Anna Folie etc., ca. 1706. Tweede deel
Lyste van rariteyten en Lyste van spreekwoorden
Uitgegeven door Marti Roos
Red. dr. A.J.E. Harmsen, Universiteit Leiden.
Facsimile
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.
Continue
Rond 1706 verscheen de Lyste van rariteyten, die verkocht sullen werden ten huyse van Anna Folie in twee delen; elk deel werd vergezeld door een Lyste van spreekwoorden, op verscheyde voorvallen toepasselijk. Enkele exemplaren zijn samengebonden met een vervolg: Staat en inventaris van de nalatenschap van Don Gio dy Straatslypio y Pluggio.
Wij geven deze drie teksten uit volgens het convoluut 1193 F 15 in de UB van Leiden, dat alle drie de onderdelen bevat. Zie de bibliografie.
Continue
[
fol. π1r]

LYSTE

VAN

RARITEYTEN.

Die verkocht sullen werden op den
33 van Haringmaand, in den Ja-
re dat driemaal twee soo veel
doet als tweemaal drie.

Ten Huyse van

ANNA FOLIE.

Alwaar de selve Rariteyten acht dagen na
de Verkooping van niemand konnen
gesien werden.

TWEEDE DEEL.

[Typografisch ornament]

Gedrukt in Arabien, midden op de Zand-
Zee, in’t vervalle Kasteel van den
Rasenden Roeland.




[fol. π1v: blanco]

[fol. π2r]

VOORREDEN

AAN DEN

LESER.

NAar lang de Weerelt te doorsoeken,
In Kotten, Kitten, en in hoeken,
    Soo in Japan, als Morenlant;
By Joden, Grieken en Tartaren,

(5) Laplanders, Finnen en Barbaren,
    En Heydenen, die in de hant

Van yder, wond’ren kunnen lesen;
Soo moest ik noch al verder wesen,
    Tot in het Elizeesche velt;

(10) Daar d’Oude Knevels lustig waren,
Die somtijds eens uyt spelen varen,
    Als hun de Drommel niet en quelt.

De Maan, met al haar snaakse Volken
Besocht ik, mede, door de Wolken,

    (15) Nu heb ik eyndelijk dien tocht,
In minder, dan een Maand, bedreven,
En alle Grollen op geschreven;
    Ja alle Drollen opgesocht,


[fol. π2v]
Die ’k u voor een ontbijt wil geven;
(20) Tast toe, geen schoonder ooyt jou leven.
    Zijt niet beschroomt, z’en stinken niet:
Je sult’er licht wel eene vinden
Die u sal smaken. Nu dan vrinden,
    ’t Is tijt dat g’u hier van voorsiet:


(25) Zoo kunt g’u selven wat vermaken.
Hier heb je veelderhande saken,
    Een schoonder Kosje, ben je graag;
Het tweede Deel der Rariteyten,
Men hoeft hier niet veel voor te pleiten,

    (30) Want ’t gaat heel gretig in de Maag.

Gy sult ’er koddigheyt in vinden,
Wel neemt het aan, mijn lieve vrinden,
    Voor sot of wijs, of tijtverdrijf;
Wilt het maar eens ter deeg bekyken,

(35) Het sal na alles wel gelyken,
    Waar meê dat ik uw Dienaar blijf.

Die lust, die plukt.
Continue

[
p. 1]

LYSTE

VAN

RARITEYTEN.

