Continue

Joan Pluimer: Gedichten. Amsterdam, Erven A. Magnus, 1692.
Hierin onder andere:
Uitgegeven door Els van Schaik.
Red. dr. A.J.E. Harmsen, Universiteit Leiden.
Gebruikte exx.: UB Gent BL 3633; UBL 1005 E 18 : 1 en 1205 B 6.
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.

Continue
[fol. *1r: frontispice]

Gedichten van Joan Pluimer

[fol. *1v: blanco]
[fol. *2r]

J. PLUIMERS

GEDICHTEN.

[Vignet: Atlas]

t’AMSTERDAM,
_________________

By de Erven van ALBERT MAGNUS, op den
Nieuwendyk, in den Atlas. 1692.



[fol. *2v: blanco]
[fol. *3r]

Aan den Edele Heere

Den Heere en Mr.

JAN HUIDEKOOPER
Van MAARSEVEEN:

SECRETARIS te AMSTERDAM, &c. &c. &c.

    Wat eer ontfangt myn duitsche lier?
Wat blinkt myn dicht met schoone straalen?
    Het vloeid met aangenaamer zwier,
Nu ’t van uw roem zyn glans mag haalen.

    (5) O Braave Telg van Maarseveen!
Gy, die in dichtkunst zyt ervaaren,
    Aanhoor, gelyk gy deed voorheen,
De laage toonen van mijn snaaren.
    Myn Zangnimf, van een kleene faam,

    (10) Krygt luister door uw groote naam;

[fol. *3v]
    Uw naam, door eer en roem vermaard,
Laat zich alom met blydschap hooren.
    Uw deugd, niet van uw naam ontaard,
Klinkt met geen minder vreugd in de ooren.

    (15) Het Raadhuis, met uw lof vervuld,
Roemd in zich zelfs op uw bedryven:
    Het rekend zich reeds in uw schuld,
En ’t zal licht in uw schuld wel blyven.
    Dies zullen dichters nimmer stof

    (20) Ontbeeren tot uw eer en lof.

    Indien de Nyd wist dat myn geest,
Voor haar gewoonlyk laster braaken,
    In ’t minst’ verschrikt is noch bevreest,
Zy zou haar eigene onmagt wraaken.

    (25) ’K heb aan werk geen tyd besteed
Die myn beroep my had beschooren:
    ’K deed noch my zelf noch and’ren leet:
Nooit trachtte ik ymand te verstooren.
    Die grootste glory, die ’k ooit zag,

    (30) Is dat ik ’t u opoff’ren mag.

[fol. *4r]
    Gy, die in ’t dieptst’ der zaaken ziet,
Kund goed en kwaad net onderscheiden.
    Indien ik slechts die eer geniet
Dat gy myn Zangnimf wild geleiden,

    (35) Zo zal zy vry door door’nen gaan;
En steeds, met nederige klanken,
    Bereid zyn U ten dienst te staan,
En voor zo groot en gunst te danken.
    Dat is de zucht daar zy naar haakt:

    (40) Dan is zy tot haar wit geraakt.

J. PLUIMER.



[fol. *4v]

Op de

GEDICHTEN

Van

Joan Pluimer.

Zo zien we uw Poëzy, heer Pluimer, in het licht,
Tot glory van uw naam, en ’t nederlandsch gedicht,
Verschynen in den rang van Phebus grootste Zoonen,
En, op ’t geluit van uw bekoorelyke toonen,
(5) De Zangberg gaan ten rei en klinken van uw lof.
    Zo immer mengeldicht en keur van ryke stof
Verdiende, om hun waardy en kunstige sieraaden,
Aan een geschaakeld, in een reeks van goude blaaden,
Bewaard te worden voor het knaagen van de tyd,
(10) En aan de onsterflykheid met eer te zyn gewyd,
Het is uw Dicht, uw Dicht! dat op de snelle schachten
Van onnaspoor’lyke en gelukkige gedachten
Van de aard zich opheft, en in haar verheven vlugt,
Alom waar dat gy streefd, verspreid een eed’le lucht,
(15) En teeld een schoone Lent van onverwelkb’re bloemen,
Gemengeld onder een, elk naar zyn aard te roemen,
Op uw papiere veld, dat, als een regenboog
Zo voeg’lyk geschakeerd, als ’t Aardryk blinkt in ’t oog.
    Wie volgt u in uw zoch, als gy voor uit gevaaren,
(20) Oranje baand een weg, en temd de woeste baaren,
Gelyk Arion, tot hy op het Kryte strand,
Zyn krygsstandaarden en ontrolde vaanen plant?
Dan doed gy ’t Schouwtooneel van zyne lof weêrgalmen,
Als gy ’s Lands oorloogsmagt, gekroond met zegepalmen,
(25) Op Torbay toegejuicht, van duizenden ontmoet,
Vertoond, en ’s kenners oog en ooren ruim voldoet.
[fol. **1r]
Maar als ge een hooger toon komt op uw dichtmaat zetten,
Uw Zangster voerd ten dans op ’t klinken der trompetten,
De Groote Wilhems moed afmaald in ’t bloedig veld,
(30) Zyn overwinningen, met Yrlands Neêrlaag, meld,
En zyne Daaden met uw Dicht gelyk laat hooren,
Is Maroos Heldewys op nieuw in u herbooren;
En Flakkus groote geest in uwe duitse Lier,
Als zy, met kracht genoopt van Phebus heilig vier,
(35) De Britsche Cezar, al de waereld omgedraagen,
in ’t juichend ’s Graavenhage, op zyne zegewaagen
Verwelkomd, daar hy haar uit duizend toonen hoord,
En ’t haar gelukt dat zy het Heldenoor bekoord:
Genoeg om eeuwig met zo groot een eer te pronken,
(40) En ’s vorsten Beeltenis in goud aan u geschonken;
Daar een vergoode glans, van ’t licht der Majesteit
Afstraalende, u verpligt tot eed’le dankbaarheid.
    Wie volgt u na op ’t spoor van ’s Keizers zegevaanen?
Doodvervende in ’t verschiet de Turksche halve Maanen,
(45) Hun hoorens krimpende, daar gy de maat komt slaan
Der Duitsche krygsklaroen, terwyl zy ondergaan
In traanen en in bloed, om nooit weêr op te ryzen,
En gy, om de oorlogsdeugd der Dappere te pryzen,
’T zy dat ze zegepraalde, of stierven in ’t gevecht,
(50) Hen eeuwige laauwrier, of lyksipressen vlecht?
Of daar het vrienden oor blyft aan uw vaerzen hangen,
Terwyl gy ’t dier verpligt aan uw Geboortezangen,
En, tot verwond’ring der alteelende Natuur,
Onsterfelyk herschept hun eerste leevens uur?
    (55) Wie eevenaard uw Luit, wanneer ’t haar lust te speelen,
En op zacht muzyk een Harders deun te kweelen,
Daar gy Heer Hoofd tot Drost inweid; met fluit en bom
Zyn lof aan ’t Muider slot voerd ’t gantsche Gooiland om;
En Roozendaal, hoe schoon, met noch veel schoonder kleuren
(60) Afschild’rende, van de aard ten hemel op komt beuren
[fol. **1v]
Zo munt ge ook uit, het zy ge, op Nasoos wys, en toon,
De mintriomfen van Venus en haar zoon;
En zo bevallig, op uw tooverende snaaren,
De Bruidegom en Bruid, en hun gezegend paaren
(65) Vermaard maakt, smeltende in uw liefelyke taal
Zo wel als in hun min en minnelyk onthaal:
Of als gy ’t alles, door de gloed van Heroos oogen,
Ontvonkt, in zulk een schat van schoonheid opgetoogen
Waar meê zy praalende als vrouw Venus Priesterin
(70) Schynt Venus zelf; hier toe leend ge al het zoet der Min,
En uit zyn wieken de bekoorelykste veder,
Haare en Leanders liefde uitdrukkende zo teder:
Hoe zacht vloeid gy door zee met hem na Sestos toe,
Gy nooit van zingen, en hoe hy nooit van zwemmen moê,
(75) Noch zy van hem verheugd te streelen en te kusschen,
Tot dat het water komt zyn min en leeven blusschen,
En zy op ’t lieve Lyk, verkropt van hartewee
Stort, als een Star, die noch na ’t vallen blinkt, in zee.
    Wie zoude u volgen? wie! en niet in moed bezwyken?
(80) Terwyl gy voorstreefd, en alle and’re na laat kyken,
Op eigen wieken dryft als de Agrippynsche Zwaan,
En zo die schelle keel noch eens geluit mogt slaan,
Het heilige gebeente op nieuw ontfangen ’t leeven,
En zien zyn ryke geest in uw Gedichten zweeven,
(85) Hoe zou zyn yver, op een heerlyke wys,
Uw Lof verëeuwigen, uw Zangheldin ten prys;
Gy van de Nyd, die ’t licht der kunst haat, zegevieren;
Terwyl uw Poëzy, gekroond met lauwerieren,
De toets uitstaande van ’t doordringenste gezigt,
(90) Tot glory van uw naam, te voorschyn komt in ’t licht.

KATARYNE LESCAILJE.



[fol. **2r]

AAN

JOHAN PLUIMER,

Zyne gedichten in het ligt gevende.

    De Poëzy, veel kostelyker schat,
    Dan Crassus of Lucullus oit bezat,
Is ’t leeven en de ziel der Wetenschappen,
Waar door men stygt op Glorys hoge trappen.

    (5) Die kunst, door kunst, noch arbeid, nooit behaalt,
    En regelrecht ten Hemel afgedaalt,
Blinkt op dt blad; en breekt het naare duister
Door haren glans en goddelyke luister.

    Heer Pluimer, die geest van Poëzy
    (10) In vollen maat bezit; en doet het Y,
En Amstel, op ’t geluid van uwe snaaren,
In Amstels stad, van wederzyds, vergaaren:

    Dank hebb’ Trompet, dank hebbe uw Fluit, en Lier,
    Wiens aardige, wiens lodderige zwier,
(15) Dringt door het oor, en kittelt hart en zinnen,
En leert het Vee, en leert de Vog’len minnen.

    Indien uw geest aan deeze kunst alleen
    Had willen, of had kunnen, zich besteen,
Wie zou voor u de vlag niet moeten strijken?
(20) Voor wien zoud gy der beste dig’teren wyken?

    Noch is uw Boek by elk geagt, geëert,
    Al hebt gy noch Latyn noch Grieks geleert;
’T is enkele Natuur, het schoonst’van allen,
Dat uit uw pen is op ’t papier gevallen.

P. FRANCIUS.



[fol. **2v]

In Poêmata vernacula

JOANNIS PLUMERI.

            Risus, Blanditiae, Procacitates,
            Dulci Basia dulciora melle,
            Et blandi puer artifex veneni,
            Et tinctae sale Gratiae Batavo

            (5) Has, Plumere, tibi dedere chordas:
            Queis nec mollius elegantiusve
            Suspirare suos queant amores
            Grajarum chorus Elegantiarum.
            Talis de patrio Venus profundo

            (10) Pulcros sustulit invidenda vultus.
            Haec coeli facies amoenitasque,
            Cum pleno radiat decenter orbe
            Pura nocte soror superba Phoebi.
            Et quisquam neget esse te poëtam

            (15) Cui laurus meritos odora crines,
            Cui Regale sinus pererret aurum?


           
J. BROUKHUSIUS



[fol. **3r]

Uit het LATYN

Van den HEER

J. v. BROEKHUISEN.

Wat luister is zo schoon als uwe Poëzy?
De drie Bevalligheên en al hun lekkerny,
O PLUIMER! spannen hier voor u uw schelle snaaren;
Die snaaren! steeds gewoon, met zoet geluit, te baaren
(5) De Grieksche geestigheên in uwe Moederspraak,
De Landgenood tot eer, de Dichters tot een baak:
Zo schoon wierd Venus, om alle oogen te bekooren,
Haar vaderlyke strand ten roem, uit zee gebooren.
Zo prachtig komt de Maan, als zy in volle kracht
(10) Haar blinkend aanschyn toond, verschynen in de nacht.
Wie twyfeld noch die ziet uw borst en hoofd versieren
Met goude eertekenen, en eeuwige laauw’rieren.


           
K. LESCAILJE



[fol. **3v]

Op de

GEDICHTEN

Van

J. PLUIMER.

Wanneer, ô Pluimer! ik met aandacht lees de blaaden,
    Geçiert met teelsels van uw weergalooze geest;
    Waar van uw Moedertaal de voedster is geweest;
Kan myne lust zich aan dat lekker niet verzaaden:
(5) En niet naspeurende op welke onnavolgb’re paden
    Gy, vol van edel vuur en yver, onbevreest
    Ten top der glory vande braafste dich’ren reest:
Stel Ik uw werken, by hun grootste wonderdaaden.
    Daar bloeit op ’t Vorstlyk hoofd de onwelkb’re Lauwerier,
    (10) Daar zwelt het Y van vreugd op ’t hooren van uw Lier.
Daar doet gy Amstels Jeugt in zuivre min versmachten,
    Wanneer Zy Hero van Leander ziet gevleit.
    Het is al Hemel spys, die uw vernuft bereidt.
Dus toont Natuur in u, haar Goddelyke krachten

C. H. SELKART.



[fol. **4r]

Op de

GEDICHTEN

Van

J. PLUIMER.

PLUIMER, die, door zoete dichten,
    Lieflyk streeld ons oog, en oor;
Kon ik, kon ik u verplichten,
    Voort te loopen op dat spoor;

(5) Op dat spoor ons aangeweezen
    Door den groote Mantuaan,
Nazo, Hoofd, en wie voor deezen,
    Streefden langs de rechte baan;

’K zou my dan verzekert houden,
    (10) Dat al die de konst verstaan
My van harten danken zouden,
    Dat ik u deed verder gaan.

Wie uw vaerzen, net gestrengeldt,
    Zo vol aardigheden leest,
(15) Als hy denkt zie hier gemengeldt
    Huigens, Hoofds, en Vondels geest;

Zou daar by ook aanstonds voegen,
    Dank zy hem die ons dit geeft,
Dank zyn vriend, tot wiens genoegen,
    (20) Hy noch meer geschreeven heeft.

P. BERNAGIE.



[fol. **4v]

Op de

GEDICHTEN

Van

J. PLUIMER.

Heer Pluimer, die als me in uw schoone poëzy
Verlustig, dwaal ik in een hof vol lekkerny
En bloemen, konstig door de anderen geweeven
’t Verwonderd me alles waar ik myn gezigt laat zweeven.
(5) Gy hebt het wezen van Natuur, daar zo volmaakt,
Op ’t schoonst’ getroffen dat ze nergens zich verzaakt,
En kunt uw’ Lier, op laage en hooge toonen zetten,
’t Zy dat gy vrolyk vrede of oorlog wilt trompetten,
Of ongevoelig ’t hert aan Roozemond ontsteelt
(10) Door minnedeunen. Had Arion zo gespeelt,
(Schoon zyn gespeel, hem heeft behouden, op de baaren)
Hy was verdronken in het zoet van zyne snaaren

A. V.D. BOGAARD.



[fol. ***1r]

Op de Gedichten van

J. PLUIMER.

Beminners van Parnas, die voorgeeft of de straalen
Der dichtkunst schynen met haar glans aan ’t Y te daalen,
Spreekt gy nu niet te vroeg? voert gy geen zachter taal,
Wanneer gy op ziet gaan deez nieuwe zonnestraal?
(5) Heer Pluimer, die door moeite en vlyt, met groote schreeden,
Al van zyner Jeugt begon de zangberg op te treeden,
Maakt hier de waereld door bekent, hoe hy gerust
Nu boven op den top zyn Luit slaat naa zyn lust:
Van daar doet hy die, dan om harten te bekooren,
(10) Dan geestig aartig op een blyde bruiloft hooren:
En leent, om vrolyker te sieren zyn gedicht,
Uit Venus lonken haar bekoorelykste licht.
Of roemt hy Rozendaal, dat pronkjuweel der hoven,
Dan wil hy ons met al zyn kunst graag doen gelooven,
(15) Dat haar gezichten, Veld, en Boom, en Bloem sieraân,
In eelheid, en natuur, zyn dicht te boven gaan.
Maar hooger gaat hy, als hy Wilhem van Oranje,
Dien held voert over Zee ten troon van Groot Britanje:
En in dat magtige gebied, Princes Mary
(20) Met een driedubble kroon doet pryken aan zyn zy.
Dan speelt hy, dat zyn toon klinkt uit de Nederlanden
Door Lucht en wolken heen, Langs al de Britsche stranden.
En dat zyn naam, int hart des kenners hier behoud
Die Prys van Eer, die hem de Koning schenkt van goud.

H: ANGELKOT.



[fol. ***1v]

Op de
GEDICHTEN

Van

J. PLUIMER.

Klinckdicht.

De Dichtkunst, zo vol kracht en onuitbluschlyk vier,
    Quam van den Hemel op het Aardryk nederdaalen,
    Verspreijdende over al haer goddelyke straalen,
    Maar nimmer met zo schoone en aangenaame zwier,
(5) Begaafde Pluimer, Als in uw schelle Lier,
    Daar gy de zangprys van alle andere kunt behaalen:
    Gy, als een Nederduitsche Apollo, Zegepralen.
    Verciert, gelyk uw Dicht, met eeuwige Laurier.
Hoe groots, hoe heerlyk kund gy’s Vorsten lof trompetten.
    (10) In Mengeldicht de wys op Vrede en Oorlog zetten.
    In Minne en Bruilofts toon elk streeven ver voor by.
De zangberg staat verbaast, wanneer gy haar laat hooren
    De geest van Vondel en Antonides herbooren,
    Op zo volmaakten wys, in uwe Poëzy.

P. V. RYN.



[fol. ***2r]

Het Latyn van de Heer

JAN van BROEKHUIZEN

Van verre gevolgt.

        Lachjes, Lonkjes, Lekkre Lusjes,
        Kusjes, Honingzoete kusjes,
        Min, op zyn vergifte schicht
        Listig kunstig afgericht;
        (5) En de drie bevallykheden
        In haar nederlandse kleeden
        Zyn’t, heer Pluimer, die uw zin
        Blaazen deze Godheid in:
        Met zoo tedre geestigheetjes,
        (10) In zo velerhande kleetjes,
        Als al ’t oude grieksche zoet
        Eertyts kittelde ons gemoed.
        In zo aangename wezen
        Schoot de Mingodin voor dezen
        (15) Op aan Cypris ryke ree
        Uit haar Vaderlyke zee.
        Met zo levendige straalen
        Komt de blyde hemel praalen
        Als men ziet de schooner maan
        (20) In haar volle glory staan.
        Durft dan imant noch met reden
        Twyflen aan uw waardigheden.
        Als de kunst uw hooft lauriert,
        En het goud uw borst versiert?



[fol. ***2v]

BLADWYZER.

    Pag.
Gedichten op en aan den Koning van Engeland.1
Heldendichten.27
Mengeldichten.42
Stichtelyke Gedichten.83
Lyk- en Graf-dichten.91
Verjaargedichten.100
Minnedichten.107
Bruiloftsgedichten.149
Voorspellen.201

Continue
[p. 1]

GEDICHTEN,

Op en aan den

PRINSE van ORANJE,

tegenwoordig

KONING van GROOT BRITTANJE,

Sedert zijn vertrek uit Holland, &c.
________________________

Klagten over zyn Majesteits vertrek.

Ontsagchelijke Godt, die, op uw troon gezeten
In ’t ongenaakbaar licht, al wat’er is kunt weeten;
Die onze werken ziet, die onze woorden hoord,
Gedachten weet, en met een wenk, of enkel woord
(5) Het aard’ryk dav’ren doed; al ’s waerelds Vorsten beeven,
Als gy in gramschap uwen arm hebt opgeheven:
Naar uw’ rechtvaardigheid most alles hier vergaan;
Maar uw’ genade alleen, o Godt! doet ons noch staan.
    Hoe werd uw Kerk vervolgt van waereldlijke Vloeken,
(10) Die and’rens ongeval door nijt en staatzucht zoeken.
Men zag, was ’t noch te doen, voor troon en kroonengouwd,
Een Christus andermaal weêr naag’len aan het hout.
Een tweede Lucifer, met onderaardsche spooken,
Schijnt uit den Afgrond met zijn duivels opgebroken,
(15) Die, door gantsch Christenrijk, een onverzoenb’ren haat
Uitspouwen, door de pest van hun oproerig zaad:
Zaad van Jesuiten, ’t geen alom zich gaat verspreijen;
Jesuiten, die hun Heer by neus en ooren leijen,
[p. 2]
En die doen gelooven, dat die ’t meest vervolgt en plaagt,
(20) Meest na zijn zaligheid, en ’t eeuwig leeven jaagt.
En hoe veel Koningen, van wulpse tochten dronken,
Zijn van dien dras besmet, en van dien gal beschonken.
Doch gy zend, als gy wilt, een tweden Michaël,
Die kan doen meeten hoe ver de aarde is van de Hel;
(25) Die kan ons met één slag bevrijden voor veel slagen.
Een and’ren Pharo zoekt ons Isr’el te verjaagen;
keer, keer, ô Godt! die Vloek; versterk de magt van ’t Land,
Dat in oprecht geloof en liefde túwaards brand.
    De Veldheer gaat in zee, met zo veel duizend zielen,
(30) Die op de onruste vloed vast zwerven met haar kielen.
Gy weet, ô groote Godt! gy weet wièn ’t gelden zal.
Bewaar’s Lands Oorlogsvloot voor storm en ongeval.
Blaas een gewenschte wind in d’opgespannen zeilen.
Gy kunt met uw gezicht de Zee, en Haven peilen;
(35) Gy kunt met Mozes ons droogsvoets daar door doen gaan,
En in die zelve Zee de vyanden verslaan.
    De Veldheer gaat in Zee: ô Godt! wil hem bewaaren;
Hy gaat om ’t recht geloof zich waagen op de baaren.
De Veldheer gaat in Zee, Oranjes dierbaar bloed,
(40) Dat, zo men ’t missen moet, ons nimmer werd vergoed.
De Veldheer gaat in Zee, met al zijn batavieren;
Och! laatse keeren met verwinnende Laurieren.
De Veldheer gaat in Zee, verlaat der Staaten strand;
Och! voer hem, groote Godt, alwaar hy veilig land.
(45) Zo zullen wy, ô Heer! al onze leevens dagen,
Met Mozes zingen dat den vyand is verslaagen,
Heer, door uw rechterhand. Want wie is u gelijk?
Wie is zo loflyk? wie zo magtig? wie zo rijk?
Wie zo verschrikkelijk? zo heilig? zo genadig,
(50) Als gy, als gy ô Heer? en wie zo wonderdaadig?
Wy wachten uw genade, maak maak ons doch bereid,
Om van het tijdelijk te gaan na de eeuwigheid.



[p. 3]

Op het onweêr als zyn Majesteit
vertrokken was.

Wat onweêr rijst ’er uit de Zee
            Op Hollands ree?
De vlood, verspreid van West tot Oost,
            Zwerft zonder troost.
(5) ’t Gemoed, geparst door ongedult,
            Bekent zijn schult.
Gods roede wankt, en dreigt te slaan,
            Wie kan ’t ontgaan?
De Ziel, in de allerhoogste nood,
            (10) Vreest voor de dood.
Het zondig hert mist zijn geduld.
            En kent zijn schuld.
De schuld stijgt tot den Hemel toe,
            En tergt Gods roe.
(15) De deur is toe van zijn genâ.
            ’t Is veel te spâ.
Wy de oorzaak, in het algemeen,
            Van al het geween.
Och help ons noch eens uit de pijn,
            (20) O Godt, kan ’t zijn!
Rechtvaardigheid vermag het niet,
            O groot verdriet!
Genade is t’enden haarer loop,
            Wy buiten hoop.
(25) Maar, Godt, wijl gy almagtig zijt,
            Zo is ’t noch tijd,
het dierbaar bloed van uwen Zoon,
            Pleit voor uw troon.
[p. 4]
’t Volk schreeuwt, dat vol van zonden is,
            (30) Vergiffenis!
Verlos, verlos doch van de Hel,
            Ons Israël;
’t Krimpt noch van welverdiende straf,
            O Godt! laat af;
(35) Gy kunt alleenig, gy alleen;
            Ei wil met een.
In Rafidum staat Faroos volk,
            Met speer en dolk.
Och! of hier noch een Mozes was,
            (40) Die u belas.
Hef op zijn handen, ’t uwer eer,
            Zy vallen neêr.
Hefze op, hefze op, of ’t word te laat.
            Kom ons te baat.
(45) Verhef ons, om uw lieve Zoon,
            Op uwen troon.
Zo zingen wy ’t Aleluia,
            Nu en hier na.


Als zyn Majesteit wederom in Zee stak.

Gezegend Veldheer, die met vliegende Kornetten,
Noch weêr noch wind ontziet, om u in ’t spits te zetten,
Die voor het Vaderland en Godsdienst waagt uw bloed;
Die wond’ren onderneemt; die wilt het geen gy moet;
(5) Men kan van uwe deugd niet dan ondankbaar spreeken;
Gy kunt by niemand dan u zelfs zijn vergeleeken;
Gy zijt zo Dapper als Voorzigtig. Holland leert,
Dag gy niet anders dan rechtvaardigheid begeert.
[p. 5]
De Faam zal met uw lof door al de Waereld pryken;
(10) En geeft den Hemel u de winst van Koningryken,
Gy zult bevinden, dat die zich aan u verliest,
Liefst zulken nederlaag als overwinning kiest.
Het volk, voorheen geplaagt in ’t wydberoemde Romen,
Heeft eens door Neroos dood hun Vryheid weêr bekomen.
(15) (De Vryheid, die vaak word door goed en bloed gehaalt
En die, hoe hoog gekocht, nooit is te duur betaalt.)
Een Britse Nero, in deez’ hachchelyke dagen,
Verraad ’s volks Vryheid door vervloekte en helsche laagen;
En tracht, door snood gebroed, zyn waggelende Kroon
(20) Op ’t hoofd te zetten van een opgeraapte Zoon.
Dat duld Oranje niet, die waagt zyn dierbaar leeven,
Voor ’t recht hem zelfs van Godt, en van natuur gegeeven.
Ga, ga doorluchtig Prins; de kunst van Brittenland
Krioelt van Zielen, die met uitgestrekte hand,
(25) Verlangen om u als Beschermheer in te haalen:
De weg word u gebaand door ’t licht van Scepterstraalen.
De purp’re tabbard, dat aanzienelyk gewaad,
Roept u, ô groote Vorst, tot de allerhoogste staat.
Gy zyt voor uwe deugd ( reeds tot de Zon gesteegen)
(30) geen dank verschuldigt dan aan Godt, uw bloed en degen.
Gy houwd in tegenspoed en voorspoed altyd stand;
O verziend oorlogsoog! ô Staaten rechterhand!
Myn wenschen voeren u door het barnen van de baaren;
Zy zien in ’t korte een Kroon beschaduwen uw’haaren:
(35) Zy zien ’t Oranje blad gevlochten om de Roos:
De Lelien van spyt verdorren voor altoos:
Zy zien de waare Kerk in luister weêr verheeven,
En haar vervolgers voor Godts roede en gramschap beeven:
Zy zien de waereld vry van schennis, brand en moord;
(40) En eeuwig in ’t slot de deur van Janus poort.



[p. 6]

Als zyn Majesteit aan de Engelsche
Kust Landde.

Ik heb voorheen, ô Prins, door woorden en gedachten
U over Zee gevolgt, met Smeeken en met Klagten;
Myn wenschen voerden U door ’t barnen van de Vloed,
En zy ontslooten U het diepst’van myn gemoed.
(5) Nu tracht myn Zangheldinne U verder te geleiden,
En uwe weêrkomst met verlangen te verbeiden.
    O tweede Jozua! die, onder Gods bannier,
Tot heil van Kerk, en Staat gegord hebt uw rapier;
O Eerstof voor de Faam! ô ziel van myn gezangen!
(10) Men zal uw zwaard om hoog by ’t zwaard Orions hangen;
Uw zwaard zal het geen zo wyt ontzag en vrees verwekt,
Als ’t licht van ’s Hemels oog zich over ’t aardryk strekt.
Ik volg U over Zee en help U veilig landen,
En meester maaken van drie koninglyke stranden;
(15) Niet om te blaaken, noch te moorden, maar om ’t volk
Te toonen dat s’hun recht behouden door uw dolk:
Ik zie uw Helden reets, uit hunne Legertenten
Gelyk een Hemels heir, geschaart aan Regimenten;
En ’t licht, als Gods Heraut, in ’t Ooste ’s morgens vroeg,
(20) Op helm en harnas staan, of ’t Aardryk starren droeg.
Ik zie van ’t kryt gebergt, verspreid langs alle kanten,
Een weêrlicht, en een gloed van Gouwd en Diamanten.
De Klepper brieft, en schrapt, en grabbelt in het stof,
En blaast vol moed, en vuur ten neuze uit ’s Prinsen lof.
(25) ’k Zie op het strand een bosch van pieken en kornetten;
’k Hoor van de dolle trom de aanschennende trompetten,
Geen klank dan vrede; niet van moord, geweld, noch roof.
’t Blaizoen der vlaggen is voor Vryheid en Geloof.
[p. 7]
O hemelsche optocht! ’k volg uw Standaards met gebeden.
(30) Hem komt de kroon alleen die wetlyk heeft gestreeden.
Hier stryd men voor Gods naam, Hier stryd men voor Gods eer;
Voor ’t recht der Volkeren. O heilig tegenweer!
O Heirkracht! by geen heir des waerelds te gelyken.
Wie zal ’t geen eere zyn voor u de vlag te stryken?
(35) Waar is vergelding ooit zo groot, van eenig Hoofd
Des waerelds, dan Godt aan rechtvaardigen beloofd?
Doorluchtig Prins, gy zult vermeesteren de zinnen,
Door weldoen zult gy eer, en lof, en zielen winnen;
Dat zyn de vruchten daar een groote ziel naar tracht,
(40) Die zelden vallen in ’t sterffelyk geslacht.
Gy acht het minder eer om aan een kroon te raaken,
Dan datge u zelf door deugd des waardig zoekt te maaken.
Daar gaatge op uit, dat’s ’t wit daar gy alleen na doeld:
Een werking dien het hart van Prinsen schaars gevoeld.
(45) O lieffelyk gemoed, vol mannelyke daaden!
Die van rechtvaardigheid alleenig u laat raaden.
U tocht is niet verzeid met dit vervloekt geluid:
Kartago moet verwoest, men roei’ Kartago uit.
Een Gerion voorheen, beheerscher van drie Ryken,
(50) Moest voor Alkmenas zoon en zyne knots bezwyken.
Gy, Neêrlands Herkules, tem, tem dien Gerion,
Die meê drie kroonen draagt; die niemand temmen kon.
Wat hangt u boven ’t hoofd? wat is u heil beschooren,
Vermaaklyk Engeland? gy word op nieuws herbooren:
(55) Gy zyt een wellust voor den Hemel, en op uw naam
Zo heilig, gy zo schoon, zo heerelyk van Faam!
men zou zich zelven licht in uw Landsdouw verliezen:
Uw lam’ren weiden, door de Beemd als gulde Vliezen;
Hun vachten blinken, en men ziet het scheem’rende aan,
(60) Als ofze waaren met een dragt van Gouwd belaân;
En duizend lieflykheên daar ’t oog in zou verdwaalen.
Fonteinen, Heuvelen, en Bosschen, Bergen, Daalen:
[p. 8]
Zou dat gezegend Land, dat Hemels Lustprieel,
Dat tweede Tempe, dan verteeren door krakeel?
(65) Zou daar de Godsdienst, ’t recht, en de ongekreukte wetten
Vertreeden worden; en men zou het niet beletten?
En zelver in een land naar Engelen genoemd?
Dat was een schandvlek van een eerlyk man gedoemd.
’t Is ook onmogelyk te maaken tot zyn slaaven,
(70) Dien, die de Vryheid steeds in hun gemoed begraaven
Als de allerwaardste schat, waar by geen rykdom haald,
En die alleenig van den Hemel is gedaald.
Is ’t niet rechtvaardig, dat die onlust zoekt te zaaijen,
Eens op zijn tijd ook straf en onheil komt te maaijen?
(75) Des Hemels zorg geleid Prins Willem in het Veld:
Dien Oorlogstemmer! dien ontschachelijken Held!
En schijnt hier niet wat vreemds, wat wonders in te steeken;
Let op zijn Jaartijd eens, let op het Hemelteken,
Waar onder deeze Zon het Aardrijk eerst bescheen;
(80) Daar is de † Schutter; en als Schutter gaat hy heen.
Met recht een Afgezant des Memels! dien de zegen
De hand bied, en bestierd de Vorstelijken degen.
Schep moed, ô Engeland! vrees niet meer voor gevaar;
Deze is uw toevlugt, deeze uw Schild, en uw Altaar.


    †  Sagittario, ofte Schutter; zynde een van de Hemeltekenen; gestelt boven
        de Slagtmaand waarinne zyn Hoogheid gebooren is.



[p. 9]

Klagten over het afzyn van zyn Majesteit.

Zitbank van ’s lands hooge Staaten,
    Eelst van Holland, ’s Gravenhaag;
Heeft de Prins u dan verlaaten?
    Dat’s voor u een donkre vlaag;
(5) Nu de Zonnen van Oranje
    Zyn doorluchte straalen schiet;
In het hert van Groot Brittanje;
    Ach ik schreije om uw verdriet:
Schrei vry mede in al uw lyen,
    (10) Schrei vry met uw Adeldom,
Schrei in deeze jammer tyen,
    Roep ei roep hem wederom,
Roep hem weder, om uw Landen,
    Te beschermen voor ’t geweld
(15) Van verwoesten, moorden, branden;
    Keer, ei keer, Doorluchte Held;
Ei, keer weder, op de traanen
    Van uw trouwe Burgery;
Kom ons met ontsachtbre vaanen,
    (20) En uw lieflyk oog weêr by;
O Verlosser van drie Ryken,
    Die met Kroonen niet alleen,
Maar met harten heen gaan stryken,
    En met Goden hebt gemeen
(25) Niets te willen, dan te weeren,
    ’t Geen dat Godt of Godtsdienst drygt,
Dat’s gedaan, ei wil nu keeren!
    Keer’ ei keer! de Vryheid krygt
Op uw komst weêr nieuwe luister,
    (30) Nieuw Sieraad, en nieuwe glans;
[p. 10]
O gy Leidstar in den duister,
    Voer uw licht naar onzen trans;
Wil met uw gezigt opdroogen
    Al de damp die ons bezet,
(35) Vaag de traanen van onze oogen,
    Gy hebt ons voorheen gered,
Red ons weder, red ons weder,
    Sla die weerhaan van Bourbon,
Met uw oorlogsvuist ter neder,
    (40) Blus met bloed de Lelyzon,
Die de Waereld door zyn drygen,
    En onmenschelyk bestaan,
Zoekt in zyn geweld te krygen,
    Vat dien Tyger, vat hem aan.
(45) Voer de Stamleeuw van Judea
    Boven uwe Oranjevlag,
’s Keizers Arend volgt hem mee na,
    Zet het aardryk in een dag
Van vereeniging der Ryken;
    (50) Op dat uw beruchte faam
Met die Titulen moog pryken,
    Dat men overal uw naam
Door de Waereld moet verkonden,
    Als een oorzaak van de vree;
(55) ’k Spreek uit duizende van monden,
    En breng zoo veel herten mee.
Keer dan weder Zuil der Staaten,
    Waar was ooit doorluchter man,
Dan die Kroonen wil verlaaten,
    (60) Schoon hy die behouden kan?
Ei verlaatze, keer, keer weder,
    Zoo zult gy in daat, geen schyn,
Van daar ’t licht gaat op en neder,
    De allergrootste Koning zyn.



[p. 11]

Als zyn Majesteit in Engeland*
gekroond wierd.

DE gantsche Waereld, van verwond’ring opgetoogen,
Mistrouwd haar eigen zelfs, haar ooren en haare oogen.
Wat hoor, wat ie ik, vraagtze, in deez’benaaude tyd?
Wat onweer ruister ’t geen door al myn aad’ren ryd?
(5) ’t Gerucht voldoet haar eisch; en laat de Waereld hooren
Wat hare Koningen en Volk’ren is beschooren:
Dus vangt het aan, en zegt: de Hoop wind ruimer veld,
Terwyl de Hemel de Aarde een Wreeker heeft besteld,
Die, door Godts hand gesterkt, het woest geweld doet wyken;
(10) En zich reeds Koning ziet der Brittenlandsche Ryken:
Wiens Kroon, hoe schoon, hoe ryk, hoe heerelyk van licht,
Noch word begraaven in de glans van zyn gezigt:
Gezigt, ’t geen Aarde en Zee opschieten doet Lauwrieren,
En Palmen, en Olyve, om, of in ’t Zegevieren
(15) De Lauerbladen, of in vrêe ’t Olyveblad,
Gevlochten door de Palm, een krans van dierb’re schat,
Te streng’len om de kruin der Helden, en der Braaven,
Dien, door hun dap’ren moed steil na de starren draaven.
Eerlangs zult gy den Teems zien dryven naar de Zee,
(20) Ruim zo veel kielen als ’er ank’ren op zyn Ree;
En duizende Oorlogsliên, van eed’le wraak gedreeven,
Vol moet van ’t Roosrykstrand na ’t Lelyryk zien streeven;
Vereenigt, en gesterkt met Neêrlands Waterleeuw,
Verzeld van Hollands magt, van Vries, en stoute Zeeuw;
(25) Al Volk vol dapperheid, vol eedel bloed in de aaren,
Gewiegt en opgevoed in ’t hobbelen der baaren.
Dus saamen aangezet, en onder ’t groot beleid
Van WILHELM, Neêrlands Arm, en Englands Majesteit,
[p. 12]
Zult gy ’t gelukkig uur in ’t korte zien gebooren,
(30) Dat’s hemels wreeker haar vervolgers zal verstooren.
Gy zult eerlang met bloed geschreeven zien in ’t Veld:
Aanschouw de Oranje telg, dien temmer van ’t geweld.
Gantsch Vrankryk siddert reets voor ’t schit’ren zyner zwaarden,
En voor de ontrolde Vaan van zyne Krygsstandaarden,
(35) De stranden drinken ’t bloed zyns vyand, ’t Aardryk trilt,
Wanneer ’t de straalen ziet afschieten van zyn schild;
Hy streeft steeds in triomf door duizende gevaaren,
Eu doet dat onweer op zyn wenken straks bedaaren,
Hy geeft aan dien ’t hem lust, of Oorelog of Vreê,
(40) En voert de sleutels van het Land en van de Zee.



[p. 13]

VICTORYZANG.
Op de Krooning.

NU gejuicht door alle straaten,
    Dat de Teerton vliege in brand;
Dat de vreugd werd uitgelaaten
    Door het gantsche Nederland.

(5) Zing ter eere van Oranje,
    De overwinnelijke held,
Nu de koning van Brittanje,
    Die ons stof tot vreugd besteld.
Laat in ’t Y de Wimpels waaijen;

    (10) Alle toorens draagen licht;
Laat de Berkemeyer zwaaijen;
    Yder een voldoe zijn plicht.
’k Zie een zwerm van menschen woelen,
    En krieoelen langs de straat,

(15) Om de zorg van ’t hart te spoelen,
    Vol van blijdschap in ’t gelaat.
’t Vuurwek, naar om hoog gedreeven,
    Kust de Starren en de Maan,
En de lucht met vlam geweeven,

    (20) Schijnt in volle brand te staan.
Duizende van waterballen
    Schieten duizend’pijlen uit;
’t Vuur speelt in de burregwallen,
    Onder ’t balderend’geluit

(25) Van Musketten, en Kartouwen,
    Van Schalmei, en Schuiftrompet,

[p. 14]
Die de Fluit gezelschap houwen,
    Met Fiool en met Kornet.
Duizende van Maagdekeelen

    (30) Kwinkeleeren door elkâar,
Onder ’t danssen, onder ’t speelen;
    En de keel huwt aan de snaar.
De Amsterdamsche Burgerheeren,
    En de Zeeraad van het Land,

(35) Helpen deeze vreugd vermeeren.
    Al de zorg leid aan een band.
Stond ik op de hooge duinen
    Van het Schevelinger strand,
’k Zag de schitterende kruinen

    (40) Van het krijtgebergte in brand.
’k Zag de koninglijke straalen,
    Met een glans die nooit verdooft,
Als de Zon in ’t Ooste praalen,
    Om
MARIE en WILHELMS hoofd.
(45) ’k Zag de blijde Londenaaren
    Ons begroeten van haar kust
En haar vreugde aan onze paaren,
    Met een onvermoeide lust.
Had ik zo veel duizend tongen

    (50) Als den hemel oogen heeft,
’t Zy ze spraaken, ’t zy ze zongen
    Dat mijn hart deez’ vreugd’ beleeft,
Dan zou al de waereld hooren
    ’t Grootste, dat zy immer zag,

(55) ’t Grootste dat ons kwam te vooren,
    Dat is deez’ Victorydag.




[p. 15]

Aan Koning WILLIAM naar zyne
Overwinninge in Yrland.

MYn yver, uit een zucht voor ’t Vaderland aan ’t branden,
    Geleidden WILHELM naar de Brittenlandsche stranden;
Ik gaf myn Zangheldin hem op zyne uitreis meê,
Door onweer en gevaar van stormen en van zee;

(5) Zy heeft in Withal hem de kroon op ’t hoofd gezongen,
En vond zich zelfs verplicht, en uit een lust gedwongen,
om zyn Victorydag te zingen aan het Y;
Nu voegt ze, uit een belofte, ook zyn triomf daar by.


            O onnavolgbaare Oorlogsheld!
        By wie zal ik u vergelyken?
            O Oog van Marvors bloedig veld!
        O eer van ’s waerelds Koningryken!
            (5) O Schrik te Water en te Land!
        O Tweede Alcides! die Barbaaren
            En Helgedrochten legt aan band;
        O Streever door zoo veel gevaaren!
            O Menner van ons Neêrlands Leeuw!
            (10) O Wonder van deez’bloedige Eeuw!

            Dat nu de Aaloudheid zwygen leer’,
        Laat vry Romeinsche en Grieksche pennen,
            Van Cezars, Alexanders eet,
        Het wit papiere veld berennen.
            (15) Wy zyn getuigen van uw moed,
        Wy derven, WILHELM, uwe degen,
            Noch druipende van ’s vyands bloed,
        Wel tegen cezars dolk opweegen,
            En tegen Alexanders zwaard;
            (20) Voorheen beheerschers van al de Aard’.

[p. 16]
            O Nederlands en Eng’lands hoop!
        Gy dorft uw dierbaar leeven wagen,
            Verlosser van ’t benaaude Euroop’,
        In deez’ bekommerlyke dagen.
            (25) In Yrland spatte uw’ gramschap los:
        Want wie uw bliksem niet wil wyken,
            Vertrapt gy met uw vliegend Ros,
        En stapeld bergen op van lyken.
            Noch bosch, noch dyk, moeras, noch gracht,
            (30) Kan wederstaan uwe Oorlogskracht.

            Zo streeft gy na de Starren heen,
        En doed aan de Waereld blyken,
            Dat gy u zelfs waagt voor ’t gemeen
        Tot driemaal in drie Koningryken.
            (35) Dus krygt die Wreedaard weêr de schop,
        Wy zien het aan gelyk een wonder;
            Want Jakob ging in Eng’land op,
        Nu gaat hy weér in Yrland onder.
            De ontstelde Harp, weêrom gesnaard,
            (40) Is met distelblom gepaard.

            Kom nu, hereisch het bloed toch weér,
        Dat, op de Zee te schelms verlaaten,
            Nu om zich zelf, en om uw eer,
        Wraak vordert in het Hof der Staaten.
            (45) ’K zie uit dat purper, uit die gloed,
        Uit die te duurgeverfde plassen,
            Uit dat onsterffelyke bloed,
        eer lang noch Ajaxsen gewassen:
            Die wreeken zullen, in die schyn,
            (50) Zo lang zy ongewroken zyn.

[p. 17]
            Vlieg na ’t barbarische Bourbon
        Vlieg van het Noorden naar het Westen,
            En dompel die gewaande Zon
        In eige bloedgeverfde Vesten;
            (55) En demp ze toe met puin en steen,
        Van al zyn dartele gebouwen;
            Zo, dat men nimmer stof, noch been,
        Moog’van dat Monsterdier aanschouwen;
            Op dat de waereld weeten kan,
            (60) Waar ’t graf is van dien Hoofd Tiran.

            De Weerwraak, die in ’t bloejenstaat,
        Zal noch de schoonste vruchten draagen,
            Indien men slechts van Eigenbaat,
        In dit geval, ’t Land ziet ontflaagen.
            (65) Maar wyl gy ’t schild der Vryheit zyt,
        Doorluchte WILHELM, daarwe op hoopen,
            Zo slaan wy meê hand aan den srtyd,
        Om die met goed en bloed te koopen.
            Want Vryheid is van zulken aart,
    (70) Dat zy en goed en bloed is waard.



[p. 18]

LIERGEZANG,

Op de blyde Aankomst

VAN

Zyn MAJESTEIT in Holland.

AAN

De Edele Mogende Heeren,

De Heeren Gekommitteerde Raaden

ter Admiraliteit te Amsterdam.

