich tegen haar aanslag kanten, verdubbelden zij haar treden, en gingen recht na de plaats, daar JESUS CHRISTUS de dood voor zijne schepselen heeft willen lijden.
    Maar de Faam die gewoon is, zonder onderscheid, de waarheid en logen te verkondigen, had haar alreede voorgekomen, en over al verteld, hoe dat dit zeeghaftig leger zich alreede op weg begeven had, zonder dat’er iets machtig was om haar tegen te houden: hier bij hadse niet vergeten te zeggen, hoe groot dat haar macht was, wat de namen van hare voornaamste hoofden, wat haar dapperheid, ende welke proeven zij alreede gegeven hadden; zulx dat zij door deze reden, die zij met een aangezicht vol van vrees vergezelschapten, d’ ongeloovige, die het heilig land onrechtvaardig bezaten, dreigden met een aanstaande ondergang, gelijk de vrees voor eenig quaad, datmen verwacht, slimmer is als het quaad zelve; zoo waren ’er geen ooren die niet luisterden, noch geen zoo kloekmoedige, die op ’t gerucht, van deze quade tijdingen, niet verzet stonden. Een stil en verwerd gemompel vliegt van d’een tot den ander, en verspreid zich niet alleen door de bedrukte Stad, maar door d’omleggende plaatsen. Ondertussen bedroefd zich den Koning het meeste. [p. 36] Invoegen dat hij zich op het uiterste van een groot gevaar ziende, hij niet weet wat hij doen zal, en overdenkt vreemde dingen in zijn gemoed. Dezen Tiran was Aladijn geheeten, levende in een geduurige ongeneugte, en nu zoo veel te grooter, om dat hij, seder weinig tijd, tot de Kroon verheven was. Voor dezen had men altijd in hem bemerkt een natuur, zeer tot wreedheid genegen, daar zijn hooge Jaren nu een zekere gematigheid in brogten: hij dan ziende, door een te baarblijkelijken schijn, dat de Kristenen van meeninge waren om de Stad te belegeren, voegden hij bij zijn oude achterdocht de nieuwe ontsegging die hij van zijn vijanden en onderzaten had. Ook verbeelden hij zich, hoe hij in een Stad is, daar tweederlei volk van bijzonder geloove wonen, daar van de eene in JEZUS CHRISTUS gelooven, en d’andere de Wet van Mahomet volgen. Het is waar dat hij ook overweegt dat deze laatste de sterkste, en dat de Kristenen zwakker als te voren zijn; want toen hij in Jeruzalem trat, en zijnen Stoel wou bevestigen, was de eerste zaak die hij deed, haar met lasten te verzwaren, en op de zelve tijd de Heidenen, zijn nieuwe onderzaten, daar van t’ontlichten. Echter kon dit zijn gedachten niet wech nemen, die meer, als te voren, de wreedheid, die zijn ouderdom slaprig maakten, en in een koude en quijnende natuur besloten hield, in hem opwekten. Deze dingen t’samen gevoegd, [p. 37] onderhielden zijn felheid, en maakten dat hij nooit dorstiger na ’t menschelijke bloed, als tegenwoordig was. Alzoo ziet men, geduurende de hette van den zomer, het venijnige* serpent, dat in den winter niet dorst voor den dag komen, en ’t geen de strengheid van de koude verstijft hield, weêr tot zijn eerste quaad keeren. En alzoo herneemt de Leeuw, hoe getemd dat hij ook is, zijn aangeboren wreedheid, als men hem zard. Ik zie niet als te veel, sprak hij, in ’t aangezicht van die trouwlooze, dat zij meer, als naar gewoonte, verheugd zijn, de teekenen vertoonen zich zoo openbaar; dat zij die niet kunnen verbergen, zij zijn d’eenige die het gemeen verlies tot haren voordeel trekken, en die schijnen te lachen wanneer onze algemeene verwoesting ons tot schreijen noodigd. Dit doet mij gelooven datse na mijn leven staan: want in de staat, daar ik haar tegenwoordig in zie, is ’er al de schijn ter wereld, dat zij haar geest niet als op lagen en verraad scherpen; zij zijn in een eedgespan tegen mij, zonder twijffel, of ten minsten denken zij op geen andere middelen, als om de Stad heimelijk aan de grootste Vijanden, die wij hebben, over te leveren, en die van haar verbond in te doen komen: maar ik zal wel beletten dat dit niet geschiede, en mij zal geen middel ontbreken om haar schelmsen aanslag voor te komen. Ik moet mij geheel verlichten wat van de zaak is. Ik zal de landen zuiveren, op datse anderen tot [p. 38] een voorbeeld verstrekken. Ik zal de kinderen van de borsten der moeders rukken. Ik zal het vier in hare Tempelen en huizen steken. Niet een van haar zal mijne handen ontkomen. Zie dit is den houtstapel die zij verdienen dat men haar oprecht. En dit zullen hare graven zijn, daar ik hare Priesters zal doen slagten, en haar, in plaats van slachtoffer, doen opofferen. Den Tiran overdacht deze wreedheid, en stelde die zich alreede voor om uit te voeren: maar echter onderwind hij hem niets, en zoo hy deze onnoozele vergeeft, dat is niet door een drift van medelijden, maar by gebrek van moed. En zoo de vrees hem voor een prikkel van wreedheid verstrekt, een andere ontsegging, die veel starker is, belet hem voort te varen. Want boven dien dat hy vreest de weg tot het vredeverbond af te snijden, zoo zorgd hij noch zijn vyanden te misnoegen, en hare overwinnende wapenen te verstooren; dit doet dat hy zijn uitsinnige gramschap wat matigd en andere middelen zoekt om die gevoegelijker tegen andere onderdanen te plegen. Hierom verwoest hy van ’t onderste boven, alle de gebouwen die op het land staan, en steekt ’er ’t vier in aan alle zijden. Zulx dat’er niet overblijft dat dezen onmenschelijken niet verwoest of verdelgd. Hy laat niet een verblijfplaats voor de Franssen, en beneemd haar alle gelegendheid daar zy haar van zouden hebben kunnen verzien: hier by beroerde hy de springbronnen ende [p. 39] Revieren, daar van hy de klaarste oirspronk met een doodelijk venijn vergaf. Dien onbeweegelijken, als hy is, gebruikten deze listigheid, zonder dat hy ondertussen vergat de Stad te versterken; want hoewelze van drie zijden zeer sterk is, zoo was se echter een weinig zwakachtig aan de noordzijde. Maar hy had die, in de eerste beroernis, met goede bolwerken, en in der haast met een goed getal oorlogsvolk, door hem onderhouden, verzien, zonder de Inwoonders daar in te begrijpen.

Continue
[
Frontispice canto 2]
[p. 40]

TORQUATO TASSOOS

Verloste

JERUZALEM.


Het tweede Gezang.

INHOUD.

DEn Toovenaar Ismenes bied den Koning Aladijn aan, door zijn tooverijen te beletten, dat Jeruzalem, door de Fransen, niet zou gewonnen worden: Maar zijn bezweringen niet kunnende gelukken, schrijft de Koning de Kristenen de oorzaak toe, en besluit haar alle te dooden. Beklagelijke twist van Sofronie en Olindus. Heur liefde en verlossing door Klorindes hulp. Argant zeid de Fransen d’Oorlog aan.

Ismeen den Toovenaar bied Koningk Aladijn
    Aan, om Jeruzalem door kunsten te beschermen;
En dat het Franse Heir nooit zal zoo machtig zijn
    Om hem die sterke Stad t’ontrukken uit zijn armen.

[p. 41]
Zijn kunsten zijn vergeefs, dies Aladijn, den Vorst,
    Dit wijt de Kristenen, haar daarom wil verdelgen.
Beklagelijke twist van twee oprecht van borst,
    Die, door Klorindes hulp, de bittre drank niet zwelgen
Die hun beschoren was, om wreedheid te verzaân:
    En Argant zeid het Heir der Franssen d’Oorlog aan.


