Adriaen Steyn: Punt-dichten. Rotterdam, 1669.
Met het spel Den volstandigen minnaer.
Uitgegeven door Ilse Dewitte
Red. dr. A.J.E. Harmsen, Universiteit Leiden.
Gebruikt exemplaar: UBL 1198 H 4
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.
Continue
[p. I]

De Puntige Poëet

in de

WAPENEN,

of de

STAPEL NIEUWE

PUNT-DICHTEN.

Door A. STEYN.

Met een Byvoegsel van den volstandigen
Minnaer, door den selven.

[Typografischornament]

Tot Rotterdam,
____________________


By Isaac van Lochem, Boeck-verkooper in de
Mole-straet, in’t Comptoir Inct-vat.
ANNO 1669.



[p. II: blanco]

[p. III]


Voor-reden.
Lieve Vrinden.

TEgenwoordigh stap ick met een uytheems en wonderlijck fatsoen te voorschijn: wat aengaet de gestalte van sijn persoon. Hy magh hem selven onbeschroomt, trots eenige Pekelharingh, op het toneel van de werelt ten toon stellen: hy en is niet walg’lijck met eens anders af-gesleten vodden en vellen behangen, al sijn goetje is spickspelder nieuw. Het is noyt door de Burgers van de kleyne Beestemart haer handen gepasseert: want die hem aldus door eygen sinlijckheydt heeft toe-gestommelt, is (nevens veel andere wijs-neusen) al te eergierigh van harten om hem ontleende stofjes voor de pronck aen te doen. En twijfel niet of mijn Poeet vertoont hem selven (als een wel-hebbend Burger) in sijn eygen gewaet, is het niet op sijn alderweytst, ’t is oock niet al te effen op sijn Menist. Ick heb hem de middel-maet [p. IV] doen houden. Beschouwt hem waerje wilt, ghy sult hem over al puntigh vinden. Praet hy eens ruuw, en slordigh, evenwel hoe ’t gaet sijn dingen blyven met eenige puntigheydt vermenght, besiet hem vry met aendaght, van ’t hooft tot de voeten, ’k verseker u al was hy van een Noort-hollander, jae van een Enckhuyser uyt-gebroet, ghy soudt hem niet puntiger willen wensen, soo dat ick met recht van hem seggen magh:

Dees heeft voor niemanden in puntigheyt te swichten,
Schoon hy door smeer, en smout, de Druckpars is ontgleen.
Al liep hy noch soo ruuw, en slordigh daer door heen,
Noch kan hem niemandt van onpuntigheydt betichten.


Daer-en-boven derwijl mijn Poeet hem als een Krijgsman, en een stouthartigh Soldaet vertoont, soo gelieft syne wapenen oock aen te sien voor sijn eygen. Hy heeftse (met menigh karigh Schutter) niemant ontleent, lapt hy wat ruuwen rijck’lijck toe, ’t is met sijn eygen goedt, ick heb sijn geweer soo veel [p. V]
punts gegeven als mijn breyn-loose harsen-schael daer aen heeft konnen slypen. Syne puntjes zijn over al niet steeckvast, doch zy en zijn niet aengeset om yemandt doodelijck te wonden. Erkent hem gunstige Vrienden, dus toegetakelt, als een eerlijk mans kint, en of hy hier en daer wat ongestuymig schijnt op te snuyven, verschrik niet, g’hebt geen noot: hy en is de moordadighste Krijsman niet. soo hy yemandt met scharp komt te raken, ick blijf sijn borgh dat hy sulcks onnoosel, en sonder opset sal gedaen hebben. Hy salder oock wel hartelijck boet en berouw over toonen, soo ’t hem leedt is. Mijns wetens is hy op niemandt gebeten, hoewel hy wel meenighmael gesart is, ick heb hem slechts op sijn Boers, in ’t hondert, met loos kruyt, leeren toelappen, sonder op yemandt een quaedt oog te setten. Schiet hy nu als een nieu’lingh wat los en onvoorsichtigh? Hy slacht de jonge Schutters, het nieuw moeter met hem af, in ’t leste sal hy ’t met menigh eerschootje, en wat statighs [p. VI]
besluyten, recht anders als menigh stadts Burger, die nuchteren, en statigh ’s morgens aen ’t marsjeren valt, en op den avont half mal van de wijn sijn geweer afleydt, waer op ick dit navolgende versjen heb gepast.

Dees’ stondt in ’t wapen flus of hy de droes sou bannen,
Gelijck een and’ren
Mars. Hy gingh een Leeuw, in moet.
Maer keert nu als een
Schaep, sijn krijgslust is geboet,
Dat
weeck, en hand’loos was dat heeft hem gaen vermannen.

Om te besluyten, alles wat mijn Poeet hier voorstelt, is op bedingh van niet quaet te worden, al sijn dingen sijn sleghs na der Poëten wijs verciersels van saken die gebeurlijck zijn: Hierom bejegent hem (bid ick u) doch niet on-bescheyden, hy soeckt tegen niemandt eenige moeyten, evenwel krijgj’ (uyt een in-geboren aert) een oploopent, en quaedt hooft, be-[p. VII] stormt hem dan niet eerder vooraleer de groote fuery over is. Op een aenval van Vis-wijfs, en Appel-teefs monden, en vuysten soud ’hy nootsakelijck het haghje moeten laten sincken. En my (die hem schier boven mijn staet heb uyt-gerust) wederom als van een verlore reys met de kous op ’t hooft tuys komen. Daer ’t op de handen aen-komt moet hy nootsakelijck onklaer vallen: want met sulck geweer heeft mijn onnoosele Poeet nooyt leeren schermen.
Voor ’t laetst, met een arm vol recommandatien en voorbiddingen, beveel ick mijn Punt-rijcke en gewapende, aen uwe reed’lijckheydt, indiense niet te kleyn en< is om hem te beschermen, ontfangt door hem de groet van my,

    U. E. Hart-vrint
STEYN.



[p. VIII]

Punts Puntige vrientschap aen
de puntige Poeet.

Die de geurge Roos wil plucken,
Moet haer Puntjes niet ontsien,
Soo’s hem door de huyt heen drucken,
Moet hy weder Punten bien,
Maer van dees Poëten Punten,
Krijgt er niemant quets, of quaal,
’k Weet niet op wie hy’t sou munten,
Letter punt, en heeft geen staal,
Net, en aardigh, op sijn snee,
Voelj’em nypen, ’t is een teecken,
Datter yemant van uw lee,
Maar die niet heeft, op sijn hoornen,
Raacken dese punten niet,
Waarom souw ick my vertoornen,
Daer hy my geen punt en biedt.
Voel ick my dan noch genepen,
Gaf ick hem daar stoffe toe,
’k Denck ick had my eerst vergrepen,
Op het stout zijn past de roe,
’t Swygen is hier ’t beste wapen,
Tegen d’alderscherpste Punt,
Puntjes konnen my vermaacken,
Des blijf ick des Punters Vrundt.

Ex tempore           

H. SLUYTER.
Continue
[p. IX]

De Puntige Poëet
IN DE
WAPENEN,
Of de Stapel Nieuwe
PUNT—DICHTEN.

Aen een die my toe-schoot: ghy lieght.

OPloopende, ay sie! U schelden is een teken
(Hoe onduyts gy u toont) dat ghy noch duyts kondt spreken:
Wanneer u hittigh bloet te los naboven vlieght,
Soo roept u schotse mondt, in suyver duyts: ghy lieght.

[p. X]

Aen een Lasteraer, die voor sijn mondt met gelt geboet had.

U Mondt heeft gelt gespilt, daer sy geen leck’re beten
Nog druyven-drop voor had, wat droes, had haer beseten?
Leer soo met schimp, en scha tot dat ghy wyser wort,
Op dat u lange tong u goudt niet weer en kort.

Anders.

’t WOort van u losse tongh kondt ghy geen waerheyt maken:
Des saghmen op u mondt u beurs elendigh braken.
U losse mondt spoogh gal, daer ghy u klap-school houdt.
U buydel boet’ u gal; met enckel galgeel goudt.
[p. XI]

Aen een die klaeghde dat ick hem tot een Leugenaer had gemaeckt.

DEes’ haetm’ en waerom dat? om wonderlijcke saken:
Hy klaeght: ick heb hem tot een Leugenaer gaen maken
Maer saghjes lieve Man, hoe kan dit waerheyt zijn?
Ghy kondt de leugen-konst al jaren langh voor mijn.

Op het sten van een Compagny Burgers, altermael in lichte Zy gekleedt.

ALs ick dees’ Burgery op ’t nauwste gae doorkijcken
Soo sie ick uyt den hoop geen een een Krijgsman lijcken.
’t Sijn Kermis poppen, en sy trecken voor Soldaet.
’t Sijn Mans in wapenen, maer Wyven, in gewaet.
[p. XII]

Op ’t selfde.

HOe komen dees’ in’t zy? zy krygen van de doecken,
’t Zijn saghte Krygers, na heur saght’, en zye broeken,
Neen, wapens voegen best by eene Buffels py,
Zy heeft de Hy gedost: hierom steeckt Hy in’t Zy.

Op een, die voor sijn verdroncken borst Zyroop leckte.

SIe dese leckt Zyroop: voor sijn versope borst
Hy lapt - zalft met wat soets: de wijn heeft het vermorst.
Nu wil hy (nahy hem in’t lecken ging te buyten)
’t Geen hy al lickent kreeg al lickende weer stuyten.
[p. XIII]

Op Roel.

ROel sag een moye Meyt, hy wenst’ er by te slapen,
Een reghte Droogers wens, wat vreugd’ kon Roel dan rapen
Als hy by’t moye dier vast ronckt, en en sliep? wel hoe!
Mind hy oprecht, hy neep by haer geen oogen toe.

Op milde Joost.

JOost sondt aen Kees een gift: een pul met Rijnse droppen,
O milde Schuymer! och, hoe soeckje Kees te foppen?
Ge gaeft aen Kees, (ging eens jou spierieng-aes voor nul)
Wel haest een Rijnse muyl voor soo een Rijnse pul.
[p. XIV]

Op het sien van een yselycken Brandt.

HIer maekt een huys vol vuyr, een stadt vol noot-geschater,
’t Is Elementen-krijgh, sy vallen twee op twee,
Sijn het de lighte eens? de sware zijn het mee,
De * Loght vecht met het Vuyr, de +Aerde met het Water.
* Verstaet hier door de wint die het vyer aenblaest.
+ De mens wort oock aerde genoemt.


Aen den Drucker van seker Boek, genaemt Kost verloren.

VErdoolden Drucker, segh, hoe kan u doen gelucken?
Ghy druckt te reukeloos, zijn d’oogen bey van huys?
En siet ghy niet dat elck dit werck u na kan drucken?
[p. XV]
’t Druckt al verlore kost tot Bedelaers inkluys.

Op een ondeugent Predicant.

DEes is een Leeraer (en ook quam hy van een Preker)
Noch is hy deughdeloos, ghe vindt hem nergens seker.
Maer ’k acht de reden dit:
Hy quam niet van het lidt
Waer me de Vader eer na deught, en vroomheyt dongh:
Want maeckt’ hy yemant goet, soo deed’ hy’t met de tongh.

Geschenck van twee rechtende Partyen.

N. Schonck sijn Rechter eene Wage, sijn party
Schonck aen de selleve twee Paerden stracks daer by.
[p. XVI]
De Paerden wonnen ’t spel; sy konden vinnighst’ rocken,
De Wagen gingh niet recht, wat off’er aen gebrack:
Riep hy, die s’ eerder schonck? waer op den Rechter sprack:
Hoe kon sy anders gaen, dan haer de Paerden trocken?

Aen een verwaend Rymer.

GHy seght: ick daegh met rijm het puyckje der Poëten.
Zijt ghy een Rymer Jan? ick hoor ’t niet aen u tael,
Ghy stoft te on-gerijmt, na sulck een harsen-schael.
Waer’s u verstant gehuyst? dit woud ’ick wel eens weten.
Segj’ in het hooft, ’t kan met de reden t niet bestaen:
Want dat is op-gepropt tot barstens toe vol waen.
[p. XVII]

Op de roem van Yemant.

P. Roemt als hy het lijf met wijn heeft vol gesopen:
Hy liep pas opgebroeckt door menigh Mothuys heen.
Hy was in syne jeugt soo ligt als lichte Veen,
Geen wonder: hy moest een ligt Venusjen beloopen.

Op yemants loopende Oogen.

AY sie! wat hebben doch dees oogen bey misdaen?
Gewis een schellem-stuck dit valtme ligt te raen,
Sy zijn ontsteken, en erbarmelijck bedropen.
En was by hier geen schult, sy souden bey niet loopen.

[p. XVIII]

Op de klaght van Trijn.

TRijn valt een swart-rock aen, en klaeght (vol on-genoegen)
Haer Adam wil (te traegh) geen Eva’s kant beploegen.
Als of Trijn seggen wou: ay Heer, dit is mijn wens:
Vermaendt hem tot sijn plicht; hy maeckt geen Christen-mens.

Anders.

TRijn viel haer Harder aen; sy had’ het hart te bijten
Haer Man had geen mans hart, geen kint en wou’er krijten.
Trijns be was: Harder ay, valt hem dog harden an,
En maeckt hem op de Vrouw (kan ’t zijn) een harder man.
[p. XIX]

Anders.

TRijn klaeght een Predicant, en gaet aen hem verhalen;
De Man en wil aen haer sijn schulden niet betalen.
Dit ’s vreemt (om schult?) dat Trijn na ’t Raedt-huys niet en gingh,
Neen Trijn weet wie s’ het klaeght, hy weet van ’t voor-bedingh.

Op een die het Broodt-mes voor haer Man op-sloot.

N. Sluyt het Broodt-mes op, omdat haer Man sou vasten,
Wanneer den honger hem (na ’t sweeten) aen gaet tasten,
Broodt-droncke, ’t stont u slecht, indien jou man (te gram,
En vol van wraeck) hier eens gelijcke wraeck af nam.
[p. XX]

Op een Bastaert.

SOo dees een Bastaert is, mach hy voor eerlijck gaen:
De Vaer ley (sonder fout) sijn gantse eer daer aen.

Aen een, die in Stadts Boter-huys, het Wapen leerde handelen.

GHy zijt een bottert N. hierom, van nu af aen
Leert ghy in’t Boter-huys de handt aen ’t wapen slaen.
Ick sie u haest (gae voort, en maeck hier veel gedruys)
Een harde Krijgs-man, na de waren van dit huys.

Op Yemant.

DEes’ krijght een malend’ hooft, hy sietme troost’loos aen,
Hy maelt, waerom? om dat sijn Meulen stil moet staen.
[p. XXI]

Op yemants quaet oordeel.

DE Heeren gaen (seydt’ Fop) Wijn-koopers, Tappers maken.
Maer Fop die lapt dit uyt, met onbedreve kaken.
Neen, sy ontdecken nu, (gae, sie het oock door ’t glas)
Wie ’t (onder grooter naem) al langh voor desen was.

Aen Louys.

GHy schiet my toe: (Louys) ’t ben met u Wijf geloopen
Tot boven onder ’t dack, als ghy u waer gingt koopen,
Hou u voldaen Louys, soeckt niet meer (op dit pas)
Voor vast te weten, als waer ick doen onder was.
[p. XXII]

Op een gehangen Dief.

Men maeckt dees vagebont aen keel en gorgel vast:
Om dat hy hier en daer de beursen gingh ontruymen.
Hy hiel nog in sijn door sijn snood’, en diefse luymen;
En stal noch daer hy hing, de ruymte van sijn bast.

Op een Boer, vroetende in Koeye dreck.

EEn Bouw-man had’et druck in koeye dreck te vroeten,
Dien ick op wegh ontmoeten,
Ick groet hem, en ick sprack:
Wie souw ’t gelooven baes, dat daer jou broot in stack?

[p. XXIII]

Op swetsende Hans.

Gans heeft geen veer in ’t nest en swetst by duysent gulden.
Hy smolt die eer in’t recht, eer hy sou en recht dulden,
Maer let, of Hans hier niet spits-vinnig is van aert;
De saeck en is voor hem geen duysent deuyten waert.

Op de selfde.

GHy segtme trotse Hans, met bars, en stijve koonen,
Eer gy u recht verlaet, verlaetje soo veel kroonen;
Dit weet in mijn verstant niet wel voor ’t waergevat,
Of ’t waer’ ’t geseyde geldt u tot een Meester had’.
[p. XXIV]

Gaende langhs een wegh, met Doornen beplant.

DIt is geen dwael-wegh, neen, ’k behoef hier niet te vragen;
Ick ben den goeden wegh voorseker opgeslagen,
Indien my’t oogh niet feylt, dit is der vromen spoor;
’k Sie alsins Doorenen, en gae daer midden door.

Aen een korsele Drucker.

AY luyster na mijn raedt druck-rijcke Drucker-heer.
Indien ghy wilt na desen
Een goeden Drucker wesen,
Soo druckt doch (bid ick) u op-loopent hooft wat neer.
[p. 1]

Op twee Kamp-vechters, met getrocke Degens.

EEn op genome wrock, doet hier twee sotten branden,
Hier’s dubbele moort-geweer in twee verwoede handen,
Hier sijn twee Mensen en een Duyvel die drijft.
En ’t vyer van haren haet, en dollen toren stijft.

Op ’t selfde.

ONdegelijcke bloets, wat doet u Degens trecken?
Soo ’t niet ter degen was, gelijck het wel behoort,
Men scheyden ’t stuck dan best met twee geslepe becken,
En niet met fel geweer, geschrapt op Manne-moort.

Anders.

WAt dulheyt gaet u aen, segh onbesonne stryders?
[p. 2]
Een wenk, hervormt u van twee leeuwen, in twee lyders.
Woet als twee Tygers nu, ontheel elck’aer de huyt,
De wreetheyt boort de wont, ’t berouw haelt ’t stael daer uyt.

Of:

HIer woet het scharpe stael, by ongeslepe kneghten
Van narren-dranck verstompt, wat ’s d’uytslagh van haer veghten?
    Nu’t al vol vochten is: een doot wont druypt, en bloedt:
    Een legger loopt de borst; een looper, loopt de voet.

Aen Gijs, die my om besteet werck lang liet na loopen.

Gijs ick kom staeg vergeefs, ’t lijck foppen, of bedriegen,
Indien dit langer duert verdien gy ’t loon met liegen,
    Werckt dan vry mat, en moe:
    Den arbeyt geef je toe.
[p. 3]

Op Heyn.

Geyn sprack: (doen hy my eerst sagh met een pruyck op loopen)
Wat koop j’ aen ’t tuyg, het is een Roover licht ontrooft:
Ja Heyn sey ’k: ’t g’lijckt heel wel na ’t groeysel van jou hooft,
Sou jy te met niet wel wat dieve hair verkoopen?

Op de selfde.

ICk klaeghden in mijn schoft, maer Heyn tbegost te gecken,
En riedme: ’k souse aen een dief-pael laten trecken.
Heyn sey ick heb j’ een stijl die jou hoort heel te mael,
Soo recktm’ eens bid’ ick: want dan is ’t een dieve paal.

Aen de selfde, op de selfde voorval.

Mijn schouwr-pijn seg j’ ontstaet uyt ’t malle boven-deel,
[p. 4]
Draagt al ’t gepijnde mal? verschilt ons mal noch veel:
Ick hoor j’ erbermelijck in bey de beenen klagen,
Niet van geringe maer van overgroote pijn,
Doch na jou oordeel en kan dat niet anders zijn:
Derwijl sy bey en gans mal schepsel moeten dragen.

Aen goet Vrint.

GHy seght, jou knaep is bot, en uyttermaten bloo,
En hy deught nergens toe,
Daer feylje Man: wel hoe
’k Schat seve botten wel voor een rechtschape soo.

Op Baert.

Baert viel, en brack sijn been, noch seyd’ hy: niet met al
Het moet’er soo by deur, het is een ongeval.
[p. 5]
    Ja dacht ick: lieve Baert, ghy meught nu soo wat kallen,
    Voor sulck een ongeval bleef ick lieft ongevallen.

Op een Doodt-bidder die in’t maen vande Zeel
onder sijn Mackers geen spraeck en voerde.

DIe Bidder segje staet: als waer hy dom, en geck,
Sijn Mackers raet-slaen, en hy houwt alleen den beck,
    Maer t’wijl sy beyd’ (op dat ick jets hie ruyt besluyt)
    De Doot-zeel stellen, soo beelt dees de dooden uyt.

Op een Vluchtenden Dief.

Loop rechte Galgh-cieraet, in buytenlantse palen,
Krom daer de ving’ren weer, daer u geen Man bespie,
’t Meer-voetige gebouw sal u wel achterhalen:
[p. 6]
Loop op twee beenen vry, u graf-ste heeft ’er drie.

Vryagie van Krijn en Trijn.

Krijn vrijdt om Trijn, en Trijn is ruym soo koel als ys,
Gaen sy een houw’lijck aen? ick schatse bey voor wijs:
Want Krijn is heet, en Trijn is koel.
Krijn wist dan raet,
En Trijn dus koel, had dan de vlam van Krijn te baet.

Op Mees, die een vremt Paert
voor sijn Wagen sloegh.

Mees waegden’t, en hy sloegh een vremt Paert voor sijn Wagen.
        Maer Mees hoeft niet te klagen
        Krijgt hy een ongeluck.
Sijn Paert holp hem niet, maer sijn Wagen in den druck.

Op N.

’tIs of de Nicker my met schoppen ’tgelt toe schoot,
[p. 7]
Soo sprack een Vrou, en kon haer vreugde niet bepalen,
Maer raeckt’et hachjen op, wat raet dan in de noodt?
Ick vrees de droes sal dan haer ziel op woecker halen.

Op ’t selfde.

Voert oock de Duyvel selfs sulck een klanck-rijcke tael,
Wel waerom schelt men dan de Duyvel steets voor kael?

Anders.

HOe komt de droes soo milt voert jemant my wel tegen?
Ick denck niet anders, of hy is met ’t gelt verlegen,
Want siet; tot synen’t (yder wat dit inners wel.
Is ’t grouw’lijck heet, ’t sou hem ontsmelten in de Hel.
[p. 8]

Op een Mis-doende Priester.

HIer doet de Priester Mis, met menigh kuer, en gril,
Hy mist geen volle kelck sijn keel-gat toe te wyen
Dees’ misselijcke knecht met al sijn aperyen
Die mist wel degelijck dat hy in’t Misbroot wil.

Op de Mis-hoorende Leeken.

Hier leggen voor de Mis veel Mis-geleyde Leken,
Hier’s ’t mis-devote volk,en al wat Heer oom seyt
Is Mis-verstandt voor haer, als hy latijn gaet spreken.
Geblinthoekt in de Mis, wert ’t Mis-volck hier Mis-leyt.

Op Fop.

FFeen deunen aart,
[p. 9]
Soo socht hy yverigh een Macker tot het Paert,
Hy troff’ er een, maer hoor een voor-bedingh van Fop:
’kHouw (sprack hy tot sijn maet) den aers, houw jy de kop.

Vis-graeght.

’k Kreegh op de Vismart eens (al lijck’et schimp of spot)
Een overvreemde lust,
Sy most oock zijn geblust,
Ick wierder scharp op Bot.

Kaert-spel.

Een Juffrouw speelde met haer Minnaer met de Kaert,
Sy mind’ hem vierigh, maer hy scheen wat koel van aert.
In ’t spelen vraeghd’ hy wat sy wilde? sy sprack: Heer
’k Wil Harten, en soo niet, soo speel ick Schoppen neer.
[p. 10]

Uyt-dagingh.

Gans daeghde my op ’t mes, maer sie, ick was soo ree niet,
Hy wouw me (riep hy uyt)
Los steken in de huyt.
Hans sey ’k dits misverstant,’t waer ’t mes sijn rechte schee niet.

’t Gevoel van de Hel.

Men vraeghden my: wat ick ghevoelden van de Hel:
Ick sprack ick laet de Hel met hare Burgers woelen,
Gevoel vry datje lust, ick soeck hier niet te voelen,
Die hier gevoel van heeft en keur ick gans niet wel.

Aen Krijn.

Jou houw’lijck Krijn dat valt heel anders uyt dan’t scheen:
Ge krijgt er twee voor een.
’t Geluck dat valje toe,
[p. 11]
Je hebt een toe-gift van een Kalfje tot jouw Koe.