Doorluchte’Raaden, die, gezeten aan het Y,
Den ruimen teugel voerd der waterheerschappy;
Vergeeft my, stoore ik u in uw’bekommeringen;
De komst van WILHELM pord myn Zangheldin tot zingen:
(5) Verpoost u voor een tyd, en gunt haar slechts die eer,
Dat zy haar liergezang legt voor uw’voeten neêr:
Zy wenscht uw Mogentheên zo wyt in top te zetten,
Als Zee en Aarde hoord uw’klinkende trompetten.
Zy heeft de Koning nu verwelkomt op ’s Lands Ree’
(10) Gelyk zy hem voorheen van daar geleidde in de Zee.
Niets zal haar meêr bekooren,
Dan dat gy haar gezang gewaardigd aan te hooren.

        Welk een licht komt ons bestraalen,
            Langs het zilver van de Zee?
        Alle heuvelen en dalen
            Glinst’ren van de weêrschyn meê.
[p. 19]
        (5) Zyn ’t vergulde zonneglansen,
            Die, van ’t Kaledoonsche strand,
        Op de zoute golven dansen?
            Of is ’t water in de brand?
        Hoe krioeld het op de baaren?
            (10) Komt het krytgebergt’, door ’t zout,
        Van zyn wortels overvaaren,
            Door het paerlemoér en goud?
        Wat genaakt ons uit het Noorden?
            Is ’t de Prins belerophon?
        (15) Of is ’t Perseus uit zyn oorde?
            Ofde Voerman van de Zon?
        Neen! ’t is Welhelm van Oranje,
            Zoo myn oog my niet bedriegt,
        ’t Is de Heilzon van Brittanje,
            (20) Die met zeilen herwaards vliegt.
        ’s Komings Jacht in ’t goud bedolven,
            Streevende gezwind voor aan,
        Klooft de marmerryke golven:
            Evan als een schoone Zwaan;
        (25) Die Monarch der watervogels,
            Door het kristalyne schuim,
        Is te kennen aan zyn vlogels,
            Aan zyn hals, zyn borst en pluim.
        Hoor hoe juichchen alle stranden
            (30) Van een zwerremend gerucht!
        Hoor het klappen van de handen
            Steigeren tot aan de lucht!
        Zie een stroom van groetelingen,
            Met een diepe eerbiedigheid,
        (35) Als een wolk te zamen dringen,
            Om die groote Majesteit,
        Die Verlosser aller vroomen,
            Met een nederig ontzag,
[p. 20]
        Hertlyk te verwellekoomen
            (40) Op deez’ zegenryke dag.
        Al de haagsche lieverijen,
            Staan, gelyk een regenboog,
        Geschaakeert aan alle zyen,
            Elk om ’t prachtigst in myn oog.
        (45) ’k Zie een zilv’re berg verschynen,
            Als de Zon zyn straalen slaat,
        Op de pieken, roers, karbynen,
            Van de Ruiter en Soldaat.
        ’t Hof van Holland, uit gelaaten,
            (50) Wacht in orde vast op ’t strand;
        ’k Volg het spoor der Heeren Staaten.
            Daar! daar zet hy voet aan land.
        Welkom, welkom Held der helden,
            Welkom, op der Staaten Reê.
        (55) Zulk een rykdom krygt men zelden
            Aan ’s Lands kust van over zee.
        Nu zal ’t alles weder bloeijen,
            Beemd en Bosschen vrolyk staan,
        En van Melk en Honing vloeijen;
            (60) ’t Vee niet meêr door door’nen gaan;
        Maar hun’ vachten zullen blaaken
            Van Oranje en Purperkleur,
        Als een koninglyk scharlaaken.
            ’t Land ontluikt met frissche geur.
        (65) Zelfs in deze winterdagen.
            Schynt de Zon aan ’s Hemels trans
        Alle nevels te verjaagen,
            En de lucht, vol schooner glans
        Zwanger van ontlooken’ roozen
            (70) Ademd uit het killig Noord
        Lieffelyke Tydeloozen.
            Al de zeestrand is geboord
[p. 21]
        Met nooitdorrende Lauwrieren,
            Al het Duin met Mirteblaán,
        (75) Geschakeert door Violieren:
            En de grond die wy beslaan,
        Schoon gevaagd van boosheids plekken,
            Werpt hier op een Zegeboog,
        Daar gy, Wilhelm, door zult trekken:
            (80) Ei! vergeef my dat ik poog
        Uwe deugd in top te zetten,
            ’k Heb u uitgelei gedaan;
        ’k Dorft uw daaden ook trompetten:
            Neem nu mede uw welkomst aan.
        (85) Haagsche Hofzwaan, klap uw’ wieken,
            Dat met ’t hoore op Hollands strand;
        Gy begind de geur te rieken.
            Zing: de Koning is geland.
        Zingen wy met bly geschater,
            (90) Dat de galm rold door de lucht;
        Ik op ’t land, gy op ’t water.
            ’k Zal u volgen in uw vlugt.
        Vlieg met uw sneeuwitte pennen;
            En beschry de vlugste wind,
        (95) Die gy, onder ’t heene rennen,
            Tot uw dienst genegen vind.
        Vlieg zo snel als uw gedachten,
            Stryk dan neder, en houw stand,
        Zing met my uit al uw’ krachten:
            (100) Zing: de Koning is geland.
        Volg daar naar hem op de hielen.
            Zing hem naar het Haagsche Hof.
        Zing hem door een straat van zielen.
            Zingen wy, nu is’er stof.
        (105) Niemand stoore zulk een yver.
            Ik zal zingen op het land,
[p. 22]
        Gy zult zingen in de Vyver,
            Hoe elks hart van liefde brand.
        Eed’le Vogel, laat u hooren.
            (110) Zing: de Blydschap is van band.
        Zing: de Bosschen krygen ooren.
            Zing: de koning is geland.
        Over Bergen, Boomen, Velden
            Klinkt dat aangenaam geschal.
        (115) ’k Hoor de snaat’rende Echo melden,
            Koning Wilhelm is’er al.
        Kost ik op de hoogste Duinen;
            Met een stem van hel metaal,
        Deze blydschap uit bazuinen,
            (120) Over Ryn, en Maas, en Waal,
        ’t Zou weergalmen in hun zaalen;
            Maar de galm van ’t snel gerucht,
        Zal ’t aan Maas, en Waal verhaalen;
            En de Ryn, in hooger lucht,
        (125) Zl zyn hoorenen versieren,
            Stellen zyn verheven toon,
        Naar de toon der Batavieren;
            Zulk een blydschap ongewoon.
        Dat men voor uw vreugde vieren
            (130) Aansteeke op der Staaten kust,
        Englands Heil, die Schot en Yeren
            Door uw’ degen bragt in rust.
        Liefde van de Nederlanders,
            Die gekeerd zyt uit de stryd,
        (135) met een bosch van ’s vyands standerds;
            En nooit moê van weldoen zyt.
        Als uw Ros zich schrap gaat zetten,
            Moed en vuur ten neuze uit blaast,
        Onder trom’len en trompetten,
            (140) Briescht hy, trapt, en snuift, en raast,
[p. 23]
        Stampt met opgesteekene ooren,
            Lilt en trilt op ’t luid getier;
        Maar, geprikkeld van uw’ spooren,
            Vliegt hy met u door het vier.
        (145) Dan verstrekt ge voor een wonder;
            Want gy hakt met uw geweer
        In ’t gebliksem en ’t gedonder,
            Alle tegenstand ter neêr;
        Weet van vreezen, noch van schrikken,
            (150) Voor ’s Lands Welvaart, voor ’s Lands heil,
        Steld gy voor, alle oogenblikken,
            Voor een kling of kogel veil.
        Als uw’ zwangere kartouwen
            Lossen hun gevreesde vracht,
        (155) Kan u niemand tegen houwen;
            Gy vermorzeld wal en gracht.
        Torens worden ingeklonken,
            En de Rykspest, als gy stormd,
        Vlugt in holen en spelonken;
            (160) Tot men alles ziet hervormd.
        ’t Word nu tyd om ’t West te temmen,
            Tyd, om met uw moedig Paard,
        Seine en Loire te overzwemmen;
            En Moordbranders, wreed van aard,
        (165) In hun’ vesten te verslinden;
            Op datze, in hun eige land,
        Hunne graven moge vinden:
            Temtze door nw’ dapp’re hand:
        ’t Moet door u toch zyn bedreeven:
            (170) Want de hemel heeft zyn zwaard
        Zelfs u in de hand gegeeven,
            En daar toe alleen gespaard.
        Schoon men u heeft dood geheeten,
            En geschandvlekt in Parys;
[p. 24]
        (175) Laat hen ’t tégendeel daar weeten;
            Leer hen, op eene and’re wyz’,
        Hen verkeerde Vespers zingen;
            Leer hen, op een staale toon,
        Met hun Vorst ten Hove uit springen:
            (180) Vlieg de Aardsvyand in zyn kroon.
        Hemel! is’t by u beslooten,
            Dat de zaak neemt deze keer;
        Zo zien wy de Bontgenooten
            Weêr hersteld in goed en eer.



[p. 25]

DANKOFFER

AAN

KONING WILHELM de III.


Als my, van zyn Majesteits wegen,
eene Goude Gedenkpenning was ter handen gesteld.

DOorluchtigste Monarch, had ik, met duizend tongen,
Uw’ groote daaden en triomfen op gezongen,
Zo heerlyk als voorheen de Mantuaansche Zwaan
Augustus deugd trompette; en dappere oorlogsdaân;
(5) Noch viel myn stem te zwak, noch zouden al die klanken
Te laag van toon zyn om u voor uw Gift te danken;
Maar, o Mecenas! o Augustus van deez’ tyd!
Uw gonst staat in myn hart; daar heb ik za ingewyd;
daar zal ze een tempel voor uw groote weldaad bouwen,
(10) En daaglyks offerhand, en feest, en hoogtyd houwen,
Ter eeren van uw deugd, van uw doorluchtig bloed,
Uw hoog verheven’ ziel, uw onverwinb’re moed,
En uw milddaadig hart; want gy hebt my gegeeven
U zelf, uw’ Gemaalinne, in louter goud gedreeven
(15) Goud, ’t geen derechte mund der deugd draagd; het ontvonkt,
En glinsterd schooner nu ’t met uwe Afbeeldsels pronkt;
Afbeeldsels daar een glans en vuur is ingeblaazen,
’tGeen al de Waereld van verwond’ringdoed verbaazen;
Want uit uwe oogen straald een Goddelyk ontzag,
(20) Waar door ge ons Vaderland, op ’t schoonste van zyn dag,
[p. 26]
Aanschouwen zult, als gy Tierannen hebt verdreeven,
En door uw groot beleid de Vreê ten troon verheven.
De wind, de Zee, het Land zal u ten dienste staan,
En wyzen u de weg tot de overwinning aan.
(25) Ik zal, al was de Nyd tot barstens toe verbolgen,
Te water, en te Land, uw vlag en standaard volgen.
Myn Zangheldin heeft u verwelkomt in uw Land,
Uw ’s Gravenhaage, uw wieg, daar noch uw hart na brand.
Nu wenschtze u zo veel heil, en spoed in uw bedryven,
(30) Dat gy die eer verricht, dan zy die kan beschryven.
De Hemel gunne u dit’ o Leidstar dezer eeuw!
Beschermer van de Brit, en vrygevochten Leeuw.

Continue
[p. 27]

HELDENDICHTEN.
________________________

NEDERLAAG

DER

TURKEN.

        DUitschland voelt zyn krachten weder,
            Het hervat de ouden moed,
        Rukt der Turken vesting neder,
            Verft de puin in brein en bloed.
        (5) Welgescherpte Adelaaren,
            Met hun pennen snel ter vlugt,
        Vliegen, grypen naar Tartaaren
            En Janitsers; al de lucht
        Weêrgalmt op de donderslaagen,
            (10) En de moordgalm van ’t kanon;
        Duizend, duizend onweervlaagen
            Vliegen voor ’t gezigt der Zon.
        ’t Aardryk daverd van het draaven,
            Van ’t getrappel, van ’t getier,
        (15) Van ’t mynen, van het graaven,
            Van het bald’rend’ bliksemvier.
        ’t Stormgevaart’ doed muuren breeken;
            Ider man verstrerkt ’er tien.
        Houwen, kerven, schieten, steeken
            (20) Doed de Dood door ’t leger vliên.
[p. 28]
        Hertog Karel voert de benden,
            Als een tweede Mavors, aan,
        Doed zyn volk nu keeren, wenden,
            Dan gelyk als Leeuwen staan,
        (25) Tweemaal wordenze afgeslaagen;
            Maar den derdemaale al wêer,
        Derft hy noch een storrem waagen
            Met zyn leeven, om zyn eer.
        Buda trilt vast in zyn wallen,
            (30) Zucht van angst in baarensnood.
        Daar! daar komenze aangevallen,
            Op het Speeltoonneel der dood.
        Hoor een hagelbui van kogels
            Gieren met dat wee, en ach!
        (35) ’t Snort’er als een vlugt van Vogels;
            ’t Schynt der allerjonste dag.
        Hoor de bekkeneelen kraaken.
            Zie door bressen in de stad;
        Elk om ’t eerst daar binnen raaken,
            (40) Over wal of door een gat;
        Even als de Donauplassen
            Storten van ’t gebergte nêer,
        Als hy, zyne peil ontwassen,
            Bruist gelyk een storm in ’t Meer.
        (45) Zie nu ’s Keizers vlaggen brallen;
            Zie ze op Budaas vesting staan,
        Turkse maanen van de wallen
            In een bloedzee ondergaan.
        Al stadspoorten springen open,
            (50) Maaken plaatz voor Leopold,
        Niemand kan zyn ramp ontloopen,
            Waar hy schuilt, of waar hy hold.
        Schoorvoets komt de Basfa naad’ren,
            Voor des Hertogs fier gelaat,
[p. 29]
        (55) ’t Bloed, al ziedende in zyn aad’ren,
            Kropt zyn wrok, en blinden haat:
        Treed met nêergeslaagene oogen,
            Schrikt wanneer hy noemen hoord
        ’sKeizers winst en zegenboogen,
            (60) die hem dreigen met de koord,
        ’s Ryks Vizier, met zyn Spahyen
            En Janitsers, krimpt van schrik,
        Hoort de Maar van Budaas lyen;
            Wacht zulk lot alle ogenblik.
        (65) Hou vry schildwacht met uw vloeken,
            Blyf by Esseks brugge staan,
        ’t Leger zal u komen zoeken:
            Jaagen u een doodschrik aan.
        Welk een koorts ryd door uwe aad’ren.
            (70) Veterani stygt te Paard,
        Komt u onder de oogen naad’ren
            met zyn uitgetoogen zwaard.
        ’k Hoor weer ’t bald’ren der kartouwen,
            En ’t geklikklak van het staal,
        (75) Moê van Turken nêer te houwen.
            ’sRyks Vizier schud uit zyn zaal.
        Elifanten en Kameelen
            Smyten ’t stof tot aan de lucht,
        Draaven over bekkeneelen;
            (80) Dat gevaarte rend, en vlugt,
        Trapt de Turk op buik en lenden;
            En de Hemel roert de trom,
        In het hart van ’s Keizers benden,
            Dat schreeuwt zegen om en om.
        (85) Juigt van vreugd om deez Victory.
            Segedin staat straks te woord,
        Geeft zich over aan ’s Ryks glory,
            Dus zo gaat men voort en voort.
[p. 30]
        ’t Steeg Vyfkerken volgt te spade
            (90) Buda na en Segedin,
        Op genade en ongenade.
            Ciclos, Darda wacht niet min.
        Kandia ziet van zyn stranden
            Galeassen boord aan boord,
        (95) ’t Adriatisch pekel branden;
            Hoort geen andre klank dan moord.
        Sulfer, pek, en buskruitdampen,
            Kleeden zee en lucht in rouw,
        Als of ’t met de donder kampen
            (100) En om ’t hevigst’ buld’ren zou.
        Al ’t gehoorend licht gaat onder,
            En de kruiszon ryst met glans;
        Wonder, wonder, driemaal wonder
            Lukt die land en waterkrans.
        (105) Markus Zeeleeuw rept zyn klaauwen,
            Wind Kasteelen, breekt’er door;
        D’Echo doet de nagalm baauwen,
            Door de wind, in Sultans oor.
        ’t Roomsche Napels hoort weêr Romen,
            (110) Is gewonnen door het zwaard.
        Dat ’s de Raserny betoomen,
            Op ’t water, en op de aard.
        Konstantynstad zwigt voor Weenen,
            En de Nyl voor Donaustroom;
        (115) Duitschland ziet zyn ramp verdweenen,
            Barbaryen ligt aan toom.
        Arabiers, Egiptenaaren,
            Libiäners zyn ontsteld,
        Loopen door hun bosschen waaren,
            (120) Duchten voor den duitschen Held.
        Al ’t gebroed, al Agars honden,
            Pesten van het Kristenryk,
[p. 31]
        Druipen weg, van vrees verslonden,
            Zoeken Oost, en West een wyk.
        (125) Trapezonte, en Babilonie,
            Frigie, en heel Africa,
        Kapadocie, en Macedonie
            Vreezen voor zyn ongena.
        Paflagonie en gants Tracie.
            (130) Het verwoeste Heil’ge Land,
        Heel Damasco, en Galatië,
            Werd gedreigt met oorlogsbrand.
        ’t Zwarte Meer zal ’t roode schynen,
            Mahomet wacht Faros lot,
        (135) Hy zal zinken, en verdwynen,
            Worden Kristenryk ten spot.
        Uw gebergt’, Konstantinooplen,
            Dat met zeven kruinen bralt,
        Zie ik op zyn wortels poop’len;
            (140) Weet naauw of het staat of valt.
        ’t Goud van Serail en torens,
            Van uw Tulband, van uw Troon,
        Van uw Maanen, en haar Hoorens
            Zie’k eerlang an Poolens Kroon.
        (145) Sint Sofias ryke Tempel,
            Schier als die van Salomon,
        Wacht dien Koning op haar drempel,
            Nevens de Oostenrykse Zon.
        Laat uw wanden, laat uw zaalen
            (150) Paerlen zweeten, en gesteent’
        Poolen zal ’t ’er af gaan haalen;
            Wyl men Mars zyn armen leent.
        Slaaven juigt klapt in uw handen,
            Uw Verlosser is na by;
        (155) ’k Zie eerlang u uit de banden,
            En bevryd van slaaverny.
[p. 32]
        Eert de Duitschen, eert de Poolen,
            Eert Veneetsje, en eert de magt,
        Die de Hoop der Turk in koolen
            (160) En dus te onder heeft gebragt.
        Dat heet vechten, dat heet stryen,
            Dat’s zyn Vaderland, vol moed;
        Van de nood en dood bevryen,
            Zelfs ten kosten van zyn bloed.
        (165) Vaart zo voort, doorluchte helden,
            Van een wytberuchte stam,
        Wie zal uwen lof niet melden,
            Die, door kogels, yzer, vlam
        Heene streefden, om Turkyen
            (170) Schoon te vaagen van een Pest,
        En uw Vesten te bevryen
            Voor het algemeene best,
        Lang uwe arbeid, lang uw’ hoope,
        En dat van geheel Euroope.



[p. 33]

Aan zyne MAJESTEIT

DE

KONING van POOLEN;

Op des zelfs DAADEN,

Beschreven, en van de Hooge Stoel verkondigt, door den Heer

PETRUS FRANCIUS,

Professor in de Grieksche en Latynsche Welspreekendheid.

’t Is eenmaal tyd, na zo veel oorlogs onweervlaagen,
ô Eer van’t Poolsche ryk, U triomf te draagen.
men roemt de Aloudheid, en haar overwonnen moed;
Hoe Scipio Kartaag’ versmooren deed in bloed;
(5) Hoe Alexanders zwaard gantsch Indiën deed beeven;
Hoe vorst Augustus wierd ten starren ingeheven
Om zyn doorluchte deugd. Uw daaden, groot van naam,
Vermoeijen de Bazuin van de onvermoeide Faam.
’t Gerabraakt Tracie trilt noch van Uwen donder.
(10) De glans van Uw rapier haalt Turksche maanen onder;
Haar hoornen krimpen als Uw Klepper onraad briest;
Die komt, die ziet, die wint; en nimmer ’t veld verliest.
De wraak des Hemels spookt door U in Walachye;
Jaagr vrees en wanhoop aan ’t gedoodverft Tartarye.
(15) Terwyl Uw Oorlogsdeugd, die nergens word gestuit,
Schryft met geweer haar roem, wischt Sultans Titels uit.
Uwe armen zyn rapiers, alsge U in ’t spits gaat zetten;
Uwe oogen, brandend lond; Uw’ vingeren stiletten;
Uw moed is als een rots; Uw mond blaast donders uit,
(20) Wiens galm op Rodopes, en Hemus toppen stuit.
[p. 34]
Gy zyt een Hannibal, die, over steile rotzen,
Door bosch en wildernis, Uw’ vyanden komt trotsen.
Geen Alexander, geen Augustus heeft meer lof.
Kom hier Apelles! kom, hier hebt ge een ryker stof;
(25) Maal midden in de vlam de groote Mars van Poolen.
Wat mensch zou in de deugd eens Gods niet staam’ren, doolen,
Dan Francius alleen? die maalt den Oorlogs held;
Dan schynt de hooge School een Bolwerk in het veld;
Zyn oog schiet Bliksemen, wyl hy met woorden donderd.
(30) Geleerd en ongeleerd, ’t staat altemaal verwonderd,
En ziet natuur, en kunst in de allerhoogste staat.
Laat Grieke stoffen op Demosthenes, de Raad
Van Rome op Cicero, in zulk een konst ervaaren;
Op Maroos heldentoon, op Flakkus gouwde snaaren;
(35) Wy zien in Francius, Demosthenes, Virgyl,
Een Flakkus, Cicero, in welbespraaktheid, styl,
En dichtkonst; waard gekroont met dubb’le Lauwerbladen.
Hy pronkt met tong en pen, als Helden met hun daaden.
Dus geeven Dappere Geleerden ryke stof;
(40) Geleerden, Dapperen, weer hun verdiende lof.



[p. 35]

AAN DE

NEDERLANDSCHE
ZEEHELDEN,

Naar het Gevecht tegens de Franschen,

Voorgevallen den 10 July, 1690.

GY keerd dan, Bataviers? Gy keerd dan uit een Slag,
Zo hevig, zo verwoed als nooit de Waereld zag?
Gy keerd dan Bataviers? gy keerd dan met lauwrieren?
Zyt drie maal wellekom, doorluchte Batavieren;
(5) Zyt drie maal wellekom; gy, die, voor de eer van ’t Land,
De lauw’ren hebt geplukt in ’t midden van de brand,
Op ’t bloedig pekelveld, tot’s Vyands schrik en wonder;
De golven kookten door uw bliksem en uw donder;
’t Vuurbraakende kanon, bezwangerd van de Dood,
(10) Jaagt regenvlaagen, van gesmolten tin, en lood,
Van Bouten, Staal, en Steen, van Kettings en Granaaten,
Door Zeekasteelen heen: de Moordlust uitgelaaten
Verwekte een naare kreet. Het kermen, het gezucht,
Het gieren, het gebaar. vervuld de gatsche lucht,
(15) Die schynt, met Water, Aarde, en Vuur, in Buskruiddampen,
Van ’t baarende Metaal, om ’t allerfelst’te kampen.
Gy stond als rotsen in die vreeselyke vlam,
Schoon u de Bondgenood zo schaars tot bystand kwam.
Doch in die tegenspoed (’k weet niet door wien gebrouwen)
(20) Hebtge u als Bataviers, gelyk gy zyt, gehouwen.
[p. 36]
Had half zo groot uw magt geweest als wel uw moed,
Gy had de Britsche smet gezuiverd met Fransch bloed.
En gy, ô Helden, die gesneuveld op de baaren,
Als Starren uit der Zee zyt in de lucht gevaaren,
(25) Al waar gy triomfant ziet met verachting aan
Die u zo trouweloos verlieten in het slaan!
Wy zullen hier om laag uw’dappere Oorlogsdaaden,
Met onverganb’ren inkt doen schild’ren op de bladen
Van ’s Lands historien. Gy, Braakel; die de Nyd,
(30) Door een onsterfelyke eer reeds ver te boven zyt;
Het heugd ons nog te wel dat gy, ten dienst der Staaten,
De ketens breizelde van ’t twede Damiaten,
’t Geen nu vereenigd met de vrygevochte Leeuw,
My dwingt te zwygen de geschiedenis dier Eeuw.
(35) Ik moet voor ’t laatste uw Lyk ten graave helpen leijen.
Gansch Neêrland zal met my uw’droeve dood beschreijen.
Ik weet geen grooter lof voor uw verdiende Faam,
Dan dat men slechts uw graf versiere met uw Naam.
    En gy, Doorluchtige, gy, die noch zyt in ’t leeven,
(40) Ik staamer zo ’k u eer na uw waardy wil geeven.
O Evertszoon, ô Schei, van Thol, van Zyl, en Zwaan,
Wiens Naamen gegraaveerd in onze harten staan.
Beroemde Kallenberg, Konvent, en Vander Putten,
En Taalman, Vander Zaan, en Kuiper, wakk’re Stutten
(45) En Stylen van den Staat. Gy Vander Goes, en Snel,
Al Helden die een roof zoud haalen voor de Hel!
Hoe onversaagd gy u hebt in de slag gekweeten,
Zal niemand beter dan de trotse Vyand weeten;
Die noch eerlang, van vrees gedoodverft binnen boord,
(50) Bezwyken zal wanneer hy u maar noemen hoord.
    Had gy, ô Hollands Leeuw! alleen met uwe kielen,
In minder tal! den Haan gezeten op de hielen,
Gy had hem ’t kraaijen licht verleerd in de ope Zee,
En naamt hem in triomf wel op uw’tanden meê.
[p. 37]
(55) Slaap niet, gy Koning van de Dieren, voor uw’blikken,
Wanneer gy toornig word, moet al de waereld schrikken,
Waak voor de Vryheid, waak voor ’t lieve Vaderland;
Hervat uw oude moed, hervat uw kracht, houw stant,
My dunkt ik zie uw staart en lange maanen krullen;
(60) Ik hoor, van ongeduld en spyt, uw vreesluk brullen.
Breek, breek de ketens los daarge aangebonden zyt.
De Nood verdagvaard u. Waak op, waak op, ’t is tyd:
Uw edelmoedigheid liet zich nooit ringelooren:
Zend Tromp die Zeeschrik uit? Tromp, tot de Stryd geboren,
(65) Zal, met zyn Helden, weêr ontvonken op de vloed,
En boeten al de schâ ten kosten van hun bloed.
Zo zal de aloude roem van Neêrland weêr herleeven,
Zo zultge, u zelve de eer, ons ruimer aâmtogt geeven.



[p. 38]

AAN ZYN EXELLENTIE

Den Hoog Edele Heere

DEN HEERE

KORNELIS TROMP,

GRAAVE van SILLIESBURG, &c.
Als zyn Hoogedelheid
Voor Luitenant Admiraal Generaal van Holland en
Westvriesland, &c. in Zee zou gaan.

Gy gaat dan wêer in Zee, Heer Tromp? niet om Lauw’rieren
Te plukken voor u zelf: neen, Bloem der Batavieren!
Neen, twede Achilles! noch om eer noch zegepraal;
O neen! daar van gewaagd uw onverwin’lyk staal:
(5) Maar om dien halsrechtdag, dien groote dag te houwen,
Daar gy, met bliksems, en met donders uit kartouwen
Zult pleiten, om te zien, naar ’t vreeslyk moordgeschal,
Of Wilhelm, of Louis die vierschaar ruimen zal.
Neptuin, de Zeemonarch, ten golven uitgereezen,
(10) Zal, van dit groot geschil, zelf oog getuige weezen.
De Tritons bor’len reets van blydschap uit hun kil,
Om dat u elk om ’t eerste op nieuws begroeten wil:
Zy zyn om hals en hoofd versierd met roode kraalen,
En purp’re kransen, die langs borst en schouders stralen,
(15) Van ’t laatst gestorte bloed; ’t geen de eer geen rust vergund,
Voor ’t eerst gewroken is: wreek gy het, wyl gy kund.
Uw arm beweegd zich niet, of straks is uwe degen
Een evenaar der stryd: Uw moed doetze overweegen
[p. 39]
En hellen naar uw zy: Uw arm is ’t die ontroerd,
(20) En doodschrik in het hart en oog des vyands voerd:
Uw arm is ’t die zo verre ontzien word als de winden
Zich, van vier oorden af, op land of water vinden.
De tusschewyte van het aardryk en de lucht,
Onsterffelijke held, is met uw lof bevrucht:
(25) Uw daaden schit’ten daar in ’t goud; en uwe lauw’rieren,
Gezaaid door starren, en door ongenaakb’re vieren,
Verstrekken een Kompas voor Helden, die de baan
Van onvergank’lyke eer bereid zyn in te staan.
    Streef weer gelyk voorheen, ô Wateroorlogswonder!
(30) Door yzer, staal, en loot, door bliksem, en door donder;
Gelyk de Fenix door de vlam streeft uit zyn asch;
En dompel door die vlam, op Nereus woeste plas,
De nagebootste Zon met zyn verwaande straalen,
Om eeuwig in een nacht van duisterheid te daalen.
(35) Op dat de Vreê, die naa haare oorsprong is gevlugt,
De wolken open breeke, en stryke in onze lucht.



[p. 40]

AAN DEN

KEIZER.

KLINK-DIGT.

Monarch van Oostenryk, schrik van wreede Aziaanen,
    Die, als een Godefroi, de Christenen bevryd;
    De nood roept u te rug; keerom, keerom, ’t is tyd;
Wend uwe Standaards, en ontsachlyke oorlogs-vaanen
(5) Naar fransche Lelien; verlaat de Turksche Maanen,
    Die zyn door doodsche schrik, besturven in de stryd,
    Waar van gantsch Barbarye een koorts door de aad’ren ryd,
Nu kunt ge U zelfs een weg ter eeuw’ger eere baanen.
    Blus Flipsburgs brand. Tem door uw groot beleid,
    (10) Der Franschen moedwil, en hun opgeblaazenheid:
Maak bergen van hun doòn, en van hun bloed rivieren:
    Doe die gewaande Zon door uwen bliksem slaan,
    Verjaagtse uit Oosten, doetse in ’t Westen ondergaan,
En vlegt de Lely, in triomph, door uw Lauwrieren.



[p. 41]

AAN DEN

TURK,

Op ’t veroveren van Buda.

Erfvyand, Gesel, Vloek, en pest der Kristen zielen;
Die met Barbaaren, en Janitsers samen spand,
Om in een Zee van bloed, van oproer, moord, en brand
De gansche waereld te verwoesten, te vernielen;
(5) ’K zie d’Oostersche Jupyn U volgen op uw’ hielen;
’t Gewonne Buda, is van uwe in zyne hand;
Zyn standaards zal hy u weer eischen in uw land;
Die, door een helsch verraad, eerst in uw’ klaauwen vielen.
Vlugt vry met uw Viziers, en Woeste Bassaas, vlugt;
(10) Zyn Bliksem treffe uw kop met donderend gerucht.
Gy hebt de doodschrik weg. Uw hart, van angst an ’t poop’len,
Vecht met de wanhoop reets, en worsteld met de dood.
Zo ’t heil des Adelaars werd naar myn wensch vergroot,
Zie ik eerlang zyn troon in uw Konstantinoop’len.

Continue
[p. 42]

MENGELDICHTEN.
________________________

GEZANG
OP
ROOZENDAAL;

Aan de Hoog Edel wel gebooren en gestrengen Heere, den Heere

JOHAN BARON van ARNHEM,

Heere van Roozendaal tot Harslo,

Byzondere Raad des Vorstendams Gelre, en Graafschap
ZUTPHEN;


Voorzittende in de Vergadering van haar Ed. Mog: de Heeren
Afgezondene Staaten des kwartiers van Veluwe;

Richter tot Arnhem, en in Veluwen-zoom &c.

        O Boom en bloemryk Roozendaal!
        Hoe zal ik best uw lof ophaalen?
            Gy proefstuk van Natuur, vol praal,
        Vol klank van duizend Nachtegaalen.
            (5) Gy streeft de Zon na’t aangezigt,
        Wanneer zy, uit de kim’ gesteegen,
            U toelonkt met haar vriend’lyk licht,
        Langs Hiacinte en Rooze wegen.
            Ik treê, met een verblyde zin,
            (10) Aandachtig uw’ Vaaleijen in.

[p. 43]
            Ik hoor vast; door een zoet geruis,
        Uw’ zilververwde bronnen schaat’ren,
            En uw’ Fonteinen met gedruis
        Langs net gekaeide vloeren klaat’ren;
            (15) ’t Geluid ontvonkt myn doffe geest:
        ’k Werd van een Hemels vuur gedreeven,
            En schoeije op een volmaakter leest:
        Myn zinnen zyn van de aard geheven,
            Verrukt in Febus heiligdom,
            (20) Vast zweevende uwe bergen om.

            Hier zoeke ik voor een tyd myn rust.
        Bespieg’lende uw’ vermaaklykheden,
            En zie me eer blind, als zonder lust,
        Aan al de bloesem hier beneden.
            (25) Dit is de Melkweg in myn oog.
        Hier zyn de laauwe westewinden,
            Gereed om my van de aarde om hoog
        Te voeren langs een bosch van Linden.
            O Schets des Hemels! Goude tyd!
            (30) Ik ben by na my zelve kwyt.

            Ik zie een Regenboog in ’t rond,
        Van allerleije schoone kleuren.
            Een Honingdauw zweefd om myn mond.
        Ik rieke een lekkerny van geuren.
            (35) Het blikt en flikkerd, om en om,
        Van Tulpen, Roozen, en Vioolen.
            Verwond’ring maakt my blind en stom,
        En al myn zinnen zyn aan ’t doolen.
            De Voog’len zingen in hunn’ taal,
            (40) En roepen vast door Roozendaal:

[p. 44]
            ô Roozendaal! ô Roozendaal!
        Vergun ons doch dit speelevaaren;
            Wy zullen, voor uw mild onthaal
        U stichten duizend dankaltaaren,

            (45) En off’ren daar, vernoegd en bly,
        Het geen’ de Lente ons doed vergaaren;
            En vieren steets dit Jaargety,
        Met Fluiten, Orgelen en Snaaren;
            Op de allerschoonste toon en wys.

            (50) ô Aardsch! ô Hemels Paradys!

            Gy Pynboom, die den Hof versierd,
        Gy Popelboom, die by de stroomen
            Op uwe vrugtb’re wortel tierd,
        En gy, ô Ype en Essche Boomen,
            (55) Gunt my de schaduw van uw’ blâan,
        ’k Zal by de Vogels myn’ gezangen
            Van de eene tot aan de and’re laan,
        Op uwe weel’ge takken hangen;
            Tot een verplichte erkentenis,
            (60) Van’t geen myn geest u schuldig is.

            Wanneer ik op uw’ Bergen sta,
        Versierd met duizenden van kruiden,
            En oog uw’ buur’ge plaatsen na,
        Zie ik de Betuw in het Zuiden,
            (65) Die overvloed van graanen geeft.
        In’t Noorden zie ik Bosschen praalen,
            En Weiden daar het Wild in leeft,
        Om ruimer ademtocht te haalen.
            De Velden, die vol klaver staan,
            (70) Zien lachchende de Melkmeid aan.

[p. 45]
            Wat Grot, vol spiegels van Kristal,
        Zie ik op gintse hoogte straalen!
            Hoe bruit het water met geschal
        Langs groene heuvelen en daalen’
            (75) Dit ’s de Fontein die Pallas zocht,
        Door Pegaas hoef aan ’t overstroomen;
            Rondom met kruid en bloem doorwrocht,
        In een warand’ van Eike Boomen.
            Dit is der Grieken Hengstebron.
            (80) Dit ’s Pindus. Dit is Helikon.

            Hier zat voor heen der Goden spruit,
        De Trasiche Orfeus, die met speelen,
            En meêr dan menschelyk geluid,
        Den Eik en Populier kon streelen,
            (85) En lokte al het gediert’ by een,
        Dat, op de galm van zyne snaaren,
            Met al ’t geboomte daar verscheen.
        Arion stilde dus de baaren,
            En maakte met zyn komst’ gedwee
            (90) De Dolfyn en de ontstelde Zee.

            Wat vloed komt hier dus bruizende aan!
        Zich stortende uit in zeven vlieten,
            Gelyk de Nyl in de Oceaan
        Zyn Zeven keelen uit moet gieten.
            (95) Het water speeld hier voor de Wind,
        En doet de molewieken draaijen,
            Zo snel, zo driftig, zo gezwind,
        Als of men’t hevig hoorde waaijen.
            Door deeze parsing, door die zwier,
            (100) Schaft Roozendaal aan ons papier.

[p. 46]
            ô Aangenaame Waterval!
        Vol Amatisten en Robynen
            ô Cipris Hof! Idalisch dal!
        ô Oostensryk vol paerlemynen!
            (105) ô Elizeesch! ô Zalig veld!
        ô Woonplaats! waardig voor de Goden;
            Die duizend pennen stof besteld
        Om al de waereld uit te nooden.
            Hier ryst de frissche Morgenstond,
            (110) Met dauw en Bloesem in de mond.

            ô Tempe vol bekoorlykheid!
        Men zou zich zelve in u vergeeten.
            ô Bloempark juist en net geleid!
        Gy zyt door Wiskunst zelfs gemeeten.
            (115) ô Geur van de eed’le Oranje boom!
        ô Wynberg met uw’ blyde ranken!
            Gy troon van Liber! wellekoom;
        U moet men allermeest bedanken;
            Terwyl gy tart, met deze wyn,
            (120) Die van de Moezel en de Ryn.

            Visryke Vyvers, schoon van schyn,
        Die, met doorluchte en vochte leden,
            Verbeeld een leevend Kristalyn
        Vergunt me uw’ boorden te betreeden;
            (125) Laat my uw’ visschen spart’len zien,
        Die, wylze zwemmende vast dwaalen,
            Weg schieten, en angstvallig vliên,
        En breeken ’t nat tot zil’vre straalen;
            Als of de Hemel, by schoon weêr,
        (130) Een regen zond van starren neêr.

[p. 47]
            Wat wellust gaat hier al in zwang!
        Wat doet men my al blydschap hooren:
            De Waterval, de Voog’le Zang,
        De Zuidewind onthaalen de ooren;
            (135) Zo net, zo juist, of stem en snaar,
        Met wenden, draaijen, en met keeren
            Vereenigd rolden door elkâar;
        Terwylze om stryd een zangstuk leeren
            Aan kruid, aan bloem, aan plant, aan boom,
            (140) Aan Haag, aan Bosch, aan Berg en stroom.

            Nu eens, doch met eerbiedigheid,
        Het aad’lyk Lusthuis in getreeden,
            ’t Geen rondom in een springvloed leid;
        Waar in het spiegeld al zyn leden;
            (145) ’t Ryst met zyn daken uit die plas,
        Zo glans en konstryk in myne oogen,
            Als of het door een spiegelglas
        Wierd van de Zon om hoog getoogen.
            Doch ’t is zyn achting, roem, en eer,
            (150) Meest schuldig aan zyn eigen’ Heer.

            Zyn Heer, der Volk’ren heil en vreugd;
        In staatsbestieringen rechtschapen;
            Niet minder eedel door zyn deugd,
        Als door ’t aloud befaamde wapen.
            (155) ô Arnhem! stoel van ’t Geldersch Hof,
        Daar deze Kato is gezeten,
            Ontblood van eige waan en lof;
        Maar niet van ongekreukt geweten.
            Gy hebt zo veel aan hem, ô Stad!
            (160) Als Roomen aan haar Kato had.

[p. 48]
            Vergeef my, Heer van Roozendaal,
        Zo ik u in uw’ bezigheden
            Vermoeijen koome met myn taal;
        ’t Lust u somtyds de konst te ontleeden,
            (165) Te volgen ’t spoor der Ouden na;
        ’t Ontleenen ’t kern der goude lessen
            Van Cicero, en Seneca.
        ô Minnaar van de Zanggodessen!
            Gy kend de kracht, gy kend de styl,
            (170) Van Flakkus, Nazo, en Virgyl.

            Hoewel ge u veeltyds bezig houd,
        Met boven waereldlyke zaaken,
            Alsge uw gemoed een Heemel boud,
        Om in Gods heilig vuur te blaaken,
            (175) Dan stichtge u zelf op aarde een kerk
        Van geen vergangb’re marmersteenen,
            Maar eeuwigduurend metselwerk,
        Door Zon, en Maan, en Starren heenen,
            Dat is, door een volmaakte schyn,
            (180) Op Aarde al in den Hemel zyn.

            Gy Rynstroom, die, ten deele ontboeid,
        Van ’t Juk der fransche Dwingelanden,
            Uit zwitzersche Alpes herwaarts vloeid,
        En dryvende hier zonder banden,
            (185) Ei zeg aan myn geboortestroom,
        Al Roozendaals vermaaklykheden,
            Als gy, gemend door zachter toom,
        Met uwe golven rold beneden.
            Den Amstel zal, om uwent wil,
            (190) Zo lang aandachtig zyn en stil.

[p. 49]
            Zeg dat ik als herboren word,
        En schier aan wellust zou verstikken,
            Wierde ik niet vriend’lyk aangepord
        Tot nieu vermaak alle ogenblikken.
            (195) Natuur, en konst zyn hier om stryd
        Vast bezig om de vlag te stryken.
            De Staatzucht laat hier haat noch nyd,
        Uit dwaaze drift tot heerschen, blyken.
            Zeg dit met een, doorluchte Ryn,
            (200) Dat de Amstel niet Jaloers moet zyn.

            Hy stof vry op zich zelve en ’t Y;
        Op al zyn schatten en gebouwen;
            Hy zet ’er vry zyn Raadhuis by,
        Uit Marmer en Arduin gehouwen;
            (205) Die Rykdom maakt meest arm. ’t Gemoed,
        Eischt niet meêr dan nooddruftigheden.
            De Hel word ryk door overvloed.
        Veel liefst zou ’k hier myn tyd besteeden;
            Maar huiszorg roept my derwaarts. Ga.
            (210) Ga Rynstroom, ’k volge in ’t korte u na.



[p. 50]

Op de

INHULDIGING

Van den Wel- Edelen Heere

Den Heere en Mr.

HENRYK HOOFD,

Fiscaal, van het Edele Mogende Collegie,
ter Admsraliteit te Amsterdam.


Als Drost van Muiden, en Baljuw van Goeiland, &c.&c.&c.

TITYR. KORIDON.

TITYR.
BEgaafde Koridon, belust op hooge toonen,
Die in uw’ vingeren, in uw’gedachten woonen,
Gy hebt zo menigmaal myn doffe geest verblyd,
Speel nu, ik volg u na, speel nu, ’t is speelens tyd;
(5) Tyd is het; ’t is hoog tyd om op uw fluit te speelen;
Weet gy wel dat in ’t Goei verryst een nieuwe zon?
Heer HENRYK HOOFD is Drost; weet gy ’t wel, Koridon?
KORIDON.
Ja, Tityr’ ’k weet het wel. Kom, wil met my beginnen.
(10) Dat nu de Zuider Zee, en blanke Vechtgodinnen
[p. 51*]
Ons helpen, dat het klinke; en bosch, en berg, en dal
Ons antwoord geeven op dat schaterend’ geschal:
De faam vereende klank, zal, op het Huis te Muijen,
Verstrekken voor een klok, om vrolyk in te luijen
(15) De groote HENRYK HOOFD, met nederig ontzag,
Als Drossart, en Baljauw op zyne Inhulding dag.
Onze Ouders leerden al, voor meêr dan vyftig jaaren,
Op een verheven’ toon beweegen hunne snaaren;
Zy hadden hunne tyd en yver wel besteed,
(20) En volgens het Muzyk van Hollands Hoofd Poëet;
Die, als ’t hem luste slechts zyn stem te laaten hooren,
Gebloemte en blaad’ren deed veranderen in ooren;
Die Stedehouder van Apollo, op Parnas,
Die op de zelve tyd meê Drost te Muijen was,
(25) Die Prins der Dichteren, die weêrgalooze Schryver,
Ontstak de geesten van zyn tyd met heilige yver;
Die Duitsche Tacitus, naar eisch nooit gewaardeerd,
Heeft aan onze Ouders, zyn kunst aan ons geleerd.
TITYR.
Kom, dit’s de rechte plaatz. De Muiderbergze dalen,
(30) Die wy bewandelen, verlangen ’t te verhaalen
Aan plant, aan kruid, aan struik, aan bloem, aan vliet, aan boom,
En al de Speelgenoots van Y en Amstelstroom.
Vloei, zuiverzilv’re Vecht, met lieffelyker baaren,
Nu wy begroeten de eer van Hollands Amptenaaren,
(35) Wiens hoflyk wezen, en aanzienelyk gelaat,
Meêr in zich zelf bezit, als uiterlyke staat:
Vloei, laaf de beemden, laaf de vruchtbaare Landsdouwen,
Op dat de nasmaak de nakoom’ling moog behouwen.
Trekt, velden, trekt om ’t jaar een nieuwe tabberd aan,
(40) Verzilverd, en verguld, van boekwyt, en van Graan.
Het Land zal Honing, Melk, en Most, en Kooren geeven;
Natuur een bloemfestoen om weelige akkers weeven;
[p. 52]
De wyngaard klauteren langs latten naar de lucht,
En boom, en veldgewas van vreugde zyn bevrucht.
KORIDON.
(45) Zie, Tityr, zie, Auroor doed lucht en wolken bloozen:
Aanschouw haar vingeren van witte en roode roozen;
Haar mond aamt Nekterdauw, zy zweefd door dun satyn,
Verflaauwd allengskes, voor het schitterend robyn
Van Febus wagen, die, op diamante rad’ren,
(50) In voller majesteit, komt voor onze oogen nad’ren;
Zie hoe hy met zyn glans de Zomer open fluit,
En HOOFD begroeten komt, met goddelyk geluid,
Verjaagende alle Damp en dreigende onweêr buijen.
Hoord gy wel dat de wind ons toeblaast uit het Zuijen,
(55) Om deel te neemen in deeze algemeene vreugd?
De Weste wind blaast meê, zy schynen bei verheugd.
Vreedzaame windekens, gy moogt het wel verhaalen,
Zo ver de gouwe Zon zich uitspreid door zyn straalen,
’t Geen gy hier hoord en ziet: ’t is waarheid, en geen schyn;
(60) Voer de Echo met u, die zal graag getuige zyn.
Zie, zie het vee in’t veld eens met elkander hup’len,
Door ’t malsche klavergroen, besproeid met zil’vre drup’len.
Blyf, barse noorde wind, gy blaasbalg van de lucht,
Blyf opgeslooten, en voor deeze dag in tucht.
(65) Hier voegd niet dan vermaak. Ik kan my naau bedwingen.
De voog’len heffen aan, om met ons ’t koor te zingen.
Kom, Tityr, vat uw fluit. Myn geest is reets bezeten
Van heil’ge raazerny, die wellust der Poëeten.
Kom, laat ons, beurt om beurt, kom laat ons te gelyk,
(70) Ons zelf vermaaken door ’t eenstemmige Muzyk.