1. DE Comptoir Almanak van Jupiter in Schape Parkement gebonden, waar in men sien kan wat’er gebeurd is, en noch sal gebeuren, goed voor de Crediteuren, om ’er door te vernemen, of haar Debiteuren Banquerot sullen gaan.
2. Een Copye Authentijcq van een Mandement in cas van maintenu, door ’t Hof van Pluto verleend aan de Snyders, tegen Vulcanus, om dat hy het Kleermakers Gilde niet heeft voldaan, en evenwel de Soldaten met Harnassen soo warmtjes kleed, dat’er het sweet wel in de Winter sou uytbreken, sonder dat se voor de injurien van de Kruyt-lucht bevrijt zijn.
3. ’t Pourtrait van een zekere Franse Cassier, die om sijn credijt voor de Muntbriefjes te [p. 2] betoonen, met 77037 Livres in platheyt en petit Bagage na Palarmo vertrokken is; den goeden Heer sal misschien met sijn Rekening wat gebrouilleert geweest zijn, en gelijk den Boer, in plaats van nul ik houw een, het aldenbruy gehouden hebben: het maakt de netste Rekening, want anders moet men het judicium Praeferentiae & Concurrentiae houden; ook heeft men dan geen Curateur van nooden, om den Boedel verder uyt te suypen. Wat de Crediteuren belangt, die sal hy in twee paaijen betalen, een als hy dood is, en een als hy wederom komt; het is jegenwoordig de mode met de Noorder Zon te verhuysen, als men maar een goede Beurs daar meê kan maken. Gemelde Proviandeur vond meer gemak, om sich selven, dan de Fransche Troupen te Provianderen, en om sich als een eerlijk Depositaris te gedragen, heeft hy een Diamante Halssnoer, die hem vertrouwt was, met sich genomen; denk eens wat een sorgvuldigheyt, van selfs op de Reys met een andermans goed geinterresseert te willen zijn! soo hem dese Diamante Halssnoer maar niet aan een Ysere helpt, sal sijn moeyte redelijk wel betaald zijn.
[p. 3]
4. Een Wisselbrief getrokken door Caron, groot negen en negentig Vetmannekens, om op sicht in de andere Weerelt te betalen.
5. Het Pourtrait van een zeker groot Sinjoor, een oud Vrijer van sijn Ambacht tot Roomen met de kop gebruyt, en met sijn Mantel over sijn Hembd voor den dag gekomen zijnde, soo begon hy dese en gene soo wat klappen en kletsen voor ’t bakhuys, en voeten onder het gat te geven; dit een geruymen tijd geduurd hebbende, soo quam sijn Eminentie Janzon, nevens den Spaanse en Franse Ambassadeur voorby treden, deselve vroegen wat’er te doen was; in alle gevallen wat bruyt het u lieden wat’er te doen is, seyde den Kranksinnige, of moet men u lieden rekenschap van sijn doen en laten geven? ik seg dat je aanstonts u spillen en biesen pakt, of ik sal je soo roemruchtig op den tempel komen, dat’er den Pagadderachtigen Pagadder een vreugd aan sien sal: hier op stelde hy sich selfs op een steenhoop in ordre van batailje, en begon soo hevig met steenen na sijn Eminentie en d’Ambassadeurs te gooijen, dat se genootsaakt wierden, buyten het bereyk van de steenen te retireren. Hier [p. 4] op geboden se een Lakey, dat hy hem wat strykade met den Degen soude geven, maar hy sette de Lakey met een halve klinkert soodanig voor sijn starre, dat hy in Katswijm viel, en dat hem het bloed langs de kop neder liep. Doen geboden se 5 à 6 andere Lakeyen, dat se hem, sonder te quetsen, souden sien te vatten; maar doen rukte hy ’t ruyntje van stal, en liep met sijn Mes als een dollen Drommel tegens hun in, sneed’er 2 à 3 den bek, even of hy in Holland onder de Boeren verkeert had, seer meesterlijk op, en dreef’er gesamentlijk op de vlucht: doen wende hy sich na den Kardinaal en d’Ambassadeurs, die hy mede soo dicht achter de vodde sat, dat se niet wisten waar datse hunne fondamenten souden bergen, soo dat se genoodsaakt waren in een Huys te retireren, alwaar men pas soo veel tijd hadde, om hem, de deur en vengsters voor de neus te sluyten; vervolgens begon hy storm op de deur te loopen, en de glasen in te gooijen: en dit duurde soo lang, tot dat eenige Ceremonie-Meesters van de Bruyd der duysternisse, alias Sbirris, of Roomse Dienaars van de Justitie hem vatten, en na ’t Dolhuys brachten.
[p. 5]
6. ’t Geraamte van een rare Snaak, die in sijn leven een oortje Peper in sijn hinderste stak, om van de Tandpijn, waarmede hy seer geplaagt was, geen gevoelen te hebben, dewijl hy alsdan met de operatien van de Peper genoeg te doen hadde.
7. ’t Pourtrait van zekere Monnik, die eens lust kreeg om te gaan in een diep onderaards gat, by Monte Cavallio, alwaar het (soo de supplianten seyden) spookte, om dat nesje eens te storen; of liever om de Duyvel soodanig te besweren, dat hy voortaan soo veel potten niet meer soude komen te breken; derhalven ging hy, nevens meer andere Religieusen het gat in, hebbende Lantaarnen en Flambouwen, nevens Kruyssen, Vanen, Quast en Wywater, by sich; se quamen eyndelijk soo ver, dat de Flambouwen, door de dompigheyt van ’t gat uytgingen; doe stonden se daar en keken als een Uyl in doods nood; eyndelijk hoorden se een geblaas en gemaauw, of ’er by duysenden van Katten en Katers in waren geweest; vervolgens quam’er een holle stem, die seyde, dat se soo aanstonts soude vertrekken, of dat men der soodanig beenen sou- [p. 6] den maken, dat’er syne Plutonische Majesteyt een vreugd aan soude sien. De Monnik liet sich hier op wederom hooren, dat hy daar ter plaatse niet gekomen was om vliegen te vangen, en begon de Geesten by Sinte Frans, Ignatius, Dominicus, en meer andere Heyligen te besweren, dat se van daar na den afgrond verhuysen, de Menschen niet meer doen verschrikken, en dat se sich voortaan stil souden houden; maar naauwlijks had hy dit geuyt, of hy en sijn geselschap, wierd met brandende Telhouten soodanig begroet, dat’er de vonken om de ooren stoven, vervolgens kregen se sulke schoppen onder hun achterkasteelen, dat se aan een levende uytkomst begonden te twijffelen: hier op lieten de Geestelyke Personaadjes hunne Kruyssen, Vanen, Quast en Wywater vallen, en togen alderbest aan ’t rekken ’t gat uyt, en dat soo lange, tot se weêr in de ope lucht quamen, alwaar se altemaal stijf van ’er selve vielen; en na dat se weêr bekomen waren, wisten se wonderlyke dingen te verhalen: te weten, dat se den opperste Nikker in een gloeijende stoel hadden sien sitten, en dat in een ys- [p. 7] selyke gedaante, hebbende een vervarelyke gespikkelde staart, apparent om de vliegen meé van sijn gat te keeren, vervolgens sette hy sulke kluysen of blikkers op, dat ’er de stoutste van verschrikten: daarenboven was hy verselt van een groote party oude en jonge Drommels, die de gedaante hadden van Apen, Meerkatten, Bavianen, Vleermuysen, swarte Ravens, Uylen, Koekkoekken, Gieren en Wouwouwen; dit goed kakelden, schreeuwden en snapten, dat je hayren te bergen resen; hier by deed het niet als kruysen, piepen, blasen en poffen: daarenboven plukhayrden se somtijds tegen malkanderen, dat de veren van hunne vermaledyde gatten stoven, of dat’er de oogen in de kop verdraayden. Andere deden niet als het lesje, de beul is je Besje, spelen, kruypende ten dien eynde door de bomgaten van de Halfvaten, en dan het pluggegat wederom uyt. Ook sagen s’er Ixion aan ’t Rad staan draaijen, als mede de groote Vent Titius, desgelijks Zyzipus, en hoe de Danaïde besich waren met’er bodemloose Vaten vol water te hoosen.
8. Een houte Prins-Robberts-Metale Doosje, [p. 8] gevult met een party van de Aarde, waar mede Keyser Claudius, anno 42 eerstmaal Holland heeft doen bedyken; seer goed voor de liefhebbers van de Vissery, om’er de Peurwurmen in te bewaren.
9. ’t Geraamte van een Aal, achtien voeten lang, die in den jare 1057. op Ameland is aan komen dryven; zijnde waardig om de Winkel van een voornaam Chirurgijn te verçieren.
10. ’t Model van een zeker Schuytje gemaakt van vier Koeyhuyden, waar mede zeker Borger van Hoorn, Aldert de Graaf genaamt, gewed heeft, dat hy met het selve van Hoorn in Holland na Dantzik in Polen soude varen, alleen; mits een Hondje by sich te mogen hebben, welke reyse hy gelukkig heeft volbracht, en tot Dantzik komende, verkocht hy het Schuytje, welk daar na aan den Koning van Polen vereerd wierd als een groot wonder, en te Krakau gebracht werdende, is daar in de Hooftkerk tot een eeuwige gedachtenis opgehangen.
11. ’t Pourtrait van een Gasconse Oostindievaarder, die in een zeker Land geweest is, alwaar de Vrouwen haar Lywaat wasten [p. 9] met Duvve stront in plaats van Zeep, en haar ophullende, namen een Waterpot voor haar spiegel.
12. ’t Pourtrait van een zeker goed Theoretis Dief, doch die niet al te wel in de practijcq geverseert was, meende ad imitationem Orphei, een Haarlemmer Bleek te gaan besoeken, om onder beneficie van een Hobade eenig Linnen sonder geld te marchanderen, doch de Bleekers Cerberi hadden geen ooren na het Muzijk, en kregen den galanten Linnekooper soo deerlijk by sijn lappen, dat hy in een moment wel een Schuymspaan of Vergiettest geleek, en ter naauwer nood gelegentheyt had, om te viervoet te echapperen. Sedert heeft hy de Historie van Orpheus seer verdacht gehouden, en daar beginnen aan te twijffelen, gelijk het Besje aan de Passie, om dat het soo lang geleden was.
13. De Copye Authentijcq van een Missive door een Wafelbakster uyt Romen, geschreven, inhoudende, dat niet jegenstaande de Vastenavond-Vermakelijkheden aldaar door den Ouden Vader verboden waren, echter eenige Heeren en Dames lustig den Besem hadden uytgestoken, en [p. 10] Wafelen gebakken, sonder den Pontificalen Prins daar by te versoeken, ’t geen hem geweldig in de krop steekt; hy heeft om die Vastenavonds Gasten dat smullen te verleeren, eenige van die Heeren op de Galey gebannen. Doch op iterative instantien van de Vrouwtjes, welke verklaarden, dat men soo qualijk laten kan, ’t geen men graag doet, dat harde Vonnis, Mediantibus Nummis, sonder welk te Romen niets geschiet, herroepen.
14. ’t Geraamte van acht Roofvogels, welke op een tijd als Vinken in een knip gevangen zijn, namentlijk, gemelde Roofvogels of Zeedieren hadden sich meester van een Fleuytschip dat na Bilboa gedestineert was, gemaakt, en waren van meeninge om het selve in een Fransche Haven te conduiseren, doch sy wilden den besten beuyt, eer dat se die in salvo voor haar Meesters hadden, voor haar selven in ’t privé salveren; weshalven sy sich haar tussen deks vervoegden, om haar gading uyt te soeken, maar de Engelsen haar kans klaar siende, plakten de Luyken toe, en lieten die Piratische Practizijns met den anderen over den Tytel de rerum divisione har- [p. 11] rewarren, sonder dat se tot het acquirendum ipsarum Dominium konden geraken.
15. ’t Pourtrait van een zekere Dame, wanende door haar aangebore schoonheyt de harten der Jongelingen niet genoeg te kunnen betooveren, socht alle listigheyt om een staaltje van die aangename Tooverkonst te genieten. Een Jongman, van minder staat als sy, zijnde dit ter ooren gekomen, verkleede sich in de gedaante van den Duyvel, namentlijk van een gekookte Kroot met Swavelstokken bestoken, ’t welk al een aardige gehalte heeft vertoont, want men kan hem hier soo wel by vergelykenen als by een Kordewagen, wijl men Monsr. le Diable sijn gedaante niet kan beschryven: want na ’t seggen veler Geleerden, veranderd hy sich somtijds in een Vleermuys, Hagedis, een Kat, een Wolf &c. en is aldus by haar verschenen, met voorwenden van haar die kracht deelachtig te maken, daar sy na verlangde. Na weynig complimenten gemaakt te hebben, wierd het accoord besloten, dat na verloop van tien jaren sy voor Huysvrouw van mijn Heer Plutonibus sou moeten ageren, wijl dat Proserpina al een oude Totebel begon- [p. 12] de te werden. Hy door dese gewaande Duyvelary veel op haar vermogende, prente haar in, dat sy tot bewijs van sijn eygen te wesen, daar een merkteeken van moest ontfangen, ’t geen sy niet refuseerde, dies plaatsten hy het op of wel in (dat kan men juyst soo naauw niet seggen) de geheymste plaats van haar ligchaam, en weg gegaan zijnde, heeft hy’er een Brief op laten leggen, daar sy lichtelijk uyt kon bemerken, wat voor een Duyvels Toovenaar hy was geweest.
16. ’t Geraamte van drie Vissers, die door Toovery (soo men voorgaf) met Schuytje en al uyt het water wierden opgenomen, en op het toppunt van een Karstsanje Boom geplaatst, daar sy saten en keken als een Poelsnip.
17. ’t Poutrait van een zeker Jongman, meenende eenige onheusse bejegeningen van sijn Lief, door het ziel verquikkende Druyvenat van sijn hert te spoelen, ging met dit voornemen in een Drinkwinkel, alwaar hy met eenige andere Jongelingen aan het spelen raakte; hy sloeg, om dese klip des aanstoots weg te doen spoelen, een lengte van Roemers, ’k meen Wijn, [p. 13] na binnen toe, tot soo lange hy met de Sterre begon te loopen: eyndelijk het op een rekenen komende, was hy niet in staat om sijn gelag te konnen betalen, wijl hy sijn geld aan stukken gevallen had; de Waardinne dit niet euvel opnemende, begon tegens hem uyt te varen, en smeet hem een reeks scheldwoorden na ’t hoofd: hy dit niet kunnende gedogen, gaf haar een muylpeer, soo veel sijn krank vermogen toeliet: sy niet leuy zijnde, greep hem in de lokken, wierp hem ter aarde, daar hy niet veel tegen hadde door het overmatig drinken, en besocht doen al sijn sakken, daar sy niets in en vond dat haar gading was: eyndelijk haar beraden hebbende wat sy hem doen soude, wijl sy wel merkte daar nooyt geen geld van te sullen krygen, streek hem den Broek af, (’t welk een staaltje is van de onbeschaamtheyt der Weeuwen) nam haar muyl, en sloeg hem soo ongenadig op sijn achterwerk, dat hy in geen staat was daar in acht dagen op te sitten.
18. ’t Pourtrait van zeker Dienstmaagt, wonende by een Kruydenier, en sullende de Peuyglasen afstoffen, sag geen kans om [p. 14] soo hoog te reyken als sy wel wenste, derhalven klom sy op een Ton Syroop, die daar dichte by stond, welkers deksel (gelijk by de uytkomst gebleken is) niet sterk genoeg zijnde om haar Maagdom te dragen, aan stukken brak, alsoo dat sy tot onder de armen toe in de Syroop sakte, en geen kans siende om daar alleenig wederom uyt te geraken, begon sy te schreeuwen om hulp als een mager Varken; hier op de Meester, Vrouw, en Knechts, gelykelijk na voren loopende, vonden sy ’t geen voor verhaald is, ’t welk haar soodanig deed lagchen, dat sy in een ruymen tijd noch niet in staat en waren, om de Meyd te helpen, hoe seer deselve ook verlangde om’er uyt te zijn: doch na dat sy een weynig bedaart waren, begonden sy middelen in ’t werk te stellen om dit verlege schepsel te redden, ’t geen soo beswaarlijk in sijn werk ging, dat sy haast besloten een Takel te gebruyken: echter kregen sy haar eyndelijk na veel trekkens en plukkens wederom daar uyt, als wanneer men in de Stroop eenige klompjes uyt den geelen sag dryven, ’t welk sy de menschen wijs maakten dat’er Honing in [p. 15] gevallen was, doch de menschen die daar van proefden, attesteerden, dat de gewaande Honing smaakte en rook na een Secreet-Concerf, ’t welk in den Apteek op ’t Kerkhof genoegsaam voor niet te krygen is.
19. Het Authentijcque Klaaglied van Minerva, door een der Sanggodinnen op noten gestelt om te konnen spelen en singen; behelsende onder anderen, dat haar Godheyt soo weynig op de Academien gecultiveert wierde, dat het schande was, en dat haar Alumni, of Voesterkinderen meer in de Boeken van twee bladeren, als in die van Virgilius, Ovidius, Seneca, en Tacitus haar tijd versleten; dat sy de Morgenstond met een diepe slaap, den Dag met ledigheyt, en de Nacht met rinkelrooijen door brachten, &c.
20. ’t Geraamte van de Meestersknecht van Alexander de Kopersmit; hebbende in sijn handen een Koper Theéketeltje, door hem selfs gemaakt.
21. De Geraamtens van eenige Dragonders, die in hun leven een Kar met Geld na zekere Stad gaande, hadden aangehouden, en daar net soo veel Geld uytgelicht, als [p. 16] men aan haar verschult was, waar over deselve by de kop wierden gevat, en ter judicature gebracht; sy proponeerden exceptie van benoodigtheyt, en voegden daar by, rem suam contractantem furtum non committere, dat is, dat die sijn eygen goed neemt, niet kan verstaan worden een Diefstal te begaan; meenende daarenboven, dat men haar noch behoorde geobligeert te zijn, dat se het overige in zekerheyt overgebracht hadden; doch ’t Gerecht heeft die fijnheyt van Rechten over gestapt, en de voornoemde Dragonders als inhabile Dieven, om dat se het hutje met het mutje niet gestolen, en haar uyt de ysere klank gehouden hadden, met de Ridder-Ordre van de Koorde vereerd.
22. ’t Geraamte van zekeren Boer, die verstaande dat sijn Practisijns swarigheyt over sijn saak maakten, om dat sy meenden, dat men hem een Eed soude opleggen, begond’er wel hartelijk om te lagchen, en verklaarde, dat als men hem de saak op sijn vingers gaf, hy het Hooy in questie wel op sijn Gaffel sou krygen.
23. ’t Pourtrait van een Hottentottin seer wel gemaakt van Leden, behalven dat se geen [p. 17] Belle Phisionomie heeft, ’t welk veroorsaakt werd door een rimpel, die vijftigmaal in haar Voorhooft rondom draayt; wyders is sy op haar Lijf als een gebrand Varken, ’t geen besonder Charmant is; dese couleur is om sijn singulierheyt van yder geadmireert, te meer, dewijl men niet begrypen kan, van wat ras se mag voort gekomen zijn. Want soo een Moor een Kind by een Witte teelt, soo is het selve Bazané, op sijn Spaans, gelijk Virginie-bladeren; legt een Moor by een Moorin, soo is de Vrucht soo swart als de Droes; als een Witte by een Swarte slaapt, is hy een Misties voortbrengende; doch soo een Witte by een Witte lammert, heeft men nooyt Swarten of Bazanées daar van gesien.
24. Een Disputatio inauguralis over de materie, wie dat den eersten Moor of Swart mach gefabriceert hebben, gedaan door wylen Aesculapius, wanneer hy tot Doctor gepromoveert wierd.