TErwijl dat den Tiran zich tot den slag bereide, zie zoo quam Ismenes op een onverwachte dag, zich alleen voor hem vertoonen. Ismenes, die uit de vastgeslotene graven, wanneer ’t hem beliefd, de langbegraven lichamen kan doen opstaan, en haar een adem en gevoelen inblazen; Ismenes die alleen, door geruis van zijn zwerte bezweringen, Pluto zelve, in het allerdiepste, daar hy zijn Rijk beheerscht, doet verschrikken, en uit de verschrikkelijke holen de duivelen, die hij bind en ontbind, naar zijn begeerten, alsof ’t zijne slaven waren, doet uitkomen, t’elkens als hy zijn verburge kunsten wil plegen Dezen schelm was onlangs noch een Kristen, maar volgden nu de wet van Mahomet: evenwel waren hem noch eenige verven van zijne eerste geloove gebleven, zulkx dat hy dikmaal voor nam deze twee gelooven onder een te smelten, haar zeer quaad achtende, terwijl hy daar een ongodvruchtig en gruwelijk gebruik by voegden. Hy verliet dan, voor dezemaal, zijn duistere holen daar [p. 42] hy, ver van ’t gezelschap der menschen afgescheiden, gewoon was zijn bezweringen te doen, en bied zich aan om zijn Meester, in deze gelegendheid, te helpen, wat schade het gemeen daar by ook mag hebben. Maar alzoo den Koning alreede niet als te valsch was, dezen raadsman, die noch erger is, naderd tot hem: Vorst, zeid hy, het is zeker dat dit zeeghaftig leger, daar wy zoo voor beducht zijn, hier komt om ons te belegeren: maar om dat te beletten, zullen wy aan onze zijde alle mogelijke middelen aanwenden. Laat ons met het overige de Hemel laten begaan; want ik ben verzekerd datse ons gunstig zijn zal, en dat eerlijke lieden ons zullen helpen. Ook kan men niet loochenen, dat gij alle de voornaamste hoedanigheden hebt, die een voornaam Prins en deftig Hopman kunnen maken. Hier by, dat gy niet verzuimd hebt alle ding te verzien, die wy in toekomende van nooden hebben, noch op alles goede orde te stellen, zulkx dat, zoo een ijder u navolgd, en zijn plicht betracht, niet te twijffelen is, of uwe vyanden zullen heur graven vinden in uw land, daar zy omgekomen zijn, en wanen te winnen. Voor my, ik koom hier niet, als om deelgenoot in al uw gevaar te zijn. Mijn hulp is uw in dit werk noodig. Gebruikt my alleen, en gy zult zien of gy van my niet ontfangen zult, alle hulpe die gy te verwachten hebt van een grijzert, gelijk als ik ben, in de welke den raad door den ouderdom rijper [p. 43] word. Dit is ’t geen ik u belove, en dat niet alleen, maar al het gene mijn verburge kunst mij zal inblazen, om een gedeelten die zelve Engelen te belasten, die voor hun hoogmoed, voor dezen, uit het hoogste van den Hemel in ’t diepste van den afgrond zijn nêergestort: maar ik ben niet van zin om verder te treden, voor dat ik u eerst verhaald heb, hoe dat ik mijne bezweringen wil beginnen, en door wat middelen die vervolgen. In den Tempel der Kristenen, is onder d’aarde een outaar verborgen, en op dien outaar een beeld van hem, daar dit volk de Zoon van aanbid. Die, na dat hij de dood geleden had, begraven wierd en weder opstond, zoo als zij zeggen. Hier is een onsteke lamp, die, zonder ophouden, voor zijn grafstede brand, daar in orden geschikt zijn alle d’offerhanden, die van heur lichtgelovige Pelgrims, van alle kanten hier komende, om hun aandacht te plegen, daar gebrogt werden. Na dat dit beeld haar van den outaar genomen zal zijn, moet gij het zelf in onzen Tempel brengen. Daar na zal ik zoo machtige bezweringen doen, die, zonder twijffel, zoo veel als voor wachten aan de poorten zullen verstrekken, zonder dat ’er de vijanden ooit zullen ingeraken. Alzoo zult gij, en uwen staat, door een nieuwe verburgendheid, in zekerheid in den omring van deze muuren, u zelve kunnen verdedigen.
[p. 44]
    Den Toovenaar zijne redenen voleindigd hebbende, ging den Heidenschen Koning, van razernij en ongeduld vervoerd, recht na den Tempel der Kristenen, daar hij, alle heusheid vergetende, de Priesters bedwong om hem te wijzen waar dat Beeld was; ’t geen hij zoo ras niet heeft wechgenomen, of brogt het in zijn Turkxse Tempel, een onheilige plaats, daar den Hemel, dikmaal door het valsche en ongodvruchtig bijgeloof dezer Heidenen, vergramd word. Toen naderden dezen goddeloozen Toovenaar het eerwaardige Beeld, en mompelden ’er tegen, ik en weet niet wat voor schrikkelijke woorden van lasteringen t’samen gevoegd, en vertrok daar na: maar des morgens, zoo dra als den dageraad verscheen, quamen de genen, die de last hadden om dezen ongelukkigen Tempel te bewaren, ter gezetter uuren wederom, en waren wel verwonderd het beeld niet meer te zien daar men ’t gezet had, ende noch veel meer, toen zij het nergens konden vinden, na dat zijt aan alle kanten gezocht hadden. Al ’t geen zij toen doen konden, was, het den Koning te verwittigen, die deze nieuwigheid zoo mishaagden, dat hij zich, door een overdadige gramschap liet vervoeren. Want hij beelden zich terstond in, dat het iemand van de Kristenen was, die het gestolen had en verburgen hield. Nu, of dat waarachtig was, of dat den Hemel daar door zijn macht wilde betoonen, niet lijdende dat het beeld [p. 45] van zijn Lijk op deze wijze wierd ontheiligd, zoo veel is’er af, dat ’et onzeker onder haar was, of men’t de kunst der menschen, of eenig ongemeen middel most toeschrijven. Maar wij, die Kristenen zijn, behoorden godvruchtig te gelooven, dat het den Hemel aldus schikten, en het voor een wonder rekenen. Den Koning laat ondertusschen een scherp onderzoek in al de Kristenen huizen en kerken doen. Ook beloofd hij groote vergeldinge aan den genen, die hem eenige zekerheid daar af kan berichten, en gestrenge straffen aan hen die zich overtuigd vinden van het Beeld gestoolen of versteken te hebben. Den Toovenaar gebruikte aan zijn zijde ook alle verburge vonden om iets van de zaak t’ontdekken, maar al te vergeefs, terwijl den Hemel zorge draagt het te behoeden, tot groote schande van dezen bedrieger, en van zijn ijdele tooverijen. Na dat den Tiran eindelijk bemerkte, hoe dat hij verder in deze zaak trad, hoe datse meer voor hem verholen wierd, weet hij de gehele zaak de Kristenen, en van haat en gramschap tegen haar ontsteken, wierd hij wreeder als ooit te vooren tegen haar. Zijn razernij deed hem alle eerbiedigheid vergeten. Hij brande van ongeduld om zich te wreken, en nam voor hem het uit te voeren, hoe ’t ook gaan mogt. Neen, neen, sprak hij, deze verraders zullen nimmermeer stoffen datse mijnen toorn te vergeefs getergd hebben. De zaak zal zich heel anders toedragen als zij wel denken. Laat den [p. 46] Roover zich vrij verbergen, hij zal omkomen, in wat plaats hij ook mag wezen, en oirzaak zijn van de dood van alle d’anderen: daar is niet aan gelegen of d’onnozele voor de schuldige betalen, aangesien hij door deze middel gestraft word. Maar ô dwaas verkeerde, als ik ben, ik heet die gene onschuldig, die alle misdadigers zijn. Onder dit vervloekt gebroedsel is ’er nooit een gevonden die ons de minste genegendheid toedroeg. Men mag dan wel zekerlijk zeggen, dat zij alle met deze misdaad besmet zijn; en genomen dit waar alzoo niet, hebbenze voor deze geen andere genoeg begaan, die genoeg zijn om haar aan de uitterste straffen over te geven? Wel aan dan mijn getrouwe onderdanen, spaard noch het vier, noch het zwaard niet, om dezen trouwloozen hoop te branden en te moorden.
    Zoo sprak Aladijn in de volle vergadering, en terstond verkondigden de Faam deze tijding aan de Kristenen. Daar op vertoonden haar de schrik van de dood voor haar oogen, want niemand onder haar dorst, noch of vluchten, uit vrees voor schuldig verklaard te werden, noch minder om zijn zaak te verdadigen, noch zelf tot gebeden en veronschuldeging komen. De rampzalige Kristenen waren in deze twijffelmoedigheid, die haar in een geduurige vreeze hield, ter tijd dat haar hulpe quam van een plaats daar zij die het minste van verwachten. Daar was onder haar een jonge dochter, niet minder [p. 47] roemvaardig door de wonderen van hare dapperheid, als door die van hare schoonheid. Evenwel verachte zij die, en haakte niet als na groote dingen. O wonder, de zorg die zij draagd om haar eer te behoeden, geeft haar dezelve glans die men in de Zon ziet. En deze glans blonk zoo veel te meer, om datse haar van alle aanlonkingen en moeyelijke verzoeken, der genen die zij tot minnaars mogt verkrijgen, geheel ontrok: weinig ging zij uit den huis, en ’t was wat ongemeens als zij haar op straat vertoonde. Ook bekommerde zij haar het minste ter wereld, met ijdele loftuiterij en haar in gezelschappen te vertoonen: maar schoon dat zij haar verbergd, zoo is dat echter al niet mogelijk om te beletten, dat zulk een schoonheid, als de hare is, eindelijk niet deurstraald, en ijder doet verwonderen. En gij, ô liefde, zoud het anders niet wenschen. Want gij zijt de gene die haar aan de jeugdige begeerten van een jonge minnaar overgeeft. Gij die nu onlangs noch blind waard, hebt tegenoordig zoo goede en klaarziende oogen, als de gene van den verzierden Argus ooit waren. Zij zijn met geen doek meer bewonden, gij opentse en gij keerdse waar ’t u beliefd. Gij bedriegt de wachten, die u verliezen en voerd de lonken van andere in d’allerkuischte gedachten van een gadelooze schoonheid. Haar naam was Sofronie, en die van haren Minnaar Olindus. beide van een Stad en een geloove, d’een zoo ge- [p. 48] schikt als d’ander schoon is. Zie rampzalige Olindus, welk de geboorte van uw liefde was. Gij begeerd vele dingen, en verhoopt heel weinig. De achtbaarheid belet u uw qualen t’ondekken, aan de gene die daar d’oirzaak af is. En evengelijk gij de stoutmoedigheid niet hebt daar van te spreken, zoo veracht zij het door de onkunde, of daar geen acht op te slaan. Ongelukkige als gij zijt, die tot noch toe een beminde gediend hebt, zonder een middel te vinden, noch van haar gezien te zijn, noch om haar uw liefde t’openbaren, of de minste gunst te genieten.
    Ondertussen verspreid zich ’t gerucht van deze beklagelijke moord door de heele Stad, en Soffronie hoord, tot heur leedwezen, deze droevige tijding verhalen. Zij, zoo gelukkig zijnde van een Kristen, en zoo kloek als schoon te zijn, denkt alreede in haar geest op middelen om dit ongeluk af te keeren. Het staat niet aan haar dat het zoo zij, en de begeerten die zij hier toe heeft, vermeerderd meer en meer door zulke brave gedachten. En zoo haar eenige dingen tegenstaat, ’t is alleen maar haar zedigen aard, die de Maagden niet minder aangeboren als welvoegende is. Evenwel, na dat zij lange getwist heeft, steigerd haar moed eindelijk de twijffelmoedigheid te boven, zoo dat de stoutigheid en zedigheid in haar gelijk zijn. Zij gaat dan alleen uit, en breekt dwers door ’t gedrang van ’t volk, zonder iets van haar schoonheid te verbergen, of die zonder cieraad te [p. 49] vertoonen. Haar zedig gelaat zijn de teekenen van hare moedigheid, haar wezen is zoo groots, dat men, haar ziende, zou geoordeeld hebben, met ik en weet niet wat voor opgeblazendheid vermengd te zijn. ’t Is uit een oprechte verachting dat het voorkomt. Ja men zou niet kunnen zeggen, dat het door kunst of natuur was, die haar onachtsame schoonheid zoo zeer verhefte. Want in dit losswierend gelaat, zietmen aanlokselen die van den Hemel, van de natuur, en van de liefde begunstigd werden. Alsse voort gaat, is’er niet een die haar met het oog niet vervolgd, maar zij gewaardigd haar niemand aan te zien, zoo hoogmoedig is zij van aard. Haar voornemen is den Koning aan te spreken. Zij gaat recht voor hem staan, zonder dat de hevige gramschap, die hem vervoerd heeft, machtig is om haar een tree te doen aarselen. Maar houd in tegendeel stand, zonder voor het verschrikkelijk blixemen zijner oogen te verschrikken. Vorst, spreektse tot hem, Ik bid vertoornd u niet langer, en laat af van uw volk meer in vreeze te houden. Dat ik hier nu verschijn, is om u t’ondekken en ter hand te stellen, den perzoon die gij zoekt, om de misdaad die hij tegen u begaan heeft. In ’t aankomen stond den Koning verzet, ziende de groote kloekmoedigheid van deze maagd. Hierbij wierd zijn hert half overrompeld door de glans van haar schoonheid, die hem ’t gezicht verblinde, gelijk onverziens een blixemstraal. [p. 50] Dit was d’oorzaak dat hij zijn onrechtvaardige gramschap en zijn vergrimd gelaat een weinig matigde. Zulkx dat het te gelooven is, dat zoo hij een weinig minder onmenschelijker geweest had, als hij was, en zij wat zachtmoediger, zoo een schoon voorwerp zou hem, zonder twijffel, tot liefde bewogen hebben. Maar ’t is wel ongemeen dat een verachte schoonheid een opgeblaze hoogmoedigheid verast, om dat de aanlokkelijke strelingen het lokaas van Cupido zijn. Dit was het vermaak dan dat dezen tiran schepte, met verwondering aan te zien zoo schoon en betooverlijk beeld, dat zijn bloodaardig hert beweegde, en niet de liefde, wier schichten hem geensins wonden. Sofronie hier op lettende, nam heur tijd waar om de redenen die zij hem te zeggen had, t’eindigen. Heer Koningk, riepse, Hier is de gene die zich schuldig kend, aan de misdaad daar van gesproken is. verdelgd haar alleen, en niet deze rampzalige Kristenen, uw onderdanen: zij veinst niet voor u t’ondekken, dat de rooverij, die u zoo zeer ontsteld, een werktuig van deze hand is, terwijl niemand anders, als ik, het beeld, dat gij zoekt, gestolen heeft. En lijd niet dat zoo veel onnozelen de straf daar van gevoelen. Zie hoe zij haar zelve ter dood, zonder die verdiend te hebben, aanbood, om andere te behoeden. kloekmoedige logen, die zoodanig zijt, dat de grootste waarheid die niet gelijk is. En hoewel deze verkla- [p. 51] ring Aladijn, in ’t eerst grootelijkx beducht maakten, zoo sprak hij evenwel, zonder zich te bewegen, tot haar. Wel aan, veins niet om voor mij te ontdekken wie u dit geraden, en zich medemakker van uw misdaad gemaakt heeft? Waar op Sofronie, niet meerder als te vooren, verschrikten. Denkt niet, antwoorden zij hem, dat ik deze eer heb willen deelen, of een ander deelachtig maken. ik alleen heb deze daad onderstaan, en seder uitgevoerd, zonder iemand raad te vragen. Terwijl dat dit zoo is, antwoorden haar den tiran, zoo zult gij de eenige wezen daar op ik mij wreken zal, u doende de smerten gevoelen die gij verdiend hebt. Ik zoek niet liever, voegdezer bij, en ben wel te vreden het geheele deel in de eer en de straffe te hebben. Aladijn begon hier op te vergrimmen, daar na vraagden hij haar, wat zij met dat beeld gedaan, en of zij ’t niet verburgen had. Gants niet, antwoorde zij, ’t is verbrand, en ben wel blijde dat ik ’t gedaan heb. want ten allerminste zal het in toekomende, door de handen van deze ongeloovige, niet meer ontheiligd werden. Waarlijk Heer Koningk, gij herzoekt, of de diefstal, of de persoon dieze begaan heeft, het eene zult gij nimmer weêr zien, maar ’t gezicht van d’andre hebt gij hier voor u, en evenwel vertrouw ik, dat mijn daad geen dieverij behoord genoemd te werden. Daar is niet zoo rechtvaardig als ’t gene dat men onrechtvaardig genomen heeft, weder te geven.
[p. 52]
    Deze woorden vervoerden den tiran tot een overmatige gramschap, hij blaast niet als dreigementen uit, en tracht nu voortaan niet als de beweging van zijn drift te volgen. en hoopt dan niet meer, ô schoonheid, die onder de gedaante van een engel, een goddelijke geest en onverwinnelijke moed verbergd, de minste genade van hem t’ontfangen. De liefde zou te vergeefs, als een sterken beukelaar, die aangename schoonheid, daar u den Hemel mede begaaft heeft, trachten te zetten tegen de wreedheid van dezen Barbaar. Ondertussen word deze schoone bij ’t lijf gevat, en veroordeeld om levende verbrand te worden. hiertoe wierdse door d’onbeweegelijke razernij van den tiran geschikt. alreede ruktemen de sluyer van haar hoofd en de kleederen van haar kuisch lichaam, haar schoone armen worden met dikke touwen gebonden, en door het vast toeknellen heel verpletterd. Zij spreekt niet een woord, en al het quaad onthaal, dat men haar doet, is niet machtig om haar de minste vrees aan te jagen. en zoo haar roosverwig aangezicht een weinig veranderd is, men verneemt’er daarom geen bleekheid op, maar zoo natuurlijken blankheid, dat zij veel schoonder als te vooren scheen. Geduurende deze dingen, trok het gerucht van zoo vreemden zaak, dat, nu over al verspreid was, al het volk tot zoo droevigen schouspel. Men liep naar het gedrang van alle plaatsen der Stad. Olindus zelf begeeft’er zich met anderen na [p. 53] toe, met voornemen noch nader tijdinge te hooren. maar als hij zag dat deze schoone gevangene, zekerlijk zijn beminde meestresse was, dat zij ’t zelve was, die men zoo gebonden had, zij die voor schuldig gehouden wierd, zij die nu alreede veroordeeld was, en eindelijk, zij die door een tiran in handen van de beulen was overgegeven, die alreede bereid stonden om ’t vonnis uit te voeren, zoo begon hij door ’t gedrang te breken, en zijn stem verheffende, aan de zijde daar den Koning stond, aldus tot hem te roepen; Zij is de gene niet die aan de diefte, daar zij door een dwaze onbedachtsaamheid op roemd, schuldig is, zij heeft daar nooit op gedacht: ook is ’t niet te gelooven, dat een jonge dochter, van een vreesachtigen aard, zoo stout zou geweest zijn, haar zoo een gevaarlijke zaak t’onderstaan, en noch veel minder die uit te voeren: want hoe zou zij de wachters van den tempel hebben kunnen bedriegen? en door wat middelen dat heilig beeld wechnemen? laat zij u doen gelooven wat zij wil, ik weet echter wel beter. Ik ben de geen die het gestolen heeft; en ik beken vrijelijk, dat, na ik het stuk gedaan had, ik door een venster, onder ’t voordeel van de nacht, het zoo ontsnapten: daar na vond ik gelegendheid om door de groote plaats heen te gaan, daar ik het door d’afgelegenste wegen ontquam. Ik ben dan de eenige die rechtvaardig verdiend heeft, en de eer van deze daad, en de [p. 54] dood daar nevens: dat deze dan mij het een ofte het ander niet en kome t’ontnemen, deze ketenen en banden behooren mij toe; dezen houtstapel is voor niemand, als mij, opgerecht, en deze vlamme is niet ontsteken als om mij tot assche te verdelgen.
    Sofronie hem op deze wijze hoorende spreken, en met meewaardige oogen aanziende, antwoorde hem; Arme onnoozele, wie leid u hier zoo roekeloos? met wat voornemen komt gij hier? of wat razende uitzinnigheid geleid uwen loop? hoe, ben ik dan niet stark genoeg om te wederstaan, al wat de gramschap van een mensch het wreedste kan voortbrengen? Neen, neen, ik geloof noch moed genoeg te hebben om de dood alleen te verduuren, zonder dat het noodig is dat men mij komt gezelschap houden. Deze woorden sprak zij tot haar Minnaar, en evenwel kan zij hem niet meerder tot het herroepen brengen, als om zijn voornemen te doen veranderen. ô wonder, zo veel te grooter, om dat het ons een volmaakte kamp der liefde, met d’onverwinnelijke deugd vertoond. Heerlijk verschil, daar de dood zich tot een prijs aan den overwinnaar opofferd, en daar d’arbeid zelf de schuilplaats is daar den overwinnaar zich kan bergen; hoe den eenen in dezen twist hardnekkiger als d’ander, zich schuldig zoekt te verklaren, hoe meer dat Aladijns gramschap tegen haar ontsteekt: want hij geloofd waarlijk, dat deze [p. 55] twee minnaars hem bespotten, en datse, om hem noch meer te verachten, de straf belachen die zich voor haar oogen vertoond. Het verscheeld mij gans niet, spreekt hij, of men ziet dat zij schuldig zijn, aangezien dat ik haar alle beide een zelve palmtak na heur verdiensten geven zal; dit zeggende, gaf hij een teeken aan de onmedoogende uitvoerders van zijn tirannij, die haar altijd gereed hielden om te volbrengen het gene haar geboden was, invoegen dat men haar beide, in minder als een oogenblik, zag stijf aan een paal gebonden, des eenen rug tegen des anders. Maar Olindus, ziende den houdstapel rondom opgerecht, en dat men alreede het vuur daar begon in te steken, kon zijn klagten niet weêrhouden, noch hem bedwingen deze woorden te spreken, tot haar, die men met hem gebonden had: Wel zijn dit dan de ketenen daar ik verhoopte, dat wij mede zouden geboeid worden, om t’samen de rest van ons leven over te brengen? ziet hier dan het vuur van ’t welke ik het zelve wezen tussen u en mij verwachten: ô de liefde heeft ons wel andere vlammen en banden beloofd, als deze, die ons nu door het quaad geval bereid zijn! ô hoe onmenschelijk isse, dat zij ons niet vereenigd, als om de dood te doen lijden, na dat zij ons altijd zoo wreed gescheiden heeft! evenwel nu het moet wezen, dat gij, helaas! zoo onwaardig sterft; zoo schiet mij ten minsten deze vertroostinge over, nu ik, van het geluk van uw bed- [p. 56] genoot te worden beroofd ben, dat ik u zal in den houtstapel gezelschap houden: maar waarlijk u eenig ongeval dat smert mij, en niet het mijne, terwijl ik zo gelukkig zal zijn van aan uwe zijde te sterven: helaas, ik zou noch veel blijder zijn, en geen vermaak vinden dat bij mijn lijden te vergelijken was, indien ik deze gunst mogt verwerven, dat ik mijn geest gaf op d’oever van uw lippen, en op de zelve tijd onze laatste zuchten onder onze kuisse kusjens mogt vermengen. Sofronie wierd door deze klachten van Olindus bewogen, en om hem te vertroosten, sprakse, Mijn ziel, de weinige tijd die ons noch overschiet te leven, roept ons tot andere klachten, en tot veel hooger bedenkingen; in plaats van u zoo te bedroeven, waarom denkt gij niet eer om u van uwe zonden te bekeeren? waarom hebt gij u niet altijd voor uwe oogen deze waarheid vertoond; dat ‘er geen vergeldinge te vergelijken is bij de gene die God de rechtvaardige menschen beloofd heeft? Lijd standvastig voor de eer van zijn naam, en twijffel niet of gij zult de straffe zacht vinden: hoopt niet als op de dingen van daar boven, daar men de ware gelukzaligheid vind, de Hemel roept u nu op deze maal; ziet eens hoe schoon dat hij is, en hoe hij ons schijnt te vertroosten, ons noodigende om te proeven de ware lekkernijen der welgelukkige. Terwijl dat d’een en d’ander deze klagten doet, prijzen d’ongeloovige haar stantvastigheid; en het groot meêdoogen dat’er de Kri- [p. 57] stenen mede hebben, vertoond genoeg haar gevoelen daar van. Het is waar, dat zij niet als onder elkanderen daar van spraken, want zij haar niet overluid durven beklagen. Den tiran is zelf, tegen zijn gewoonte bewogen, en hoe verhard dat zijn gemoed is, zoo treft hem het medelijden aan om hem te verzachten; maar zoo onverbiddelijk als hij is, is zijnen naam mede; ook is hij van zoo een barbarischen aard, dat deze voorwerpsels van medelijden hem zoo vergrimmen, dat hij terstond zijn oogen elders na toe wend, en van daar vertrekt, om door zoo een droevig schouwspel niet bewogen te werden. Daar is niemand als gij, schoone Sofronie, die u niet gevoellelijk aan deze druk vertoond, en die u niet eens gewaardigd om te klagen.
    Geduurende deze twistredenen, zie zoo verscheen in ’t midden van de volle vergadering, een Ridder, of men zoud’ er hem ten minsten voor aangezien hebben, van zoo schoonen wezen als braaf van gestalte. na’et aanzien van zijn wapenen en de rest van zijn toerusting zou men geoordeeld hebben, dat het een vremdeling was, van verre gekomen om zijn fortuin te zoeken. den tijger, die hij boven op den helm voerde, en de oogen van een ijder tot haar trok, was een kenbaar teken genoeg, dat het den gene was die Klorinde gemeenelijk in den oorlog voerde: ’t geen d’oorzaak is, dat zij haar alle ook daar voor houden. gelijkze in der daad in dat geloof geen- [p. 58] sins bedrogen zijn. Van haar kindsheid af, heeft haar altijd tegen ’t hart geweest, die laffe onledigheid en oeffeningen daar haar de vrouwen toe begeven: dit doet dat zij tegenwoordig veracht heur handen neer te buigen, om een spinrok of de naald te handelen, en diergelijke werken te maken, die gemeenelijk strekken tot het tijdverdrijf der maagden. hier bij heeft zij een grouwel van het prachtige gewaad, en de plaatsen die met muuren besloten zijn, want zij is wel verzekerd, dat de eer van een dochter, niet beter bewaard is in de steden als op het veld; zij wapend met hoogmoedigheid haar aangezicht en vermaakt haar met, ik en weet niet wat voor strafheid en opgeblazendheid, in de aangeboorne zoetigheid van haar oogen te mengen, even wel misstaat het haar niet, en hoe groot dat haar verachtinge zijn, zij geven haar evenwel een brave zwier. zoo haast als haren ouderdom heur bequaam maakten, tot de eerlijkste tijdkortingen, zag men haar de paarden berijden, die zij nu wel weet te bedwingen, met een speer geestig om te gaan, de piek te handelen, het rapier te zwayen en haar leden te wringen in’t worstelperk, om dat zij niet vadzig in’t loopen zoude zijn: daar na gevoelende haar krachten allengskens met hare jaren toenemen, ging zij in ’t diepste van het wout, en op de hardste klippen, daar zij haar niet bemoeyde[n] om een haas, of das, of rhee, of andre diergelijke vreesachtige beesten na te jagen, maar wel om de leeuwen [p. 59] beeren en tijgers te vervolgen, daar zij haar zoo aanhing, dat zij voor de menschen zo wild scheen als de beesten zelf. maar zo als zij nu van Perssen quam, om haar te stellen met al heur macht tegen ’t geweld der Kristenen, hoewel alreede menigmael heur lichaam met wonde bedekt en de revieren met heur bloed geverft waren, was dit schouwspel van d’aanstaande dood, het aldereerste dat zich voor hare oogen vertoonden, d’uitnemende begeerten die zij in ’t begin had, om te weten wat ‘er af was, en wat misdaad dat de personen, die men voor schuldig houd, mochten begaan hebben, deed haar het paard nopen om te naderen. het volk vertrok terstond en liet haar met gemak door, zoo dat zij, den houdstapel genaderd zijnde, de twee getrouwe minnaars aan een paaal geboeid zag. zij verwonderd haar te hooren, hoe dat den eenen zich gants, in tegendeel van de andere beklaagd, die niet een eenig woord spreekt, betuigende dat haar stantvastigheid boven het gemeen van hare kunne gaat. echter weet zij wel dat de zuchten die den eenen ontsnappen, veel eer een eigenschap van medelijden is als van eenige smerte die hij gevoeld, en dat de stantvastigheid van d’andre een teeken is van het voornemen dat zij alreede genomen heeft. want in’t aanzien met wat voor een bezadigde geest zij den Hemel aandachtig beschouden, scheen het, dat haar schoone ziel, haar lichaam verlaten eer dat de dood hun gescheiden had. Ondertussen trof het onge- [p. 60] luk, van d’een en d’ander* zoo diep in het herte van Klorinde, dat zij haar niet onthouden kon van tranen te storten. niet te min de persoon die zich het minste beklaagd, is die haar het meerste smart. zij dan niet langer kunnende wachten om hier opening van te hebben, brande van ongeduld om de waarheid van de zaak te weten. hierom trad zij tot een grijzerd, die daar dicht bij stond, mijn vriend, sprak zij tot hem, wat is dat voor volk dat ik op deze wijze gebonden zie? is het heur misdaad of quaad geval die haar tot deze straffe gebrocht heeft? na dat zij de daad ondervraagd en het verhaal in weinig woorden gehoord had, bleef zij geheel verwonderd, en beelden haar zelven terstond in datze onnoozel waren. Hier op neemtse voor haar hun het leven te behoeden, ’t zij door kracht van gebeden, of die van de wapenen. met dit voornemen trad zij tot den houdstapel, daar zij’t vier van afwenden, ’t gene alreede deze rampzalige minnaars begon te genaken; daar na haar tot de beulen keerende, sprakse tot hun; houd u stil, en dat niemand van u zoo stout is voort te varen, voor al eer dat ik den Koning gezien en gesproken heb: doet alleen ’t geen ik u zeg, en vreest niet dat hij op u vertoornd zal zijn, om dat gij dit vonnis hebt uytgesteld. Op deze woorden stelden zij haar aan om heur te gehoorzamen, niet kunnende geloove dat de plicht haar daar toe verbond, zoo veel macht had de brave gedaante van de persoon die haar gebood, op hun: zij [p. 61] ging dan van daar na den Koning, en gemoeten hem in een weg daar hij voorbij haar quam. alsdoen om haar voornemen niet langer uit te stellen, sprakze tot hem: Heer Koning, ik ben die zelfde Klorinde daar van uw Majesteit mogelijk wel af heeft hooren spreken; het gene dat mij tegenwoordig hier geleid, is niet als een uitnemende begeerte, die ik heb om ons geloove en uw Koningrijk voor te staan, zie ik ben bereid om u te dienen, gebied maar alleen en gij zult zien, hoe dat ik in noodzakelijke dingen, de alderkleinste zaken niet zal verachten, noch voor de gevaarlijkste aanslagen verzet zijn; ’t zij dat gij mij op de bolwerken zet, of in’t binnenste der steden, of in’t open veld, ik zal nimmermeer iets zo lief hebben het gene te vergelijken zal zijn bij d’eer die gij mij den zult in mij te gebruiken, De Koning haar met grooten aandacht gehoord hebbende, antwoorde haar; Kloekmoedige Heldinne, wat landschap is zoo ver van Azie en der Zonnen opgang gelegen, daar de faam de wonderen van uwe heerlijkheid niet verbreid heeft? weetmen niet wel dat het gerucht van uwen naam tot aan d’uiterste palen der wereld bekend is? dit zoo zijnde, heb ik dan geen reden mij van alle vrees t’ontlasten, en de zorgen die ik noch kort had ver van mij te verbannen, nu dat uw onverwinnelijk zwaard bij’t mijne gevoegd is? ja waarlijk, en gij moogt het ook wel geloove, dat ik meer hope heb in u eenige dapperheid, als ik zou hebben in ver- [p. 62] scheide benden van oorlogsvolk die ik een krijgslichaam t’zamen gevoegd zag. my dunkt alreede dat dien Godefroy, die men zoo zeer vreest, te lang vertoefd om te komen; aangaande de begeerte die gij betuigd om gebruikt te werden, door de vraag die gij mij gedaan hebt, dat is wel redelijk dat het zoo geschiede, terwijl’er geen zoo zwaren aanslag is, daar gij niet bequaam toe zijt om uit te voeren: zie daarom stel ik van nu af aan de last van dezen oorlog in uw handen, en geef u een volkomen bevel om over ’t geheele leger te gebieden; met een woord, ik versta, dat gij de soldaten wetten zult geven, die zij voor onveranderlijk zullen houden. Al ’t gene Klorinde kon doen, was den Koning te bedanken voor den lof, die hij haar gegeven had, tot dat het tijd was om op’t gene te komen dat zij van hem begeerde. Vorst, vervolgdenze, mogelijk zult gij ’t in’t eerst vreemd achten, dat de vergelding voor de diensten moet gaan; maar de gene die ik in toekomende u hoop te bewijzen, gevoegd zijnde bij ’t vertrouwen dat ik in uw goedheid heb, doen mij hopen dat gij mij deze twee misdadigers niet weigeren zult. De weinige schijn die ‘er van is, datmen hun daar voor hoord te houden, is de oorzaak dat ik die ernstig van u begeer; want, om de waarheid te zeggen, mij dunkt dat men haar met al te veel wreedheid veroordeeld heeft: evenwel ben ik wel te vreden op de zaak niet eens te komen, noch d’omstandigheden voor te brengen, die [p. 63] tot zekere proeven van hare onnoozelheid zoude mogen verstrekken. ’t is mij genoeg dat gij weet dat ’er niet is als ’t gemeen gerucht ’t gene u doet gelooven dat de Kristenen het beeld hebben wech genomen, voor’t gene dat van de rest is, vergeef het mij, zoo’t u beliefd, zoo ik door de reden gedwongen ben te zeggen, dat uwe Majesteit, zonder twijffel, de achting die wij ons geloof schuldig zijn, overtreden heeft toen hij volbracht het gene, daar den toovenaar hem toe drong; gij weet, Heer Koning dat het ons niet geoorlofd is, noch geen beelden in onze Tempelen te hebben, noch de zelve aan te bidden, en noch minder dan die van anderen; het is dan onze Profeet die ik dit dan wil toe eigenen, en t’effens het wonder dat’er op gevolgd is, geloofd mij hij alleen heeft dat wonderteeken gedaan, om ons te leeren, dat het ons verboden is onze heilige tempelen t’ontheiligen door een nieuwe bijgeloovigheid; laat ons Ismenes met zijn bezweringen en tooverijen laten begaan, terwijl hij geen andre wapenen als die heeft; maar wij die soldaten zijn, laten wij ons behelpen met de speer en ’t zwaard, en onze hoop nergens in stellen dan in de dingen die ons ampt raken.