[p. 53]
TITYR.
HEmel! die het heir der starren
    Door de lucht als fakkels voerd,
    Met een wenk’t heelal beroerd,
Wil nu met uw gunst niet marren,
    (75) Toon uw onbepaalde magt.
    Zegen HOOFD, en zyn geslacht!
KORIDON.
Hem, die, zonder smet of mangel,
    Altoos naar de deugd verlangd,
    Die der menschen harten vangt
(80) Met beleeftheids hoek en angel:
    Die voor gunst nooit gaaven wacht.
    Zegen HOOFD, en zyn geslacht!
TITYR.
Zegen hem, naar uw behaagen,
    Die veel minder luister heeft
    (85) Van zyn Ampt, dan hy het geeft.
Rek, ei rek zyn leevens dagen;
    Hou hem lang in volle kracht.
    Zegen HOOFD, en zyn geslacht!
KORIDON.
Hy zal, over land en lieden,
    (90) Vry van woek’rende eigenbaat,
    Met een vrindelyk gelaat,
En ontzaglyk oog gebieden,
    Dat gevreesd word, en geacht.
    Zegen HOOFD, en zyn geslacht!
[p. 54]
TITYR.
(95) Alle Dorps- en stedelingen
    Juichen om hun nieuwen Heer:
    Man en maagd is in de weer,
En aan ’t huppelen en springen;
    Wyl al ’t Goei van blydschap lacht.
    (100) Zegen HOOFD, en zyn geslacht!
KORIDON.
Alle planten, alle boomen,
    Al het weelderige Vee,
    Voelen deze vreugde meê;
En de kristalyne stroomen
    (105) Luist’ren toe, en vloeijen zacht.
    Zegen HOOFD, en zyn geslacht!
TITYR.
Dat het windeke, ui het Zuijen,
    Meng zyn speelziek zoet geluid,
    Met de toon van onze fluit,
(110) Dat men ’t hoore op ’t huis te Muijen;
    ’t Geen nu praald in volle pracht.
    Zegen HOOFD, en zyn geslacht!
KORIDON.
Onze saamgehuwde klanken,
    Nu vereenigd met de taal
    (115) Van de schelle Nachtegaal,
Zullen u, ô Hemel! danken,
    Voor het heil ons toegebragt.
    Zegen HOOFD, en zyn geslacht!
[p. 55]
Te gelyk.
O aangenaamste, en schoonste dag!
    (120) Die ’t Goei ooit zag,
    Die ’t Goei ooit zag:
O dag! zo schoon, zo ryk van licht,
    Als immermeêr de menschen
    Verkreegen door hun wenschen,
        (125) Van ’s Hemels aangezigt.

Dat onze galm smelte in de lucht,
    En ’t land bevrucht,
    En ’t land bevrucht,
Met duizend harten, die, vol vuur,
    (130) En aangenaame klanken,
    De Heemel steeds bedanken,
        Op dat haar goedheid duur.

Het land, de lucht, en aarde en Zee,
    ’t Juicht alles meê,
    (135) ’t Juicht alles meê.
Apollo zelfs, met schooner schyn,
    Vlecht om des Drossarts haaren
    Een krans van lauwerblaâren,
        Die nooit verwelke of kwyn.

(140) Men voer’ hem dus heel Goeiland om,
    Met fluit en bom,
    Met fluit en bom.
De Drossaard is ons wellekom;
    Zo zal hy altoos blyven,
    (145) Wy Jaarlyks vreugd bedryven
        Met Zang, met fluit en bom.



[p. 56]

AAN

AMSTELDAM.

Op de Verkiezing van de Ed. Grootachtbaare Heeren

BURGERMEESTEREN.



Weergadelooze Stad, die, half omringd met muuren,
Gesticht schynt om het eind der Waereld te verduuren;
De gantschen Aardboôn stort haar schatten in uw schoot,
En van het Ooste aan ’t West’ kruist uw gevreesde Vloot.
Doch uwe hoogste roe, en grootste pronksieraaden,
Zyn uw’ Regeerders, uw’ Rechteren en Raaden;
Vroome, onbesprokene, die uw beruchte faam,
Verzien met tyttelen, gebooren uit hun naam,
Verstand, en deugden; die, tot aan ’t gestarnt’verheven,
Met letteren van eer staan voor hun hoofd geschreeven.
Gy zyt vol wonder, en een wonder van ’t heel al;
Wie mist niet dien het uwe, of u verkonden zal?
’t Vereiste een Gode tonge, om met verheeven’ klanken,
Op zulk een wyze keur, de Stemmende te danken,
Voor GEELVINK, MAARSEVEEN, en KORVER, BORS, al ’t saam
Grootachtb’re Heeren van een onbesprooken’ naam
Wiens deftige inborst, en wiens onberisplyk leeven
Ons door ’t ontsachlyk oog te kennen werd gegeeven.
Gelukkig Amsterdam, der vremdelingen hoop,
Der vlugtelingen troost, de Paerel van Euroop;
Vry van gewetens dwang, uw heil, gedaald van boven,
Geeft u oneindig stof om uwen Godt te looven:
Dat al uw doen voortaan tot eer en roem gedy,
Zo bloeije, ô groote Stad, zoo groeije uw Burgery!



[p. 57]

Aan den Heere DIRK GEELVINK.

Als zyn Edt. te Parys was.

Myn Heer, ’k schryf u deez’ brief naar myn gering vermogen,
    Van ons gezelschap wierde ik hier toe aangepord,
Om met dit stom geluid te spreeken aan uwe oogen,
    Terwyl my mondeling, die eer benomen word.
(5) Ik heb, gelyk gy ziet, U hier in rym geschreeven;
    De liefde tot de kunst verzag my van die raad,
Uw heusheid, struikel ik, zal my de fout vergeeven,
    ’K verbeelde een schets van een die Staat en Hof versmaad.
Nu zyt gy daar Louis, gelyk een God verheven,
    (10) De Christen waereld in balans houd met zyn zwaard;
’T zy hy an ’t oorlogsvuur te velde word gedreeven;
    Of ’t recht der volkeren door zyn gezach bewaard.
’K weet wel, als gy de rust der Burg’ren gaat waardeeren,
    Dat gy van de onrust in het Hof afkeerkig zyt;
(15) Ten Hoof ontbreekt de rust aan de allergrootste Heeren:
    Ten Hoof besteed men slechts in ydelheid zyn tyd:
Is iemand ongeacht die wort’er heel vergeeten.
    Is iemand groot hy word vervolgd van die hem haat:
Den Arme vind ten Hoof noch laavenis noch eeten:
    (20) De Ryke kan zich niet vernoegen in zyn staat.
Heel weinig zyn’er die ten Hoof te vrede leeven:
    Een ieder is’er uit om eigenbaat en gunst,
Ten laatsten komt’ereen daar ’t alles voor moet beeven.
    De grootste schelmery is de allergrootste kunst:
[p. 58]
(25) Ten Hoove volgdmen meest de drift van zyn gedachten,
    Men doet’er zo men wil, maar niet gelyk ’t behoord:
Zy vleijen ’t hof, terwyl zy ’t Hof in schyn verachten:
    Zy volgen ’t evenwel om dat het ’er bekoord.
Of dan de Tafels zyn begraaven in de spyzen,
    (30) Of ’t al van zilver, goud, gesteente, en paerlen blinkt,
Of de overvloed ons schynt een Hemel aan te wyzen,
    Of wy in ’t midden van de vreugde zyn omringd,
Daar ’t minnevuur begint van alle kant te ontvonken;
    Daar ’t oog, aan ’t geil gemoed, zo onderdanig word,
(35) Dat elk zich zelven vind in dartelheid verdronken,
    En plotseling in een zee van wellust neder stort:
Of zang, en snaarenspel doortintelen de zinnen;
    Of door het Ledekant Parfuim en Amber zweefd,
Terwyl me’ in de armen smelt der waereldse Godinnen,
    (40) En dat men alles smaakt wat immer vreugde geeft.
Of al die weelden is te vinden in gebouwen
    Van Marm’re boogen, en verwulfsels van Kristal,
Die met hun kruinen ’t licht om hoog gezelschap houwen,
    En staan voor de ongenâ van honderd eeuwen pal.
(45) Wat helpt het als de Moord staat achter de gordynen?
    Wat helpt het als ’t gemoed van wanhoop trild en beefd?
Wanneer men naaulyks ddurft, uit angst voor ’t licht verschynen;
    Wat helpt het als men eens zyn tyd heeft uitgeleefd?
Wat baat dan staatzucht, pracht, en alle onkuische zeden,
    (50) Als teffens ons de Dood van lyf, en schat beroofd?
Die niet verbasterd is van reedlykheid en reden,
    Moet de arbeid schuwen daar men tot zyn nadeel sloofd.
Veel beter is het zich te ontslaan van al die zorgen:
    Te zoeken niet dan rust, te vlieden zulk een eer.
(55) die niet en vreest voor druk van de ongeboore morgen,
    Legt ’s avonds, met zyn hoofd, al zyne zorgen neêr.
Is ’t niet veel beter dan, zich zelven te vernoegen
    In Burgerlyk bewint, en Burgerlyk vermaak?
[p. 59]
Te vreden zyn in ’t geen de Hemel toe wil voegen?
    (60) En in de nooddruft maar alleen te hebben smaak?
Is ’t niet veel beter dan, te paaijen onze zinnen
    Met een genot ’t geen ons de Hemel heeft verleend?
Die ongeoorelooft geen dingen zoekt te minnen,
    Die wint de grootste schat, die vind zich nooit verkleend.
(65) Ik zal, Heer GEELVINK, uw geduld niet meer vergen.
    ’K heb hier in ’t kleen geschetst hoe ik de zaaken vind.
Indien ’t mooglyk was, ’k vloog over bosch en Bergen,
    Ik nam de vlugheid aan van de allersnelste wind,
En viel u om den hals. Nu zal ik met gedachten,
    (70) Wyl ’t anders niet kan zyn, maar wenschen dat myn dicht
Zo veel verdienen zal dat ik mooge antwoord wachten,
    Zo niet, ’k blyf echter aan uw heusheid zeer verplicht.



[p. 60]

AAN DEN EERWAARDIGEN

HEERE

JAN de ROY,

Op zyne komste te

AMSTERDAM,

Als leeraar der Gereformeerde Gemeente.

Zo volgd de loon de deugd; zo ziet men waardigheden,
Aanzienlyk en met lof van yveraars bekleeden,
Die, door huun’gaaven, hun verstand, en goed beleid,
Niet anders trachten dan naar deugd, gerechtigheid,
(5) En weldoen; die door dienst en door oprechte gangen,
Eer schenken aan het ampt ’t geen zy door vlyt erlangen.
    Dus ken ik u, de ROY, dus komtge in Amsterdam,
En toond te zyn een telg van uw deugdryke stam,
Van uwen Vader, die, in dienst der Kerk gesleeten,
(10) Ten enden adem hield een onbevlekt geweten;
Die elk van ’t doolpad zocht te leiden door zyn leer;
Die met gebeden strêe, en Godt alleen gaf de eer:
Dat tuigd Batavie, dat tuigen d’Indiaanen,
Dat tuigd de nederlaag den heidensche Javaanen,
(15) Die, op zyn komste in ’t Oost’ weg vlooden uit het veld,
terwyl hy zich in ’t spits met zyn gebeden steld’,
Gelyk als Mozes, op den Berg, voor de Israliten,
Gebeden stortte, tot verderf der Amal’kiten.
[p. 61]
Zo raakt’het volk verstrooid, verjaagt, vervolgd, gedood,
(20) Gevangen in de vlugt, en Godts volk uit de nood.
Zyn yverig gebed, zyn onderrichten, leeren,
Deed woeste Heidenen in Kristenen verkeeren,
Tot dat zyn land, om zyn afweezen in de rouw,
Hem t’huis riep, op dat hy daar als een harder zou
(25) De schaapen weiden, tot het einde van zyn leeven,
Gelyk hy afgesloofd de waereld heeft begeeven,
Naar dat hy vyftig jaar Gods Kerk trouw had bewaakt,
Waar door zyn denkbeeld nooit uit ons gedachten raakt.
    Gy Zoon, volg meê dien voet, laat van de stoel u hooren,
(30) En maak Gods dierbaar Woord zo smaaklyk in onze ooren,
Dat wy vol aandacht, met die heiligheid gevoed,
Recht leeren kennen dat zielzallevende bloed,
Dat, van het kruis gestroomd, de Duivel, Dood, en zonden
Vernietigd heeft. Leer ons de drup’len van Gods wonden,
(35) Toepassen op de wond der eeuw’ge helsche pyn;
Op dat wy, door ’t geloove, al t’saam deelachtig zyn
Aan dat oneindelyk, barmhartig, eeuwig Weezen,
Daar de Eng’len met ontzag voor sidderen en vreezen;
Op dat de ziel geraakt door uwe leer en stem,
(40) Van ’t Aardryk werd gevoerd naar ’t hoog Jeruzalem.
Laat ’s Hemels Pinkstervuur uw’boezem zo ontsteeken,
Dat de Afgrond daverd als Gods geest door u komt spreeken.
Hou aan met liefde, met geloof (dat verziende oog)
Of Godt zich onzer noch in deeze tyd bewoog:
(45) Stry met uw’ broeders, met vertrouwen, vasten, smeeken,
Dat ’s Hemels deuren door het bidden open breeken.
Och! of het Godt geviel, in deez’ benaauwde tyd,
In deeze barning van vervolging, haat, en nyt,
Zyn Kerk, verstikt van rouw, in vryheid weêr te stellen;
(50) Haar pylers wag’len reeds, men dreigtze neêr te vellen:
Wees gy een boetgezant, op dat Godt ons bewaar’,
En in ons, ’t goed geloof, bevryd voor al ’t gevaar
[p. 62]
Waar meê de Koningen der aarde ons fel bespringen;
Godt kan, als ’t hem gelieft, hen met een wenk bedwingen,
(55) Al hunn’ raadslagen doen verzwinden als ’t hem lust,
Ons van hun juk ontslaan, en voeren in de rust.
    Maar wat behoeve ik u dus tot uw plicht te maanen,
Uw heil’ge yver zal die weg van zelver baanen;
Gy hebt de proeven reeds gegeeven daar gy stond.
(60) Edam en Durkerdam tuigd van uw gulde mond;
Daar gy de Zielen hebt gevoed met Hemelspyzen,
Terwyl gy haar het pad der deugd wist aan te wyzen.
Dat wacht ook Amsterdam, ’t geen naar u heeft verlangd,
Gelyk het wel vernoegd u in haar schoot ontfangt.
(65) Daar zultge uw’ Vader na in doen in leeven treeden,
Bestraffen door uw leer, weêr troosten door gebeden;
Daar zultge een gesel zyn van Huig’laars, en een vrind
Van ’t eerelyk gemoed dat deugd en weldoen mind;
Daar Zult gy, in de ring van ’t Volk, en van Gemeente,
(70) Uitblinken als in ’t goud het edelste gesteente.
Dies zyt gy wellekom, en met een bly gelaat
Ontfangt u ’t Volk, de Kerk, en de Achtb’re Magistraat.



[p. 63]

Aan den HEERE

FREDRIK MANDT.

Voor Wyz-en Dapperheid moet alles nederbuigen,
De Waereld zonder die spatte in het korte aan duigen.
De Wysheid geeft de mensch aanleiding tot het goed;
De Dapperheid hoe dat men zulks beschermen moet.
(5) Heer Mandt, die, vol van vuur, steeds tracht naar lauwerieren,
Op ’t spoor der Braaven, en der dap’re Batavieren;
Ven wiens onsterflyk bloed uw hart gekoesterd word,
Wanneer ’t Zich voeld ten stryd geduurig aangepord.
Doch onder dit beding zoektge eere te behaalen;
(10) Datge eens in Zee mogt gaan met Neêrlands Admiraalen,
Om, onder hunne Vlag, van eed’le moede gram,
Te streeven naar een kans, door sulfer, lood, en vlam;
Maar zo de groote Tromp zich mogt in Zee begeeven,
Als Hoofd der Staaten Vloot, dat waare uw lust, uw leeven;
(15) Dan zoutge, brandende van wak’re heldenmoed,
Ter liefde van het Land, op zetten gloed en bloed:
Gy zoud, op ’t voorbeeld van Romeinen, en van Grieken,
En slagveer strekken aan held Tromps metaale wieken,
En vliegen met hem, als de bloedvlag was gerecht.
(20) Gelyk een Leeuw vol vuur, in ’t heetste van ’t gevecht.
Uw ingeschapene aard doed U naar lauw’ren streeven;
Behalven dat word gy van wraaklust aangedreeven,
Om dat uwe Ouders door het oorlog zyn geplaagd,
En uit hun erf voorheen te jammerlyk gejaagd.
(25) Gy word genoopt ten stryd, doch vind u heel verlegen,
Terwyl gy voerd de Pen, en tocht steeds na de degen,
[p. 64]
Uw hart staat tusschen bei; doch ’t heeft geen meerder keurs,
Wanneer U roepen komt de Siviljaansche Beurs;
Daar Gy den handel sterkt, en, onder eerlyk leeven,
(30) Een yder een het zyn’ met woeker tracht te geeven;
Waar van uw’voorspoed een oprecht getuige zy,
Een uw geboortestroom, het Koop en Scheepryk Y.
    O Eer van uw geslacht! ô Borst vol dapperheden!
Zo ryp van oordeel, als van rappe en flukse leden:
(35) Hoe springt gy op van vreugd wanneer de krygstrompet
Haar toonen in het veld op oorlogsgalmen zet!
Dan wescht ge, met uw Paerd, de wind voorby te rennen,
En, met Karbyn, Pistool, en Degen, onder ’t mennen,
De Vyanden te slaan, door uw manhaften arm,
(40) En baanen ’t spoor van eer door moordkreet en alarm.
Te water en te land zoud gy u laaten hooren,
Indien ’t geval u niet iets anders had beschooren;
Doch uw verstand is zo bescheiden, dat gy Godt
Zult eeuwig dankbaar zyn voor uw beschooren lot.
(45) Wyl ’t anders niet kan zyn, zo achte ik uw gedachten
Zo veel gelyk het doen. genoeg is ’t slechts te trachten
Naar groote zaaken. ’K neem de wil aan voor de daad,
En acht uw hart zo groot als van een kloek Soldaat.



[p. 65]

Op het buiten leven.

Aan den HEER

PHILIP van PAPENBROEK.

ALs’t lieflijk windeke de zoete lente lokt,
Als al’r gedierte weer voor’t aardrijk jongen fokt,
En Flora bloemen strooit langs dikbemoste beeken,
De Zon met nieuwe glans komt door de kimmen breeken,
(5) De schelle Nachregaal roept om een blijde dag,
En al ’t gevogelte hun hart verlusten mag,
Wanneerze zingende door zwakke telgjes zwieren,
En groeten ’t heuglijk’ licht met vrolijk tierelieren.
Dan roept het al om u, ô Papenbroek! om u.
(10) Het snelle visje, voor het minste ritslen schuw,
Schijnt op uw komst om hoog te borlen uit de vyver,
Als oft u stond ten dienst met onvermoeiden yver,
De schoot der bloemhof schept een aangenaamer geur,
En ’t ooge vangt een schat van onverwelkte kleur:
(15) ’t Onnozel schaapje scheert de klaver langs de boomen,
En slobbert Nektar uit de zilverklare stromen,
Terwijl het jonge lam, dat zich van vreugd nooit speent,
Vast bakert in de zon, en vrolijk spartelbeent.
    O aangenaam vermaak! ô schets der gouwde tijen!
(20) De groene klimop komt den hoogen olmboom vrijen,
[p. 66]
Der bloemen koningin, de roos, luikt uit haar knop,
En klimt vol gloet om ’t hooft ten hooge heining op:
De zon zaait flonkerligt van straalen door de blaren,
De scheepjes, die door ’t Y na Beverwijk toe vaaren,
(25) Hun wimpels spiegelen al zeylende in het nat,
En voeren nootdruft van, en fruiten na de stad.
Gints rijst een hooge duin, daar kristalyne vlieten
Van haare toppen af door laage daalen schieten
Gelijk geschildert glas, wiens grond natuur verleent
(30) Een netgevloerde straat van schulpjes en gesteent’.
Hier werd de bloem der jeugt de wakkerheid bevolen:
Dees jaagt het knyntje na, betrapt het in zijn holen:
Die rent, om prijs te paard soo fier in d’ope lucht
Dat hy de winden schijnt te tarten met zijn vlucht.
(35) Op ’t bouwland is het vee in een gareel geslagen,
Om op hun vrye nek de dienstbaarheid te draagen,
Zy ploegen ’t vruchtbaar land voor Zaayman rustig om:
Daar hootmen by een beek een levendige drom
Al brommende in een drang hun zoeten arbeid spoeijen,
(40) Daar tijm en violet, soo rijk van geur, aan ’t bloeijen,
Besproit werd met het nat van zulk een klaare bron
Dat zijne springâar schijnt vermaagschap met de zon.
De byen hunne vlucht door’t bos en ’t land verspreijen,
En leezen ’r purper van de bloompjes, zy vermeijen
(45) Hun vrolijk door elkâar, en kussen met hun mond
De randjes van de Beek, en maaken ’t hart gezond.
Het blanke zwaantje kweelt met aangenaam geschater
En zwoele Zephyrus blaast golfjes over ’t water,
Daar d’eed’le populier haar schaduw over spreit,
(50) Die met de takken streelt, en ’t bevend water vleit
Des avonds, als ’t gediert’ by een van alle paden
Daar hunne rustplaats kiest, en dekt zich met de bladen,
[p. 67*]
Terwijl men dryven ziet na stal ’t gevoedert schaap.
O bloempjes, gras, en kruid veel zachter dan de slaap,
(55) Die van een zoete wind verkwikt werd, en bewoogen,
Wiens adem zagjes sust, en nood tot slaap alle oogen,
Wanneer de zon vertrekt, en zoomt een lijft van gouwt
In ’t weste, daar hy zich d’aanstaande nagt onthouwd!
    O Papenbroek ’k verbeeld my in uw arm te rusten,
(60) Te drinken met myn oor een overmaat van lusten,
Te smelten in vermaak. Gebeurt my eens die eer
Van ’t geen ik hier verbeeld, zoo zal mijn ganzeveer,
Ontsteeken aan uw geest, nooit stof tot dichten derven,
Terwijl ik wensche dus te leeven, dus te sterven.



[p. 68]

Op de
GEDICHTEN

Van wylen

Den uitsteekenden Dichter

Dr. JOANNES ANTONIDES vander GOES

Door zyn Vader verzamelt.

Antonides, is ’t waar? is ’t waar? zyt gy geweest?
En moet myn droeve galm nu klaagen aan uw geest?
Uw geest, uw groote geest, van Godlyk vuur gedreeven,
Die, schoonze ’t lyf verlaat, in eeuwigheid zal leeven;
(5) Moet ik die met Cipresse en letteren van druk
Ontmoeten? dat ’s voor ons een deerlyk ongeluk!
Ach, al te derelyk! te derelyk! voor vrinden
Die by uw leeven u zo teêr, zo trouw beminden
    O Groote Ziel! die nu, in ’t ongenaakbaar licht,
(10) Bespiegeld van na by, met uw volmaakt gezigt,
De starren, Zon, en Maan, en de andere planeeten,
Daar gy by Febus op Parnassus zyt gezeten;
’k Misgun die vreugde u niet, Apollos dubb’le Zoon,
Pronk eeuwig! eeuwig! met zyn onverwelkb’re kroon;
(15) Wat heeft hy u een schat van kunst en geest gegeeven!
Gy gaaft de zieken, door zyn kruiden, weêr nieuw leeven.
O Arts van lichchaams geest! o Arts van lichchaams kwaal!
O Arts der Poëzy! van Roomsche en Duitsche taal!
Leef gy om hoog, terwyl wy hier om laag uw’ dichten
(20) Gebruiken, om ’t verstand van blindheid te verlichten:
Een werk, zo zacht, zo glad, zo groots, waar meê de Faam
De Nyt gemuilband houd, tot glory van uw naam.
Indien ik ben belust myn geesten te vermaaken,
Te aanschouwen hoe een Vorst in ’t Keizerlyk scharlaken
[p. 69]
(25) Ten troon treed, ik kan straks myn heete lust verzaân.
’t Zy ik de Zeemonarch de strand wil zien beslaan
met duizend kielen, die, uit duizende Kartouwen,
In donder, vlam en vuur de dood gezelschap houwen,
Wanneer gy door uw pen de Helden voerd in ’t vier,
(30) Die eeuwig leeven op het veld van uw papier;
Of dat ik schep vermaak in teed’re minnezangen,
Die zo veel zielen, als ’er hooren kunnen, vangen;
Het zy ook wat voor stof, die deftig is, my smaakt,
Ik vind die in uw boek geheel en al volmaakt.
(35) Zweeg ik, ANTONIDES, de golven zouden spreeken,
En de Ygod zou van vreugd ’t hoofd uit zyn kerker steeken,
Om dat gy zyn gezach en aanzien zette in ’t licht,
En maakte zyne naam onsterflyk door uw dicht.
Wat gaaft gy menigmaal, door uw’vergoode snaaren,
(40) ’t Geleide aan zyne Vloot door ’t barnen van de baaren;
Van daar het Zonnelicht aan de Oosterkimmen blinkt,
Tot daar ’t in ’t weste weêr met Flaauwer straalen zinkt.
Zoo ver zal ook uw lof al de Aardkloot om braveeren,
Als gy zyn kielen door het pekel deed laveeren
(45) Men spille tyd, noch zorg, noch geef zich in gevaar
Om Landen te bezien; men leeze uwe Ystroom maar.
Wat zynwe aan u verplicht! wat hebt ge ons nagelaaten
Een ryke stof, vol pit, vol merg, vol honigraaten!
Wat draagt uw’ vader ’t werk een vaderlyke gunst!
(50) Wat is ’t welgeplaatst, geschikt na orde en kunst!
Zo zorgde Varius voor Maroos heldenblaaren,
Die vry zyn voor de roest, en kanker van de Jaaren;
Gelyk als de uwe zyn. Zo leeft gy naar uw’ dood.
Zo wordt van tyd tot tyd uw eer en lof vergroot.
(55) Indien ik naar waardy u zou een Grafsteê bouwen,
Zo most my voor een tyd uw’ geest wat onderhouwen;
Dan zoud gy ’t schitt’ren zien van Marmer, Jaspis, Goud;
Zo schoon als gy ’t wel eer voor Vondel hebt gebouwd.



[p. 70]

ZOMER VREUGD,

Verbeeld door een aangenaame DROOM.

Aan

Mejuffr. KATHARINA LESCAILJE;

Uitsteekenste Poëtersche.

Een zoete Zomerlucht kwam my de geest vermaaken;
Een lucht die al wat leefde in nieuwe vreugd deed blaaken:
’t Verliefde Vogeltje vloog de Elzetakken door,
Het nood my tot zyn zang, het wekt my tot gehoor;
(5) En kwinkeleerde, en streelde, en voelde een brand van binne,
Uitbreidede de kracht van zyn verborge minne.
Dat hoorde ik nueens hier, en dan eens ginder aan,
Bewandelende in geneugt een schaduwryke laan,
Van wederzyds besproeid door kristalyne vlieten,
(10) Die al heur overvloed in ’t Leidsche Meer uitgieten:
Daar leefde ik by ’t vermaak, en luisterde yv’rig toe,
Wyl ’t Nachtegaaltje kweelde, en wierd nooit zingens moê;
Maar draaide met zyn stem gelyk een galmryk orgel,
Verwinnende al ’t gediert’ met zyn verheven’ gorgel.
(15) Een weeldrig windje blies door ’t boomloof, of het zei;
Gy Nachtegaal, ’k leef meê, ik ga met u ten rei’,
En wek de bladen op dat ze u door de ooren ruischen;
Ik maak de stroomen vlug, en doeze vrolyk bruischen,
En knab’len aan de kant van ’t weel’rig klaver groen:
(20) Myn lieffelyke lucht kan al ’t verkwikken doen.
    Gints vloeidde een snelle beek, daar hielden zich verholen
De blanke vissen, die vast heen en weder doolen,
[p. 71]
En dwaalden onder een, ’t was alles in zyn jeugd,
En ’t geen myn oog aanzag zat midden in de vreugd,
(25) Ja, had het zich door kunst niet weeten te bepaalen,
Het had gesmolten door de glans der zonnestraalen,
Die my bescheenen met heur alverkwikkend licht;
Terwyl een westewind zulks temperde op ’t gezigt.
Dus leidde ik my ter neêr, vervuld van zoete lusten,
(30) In koele lommer, om de geesten te doen rusten,
My spieg’lende in de glans der koele waterstroom,
En raakte in diepe slaap, en droomde een lieve droom.
    My docht ik hoorde toen, als zielverrukkend’, kweelen,
(Om myne zinnen noch al meer en meer te streelen)
(35) Een schoone Vogel, die hoe langs hoe nader vloog,
En op zyn pennen streek in ’t water voor myn oog;
De wieken klappende, die, vol van blanke pluimen,
Hem dreeven door de vloed, dat de oevers weêrzyds schuimen;
Tot hy zich stil hield voor een dichtbeplante laan;
(40) Toen zag ik dat het was een Koninglyke Zwaan;
Zo schoon, gelyk Jupyn, als hy zich had verschapen,
Om, in alzulk een schyn, zyn Lede te beslaapen.
    Hy zong; ô negental! ô Muzen! hoor myn zank,
Komt naderd deeze stroom, en luisterd naar myn klank,
(45) En leend, is ’t mogelyk, een weinig tyds uwe ooren;
Ik zal u wonderen door myn gezang doen hooren:
Ik zal u zeggen wie de kroon spand aan het Y
Van Geest, van Wetenschap, en kunst en Poëzy.
Ik zag, op dit verzoek, aanstonds een wollek daalen,
(50) Vol arbeid, baarende haar blakerende straalen,
Die zich verspreid van een: de Muzen treênér uit,
En yder scheen te zyn een Goddelyke Bruid:
Zy voegden op een rei, half sirkelswyz’ zich neder;
gelyk een regenboog, by schoon en helder weder,
(55) Met duizend kleuren, ons zyn glans en gloed vertoond,
En, heerlyk geschakeerd, de azuure wolke kroond.
[p. 72]
Toen rees’er op een galm die ziel en hart bekoordde:
De Zwaan zong uit de borst, terwyl ik yv’rig hoordde.
    Gelukkig Amsterdam! gy huisvest myn KATRYN,
(60) Die aan uw Kroon verstrekt een held’re zonneschyn;
Zy zal, door heldenlof, en zoete minnedichten,
Opklimmen ’t hoog Parnas, en zelf Apol verplichten,
Dat hy eerbiediglyk haar kroone met lauwrier,
En huwe zyn geluid aan haar volmaakte lier.
(65) Zy heeft ons, door haar geest, veel wonderen doen hooren,
En alle kenneren gestreeld aan hart en ooren:
Het Amsterdamsch Toonneel, beroemd door haar gedicht,
Zal aan dat groot vernuft voor altoos zyn verplicht.
Gezusters offert hier uw gaaven, ’t heeft zyn reden,
(70) Gy kuntze beter, naar heur waarde, niet besteeden;
Want als al de uwe met de haare zyn gepaard,
Zal zy uw lof met roem verspreijen over de aard.
    De Zwaan wierd straks hier op gesteurd in ’t yv’rig zingen;
Om dat de jaloezy de Muzen kwam bespringen;
(75) Dies zy aan ’t vlugten, met een sleep van helsche nyt,
Verdweenen uit myn oog; toen vloog hy meê van spyt;
Vast zingende in zyn vlugt; ’k ben om u niet verlegen,
Als ik KATRYN behouw’hebbe ik u alle negen.
Waar op ik mede ontwaakte, op de oever van de stroom,
(80) En voelde my verheugd door deeze zoete droom.



[p. 73]

Aan

Den HEERE

WILLEM de ROY,

Kapitein Geweldiger van het Edele Mogende Collegie
ter Admiraliteit, tot AMSTERDAM.

DE ROY, wat blydschap komt my naad’ren?
    Hoe vinde ik me aan uw gonst verplicht?
Wat voel ik vreugd door al myne aad’ren
    Terwyl uw naam versierd myn Dicht.
(5) Bescherm het voor geen lasteraaren,
    Die smooren in hun eigen slyk;
Ik stelde op uw verzoek myn snaaren,
    Allennig tot een vrindschaps blyk.
’k Heb WILHELM uit den Haag bezongen,
    (10) Myn Zangnimf, op die tocht belust,
Zong onvermoeid, zong onbedwongen
    Hem na de Brittenlandsche kust:
(15) Zy zong hem veilig door de baaren,
    Zy zong hem veilig over Land,
Zy zong hem veilig door de gevaaren,
    Van Onweer, en van Oorlogsbrand.
Nu zalze eerlang niet zyn te dwingen,
    Om op een hoog verheven’ toon,
Triomf, triomf, triomf te zingen,
    (20) Van grootste WILHELM, WILHELMSZOON;
[p. 74]
Wien dat de Scapter, als de Degen,
    De Kroon, gelyk de Lauwer past;
Wiens dapperheid behaald de zegen,
    Wiens deugd tot aan de starren wast.
(25) Ik zie in ’t kort de Britsche roozen,
    Door deezen weergaloozen Held,
Met schooner gloet in ’t Westen bloozen,
    En pronken op het Lelyveld.
Ik zie in ’t kort de tyd gebooren,
    (30) Dat hy de Fransche roofharpy
Noch in zyn eigen nest zal stooren,
    En vryen ’t Ryk van dwingelandy.
De Hemel wil myn wensch versterken,
    En gy, DE ROY, ontfang van my
(35) Een kleen gedeelte van myn werken,
    Een staaltje van myn Poëzy.


[p. 75]

Aan de

STAD

AMSTERDAM.

Men doed, ô Amsterdam, uw heerlykheid te kort,
Indien gy buiten u ooit vergeleeken word:
Uw waterkant, gezoomd met honderd duizend kielen,
Voeld trep’len op haar rug noch groter tal van zielen.
(5) Al ’t geen’het Aardryk teeld, de kostelykke schat,
Bezitge in overvloed, ô heerelyke Stad!
Laat Romen vry met pracht op zeven bergen praalen,
’t Kan naauwlyks van uw glans een flaauwe schaduw haalen.
Gy word, gelyk een Bruid, gevierd, gestreeld, gevryd;
(10) Van duizenden ontzien, van duizenden benyd.
Pronkt vry, gy Koningen, in hoven op uw troonen:
Hier ziet men Burgers in Paleizen Prins’lyk woonen;
Hier word Gerechtigheid gehandhaafd, Deugd gevierd.
Hier staat Barmhartigheid met Dankbaarheid gesierd.
(15) Dit is de Herberg voor die zyn in druk gezeten.
Hier is de Godsienst vry, men pynigd geen geweten;
Want toen de Deugd vertrok, naar ’t Ryk daarze eerst uit kwam,
Heeft zy het laatst’ haar voet gelicht uit Amsterdam.



[p. 76]

Op het

RAADHUIS

TE

AMSTERDAM.

Doorluchtig Raadhuis, dat, met uw’ verheeven’ toppen,
Schynt in uw groote Stad het licht der on te stoppen.
Gy, die met goud gehuld, in held’re straalen daagd,
Terwyl gy’s keizers Kroon de Adelaaren draagt.
(5) Myn zinnen suffen alsze uw Heerlijkheid aanschouwen,
Daar Marmer ’t leeven tart door beelden uitgehouwen.
Arduine rots, zo groot als in de waereld staat:
Elk staat verbaast die u zal roemen naar de maat.
ô Achtste wonderwerk! zo groot als de and’re zeven;
(10) Indien de Hemel u de vrucht myns wensch wil geeven,
Zo zultge alle eeuwen door verduuren, niet vergaan,
Zo lang de waereld werd bespoeld van de Oceaan:
Op dat uw roem geen maat uw lof geen eind moog vinden,
En gy steeds werd geëert aan alle vier de winden.



[p. 77]

Aan de

BEURS

van

AMSTERDAM.

Gy, groote Koopbeurs, markt van alle waereld streeken;
    Die Griek, en Arabier, en Turk, en Persiaan,
    Hoogduitscher, Portugeesch, Spanjerd, en italjaan,
En Fransch, en engelschman elk in zyn taal hoord spreeken.
    (5) Gy streeft de peil voorby van myn gedachtenis’.
Het Oost, het West, het Zuid, en Noord streefd door de baaren,
Om voor uw Koopmanschap te wisselen hun waaren.
    Gy zyt, gelyk uw stad, die zonder weergade is.
Gy zend, op graadboog, en wiskonstige Kompassen,
    (10) Uw kielen ’t Aardryk om: De wytberuchte Faam,
Heeft van uw glory slechts alleenig haare naam,
Tot zo verre als uw vlag beschaduwd’s Hemels assen.
    Gy zyt de hartâar in het lichchaam van den Staat
men wachte zich om die baldadig af te steeken;
(15) Want zo uw stylen eens door Tiranny bezweeken,
    De Waereld kreeg een krak van zo vervloekt een daad.


[p. 78]

Op ’s Lands magazyn.

Roemruchtig wapenschool van ’t vrye Nederland;
Kasteel van Mavors, Schut, en Vryburg van ’s Lands Staaten;
’t zy Barbarye u drygd met woedende Oorlogsbrand,
Het zy de Hel tot uw verderf schynt uitgelaaten,
(5) Gy staat gelyk een rots; en zend uw zwemmend hout,
De gantsche waereld om, door ’t grondelooze zout:
Dat vliegend gevaart’, gebouwdt tot uitheemsch wonder,
Bepleit het recht der Zee met zyn gevreesde donder;
De troonen schudden op dat schrikkelyk geluid:
(10) De vorsten sidderen wanneer het jaagt naar buit:
Doch gy bemind de Vree; maar doet in oorlog leeren,
Dat niemand, u, wie ’t zy, moet tergen, noch trotseeren.


Op het Magazyn van de Oostindiaansche
Maatschappy.

O Koninglyk gebouw van Indus Maatschappy;
Schuur van het Ooste; Schat, en Kruidberg der Molukken;
Oog van ons Amsterdam, en glory van het Y:
Als gy de grendels hoord van Janus moordhol rukken,
(5) Verstrektge een Schatkist voor de vrygevochte Staat:
Gy trotst Athene en Rome op uw’ verwulfde boogen:
Als Vrind, en Vyand op uw daaken de oogen slaat,
De Een juigt en de Ander schrikt voor uw gevreest vermogen.



[p. 79]

Op de

AFBEELDING

Van de

KEURVORST

van

BRANDENBURG.
&c. &c.

Aanschouw den staalen Mars, tot heil des Ryks geschapen;
Aanschouw den KEURVORST, op zyn troon niet, maar in ’t wapen.
Dit is dien dap’ren Held dien grooten Erfgenaam,
Niet van zyn Vaders ryk alleen, maar van zyn faam.
(5) Men zal eerlang zyn zwaard zo groot ontzag zien maken,
dat Barbarye nooit zyn grenzen zal genaaken.
Juig Christenwaereld, Juig, veranderd is de kans;
Deeze is ’t, die de aarde en zee zal houden in Balans.


[p. 80]

De Schouwburg spreekt voor het spel.

Als haar Ed. GROOTACHTBARE

de zelve met haar byzyn vereerde.

    Grootachtbre, aanzienelyke, en trouwe Magistraat;
De Schouwburg naderd u weêrom met vrindelyke oogen,
    En heet u wellekoom. Gy ziet in myn gelaat
De blydschap van myn hart, gekweekt door uw vermogen.
    (5) O Voesterheeren, van myn welstant: en de kunst,
Door’ U, door U alleen; moet ik myn adem haalen.
    Ik bloeije in liefde, en groei door uw voedzaame gunst;
Volhard toch om voortaan daar mede ons te bestraalen;
    Dan ryst myn yver hoog, dan streeve ik door ’t gevaar,
    Dan zal ik U myn kunst opoff’ren Jaar op Jaar.


Na het Spel.

Indien de tyd, die Gy by my hier hebt versleeten,
    Doorluchte Vaderen, U niet en heeft verveeld,
Zo zal myn hart, vol vreugd, die blydschap nooit vergeeten,
    Wyl deeze Staatzydag myn oogen heeft gestreeld.
(5) Ik dank U duizendmaal dat gy hier kwaamt verschynen.
    Ik dank U voor het Weez- en Oudemannenhuis.
Ik dank U dat gy weêr deed oop’nen myn Gordynen.
    Ik dank U dat gy my bevryd van ramp en kruis;
En wensch, dat ik voor U, en uw nakomelingen,
De vrede en welvaart moog’ doen in uw vesten zingen.



[p. 81]

Op het Beeld van Erasmus.

Tot Rotterdam.

Hier staat den grooten Desideer,
Europas wonder, Hollands eer;
Bevatte deeze Lucht zyn geest,
Of had zyn wieg zyn graf geweest,
(5) En dat hy als een Fenix was
Verrezen uit zyn ygen’ asch;
Men zag hem hier niet tot een praal,
Gegooten uit het zwaar Metaal;
Maar met een glans die ’t oog der Zon,
(10) Niet zonder scheemren aanzien kon.



Op de Afbeeldinge

Van den HEERE

JOHANNES De ROY,
Leeraar te Amsterdam.

Dit is de naamgenoot van ’s Hemels Boetgezant,
Wiens geest van heilig vuur en heilig aandacht brand;
Dit is de stuurman, die, door de ongestuime baaren;
Van ’s waerelds ebbe en vloed, gerust kan heene vaaren;
(5) Dit is de lootsman die Gods haven kend en Ree;
Dit is de Leidsman naar de weg en ’t hof der vree.
Wie hoop, geloof, en liefde in een gezigt wil leezen,
Sla met eerbiedigheid zyn oog maar op dit wezen.



[p. 82]

Op een Rechtbank.

Als ’t recht door reden niet gehanthaafd werd in’t land,
Neemt boosheid, door bedrog, en baatzucht de overhand;
Maar als den Rechter, noch door lachchen, noch door schreijen,
Noch and’re driften, is van ’t pad der deugd te leijen;
(5) En yder naar verdienst’ zyn straf geeft of zyn loon,
Dan pronkt gerechtigheid op haar verheven’troon.


Na het Afbranden van Durgerdam.

Op de LOTERY.

Geef voor geleden’ schâ van ’t Dorp met milde hand;
Trekt gy een lot zo denk, dit haal ik uit de brand.


Aan

JAN de JAGER,
Uitsteekend Muzikant:
Die een Voogel kunstig had leeren fluiten.

Men zegt dat Orfeus, door ’t geluid van zyne snaaren,
De woeste beesten in de bosschen deed vergaaren.
Gy, Hollandsch Orfeus, Gy, de Jager, doed noch meer,
Gy maakt een Orfeus van uw Vogel, en ik leer
(5) Dat uw vernuft aan elk een wonder moet verstrekken,
Wyl Orfeus beesten trok, uw beest kan menschen trekken.

Continue
[p. 83]

STICHTELYKE GEDICHTEN.
________________________

GEBED.