25. ’t Geraamte van een Pools Edelman, die in sijn leven geinventeert en uytgevonden heeft om Tafelborden te wassen, sonder dat se te veel verslyten; ’t geen ook als [p. 18] noch in Polen werd geobserveert, namentlijk, soo een Teljoor vuyl is, geeft de Heer, of Mouchi Panna het selve aan sijn Schildknaap, die nooyt minder als een Edelman is, welke dan het Vet daar eerst af lekt, en vervolgens met des Honds staart, die men om de parade altijd ontrent de Tafel heeft, het selve reyn veegt, waar na het aan den Poolsen Ridder weêr voor een schoon Bord verstrekt.
26. ’t Pourtrait van zeker Doctor Medicinae tot Montpellier, welke groote reputatie hebbende van door den Urijn der Sicken qualen te ontdekken, groote Schipbreuk in sijn wetenschap geleden heeft, door dien men bespeurt heeft, dat hy een vertrek hadde, daar hy door zekere Spreek-Machine alles hooren konde, wat de brengers van die gedisteleerde wateren in onnooselheyt tegen sijn Vrouw klapten, die haar met een fijn praatje netjes wist uyt te hooren: hy staat jegenwoordig, gelijk de Dames van Fortuyn, als se op de eene plaats uyt gediend hebben, na elders te vertrekken, om aldaar weder sijn deun van voren af aan te singen, en soo sulks niet lukken wil, een stuyvertje op de Pont Neuf te gaan verdienen.
[p. 19]
27. Een Authentijcque Reysbeschryvinge door een voornaam Persoon beschreven in den jare 1347. behelsende onder anderen de vreemdigheden en Galanterijen van Polen; seggende onder anderen, ’t geen elders wat na Pedants sou ruyken, aldaar pour un Air Galant gehouden word; by voorbeeld, een Pools Cavallier over straat wandelende, sal om een goede gracie te toonen, en met eenen sich te verwarmen, sijn achter quartier en schouders te gelijk op de Cadans draaijen, en met sijn Houbouk, of Strijd-hamer in de lucht schermen, als of hy quaestie tegen de particulae Aëreae had: de Vrouwen dragen aldaar Laersen, om de Muylen niet te bederven, en de Kousen te sparen, terwijl men’er seer zindelijk is.
28. ’t Geraamte van een Kok, die sijn kopere Ketel in de Spaanse Zee siende na de Kelder gaan, beloofde deselve aan Neptuyn te sullen vereeren, als hy’er noch maar eens in koken mocht.
29. Een zeker vremt stelsel van een Pothuys; ’t geen meé voor een Koets passeert, de selve is getimmert van het Wagenschot, ’t geen tot de Duyvesolder in de Arke [p. 20] gediend had, en met verroeste Hoefnagels, in plaatse van Kopere Spykertjes voor de parade, rontom beslagen. Gemelde Antiquiteytje staat op vier Raderen, na het model van de Turfwagens gemaakt, en word getrokken door twee stemmige Beesjes, die met de kop in ’t achterste paralel hadden leeren gaan, sonder eenige teekenen van hoovaardye te toonen; dese doorluchtige Triumfwagen word gement door een ouwerwetsen Phaëton, welke wel een tachtigjarig Leverey aan heeft, en dese pasgangers met sulken doorluchtigheyt bestiert, als of hem de Sonnewagen toevertrouwt was.
30. ’t Pourtrait van zeker schoon jong schepsel, Faeminini generis, welke in Noorwegen overleden is, ’t welk haar Bruydegom, met wien sy op het Trouwen stont, sich soo ter harten had genomen, dat hy haar na de andere Weerelt was gevolgt. d’Amoureusen Held was soo op het Poignarderen geset, dat, vermits hy aan de Maagdelyke Bruyd sijn martiale Moordlust niet kon boeten, hy tot die onmenschlijkheyt vervallen was, van sich selfs te doorstooten. Dese onnatuurlyke Minnaar moet veel [p. 21] in de Romans gelesen hebben, dat hy soo vaardig was, sijn Rapier tot blussing van sijn Minnedrift, te gebruyken. Het is anders hedendaags de mode niet, soo stantvastig in sijn Amours te zijn; de onderdanen van Cupido vallen jegenwoordig soo opiniater in haar desseynen niet, sy mogen er haar kop by in schieten, voor haar leven sullen sy wel sorg dragen, ten waar haar Suyg-lammertjes insensibel de fondamenten daar van quamen te ondermynen.
31. ’t Pourtrait van een zeker Voyagerend Ridder van de Duytsche Natie, die tot Amsterdam quaestie met de Nachtwerkers kreeg, om dat hy op klaar lichten dag over den Dam menschelyke excrementa gedragen had, ’t geen volgens de Keuren van de Stad niet als ’s avonds na tien uuren, en dan noch maar door de daar toe geauthoriseerde mag geschieden; maar dien Heer bracht tot sijn verschooning of wel bevuyling in, dat sich binnen de jurisdictie van sijn Broek, Schoenen, en Koussen gehouden had, en dat het in een vry land behoorde gepermitteert te zijn, sijn eygen nest te bedoen. Men had derhalven den ongelukkige Drekvogel voor dese maal [p. 22] geëxcuseert; mits dat hy in ’t toekomende voorsichtiger zy: waar op hy aanstonts circulaire Brieven aan sijn Landgenoten liet afgaan, waarin hy narreert, quod illi acciderit in puncto, quod non speratur in anno, dat hem in een moment meer is ontgleden, als hy in een geheel jaar sou konnen consumeren; en sulks suyvere essence van Rotterdammer Bier en Oesters, en dat hy in sijn Broek waarheyt bevind, quod quo semel est imbuta recens servabit odorem testa diu, dat als je eens een stercorale vlek in je conduite krijgt, sy’er seer beswaarlijk uyt te wassen is.
32. Een Copye Authentijcq van de Historise en Politijcque Beschryving wegens het optrekken van ’t Bakkers Gilde te Weenen, beschreven door een descendent van den Bakker van Pharao, luydende van woorde te woorde als volgt.
Op Paas-Maandag heeft het Bakkers Gilde te Weenen, Paaspronk opgeschikt, met vliegende Vaandels en klinkend Speeltuyg, door de Stad getrokken; sy waren alle in witte Onderkleeren, met opgestrikte Broeksbanden, bloote Voeten, en op haar Muylen geadjusteert. Vooraf trok een [p. 23] Sergeant met 16. Man, in qualiteyt als Handgranadiers; sy hadden yder een Servetmuts op ’t Hoofd, een Deuvekater daar een halve Compagnie Soldaten haar bekomst aan soude vinden, op haar Linker schouder, en een Sausyse-broodje in de hand, stappende met sulken deftigheyt als of se alle Primo Nobles van het eerste Gelid waren geweest: daar na volgden een half snees Bakkers Knechts, die yder op een Hoorn van een Extraordinaire grootte, sulken geluyt maakten, als of’er een Regiment tochtige Stieren door de Stad trok: hier op quam haarlieder Capiteyn, die wel na de Kelderknecht van Ceres en Bacchus in conjunctie geleek, soo bars als Schoppeknecht aangetreden; hy had een vervaarlijk Tafellaken, daar het Gilde gewoon was aan te teeren, voor een hangende Sjerp aan, een dito wat kleynder, tot een Steenkerker om den hals; wyders een douzijn Servetten aan de Armen en Beenen gebonden, die hem als een gewiekte Vledermuys voor Falbelaas dienden, waar na de gantsche Compagnie in rijen en gelederen volgde, hebbende tot haar Geweer de Rolstok op zyde, en de [p. 24] Inschietpaal, waar me sy het Brood in den Oven schieten, op haar schouder, een Bandelier met Krakelingen om den hals, en een Patroontas met Timpjes voor haar lijf, om’er de soppige Peeren, die haar allerwegen door hunne bekenden geschonken wierden meê te larderen, op haar Hoeden hadden se voor PIuymagie yder een nieuwen Dweyl, daar se de Ovens meê schoon maken, als een Vossestaart achter af hangende. In ’t midden van dese Compagnie wierden twee Roggesakken voor Vaandels gedragen, die, in plaatse van beschildert, door de alvernielende tijd en hongerige Rotten soo wel doorknabbeld daar uyt sagen, als of se in een Belegering aan het heetste vuur der Vyanden geëxponeert geweest waren, en tot een Relique van dapperheyt bewaart wierden: eyndelijk wierd de Bende van dese Cereale Gildebroers door een Luytenant met een dweylstok in de hand gesloten. In die ordre marcheerden sy door de voornaamste straaten, daar sy en passant studentikôs hier en daar de glasen insloegen, vermits sy geen schietgeweer hadden om’er op sijn Burgers meé te leven; en- [p. 25] fin dese parade wierd sonder groot ongeluk met het vallen van den Avond geëyndigt, tot groote droefheyt van de Wijn-koopers en Glasemakers, die wel gewenst hadden dat het een rond jaar geduurd had. Dit martiaal plaisier werd alle jaren door haar tot gedachtenisse van hunne dappere Daden, ter gelegentheyt van het Beleg van Weenen in den jare 1529 uytgevoert, volgens het Privilegie van Keyser Karel, gehouden. Onder verscheydene diensten die se aan de Belegerden hebben gedaan, hadden se het Brood soo licht weten te bakken, en echter zijn uytterlyken eysch op het oog gegeven, dat se het dagelijks rantsoen een geheel vierdepart daar door verminderden, ’t geen een bysondere menage was, om de Vivres te doen strekken; waar van het noch is, dat se hedendaags het Brood zijn gewicht niet en geven, hun altijd verbeeldende, in de Belegering noch te wesen, welke imaginatie selver tot hier schijnt overgewaayt te zijn.
33. ’t Pourtrait van een zeker beroemt Reparateur van de menschelyke Siektens en Qualen, die eertijds Hector in de Belegering van Trooyen als Lijf Medicus heeft ge- [p. 26] diend, waar van hy noch gezegelde Bullen en Brieven vertoont, alle geschreven met Griekse Caracters en Abreviatien daar de doorsnuffelaars van de Oudheden haar werk aan konnen vinden om de Sleutel van op te soeken, dewijl desen Superintendent van alle gebreken deselve, beneffens die van het Cabinet syner Geheymenissen verlooren heeft, waarom hy ook de Liefhebbers versoekt, om sich in tijds van syne Mysterieuse Medicamenten te willen voorsien, eer sijn Proviant Magasijn leeg raakt. Hy is te vinden op sijn Salftroon daar hy sijn Spectateurs met eenige Tooneelkluchten diverteert, buyten dat het haar geld kost van in de Comoedie te komen, of sy moesten door eenige behendige Operateurs van de Beurs gesneden werden, sonder dat sy het selve voelden of in tijds gewaar wierden. Hy geneest al wat los en vast is, sonder onderscheyt: soo iemant haar Maagdelyke Eer mocht verloren hebben, deselve kan hy in integrum herstellen, even of sy se nooyt gehad hadde; al was iemant tien jaar Dood geweest, die hoeft maar by hem te komen, hy sal se aanstonts doen wandelen na haar begeerte; is ie- [p. 27] mant een van sijn vijf Zinnen quijt, hy sal’er hem van genesen door het verdryven van de andere vier.
34. Een Pen uyt de Slagwieken van Daedalus, seer bequaam om’er allerley handen meé na te bootsen.
35. Een van de Hoorns van Actëon, die hem Diana vereerde, als wanneer hy haar naakte waarheyt sag, zijnde een soet Modelletje voor soupçonneuse Mans.
36. De Romeynsche Vryheyt, gebalsemt door Titus Livius, in een oortjes Doosje.
37. Een Kies van den Reus Goliath, die hem door de Slingersteen van den dapperen Helt uyt sijn mond vloog.
38. De Schaal van Astraea, daar se de Justitie plag meê uyt te wegen, door ouderdom byna versleten en beschimmelt, zijnde een soet Antiquiteytje.
39. De Esels Ooren van Midas, die hy van Apollo tot een Kermis kreeg, wanneer hy Marsias praeferabel in de Muzijk verklaarde.
40. Een jong van Pegasus, aangefokt in de stoeteryen van de Sanggodinnen, seer dienstig om’er de hedendaagse Leugens meê na te ryden.
[p. 28]
41. De vertooning van de Naumachia, of Scheepstrijd der Romeynen met Schevelingse Pinkjes, alles in het kleyn door een Microscoop te sien.
42. De verbeelding van het schaken van Europa door een witte Stier, waar door het noch is, dat se wat aan de Galante kant valt.
43. ’t Geraamte van eenen Jan van Megchelen, in sijn leven uyt sijn Regiment gedeserteerd zijnde, en de nieuwsgierigheyt hebbende om te sien of sijn plaats al met een ander vervult was, stelde sich ten dien eynde voor sijn eyge Compagnie, de Capiteyn sijn ontsnapte vogel gewaar wordende, sprak hem aan, waar op den anderen met een statig gelaat antwoorde, ik kan je niet Heerschop, soo dat den Hopman genoodsaakt was (om niet in een scepticismus te vervallen) met eenige van sijn gewesene Makkers te consuleren, die hem wel ras voor den eygensten Jan van Megchelen kenden, die sijn Paspoort onder de soolen van sijn schoenen genomen had; maar hy met een Palmhoute tronie loogchende het alles, en een Sergeant, met ses Man toeschietende, om hem in Arrest te nemen, wist hy die met sijn Ra- [p. 29] pier soo behendig af te wysen, dat de Capiteyn geraden vond, daar een volkome Stoepjes ronde van sestien Man op uyt te schikken, waar door dese nieuwsgierigen en dapperen Vogel eyndelijk in de knip geraakte, gevende sich met dese doorluchte woorden over; soo je met een Battaillon quam, je soud het my niet doen, maar twee, dat is onheus. Na verhoor wierd hy ’s anderendaags ter Galg gedoemt, en alvorens over eenige andere bagatellen de Hand afgekapt te werden, welk laatste ter Executie wierd gebracht, sonder dat hy hach of wach sey: maar toen de Groot-meester van de Koorden, hem het kennippe Nachtdasje om wilde doen, begon hy daar tegen te protesteren, meenende dat het genoeg was dat men hem van sijn Broodwinder, die hem soo meenigen Goudbeurs verschaft had, quam te berooven. Maar siende dat hy daar niets meê op deed, toonde hy sich onwillig om Galgwaarts te klimmen, en veroorsaakte daar door aan den Patibularius een Huys vol werks, die na eenigemalen met hem een Turksenbeuytel gemaakt te hebben, een Katrol nam, om er sijn onwilligen Hangebast meê op te [p. 30] hijssen, waar op hy eyndelijk resolveerde sich onbedwongen na boven te begeven; aldaar gekomen zijnde, maakte hy veel spook eer hy de strop wilde laten vast maken, en vroeg ten laatsten aan den Majoor of hy hem dan niet wilde het leven schenken, waar op den selven van neen antwoordende, liet hy sich gewillig vast knoopen, en sprong uyt sich selven van de Leer, besluytende sijn Leven met eenige imprecatien aan den Majoor en sijn Capiteyn, dat se dan voor den Duyvel konden loopen: ’t sedert die tijd heeft hy het hangen soo wel geleert, dat hy het nu al tegen de beste kan.
44. ’t Geraamte van een Gaauwdief, die in een zekere Kerk van de H. Lieve Vrouw een kruykjen met gewyden Olie had gestolen, deselve is eerst door de Inquisitie ten toon gestelt, op dat sich yder voor den handgau sou wachten, en naderhand aan den Wereldlyken Rechter overgelevert, die tot meerder securiteyt hem in vier quartieren gepartageert heeft, om de Ravens tot spijs te strekken. Dese Oliedief moet in sijn gedachten gehad hebben om heylig te willen sterven, dat hy sich soo happig [p. 31] op het laatste Olysel heeft betoont; het is eveneens, als of men een Doodkist ging stelen, om’er naderhand gerust in te leggen.
45. De Vertooning van Grandguosier en sijn Vrouwtje Gargamelle, die fraay van krop en schoon van kop is, verbeeldende beyde seer natuurlijk de Vertooning van den tweelyvigen Gerion; met al sijn Armen en Beenen, om (na de Droom van Plato) van twee helfjes weder een geheel te maken.
46. De Geraamtens van Rocquetaillade en Croquemousche, de eerste is uyt sijn Moeders Enklaauw, ende den anderen uyt sijn Voesters Pantoffel ter weerelt gekomen.
47. Een paar curieuse Handschoenen, gemaakt van ’t vel van een Nachtmerry, wel eer gedragen door Madame Proserpina.
48. ’t Geraamte van Etion, dewelke de eerste was, die de Pokken kreeg, om dat hy by de Somer koud water gedronken had, volgens de getuygenis van den Oudvader Battachem.
49. ’t Geraamte van Gemmagog; die de eerste uytvinder is geweest om de Veulens te beslaan.
50. De Rechterhand van Morgan, leggende [p. 32] gebalsemt in een Verkeerbort, zijnde den selven de eerste geweest, die met sijn Bril op de Neus met Dobbelsteenen speelde.
51. De Linker Enklaauw van Happe-Mouche, leggende in een Rozijnkorf gebalsemt; den selven is de eerste uytvinder geweest om de Ossetongen in de Schoorsteen te rooken; want te voren wierden se slechts gesouten, gelijk men de schenken doet.
52. Een steene Doosje sonder deksel, gevult met eenig Sog of Melk uyt de Borsten vanJuno, by deselve gestort op de Melkwege toen sy aan Hercules de Mam bood.
53. Een considerabele Ysere Ketting, waar mede Pluto op een zekere tijd vastgebonden wierd door overgroote buykpijn, die hem te heftig pynigde, door dien hy een Diefleyders Ziel, in de boter gebraden, tot een ontbijt gegeten had.
54. Een curieus Boekje, gemaakt in Folio, gedrukt in Quarto, ingenaayt in Octavo, en gebonden in Duodecimo; behelsende de konst van eerlijk te Vijsten in de Broederschap: beschreven en vers burlesque, door den Wijngaardsnoeijer van Buyksloot, seer dienstig voor luyden die wat winderig van poort vallen.
[p. 33]
55. Een Amoureus Tractaatje, zijnde een Foliant in Octavo; behelsende de verschyning van St. Geltrude, aan ’t Nonnetje van Poissy in barendsnood.
56. Een plaisierig Boekje, geintituleert allermeest-verklaard-lichtluchtigste herhaling van Raequedenari, over ’t verlappen en verhakstukken der Uytleggingen van Accursius, tot aardige deuntjes en quakjes.
57. ’t Geraamte van een Persoon die in sijn leven een verstand had met een dubbelden omslag, en een geheugenis soo groot van begrip, als twaalf napjes en tapjes van een Olijf.
58. Een Tractaatje van ’t gebruyk en nuttigheyt om Paerden en Merryen te Villen, in Gedicht beschreven door de Stads Vilder van Quebecu.
59. Alle de Werken van Mr. Rosto Costo Hambedanesse; handelende van Mostaart na de maaltijd te dienen, in veertien Boeken, met de hoogdravende Aanteykeningen in Rijm door Mr. Calveris.
60. Een Historijs Verhaal, dat in den 2845 de Ripeesche Gebergten een groote onvruchtbaarheyt van Boerenbedrog voor dat jaar hadden, veroorsakende een oproer [p. 34] van Narrekappen en beuselingen, ontstaan tussen de Klappers en Kakelaars, over de wederspannigheyt der Swetsers, die sich versameld hadden tot het getal van een Bijenswerm, om te trekken na Nieuw-Angel, in ’t eerste gat van ’t jaar, dat de Sop aan de Ossen gaf, ende de Sleutel der doove Kolen aan de Dochters, om de Haver voor de Honden te werpen; alles seer elegant beschreven in Vers en in Prosa door den Landmeter van de Middelandse Zee.
61. De considerabele Bibliotheecq van Pasquijn en Marforio, by henlieden te samen en in het gemeen beseten, ende door deeselve vereert aan den Prosessor van Ysland, ende by den selven by Codicille, van dato den 37 van Drinkmaand des jaars, dat de Son scheen van den Ochtent tot den Avond toe, gelegateert aan een oude Boekverkoper tot Bantem; waar van de Boeken zijn geintituleert als volgt.