    Hoewel ’t hart van den tiran scheen ongevoellelijk tot medelijden te zijn, en dat het hem qualijk met groote moeite liet bewegen, evenwel zoo was hij eindelijk te vreden, en liet af door de gebeden van Klorinde; om dat de reden hem daar toe verplichte. [p. 64] Wel aan dan, zeide hij, dat men haar het leven en de vrijheid geef, ik ben wel te vreden, terwijl gij het zoo begeerd, kloekmoedige maagd; want uw persoon is mij van zoo grooten waarde, dat ik u nimmermeer een zaak zoude konnen weigeren, ’t zij datze de dood verdiend hebben, of dat zij vrij behoorden te zijn door haar onnoozelheid, zoo veel is er af, ik geef haar genade en u zeer garen over. Zie daar hoe de verlossing van deze minnaars toeging; in het welk de getrouwe Olindus, zoo grooten geluk had, als hij aan zijn meestres, de daad van een genegendheid, zonder voorbeeld die de liefde zelf opwekten, in zijn kloekmoedige dapperheid kon bewijzen, Want van den houdstapel, daar hij noch kort te voren dacht tot assche verbrand te worden, ging hij recht na den Tempel om te trouwen; en van een ter dood veroordeeld mensch, werd hij de man van een persoon die een onderlinge genegentheid hem toedraagt; en de geen die hij boven alle dingen ter wereld bemind; ook is’t wel redelijk, dat hij met haar willende sterven, indien dit niet gebeurd was, zij ook nu zoekt om met hem te leven, maar om dat het verbod van dien tiran hem niet mocht toelaten, in zijn land zoo braven voorbeeld van deugd te hebben, uit vreeze dat in’t toekomende hem zulkx niet mogt in eenig gevaar brengen; banden hijze beiden uit Judea, met noch veel andre Kristenen, die hij in verscheiden plaatsen in ballingschap verzond, naar dat hem de [p. 65] drift van zijn wreed voornemen vervoerden. ô met wat droefheid verlaten de jonge lieden heur ouders in haren hoogen ouderdom! Wat is ’t een gevoellelijke zaak voor de mannen datse heur vrouwen en kinderen verlaten moeten. Waarlijk een wrede scheiding, en daarom te meer onverdraagelijker, om dat dezen Barbaar niet en verjaagd als den genen daar hij een goeden geest en onvermoeilijk lichaam, in bemerkt, houdende alleen bij hem, tot zoo veel panden, de gene die hem niet hinderlijk konnen zijn, ’t zij datse door den aard van heure kunne, of door de zwakheid van haren ouderdom, tot de vrede genegen zijn. Zoo scheiden deze arme verdrukten, tot heur groot leedwezen, hier en daar; maar het meerendeel , daar in het misnoegen grooter als de vreeze was, wierden tot afvalligheid verwekt, en begaven haar in dienst van de Kristenen, die zij ontmoeten zoo als zij quamen tot Emaus; alzoo heet men een klein stedeken, niet verder van Jeruzalem afgelegen, dan dat een mensche, des morgens vertrekkende, gemakkelijk in vier uuren daar komen kon, wanneer hij zelf maar voet voor voet ging. O hoe aangenaam is deze tijding de Franssen! en hoe groot is de begeerten die zij hebben om heuren aanslag te vervolgen, zonder die langer uit te stellen! Evenwel, om dat de zon alreede meer als de helft van zijnen loop gedaan had, deed den Veldheer de lasten ontladen, en de hutten oprechten.
[p. 66]
    Yder een had zich alreede nedergeslagen, en de zon was al op het punt om zijn vlammige en vergulde stralen in den Oceaan te dompelen, wanneer men verwonderd was twee onbekende Ridders na ’et leger te zien komen; zij waren heerlijk van gedaante en rijkelijk gekleed, ’t gene haar vreemdelingen deed schijnen; en zoo zedig van gelaat, dat men, haar ziende, terstond zou geoordeeld hebben, dat zij niet als vijanden quamen: ook bekende men haar eindelijk voor de twee Gezanten, van wegen den Soudaan van Egipten gezonden, met een groot getal Schildknapen en Edeljonkers tot haar gevolg: den eenen was genaamd Aleth, een man van niet opgekomen, en die niets vorderlijkx en heeft door zijn geboorten: maar boven dien dat hij heel welsprekende is, vlug van geest, zich over al na weet te schikken, zijn natuur om ijder te believen, zoo hebben zijn kunsten hem tot de hoogste ampten van ’t Rijk verheven: hier bij mag men stellen, dat hij geen gelijk heeft om een leugen te verdichten, geestig in alle loosheid, en zoo doortrapt, om zijn snoodheid op te pronken, dat, wanneer als ’t hem beliefd, hij die tot zijn lof doet gedijen. Den anderen is den Cirkasser Argant, die van een vergelegen gewest gekomen zijnde in ’t Hof van Egipten, door den grooten Soudaan, tot Landvoogd gemaakt, en met de eerste ampten van den oorloog begiftigd wierd: ook moet men bekennen, dat het een man is die door geen [p. 67] moejelijkheid is te verwinnen, en zeer kloekmoedig: maar voor de rest, onverduldig, onbewegelijk, opgeblazen, en zoo goddeloos, dat zonder vreeze, noch voor God, noch voor eenig geloof, hij alle redelijkheid, die men van hem te verwachten heeft, in de punt van zijn zwaard steld. t’Harer aankomste verzochtenze beide om verhoord te worden, en wierden terstond geleid in de tente van den beroemden Godefroy: hij was zedig gekleed, en zat in een leegen zetel, midden onder de Hopmannen van zijn leger; en waarlijk, de ware deugd heeft altijd van zijn zelve zoo veel verciersel en glants, dat schoon hij die verwaarloost, echter noch altijd deurstraald. Argants plichtplegingen waren niet zeer groot, want hij was zoo verwaand, dat hij alle menschen onverscheiden stelden. Aleth deed zoo niet, maar betoonden zich beleefder dan hij: in zijn aankomen lei hij zij hand voor de borst, en hield zijn gezicht ter aarden gevest, hem al de eer aandoende, die de gene van zijn volk gewoon zijn te doen aan de personen die zij in achtinge hebben. Na deze beleefdheid begon hij zijn gesprek met zoodanigen geschiktheid, dat uit zijnen mond welsprekende stroomen vloeiden, veel zoeter en aangenamer dan hoonig: Hij sprak in de Sirische taal, die de Franssen wel verstaan konden, om dat zij alreede daar de kennisse af hadden. O ware Zon van deugd, en onvergelijkelijke kracht, riep hij, dien zoo veel beroemde Helden [p. 68] die hier vergaderd zijn, onderdanigheid bewijzen, na dat zij bekend hebben, dat zij hare zege en overwinningen aan uw wijs beleid schuldig zijn: ziet eens tot hoe ver ’t gerucht uwe dapperheid verkondigd? de pilaren die den zeeghaftigen Herkles eertijds geplant heeft, tot zoo veel tekenen van zijn overwinning, zijn niet machtig om de grootheid van uw onsterffelijken naam te bepalen: men spreekt onder ons van geen andre dingen; en naauwlijx zal men in geheel Egipten een mensch vinden die uwen lof, met zoo grooten aandacht, niet aanhoord als of hij wonderen hoorde verhalen die het gemeen gevoelen der menschen te boven gaan: ook hebben wij een Vorst, die, die smaakt met zoo veel vermaak als verwondering. ik zal noch meer zeggen, dat is dat hij zelve daar dikmaals behagen in schept die aan anderen te verhalen; in uw persoon beminnende, het geen in anderen, zoo veel schrik, als nijdigheid brengen zou, zoo als hij u bemind en uwe heldendaden prijst, zoo begeerd hij ook onderling een verbond met u te maken, is ’t niet in den Godsdienst en het geloof, ten minsten, in oprechte vriendschap die vast en onverbrekelijk is. hierom moet gij ’t niet vreemd achten, dat hij, onder de gunst van zoo goeden gelegentheid, van u vrede verzoekt en met u begeerd verbonden te zijn: uw deugd moet dan deze vereeniging tusschen u beide maken, terwijl dat het geloof, daar gij van elkanderen in verscheeld, dat [p. 69] niet doen kan: maar voor zoo veel als men hem bewust gemaakt heeft, dat gij van zin zijt een van zijn oude vrinden uit zijn Rijk te verdrijven, zoo heeft hij mij belast, eer dat noch grooter ongeval geschiede, wat zijn voornemen daar op is, u aan te zeggen. Waarlijk het is dit, dat zoo gij u wild vergenoegen, met het land dat gij in dezen oorlog verkregen hebt, zonder meer, noch Judea, noch hare grenspalen te verwoesten, zoo dat dit Rijk zich weêr in zijn eersten stand mag herstellen; dan beloofd hij u, tot vergelding, een gerust bezitter van het uwe te maken, daar gij noch niet vast in gezeten zijt: wanneer gij beide met goed verstand dus t’samen gevoegd zijt, zullen de Turken en Persianen wel ooit weder verkrijgen ’t gene uwe dapperheid op haar gewonnen heeft? neen zonder twijffel, en ik ben verzekerd, datse daar proeven, t’harer schade, afzien zouden. Gedenkt, ik bid u, ô zeeghaftige Vorst, dat gij in weinig tijd zulke groote dingen hebt uitgerecht, dat de toekomende eeuwen, hoe lang datse ook zijn, die nimmermeer uit de geheugenis zullen kunnen uitwissen; de slagting en verwoesting van geheele legers, het overrompelen der steden, het verduuren der moeijelijkheden, geduurende zoo langen reis, de ongemakken der wegen, die u onbekend waren, gelukkelijk af te leggen, zijn brave teekenen genoeg van uwe dapperheid en macht: zulkx dat al d’omleggende plaatsen, en zelf de vergelegendste [p. 70] landschappen, verschrikt zijn door ’t gerucht van zoo veel overwinningen. Gij moogt dan wel nieuwe Rijken, maar geen nieuwen lof verkrijgen, terwijl m’er niet kan bij voegen op het top daar de uwe gestegen is. Als dit zoo is, behoorde gij in ’t toekomende den oorlog, daar den uitgang altijd twijffelachtig af is, te schuwen; op wat plaatse dat gij uw zegepralende wapenen voerd, moogt gij uw land wel doen aanwassen, maar niet uwe Faam. Ter ander zijde, zoo ’t gebeurd dat het wapenlot eenmaal veranderd, het verlies van uwe overwinningen zal die van uwe achting dan met zich sleipen. Geloofd mij, mijn Heer, daar is geen hachelijker spel als van ’t geval, en ik achtse wel beroofd van zinnen, die een groote meenigte stellen, dat alreede haar verzekerd is, tegen eenig goed, dat noch groot, noch niet zeker is. Evenwel die geweldige drift die u tot de wapenen vervoerd, is mogelijk de raad van eenig afgunstig mensch, die u benijd dat gij langen tijd behouden zoud, ’tgene gij van anderen gewonnen hebt. De gelukkige voortgang van uwe aanslagen, daar in gij altijd de zege gehad hebt, en die vierige drift om onderdanen te maken, die van naturen meer in groote gemoederen, als in laffe en slappe herten ontsteekt, mogen u met meer hardnekkigheid van den vrede weêrhouden, als wij begeerten hebben om u den oorlog aan te zeggen: mij dunkt alreede dat zij u inblazen, dat gij in zoo braven voortgang niet [p. 71] moet blijven stil staan, dat het noodlot u genoeg zaam een volkomen weg tot de overwinningen geopend heeft: dat gij groot ongelijk hebben zoud uw zwaard in de schede te steken; dat ’er geen macht groot genoeg is om d’overwinningen te stutten, en dat alzoo den eerwaardigen tijtel van Overwinnaar, u verplicht, de wapenen niet af te leggen, tot dat gij t’eenemaal de Wet van Mahomet zult uitgeroeid, en geheel Azien verdelgd hebben. Maar wat zijn alle deze dingen anders, dan aangename vertellingen, die d’ooren streelen, ende aanlokkelijke strikken, daar van het bedrog veeltijds tot schadelijke dingen uitvalt? Indien uw moedigheid zoo driftig niet is, datse u de oogen verblind,* noch zoo met wolken beneveld, dat het licht van de reden verduisterd word, ik ben verzekerd dat gij lichtelijk zien zult, dat in dezen aanslag, die gij beginnen wild, gij veel meer reden hebt te vreezen dan een goede uitkomste te verhopen; u is niet onbekend dat d’ommekeeren van ’t geval onzeker zijn, en dat ’er geen verzekerheid in haar verwisselingen is, die nu goed en dan quaad zijn. hier bij datse geen andere vlucht doen kan, dan die te snel, of te hoog, en aan’t neerstorten vast is. zeg mij, ik bidde u, zoo Egipten, dat zoo machtig in raad, in zilver en wapenen is, tegen u quam op te staan, zelf zoo ’t ook gebeurde dat de Turken Persianen en den zoon van Kassan op u afquamen en den oorlog vernieuwden, wat machten [p. 72] zoud gij tegen zulk een geweld kunnen stellen? en waar zoud gij bijstand bekomen die u van dat groote gevaar zou verlossen? evenwel steld gij mogelijk uw hoop op den Keizer van Grieken, met den welke gij waand een heilig en onverbrekelijk verbond gemaakt te hebben; maar hoe? weet gij niet hoe groot dat zijn trouwloosheid is, en de weinige zekerheid , die gij in de trouw der Grieken stellen moogt? uit een eenig verraad kund gij van de rest oordeelen, of veel eer uw voordeel met duizendderley bedriegerijen doen; die dat trouwlooze en gierige volk wreedelijk tegen u en den uwen gepleegd hebben. Hoe, zal den genen die noch onlangs u den weg wilde toesluiten, nu voor u zijn staat en zijn leven gaan in gevaar stellen? Is ’er eenige schijn dat hij die u den weg verloochende, die aan ijder een behoord gemeen te zijn; t’uwaarts mildadig zal zijn met zijn eigen bloed? Het mag ook wezen dat uw grooste hope steund, op de troeppen die u in dezen oorlog noch navolgen. gij gelooft dan dat het u hier na zoo gemakkelijk zijn zal, verscheide volkeren, in een oorlogslichaam t’zamen gevoegd, t’overheeren als het u, voor dezen, de verstrooyden en afgezonderde geweest is; en overweegt gij ondertussen niet dat uwe machten verzwakken, zoo wel door de moeylijkheden die zij voor dezen hebben geleden, als voor het gevaar dat u in toekomende dreigd; voornamentlijk zoo d’Egiptenaars haar eenmaal beginnen te vervoegen met [p. 73] de Turken en Persianen; maar ik wil dat het u lot is, onmogelijk ooit door de wapenen verwonnen te worden, en dat het hemelsche voorbeschik u zoo gunstig zij, als gij ooit zoud kunnen wenschen; zoud gij dan met alle deze dingen sterk genoeg wezen om den honger t’overwinnen? weet gij eenig middel tegen dit quaad, zeg het mij ik bid u; ik kan het niet denken; want, na dat gij met de speren en zwaarden wel zult gevochten hebben, zoo zult gij bevinden dat d’overwinning u maar in schijn zal blijven. gij ziet met wat voorzichtigheid, die van deze landschappen haar behulpen hebben, men ziet niet als verwoestingen, op het veld, daar het vuur het alles verteerd heeft; en alle deze dingen is het werk van haar handen. ook is’t al lang geleden dat zij in besloten plaatsen en vaste steden geweken zijn, want zij geleerd hebben hoe gij haar komt bezoeken. O gij, die u tot noch toe, met geen minder dapperheid, als voorzichtigheid beholpen hebt, waar meend gij nu voortaan te krijgen het gene daar gij uw ruiterij en voetvolk mede spijzen zult? mogelijk zult gij mij hier op antwoorden; dat uw scheepsvloot, die aan de naaste oevers lecht, u geen gebrek zal laten lijden. maar hoe? hangt uwe lijftocht aan de winden die niet als in verandering en onzekerheid bestaan? heeft. uw goed geluk over haar eenige macht? kan zij die in hare holen sluiten en weder na haar begeerten ontketenen? zoud gij de eenige zijn, die een hoofdstof- [p. 74] fe, dat van zich zelven voor klachten en gebeden doof is, zoud kunnen bewegen? meend gij dat ons volk, met de Turken en Perssen t’zamen verknocht zijnde, geen middel hebben, om op Zee te brengen een vloot die machtig genoeg is om de uwe te wederstaan? zekerlijk indien gij uit dezen aanslag tot uw eer wild wederkeeren, zoo zie ik dat gij tweemaal moet overwinnen, eens te water en eens te land: een zaak die daarom zoo veel te gevaarlijker is, terwijl een verlies machtig is u zoo veel schanden als schaden toe te brengen: maar als dat niet zijn zal, waar toe zal u uw scheepsmacht dienen schoonze Zegepraalden, indien gij te lande verstrooid word? laat mij toe dan te zeggen, dat, in den staat daar ik u in gebracht zie, zoo gij den peis en de vrede met den grooten Soudaan van Egipten weigerd, ik niet gelooven kan dat gij wel beraden zijt, noch dat dit voornemen, bij d’andre deugden, die men in u bespeurd, niet kan vergeleken worden; maar dat den Hemel wilde dat gij van zin veranderden, en dat, zoo uwen raad tot d’oorloghelden, het anders gebeurden ’tgeen ik alleen wenschten, om dat Azie voortaan, een weinig, na de rampspoet die het geleden heeft, verquikken zou, en gij een geruste vreugd hebben van uwe overwinninge: evenwel ’t geen ik zeg, is niet om uwe arbeidzaamheid bij die van mijnen Koning te vergelijken, noch om uwe heerlijkheid in een zelve weegschaal tegen de zijne te stellen; maar ik tracht [p. 75] alleen om u te toonen, dat het niet is als gunst daar het geval u tot noch toe mede opgehoopt heeft, en die u hier in bedriegen, ongevoelijk van den eenen in den anderen oorlog inwikkelen. Hier in staat het u den wijzen stierman na te volgen, die zich eindelijk tot rust begeeft, en zijn schip in de gewenste haven leid, na dat hij d’ongestadigheid der zee beproefd heeft: alzoo bevinde ik dat gij veel tot uwe verzekerdheid doen zult, zoo gij tegenwoordig uwe zeilen oprold, zonder u weder te betrouwen in de gevallen van den oorlog, die niet minder onzeker zijn als die van de zee.     Op deze wijze* eindigden Aleth zijn gesprek, ’t gene terstond gevolgd wierd met een zoet gemompel van deze moedige Prinssen, die genoegzaam, door haar veracht wezen betoonden, hoe onaangenaam dat haar deze opening was. Eindelijk, na dat heur Hoofd zijn oogen drie of viermaal rondom op de vergadering geslagen had, om ten naasten bij aan ’t gelaat te oordeelen, wat ijder op het herte lag, zag hij dien Vreemdeling strak aan, en gaf hem deze woorden tot antwoord. Waarlijk, Heer Gezant, ik ben wel verheugd dat ik den inhoud van uw gezantschap verstaan heb, en verwonder mij niet te min zeer, dat gij beleefde plichtplegingen, met woorden, die vol dreigementen zijn, vermengd hebt. Zoo ’t waar is, dat uwen Koning mij eenig goed toewenscht, en zoo veel acht, gelijk gij zegt, [p. 76] of zelf de dingen prijst die wij tot hier toe gedaan hebben, daar van zijn wij allen aan die beleefdheid verplicht: maar aangaande dat deel van uw gesprek, daar gij geloofd ons te verschrikken, met ons te zeggen, dat zoo wij geen vrede met hem aangaan, alle de Vorsten van Azie zich met hem vervoegen zullen om ons den oorlog aan te doen: ik ben te vreden om u opentlijk t’antwoorden, gelijk ik gewoon ben, zonder eenige opgepronkte redenen: weet dan dat wij tot hier toe zoo veel gevaar te water of te landen niet geloopen, noch gewillig, nu de ongemakken van de Zon, en dan weder die van het quaad weêr, geleden hebben, als met voornemen, om ons een weg te openen tot deze eerwaardige muuren daar de teekenen van onze zaligheid in besloten zijn: want wij verhopen ons zelven te verkrijgen, een genade en bijzonder verdienst bij onzen God, zoo wij tot dit punt zoo gelukkig zijn, dat wij de geloovige mogen trekken uit de wreede slavernij, daar zij nu in gebracht zijn: daar toe wij met zoo grooten vierigheid aangeprikkeld worden, dat wij nimmermeer zullen aarzelen, om tot zoo waardigen aanslag de scepters en de kroonen, het leven en al wat men eer in de wereld noemd te gebruiken. zekerlijk wij zijn niet aangesart geweest om hier te komen, noch door eenige laffe gierigheid, noch door een eergierige begeerten, om nieuwe overwinninge te bekomen. in tegendeel bidden wij den hemelschen Vader, dat het [p. 77] hem beliefd zoo besmettelijken quaad ver van ons af te jagen, en niet toe te laten, zoo iemand bezoedeld is, dat dit zoet vergif in de ziele vloey, uit vrees dat het hem niet doode, betooverende het lichaam met vermaak van zoo weinig duurzaamheid: zie dat is onze begeerte, en dat zijn hand die tot in de hardste herten doordringt, den genen , daar dit quaad zijn wortelen geschoten heeft, zoetjens vermurwe: zij is de gene die ons alleen in deze plaatsen geleid heeft, afkeerende alle beletselen en gevaren; zij die de alderhoogste bergen effend, en die de stroomen en rivieren doet uitdroogen, hoe groot datze ook zijn; zij die verzacht de hette van de zomer en de koude van den winter; zij die het onweêr der vergramde Zee stild, en eindelijk zij die als ’t haar beliefd den toom der winden kan breidelen, of vieren, uit vrees dat zij niet zouden geweld plegen: door zijn hulp is ’er geen zoo sterken muur daar men geen stormgat in zou kunnen maken; noch geen zoo verschrikkelijken leger ’t gene niet verdelgd, of op de vlucht zou gedreven kunnen werden: ook is’t van haar alleen dat onze moed komt afdalen; aan haar hangt onze hoop, niet aan onze machten die alreede vermoeid en verzwakt zijn, niet aan ons leger ’t geen wij hebben, niet aan al het Grieksche oorlogs volk, noch zelf aan al de wapenen van de Fransen t’ effens: wanneer dat zij alleen ons bijstaat, dan behoeven wij niet veel bezorgd te zijn dat de andere dingen ons zullen ge- [p. 78] breken: den genen die weet, hoe zij verdadigd die op haar betrouwen, en hoe straf dat zij den wederspannigen, die tegen haar opstaan, ter neêr slaat, die hoefd zonder twijffel elders geen hulpe te zoeken, hoe groot dat de gevaren zijn die hem ook dreigen: ter ander zijde, wanneer het zelf geschieden dat wij van zijn Goddelijke hulpe beroofd wierden, of door een verburgen oordeel, of door onze zonden; meend gij dat wij zouden weigeren onze dagen te eindigen, daarze den genen geeindigd heeft, door wiens middel dat wij verloren gaan? konnen wij meer eer verkrijgen als begraven te worden daar het onzen Zaligmaker heeft geweest? Maar gij zult daar op zeggen, dat wij alle zullen sneuvelen, en niet een van ons het ontgaan; zoo veel te beter, indien dat geschiede, zullen wij ten minsten geen haat toedragen den genen, die ons zullen overleven. Wij zullen sterven, maar het zal niet zijn, zonder wel dier ons leven aan onze vijanden te verkoopen. En ik ben verzekert, dat, boven dien heel Azien niet spotten zal met ons ongeluk, het bekennen zal, dat wij geen droefheid in de dood zullen hebben. Evenwel moet dit voornemen niet zoo machtig zijn, om u te doen gelooven, dat wij den vrede zullen schuwen gelijk als een bloedigen en doodelijken oorlog: in tegendeel is ons d’aanbieding van uw Vorst zoo aangenaam niet, of wij zouden wel vergenoegd zijn, om ons met hem te verbinden, indien het recht [p. 79] der wapenen zulkx vereisten: maar gij weet alreede wel, zonder dat het van noode is het u te zeggen, dat Judea hem in geener wijze toebehoord. Waarom bekommerd hij zich zoo zeer met een zaak, die hem geensins raakt?* laat het hem genoeg zijn dat hij zijn Rijk in vrede bezit, en eindelijk, dat hij niet dwers in onze overwinningen en val, voornamentlijk, nu hij ’er geen schaden bij lijt.
    Met deze antwoord zond Godefroy de Gezanten wederom, die zoo gevoelijk was voor den fieren Argant, dat hij niet langer kon veinzen, noch de razernij verburgen houden die hij in zijn ziel had. Wel aan dan, sprak hij, laat ons dan den oorlog hebben, terwijl het zoo wezen moet: alzoo heeft het niemand aan schijn ontbroken, wanneermen verschil gezocht heeft: het weigeren dat gij op onze aanbieding doet, is een baarblijkelijke getuigenis dat gij geen vrede begeerd. Dit zeggende, vatten hij een slip van zijn mantel, en rolden die te zamen met een vergrimd gelaat, en veel onwaardiger als te vooren, vervolgden hij, Nu dan, terwijl gij de hachelijkste aanslagen veracht, zoo moet gij uw drift volgen. Ziet hier den vrede, of den oorlog, die ik u toebreng; kiest, of ’t een of ’t ander, en beraad u daar op, zonder een langer uitstel te zoeken. Terstond wierden ze alle, door de moetwilligheid van deze daad en reden bewogen, hem, met gelijke stemmen, den oorlog aan te zeggen, [p. 80] zonder te wachten dat haar Opperhoofd sprak. Waar op den onvertsaagden, het hervouwen van zijn mantel uitstekende, al schuddende vervolgden; Dit is ’t gene ik begeer, en dat dit ontseg doodelijk zij: vergezelschappende die woorden met een aangezicht zoo vol dreigementen, datmen gezeid zou hebben, dat hij zoo terstond, den tempel van Janus voor eeuwig ging openen, om daar uit te halen het allerwreedste en verschrikkelijkste, dat bij de tweedracht en razernij te vinden is. Want zijn oogen stonden zoo afgrijsselijk, dat de fakkels van Alekto en Megere daar schenen in te branden. Zoo was mogelijk, voor dezen, dien wederspannigen, die tegen den Hemel dien onmatigen klomp op een stapelden: en zoo het hoovaardig Babel, toen men heur hoofd in de wolken zag verbergen, en de sterren dreigen. Ondertussen, om dat hij zonder antwoord niet weêr wech gaan zou, antwoorde hem Godefroy, Laat niet na om uw Meester te boodschappen, dat hij zich verhaast om te komen, zoo ’t hem beliefd, en in ’t overige, dat wij zeer garen den oorlog aanvaarden, daar gij ons zoo mede dreigd, zonder dat wij daar voor bevreest zijn. En zoo hij de moeiten niet wil doen om ons te komen bezoeken, dat hij ons dan verwacht aan de monden van zijn Nijl. Dit gezeid hebbende, gaf hij de twee Gezanten zeer beleefd oorlof, en daar bij rijke geschenken. Aleth een helm, vercierd met gesteenten van [p. 81] groote waarden, die hij noch behouden had, uit den roof, in ’t veroveren van Niceen; en aan den onvertsaagden Argant een zwaard, van fijne stoffe, daar van ’t gevest van fijn goud was, en zoo deftig gewerkt, datmen de uitnemendheid van de kunst, natuurlijk verknocht zag, aan de glans van verscheiden dierbare gesteenten, die de waarde onwaardeerlijk maakten. Maar hoe rijkelijk dat het was, echter liet Argant niet naar zijn onwaardigheid, in het ontfangen, te toonen: daar na, hebbende de punt en het scherp beproefd, sprak hij tot Godefroy, dat gaat wel, ik hoop dat gij wel haast zien zult, hoe ik mij weet te behelpen met de gift die gij mij gedaan hebt. Daar op zijn medemaat naderende, vervolgden hij; laat ons gaan, want wij hebben niet meer te doen dat ons hier kan houden: voor mij ik ben van meining na Jeruzalem te gaan, daar de noodzakelijkheid mij roept, en dat gij naar Egipten keerd; gij met het licht van de Zon, en ik onder dat van de Maan: daar gij gaat, heeft men noch mijn tegenwoordigheid, noch mijn brieven van doen, om dat gij zelf kond zeggen de schoone antwoord die dit volk ons gegeven heeft; hier bij is’t geen reden dat ik mij uit deze plaatzen begeven zou, nu men hand gemeen worden zal. Alzoo wierd hij van Gezant, gelijk hij was, een vijand; het zij of een geweldige heete drift hem hier toe vervoerden, of dat hij ’t onverscheiden achten d’aal- [p. 82] oude gastvrijheid der volken en de wetten Godsdienstig van haar opgericht, te verbreken. Evenwel was dit het gene daar hij ’t minst op dacht, want zonder andere antwoord van zijn gezantschap te verwachten, ging hij, geduurende de stilte van de nacht en de klaarheid der starren, recht na de muuren van de heilige stad: alreede wenschten hij daar te wezen, en zijn ongeduld is zoo groot, dat hij niet, als met groote ongenuchten, de weinige weg die hij noch te gaan heeft, door brengt; ondertussen bewimpeld de nacht het geheele aardrijk met duisternisse; de wind en de baren zijn bevangen met een diepe slaap, en al de wereld schijnt stom te wezen; want dit’s de tijd in de welke al het gedierten, zoo wel de genen die haar verschuilen in’t diepste der Zeen, der poelen en der revieren, als d’andre die haar in heur woeste holen verburgen houden, of de genen die, onder een vermengd, in de stallen zijn opgesloten, ook de vogelen, die van de natuur met duizend verven geschakeerd zijn, blijven als in een diep vergeten begraven, die haar vermoeidheid betooverd. Maar hoe wel, geduurende de stilte en de duisternissen, het ongemak der menschen slaapt en door deze middel haar verdrietzaamheid verlicht word, zoo liet evenwel het leger der Kristenen haar niet door den slaap overwinnen, noch veel minder den zeeghaftigen Godefroy: niet een onder haar kan d’oogen toesluiten, zoo groot is de [p. 83] begeerte die zij alle hebben, dat de morgenstond, daar van zij ’t licht met ongeduld verwachten, haar aan den Hemel vertoond, en hen den weg ondekt en geleid tot de heilige Stad, die het doelwit van zoo grooten reis is: zulx dat zij ijder oogenblik niet doen als bespieden, ofze niet zullen zien te voorschijn komen eenige stralen die de duisternissen van de nacht verdrijven, en haar den dag toebrengt.
Continue
[
Frontispice canto 3]
[p. 84] [p. 85] [p. 86] [p. 87] [p. 88] [p. 89] [p. 90] [p. 91] [p. 92] [p. 93] [p. 94] [p. 95] [p. 96] [p. 97] [p. 98] [p. 99] [p. 100] [p. 101] [p. 102] [p. 103] [p. 104] [p. 105] [p. 106] [p. 107] [p. 108] [p. 109] [p. 110] [p. 111] [p. 112] [p. 113] [p. 114] [p. 115]
Continue
Frontispice canto 4
[p. 116] [p. 117] [p. 118] [p. 119] [p. 120] [p. 121] [p. 122] [p. 123] [p. 124] [p. 125] [p. 126] [p. 127] [p. 128] [p. 129] [p. 130] [p. 131] [p. 132] [p. 133] [p. 134] [p. 135] [p. 136] [p. 137] [p. 138] [p. 139] [p. 140] [p. 141] [p. 142] [p. 143] [p. 144] [p. 145] [p. 146] [p. 147] [p. 148] [p. 149] [p. 150] [p. 151] [p. 152] [p. 153] [p. 154] [p. 155] [p. 156] [p. 157]
Continue
[
Frontispice canto 5]
[p. 158] [p. 159] [p. 160] [p. 161] [p. 162] [p. 163] [p. 164] [p. 165] [p. 166] [p. 167] [p. 168] [p. 169] [p. 170] [p. 171] [p. 172] [p. 173] [p. 174] [p. 175] [p. 176] [p. 177] [p. 178] [p. 179] [p. 180] [p. 181] [p. 182] [p. 183] [p. 184] [p. 185] [p. 186] [p. 187] [p. 188] [p. 189] [p. 190] [p. 191] [p. 192] [p. 193] [p. 194] [p. 195] [p. 196] [p. 197]
Continue
[
Frontispice canto 6]
[p. 198]