Laet-dunckent Schoolmeester.

EEn school-voogt vinnigh van laetdunckenheyt gebeten,
Gaf in sijn snuyvery een wack’re achter klap,
Waer (sprack’er een) die wint van daen komt, moet je weten:
Soo op-geblasen is altoos de wetenschap.

Op Nies.

HOor Nies heeft (met de Man) een stuckjenhuys-raet wegh:
Hy loopt met ’t natte zeyl,
Nu heeft s’altoos een dweyl,
Nies heeft dit wel bedaght, s’is rijp van overlegh.

Op twee ’s Landts nieuwe Oorloghs-schepen, leggende
voor Rotterdam.

HIer toont den Leeuw aen vreemdelingen
Hoe hy geklauwt is, en getant,
[p. 12]
Hoe hy den Oorlogs-toon sou singen,
Voor ’t vry-gevogten Vaderlandt:
Of hem verwaentheyt quam te tarten,
Sie, sulcke Schepen! sulcke Harten!

Op Dirck.

ALs Dirckje (geldeloos) sijn Duyten niet hoort rasen,
Dan stapt hy na de Kerck, en hoort de pypen blasen,
Maer als hy ’t glas mag nypen,
Soo stelt hy selfs de pypen.

Op Griet.

Griet seyt se magh wel sien (wil hen de Man vermaken)
Dat hy hem na sijn werck tot vegen eens verleeght,
Maer Griet, siet toe; bedenckt, dat hy die dickmael veeght,
Nog op het ende wel sou tot een Schrobber raken.

Op Trijn, op de selfde zin.

TRijns besem veeghde, tot dat het een Schrobber wiert
[p. 13]
Van ’t alderslimste slagh,
Haer Man veeght alle dagh,
Wert hy een Schrobber; hy heeft lang genoegh gebiert.

Op een scheldende Vrouw.

Mijn Buyr-wijf heel gestoort, die scholtmen overluyt :
Laest (in veel reden) voor een Pyler-byter uyt.
Doen vatt’ ick waerom sy de Kerck niet derft genaken:
Sie! op de pylers steunt het gantse Kerckgebouw.
En beetmen die los deur! Soo denckt de goede Vrouw,
Hoe souw ick heelts-huyts in die noot daer buyten raken.

Anders.

HOor, dit’s de reden van haer grouwelijck misbaer:
Sy vont haer selven diep in ons krackeel gebeten,
Derwijl wanneers’ eens is by noot ter Kerck geseten,
[p. 14]
Sy licht’lijck daer de plaets bekleet van een pylaer.

Of:

Uyt liefde tot de Kerck quam licht’lijck dit verwijt:
Want die iets lieft, en heeft niet graegh oock datmen’t bijt.

Op het trecken van de Burgery.

HIer treckt de Burgery, (voor ’t eerst in menigh jaer)
Met eene trotse swier,
Altoos soo treckse hier
Uyt alle steden, een hoop gecken by malkaer.

Op ’t selfde.

HIer treckt den Burger op, met pluym, met pieck, met stael,
Met allerley geweeren;
Met hoofs’ en zye kleeren:
Dit trecken trekt’ er veel de gelt-beurs al tekael.
[p. 15]

Anders.

Nooyt vond ick treck tot sulck een trecken, hoe ’t oock scheen:
Men treckt niet van dit werck, dan moed’ en matte leen.

Op Jaep en Ael, die om Syroop keven.

ICk hoorden Jaep, en Ael laetst kyven: haer geschil
Ontstont uyt soetigheyt; uyt stroop, dat was een gril.
Dit twisten (daght ick) is onreed’lijck; en ick laackt,
Dat j’ om soo soeten waer jou harten bitter maeckt.

Geboort van een Man, aen sijn Vrouw.

Is ’t vijf en twintigh jaer, mijn waerde nu geleen,
Dat gy een gantse buyrt van vyven holpt ter been?
[p. 16]
’k Had u van al de tijdt pas soo veel dubb’le weken,
’k Weeck van mijn plight, soo ’k u niet dubbelt ging besteken.

Op ’t uytschelden van fijn.

Men scholt my eens voor fijn, ick sprack: wat kan ick doen,
Hy die my grover vil, die moest my vetter voen.

Anders.

Dat fijn is dat is kleyn, maer ick schijn nogh te groot:
Het moet al grof zijn, daer een Ezel hem aenstoot.

Op Kors Droncke-t’huys met nughter Kalfs-vleys.

Kors dicht met wijn gevult, quam thuys, met nuchter vlees,
Dit was wel degelijck een slimme vont in Kees:
Hy koght (doen hy sijn tijt had by den dranck versleten)
[p. 17]
Een huts-pot van een Kalf dat noyt en hadt ontbeten.

Aen seker Rentenier die my toe schoot
dat mijn knecht my verrijckte.

AY let mijn vrint! ghy seghe: Mijn kneght kan my verrijken
Dewijl ick tre waer my, mijn lust verlockt, en leyt,
Neem dit was waer (ofschoon ick ’t wel anders souw doen blijken)
Soo siet in onse knechts dan noch een onderscheyt;
De uwe is, de tijt, die kan u niet ontsterven.
Of niet ont-zieken, oock hy dag-dieft nimmermeer.
Hy trekt geen dag-loon, noch hy kan geen waer bederven
Wient knecht meynt ghy dient nu de sorggelijckste Heer?
[p. 18]

De twist, tusschen my, en Dirck.

DIrck klaaght sijn lenden, en ick klaag vast in de borst,
Nu valt by ons ’t geschil, wie ’t swaarste toeval torst.
Maer al ons twisten is maer enckel tijt versleten:
Mijns oordeels, soudent best ons beyder wijven weten.

Op seker Vrint.

WAt segj’ heeft onse maat geen breyn om vlees te keuren
Hy slaat sijn ogen op geen schoncken, noch geen leuren,
Hy kiest op ’t Vlees huys (En uyt een Weeuwe stal.)
Die vlees glad is, een Ribb’ een puyckstuck van de Hal.

Op Louw.

Loop in een Ezel, sprack oom Louw, heel nors van sin,
[p. 19]
Ick riep, ommog’lijk Maat: ick sie soo var’ geen open,
Indien jy ’t lijff gelijck jo’n kleding kond ontknopen,
Soo wasser kans, men liep daer daadelijck veel in.

Op selfde.

Loop in een Ezel, seyd’ ons ons Loutje, maer ick riep:
’t Waer mogelijcker dat ick op een Ezel liep.

Op Klaas.

ALs Klaas een Kroes met nadt heeft gulsigh ingeswolgen,
Dan roemt hy by de wijn, op mennigh verre tocht,
Wel waer, hy trock eer ver (en heeft oock veel besoght)
Maer noyt soo verre: of sijn sotheyt kost hem volgen.

Op seker Predicant.

EEn Preker pas getrouwt begond oock korts daer aen
[p. 20]
Als hy sijn stoel betradt den Bybel op te slaen.
En las den text (die hem en bruytje scheen te raken)
Uyt Moses Schep boek op, komt laet ons mensen maken.

Op Els. En haer gekraegde Vryer.

Els kreegh een Vryer, maer de Vryer droegh een kraegh.
Op dese draght wiert onse Elsje niet te graagh:
De goote Lobbe hing haer altoos in de weegh.
Gelubt, gelubt, (sprack Els) dit is voor al geen deegh.

Op een Toe-back verkooper.

ICk heb een na gebuyr, die handelt in Toe-back
En na ick speur helpt hy sijn klanten met gemack.
Soo beter winning niet en komt sijn huys te stijven
[p. 21]
Dan mag de schaf-back voor sijn mont oock wel toe blijven.

Op ’t selfde.

AL wat dees’ waar verschaft is stanck, en vuylen roock.
Mijn nabuyr siet als hadt hy sulcken voetsel oock:
Want hy sit nering-loos, dit is het dat hem smart,
Sijn hant wert niet gekruyst, nu draeght hy ’t kruys in’t hart.

Op een kyvende Predicant.

N. stont twee uren pal, om tot het volck te spreken,
Men hoorde hem nochtans geen hallef uyrtje preken,
Ghe vraegtmen lightelijck waer dan de tijt verbleef?
Och! die verspilden hy, derwijl hy schold’ en keef.

Op Martijn.

WIjn-gierige Martijn doolt even als de blinden,
[p. 22]
Het keel-gat (dat hem leyt) en braght hem nooyt te Kerck,
Gh’e vint’em allesins, hier nooyt dit ’s seltsaem werck,
’t Is niet; de kneght die dwaelt, hy kan de Kerck niet vinden.

Op Piet.

Piet holp met Bouwen op, een huys dat heerlijck stont,
Een puyck-stuck in sijn straet,
Maer ’t eynden dese daet
Soo vont men ’t huys om hoogh, de Maeker in de gront.

Op ’t selfde.

In dese gevel, dack, en mueren,
Leyt Pietjes gelt, trots sijn gebueren:
Maer Piet die ’t werck dus breet bestont,
Den Bouw-man, de verkeert-gezinden
Die kun je oock noch ergent vinden:
Hy leyt gemetselt in de gront.
[p. 23]

Op Fop.

Fop draeght een fulpe rock, en ’t iss’er sleght gestelt,
Fop daght heel wijslijck: (doen hy ’t fullip op gingh loopen)
Aen d’ alder-beste waer verliest men ’t minste gelt:
Hy sagh de tijt naby, dat hy ’t al moest verkoopen.

Op Joost.

JOost bidt geduerigh om dijn Wijfs doot, vroegh, en laet,
Maer hoe hy bidt of niet,
Hy houwt het huys-verdriet,
De doodt vliet van haer wegh; sy is hem veel te quaet.

Op Gijsje.

SIe, Gijsjes Wijfis doodt, een van de alder boosten,
Nogh schijnt de Man bedroeft, ick dien hem dus te troosten;
De Vaer gaf op haer komst een blymael, malle geck
[p. 24]
Geef nu de weer-reys op haer tydige vertreck.

Op Iaep.

ALs onse Jaep bekomt een Koopman tot sijn waer
Dan knyft hy een vol uyr,
Sijn arbeydt houwt hy duyr,
Geen wonder: want het werck dat valt den Ezel swaer.

Op twee Uyt-hang-borden.

HIer stoptmen kousens, sprack een Hangbort, en een ander
Hier naes taen, had’ gestelt:
Hier stijftmen tuyg, om gelt,
Was dit geen moye buyrt; hier hadje ’t een by ’t ander.

Op Syme.

Praet Symen van de Kerckje praet hem in den dut,
Hy is tot alle dingh (behalven goet doen) nut,
Maer seght hem van de kroegh je krijght twee open ooren,
[p. 25]
De Kerck is van een kruys, dit weet hy van te voren.

Aen Baert.

GHy klaeght men Baert jouw Wijf is Meester van ’t Kantoor,
Wilt ghy u wreken knecht? soo geef my eens gehoor,
t’ Wijl sy de sleutel draegt van’t hechte gelt-kaesjot.
Houw oock soo lang jouw eygen sleutel uyt haer slot.

Op de Hedens-daegse Pronck-borden voor alle Mans Leuyven.

AY sie! hoe elcke Luyse-kramer
t’Hans spijckert, met de hoogmoets hamer
Gelettert Bort-werck voor de deur,
’t Is mijn gevoelen, en ick keur
(Als ick dit doen gae overleggen)
Dat het de waer niet wel kan seggen
(Die dickmael veel te soper is)
Waer in de Man verkooper is.
[p. 26]

Op Huygh, die my een groot stuck gout toonde.

Guygh toond’ my een stuck gout, uyt eene trotse luym,
En enck’le hoovaerdy. Als waer hy van vermogen,
Het scheen my in sijn hand uytmuntende in d’oogen,
Niet vreemt: het schoonste gout toont best by’t lichtste schuym.

Op ’t selfde.

ALs Huygh my gout toont, doet sijn hart heel hooge sprongen,
En bouwt vast in de locht Kasteel, en Sterckt’, en Fort.
Maer Huygh al hadje schoon soo duysenden van tongen
Tot pleyters voo rjou eer, nog schootje veel te kort.
[p. 27]

Op ’t selfde.

ALs Huygh pogt met sijn gout, soo laght hy onderwijlen,
Als of hy seggen wouw : Ja soo een Man ben ick.
Maer Huygh al hadje schoon noch soo een hondert stijlen
Tot schragers van jouw huys, noch vielt wel eens in ’t slick.

Op ’t selfde.

GHe vraegt (wanneer je my dit gout-stuck doet beschouwen,
En wicken in mijn handt) hoe hoogh ick ’t wel souw houwen?
Is’t gout na hem, die ’t my thans voor de oogen hout,
Kan ick ’t niet schatten: want dan is ’t bedrieg’lijck gout.
[p. 28]

Op Huyp.

Guyp wil een Proef-jaer eer ’t hem lust een Wijf te trouwen.
’t Waer deftigh Huyp, maer siet;
Het werck bevielje niet,
(Ick neemt in dit geval) wie sou het proef-stuck houwen?

Antwoordt aen Maerten die my vraeghde of seker Vrouw
gaende nevens haer Man (een Predicant) rijck was.

HOe Marten! dommer vraegh en hoord’ ick altoos nooyt.
Daer dees de slinxe handt
Houwt, van een Predicant,
Daer vraeghje isse rijck? wat kalis quam daer ooyt?

Op Dirck.

DIrck seghj’ is on-geleert, dit is een wisse leugen,
Wel waer, dat tot veel wercks sijn harsens niet en deugen,
[p. 29]
Maer noch blijft Dirck geleert, hierom set desen Heer
Op ’t swacke harsen-Vat een Mutsje van Spaens leer.

Op Flip.

GHe seght: Flip is een Man gelijk een Burger-meester.
Maer Flip is ’t inderdaedt, dit ’s immers hem verhooght.
Siet, als hy ergens komt men schrickt’ er, en men vreest’ er.
By alle Burgers stelt hy hem altoos als Vooght.

Op het sien van een kopere Plaet,
daer veel Beelden in gesneden waren.

DIe dese Plaet groef, maeckten Mannen onder ’t snyen,
Dit is een brave kunst, voor my ick mag het lyen,
Mae rin veel kroegen baert het snyen selden luk,
Men breeckt daer Mannen onder Sny-werck los aen’t stuck.
[p. 30]

Op rockende Harmen.

’k Sagh Harmen sijn Taback uyt een kort pijpje roocken,
Ick vraeghd’ hem: waerom dat? wel sprack hy (onder ’t smoocken:)
Door korte pijpjes geeft dit kruyt de meeste kracht,
Onnoodig dat ick schrijf het geen ick hier op dacht.

Op Jan.

’k Sey Jan is Gesel, onwaerheydt riep sijn Neel,
Hy is ’t byna, de voorste letter is te veel.

Op Trijn.

TRijn souw wel singen maer s’ heeft feylen, dit ’s een spijt:
Dan set s’ haer mondt te naeuw, en dan eens weer te wijt.
[p. 31]

Kale Poëten.

Get geldt schuylt selden by hoovaerdige Poëten,
Het loon werdt haer verbôon, dus raeckt de beurs nooyt vol.
Ick dienden liever noch Appelles, dan Apol;
Apoll’ was nooyt goet knechs, hy maecktse kale neten.

Op ’t selfde.

Apollos Adel heeft meest al, geldt noch loot.
Gebreck, en arremoe, dit zijn sijn levereyen,
Ick denck, soo Knecht, soo Heer, wat hoef ick hem te vleyen,
Hy sou oock somtijts wel eens eten, had’ hy broot.
[p. 32]

Op ’t selfde.

GHe segt: wel hoe dus fel op soo veel brave Mannen?
Apollos souwje dus wel uyt sijn Rijck verbannen,
Dit kan hy heel wel doen, vint hy het soo geraen;
Dus sout licht mijn Kantoor, en keucken, beter gaen.

Op Louw.

Louw wou, ’k souw op papier sijn lof eens op doen vliegen.
Neen sprak ick: lieve Louw, dit werck waer niets te mooy.
Dan soo jy ’t enckel wilt, soo haeltmen eerst octrooy,
Dat ick in soo een werck mach om bekommert liegen.
[p. 33]

Op ’t selfde.

Louw wou dat ick sijn lof sou singen,
Op sijn versoeck, teeg ick’er an,
En ’ksongt in’t kort: Louw mint de kan,
Hy is een brodder in sijn dingen,
Een groven narr’ by Alle-man.

Verloren Pleyt.

EEn Man verloor een pleyt, het geen hem grouw’lijck speet:
Hy haelder twintigh door:
Om dat hy die beswoor.
Maer dees’ verloor hy: want sy stont niet an sijn eedt.

Op een Doctor.

Kees is een Doctor, maer en kan geen pis bekijcken.
Wel hoe seydt yder een: dit kan geen Doctor lijcken,
[p. 34]
Hoor’ waert het Heerschap schort: hy is altoos op ’t hol,
En heeft sijn blaes veeltijdts van sulcken nat te vol.

Op twee Courtisanen.

SIe dit ’s een Hoofs geswier, dit zijn twee Hovelingen,
Heur tael is hane-klangh, sy wryten, en sy wringen,
Als waer haer lichaem onder Rijswerck in de ly:
Dus strengh nijpt haer de roe van dolle hoovaerdy.

Of Louw.

Louw droncken, mist altoos sijn zinnen, ’t geen hem leet,, is,
En Louw die heeft ’er vijf, soo’t volckje noch compleet,, is,
Ay hoor, hoe ’t toegaet, als het Louw lapt in de huyt:
[p. 35]
Soo meen’ge pint daer in, soo meen’ge zin daer uyt.


Op een gestickte of dolle Joncker.

AY sie eens, wat levrey? Wat heeft dees’ om de leden?
’t Zijn bonte stricken, van sijn hooft-top, tot beneden.
Van lighte stof, na dese Lightmis die ’t dus schickt,
Hy is in dit gewaey wel degelijck verstrickt.

Om betamelijck versoeck.

Men verghde my onlanx om op een Bruyt te dichten.
’k Sprack soo ick dit bestondt, hoe souw men my betichten?
Neen Vrint my dunckt niet dat sulck dichten immer sluyt,
Een yder (dit voeght best) dicht op sijn eygen Bruyt.
[p. 36]

Op Klaes, jonge Kraem-heer.

Niclaes wiert Vaer, doen hem sijn Wijf een kint gingh baren,
Maer och! de Vaer quam doe in veelderley gevaren,
Vaert hy noyt beter dan nu hy te sober wint,
Soo is hy Vaer, maer van een veel gevaerlijck kint.

Op N.

N. Doet aen my een eysch als Hooftman van sijn Gilde.
Maer siet jy Hoofdigh Man, of Hooftman, j’eyst in ’t wilde:
Jou Gilde wil van my een ongerechtigh gelt,
En hier uyt speurick dan: ’t is met het hooft gequelt.
[p. 37]

Op Amsterdam

DIt’s ’t koop-rijk Amsterdam, Astreaes hooghste troon
Gegroeyt in Krijgh, en Vreden.
Op alle Keysers, en op alle Koninckx Steden
Is Amsterdam de Kroon.

Op ANNA MARIA SCHUYRMANS.

Vrou Schuyrmans overtreft het puyck der wijste Mannen,
In ’t slechtste hoeckje van heur breynig’ harsen-panne,
’t Geen sy voor ’t Schuyrtjen houwt, (al is ’t beknopt, en kleyn)
Daer heeft sy in gehuyst al ’t kloecke Manne-breyn.
[p. 38]

Op een werck halfgevult met Lof-dichten.

Men toonde my een Boeck, maer och! de Man die’t stichten,
Had daer sijn lof voor aen, in twintigh mancke dichten,
Ick dacht doen: wat wil dit? maer ick bedenck het nouw;
’t Was lof op voor-raet, of ’et niemant prysen wouw.

Op een letter (doch weynigh) zin-rijck Werck.

DIt Boeck staet my niet aen wae rick mijn oogen wen’,
Ick schat die ’t schreef, een bloet,
Men seyt de Man was goer,
Dit kan oock wesen, maer dan schorten ’t aen sijn pen.
[p. 39]

Op Tijs, een dosijn Dichter.

Is Tijs een Rymer, die de kunst heeft op gevadt
(Na vinnigh ondersoeck)
Uyt het Poëte-boeck.
Hy is: des niet te min, en ick en weet niet wat.

Maen-dagh.

Men seydt de Maendagh komt eens ’s weecks, en hout sijn streeck
Dit kan ick niet verstaen.
Neen dese dag moet ongelijck, en onwis gaen:
Want Abram, die heeft ses Maen-dagen in een weeck.

Trouw, en Vrouw-mael.

DE Bruylofs tafel was noch naeuwlijcks van sijn plaets
Of Maey viel in de kraem, van twee vol-schape maets,
[p. 40]
Men seyd’ haer Bruygom had te voren by-gekropen,
Komt dit van kruypen, och! wat wat quam dan wel van lopen.

Iets op de selfde sin.

DIck seytmen is in langh by ’t wijfje niet gekrope,
Hy schout sijn weder-ga:
Maer, Dirrick kruypt op schae;
Als hy aen ’t kruypen raeckt, soo siet hy haest wat lopen.

Op een kraemende Maeght.

O Help Cupido! Riep een Meysjen, o ghy Blinden!
(Doen ’t werckje was voltooyt, haer keursjen was begort)
Hoe hebje my verblindt. Dit loogse niet: want kort.
Hier na viel sy in ’t ween, en kost geen * derde vinden.
* de Vader.
[p. 41]

Op Klaes.

Klaes wouw my in sijn Huys, (wat mocht de Man beginnen)
Waerom? Hy had een Boeck dat was ontstelt van binnen.
Is ’t Boeck sprack ick ontstelt, wat noot mijn lieve Klaes?
Jouw harsens gaen niet vry, het boeck is na den baes.

Louw noemde my een Grieck, ’t geen ick gewilligh lee.
Louw sey ’k jou rechte naem begint oock met een g.

Op een blasende Backer.

ICk hoorde Backer-buyr lest op den horen rasen,
Hoe sprack’er een: wat ’s dit, is daer de Vrouw in noot?
Neen sey een ander dat ’s een teken van heet broot,
[p. 42]
Is daer wat heets dacht ick; soo is het tijt te blasen.

Op Kees.

Je seght: Kees is een Man met veelderley gebreken.
Soo is hy arger als Niclaes, om recht te spreken;
Want dese Man is sot, dit is maer een gebreck,
Soo volght dan Kees die is veel slimmer als een geck.

Op Neel.

HOor Neel gingh kramen op een Sondagh, dat was fouwt,
Wel wat gingh Neeltjes an?
Sy wist wel dat me dan
Geen kramery en vent, noch kramen op en bouwt.
[p. 43]

Gehoornde Kramer.

EEn Man trock met een kraem op Marckten hier, en daer,
Om voetsel voor sijn lijf,
Derwyle stelden ’t wijf
Met een vreemt Kramer, noch een kraemje, binnen ’t jaer.

Op een Boeckje, genaemt Spore tot Deught.

Duit voor seker een mooy werckjen voor de Jeught,
Oock wel voor d’ Oude: want het is de Spoor tot deught:
Danck sy de Schrijver die dees’ blad’ren heeft gaen vollen:
Die sulcke Sporen geeft, beneemt de mensen ’t hollen.

Aen N.

GHy seght mijn Rymery weerhouwt soo menigh stuck,
En Boeckjen uyt den bant,
[p. 44]
Dit raje wel bekant,
Maer ’t helpt (neemt dit daer voor) een Boeckjen in den druck.

Op Kees.

Kees keef gelijck een Leeuw: sijn boeck-tuygh was niet kant,
Als ick hem had’ belooft, vergeef my sey ’k die sonden,
Sy waren langh gebonden;
Mae rick was sellever een weynigh uyt den bant.

Aen de selfde.

DIt ’s ongerijmt Oom Kees, wie sou jou doen niet vloecken?
Jy troontmen van mijn druck, en hout men by den dranck,
Komt dit mijn Wijf voor ’t oor, sy weet jou dit geen danck,
’k Krijg voor mijn tijt, wat praet, jy geeftme bier, voor boecken.
[p. 45]

Op een Wyve-smyter.

EEn Man vervooght sijn Vrouw, en gaetse stadigh plagen,
Hy slaets op ’t lijf. Waerom? om dat hy is geslagen.
Als hy met vuysten, aen sijn eygen Wijf vergaert;
Hy is geslagen met een boose Beulen aert.