IN FOLIO.
1. DE Lapsak der Rechten, door Joannes Perverso, met kopere Platen, 2 voll.
[p. 35]
2 De Sleepschoe der Besluyten, door Giovanni Talmerini. Molquernae 783. 3 voll.
3 De Granaatappel der Ondeugden, op Rijm gebracht door Pedro Fieltio, met blikke Sloten.
4 Marmoretus van de Bavianen en Apen, met de Leugens van Dorbel, met houte Platen, 2 voll. 1 tom.
5 De Mostertmaler van Berouw, door Jacobus Neusvattius, cum Notis Variorum.
6 De Spekkookkunst van Utopia, in drie Boeken beschreven door Johannes Porkius.
7 De konstschriften van Major, over de manier van Beulingen te maken, met Kopere Platen.
8 Bedanus over De Uytmuntentheyt der Penssen. 3 voll.
9 Franetopius van den Krijgshandel, met Platen van Tevot. Krooswichiae 3186. ed. opt.
10 De konst om na de Mode de Sporen af te doen, beschreven door Mr. Alberic van Rosana. 11 voll.
11 De Konst van de Misdaden af te palen, door den selven. 3 vol.
[p. 36]
12 De behendige Handgrepen van Uytteragen en Vagen der Schoorsteenen, door Mr. Kykebody, 8 voll.
13 Lirepype Slurwers, Zedekrameryen, uytgegeven door Mr. Luypol.