TORQUATO TASSOOS

Verloste

JERUZALEM.

Het zeste Gezang.

INHOUD.

ARgant zend een krijgsbode in ’t Kristen leger, om d’alderkloekmoedigste, van zijnent wegen, ten strijd te roepen. Eindelijk bied zich Tankredo ten strijd aan; daar zij beiden gequetst worden. Hermine vermomd zich met Klorindes wapenen, en gaat, onder gunst van de nacht, recht na ’t leger, om Tankredo, die zij vierig bemind, te verbinden. Maar zij moet, door een vreemde toeval, wederom keeren.

Den trotsen Argant zend een bode in’t Kristen heir,
    En doet de moedigste van al de Ridders dagen,
Dat die zich tegen hem komt proeven met ’t geweer,
    Om, in het harrenas, een lijfgevecht te wagen.

[p. 199]
(5) Tankredo strijd met hem, doch blijven beid’ gewond:
    Hermyn’ vermomd haar zelf met wapens van Klorinde,
Gaat na het leger toe, bij duistren avondstond,
    Om haar beminden Prins Tankredo te verbinden.
’t Verlangen, en de min, die maken beid’ haar vlug;

    (10) Maar door een vreemd geval, zoo keerdse weér te rug.

MAar van d’ander zijde, hadden de belegerde nooit beter hoop van hare zaken, als tegenwoordig. Zij zijn niet meer zoo bevreest als kort te vooren, en beginnen haar te verzekeren, om dat ’er niet een nacht voorbij gaat, of heur werden nieuwe lijftochten toegevoerd, zonder de gene te rekenen, dieze van te vooren hadden opgedaan. Boven dien, hebbenze al zorg gedragen, om met krijgstuig, en oorlogsgebouwen, de wal te voorzien aan de noorderzijde, daar de stad het onsterksten is: want boven dien datse voorgenomen hebben de kantéling te doen rijzen, zoo hebbenze die met stutsels en bolwerken versterkt, diemen qualijk zou kunnen bewegen, wat beukerij datmen ook maakten. Ook vergeet den Koning geen ding dat hij bequaam oordeeld, om de bestormers meê af te keeren; en hij laat alleen des daags niet arbeiden, maar zelf des [p. 200] nachts, in de maneschijn. Ook worden de wapensmids aan alle zijden gaande gehouwen, en vermoejen hare armen met nieuwe wapens te smeden. Den opgeblazen Argant, ondertussen, ziende’ dat des Konings geest, met deze arbeid, bezich was, gaat na hem toe, en randst hem aan om zijn begeerten te vergenoegen. Tot hoe lang zult gij noch, Heer Koning, sprak hij tot hem, ons, als gevangenen, in den omring dezer muuren houden? tot hoe lang zullen wij ledig blijven in de qualen van een verdrietige belegering? Ik hoor al te veel het gerucht der hamers, en weet genoeg datmen dag en nacht op d’aanbeelden slaat om helmen, schilden en harnassen te smeden, maar ik zie niet dat door al deze dingen ons werk vervorderd werd: maar in tegendeel, zoo lang als wij dus onnuttelijk zullen arbeiden, zoo nemen de roovers, die ons belegerd houden, zoo wel haren tijd waar, dat zij niet doen als onze velden verwoesten, en onze dorpen, na haar welgevallen, te plonderen, zonder dat ’er iemand onder ons gevonden word, die zijn best doet om haar te stutten, noch zonder dat wij de moet hebben, om haar op ’t geluid der trompetten te doen ontwaken. Zeker, zoo als zij zijn, zij hebben geen reden om haar te beklagen, dat wij te voren haar vreugd het minste verstoord, noch haar rust ontrust hebben. Tot noch toe hebbenze de nachten in gerustheid doorgebragt, zonder datmen een eenig krijgsgeschrey [p. 201] gemaakt heeft om haar tot de wapenen te doen loopen. Wij hebben in tegendeel zoo veel ongenuchten, dat ik voorzie, indien wij geen acht nemen, dat wij door kracht, van honger gedrukt, en andere oorlogsongemakken, gedwongen zullen wezen ons, op haar beleefdheid, over te geven, of als lafhartige menschen rampzalig te sterven, zoo ’t gebeurd dat het Egiptisch leger te lang vertoefd om ons te helpen: de anderen zullen dan doen ’t gene haar beliefd. Maar wat mij aangaat, ik wil eerlijk sterven, en laten, zoo ik kan, een brave gedachtenis van mij na. En zoo daar niet anders voorvalt, zoo ben ik verzekerd, dat ik morgen, voor der Zonnen opgang, buiten de poorten van deze Stad zijn zal, ’t geval mag met mijn leven handelen, zoo als ’t den Hemel haar zal believen te bevelen. Al dit zal mij niet beletten, dat ik niet eerlijk, met het zwaard in de vuist, sterve, en dat mijn leven, den genen, die zich onderwinden zal het mij te berooven, wel dier zal komen te staan. Maar zoo de vonken van uw gewoone dapperheid niet t’eenemaal in u zijn uitgedoofd, boven dien dat ik verzekerd ben niet ongewroken te sterven; mogelijk zal dan, strijdende als een dapper Held, en het leven, en d’overwinning, aan mijn zijde blijven. Waarlijk ons noodlot begeerd dat wij vol van moet onze vijanden bespringen, en het beloofd ons zelf een gelukkige uitkomst, mits dat wij in onzen aanslag geen bloô- noch lafhartigheid vermengd is. [p. 202] Want het gebeurd dikmaals, dat het stoutste voornemen den besten raad is diemen nemen kan. En zoo gij bij geval niet goed vind, om al uw soldaten op zoo een wijs te wagen, laat ten minsten dan toe, dat zoo grooten verschil, door ’t gevecht van twee Ridders, gescheiden word. En, om dat den Fransen Veldheer deze aanbieding t’eerder aanvaarden zou, geeft hem het voordeel om de wapens te verkiezen, en dat de voorwaarden van ’t lijfgevecht zijn zullen, zoo als hij ’t goed zal vinden. Zoo den vijand, die zich voor mijn vertoonen zal, hoe kloekmoedig dat hij ook mag wezen, maar alleen twee handen, een eenig leven, en een hert heeft; dan hebt gij niet te vreezen, dat ’er u ooit eenig quaad af komen zal, op wat wijze dat het zij; noch dat ik uw recht verliezen zal, zoolange als ik het verdadige. Geloofd mij, dit zwaard, dat gij ziet, en den arm, die’er zich af dienen zal, zullen u in plaats van een goed noodlot en gunstig geluk verstrekken; en zonder dat het noodig is, dat gij elders hulp gaat zoeken, zullen zij u een volkomen overwinning op uwe vijanden geven. Ziet daar, zij komt zelf uit heur vrije wil, haar tot een pand aan u aanbieden. Twijffeld niet dat zij geen zorg voor de behouding van uw Kroon draagt, mits dat gij daar op uw voornaamste hoop bouwen zult. Na dat hij zoo gesproken had, sprak den Koning, die hem, zonder antwoord, niet wilde te rugge zenden, tot hem; Kloekmoedig Rid- [p. 203] der, hoewel ik u belijden moet, dat mijn oude jaren mij koud en stijf maken, echter zijn deze handen, noch zoo belemmerd, noch mijn moed zoo klein niet, datse niet liever beminnen zouden eerlijk, dan in schande te sterven, wanneer ik zelf mij van den honger, en andere ongemakken, daar gij van gesproken hebt, gedreigd zag. De Goden willen van ons deze groote rampspoedigheden afwenden. Al ’t gene ik u tegenwoordig te zeggen heb, en dat ik begeer dat anderen niet en weten, is, dat ons geluk veel beter is als gij meend. Want Soliman van Niceen, na dat hij langen tijd getracht heeft, om hem van de schaden, die de Kristenen hem hebben aangedaan, te wreken, heeft eindelijk de troeppen der Arabiers verzameld, die van d’een tot d’andere plaats gaan dwalen, tot in het land van Libien. Hij, met deze macht gesterkt, is van voornemen, geduurende de duisternis, den vijand te overvallen, en ondertussen ons een bijstand van spijze en eetwaren toe te zenden. Wel laat ons dan zijn komst, die in weinig dagen zijn zal, verwachten: en zoo ’t gebeurd dat de Kristenen ons land winnen, en haar in onze Kasteelen werpen, daar hoeven wij ons niet eens in te bekommeren, als wy maar teffens onze macht en deze Stad, daar ik mijn Hof in houde, mogen behoeden. Matigd dan een weinig deze ontembare stoutmoedigheid, en deze vierige drift, die gij door overloop betoond te hebben, tot dat ’er een tijd komt [p. 204] die bequamer is om my te wreken, en voor u eer te verkrijgen. Op dit verhaal stond den onverzaagden Heiden verwonderd, en zag zich gedwongen om de razende drift van zijn gramschap, die hem vervoerden, te volgen. Want het was al langen tijd geleden, dat hij tegen Soliman aan wilde, die hij nu niet meer lijden mag, noch datmen van hem spreekt; noch dat den Koning, die hij met genegendheid dienen wilde, zoo goeden gevoelen van een Man heeft, die hij niet bemind. Wel aan, Heer Koning, antwoord hij, daar mag komen wat wil, of vrede of oorlog, ik en zal nooit meer spreken: laat ons geduld hebben, terwijl gij ’t zoo begeerd; en laat ons eens zien wat Soliman doen zal, of hij, na dat hij zijn Koningrijk verlooren heeft, het uwe zal kunnen behoeden; laat hij tot u komen, zoo hy wil, gelijk als een Engel van den Hemel gezonden, tot verlossing der Heidenen. Ik acht my sterk genoeg om my te verweeren, en wil niet als de vrijheid van dezen arm gebruiken. Maar terwijl dat de anderen haar rusten, laat het mij ten minsten dan geoorloofd zijn, om daar beneden na de vlakten te gaan, om in de hoedanigheid van een vrijwillig Ridder, die in uw bezolding niet is, te strijden. Ik heb voor my genomen mij met de Fransen te beproeven: en ik moet mijn begeerten voldoen. Den Koning hem zoo herdnekkig ziende, antwoorde hem; Waarlijk, hoewel ’t mij dunkt dat gij veel beter doen zout, indien gij uw [p. 205] dapperheid tot een beter gelegendheid uitstelden; niet te min, terwijl gij zoo grooten begeerte hebt om iemand van uw vijanden te doen uitdagen, en dat het u zoo aangenaam is, zoo wil ik ’er mij niet tegen stellen. Dit voornemen genomen zijnde, riep Argant een Krijgsbode, en om geen tijd te verliezen, sprak hij tot hem; Mijn vriend, gaat in het Fransche heir, daar gij, in de tegenwoordigheid van het heele leger, zeggen zult, dat een Ridder, die het verdriet zoo lang in den omring der muuren besloten te zijn, begeerig is om zijn wapenen met de hare te beproeven, en bekent te maken waar toe de grootheid van zijn moed hem vervoerd, dat hij zich hier toe aanbied om in de vlakten, die tussen de Stad en de hutten van ’t oorlogsvolk is, te strijden, daar hij, tot teeken van zijn dapperheid, den genen, die zich den strijdbaarsten onder de Franssen acht, uitdaagd; en dat hy niet alleen bereid is om tegens een, of twee te strijden, maar tot de vierde toe te komen, zonder ijmand te weigeren, van wat hoedanigheid dat hy wezen mag. Datmen eindelijk hem maar vrijgelei, na de zaak vereischt te geven heeft, op voorwaarden dat den overwinnaar zijn gevangen, die hy verwonnen heeft, zal met hem leiden, om met hem, na zijn welgevallen, te handelen, volgens de wetten van den oorlog. Dit gezeid hebbende, nam den Krijgsbode zijn wapenrok, van rood fluweel geborduurd, met zijn meesters wapenen. [p. 206] Daar na als hy bij Godefrooy, en d’andere Ridders, gekomen was, sprak hy tot haar; Mijn Heeren, geeft mij de vrijheid om u recht uit te zeggen, waar mede men mij belast heeft? Zeer gaarn, antwoorde Godefrooy, spreekt vrijelijk, en vreest niet. Terwijl het zoo is, hernam de Krijgsbode, zalmen nu wel zien of gij van vreugden of vreeze bevangen zult worden, hoorende de boodschap die ik u te doen heb; hy vervolgden daar op, en deed haar zijn ontzegging, met zulke trotse en opgeblazen woorden, dat de geheele vergadering haar niet onthouden kon daar over te morren. Maar Godefroy besloot terstond om hem weder te zenden met een antwoord ’t gene hij verdienden. Krijgsbode mijn vriend, sprak hy tot hem, hoe kloekmoedig dat uw Ridder is, echter moet hij weten, dat hy zich een groote zaak onderwonden heeft, daar hy zich, eer lange, van beklagen zal. Want ik ben verzekerd, dat een eenige onder ons genoeg zal zijn, om hem heel anders te handelen, als hy meend, zonder dat het van nooden is om hem een tweede aan te bieden. Laat hij dan terstond komen: hij zal van ons alle de verzekerdheid hebben die hij begeerd, en hem zal geen ongelijk aangedaan worden; maar, in tegendeel, geef ik u mijn woord, dat degene, die van onze Ridders tegen hem strijden zal, van hem niet meer zal verzoeken. Zoo sprak Godefrooy tot die verwaande Krijgsbode, die terstond, door dezelfde weg die hij geko- [p. 207] men was, weêrom keerde, zonder ooit stil te staan, tot dat hij in de tegenwoordigheid van Argant gekomen was. Maar zoo als hij voor hem stond, riep hij; Mijn Heer, wapend u, zonder langer te vertoeven. De Kristenen hebben uw ontzegging zoo wel aangenomen, dat den minsten onder haar van begeerte brand om zich tegens u te beproeven. Oordeeld daar uit wat de voornaamste moeten doen. Ik heb onder haar duizend gezichten, vol van razende dreigementen, bemerkt; en zoo veel armen bereid om u niet te sparen. Eindelijk haar Veldheer heeft u vrijwillig de zekerheid, die gij verzoekt, toegestaan, en geeft u de vrijheid van ’t veld na de keur die gij doen zult. Op deze woorden vraagden Argant na zijn wapenen, die hij naauwlijks gekregen had, of hij trachten om de vlakten te winnen, daar hy nooit tijds genoeg dacht te komen, zoo groot is zijn ongeduld die hij om te vechten heeft. Maar toen vervoegden haar de schoone Klorinde tot den Koning, die daar tegenwoordig was; Mijn Heer, sprakse tot hem, het is gantsch geen reden, dat zoo een strijdbaar man, als Argant is, alleen gaat, en dat gij in den omring der muuren besloten zaud blijven. Geeft hem dan duizend Soldaten, die hem, tot meerder verzekerdheid van zijn persoon, vergezelschappen; en laat hem voor uit gaan, op dat hy, zijn aanslag te werk steld, terwijl uw volk daar niet wijd van daan zijn zal om d’uitkomst te verwach- [p. 208] ten. Terstond hielden haar de Soldaten gereed, en volgden Argant, die een weinig voor haar heen reed, met zijn gewoone wapenen en paardebereidsel, zulkx datmen hem licht van verre bekennen kon.
    Tussen de Stad en ’t Leger, is een breeduitstrekkend plein van een effen gelijkheid, en zoo bequaam tot de krijgsoeffening dat het schijnt bijzonder tot een strijdperk gemaakt te zijn. Hier steeg Argant af, en stond stil in de tegenwoordigheid van al zijne vijanden. Zijn wreed gelaat en groot lichaam, dat niet minder verschrikkelijk door zijn moed, als sterkte was, deed een ijder verwonderen.* Zoo verscheen eertijds den onbeschoften Encelades in de velden van Flegeren; en zoo vertoonden zich in de valejen van Terebinten, dien Filistein, wiens groote, als die van een Reus was. En evenwel onder de gene, die hem aanzagen, was ’er een groot getal die hem niet veel vreesden, om datse nooit beproefd hadden, wat hij doen kon. Nu alzoo Godefrooy, onder de strijdbaarste benden, noch niemand tot dezen strijd uitgekozen had, zoo konmen echter lichtelijk afmeten, ziende dat alle d’oogen der Soldaten op Tankredo vielen, datse niemand daar toe bequamer oordeelden als hem. Daar ooit een stil gemompel ’t gene onder haar ontstond, getuigenis af gaf. Godefrooy stemden met haar hier wel in overeen: en ziende dat’er veel anderen haar vertoonden om [p. 209] d’eer te hebben van voor te gaan, sprak hij tot Tankredo; Kloekmoedig Ridder, gaat stoutmoedig de* moedwilligheid van dien verwaanden stutten, die ons zoo in ons leger komt trotseren. En terwijl gij ’er zoo goeden genegendheid toe hebt, zou het mij wel leed zijn u dat te beletten. Tankredo, door een overgroote blijdschap vervoerd, riep terstond sijn schildknaap, van hem begeerende zijn paard en helm; hebbende het een en ’t ander, begaf hij zich buiten de afsnijdinge, van een goed getal Ridders gevolgd. En naauwelijks is hij ter plaats gekomen, daar den hoovaardigen Argant hem verwachte, of, niet ver van daar, zag hij, op het hoofd van een heuvel, die onverwinnelijke Krijgsheldinne, die hem beheerschten. Zy was op een wit paard gezeten, en had haar wapenrok aan, die van de zelfde kleur als haar pluimen, en de rest van haar toerusting was. Dit alles t’samen gevoegd, geleek van ver als een klomp sneeuw, die even, van den Hemel, op eenigen berg gevallen was. En alzoo het deurzicht van den helm was opgeslagen, verscheen haar aangezicht ontdekt, met zoo veel aangename schoonheden vercierd, dat niet alleen Tankredo, maar zelf de God van Tracien, haar ziende, zou de begeerten tot strijden verloren hebben. Ook bekommerd zich den verliefden Ridder, en gewaardigd zich meer na Argant te zien, die, door een opgeblazende aard, het hoofd in de lucht steekt, als of [p. 210] de aarde hem onwaardig te dragen was. Zijn gedachten en oogen keeren haar nu niet meer als na de zijde van zijn beminde; hij gaat zelf, met kleine treden, na haar toe, en verlaatse nooit met het gezicht. Een verliefde begeerten blaakt hem, van binnen en buiten is hij niet als ijs. Eindelijk, hij bekommerd zich niet meer met den strijd, en zijn gedachten zijn op een ander, daar hij wel moeiten meê hebben zal om zich t’ontslaan. Den hoovaardigen Argant, ziende dat ’er niemand hem ten strijd bereiden, riep, van ongeduld en gramschap vervoerd; Hoe? ik zie dan niemand komen om zich tegen mij te beproeven? Maar Tankredo beweegde zich niet eens door deze reden, en scheen hem niet eens te hooren, zoo veel verwondering gaf hem het voorwerp, dat hij stijf aanzag. Terwijl dit zoo geschiede, stak Ottho zijn paard met sporen, en quam de eerste in de renbaan: want hij was van ’t getal der genen, die door een begeerte tot eer haar zelven noch flus ten strijd aanboden, en, die voor Tankredo wel willende wijken, hem met de andere nu vergezelschapt had. Maar zoo als hij zach dat het voornemen van den Ridder elders strekten, en dat hij traag tot den strijd was, deed zijn jeugdige moed, die d’onverduldigheid meester was, hem vierig deze schoone gelegendheid aangrijpen. Den luiperd en den Tijger loopen met zoo grooten gezwindheid niet na hun roof, als dezen Ridder betuigden in het [p. 211] ontmoeten van den Heiden, die van zijn zijde alreede zijn speer geveld had. Tankredo begon daar op wakker te worden, en zijn gedachten af brekende, was’t of hij uit een diepen slaap ontwaakt was. Al zoet Ridder, riep hij, wat wild gij doen? Weet gij niet datmen mij tot dit gevecht verkoren heeft? maar het was nu geen tijd meer om zich daar op te beramen; vermids Ottho al te veel genaderd was. Tankredo stond dan stil, en zijn hart is van zoo vierigen gramschap ontsteken, dat, door ’t geweld van deze spijt, zijn aangezicht als een vuur blaakt. Ondertussen zoo als zij elkanderen, in ’t midden van den loop, ontmoeten, treft Ottho een weinig in ’t schild van Argant, die, met een veel strenger geweld, het zijne deurboorde, en het ter aarden wurp. Terstond stoof den Kristen Ridder daar heen. En men mag wel zeggen, dat dezen steek van een een sterker arm quam, want hij hem beide stegelrepen deed verlaten, zonder dat den Heiden, min of meer, zich in den zadel beweegden, zoo sterk, en afgericht is hij. Den val van zijn vijand, maakten hem toen zoo opgeblazen en moedwillig, dat hij, zich na hem toewendende, met een veracht gelaat, aldus sprak; Geeft u gevangen, en laat het u genoeg zijn, dat gij roemen meugd, tegen mij gestreden te hebben. Gij zijt wel bedrogen, antwoorden hem Ottho, indien gij waand dat het onze gewoonte is, ons zoo over te geven. Iemand anders mag u [p. 212] mijn onschuld doen, dat ik zoo gevallen ben; maar voor mij, of ik moet my vastelijk wreken, of hier ter stond mijn leven laten. Nooit was Alekto of Meduze verwoeder, als Argant, door ’t hooren van deze reden. Den Barbaar knarsten van razernij, en de vlammen van zijn gramschap vlogen hem ten neusgaten uit. Wel aan dan, vervolgden hij, terwijl gij de beleefdheid, die ik u heb willen doen, zoo zeer veracht hebt, beken dan, tot proef, wat mijn gramschap vermag, alsmen die tergd. Zoo sprekende, vergat hij al ’t gene de eerlijkheid van een oprecht Ridder raakt, en stiet zijn paard tegen hem aan, ’t welk Ottho ziende, en, om van zoo fellen ontmoeting niet getroffen te werden, week ter zijden, en gaf hem, in ’t verbijgaan, zoo grooten slag in de zijde, dat hij zijn zwaard, heel bebloed, daar uittrok. Maar waar toe kan hem helpen dat hij hem alzoo gequetst heeft, terwijl deze wonde niet doet als de gramschap van zijn vijand verdubbelen, en datse zijn kracht, noch moed, gantsch niet verminderd? want terstond, zoo als hy zich gewond voeld, houd hij zijn paard op, en wend het met zoodanigen gezwindheid, dat het Ottho naauwelijx gewaar word. Daar na zonder tijd te verliezen, drijft hij ’t zoo vinnig toe, dat, door ’t geweld van den stoot, den Ridders beenen bezwijken. In dezen uittersten nood begeeft hem den adem, zijn aangezicht verbleekt, en de kracht van zijn moed verzwakt, zulkx [p. 213] dat hij, van zwakheid en vermoeidheid gedrukt zijnde, weder gedwongen is neêr te zijgen. Den Heiden behulp zich toen met dat voordeel, en zijn razernij vermeerderde meêr als ooit. Hij denkt niet meêr als om zich, in zijn beestelijke drift, te verzadigen. En eindelijk hem het paard op den buik doen trappende, roept hij; Dit komt u toe; zoo gaat het met al de verwaanden, die u willen navolgen, en zoo ik kan, zal ik haar zoo wel met voeten, als u, vertreden.