O Groote Godt, die ziet in ’t diepst’ van myn gepeinzen,
Voor wien dat niemand, die geschapen is, kan veinzen.
Gy kend mun zwakheid, ô Ontsachb’re Majesteit,
En wat mu van u is in eeuwigheid bereid.
(5) Ik derf alleen, myn Godt, met innerlyk vertrouwen,
In vaste en zeek’re Hoop, op uw genade bouwen:
Hier op stort ik myn bede, ei hoor, ei hoor my aan.
    Ik ben met doodlyke angst en droefheid overlâan,
En kan dat lastig pak der zonde niet meer draagen,
(10) Laat toch, dat bidde ik, u, myn smeeken niet mishaagen:
Myn Godt, myn hoop, myn heil, myn troost, myn toeverlaat,
Aanschouw de jammerlyke en derelyke staat
van myn benaauwde ziel, geprangd in zwaare banden:
Gy hebt het leeven en de dood, in uw handen:
(15) Begeert gy dat ik leef, begeerd gy dat ik sterf,
’t Is my al even eens, als ik uw gunst niet derf;
Maar ’t is hoog tyd, myn Godt, de waanhoop, aangedreeven
Van al myn zonden, dreigd my met gevaar van ’t leeven.
Myn ongerechtigheid, myn boosheid is zo groot,
(20) Dat, zonder uw gena, my naaken zal een dood,
Die zo verschriklyk is, zo yslyk vol afgryzen,
Dat my de haaren, van het denken, opwaarts ryzen.
’k Heb ’s waerelds ydelheid bemind, die zotte pracht;
En meerder daar op, Godt, dan op uw woord gedacht:
(25) Ik heb zo menigmaal uw’ wetten overtreeden,
Ja, zelfs gezondigd in het diepst’van myn’ gebeden;
[p. 84]
Maar, ô Genadigste! ’t is my van harte leet,
Och! och! ontferm u doch, ô Groote Godt! vergeet
Myn misdâan, en laat my niet in uw tooren sterven,
(30) Maar om uw lieve zoon, gena van uw verwerven,
Wiens bloed, wiens dierbaar bloed voor myne zonde pleit:
Vergiffenis is ook by u rechtvaardigheid,
Zo wel, Heer, als de straf. Verjaag myn snô gebreeken,
Op dat myn zwakke ziel eens moog’ gezuiverd smeeken
(35) Voor uw genadetroon. Ontsla myn hart van druk,
Myn hals van ’t doodelyk en onverdraaglyk juk
Der Zonden, Dood, en Hel; verjaag, verjaag die plaagen,
En laat ik eenmaal. ô myn Godt! u toch behaagen.
’k Geef my u over, neem uw Zondaar eenmaal aan.
(40) Ei schenk hem uw gena, hy kan geen recht uit staan.
Als ik ten jongste dage uw vuurschaar zal genaaken,
Wanneer uw daagklok my met sid’ring zal ontwaaken
Als al het aardryk in een lichte vlam zal staan,
En in een zee van vuur versmooren en vergaan,
(45) Als alle zielen daar, vol vreeze, en vol verlangen,
Elk naar zyn werk, van U, het vonnis zal ontfangen;
Zo laat my zyn gehard, voor Duivel, Hel en Dood,
En laat ik al myn vrees afleggen in uw schoot.
Wat zal ik; groote Godt! die vreugde dan waardeeren,
(50) Als ik by de Engelen en u moog triomfeeren:
Ach! als ik in zal gaan by zulken Majesteit,
Wat zal ik dan verzaad zyn van gerechtigheid.
Hoe zal dat eeuwig licht, de traanen van myn oogen,
En van myn wangen, als ik daar verschyne, opdroogen;
(55) Dan zal myn hertenleer, myn kwelling, en myn pyn,
In ongehoord vermaak terstond veranderd zyn.
Och! Vader, neem my in, laat my die vreugde smaaken,
Myn hart gevoeld alrede een voorsmaak van dat blaaken.
’k Verlang dan, groote Godt! op uw genade stem,
(60) Om op te vaaren naar uw hoog Jerusalem.



[p. 85]

Naar het verlossen van een Steen.

OP welk een toon, ô Godt, met wat verheven’ klanken,
Zal ik, elendige, U voor uw gonst bedanken?
’k Was tot’er dood gewond, gy zalfd my voort daar na;
De wond had ik verdiend, uw zalven was gena.
(5) Myn afgemat vernuft begrypt niet, noch kan raaden,
Dat gy my, zondig mensch, met gonst komt overlaaden;
Want, overwonnen van een doodelyke smart,
Bleef ik zo groot van hoop, als van gemoed en hart;
En zulk een gonst, myn Godt, en kost my niet gebeuren,
(10) Ten zy ’k door U, my zelfs versterkte in al myn treuren,
In al myn ongemak; ’t geen my een prikkel gaf,
Of ik de steen reeds zag gewenteld van myn graf;
Terwyl een kleene steen my knaagde met scherp vlymen,
dat ik van tyd tot tyd scheen door de pyn te zwymen;
(15) En in die dommeling van zulk een zwaare slag,
Scheen ’t of ’t onmooglyk was dat ik een uitkomst zag;
Tot dat, op ’t onverzienste, in dat elendig leeven,
De Steen wierd met de pyn gelyk van ’t lyf gedreeven:
Ik was zelfs noch verheugd in ’t midden van die pyn,
(20) Om dat gy steeds kastyd, die, die uw kind’ren zyn.
Och was ik meede uw kind! mogt ik my dit belooven,
Wat heil! wat heerlykheid! ging dan myn lot te boven?
Wat was de straf my lief! wat was de pyn my zoet!
Zo ik door last van ’t hart ontlast wierd van gemoed!
(25) Wat reden hebben ik ook? waar zal ik over klaagen?
Daar gy voor my het kruis hebt op uw nek gedraagen,
Daar gy gehangen hebt gedoodverft zonder schuld,
Om dat het eeuwig woord in u most zyn vervuld:
Vervuld voor my, en voor al die op u betrouwen.
(30) Dit is ’t anker van myn hoop waar aan ik my zal houwen,
’k Wacht daar op met geduld dan alle stormen af,
En hoope op uw gena, spyt Duivel, Dood, en Graf.



[p. 86]

Gedachten in Benaauwdheid.

        Wat ben ik môe geloopen,
        De lange bange nacht,
        met vreezen en met hoopen
        heb ik ze doot gebracht.

        (5) Hoe bitter vallen zuchten,
        gebooren in myn hart
        Dat smelt in ongenuchten,
        En doodelyke smart.

        De wanhoop dryft myn zinnen;
        (10) Het naberouwen beefd,
        En stookt in my van binnen
        Een vuur dat altyd leefd.

        Een voorspook van het lyden,
        Van Hel en helsche pyn;
        (15) Wie helpt, wie helpt myn stryden?
        Och! Och! wie zal het zyn.

        O Godt! waar wil dit heenen?
        Het doodzweet breekt my uit;
        ’k Hoor dat myn bitter steenen
        (20) Op uwe gramschap stuit.

        Ei wil myn schuld vergeeven;
        De schuld pleit om gena;
        Ge hebt die uitgewreeven
        Met bloed op Golgotha.
[p. 87]
        (25) Ik weet wat daar gebeurde;
        Ik weet het, Eeuwig Licht,
        ’t Voorhang des Tempels scheurde,
        Als gy sloot uw gezigt.

        Aardbeving, Bliksem, donder,
        (30) Rumoerden door de lucht,
        De Zon trok ’t aanzigt onder,
        En zweem met zucht op zucht.

        Zo angstig is my ’t harte,
        Als toen het aardryk was;
        (35) En ik vernieuw’ myn smarte
        op elken droeven pas.

        De prikkels van myn zonden,
        Zyn doorens in ’t gemoed.
        Genees my met uw’wonden,
        (40) En zalf my met uw bloed;

        Want, waaren’ er geen zonden,
        Wat zou genade zyn?
        En waaren’ er geen wonden,
        Wat was dan Mediçyn?

        (45) Och! is’ er noch genade?
        Verleentse, groote Godt;
        Kom toch, al komt gy spade,
        Gun my dat heerlyk lot.



[p. 88]

Op het hooren van een Predicatie,

Gedaan door den HEERE

STEENWINKEL,

Myn aandacht is verrukt! wat heeft men my doen hooren?
Wat boetbazuin heeft my vervullen doen myn ooren?
Wat heeft myn oog gezien? wat heeft myn zin bevat?
Hoe! ben ik noch op aarde, of sta ik in Godsstad?
(5) Neen, neen ’k sta in Godshuis. Wie zal ik voor die klanken,
Dat hemelsch kerkmuzyk, het allereerst bedanken?
U, eerst, en U voor al, ontsachchelyke Godt!
Want heilig! heilig is uw werk en uw gebod.
Dryf van my eige liefde. Ik doe de waarheid liegen,
(10) Zo ’k door verdienst tracht myn ziel in slaap te wiegen.
genade, alleen genade is ’t daar myn hoop op bouwd,
En daar myn ziele zich geankerd vast aan houwd.
    En gy, Gods waarde Tolk, gy toond my ’t rechte teken,
Wat werk, wat kracht het doet net op de maat te spreeken;
(15) Gy temperd hoog en laag, juist effen na de maat,
En uw’beweegingen verzellen uw gelaat.
Dank hebbe uw’Geest, vol vuur en yver aangedreeven,
datge op de Predikstoel welspreekenheid doed leeven,
Die daar versterven zou, en zeker most vergaan,
Indien haar FRANCIUS niet weêr in ’t licht deed staan.



[p. 89]

Gedachten.

Ik kan door Reden, noch ervarenheid mu schikken,
Hoe zeer ik alles tracht in redens schal te wikken,
Dat ik te recht beseff’ het geene ik waarlyk ben;
Schoon ik het onderscheid van ’t goede en kwaade ken;
(5) Want, hoe belachchelyk ik ’s waerelds ydelheden
Beschouwe, ik vind’my zelfs daar deerlyk van bestreeden;
En in ’t bestraffen van die zonden, beurd te met,
Dat ik, ter zelver stond’daar zelfs meê ben besmet:
Is zulk een zwakheid dan niet uit den mensch te haalen?
(10) En moet men, hoe men ’t keerd, zelfs in ’t berispen dwaalen?
Wat is ’t waarachtig dan, ’t geen Salomon ons zeid,
Dat al het waereldsche niet is dan ydelheid.


Gedachten.

Hoe wonderbaarelyk, hoe vreemd is ’s menschen leeven?
    Ontsterff’elyke ziel, hoe diep peild gy ’t gemoed?
    Hoe wikt gy, in de schaal van reden, kwaad en goed?
Wat voeld gy van het vleesch een bitter tegenstreeven?
(5) Wat onbegryplyk loon zal u het einde geeven?
    Een Eeuwig juichen, of een wroeging heel verwoed,
    ’t Geen Eindelyk de Ziel geduurig kwynen doed,
En yder Oogenblik haar duizendmaal laat sneeven.
    Wat raad? wat middel voor die eindelooze smart?
    (10) Hoe best de ziel bevryd door kwaaddoen van het hart,
Waar van zy dagelyks te hevig werd bestreeden?
    Alleen door oefning van Rechtvaardigheid en deugd:
    Godt danken voor zyn gunst: Godt bidden om zyn vreugd:
Dat leerd ons de natuur, dat leerd ons Godt, en reden.



[p. 90]

Gedachten.

Indien de tyd geen droefheid sleet,
    ’K verging in ’t leet;
maar wyl de tyd de droegheid slyt
    Raak ik ze kwyt:
(5) En tyd en droefheid ’t gaat al heen,
    Gelyk ’t verscheen:
Als ’t eind maar vrolyk weezen zal
    Dan hebbe ik ’t al.


Onvermydelyk Noodlot.

Een Hooggebooren’Ziel, vol vreugd, vol dapperheden,
Verzien van Oordeel, van verstand, begrip, en reden,
Denkt altoos by zich zelfs, dat de onbepaalde Godt
Hem van alle Eeuwigheid beschooren heeft zyn lot:
(5) Zo grooten Ziel weet meê, dat ongelukkig leeven,
Zo wel door ’t nootlot als het heilzaam werd gedreeven;
En wyl het lot door Godt geschikt is, en gemaakt,
Wie is dan beter die gemind schynt, of gewraakt?

Continue
[p. 91]

LYK en GRAF DICHTEN.
________________________

DE NEDERLANDSCHE MAAGD.

Klaagende over de Dood van de Edelen Heere

MICHAËL de RUITER,

HARTOG, RIDDER, &c.

Luitenant, Admiraal Generaal van Holland en
Westvriesland.

Helaas! komt gy myn hart vergrooten,
Zeg, wreede, en niets ontziende dood?
De Ruiter hebt gy dan doorschooten?
Wie red, wie redme uit deeze nood?
(5) Wie zal voortaan myn recht bewaaren?
Wie stutten myn vervallen troon?
Nu hy, die eertyds op de baaren
Myn vyanden vloog in de kroon,
Zoo deerlyk ligt van u verslaagen.
(10) Hoe kan ik deeze slag verdraagen?

De rouw bedwelmd myn kwynend hart,
Wanneer ik denk dat al de zegen,
Die ik ontfing, in myne smart,
Hing aan de punt van zynen degen:
(15) Die, in de vinnigste oorlogsgloed,
De Christen Prinsen bracht tot reden,
En my, daar ’k slibbrig zat in ’t bloed,
geheel herstelde in al myn leden:
In nood myn troost, en toeverlaat,
(20) Beschermer van myn vrye staat.

[p. 92]
Onnodig is ’t zyn lof te melden,
De waereld kend de Ruiters daân:
De bloem van al myn waterhelden:
Met duizend lauwren overlaân,
(25) Die zich in duizenden gevaaren,
In spyt van donder, vlam, en vuur,
Van zelver vlochten om zyn haren;
Maar ’t allerongelukkigste uur
Was, toen de dood most triomfeeren:
(30) Wie helpt my dit verlies waardeeren?

O zee! die met uw gryze vloed,
Dien Herkules een weg kost baanen,
Wanneer hy, door zyn fieren moed,
Verbleeken deed de Turksche maanen,
(35) En dus verdadigde mun land,
Zo ver de zon, om ’s hemels assen,
Langs blinde klip, en barre strand,
Verryst, en daald in uwe plassen.
Getuig met my dees’ groote scha
(40) En schrei my, met uw’ golven na.

Neen, schoon de wolken neder storten,
Al schreiden starren, maan, en zon,
Noch zoumen myne rouw verkorten:
Al schreiden ’t geen nooit schreijen kon.
(45) Maar ’t eenigst’ dat my doed bedaaren,
En troosten kan in deeze pyn,
Is, dat zyn ziel is opgevaaren
In ’t eeuwig blinkend kristalyn;
Daar blyft zy aller glanssen luister,
(50) En blinkt door ’t licht, als ’t licht door ’t duister.



[p. 93]

GRAFSCHRIFT

Op den

ADMIRAAL de RUITER. &c.

                Hier ligt dan onze Admiraal!
                Held de Ruiter, die, by ’t staal,
                Om de vryheid te bewaaren,
                Zworf van kindsbeen op de baaren;
                (5) En, in de eerste proef der trouw,
                Toonde wat hy worden zou;
                Aan wiens eernaam ongemeeten
                Zich de Faam heeft heesch gekreeten,
                Als hy ’t water, door zyn tucht,
                (10) Ons zo vry gaf als de lucht;
                En, in ’t oog van ’s Vyands stranden,
                ’t Oorlog na sleepte aan zyn banden;
                Of het bars geluk verwon;
                Of zo ver de alziende Zon
                (15) Langs de kimmen schiet haar straalen,
                Wist een Zeetriomf te haalen.
                Dat getuigd ons Etnas gloed;
                Dat getuigd ons ’t Fransche bloed;
                Dat getuigen alle stranden,
                (20) Die, door ’t balderen en branden
                beefden, toen de Zee dien dag,
                Al haar golven aars’len zag:
                In dien bliksem, in dien donder,
                Viel dat groote waereldwonder,
[p. 94]
                (25) Hollands Wateroorlogseer,
                En Sici’ljes hoop ter neêr.
                Dat men dan, voor ’s lands beschermer,
                Houwe een beeld van duurzaam marmer,
                Op dat elk, na waardigheid,
                (30) Eer bewyz daar ’t Lichchaam leid.
                Maar gy, Vyand, die, by ’t leeven
                Van dien Held, hebt moeten beeven,
                Blyf vry van zyn Eertombe af,
                Of hy barst weer uit zyn graf.



[p. 95]

GRAFSCHRIFT

Op de Heer en Mr.

ISAK VAN DEN HEUVEL,
In zyn leven Schepen en raad der Stad Amsterdam.

Staatkunde, Zorg, en vlyt, voorzichtiheid, verstand,
En onbevlekte deugd, was vanden heuvel eigen:
Die gaaven schonk hy aan zyn Stad en vaderland,
En won een yders hart door spreeken en door zwygen:
(5) Zyn dood staat Holland duur, noch duurder Amsterdam.
Men trooste zich met Job; en denk; Godt gaf, Godt nam.



[p. 95]

GRAFSCHRIFT.

Sta met verwondering, aanschouwer van dit graf,
Waar van de faam, bazuind met uitgespreide wieken,
De BEVRENS, leiden hier hun dienstig leeven af,
Of ’t loflyk voorbeeld van Romeinen en van Grieken:
(5) Ontsterflyk leefd hun eer, in ’t lieve vaderland.
O Dordrecht! roem met vreugd op deeze Graf gewelven,
Wiens Asch voorheene haalde, uw vryheid uit de brand.
De nyd schuw’ vry deez’ plaats de deugd vind hier zich zelven.


GRAFSCHRIFT

Op den HEERE

ERNST SLICHER.

In zyn leeven Luitenant ter Zee.

Een Jonge Batavier ligt onder deeze steen,
Die zich in zee begaf ten dienst’ van ’t algemeen;
Zyn hart was als zyn naam; ’t was Ernst: had hem het leeven
Niet al te ontydig op ’s lands Oorlog vloot begeeven,
(5) ’t Zou Ernst geweest zyn, zelfs in ’t midden van de vlam;
Nu is zyn wil geloond, wyl Godt hem na zich nam.



[p. 96]

Op het ontydig Afsterven

Van Jonkheer

GERRIT HOOFD,

Als Kapitein, ten dienste der Vereenigde Nederlanden,
gebleeven in een Zeegevecht.

MEdogelooze Dood, die nimmer wit moogt zien,
    Mikt gy op Jonge liên?
    Mikt gy op blonde haaren
    In ’t bloeijenst’ van haar jaaren?
(5) Gy hebt de jonge Hoofd, zyn ouders hoop en vreugd,
    In ’t edelst’ van zyn jeugd,
    In de eerste depperheden,
    Te deerelijk bestreeden.
’t Vervloekte loot, ha spyt! heeft dat doorluchtig Hoofd,
    Te vroeg van ’t licht beroofd:
    (10) Maar laas! wie kan ’t ontvlieden?
    Gods wille moet geschieden.
Och! Ouders zyt getroost, draag met geduld het lot
    U toegeschikt van Godt.
    Uw zoon, van last ontslaagen,
    (15) Hoord uw gezucht noch klaagen;
Maar triomfeerd om hoog, bespieg’lende Gods licht,
    Met een vernoegd gezigt:
    Daar hy u zal verbeiden
    (20) Tot gy van hier zult scheiden.



[p. 97]

HERDERS KLAGTE,

Over de Dood

Van W.D.R. onder de Naam van

MELIBÉE.

Aan mejuffrouw E.S onder de Naam van

AMARIL.

Het hartzeer ’t geen my kweld, de droevige ongenuchten,
getuigen van myn smart en ongeveinsde zuchten,
Zyn my veroorzaakt door de dood van Melibée,
En sint dat ongeval treurd myne zangnimf mêe;
(5) Ja zo gevoelig dat zy naauwlyks aâm kan haalen;
En ’t eeuwig zwygen zou misschien haar lust bepaalen,
Ten zy gy, Amaril, die my een spoor verstrekt,
En door uw schrand’re geest de dofste geesten wekt,
Myn vuur ontvonken doed. Ei laat u niet mishaagen,
(10) Dat ik u myn gezang gedienstig op koom’ draagen;
Myn zang, myn Lykzang, daar de vrindschap my toe dwong,
En die ik, op de naam van Tityr, droevig zong;
Zo droevig dat my ’t hart noch schynt van een te scheuren.
Mag my, ô Amaril, deeze eere slechts gebeuren,
(15) Dat myne zanggodinne in uwe gonst moog staan,
Zo neemt zy Amaril voor Melibeus aan.
TITYR.
Och Koridon! Och! Och! wat ramp komt ons te vooren?
Wat doed de nyt des tyds ons beide zien en hooren?
[p. 98]
helaas! myn Koridon, ik sta gelyk als stom,
(20) Want Melibée is dood en keerd nooit wederom
KORIDON.
Ja Tityr maat, de vreugd in ons gehucht gebooren,
Wies met zyn leeven, wierd door zyn dood verlooren.
Ik smelt in traanen, en verga in myn verdriet,
terwyl ik door zyn dood noch rust noch lust geniet.
TITYR.
(25) Indien het moog’lyk was ’t geheugen te verkrachten,
Ik bande datelyk ’t verledene uit gedachten,
’k Bleef in ’t herdenken liefst voor al myn leeven dom;
Want Melibée is dood en keerd nooit wederom.
KORIDON.
Nooit keert hy wederom, die, neffens ons zyn Schaapen.
(30) Zo vaak de weide dreef met onze herders knaapen;
Die knaapen zuchten mêe, en schreijen overluid,
Dat de Echo zelfs de rouw tot op de lippen stuit.
TITYR.
Hoe onlangs stelde ik noch op zyn verzoek mun snaaren,
En leide WILHELM door de onruste en wilde baaren.
(35) ’t Was hem zo lief gelyk de Bruid haar Bruidegom,
Maar Melibée is dood en keerd nooit wederom.
KORIDON.
Nooit keerd hy wederom, die, op ’t geluid der halmen,
Zyn ooren open deed naar de aangenaame galmen
Van ’t veldlied. Tityr, ’t geenge zongt aan onze kust;
(40) Dat was zyn leeven, al zyn blydschap, al zyn lust.
TITYR.
Myn veldfluit is verstopt, myn geest met rouw bevangen,
Zal haar in treurgewaad doen aan Cypresse hangen.
Ik zal vergaan van smart gelyk een teed’re blom;
Want Melibée is dood en keerd nooit wederom.
[p. 99]
KORIDON.
(45) ’t Is my onmogelyke te brengen in ’t vergeeten,
De tyd die ’k twintig jaar heb met die vrind versleeten,
In welken tyd dat nooit de vrindschap is besnoeid;
Maar in het tegendeel, gedurig aangegroeid.
TITYR.
Onze over eenkomst van gemoed en van gedachten,
(50) Veroorzaakt nu te meer myne innerlyke klagten.
Weg speeltuig van vermaak, weg fluit, schalmei, en bom,
Want Melibée is dood en keerd nooit wederom.
KORIDON.
Die harten maatschappy, dat onbepaald genoegen,
’t Geen wy elkanderen zo ongeveinst toe droegen,
(55) Was al zo vruchtbaar de Boomen en het Vee;
Nu treurd het al met my, met my om Melibée.
TITYR.
Myn traanen vloeijen door de Kristalyne stroomen,
De takken hangen als vergeeven aan de boomen,
En de Echo deed de druk aan al de winden mêe;
(60) Die zuchten eeuwig om de dood van Melibée.
KORIDON.
’t Raakt alles om de dood van Melibée aan ’t kwynen
’t Schynt of de zonne ontzegt de waereld te beschynen.
’t Werd vroeger duister op het aardryk dan het plag.
Zo ik my niet bedriege ontvlugt my zelfs den dag.
TITYR.
(65) Kom gaanwe, Koridon, de tyd begint te naaken;
’t Gemoed tracht naar de rust; de slaap roept ons van ’t waaken.
De Hemel gunne ons, naar het uitgaan van de nacht,
Dat ons verdriet door slaap een weinig zy verzacht.
Continue
[p. 100]

VERJAAR GEDICHTEN.
________________________

Aan MEVROUWE

MARGARETA THOLINX

Weduwe van den Heere

WILLEM van NYHOFF zaalr.

Als haar Ed. den 14 van Slachtmaand 33 Jaar was geworden.

Gy weet, eerwaarde Nicht, dat ons onzeker leeven,
Gelyk een schip in zee, werd heen en wêer gedreeven,
Tot dat het heeft bezeild een goede of kwade rêe;
Zo gaat het met de mensch, en met zyn leeven mêe,
(5) De grootste Zege, die men immer kan erlangen,
Is ’s Hemels Zege met erkentenisse ontfangen:
De Zege is gonst van Godt, de erkenteniss’ noch meer;
Want door de erkenteniss’ krygt Godt allenig de eer.
Van wien het alles komt het geen de Ziel kan baaten.
(10) Het allergrootste heil bestaat in pracht, noch Staaten,
Gezach, noch Rykdom, geeft, noch kennis, zo ’t verstand,
het roer van ons gemoed, niet in Gods liefde brand,
En dat het hier gerust kan door bekommeringen,
En aardsche slaaverny, en lucht, en wolken dringen;
(15) Daar, in het tegendeel, een ongerust gemoed
Zich zelve steeds verliest in het verganklyk goed.
Dit hebbe ik dus bedacht van ’t wel of kwalyk leeven.
De Hemel, die u heeft een groote schat gegeeven
Van Oordeel, van verstand, van Rykdom, deugd, en eer,
(20) Sla u geduurig gade, en schenke u meer en meer;
Op datge, als uw gemoed van ’t waerelds is ontslaagen,
Op vleug’len van genâ ten Hemel word’ gedraagen.
Dit is myn wensch op uw verjaardag, waarde Nicht,
’t Spuit uit genegenheid zo wel als uit myn plicht.



[p. 101]

LIERGEZANG,

Aan den HEERE

PETRUS FRANCIUS,
Professor in de Grieksche en Latynsche Welspreekenheid.
Op zyn Ed. Verjaardag.

    Geest, uit zulken ryken aderen,
        Eer van Febus heiligdom
    Wie was ooit de Zangberg nader?
        Wie daar ooit zo wellekom?
    (5) Gy, zo hoog in top gevloogen,
        En gesteegen na de lucht,
    Gun my slechs, met scheem’rige oogen,
        U te volgen in uw vlugt.
    Laat ik, voor vergode klanken,
        (10) Op een nederige toon,
    Uw verheeven’geest bedanken
        Met een Duitsche Letterkroon.
    Hartâar van de Poëzye:
        Ziel der Grieksche en Roomsche Taal:
    (15) Saus van de eelste lekkernye,
        Hollands grootste Nachtegaal;
    Die den Tiber steld voor oogen,
        Met een onvermoeide lust,
    Zyn weergadelooz vermoogen,
        (20) In de tyden van august.
[p. 102]
    Nimmer zal u lof ontbreeken,
        Hoe zeer ’t u ook werd benyd,
    Ryke Vader van ’t welspreeken,
        Cicero van onze tyd;
    (25) Die de konst van ’t ouwde Romen
        Weder ophaald uit het stof,
    Dar eer lang te pas zal komen,
        In de Kerk, Stadhuis, en ’t Hof.
    Laat ik nu myn hart ophaalen,
        (30) Nu heeft eerst de vreugde klem;
    Want de Bergen, Bosschen, Daalen
        Eig’nen de Ego van uw’ stem.
    ’k Hoor de voog’len kwinkeleeren,
        Die uw wytbekende faam
    (35) Aan de Hemeltekens leeren,
        Daar zy ook noch eens zal staan.
    FRANCIUS, ’k ben opgetoogen;
        ’k ben myn zelf al uit het oog,
    En myn Geest, te snel gevloogen,
        (40) Trekt u van der aarde om hoog:
    Daar laatze uwe kruin versieren
        Met Livry van Helikon,
    Met de Bloesem van Lauwrieren;
        Aan de boord der Hengstebron;
    (45) Onder ’t zingen, onder ’t speelen
        Van het konstryk negental,
    Die met galmen de ooren streelen,
        By de klaarste waterval:
    Daar Virgylen, en Homeeren
        (50) Uw verjaardag, met geluid
    Van zo schelle klanken eeren,
        Dat het aan de starren stuit.
    Doen zy ’t boven, wy beneden.
        Leef, geleerde Letterheld,
[p. 103]
    (55) Leef, tot heil van land en steden,
        Nooit met tegenspoed verzeld.
    Niemand, kan myne yver dwingen,
        Nu gy deze dag verjaard,
    Ik moet dichten, ik moet zingen:
        (60) ’k Zing de zegen aan uw haart:
    ’k Zinge een Schoonheid in uwe armen,
        Ryk van deugden en verstand;
    Die uw’geesten zal verwarmen.
        ’k Zinge u in de minnebrand.
    (65) ’k Zing’ geneugchelyke daagen,
        Door den hemel u bereid;
    ’k Zing u vry van alle plaagen;
        ’k Zinge u in de ontsterflykheid.
    Leef voor eeuwig na dit leeven,
        (70) Eeuwig, Eeuwig in vermaak,
    En wanneerge ons gaat begeeven;
        Blyf dan aller zielen baak.



[p. 104]

Aan Mejuffrouw

Mejuffr. BARBARA BEERING,

Op haar Edts. Verjaaren.

KLINKDICHT.

O Barbara! uw geest, die yder kan bekooren,
    Ontluikt zo aangenaam gelyk de dageraad;
    Die u verjaaren zou, na waarde van uw staat,
Most mede, als Pallas zyn, uit schrander brein geboren.
(5) Uw tong kan ’t keurigste oor doen na haar klanken hooren,
    Wanneer gy Vaerzen kweeld op een verheven’ maat:
    En zo ge uw vrindlyk oog eens vrolyk weiden laat,
Noopt gy het hart tot min door prikkelende spooren.
    Had ik de Dolfyn van Arion in myn magt,
    (10) Hy zou myn voerman zyn, en ik alleen zyn vracht;
Dan bruisde ik, voor de wind naar Uitrecht door de baaren;
    Daar ik, eerbiedig, op uw koninglyke zaal,
    U nochmaals danken zou voor uw beleefd onthaal,
En wenschen dat gy noch mogt vyftig maal verjaaren.



[p. 105]

Op

Op het Verjaaren

Van den HEERE

HARMANUS ANGELKOT.

        De Zon verjaagd de Starren
            Veel vroeger dan voorheen;
        Het is geen tyd voor marren,
            Maar rustig voort te trêen;
        (5) Nu een tapyt van bloemen
            Het groene veld bedekt,
        ’t Geen yder een doed roemen,
            En nieuwe vreugd verwekt.
        Kom laat ons vlechten kranssen,
            (10) Met der Poëeten Rei,
        En huppelen en danssen
            Op de achtste dag van mei.
        Heer ANGELKOTS verjaaren
            Vermaand my tot myn plicht:
        (15) ’k Laat alle zorgen vaaren
            met dit geboortedicht.
        Apolloos Lauwerieren,
            Gevlochten tot een krans,
        Die dichteren versieren
            (20) Met ongemeene glans,
        Past hem, die ’s lichaams kwaalen
            Door Febus gunst geneest
        Dien hem steets door zyn straalen
            Versterkt met kunst en geest.
[p. 106]
        (25) Laat nu de beker schuimen;
            De blydschap van de wyn
        Doet hier de droefheid ruimen,
            Terwyl wy vrolyk zyn.
        Dat nu de geesten leeven
            (30) Nu zy, door Bachus bron,
        Met heur gedachten zweeven
            Veel hoger als de Zon.
        Dan worden de Poëeten
            Begunstigd van de goôn,
        (35) Die van geen rampen weeten,
            Gelyk ze zyn gewoon.
        Kom volgen wy de Goden,
            En heffen op de troon,
        Gelyk hun disgenooden,
            (40) Apollos lieve zoon,
        Dien yder een moet eeren
            Om de eer van zyn gemoed,
        Een schat om te waarderen
            Als ’t allerwaardste goed.
        (45) Des Hemels milde zegen
            Knikt, ANGELKOT, u toe.
        Nooit zyn de Goôn u tegen,
            Noch uwe welvaard moê;
        Maar doen y vrolyk leeven,
            (50) Tot we over vyftig Jaar,
        Al dichtende u weer geeven,
            Een krans om ’t gryze haar.

Continue
[p. 107]

MINNEDICHTEN.
________________________

LIEFDE,

KONING der WAERELD.

    Ik, Vorst, en Heer van alles wat’er leefd,
Die myn gebied van niemand laat bepaalen,
    Maar heersch zo verre als ’t licht haar schynsel geeft,
Hebb’ lust, in ’t kort myn magt eens op te haalen.
    (5) ’k Ben LIEFDE: hoor, en let op ’t geen ik zeg;
Volvoer, met lust, gehoorzaam myn geboden,
    Terwyl ik baan een spoor, en effen weg.
Hier ziet gy een van de allergrootste Goden;
    Want zonder my kan niemand lang bestaan.
(10) ’k Zweeve overal, onzigtbaar voor elks oogen;
    En met ontzag regeer ik Zon en Maan:
’t Zwigt al voor mn onmeetelyk vermogen.
    ’k Heb Jupiter, dien grooten donderaar,
In andere schyn, doen op der aarde komen;
    (15) ’k Heb hem geleerd, hoe ik het alles paar,
Hem zelfs, den mensch, en plant, en stroom, en boomen:
    ’k Hou ’t al in stand: ’k stel Koningen de Wet:
’k Doe ’t eene land vaak opstaan tegens ’t ander,
    En waar de toon klinkt van myn veldtrompet,
(20) Verstrekt een wenk van my, een Alexander.
    ’k Heb Ilium, om ’t minnen van een Vrouw,
Naar tien jaar krygs, begraaven in zyn asschen,
[p. 108]
    En ’t was myn lust, door zulk een ramp en rouw,
Myn groot gezag te zien in top gewassen;
    (25) Op dat het volk myn magt zou kenbaar zyn.
Niet dat ik haak naar branden, blaaken, moorden,
    Neen; wat ik kwets voeld enkle minnepyn:
Myn scharp geweer bestaat in zoete woorden,
    In vleijery, in lonkjes, in gesmeek.
(30) De minnaar, die ik van myn konst wil leeren
    Gebruikt hy maar de minste trek of streek;
Gewis hy zal ten laatste triomfeeren.
    Wat schat, wat gelt verwenscht men niet om my?
Ik heersch als Vorst in Koninglyke zaalen.
    (35) De grootste vreugd zit in myn slaverny:
Die leerd vernoegd de minnaar zegepraalen.
    Die myne gonst ontbeerd is levend dood:
Die zucht, die steend, die sterft door ydel hoopen;
    Want wil ik hem niet redden uit de nood,
(40) Hy zal voor geld zich uit die last niet koopen.
    Zo verre gaat myn onverwinb’re kracht,
Dat ik het kilste bloed hebbe aangestooken.
    ’k Heb vaak myn vlam gedreeven tot die magt,
Dat zy het ys deed’in de golven kooken.
    (45) Den Leeuw, hoe trots, regeer ik als een lam.
Het woeste beest, dat rend door wildernissen,
    Legt, op myn komst, zyn aard af, en word tam,
En kwynd, indien het moet myn bystand missen.
    Al watér leefd weet my dank dat het leefd.
(50) Indien ik niet ’t gepaarde deede ontvonken,
    De waereld sturf, en als ’t myn magt begeefd,
In vyftig Jaar leid alles weg gezonken.
    Wat wysheid, wat verstand, wat magt, wie zal,
In dien ik wil, die zwaare slag beletten?
    (55) Wie ’t menschdom, zeg, beschutten voor dien val;
Als ik, die alles weer in top kan zetten?
[p. 109]
    Wat geld de roem let met onzydigheid,
Van alles dat’er boven my wil streeven,
    Indien ’t niet was geschied door myn beleid,
(60) Wat was’er doch, dat roemen kan, in ’t leeven.
    De Wysheid mag vry, met het hoofd vol wind,
En ’t aangezigt geplooid met vieze trekken,
    My schelden voor een wispelturig kind,
En myn gezach, en mogenheid begekken;
    (65) Als zy te recht, en in zich zelven gaat,
Zal zy myn magt, al veinsd zy ’t al, wel merken,
    En als ik ’t wil weet voor haar stuursheid raad:
Zy hou vry wagt, als ik begin te werken:
    Zy dien’ zich vry van anderen, magt en geld:
(70) Zy zette zich eens tegens myne schichten:
    Ik daag haar uit in ’t vlakke en open veld:
Men zal dan zien, wie eerst van twee zal zwigten.
    Indien zy ’t wil beslechten met de pen,
Of voor de vuist daar over redeneeren,
    (75) ’k Zal toonen dat ik des genegen ben,
Om met zulk scharp, als zy wil, my te weeren:
    ’k Zal staan aan een die haar kend, en ook my.
Indien zy komt hier in te triomfeeren,
    men lachche om my, het sta dan yder vry:
(80) Win ik de stryd, zo zal ik haar wel leeren
    Wie zich veracht, en schots heeft aangezien;
Wie zy geacht heeft als een wuften jongen;
    Haar naauwlyks waard eens goeden dag te biên.
Zo blaast de Faam myn lof met duizend tongen.


[p. 110]

HERO,

EN

LEANDER.