Op Huygh, een slordigh Tuyn-nier.

GHy segt: Huyg heeft een Tuyn, bewassen wilt, en ruygh,
Hy stack nooyt hant, of spa, aen onkruyt, hoe, sou Huygh
’tOndeugende gewas verdoen? ’twaer niet te lyen:
Soo sou ’t een boose kruyt, het andere benyen.
[p. 46]

Op een grooten Eter.

Geeft een wond’re keel, hy stickt voor and’re seven,
Maer daer men reden voert, en heeft sijn tongh geen leven,
In’t gulsigh eten, soo verstreckt hy seven mans,
Een Man ter tael, sagh op soo seven Mannen kans.

Op Huyp, een volleert Logenaer.

Schoon Huyp in ’t liegen nooyt voor Logenaer en weeck,
Soo weet ick nochtans raet om hem eens na te liegen.
Ick liegh soo meesterlijck als Huyp, wanneer ick spreeck:
Huyp spreeckt steedts waerheydt, en soeckt niemant te bedriegen.
[p. 47]

Op ’t selfde.

Pas op, als Huybert gaept, met open oor, of oogen,
Neemt hy yets in? ’t is wijn, braeckt hy yets uyt? ’t is loogen,
En of hy suypt of lieght, hy doet dat billijck sluyt:
Het goede neemt hy in, het quade werpt hy uyt.

Aen N.

GHe seght ’k moet gelt van Dirck, maer ’k neem ’t voor seker aen:
Het is de Man om gaen,
Och! hebje dat vertrouwen?
Ick blijf j’ een vaste borgh; hy saltje wel onthouwen.

Trijn, en haar Man.

TRijn Eyste Joor een pot, hy moest die wegh voorby,
Maer Joor die ginght verkerven
[p. 48]
En brack de pot aen scherven.
Trijn riep: jou Potteboef, dat doej’ uyt pottery.

Jaep, en sijn Knecht.

JOuw dommen Ezel, soo roept Japick dagh aen dagh,
En meent sijn trouwe Knaep.
Maer seghme doch eens Jaep,
Saghj’ immermeer oock wel een gaewert van dat slagh?

Op Louwtjes Schelt-woort.

AY vatt’, Oom Louw en ick die stonden eens te saem:
Louw riep: jou Ezel, doch uyt boert, dit was te ys’lijck.
Oom Louwtje sey ’k, ghe bent (al sieje vry wat wijslijck)
In om onselschap, pas de tweede van die naem.
[p. 49]

Joor Gepaert.

JOor was altoos gepaert, of ’t had met hem geen val.
Ontpaerden hy in ’t bedt? hy kocht een Paert op ’t stal.
Waerom hy ’t antwoort kreeg: (doen hy om ’t Wijf gingh loopen)
Soo ghy gepaert wilt zijn, soo gaet u Paert verkoopen.

Op Bouw.

Oom Bouw die dreef altoos, maer kond’ het velt nau houwen.
Des klaegd’ hy ’t aen sijn Heer, maer die sprack: hoor eens Bouwen,
Eyst altoos vast bewijs. Neen seyd’ hy, ongeraen:
’k Neem sy bewesen ’t stuck, hoe soet wouw Bouw daer staen.
[p. 50]

Op het kopere Beelt van Erasmus.

DE Kooper van Erasmus goude Boecken,
Die s’ allesins als paer’len op gaet soecken,
Die oordeel, of het billick is of quaet,
Dat hier sijn Beelt van wichtigh koper staet.

Op het selfde.

SIe ’t Pronck-beelt hier, van Desideer,
Die met een licht’ en vlugge veer,
(Na dat de doot sijn vlees-romp raeckte)
Hem selven van swaer koper maeckte.

Op het selfde.

Men seyt dit Beelt wierd’ eer gesuyvert, en gewreven,
Met handen, die voorheen een strafbaer stuck bedreven.
[p. 51]
Indien dit nu gebeurd’ ick riep, met luyde stem:
Dees schuyrden eer ’t geboeft, nu schuyrt ’t geboefte hem.

Op sijn begroeyde Beelt.

HIer staet een helder licht begroeyt, bevuylt, ô spijt!
De glans van Rotterdam ontglanst hier, door de tijt.
Als ’t Beelt weer glans verkreeg, wanneer m’er ’t vuyl aflosten,
Een blanck’ Erasmus sou dan menigh blanckje kosten.

Aen Heyn gequelt met Podegra.

GHy klaeghtmen Heyn van ongesonde beenen,
Ghy roept: de pijn schiet my tot in de teenen.
Dan ’t wert by my voor wonder vreemt gekeurt:
[p. 52]
’t Gebeent’ lijdt straf, de keel heeft het verbeurt.

Op N. die bestraft wordende ter Kerck uyt liep.

EEn klock dreef N. ter Kerck, met ’t roepende geluyt.
Maer na hy songh, en badt,
En noch wat neder sadt,
Soo luyden hem in ’t kort de binne-klock daer uyt.

Op een Spotter.

N. Geck-scheert alle tijdt, met een geslepen beck,
Hy heeft gescharript tuygh, en scheert, maer vilt geen geck.
Maer let, wat dat hem nooyt tot dese wreetheyt porden,
Siet! metter tijdt soo meent hy selfs noch geck te worden.
[p. 53]

Op Griet.

Griet hangt den Adel-tooy om ’t lijf, och hoe behangen
Is onse Griet dan wel, om vier gemeste wangen?
Ghe vint Griet een Mevrouw, gedorst in ’t wilde pack,
Mae rmochtje in haer beurs, je vondt den bedel-sack.

Op het Dol-huys.

Get gaet’er qualijck, als dit Dol-huys wort een Vol-huys,
Met yele mensen, die geraeckt zijn in den dut.
Doch ’t grysen van de tijdt maeckt dit gebouw on-nut:
De werelt wort voortaen het volst gepropte Dol-huys.
[p. 54]

Op een Dronckaert.

N. Smelt, en hy vergaet: door sijn geduerigh suypen.
Hy knickt, en schuddebolt, alwaer hy henen gaet.
Men roept met luye stem: de Man druypt van de graet,
Maer die veel nat in giet, is ’t vreemt dat die gaet druypen?

Op een ander.

Teun krijght tot dranck van ’t Wijf acht stuyvers elck een dagh,
Soo Teun dan niet en kletst, noch loopt op vry gelagh,
Noch heymelijck sijn Wijf een nesjen af kan roven,
Is hy van ’t stof voor sijn acht stuyvers, nooyt bestoven.
[p. 55]

Noch op een ander Dronckaert.

DEes’ weet geen raedt om gelt, hy heeft’et al versopen,
En raet-slaeght om uyt noot sijn plunjen te verkopen.
Als die verslopen zijn, en hy naeckt hene kruypt.
Soo wort’et tijt dat hy hem selven dan versuypt.

Op Tijs.

Tys meent was hy gegoet, en diep in ’t gout gekroopen,
Hy sou uyt swackheyt, hem in Venus buyrt verloopen.
En moest Matijs de kost van’t minnespel, de geck
Was een bedurven Man, hy sturrif van gebreck.
[p. 56]

Op de selfde.

Dat Tijs van Vrouw-sieckt’ raest, dit schynen vremde rancken.
Uyt swackheyt (meent de man) verviel hy in dit quaet.
Maer ick in tegendeel, belagh sijn sotte praet;
Dat hy het Vrouw-volck schuwt, mach hy sijn swackheyt dancken.

Op Joost.

Driemael is ’t Hoogh-tijt ’s jaers, drie-mael speelt Joost den vromen,
En set hem dan ter Kerck, als waert een groote daet.
Maar ’t blijft altijts Hoogh-tijt voor Joost, hoe mach dit komen?
Het is Hoogh-tijt dat Joost sijn dwaelwegh eens verlaet.
[p. 57]

Op Toom.

Toom heeft een boos stuck vlees, en diese goet kost maken
Die schonck hy wel een kleet van’t allerfijnste laken:
Maer Toom en veylden nooyt soo los sijn fyne waer,
Had ’t grove gelt hem niet gelockt in dit gevaer.

Op een bedroge gelt-gierige Minnaer.

Aert vrijd een rijcke Maeght, daer hy reets in verheught, was:
Hem daght hy hads’ al wegh in ’t weligh Bruylofs-bed.
Maer ’tampt beletten’t hem, de Bruyt wiert hem ontset.
Aert wouw aen Rijck: waerom? om dat hy arm van deught was.
[p. 58]

Op de selfde.

Aert wil een rijcke Bruyt, en loopt ’er staeghs om karmen.
Hy gaet uyt sotte min,
Gehate wegen in,
Maer was het Meysjen arm, het bleef wel uyt sijn armen.

Op de selfde.

Aert hoopt’ op grooten buyt, en vet
Doen hy den swart-lap om gingh hangen.
De Godts-geleertheyt, maeckt hy’t net,
Wae rin men rijcke wijfs kan vangen.

Op twee pleytende Advocaten.

HIer gaen twee geleerde monden
Daer geen tong in leyt gebonden,
Wacker aen geleerde Lien,
Rep die leden als twee schimmen:
[p. 59]
Want hier moet een Bruygom klimmen,
Schey ’t geschil doch ras, op wien.

Op ’t selfde.

Twee geleerde Advocaten
Pleyten hier, als uyt-gelaten.
Wilje weten de waerom?
Yder heeft een Bruyt te echten.
Hoor twee heete tongen vechten,
Om een koelen Bruydigom.

Op een Vader, en een stoutmondige Soon.

ALs ick de Vader sie, gedeckt met gryse haren,
Oordeel ick dit’s de Soon, die hem de Vrouw gingh baren.
Hoor ick des Soons snoo tongh, met d’oogen bey geblint?
Keur ick de Soon, de Vaer, de Vader, keur ick Kint.
[p. 60]

Op ’t Trecken van Burgers, en Boeren, op een steetse Kermis.

Drie dagen Treckt dees steetse Burgery.
Gepunt, gepieckt, gepluymt, gekreuckt, in ’t Zy.
En ’s daeghs daer aen, (om ’t Trecken te volvoeren)
Treckt Brouwer-vocht den Boer het Kallif af;
En’t natte vaen, van daer men volop gaf,
Soo dat de poort Kalft; uyt-gekalfde Boeren.

Op Alle Venen Kermis.

Is het Kermis Alle Venen?
Jeuckter menigh hiel, en tenen,
Na een Schuymers lichte klanck:
’t Mesje kan den wegh daer banen,
Dat nu bloen doet, morgen tranen:
Al het Veen veeght Narren-dranck.
[p. 61]

Op een Dick-sack.

WAt hebben hier twee pylers al te schragen?
Wat wicht van vlees moet hier ’t gebeente dragen?
Sag soo den Boer, sijn Os, hy was verheught,
Is dese light, soo is hy ’t in de deught.

Anders.

DIt schijnt Heer Bacchus selfs, of van sijn Knechten,
Wil dese keel met Bacchus Helden vechten?
Soo stelt hy haest ’t swaer lichaem sonder stut:
Wijn-zieck gebeent’ is tot geen dragen nut.

Aen Ann’.

WAnneer je soete An jou armen hebt gaen stroopen,
En komt dus toegemaeckt ontrent mijn oogen loopen.
[p. 62]
U settende ter neer,
Soo stroopje wel wat meer.

Op Hans.

Gans had niet aen sijn lijf, of’t was om gelt te koop,
Soo sprack hy ,maer ick seyd’: loop gecke Hans, ay loop.
Ghe weet niet watje segt, met onbesuysde kaken:
Indien jy ’t al verkocht, wat wou dan ’t Wijf gaen maken?

Op Maey.

Maey is laetdunckent en hoovaerdig in den gront.
Sy maeckt een Juffers lijf, maer heeft een Vis-teefsmont.
[p. 63]

Op Lijs.

Lys heeft een droncke Man, maer seytse: hy is goet.
Als hy haer stoot, en slaet, soo is’t de wijn die ’t doet.
Maer hoe beloont’et Lijs, na haer gelede pijn?
Lijs suypt nu als de Man, en wreeckt’er op de wijn.

Vaer, en Soon.

EEn Vader ley sijn Soon een sware hant om d’ooren.
De Knecht ging om dit werck hem vreeselijck verstooren,
En sprack (op dese douw)
Ay segh eens, wie moeyt jouw?
[p. 64]

Op een Krom-gebeende Looper.

’k Sag ’t Uytrecht vechten, maer een karel teegh stracks voort,
Na ’t scheen, hy kreegh een schrick, en liet de Krygers krygen.
Ick oogd’ hem na, en sagh hy liep vast (onder’t hygen)
Met krom en scheef gebeent, recht-uyt, uyt uytrechtspoort.

Op seker Schipper.

HOor Mees wiert Schipper-baas, hem wiert een veer geschoncken,
Den Baes en had geen Schip, hoe moest hy doen staen proncken,
Maer doen hy met veel roys een Schip kreegh, op de Maes,
Leerd’ hy hem selven laen, nu heeft’et Schip geen Baes.
[p. 65]

Aen Krijn-Oom een oudt Gaergoetje, wanneer by om sijn Vilt
te sparen blootshoofts door een harde regen-buy liep.

SOo Krijn-Oom dit ’s de wegh om lijf en ziel te breken;
De drup’len op de kop, het hoetjen in den arm,
Dus maeckj’ al vatj’ een kou, jou Erfgenamen warm,
Begiet jou kale kruyn vry met die kille beken.

Ay spaer (soo moet’et zijn) jou Viltje, voor jou lijf,
En set het gryse hooft ten doel van kouwe droppen,
En loop soo seven mijl, door dick, en dun, heen soppen:
Want eleken kouwen drop, geeft haer een gouwe schijf.
[p. 66]

Aen een Brandewijn Verkooper.

Myn vrient jou waer is heet, sy komt’er veel te pas;
’t Wort dick’ de neering van die kout zijn in den tas.

Een Poëet, en sijn Wijf.

ALs Teunis rijmt, soo wil sijn Wijf
Hem met sijn prullen, en sijn dichten
(Schoon ’t was een ongerijmt bedrijf)
Al rymende ten huys uyt lichten:
U dichten Teunis baert haer pijn,
Sy denckt: wat mach de geck al stichten,
Hy Dichte liever dicht by mijn.
[p. 67]

Aen seker Bruydigom.

Geer Bruydigom (uw Bruyt doet dese naem u dragen),
En waert gy niet gebruyt, het was haest Bruygom uyt.
Doch blijfje Bruydigom soo langh ghy zijt gebruyt.
Soo kon dees mooye naem uw wel voor eeuwigh plagen.

Aen de Bruyt.

Vrouw-bruydt (die dese naem maer draegt drie korte weken)
Ick heb een beetje voor jou Bruydigom te spreken;
Maeckt dat u Betgenoot na ’t echten van een Vrouw,
Niet langer is gebruyt dan’t daghje na de Trouw.
[p. 68]

Op het uytgaen van een Pape-kerck
wanneer ick lanx de wegh ging.

HIer deed de Priester Mis, en misten Godt in ’t voetsel.
Gewis, ick siet, aen al dit misselijck gebroetsel.
Indien aen my nu stont het weren van die saeck,
Ick speelden degelijck op sulck een misdoen raeck.

Op het bassen van een Hondt, leggende aen een keten.

DIt’s Hollandts Honde-tael, en ’t is soo veel te seggen:
Soo ick ontketent was, ick groet u met den tant.
Dat gy mijn beten mist’, bedanck hier voor den bant
Daer my mijn Meester (dit voorsiende) aen ging leggen.
[p. 69]

Op een Galgh, en een Dief die daer aen hingh.

SIe hier hanght eenen Dief, die met sijn bast gepaert,, is
Aen een drievoetigh dingh dat voor een Galgh vermaert,, is.
Sla ick mijn oogen recht op dit Gerechts-gebouw,
Ick vin vier stoffen, dit ’s: steen, yser, vlees, en touw.

Op het sien van een Stier, geleyt
van een Jongen die op een horen blies.

HIer gaet den Stier sijn stap, t’wijl hem sijn Stierder stiert,
En op een horen roept,’t gehorent Koe-gediert.
Die altoos om moest gaen, met seven sulcke dieren;
Soo eene Stier vooght had een werckje te bestieren.
[p. 70]

Op Teeuwis.

Raeckt Teeuwis wijn-vol t’huys, soo rijst’er mis-verstant.
Hy wort door ’t suypen een verkeert Comediant;
De Kroeg geeft hy de klucht, uyt droncketijt-verdrijf,
Zat t’huys, soo speelt hy de tragedy met sijn Wijf.

Doodt-bidders en Papen.

Dood’-bidders swemen nauw in haer bedrijf na Papen;
Bey bidden sy na dat de mensen zijn ontslapen.
Sy bidden bey om loon, en om de ronde schijf.
Een munt ’et op de Ziel, den ander op het Lijf.
[p. 71]

Op Leen, gequelt met Tant-pijn.

Leen (als een rasend mens) die kermden in sijn beenen,
Waer op den Doctor quam, en vontse bey gesont,
Aen knock, aen knie, aen kuyt, aen enckel, bal, en scheenen.
Maer Leen riep: domme Vent, ick hebse in de mont.

Aen een die sijn Backer met een Mes dreyghde
als hy van hem wiert gemaent.

WAs’t niet genoegh gekerft in’t afgehaelt geback,
En heeft u ledigh stael niet anders uyt te rechten,
Als nu den Backer selfs te kerven, te bevechten?
Steeckt in geen Backer, ’t mes voeght beter in u sack.
[p. 72]

Antwoort aen N. voor Teun.

GHy vraeght aen Teun: waerom hy nooyt sijn Jan-Oom acht?
Maer hoor of onse Teun geen reden heeft gevonden:
Sijn Jan-Ooms gierigheydt gaf hem twee diepe wonden:
Dat is een kale beurs, een Dief in sijn geslacht.

Op een dravent Rijm.

HOe ick netter, hoe ick nauwer
Mijn gesicht sla op dit rijm,
Hoe ick meer van wonder swijm:
Elcke letter eyst een lauwer.
[p. 73]

Op Kees.

Kees viel in groot geschil; om’t eygen woort; van beest.
En let eens, met een quant, van een geswinde geest.
Kees sloegh den Bybel op, en wou hem daeraen binden,
Hem dacht, hier las hy’t wel, maer d’ander dreef van neen.
Indient ’er immer stondt, voor seker (sprack’er een)
Soo sal het eene beest het ander daer wel vinden.

Op Piet.

Piet kocht een Luysemart met half geslete Schoenen,
’t Wijf sal hem met die waer (riep een) ten huys uyt boenen,
Neen sprack een ander, ’t Wijf en is niet half soo wreet;
[p. 74]
Soo Piet met sijn geschoent geen kousjen en vergeet.

Op de selfde, als hy over het bovenstaende
rijmtje, hem aen my wreken wou.

Piet dreygtm’: om dat ick riim op sijn gekochte Schoenen,
Hy briest, hy baert, en roept: hy wil my hevigh boenen.
Maer Pier die slaght sijn Vrouw hy is niet half soo wreet.
Sijn groote boen-lust waer aen ’t Schoewerck best besteet.

Op de selfde, als hy my met een tegen-rijm betaelde,
daerin by my om ’t andere woort met de kous aen ’t boort quam.

SIe Pier slaet met de kous, als hy hem wreeckt, uyt moet,
Maer was hy Mans genoegh, hy liet de Vrouw haer goet.
[p. 75]
Ey let eens, Pier soeckt stof, om my wel hart te foppen,
Dit wil hy met gewelt uyt soo veel kousen kloppen.

Noch op de selfde, als hy korts daerna op seker
Erf-huys een Harnas kocht, voor 15. stuyvers.

Piet koopt een Harrenas voor eene dartigh groot,
Dan om wat reden, en kan ick voor vast niet weten.
Maer ’k hou voor seker; ’t is uyt vrees, voor ramp, of doot;
Een rymend’ Delvenaer is hart op hem verbeten.
Of van de Penne-strijt, de wraeck eens hooger voer?
Sie Piet wil schoot - vry zijn, voor een moordadigh Roer;
Hy denckt: gewapent best, ik moet voor mijn welstant waken;
Die eer een Kallef schoot kost nu een Ezel raken.
[p. 76]

Op het ontmoeten van vier Juffers op een Speel-wagen.

SIe, hier ontmoeten my vier Juffers, op een Wagen,
En yder voor sigh selfs schijnt wel een vierigh dier,
Uyt twee paer Jufferen, soo tel ick vier mael vier.
Dit sou dan een getal van ses en tien bedragen.

’t Houw’lijcks goet van Floor, en Fy.

Floor trouwden Fy, en rae, wat datse t’samen brachten?
Fy had † twee blancken, en een ronde * dicketon.
† Twee blancke Dochters, * een swanger lichaem.
[p. 77]
En van des Bruygoms kant (’t geen sy niet missen kon)
Behuwden zy een schat van seven +stucks van achten.
+ Seven kinderen daar ’t achtste van doot was.

Op seker vrint die droncken, onverstandigh was.

HOor Mannen, ’k weet’er twee die willen nooyt by een,
Als d’eene binnenkomt, tijt d’ander op de been.
En wilje weten wiese alle beyde zijn?
’t Is Gijsjes redelijck verstant, en ’t is de Wijn.

Op de naem van seker Juffer.

EEn Juffrouw droeg de naem van Juffrouw Buycks, die mooy was.
Een Jonghman groetese, die graegh met haer te kooy was,
[p. 78]
En sprack: Me-juffrouw ’k sagh, en kenden u, wel eer,
Maer op u naem kan ick niet komen, na begeer.

Op Heyn-slomp.

Geyn-slomp door minne-brandt, staptt onlangs na sijn Neeltje,
Alwaer hy voor haer deur eens neurden op sijn Veeltje,
Maer Neel, (pas in de rust)
Schiep in dit spel geen lust.
Maer steegh ten bed’ uyt, en beschonck hem met een dropje,
Nu is de vonck geblust, met Neel niet, maer haer sopje.

Op een Waert, die wel gelt kende.

DIt is geen botte Waert, ô neen, dit waer oock schanden.
Dit is een scharpe Vent; ’t scheert al wat aen hem is.
[p. 79]
Sijn vlees sal’t op de wijn wel houwen, en op vis,
Dees’ Leuyaert sackt, het gelt, met twee gesackte handen.

Op Kroos-wijck.

DIt’s Kroos-wijck daer geen Man met slempen kan verrijcken,
Hier schaftmen gelde Snoek, en Baers, die na de buyl
Te doots vergiftig steekt, hier scherstmen met de muyl,
’t Geen slempers van haer kroost; van wijf en kint doet wijcken.

Levertjen van een Capoen.

Gy die dees lever gaf verloor wel eer het zijn.
Veel sijn dit beest gelijck geworden, sonder pijn.
[p. 80]

Op Man, en Vrou.

EEn Man schoot uyt sijn rust, en wensten ’t Wijf, goe morgen.
De Vrouw (op dese groet)
Sprack: Jan ghy wensten my wel vijftigh morgens, goet.
Maer nooyt en gingt ghy my met eenigh goet versorgen.

Op de Vryaesje, van, seker vrint, wiens van de Winter was.

Cat’lijntje vrijt, om dese tijt, van ’t nieuwe Jaer.
In guur, in strenge kouw, wil haer de winter winnen.
S’is in de winter, en wil sy de winter minnen?
Heeft s’ in de somertijt de winter weer in haer.
[p. 81]

Op Louw, die seyde op seker Raet-huys
Ezels gesien te hebben.

Louw drijft, op ’t Raet-huys daer zijn Ezels op de been.
Een Ezels breyn, doet hem dus Ezel-achtigh spreken:
Louw heeft op ’t Raet-huys in een spiegel-glas gekeken,
Hoe kond’ doen missen dat een Ezel hem verscheen?

Op Ian, die voor een Schoorsteen in’t begin van een schemp-versje,
loop geck sette.

Doen Jan hier schreef: loop geck; uyt trots, en eygenwaen,
Soo stont hy op twee beenen,
Geballast met geck stof, en of ick riep, peur heenen,
Noch bleef hy veel te langh voor dese Schoorsteen staen.
[p. 82]

Op Flip, en sijn Vrou.