    Ondertussen mishaagd deze onmenschelijke daad den kloekmoedigen Tankredo zoodanig, dat hy niet langer vertoeven kan zijn gevoelen daar van te toonen. Willende dan de misslag verbeteren, die hij bekend begaan te hebben, door elders bezich te zijn, zoo riep hij hem toe; Ga lafhartige, die in de overwinning zelf u moedwillig, en vol schandelijkheid toond; wat eerteken kund gij hier namaals verwachten van zoo een onbeleefde en schandelijke daad. Men mag wel zeggen, dat gij onder d’Arabische roovers zijt opgevoed, of dat gy gewoon zijt onder d’alderbarbaarste menschen te verkeeren. Verberg u, ô schelm, en vertoond u niet als in de duistere bossen, en achter de onbegankelijkste bergen, om uw wreedheid met de wreedste beesten te plegen. Zoo sprak Tankredo tot den wreeden Argant; die, om dat hij niet gewoon was zulk een verwijt te lijden, op zijn lippen beet, en schuimbekten van razernij. [p. 214] Hij wou wel antwoorden, maar hij kan niet, of zoo hij het begint te doen, die hem verward had hooren bulderen, zou gezeid hebben, dat het eenig beest was ’t gene brulden, of eenen donderslag, die in de wolken gesloten zijnde, eindelijk, door een geweldige kracht dat beletsel verbreekt, en met den blixem uitbarst. Op zulk een wijze scheen hij op elk woord, dat hij sprak, te donderen, brakende uit zijn brandend hert geweldige lasteringen en scheldwoorden. Na dat zy, door veel dreigementen, elkanders gramschap verbitterd hadden, zwegenze eindelijk stil, en ijder van beiden wenden den toom, met een gelijke snelheid, om zich beter in den loop te bewegen.
    Hier bidde ik u, ô Zanggoddin, mijn stem te versterken, en mij zoo grooten razernij in te blazen, als die van de twee Strijders, op dat mijn geschriften haar dapperheid niet onwaardig zijn, en dat ik in dit gezang, ’t gerucht dat hare wapenen, in deze ontmoeting maakten, te beter uit mag drukken. Na dat deze twee strijdbare Helden haar speren geveld hadden, vlogen zij elkanderen met zulken geweld toe, dat zoo wel van d’een, als van d’ander zijde, noch gezwindheid, noch loop, noch sprong, noch geen razernij, hoe groot datze wezen mag, zich vergelijken kan bij de vierigheid, die zij in het aantreffen elkander betoonden. In d’ontmoeting brakenze beide haar speren, op hun helmen, aan [p. 215] splinteren, dat’er de vonken, door den geweldigen hort, uitstoven. Ook isse zoo groot, dat d’onbeweegelijke aarde, daarvan in’t ronde, dreund. De bergen zelf weêrgalmen, en vermeerderen het gerucht. Evenwel, schoon deze ontmoeting zoo fel in ’t begin was, dat zelf de paarden, die dit geweld niet weêrstaan kunnen, daar van wierden ter aarden geworpen; echter zijn onze Ridders niet eens verzet. Maar in tegendeel, na dat zy hun voeten uit de stegelreepen getrokken hadden, zettenze die ter aarden, en quamen elkander toe, met het zwaard in de vuist, met voornemen veel harder, als ooit te beginnen. Alsdoen bereiden zich ijder een van hun toe te slaan, en ijder ondersocht eenig nieuw voordeel, en stelden zijn lichaam in verscheiden wijze. Het oog, de hand en de voet werken aan alle zijde: zij vergeten niet van al ’t gene datse bequaam achten, om toe te stooten of zich te verweeren, ’t zij dat men moet toeschieten of afwijken, of eenige list gebruiken, zich in ’t rond omkeerende, nu de schijn makende van hier te slaan, brengenze die op een ander, daarze het minst verwacht word, en dan gevenze haar weder bloot op een plaats, om den vijand aan te lokken, en hem op het onvoorzienst dan weêr te verrassen, trachtende door die middel de kunst met een nieuwe listigheid te bedrijven. Argant, ziende dat Tankredo hem de zijde bood, zonder die noch met zijn schild, noch met zijn zwaard [p. 216] te bedekken, trat toe om hem te slaan, en liet alzoo zijn slinxe zijde bloot. Maar Tankredo, die daar op zijn tijd waarnam, keerde terstond den slag af, sloeg een andere, en stelde zich weêr op zijn hoede. Den Heiden ondertussen zich nat van’t bloed voelende, schudde, meer als naar gewoonten, en braakten schrikkelijke zuchten uit, getuigen van de smert die hy gevoelden. Dit veroorzaakten dat hij met zoo grooten macht, als zijn gramschap groot is, teffens zijn zwaard en zijn stem verhief, ’t welk hem echter niet gelukten gelijk hij gedacht had. Want zoo als Tankredo zag dat hij toetrat, om hem te slaan, nam hij hem, op ’t onvoorzienst, en bragt hem een zware slag, op dezelve plaats, daar den arm aan de schouder gevoegd is. Even gelijk als een beer, die in een verschrikkelijk woud, met een zwijnspriet dwers door ’t lijf geschoten is, zijn smert in razernij verkeerd, en sig zelf met de wapenen doorsteekt, daar hij mee getroffen is, zonder zich met de dood te bekommeren, aangezien hij zich maar mag wreken, eer hij sterft, op wat wijze ’t ook zij. Zoo verscheen in deze toeval dien ondwingbaren Heiden. Tegenwoordig voegd hij wonde bij wonde, en schennis op schennis; en betoond zich zoo vierig tot de weêrwraak, dat hij, om die te bekomen, alle gevaren, hoe verschrikkelijk dat die ook mogen wezen, veracht. Hij dan, bij een verwaten voornemen, een groote kracht en onvermoeiden adem voegende, behelpt [p. 217] zich met zijn degen met zoodanig geweld, dat de aarde, onder zijn voeten beefd; en de lucht, in’t rond, vol van blixemstralen is. Zulkx dat hij geen tijd aan Tankredo geeft, noch om de slagen af te keeren, noch om hem een te brengen, noch om den minsten adem te scheppen; invoegen, dat hy in dezen noot, niet weet door wat middelen hy zich tegen ’t geweld van dezen Heiden verzekeren, noch waar mede hy zulk een fellen kracht afkeeren zal. Het is vergeefs, dat hy zich op de zekerste hoede houd, wachtende dat die hagelbui van slagen voorbij is, vergeefs, dat hij zich met zijn schild bedekt, of te rug aarzeld, of tragt met wijde stappen hem ter zijden te komen. Dit alles diend niet, als om den gruwelijken Argant meer te vergrimmen. Eindelijk, door ongeduld vervoerd zijnde, ziende dat den Heiden niet vermoeid wierd, noch hem eenigen adem liet scheppen, is hij gedwongen hem van zijn zijde te bespringen, en al zijn kracht en gramschap, met harde slagen, op hem t’ontlasten. Hier zijn de kunst en reden, door de gramschap verwonnen, en d’eenige razernij verziet haar van wapenen. Waarlijk een onmedoogende razernij, die t’elkens meer vermeerderd als het ijzer neêrdaald, en datse met kerven en houwen op elkander toeslaan, zonder dat het voornemen nooit vande daad niet gevolgd word. De vechtplaats is geheel niet stukken van wapenen bezaaid. De glans van haar zwaarden is als een blix- [p. 218] sem: ’t gerucht dat zij maakten, is den donder gelijk, en heur slagen waren niet minder gevaarlijk als een donderslag. Ondertussen hield, zoo wreed en droevig schouwspel, die van wederzijden het aanzagen, in een geduurige vrees, zonder te konnen zeggen wat den uitgang van ’t gevecht wezen zal. De hoop en de vrees, die haar gelijk bestreed, deê haar van de slagen oordeelen, na datse voor- of nadeelig waren. Ja zelf onder zoo grooten meenigte van volk, die haar aanzien, is naauwlijkx een, die niet stil zwijgt, of onbeweeglijk staan blijft, hoewel hij in zijn hert van vreeze beefd.
    Alle beiden warenze nu zoo vermoeid van den strijt, datse, zonder twijffel, haar dagen zouden verhaast hebben, zoo het niet gebeurd had, dat de nacht zoo duister op quam, datmen de dichtste voorwerpsels naauwlijx onderkennen kon: ’t welk d’oorzaak was, dat twee Krijgsboden, om haar te scheiden, terstond toeschoten, daar van den eenen een Fransman was, Arikleus geheeten, en d’ander Pindor, een scherpsinnig man; en den zelfden die het ontseg van Argants wegen gedaan had. t’Harer aankomsten wierpenze haar tussen beide de Strijders, en hielden tegen haar zwaarden de staven, die zij tot teeken van vrede voeren, en die hun tot verzekerdheid van d’aaloude wetten, by alle volkeren onderhouden, gegeven waren. Pindor, haar de eerste aandoende, sprak tot haar; Brave Ridders, gij hebt [p. 219] nu lang genoeg gevochten, gij zijt gelijk in kracht en eer, houd dan op, en ontrust de reden, noch de rust van de nacht niet: d’arbeidsame uuren zijn lang genoeg, zoo lang de Zon schijnt; na dat zij te rust is, moeten de menschen ook rusten, om gerust de slaap te genieten, wiens zoetigheid algemeen voor allerhande dieren is. Ook zoeken groote gemoederen geen eer in de duisternisse, om dat de eer onder haar niet geacht word, zoo zij niet uitglinsterd, en den mond der menschen die niet verkondigd. Maar Argant, die niet veel vermaak in deze reden had, antwoorde; Voor my, hoe groot dat ook de duisternisse van de nacht is, zoo ben ik niet van zin uit het veld te gaan, hoewel dat ik, om de waarheid te zeggen, liever dit lijfgevecht op den vollen dag eindigen zou, indien dat dezen my belooven wilde hier weêr te komen. Zoo’t daar maar aan hangt, sprak Tankredo, dan ben ik te vreden, op voorwaarden, dat gij my van uw zijde belooven zult, ook met uw gevangen weder te komen, want anders zoude ik niet toestaan dat ’er ooyt een weinig uitstel in onzen strijd wezen zou. Daarop, na dat zy elkander beloofd en gezworen hadden, niet in gebreken te blijven, wildenze datmen haar een tijd van wederkomste stelden, en gedroegen zich hier over aan de Krijgsboden, die van gevoelen waren, het tot aan den zesten dag uit te stellen, op datse de tijd hadden om haar wonden te doen verbinden. Terwijl [p. 220] dat dit geschiede, liet zoo een verschrikkelijk lijfgevecht, in’t hert der Kristenen en ongeloovigen, een vreemde verwondering ingedrukt, ’t gene veroorzaakt wierd, door dien zy zagen hoe dat die twee het geweld van den strijd, zoo lang konden weêrstaan, zonder vermoeid te werden. Ook sprakmen, door het geheele leger, van geen ander ding, als van d’onverwinnelijke dapperheid dezer twee Ridders. Maar, om de waarheid te zeggen, wie dat het voordeel gehad zou hebben, dat konden zy niet zeggen; zulx dats’er verscheiden af spraken, en niet in over een stemden. Hier by is ’t niet te gelooven, hoe groot haar ongeduld is om den dag te zien, waar in dit verschil zou eindigen; om uit de daad te zien, of de razernij d’overwinning* op de deugd zal verkrijgen, dan of de ware dapperheid de plaats zal ruimen voor een woest geweld. Maar de schoone Hermine was de bedrukste persoon ter wereld, ziende dat aan het onzeker oordeel van Mars, het beste deel van haar zelven hing. Deze rampzalige Princes, Dochter van Koning Kassan van Antiochien, had het geluk, onder haar droevige ongelukken (zijnde van de Kristenen tot slave gemaakt, in die tijd, toenze haar Koningrijk wonnen) in handen vanTankredo te vallen. Dezen Ridder, om zijn gewoone beleefdheid niet te verminderen, deed haar zoo goeden onthaal, als zij van hem zou kunnen wenschen; en, in den ondergang van haar Vaderland*, eerden hy haar altijd [p. 221] als Koninginne. Hier noch niet mede vergenoegd zijnde, verplichten hij haar door ontallijke diensten, ja gaf heur zelf haar vrijdom, met al de schatten en gesteenten die zy had. Zij ondertusschen bespeurende in dezen jongen Ridder zoo veel brave gaven, zulk een bescheidenheid, en zulk een moed, die niet als uit een oprecht koninglijk gemoed kunnen voortkomen, wierd zoo geweldig met zijn liefde bevangen, en bleef ’er zoo naauw in verstrikt, dat ’er niet machtig was de knoop te breken. Zie daar door wat middel haar ziel in de dienstbaarheid begon te treden, op dezelve dag toen haar lichaam vrijheid verkreeg, door handen van den braven Tankredo. Het was dan geen kleine ongeneugte die zij gevoelden, sederd dat zij haar beminde, en haar gevangenis, die haar zoo aangenaam was, most verlaten. Evenwel verplichten de wetten der eerbaarheid, die alle groote Princessen behoorden voor oogen te houden, haar om met ’er moeder te vertrekken, en in een land te gaan, daar zij, onder die van haar kennis, een verblijfplaats vinden mag: Hierom quam zij te Jeruzalem, daar den Koning haar eerwaardig ontfing. Maar eenigen tijd daar na, de Koninginne haar moeder verloren hebbende, mostse dezen rouw, bij alle hare andere rampspoeden, t’samen voegen. Echter is de droefheid, die zij tegenwoordig heeft, van haar zonder Moeder en Koningrijk te zien, niet machtig om de liefde die zij tot Tankredo draagt, [p. 222] uit haar gedachten te rukken, zoo diep isse in haar ziel ingeworteld, noch zelf uit te dooven de minste vonk van dit vuur; ’t gene alrede wel verre verspreid is. Rampzalige, als zij is, zij bemind en brand al teffens; zulkx dat in d’ellendige staat, daar zij haar zelf gebragt ziet, de weinige hoop, die haar noch overschiet, zich voed met het vuur dat in het diepst van haar hert ontvonkt, en onderhoud het veel eer met het herdenken van hem die zij bemind, als met eenige verzekerheid die zij heeft van vergenoeginge t’ontfangen. En ’t gene hier het ergste noch in is, is dat deze wonderlijke ontsteking terwijlmen die zoekt, te bedekken en besloten te houden, noch meer uitbarst. Om de begeerten en hoop in haar, meer als ooit te voren dan op te wekken, is ’t genoeg datse nu weet, dat Tankredo in de belegering van Jeruzalem gekomen is.Dat alle andere haar zoo zeer verwonderen als zij willen, zulk een groote meenigten van oorlogsvolk te zien aantrekken, die van de gevreeste geslachten der aarde komen, zij is de eenigste die haar in heur ziel verblijd. Want de liefde heeft zulk een macht op haar, datse, een gedeelte van haar ongenuchten verdrijvende, met een groote vreugde den vijand zich ziet legeren; en datse, in ’t midden van zoo veel benden, haar begeerige oogen aan alle zijden wend om haar waarden minnaar te bekennen. Helaas zij zoekt hem, en beeld haar dikmaale in hem gevonden te hebben; [p. 223] Ziet daar is hij, zeitze verscheidemaal in haar zelven, ik ken hem; hij is ’t zelf, zonder twijffel. In ’t koninglijk Paleis zietmen een toorn niet ver van de muuren staande, van wiens hoogte men het geheele Kristen leger, met de dalen en bergen in’t ronde, gemakkelijk kan beschouwen. Hier staat Hermine, van dat de zon zijn stralen op het aardrijk uitschiet, tot dat de nacht in zijn plaats komt, om het aardrijk met duisternis te bedekken, geduurig op schildwacht, met d’oogen na ’t leger gewend, daar zy eenig vermaak zoekt, om haar gedachten t’onderhouden. Van deze zelve plaats bemerkten zij ’t gevecht van twee Ridders, ’t gene haar zoodanig verschrikten, dat zy van vreeze beefden, gelijk als ofse, in het diepst van haar ziel, een stem hoorden, die tot haar zeide; Ongelukkige Hermine, ziet daar beneden uw Minnaar in groot gevaar van zijn leven. Alsdoen vol van nadenken en ongenuchten, zietse, met aandacht, wat uitgang zoo een twijffelachtig en ongestadig lijfgevecht hebben zal: zulkx dat elke reis, als den Heiden zijn zwaard oplicht om haar Ridder te slaan, het treffen van de slagen en wonden, haar tot in de ziel raken. Maar toen zij eindelijk de waarheid van dit gevecht gevaar wierd, en datmen het in eenige dagen weêr zou hervatten, beving haar zoo grooten schrik, dat heur bloed in de aderen bevroos. Nu kan zy haar niet onthouden van tranen te storten, en dan isse be- [p. 224] dwongen om zuchten en hikken te braken, als zy die meend in te houden. Eindelijk is zy in der daad zoo veranderd en zoo bleek, dat haar ontferfd aangezicht het ware afbeeldsel van de schrik en droefheid schijnt te zijn. Van een ander zijde vertoonen haar verschrikkelijke gezichten in heur gedachten, en ontrusten haar ijder oogenblik. Geduurende de nacht, veroorzaakt haar de slaap veel meer schrik, als de dood zou kunnen doen, om datse haar in den droom vertoond heuren Ridder, die heel bebloed, en met wonden bedekt, zich tot haar vervoegd, en heur hulp schijnt aan te roepen. En zo zij by geval daar op komt t’ontwaken, bevind sij dat haar oogen in tranen zwemmen, en dat zelf haar schoone hals daar van bevochtigd is. Ook is ’t alleen niet de vrees van haar verlies, ’t gene zy haar verbeeld wel haast te zullen geschieden, dat haar deze ongeneugten en gevoelen van medelijden veroorzaakt; maar ’t is noch daar bij het leedwezen datse ontfangt van zijne quetsuuren, die haar van alle rust en versterking berooven. Want gelijk als de Faam die gewoonten heeft, die dingen, die afgescheiden en onbekend zijn, veel grooter te doen schijnen* als zy zijn, zoo geloofd zy alreede dat haren Ridder al ter aarden is geworpen, en dat hij zijn laatste snakken geeft. Terstond wordse indachtig, hoe zorgvuldig dat haar Moeder geweest is, in haar voor dese de verburge eigenschap der kruiden te leeren, en de woorden, die de kracht heb- [p. 225] ben, om de wonden van ’t lichaam, hoe gevaarlijk datse ook mogen zijn, te genezen, en de smert te verzachten; een kunst die in haar land zeer in ’t gebruik was, zelf onder de allergrootste Princessen. Zij begeerden zeer gaarn haar daar van nu te mogen dienen, tot genezing van hem die haar gewond had. Op die wijze als zij hem bemind, zou het haar een onvergelijkelijke vergenoeging zijn, hem te konnen behulpsaam zijn. Want hoewel hij in een tegendeelige partij van de hare is, zoo vreest zij niet om hem te verlichten, op wat wijze het ook zij, dwers door een ontallijk getal vijanden heen te gaan, noch haar in alle gevaren te begeven, wel verzekerd zijnde, wanneerze de min tot leidsman had, datse zonder iets te vreezen, door de wreedste monsters van d’Afrikaanse woestijne, zou mogen heen gaan: en echter behoordenze ten minsten eenig achterdocht te hebben, dat in deze reis haar achtbaarheid geen gevaar liep: gelijk het in der daad waarachtig is, dat ’er, in deze uitersten, een harden strijd ontstaat tussen de eerbaarheid en liefde, daar d’een van beiden tot haar diergelijke woorden spreekt; Hoe? schoone Princes, die voor deze zoo kuysch geleefd hebt, zonder mijn wetten t’ontreinigen, zalmen zeggen dat ik zorg gedragen heb om uw eer te behoeden, toen gij onder de dienstbaarheid van uw vijanden geweest zijt, en dat tegenwoordig, nu gij weêr in vrijdom zijt, gij geen zwarigheid maakt u in ’t ge- [p. 226] vaar te begeven van die te verliezen, na dat gij die zoo wel in uw slavernij bewaard hebt? Ach! wat mag u deze gedachten in de Ziel brengen? Helaas! waar op denkt gij, en wat meend gij te worden? Wild gij zoo weinig werk van uw eer maken, dat gij des nachts in ’t midden van uwe vijanden wild gaan, om een persoon te zoeken die gij zoo dwaas bemind? Gij vreest dan niet, dat dezen hoovaardigen Overwinnaar u zal versmaden, en dat hij u zal verwijten dat gij hem onwaardig zijt, om dat gij uw Koningrijk, en die kloekmoedigheid, die de Princessen ontsachlijk maakt, verloren hebt. Vreest gij niet dat hij zelf, in plaats van het u eenigen dank te weten, u ten roof aan andere personen, die zich uwer niet bekommeren, zal overgeven? Ziet daar het gene dat de eer haar te voren hield. Maar aan d’ander zijde trachten den Tiran, die de macht over de reden heeft, en wiens raad altijd vol van bedrog is, haar tot zijn wil te trekken, door redenen die hij met vleijerijen vermengden. Waarlijk, sprak hij tot haar, gij zijt niet geteeld, ô schoone Princes, van een verslindende beer, noch van een harde en bevroze rots, om de liefde alzoo te verachten. Ik geloof niet dat gij, in de bloeijende jeugd, daar ik u in zie, zijn boog en toorts wild verachten, noch ongeschikt het allerzoetste en aanminnigste dat hij in zijn wellust en heeft, ontvluchten. Ik weet dat gij geen hart van ijzer of diamant hebt, om door schaam- [p. 227] te rood te werden, datmen u in de rey der Minnaars steld: geloofd mij, vertoefd niet langer om te gaan daar uw begeerten u noodigd: uw Overwinnaar is niet wreed t’uwaards, verjaagt die inbeelding uit uwen geest. Maar in tegendeel, na dat ik zie, weet gij niet wat smerten, uw klagten, hem veroorzaken, en met wat voor een lijden hij zijn zuchten de uwe gelijk maakt! zeker gij zijt wel onmenschelijk, dat gij de genezing van een ellenig minnaar, die u getrouw is, uytsteld. Ondankbare, kund gij lijden dat uwen Tankredo dus quijnt, en dat gij zoo weinig zorg voor zijn leven draagt. Maar mogelijk begeerd gij Argant te genezen, op dat hij hier na om hals brenge, den genen, die u uit de slavernij verlost heeft. Ziet eens op wat voor een wijze gij u zoekt te quijten tegens de plicht die gij hem schuldig zijt, en wat voor schoone vergeldinge hij daar voor ontfangen zal. Evenwel, indien het zijn most, dat deze dingen door uw toedoen geschieden, ik ben verzekert dat eindelijk u deze quade daad zoo onaangenaam zijn zal, dat door de schrik die gij ’er af hebben zult, gij ver van hier zult vluchten. Maar in tegendeel, wat zoud gij al vernoeging en vreugd ontvangen, indien gij zoo gelukkig waard, dat gij uwen minnaar aandeed, en met behulpsame hand zijn wonden genas die hij ontfangen heeft: wat zoud gij hem een goeden dienst doen, indien gij, van zoo bleek en verveloos als hij tegenwoordig is, hem weêr op zijn [p. 228] rechten dreef hulpt! of na dat gij op zijn kaken weêr een verf van nagelbloemen en roozen doen komen hebt, gij in hem moogt aanschouwen die schoonheden die nu uitgedoofd zijn, en die hij u schuldig zijn zal, indien by door uw hulp die weder bekomt: waarlijk op deze wijze zult gij geen klein gedeelte in zijn heerlijke en gedenkwaardige daden hebben, ’t welk hem zonder twijffel verplichten zal om u te trouwen, op dat aan zoo een gelukkig houwelijk, de vervulling van uw begeerten gehecht zij. Dit gedaan zijnde, zal hij om uw geluk op te hoopen, u van Ridders en Vrouwen alle eer doen genieten, die gij ooit zou konnen begeren; en na dat hij u in uw Koningrijk hersteld heeft, zal hij u in Italie voeren, daar de zetel van ’t geloof en de ware dapperheid is.