IK zing Leanders liefde, en Herôs vaste trouw,
Hun beider vreugden, en beklaagchelyke rouw;
Hoe dat zy endelyk een zelve lot verwerven,
En als twee Martelaars der trouwe liefde sterven.
    (5) O Min! die in dit paar ontsteeken hebt uw vier,
’t Geen myne hand reets drygd te zengen op ’t papier:
Leen my een vlugge pen uit uw sneeuwitte wieken,
Terwyl myn yver blaakt tot dichten in het krieken
Des dageraads, daar ’t land alom vol vreugd, en lust
(10) Van ’t minziek windeke gestreelt werd en gekust:
Daar’t schel gevogelte met lieflyk kwinkeleeren
Myn geest van d’aarde voert ten Hemel, op hun veeren.
    Aan ’t einde van Europ’, daar Hellespontes vloeid,
Ligt Sestos dicht aan strand, daar somtyds ’t water groeid,
(15) En ruist, en bruist verwoed, als Eools muitenaaren
De wolken drygen, met het schuim der woeste baaren.
Hier was de woonplaatz van Vrouw Hero, zy alleen
Was van haar woonplaatz ook de roem, en eer met een.
Hier tegen over is in Azie gelegen
(20) Abidos, dat ook eerst haar luister heeft gekreegen
Toen ’t haar Leander kreeg, wiens strand mee vaak bezuurd
Hoe’t omgeroerde nat langs berg en rotsen schuurt.
    Te Sestos was ’t nu tyd om Venus feest te houwen:
Een Koninglyke pracht blonk uit in duizend vrouwen,
[p. 111]
(25) In mans, en kinderen, van allen oord vergaard.
De bloem des Adeldoms op ’t sierelykst te paard,
Kwam van Abidos, en kleen Azie, om te toonen
Dat ieder een dit feest op ’t heerlykst’ by wou woonen.
De schoone Hero was van Venus Priesterin,
(30) Die Venus die dit feest om schoone Adonis min
Noch jaarlyks vieren deede om aan zyn dood te denken
Want haar voorgaande vreugd was door geen tyd te krenken:
Een vreugde die noch van den minnaar word gesmaakt,
Wanneer hy in de gloed van haare vlammen blaakt.
(35) Maar Hero, buiten ’t feest, bleef meest op haaren tooren,
En liet zich nimmer in gezelschap zien noch hooren,
Om voor de minnenyd gerust te zyn bevryd;
Terwyl haar schoonheid van de Juffren wierd benyd.
Zy kwam dan op het feest met zulk een luister treeden,
(40) Alsofze met de zon hadde op een koets gereden.
’t Scheen of Vrouw Venus zelf ter Tempel was gedaald.
Haar ryk gewrochte kleed, daar majesteit in straalt,
Besloot het lichchaam daar de schoonste voor moest wyken:
Haar hals en ryzig hooft stont met een glans te pryken
(45) Van flonkerend gesteent’, dat door elkander scheen,
Of ’t vuur, en ’t water was gedommeld onder een.
Haar dartle vlechten, die los golfden als de baaren,
Vertoonden om haar nek een zee van goude haaren,
Getooid met roozen, vast gehecht met een robyn:
(50) Haar boezem puilde door een sluier van satyn,
En zwoegde, en speelde vast bedekt voor ’s Minnaars oogen,
AI zachjes op en neêr, door ’t ademen bewoogen:
De zuivre paerlen om haar armen geschakeerd
Zich spiegelden in ’t schoon haar van Natuur vereerd:
(55) De deugd hield schildwacht op haar aangename koonen,
Die niet als lelymelk, en roozebloed vertoonen:
Twe oogen hadze, daar de Min zo ryken gloed in bragt,
Dat zy een lichten dag voerde in een duistre nacht.
[p. 112]
Dus heerlyk in dien staat, verspreidde zy haar lonken,
(60) Dat al het jonglingschap van min begon te ontvonken.
Alle oogen schemerden op ’t aanzien van dit beeld,
Daar alle aantreklykheid; en zedigheid in speeld.
Leander, die haar wel het aldersterkst beminde,
Sprak: ’t Is onmogelyk dat ik een schoonheid vinde
(65) Die by de minste trek van deeze haalen mag:
In ’t zwenken van haar oog straalt vrindschap, en ontzag.
Ik zouw den Hemel voor deez’ Godheid laaten vaaren,
Indien zy haare gonst wouw met de myne paaren.
Dus twyffelmoedig zucht, en kermt hy, vol van smart,
(70) En voeld een minnegloed geslagen om zyn* hart:
Een gloed die hy verbaast had gretig in gezoogen,
En welde op na omhoog, en klaagde ’t aan zyne oogen.
Hy dan, dus fel geraakt, van die tyd af besloot
Haar trouwe weêrmin te genieten, of de dood.
(75) Het vuur dat zy ontstak in ’t oog wêer met gloênde vonken
Van zyn gezicht in ’t haare, en kaatste met de lonken.
Dies zy, ontsteeken, en geraakt van eigen vlam,
Gevoelde mede, als hy, wat trek haar over kwam.
Dan zagze eens over zy, waar in hy zich verheugde
(80) Hy smelt op dit gezicht by na in zoete vreugde:
Ja sneuveld, zo het scheen, aan een verliefde dood,
En vleid zich, dat zy hem niet tenemaal verstoot.
Maar als d’alziende Zon, gepruikt met gouwde straalen,
Na’t einde van zyn loop in Thetis schoot ging daalen,
(85) En ’t aardryk met het floers der nacht wierd overspreid,
Als al wat leeven heeft zich tot de rust bereid,
Rees d’avondstar uit zee, met heerelyk geflonker.
Een trouwe leidsman voor Leander by den donker:
Vrymoedig trad by toen, verrukt door minnebrand,
(90) Na zyn beminde maagd, en kust haar schoone hand:
Die hand, die ’t zuivre albast en ’t blanke sneeuw beschaamde.
Zy veinst haar heel verstoord als of’t hem niet betaamde.
[p. 113]
Schoorvoetend gaat zy voort, hy volgtze waarze treed,
En slaat zyn handen met bedeestheid aan haar kleed.
(95) Zy naderd midlerwyl den rykversierden tempel;
Zo dra zy haaren voet zet op den eersten drempel,
Vervultze met een glans ’t verwelfzel van ’t portaal,
En voorts met Godlyk vuur, dat in de binnenzaal
Een heilig weerlicht gaf. Dus kwam zy vrolyk zweeven
(100) Al zagjes heen en weêr, als of haar voeten dreeven.
Indien Vrouw Venus haar gezien hadde op dit feest;
Zy had gezwooren dat dit Venus was geweest.
Hippomenes had nooit met Atalant’ geloopen,
Had hy de minste gonst van deeze mogen hopen.
(105) Leander pord’ haar vast. zy voegd’ haar aan een zy.
Hy volgt. Zy sprak: waarom, zeg waarom port gy my,
O vremdeling? ga heen: ik ben met u beladen.
Wie heeft, Vermetele, zo stout u derven raaden,
Dat gy een Priesterin dus ongeoorloofd zoekt?
(110) (Maar’t hart bemind het geen de tong om d’eere vloekt)
’k Zal die vrymoedigheid, dat zweere ik, u betaalen:
Waar op Leander wêer zyn adem scheen te haalen,
Want als de Juffers (doch ’t is een gewoone kunst)
Heur afkeer toonen, is men vaak naast aan heur gunst.
(115) Dan moet blohartigheid den minnaar straks verlaaten,
En houden starker aan al drygdmen hem te haaten.
Het veinzen past de vrouw, als een verliefde smeekt;
Maar als de wedermin door ’t oog de waarheid spreekt,
Komt alle veinzery gulhartig om te keeren.
(120) Leander houwd al aan met vleijen, smeeken, eeren,
En koestert zyne ziel met lieve lekkerny:
Terwyl hy, zuchtende, zich voegde aan haare zy.
Dus sprak hy: O Godes! hoe wil het hem behaagen,
Die uw stantvaste deugd zal met zich heenen draagen;
(125) Die, inde morgenstond van uw ontlooken jeugt,
Zich zelf verkwikken zal, en dob’bren in die vreugd:
[p. 114]
Gelyk de roozen, die, bevochtigt door den regen,
De Zon toelachchen, om een vriendelyken zegen,
Zo lang tot ieder blad door zyne straalen ryst,
(130) En zy zien in ’t gezicht die haar die gonst bewyst.
Dat ook zo myn gebed mogt dringen door uwe ooren,
Door ’t harte: dat gy eens uw Minnaar woud verhooren,
O Venus Priesterin! die Venus vlammen eerd,
Die Venus, die ’t gebruik dier zoetigheid begeerd;
(135) Die niet als paaren doet, en huwlykstoortzen branden;
Aan wie de kusjes zyn de plechtigste offerhanden;
Door wiens gekruifde zoon myn boezem is geraakt;
Die u om lessing smeekt, terwylze vinnig blaakt:
O Venus Priesterin! gy kond alleen my geeven,
(140) Of door uw haat myn dood, of door uw gonst myn leeven:
Gy stuurd het roer myns harts na blydschap of na druk:
Hoe kleender uwe straf, hoe grooter myn geluk:
Terwyl gy, o Godes! allenig my kond geeven,
Of door uw haat myn dood, of door uw gonst myn leeven.
(145) Terwyl Leander haar dus klaagde zyne smart,
Sloop haar de wedermin al sluikende in het hart,
En d’eerste afkerigheid verkeerde in mededoogen.
Een blosje rees’er met den opslag van haar oogen:
Die oogen daar de Min zyn zetel heeft gebouwd:
(150) Die oogen daar de liefde, aan deugd in staat getrouwt,
Die op heur wenken doen een lent’ van bloemen wassen,
En nergens beter als aan Herôs voorhooft passen.
Nu schiktenze eens haar kleed, als had’er wat gelet,
Dan tradze eens achterwaarts, en stond gelyk verzet,
(155) Dit was een klaar bescheit van weêrmin. mit zo hoorde,
Hy deeze reên van haar: Gy die myn hart bekoordde,
Door uw begaafde tong, wat godheid voerde u hier?
Verdwaalde Jongeling, doof uit uw minnevier:
Ik moet het schuwen, schoon het my al kon behaagen.
(160) Gy zyt een vremdeling: ’k mag u geen liefde draagen.
[p. 115]
Myn ouders zouwden nooit ons huwlyk willen zien.
Zo dat de kinderplicht afkerigheid moed bîen.
(De schaamt’ gebood dit, maar de liefde was’er tegen
Die haar zo wel in ’t ooge, als ’t harte, was gesteegen)
(165) Want gonde ik u myn min, ’k verminderde myn eer.
Der Maagden eerbaarheid is al te bros, en teer,
Geschiede het ter sluik ’t zou nooit verborgen blyven?
Want, hoe behendig ook men vaak iets wil bedryven,
In stilte, en eenzaamheid, of naarheid van de nacht,
(170) ’t Word weder van den dag de waereld door gebragt.
’k Speur iets behaagchelyks in uw doorluchtig wezen.
Wie zyt gy? zeg uw naam, en woonplaatz, zonder vreezen.
Ik ben die Hero, die voor Sestos eenzaam woon.
Een hooge tooren is myn lusthof, en myn troon.
(175) Het water is myn land, voor vogelen en snaaren,
Hoor ik het bruizen, en het brullen van de baaren.
In zulk een zoet vermaak slyt ik myn daagen meest.
’k Vertoon my jaarlyks eens op Cithereâs feest:
Daar gy my nu uw liefde en vrindschap aan komt bieden,
(180) Die ’k niet versmaaden zouw, most ikze niet ontvlieden.
Dus gaf zy te verstaan haar wederliefde en plicht,
En voortz bedekte zy van schaamt’ haar aangezigt,
Een hart van marmer zouw door een zulk een beeld beweegen.
Leander (want de Min hem zelden liet verleegen)
(185) Bedacht vast by zich zelf hoe hy verkrygen zouw
In ’t heimelyk de vrucht van haar oprechte trouw,
Dus sprak hy: Om dit feest van Venus by te woonen,
Kwam ik my zelve hier voor uw gezigt vertoonen.
Leander ben ik, van Abidos straks geland!
(190) Zo dra myn oog u zag, gevoelde ’t hart een brand,
Die zonder wedermin het lichchaam zal doen sterven,
Of zo het van uw tong geen troost en mag verwerven,
’t Is wellust die aan u, Godin, maar denken mag.
Gy bind de harten, die gy aan ziet met een lach,
[p. 116]
(195) En steekt by andren uit, wie u ook komt te vooren,
Gelyk een witte roos in ’t midden van den dooren;
En sleept, waar zich uw voet veranderd van haar steê,
Myn harte niet alleen, maar duizend harten, meê.
Ik zal, kryg ik uw gonst, indien gy* ’t wilt gelooven,
(200) Noit zeegevaar ontzien, maar ’t woeste water klooven,
En altyd moedig, en uw’s schoonheids nimmer moe,
My geeven na myn wensch na uwen tooren toe.
De Liefde zal my door ’t gevaar der zee geleiden.
Abydos is zo ver van Sestos niet gescheiden;
(205) Als maar uw schoone hand my met een fakkel licht,
Op dat geen duisternis verhindre myn gezigt.
Dat zal het baaken zyn daar ik my na zal stieren.
Dat eene lichje zal ontsteeken duizend vieren:
Die zullen myn gemoed doen scheem’ren van vermaak,
(210) Daar ik met al myn ziel verlangende na haak.
Terstond op dit verhaal scheen haar het hart te breeken,
En hallef binnens monds, begintze aldus te spreeken:
Ga heene, ik minne u wêer, en tegen dat gy keerd,
Zal myne liefde met uw komst licht zyn vermeert,
(215) Ik zal een fakkellicht op myne tooren zetten,
Op dat geen donker u in ’t zwemmen moog beletten.
Zy dann van weederzyde op deeze wys te vreên
Vervoegde hy zich voort na zyne woonplaats heen,
En bleef tot weêr de nacht haar donkere gordynen
(220) Voor Zee en Aarde schoof, toch Maan en Starren schynen,
Die hy met zo veel glans van boven schittren zag,
Gelyk de gouwde Zon straalt op een heldre dag.
’t Onrustig water sliep, en al de winden zweegen:
De zee, scheen ’t, had een vloer van spiegelglas gekreegen,
(225) Gemarmert met de glans van Starren, en van Maan.
Leander, nu gereet om na zyn lief te gaan,
Kon naauwlyks ’t fakkellicht zien op de tooren steeken:
Terwyl dat licht te flaauw by ’t Maanlicht door kost breeken.
[p. 117]
Hy word de flikkering noch endelyk gewaar:
(230) Leid zyne kleeding af, niet vreezende ’t gevaar;
Zwemt op de lichjes aan, die van de tooren branden,
Terwyl de minnebrand door ’t water voert zyn handen,
Hy riep: Ik zie het licht, myn licht is’t dat’er blaakt,
’t Heeft op dien oever eerst my aan het hart geraakt:
(235) En ’t brand zo hevig onder ’t zwemmen, en het woelen
Dat ik de kille kouw der Zee niet kan gevoelen.
Allenskens nadert hy met onvermoeiden vlyt.
Hoe nader hy genaakt, hoe moediger hy stryd:
Tot zy hem endlyk ziet, maar innerlyk bewoogen,
(240) Hy reikt zyn armen uit na haar zieltrekkende oogen,
Zy treed hem te gemoed met d’eerste minnebrand,
En vliegt hem om den hals wanneer hy trad aan land,
En komt met lonkjes zynen arbeid ruim betaalen,
Wel waardig om van Gôon zelfs over zee te haalen.
(245) Zy neemt een linne kleed, dat haar de voedster gaf,
En droogd het lichchaam met haar poez’le handen af.
Zy strookt, en zalfd het lyf dat anders had bezweeken;
Begint hem dus verlieft en vriendlyk aan te spreeken:
Myn lieve Bruidegom zo moede en afgemat,
(250) Vertroost u met uw Bruid, myn uitverkooren schat,
Kom, gaan wy kamerwaart. Hy brandde van verlangen,
Om zoo veel kusjes als hy lonkjes had ontfangen,
En trad vrymoedig voor, tot aan het ledekant,
Bezwangerd met een gloed van zuivre minnebrand:
(255) Daar ging de bruiloft aan; een dauw van zoete lusjes
Besproeide Herôs mond, die troon der lieve kusjes.
Hier was geen zang noch spel, noch huwlykstoorts, dan ’t licht
Dat zelf de starren tart, van haar volmaakt gezigt.
Noch geen Poeëten die door minnelyke zangen
(260) De bruilofsreijen na hun toonen doen verlangen.
De donkre nacht verstrekte een toorts voor ’t huwelyk,
De stilte was voor’t oor het aangenaamst’ muzyk.
[p. 118]
Zy voelden beide een gloed van minnevlam genaaken.
Leander stond verbaast, en beevende, onder ’t blaaken.
(265) De nooit gerepte Maagd kreeg blos op blos, van schaamt’,
Die haar de minnaar door zyn brand hadde ingeaamd,
Zyn ziel had met zyn hart, was ’t los geweest, gaan glippen,
Toen hy de Nektar zoog van haar koraale lippen.
Zyn spraak was kussen, en haar antwoord was bereid,
(270) Terwylze op elk een kus wel tweemaal gaf bescheid.
De Minnegoodjes, die de lust in d’aadren voeden,
Vast juigten om deez’ twee, en om haar lieflyk woeden,
En riepen om de koetz: deez’ Hero toont gewis,
Dat zy de spiegel van de Raad der schoonheid is,
(275) Zy zweefden onder een om ’t uiterste af te wachten,
Dar my ’t papier verbied, maar smelt in myn gedachten,
De droeve duisternis loeg blyde van geneugt:
De starren deelden zelfs in deeze bruilofs vreugd;
Tot dat ’t gelukkige uur van wellust was verstreeken,
(280) Wanneer de dageraat kwam door de wolken breeken,
En blonde Aurora haar verliefd gezigt ontbloot,
Als zy de blyde zon op wekt uit Thetis schoot,
Terwyl de Goodjes met die vreugd ten hemel streeven,
Scheen ’t ofze in hunne vlugt die met de wieken schreeven,
(285) Daarop ’t gevogelte aast, dat straks als dol van min,
Een nieuwe lust, en jeugd, stort tot de waereld in,
En schoon het Venus is die ’t hart in min doet branden,
Zy most om deeze vreugd noch zelver watertanden.
Nu zwom Leander weg met d’aankomst van den dag,
(290) Die noch wel honderdmaal bedroeft te rugge zag.
Zy roept hem noch eens na, en wenscht zyn leet te lyen:
De droefheid was zoo groot, als d’eerste maal ’t verblyen:
Verkroppende haar smart hield zy een bly gelaat,
En stak zich weder in haar voorige gewaad,
(295) En scheen voor ieder een zoo zuiver als voor deezen.
Dus leefde zy een wyl, hoe wel met hoop en vreezen.
[p. 119]
Vermaakende haar zelf in een verborgen lust,
Tot dat de winden, die vermoeijen van de rust,
Met hun slagreegenen, als dol en uitgebroken,
(300) De zee beroeren, en in die ook hem bestooken,
Die nooit door trouwe min de golven had ontzien,
Om hun verwoeden loop kloekmoedig ’t hooft te biên,
O liefde! gy ontziet om naar uw wensch te landen,
Noch ’t barnen van de zee, noch klip, noch dorre stranden:
(305) Gy speeld behendig met het deftigste verstand,
En eer ’t uw’ luimen kend, zet gy het in de brand:
Dat al de zinnen, door die hitte als aangeblaazen,
Het tedere gemoed te heviger doed raazen.
Zelf Aarde, en Hemel mind, en niemand kent zich vry,
(310) Voor zyne vryigheid raakt in die slaaverny.
’t Gedierte voelt die kracht, en kan zich niet bestieren.
’t Leefd alles door de Min. Narcis, en Violieren
Ontluiken op zyn komst. de Zonneblomme sterft,
Als zy het aangezicht der gouwde Zonne derft.
(315) Leander voeld dit mede, en prikkelende schichten
Der liefde; doch hy wil eer sterreven als zwichten.
De dood heeft echter het op hem nu toegeleid:
Want als de winter had de zomer d’aarde ontzeid,
En ’t onweèr zich verhief, dat hemel hooge duinen,
(320) Door ’t loeijen van de wind, introkken hunne kruinen;
Waar door het aardryk scheen te barsten van een storm,
Die alles dreigde fors te rukken uit haar vorm:
Wierd weêr d’onlukkige Leander aangedreeven,
Door liefde, en heeft zich niet ontzien zyn jeugdig leeven
(325) Ten trots van weer en wind, te stellen in gevaar;
En klaagde ’t dus zyn lief, maar ’t klaagen viel hem, zwaar:
Wie zouw gelooven dar Abidos my doed vreezen?
Laat uw land zyn het myne, of myn land ’t uwe weezen,
Myn plaatz behaagd aan u, als d’uwe aan my behaagd.
(330) Ach! waarom of de wind myn trouwe min belaagd,
[p. 120]
En komt de vlakke zee met zulk een storm beroeren,
Dat ik myn zelfs niet kan by myn gedachten voeren.
Gedachten wien geen storm noch wind kan tegenstaan,
Hy blieser anders licht al mee zyn kracht op aan.
(335) O Boreas! denk aan uw eige minnevlaagen,
Wanneer ’t Acteesche vuur u was om ’t hart geslagen:
Hoe zwaar, hoe bitter, hoe gevoelig was uw pyn,
Als haare liefde u trof, en gy ’er, af most zyn.
Ik voel die zelve smart. Bedaar, hou u te vreden;
(340) Of laat een zachter wind ditmaal uw plaats bekleeden,
En my geleiden door het water heen by nacht.
Gy hebt myn leeven en myn sterven in uw macht.
Myn leidstar wenkt my reets, toont u niet meer verbolgen:
Ik zal geen licht om hoog van Tirus stuurlui volgen,
(345) Dat aan de killende as in uwe woonstêe barnd,
Ik hebbe een ander licht een helderer gestarnt’,
Dat my zo menigmaal trok door ’t gevaar van sterven;
Of moet myn hoop, altyd op wind, en water zwerven?
Komt gy dan Koningin van Ciprus op myn bee,
(350) En stilt de oploopendheid van Winden en van Zee:
Op u stel ik myn hoop, ô moeder van de Liefde,
Gy die in ’t allereerst dit jeugdig hart doorgriefde.
Gy weet dat myne trouw deez’ straf niet heeft verdiend,
’t Verlaat my alles, ’k heb noch weêr, noch wind te vriend.
(355) Dus klaagd hy, zuchtende, met natbekreeten’ wangen,
Verzeld met groote vrees, en hoopeloos verlangen.
Maar als hy ’t fakkellicht weêr van de tooren ziet,
Grypt hy een weinig moed in dit benaauwd verdriet,
En schynt zyn adem wat op dit gezigt te haalen.
(360) Diana roept hy! ach! leen my uw heldere straalen;
Gy hebt Endimion, Godin, wel eer bemind,
En weet hoe waare min de harten t’saamen bind.
Dus sukkelde hy voort. Het woeden van de baaren
Begaf zich hemelhoog: toen reezen hem zyn haaren.
[p. 121]
(365) De schrik beving zyn hart, en d’armen wierden loof,
En wie hy bad om hulp, ’t bleef alles voor hem doof.
De toorts, daar noch zyn hoop alleen in was gelegen,
Ging uit, door donder, wind, en schrikkelyke regen.
Waar door het water hem ten neuze, en monde in kwam,
(370) En bluste met een stort die groote minnevlam.
Dus wierd op eene tyd het licht van hoop en leeven
Te jammerlyk gedooft. Had hy zich niet begeeven
In zulk een lyfsgevaar, zo was hy buiten nood;
Of had de zee in ’t keeren hem gedood,
(375) Zo had hy noch ’t vermaak eens van zyn lief genooten;
Nu ligt zyn trouwe min helaas! om ver gestooten,
Die eerst zo vierig in zyn jeugdige oogen blonk,
En nu ach! ach! met hem te derelyk verdronk.
Och Hero! ’k treur met u, o droevigste aller vrouwen,
(380) Gy zult uw minnaar niet, gelyk gy waande, aanschouwen:
Want als Aurora rees uit Titons ledekant,
Verspreijende eene geur, en glans, op ’t gantsche land;
Daar duizend verrewen de dunne wolken maalden,
Als of’er regenen van goud op ’t aardryk daalden,
(385) Verscheen de vlugge Faam, die vliegende bodin,
En snorde door de lucht, met een verbaasde zin,
En blies met naare toon, in Heroos stille tooren,
Een vrees met hoop vermengt, die indrong tot haar ooren.
De zee was toen goeds moeds, de winden ingetoomd;
(390) Vrouw Hero, twyff’lende in haar kamer, ofze droomd,
Of slaapt, of waakt, ziet om zwaarmoedig van gedachten,
Niet weetende, ofze dood, of leevend zouw verwachten
Haar trouwen minnaar, daarze om uitzag te aller stond.
Zy stoot we’er ’t venster op, en ziet met oog, en mond,
(395) En met gedachten uit, na’t Oosten, dan na’t Westen,
Tot zy haar minnaar ziet, maar omgebragt ten lesten.
Zy staat als roereloos, vermeesterd van een smart,
Die haar, terwylze leefd, de dood al zend in’t hart.
[p. 122]
Terstond begintze, als dol, de nagelen te hechten
(400) In ’t haar, en trekt, en scheurt, en plukt de goude vlechten,
En valt aan ’t schreijen, zoo erbarmelyk, en naar,
Dat strand, en zee, en lucht, weergalmen van ’t misbaar.
De winden scheenen, om deez’ droevige ongenuchten.
Als oorzaak zyner dood, van naberouw te zuchten.
(405) Ach! roept zy, ’t fakkellicht, gereikt met deeze hand,’
Is oorzaak dat gy dus rampzalig zyt gestrand.
’k Heb onbedachtsaam, ach! te onbedachtsaam ’t leeven
Van u gewaagd; de schuld is my alleen te geeven.
Ha wreede dood! had gy myn Vroedvrouw toch geweest,
(410) Of die van myn beminde, ik zouw dan dus bedeest,
En troosteloos, helaas! zyn onheil niet beklaagen:
Nu moet ik al die ramp met my ten grave draagen.
O droefheid! bitterer dan ooit myn blydschap was.*
O dood! daar elk voor schrikt, nu komtge wel te pas.
(415) Waar heen, waar heen myn ziel, tot ongeval geschaapen?
Ach hadde ik eeuwig toch myn laatste slaap geslaapen.
Of was Leander aan deeze oever nooit geland,
Zo had noch wind, noch Zee zich tegens hem gekant.
Vlied, traanen, en verspreid myn klagten door de haaren,
(420) Op dat den vremdeling, als hy komt herwaarts vaaren,
Moog’ hooren door ’t geruis een jammerlyk geween,
Dat hem ontroere en treffe, al was zyn hart van steen.
Ik hadde een ander eind myn ’s leevens te verhoopen;
Nu zal ’t myn misdaad ook weêr met de dood bekoopen;
(425) Waar door ’k my zelve voor myn lief ontschuldig maak.
Ik vind’ nu in de dood myn aldergrootste smaak.
De liefde zal ons saam op eene weg geleiden:
Hy wil niet dat of dood of leeven ons zal scheiden.
Ik volge u moedig na, Dit troost myn droeve min,
(430) Dat ik door ’t sneuvelen myn lyden overwin.
Dus spreekende vliegt zy mistroostig, en bedooven
In brakke traanen, fluks ten toren op na boven;
[p. 123]
En ziet wel driewerf neêr na haare Bruidegom,
Terwyl de bleeke dood haar aangezigt beklom:
(435) Want ’t buitenste gelaat kost ’t binnenst’ niet verzwygen.
Door deeze ontsteltenis geraakt’ haar borst aan ’t hygen:
Haar handen slaatze weêr verwoed in ’t blonde haar:
Zy klom al hooger op, en sprak dus: Geen gevaar
Van dolle winden zal my immer tegenstreeven.
(440) Dat ik myn leven niet de dood zal overgeeven.
Vaar wel eenzame piaatz, vaart wel ô galleryen!
Getuigen van myn vreugd, en myn verdrietig lyen:
Vaart wel. Laat op uw top een eeuwig teken staan
Van myne min, tot dar de waereld zal vergaan.
(445) Nu kostze naauwelyks een enkel woord meer spreeken
Alleen vermogt een zucht haar lippen op te breeken,
En staamlend’ spraakze, ik sterf. Mit smeetz’ haar ruglings af,
En maakt den Hemel een verwelfzel van haar graf:
Zy viel, gelyk een star, zoo’t schynt, door het verschieten.
(450) O baaren! die by daag moogt in uw schoot genieten
De starren van den Nacht, nu hebt gy in uw schoot
Een star, die ’t aardryk van haar schoonste licht ontbloot.
Nu heeft uw water het volmaaktste beeld bedolven,
En haar een graf gemaakt van uw verwoede golven.
(455) Nu is de liefde weêr, door alle wolken heen,
Van waar zy de eerstemaal afdaalde hier beneên.
Wy zyn de liefde kwyt. treurt bloemen, velden, boomen:
Schud uwe hulsels af: treurt wateren, en stroomen:
Loopt over, en besproeid de beemden met uw nat;
(460) Uw aller vader heeft in zynen arm gevat,
Het alderedelst’ paar, dat de aarde ooit heeft gedraagen.
Treurt winden om de drift van uw verkeerde vlaagen:
Heeft nu de dood by u haar achterstal gehaald,
Gy hebtze rykelyk met deeze twee betaald.
(465) En gy, ô tooren, lust, en pronkprieel dier schoonen,
Behoud een eeuwige eer, en zult de waereld toonen,
[p. 124]
Dat binnen uwe muur de liefde heeft gewoond,
Die, zo lang als gy staat, uw’ kruinen houd gekroond.
En gy, ontruste zee, doet uwe plassen breeken,
(470) En laatze al de aardkloot om, tot een wemoedig teken,
Verkondigen dit stuk, dat zelfs de naneef ziet,
Hoe dit rampzalig werk is in uw schoot geschied:
Hoewel dit trouwe paar is uit uw kolk verreezen;
En om verheerelykt na hunne dood te weezen,
(475) Zynze op genomen in den Hemel, alwaarze aan
Het blaauw gewelfzel voor heldere starren staan:
Die Ariadnes Kroon, noch Perseus glansen wy ken:
Wyl zy van die tyd af, tot heden toe doen blyken,
Dat zy de harten, vast verknocht door Citheree,
(480) Noch daaglyks met hun licht weg wyzen over zee.
De dank die ’t minziekhart aan deeze twee moet toonen,
Is, op hun voorbeeld, min met waare deugd te kroonen.



[p. 125]

Gedachten over de Liefde.

Wat vreemder hartstocht werkt in myn verwarde zinnen?
Wat reden zyn’er die my porren tot beminnen?
Is ’t lust tot schoonheid, die geprend werd in myn zin?
Hoe vat ik best de kracht en eigenschap der min?
(5) Ik weet naauw wat het is; wat naam zal ik het geeven?
’t Is leevend’ dood te zyn, of ’t is een stervend leeven;
Natuurlyk toov’ren, daar ’t hart door werd gepord,
En daar de reed’lykheid steets door beguichcheld word,
Een nodig, willig kwaad; een lust, die, te allermeesten,
(10) Werkt op de zinnen, en verwarren doed de geesten;
’t Is een verhuizing van gedachten; en een smart,
Die vaak het lichchaam doet veranderen van het hart.
Het ryk der liefde is ’t oudst’ van allerhande ryken;
Daar moet en groot, en kleen, en ryk en arm voor wyken:
(15) De liefde is een vergulde, en somtyds bit’re pil,
Zy wond, en heeld, en is de dochter van de wil;
Maar zo haare oorzaak is uit kuischeids drift gereezen,
Zo valtze waarelyk bezwaarlyk te geneezen,
Ach! zo is myne meê, zy houd my uit de rust,
(20) Baard my veel zuchten, en beneemt my al de lust
Ach! was myn Rozemond, ach! wasze te beweegen!
Zeg, zoete Rozemond, wat staat u in my tegen?
Is ’t de ongelykheid in den staat van u en my?
Oprechte liefde houd de minnende altyd vry;
(25) Zy kend geen onderscheid van hooge of laage staaten.
De trouwe Enone, die in min was uitgelaaten
zelfs op een Harder, toond met een oprecht gelaat,
Dat zy meer acht ’t geliefde, als rykdom, eer, of staat.
Ach! schoone Rozemond, die alles kond bekooren,
(30) Is alle zoetigheid, voor u, met u gebooren,
[p. 126]
Gelykze waarlyk is, genees my, die gy griefd,
Eer dat de Liefde, zelfs, myn schoone, op u verliefd.
De grootste Konstenaar geraakte aan het verwild’ren,
Zo hy uw Schoonheid of beschryven zoude of schild’ren.
(35) De schrand’re Apelles, noch Homerus, noch Virgyl,
Noch Nazoos groote geest met zyn verliefde styl,
Ontbeerden zulk een kragt. Hoe zoude ik dan uwe oogen,
Die oogen vol van vuur, vol Goddelyk vermoogen,
Die blonde vlechten, en dat leevendig albast
(40) Des boezems schilderen? de zielen gaan te gast,
En voelen zich van vreugd’heel onverwacht veroov’ren,
Als gy met eene lach de geesten komt betoov’ren.
Kupidos wapenschool, zyn koker, pyl, en boog,
Staan midden in de vlam van uw doordringende oog.
(45) Hy gaf te reukeloos, te stout zich in uw’ handen;
Nu wacht hy uw gebod, zit magt’loos in uw’ banden;
Zo dat gy met zyn magt, die hy niet meer bezit,
Maakt dat de waereld u als een Godin aanbid.
Zo bidde ik dan mêe, zo koome ik u begroeten,
(50) En legge eerbiediglyk my zelve voor uw’ voeten.
Denk dat rechtvaardigheid eischt dat ge aan my betoond,
Dat gy bewaaren moet een huis dat gy bewoond.
Gy hebt myn hart gewond, gy kunt het weer geneezen;
En zonder dat, zal my het sterven ’t naaste weezen.
(55) Verstaat gy dat ik ly? ’k ontzie noch druk, noch pyn.
Het zy ik leeve, of sterv’, Laat my slechts de uwe zyn.



[p. 127]

Aan

GALATHÉ.

Ach! wat zal ’t endlyk zyn, zeg wreede en Schoone Vrouw?
Is onbarmhartigheid het loon van zuiv’re trouw?
Of is ’t rechtvaardigheid myn dienst met haat te loonen?
Zo moet ik, spyt my zelfs, u dankbaarheid betoonen:
(5) Maar zo het loon van min is trouwe wedermin,
Gelyk het wel behoord, hoe komen in uw zin,
Die zo vol deugden is, dan onrechtvaardigheden?*
Is ’t afkeer? is ’t haat? wat is het? geef my reden,
Op dat ik, voor myn dood, uw schuld, of onschuld ken.
(10) Ik weet wel, dat ik u nooit waardig was, noch ben,
Geen mensch ook is u waard, hoe trouw hy kan beminnen;
Want niemand zal u ooit dan door genade winnen.
Verwaandheid is ’t alleen, dien door verdiensten meend,
Met zo veel schoonte en deugd, door trouw te zyn vereend.
(15) Indien ’t my raadsaam was Kupido aan te spreeken,
Om u, in myne naam, om wedermin te smeeken,
Het zou geschieden; maar, verscheen hy voor uw oog,
De Pyl ontzzeg zyn hand, en kragt’loos wierd zyn boog.
Hy zelfs, die door een lonk de harten kan doorgrieven,
(20) Zou straks door eene lonk van u, op u verlieven.
Wat raad dan, Schoone, zeg? wat raad dan vooe een hert
Dat ongeveinst bemind, en niet bemind en werd?
Dat zelfs geen reden, noch geen oorzaak kan bemerken.
Ik bidde u noch voor ’t laatst’, dat gy my wild versterken,
(25) Om te verdraagen al de pyn die ik gevoel;
Of brand van wedermin, of maak myn hitte koel.



[p. 128]

Aan de

HOONINGBYEN.

        Aangenaame Honingdiefjes,
        Die, zo lekkertjes, zo liefjes,
        Zuigt de nektar en de geur
        Van de Tym, en Roozekleur:
        (5) Vliegt al t’samen op de tippen
        van myn Liefjes roode lippen,
        Die, alleen van roozekleur
        Bloeijen, en van Nektar geur.
        Vliegt, met vreugde boven maaten;
        (10) Maar zuigt al de Honingraaten
        Toch niet leeg van myn Godin,
        Van haare oogen, mond, en kin:
        Op dat myne kusjes moogen
        Nektar zuigen uit haare oogen:
        (15) Steekt haar met uwe angels niet;
        Want wanneer zy angels schiet,
        Uit haar zielbekoorlyke oogen,
        Krygtze een afkeer van meêdoogen;
        En zy wreekt, al wreektze spa,
        (20) met een deerlyke ongena.
        Bytjes, wilt gy my behaagen,
        En uw stoutheid niet beklaagen,
        Zuigt haar Honig, schoonze ’t ziet;
        Maar voor al en kwetst haar niet.



[p. 129]

Aan

LAURA.

        Welkom, Laura, langs deez’streek,
        By de zuiver zilvre beek,
        Die met zyn gekrulde vloedjes,
        Wenscht te kab’len aan uw voetjes.
        (5) Zie, hoe dat de Zon op gaat
        In de nuchtre dageraad;
        Die met aangenaam vergulsel,
        Streeld de boomen, en heur hulsel:
        Ieder straaltje danst van var,
        (10) Als een nieuwe morgen star.
        Ai laat ik u voort geleijen,
        Daar de vog’len speelemeijen,
        Daar ’t geboomte schaduw geeft;
        Scheutige Elst de bischen weefd;
        (15) Daar geen barsse noorde winden
        Bloemen plondren, en verslinden;
        Maar daar’s nachtegaals geluid,
        Zieltjes trekt ten ooren uit.
        Laat daar mede uw stemme hooren,
        (20) Zo verkeerd het al in ooren,
        En de Nachtegaal, hoe schel,
        Blyft straks stom op uw bevel;
        Zy zal op uw zang versling’ren,
        Strykende op de blanke ving’ren,
        (25) En u kussen, duizend maal,
        Voor dat aangenaam onthaal.
        Ik zal frissche bloempjes meng’len,
        En een lieflyk kransje streng’len;
[p. 130]
        Kransje van een schoone kleur;
        (30) Kransje van een zoete geur;
        ’t Sierlykst’van aale aarsche spruitjes,
        Zal ik strikken in uw tuitjes,
        Want het allerbeste kruid
        Springt vooruwe voetjes uit.
        (35) Zie de Nektar door de stroomen;
        Zie de nektar van de boomen,
        Vloeijen langs de groene vloer,
        Als gesmolte paerlemoer.
        Gints fonteinen, welker straalen,
        (40) Als een Zilvre regen daalen,
        Die het klaverland bespoeld,
        En dit grazige gestoelt’.
        Zet u, in dit lieflyk weder,
        O Godin, een weinig neder.
        (45) Was de schoone Mirrhas zoon,
        Met een mirte, en rooze kroon,
        Hier by Venus neêr gezeten,
        Venus zou hy straks vergeeten,
        En getroosten zich de dood
        (50) Mogt hy sterven in uw schoot.
        Duizend zouden op uw’ lippen
        Duizend zieltjes laaten slippen;
        Lipjes van zo ryk en gloed
        Als het schoonste roozebloed:
        (55) venus wenscht dat uwe lonken
        Mogten in haar voorhoofd pronken,
        Als zy, in haar dartelheid,
        Mars een weelrig bedde spreid.
        Zelf de Min zal ’t hart noch breeken:
        (60) Hy zal om uw weermin smeeken;
        Is ’t dan wonder dat myn ziel,
        Door uw oog in boeijens viel?
[p. 131]
        Twyffeld gy aan uw vermoogen,
        Spiegel u maar in myn oogen,
        (65) Daar zult gy myn jeugdig hart
        Worst’len zien met minnesmart.
        Zo ik dan gena kan vinden,
        Zal ik snyden op de linden;
        Hoe gy, Laura, met myn pyn,
        (70) Woude in ’t laatst’ medogend zyn.


PHYLLIS

Aan

LYSIDAS.

Zy zend haar groetenis, die, diep in rouw getoogen,
Nu door de penne klaagt, ’t geen haar de tong ontzeid,
Terwyl gy, met uw woord, voorwind zyt heen gevloogen
Van haar, die om uw vlucht, in knagend hartzeer leid.
(5) Driemaal, voor uw vertrek, heb ik u willen spreeken.
Driemaal heb ik het woord, al op myn tong gehad;
Maar driemaal ben ik weer door bloode vreez bezweeken,
En schaamte heeft gedaan dat ik u zwygend bad.
Nu, denk ik, staat my vry, om over u te klaagen;
(10) Ik heb ook reden, om te klaagen over u:
Want gy beloofde my uw trouw voor al myn dagen,
En ’t is pas een begin, en gy zyt reets al schuw.
Herdenk eens aan ’t vermaak hier op myn land genooten,
Toen nimmermeer uw lust de volle vreugde ontbrak,
(15) Wanneer dat gy, bedekt myn boezem kwamt ontblooten,
Als myn gezigt het uwe, en ’t uwe ’t myne ontstak;
[p. 132]
Waar door wy wederzyds al onze geesten wekten,
Hoe wel de schaamte my een blos blies op de wang,
Toen ’t zachte gras, en kruid onz tot een bed verstrekten,
(20) En schelle Filomeel onz streelde met haar zang.
De klimop hangt zo vast niet om de hooge boomen,
Als gy wel menigmaal bleeft hangen aan myn hals,
Uw liefde scheen zo groot, dat my niets deede schromen.
Nu blyft myn liefde oprecht, en uwe liefde vals.
(25) Och, zeid’ gy honderdmaal, wie kan zyn vuur verzaaken,
Die door de vlammen word verraden van zyn vuur.
Dat deed my ook, op u verrukt in weermin blaaken;
Maar deeze weermin staat, helaas, my veel te duur.
Eens in de morgenstond, (de zonne was aan ’t ryzen,
(30) Die alle ding vertoont, als hy zich zelfs vertoont,)
Kwaamt gy al vleyende myn schoon gezicht te pryzen,
En roemd’ hoe waarde deugd uw liefde had gekroond:
Hoe Venus zelver lachte, als ik geraakte aan ’t bloozen,
Dat myn koraale mond met druppels was besproeit
(35) Van Room, van Lelimelk, en blos van roode roozen,
En dat ’er altyd op myn wangen lente bloeid’.
Indien de gouwde Zon aan ’t blaauw gewelf kwam pryken,
Of, dat de blanke Maan door dunne wolke speeld,
Zo most de Zon zyn glans, de Maan haar hoornen stryken,
(40) Wanneer gy maar de glans aanschouwde van uw beeld.
Dan leide gy my voort, tot aan een zilvere ader,
Die eeuwig springende gelyk een vuurstraal blinkt;
Dan kuste gy my eens, en voegde u al wat nader,
En zeide: ik drink uw liefde, als droog zant ’t water drinkt.
(45) Geen eedle balsem reuk, geen adem uit het weste
Blaast my zo lieflyk toe, als uwen adem blaast;
Geen Paradys op aard’, heeft zo veel geurs ten beste,
Terwyl gy door uw geur, die geur te rugge kaatst.
Een blaasje van uw ziel zal myne ziel verkwikken,
(50) Gelyk een zachte wind de teedre bloempjes doet,
[p. 133]
Och! Phyllis! Phyllis, och ’k zal noch in vreugd verstikken,
Want al uw vonken zyn gevloogen door myn bloed.
Ik zwyg van andre vreugd die my niet voegd te schryven,
(Alzo myn liefde is met een eerbre schaamt gemengd)
(55) Hoe verre dat gy kwaamt uw lusten te bedryven,
Om dat het minnevuur uw boezem had gezengt.
Ik ’t end door zulk een list hebt gy uw lust genooten;
De trouw die gy my zwoerd geloofde ik veel te licht.
Nu ben ik van uw trouw, gelyk van u, verstooten.
(60) En gy gaat zonder eer, maar met uw eet en plicht.
Bedenk u, Lycidas, wilt gy my niet beminnen,
Bemind my dan alleen, om dat ik u bemin.
Een onverdiende straf verbystert myne zinnen,
Die ik noch willig ly, zo ik uw gonst weer win.
(65) Maar zoekt gy oor ten hoof, zo naderen myn plaagen,
Ay keer toch wederom, en zie wie dat u smeekt;
Ik weet wel dat uw hand den schepter past te draagen,
Maar denk eens wat hy doet die zyn belosten breekt.
Ik bidde u nu als een die ’t alles op moet geeven.
(70) Ik belge my ook niet dat ik u val te voet;
’t Zy dat ik sterven moet, of dat gy my laat leven:
Want een verliefde weet, noch watze zal, of moet.
Of zo uw gramschap is om mynent wil gereezen,
Dat dan om mynent wil uw gramschap weer bedaar.
(75) My dunkt al zweeg ik stil, ik hoorde u te belezen,
Om dat gy weet dat my uw afzyn valt te zwaar.
Maar zo ik niets vermag, en moet ik ’t alles derven,
Dan zal ik voor het laatst doen snyden op myn graf:
Dat Phyllis die u minde, om uwent wil most sterven;
(80) En gy haar d’oorzaak, zy de laatste doodsteek gaf.



[p. 134]

Aan

ROZEMOND.

                Ach Rozemond,
                Ik ben gewond,
        Myn zieltje gaat verlooren,
                Indien gy niet
                (5) Myn zwaar verdriet
        En klagten wilt verhooren.
                Den eersten dag
                Toen ik u zag
        Bewandelen de boompjes,
                (10) Daarge uw gezicht,
                Dat Godlyk licht,
        Liet spieglen in de stroompjes,
                Vond ik u staan,
                Geheel belaân,
        (15) Ophullende uwe lokjes;
                Daar nestlen in
                De jeugd, de Min,
        De lachjes, en de jokjes.
                Uw kykkertjes,
                (20) Die prykkertjes,
        Met lodderlyke lonkjes,
                Daar straalden uit
                Een ryke buit
        Van bliksemende vonkjes,
                (25) Waar van de brand
                Myn ingewand
        Is heftig door gevloogen;
                Maar al die pyn
                Daar ik aan kwyn
        (30) Brengt u niet tot medoogen.
[p. 135]
                Uw voetjes bloot,
                Gestrikt met root,
        Gemaakt rot nette treeden,
                Uw Ledetjes,
                (35) Uw zedetjes,
        Om voordeel t’saamen streeden.
                Ik zag van veer,
                Uw in de weer,
        Met futselen, en spreyen
                (40) Een zomerbed
                Van Violett’
        En zachte groene meyen;
                Daar zeegt gy neer,
                Met de armpjes teêr,
        (45) Als sneeu doorvloeid met bloosjes,
                En om uw hand
                Wies voort een plant
        Van lieffelyke Roosjes.
                De Nachtegaal,
                (50) Zo mild van taal,
        Zocht u in slaap te sussen,
                De Westewind,
                Tot min gezind,
        Mogt maar uw mondje kussen.
                (55) Uw vlechjes vlug,
                Op hals en rug,
        Verspreid door ’t zelfde windje,
                Die lokten in
                De wufte Min,
        (60) Dat klein gevleugeld kindje;
                Dat vloog terstont
                Langs hals, en mond,
        Tot boven op de boogjes,
[p. 136]
                Die, breuin als git,
                (65) Versieren ’t wit
        Van ’t dekzel uwer oogjes.
                Daar trok die guit
                Een haartjen uit,
        Gescherpt in uwe straalen,
                (70) En schoot die schicht
                Door myn gezicht,
        Datze op het hart kwam daalen;
                Zo ’k was geraakt,
                Zie ’k u ontwaakt,
        (75) En Venus zoon aan ’t vluchten,
                Gy zaagt my aan,
                En ik bleef staan
        Als stom, behalven ’t zuchten.
                Nu is myn hart
                (80) In u verward,
        Onmooglyk kan ik Ieeven,
                Ten zy ’k verwerf,
            Eer dat ik sterf,
        Dat gy my ’t uw’ wild geeven,
                (85) Dan zal ik dra,
                Op ’t woordje ja,
        Veel bloempjes doen vergaaren,
                En die bereid
                Tot dankbaarheid,
        (90) Schakeeren door uw haaren.
                Uw goedigheid,
                Uw vroedigheid,
        Zal ik daar by vertoonen,
                Op dat de Goôn
                (95) Uit ’s Hemels troon
        U zelver komen kroonen.



[p. 137]

Aan

ROZEMOND.

        UItverkooren Rozemond,
        Die al myn verstand verwildert,
        Als ik zie het blos geschildert,
        Geschakeert van blank, en blont,
        (5) Op uw aangenaame kaaken,
        Daar twee zonnen boven staan,.
        Zonnen die met helder blaaken
        Teffens ziel, en hart doen brâan.

        Wanneer ik dat licht aanschouw,
        (10) En dat door uw Godlyk wezen
        Al myn geesten zyn verreezen,
        Spiegel ik my in den douw,

        Die uw trony komt vervarschen,
        Als gy wasemt uit uw mond,
        (15) en schept telkens frissche karssen
        Op die zerrepzoete grondt.

        Als het ooge verder ziet,
        Daar het namaals om moet lyen,
        Gaat hem te zich zelve stryen
        (20) Of gy ’t sneeuw bedriegt, of niet.
        ’t Kropje doet me in liefde branden,
        Daar twee klipjes zyn bedekt,
        Daar ik zeker op moet stranden,
        Zo’t myn harte derwaarts trekt.

[p. 138]
        (25) Handjes die zo net, en eel,
        Als de vingren zich verroeren,
        Galmen door de ziel kond voeren,
        Op de Cyter, Fluit, of Veel.
        Voetjes die zo geesit zwieren,
        (30) Datze op die verheven trant,
        Maate slaan van goe manieren,
        Dat het kilste harte brand.

        Daar ’t Natuur u alles geeft,
        Dat gy zelfs, ontbloot van straalen,
        (35) By u glans ter leen moet haalen.
        Wie of zo gelukkig leeft,
        Die uw gonsten zal genieten,
        Die de vruchten van uw lent,
        Met zyn bloeizel zal begieten;
        (40) Ach! was ik’er op geent.


Aan
AMARIL

        AMaril, waarom gevlugt?
        Is uw hart niet te beweegen?
        Wacht gy dan myn laatste zucht?
        Zyt gy tot myn dood genegen?
        (5) ’k Voel de prikkels al in ’t hart,
        ’k Zwelg uw wreedheid in met toogen,
        die vermeerdert daar myn smart.
        Amaril, dat doen uw oogen.

[p. 139]
        Ik voel niet alleen die gloed
        (10) Maar al wat’er is in ’t leeven,
        Wenscht voor zulk een bitter zoet
        Zich in uwe dienst te geeven:
        Als de Liefde uw aanschyn ziet
        Werd hy innerlyk bewoogen,
        (15) En hy kent zich zelven niet.
        Amaril, dat doen uw oogen.

        ’t Speelziek windeke, vol lust,
        Blaast zyn adem door de boomen,
        Als het zachjes suiezust,
        (20) En voert vlammen door de stroomen.
        Daar u w schoonheids weer licht straalt,
        Komt de vreugd na toe gevloogen,
        Die dan met die weelde praalt.
        Amaril, dat doen uw oogen.

        (25) ’t Momplend ruischen van de vliet
        Moet op uwen tret bedaaren:
        Zachter schaaft hy langs het riet,
        En ziet zyne vloed op klaaren.
        Als hy uit uw spiegelglas,
        (30) Al zyn glanssen heeft gezoogen,
        Dan vermist hy zyne plas.
        Amaril, dat doen oogen.

        Koekkoek, zoete zomerbo,
        Leeuwrik, in de mei geboren,
        (35) Gy zyt niet meer schuw en blo.
        Amaril, kanze bekooren?
        Heeft zy u ook in de klem?
        Ja, gy lokt al uit den hoogen,
        Minnevuuren met uw stem.
        (40) Amaril, dat doen uw oogen.

[p. 140]
        Al het wouwd van min geraakt,
        Door uw vrindelyke lonken,
        Ziet hoe dat de Satyr blaakt
        In zyn hoolen, en spelonken.
        (45) Hoe de Nimphjes, hand aan hand,
        Meé gevoelende uw vermogen,
        Blaaken in de zelfde brand.
        Amaril, dat doen uw oogen.

        ’t Blaauw azuur der klaare lucht
        (50) Schynt met nieuwe glans te praalen,
        ’t Houwd haar Zephyren in tucht
        Om niet in uw min te dwaalen.
        Alles is in nieuwe pronk;
        ’s Hemels hooggespanne boogen
        (55) Krygen luister van een lonk.
        Amaril, dat doen uw oogen.

        Zo veel schepzels als gy ziet,
        Zo veel harten zyn gevangen,
        Ik, in ’t aldergrootst verdriet,
        (60) Mag wel na de dood verlangen
        Om dat gy myn byzyn vlied;
        Al de geesten my verdroogen.
        Dus te leeven kan ik niet.
        Amaril, dat doen uw oogen.

        (65) Hebt dan deernis met myn kwaal.
        Schiet meestresse van myn leeven
        Uit uw oogen eene straal
        Van genade, ’k zal u geeven
        ’t Harte daaruw hart inwoont,
        (70) En met allen yver poogen,
        Zo gy myne min beloont;
        U te danken, en uw oogen.



[p. 141]

Aan
AMARIL.

O Wellekoome zuivre zon,
Die met uw gouwde straalen
Op deeze kristalyne Bron
Al schitterend komt daalen,
(5) En marmert niet alleen de vloed,
Maar huid het veld en boomen,
Verkwikt het menschelyk gemoet,
En strykt van ’t hert de schroomen,
Myn ziel tot dankbaarheid verplicht,
(10) Kaatst u de weerglans in ’t gezicht.

Noch schooner straalt myn lieve Bruid,
Met twee verheven lichten,
En steekt het oog des hemels uit,
Dat voor haar komst: moet zwichten,
(15) Want als ik nader met myn hand
Haar Goddelyke leden,
Zo vliegt myn lichchaam in de brand
En word van min bestreden.,
Maar ’t is my d’alderzoetste pyn
(20) Van zulk een vuur gebrand te zyn.