Flip kogt een Wambays uyt een Harte-huyt gesneen.
De Vrouw (om dese koop) was wonder wel te vreen;
Wil Flip in ’t Harte-vel, soo dachtse weet ick raet
Tot twee getackte, want dit past by zijn gewaet. ’

Op Ian.

Jan had een quade broeck, gelapt, en heel door-regen,
Jan wouw hem losen, maer de Vrouw die was daer tegen;
Al isse oudt, en quaet, ay (sprackse tot haer Man)
Ick sal daer licht noch wel wat goets uyt krygen, Jan.
[p. 83]

Op las.

HOor Jas had met sijn maets onlangs wat vreugd’ bedreven,
Maer’t Wijf ontmoeten hem als ’t hooft der Appel-teven.
Sie Jas kreegh een geschenck, maer ’k achten ’t eer een vloeck,
Hy kreegh een Wambays, want het Wijf stack in den Broeck.

Op Dirck een Schipper, als men hem na gaf dat hy
yemants Uyrboort genomen had.

Men seyt dat onse Dirck is uyrboort-achtigh, neen
Dit kond’ ick aen de Knecht voor al, noch sien, noch hooren,
Schoon hy een Schipper is, soo weet ick van tevoren,
Was hy een uyr aen ’t boort, hy was niet wel te vreen.
[p. 84]

Op Ian die een groote neus, en weynigh spraeck hadde.

Jan sit als waer hy stom, hy voert geen enckel woort,
Men seyt souw ’t met de Knecht wel wesen, soo’t behoort?
Maer hoor hier reden, of soo niet, ick salse gissen:
De neus is yet gedeelt dat nu de tongh moet missen.

Op Tijs, een gewaent Poëet.

Tijs noemt hem een Poëet, ’t geen niemant kan vertrouwen,
Soo is hy voor hem selfs dat nooyt een ander siet,
Maer Tijs is weer het geen hy selfs nooyt kon beschouwen:
Tijs is een grooten Nar, dit siet hy selver niet.
[p. 85]

Op fijne Dirck.

DIrck is naeu van gemoet, hy pleeght niet graegh de sonden,
( Soo spreeckt sijn tongh gestaegh, hy noemt (die quaet doen) schuym,
En doemt al die, die ooyt voor Schouw-toneelen stonden,
Maer als hy suypen mag, wort sijn gemoet vry ruym.

Op een Straet, de Volders-gracht genoemt.

DIt graghje heet: (met recht) altoos de Volders-gracht:
Hier ’s meenigh graghje dat oock na een Volder wacht.

Piet, en Aeght.

ALs Piet komt uyt de kroeg, bevangen van den drop,
Roept Aeght jou rechte beest, jou droncken Duyvels-kop;
[p. 86]
Soo is dan Aeght voor vast een Duyvel, sou ick vreesen,
Piet is haer hooft: soo moet dan Aegt de Duyvel wesen.

Op Koen.

Koen moest de Stadts-poort uyt, wat had’ de Man bedreven?
Man-slagh, of dief-stal? Neen, hy nam nooyt mens het leven,
Maer Koen die wiert betight (en daerom droegh hy straf)
Met mensemakery; en dat hy milde gaf.

Vlees-lust, van Maerten.

ICk ging met Maerten Neef eens op de Hal, voor dees’,
Hy hadd’er nau sijn voet of kreeg’er lust tot vlees,
Een Vryster vraegden hem wat dat er mocht ontbreken?
Ick soeck hier (sprack hy vlees) maer ’k moest’et selver steken.
[p. 87]

Op Louw.

Louw seyd’ ick onlangs, hoor, of ick j’ op heeter daet
Derwijl je met my twist, en oor van ’t hooft ging snyen,
Sou dat een schelm-stuck zijn? hy sprack volmondigh: jae ’t.
Louw sey ’k soo benje dan het geenje nooyt wouwt lyen.

Op Dirck.

DIrck wou een starcken Os (die voor geen bijl wou swighten)
Met eene slagh wel slaen (soo sprack hy) onder voet.
Elck wed’ van neen, maer Dirck gingh ’t beest sijn poot op-lighten,
En gaf het daer een slagh, ick hiel die kunst voor goet.
[p. 88]

Op Lubbert de Schoenmaker, een oudt Vryer.

Is Lubbert niet berooft van sinnen,
Dat hy geen smaeck en vint in ’t minnen?
Of is’t om dat hy niet en weet
Wat vreugd’ het is, een Vrou te soenen?
Neen, Lubbert worstelt in met sijn schoenen
Dat hy het kousjen heel vergeet.

Op een hooghmoedigh Bultenaer.

Is ’t vremt dat hoovaerdy wouw in dit lichaem treden
Met al haer na-sleep? Neen, hier toe soo vondt sy reden:
Want d’opgeblasentheyt voorsag hier haer gemack;
Sijn opgeblasen rugg’ is haer een dienstigh dack.
[p. 89]

Op Utrecht, wanneerm’er in seker Sterf-huys
besigh was om goet te deylen.

WAt recht men t’uytrecht uyt in’t deelen van de schyven?
’t Gewijst’ speelt daer den baes, soo luyt mijn vrient sijn schryven.
Och was hy uyt-recht uyt, en had hy maer sijn Recht,
Recht uyt, ’k liet uyt-recht daer al vielder een gevecht,

Op seker huys, van een Weduw’ gekocht.

EEn Weduw’ koopt dit huys, en set’et veyligh open,
Al heeft sy weynigh goet,
Ay vat; waerom zy ’t doet:
Het is, om dat het huys de Vrouw souw doen verkoopen.
[p. 90]

Geschil.

’k Viel met twee Mannen eens in groot geschil, om leuren,
Met wien ick had te doen voorsagh ick van te veuren,
d’Een leeck een stootligh dier, en d’aer een fellen Haen,
Ick daght: ’t waer beter met twee beesten om te gaen.

Op seker Schoenmaker die een Tapper wiert.

SIe dees’ verwurp sijn Leest, met al sijn Koeye huyen,
En set een tapjen op, zijn dit geen sotte buyen?
Neen ’t: als sijn k’lanten spouwen
Soo gaet hy Kalfs-leer touwen.
[p. 91]

Aen Klaes die my voor geldeloos had uyt-gemaeckt.

DIe Man en heeft geen geldt sprack Klaes, en meenden mijn.
Maer vrintje ’k neem ’t in ’t goet, doen sprackje door den wijn.
En schoon ten wae’r soo niet, ick acht’et eene spijt,
Of my een Mugge steeckt, of my een Stront-vliegh bijt.

Aen de Heer Westerbaen, over sijn Boeck, genaemt: Kost verloren.

Geer Westerbaen, wat moght u tot dit schrift bekoren?
’t Is tijt, ’t is moeyt’, papier, in ’t kort ’t is kost verloren.
Ghy zijt te vol van gal, u pen te spits van beck.
Sie! u verlore kost wert na den druck tot dreck.
[p. 92]

Anders.

VErvoerde Westerbaen, hoe roert u pen den beck,
Wat buyten-westise dulheden of u drongen,
Doen ’t kost verlore liet by u wiert opgesongen?
Recht kost-verlore stanck roert ghy uyt ouwen drecks.

Aen een die om sijn lang-haer gefopt wiert.

GHy zijt hier dubbel wel, schoon of ghy klagend’ (aert)
Al roept: men schiet my hier tot ’t vlees toe in de veren.
’t Geschiet om best wil vrient, men valt u aen met scheren:
Dit had’ ghy lang van doen: ghy zijt te lang gehaert.
[p. 93]

Op Trijn.

TRijn koght door quaden raedt een * avontuerlijck Rat;
Sy daght niet anders of haer Wieltjen liep heel glat.
Maer wat behoefden Trijn dit dingh voor gelt te koopen?
Haer Rat sal selver avontuerlijck genoegh loopen.
* Een Huys soo genoemt.

Op de selfde.

TRijn koght een wanckel Rat, en nu sy ’t Rat vry dier,, heeft,
Nu past het haer als aen een Wagen, die ’er vier,, heeft.

Op een Norsse Karreman.

DIe dese As-kar komt te voeren,
Is een van d’aller-lompste Boeren,
En soo een heerlijck ampt niet waert,
Dat hy het Burger’-vuyl voert buyten.
[p. 94]
Sal ick hier recht de waerheyt uyten:
Den Ezel is hier Heer van ’t Paert.

Wat een Waert wort.

ALs ’t geldt versopen is, uyt los en lighten aert.
Als ’t op-gevreten, en geen eene brock verspaert,, is,
En als den slempert geen een Hollants oortje waert,, is,
Dan wordt hy evenwel op ’t aller-leste; Waert.

Op Lijs.

Lys scholt twee Mannen voor kael malj’ uyt, in de stadt.
Maer wat was Lys, eer sy een kale naelden had?
Al watse Vryster droegh, was kaeltjes oudt, en quaet,
Een naelden naeyden haer kael, in ruygh gewaet.
[p. 95]

Op Matijs, die sijn Huys verfde.

Matijs die verft sijn Huys met vaste oly-verven,
Het houwt’et seyt’ y goet, voor ’t rotten, en verderven.
Maer Tijs, je hebt jou neus met Wijn-verf dick gesmeert,
En siet jou lichaem rot, jou ingewant verteert.

Op een lichte schilder.

DEes Schilder is vry ligt, men siet hem alsins swerven,
Hy vliegt (gelijck een veer) van d’een in d’and’re stadt,
Als waer hy op-gemaeckt van d’aller-lightste verven.
Hoe vinnig dat hy suypt, hy wordt nooyt swaer van ’t nadt.
[p. 96]

Aen Huygh.

GHe seghtme lieve Huygh, jou lust loopt op geen Trouwen,
Ghe vraeght: wat winning waer ooyt aen dees sotheyt vast?
Een uyt-geplundert hooft, een eyndeloose last,
Een hock vol kinderen, een sack met na-berouwen.

Op seker Tammert, die een wilde naem droegh.

DEes draeght een wilde naem, maer ging nooyt wilt gestrickt,
Men heeft hem nimmer met een wilde draght sien sweven,
Hy schouwt de mensen, en in ’t kort hy weet te leven,
Als waer sijn Moeder van een uyle vrucht verschrickt.
[p. 97]

Aen een Stadts-Schutter, die ’s nachts ronde doende
sijn, Kling-schee verloor.

Uw Kling-huys zijt ghy quijt, die fout is niet te schoonen;
Ghy helpt een Stadt behoen waerin veel Borgers woonen,
En zijt niet mans genoegh (wie sagh ooyt slechter dingh?)
Dat ghy naer eys behoet, de woonplaets van uw Kling.

Op seker Wint-breker die altoos met de mont een schip uyt ruste.

DEes’ wacht altoos een schip, of sont’er eerst een uyt,
Het Schip daer hy op snuyft is d’Amsterdamse Schuyt,
Die wel een brief voert: om aen’t heerschop te bestellen,
Op sullick vaertuygh valt sijn hooghmoets Zeyl aen’t swellen.
[p. 98]

Op de selfde.

Seg waerom en sou dees’, (al was sijn breyn nooyt schrander)
Oock niet een Koopmans Schip uyt rusten, trots een ander?
Ja geen bequamer Man als N. heeft hy ’er splint,, toe:
Hy wint yets uyt; reed hy een Schip? Hy heeft’er wint,, toe.

Op Ann’ een Wijn-steeckster.

Ann’ houwt den Wijn-bouw an, en Ann’ is wel beraen:
Geefts’ haer de kost ten halven,
Die vocht kan broots-noodt salven,
Sie Ann’ is ’t nu gewoon te licken van de kraen.

Op Lammert.

DIts Lammert over-al, dit’s Lammert, waerj’ hem siet,
Is ’t alles Lam aen ’t lijff?
[p. 99]
Dat schaet voor al sijn wijf.
Mijn kreupel oordeel raeckt soo na aen Lammert niet.

Op Krijn, een uyt-gedrooght Winckelier.

Krijn klaeghden als een geest; daer was geen gelt te winnen,
Hy sprack: sijn Winckel-waer en wiert gans niet gesocht,
Dit spotje sey ick Krijn (met stapt’ ick eens na binnen)
Dat hier geen neeringh is; je bent schier uyt-verkocht.

Op Joor, een Stoffert.

JOor had een dicken dief vroegh morens al ontfangen,
Dit seyd’ hy alle man, en bracht ’et door de stadt,
Als had hy neeringh, en hier was hy me behangen:
[p. 100]
Maer ’t was een penning daer sijn Gilde hem me badt.

Op een Schipper, die aen my over sijn Knechts klaeghde.

ICk heb twee rouwe Knechts (soo ging een Schipper spreken)
Die anders niet en doen, dan my de harsens breken,
Sy strijcken (sey ick) dan haer daghloon nooyt voor niet;
Want doense t’scheep niet veel? soo doense altoos yet.

Aan gelt-gierige Els.

’t Zyn valse schellemen seydt Els (met ’t ronde keursje)
Die met een praten met mijn gapent Weeuwe-beursje.
Maer Els my dunckt je dult: uyt wanhoop, stout, en steegh:
De gelt-sack wilje vol, de Weeuwe-beurs niet leegh.
[p. 101]

Op Lijn.

Gys-oom die droegh een Vilt, en slecht gewaet daer by,
Lijn (die nu na sijn sterven
Maer dacht een brock te erven)
Die loopt in’t deelen mis, en kleed’ haer reeds in ’t Zy.
Dit ’s troost’loos arme Lijn; ick oordeel Gijs-ooms schyven
Die zijn’t heel ongewoon voor Zy-gewaet te blyven.

Klaes, en sijn Heer.

EEn Heerschap tast’ een Os, daer d’eerste ribben lagen,
Klaes, had door ’s Heeren last oock hant aen werck geslagen,
Maer greep na knie, en schonck, sijn Heer riep: dommen bloet,
Waer voel je? Heer sey Klaes daer ick het eten moet.
[p. 102]

Op de hitte in Maert, en de koude in April.

’t WAs somer in de Maert nu winter in April,
Men trilt, men klepper-tant, men voelt een wijt verschil,
April besogt de Maert en was haer wellekom,
En nu weer Maert April, sy haelt haer scha weerom.

Als my seker Vrou belette.

EEn Vrouw belette my, wanneer ick sat en dichte,
Ick wensten menigmael, sy wou haer hielen lichte,
En korts na dese tijdt (ick dacht hoe gaet dit soo)
Sou ick yets dichten, en ick had een Vrouw van noo.
[p. 103]

Aen een Timmerman.

GHy schrijft te ruuw Niclaes voor u geschaefde delen,
Vent vry jou houwt soo uyt: gewis ghehouwt’et velt.
Ick sie hier houwt te veel: ’k viel anders aen’t krackelen.
Ick houwt’er voor Niklaes, je houwt jou houwt op gelt.

Op Leen, en sijn Wacht-hondt.

Leen houdt een seer trouw beest: om voor sijn gelt te waken;
Soo dat geen Dief sijn huys (op ver na) derft genaken.
’t Beest is op al’t gedieft’ (sijn baes daer buyten) gram.
Een trouwen Hont waeckt light ’t gelt, dat door ontrouw quam.
[p. 104]

Op een gegeeselden Dief, die twee-mael gebrantmerckt wiert.

SIe hier een wonder slagh, met roeden af-geslagen,
Sijn rugg’ krijgt d’eer; om twee Stadts-Wapenen te dragen,
Dat dees’ gestroopte Knecht een goejen Dief is, blijckt:
De Stadt heeft hem hier voor (als dobbel goet) ge-yckt.

Op een gepluymde Joncker.

DEes’ Joncker heeft een pluym om ’t hooft-verdeck gaen winden.
Hoe kond’ hy tot sijn dracht een lighter stofje vinden?
Hy wil den dullen hoet, uyt een verdulde zin
Gaen voegen, tussen twee heel lighte stoffen in.
[p. 105]

Op een droncken Schutter.

DEes’ stondt in ’t wapen flus, of hy de droes sou bannen,
Gelijck een and’ren Mars. Hy ging, een Leeuw, in moet,
Nu keert hy als een Schaep. Sijn krijgslust is geboet:
Dat week, en hand’loos was dat heeft hem gaen vermannen.

Op twee Blinden.

Twee Blinden in gespreck (ay let, wat vremder dingen)
Die hadden ’t wonder druck van spelen en van singen.
d’Een Blinden dreef een saeck, en hiel, sy kon geschien.
Maer d’ander Blinde sprack: al sacht, wy sullen ’t sien.
[p. 106]

Op Fy, en Aert.

Er is een boosen droes, maer heeft een goeden Aert,
Ghe segt: dit’s vremt gepresen!
Kan boos, goed-aerdig wesen?
Mae rlet,de Man is goet, waer me sy is gepaert.

Op Fop.

Sai Fop gelijck ’t betaemt sijn eygen Meester zijn?
Moet hy met nucht’re leden,
Sijn wandel-pat betreden:
Want t’huys is ’t Wijf den baes, en in de kroegh, de Wijn.

Aen seker vrint, als wy na een hevigen twist,
de vrintschap hadden gedroncken.

DE wraeck-huft waerde vrint, deed’ ons in vyandtschap
En liefde-loosen haet, ruym twintigh dagen leven,
[p. 107]
Maer danck dien go’en Heer Jan, daer by de France Nap,
Dit zijn de twee die ons de vree in ’t harte dreven.
’k Laet andere de vlam van hunnen toren koelen
Met vuysten, of met hout, met stael, en sulck geweer,
’k Kan beter met de wijn den haet van ’t hart af-spoelen,
Het eerst maeckt wonden, en dit wapen doet geen seer.

Op Trijn.

TRijn heeft een maeghdom veyl, sy was wel graeg aen ’t trouwen,
En niemant wil aen Trijn, al toont s’er noch soo groen,
Hae rmaeghde-pack valt hier te lastigh om te houwen.
Trijn veylt een satte waer, wat kan sy beters doen?
[p. 108]

Op Lyvijn.

Lyvynen Uyt-hangh-bort is ’t gulden hooft, dat ’s waer,
Sijn Truy wil ’t hooft zijn, maer dit hooft geleeck nooyt ’t haer,
Lyvijn is mooy gehooft: hy heeft (schoon tegen sin)
Een gout hooft voor sijn deur, een drommels-kop daer in.

Aen Yemant.

ALs dees aen ’t snorcken raeckt roemt hy op harde schyven,
Verwaende Man, wel hoe! is dit soo vremden maer?
Jou Moertjen eer (goe sloof) sat onder Stock-vis-wyven,
Is’t gelt nu hart? niet vremt: het quam van harde waer.
[p. 109]

Op Truy.

Gy krijght een blauwe scheen, wie dat by Truy de snaren
Na Minne-deuntjes stelt, al mists’ een gave muyl.
Elck wilder aen, waerom? om haer gespeckte buyl,
Maer om dat Truy dit weet soo wil s’er beurs bewaren.

Op de Hont van Yemant, in sijn nest doodt leggende.

HIer wort (getroffen van de doot)
Den trouwen Coridon gevonden.
Hy sturf van kouw, en hongers-noot,
Het was een puyk-stuck vande honden.
Geen Buyr-hont stont hem by op ’t lest,
Noch Vaer, noch Moer, noch goe bekende,
Door broot-sugt hold’ hy na sijn ende,
Sijn Meester joegh hem Hol in’t nest.
[p. 110]

Op Loutje, droncken een Poeet.

ALs Louwtjen, droncken is soo spreect hy op de maet,
En vaerst het al aen een, tot dat hem ’t kalf ontgaet.

Huyr-brief voor een oudt vervallen huys.

HIer vint ghy Burgers noch te huer
Een oolick nest, een ouwe schuer,
Geen ledigheyt hoeft u te quellen:
Indien ghy garen weten soud,
Wat tal van lappen dat het houdt,
Soo vindt ghy werck, om die te tellen.

Waer toe veel seggens, of geraes,
In ’t kort, het huys gelijck’t sijn baes,
Geen eensaemheyt sal u hier quellen
Hier ’s kans dat ghy geselschap vint,
Aen Muys, en Rat, aen roock, en wint,
Dees’ vier die sullen u versellen.
[p. 111]

Op Heyn een Vrouwen-man, maer geen Vechter.

Geyn prijst Cen schoone Vrouw, maer had nooyt vechtens lust,
Hy heeft hem over-mant die hem maer stout kan dreygen.
Waerom? hy heeft geen hart, het is hem afgekust,
De Vrouwen hebben ’t in, het is hem selden eygen.

Op Griets Bybel met goudt beslagen.

Griets Bybel pronckt met goudt gewaet
Varr’ boven macht, en boven staet.
Dit kan een ander niet gedogen.
Men boert, men schimpt hier op, men spreeckt:
Sie! ’t boeck heeft, dat de beurs ontbreekt.
Somtijts en is ’t niet al gelogen.
[p. 112]

Anders.

WAer toe het Boeck in sulck gewaet,
’tGeen selfs de hovaerdy weerstaet?
’t Goudt sluyt den Hemel toe (met reden,
Wie op het goudt vertrouwen had’
Liep regel-recht het Helle padt)
Hier sluyt het goudt den Bybel mede.

Antwoort op een vraegh.

My wiert een vraegh gedaen, doe ’k onlangs by een vrint,, was.
Is dit jou volle Nicht?
Sprack hy; en sloeght gesicht
Op eene swang’re Vrouw, ’k sey ja: mits sy met kint,, was.

Op Jaep.

GHe segme Jaep is blanck, en goelijck in den aert,
Al is Jaep dubbel blanck, hy is geen stuyver waert.
[p. 113]

Op Hans.

Gans haet een eerlijk Man een Grutter op dit pas:
Omdat hy waerheyt sprack, doen hy aen ’t malen was.
Hy stuyft op als een Leeuw, en wenst hem in sijn kluyven,
Maer Hans al sacht: de Grutter sou wel weer op stuyven.

Op ’t selfde.

WAt wonder dat dees’ twee op stuyven tegen een?
Den een vent wijn, d’aer meel, haer waer heeft yet gemeen,
Wilt wijn, of meel genaken,
’t Kan bey bestoven maken.
[p. 114]

Op Ael.

ICk had een smots gemaeckt van Ael, dit dreefse sterck,
Maer Ael die loogh het vals, haer meening daer en boven,
Dat sy’t gemaekt was, ja dat woud’ ick noch geloven,
Maer wat dat my belangt, ick stack nooyt handt aen werck.

Op Aeght.

Aeght heeft een lichaem, soo gemest, soo dick, en swaer
Al eens of Bacchus was haer eyge echte Vaer;
De wijn die maeckten Aeght veel grover dan voor desen,
Dit’s Bacchus vrucht; neen soo sal Aeght sijn kints-kint wesen.
[p. 115]

Op seker voorval.

EEn Wintbroeck viel my aen, en hadt gemunt op kyven.
Ick sprack: mijn schrale borst is jammerlijck ontstelt.
Ick hoest, ick kugh, ick quijn, en met dees quael gequelt,
Magh ick daer ’t windigh is, niet al te lang verblyven.

Op een dicken Luyaert.

DEes Man is dick en glat, het vel dat staet hem stijf,
Hy draeght gesont hart vet, die ae’rs sprack soudt verbrodden,
Hy is niet op-gevult met werck, of vlas, of vodden,
’t Sijn luyheyts spieren: neen hy heeft geen werck in’t lijf.
[p. 116]

Op een onbeweeglijck Leeraer.

HOe dese wert gevleyt,
In on-beweeglijckheyt
Vervalt hy langs hoe varder.
Gevoeld’ een steen nooyt smart?
(Als ongevoeligh hart)
Dees Harder is noch harder.

Op Louw.

Louw liet sijn Hont vergaen; door ongemack, en kouw,
Dit was geen eer voor Louw.
En had hy op die tijt geen hontse daet bedreven,
Sijn Hont waer noch in’t leven.

Op Heyn.

Geyn-Oom en ick, zijn met verlegentheyt geslegen;
Hy is met gelt, en ick wel hart, om gelt verlegen.
[p. 117]

Aen Yemant.

GHe vraeghme of ick niet te Kerremis en treck?
Indien ick dit bestont, gewis soo wierd’ ick geck:
Wat soetheyt is ’er, daer soo menigh vollen derm-is?
Neen, ’k ben nooyt graegh op soo een plaets, daer veel gekerm-is.

Op Mary.