    Hermine, door deze dwaze hoop gevleid, verbeelden zich alreede gelukzaligheden zonder voorbeeld; het is waar, doordienze niet weet op wat wijze en hoeze met zekerheid haar op weg zal begeven, datse haar met veel zorg en twijffelachtigheid omringd vind. Want boven dien datse overweegt, hoe door de heele Stad schildwachten gesteld zijn, en dat de soldaten geduurig de ronde om ’t paleis en de wallen doen, zoo verbeeldse haar ook datmen niet gewoon is de poorten in ’t midden van de nacht te openen, voornamelijk in een tijd daar het gevaar altijd tegenwoordig is,, indien ’t den Koning niet om eenigen grooten toeval gebied. Eindelijk, na dat zij het [p. 229] lang overleid had, blies haar de liefde deze ondervinding in: Zij had alreede met de kloekmoedige Klorinde zoo grooten gemeenschap, dat zij haar, bij na noch des daags, noch des nachts verliet, want zij hadden beide de meesten tijd niet meer als een bedde, en hielden voor elkanderen niet als heure liefden verburgen. Hermine hield haar boven al hier zeer zorgvuldig in, en zoo haar bij geval eenige klagten ontslipten, zoo wierp zij het terstond op een anderen boeg, en bedekten die listig met een ware schijn van haar ongeval. Door de gunst van zoo grooten vrijheid had Hermine het verlof om zoo dikmaal bij haar gezellinne te gaan als zij wilde, zonder dat ooit de deur van heur vertrek voor haar gesloten was, ’t zij datse haar vond, of datmen haar in den raad ophield, of datse ergens in een oorlogstoeval bezig was. Zij daar op een dag, in ’t afwezen van Klorinde, gekomen zijnde, stond een langen tijd stil, en, vol gedachten, begon t’overwegen door wat neerstigheid zij haar vertrek, daar zij zoo naar haakten, en ’t geenze zoo zorgvuldig bedekt hield, zou kunnen bemiddelen. Zoo als haar geest vol van twijffelmoedigheid vervuld was en gequeld na de verscheidenheid van haar gedachten, zie, zoo zagse Klorindes wapenrok, en de rest van haar toerusting. Wat zijt gij gelukkig, sprakse al verzuchtende, ô kloekmoedige Krijgsheldin, waarlijk ik benij uw geluk, niet ter oorzake van uw schoonheid, terwijl ik van die zijde vergenoegd ben, [p. 230] maar om dat gij niet onderwurpen zijt u anders te kleeden met die lange rokken der vrouwen, die nergens als tot beletsels verstrekken, noch om den heelen dag t’huis besloten te blijven: het is u geoorloofd, als gij de lust krijgt, om u met alle stukken te wapenen; en als gij wild, moogt gij vrijelijk uitgaan, zonder dat noch de vrees, noch de schaamte het u beletten. O waarom heeft de natuur en den Hemel mij zoo veel kracht niet gegeven als ik wel wenschten, op dat ik dit hulsel en deze tabbard in een helmet en harnas mogt verwisselen! daar zou noch hette, noch koude, noch wind, noch sneeuw, noch onweder, noch regen zijn die mij zoude konnen beletten dat ik niet in de heldre zonnestralen, of in de duisterste duisternissen, of alleen, ofte vergezelschapt, daar beneden daalden in het leger der vijanden, ’t gene besloten houd dat ik het meeste ter wereld bemin. Indien dit zoo was, dan zoutge u niet beroemen, ô wreden Argant, de eerste tegen mijn Ridder gestreden te hebben, want ik ben verzekerd dat ik u zou zijn voorgekomen: en mogelijk dat ik hem hier gevangen hebbende, onder de wetten van een aangename dienstbaarheid, zoo zou hij bevinden dat zijn minnares, die hij misschien voor vijandin houd, heel licht met zijn losgeld, met hem verdragen zou: Ik zou hem zonder twijffel quijtschelden voor de minste verzachting die hij mijn smert, door hem veroorzaakt, geven zou; zoo niet, ik zou dan maken, het [p. 231] zwaard dwers door mijn lichaam heen stekende, dat hij, door middel van deze wonde, mijn hart zou genezen van een quetsuur die veel gevoelijker was, dan die mijn ongelukkige liefde mij heeft veroorzaakt. Alzoo zoude ik mij voortaan verlossen van zoo veel droeve ongenuchten, die mij ’t leven veel hatelijker als de dood maken: en aldus zou mijn geest en mijn lichaam eindelijk na deze ongemakken rusten: mogelijk zou mijn overwinnaar mijn assche dan verwaardigen om met eenige tranen, en zelf met een graf te vereeren; na dat hij mijn trouwigheid zou bekend hebben. Maar helaas! ik wensch een ding dat niet geschieden kan, en ’t is vergeefs dat ik mij met deze dwaze gedachten ontrust. Zal ik hier dan altijd zoo troosteloos en vreesachtig blijven, gelijk als of ik was een arme en geringe maagd van de allerslechtste hoedanigheid? geensins: gij moet een ander voorneem nemen. Mijn hart, grijpt alleen maar moed: hoe, zoude ik geen macht genoeg hebben om eenmaal van mijn leven de wapenen op te vatten? hoe zwak en teeder dat ik ben, zoude ik niet voor een kleinen tijd de last verdragen konnen? ja zeker ik zal wel kunnen, en ik hoop dat dien machtigen tiran, diemen de Liefde noemd, niet zal nalaten om mij zoo veel kracht bij te zetten, als ik noodig zal hebben. Want terwijl hij de gene is, wiens geweld de harten tot een prikkel verstrekt, en haar dikmaals, hoe bloode datse zijn, met moed wapend, datse fel op elkan- [p. 232] deren toestooten: waarom zal hij niet lijden, dat ik zoo veel doen zal? Ook denk ik nergens minder om als te strijden. Ik wil mij alleen met een loozen draai behelpen, en mij met al de toerusting van Klorinde vermommen, op dat zij mij voor haar aanzien; en dat ik alzoo, door hulp van hare wapenen, uit de Stad mag geraken, daar ik zekerlijk weet dat zich niemand tegen zal stellen: want ik ben verzekerd, dat noch de poortwakers, noch al de schildwachten die’er gesteld zijn, het hart niet zullen hebben om mij op te houden; Zie dit komt mij in gedachten: ik vind geen beter middel als dit. Dat het geval dit bedrog dan doet voortgaan, ’t gene aan mijn onnoozelheid niet te kort doet, en dat de liefde haar gunstig zij, terwijl, die d’eenigste is die het haar ingeeft. Ik zou geen bequamer uur, die my om terstond te vertrekken noodigd, als deze konnen vinden, terwijl Klorinde by den Koning is. Dit voornemen genomen hebbende, daar ’t geweld van de liefde voor een scherpen prikkel by verstrekt, vertoefdse niet langer, en brengt Klorindes wapenen recht na heur woonplaats, die daar niet ver van daan was; ’t welk haar zoo veel te lichter viel, om dat alle d’andere, toen zy in haar kamer quam, vertrokken en haar alleen lieten: Ter ander zijde* was haar de uure van de nacht, die vast aanquam, heel voordeelig om heur dieverij verburgen te houden: want die zeer bequaam is om de aanslagen der roovers en der minnaars te bedekken. Zoo [p. 233] haast als zy zag dat den Hemel alreede met eenige starren bezaaid was, en datse haar met duisternisse bedekten, zoo lietse zonder eenig uitstel een schildknecht en een staatdochter, dieze om beur groots getrouwigheid zeer beminde, bij haar komen; daar na heur een gedeelte van haar voornemen verklaard hebbende, hieldse hun de reden van haar vertrek verburgen; veinzende dat het een nieuwe gelegendheid was die haar daar toe verplichten. Terstond bereide haar de getrouwe schildknecht al ’t gene hy tot deze vlucht noodig oordeelden. Ondertussen trok zy haar rijke tabbaard uit, die haar tot op de hielen sleept, en vertoond zulken volmaakten gestalte, alsmen zich zou kunnen verbeelden, zonder dat iemand anders, als haar staatdochter, haar hielp toerusten. Haar vergulde lokken en schoone boezem wapenen haar met een hard en zwaarwigtig staal, ’t gene haar aan alle zijden pijnlijk drukt, en haar tederen arm bedekt zich met een te lastigen schild voor haar. Zij aldus met glinsterend en gepolijst ijzer omringd, doet meer als haar kunne toelaat, en tragt haar gelaat in dat van een Krijgsheldin te hervormen. Ondertusschen lacht de Liefde, die daar tegenwoordig is, van vreugden, gelijk hy eertijds deed doen den onverwinnelijken Herkles, door hem, gedwongen wierd om een vrouwen kleed aan te trekken. O met wat moeiten draagtse de last, voor haar krachten veel te zwaar! Al ’t gene zy in deze toerustinge doen kan, is al slepende voort [p. 234] te gaan tot daar heur paard haar vertoefd, en echter moetse noch op heur staatdochter leunen. ’t Is waar dat de hoop en liefde haar zwakke leden, van een ander zijde nieuwe krachten bijzetten. Eindelijk, na dat zy by haren schildknaap gekomen is, stijgenze te paard, en rijden met hun drijen, aldus vermomd, door de afgelegenste wegen. Evenwel ontmoet haar veel volk, die haar wapenen bekennen in de duisternisse van de nacht, welk de glans schijnt te vermeerderen, haar echter niet durven ophouden; maar in tegendeel is’er niemand die voor haar niet wijkt en plaats maakt onder de mening diemen heeft dat het Klorinde is, wiens witte rijrok, haar in de duisternisse, bekend maakt. Ondertussen beefd Hermine, en word even als een roozelaar geschut, wanneer het geweld der winden die bestookt, zulk een schrik heeftse van ontdekt te worden: zoo datse nu uit haar groote stoutmoedigheid een oorzaak van schrik trekt. Maar deze vrees verdubbeld noch meer, wanneerze by de poort komt; en om den bewaarder beter te bedriegen, tot hem spreekt; Doet open, ik ben Klorinde, die van’s Konings wegen ga daar zijn Majesteit my tot zijn dienst gezonden heeft. Hermines steim, die Klorindes gelijk was, deed hun terstond geloven dat zy ’t zelf was; te meer, alzo’er geen schijn was dat op zo een uur een zwakke vrouw, die niet gewoon was de wapenen te voeren, die van Klorinde zou genomen hebben om haar te vermommen. De portier gehoorzaamden [p. 235] haar terstond, zoo dat zy daar op, met de twee die haar vergezelschapten, deur ging. Zy daalden toen tot haar verzekering na de valeyen, en reden die deur afgelegen wegen door. Maar zoo ras als Hermine haar in de vlakten bevond, en in een plaats daar zy geloofden datmen haar niet meer op kon houden, verzekerd zijnde datse de eerste prijkelen al verby was, zoo reedze zoo haastig niet als te voren, en dacht nu op die dingen daarze te voren noch niet op gedacht had. onder deze ongeneugten vond zy nooit zoo moejelyke ongemakken als van haar verhaaste begeerten: dan verbeeldenze haar dat het voor heur een groote dwaasheid was, zoo als een krijgsman vermomd, onder de vijanden te gaan: en dan wilze haar weder niet ontdekken, voor datse in de tegenwoordigheid van haren minnaar is. Want de grootste begeerten dieze heeft, is om hem in ’t heimelijk aan te spreken, zoo veel als de vrymoedigheid en de wetten der eerbaarheid haar konnen toelaten. Zy door deze tegenwoordige dingen voorzichtiger geworden zijnde, houd stal, en spreekt aldus tot haren schildknaap; ik heb een groote begeerte dat gy my tegenwoordig betuigd hoe bequaam en getrouw dat gy zijt: gij zult ’er my proeven van geven, indien gij als een voorbode van mijn komst by Tankredo in zijn hut gaat, om hem het van mijnent wegen te verwittigen. Even als u geen volk zal gebreken, die u zullen aanbieden om derwaards te leiden, zult gy hem aandienen, zoo [p. 236] haast als gy by hem gekomen zijt, dat een Maagd, die gy niet noemon zult, by hem zal komen om zijn wonden te verbinden. Eindelijk, datse niet als vrede verzoekt, om dat de liefde de eenige vijand is, die haar den oorlog aandoet; en op dat door deze middel den eenen zijn gezondheid verkrijgt, en d’andere verzachting voor zijn quaal. Maar boven al verpligt zijn beleefdheid u te beloven dat hijze in zijn beschutting neemt, en belet dat haar geen ongemak aangedaan werd. Dit is al de vergelding die zy daar af verwacht. En zo hy by geval u naar mijn naam en hoedanigheid vraagd, zoo antwoord hem niet anders, als dat ik een vreemde maagd ben, die ’er werk maakt van wonden te genezen: Haast u dan, en komt hier weder by my, daar ik u verwachten zal. Dit was het gene dat Hermine tot haar schildknaap sprak, die terstond, te viervoet voord renden, om te doen ’t gene hem geboden was: waar in hy zich zoo eerlijk en naarstig queet, datmen in weinig tijds hem in ’t leger zag aankomen, daar hy in de hutte van Tankredo geleyd wierd, die om verzachting van zijne wonden, te bedde lag. In’t aankomen ontfing hem den Ridder met een goed gelaat, en verbeeldende terstond in zijn zin duizend twijffelachtige gedachten, trachtende t’ondekken van wie hem deze gezantschap quam. Maar den schildknecht hem daarop verlatende, keerden wederom den weg naar Hermine, om haar te verzekeren van het woord dat den Ridder haar gegeven had, [p. 237] en dat zy daar zeer welkoom wezen zal, zonder iets te vreezen. Ondertussen betuigdse, in ’t vertoeven, zoo grooten onverduldigheid, dat ijder oogenblik haar honderd jaar duurd, zoo verdrietig en onverdraaglijk is haar dit uitblijven. Naauwlijkx is hij niet vertrokken, of zij teld al de treden die hy doen moet om daar te komen. Nu komt hij ’er aan, spreektse in haar zelven, nu treed hy binnen, en nu begeeft hy zich op weg om weder te komen. Maar alzoo den schildknegt, in deze boodschap gedwongen is wat langer te dralen als hij wel wilde, hoewel hem dat genoeg mishaagden, zoo nam Hermine voor haar altijd voord te gaan, om tijd te winnen, zulkx dat zij eindelijk van het top van een kleinen heuvel, de tenten der vijanden begon te zien. Bij geluk was deze nacht zoo helder, dat de starren klaar aan den Hemel schenen, zonder dat daar eenen wolk zich tegen stelden: hier by schoot de Maan met al haar klaarheid naar beneden, en vermengden onder haar stralen de kleine druppelen van den daauw, diemen voor Oostersche peerlen zou aangezien hebben. De verliefde Princes spreiden toen al haar vlammen uit, d’een na d’ander, op het voorbeeld van dieze in den Hemel aanschouwden. Daarna vertelde zy, onder de gunst van de duisternis, haar oude vrijaadje aan de plaatsen daar zij doortrok, die onvermurwelijk en doof voor hare klachten waren. Daar op haar oogen na het leger keerende, sprakse; Schoone Tenten, die [p. 238]* mijn oogen zoo aangenaam zijn, ik moet bekennen, dat van de zijde daar gij staat, een wind van daan komt, die mij verzafting en versterking toebrengt. Ziet daarom bid ik den Hemel, dat hij mijn leven eenige eerbare rust toevoegd, gelijk het waar is, dat ik die niet als by u en zoeke, want ik niet geloof, dat ik die elders, als in ’t midden der wapenen, vinden zal. Ontfangt mij dan, ik bid u, en maakt het zoodanig dat ik zelf in u het gevoelen van medelijden ontmoet, daar de liefde mij beloofd heeft deelgenoot van te maken, en die ik eertijds smaakten toen ik van de beleefden Ridder, die ik voor mijn Heer erken, gevangen was. Het is de begeerte niet die ik heb om mij wederom in mijn Koningrijk te bevestigen, ’t gene mij verplicht om uw gunst te verkrijgen; want als dit niet geschieden zal, zoo zal ik echter mij altijd gelukkig achten, den genen maar te mogen dienen, die gij in uw beschutting hebt. Met deze redenen onderhield haar Hermine, die ondertusschen niet voorzag het gene haar het slinx geval brouwden. Zoo als zij op een plaats stond daar het schijnsel van de maan, recht op haar glinsterende wapenen en zilverlaken wapenrok neêrstraalden, zou ijder een haar voor Klorinde aangezien hebben; te meer, alzoze door den tijger, die op haar helmkam staat, noch meer uitsteekt. Het was dan haar ongeluk, datse door Alkander en Polifernus, alle beî gebroeders van Italianse landaard, ontdekt wierd, en die toen de hoofdwacht [p. 239] geboden, die daar gesteld waren, om te beletten dat ’er geen vee in de Stad geraken zou. En zoo den schildknaap dit beletsel niet ontmoet heeft, is dat zijn voorzichtigheid hem daar van bevrijd had, door dien hij wat verder omweg genomen heeft. Polifernus, de jongste van de twee broeders, gedenkende hoe dat, sedert weinig tijds, zijn oogen getuigen hadden geweest van de rampsalige toeval van zijn Vader, die Klorinde, in een uitval, die ’er geschied was, gedood had; van zoo verre als hij haar wapenrok zag glinsteren, rende hij met lossen toom na haar toe, en door een razende honger van wraak aangevoerd, begon hij te roepen; Sla dood, sla dood; dit zeggende, trachten hij haar te treffen met een slag, wiens kracht verloren verbij ging. Even als een dorstige hinde, die, door geweldig loopen, tracht een fontein* te vinden, of een heldere bronader, die van een rotsteen afvloeid, of wel een schoone revier, wiens kanten met een aangename groenten bedekt zijn, alle haar dorst vergeet, zoo ’t gebeurd datse haar van een troep loopende honden nagejaagd ziet, die het dwingen de vlucht te nemen, wanneer het op ’t uitterste is van zich te vervarssen, en onder de schaduwen te rusten. Alzoo verliet nu de ellendige Hermine, vol van schrik, haar zelven en haar verliefde begeerten, toenze den vijand ontdekten, die zich daar tegen stelden, en het gerucht der wapenen daar zij waanden van gedreigd te zijn. Zij gaf dan [p. 240] haar paard de sporen, met een uitstekend leedwezen datse haar hoop zoo vernietigd zag, toenze een weinig verlichting verwachten van de liefde die heur hert in een vlam ontsteekt, en dat het goed onthaal van haren Ridder de ongeneugten van haren geest wat bevredigen zou. d’Ongelukkige Princes vlucht aan d’een zijde, en haar staatdochter aan d’andere, terwijl dat Polifernus haar, met een bende krijgsknechten vervolgd. Den schildknaap komt ook op de zelve tijd, en bevind dat hij al te lang vertoefd heeft om tijdinge te brengen, zulkx dat hij, als d’andere de vlucht neemt, makende een krijgsgeschrei door het geheele leger. Maar de voorzichtigste van de twee broeders, die zoo wel gezien had als d’andere, de gene die hij Klorinde waande te zijn, wilde haar niet vervolgen, en hield voor de wacht stand, om te beletten dat ’er geen vee voorbij raakten. Daar op zond hij terstond in’t Leger een van zijn soldaten, om te verkondigen, hoe dat Klorinde daar gekomen was om haar te verspieden, en dat zijn broeder haar vervolgden: en dat ’er eindelijk weinig schijn was om te gelooven, dat zij, die in de Stad de plaats van een Opperhoofd, en niet van een slecht Soldaat, bekleeden, daar zoo laat en zoo qualijk vergezelschapt, niet gekomen zou zijn zonder een grooten aanslag te hebben; dat hij ’t Godefrooys voorzichtigheid bevolen liet, om order te stellen na dat hij het zou goedvinden, en dat hij al doen zou wat hem geboden [p. 241] wierd. Deze tijdinge eerst in de Italiaanse legerplaats gekomen zijnde, kreeg ’er Tankredo de lucht van overwegende wat hem flus den schildknaap geboodschapt had: door een nieuwe achterdocht gequeld, spreekt hij in zich zelve; zeker het is mogelijk Klorinde, die leedwezen hebbende van mij voor dezen zoo qualijk gehandeld te hebben, haar om de liefde van mij in gevaar begeven heeft. Op deze beroeping staat hij op, hoe gequetst dat hij is, en neemt een gedeelte van zijn wapenen: daar na zonder iemand een woord te spreken, stijgt hij te paard, en door verscheide vermoedingen, oordeeld hij ten naasten bij wat weg dat die voor uit zijn, genomen hebben en vervolgd haar al rennende na.