IN QUARTO.
1 Morlijn Coccay van ’t Vaderlant der Drommelen.
2 Justinianus, of Joostje Janssen van de Schijnheyligen uyt te roeijen.
3 De Wijtschijtluchtige Velden der Aarsspeuytingen, in hondert verdeelingen, door Joachimus Slurpius, Musquettier onder de Cavaillerie te Voet. 2 Deelen.
4 Julfus Schoenmakerius Verantwoording tegen een Quidam, die hem Guytsak geheten had; bewysende Luce meridiana clarius, dat de Guytsakken door de Paus noch de Kerk verdoemt zijn.
5 Den Droomrevelaar van de gevallen der Gewetens, door Conscius Conscieninus.
6 Het Steengruys van Meester Engelbrecht, in seven Boeken, van den Oorsprong, Zeden en Gewoonten der Ruygpooten en Ringhalsen.
[p. 37]
7 De Gaauwdievery en Schagchery der Schatmeesters, Imprimez chez Pierre Marteau a Cologne. ed. opt.
8 De Stormschooten der Bullekramers, Uytschryvers, Afknypers, en Schenkers, t’samen gerooft door Bernard Registerman.
9 Den Dobbelbaan der Flikflooijery, op Rijm beschreven door Mr. Jacob Hokstraat
10 De Intrede van Antonie de Leve in de Braziliaanse Landen, door Paulus Inscius.
11 Het seer scherpsinnig Vraagstuk, of een Chimera, in ’t ydele omswevende, de tweede voornemens verslinden kan; ’t welk in ’t Concilie van Constants tien Weken lang verdedigt is.
12 De [On]beleeftheyt der Deurwachtente Bedelaars, seer fraay, beschreven door Mr. Guilliaume si vous plait, Opsiender der Kerkdeuren van Grand Cairo.