Mary vent beusem-werck, en sit geheel verschoven
(Daer s’ eer in weelde was) in een vervalle kluys,
Dit ’s sober. Roept Mary nu (luy op; uyt dit huys
Met vryer harten) hey: je bent jou goedt te boven.
[p. 118]

Op Yemant.

SIe! dees’ is swaer van hooft , en sit staegs in den rouw,
Bedwelmt, en stil, en stom,
En vraeghje de waerom?
Hy heeft een lichte Vrouw.

Op Bouwen.

EEn sleep van schuldenaers die vielen aen, op Bouwen,
En hielden t’samen een verkoop-dag met sijn goet,
Sy lieten evenwel de Man noch wat behouwen,
En weetje wat het was? een huys vol arremoet.

Als my een misdruckt Boeck in de handt quam.

DEsen Drucker was een kruck
Die dit werck dus bragt te schande.
[p. 119]
’t Boeck in sulcke Druckers handen.
Was wel in een dubb’len druck.

Op Louw.

Louw wou eens dat ick hem heel nauw en stip sou seggen;
Hoe var den Hemel, van de Aerde, quam te leggen.
’k Sprack: Louw ick sey jou liefst (en dit’sme best bekent)
Hoe varr’je met die vraegh noch van het Dol-huys bent.

Op Jaep, en een berooyde Drucker.

ALs Jaep geen gelt en heeft beklaeght hy ’t ongeluck,
En siet vast heen, en weer, (vol drucks) na al sijn knapen.
Maer anders staet het met ons’ Drucker-buyr geschapen;
Nu die geen gelt en heeft, nu is hy uyt den druck.
[p. 120]

Aen yemandt, die in de handt gequetst wiert.

Uw’ handt is u gewont, wie kon die moet-wil stuyten?
Uw’s vyants handigh stael dat heeft u overmant,
Sijn handt (aen d’uwe) gingh den rechten wegh te buyten,
Sijn al te quade hart, gaf uw een quade handt.

Op het roepen van Wijn-moer.

En wilje nerregens daer Wijn-moer, riep een wijf,
En liep dus met een ton vast kruyen langs stadts straten.
’t Dacht waer ick Moer, of Wijf, ick sou dit roepen haten:
Het staet of hier ’t gewijft de wijn steets soop in ’t lijf.
[p. 121]

Op een Kramer met een Maers loopende.

DEes’ Kramer (die wel eer een Krijsman was te voren,
En gingh op lijfs-gevaer)
Torst nu een Maers met waer;
Om dat hy na de Mars niet langer en wou hooren.

Op twee sotte Vrinden.

’t Kint en de Stief-moer, sie die heulen met malkander,
Dit ’s vreemt, want onlanghs noch vervloeckten d’een den ander,
Eerst scheen de vrindtschap loot; nu schijntje suyver goudt:
’t Kint siet by scheydingh dat de Moer veel van haer houdt.
[p. 122]

Op barse Louw.

ICk vraeghden Louwtjes yet, maer hy te bars van beck
Antwoorden: dit begrijp en quam nooyt in een geck.
Wel seyd’ ick doe: Oom Louw
Hoe quamt dan ooyt in jouw?

Aen seker Auteur, van een Kus-werckje.

Myn Vrint, wanneer je kust, soo blaes j’et op trompetten,
De Druck-pars raect vol wint, den Drucker moet aen’t setten.
Wat breekje (lieve Knecht) om ’t kussen soo veel wint?
Kust jaren met de pen, soo kusje noch geen kint.
[p. 123]

Op de Wens van Franck.

Franck tild’ een blaeuwe steen, en leyd’ hem op een hout,
Ach, riep hy na het werck: woegh soo mijn beurs van ’t gout!
Ja seyd’ ick: lieve Franck, ’k meyn (kostje daer aen raken)
Soo woegh se swaer genoegh om jou voort licht te maken.

Op Dirck, een Kunstenaer.

Broot-backen is een kunst drijft Dirck met veel gebaer.
Soo benje (segh ick) Dirck dan oock een Kunstenaer?
Ja trouwen, seyt de Man, derwijl hy ’t deegh vast stijf,, kneet;
Wat steeckt hy dan vol kunst, die dese kunst in ’t lijf,, eet?
[p. 124]

Als my een glase Raem ontstolen wierdt.

Myn Raem is my ont-taeckt, schoon ofse stont verholen,
Dat hy (die my dit tuygh ditmael heeft af-gestolen)
Van ’t al der Dieven was,
Dat saghick door mijn glas.

Op Kors.

Kors sprack: ’t gebrack m’ aengelt, dit deed my byster seer,
Ick wensten om een vaen dat Kors doen had gelogen.
Maer nu het waerheyt is, moet ick die hoon gedogen.
Gebrack’et my aen gelt? die ’t sprack gebrack ’t aen eer.
[p. 125]

Op lacchende Joor.

JOor spreeckt nooyt of hy laght, dit is yet sonderling.
Hy laght (wie sagh ooyt mens die van soo sotten aerd’,, was?)
Om eyge lamme praet, die nimmer lacchenswaerd,, was.
U reed’loos lacchen Joor is een belachlijck dingh.

Op Yemant.

Taback is Duyvels kruyt, sprack eens een kakelaer.
Men sagh na dese tijt geen hallef jaer verloopen,
Of’t wiert sijn Winckel-waer, hy gingh dit Kruyt verkoopen,
En wiert (om weynigh winst) de droes sijn makelaer.
[p. 126]

Op Koen.

Koen is een wond’re Koen, indien ick Koen wel ken,
Sal hy nooyt dwalingh smeen, noch boecken weder-leggen.
Koen, is een botte Koen, om ’t Koen in ’t kort te seggen:
Koen is geharsent, al en had sijn naem geen N.

Aen yemant, die my met sijn Zijd-geweer dreyghden.

DE tongh van dese dreyght, sijn hant grijpt na den degen,
Op een die wapenloos hem niet verweren kan,
Maer had dees’ op de punt van een gewapent Man
Geen radt gebeent te baet, gewis hy viel verlegen.
[p. 127]

Op ’t selfde.

DEes’ lijckt een Capiteyn, licht heeft hy ’t ampt bekleet,
Maer tot sijn groot geluck geen vyandt deed’ em leed.
’t Is ook een scheurieck knecht, dit hoor ick aen sijn praet,, wel:
Hy dreygt een weer’loos Man, dit kan een slecht Soldaet,, wel.

Op de Stadt Dordrecht.

Is Dort de oudste Stadt, als d’oude Boecken melden?
En had’se d’ eerste naem, wanneer men Steden telden?
En iss’ een oude Maeght die nimmer wiert begort?
Is Dort (sou ’k vreesen) door hier oudtheyt al verdort?
[p. 128]

Op Delft.

DIt ’s Delft, dat ’s waer, en wis, ’k gevoelt oock aen mijn selven:
’t Is mijn geboorte-stadt, hoe kan ick dit bedelven?
Hier wierdt het Kalf gevelt, daer yder eer van riep,
Wie nu de Moorder wil, die dellift vry wat diep.

Op ’s Graven-haegh.

DIt’ s Graven-Haegh, hier schiet de Zee dicht aen haer stroomen.
Een Haegh, dat is een bos, beplant met wilde boomen.
Nu zijnder (waermen’t siet, gelijck als in ’t begin)
In plaets van boomen, noch veel wilde mensen in.
[p. 129]

Op Rotterdam.

DIt’s wijn-rijck Rotterdam, waer in de schepen vlotten,
Ick sag’er dat ick weet, noch nooyt wanschapen Rotten,
Maer wel veel mensen die daer t’saem gerottet zijn,
Dit is geen wonder: want het rot hier van de wijn.

Op Leyden.

DIt is ’t wilt en ’t weeligh Leyen
Daer de jonkheyt niet kan scheyen,
Waerom Leyen veel gevleyt?
Leyen doet veel Ouders lyen,
’t Valt beswaerlijck hem te myen,
Daer de Jeught malkaer verleyt.
[p. 130]

Anders op Leyden.

Uyt dit Leyen siet men scheyen
Die gehult zijn in de kap:
Want men kan de Jeught hier leyen,
Tot een hooge wetenschap.

Weer-klanck.

Uyt dit Leyen siet m’ oock scheyen
Gecken, in de Narre-kap,
Die hem hier niet wel laet leyen,
Scheyt hiersonderwetenschap.

Anders op Leyden.

Leyen steeckt vol slimme grepen;
Al wie hier niet wort geslepen,
Door soo meenigh dravend’ les,
Magh hier na noch eens gaen loopen
(Als hy ’t alles heeft versopen)
Sellefs met Slijp-schaer-en-mes.

[p. 131]
OT had’ in dees’ stadt verkeert
Schaersjes, ses-mael vijftigh weken.
Hy had meenigh dingh geleert,
Maer (och arm) behalven preken.
’t Scheen ons Otje daght niet varder,
’t Was een ongeleerde knaep,
Doen hy staen sou als een Harder,
Doen en was hy noch geen Schaep.

JOost deed oock sijn kennis blyken:
Doen hy van dit school quam stryken,
Wist hy soo veel (en maer pas)
Hoe dat Vranckrijcks mode was.

Barent (vol van eygen waen)
Had hier oock wat opgedaen,
Hy verkeerde by de Hansen:
Want de geck moest uyt de mouw,
Doen de karel pleyten souw,
Doen kost hy veel mojer dansen.

KLaesje leerden hier versuft.
Och! hy had sijn groot vernuft,
Soo versleten in de boecken;
[p. 132]
Dat (moest hy by krancke zijn)
Hy dan selfs (vol Minne-pijn)
Na een moje Meyt liep soecken.

GYs wiert hier een Philosooph,
Maer (och arm) de Vent die kloof.
Doen hy alles moest doorgronden,
En den Hemel sou bespien,
Kost hy best op ’t Veeltje sien,
Hoe sijn snaren daer al stonden.

ROel wiert hier een vreemt spectakel,
Hy leerd’ een verkeert mirakel;
Veeltijts wil hy vrolijck zijn,
En maeckt water van de wijn.

Op Leen.

Leen trouwden korts een Wijf die vry wat jongh bejaert,, was,
Maer ’t scheen niet dat Oom Leen in ’t werckjen eens beswaert,, was:
De jaren die sy moet, en die sy niet en telt,
(Hoe kan hy ’t anders doen?) vol-leyt hy met haer gelt.
[p. 133]

Vrouwe-wraeck.

EEn Man quam wijn-vol t’huys, en nam sijn Wijf te touwen.
Des morgens ging de sloor hem dit te voren houwen.
Hy sprack: ’k was vol en zat, ’t geschiede door den dronck.
Hier op soo gaet de Vrouw een glaesje sitten vegen,
Tot dat de dampen in haer swacke harsens stegen.
Nu sprackse: ben ick ’t oock, en nam sijn vlees tot honck.

Op twee onwetende Disputanten.

HIer zijn twee Dryvers t’saem, en geen van tween en swicht,
Elck wil de Meester blyven.
Geen wonder datse dryven:
Sy vallen allebey voor dese kamp te licht.
[p. 134]

Voorsichtige Snyer.

Reym bracht een Snyer stof om manne-tuygh te maken,
De Snyer (’tschijnt uyt noot) die nam terstont het laken
En bergden’t tot Oom Jan, daer’t veyligh wiert bewaert:
Och arm! het scheen, de Man was voor ’t gedieft vervaert.

Twee Geleerde.

’k Vont onlanghs by malkaer een tal van twee Geleerde,
d’Een scheen een slechten hals, die d’ander machtigh eerde,
Betabbert en gekapt, en kreegh noch nauw gehoor;
d’Een was een Schoe-baes, en mijn Heer, een Professoor.
[p. 135]

Op Yemant.

EEn Los-aert kreeg de weet; sijn ouwe Moer was doot,
Hy wou nauw in den rouw, en sprack: ’k heb gelt, noch loot,
Gevoelden hy geen loot, niet vremt: ’t was hem geen smart;
Sijn Moeders sterven, smeet al ’t loot-wicht van fijn hart.

Op een Schipper.

EEn Schipper heeft een schip, dat vaert met alle waren,
En nochtans siet men nooyt de Schipper heel wel varen.
Maer weetje waerom ’t schip altoos op schade voer?
De Schipper maelt, en dwaelt; het schip en heeft geen Roer.
[p. 136]

Aen Heyn.

’t Kalf by sijn maegh-schap segje Heyn, dit’s geen waer woort.
Vermorsten Delft een Kalf ten was geen broeder-moort,
’t Heeft noch sijn maegh-schap hier, dit werck wil selver spreken;
Elck een van u soeckt noch sijn Broeders doot te wreken.

Op David, met sijn Scholieren.

Geer David (in sijn school) singht luy met al sijn knapen,
Maer na ick hoor, niet een en kan van passe gapen.
De Meester is een helt: (’t behoort dat ick hem prijs)
Hy singht al Davids werck seer stip op eene wijs.
[p. 137]

Op Maes-sluys.

HIer vvaeght den Re’er sijn gelt, den Zee-man vvaeght hier ’t leven.
Die hier het meeste vvaeght, krijght ’t minste in de handt,
Hier leeft men van de Zee, hier quijnt men op het Landt,
Hier moet de Vis het Vlees sijn noodigh voetsel geven.

Anders.

Elck een roept overluyt; wat netter plaets dat Sluys,, is,
Heel Hollants nettigheyt staet hier op’t hoog Altaer.
Is ’t wonder? ’t hangt hier al van Netten aen malkaer,
De Vrou maeckt’ ’t Net, derwijl den Visser op sijn Buys,, is.
[p. 138]

Aen Yemant.

GHy seght de twintighste geeft Dellift met verstant,
Heel Rotterdam maer een, die staet oock vast geplant
In koper, op haer Marct, als waren ’t vreemde saken,
Het is hier seltsaem werck een Wyseman te maken.

Op Kees.

ALs Kees veght voor Armijn, en heeft hy scherp noch stael.
Hy klieft en klooft de wint, met veel vergeefse tael,
En laet sijn vyant wel soo heels-huyts uyt sijn handen.
Kees stack wel had hy punt, hy beet wel had hy tanden.
[p. 139]

Op yemant, die Armijns was.

DEes’ is Armijns, dat ’s waer, maer is’t in dese schijn:
Sijn mackers maekt hy arm, en speelt haer goetje mijn.

Op Heyltje.

HOor, Heyltje kocht een huys benevens hare bueren.
Ghe vraeght wat sals’er doen?
Hoe kan ick dat vermoen;
In het gekochte, licht haer wichtigh lijf verhueren.

Op een achter-straet, die men de Bree-straet noemde.

WAt vremtheyt sie ick hier? ay, dit ’s een soet geval:
De straet is hier heel breet, den Adel iss’er smal.
[p. 140]

Op een Dronckert met een berimpelde trony.

DEes’ suypt (dit seydt hy selfs) de kreucken uyt sijn blaes.
Kost hy de kreucken uyt sijn dicht berimpelt back-huys
(’t Geen recht een maecksel is voor een vervalle kack-huys)
Oock losen met de wijn, soo was ’t een braven baes.

Op de lust van Robbert.

EEn Vrijster baerd’ een Kalf, en ’t geen sy had gewurpen,
Wou onse Robbert buyr al roockende, wel slurpen.
Geen wonder wass’et Knecht al namj’ haer Kalf weer in:
Ghe wort dogh hart geplaegt van sotte Kalver-min.
[p. 141]

Op een Kyvende.

SIe dees’ is meesterlijck geoefent in het kyven,
Hy schiet by vlagen op, als woud’ hy ’t al ontlyven,
De man is heet van hooft, of heeft te veel gepooyt,
Hy briest, en baart altijt, sijn vrouw en baarden nooyt.

Op een kramende Vryster.

EEn Vryster gaf haer uyt voor suyver Maeght, veel jaren,
Laetst viels ’in’t kinder-bed; gesmeert met wond’re salf.
Dit ’s vreemt seydt onse Gijs! wie heeft ooyt Maeght sien baren?
’k Sey Gijs icksaght wel eer, maer van een nuchter Kalf.
[p. 142]

Op Klaes.

Klaes heeft een wijf die hem de kost beschaft op nayen,
Derwijl hy als een Heer by wegh, en straet, loopt swayen,
Hy stoft by vremden, och! hy was soo garen groot,
Maer of hy ’t garen was, hy leeft op naelde-broot.

Op een Lang-gehaerde.

SIe dees gaet langh gelockt, als waer hy ongeschoren,
Hy seydt, dit doet hy, om sijn Juffrou te bekoren.
Maer wat de Joffer raeckt, ick seyd’: (al stontse daer)
Sy was licht lang-gelockt met eens soo korten haer.
[p. 143]

Op een Proponent.

DEes loopt de Landen plat, en kan een plaets bejagen.
Sloegh hy slechts ’t minnend’ oogh op Predicants gebroet,
Hy kreegh het lijf haest op den kerckelijcken wagen;
Dan soud’ hy rollen, maer nu loopt den hals te voet.

Op de selfde.

Sat dees’ maer op den Geestelijcken Wagen;
Al had hy geest, noch gaven, noch verstant.
Hy rolden haest al spelend’ over’t lant
Tot in een stadt, al sou den Burger klagen.
[p. 144]

Op Goossen.

ONse Goossen (onder ’t mallen)
Was eens wonderlijck gevallen.
Goossen acht’ent niet met al.
Maer hy riep: (na weynigh nachten)
Wie sou sulcke wonden wachten,
Na soo sacht’ en soeten val?

Op een bedaeght Knecht, die de van, van Linde droegh.

SIe dees’ blijft altoos Knecht, en nimmer wert hy Man,
Hy wort oudt, dorr’, en droogh, en schantvleckt dus sijn stam,
Dit is een seltsaem werck: sie dees’ quam van een Linde,
En nochtans, daer ’s aen hem geen een groen bladt te vinde.
[p. 145]

Op Joost.

JOost krijgt een loot-swaer hart als hy sijn Wijf siet swaren,
En steen al klagende of hy het kint sou baren.
Maer waerom baert soo vroegh, de broeck ,hier voor de keurs?
Hy voelt voor’t baren al sijn baer-wee, in sijn beurs.

Borgh-soecker.

Piet soght een Borrigh op, en liep den gantsen morgen,
Maer had’ hy my gesocht, ick had (beangst van geest)
Benevens hem al langh aen ’t soecken oock geweest;
Maer na een veyle plaets; soo had ’ick my verborgen.
[p. 146]

Op een Juffrou in ’t Zy gekleet.

DIe Zy heet, steeckt in ’t Zy, Zy gaf light graegh de Zy
(Soo ’t haer gebeuren mocht) aen een gefulpte Hy.

Op een Water-ziecke.

SIe dees’ is Water-ziek, tot hartzeer van sijn Wijf,
Zit hy met dick gebeent,
Erbarmelijck en steent.
Dit’s wonder: want hy goot meest Druyve-nat in ’t lijf.

Op Pouw.

Geeft Poutje geldt te kort? soo kan hy Heyn-oom smeken
Om wat geslage munt,
Als een geslage vrunt.
Maer heeft hy wijn te veel? wil hy hem vinnigh steken.
[p. 147]

Aen Yemant.

GHe segt mijn vrint: ick draegh een hooft vol Muse-nesten.
De Musen hebben ’t in (het is voor haer ten besten)
Tot negen in ’t getal, dit hebje niet verdicht;
En was het niet bevracht, ’t was licht (als ’t uw’) te licht.

Ingebeelde Wang-sne.

Guygh Wijn-vol by ’t geboeft daer meenigh glas geleeght was
Kreegh met een stomp stuck stael een wang-keep, onse Huygh
(Die dom, en botter was, als dit verstompte tuygh)
Liet hem geseggen, dat sijn wangh op ’t been geveeght was.
[p. 148]
Men laet den bloet hier, een gemaeckte bloet-drop kijken.
Waer op hy luydts-keels schreeuwd’: Barbier, en bos, en zalf;
Vlucht wreeden schender, vlucht, tyrannigen Duc-dalf;
Ick voel mijn bange hart (schier af-gebloet) beswijken.

Huygh, met een loos verbandt (van Meester, Knaep, en Knecht)
Loopt heet van moet, dit feyt den Rechter over-boeken.
Maer onse botte Huygh na scherrip ondersoecken
Viel met de wont bekaeyt, en kreegh sijn Wang te recht.

Bedrogen Bruy’gom.

EEn Vrint trock met sijn Bruydt na ’t trouwen, uyt de Stadt,
Met eene Haert-ste-zeel, uyt misverstant gevadt.
[p. 149]
Dees duuwd’ hy voor betoogh den Harder in de handen,
Hoe onbesuyst moest dees’ in ’t harte haertjen branden?

Op Piet

Piet had een Swijn gekogt, maer ’t was gevult met jongen,
Hy hoorden binnen’s weecks, hoe twee paer Biggens songen,
Sijn Wijf viel los aen tween: om sulck gedoe, te vroegh.
De Kraem liep soose wou, de Vrou had soghs genoegh.

Op een vleyende Stief-moer.

DE Stief-moer smeert het Kindt vast heuning om de tanden,
De gelt-sught doet haer branden,
Al is de Moer-sught kout,
Te voren bood’ zy ’t gal, maer doen had ’t Kindt geen gout.
[p. 150]

Aen Yemant.

’t Is grouwelijk verlies in mijne botter-waren,
Mijn beurs lijt vinnigh by, en dacht yets op te garen;
Soo klaeghtge lieve vrint, en ’t staet’er in verset,
Kortom, soo vviert jou beurs dan mager op het vet.

Op Barent.

’k Vondt Barent on-gemoet, ’k sey: maet hoe sal ’t hier lucken?
Maer Barent klaegden my: sijn Wijf wou aen twee stucken.
Och! Barent (sey’k) is’t noot, soo geeft de vreught geen pas,
Ick vvist niet Barent, dat jou Wijfje barend’ vvas.
[p. 151]

Op een Gemutsste.

DEes’ met de Muts op ’t hooft (vroeg morgens onder ’t knopen)
Stapt na de Brandewijn, met d’ oogen hallif open;
Daer hy een halfje veegt, of neemt hy dobbeldeel?
Draeght hy een Muts op ’t hooft, een Mutsje door de keel.

Op Yemant.

EEn Man die leeren moest kost oock aen ’t klimmen raken
Hy klom los sonder leer op een loshartigh ding,
Den hals had mis-verstandt; doen hy dit werck aenving,
Doe maeckt’ hy Kinders, en moest wyse Mannen maken.
[p. 152]

Op een Vrou die Paling at.

DIe Paling ving mijn Man te nacht: sprack eens een Vrou,
En gafse felle beten.
Soo seyd’ ick moetje weten:
Jou Mans vangst was te nacht vry beter dan de jou.

Venster-val.

EEn Roomse Joncker viel los door een Venster heen
Hy kneusd’ (al vallende) sijn voor-hooft op een steen,
Maria (riep hy) och! hoe hebt ghy ’t doen gelucken?
Ghy vingtmen in u schoot, in sulck een lijfs-gevaer,
Me Joncker (spracker een) is dit voorseker waer?
Soo valtse hart van knie; jou hooft is voor aen stucken.
[p. 153]

Vertellingh.

EEn Jonghman (op de wegh verlegen, om wat dack;
Derwijl een regen-vlaegh hem trof, op al de leden)
Bestont in donck’re nacht, met yver op te treden
De trap van een gebouw waer in men koren brack.

Hy roept wat dat hy magh, hy siet geen eenigh mens,
Maer wel een brandend’ licht een dis, met leckernyen;
Na ’t scheen de Meule-knecht lagh overhoop met vryen,
En wou de Vryster hier eens vollen na sijn wens.

Dees’ Reysiger (verbaest) soeckt schuylplaets; of’t gesin
Hem overviel, hy denckt: waer sal ick my dan keeren,
[p. 154]
Hy snuffelt om, en om, hy vindt een vat met veeren
En sonder langh beraen, begeeft hy hem daer in.

Sijn werck was nauw volbracht, daer komt de soete jeught;
Om stil en veyligh daer het avontmael te eten,
Hy dient haer snedigh voor, sy brassen dat sy sweten,
De Vryer (in dit doen) is wonderlijck verheught.

Hy vleyt, hy foolt, hy streelt, hem overvalt een lust,
Hy sweert, en swetst; hy kan sijn driften niet bepalen;
Hy wil met alle macht met ’t jonge dier aen’t malen,
Sijn heete minne-vlam, die dienden hier geblust.