Continue
[
Frontispice canto 7]
[p. 242] [p. 243] [p. 244] [p. 245] [p. 246] [p. 247] [p. 248] [p. 249] [p. 250] [p. 251] [p. 252] [p. 253] [p. 254] [p. 255] [p. 256] [p. 257] [p. 258] [p. 259] [p. 260] [p. 261] [p. 262] [p. 263] [p. 264] [p. 265] [p. 266] [p. 267] [p. 268] [p. 269] [p. 270] [p. 271] [p. 272] [p. 273] [p. 274] [p. 275] [p. 276] [p. 277] [p. 278] [p. 279] [p. 280] [p. 281] [p. 282] [p. 283] [p. 284] [p. 285] [p. 286] [p. 287] [p. 288] [p. 289] [p. 290]
Continue
[
Frontispice canto 8]
[p. 291] [p. 292] [p. 293] [p. 294] [p. 295] [p. 296] [p. 297] [p. 298] [p. 299] [p. 300] [p. 301] [p. 302] [p. 303] [p. 304] [p. 305] [p. 306] [p. 307] [p. 308] [p. 309] [p. 310] [p. 311] [p. 312] [p. 313] [p. 314] [p. 315] [p. 316] [p. 317] [p. 318] [p. 319] [p. 320] [p. 321] [p. 322] [p. 323] [p. 324]
Continue
[
Frontispice canto 9]
[p. 325] [p. 326] [p. 327] [p. 328] [p. 329] [p. 330] [p. 331] [p. 332] [p. 333] [p. 334] [p. 335] [p. 336] [p. 337] [p. 338] [p. 339] [p. 340] [p. 341] [p. 342] [p. 343] [p. 344] [p. 345] [p. 346] [p. 347] [p. 348] [p. 349] [p. 350] [p. 351] [p. 352] [p. 353] [p. 354] [p. 355] [p. 356] [p. 357] [p. 358] [p. 359] [p. 360] [p. 361] [p. 362] [p. 363]
Continue
[
Frontispice canto 10]
[p. 364] [p. 365] [p. 366] [p. 367] [p. 368] [p. 369] [p. 370] [p. 371] [p. 372] [p. 373] [p. 374] [p. 375] [p. 376] [p. 377] [p. 378] [p. 379] [p. 380] [p. 381] [p. 382] [p. 383] [p. 384] [p. 385] [p. 386] [p. 387] [p. 388] [p. 389] [p. 390] [p. 391] [p. 392] [p. 393] [p. 394]
Continue
[
Frontispice canto 11]
TEKST CANTO XI WORDT BEWERKT
[p. 395] [p. 396] [p. 397] [p. 398] [p. 399] [p. 400] [p. 401] [p. 402] [p. 403] [p. 404] [p. 405] [p. 406] [p. 407] [p. 408] [p. 409] [p. 410] [p. 411] [p. 412] [p. 413] [p. 414] [p. 415] [p. 416] [p. 417] [p. 418] [p. 419] [p. 420] [p. 421] [p. 422] [p. 423] [p. 424] [p. 425]
Continue
[
Frontispice canto 12]
[p. 426] [p. 427] [p. 428] [p. 429] [p. 430] [p. 431] [p. 432] [p. 433] [p. 434] [p. 435] [p. 436] [p. 437] [p. 438] [p. 439] [p. 440] [p. 441] [p. 442] [p. 443] [p. 444] [p. 445] [p. 446] [p. 447] [p. 448] [p. 449] [p. 450] [p. 451] [p. 452] [p. 453] [p. 454] [p. 455] [p. 456] [p. 457] [p. 458] [p. 459] [p. 460] [p. 461] [p. 462] [p. 463] [p. 464] [p. 465] [p. 466] [p. 467] [p. 468] [p. 469] [p. 470] [p. 471]
Continue
[
Frontispice canto 13]
[p. 472] [p. 473] [p. 474] [p. 475] [p. 476] [p. 477] [p. 478] [p. 479] [p. 480] [p. 481] [p. 482] [p. 483] [p. 484] [p. 485] [p. 486] [p. 487] [p. 488] [p. 489] [p. 490] [p. 491] [p. 492] [p. 493] [p. 494] [p. 495] [p. 496] [p. 497] [p. 498] [p. 499] [p. 500] [p. 501] [p. 502] [p. 503]
Continue
[
Frontispice canto 14]
[p. 504] [p. 505] [p. 506] [p. 507] [p. 508] [p. 509] [p. 510] [p. 511] [p. 512] [p. 513] [p. 514] [p. 515] [p. 516] [p. 517] [p. 518] [p. 519] [p. 520] [p. 521] [p. 522] [p. 523] [p. 524] [p. 525] [p. 526] [p. 527] [p. 528] [p. 529] [p. 530] [p. 531] [p. 532] [p. 533] [p. 534]
Continue
[
Frontispice canto 15]
[p. 535] [p. 536] [p. 537] [p. 538] [p. 539] [p. 540] [p. 541] [p. 542] [p. 543] [p. 544] [p. 545] [p. 546] [p. 547] [p. 548] [p. 549] [p. 550] [p. 551] [p. 552] [p. 553] [p. 554] [p. 555] [p. 556] [p. 557] [p. 558]
Continue
[
Frontispice canto 16]
[p. 559] [p. 560] [p. 561] [p. 562] [p. 563] [p. 564] [p. 565] [p. 566] [p. 567] [p. 568] [p. 569] [p. 570] [p. 571] [p. 572] [p. 573] [p. 574] [p. 575] [p. 576] [p. 577] [p. 578] [p. 579] [p. 580] [p. 581] [p. 582] [p. 583] [p. 584] [p. 585] [p. 586] [p. 587] [p. 588] [p. 589] [p. 590]
Continue
[
Frontispice canto 17]
[p. 591]