IN OCTAVO
1 DE Naarskussingen der Heelmeesters, uyt het Grieks vertaalt door Conradus Billius.
[p. 38]
2 De Trektang van Scheten en Veesten der Kruytkramers, in ’t licht gegeven door Joannes Naglius, Kruydenier tot Palermo.
3 De Bontwerkery der Beunhasen en Hayrwevers in ’t wilt, getrokken uyt de Karmozynen-Breeruyg-Rontboorde Laars, met een Engelse soom. 2 voll.
4 De Briesschingen van Gajetan.
5 De Mommedans der Ketters en Moeskoppen, door Jan Kroes.
6 Altius Bierenbroodius van de Vervaarlijkheyt der Kerkenban, zijnde een Tytelloos Boekje.
7 De Mommeryen van de Schouwvegers en Moddermans, door Gilbert Drek.
8 De Mallapperyen van Vrymoed en Helder op mijn Hartje. 2. vol. bis.
9 Den Haastje wat Aagje der Waaghalsen, door Friefystegate.
10 Plompardus van ’t Leven der Mooyaarts en Pronkpinten, met de Geleerde Aanteykeningen sonder Pen, beschreven door Govert Buffelmannus.
11 De Boeijen des Aandachts, be- [p. 39] schreven door Willebrordus Innocentius.
12 Den Eyerstruyf der Schijnheyligen, beschreven door Justus Fimelinus.