Schoon of sy weygerde, hy viel haer straf, en sterck,
[p. 155]
Hy druckt, hy vat, hy kust, sy siet ’t moet enckel wesen,
Sy geeft haer willigh op; door minne-tael belesen,
Hier op gaens’ allebey hun stellen tot het werck.

De Linckerin het vat, die wacht hield’ op hun tween,
Die lust’et, uyt sijn ton dit werck eens te beloeren.
Hy reyck-halst, en hy woelt, maer met hy ’t lijf gaet roeren,
Daer rolt Diogenes met vat, en veer-tuygh heen.

De vogel kruypter uyt op ’t onverwacht gerucht,
Meer droes, dan mens gelijck: derwijl de vlocken saten
Rond’om het natte lijf. De droes is uyt-gelaten,
Riep het verbaesde paer, los nemende de vlucht.
[p. 156]
Maer d’arme Vryster rolt (met ’t pelsjen op de mouw,
En d’achter-wangen honck) langhs al de meule-sporten,
Al kermend: heb ick dit niet wel voorseyt, in korten?
Dat ons den Hemel op dit werck noch straffen souw?

Aen een Min-ziecke Vryster, onder de naem van Trijntje.

Lieve Trijntje
Die aen ’t lijntje
Warrelt vast,
Van vrouw Venis
Die ’t gemeen is
Tot een last.

Heeft haer Jongen
U besprongen,
Met een boogh?
Gaen sijn pylen
Naer u ylen
Van om hoogh?
[p. 157]
Och! hoe raeckje
Aen dit blaeckje
In jou borst?
En hoe slaef je,
Niemant laef je
Minne-dorst.

’t Schijnt sijn toorts-licht
Heete koorts-sticht
In u bloet:
Want ontbandigh
Toont g’ u brandigh
En vol gloet.

Och! u oogen
Die vervloogen
Op die geen,
Die u vlammen
Niet wou tammen
Door gebeen.

Afgeslagen
Wiert u vragen,
’t Had geen aert:
Mits ghy ’t heyligh
[p. 158]
Houdt te veyligh,
Biddens waert.

Schoon ghy ciert u
Niemant viert u
Oudt nogh jongh,
U getooysel,
Maeckt u ’t strooysel
Van de tongh.

Minnaers ruycken,
Na geen pruycken,
Schoon na konst.
’t Schyve klappen
Doet haer stappen,
Goudt baert gonst.

Op een Stoffert.

HOor man je snoeft, en blaest by alle slagh van mensen,
Al konj’et alles doen, ick sou je anders wensen,
[p. 159]
Ghe prijst jou eygen werck, en dit is gans geen deegh,
’t Waer best dat ’t werrick sprack, en dat de wercker sweegh.

Op Krijn.

Krijn maeckt’ een Bruydts-rijm om een dubb’le dicke-ton,
Dat deftigh quam te sluyten,
Sijn ongelt daer eens buyten,
Rae, wat dat Krijn hier wel aen soo een werckje won?

Aen Ann’.

GHy klaeght men lieve Ann’ jou bed-stee is te hoogh,
Jou man daer by, niet vlugh:
Hy loopt steets aen de kugh,
Ick merrick soete schaep je leght: soo hoogh, soo droogh.
[p. 160]

Aen Kees.

Vis is geen vleys, waerom? ’t heet vis seyt onse Kees,
Maer Kees, jy heet een mens, soo benje oock geen vlees.

Botter koop.

Oom Klaes koght koeye-smout, en daght den Boer te foppen
Met een Meniste streeck, maer onse Krelis Joppen
Trock stewaerts in, en koght een Advocate mont,
Die trots een Boere hant, voor’t recht, het smoutsoo zout,, keef,
Dat Klaesjes smout-lust brack; als sijn gegaerde gout,, bleef.
Een vaetje koeye smout liep hem op vijftigh pont.
[p. 161]

Op een die met soete Waren om-liep.

DE sloof roept luy die my hier moet,
Wat heeftse doch voor waer te venten?
Wat Zuycker, en wat bruyne krenten,
Met hart te roepen veylts’ haer soet.

Op een Hechte-maker, die aen een
quynende Zieckte gingh.

SIe dees’ maeckt hechten, en hy selver (alle uyren)
Loopt stenen, of sijn lijf geen hallef jaer sou dueren.
Ay sie wat neemt de man een geestigh tijt-verdrijf:
Hy draeyt nogh hechten met een sieck, en on-hecht lijf.
[p. 162]

Aen Ot, los-tandigh.

GHy klaeghtmen Ot, gestaegh van al te losse tanden,
Ghe seght: indien ick wou ick trockse met mijn handen.
Jou tanden lieve Ot die vinden geen goe gront;
Sy staen (hier schort het werck) in al te lossen mont.

Op de groote handen van yemandt.

DEes’ Juffer is gehandt, als of sy ’t al sou taken,
Maer dese schijn die lieght, sy laet een yder ’t zijn,
Haer wesen had my’t hart af-handig kunnen maken,
Maer haer te groote handt verkleynden ’t vuyr in mijn.
[p. 163]

Op Jorden, met een besmeerde Muts op’t hooft.

Koom Ruth, wae rbenje nou? die altoos leyd’ en knorde,
Aen Jorden is niet vast, daer sit geen smeer op Jorde,
Sie Ruth! en sitt’er nu geen smeer op dese man?
Soo segtme; waer komt dan sijn Muts soo smeerigh van?

Discours met Kees, gaende voorby een Stoel-draeyery.

DIe Man sit warm en wel; sprack K’nelis, en hy ging
Met my voorby een huys daer stoel-werk veyligh hing.
’k Sey: Kees waerom? hy sprack: den baes hout van geen kitten.
Maer Kees, of al van hem een kruyckje wiert gestroopt.
[p. 164]
Als hy met ’t Stoel-werck slechts op geen vier beenen loopt
Soo maeckt hy stoels genoegh om selver wel te sitten.

Als my het ongebonden Werck van Tengnagel, in de handt quam,
om te binden.

DIt ’s ’t ongebonde werck, van d’ongebonde vrint,
Die ongebonde schreef, en doopten in den int
Een ongebonde pen, hoe bind’ ick best dees blaren
Gevult van harsenen, die ongebonden waren?

Op Dirck, een mismoedigh Minnaer, minnende boven sijn staet.

DIrck raeckt’ aen ’t mymeren, en stenen; door veel smart:
Om dat sijn Vryster droegh een enckel steenen hart,
[p. 165]
Dirck was (hierom niet vremt al mind’ hy sonder hopen)
Van slecht en steenigh stof, en wou fijn goudt beloopen.

Op Klaes, die van my een Dight versocht.

Klaes wouw van my een Dight, maer had ’t niet graeg geweten,
Hy hielt, al had hy selfs sijn breyn daer op gesleten.
Hy badme: melt het niet. ’kSey: Klaes waer denckje na?
Weet my mijn Dight geen danck, indien ick ondight ga.

Op ’t selfde.

Klaes badme om een Rijm, maer sprack hy: hout het dight.
’k Sey: Klaes waer schort’et jou?
Soo ick het Dight behou,
[p. 166]
Wat hebje dan by my (ay seghmen eens) verright?

Op een voorval.

ICk ging na mijn Gebuyr eens om wat Schape vellen,
De man was fors, en nors, hy wouse my niet tellen.
Doen seyd’ ick; groote maet (eer ick sijn deur uyt-trock)
Soo laet ick ditmael dan het Schaeps-vel, by den Bock.

Yet Raers.

’k Sat onlangs met een goet geselschap over mael,
Alwaer mijn holle maegh vast werck gaf aen mijn kaken.
In dese besigheyt, besagh ick wond’re saken:
Ael at daer van een Haes, en Haes at, van een Ael.
[p. 167]

Dreygende Beul-in.

EEn Beul had eene Dochter leven
Die van een Beuls-Soon wiert gemint,
De Beul wou hier toe ’twoort niet geven.
Mae rlet! ’t geminde Beule-kint,
Riep tot haer Vader: (vol getreur)
Soo ghy u hier verhart wilt toonen,
Soo trouw ick dan; om u te honen,
Los wegh, hier na een Procureur.

Op een Taback-kooper, en korts daer na een Biersteker.

SIe dees’ hout in sijn doen een wonderlijcke swier;
Eerst kurrif hy Taback, nu (sie ick) steeckt hy Bier.
Hy moet (om recht te spreken)
Of kerreven, of steken.
[p. 168]

Op het lesen, van een Vers sonder naem.

GHy segt: wie schreef dit vers, schoon ick het niet en weet,
Nogh segh ick wie het was: het was een vreemt Poeet.

Gegeesselde Stuyrman.

EEn Stuyrman raeckten met een bloot lijfin den beugel,
De rug wiert hem geschuert van een geswinde Veugel,
De Pael was hier sijn Mast, ’t Schavot dat was sijn Schip,
Hoe quam de man verzeylt op soo een vreemde klip?

Op ’t self’de.

My dunckt de Stuerman spreeckt: (dus vinnigh aengetast)
’t Woey nooyt soo strengen wint om soo een kleyne mast.
[p. 169]

Op Oude-water, als ick daer om baet uyt was.

DIt ’s Oude-water, och! ick sou die naem wel gissen
Uyt ’t geen my hier ontmoet,
Dit Water is niet goet
Dit nat is oudt en vuyl: hier valt niet veel te vissen.

Anders.

Ik stae hierin de Stadt, en vangh hier niet altoos,
Ick schat wel degelijck dit Water, oudt, en boos.

Aen een Hoorn-drager.

GHy klaeght de Vrou heeft u gehorent weest tevreden,
Als Jorden toon’ verstandt, haer doen bestaet in reden;
[p. 170]
Eer datse wierdt u Bruydt, en ghy haer Bruydigom,
Soo hebt ghy haer gehart, nu harts’ u wederom.

Houwlijckse Voorwaerden.

Men ging een voor-beding van houwelijckse saken,
Met veel onnutte sorg, voor mijne troudagh maken.
Ick dacht, na ’t werck: (en sagh na ’t Bruytjen in’t verschiet)
Het voorst is my wel waert, maer sulck een Voorwaerd’ niet.

Anders.

DIt is een Voorwaerd’ jae, het schrift gelijck’t heel aerdigh,
De stijl is wel na kunst, maer ’k achtse niet voor waerdigh.
[p. 171]

Op yemant, die hem belacchelijck had toe-gemaeckt.

ICk speld’ uyt dit gewaet: dees’ man woelt (met veel hygen)
Om nevens Desideer een plaets te mogen krygen:
Hy denckt, light voeghtmen eens (na dat ick ben verrot)
By d’alderwijste Man, de allergrootste zot.

Op lasterende Joor.

JOor had met losse mondt sijn Macker vals geschonden,
Maer Joor hiervan beticht, die lochende sijn sonden.
Loon hem, verbeel sijn naem, ga neem (tot dienst van Joor)
Een houtje voor de j’, en meet het na sijn oor.
[p. 172]

Aen seker Vrint, die in de Stadt Oude-water dacht goet te erven.

Nit ’s Oude-water daer eer tegen alle hoop,
Door twist, en boose nijt,
(O eyndeloose spijt)
Mijn vrint, u Errif-goet soo grondeloos versoop.

Op Gouda.

ICk trock na Gouda gevult, toe met briefjes opgevult,
En maenden in de Stadt soo hier, soo daer, een schult,
Maer ’t geldt was nergens vlot, het stont’er slecht, en pover;
Ick vondt in Gouda gans geen silver voor my over.
[p. 173]

Op Moort, een Dorp buyten Dergouw, als ick daer voorstont,
om d’oude bootschap.

Indien mijn Wijf nu wist waer heen ick was geweken,
En waer ick heden sta, sy kon met waerheyt spreken:
Mijn Man trock flus van huys, (ô vreemtheyt, nooyt gehoort!)
Nu heb ick sekerheydt, hy is om geldt voor Moort.

Jan, en Jaep.

Jan biet aen Jaep vier pondt: om by sijn Wijf te slapen,
Soo Jaep het stuck bedacht, hy gonden hem de Koe:
Want weegt het Wijf hier na (na Jan wat groens ging rapen)
Eens twintigh ponden meer, hy heeft ’t op vier pont toe.
[p. 174]

Op een Schutter prachtigh toe-gemaeckt.

Men hoort dees’ (in ’t geweer) van goudt, en silver kraken.
Hy heeft in Prince dracht een sober Burgers lijf.
Sie! ’t Wijf wou van haer Man een grooten Kryger maken:
Want al dit prachtigh tuygh verkrijght hy van sijn Wijf.

Op yemant, die sijn vuyle Teef prees.

GHy seght u Teef is trouw; hy geeft u trouwheyts panden;
Sijn eygen ingewanden,
Dus toont hy hem niet wreck,
Hy schijnt soo milt als trouw: hy schenkt u pis en dreck.
[p. 175]

Op een, die een Kint hadde.

GHy hebt met eene hulp een kint in ’t jaer gewonnen,
Waer ’t ghy ’t niet eens geweest, het spel waer nooyt begonnen,
Weest altoos eens gehart, en tot malka’er gesint:
Want daermen eenigh is daer bouwt men wel een kint.

Op Kees, met twee Kinderen van eene draght.

Kees kreegh twee Kinderen, na ’t wee, doen ’t wijf ging baren,
En twee was hallif vier, al over hondert jaren,
Quam dit van hallif vier? Soo dunckt het mijn verstant
Dat het onnoodigh is dat Kees geheel op brant.
[p. 176]

Op Baert, met drie Kinderen.

Baert heeft drie Kinderen, en heeftse niet te geven,
Daer ’s dickmael gelt noch broodt, dit ’s een verdrietigh leven,
Drie holle kinderen, roept yder die dit siet;
Dit is wel degelijck een huysjen vol verdriet.

Op Krijn, met vier kinderen.

Krijn vindt vier kinderen als hy sijn kroost gaet tellen,
Hy misten dese vier, had’ hem geen vier gaen quellen,
Hy had’ door min vier geen vier minneke maets;
Had’ hy de Vrouw geviert, en was hy ’t haer noch quaets.
[p. 177]

Aen een, met vijf Kinderen.

GHy sit mijn vrint reets met vijf kinders om de ooren,
Daer sulcke vijfjes zijn daer mach het vier wel smoren.

Op Jan, met ses Kinderen.

Jan is de vaer van drie paer knapen,
Daer hy geen voetsel voor kan rapen,
Herwenst jou paren driemael Jan.
’t Verdrietme dubbelt van de Man.

Op Gijs, met seven Kinderen.

WIe sagh oyt soeter klucht, wie hoorden ’t van sijn leven;
Als Gijs by wegh, of straet
Met al sijn kinders gaet,
Ay, ra wat Gijs dan doet: dan loopt de Man met seven.
[p. 178]

Op Mees, met acht kinderen.

Mees heeft acht kinderen, wie hier op komt te achten,
Die wil hem altoos (voor een Wijf te trouwen) wachten.
Maer ick acht Mees voor vroom; (in soo een huys-geslacht)
Die sijn acht kinderen, voor soo veel zegens acht.

Op Aert, met negen kinderen.

Aert is (sint hy de Vrou voor ’t eerste had bejegent)
Met negen kinderen begiftight, en gezegent,
Niet vreemt al heeft de Vrouw hem ’t negen-tal gebaert;
Dit quam, dat Aert haer droegh een toegenegen aert.
[p. 179]

Aen Franck, met tien kinderen.

Franck hebje sorrig voor tien kind’ren moeten dragen,
Soo hebj’ op jeughdigh vleys, veel tienjes af-geslagen.

Op Pleun, met elf kinderen.

Elf stucken won Oom Pleun, uyt eene ribb’ voor dees’,
Pleun is ge-ellift, en noch heeft hy niet dan vlees.

Op Dirck, met twaalf kinderen.

DIrck heeft’er twalif, ja, die moet hy kleen, en spysen,
’kGaf niemant een danck-heb die my sijn kunst wou wijsen.
Was elck een Cyfer-merck, ick wist voor Dirck een vondt :
Hy kost met ’t effe tal, een ronde wyser ront.
[p. 180]

Aen Louys.

Korts spraekje (swart van rouw)Trijn hout’er koel, en blaeuw,
U oogh was root getraent, u moet begost te sitten,
Nu segjemy Louys: Trijn geeft u graeuw op graeuw.
Houw moedt: eerst wasse blaeuw, nu graeuwts’ al, ’t wil nogh witten.

Op het sien van een malende Wint-meule.

DEes Meule-wiecken gaen; om dat het recht de tijt,, is,
De wint blaest wacker aen, maer ’k kan een droncken bloet:
Die houdt een and’re trant als dese Meulen doet;
Hy valt aen’t malen, dan, als hy de wint al quijt is.
[p. 181]

Op een party Oostinje-vaerders.

Valt lichtelijck te sien dat dees’ uyt ’t Oosten landen:
Naer d’oude wysen aert soo zijnse milt van handen.
Maer d’ eerste baden aen, en dit volck veeght de kroes,
Die, gaven aen Godts Zoon, en dese aen de droes.

Op een Voor-vechter.

GHy roept, uyt dulligheyt: (als waer het niet met allen)
Ick wil met snedig stael, voor d’allerstoutste staen.
’k Geloof je wel mijn vrint, maer ’k soutje soo niet raen;
’t Sou ’t reetste middel zijn, waer door je wis soudt vallen.
[p. 182]

Rotterdam spreeckt.

’k Ben’t koop-rijck Rotterdam, ten handel wel gelegen,
Ick krijgh (waer ’s Amstels-stadt) mijn schepen in mijn wal,
Ten boorde toe gelaen, roem Amsterdam, hier tegen.
Ick acht by mijn gemack, u grootsheyt, niet met al.

Aen een, die de doodt van sijn Kint beweende.

VErdoolde die u Kint t ontsinnig gaet begieten
Met tranen, houw vry op, ’t is tijt dat ghy u speent,
Bematigh’ uwen druck, en laet de droefheyt schieten,
Of ghy doet kinderlijck dat ghy een Kint beweent.
[p. 183]

Op een sotte vrintschap, van twee Wyven.

Is ’t wonder dat dees’ twee malkander gunstigh zijn?
d! Een speelt de gecke Maey, en d’aer de malle Stijn.

Op het verongelucken van een Kint, door een Hoy-wagen.

EEn Wagen doodt een Kint, met Hoy gevult, ick acht
Het ongeluck te swaer, ontstaen uyt lichte vracht.

Op’t Stadt-huys van Amsterdam.

Leg in dit puyck-gebouw, u oogh, vry dagen tuys;
Ghy vindt een gantse Stadt sijn rijckdom in dit Huys.
[p. 184]

Op het begraven der Dooden, in de Kercken.

WAt soeckt ghy hier (ay segg’) de levende by dooden:
Soo sprack in Christus graf, een Engel uyt Godts Troon,
Sie! nu is dese vraeg in Christus Kerck van nooden:
Wat soeckt ghy ’t leven selfs, by ’t stinckend’ aes der doôn?

Anders.

HIer brenght ghy ’t dood-aes dat geen suyx’re Jood’ mocht raken.
Ghy gaet Godts duer-saem Huys tot eene rot-plaets maken,
Daer ’t levende gebedt is geurigh offer-werck,
Wat doet daer doodt-gebeent’, of vuyle stanck te Kerck?
[p. 185]

Oorspronck.

DE Babylonse Snol leyd’ u dees’ eerste steenen,
Wiens Outaers sijn vergaen, wiens Beelden zijn verdweenen,
Dees’ hebtg’ al langh gesloopt, vernielt, voor menigh jaer,
En ’t geen ghy levent houdt, is ’t doode graf van haer.

Aen yemant, die my een bedorven stael instrument t’huys bracht.

Met eene scharpe tongh, en met een bot stuck stael,
Komt dees’, en wil dat ick hem ’t deugd’loos dingh betael.
[p. 186]

GRAF-SCHRIFTEN.

Graf-schrift, op een Been-hacker.

DIe hier in’t graf leyt, voor de pieren,
Verkocht aen mensen, beeste-spieren
Nu geeft hy (na hy’t leven liet)
De beesten ’t mense-vlees voor niet.

Graf-schrift, op een Wyn-tapper.

DIe hier begraven leydt die tapten Wijn, en Most,
Maer wat hy deed hy kon van dese waer niet leven,
Als hy dan vinnigh soop (door wanhoop half gedreven)
Holp hem de Wijn soo var’ dat hy noch sterven kost.
[p. 187]

Graf-schrift, op een Grutter.

HIer leyt een Grutter stijf, die eer in’t stof moest woelen,
Of hy oock na sijn door verandering kan voelen?
Daer hy eer was, nu is, vind’ ick ’t verschil niet groot;
Hy leefden in het stof, en leyt’er na sijn doodt.

Graf-schrift, op een Boudt Wijf.

HIer leydt een Veugel-wijf, soo ick ’et seggen durf,
Sy leefden op het geen, waer op sy namaels sturf,
Sy leefden op het Ent, eer sy de geest ging geven,
En sturf, (of ’t wesen wou) op ’t ende van haer leven.
[p. 188]

Graf-schrift, op een Koopman.

HIer leyt’er een die wel een Koopman was te voren,
Al wat hy won heeft hy op eene tijdt verloren.
Doen hy op ’t gypen lagh, doen gingh sijn ziel los door,
Hy deed nooyt handelingh, daer hy soo veel verloor.

Graf-schrift, op een berooyt Boeck-verkooper.

HIer leydt een wond’re snaeck, die Boecken plaght te venten,
Hoe yv’righ dat hy bondt hy hielp nooyt gelt op renten.
Maer doen hy langh op boeck, en binden had’ gepast,
Doen wiert hy sellever een on-gebonde gast.

[p. 189]

Graf-schrift, op een Barbier.

HIer leyt een Barrebier, soo stil hy immers kan,
Hy smeerde menig seer, oock liet hy menigh Man,
    En evenwel, hy gaft, had hem de doodt gelaten,
    Het had’ hem sekerlijck sijn leven kunnen baten.

Graf-schrift, op een Quack-zalver.

DIe hier te stincken leydt wist raedt voor tand’ en kiesen,
    Hy maekten op de Mart een wonderlijcke swier,
    Nu leyt den armen hals op eene plaets, alhier,
Daer hy sijn tanden wel mocht t’eenemael verliesen.
[p. 190]

Graf-schrift, op een droncken Brouwer.

HIer leyt een man die eer een Brouwer plaght te zijn,
Hy leefden van het Bier, hy sturrif van de Wijn.

Graf-schrift, op een Meulenaer.

Hier rust een Meulenaer, een dartel weelde-kint,
        Hy wist hem wel te laven,
        Sijn Knechten liet hy slaven,
Hy at’ gevonde broot, hy leefden van de wint.

Graf-schrift, op een Blickslager.

DE vent die hier vast rot, die soop hem vol, en dick,
Och! hy verdronck sijn geldt, en sloegh sijn Wijf voor blick.
[p. 191]

Graf-schrift op een Draeyer.

DEn Draeyer die hier leydt, was jammerlijck bekaeyt,
        Doen hem de doodt quam grypen,
        Had’ hy noch (op het gypen)
De minste kans gesien, hy haddet hem ont-draeyt.

Graf-schrift, op een Drucker.

DE doot die druckten hier een Drucker in sijn graf.
        Na dat hy met veel sweten
        ’t Lijf had in druck versleten,
Nu rust hy hier gerust, van alle druck gans af.

Graf-schrift, op een Doctor.

DEn Doctor die hier leyt had kruyt, noch kunst, te baet,
        Doen hem de doodt verraste,
        Daer hy op ’t vegen paste;
[p. 192]
Hy steenden in de kroegh, hy sturrif op de straet.

Graf-schrift, op een sober Predicant.

WAs desen Harder ’t hooft wel eertijts van sijn Schapen,
Eer dat de doot hem sloegh, om hier gerust te slapen,
Soo set ick dan vry uyt (en stel de waerheyt bloot)
Op dese harde sarck: hier leydt een Schaeps-hooft doot.

Graf-schrift, op een Vrouw-achtige Snyer.

STa vrinden, met verlof hier leydt een Snyer doot,
Sijn Schaer gaf hem den dranck, sijn Naelde gaf hem broot.
        Al was hy vry begaeft met Snyers wetenschappen;
        Sijn afgenaeyde lijf, en wist hy niet te lappen.
[p. 193]

Graf-schrift, op een Knoop-maker.