TORQUATO TASSOOS

Verloste


JERUZALEM.

Het zeventiende Gezang.

INHOUD.

DEn Soudaan van Egipten ziet zijn heir monsteren, om tot hulp van Jeruzalem te zenden. Armijde verschijnt ’er met haar troeppen ook en bied haar perzoon en Koningrijk den genen aan, die haar van Reinout wreken wil, en zijn hoofd brengen. Reinout, komende aan Palestijne te landen, vind daar rijke wapenen en een schild, daar zijn geheel Geslacht op gegraveerd is. Den wijzen Konstenaar verklaard hem een gedeelte daar van, in duistere reden, en laat het overige voor Peter den vroomen Kluizenaar, om hem in een breeder uitlegging, daar over, te doen.

    ’t Egiptisch leger word gemonsterd voor den Vorst,
Om naar Jeruzalem te worden afgezonden,

[p. 592]
    Armijde, die zoo heet, na Reinouts leven dorst.
Verschijnt ’er met het Volk tot hare hulp verbonden.
    Zij biedt ’er zelven aan den genen, die haar ’t hoofd,
Van Reinout breng’: Hij land aan Palestijnse stranden,
    Vind wapens en een schild, waar in hem word beloofd,
De nazaat die zoo braaf beheerschten rijke landen.
    Den Konstenaar een deel in ’t duister hem verklaard:
    En ’t ovrige dat word voor Peters geest bewaard.


DE Stad Gaza is gelegen op de grenzen van Judea, op de groote weg, daar men, langs de Zee, recht naar Peluzen gaat. Niet ver van daar, zietmen verschrikkelijke Woestijnen daar de stormen en draaiwinden gewoon zijn de baren om te roeren; zulkx dat de wind van de middag zomtijds het zand zoo omwroet, dat de Karavanen, en de reizende, groote moeiten hebben om ’er niet onder verdrukt en begraven te blijven. ’t Was al lange geleden dat den Soudaan deze stad, die een sterkte van Egipten was, van de Turken onrechtvaardig bezeten had. Vindende haar dan zeer bequaam tot dezen aanslag, daar al zijn zinnen op speelden, en om nader bij te wezen, had hij zijn Hof na deze plaats vervoerd, en de bij eenkomste van het grote leger ’t geen hij vergaderd had en een algemene monstering van zien wilde hier beschreven: maar, ô mijn waarde Zanggodin, zegt mij den tijd en de [p. 593] plaats daar deze dingen in voorvielen, en de macht die dezen Vorst, zoo van zijn eigen onderzaten als bondgenoten, had; verhaald mij den uittocht van ’t volk, ’t welk hij van den middag af, tot aan d’uiterste grenzen van den opgang gelicht had, en wat Princen of Landvoogden haar daar lieten vinden, want gij zijt de eenige die mij waarachtig verhaal kund doen, van de benden en de oversten die men hier, van de plaatsen der halve wereld, zag aankomen.
    Zeder dat Egipten het jok van het griekse Keizerrijk afgeschud had, en van geloof veranderd was, wierd een zeeghaftig held, gesprooten uit het bloed van Mahomet, meester daar of en vestigde daar zijnen Zetel: toen hij aan de Kroon geraakte, dede hij zich Kaliffus heten, een titel die zijn navolgers zeder gevoerd hebben, even gelijk als d’ oude Egyptische koningin haar Farao deden noemen en daarna Ptolomeus: hoe wel dit Keizerrijk alreede groot was, zo wierd het door verloop van tijden noch veel grooter; want het strekten* zich uit van de opgang tot de ondergang,* zowel in Azie, als in Affrike, en na de landen van Cijrenen: schietende vande zijde van Egipten na de middag, tot boven de stad Sijéne die op de grenzen van Ethiopie leid; en derwaarts na het woeste Arabien had het voor palen die van Saba en die de oever van de Eufraat bewonen, omvangende ’t gelukkig Arabie, en de roode Zee, daar het van daan zich wijd in ’t oosten uitbreid. Zulx damen [p. 594] wel seggen mach, dat de machten van dit Rijk wel groot zijn: maar ’t geen haar noch meer onsagchelijker maakte, was dezen Soudaan, die door een langen rij van voorzaten nu den Scepter zwaaiden: en waarlijk hij was ’t waardig, want het was een deftig man, zo wel in zaken van vrede, als die van oorlogen: ook had hij groote dingen te beslechten gehad, dan tegens den Turken, dan weder tegen de Persen; [p. 595] [p. 596] [p. 597] [p. 598] [p. 599] [p. 600] [p. 601] [p. 602] [p. 603] [p. 604] [p. 605] [p. 606] [p. 607] [p. 608] [p. 609] [p. 610] [p. 611] [p. 612] [p. 613] [p. 614] [p. 615] [p. 616] [p. 617] [p. 618] [p. 619] [p. 620] [p. 621] [p. 622] [p. 623] [p. 624] [p. 625]
Continue
[
Frontispice canto 18]
[p. 626] [p. 627] [p. 628] [p. 629] [p. 630] [p. 631] [p. 632] [p. 633] [p. 634] [p. 635] [p. 636] [p. 637] [p. 638] [p. 639] [p. 640] [p. 641] [p. 642] [p. 643] [p. 644] [p. 645] [p. 646] [p. 647] [p. 648] [p. 649] [p. 650] [p. 651] [p. 652] [p. 653] [p. 654] [p. 655] [p. 656] [p. 657] [p. 658] [p. 659] [p. 660] [p. 661] [p. 662] [p. 663] [p. 664] [p. 665] [p. 666] [p. 667]
Continue
[
Frontispice canto 19]
[p. 668] [p. 669] [p. 670] [p. 671] [p. 672] [p. 673] [p. 674] [p. 675] [p. 676] [p. 677] [p. 678] [p. 679] [p. 680] [p. 681] [p. 682] [p. 683] [p. 684] [p. 685] [p. 686] [p. 687] [p. 688] [p. 689] [p. 690] [p. 691] [p. 692] [p. 693] [p. 694] [p. 695] [p. 696] [p. 697] [p. 698] [p. 699] [p. 700] [p. 701] [p. 702] [p. 703] [p. 704] [p. 705] [p. 706] [p. 707] [p. 708] [p. 709] [p. 710] [p. 711] [p. 712] [p. 713] [p. 714] [p. 715] [p. 716] [p. 717] [p. 718] [p. 719] [p. 720] [p. 721]
Continue
[
Frontispice canto 20]
[p. 722] [p. 723] [p. 724] [p. 725] [p. 726] [p. 727] [p. 728] [p. 729] [p. 730] [p. 731] [p. 732] [p. 733] [p. 734] [p. 735] [p. 736] [p. 737] [p. 738] [p. 739] [p. 740] [p. 741] [p. 742] [p. 743] [p. 744] [p. 745] [p. 746] [p. 747] [p. 748] [p. 749] [p. 750] [p. 751] [p. 752] [p. 753] [p. 754] [p. 755] [p. 756] [p. 757] [p. 758] [p. 759] [p. 760] [p. 761] [p. 762] [p. 763] [p. 764] [p. 765] [p. 766] [p. 767] [p. 768] [p. 769] [p. 770] [p. 771] [p. 772] [p. 773] [p. 774] [p. 775] [p. 776] [p. 777] gij mij zegt; want gij zijt d’eenigste man ter were die dat best verdiend: boven dien dat uwe overwinning, u niet minder heerlijk als vorderlijk zijn zal: want ik ben Altamor, Koning van Persen, dat een Koningrijk is, rijk in goud en gesteenten, ’t welk gij voor mijn losgeld hebben zult, en daar mijn vrouw niet laten zal heur ringen en juweelen bij te voegen. Dat believe God niet, antwoorden den Hartog, dat de begeerlijkheid der rijkdommen ooit eenig vermogen op mij zouden hebben; bezit na uw begeerten alle schatten die men u uit Indien brengt, en verheugt ’er u vreedzaam in: ik maak geen werk om ’t leven der menschen te verkoopen, hier gekomen zijnde in de hoedanigheid van Soldaat en geen Koopman. Dit zeggende, stelde hij Altamor onder de bewaring van zijn schutters, en liet d’overgebleve voort vervolgen; daar hij zeker geen groote tegenstand bij vond, om dat de weinig vijanden die daar overschoten, meest al in haar bolwerken zochten te vluchten om haar te bevrijden, maar eer datse die wonnen, wierden eenige aan stukken gehakt, en d’andre om hals gebrogt in ’t beslote veld, dat in ’t begin met een geweldige en schrikkelijke moord vervuld was. Want het was een afgrijsselijke zaak te zien, hoe dat de beken van bloed uit de eene hut in d’ander stroomden, bezoedelende den rijken roof der Barbaren, die gewoon zijn met zooveel pracht en heerlijkheid ten oorlog te trekken. Dit was eindelijk d’overwinning die den [p. 778] Hartog Godefrooy op zoo grooten getal vijanden verkreeg. Hebbende dit gelukkig ten einde gebragt, voor den ondergang van den dag, voerde hij zijn zegepralend Leger in de heilige Stad van JERUZALEM, die voor dezen de woonplaats was van onzen Zaligmaker: daar hij, zonder zich eerst te omwapenen, vergezelschapt met zijn oorlogsvolk, recht na den Tempel ging; en na dat hij het heilige Graf van JEZUS CHRISTUS aangebeden, en zijn beloften gedaan had, heiligden hij hem zijne Wapenen, onder den voornaamsten roof zijner vijanden.


Continue
[
p. 779] Bladwijzer
[p. 780] [p. 781] [p. 782]
Continue

Tekstkritiek:

p. 71 verbind er staat: verbind,
p. 198 JERUZALEM. er staat: JERUAZLEM.
p. 208 verwondren. er staat: verwondcren.
p. 209 de moedwilligheid er staat: de de moedwilligheid
p. 220 overwinning er staat: overwinnig
p. 220 Vaderland, er staat: Vaderlaud,
p. 224 te doen schijnen er staat: te te doen schijnen
p. 232 ter ander zijde er staat: ter ander ander zijde
p. 238 er staat: 138
p. 239 een fontein er staat: een een fontein
Continue