IN DUODECIMO.
& minori Formâ.
1 HEt Schijtgat en Kakvat van de Piskykers, beschreven in Rijm door Nemo Unicoleus.
2 De Doorslepentheyt van Duyvels en Duyvelinnen aan te roepen, door Androes Drommelman.
3 De Kriekrauw Krawagie der Bierstekers, door Isacus Kranius.
4 De Vysel van ’t Burger Leven, door Nicolaus Burgersdicus.
5 De Muylpranger des Adeldoms, door Johannes Nobilis.
6 De Voetstrikken van de Religie, klaar aangetoont in twee Disputatien, door Mattheus Religionensis.
7 De Knikknok-knevelary des Aalmoeseniers en Rentmeesters Kabassakken, door Broeder Serratis.
8 De Beuselkramery der Woordensifters, door Joannes Beuselius.
9 De Vertellingen van de Kabouter- [p. 40] mannekens, door Isacus Spokius.
10 De Besette Pacht, of ’t Bestek der Slampempers, door Tijs Tafelbesem.
11 De Aarsseling van de Voortdryvers door Quirinus Unipes.
12 De Arglistigheden van Francarehierus van Baignolet.
13 De Pensverkooping van goede Bedenking, door UIricus Pensius.
14 Bricot over de verscheydentheyt der Soppen.
15 Tartaretus over de Manier van ’t Hakken.
16 De Laersen des Leetwesens; in Rijm beschreven door Okkerus Laarsius.

Eenige Pakketten sonder Boeken.
Een Boekkekas sonder Planken.
Een Lessenaar sonder Deksel.
Een Microscopium van tien Voet sonder Glasen ’er in.
Een Handfiool sonder Snaren.
Een Clavercimbel sonder Klawieren.
Een Hand-Orgeltje sonder Pypen.
Een kleyn Fiooltje door wylen
Agamemnon in sijn Jeugt op de Kermis te Athenen gekocht; doch noch soo [p. 41] goet als Nieuw, uytgesondert vier Sleutels die’er manqueren, om de Snaren me op te trekken.
Een curieuse Fiool de Gambe sonder Hals ’er aan.
Een paar Admirable Fleuyten Douse, die nooyt geen vals geluyt geven, ter oorsake dat’er geen gaatjes in zijn.
Een admirabele Fleuytstok sonder Montstuk.
Een Hakkebort sonder Bodem.
Een Guiterne met anderhalve Snaar.
Een curieuse Spaansleere Chalumeau, soo goet als Nieuw, uytgesondert dat deselve een weynigje van onderen tot bovenen geborsten is.
Een Prinsrobberts-Metale Trompet sonder Handvat.

62. Een Extraxt Authentijcq uyt zeker Boek van de andere Weerelt, geintituleert, Register van alle de Officianten der Elizesche Velden, gebonden in Boks-Parkement, waar in te lesen is, hoedanig de navolgende Personaadjes in de andere Weerelt haar
selven aan de Kost helpen, namentlijk:
[p. 42]
1 Alexander de Groote sit oude Koussen te lappen, en moet sich alsoo soberlijk generen.
2 Xerxes loopt langs de straat met Mostaart te verkoopen.
3 Romulus is een gesoute Visverkooper.
4 Numa is een Spykerman.
5 Tarquinius is een Schagcheraar.
6 Piso een schamele Landman.
7 Sylla een Schuyten-Schuyver.
8 Cyrus is een Koemelker.
9 Themistocles een Glase Glasverkooper.
10 Epaminondas een Spiegelkramer.
11 Brutus en Caßius zijn Landmeters.
12 Demosthenes een Wijnstoksnoeijer.
13 Cicero een Vuurstoker.
14 Fabius een Koraalryger.
15 Artaxerxes een Touwslager.
16 Aeneas is een Meulenaar.
17 Achilles is een Schurfde Schobbejak.
18 Agamemnon een Lekspit of Panlekker.
19 Ulysses is een Hannekemeyer.
20 Nestor een Overste van de Gaauwdieven.
21 Darius een Stilleveger.
22 Ancus Martius een oud Lapper van Schepen.
[p. 43]
23 Camillus is een Steltmaker.
24 Mariellus is een Boonepeulder.
25 Drusus een Zeylmaker.
26 Scipio Africanus loopt langs de straat schreeuwen met Snoertjes tot Tollen.
27 Asdrubal roept ouwe Lanteernen dicht te maak.
28 Hannibal was een Hanemelker.
29 Priamus verkoopt oude Lakens.
30 Lancelot vander Meer is een Vilder van doode Paerden.
31 Trajanus geneert sich met Kikvorsch-vissen.
32 Antoninus diend voor Voetjongen.
33 Commodus is een Potsemaker.
34 Pertinax sit en pluyst de basten van de Noten.
35 Lucullus maakt Teene Horden.
36 Justinianus loopt met Schellen en Bellen om.
37 Hector is een oude Vodde Verkooper.
38 Paris loopt als een armen Luysbos.
39 Ajax is een Hooyweger.
40 Cambyses diend voor Muyl-Esel-Dryver.
41 Nero loopt voor Blinde Lierman door ’t Land, en Fierabras is sijn Knecht; [p. 44] maar hy speelt hem duysent Schelmstukken, en doet hem niet dan bruyn Brood eten, en bedorven Wijn drinken, terwijl hy selfs het lekkerst eet en drinkt.
42 Julius Caesar en Pompejus sijn Scheeps-Sjouwers.
43 Oursson en Valentijn passen op ’t Kachelstoken.
44 Giglan en Gavian sijn arme Swynehoeders.
45 Godefrooy met de groote Tant is een Koopman van Swavelstokken.
46 Godefroy van Bouillon, of Govert met den Bult loopt overal Flikflooijen.
47 Jason is een slecht Handwerker.
48 Don Pietro de Castille is een Kruyer.
49 Morgan is een Bierbrouwer.
50 Hugo van Bourdeaux is een Kuyper.
51 Pirrhus is een Schommel Keuken.
52 Antiochus is een Schoorsteenveger.
53 Romulus lapt ouwe Schoenen.
54 Octavianus is een Papierbereyder.
55 Nerva is een Sadelmaker.
56 Paus Julius loopt met Appeltaartjes om.
57 Jan van Parijs is een Laarsemaker.
58 Artus van Bretaigne is een oude Hoed Schoonmaker.
[p. 45]
59 Paus Bonifacius de VIII. past op ’t Ketelschuymen.
60 Paus Nicolas de III. is een Papier Molenaar.
61 Paus Alexander is een Rattevanger.
62 Paus Sixtus is een Pokmeester.
63 Ogier den Deen is een Harnas Schuurder.
64 De Koning Tigranes is een Kaasjager.
65 Gallenus is een Mollevanger.
66 De vier Aymijns of Heemskinderen zijn Tanttrekkers.
67 Aristoteles is een Barbier.
68 Athabalipa verkoopt gebraade Spek.
69 Melusina dient voor Schotelwaster in de Keuken.
70 Matabrune is een Looglekster.
71 Cleopatra verkoopt soo wat Look en Uyen.
72 Semiramis Luyst en Kemt de Bedelaressen.
73 Dido is een oud Touwplukster, of Werkverkoopster.
74 Penthasilea is een Groenwijf.
75 Lucretia houd Herberg en Slapers.
76 Hortensia is een Linnenaayster.
77 Livia is een Hekelster.
78 Caracalla is een Karreman.