DIe hier begraven leydt, geneerde hem met knoopen,
Doen hy hem schap’lijck droegh, doen kost hy hem bedroopen,
    Maer of hy in sijn werck al een goedt meester was,
    Hy brodden eer hy sturf sijn knoopen noch in d’as.

Graf-schrift, op een Schoe-maker.

HIer leydt, ay Leser leest, een leesteman te slapen,
Hy leerden eer hy sturf, de leer-kunst, aen sijn knapen.
    Noch leert hy yder een: (uyt aller dooden schoot)
    De brosheyt van den mens,de wisheyt van de doodt.

Graf-schrift, op een Vis-wijf.

HIer leyt een Vis-wijf doot in wat bepeckte plancken,
Al watse veylde kromp, al stonck het door de bancken,
[p. 194]
    Maer Besjes waer was licht gelijck haer ouwe romp,
    Hoe Besjen ouwer wierdt hoe datse harder kromp.

Graf-schrift, op een knorrent Wijf.

    GIer rust het rust’loos lijf
    Van ’t morrent knorrent Wijf,
Het puyckje van de draken
    Leyt hier na wens gepoot.
    ’t Was wonder dat de doodt
Haer bedde dorst genaken.

Graf-schrift, op Anna, die na haer Man
de bynaem van de Winter voerde.

HIer leydt Vrouw Anna, in het kinderbed gebleven,
In ’t winnen van een Vrucht verloor sy ’t lieve leven,
    Geen wonder, al leydt hier Vrouw Anna kil, en stijf;
    Sy kreegh de Winter al te vinnigh op het lijf.
[p. 195]

Graf-schrift, op een Dronckaert.

HOu standt dit ’s Barents graf, hier leydt hy doodt, helaes!
Nu eet ’tgewormte van sijn doodt-gedroncken aes.

Op een ander.

HIer leydt ’t ont-zielde rif van die, die nooyt kon rusten
Voo rdat hy had de pul, of tul-kroes aen de mondt,
Dit is niet vreemt, waerom? dit heeft hem rust vergont:
Want rust’loos leven, hy door sulck een middel blusten.

Op een ander.

HIer rust in ’t rottent graf
Die ’t door de kan-zucht gaf,
Want ramp sijn sterven baerden,
Dat vraeghtmen door de Stadt
De Pachters van het nadt,
De Tappers, en de Waerden.
[p. 196]

Graf-schrift, op een Backer.

DEn Backer die hier leydt pleegh wonderlijck te malen
Maer uyt dit meule-werck kost hy geen broodt-stof halen,
Hy liep als radeloos geheele dagen leegh,
’t En was geen wonder; want den Backer had’ geen deegh.

Noch op een ander.

HIer leydt een Backer doodt,
De ziel die is op reys,
Hy bieck de mensen broodt,
Hy schaft de wormen vleys.

Graf-schrift, op een Arminiaen.

HIer leydt een Armiaen, seer armelijck gesturven,
Had ’t in sijn keur gestaen, hy lagh hier niet, bedurven,
Hy dreef een vrye wil, en volgd’ Arminus kerck,
Maer doen hy sterven most, doen wast gedwonge werck.
[p. 197]

Graf-schrift, op een die droncken verongeluckt was.

DIe hier begraven leydt is wonderlijck gebleven;
Hy liep door ’t eene nadt in ’t ander, en bleef doodt,
Sijn hooft te light door Wijn, hervormden ’t lijf, in loot,
De wijn nam sijn verstandt, het water nam sijn leven.

MINNE-VAERSJES

Verschooningh aen C. v. D. als ick een geschrift
daer haer naem op stont gescheurt hadde.

Eerste verschooningh.

Doe ’k u geschreve naem mijn Engel onlangs scheurden
Riept ghy: ten lijdt niet lang of ghy bekaeght u dat,
Maer hoor mijn onschult eerst, eer ghy my straft: ’t gebeurde
Om dat soo schoonen naem stondt op soo vuylen blat.
[p. 198]

Tweede verschooningh.

’t Is waer ick heb het bladt doen sneven,
Waer in u naem geschreven stont,
Die t’elcken-mael my wont op wont
(Als ickse noem) in ’t hart kan geven:
En uyt gevoelen van die smart
Scheurd’ ickse hier, maer schreefs’ in’t hart.

Derde verschoningh.

Get was een Minnaers handt, die dese naem dorst setten,
En wie dat u bemint is tegen my gekant,
’t Was dan uyt wraeck dat ick ’t gehate blat verpletten:
’t Vergingh niet om de naem, maer om de vreemde handt.

Vierde verschooningh.

Get geen ick heb gedaen, en sal ick niet betreuren,
En schat dit waerde Maegt doch voor geen mis-bedrijf;
Al wat ick vley en smeeck is om u naem te scheuren
Houdt ghy de naem by een? ghy scheurt mijn ziel van ’t lijf.
[p. 199]

Op de selve, als sy haer aen een Doorne-boom quetste.

Dat ghy u wonden soetste beckje,
Quam, dat ghy aen een doorne steckje
U selleven te na bevont,
Maer ghy (recht anders) kunt my wonden:
Want werd’ ick ver van u gevonden?
Geeft ghy mijn hart de diepste wont.

Anders.

O Hemel! wat ick sie! ghy wond uw soete Maeght
Aen eene Doorne-boom daer ghy de naem van draeght.
Ick danck die waerde boom die u bekent gingh maken;
Hoe hard’, en pijnlijk dat de doren wonden smaken.

Aen de selfde.

ALs ick mijn Engel sit te vleyen,
Als ickse soeck ten Echt te leyen,
Dan seytse: ’t is noch tijts genoegh;
Ick ben noch teer en jong van jaren,
Soo past’et (seg ick) u, te paren:
Want doorne boomtjes groenen vroegh.
[p. 200]

Voor-val, om de selfde Juffrou, C. v. D.

Doe’k onlangs wou een * Doren naken,
Kreeg ick op ’t onversienst een steek,
Maer ’k hiel mijn moet, hoewel ick week;
’k Wou meerder dan een beytje smaken,
Ick socht een lootje van dien † aert,
Des heb ick list noch moeyt gespaert.
* De Van. † ’s Vaders Naem.

Hoe! sprack de Stam: waer ’s u gevoelen?
Ghy stoot u puntjen op een † Steen
Riep ick, het valt eerlang daer heen,
Vergeefs is al u tegen-woelen,
Versacht uw Aert vry, sooje kunt:
Mijn steen is harder dan u punt.

Laet ick ’t met u verlof genieten
Ghy hielt’et doch soo menig jaer,
Hier is den rechten Eygenaer,
Ay,laet het suyv’re tackje schieten;
Ick ben verlieft op uwe vrucht,
En hebber dickmael om gesucht.

De Stam op ’t laetst met my bewogen
Sprack rond en rustighuyt de mont:
[p. 201]
Mijn Doren past een steenen gront,
Ick riep heb danck, na mijn vermogen:
Een Spruytjen van soo goeden Aert,
Is duysent danckbaerheden waert.

Als ick haer Naem (met haer eygen hant geschreven)
in seker Boeckjen vondt.

En denckt niet (wien dit komt tevoren)
Dat dese letters hier behooren,
O neen! sy doolen hier te vard’;
Die soet’, en lieve handt die dwaelde,
Die dese lettertjes hier maelde;
Haer rechte woon-plaets, is mijn hart.

Aen de selve, myselven aen haer afgebeelt,
onder de vier Elementen.

GHy hebt een vyer in my (O aerdige) gaen stichten,
Dit Minne-vuyr doet my gestaegh yet aerdighs dichten,
En siet dus dichtende soo gaet mijn hart om lucht,
Dat gans tot water smelt, als ghy Goddinne vlucht.
[p. 202]

Aen de selfde.

ICk noem u Lief mijn hart; uyt heete minne-smarten,
Maer ’k scheld’ u hierom niet voor eekeysel-steen;
Een onbeweeg’lijck ding dat niet en is te kneen
Al hart ick hard’, ghy zijt noch hard’ genoeg, van harten.

Als sy my toe-schoot dat ick te vierigh begon te minnen.

GHy mint met meerder vuyr (soo spreecktge) alste voren,
Ghy vraegt wat isser gaens? u schoonheyt geeft my sporen,
Geen wonder is ’t mijn hart, dat ghy my vierigh siet:
Die flaeuwen in de min, die krygen min dan niet.

Op haer snee-witheyt.

ICk noemd’ u vlees een sneeuw indien ick dorst, Katrijn,
(’t Gelijck’t in koelt, en kleur, de sneeuw wel, op de daken)
Maer neen dit souw voor my te stouten loge zijn;
Waer ’t sneeuw ten sou in mij geen heete kolen maken.
[p. 203]

Op haer’ bruyne oogen.

ICk sie in uw gesicht den Hemel, on-gemolcken,
Als sy met water dreyght, en sie, ghy dreygt met vier,
Uyt dit aen-valligh swart, wat vreemtheyt toont sich hier?
Wat heeter stralen gaen uyt dese bruyne wolcken.

Aen het doode Lichaem van mijn Naest-bestaende.

ALs ick u roer’loos sie ontroeren my de leden,
Ick sucht in hoogen noodt, ghy sucht haest na beneden.
Hier leydt u vlees gekist, wel eer van my gekust.
Ghy zijt uw leven quijt, en ick mijn levens-lust.

Aen haer Doodt-kist.

Bestae niet eyken hol mijn Ega te besluyten,
Of laet mijn hart by haer, by my haer sweemsel buyten:
Soo sal’t (wanneer ’t in u verrot is, en vergaen)
In mijn geheugenis noch ongeschonden staan.
[p. 204]

Op de Doodt-bidders.

DEes’ bidden op het geen dat ick socht af te smeeken,
Sy bidden op de doodt van haer die ’k biddend’ won,
En biddende verloor, hoe dat ick bidden kon.
Dees’ bidden op mijn schae, en winnen ’t wijl sy spreken.

Op de Doodt-baer.

’t Aensien van dese Baer, baert my een harte-beven,
Mijn oogen baren bey, elck eene bracke traen,
Een barend’ ongeval doet hier een Doodt-baer staen.
Mis-baer nu, baerde nooyt aen die mis-baerde ’t leven.

Aen de Dragers.

Draegh Dragers, die, die droegh, en af-gedragen, gaf
Aen soo veel Dragers werck, haer lichaem aen het graf.
Draegh Drager eens gehant, mijn vreugd’ na ’t aller-naerste,
Draegh dat ghy swoeght, en sweet, noch draegh ick ’t aller-swaerste.
[p. 205]

Aen haer Graf.

O Op-gegraven Graf! aen wien ick kom te veylen
    Haer, die ick in mijn hart, een diepe grafstee schonck.
    O schuyl-hoeck van mijn Ziel, O nare Graf-spelonck!
Hoe dickmael sal mijn hart u diepte komen peylen?

Graf-schrift, op haer Graf.

HIer leydt mijn Ega doodt, hier is haer Lijck gebleven,
’k Gevoelden in haer Min, de soetheydt van het leven,
    Maer doen sy my te vroegh in ’t kinder-bed ontschoot,
    Gevoeld’ in haer eynd’ de wreetheydt van de doodt.

Anders.

Hier leydts’ in droeve graf, door wien ick vreught genoot.
Hier leyt mijn licht in ’t naer’, hier leyt mijn leven doodt.

Als ick my eensaem, op ’t bedde vondt.

DIt’s bed, waer op ick eertijts rusten,
Doen ick mijn lieve weer-gae kusten
[p. 206]
    Kort eer de doodt haer rusten deed’
In ’t graf, en my liet eensaem swerven,
Hier nu te tobben na haer sterven,
    Geeft my voor rust, het harten-leet.

Geboorts-vermaningh aen mijn eenjarige Soon.

’t IS heden nu een jaer, dierbare schat,
Dat mijn Ziels vreughd’ voor u de Ziel moest geven,
Godt geeft my sooveel blijtschap in u leven,
    Als ick in u geboorte droefheyt hadt.

Op de doodt van mijn Kint.

DIt Spruytjen leefden nauw den tijdt van achtien dagen,
    Of siet de Doodt viel ’t aen, en bracht ’et in een Rijck
Daer d’ Onderdanen selfs gewyde Kroonen dragen,
    Wat stae ick dan bedwelmt en steen, by ’t kleyne Lijck?
Wat loos ick sucht, op sucht? mijn droefheyt heeft geen reden;
    ’t Is by sijn Jesus, en waer heeft’et liever vrint?
De Ziel (gescheyden uyt dees’ teer, en teng’re leden)
    Leeft nu geluckiger als hier een Koninghs-Kint.

Continue
[p. 207]

DEN

VOLSTANDIGEN

MINNAER.

Kort-Spel.

Gerijmt door: STEYN.



[p. 208]

SPEELDERS.

KAREL, Minnaer.
BRANDYNE, Geminde.



CLITO, Geheym-vrint van Karel.
[p. 209]

Den volstandigen

MINNAER.

Kort-Spel.
____________________________________

Eerste Bedryf.

Karel (al klagende) met Clito uyt.

    WAerom of my de Goden haten?
        Of heb ick ’s Hemels gonst verbeurt,
    Rampzalige! die nu verlaten*
        Van sijn Beminden, eensaem treurt.

    (5) Mijn nood-lot komt my vinnigh drucken,
        Op ’t onvoorsienste, dan ick weet,
    Ick ben geteelt tot ongelucken,
        En op-gevoedt tot harten-leet.

    Mijn hart (doorsteken met veel smarten)
        (10) Dat breeckt, en barst, in ongeval.
    Maer ach! het gaet haer niet ter harten,
        Die door haer glans, my ’t hart ontstal.

    Brandyna? (sonder mededoogen)
        Aen wien ick ’t hart gaf blanck, en bloot;
[p. 210]
    (15) Ach! draeght ghy nu soo wreede oogen,
        Die wellust scheppen, in mijn doot?

    Kunt ghy hem nu beangst sien sterven,
        Die ’t op u liefden had’ gemunt?
    Hoe kunt ghy my geheel verderven,
        (20) Ay wreede! segh dit aen u vrunt?

    Segh doch waerom dat ick moet klagen?
        En roept vry uyt, wat aen mij feylt.
    Heb ick u niet bij nacht’ en dagen,
        Stantvastelijck, mijn hart geveylt?

    (25) Ick heb u vyerigh onderhouwen,
        En sie, hier wert’et my geloont:
    Brandyna laet het vuyr verkouwen,
        Nu hem de Vader straf betoont.

    Brandyna was u vier ontsteken
        (30) Als’t mijn, u Vader (schoon hoe straf)
    En vondt geen kans de vlam te breken,
        Ghy bleeft mij trouw, aen doodt, en graf.

    Hier by: ghy acht op alle talen,
        En leent het oor aen die, die mij
    (35) Met valse verwen af gaen malen,
        Ghy hoort na vuyl’ eer-rooverij.

    Dus wert ghy van mij af-gedreven,
        Dit brouwt ons beyder ongeval.
    Ach! lusten ’t u, met my te leven,
        (40) U min stont als een rots-steen pal.

[p. 211]
    Geen norsse buy en souse plagen,
        Geen laster sou haer hinder doen,
    Zij wiert van geene nijdt geslagen,
        Al dit, sou hare hitte voen.

    (45) Ach, Tijger-aerdige Brandyne!
        Wat druck hangt ghy mij boven ’t hooft!
    Mij kan geen blijde Zon beschijnen,
        Nu ghy u minne-stralen dooft.

    Gae, kies nu vrij na uwe oogen,
        (50) (Ghy hebt u vlam tot mij geslist)
    En wert dan in u hoop bedrogen,
        Als ghy volmaeckte liefde mist.

    Verlaet hem, die u niets beloofden
        Of gaf’et u, van nu af aen
    (55) Gae vrij, maer die ghy’t hart beroofden
        Sal aen der Goden Hemel gaen;

    En u, van wreetheyt aen gaen klagen,
        Besie dan nochmael eens Brandyn
    Wat hart dat ick u quam te dragen;
        (60) Of het vol waerheyt stack, of schijn.

    Hebt maer gedult, een weynigh wachten
        Toont u, het scheyden van mijn Ziel.
    Wel oordeel dan, met wat gedachten
        Ick voor u schoot ter neder viel.

[p. 212]
Cl. (65) Mijn Vrint, ’t is langh genoegh de locht gestopt met klagten
De wanhoop voert u wegh, waer loopen u gedachten?
Schep moet mijn Vrint, schep moet.
Ka. Hoe kan ick waarde Heer?
De wanhoop heeft mij in, de moet leydt in mij neer.
Ay sie, hier staende sie ’k Brandyne voor mijn oogen,
(70) Ondanckbare! ay seg, hoe kan u hart gedoogen,
Dat ick u min besterf? dat ick in rouw vergae?
Dat ick in pijn versmelt? ’k had’ ’t al verquickent, ja
Van u verwacht mijn Lief, ghy scheent mij toegenegen,
Nu keert ghy mij den rugh, en toont u heel verlegen.
(75) Dit baert mij in het hart on-eyndig wee. Mijn Vrint
Haer Vader is vol haet, sijn wil, stelt wet, aen ’t kint;
Soo lang hij adem schept wil hij (geheel verbolgen)
Ons minne-banden gaen verbreken, en vervolgen.
Cl. Wat is hier oorsaeck van? hoe komt het radt gedraeyt,
[p. 213]
Ka. (80) De langh verdoemde Nijt heeft Hellezaedt gezaeyt.
Cl. ’t Volvoeren van de trouw is u Brandijn haest machtig.
Ka. ’t Is waer, indien zij wou, maer vrinden-raedt is krachtigh.
Cl. ’t Waer billijck dat haer min het sterckste was, van all’.
Ka. Men roept: Brandijn siet toe, gy brengt u selfs ten val.
Cl. (85) Dit wert haest vruchteloos, is trouwe min haer eygen.
K. En nevens alle raedt, soo valt m’er aen met dreygen
Cl. Een reghte Minnares schrickt voor geen dreygement.
Ka. Haer overbange hart en is geen twist gewent.
Cl. Gae wapen u met moet, help’ haer, u past geen slapen.
Ka. (90) Daer niet te winnen valt wat gelt daer stael, of wapen?
Het is mis-moedigh werck.
Cl. Wat leght ghy hier en mart?
Hy vecht oock tegens hoop, die moedigh is van hart,
Ontbreeckt u moet, en hoop? soo valt’er niet te winnen.
Ka. Schoon ’k hoopt’, en ’t golt mijn hoop, waar heen dan met de sinnen?
[p. 214]
Cl. (95) Geen noodt, die aenhoudt wint, geen stam en valt aen tween
Met d’alder-eersten slag, mis-moedigh mens, waer heen?
Kar Daer mijn mis-moedigh hart my voortaan sal geley’en.
Cl. Hoe? wilt ghy hopeloos van u Brandyne scheyen?
Ka. Wat kan ick anders doen? sy geeft my hoop noch moet,
(100) ’k Ben van haer af-geset, ’k vecht met de tegen-spoet.
Haer Vader blijft verhart, sijn wil is niet te buygen,
Sy treedt mij hoop’loos voor, hier bij komt yder spuygen
Vergiftigh vuyr, en vlam, (’k werd’ allesins gedruckt)
Dus wert Brandyne mij van alle kant ontruct.
(105) De valsheyt geeft zij ’t oor, mijn tael en kan ’t niet weeren.
Helaes! haer lieve hart begint van mij te keeren.
’k Sie haer af-schuw’lijkheit toenemen dag aen dagh,
Mijn doen heet veynserij, al wat mijn tongh vermagh
Is min dan niet by haer. Mijn Vrindt, hoe soud’ ick konnen
(110) Ay segh? mijn selleven een vrolijck uyr vergonnen?
[p. 215]
De werelt wert mij nauw, als ick mij nogh de tijdt
Af-schilder, van haer gunst, maer ’k sie, ick heb gevrijdt
Een die handadigh is aen dief-stal, en aen moorden:
Eerst stal zij mij mijn hart, en nu ’t haer toebehoorden,
(115) Nu wert zij een Beul-in, en moort het fel, en wreedt.
Cl. Maer Karel ’k bid u sleghts om wat gedult, ick weet
(En heb haer hart gepeylt) zij is uw noch genegen,
Kar Geweest. Maer nu niet meer: ’t geluck dat loopt mij tegen,
En ’t schijnt in tegenspoedt wijckt yder van mij af,
(120) Behalven ghy alleen mijn noodt-vrint, die mij gaf
Veel proeven van uw trouw al langen tijdt hier voren.
Ghy weet, doen ick Brandijn eerst had in ’t hart verkoren,
Dat ick ’t met uw begon, ghy waert mijn kloeckste raedt,
Mijn hulp, mijn nootklaght, Heer, by u vont ick steets baet.
(125) Niets druckten mij op ’t hart of ’k moest’et uw oock melden,
[p. 216]
Ick kan u waerde trouw, na geen waerdij vergelden.
Nu wenst’ ick noch mijn vrint een ding van u gedaen.
Cl. Versoeck maer, en terstont het wert van mij bestaen.
Ka. Mijn beed’ is; dat ghy wilt met mijn Brandyn gaen spreken
(130) Noch een mael, en voor ’t laetst, gae uyt mijn naem haer smeken,
En vraegh haer of ick my magh storten aen haer schoot,
Waer dat ick dan verwacht mijn leven, of mijn doodt.
Wat haer op ’t harte leydt dat sals’ u wel ontdecken.
Ay! hoor uyt haren mondt wat haer van mij komt trecken.
(135) Wil mij verdedigen. Segh hoe ick ben gestelt,
Van wanhoop aen-gevat. En hoe mijn hart sigh quelt;
’t Wijl ick als ballingh moet uyt hare oogen swerven.
O goon! medoogentheydt wil haer het hart door-kerven!
Cl. Ay hoop een blijde maar, en set u hart doch licht.
Ka. (140) Gae Heer, om dese daet blijf ick aen u verplight
[p. 217]
Cl. Hoop met mijn komst wat goets.
Ka. Dat wil den Hemel geven,
Gae trouwen Hals-vrindt, en behouder van mijn leven.
Clito binnen.



Karel alleen.
Nu is mijn hart te recht een open oorloghs-velt,
Waer in dat worstelen (elck als een dapper Helt)
(145) De hoop en bange vrees, maer hoop heeft ’t slechtste wapen,
Dus staet’et slecht met my elendige geschapen;
Want die voor onluck schrickt die valt’et licht te beur,
Na ’t suyr (seydt d’oude spreuck) staet ’t soete voor de deur.
Maer dat dit seker is, en kan my ’t hart niet tuygen.
(150) O Hemel! wilt doch een afkeerigh mens verbuygen,
Die alleen oorsaeck is van mijn te droevigh lot.
Soo schep ick weder moet, ’t is waer ’k dreef eer den spot
Met liefd’, en diese droegh, (onkundigh van haer krachten)
Als ick door on-verstandt een trouwen Minnaer achten
[p. 218]
(155) Een recht verwijfden bloedt, een blooden suffaert, neen
Ick sal voortaen veel eer met vierige gebeen
Voor sulck’ onluckige, en trouwe zielen smeken.
Laet my maer onder-wijl geen stof van vreughd’ ontbreken.
Binnen.