Het blos van haar koraale morid,
De Lelien, en Roozen,
Die als een frissche morgenstond
Op haare kaaken bloozen,
(25) Verwekken in myn jeugdig hart
Een altyd vrutgtbre lente,
En zetten vreugd voor bittre smart
In myn gemoed op rente.
Vernuft houw deeze vreugd in tucht,
(30) Of zy vliegt met my op de vlugt.



[p. 142]

LAURA.

Wanneer het lieflyk morgenrood,
Het zielverkwikkend licht ontsloot
    Met aangenaame luister,
    En wegjoeg ’t droeve duister;
(5) Vond ik myn Laura by een Bron,
Bevryd voor’t steeken van zon,
    In ’t midden van haar schaapen
    Gerusjes liggen slapen.
Daar zat ik, en bad Venus zoon,
(10) Dat hy zouw daalen uit zyn troon,
    En straks op myn gebeden
    Kwam Venus zoon beneden.
Hy streek met koker, en geweer,
Op zyne vlerkjes by my neer,
    (15) Om Laura te bestryen,
    Die my tot noch doet lyen.
Eerst sammelt hy een korte wyl,
En zoekt een scherpgewette pyl,
    Die past hy op zyn boogje,
    (20) En loerde met een oogje,
Hoe dat hy ’t hart vol kille kouw,
Met brand van liefde treffen zouw.
    Hy naderde haar leedjes
    Met diefachtige treedjes.
(25) Maar wat gebeurt, eer hy ’er raakt?
Zy voelt zyn hette, zy ontwaakt,
    En schiet hem met haar straalen
    Die buit op haar wouw haalen.
[p. 143]
Ach, dacht ik, zie dat arme dier
(30) Zich zengen aan zyn eigen vier.
    Is dat geen groote schande,
    Een God zich zelfs te brande’?
Die anders als hy zit omhoog,
De waereld aansteekt met zyn oog.
    (35) Hy veinst, en komt haar vleyen
    Met zuchten, klaagen, schreyen.
Zy krygt melyden met zyn noot,
En zet het boefjen op haar schoot,
    Begint het wat te sussen,
    (40) En sussende te kussen.
Dus zit zy met het kind in ’t gras,
En streelt het, oft onnozel was,
    En drukt het in haar armen.
    Als ofze ’t vuur kon warmen.
(45) Hy neemt zyn kans zo listig waar.
Dat zy geensints denkt om gevaar;
    Maar wylz’ hem wat wil graazen
    Begind hy vast te blaazen,
Zo lang, tot zy zyn vlam ontfong;
(50) Wanneer hy van haar schoot afsprong,
    En teeg verbaast aan ’t vlugten,
    En liet myn Laura zuchten.
Ik kom met hoop en vrees belâan,
Enspreek haar knielende dus aan;
    (55) Gebiedster van myn leeven,
    Genade, of laat my sneeven:
De brand slaat tot myn oogen uit,
De tonge geeft een flaauw geluit,
    Zal ik geen gonst verwerven,
    (60) Zo is myn troost myn sterven.
Zy antwoord: ’k voel de zelfde smart,
De vlam bedwelmt myn jeugdig hart;
[p. 144]
    Ik kan niet langer veinzen;
    Maar dit zyn myn gepeinzen:
(65) Aanvaart myn ziel, met deeze hand,
Die ook als de uwe in liefde brand:
    Ik, om die brand te blussen,
    Verzegelze met kussen.


KLINKDICHT.

Aan

AMARIL,

En

ROZEMOND.

    Doorluchtig paar, die schoonste en vriendschap hebt te baat:
Deugdbronnen, die ’t verstand doet groeijen met uw jaaren:
Leidstarren vol van geest, om ’t aardryk te verklaaren:
    Zielzonnen, die my trekt in de allerhoogste staat:
    (5) O teelsters van vernuft, stadhouwdsters van de raad,
Dien wysheyd, en vermaak zoekt aan elkâar te paaren:
Gelyk een diamant blinkge uit alle andere schaaren,
    En huist de zedigheid in uw volmaakt gelaat.
    Natuur, heeft grooter glans u beide hier bergond,
    (10) Als ’t voorspel van de zon; de nuchtre morgenstond,
Die heldre dagen baard wanneerze door komt breeken:
    Terwyl uw Godlyk licht straald schoonér door den dag,
    Als ik van de avond star ooit by den donker zag.
Dies werd dan al het licht maar aan uw licht ontsteeken.



[p. 145]

De Vrijery van

DAMON en PHYLLIS.

Terwyl het eenzaam Bosch my nodigde om te wand’len
    By heldre Maaneschyn, zag ik’er Damon gaan
met Phyllis aan zyn hand: ik hoor wat zy verhand’len,
    My schuilende achter ’t loof, en dus vong Damon aan.


DAMON.

(5) Kom zoete Phyllis, kom, dit bosch, met ons bewoogen;
Vergund my weêr de smaak van uw’ wellustige oogen.
Zit neder, zielsvoogdes, zit op deez’ heuvel neer.
De tyd, dit weel’rig gras, het aangenaame weer,
Deez’ geur’ge bloemen, en deez’groen bekranste telgen,
(10) Indienge afkeerig waart, die zouden ’t zich straks belgen;
Want hier is ’t worstel school daar Venus zoon in stryd:
Hier is men veilig, lief, voor alle minnenyd.

PHYLLIS.

Zou ’t hier al veilig zyn. De planten, en de boomen,
Fonteinen, heuvelen, de winden, en de stroomen,
(15) Die met een zoet vermaak al onze liefde zien,
Die zouden lichtelyk ons verraaden en bespiên.

DAMON.

Neen, zoete Phyllis, neen, verban’t onnodig vreezen:
Hier zullen wy één hart, één ziel, één lichchaam weezen:
Hier woond de Keizerin van Cyprus heiligdom:
(20) Hier gaan de lachjes met de sluikerytjes om:
[p. 146]
Hier ziet gy Min en jeugd, met teed’re mirte kranssen,
Des ’s morgens als het daagd, voor Venus wagen danssen.
Hier treed de Min voor aan, en voerd de groene vlag,
Van al de harten dien hy kwetsen zal die dag.
(25) Kom, zoete Phyllis, kom, zie door de linde blad’ren,
De wind in vlam verkeerd hier voor onze oogen nadren.
Dit’s ’t Elizeesche Veld, daar ’k eerst uw hartje vong:
Hier is het altyd Lent’: hier blyft men altyd jong.
Kom zoete Phyllis, kom, laat ons niet langer marren;
(30) De Hemel knikt ons toe, de Maan de goude starren
Begunstigen myn brand: ’t gevogelt schreeuwd van min,
En elk neemt nieuwe vreugd, en nieuwe wellust in.

PHYLLIS.

Ai Damon, zie toch om, laat niemant ons betrappen:
Ik vrees de Hemel zelf zal onze min beklappen.
(35) De Starren, en de Maan zien ons van over al;
Maar wie blyft borge dat de Maan ’t niet melden zal.

DAMON.

Neen, zoete Phyllis, neen, de maan kwam zelver vergen
De blonde Endimion, op Latmos steile bergen,
Om zyne wedermin: Kom, lief, voldoe myn lust:
(40) Myn vlam is gist’ren maar ten halven uitgeblust;
Een half gebluste vlam word lichtelyk weêr ontsteeken,
Die dan, met volle kracht, ten oogen uit komt breeken.
Ach! zoete Phyllis, ach! ’k voel maar alleen gevoel,
En ’k sterf van liefde, zo ’k myn hitte niet verkoel.
(45) Ons trouw uur naderd vast, vergun my onder ’t kussen,
De vlam, die ik gevoel door kuische min te blussen.
Maar hoe; myn hartje, hoe, waarom sluitge uw gezigt?
Verban de schaamte toch, gun my dat lieve licht;
[p. 147]
Of vreest gy dat myn oog door ’t uwe blind zou worden?
(50) Is dat de reden lief? neen, ’k weet nu wat u porden:
Gy wild my te eenemaal volmaakt zyn in myn zin,
En zelver blind zyn om gelyk te zyn de Min.
Ach! Phyllis! Ach! myn bloed loopt van de blydschap over.
Gy bronnen, boomen, gras, en kruid, en vrolyk lover,
(55) Getuigd de weermin die my schenkt zyn tweede ziel.
Getuigd met eenen ook hoe’k in haar armen viel,
Terwyl ik langs haar hals en boezem neer gezeegen,
Met haar my in ’t groen tot rusten voel geneegen.
De slaap bekruipt myn oog. Myn Phyllis, goede nacht.
PHYLLIS.
(60) Rust, rust, myn Damon, rust, terwyl ik door ’t gedacht
My zelfs verbeelden zal alle aangenaame lusten,
Door lieflyk droomen, nu ik in uw armen zal rusten.

Dus had ik achter ’t lof de Vryery bekeeken;
    En voelde myn gemoed door dit gezigt geraakt:

(65) De vaak had naauwlyks ook myn oogen toegestreeken,
    Of ’k droomde van die vreugd, tot dat ik wierde ontwaakt.




[p. 148]

KLINKDICHT.

Wat zwerve ik in een zee van duizend’ongelukken?
    Een ander heeft myn hart, helaas! ik heb’er geen;
    En die myn hart bezit heeft zelfs een hart van steen,
’t Geen my wemoedig hart geheel zal onderdrukken.
(5) Wat onmedogenheid! wat wreede gruwelstukken!
    Waar wil dit endelyk, Ongelukkige, noch heen?
    Een ander lacht en spot, terwyl ik klaage en ween,
En wanhoope om ooit vrucht van myn min te plukken.
    O liefde! neem de schicht daar gy myn hart meê schoot,
    (10) Schiet die in ’t hart van haar die my van hart ontbloot,
Op dat het eenmaal moog’, door U, met haar vereenen.
    Wat recht, of reed’lykheid heeft ymand ooit geleerd,
    Te neemen iets het geen men zelve niet begeerd?
Zo doed ik die ik bemin, zo doed die my doed weenen.
Continue
[p. 149]

BRUILOFTS GEDICHTEN.
________________________

TER BRUILOFTE.

Van den HEERE

MR. JAKOB HOP,

Raad Pensionaris der Stad Amsterdam;

En MEJUFFROUW

Mejuffr. IZABELLA HOOFT.

Ik kom, Doorluchtig Paar, u op uw Feest begroeten,
En leg ootmoediglyk myn Vaerzen voor uw voeten;
Vergeef my dat ik mêe zing van uw kuische vlam,
’t Geschied uit achting, en uit eerbied tot uw stam.
(5) ’t Gevaarlyke onweer, dat den Staat scheen te overvallen,
Is over, en de Vrêe regeerd in onze wallen:
Gy zat mede in het Schip, ô Bruidgom! Als Pylloot,
Dat in een barrening gedreigd wierd van de dood;
Gy hield de rechte streek, en hielpt, schier buiten hoope,
(10) De rust bevorderen van ’t afgematte Europe;
Want naar een zware storm brengt gy het Schip uit Zee,
En werpt het Anker uit op een gewenschte Ree,
Daar niet als kalmte is, in de schaduw’ van olyven,
En daar de rede voor het Oorlog borg zal blyven,
[p. 150]
(15) Waar door de Vryheid weêr eens recht haar adem haald,
Daar ’t oprecht hollands hart altoos mee pronkt en praald.
Gy dorst voor Amsterdam, ô Bruigom! Onbezweeken,
Zo wel als Ciçero voor Romen, moedig spreeken:
Schoon u afgunstigheid begrimde van ter zy,
(20) Uw ongekreukt gemoed bleef u steeds moedig by;
Waar door uw naam in ’t hart der Borg’ren blyft geschreeven,
Die nimmermeer door nyd zal werden uitgevreeven.
Lacedemoniërs, beurd vry uw volk in top,
Wy roemen al zo wel, en met meer recht, op Hop.
(25) Al uw Sads bezigheid scheen niet genoeg te weezen,
O onvermoeide Heer! ô nimmermeer volpreezen
En wakkere Iveraar! Daar waart gy niet mêe vry,
By al die arbeid hing de Liefde u noch op zy:
Wanneer van zwaar bewind uw hart wat zocht te rusten,
(30) Stookt Hy de geesten aan met zuiv’re minnelusten,
En dryft u, vol van vuur, naar uwe Leidstar toe.
Word gy dan nimmermeer, zegt gy, myn smeeken moe,
Ach! IZABEL, die ’t al in schoonheid gaat te boven?
Wat moogt gy ’t lieve woord van Ja dus overlooven:
(35) Had gy wat inder schoonte, of maar wat zachter hart,
Zo zou ’k misschien een eind aenschouwen van myn smart:
Dat al myn woorden eens veranderen in zielen,
Ik zou ootmoedig voor uw schoonheid nederknielen,
En u die offeren uit een verliefd gemoed,
(40) Dat tot dus lang vergeefs zyn dreve klagten doed.
Hier op wierd zy ontroerd, het aanzigt raakte aan ’t bloozen,
Kipido dook ter sluik in ’t lommer van die roozen.
Men zag heer oogen zoo vol vuur in ’t voorhoofd vliên,
Dat selfs een Blinde daar de schee’ring van zou zien;
(45) Hoe lang ze ’t ook ontveinst, zy word in ’t eind bewoogen,
En schoon haar mond iet sprak, het Ja stond in haar oogen.
Wat grooter vreugde is dit! Wat onverwacht geluk!
Wat is dit van de Min een trefllyk meesterstuk!
[p. 151]
Nu Bruigom, kus uw Bruid: ei zie, zy staat al vaardig,
(50) Gy zyt alleen deze eer, dezze eer alleen u waardig:
Dank heb de Liefde die uw leidsman is geweeest,
Die u eerst heeft gewond, en nu wêerom geneest.
Welk een vermaak staat u al uit deeze echt te wachten!
Waaa vinde ik woorden, of waar haal ik nu gedachten,
(55) Om af te beelden, met een aangenaame zwier,
De kracht, en vruchten van ’t alteelend’ minnevier.
Mars mag, door ’t Vreebestand, by Venus ’t hart ophaalen,
Wy willen uw vermaak niet meer dan ’t zyn bepaalen,
’t Is billik dat ge uw lust den vollen teugel vier’
(60) Ge ontfangt uw IZABEL als Herk’les Dianier.
Vergeet de plaatz daar gy beschanst zat in papieren,
En wil de Liefde, voor die slaafze zorgen, vieren.
Zie daar uw schoone Bruid, geleid van Venus Zoon,
Zy schynt vermaagschapt, door haar schoonheid, aan de Goôn;
(65) Zy bied u haare hand. Wat Goddelyk vermogen
Verrukt u van u zelfs, door haar aldwingende oogen;
Die wakkere Amazoon! Die ryzige van lêen!
Dien Paris, stond’het noch te doen, koos voor Heleen.
Ik merk, ô Bruidegom, ik merk uw minnekoortzen;
(70) Uw hand bezwykt, want al haar ving’ren schynen toortzen.
Aan deeze schoonheid heeft Natuur haar proef gedaan,
Want hier besteedde zy al haar vermogen aan.
Wat zyt gy aan de Min verplicht die u komt schenken.
Een maaksel, dat ons meest deed aan Natuur gedenken:
(75) ’t Zal hachlyk zyn doed zy de Min geen Oorlog aan;
Dat hoede Jupiter, of ’t is met ons gedaan;
Maar uw’ verdiensten zyn, Heer HOP, zo hoog gereezen,
Dat gy der Goden haat in ’t minst’ niet hebt te vreezen,
De tyd genaakt vast dat ge u vinden moet allen.
(80) De Min zegt, wenkende, Gelieven, ei haat heen.
Hy ziet hier zo veel pracht van Jufferen, en Heeren,
En zo veel mannen die uw Huwlyksfeest vereeren,
[p. 152]
Met zo veel Achtbaarheid, en Staatlykheid verzeld,
By wien zyn dartelheid niet te overbodig geld,
(85) Dat hem deez’ plaats verveeld. Gy moet, gy moet vertrekken.
Nu Bruid ei schoorvoet niet, ’t zal tot uw heil verstrekken;
Te meer wanneer wy zien afzetsels van uw Stam,
Daar de eer in bloeijen zal van ’t magtig Amsterdam;
Dat juigt, wanneer ’t de naam van HOOFT, en HOP hoord noemen,
(90) Daar ’t met geen minder recht op boogen mag, en roemen,
Als Grieken immermeer, of Romen heeft gedaan,
Op mannen welkers roem zal sterven noch vergaan.
Wel aan, ’t is meer dan tyd. Breng Rozen, breng Vioolen,
Breng Mirten, Lelien, hou geen sieraad verhoolen,
(95) O Zomer! Die uw hoofd onthuld om zelfs een krans
Te vlechten voor de Bruid, van onverwelk’bre glans.
De zwoele Zuide wind zal door de kamer speelen,
En IZABELLE met een minnelyke adem streelen;
Die, nu zo zacht van aard geworden als van naam,
(100) Geen kleine stof verschaft aan de ooren van de Faam;
Die deze liefde zal de waereld door verkonden,
Op dat die eeuwig leeve in duizenden van monden.
Ik zie de Lachjes, en Vermaaken hand aan hand,
Het Paar geleiden naar de Huwlyks Ledekant;
(105) Daar hunne Speelgenoods vast bezig zyn met stooken
Van Venus offervuur. Wat zie ik heil’ge spooken!
De welfsels blaaken, en de wanden zyn van vuur;
De Duiven nestelen, en Mussen in de muur.
De Paauw leerd hier de Zwaan, de Zwaan de Paauw weer kennen,
(110) Zy streng’len hals om hals, en dobb’ren op hun pennen.
O onbegryplyk werk! ’t Geen myn begrip verkracht;
Wat wachten wy de dag, uit zulk een schoone nacht;
Daar zich een Nis verspreid van leevendige straalen;
Een voedsel daar de Min zyn vlamen af moet haalen:
(115) Daar leefd, daar zweefd het al, daar word gespeeld, gekweeld,
En al by een gebragt wat harten trekt en streeld:
[p. 153]
Terwyl de zinnen, van verwond’ring opgetoogen,
Niet anders denken als om liefde en haar vermogen.
Dit ’s een geheimenis van wellust zonder maat,
(120) Die, niet te schryven, maar alleen te denken staat.
Ik zie de dageraad reeds aan de kimmen bloozen.
Auroor borduurd in ’t Oost een kleed van roode roozen.
De Zon heeft met haar komst het licht der nacht gebuit.
De Min roept: Bruidegom, te bedde met uw Bruid,
(125) Te bedde; want zy zal een dauw van Mirteblâaren,
Daar Gy in zweeven zult, in haaren schoot vergaaren.
De nacht heeft uitgediend; ’t is tyd: voldoe uw plicht.
Met de aanvang van die vreugd besluit ik myn gedicht.



[p. 154]

TER BRUILOFTE

Van den E. HEERE

JOAN HUIDEKOPER

Van MAARSEVEEN, &c.

SECRETARIS.

En MEJUFFROUW

Mejuffr. MARIA TEMMINK.

ZANG.

            Zie de zomerzon verschynen
                Met een lieflyk aangezigt
            Zie de nevelen verdwynen
                Voor dat al verkwikkend licht;
            (5) Hoor de Vogels tierelieren,
                Ider in zyne eige taal;
            Zie al ’t veld vol Violieren;
                Hoor, ei hoor de Nachtegaal,
            Wat voor tyding komt hy draagen,
                (10) In deeze aangenaame tyd?
            Prins der voog’len, mooge k’vraagen,
                Hoe dus vrolyk, dus verblyd?
            Wild uw vreugd voor my niet heelen,
            Maar die gunstig mededeelen.
[p. 155]
TEGENZANG.
            (15) MAARSEVEEN zal TEMMINK trouwen,
                ’t Schaterd al in Amsterdam,
            Land en Stad moet bruiloft houwen,
                Aarde en lucht baard minnevlam.
            Ziet gy de Amstezwaan niet spoeijen,
                (20) Met die tyding na de Vecht?
            Hoor hem zingen, zie hem roeijen,
                Daar werd blydschap aangerecht.
            Uif en Doffer, Korokotten,
                Al de bloemen op het veld
            (25) Schynen weer op nieuws te botten:
                ’t Mellikmeisje staat versteld,
            Legt heer Juk af, en vlecht kranssen;
                Hooiman smyt zyn Vork ter neer,
            En begint met haar te danssen;
                (30) Al ter eeren van hun Heer
            Goudestein straald door de boomen,
                Met zyn kruinen in de lcht,
            En de zilverklaare stroomen
                Van de Vecht, op dit gerucht,
            (35) Bruizen langs de groene velden;
                Ider rept zich even dra,
            Om deez’ nieuwe vreugd te melden,
                ’t Vee, verwonderd, gaapt’er na.
                (40) Schynen langs de klare Ryn,
            Te vereenen, te vergaaren, zyn.
            Paerlenburg zal Pindus zyn.
[p. 156]
            Zwaanen, ganzen, Duiven, Mussen
                Vliegen met de Zomerzon,
            (45) Tjilpen, korren, zinen, kussen
                In ’t gezigt dier hengstebron.
            Goude en zilv’re Vissen warren
                Door het vloeijend kristalyn
            Als een regement van starren
                (50) By de heldre Maaneschyn.
            Dorpelingen kwinkeleeren:
                Man en Maagd is in de weer:
            Wind en Lucht, en voog’len leeren
                Maatzang zingen; keer, om keer:
            (55) De Echo zal de klank ontfangen,
                Van de vecht na de Amstelstroom,
            En die dbbeld weder langen,
                Kaatzende over veld en boom,
            Tot de galm in Amstels wallen
            (60) Op het Feest komt nedervallen.
TOEZANG.
            Hoe! zou ik dan meê niet zingen?
                Meê niet juichchen om dit Feest?
            Plicht en yver komt my dwingen,
                ’t Minnevuur ontfonkt myn geest.
            (65) Wat triomf hebt gy verkreegen,
                Eedle telg van MAARSEVEEN?
            Wat gaat gy nn met al zegen,
                Naauw te schatten, vrolyk heen:
            ’t Is niet weinig te gaan paaren
                (70) Met een schoonheid ryk van deugd:
            Ryk van schatten, jong van jaaren.
                Al had gy uw gantsche jeugd,
[p. 157]
            Doorgebragt om haar te vraagen,
                En te smeeken om het Ja,
            (75) Gy zoud u des niet beklaagen;
                Want MARIA is’er na.
            Laat de zorg van Stads beveelen,
                De geheimen u vertrouwd,
            Nu niet in uw herssens spêelen;
                (80) Zoek een ander onderhoud.
            Minnaar van de Zanggodinnen
                Van Apollos heiligdom,
            Denk niet anders dan om minnen;
                Venus smeekt’er zelver om.
            (85) Blydschap doed haar deur ontsluiten,
                Nodigd u in haar salet,
            Daar blyft ramp en onlust buiten,
                Eendragt shud uw Bruilofsbed.
            Zie uw bruid, uw zielsverlangen,
                (90) Vast met open armen staan,
            Om haar Bruidegom te ontfangen;
                Zie, hoe vrindlyk zietze u aan.
            Zuig de gloed af van de karssen,
                Van de bloezem, van de room
            (95) Die haar lippen komt vervarssen.
                O! gy zyt zo wellekoom.
            Zo te weezen overwonnen,
                Is een aangeaame smart;
            Baaker in die Lentezonnen,
                (100) In haare oogen, nu uw hart.
            ’t Minnewicht dat in haar haaren
                Al een poos genesteld had,
            Is ter sluik in ’t hart gevaaren;
                En daar gy voorheen om bad,
            (105) Zal van zelver u ontmoeten,
            En ’t voorgaande leet verzoeten.
           
[p. 158]
SLOTZANG.
           
            Heil en welvaart volg dit paaren.
                De Acht’bre Vader MAARSEVEEN,
            Ziet deez’ twee met vreugd vergaaren;
                (110) En Heer TEMMINK, wel te vreên,
            Met de Koeimans, Appelmannen,
                Wachten vruchten daar ’t geslacht,
            Naar ’t alle onheil ziet verbannen,
                Niet dan eer en deugd uit wacht.
            (115) Gaat gelieven, gaat dan heenen:
                ’t Morgenlicht begroet den dag.
            Maanen Starren zyn verdweenen.
                Venus wenkt u met de lach;
            Trachtende u in slaap te sussen.
            (120) Nooit moet ramp u voorspoed blussen.



[p. 159]

TER BRUILOFTE

Van den HEERE

MR. NICOLAAS KORVER,

COMMISSARIS,

En MEJUFFROUW

Mejuffr. AGNETA HASSELAAR.

        KORVER gaat aan HAS’LAAR paaren;
            ’r Oogje van onze Amstels jeugd,
            Vol van schoonheid, eer, en deugd,
        In de lente van haar Jaaren,
            (5) In de lente van ’t saizoen;
            Hoe kan KORVER beter doen.
        Laat ons mirte- en roozekranssen,
            (Cithereas hoofdsieraad)
            Vlechten in deez’blyde staat,
        (10) Laat ons zingen, laat ons danssen;
            Want AGNETA diend bekranst,
            Ze is de Bruid daar ’t al om danst.
        KORVER, de eer der HASSELAAREN
            Reikt u toe haar schoone hand;
            (15) ’K merk hoe gy van liefde brand;
        Laat nu alle zorgen vaaren,
            Want de vreugd houd open hof,
            En de Bruid geeft dubb’le stof.
        Voeld gy niet wat glôende traalen,
            (20) Van haar tintelend’gezigt,
[p. 160]
            Daar de zonne zelfs voor zwigt,
        Tot in ’t diepste uws boezems daalen?
            Ja, gy voeld dat zoet verdriet.
            En kend schier u zelve niet.
        (25) Slyt voortaan met vreugde uwe uuren,
            Bruidje, ’t komt’er nu op aan,
            Laat uw daaglyks handwerk staan,
        Denk om speelen noch borduuren,
            Maar hoe gy, vernoegd van zin,
            (30) KORVER schenkt w wedermin.
        Venus heeft uw hart verwonnen,
            Zyt gehoorzaam aan haar Zoon;
            Ik verwacht hem uit zyn troon,
        In een vlugt van jonge zonnen
            (35) Eer de haan den dag opkraaid,
            Zultge een wolk met licht bezaaid
        Van de kimmen af zien daalen,
            Die, bezwangerd van een gloed,
            Niet dan vreugde en wellust voed,
        (40) Die noch regels kend noch paalen;
            Daar men, dommelende in ’t verschiet,
            ’t Tydverdryf der Goden ziet;
        Daar Jupyn, als opgetoogen,
            Met zyn Juno jokt en speeld,
            (45) Daar den een den ander streeld,
        Met een Goddelyk vermogen;
            Daar gaan sluikerijen om;
            Daar is Venus heiligdom;
        Daar ziet gy de Waapens praalen,
            (50) Daar de Min meè gaat ten stryd,
            Daar de pyl de boog ontglyd,
        En schiet gloeijendige straalen;
            Welkers vuur uw hart vermand
            Met een aangename brand.
[p. 161]
        (55) Ach! Wat Goddelyk vermogen
            Voeld men niet door dat gezigt,
            Door dat albetovrend’licht.
        Hoe! bedriegen my myne oogen?
            Neen, ik zie die wolk alreê
            (60) Daalen in de Bruilofts steê;
        ’K zie de Paerlemoere wagen,
            En de moeder van de Min,
            Zit’er met haar Zoonen in.
        ’K zie ’t uit helgesteente daagen,
            (65) Met een sterke glans en gloed,
            ’t Geen myne oogen scheem’ren doed:
        ’K zie ’t geflonker van Karkanten,
            Dat een weerglans spreid in ’t rond,
            O de luchtvol zonnen stond,
        (70) In een dag van diamanten:
            Ja, ik ken haar aan haar krans,
            Van een weêrgalooze glans.
        Honderdduizende van geuren
            Zweeven om, en uit’er mond,
            (75) Zo gelyk de morgenstond,
        ’t Oost verwelkomt met haar kleuren.
            Wie word zulk een vreugde moê?
            Hoor, zy spreekt, ei! Luister toe.
        Ik kom wederom verschynen
            (80) In April myn Jaargety;
            Ik maak alles jong en bly;
        Ik doe smart door vreugd verdwynen;
            ’K sier het aardryk, ’k maak het jong;
            ’K leeve in yders hart en tong.

        (85) Dat ik hier kom met myn zoonen,
            Welvernoegd en bly van geest,
            Daalen op dit bruilofts feest,
        Zal ik hier aanstonds vertoonen

[p. 162]
            Laat, myn kinders, elk om stryd,
            (90) Zien, waarom gy by my zyt.
        Dat deez’ wanden, en deez’ zaalen,
            Vruchtbaar werden van myn brand
            Dat die blaake in ’t ledekant,
        En vervul met minnestraalen,

            (95) Dat al ’t aardryk bloemen geef,
            Daar myn Jaarty in herleef:
        Dat de Mirte, en Violetten
            Groeijen in het grazig groen,
            Om myn lusten te voldoen.

        (100) Wild de Buid deez’ kroon opzetten,
            Door myn eigen hand gemaakt,
            Die van liefde, en vrindschap blaakt.
        Daar myn kinders, daar myn zoonen,
            ’K laat uw los, gaat spoeid u voort,

            (105) Maakt gereet al ’t geen behoord,
        Om dit waardig Paar te kroonen.
            Ik vaar heen, volvoert gy ’t werk.

            Weg vliegt Venus door het zwerk.
        Zie, zie ’t ledekant beweeven,
            (110) Zie Kupido met syn stoet,
            Hoe hy vlam met vlammen voed,
        Zie, zy maalen met hun hand
            Wonderdaaden op de wand.
        Daar word HAS’LAARS deugd gedreeven,
            (115) Die voorheen met bloed begruist,
        Na zyn dood zal eeuwig leeven;
            Volgende zyn Ouders spoor,
            Die dus moedig traden voor.
        Daar staat ’s Bruigoms naam geschreeven,
            (120) En het amt ’t geen hy bekleed,
            Waardig is ’t aanhem besteed,
[p. 163]
        Dat hy werd’ zo hoog verheven,
            Tot hy endlyk op de trap
            Klimt, van ’t Burgermeesterschap;
        (125) Daar zyn Vader is gezeten,
            Die, met een gestaafd gemoed,
            Zulk een amt groote eer aan doed,
        Met steets voor ’t gemeen te zweeten;
            ’t Geen hy vaak toond met’er daad,
            (130) Als hy treed in Amstels Raad.
        Gints staat in ’t verschiet te aanschouwen
            ’t Braaf geslacht van wederzy,
            Yders amt van eer daar by;
        Die de vryheid hielpen bouwen;
            (135) Volk van onbesprooken stam:
            Goden van ons Amsterdam.
        ’K zie het ledekant door zweeven;
            ’K riek Perfuim, en Amber geur,
            Mirte, en Roozen, schoon van kleur,
        (140) ’t Lieve Paar word heen gedreeven:
            ’t Bruidje schoorvoet onderweeg,
            En schynt van verwond’ring veeg.
        ’K schuw liefst de geheimenissen,
            Die ’t my niet betaamd te zien,
            (145) Kuisheid komt my zulks gebiên,
        Om niet in myn plicht te missen.
            Gaat, Gelieven gaat dan heen,
            ’t Past voor deez’tyd u alleen
        ’K zie het daglicht aan de kimmen.
            (150) Dat de schaduwen verjaagd,
            En de Lucht van nevels vaagd,
        Met een gloed in ’t Ooste klimmen.
            Heil en welvaart op de reis.
            Kust malkâar voor eeuwig peis.



[p. 164]

TER BRUILOFTE

Van JONKHEER

WILLEM van NYHOFF,

En MEJUFFROUW

MARGAREETA THOLINX.

O Bruigom, die na veel verdriet
Van storremende minnevlaagen,
    Uw schoone en kuische Bruid geniet,
Het doelwit van uw welbehaagen;
    (5) Verzet nu het voorgaande leet,
Verheug u over ’t welgelukken;
    Kupido maakt de plaats gereed,
Daar gy de maegdebloem zult plukken,
    Vast strooijende, vol minneband,
    (10) De Mirteblaân door ’t ledekant.

    Gy volgde Mavors krygsbannier,
Ten dienst en eer der vrije lnden,
    En keerde vaak met Lauwerier:
Nu doed de liefde u ’t harte branden,
    (15) En smeulen in een heete gloed.
Nu blyft gy winnende overwonnen;
    Maar al de damp dryft van uw bloed
Op ’t ryzen van twee nieuwe Zonnen;
    En ’t licht toond, door de duisternis,
    (20) Wat heil dat u beschooren is.

[p. 165]
    En gy, volmaakte Margareet,
Ontfang hem die u kon behaagen;
    Hy zal altyd, in liefde en leet,
Gedienstig voor u zorge draagen.
    (25) De aanstaande vreugde naderd vast,
De starren aan den Hemel lachchen;
    Zy gaan op uw vermaak te gast,
En komen zelf om kusjes prachchen:
    Terwyl Diaan haar troni dekt,
    (30) En schaamrood die te rugge trekt.

    Maar zacht! wie of zich herwaats soeid?
’k Zie Venus zoon naar binnen treeden:
    Hy heeft het bruiloftsbed besproeid
Met kussen, streelen, minlykheden;
    (35) ’t Behangsel gloeid van kuische brand.
Hoe bruid? my dunkt gy raakt aan ’t bloozen;
    De leli dootverfd op uw hand,
En ’t sneeuwit aanschyn woeld in roozen.
    Hier stryd een aangenaam geweld
    (40) Met Maagdeschaamte in ’t ope veld.

    De morgenstarre smelt voor ’t licht
De dageraad met blonde kaaken
    Verheft haar lieflyk aangezigt;
De Minnegod klapt onder ’t blaaken
    (45) Zyn wieken, als een wakk’ren haan,
Om ’t paar tot vreugden op te wekken:
    Hy zelfs zal meê ter kamer gaan:
Gy, Bruidgom, zult de vruchten trekken,
    Wanneer gy door de minnevier
    (50) De mirt veranderd in Lauwrier.



[p. 166]

TER BRUILOFTE

Van den HEERE

KASPAR HENRYK STELKART,

RECHTSGELEERDE:

En MEJUFFROUW

EVA THOLINX.

In ’t einde, ô Bruidegom! Is een tyd geboren
    Dat gy genieten zult die lang gewenste vreugd,
Die uw verliefde ziel en zinnen zal bekooren;
    Nu gy u in uw Bruid zy haar in u verheugd.
(5) De gryze Temis heeft, na minnelyk gekoester,
    U in uw loflyk amt beschonken met lauwrier;
Nu geeftze u uit haar schoot aan Venus, ’s leevens voedster,
    Die u hier voeden zal met vonken van haar vier.
Uw Bruidje scheen in ’t eerst’ die schoone vlam te ontvlugten,
    (10) z’Ontvlugtenze ook zoo lang tot datz’er overwon:
De schaamt’, verlegen met de wêermin, leerd’ haar zuchten,
    En gaf u ’t woordje neen, daar ’t ja in blyken kon.
Nu zaagt gy eens de Min omzwerven in haar lonken,
    Dan eens omtrent haar hals, en dan eens op haar wang,
(15) Als hy aan haar gezigt zyn trootzen deede ontvonken,
    Maar dacht hy om haar hart, zoo wierd hy zelver bang;
[p. 167]
Want hy voelde in haar goddelyk vermoogen;
    Doch endlyk op uw bêe stookt hy een zoete straf,
En vliegt onzigtbaar op haar harte, door haare oogen,
    (20) En dwong haar tong zo lang tot zy u ’t Ja woord gaf:
Toen scheen uw ziel van vreugd ten boezem uit te slippen:
    Gy kust, en zy kust weer, maar flaauw voor de eerste reis;
Doch ’t was het zegel, dat gy drukte met de lippen,
    Waar in beslooten wierd een altyd nieuwe peis,
(25) Dus voelde gy uw smart door wedermin verzachten,
    ’t Geen zy nu spreeken zal dat zullen woordjes zyn,
Die zuiver, en opregt maar volgen de gedachten,
    Waar door gy de uitslag ziet van uw geleden pyn.
Zy voeld van zoet geweld haar boezem al beweegen:
    (30) De slagâar klopt van min: ’t Gezigt schiet lonk op lonk:
Kupido, uit haar borst nu hooger opgesteegen,
    Staat met zyn toortzen in haar oogen al te pronk.
O Selkart! Uw geluk gaat alle schat te boven,
    Ziet gy niet hoe de Bruid stilzwygende u al vleid,
(35) En dat haar oogjes u zoo vrindelyk belooven,
    Dat gy op ieder kus te wachten hebt bescheid?
Sta vast dan, Bruidegom, dit vuur is niet te ontvlieden;
    Gy zult gebieden één, die, met haar sier gezigt,
Op elk oogenblik kan duizenden gebieden,
    (40) En woesten temmen, en geleiden tot hun plicht,
Maar zaht! Wat glanssen doen myn geesten dus verwarren!
    Een sprenkelende vlam, gelyk het zonnelicht,
Slaat door de glazen heen, of draagd de kamer starren?
    Of komt de Minnevlam bedwelmen myn gezigt?
(45) Ik zie! O ja ik zie! VrouVenus op haar wagen,
    Van glinst’rend paerlemoer, en blinkend diamant;
Zy daald hier voor ons oog op ’t voorspel van het daagen,
    En vuld de huwelykskoets met aangenaame brand,
De starren zwigten nu deez’ godheid is beneden:
    (50) Zy aâmt een frissen dauw: De gansche lucht ontlaat:
[p. 168]
De steenen gloeijen daar zyover komt gereeden;
    Terwyl haar hel gezigt het vuur uit de aarde slaat.
Nu Bruid, de tyd genaakt om u gereed te maaken;
    Leg eens de maagdeschaamte en haare zorgen af;
(55) ’t Blos brand al op uw wang: ’t is ook de tyd van blaaken.
    Gebruik de vreugde die u kuische liefde gaf.
Zie hoe u Venus wenkt, en doed de Juffers bloozen.
    Ga, spoei uw traage tred, op ’t goddelyk gezag.
De morgenstond bestrooid het Oost’met roode roozen,
    (60) En Liefde schryft uw naam op ’t voorhoofd van de dag.



[p. 169]

TER BRUILOFTE

Van den HEERE

HENDRIK BERTIN,

En JUFFROUW

MARIA De FRANS.

        Op myn dichtlust, stel de snaaren
        Op dit wenschelyke paaren
        Van Bertin en van de Frans;
        Waag een kansje na de krans.
        (5) Venus, wild met lieflyk woeden
        Voor een tyd myn zinnen voeden;
        Steek myn geest aan met uw vier,
        En begunstig myne Lier.
            Bruigom, die nu zoo veel dagen
        (10) Om de weêrmin hebt gaan klaagen;
        Hier is ’t einde van uw zorg;
        Want de Liefde blyft uw borg.
        Zie maar, hoe Mariaas oogjes,
        Onder de ebbebruine boogjes
        (15) Toonen, door dat glad vernis,
        Dat zy ook verwonnen is:
        Maar verwonnen om te winnen,
        Als gy hart en ziel en zinnen
        Saamen sluit in een verbond,
        (20) En verzegeld met uw mond.
[p. 170]
        Nu zal u de Liefde leeren,
        Hoe hy vreugde kan vermeeren,
        Als gy beide, in deeze nacht,
        Voelen zult uw leet verzacht.
        (25) Hy zal duizend lekkre lusjes
        Enten op uw lieve kusjes,
        Die gy niet en geeft zoo dra
        Of hy baauwtze u daatlyk na,
        Om weer nieuwe minnetrekken
        (30) In uw boezem op te wekken,
        Als zyn vlammen, heel verhit,
        Vliên van ’t een door ’t ander lit.
            Doch hoe ’t u word aangepreezen,
        Bruidje, gy schynt noch te vreezen:
        (35) Weet, die Venus spraak verstaan,
        Dat ze altyd te bruiloft gaan.
            Maar ik zie de schaamte gloeijen,
        ’t Bloed door uwe koontjes vloeijen:
        ’K zie u ook op elken tred
        (40) Beeven daarge uw voetjes zet.
        ’K zie de laauwe traantjes rollen
        Om aan Kuisheid te vertollen;
        Die alleen, uit enkle spyt,
        By zich zelfs de Min bestryd.
        (45) En gy kwaamt niet uit haar handen,
        Was zy meê niet bang voor ’t branden.
        Min is niet te keer te gaan:
        Zyne vlam steekt alles aan.
        Want daar Venus schiet haar lonken,
        (50) Springen uit de traanen vonken;
        En haar zoon uit vuurgebaard,
        Is meê van dien zelven aard.
        ’K zie zyn vlam al voor uwe oogen
        Om de traantjes op te droogen.
[p. 171]
        (55) Wat een aangenaam bedryf?
        Bruigom, spreek’er hart in ’t lyf:
        Maar gy voeld al meê de koortzen
        Van Kupioos minnetoortzen,
        En zyn brandklok moê geluid
        (60) Daagd u in het strydperk uit.
            Wild dan op zyn wenken passen,
        Eer de zon u komt verrassen,
        Die al door de wolken breekt,
        En zyn hoofd ten bedde uitsteekt.
        (65) Venus laat op uw gordynen
        Nu al duizend ligjes schynen,
        Die als gouwde starren staan
        Tint’len by de zilvre maan,
        Om uw zieltjes te doen stremmen,
        (70) Als zy in de weelde zwemmen,
        Op het dobbrend ledekant,
        En daar stooven in die brand:
        Brand om weer met brand te blussen,
        Door het slibberige kussen.
        (75) Heilige weelde zonder end,
        Die de zinnen keerd en wend,
        Dat’er, onder’t lieflyk woelen,
        Niet gevoeld word als gevoelen:
        Daar een riling door het bloed
        (80) Op en af loopt als een vloed:
        Nu wat sneller, dan wat traager,
        Na de Minnebuijejaager
        Weerzyds geesten heeft beroerd,
        En tot stormen aangevoerd.
        (85) ’k Voel ’t Idalisch vier meê blaaken,
        Tyd is ’t om myn spel te staaken,
        Eer ik, door dat zelfde vier,
        Zeng de snaaren van myn lier.



[p. 172]

TER BRUILOFTE

Van den HEERE

JOAN GYSBRECHT RUISCH,

Ritmeester ten dienste der Vereenigde Nederlanden,

En de Hoog Edel gebooren Jufvrouw

MEJUFFROUW

IZABELLE MARGARETE van ZYLL.

MAnhafte Bruidegom, voor ’t Oorelog geschapen,
Hoe nu! ’k dacht dat gy had voor Liefde een scheutvry wapen.
Waar is de dapperheid, de fierheid van uw hart,
’t Geen, midden in gevaar, nooit wierd van vrees benard?
(5) Of zyt gy by Fleury uit vuur en vlam getoogen,
Om dat gy zwigten zoud voor twee bekoorlyke oogen?
Wat onderscheid is dit? Eerst onder Mars bannier,
Te vliegen met uw Paard, en uw gevreesd rappier,
Door duizend lyken heen, daarge, als een Alexander,
(10) Wrongt uit uw’s vyands vuist, tot uw triomf, zyn stander?
En nu te buigen voor de vlag van Veldheer Min?
O ja! Gy doed het; doch het heeft zyn reden in;
Want Mavors zelve wierd van Venus overwonnen;
Niet door moorddaadig staal, maar door twee lentezonnen,
(15) Door twee schoone oogen, door een minnelyke mond,
Bekoorelyk gelaat, door vlechten schoon en blond,
Door aangenaame verf, door vriendelyke reden,
En door een Majesteit van welgeschikte leden;
[p. 173]
Al schichten, die een hart, al was ’t van staal of steen,
(20) Verwinnen konnen door een zoet geweld alleen:
Dat zoet geweld! En al die schichten, dat vermoogen,
Staan slagreê in het veld van Izabelles oogen:
Die Izabelle! Uw Bruid, met Pallas geest verzeld,
En Venus schoonheid, heeft u reeds ter neêr geveld;
(25) Niet om u leed te doen, maar om, met al haar krachten,
U goed te doen, zo wel met werken als gedachten.
Ha! zoet verliezen, aar men niet dan winst door krygt,
Als een verwonnene in ’s verwinsters armen zygt,
En daar zyn straf geniet. Ha! zoete straf, ha! strijen,
(30) Daar winst zit in ’t verlies, daar wellust zit in ’t lijen!
Dit valt u nu te beurt. ô Hoog gebooren Heer,
Uw Adelyk geslacht onfangt, en geeft hier eer.
De Huizen wederzds, zien, door dit wenschlyk Trouwen,
Hun’ luister eeuwen lang voor ’t woên der tyd behouwen!
(35) De Ruischen en van Zylls, noch nooit van deugd ontaard,
Zien Ploos van Amstels Stam aan Nyhoffs Stam gepaard.
Al edel bloed, waar op zich Neêrland moog verlaaten,
Wanneer het fier van hart, ten dienst der vrije Staaten,
In barning van geschil, manmoedig vol ontzag,
(40) Zich zelve waagen derft voor de eere van ’s Lands Vlag;
Want om voor uitheemsch kwaad de vesten te bewaaren,
Zyn Ruischen goed op ’t land, van Zyllen op de baaren.
Dies wachten wy, met reên, uit deeze Huwelyksband,
Vermeerdering van eer, en Zuilen voor het Land.



[p. 174]

TER BRUILOFTE

Van den HEERE

Mr. WIGBOLT SLICHER de jonge.

RECHTSGELEERDE,

En MEJUFFROUW

WENDELA van LOON.