Clito, en Brandyna.
Cl. Ten is geen boert, maer ernst, het geen dat my hier jaeght
(160) Is Karels droeve pijn, die niet dan sucht, en klaeght.
Ghy hebt hem af-geseydt soo ick aen hem kan hooren.
Br. ’t Is waer, uyt dwangh mijn Heer: ick sie ’t is al verloren
Wat arbeyt dat ick doe op ’s Vaders stael gemoet.
Mij jammert wel sijn ramp, my druckt sijn tegenspoedt,
(165) Doch evenwel (helaes!) ick kan hem niet doen hopen
Op een geluckigh eyndt, hy weet, dit hart staet open
Voor hem, indien het moght geschieden, on-benijt.
Cl. Hy roept: in u verlies is hy sijn leven quijt,
[p. 219]
Den gantsen dagh gaet hy met een mis-moedigh steenen,
(170) En met een naer gesucht, sijn ongeluck beweenen.
Hy meynt dat ghy hem haet, dan roept hy: mijn Goddin,
Dan wreede Moorderes, onsinnige Beulin,
Die mijn gestolen hart verscheurt, op ’t aller-boosten,
Ick (die hem als een Vrindt in dit geval wil troosten)
(175) En krijgh gans geen gehoor, wie weet waer hem mis-moet,
Noch end’lijck toe sal raen, d’onlydelijcke gloet.
(Siet toe) sal hem noch eens het leven doen versticken,
Elk gaf u dan de schult! ey wilt de zaeck eens wicken,
Droegt ghy hem immer-gunst? Arbarm u dan sijn pijn.
Br. (180) Mijn harten-leet en is niet minder als het zijn.
Cl. Ghy zijt by na voljaert, dan kunt ghy ’t met hem wagen.
Br. Maer ellick spelt my voor, die tijdt sou ick beklagen:
Want Karel draeght de naem dat hy staeghs suypt, en brast.
En weynig op sijn doen, en noodig voordeel past.
[p. 220]
(185) Hy is speel-achtigh, dwaes, quaedt-koppigh, en onsinnigh,
Een recht verwarrelt hooft, by yder nors onminnigh,
Een kruyn vol ydelheidt, die niet dan rijmt, of speelt,
En vol van Bacchus nat, hier vecht, en daer krackeelt.
Hoe ick’er tegen-kant, men maeckt’et langs hoe quader.
Cl. (190) Die Karel dus beticht die lieght als een verrader,
Die tael voert Hoer, of Guyt.
Br. Nochtans dit maeckt my bangh.
Cl. Hier voor stel ick my borgh, ô neen! ick heb te langh
Sijn omme-gangh doorsien, dus wilt hierom niet deynsen,
Dit heeft een Schelm verziert.
Br. Maer menigh mens kan veynsen.
(195) Hier toont men sigh een Leeuw, en ginder wel een Lam.
Cl. Gelooft, dat niemant sulcks in Karel oyt vernam
Br. Dit seydt’er meer dan een, hoe liegh’et dan een yder.
Cl. Maer die dit seydt, wie is ’t? sijn Vrint, of sijn Benyder.
Ick segh alleen ’t is vals, schoon of’et yder seydt.
[p. 221]
Br. (200) My dunckt, ghy yvert Heer.
Cl. ’k Spreeck voor d’onnooselheydt,
En volgh hier myne plicht.
Br. Voor my, ick kond’ nooyt mercken
Yet hatelyckx in hem, in tael, in doen, in wercken,
Bevond’ ick hem gans heus. Getuyg ick dit? men seydt:
Ghy wert van hem door list en veynsery misleydt.
(205) Een Minnaer kan sijn vuyl te looselijcken heelen
Daer hy een Maeghden hart (’t eenvoudigh) sit te streelen.
Geen Vley’er is soo wolfs, of kruypt in eene vacht
(Voor die tijdt) van een Schaep, het schijnt een Lam, maer wacht,
Het wert een Tyger-dier wanneer hy heeft verkregen
(210) Den beuyt die hy bejoegh, de Vrouw valt hier verlegen
Na Hymens echte knoop, sy heeft geen heul, geen Man,
Geen Noot-vrint, maer veel eer, een Beul, en een Tyran.
En soo my dit weer-voer, waer vond’ ick heul, of leven?
Klaegd’ ick mijn noot? ’t sou zijn: ghy hebt het voort-gedreven,
[p. 222]
(215) ’t Is u te wyten, en u reuckeloos bedrijf.
Waer ick my wende ’k vond’ een Helle van gekijf.
    Mijn Heer, ay segh my eens, waer soud’ ick veyligh wesen?
Cl. Onnutte sorgh Me-vrouw, vergeefs is al dit vreesen.
Soo Karel u bedrieght, ick draegh de schult, weet vry,
(220) Daer leyt niet op sijn hart, of hy ontdeckt’et my,
Ik ken hem als myn selfs: want wy meest alle dagen
Sijn by den anderen, daer nooyt mijn oogen sagen,
Dat hy in gulsigheydt (of yets dat ghy daer seght)
Hem selleven verliep. Gelooft hy is oprecht,
(225) Sijn tongh spreeckt na het hart, hy sal u niet ontdecken
’t Geen strijdt met sijn gemoet, ’t beloofde wel vol trecken,
Hoe wel de boose nijt hem allesins verdruct,
Die u te vals misleydt. s’ Heeft u te var’ verruct.
Gelooft Brandyn, gelooft, g’hebt Karels hart gestolen.
(230) Hoe kunt ghy die u lieft in wanhoop laten dolen?
[p. 223]
Ay slaet de trouwheyt selfs soo plotsigh niet om veer.
Br. Ach Karel! Karel ach! ’t doet my in ’t herte seer.
Ick ben on-magtig u uyt ’t binnendeel te stooten,
’k Seyd’ u wel af, ’t is waer, maer ’t heeft Brandyn verdrooten
(235) Wanneer s’u laetste re’en in ’t af-scheydt, overdacht;
Dat eeuwige vaerwel; voor altyt goeden nacht.
Clit. Maer of den avont-stont hem hier bragt, sou ’t ghy dogen?
Br. Hem dit te weygeren, en soud’ ick niet vermogen.
Versoeckt ghy dit (mijn Heer) uyt Karels naem? gae trouw,
Cl. (240) Dit is sijn eygen beê, ’k vergh u niet meer Me-vrouw,
Wat tydingh sal ick dan u Minnaer hier op dragen?
Br. Ick swijgh op u versoeck,
Cl. Soo is’t u wel-behagen?
Br. Wat wil ick veynsen Heer? ô jae, ick wens: de tijdt
Wil eens verwisselen de harten vol van nijt.
Cl. (245) U Karel sal om u noch list, noch moeyten sparen,
Br. ’k Sal doen wat ick vermagh,
Cl. ’k Wens dat ghy bey mooght paren.
[p. 224]
’k Brengh u mis-moedige dees blyde maer, en keer,
Me-vrouw u slaef in als.
Br. Uw Dienares mijn Heer.



Brandyna alleen.
O Hemel! bron van alle troost!
    (250) Schept ghy behagen in mijn ly’en?
Dat ghy dus lang op ’t aller-boost
    Getrouwe liefde laet benyen?

’t Af-seggen steets (in tegen-sin)
    Breeckt my het hart, en valt my lastigh,
(255) Nu speur ick Karel; uwe min
    Is onvervalst, zij blijft stantvastigh.

Mocht ick noch een-mael (on-benijt)
    U lieve trouwheydt doch vergelden!
O Goôn! ay, geeft die blijde tijdt;
    (260) Soo sal ick uwe goetheydt melden.

Och! hadt ghy ’t boven soo gevoeght:
    Dat wy beneden souden swerven,
Ons herten waren dan vernoeght,
    Zij souden in geen wanhoop sterven.

(265) Verlicht twee harten, vol van druck,
    Na soo veel reets geleden rampen.
Geef eens een tijdt van vreughd’, en luck.
    ’k Gae onderwijl voor Karel kampen.
Binnen.



[p. 225]
Karel, en Clito.
Ka. Hoe is’t Vrindt Clito, segh? hebt ghy Brandyn gesproken?
Cl. (270) O ja.
Ka. Hoe vondt ghy ’t al?
Cl. De moet was haer gebroken.
Brandyn had lust nogh sin, ’k vondt haer niet wel gestelt
Ka. Wat deerd’ haer?
Cl. d’Eygen quael, die u geduerigh quelt.
Ka. Maer segh, wat had ghy bey al voor geheyme reden?
Mijn hoop, leydt die in d’as?
Cl. O neen, stel u te vreden.
(275) Haer teere liefde die sy u in’t hart toedraegt
Keur ick voor gans volmaeckt. Ick heb haer aengeklaeght
Het lijden dat uw druckt, zij stondt geheel bewogen.
Het vol gemoet, dreef haer de tranen, uyt de oogen,
Het welck my self bewoogh tot deerenis, en druck.
(280) Zij heeft mij wederom ontdeckt van stuck, tot stuck,
Wat haer op ’t harte leyt, hoe elck u fel, en vinnigh,
[p. 226]
Met op-set tegen-kant, ja woedend’ en onsinnigh
Tast u een laster tongh (ontsteken door de gloet)
Van d’onder-aertse Hel, gestaegh in d’ eer, ’t gemoet
(285) Dat noyt onrustigh was, braeckt niet dan helse kolen,
De Nijdt is op de been, Brandijn hield’ niet verholen,
Maer deed mij ongeveynst van alles kundtschap, ick
(Die het te vals bevondt) heb in een oogenblick
Haer sinnen om-gevoert, en ’t hart (gelijck voor desen)
(290) Tot u getrocken, en van achterdocht genesen.
Ka. Juyg Karel, schep nu moet! ô tijding, onverwacht!
Cl. Wat aengaet u versoek ick hebt soo var gebracht,
Dat zij u als voor heen op t’avondt na den eten
Weer sal verwachten, dit heeft sij aen u doen weten.
Ka. (295) Maer Vrindt, de Vader-haet, waer wil zij daer mee heen?
Cl. Die hooptse door de tijt met smeken en gebeen
[p. 227]
Te dempen, stel geen vrees, dien haet die sal wel sincken.
Ka. Op een goedt eynde! kom laet ons een glaesje drincken,
Op sulck een tijdingh, smaeckt een brave Rijnse toogh.
(300) Win ick Brandyna’s gunst, geen baer gaet mij te hoogh.
Binnen.
Continue

Tweede Bedryf.

Karel gaende na het huys van Brandyna.

’k BEn af-gepijnt van ’t langsaem wachten.
    Dael blijde Zon: op dat de nacht
    (Dien ick als onverduldigh wacht)
Mijn bange ziel wat mach versachten.

(305) My dunckt ick sie alreets het licht
    Van mijn Brandyna’s lieve oogen,
    Die ’k bey (vol soetheyt, en vermogen)
Wel heb van dieverij beticht.

Die mont, die ick soo menigh werven
    (310) Heb menigh kusjen afgerooft;
    Als ick (van vleyen afgeslooft)
Om hare liefde, scheen te sterven.

Waer op dan (met een soet geluyt)
    Mijn tonge riep mijn uyt-verkoren,
[p. 228]
    (315) Mijn lichaem is voor u geboren,
Brandijn ghy zijt mijn eygen Bruyt.

Ach! mocht ick doch van haer eens proeven
    De smaeck, van ’t twee-gelettert woort!
    Mijn ziel (geraeckt, en half vermoort)
(320) En sou geen and’re troost behoeven.

Hier sta ick voor het lief gebouw;
    In wiens gewelf, en dichte wanden
    Mijn afgeroofde ziel, in banden
Gestadigh sucht: om weder-trouw.

(325) Gesloten ingang, houdt mij buyten
    Indien mijn Engel mijn noch haet,
    En met dat vinnigh op-set gaet;
Van hare ziel voor mij te sluyten.

Schoon dat de tongh doet slag, op slag,
    (330) Medogentheydt en heeft geen ooren
    Al heb ick haer mijn trouw geswooren;
Sy kreunt haer niet, aen mijn geklagh.

Maer neen. Haer tochten die ontwaken;
    Zij lijdt met mij aen eene smart,
    (335) Was zij voor desen wreedt, en hart?
Zij wil haer slaef geluckigh maken.

Hier op verkreegh ick vrij geley,
    Ick hoop; het is haer wel-behagen;
    Dat ick na soo veel sware slagen
(340) Nu eens geluckig van haer schey.

[p. 229]
Met eerbiet, wil ick nu Brandyna’s deur genaken,
Die deur die ’k menichmael ontijdigh ging bewaken.
O deur! ô soete deur! ghy veylight mijn Brandyn.
Ghy loosden menighmael de blijdste Zonneschyn,
(345) Als ick door duysternis gingh naderen uw posten,
O deur! waer voor ick dick’ mijn minneklachten losten,
Aen d’ooren van Brandyn, dat gadeloose beelt,
O deur! hads’ u de helft van sulck een vier gedeelt,
Als ick gevoel? zij had u langh tot Ass’ gaen maken.
(350) O deur! hoe derft zy u met hare oogen naken
Waer uyt dat vonck, op vonck, en vlam, op vlammen gaen?
Haer vuer, en kan dat u vlam vattend’ stof niet schaen?
Neen deur, ick dool: Brandyn heeft ys dat weer kan koelen,
Haer hart is koudt, en kil, verbastert van gevoelen.
(355) Ontsteeckts’ yet met het oogh? zij koelt ’et met het hart.
’k Verliet u dickmael, deur, nu vrolijck, dan met smart.
[p. 230]
O deur! had ghy een tong wat soudt ghy niet al klappen?
Door u ging ick eerlang mis-moedig henen stappen:
Vind’ ick in u Brandijn, als zij haer doenmael hiel?
(360) Loost ghy mij flus voor ’t laetst, en ick loos dan mijn ziel.
Ick mag (op dat zij ’t hoort) uw ring geluyt doen geven,
Brandijn van binnen.
Wien hoor ick daer?
Ka. Brandijn mijn harte-vreugt, mijn leven,
’t Is Karel.
Br. Ach!
Ka. U slaef, roem-waerdige Brandijn.
Br. Ghy hier, Heer Karel! wat ’s u bee (dus laet) op mijn?
Ka. (365) Brandyna voor u schoot kom ick my neder-storten;
    Gevangen in uw min, benepen in het hart;
Dit is dan mijn gebedt: dat ghy mijn leet wilt korten,
    En gonnen weder-min, het eynde van mijn smart.

Indien ghy waerlijck wist wat dat ick kom te lijden,
    (370) Wanneer ick derven moet, dat aller-soetste licht
[p. 231]
Dat uyt u oogen daelt, ghy soudt niet tegenstrijden,
    Maer houden eer hier door u hart, aen ’t mijn verpligt.*

Mijn leven, en mijn doodt, mijn blytschap, en mijn treuren,
    Staet nu in uwe handt: uw wreedtheydt is mijn doodt,
(375) Uw hulp is ’t leven, en wat kon mij meer gebeuren?
    Mijn blijtschap was volmaeckt, indien ick dit genoot.

Och! of de vlugge Faam eens moght de tijding dragen:
    (Voor yders oor) dat ons den echt ver-eenen souw.
Ick sag mijn Luck-star op het heerelijckste dagen;
    (380) Als ick bij u mogt zijn in blijtschap, en in rouw.

Ay blijft dan waerde Ziel aen die (die u komt smeken
    Uyt ongeveynsde min) noyt wreedt, nog al te straf
Een woordt omvat het al (wat baet’et veel te spreken?)
    Stopt ghy u gonstig oor, soo opent ghy mijn graf.

[p. 232]
Br. (385) Helaes! hoe veyns ick, met een hart vol mede-dogen?
Ka. Hoe staet mijn Engel, mijn Brandyn dus onbewogen?
Br. En hoe valt Karel een onnoos’le Maegt dus hart?
Ka. Uyt suiv’re liefde, en noyt gehoorde smart.
Br. Uyt lust tot vleyerij, en woorden sonder meenen.
Ka. (390) Weerspannige Brandyn, waer vlieght u oordeel henen?
Of is ’t u een vermaeck dat ghy hem moort, en slaet;
Die om u wreetheyt sterft, en om u min vergaet?
Br. ’t Zijn minne-reden.
Ka. Neen, ’t is waerheydt, mijn Brandyne.
Br. Ick acht’, een waerheydt, die men haest sou sien verdwijne,
(395) Een waerheydt, t’wil ghy spreeckt.
Ka. Een waerheydt, tot mijn doodt
Hoe is de wantrouw van mijn Engelin dus groot?
Br. Een al-gemeen bedrogh geeft mij twee open oogen,
Die ligt geloven wil die vindt sig haest bedrogen.
Ka. Wat wilt ghy tot een pandt, van mijn oprecht gemoet?
[p. 233]
(400) Wilt ghy een minnen-eedt, geteeckent met mijn bloedt?
Eyst wat ghy wilt, ghy hoeft mijn leven niet te sparen.
Sent mij op ’t doots-oort, in all’ uyterste gevaren,
En soo ick ’t leven sleep, uyt dobbel lijfs gevaer
Soo laet my dan Brandyn tot loon bekomen, maer
(405) Soo ick te sneuv’len koom’, soo laet mij d’eer genieten:
Dat gy mijn Lijck betreurt; met tranen gaet begieten,
Oock lust u selver mij te proeven, doe my d’eer.
Sie hier mijn lichaem, en sie daer is mijn geweer.
Br. Indien ick yets bestond (myn Heer) ghy soudt haest deynsen.
Ka. (410) Al ’t geen ick doe (Mevrouw) dat doe ick sonder veynsen
Al ’t geen u handt mij doet, is ’t hart getroost, voortaen
Sie daer, noch andermael, mijn Degen, grijptse aen.
Kom toetst mij, en ghy sult mijn trouwheydt haest bespeuren.
’k Wagt van u handt nu af; mijn blijdschap, of mijn treuren.
[p. 234]
Br. (415) Wat maeckt ghy Karel, zijt ghy dul, en gans ontsint?
Ka. Neen ’t is de selfde nog die u volmaeckt bemint,
Die’t aen u overdroeg, wat in hem is te agten,
Die op u wencken past met wil, en met gedagten.
Hy die, (na dat hij hem aen u heel over-gaf)
(420) Wil hellen na u schoot, of hollen na sijn graf
Hij, die van u geen vreugt, bij u, geen druck kan voelen.
Hij, die met waerheydts tael soeckt op u hart te doelen.
Hy is ’et met een woordt (ô aller-soetste Maegt)
Die in u bij-sijn juygt, die in u af-zijn klaegt.*
Br. (425) Waer ’t hart, en tonge eens met Karel, k’ wierd’ verbeden,
Maer is ’t geen minne-tael, zijn ’t geen geveynsde reden?
Ick vrees, en lief. Maer eer ick hem ontdeck mijn min
Speel ick voor ’t laetst nog eens de Rol van veynserin.
Vertreck vry Karel; want voor u staet niet te winnen.
Ka. (430) Hier stae ick weer verstelt, met reddeloose sinnen.
O Hemel kan ’t oock zijn; dat een geliefde Maegt
[p. 235]
Haer Minnaer reys, op reys, met hare wreetheydt plaegt?
Brandyn, wat doet op nieuw, ay seg, u gramschap roken?
Heb ick u Eer misdaen, en die te na gesproken?
(435) Heb ick aen u mis-beurt? ay seg waerom ick lij,
En wat u killig hart verbittert houdt, op mij?
Heeft u een Helse tong (op mijn geluck gebeten)
Weer logens op geveylt? wat is het? doet ’t mij weten.
Voor my en is geen winst, voor mij is geen gena?
(440) O harde Donderslagh! ghy velt mij daer ick stae.
Is hier geen winst voor mij, daer ick ’et al ging wagen?
Is hier geen heul voor mij, daer ick ’et al ging klagen?
Daer ’t hart voor heen vloogh (als ick raeckten op de been)
Luyt daer de tael: Vertreck, en gae soo troost’loos heen?
(445) Mijn hart leydt op dees’ stee, sal ickse dan verlaten?
Dit is die lieve zael daer wij soo dickmael saten,
Daer ghy Hart-rooverij (myn Engel) dorst bestaen,
[p. 236]
Daer ick dees’ dief-stal lee, en wijck ick niet van daen:
Of g’hebt mij (als voor heen) het mijne weer gegeven.
(450) Daer ick’et alles liet, daer laet ick oock mijn leven.
Neen, neen, Brandyn, soo niet, hier wort mijn lijf een lijck;
Of u gebede gunst, maeck’ mij op heden rijck.
Vertreck vry Karel! neen, vertreck eer al mijn sinnen,
Ick val aen ’t woeden, weg, weg eel vernuft, van binnen.
(455) Ghy sult vertrecken; op de ongunst van Brandyn.
Br. ’t Is boert, mijn Karel, ick en ben niet, dien ick schijn.
Ka. Segh of mij eynd’lijck op u min maer staet te hopen?
Geeft mij een gunstigh woordt, doet mij een Hemel open
Van eyndeloose vreught, en blijdschap sonder maet.
Br. (460) Ay Karel! vergh niet meer; ick heb u noyt gehaet.
Ka. Dit ’s niet genoegh, om mijn geluck voort te volmaken,
Ghy moest in mijne min (als ick in d’uwe) blaken.
[p. 237]
Ghy haet mij niet Mevrouw, maer ick soeck vrij wat meer.
Br. ’k Duld’ u geselschap, laet dit u genoeg zijn, Heer.
Ka. (465) Wel laet my dan voortaen met u geselligh leven,
In dien gewensten bant; van suyv’re Echt.
Br. Hoe sweven
Al mijne zinnen, in mij tevens tegen een?
Ka. Wat wilt ghy marren, is ’t niet lang genoegh gebeen?
Wat maeckt u mijn Brandyn (segh) dus versteent van binnen?
(470) Wat isser dat u deert? wat speelt u in de sinnen?
Of vreest ghy, soete Maeght, te vroeg te zijn gepaert?
Of acht ghy mij u min, en uwe glans niet waert?
Of is’t u een vermaeck de trouwheyt selfs te plagen?
Of komt ghy moet op u bevalligheyt te dragen?
(475) Wat wil u schoonheydt doch? vertrouwtse niet: s’is waen,
Hoe langer dat zij staet, hoe eer zij sal vergaen,
Het is een teere Roos, die vol bevalligheden,
[p. 238]
Op heden glinstert, en op morgen leydt vertreden.
Ay Nymphjen keer, ay keer, en stort mij leven in,
(480) Mijn aller-waerste, ay! getroost u mijne min,
Neemt al de feylen, die ghy in mij vindt te laken,
En neemt de Min, waer mee ick t’uwaers kom te blaken,
En setse tegen een, en haet mij in ’t gemoet;
Soo mijne liefde geen volmaektheyts schult en boet.
Br. (485) ’t Geviel nu Karel; ’k gaf mij op, soudt ghy na desen
Deselve zijn, die ghy nu schijnt:
Ka. Verban die vreese
En wantrouw uyt u wegh, van harten, ja Mevrouw.
Br. Wel op dat voor-bedingh, schenck ick aen u mijn Trouw,
En maeck u eygenaer van mijn genegentheden.
Ka. (490) Lief! dubb’le danck. Wat grooter gift krijg ick op heden?
Brandyne wert de mijn! vlie wegh, gelede druck.
Wel roem nu Karel! roem: op een volmaeckt geluck.
Hoe sal ick dese deught (myn Ziel) aen u vergelden?
[p. 239]
Br. Ay, swijgh mijn Karel wil van geen belooning melden
(495) Vergeeft’et u Brandyn; dat ’s haer soo langh onthiel
En voor u wreedt scheen met een toe-genegen Ziel.
Ick leed’ al over-langh, myn Lief, aen uwe wonden,
En na een harde proef heb ick u trouw bevonden,
Mijn al te harde tael was enck’le veynserij,
(500) Heb ick hier in misdaen? myn Lief, vergeeft’et my.
Ka. Al ’t geen dat ghy bestondt Brandyn was tot mijn voordeel.
Nu kunt ghy van mijn min met een volkomen oordeel
Getuygen; of ick u koel-hartig heb gemint.
Br. Ghy hebt in alles my voldaen mijn trouwe Vrint.
(505) Neem dit voor waerheyt aen: (en wilt’et vry gelooven)
Mijn wreedtheydt sproot uyt gunst, ick sagh mijn vryheyt rooven
Al op dien dagh, doen ghy mij eerstmael vleyen gingh.
Ka. U wesen, mijn Brandyn, geviel my sonderlingh.
De eerste uyr dat ick u oogen sagh, vol blijheydt,
[p. 240]
(510) Ontfonckt’ ick, en het bleef het laetste van mijn vrijheyt.
Met d’eerste kus die ick van uwen mondt afnam,
Bliest gy mij in de Ziel een eyndeloose vlam.
Gon dat ick u omhels Brandyn! mijn eygen leven,
Mijn lust.
Br. Mijn Karel! wien ick noyt en wil begeven.
(515) Myn Waerde.
Ka. Mijn Vrindin.
Br. Mijn Wens.
Ka. Mijn Ziel.
Br. Mijn Hart.
Ka. Wat blijder uytslagh, na soo veel gelede smart!

FINIS.
Continue

Tekstkritiek:

Den volstandigen minnaar (p. 209), vs. 3 verlaten er staat: verlaten.
vs. 362 mijn er staat: mij
vs. 424 klaegt. er staat: klaegt)