WAt zyn schoorvoetende de slaaperige nachten,
Van uw eenzaame staat, vertraagd in uw gedachten;
Wat schold gy menigmaal den dag haare uuren kwyt
Toen u zo lastig viel de sukkelende tyd;
(5) Toen u zo lastig viel ’t doorbrengen van de dagen,
Die gy, ô Bruidegom! Versleet met kwynend klaagen.
Hoe akelig, hoe naar, hoe droevig, hoe benard,
Hoe lang, hoe bang was u ’t herdenken van uw smart,
’t Verlies van ’t eerste Lief! Nu is uw ramp verdweenen;
(10) Nu breekt een nieuwe Zon door al de nevels heenen;
Nu komt een schoone Maagd, met vriendelyk ontzag,
Uw smart verzachten op deeze aangenaame dag;
Dag! Die uw heil beloofd, dag! Die u zal doen smaaken
De vruchten van uw hoop, de lessing van uw blaaken,
(15) Met dubb’le woeker van ’t voorledene verdriet;
Terwyl ge uw schoone Bruid zo vergenoegd geniet;
Dat u de snelle tyd noch veel te lang zal weezen,
Eerge u van minnepyn ontlast of zult geneezen.
De kuische WENDELA, onkundig van haar kracht,
(20) Kend uw verlangen niet. Reeds naakt de naare nacht,
[p. 175]
Het stille Ryk der rust, om voor het Ryk der zorgen
Den dag, uw vreugd te zien met de opkomst van de morgen,
Laat al de starren vry vol glans op schildwacht staan,
En zien door dak en glas uw eerlyk vrijen aan,
(25) Zy zullen meêr vermaak in uwemin bespeuren,
Als toen Endimion Diane mogt gebeuren;
Om dat gy van uw Lief, uw Glans, uw Licht, uw Zon
Noch meer gestrookt zult zyn, als schoone Endimion
Gestrookt wierd van Diane op Latmos steile bergen;
(30) Want die dorst slechts ter sluik haar lief een vriendschap vergen.
Maar gy, in and’re stand, vereenigd door de trouw,
Vind in uw WENDELA, uw lief, uw hart, uw vrouw,
Uw troost, u eigen zelf, uw ziel, uw uitverkoren,
Geteeld tot uw vermaak, en tot uw heil gebooren.
(35) ’k Zie dat de Min, de Vorst der waereld hier verschynd,
De starren werden flaauw, de stille nacht verdwynd.
De Zon rold, door zyn glans, het weem’lend kleed der duister
Van ’s Waerelds aangezigt, en ryst, met grooter luister,
In ’t hartje van de kille en koudeWintertyd,
(40) Als ooit voorheen. Men ziet de Bruiloftszaal verblyd,
De SLICHTERS en VAN LOONS in volle vreugd verreezen,
Wyl’s Bruigoms Vader, met een achtbaar staat’lyk wezen,
Ziet in deez’ braave Trouw, deez ’kostelyke knoop,
Zyn wenschen niet alleen verzegeld, maar zyn hoop.
(45) Ga, Bruidegom, ga heen voldoe uw heet verlangen;
Ga heen, nu is het tyd om uwe bruid te ontfangen,
Die reeds, met traage tred, bedwellemd is van schaamt’;
Liev’ry ’t geen kuisschen past, ’t geen Bruiden recht betaamd.
Ga, ga, Heer WIGBOLT, ga; ga heen, ga met behaagen,
(50) On onbepaalde weelde, uw Lief uw hart opdraagen;
En wacht de schoone vrucht van uw volmaakte vlam,
Tot heil van uw beroemd Geslacht en Amsteldam.



[p. 176]

TER BRUILOFTE
br>Van den HEERE

JOHANNES de RENIALME
JANSZOON

En MEJUFFROUW

ALETTA van SCHUURING.

HEt gaat u voorwind, Heer Bruigom, ’t eerzaam leeven,
Is uit. Ik voel my zelfs van heilig vuur gedreeven,
Om op uw Bruiloftsfeest, daar Hymens Fakkel brand,
Te zingen hoe ge uw Bruid verwacht op’t ledekant;
(5) Gelyk Adoon, voorheen, naar al zyn minlyk karmen,
Smolt in het leevend sneeuw van Cithereas armen.
De groote Dondergod, Vrouw Junos Bruidegom,
Genoot zo veel vermaak in Venus Heiligdom,
Dat hy, verrukt van min, door ’t yverige woelen,
(10) Niet anders ovrig had dan alleen ’t gevoelen.
Neptuin belonkte zyn Amfitrite, en zag,
Hoe hy van liverlé met haar gestrengeld lag
Op ’t spiegelglas der Zee: Zy raakten beide aan ’t bloozen,
De wind rook naar Jasmyn; de golven scheenen roozen.
(15) Niet anders stak de Min, aan Hellespontes strand,
Van Azie aan Euroop het waterin den brand,
Wanneer Leander, naar zyn Hero toe gedreeven,
Zyn liefde hooger schatte als ’t missen van zyn leeven.
[p. 177]
Uw liefde, Bruigom, hoefd de liefde van Adoon,
(20) Neptunus, noch Jupyn, noch van alle Andre Goôn
Te wyken, want, uw hart, uw Ziel, uw tweede Leeven,
Uw Bruid, naar datze aan u zich over had gegeeven,
Bereidde u zo veel zoets, dat uw gedachten schier
Niet anders weiden als in vlam van Minnevier.
(25) Aanschouw nu dat gezigt, die schitterende lichten,
Die oogen, die een brand in alle uwe aad’ren stichten.
Aanschouw die boezem, die met zoet gewelt u boeid.
Aanschouw die lipjes daar de Nektar over vloeid:
Ei, naak haar lieve mond, zy zal, met malsche kussen,
(30) Uw opgehoopte brand aanstooken onder ’t blussen.
Nu zal de Diemermeer, des Amstels Paradys,
Uw vreugd deelachtig zyn. ’t Gevogelt’zal om prys
Door al de tellegen der boomen kwinkeleeren,
En uwe Bruiloftsdisch met minnezangen eeren.
(35) Het gantsch Idalie neemt uwen boomgaard in,
De planten, bloemen, en het kruid ontluikt van min.
De wind is vlam, die, als Pygmalion, het leeven
Aan al de Beelden in uw Lusthof schynt te geeven.
De Vyvers ruisschen, en de visschen op de grond
(40) Zyn mede om uwent wil van minnebrand gewond.
De Roomsche Keizers, die uw heiningen bewaaken,
Gevoelen de oude vlam, en yder schynt te blaaken
Van ’t vruchtbre Idalisch vuur. ’t Is Bruiloft overal,
’t Is Bruiloft, Bruiloft is ’t in het Idalisch dal.
(45) Kupido, met een zwarm van duizend Minnegoden,
Komt u, RENIALMA, op de grootste Bruiloft nooden,
Daar gy maar met uw Bruid de smaak van hebben zult;
De Bruiloftskoets is reeds met heilig spook vervuld,
Daar zult ge uwe vreugd een ruimer aamtocht geeven,
(50) En uw nakomeling afschetsen naar het leeven,
[p. 178]
In schildery van u om haare deugd bemind,
In schildery daar gy zo groot vermaak in vind,
Dat al de Meesters, die uw’wanden en uw’zaalen
Om uwe kennis en liefhebbery bestraalen,
(55) Bekennen zullen dat haar kunst maar is kopy,
Als zy door uw penseel een leevend schildery,
Na negen Maanden, zien op’s Moeders armen pronken.
Ga dan, ô Bruigom, ga; ik merk wel, aan uw lonken
Waar uw gedachten zyn. De nacht deist al voor ’t licht.
(60) Uw Lief is niet alleen geschapen voor ’t gezigt.



[p. 179]

TER BRUILOFTE

Van den HEERE

JOHANNES ANTONIDES
VAN DER GOES,

En MEJUFVROUW
SUZANNA BORMANS.

Hoe nu, Antonides, wat dolheid noopt u zin?
Gy meê getroffen door de schichten van de Min?
Gy meê verweezen om uw vryheid te verliezen?
Wat razernye is dit? gevankenis te kiezen,
(5) Een slaavernye, een band, voor zulk een groot gemoed,
Voor zulk een wakk’re ziel! wat druk, wat tegenspoed
Heeft uw verstand bedwelmd? dat altyd wel bescheiden,
En wel gematigd, zich niet lichtlyk liet verleiden.
Hoe is het groote geest, hoe is ’t Antonides,
(10) Apolos dubble Zoon, volgd gy de Minneles?
Maar ach! Wie volgdze niet, en wie word niet geslagen
Die met de Minnegod een kans bestaat te waagen.
Gy hebt verlooren, maar gy wint by uw verlies.
Dat elk dan op zyn tyd die banden vry verkies’,
(15) Die niet alleen veel heils verwekken door’t genoegen
Van wedermin; maar die de zielen samen voegen,
Waar door men onbepaald in volle vreugde leefd,
Die niemand schatten kan dan dieze ontfangen heeft.
Nu weet ikeerst waarom Kupido dus verbolgen,
(20) Met boog, en pylen u zo hevig dorst vervolgen;
[p. 180]
Waarom hy zyn geweer dorst wetten op een hart
Dat altyd scheutvry scheen voor Min, en minesmart:
’t Was maar alleen uit spyt; want hy, ziende u verheven,
En zo vol gaaven daar gy toe wierd aangedreven
(25) Door lust tot weetenschap, zo was ’t dien Wuften leet,
Dat hy uw konst niet meer zag aan zyn vlam besteed;
Want uw gedachten, van een hooger geest bevangen,
Verkozen ’t heldendicht voor ’t teed’re minnezangen:
’t Zy gy den Oorlog zongt, te lande of op de zee:

(30) Het zy gy na die storm zongt de aangenaame Vrêe:
Of onzen Ystroom hebt vereeuwigd door uw’ dichten:
Die, zo lang neerland blyft, heel Neerland zullen lichten.
Noch zietge u door natuur en konst al meer vereerd,
Wanneerge in Artzenye uw zelfs vind uitgeleerd,
(35) Als gy door middelen van ’t vuur, en kruiderijen
De kranke harten van uw kwaalen kunt bevrijen.
Deez’ gaaven maaken een dubble Febus zoon;
Die voeren by de Bruid u op de hoogsten troon:
Uw Bruid, uw lieve Bruid,die van één geest gedreeven.
(40) Als gy, ô Bruidegom, meê na haar dood zal leeven:
Die door de dichtkunst zal beklimmen ’t hoog Parnas,
Daar zy al lang met u in haar gedachten was.
Kom reik haar uwe hand, en volg Diones troepen.
My dunkt ik hoor van ver de kleinen God al roepen:
(45) Hou, jonge Febus, hou, uw Dafne vlugt geen meer,
Zy legt haar Lauwren by u Lauwren willig neêr,
En moeder mengeld die met haare martelaren.
Zie hoe naar ’t maagdebed myn twee Gebroeders naadren:
Zie hoeze lonken, om Suzanna, in hun brand,
(50) Te koestren met vermaak op ’t huwelyks ledikant.
Wat ongewoonte is ’t, ach! wat vreemde minnevlaagen,
Zyn u, Antonides, nu om het hart geslagen?
Uw ziel onvliegt u, en het schynt dat nu de Min
Al uwe zinnen heeft gesmolten tot een zin.
[p. 181]
(55) Wat vreemd gevoelen, in een doolhof van gedachten,
Zal by u, en uw Bruid, zielroerende vernachten.
Wat wagt de Maas een schat van wysheid uit deez twee:
Wat brengt de hoop hier met dit paaren schatten meê;
Waar doorwe in ’t korte zien de konst in top geheven.
(60) Zit in de spruiten ’t een de stammen is gegeeven,
Zo ryst’er aan de Maas een tweede Helikon:
Zo draagt het Aardryk, als de Hemel, mede een Zon;
Zo groeid, zo bloeid de konst, en alle gemeenschappen,
Zo zal men met gemak de steilen berg bestappen,
(65) En drinken met meer vrucht de zuivre Hippokreen.
Gaat dan, Gelieven, meng uw geesten onder een;
Verwekt Apolles die de waereld overlichen;
Zo zult gy met’er tyd op Aarde een Hemel stichten.



[p. 182]

AVONDZANG.

Wat Godheid komt myn ziel ontfonken?
    Wat dubb’len yver dryft myn geest?
    Wat hertstocht treft my ’t allermeest?
Ik word van liefde en blijdschap dronken.
    (5) Wat blaastge my, Heer meester Min,
    Een heilig vuur ten boezem in.
Kost my uw toorts een pen verstrekken;
    Dat gy myn inkt uw vlamme schonk,
    Een ieder letter wierd een vonk,
(10) En vuur al myn verliefde trekken.
    Al zengde ik veder en papier;
    Al raakten ’t al in vlam en vier,
Ik zou gewillig met u branden:
    Ik hielp u, van deeze avond, meê
    (15) Het bedde spreijen voor deez’twee:
Ik hielpze strikken in uw banden:
    En dreef terstond, in adre lucht,
    Al hunne geesten op de vlugt.
Maar waar verdwaalen myn gedachten;
    (20) Hoe slaat myn oordeel dus ver mis,
    Terwyl ik zoek ’t geen godlyk is,
En ’t geen men maar van u moet wachten.
    Wy wachten ’t van u, kleine God,
    En vliegen wêer op uw gebod.
(25) ’k Heb mede al op myn beurt gezongen,
    En ’s Bruidjes gaaven getrompet;
    Nu zoek ik haar naar ’t Bruiloftsbed
Te leiden; had ik duizend tongen
    Zy baden u al teffens aan,
    (30) Als ik voorheen wel heb gedaan.
’k Tracht hier myn yver te doen blyken
    Ik zoek de prys niet door myn zang?
[p. 183]
    Antonides eeft zelfs voorlang,
Met de eerkroon weeten heen te stryken:
(35)     Hem voegt wiens pen al wat leefd
    In Neêrland reeds veroverd heet.
Gy hebt zyn jeugdig hart geschoten;
    Genees het weder van zyn wond:
    De balsem leid in ’s Bruidjes mond;
(40) Een Nektar die gy heb genooten
    Ter sluik, wanners lag en sliep,
Alsge u in tocht, of wind herschiep.
’t Gaat wel, gy schynt myn bêe te hooren.
    De wellust neemt dekamer in:
    (45) De wanden gloeijen zelf van min.
Al wat ik zie kan my bekooren;
    En de offerhande is al bereid:
    Ontfangtse dan tot dankbaarheid.
’k zie ’t leelant vol jonge zonnen;
    (50) Vol lachjes, en vol lonkjes staan:
    ’k zie Zon, en Maan hier ondergaan.
Een Hemel heeft dit bed gewonnen.
    Suzan! Wat Godheid voeld gy niet,
    Nu ge alles onbevlekt beziet.
(55) Schynt hier de Hemel niet gevallen?
    En treede ik door geen starren heen?
    Of zou ik my bedriegen? Neen:
Ai, zieze eens schit’ren, zieze eens brallen:
    Ach! Ik bedrieg my evenwel;
    (60) ’t Is Venus met haar guigchelspel.
’t Werd tyd om eens een eind te maaken.
    Tast toe, Antonides, uw Bruid
    Steekt onbeschroomd haar armen uit.
Wy wachten vruchten voor dit blaaken.
    (65) Gaat dan vereende twee, ai gaat,
    Eer ’t vuur door muur, en daken slaat.



[p. 184]

TER BRUILOFTE

Van den Eerwaarigen

Heere JAN de ROY;

Leeraar der Gereformeerde Gemeente;

En MEJUFFROUW

Mejuffr. ANNA SCHOLTEN.

HOE zeer den mensch zich zoekt te sterken door de reden,
Wanneer de hartstocht werkt van zyn genegenheden,
Hy staat verbaast, en diep versteld in zulk geval,
Weet nauwelijks wat het is ’t geen hem genaaken zal.
(5) Gy kunt, Heer Bruidegom, hier van met recht getuigen,
Wel weetende dat elk moet voor de liefde buigen;
Want hoe gy scheent gehart, om haar het hoofd te biên,
Gy most u evenwel in ’t kort verwonnen zien;
Maar zulk een nederlaag, veroorzaakt door beminnen,
(10) Wat maaktze een zoet geweld in recht verliefde zinnen!
En als ’t geliefde, meê van zulk een drift geraakt,
Schenkt zoet voor zoet, daar ’t hart van wederzyds na haakt,
Dan is ’t een Hemel op der aarde vol vernoegen,
’t Geen hartenmaatschappy de zinnen toe komt voegen;
(15) Want eens te zyn van wil, van neiging, en gemoed;
Verstrekt een borstweer in verdriet en tegenspoed;
En wie kan anders of door woorden, of gedachten,
Van U, vereende twee, of denken, of verwachten?
[p. 185]
Terwyl geen inzigt uw begeertenis heeft verrukt,
(20) Dan die de eerwaarde deugd had in uw hart gedrukt.
Deeze eensgezindheid, die de zielen doed verblyden,
Is recht afkomstig van de aloude goude tyen.
Weg aak’lige eenzaamheid, namaagschap van de nacht;
De Bruigom is nu moê. De vreugde, in volle kracht,
(25) Verwekt op ’t aanschyn van de Bruid de friste roozen,
Die, spyt het winterweer, met schooner luister bloozen.
Natuur, steets vruchtbaar, schept een lente op haare kaak,
En maakt gereedschap tot een onbepaald vermaak.
’k Zal van de eerwaardigheid van ’s Bruigoms ampt niet spreeken;
(30) Hoe zyn begaafde tong zou steene harten breeken.
Elk voegd best op zyn beurt. Het Hemelsch heeft zyn tyd,
Het Waereldlyke mede, als ’t niet tot schâ gedyd
Of nadeel van de Ziel. De reden zet het paalen.
’t Lust nu myn Zangeress’ zyn vreugde eens op te haalen,
(35) Te volgen, tot daar hy, als zyn verlangen stuit,
Vernoegd in de armen vald van zyn verkoore Bruid.
In welkers oog ik zie de bloode kuischheid pronken,
En de eerb’re zedigheid is gierig op haar lonken,
Schoon openhartigheid, dat aangenaam sieraad,
(40) Met vriendelijkheid verzeld, in ’t vrolyk weezen staat,
De tyd genaakt alleng, en is by na verstreeken,
Terwyl de nanacht reeds de kimmen is ontweken.
De klaare morgenstar, voorboode van den dag,
Bestraald de Bruiloftskoets met een verliefde lach.
(45) De Maan, stadhouderes van alle mind’re lichten
Des Hemels, zal, eer wy haar wis’lende aangezichten
Tien maal herschapen zien, ons toonen, na haar wet,
De vruchten van de Roys en Scholtens bruiloftsbedd’



[p. 186]

Gedachtenis ter zilveren Bruilofte

Van den HEERE

DAVID RUTGERS,

En MEJUFFROUW

MARGARETA BLOK.

Als de aarde, eerst ruw en grof, gebragt wierd in een stant,
Van welgeschiktheid, door des Albestierders hand,
Plante elk in Vree zyn Graan, zyn Wyngaard, de Olyven:
De waereld was in rust: men mogt met vreugd bedryven
(5) Zyn vruchtbaare arrebeid: Elk leefde van zyn zweet:
De eenes welvaart was des andrens immer leet:
De lantman ruste in schaauw van bladerryke linen:
En de Aker wierd beploegd van zwoele Weste winden:
Het was’er altyd Lente: elk was zyn eigen Heer:
(10) ’t Gewas stont nimmer ter genade van het weêr.
Toen was ’t de Goud eeuw. Nu, ô Goddelooze tyen!
Weet niemand als van haat, vervolgen, en benyen.
In dezze barrening van bystren overmoed,
Ziet elk uit uw gelaat, de drift van uw gemoed,
(15) O David! Die, vol vreugde en yverige lusten,
Van weldoen nimmermeer verflaauwen zult noch rusten.
Laat ons in de yzere eeuw, uw Zilver Bruiloftsfeest
Met blyder harten, en met onbekrompen geest,
Als ’t eerste Bruiloftsfeest van uwe trouwdag, vieren.
(20) Voegd hier geen Maagdepalm, hier voegen wel Laurieren:
[p. 187]
Die hebt gy nu verdiend met uwe MARGAREET;
Die uwe liefde houd, en trekt als een Magneet;
Waar van de Vruchten hier noch voor uw oog verschynen.
O Zoonen! Kan de vreugde uws Vaders wel verdwynen
(25) Wanneer hy u aanschouwd? Hy ziet door uw gezigt,
En door uwe oogen steld hy zyne deugd in ’t licht.
O Vader! Waardig voor die zoons. Wie raakt dit nader,
U, Vader? Of, u Zoons, van zo beroemden Vader?
Die, schuw van eigen lof, u goude lessen geeft,
(30) En, onbesproken, min voor zich, als andren leefd:
Die nimmermeer en vreest voor ’t ongebooren morgen:
Die ’s avonds met zyn hoofd legt neder al zyn zorgen:
Die zich in deugd verheugd, in ’t kwaad zich zelve kweld;
En schande acht dat men deugd in zondes opzigt steld:
(35) Die zelver goed doet aan de geen die hem belaagen:
En eerder ’t kwaa vergeet, dan dat hy des zou klaagen:
Die steets hoord met geduld, en antwoord met verstand;
En staat, voor de arme liên, altyd met pen hand.
O milde geever! Schaars ontmoet men uws gelyken,
(40) En vraagt men naar bewys, gy toond ons daaglyks blyken,
Als tweede Vader van de Weezen, die, met vreugd,
Hun armoede, en gebrek vergeeten, door uw deugd.
O welgeschapen Man! Ô Man der goude tyen!
Uw lieve bedgenoot mag zich hier in verblyen;
(45) Gy deeld gelyk in deugd; uw jeugd beloofde ’t al:
Uw meester leerde u ’t os en wankelbaar geval
Des waerelds; leerde u ook gelyk in deugd opwassen.
Dank hebbe uw wil, uw zin die by elkander passen.
’K vind’zo veel gaaven in u beiden, zo veel stof,
(50) Dat ik liefst zwyge eer dat ik stamer in uw lof.
Ik keer weer tot uw feest, met eene tot myn plichten;
Want anders feilde ik licht in d’orde van myn dichten.
’T is vyf en twintig Jaar, ô nieuwe bruidegom!
Datge eerst uw Bruiloft gaaft, zo doetge nu weerom;
[p. 188]
(55) En met een zelve Bruid, die Bruid weer met die Minnaar,
Die nu herhaald de tyd van toen hy werd Verwinnaar.
’k Zie uw genooden, blyde en wel vernoegd van geest,
Versieren uwen disch, en dit gelukkig Feest.
Elk wenscht, tot verder spoed, het glas te laaten klinken,
(60) Om dat vryborstig op uw’ welvaart uit te drinken.
God zegene u op nieu, Gelieven. God bewaar’
Uw huis, en Kinderen voor onheil en gevaar.
Uw Zoonen, jong bejaard, maar nu al oud verheven
In deugden, die reets staan in hun gezigt geschreeven,
(65) Zyn blyde op ’t Zilver Feest, en wachten ’t Goude ook af;
Ten zy het Godt eerdat Vaader daale in ’t graf;
Die dan verryzen zal in vreugd, van alle kanten;
Daar ’t licht straald door kristal’, en goud, en diamanten:
Daar ’t eeuwig bruiloft is, daar eind is, noch begin:
(70) Daar ’t leven word vernieuwd: daar ’t nooit ontbeekt aan min.
Daar ’t leven! ô vermaak, ’t geen we allen wachten,
En dat ik deze Twee toevoege in myn gedachten.
Godt geeve hen nogmaals al myn wenschen in ’t bezit,
Zo blyven zy voldaan, en ik beschiet myn wit.



[p. 189]

TER BRUILOFTE

Van den HEERE

JAKOB van GELDER,

En MEJUFFROUW

ANNA van der VECHT.

KLINKDICHT.

    O Wak’re Bruidegom, die uw volmaakte Bruid,
Na minnelyk gesmeek, zult in uw armen ontfangen.
Wat vreugde zal de smart geneezen van’t verlangen!
    Wat gaat gy stryken met een onwaarneembare buit!
    (5) De blijdschap van uw hart straald vast uwe oogen uit:
Wat zult gy in een strik van wellust blyven hangen!
Die u, met zoet geweld, zal kluisteren en prangen,
    En die ’t volmaakte goet de liefde in zich besluit.
Bekoorelyke Bruid, ai! zie uw’ Bruigom lonken,
(10) Gy voeld van ’t zelve vuur uw boezem mede ontvonken,
    Wat heil werd u beloofd door deeze huwelijksband.
Nooit stelde ik hooger toon op myne laage snaaren,
Als nu ik in uwe Echt, zie met genoegen paaren,
Deugd, Rykdom, Schoonheid, en het hemelsche verstand.



[p. 190]

TER BRUILOFTE

Van den E.E.

GYSBRECHT van BALEN,

En de E.E.

ANNA van WESTERWYK.

Gy, door wiens gunst wy zien al wat men schoon kan heeten,
Die alle wellust, en vermaak ons toe kun meeten,
Die met uw’ fakkel al het aardrijk overstraald;
Geneuchlyke Tiran, waar door men ’t hart ophaald;
(5) Heer Meester Min, ontsteek myn’ zinnen met uw’ straalen,
Om op dit Tafereel uw werking af te maalen.
    ’t Was in de nanacht, als van BALEN wierd ontwaakt,
Wanneer zyn twistend hart de Geesten gaande maakt,
Die, woelende in een zorg, en doolhof van gedachten,
(10) Niet weeten watze zien, genieten, of verwachten:
Uit deze dommeling geraakt’ hy niet zo ras,
Of hy gevoelde dat die mijmering liefde was;
Een liefde die zo sterk zyn boezem wam te prangen,
Dat al zyne hoopen, al zyn wenschen, en verlangen,
(15) Alleen maar haakten naar verliching van een smart
Die onmedogend hem vervreemd had van zyn hart:
En naar veel overlegs van drie bekoorlijkheden,
Word zyne verliefde ziel van vreemde stryd bestreden:
Dan was ’t Suzanna daar hy van verwonnen scheen;
(20) Da was ’t Johanna die zyn vryheid voerde heen,
[p. 191]
Dan was het Anna, maar ’t bleef ANNA, die de zegen,
Schoon datze ’t niet en wist, heeft op zyn hart verkreegen.
Nu wierd het tyd om eens te smeeken om haar gunst,
Van BALEN voegde toen welsprekendheid by kunst.
(25) Ay zeg hy, schoone ziel, met uw’ betoverende oogen,
Zo vol van minzaamheid als teffens van vermoogen:
Zeilsteenen van myn ziel, en Bosschen van de Mn.
Ach wat gevoeld myn hart! Ach waar verdwaald het in!
Wat kleuren zyn het die op uwe kaaken bloozen.
(30) ’K zie blanke Lelyen gedommeld onder roozen.
Ik zie de Nektar van uw’ lipjes, die zo vers
Zich voordoen, als de glimp en ’t purper van een kers.
Ach! Schoone, die my van myn’ vryheid komt berooven,
Die neen zegt met de mond; mogt ik uw oog geloven.
(35) Och! Dat uw oogje was de Tollek van uw hart,
Zo zou die voorspraak my geneezen van myn smart:
Uw oogje schynt veel meer als wel uw mond bewoogen;
Is uwe tong beschroomd, zo antwoord met uwe oogen.
Och! ’t hart hangt tusschen beide, en komt tot geen besluit.
(40) Spreek, Zoete Ziel, ei spreek ee gunstig vonnis uit:
Of zyt gy zonder hart? Sluit dan toe zulke lichten,
Die onophoudelyk brand in myn boezem stichten.
De glans valt veel te sterk die gy aan my vertoond:
Verschoon, dat bidde ik u, het huis daar gy in woond,
(45) Gy, die de Winter zo gelyk zyt, leg eens neder
Uw strengheid, en wil toch ontdooijen met het weder.
De lucht ontlaat; maar Gy, Gy blyft al even straf:
Gy neemt in koelheid aan, ’t weêr neemt in koelheid af.
Natuur schiep, ’t is wel waar, de Vrouwen weigerachtig;
(50) Maar dat noopt door de min des Minnaars herte krachtig,
Waar door hy onvermoeid vervolgd ’t geen hy bemind,
En nimmer af en laat voor dat hy overwind.
Naar al dit smeeken aan zyn Lief, zyn Uitverkooren,
Doed zy hem meerder zien als hem haar mond doet hooren;
[p. 192]
(55) Het oog trad in het Ampt van een beklemde tong:
Ja zegtze met een knik, zo dra hy die ontfong,
Gevoeld zyn hart ee vreugd die niet is uit te spreeken.
Zy zucht. De kuischeid had die zucht haar ingesteeken.
De Min in tegendeel gaf haar weêr nieuwe moed;
(60) En ’t wederzydze leet wierd met ee kus beboet.
Nu naakt de stond vast om ’t gewone weêr te heelen,
De Lachjes zullen u, Gelieven, vrindlyk streelen.
De maan roept u te bedd’. De starren strooijen vaak,
En lachchen zelfs om uw geooreloofd vermaak.



[p. 193]

Geval op myne Kleefse Reize,

onder het gezelschap

Van den Heere BRUIDEGOM

GYSBRECHT van MEEL,

En Mejuffrouw BRUID

KLARA BOUWENS.

        Myn geest, uit Amstels lucht geweeken,
        Schept adem in een frisser lucht,
        Zy komt door dikke nevels breeken,
        En ryst veel hooger in haar vlugt;
        (5) Zy daald, zy daald op groene bergen,
        Van ’t vruchtbare en hooge Kleefse Land,
        Die met hun kruin den Hemel tergen;
        Daar stuit haar vlugt, daar houd zy stand,
        Apollo komt haar zachtjes streelen,
        (10) En koestrend haer met voedzaam licht;
        De zuide en de weste winden speelen,
        En zweeven voor myn aangezigt.
            O Helikonse Zanggodinnen!
        Gezusters van de goude Zon,
        (15) Ik zal een Bruilofts lied beginnen;
        Besproeid my met uw hengste bron.
        Wie zal myn yver dan bedwingen;
        Als ik uw gonst hebbe op myn zy?
[p. 194]
        Wie zou niet openhartig zingen?
        (20) De BRUID en BRUIGOM staan’ er by.
        Maar hoe! bedriegen my myne ooren?
        Wat galm daald hier van boven neêr,
        Die, als ik spreek, my weer doet hooren
        De zelve klanken keer om keer?
        (25) ’t Zy gy van Goden komt of menschen,
        O Galm! Die myne ziel bekoord,
        Verhinder my niet in myn wenschen,
        En zoo gy my met liefde hoord,
        Ik bidde u, Antwoord op myn vraagen;
        (30) Onvouw het noodlot van dit Paar;
        Hoe zal de loop zyn van hun’ dagen?
        Met vreugd verzeld, of met gevaar?

GALM,
        De Rotte en Maas zal triomfeeren,
                                De Bruigom mêe.

        (35) De Bruid zal nimmer vreugde ontbeeren,
                                Steets zyn te vreê.
        De liefde zal haar heusch bejeeg’nen
                                De Bruigom mêe.
        Merkuur zal zynen handel zeeg’nen

                                (40) Van stêe tot stêe.
        ’s Bruids heil zal met haar jaren groeijen:
                                Des Bruigoms mêe;
        En alles zal van zelfs toe vloeijen
                                Op hunne bêe.

        (45) De Bruid zal gonst van de Eendracht winnen,
                                De Bruigom mêe.

[p. 195]
        Zy onderling elkander minnen,
                                Bevryd van wêe.
        De matigheid zal haar bestieren,

                                (50) De Bruigom mêe:
        Fortuin zal hen de teugel vieren
                                Te lande en zee.
        ’s Bruids vrinden zullen zich vernoegen;
                                Des Bruigoms mêe:

        (55) De Hemel hen een schat toe voegen,
                                Van Land en Vêe.
        De Min zal ’t Bruidje kinderen geeven,
                                De Bruigom mêe.
        Zy samen Landen, naar dit leeven;

                                (60) Op goede Rêe.

        Mit was de Galm myn geest ontvloogen;
        Ik twyffelde of ’k hoorde of zag,
        Ik vroeg het aan myn oor en oogen;
        Maar die vernamen geen gewag.
        (65) Heeft u de Hemel dan beschooren
        Zoo heerlyk lot, vereende twee,
        Gelyk de Galm my heeft doen hooren?
        ’k Gun ’t u van harte, en deel ’t met u mêe.



[p. 196]

AAN DEN HEERE

ABRAHAM VANDEN BOGAART,

En MEJUFFROUW

ALIDA van DIEST.

Als ik in ’s Graavenhaage op hun Bruiloft kwam.

WAt mag de Vyvernimf wel in haar Kerker droomen,
Nu zy my, waarde vrind, hoord op uw Bruiloft komen;
Indien het glib’rig ys haare oogen niet en sloot,
’K zou zien met wat een hart zy my haar gunst aanbood:
(5) Zy zou om uwent wil, en om uw Bruid my leeren,
Met welk een hooge trand ik moste uw trouwdag eeren:
Zy zou my zeggen, en verhaalen uw gevry,
En voeren ALIDA al speelende naat ’t Y.
Maar ach de Wintervorst! de Wintervorst! verbolgen,
(10) Wil niet dat zulk geluk my op myn wensch zal volgen;
’K zal, schoon men my ontzeid dat lieflyk onderoud,
De dorre takken van het Haagsche Lindewoud,
De Straatweg na de Zee, de Duinen, en de baaren,
Myn eenigste oogwit, en myn wenschen en verklaaren.
(15) Hoor toe dan Straatweg, hoord gy Duinen, en gy Zee,
En dorre Takken, want ik deel myn wensch u mêe:
Gy hoorden, en hoord noch somtyds, de galm der snaaren
Van Constantyn, die gy wel eeuwig moogt bewaaren.
Myn Luit, op laager toon gespannen en gesnaard,
(20) Eischt niet dat gy haar galm, maar wel haar wensch bewaard.
    Dat dan, noch ongeval, noch tegenspoed, och plaagen,
Dit wel gehuwde paar, moog drygen, noch belaagen;
Maar dat Fortuin haar steets stantvastig blyve by,
En dat haar welvaart nu, en naamaals eeuwig zy.
[p. 197]
(25) Op dat de vruchten, die wy uit deze Echt verwachten,
Door deugd, en yver mêe na zulk een welvaart trachten.
Zo bouwenze aan haar heil, en zetten voorspoed pal,
Die de ongena ter tyd, door deugd, verduuren zal.
Dan zullen kinderen, kinds kind’ren, en naneeven,
(30) Een loflyk voorbeeld aan de volgende eeuwen geeven.
Dit is myn wensch, die uit myn hart haar oorsprong nam;
’K beveel die aan den Haag, en wachtze ook te Amsterdam.



TER BRUILOFTE

Van den HEERE

GEORGE MUNNNIK,
kEn MEJUFFROUW

FRANCINA van UCHELEN.

DE Zomer, die en kruid, en loof, en bloemen geeft,
Waar in ’t gevogelte langs berg en Bossche zweefd,
En tjilpt, en zingt, en zwierd door weelderige blaad’ren,
Daar ’t lieve gaaike komt zyn wedergaaike nad’ren;
(5) Die blyde Zomer heeft een wond’re zoetheid in,
Zy is een hof van vreugd geweerschot door koning Min.
Maar midden in de kouw van ’t winterweer te blaaken,
Te voelen Liefde die het hart aan band doed raaken,
Heeft vry wat anders in; dat voeld de Bruidegom,
(10) Die brand, die blaakt, die smeuld, die blaakerd om en om,
[p. 198]
Daar ’t alles kil is en bevroren. Dat FRANSYNE
Hem jaren achter een in zulk een gloed verschyne,
En baare en wekke in hem zulk een verwarment vuur,
En koest’re en streele, en vly dat yder dag en uur,
(15) Een jaar een maand, een eeuw een jaar voor hem moog weezen,
Zo voeld hy zich vernoegd in nieuwe vreugd verreezen,
Vergeetende alle zorg, en al ’t voorgaande leet,
’t Geen hy al zuchtende in haar liefde heeft besteed.
Hy denkt niet om de winst gehaald door veel gevaaren,
(20) In ’t zwerven heen en weêr van de Indiaansche baaren,
Met onvermoeide vlyt, ten dienst der Maatschappy,
De Liefde zet hem nu een and’re luister by;
Zyn heil is nu zo groot, zo hoog in top gereezen,
Dat hy Japan vergeet, en handel met Chineesen.
(25) Het magtig Amsterdam schenkt hem een ander zoet,
’t Geen al de geesten streeld, het lichchaam, en gemoed.
Hy ziet van UCHELEN nu aan met vleijende oogen;
Geen wonder, want zy is van zulk een groot vermogen,
Dat yder een verbaast die schoonheid aan moet zien,
(30) Indien zy maar een lach, of lonkent oog wil biên.
Ze is minlyk in haar doen, en aangenaam in ’t spreeken,
En zo haar iets ontbreekt, zo zyn ’t alleen gebreken.
Veel heil gelukkig Paar, zo wonder vergenoegd.
De Deugd en Rykdom heeft uw naam in een gevoegd.
(35) De Liefde uw hart en hand, en uw vereende zinnen.
Blyf, blyf elkander dus jaren lang beminnen.
Wy wachten ui uw echt, eer dit nieuw jaar noch end,
Een jonge spruit waar in uw gaaven staan bekend.

Continue
[p. 199]

VOORSPEL,

Vertoond ter openinge,

Van de

SCHOUWBURG.

In Sprokkelmaand, 1678.



[p. 200: blanco]
[fol. Cc1r, niet gepagineerd]

Aan den

LEEZER.

AL hoewel dit voorspel gepast is op het treurspel van Geerard van Velzen, en ’t kluchtspel van Waarenar met de Pot, beide door den ontsterffelyken poëet P.C. Hooft, Ridder, Drost te Muiden, &c. gemaakt; om dat die spelen voor de allereerste maal na de opening der Schouwburg vertoond zyn, zo zal het evenwel op eenige daar aanvolgende speelen gepast worden; en dan na de gelegenheid der stoffe, ende maakers zodanig aan het end veranderd worden, als de nieuwsgierigen zullen konnen hooren.



[fol. Cc1v, niet gepagineerd]

VERTOONDERS.

                FAAM.
                MOMUS.
                KUPIDO.
                MELPOMENE.
                THALIA.
                MINERVA.



[p. 201]

VOORSPEL,

Vertoond ter openinge

Van de

SCHOUWBURG.
___________

EERSTE TOONEEL,

Het Tooneel verbeeld een zeer wellustig Landschap
omtrent de berg Parnassus.

FAAM.
IK zie de landstreek, daar de wyste letterhelden
Van allen eeuwen af veel wonderen van melden.
Gints ryst tot aan de lucht de hooge Helikon:
Daar vloeid de Hippokreen, de zuivre Hengstebron
(5) Die Pegasus ontsluit, als hy Auroor doed daagen,
En baand de Zon een spoor voor zyn vergulde wagen.
Hier word de wysheid van Apollo aangekweekt,
Die met zyn helder licht door alle nevels reekt,
En schenkt het aardrijk glans it zyn doordringende oogen.
(10) Ik kom hier op ’t gebod van Pallas aangevlogen,
Om na Thalia, en Melpomene te zien,
En aan de waereld uit te breiden haar gebiên.

        Hier bazuind de Faam, en spreekt daar na:

Men zal op hoop van vreede, en onder nieuwe wetten,
Tot leerzaam tijdverdrijf, de Schouwburg open zetten.




[p. 202]

TWEEDE TOONEEL.

KUPIDO, MOMUS, FAAM.

Kupido, als Pekelharing, en Momus als Kalchas gekleed, komen ter zyde van het Tooneel vol blydschap uitspringen.

MOMUS.
(15) DAt lieffelyk geluid is my zeer aangenaam,
Zo ik ’t gelooven mag. Maar zacht, daar is de Faam.
KUPIDO.
Kom, onderzoekenwe eens of ’t waarheid is of logen:
Want ’t is het eerste niet dat zy ons heeft bedroogen.
MOMUS.
Dat’s waar, het geen zy zegt heeft vaak een dubb’le zin.
(20) Ik geef my naar haar toe. Wel, vliegende Bodin,
Wat nieuwigheid is dit, die gy, met ronde wangen,
Zo heftig uitbazuind? Ei help ons uit verlangen;
Wat zal de Schouwburg toch?
FAAM.
                                              De Schouwburg zal voortaan,
Gelyk gy hebt gehoord, voor elk weer open staan.
(25) Maar wat zyt gy voor volk?
KUPIDO.
                                                    Wy zyn twee groote Heeren;
Die daaglyks met de Goôn wellustig banketteren:
Ik dien somtijds dat volk voor meester koppelaar:
Myn meeste handeling bestaat in lichte waar:
’k Slacht u al dikwils mede in voorbedacht te liegen:
(30) De proeven van myn konst zyn vleijen, en bedriegen.
Ik ben Kupido.
FAAM.
                        Maar, hoe komt gy dus geleed
Gelyk een bontekraai?
KUPIDO.
                                    Ik maakte my gereed
[p. 203]
Om in een pakhuis, met de jonge maats, te speelen
Voor Pekelharing: maar nu zoeke ik meê te deelen
(35) In de openbaare vreugd, zoo ’t waar is ’t geen gy zegt.
FAAM.
Uw makker wie is die?
KUPIDO.
                                  Al schynt hy slecht, en recht,
Hy steekt vol guitery: de kwant heet wondre streeken:
’t Is Momus, die gy ziet in Kalchas kleed gesteeken;
Om weêr de waereld door te stryken in die schyn,
(40) En ’t volk te kwetsen met zyn overdekt fenyn.
MOMUS.
Wel ouwe Jongeling, God van verliefde zotten,
Dryft gy de spot met my, die niet en doe dan spotten:
En kentge u zelfs, noch al uw schelmeryen niet,
Als ’t kwaaddoen u ontbreekt, dan leefd gy in verdriet.
(45) Gy, die de menschen doed in dart’le lusten branden,
En na de schaduw van een schynschoon watertanden,
Wat is uw oogwit toch, als gy ’t heelal zo fel
Bestormd, en oproer wekt in Hemel, aarde, en hel?
Alleen om al wat leefd in ongeluk te brengen.
(50) Gaatge u niet dagelyks in proozekluchen mengen,
Zeg, wufte bengel? zeg brandstroken? loogenaar?
Om liefde, en logens weêr aan ’t volk in ’t openaar
Te veilen: en de jeugd te ontstichten, en te onteeren:
Daar ik, wanneer ik spot, maar spot, om ’t volk te leeren,
(55) En elk de waarheid zeg, schoon ’t niemand gaarne hoord.
KUPIDO.
Hoe Momus, is het ernst? my dunkt gy zyt verstoord.
MOMUS.
Gansch niet, Kupido; maar ’k moet u de waaheid zeggen,
Ik ben ’t gewend.
KUPIDO.
                            Gy diende ook zo niet af te leggen,
[p. 204]
Indienwe vrienden zyn, en blyven zullen: want
(60) De Schouwburg gaat weêr op: een kolfje naar uw hand,
Wanneerwe maats zyn, om u weêr geacht te maaken.
Laat ons malkand’ren niet, maar laat ons and’re raaken.
Wy vinden allebei nu overvloed van werk.
Gy hebt veel opgegaard, tot last van staat en kerk,
(65) En kunt, (’t Tooneelspel wil het schempen best gedoogen)
Weêr ieder eens gebrek doen druipen in zyn oogen.
Myn blijdschap naderd meê: ’k heb lang daar na gevast.
Zo stil te moeten zyn was my een zware last.
Nu strekt me ’t Schouwtooneel een school om vreugd te kweeken.
(70) Ik zal zodanig met myn toots die plaats onsteeken,
Dat al de jeugd zich van die vlam voele overheerd.
’k Heb meenig braave rol van buitene geleerd;
Waar mede ik ’t jonge goed behendig meen te treffen,
En hen te dwingen om myn eernaam te verheffen.
FAAM.
(75) Daar word een and’re taal gevoerd van hoogerhand:
Men zal van nu voortaan u houden in den band.
Minerva zal terstond hier voor uw oog verschynen.
MOMUS.
Ja wel, mejuffrouw Faam, gy doed veeltyds verdwynen
De waarheid, en gy brengt weêr logens in de steê.
(80) Gelyk de weerhaan draaid, zo draaid uw tong al meê:
Gy word wel honderdmaal op eenen dag gebooren:
Uw gansche lyf bestaat in tongen, oogen, ooren:
Uw ouders kent gy niet. ’k Gis dat gehoor en spraak
Uw naaste vrienden zyn. Ja zulk een nieuwe zaak
(85) Hebt gy al weêr gehoord, om onze lust te rooven?
Dat mag uw speelgenoot, vergeefscheVrees, gelooven.
Voor my, ik acht het niet.
KUPIDO.
                                        Ik vrees’er gansch niet voor.
Het ga gelyk het wil, ik kryg wel licht gehoor.
[p. 205]
FAAM.
Gy acht, gy vreest het niet, en durft my schamper schelden?
(90) ’t Is wel: De tyd zal u de waarheid aanstonds melden.
Kupido, wacht u, en gy, spotter, snoer uw tong:
My heugd de tyd wel, dat men grooter meesters dwong.
Minerva gaf my last, dat ik beneên zou daalen,
Om hier Thalia, en Melpomene te haalen,
(95) En dat zy volgen zou. De plaats is hier omtrent:
Weet gy liên waar ze zyn? zoo maak het my bekend;
Ik voeg my derwaarts heên.
MOMUS.
                                          Zy gaan hier achter wand’len,
En hebben, by gebrek van werk, niets te verhand’len.


DERDE TOONEEL.

MOMUS, KUPIDO.

KUPIDO.
IK sla geenszins geloof aan ’t zeggen van de Faam,
(100) En evenwel ik vrees.
MOMUS.
                                          Vreest gy, die door uw naam,
De heele waereld kunt, indien gy wild, regeeren!
Voor deezen stond men ’t toe; nu zou men ’t ons verleeren!
Ei die verandering gebeurd zo lichtlyk niet,
En ’t heeft zyn werk in, eer dat onkruid is gewied.
(105) Ik zal met stemmigheid der goden gonst verwekken,
En, ziende na om laag, noch honderd rimpels trekken
In ’t voorhoofd, dat alleen met schijndeugd is vernist.
Verban de vrees: de vreugd is nader als gy gist.
KUPIDO.
Ik wil dan van die vrees weêr zuiv’ren myn gedachten,
(110) Terwyl men van de Faam maar logens heeft te verwachten.



[p. 206]

VIERDE TOONEEL.

FAAM, MELPOMENE, THALIA, KUPIDO, MOMUS.

FAAM.
GY hebt dan ’t hoog bevel van Pallas wel verstaan
Gezusteren?
MELPOMENE.
                    O ja! wy vangen spoedig aan,
En branden innerlyk met hartelyk verlangen,
Om duidelyke last van hooger hand te ontfangen.
MOMUS.
(115) Dit komt vry onverwacht, en heel op ’t onverzienst’.
Geluk, Godinnekens, met uw aanstaande dienst.
Wy zyn verheugd, om ’t geen de Faam heeft uitgeblazen.
Ik zoek u dienst te doen. ’k Ben meê een van die baazen
Die nu eens toonen zal, wat zyn vernuft vermag.
(120) ’t Tooneel vereist een man, als my, van groot gezag.
De spotternijen, en vernuftige genuchten
Zyn zenuwen van ’t spel, en siersels van de kluchten.
Dies zie ik anders niet als gonst van u te moet.
KUPIDO.
O dochters van Jupyn, ontfangt van hem de groet,
(125) Die zich met al zyn magt wil in uw dienst begeeven.
Het volk zal als voor heen in nieuwe vreugd herleeven,
Zo dra ik, met uw wil, myn voet zet op ’t Tooneel.
Myn konsten, zo gy weet, zyn overvloedig veel.
En waar men my ontbeerd verkouwd de Poëzye.
(130) Myn handel, die ik dryf, is enkel lekkernye.
Misgun hem dan geen deel, die u zo dienstig is.
THALIA.
U beiden danken wy voor wensch en groetenis.
Wy hebben uwen dienst al meenigmaal van nooden.
Alleen verwachten wy Minerve, en haar geboden.
[p. 207]
MELPOMENE.
(135) Daar daaldze, zuster, in de wolken van om hoog,
En geeft deez’ ruime plaats een luister door haar oog.



VYFDE TOONEEL.

MINERVA, MELPOMENE, THALIA, FAAM, KUPIDO, MOMUS.

MINERVA.
SChoon ’t vuur des oorelogs my nacht en dag doet waaken,
En dryft de felle vlam tot ’s hemels hooge daaken:
Zo kom ik evenwel, als koningin der konst,
(140) Het volkryk Amsterdam vereeren met myn gonst.
Gy zusters, veel te lang van bezigheên ontslaagen,
Kryg weer gelegenheid om wysheid te bejaagen.
Ik kom uit letterliefde alleenlyk na beneên,
Terwyl men ’t schouwtoneel aan de Amstel zal betreên.
(145) Dies heb ik goed gedacht, om’t misbruik te beletten,
Dat ge u gelieven zult te dienen van myn wetten.
Een ieder luister toe, terwyl ik ze u verhaal:
Dat dan de Schouwburg nooit op godsdienst schempe of smaal,
Noch zich bemoeije met geloof, of kerkgeschillen,
(150) Of leer, of leeven van de leeraars te bedillen:
’t Verwekt maar gramschap, en onlesschelyke haat:
Zy konnen zelf hun twist vereenen. ’t Is een kwaad
Dat ongeneeslyk is, en immer goed te maaken,
Wanneer de Schouwburg zich bemoeid met zulke zaaken,
(155) Een oorzaak, dat men ’t spel tot noch toe heeft veracht.
Ten and’ren wil ik ook dat ieder een zich wacht
Om de regering, of regeerders aan te roeren:
Of iets aanstootelyks op ’t Schouwtooneel te voeren,
Dat stad of staaten raakt. Daar boven wil ik niet,
(160) Dat in het minste iets aan bezondere geschied,
[p. 208]
Dat spot, of schimp gelykt. Men laat de laster blyven;
Want, zou men elk zyn leed terstond in ’t aanzigt vryven,
Wie droeg geen teken van zyn mis of onverstand?
Weest gy liên raadslui. Reikt, die struikeld, eer de hand.
(165) Verlicht door redenen het onverstand der blinden.
Waar is naaukeurige volmaaktheid toch te vinden?
Voor ’t laast, neemt vlytig acht op alle onnutte taal:
Wikt met omzichtigheid uw zeggen in de schaal
Van maatigheid: ziet toe met woorden, of met daaden,
(170) Die onbehoorlyk zyn, een zuiv’re ziel te schaaden.
Zo zien wy ’t misdryf met dubb’le winst vergoên.
Zo zult ge my, u zelfs, en ’t volk het best voldoen.
Dan zal een keurig oog de Schouburg komen nad’ren.
Dit is ook ’t inzigt, en ’t begeeren van de Vad’ren,
(175) Die ’t Schip bestuuren van het magtig Amsterdam,
De beurs des oorelogs. Een volk van eed’le stam,
Niet van die gierigheid, of blinde haat gedreeven,
Tot voordeel van hen zelfs, tot scha van and’ren leeven,
Maar die alleenig staan voor ’t allerwaardste pand,
(180) De gulde vryheid van ’t verdaadigd vaderland.
’t Zy dat ze in zoete vreê de burgery regeeren:
’t Zy dat ze in landbestier den oorlogstoom hanteeren:
’t Zy dat ze voor ’t gemeen opzetten goed en bloed:
’t Zy dat ze worstelen door bange tegenspoed:
(185) Wanneer hun vlooten stout al ’s aardbooms havens peilen,
En ’t daglicht, daar ’t ryst, begroeten met hun zeilen:
Waar door oud Amsterdam gekroond is met een schat,
Of ’t goud en zilver in haar schoot geregend had.
Deeze; om noch boven de eer van and’ren uit te steeken,
(190) Slaan geen bediening af, noch willen’er om smeeken:
Dat noemd men mannen; die alleen behaagen my;
Die zetten zelf hun stad an amt een liste by:
En toonen, dat ze tot’s lands welstand zyn geschapen:
Wier vaakelooze zorg het volk gerust doet slaapen.
[p. 209]
(195) Zo hen de Nyd misprees, die ’t haaten toch veheugd,
Zo schempte maar alleen op de ongekreukte deugd.
Aan zulke Heeren kan ik myne gonst nooit weig’ren.
Maar ’k doe hun groote naam tot aan de starren steig’ren.
Dit’s dan de reden, dat ik my hier heb vervoegd.
(200) Een ieder houde zich met myn bevel vernoegd.
MELPOMENE.
Wy volgen uw geboôn om, alles naar het leeven,
Met speelers, en sieraad, zyn vollen eisch te geeven:
Maar ’t heeft zyn tyd van doen.
MINERVA.
                                                Dat zulks niet voort kan gaan,
En in zyn volle pracht op vaste voeten staan,
(205) Is my genoeg bekend. Men heeft zich maar te voegen,
Om ieder na de tyd behoorlyk te vernoegen.
Een overweegend oor houd zich hier meê voldaan,
En aan de onweetendheid kreund u daar niet eens aan;
Het werk zal in het kort zich zelven moeten pryzen.
THALIA.
(210) ’t Is waar, de tyd zal best een and’re toestel wyzen:
Maar’t haatelyk misbruik, begaan van tyd tot tyd,
Hoe raakt men dat zo dra na ’t wel betamen kwyt?
Doch zo veel ’t doenlyk is zal ik myn plicht betrachten.
MINERVA.
Men stoor zich niet aan hen, die buiten reên verachten.
(215) De wysheid belg zich niet, dat kwaad haar onderdelf;
Zy neem de deugd te baat; want deugd beloond zich zelf.
MELPOMENE.
Een kwâ gewoonte maakt vaak eelt in’s volks gedachten.
MINERVA.
Die moet de reden door de tyd dan weêr verzachten.
THALIA.
Men ziet, hoe min de reên aan dart’le geesten doed.
[p. 210]
MINERVA.
(220) De schaamte is weêr een toom voor ’t dartele gemoed.
Dat zal allengskens zich wel laaten overwinnen.
Men pass’ maar vlytig op, men arbeid maar met zinnen,
En maake dat men nooit myn wil en wetten kreuk’,
Zo blykt de waarheid weer in Vondels goude spreuk,
(225) Die eeuwig in het hart der dichteren zal leeven,
Gelykze op ’t oud Tooneel in ’t goud dus was geschreeven:
,, Tooneelspel quam in ’t licht tot leerzaem tydverdryf,
,, Het wykt geen ander spel noch koninglyke vonden:
,, Het bootst de waereld na: het kittelt ziel en lyf:
(230) ,, En prikkeltze tot vreugd, of slaet ons zoete wonden:
,, Het toont in kleen begryp al ’s menschen ydelheid;
,, Daer Demokryt om lacht, en Heraklyt om schreit.
MELPOMENE.
Aan uwe voorzorg zyn we op ’t allerhoogst’ verbonden:
En zullen bouwen op die onbeweegbare gronden.
THALIA.
(235) Beschut ons met uw schild, bescherm ons met uw speer,
De luwte van uw zyd’ was onze troost wel eer.
MINERVA.
Myn raad en bystand zal u nimmermeer ontbreeken.
En op dat weetenschap haar hoofd weêr op moog steeken,
Zal ik u dagelyks verschaffen zulk een stof,
(240) Die ’t Amsterdams Tooneel vervullen zal met lof,
Die nimmer sterven kan. ’k Wil u een gonst bewyzen,
Dat zelf de lasteraar uw doen zal moeten pryzen,
Vaart voort: maar spoedig: steld ’t verlangen niet meer uit.
MELPOMENE.
Wy volgen uw bevel.
MOMUS.
                                  ’k Weet niet, wat dit beduid.
(245) Het duister zeggen van de Faam doed my schier vreezen,
Als of ons ryk voortaan wel uit zou mogen weezen.
[p. 211]
Ik wensch verklaring van die duisterheid te zien.
KUPIDO.
’k Verzoek het zelfde meê.
MELPOMENE.
                                          Dat zal terstond geschiên.
Gy, Momus, die u voed met schempen, schertzen, logen,
(250) Men zal u nu voortaan in ’t Treurspel nooit gedoogen.
Voeg ook by hooge stof zeer zelden zotterny.
MINERVA.
Zo is ’t. Die dwaling oet van kant. Daar na zult gy,
U meen ik, Momus, nooit in ’t Blyspel zelver smaalen,
Of schempen op het volk: men zal ’t op u verhaalen,
(255) Zo iemend klagtig valt. Daarom draag goede zorg.
THALIA.
Die last neem ik op my; wy stellen ons als borg.
MINERVA.
Zo gaat het als ’t behoord.
MOMUS.
                                        ’t Is goed, ik zal dan staaken
Het geen niet dienen kan tot stichten, en vermaaken.
MINERVA.
En gy, Kupido, die vergifte pylen schiet,
(260) En harten prangd met uw onlydelyk verdriet.
Bedwing uw geil gezigt, dat lokaas vol fenynen,
’t Geen korte vreugd verschaft, en eindelooze pynen.
Schuw ongeschiktheid: ’t is een kanker voor de jeugd:
Maar als gy liefde stookt, stook liefde die uit deugd
(265) Alleen haar oorspronk neemt. Myd alle vuile treeken.
Van Proozekluchten wil ik nooit meer hooren spreeken:
Dat voegd veel beter aan een schandelyke hoop,
Die om een hand vol geld heeft lyf en ziel te koop.
Maar leer aleen het geen, dat u word voorgeschreven,
(270) Zo lyd men u in ’t spel.
[p. 212]
KUPIDO.
                                              Ik zal genoegen geeven,
Zo veel ’t my moog’lyk is, en houden deeze voet:
Indien men my somtyds myn plicht gedenken doed:
Want zeer gevaarlyk zyn gewoontens te verleeren;
Men struikeld lichtelijk.
MOMUS.
                                    Hoe gy ’t ook wild regeeren,
(275) Ik zal verdienstelijk my draagen zo ’t behoord.
MINERVA.
’t Is wel, maakt u gereed. ’k Vertrouw my op uw woord;
En de opzigt laat ik u, Godinnen, faam bevolen;
Zo raakt men op de weg om niet weêr grof te doolen.
Gy zult weer weldoen, wyl men geld van nooden heeft
(280) Voor de armen, dat, kan ’t zyn, gy elk genoegen geeft.
Men speeld voor alle die het spel, in deugd, beminnen.
Tracht echter met iets goeds, iets konstigs te beginnen,
Op dat het eerstê spel een treflyk proefstuk zy.
MELPOMENE.
’t Geen gy, Godin, verkiest voor ’t eerst, dat kiezen wy.
(285) Veel spellen zyn’er, daar de keners over klaagen:
Schoon zy gemeenelyk den slechen hoop behaagen.
MINERVA.
Myn raad is, als gy eerst de Schouwburg open doed,
Een spel te speelen, dat door deftigheid de moed
Der dicht’ren prikkeld om zyn gaaven na te volgen.
(290) Vertoond de aanschouwer, hoe de Velzerheer verbolgen,
Het schendig leet, hem van graaf Floris aangedaan,
Zo euvel wreekt, en hem zyn onbedacht bestaan,
Waar in hy zich te stout door schennis had verloopen,
Ten koste van zyn bloed rampzalig doed bekoopen.
(295) Een maakzel van dien Hoofd, die door zyn schranderheid
De vaste gronden van de dichtkunst heeft geleid.
Die de welsprekendheid gehuwd heeft aan de zeden;
[p. 213]
Die ’t groote wereldsboek zo deftig wist te ontleeden
Met zielverrukkend dicht, dat ’t waakende gedacht,
(300) Door die ontroeringe, terstond viel in zyn magt.
In ’t kort, die zo veel roem in Neêrland heeft verkreegen,
Dat by zyn geest tot nog geen geest is op te weegen.
Waar aan dit Treurspel, daar de aloudheid in herleefd,
Door kunst, en vinding geen gemeene luister geeft.
(305) Maakt u dan voort gereed, voldoed het heet verlangen,
En laat dit meesterstuk van uwe hand ontfangen.
THALIA.
Maar zal men na dit spel het volk, voor de eerste smaak,
Niet doen vertrekken met een aangenaam vermaak?
MINERVA.
O ja, toond hen, dat Hoofd, volleerd in konstig rymen,
(310) Zo wel aan jok, als ernst de zielen vast kost lymen.
Laat zien hoe Waarenar, die schier zich zelfs mistrouwd,
Zyn hart laat hangen over ’t zielverdervend goud:
Of eens de vrekkige aart der menschen mogt verkeeren.
Dus toond gy in ’t begin wat deugd hier staat te leeren.
MELPOMENE.
(315) ’t Werd met een nieuwe lust terstond in ’t werk gesteld.
MINERVA.
Ik blyve u met myn raad beschutte voor ’t geweld.
Gaat gy liên samen heen, en opend de gordynen,
’k Hoop in het kort hier weêr met Vreede te verschynen.
En gy, verkondig myn begeeren overal;
(320) Op dat de waereld hier van kennis kryge.
FAAM.
                                                                            Ik zal.
De Faam vliegt weg. Melpomene, Thalia, Kupido, en Mo-
        mus gaan binnen. Minerva vaart weder ten hemel.




[p. 214: blanco]

Continue
[p. 215]

VOORSPEL,

Toegepast op de tegenwoordige tyd;

En op

J. V. VONDELS

BATAVISCHE GEBROEDERS;

Of

Onderdrukte Vryheid.



[p. 216: blanco]
[p. 217]

Aan den

HEERE

KORNELIS van RYNEVELD.

HEer Ryneveld, ontfang dees blaad’ren,
    Die, door uw raad, in druk geraakt,
Nu, onder uw bescherming, naad’ren;
    Terwyl uw geest van yver blaakt,
(5) Om, neffens my, en and’re Vrinden,
    Met onvermoeide zorg en vlyt,
Het nut der Armen uit te vinden,
    In deez’ bekommerlyke tyd.
Myn dichtlust zal haar wit beschieten,
    (10) En weêr ter dienst der Armen staan;
Zo zy hier voordeel van genieten:
    Ik heb ’t uit liefde om haar gedaan:
’t Werd ook uit liefde u opgedragen.
Ik ben voldaan kan ’t u behaagen.



[p. 218]

Aan den

LEEZER.

TOen ik dit voorspel onder handen nam, dacht ik het niet door den druk gemeen te maaken; derhalven bediende ik my van eenige Vaerzen, uit een kleen werkje, door my onlangs ter eeren van zyn Majesteit van groot Brittanje, in het licht gegeeven; oordeelende dat het de moeite niet waard was andere te maaken; naar demaal de zelve juist ter zaaken dienden; en te meer om dat ze wel gelezen, maar nooit op het Toonneel gehoord waren; behalven dat, hebbe ik’er noch een Zang by gevoegd, waar van de bewoording, voorheen door eene myner goede Vrinden, was gemaakt; de welke ik, met een weinig te veranderen in dit Voorspel niet ondienstig oordeelde; inzonderheid om dat de Muzyk daar van, ter Schouwburg berustende, en reeds aldaar vertoond was; het geene den Aanschouweren, te dier tyd, niet mishaagden; dies vond men, ten meeste baate der Armen, geraaden, het zelve eens weder op te haalen.
    Dat ik nu dit Voospel hebbe laaten drukken, is, om dat het, voor een gedeelte, op den Heer J. v. Vondels Batavische Gebroeders, is toegepast; en dat men ( de zin slechts ter loops hoorende) zeer licht eene averechtse duiding maakt.

Vaar wel.



[p. 219]

COPYE van de PRIVILEGIE.

DE Staten van Holland ende Westvriesland doen te weten. Alzo Ons vertoond is by de tegenwoordige Regenten van de Schouwburg te Amsterdam, Dat zy Supplianten zedert eenige Jaaren herwaarts met hunne goede vrinden hadden gemaakt en ten Tooneele gevoert verscheiden Werken, zo van Treurspeelen, Blydspeelen als Klugten, welk zy lieden nu geerne met den druk gemeen wilden maken: doch gemerkt dat deze werken door het nadrukken van anderen, veel van hun luister, zo in Taal als Spelkonst zouden komen te verliezen; en alzo zy Supplianten hen berooft zoude zien van hun bijzondere oogwit om de Nederduitsche Taal en de Digtkonst voort te zetten; zo vonden zy hen genoodzaakt, om daar inne te voorzien, ende hen keeren tot Ons, onderdanig verzoekende, dat Wy omme redenen voorsz. De Supplianten geliefden te verleenen Oktroy ofte Privilegie, omme al hunne Werken reeds gemaakt, ende noch in ’t ligt te brengen, den tyd van vyftien Jaaren alleen te mogen drukken en verkoopen of doen drukken en verkoopen, met verbod van alle anderen op zeekeren hooge peene daar toe by Ons te stellen, ende voorts in communi forma. Zo is ’t dat Wy de Zake en ’t Verzoek voorsz. overgemerkt hebbende, ende genegen wezende ter bede van Supplianten, uit Onze regte wetenschap, Souveraine magt ende authoriteit dezelve Supplianten gekonzenteert, geaccordeert ende geoctroieert hebben, conzenteeren, accordeeren ende octroijeeren mitsdezen, dat zy geduurende den tyd van vyftien eerst achter een volgende Jaaren de voorsz. Werken die reeds gedrukt zyn, ende die van tyd door haar gemaakt ende in ’t ligt gebragt zullen werden, binnen den voorsz. Onzen Lande alleen zullen mogen drukken, ofte elders naargedrukt binnen den zelve Onzen Lande te brengen, uit te geven ofte te verkoopen, op de verbeurte van alle de naargedrukte, ingebragte ofte verkogte Exemplaaren, ende een boete van drie hondert guldens daar en boven te verbeuren, te appliceren een darde part voor den Officier die de calange doen zal, een darde part voor de Armen ter Plaatze daar het cazus voorvallen zal, end het resteerende darde part voor den Supplianten. Alles in dien verstande, dat wy de Supplianten met dezen Onzen Octroije alleen willende gratificeren tot verhoedinge van haare schaade door het nadrukken van de voorsz. Werken, daar door in geenige deelen verstaan, den inhoude van dien te authorizeeren ofte te advoueeren, ende veel min die onder Onze protektie en bescherminge, eenig meerder kredit, aanzien oft reputatie te geven, nemaar de Supplianten in kas daar in yets onbehoorlyks zouden mogen influeeren, alle het zelve tot haren laste zullen gehouden wezen te verantwoorden, tot dien einde wel expresselyk begeerende, dat by dezen Oktroije voor de zelve Werken zullen willen stellen daar van geene geabbrevieerde ofte gecontraheerde mentie zullen mogen maaken, nemaar gehouden zullen weezen het zelve Octroy in ’t geheel ende zonder eenige Omissie daar voor te drukken ofte te doen drukken, ende dat zy gehouden zullen zyn een exemplaar van alle de voorsz. Werken, gebonden ende wel geconditioneert te brengen in de Bibliotheecq van onze Univerziteit tot Leiden, ende daar van behoorlyk te doen blyken. Alles op poene van het effekt van dien te verliezen. Ende ten einde de Supplianten dezen Onzen Conzent en Octroije mogen genieten als naar behooren: Lasten wy allen ende eenen ygelyken die ’t aangaan mag, dat zy de Supplianten van den inhoude van dezen doen, laaten en gedogen, rustelyk en volkomentlyk genieten, en cesserende alle belet ter* contrarie. Gedaan in den Haage onder Onzen grooten Zegele hier aan doen hangen den XIX September in ’t Jaar onzes Heeren en Zaligmaker duizent zes honderd vier en tachtig.

                                                            G. FAGEL.

                                            Ter Ordonnantie van de Staaten
                                                SIMON van BEAUMONT.

    De tegenwoordige Regenten van de Schouwburg, hebben het recht der bovenstaande Privilegie, voor dit Voorspel, vergund aan de Erfgenamen van A. Magnus.

                                                                        Den 10 Maert, 1692.



[p. 220]

    VERTOONERS.

MERKUUR.
PLUTO.
GEWELD.
BEDROG.
TWIST.
FAAM.
APOLLO.
ZANG door eenige van de ZANGGODINNEN.
Twee Helsche GEESTEN, zwygende.

Continue
[p. 221]

VOORSPEL.
__________

EERSTE TOONEEL.

MERKUUR.
’k MOst, op Jupyns bevel, het Aardryk ommezwerven.
’k Heb duizenden door ’t lood, en zwaard, en vlam zien sterven.
Nu sta ik vaardig om weêr Hemelwaarts te gaan,
En daar des Waerelds stant in ’t kort te doen verstaan.
(5) Ik neem myn reis by nacht, om, zonder hindernissen,
Te streeven naar om hoog. Ik most my niet vergissen
In ’t vord’ren van myn tocht. Maar hoe! wat naar geluid!
Wat spook! wat damp! wat vlam! breekt hier van ond’ren uit?
Men spoei’.


TWEEDE TOONEEL.

PLUTO, twee Helsche GEESTEN.

PLUTO.
                  HAlf afgemat, door ongebaande wegen,
(10) Kom ik hier uit myn Ryk van ond’ren opgesteegen.
’k Drong door een menigte van naare geesten heen,
Die zweeven zonder bloed, en zonder vlees en been.
Het Helsche Ryk, aan my door ’t lot te beurt gevallen,
Zal, binnen korte tyd, ’t aanzienlykst’zyn van allen.
(15) Myn trouwe Cerberus, die eeuwig blaft, en waakt,
Terwyl hy vuur en vlam uit zyn drie keelen braakt,
Heeft nauw’lijks zo veel magt dat hy het volk kan stuiten;
Hy houdze, op myn bevel, tot myne weêrkomst, buiten.
[p. 222]
De duizend poorten, in myn Helsche staale muur,
(20) Staan open, en de boord van Stix in vlam en vuur.
’k Verlaat myn ys’re Troon, en kom door ’t aardryk breeken,
Om met Bedrog, en Twist en stout Geweld te spreeken;
Die ’k uit gezonden hadde, om de Aarde in rep, en roer
Te stellen. Houd u stil, gy Geesten; dit ’s de vloer
(25) Alwaar wy veilig zyn. Ik zal een schelmstuk brouwen.
Dat elk de nasmaak voor zyn leeven zal behouwen.
Dit is de tyd en plaatz daar ik myn Eed’len wacht.
Ik heb, door List, Geweld in ’t Oosten reets gebracht:
De Staatzucht, en Bedrog in ’t Westen; welke Heeren
(30) Daar in hun Hoofdtieran noch dagelyks regeeren.
Nu wacht ik tyding wat door henliên is verricht.
’t Is naar en nanacht; ik zie niet dan starrelicht.
De vaale Hekate haald zelfs haar hoorens onder,
Verschuild zich in een wolk, beducht voor mynen donder.
(35) Al ’t Aardryk zweet van angst, en schynt in baarens nood.
’t Vergif myns adems maakt en plant, en boomen dood.
Hebbe ik ’t Batavisch Volk, voor heen met Neroos banden
In slaaverny gevoerd, door Roomsche Dwingelanden;
Hun Vryheid afgeparst met openbaar geweld,
(40) En Eigenbaat in plaatz daar op de Troon gesteld;
Wat zoume ontbreeken, of de kans most wonder keeren,
Om nu zo wel als toen naar wensch te triomfeeren?
Ik schrik voor vuur, noch staal, voor schut, voor speer noch dolk.
Maar zacht! wie naderd ons?


DERDE TOONEEL.

PLUTO, Helsche GEESTEN, GEWELD.

GEWELD.
                                              PRins van de Helsche Kolk,
(45) Zyt hertlyk wellekom. Zie hier Geweld, genegen,
Om straks, op uw bevel, te dienen te aller wegen.
[p. 223]
My was geboodschapt dat gy hier verschynen zoud.
’k Hebbe op de waereld, door Bedrog, een kwaad gebrouwd,
’t Geene u behaagen zal zo ik ’t u mooge ontvouwen.
PLUTO.
(50) Vang aan. Gy kunt voortaan meêr op myn gonst vertrouwen.
GEWELD.
Bedrog nam eerst het hart der Geestelyken in,
Dat yder met haar wierd alleens van ziel en zin;
En om uw’ Hoogheid, door myn toe doen, te behaagen,
Zocht yder zich als een Pasifaë te draagen;
(55) Het booste en grouwelijkste in een menschelyke schyn;
Om ’t hart der Koningen te ontsteeken met fenyn,
En ’t oor te vullen, om den Goden te behaagen,
Als zy een weêrloos volk vervolgen en verjaagen;
De Fransche Geestlykheid, byzonder van dien aard,
(60) Is nu aan Ondeugd, die myn Speelnood is, gepaard:
Terwyl zy bezig was, stortte ik tot puin Kasteelen;
Myn paerdshoef, druipende van bloed, maald bekkeneelen;
En schenkels, trapt op buik en lenden; nimmer moê
Van gruw’len. ’t Naar geschrei* stygt tot den Hemel toe.
(65) Eén uur, één ogenblik, ziet in een Zee van vonken,
En hof, en mensch, en vee verstuiven of verdronken.
Ik ben gevallen, als een Winter, in de Palts,
En wierp een prangent Juk gansch Duitsland om den hals.
De Ryn stikt in zyn kil, van branden blaaken, moorden,
(70) En ziet met bloed geverfd zyn vruchtb’re groene boorden.
Het worst’lend’Roomsche Ryk wroegd om den aâmtocht vast.
En schynt bezweeken door de ondraagelyke last.
Nu leef, nu streef ik in een onbepaald genoegen,
En zal steets myne wil naar uwe wille voegen.
(75) Maar gints verschynt Bedrog.



[p. 224]

VIERDE TOONEEL.

PLUTO, GEWELD, BEDROG, twee GEESTEN.

PLUTO.
                                                    IK ben van u voldaan,
En zal de werking van Bedrog met vreugd verstaan.
Kom nader. Zie my aan. Ik ben de Vorst der vonken;
Myn staf, van ’t helsche staal, in ’t naarste hol geklonken,
Bonst Scepters, Kroonen, en Paleizen tot de grond.
(80) Bedrog, wanneer gy spreekt, zo spreeke ik door uw mond.
Alektos fakkels ziet gy in myne oogen branden.
Megere ontfangt alleen haar gruuw’len uit myn handen.
De Nacht bewimpeld nu al de aarde in duisterniss’.
’K zie dat van ys’re slaap ’t Heelal bevangen is.
(85) Bedrog, wil my terstond omstandelyk verklaaren,
Wat u, ten dienst’der Helle, is op uw tocht weêrvaaren,
Eer ons het licht verrass’.
BEDROG.
                                      Ik nam Geweld voort meê,
En zworf, als een Spion, te lande en op de zee.
Ik heb myn stoel geplant in ’t Westen, om die reden,
(90) Dat gy daar daag’lijks word gevierd en aangebeden:
Daar dekke ik, met de kap van ’t geestelyke kleed,
Het snootst’ Gedrocht ’t geen zich heeft in uw dienst besteed;
Waar door ik ’t Hoofd des Ryks heb weeten wys te maaken,
Dat hy een deugd steld in verwoesten, moorden, blaaken.
(95) Daar heerscht mede aan dat Hof, een die haar rol wel ken,
De schalke Vleijery, ’t zy ’k by, of van haar ben.
Daar is Schynheiligheid, die menschelyke zinnen
Zo leiden kan, dat zy of haaten of beminnen.
[p. 225]
’k Hebbe ook bevonden, dat in ’t lichaam van dien staat,
(100) Niet anders heerschen mag als Wil, en Eigenbaat.
Ik heb in Engeland het snoodste zaad doen zaaijen,
Daar Wilhem, hoop ik noch, de vruchten van zal maaijen.
Hoe wel die my niet kent, en ook verjaagen zou,
Om welke rede ik my niet aan dat Hof onthouw’,
(105) Maar wel in Ierland; daar myn halsvrind noch rechtschapen,
Ten dienst uws Ryks gekweekt, zich oeffent in het Wapen;
Die zou, waar ’t mogelyk, zich dienen van een wet
Die schenziek door trompet, en trom is ingezet.
Die Haan, indien hy kost, zou ’t Aardryk overkraaijen,
(110) Den Batavier het gras beneên de voeten maaijen.
Ik zal hem hulpzaam zyn, indien gy ’t my gebied,
Daar komt myn Zusters Twist.


VYFDE TOONEEL.

PLUTO, GEWELD, BEDROG, TWIST,
twee GEESTEN.

PLUTO.
                                            WAt’s op uw tocht geschied?
TWIST.
Ik zocht door loogen, list, en and’re valsche laagen,
De Roomschen Adelaar de bliksemschicht te ontdraagen,
(115) Met diepe onenigheid te strooijen door zyn Ryk.
De duitsche Vorsten doen gelooven ’t ongelyk
’T geen hen daar van elkaâr berokkend wierd; al even,
Of de eene de andere bedektlijk stond naar ’t leeven;
Of dat, door staatzucht, de een stond naar des anders erf;
(120) Om zo te storten in hun uiterste bederf.
’k had graag een groot gedeelte, in ’t wyt befaamt Germanje,
Van Oostenryk gerukt, en opgeruid aan Spanje.
Indien’t Stadhouderschap des Hemels stond ten doel,
[p. 226]
’K bestormde zelfs, kon ’t zyn, St. Peters hooge stoel,
(125) Die Alexander nu zo vreedzaam tracht te houwen,
Dat ik beducht ben om daar eenig kwaad te brouwen.
Doch zal ik woelen tot het eens gelukken zal,
En dat dien Basilisk van ’t Westen te geval,
Wyl duizend duizenden van hem, en door zyn schaaren,
(130) Met Karons veerboot naar uw Ryken overvaaren.
Die Held verrykt de Hel, Ik bragt van Oost, tot West,
Het Oorlog op de been, die alverslinb’re pest.
Ik zie eerlang de vlam in ’t Noorden overvliegen.
’k Zal al de Waereld, zo ’t my doenlyk is, bedriegen,
(135) In oproer stellen, en aanhitzen tegens een.
PLUTO.
Wel aan, elk dan zyn best. Gy, Twist, ga daatlyk heen,
Doe, door gantsch Nederland; uw hevig vuur ontsteeken.
Hits stad op tegens stad, u zal geen konst ontbreeken,
Om wantrouw, achterdocht, en afgonst uit te broên.
(140) Gy moet van over zee een nyt ontsteeken doen,
Die van Brittanje snord in ’t oor der Batavieren.
En gy Geweld, gy moet uw drift den teugel vieren,
En helpen steets Bedrog, wanneer zy komt te kort;
Op dat myn wil, naar wench, op ’t felst’ voltrokken word.
GEWELD.
(145) Myn spieren jooken. Ik zal, door myn woeste Rid’ren,
De menschen poop’len doen, en van verbaastheid sid’ren,
Ik zie me alreê van Moord, en Stookebrand omringd;
Die knarst, dat zelfs het vuur it zyne tanden springt.
BEDROG.
Kom, gaan wy elks zyns weegs. Ik zal u voor gaan treeden,
(150) En my omzigtig in het vossevel bekleeden.
PLUTO.
’t Licht naakt de kimmen reets, Ik schuw, ik vloek den dag,
Terwyl myn oog nooit licht met grooter afkeer zag.
De Hemel haat my toch voor eeuwig. ’k Zal my wreeken,
[p. 227]
Al zou myn Ryk, beschanst met negen storrembeeken,
(155) Aan duigen spatten. Gaat, ’t is nu de rechte tyd,
Dat elk zich meesterlyk in zyn bediening kwyt.
TWIST.
Wel aan, dat is voor u.
BEDROG.
                                  Ik zal u listig volgen.
GEWELD.
Ik raas van ongeduld, en was nooit meer verbolgen.
PLUTO.
De dag breekt door.     Ik hoor gerucht.     Verzinkt terstond,
(160) Gy, Geesten; ’k volge u na; want de aarde ontsluit haar mond.
Het loeid van ond’ren om my naar beneên te haalen.
’k Sluit zinkend’myn gezigt, en schrik voor Febus straalen.


ZESDE TOONEEL.

MERKUUR, FAAM.

MERKUUR.
MYn reis is afgeleid* dus ver! ’k volvoer myn plicht.
’k Wacht, op Jupyns bevel, de Vader van het licht.
(165) Zo ik my niet bedrieg staan wy in Neêrlands paalen.
FAAM.
Wat aangenaam geluid! wat licht komt ons bestraalen?
’t Zyn Febus Zusters. ’k Neeme op heur verrichting acht;
Terwyl ik naar ’t bevel van heure Broeder wacht.



[p. 228]

ZEVENDE TOONEEL.

FAAM, MERKUUR, ZANGGODINNEN.

ZANG.
                MEn zaai geen zaad,
                (170) Van nyt noch haat,
                Dat is het schandelykst van allen;
                Zo ’t wortels schiet,
                ’t Gaat al te niet,
            En Neêrland zou in ’t kort vervallen.

            (175) Eendragt doed in weelde bloeijen,
                Hemelen, en Zee, en Aard;
                Eendracht maakt de Vryheid waard,
            Doed de gemeenschappen groeijen.
            Wee dan die door twist beletten,
            (180) Vryheid op den troon te zetten.

            Apollo, die, door uwe straalen,
                De Hemel, ja ’t Heelal verlicht,
                Wend na ons uw volmaakt gezigt,
            Ei! wil op ’t spoedigst’ nederdaalen.

            (185) Doe, door uw Majesteit, verdwynen,
                De buijen die reeds vaardig staan;
                Doe alle nevelen vergaan;
            Laat ons uw held’re Zon beschynen.

            Verheugd, verheugd u Speelgenooten,
                (190) Wy worden van om hoog bestraald,
            De Hemelen zyn reeds ontsloten.
                Is ’t niet Apollo die daar daald?



ACHSTE TOONEEL.

MERKUUR, FAAM, ZANGGODINNEN,
APOLLO, nederdalende, in eene Wolk.

ZANG.
            WY zien hem door de wolken zweeven;
            Hy is ’t; ’t begind hier al te leeven,
            (195) Het heilig woud, de Bron, en duin,
            De Sederboom verheft haar kruin;
            De Pynboom buigt haar steile top,
            De schoone Roos dringt uit haar knop,
Een lent’ van bloemen verft de Heuvels, en de daalen.
(200) ’T Gevogelt’ kwinkeleerd, de schelle Nachtegaalen
            Betuigen, door gezang, haar vreugd,
            ’T is alles op zyn komst verheugd,
            Zie, zie de lieve bloemtjes groeten,
            ’T Gras buigt, eerbiedig voor zyn voeten.
APOLLO.
(205) Gy Majas vlugge Zoon, en wisselzieke Faam,
Hoord wat ik u gebiede uit Jovis strenge naam.
Merkuur, gy kwaamt aan hem des Waerelds stant verklaaren;
Nu zal ik u ’t geheim des noodlots openbaaren.
Neem ’s Hemels wil, door myn beveelen, wel in acht.
MERKUUR.
(210) ’k Heb Jupiters bevel voorheen altoos volbragt,
En zal volharden in hem steets ten dienst te weezen.
FAAM.
Voor myne zorg en vlyt heeft Febus niet te vreezen.
APOLLO.
Hoord, hoord, met yver dan, naar een geheimenis.
Die my, uit’s Hemels naam, alleen bevolen is.
(215) ’t Verbond der Vorsten, van het wytberoemd Germanje,
[p. 230]
Vereenigd met de Kroon van Engeland en Spanje,
En de oude Batavier, zal blyven ongeschend,
Zo lang door gantsch Europ’ het Oorlog is ten end;
En wy de Franschen Haan zyn vleugelen doen korten;
(220) En, als Salmoneus, door de bliksem nederstorten.
Al wien door hoogmoed my verwaand nabootzen zal,
Of Vader Jupiter raakt endelyk ten val.
De Roomsche Adelaar, gevreest van alle kanten,
Zie ’k zyne standaards reets in ’t wreê Bizanse planten;
(225) Zyn wiek beschaduwen al de Aziaansche Ree,
En Leenheer worden van de witte en zwarte Zee.
De Bosfor duikt van angst voor zyne bliksemstraalen,
En tracht voor eeuwig ’t hoofd in zyne kil te haalen.
Den eenen Soliman, gemuilband, heeft zyn loon.
(230) En de and’ren zit alreeds en waggeld op zyn troon,
En zal eerlang (zo leid het hoog besluit der Goden)
Zich zelf verbaast zien uit zyn eigen Land gevloden.
Terwyl het Duitsche Ryk vertrouwd werd aan de zorg;
Van Sax, van Beijeren, van Ny- en Brandenborg.
(235) Jupyn beschermt Oranje en doet Tierannen wyken,
Terwyl hy Koning is der Brittenlandsche Ryken;
Wiens Kroon, hoe schoon, hoe ryk, hoe heerelyk van licht,
Noch werd begraaven in de glans van zyn gezigt:
Gezigt, ’tgeen Aarde, en Zee opschieten doed Lauwrieren,
(240) En Palmen, en Olyve, om, of in ’t zegevieren,
De Lauwerbladen; of in vreê ’t Olyve blad,
Gevlochten door de Palm, een krans van dierb’ re schat,
Te streng’len om de kruin der Helden, en der Braaven,
Die, door hun dap’re moed, steil na de starren draaven.
(245) Gy zult eerlang de Teems ziend dryven naar de zee,
Ruim zo veel als ’er ank’ren op zyn ree;
En duizende Oorlogsliên, van eed’le wraak gedreeven,
Zult gy, van ’t Roosryk strand, naar ’t Lelyryk zien streeven;
Vereenigd, en gesterkt, met Neêlands Waterleeuw;
[p. 231]
(250) Verzeld van Hollands magt, van Vries, en stoute Zeeuw.
Al volk vol dapperheid, vol edel bloed in de aâren,
Gewiegd en opgevoed in ’t hobbelen der baaren.
Dus samen aangezet, en onder ’t groot beleid
Van Wilhem, Neêrlands arm, en Eng’lands Majesteit,
(255) Zult gy ’t gelukkig uur in ’t korte zien gebooren,
Dat’s Hemels Wreeker haar vervolgers zal verstooren.
Men zal eerlang met bloed geschreeven zien in ’t veld;
Dit is de Oranje Vorst, de temmer van ’t geweld.
Gantsch Vrankryk sidderd reets voor ’t schit’ren zyner zwaarden,

(260) En voor de ontrolde vaan van zyne krygsstandaarden:
De stranden drinken ’t bloed zyns vyands; ’t Aardryk trild,
Wanneer ’t de straalen ziet afschieten van zyn schild:
Hy streefd steets in triomf, door duizende gevaaren,
En doed dat onweer op zyn wenken straks bedaaren:

(265) Hy geeft, aan dien ’t hem lust, of oorelog, of vrêe,
En voerd de sleutels van het land en van de zee.

Gaat heen, verkondigd dit aan die zyn saamgespannen,
Op dat het Aardryk eens verlost word van Tierannen.
Gy Faam, maak dit bekend aan Spanje en Oostenryk.
(270) Merkuur, die Nederland verkiest tot uwen wyk,
En daar de handel sterkt van ’t Westen, tot aan ’t Oosten,
Gy zult den Batavier in zyne wallen troosten,
En hem verzekeren, dat hy in vast bestand,
En eendracht leeven zal met die van Brittenland;
(275) Vry van gewetensdwang, en vry van and’re smetten;
Gerust in vryheid, recht, en zyne aloude wetten.
Dat min- envreedzaam volk, weet wel hoe reed’ lyk ’t is,
Dat aan den Keizer koom’ het geen des Keizers is;
Dat’s schot en lot, vernoegd, aan zynen Heer betaalen.
(280) Waar door de Staat in ’t end haar adem zal herhaalen.
De kracht en zenuwen des Oorlogs is ’t geld;
’t is billik dat het dan werde in ’sLands kas besteld:
[p. 232]
’t Is voor de Vryheid, die Oranje zal bewaaren,
Ten koste van zyn bloed, en duizende gevaaren.
(285) Hy krygt geen kleene schat die vryheid valt ten deel.
Laat aan den Amstel, op het wytberucht Tooneel,
Het tegendeel eens zien; daar de eerste Batavieren,
Gesleept aan ketenen door Neroos bloedlauwrieren,
Hun vryheid misten in een deerelyke stant;
(290) Daar de eene wreed vermoord, en de andre, in eene band
Van slaaverny geparst, naar Romen wierd gezonden.
’t Geen Vondel, mynen zoon, met weêrgalooze vonden,
En redeneringen gebragt heeft aan den dag.
Een werk zo schoon als ooit ’t naauwkeurigste oog bezag.
(295) Die twee Gebroederen, uit Batoos stamme, leeren,
Hoe smartelyk het valt hun vryheid dus te ontbeeren.
Prent dit in ’t hart van ’t volk, door een verbeeldenis,
Dat hen niet waardiger dan de eed’le vryheid is;
En hoe die is bekend aan de Amsterdamsche Heeren;
(300) Die, boven alles, zulk een groote schat waardeeren;
Zy achtenze ook zo waard, zo schoon, zo ryk, zo zoet,
Dat zy daar ’t zegel van beschermen met hun bloed
Wie leeft’er voor de vuist, die zulke deugden lasterd?
Ten zy, door eigenbaat, zyn zinnen zyn verbasterd
(305) Van eer, van eet, van plicht. Men schuwe zulk een pest,
Als zynde een kanker van het algemeene best.
Ik zal de lastertong, als ’t tyd is loon verschaffen:
De Schryver van Parnas met Schorpioenen straffen,
Zyn spieren villen, heel verwoed, met sneê op sneê,
(310) Gelyk ik Marsias om zyn verwaandheid deê.
De groote Wilhem zal, in tyd van nood, bevinden,
Dat Amstels Heeren zyn de beste en trouwste vrinden.
Hy zal op hen, en zy op hem zien, meêr en meêr;
Hy, Weiflaars schiften* van een oprecht Burgerheer;
(315) Zy, op zyn groote deugd, en daaden zich vertrouwen,
[p. 233]
Hem voor verlosser, een beschermheer altoos houwen,
’t Is tyd dat ik vertrek. Slaat myn beveelen ga.
MERKUUR.
Ik vliege op uw bevel.
FAAM.
                                    Ik volge u spoedig na.


ZANG

Door de

ZANGGODINNEN.

                DAnk Febus voor zyn gunst,
                (320) Zo groei, zo bloei de kunst,
                Dank Febus voor zyn gunst.
                Wy streeven weêr naar boven
                Om hem daar ook te looven.

EINDE.

[p. 234: blanco]
Continue

Tekstkritiek:

p. 11: Engeland er staat: Engelaud
p. 61, vs. 413: blydschap was. er staat: blydschap
p. 112, vs. 70: zyn er staat: zy
p. 116, vs. 199: gy er staat: hy
p. 127, vs. 7: onrechtvaardigheden er staat: onrechrvaardigheden
p. 219: belet ter er staat: beletten
p. 227: afgeleid ter er staat: afgelied
p. 232, vs. 314: schiften er staat: schriften