[p. 46]
    Alles breeder volgens het voorsz Boek, waar toe in desen werd gerefereert.
63. ’t Geraamte van Agrippina, die de schoone Lollia eens te last ley, dat se aan de Vraagbaak van Apollo Clarius had ondersocht of se met den Keyser Claudius soude komen te Trouwen; waarom se voor eerst wierd gevierendeeld, daar na gegeesseld, de Kop afgeslagen, gehangen, verbrand, de Asse in de Lucht verstrooyt, en eyndelijk het Land van Holsteyn wierd uytgebannen.
64. ’t Geraamte van Lamia, die in de Huysen van andere Lieden, over straat onder ’t gemeene Volk verkeerende, veel scherpsichtiger was als een Lijnx, maar in haar eyge Huys blinder als een Mol; by sich selve sag se niet met al: want wanneer se weder van buyten in quam, leyde se haar Oogen af, die men uytnemen kon, gelijk Brilglasen; en borgse in een Klomp, achter de Voordeur van haar Huys vastgehecht.
65. ’t Geraamte van de Stads Nar van Parijs, die in sijn Leven een swaarwichtig verschil tussen een Straat-Arbeyder en een Kok ter neder ley; luydende ’t Geval van woorde te woorde als volgt:
[p. 47]
    Tot Parijs in de Braderye van ’t kleyn Chastelet quam eens een Straat-Arbeijer staan, daar den Brader met sijn braden besich was, en at sijn Brood in den Rook en Reuk van ’t Gebraden op, en bevond het met dien Geur bewasemt zijnde, seer smakelijk: de Brader liet hem een wijl gewerden; eyndelijk toen hy sach dat al het Brood opgesmuld was, vatten hy den Arbeyder by sijn Kraag, en eyste betaling van de Rook van sijn Gebraad. De Pakdrager seyde, dat hy syne Spyse in ’t minste niet vermindert of behindert had; dat hy niets van ’t syne had genoten, en derhalven ook niets aan hem schuldig konde zijn; dat de Rook, daar hy soo veel verschil over maakte, doch weg wasemde, en soo verloren ging; dat men nooyt gehoord had dat in eenige Straat van Parijs de Rook van ’t Gebraad wierde verkocht. Den Haanbrader bracht daar tegens weder in, dat hy geensints gehouden was de Waagdragers met de rook van sijn Gebraad te voeden: en swoer dat hy hem dit en dat souw doen, indien hy hem niet voldeê: en socht hem sijn Haken te ontrukken. Den Arbeyder trok sijn Kort-Jan [p. 48] uyt, en stelde sich ter weêr. Dat gekakel maakte een groot gerucht: daar op quamen de Mallemoerskinderen van Parijs uyt alle straaten toeloopen: waar onder ook, t’ allen geluk, desen Heer Jan, Stads Nar van Parijs, was. De Brader hem vernomen hebbende, vraagde aan den Arbeyder; willenwe ons verschil aan dien Edelen Jonker Jan begeven? wel ja gewillig antwoorde den Arbeyder. Als nu Heer Jan haar Twistsake gehoort had, gebood by den Arbeyder hem een stuk gelds uyt sijn dy-sak te langen: den selven gaf hem een Philips-Oord of Stooter in de hand; dien nam Heer Jan, en leydese op sijn linker Schouder, als die willende wegen, of hy ook wichtig was, daar na streek hy se op de Palm van sijn slinker Hand, als willende toetsen, of het al goed Silver was; daar na hielt hy se dicht aan sijn rechter Oog, als om te sien of se wel was gemunt. Dit alles wierd gedaan met groote stilswygentheyt van ’t malle Volkje, met een goed en vast vertrouwen van den Brader, en mismoedigheyt van de Arbeyder: ten lesten liet hy ’t stukje Geld eenige malen klinken op de Aenrecht-Ta- [p. 49] fel; toen was ’t dat hy, met een hoogmoedig en bars gebaar, sijn Kapstok, als een Rijksstaf in de vuyst vattende, en sijn Kaproen van Vossestaarten, met een deel papiere Peperhuysjes daar op, over ’t hoofd trekkende, na dat hy tot driemalen wel hartelijk gehoest hadde, aldus sijn Vonnis overluyd begon uyt te spreken.
Het Hof verklaard u dat den Arbeyder, die tot sijn brood de rook van ’t Gebraad heeft op gegeten, den Brader behoorlijk betaald heeft met het klinken van sijn geld: vorders wijst het Hof dat een ygelijk moet wederkeeren in sijn besondre woning sonder eenige onkosten, om bewegende redenen.
66. Twee curieuse en onwaardeerlyke Schilderijen uyt de Konstkamer van den Provoost van Angolâ, ende by den selven gekocht van de Kladschilder van Tripoli, ende betaalt met Sinnepenningen, verbeeldende de eerste een Persoon, na ’t leven, die sich op hooger Recht beroept; ende de andere de afbeeelding van een Knecht die een Meester soekt, respective met alle syne behoorlyke hoedanigheden van gelaat, gebaar, beweging, gang, tronytrekken, en hartstochten.
[p. 50]
67. Een extraordinaire deftige Schildery, met een gedreve glase Lijst, gekomen uyt de Rariteytkamer van wylen den Uytroeper van de Swarte Zee; waar in na ’t leven zijn geschilderd, alle de Denkbeelden van Plato, ende de stofjes en veseltjes van Epicurus.
68. Een Extract uyt een Reysbeschryving van Gog Magog, gedaan in ’t onbekende Zuydland, alwaar hy Menschen heeft gesien, die de neusen van een klaverblad hadden, ende de oogen van mosselen.
69. Het Geytehaartje, waar aan den Roomse Veldoverste Fabius verstikte, terwijl hy een schoteltje Geytemelk at.
70. ’t Geraamte van Philippus Borgius, een Gierigaard tot Palermo, die in sijn leven fris en gesond zijnde, onvoorsiens storf, terwijl hy een oude schuld afdeede, sonder eenige voorgaande siekte.
71. ’t Geraamte van den Reus Bringuenareilles, die in sijn leven verstikte aan een stukje versche boter, dat hy door goedvinden van de Geneesmeesters voor de mond van een heeten oven innam.
72. ’t Geraamte van Guaresme-prenant Koning van ’t Eyland der Tapinoisen, die in sijn [p. 51] leven de navolgende hoedanigheden besat, namentlijk:
Een geheugchenis als een Pelgrims knapsak.
Den gemeenen Zin, als een snorrende Hommel.
De inbeelding, als het klinkklankklepperen der klokken.
De gedachten, als ’t vliegen van een hoop Spreeuwen.
De overleggingen, als een gemeene windkas van een Orgel.
Het berouw, als den toestel van een dubbelde Kartouw.
De voornemens, als de ballast van een groot Schip.
De verstandelijkheden, als een Slek uyt de Aartbesyen kruypende.
De wille, als drie Noten in eenen dop.
De begeerte, als ses klawieren.
Het oordeel, als een voetsok.
De bescheydentheyt, als een Mossel.
De redelijkheyt, als een Trommeltje.
73. ’t Geraamte van de Kok van den grooten Kaimakam, welke een van de grootste Konstenaars in de Weerelt geweest is, want:
[p. 52]
    Wanneer hy rogchelde, dat waren manden vol Peperwortelen.
    Wanneer hy sijn Neus snoot, daar quamen niet als gesoute Palingen uyt.
    Wanneer hy schreyde, ’t waren alle vette Eenden.
    Wanneer hy beefde, daar quamen groote Hasepasteyen af.
    Wanneer hy sweete, soo vielen hem heele stukken versche Boter af.
    Wanneer hy ruspte, ’t waren Oesters in de schulpen.
    Wanneer hy niesde, ’t waren heele vaten vol Mostaart.
    Wanneer hy hoeste, ’t waren heele kassen vol quêappelen.
    Wanneer hy hikte, ’t was Hoveniers koopmanschap van Kerssen.
    Wanneer hy geeuwde, ’t waren potten vol gestampte Erten.
    Wanneer hy suchte, ’t waren enkel gerookte Ossetongen.
    Wanneer hy schijffelde, ’t waren bennen vol groene Apen.
    Wanneer hy ronkte, ’t waren gesulte Turkse Boontjes.
    Wanneer hy morde, ’t waren gesulte Varkensvoeten.
[p. 53]
    Wanneer hy sprak, ’t was grof voeyer Laken; soo veel scheelden ’t, dat het sacht Seemleer sou zijn, of wilde Geytewol, waar af Parisatis de woorden wilde geweven hebben van alle de gene die sijn Zoon Cyrus, Koning van Perssen kwamen aan te spreken.
    Wanneer hy blies, ’t waren blokken van (Indulgentien) Aflaten.
    Wanneer hy lodderoogde, ’t waren Wafelen en Oblyen.
    Wanneer hy knorde, ’t waren Maartse Katten.
    Wanneer hy wenkte met het Hooft, ’t waren Wagens met yser beslag.
    Wanneer hy grijnsde en grilletjes maakte, ’t waren al gebroke stokken.
    Wanneer hy preutelde, ’t waren de spulletjes van Okus Bokus.
    Wanneer hy huppelde, ’t waren Brieven van respijt en atterminatie.
    Wanneer hy weygerde of aarselde, ’t waren vliegende Zeevisschen.
    Wanneer hy zeverde of slijbde, ’t waren Ovens voor ’t Gemeen.
    Wanneer hy heesch was, ’t diende tot den aanvang van de Moorsche Mommedans.
[p. 54]
    Wanneer hy een luyde wind loste, of scheet hem ontschoot, ’t waren groote Laersen van een bruyne Koe.
    Wanneer hem een veest ontsloop, ’t waren kleyne Leersjes van droog Leer.
    Wanneer hy sich kraauwde, ’t waren nieuwe Wetten en Instellingen.
    Wanneer hy song; ’t waren Erten in haar Peulen.
    Wanneer hy sijn afgang loste, ’t waren Paddestoelen en swarte Druyven.
    Wanneer hy een oorband gaf, ’t waren Salaadkooltjes met Oly.
    Wanneer hy een reden deê, ’t was van de Sneeuw die voorleden jaar al gevallen is.
    Wanneer hy hem bekommerde, ’t waren vlaktens en afgemaayde Velden.
    Wanneer hy droomde, ’t waren gevleugelde Lullemans tegens een muur opstygende.
    Wanneer hy aan ’t revelen raakte, ’t waren enkel Rentebrieven.
    ’t Was een wonder ding, dat hy arbeyde niets doende, en niets deede al arbeydende.
    Hy speelde de Dullaart al slapende, en [p. 55] al dullende sliep hy, met de oogen open, geliik de
    Hasen op ’t veld, vreesende voor eenig overval van
    de Worsten syne oude Vyanden.
    Hy lachte al bytende, en beet al lagchende.
    Hy at niets onder ’t vasten, en vaste heel niet onder ’t eten.
    Hy snaterde door vermoeden, en dronk door inbeelding.
    Op ruyg Parkement of Kapitoris schreef hy met synen grooten Schrijfkoker voorspellingen en Almanakken.
74. ’t Geraamte van den Badmeester van ’t woest Arabien, die in sijn leven sich altijd baadde boven op de Kloktorens, en droogde sich in Poelen en Waterstroomen.
75. ’t Geraamte van de Stads Visser van Pignerol, die in sijn leven altijd vischte in de Lucht, en ving aldaar de grootste Kreeften, dewelke hy dan te Markt brocht in een zekere Stad sonder Huysen, en dewijl hy se dan verkocht, soo ontfong hy ordinair voor yder Kreeft, twee Gulden min een Kroon.
76. ’t Pourtrait van den Koning der Wouwouwen, die in sijn leven altijd Jaagde op [p. 56] de grond van de Zee, alwaar hy dan vong alderhande soort van Harten, Vliegen, Olyphanten, Muggen, Elefanten, Vloôn, wilde Paarden, Hoorntorens, Steenbokken, Vleermuysen, Kamélen en Kôrebouten; alle welke voorsz gevangenen hy een Jaartje onder de Pekel liet staan, en een Jaar daar aan was het de heerlijkste kost van de weerelt: Bloempap met Uyen heeft’er niet by.
77. ’t Geraamte van de Scytische Nymphe Ora, hebbende in haar leven een midden door gedeeld Ligchaam, zijnde geweest half Maagd, half Beuling; echter scheense by Jupiter soo schoon, dat hy haar besliep, en een braven Zoon Colaxes teelde.
78. ’t Geraamte van een groot Konstenaar, die in sijn leven alle de woorden, door menschen gesproken, kon bewaren met deselve in Olye te leggen, gelijk men Sneeuw en Ys sonder smelten houd tussen suyver Stroo.
79. Een yser blik Doosje sonder bodem met een slot daar aan, gevuld met eenig kruyd, genaamt Dyctamnum, waar mede Venus wel eer haren hartelijk geliefden Zoon Aeneas genas, toen hy met een Pijl, door Jutur- [p. 57] na de Suster van Tarnus geschoten, in sijn rechter bil gewond was.
80. ’t Geraamte van Gymnastes, die in sijn leven Tandstokertjes van Mastikhoud maakte.
81. De linker bil van Carpalin, leggende gebalsemt tussen twee Oesterschulpen, de welke in sijn leven van een groote Notedop kon maken een mooy kleyn, soet, sindelijk Molentje met vier fraaije Wiekjes van gesplete Teên.
82. Alle de Nagels soo van handen als voeten van wylen Eusthenes, zijnde geregen aan een staal touwtje; welke Eusthenes, in sijn leven, met sijn vingeren, op een lang metale Slangstuk kon spelen, even of het een besnaard Speeltuyg ware geweest.
83. De Vacht van de Geyt, die Jupiter zoogde op ’t Eyland Kandia, (daar mede hy hem ook als een schild beschutte, toen hy tegen de Reusen streed) waar op hy met Griekse Caracters heeft aangeteykent, alles wat men toen ter tijd in de Weerelt deed.
84. ’t Geraamte van de Dochters Man van Aesculapius, die soo verre in de Medicynen gestudeert was, dat hy allerley Koortsen [p. 58] op staande voet genas, door alleenlijk een Vossestaart op de linker zy aan der Patienten gordel te hangen.
85. ’t Geraamte van een Quakzalver, die in sijn leven allerley soort van Tantpijn kon stillen en genesen, met alleenlijk den wortel van den pynelyken Tand driemaal te wassen met Vlierazijn, en deselve in de Zon een half uur te laten droogen.
86. ’t Pourtrait van een voornaam Konstenaar, die in sijn leven op eene tijd negen brave Personen van deftige afkomste verloste van Sint Franciscus quaal, haar helpende uyt alle hare schulden, door aan yder der selver een touwtje om den hals te hangen, daar aan een doosje, gevuld met tien duysent goude pistolen, gehecht was.
87. ’t Geraamte van een Metselaar, die op een tijd, door een wonderbare behendigheyt, de Huysen de venster uytwierp, en alsoo wierdense gesuyvert van alle qualen, en pestige lucht.
88. ’t Geraamte van een expert Konstenaar, die in sijn leven de swarte Moren in weynig tijd wit kon maken, door deselve slechts met de bodem van een oude Turfmand over den buyk te vryven.
[p. 59]
89. ’t Geraamte van een Ezeldryver, die in sijn leven seer konstelijk een lengte van veesten uyt den naars van een dooden Esel kon trekken, daar af hy yder elle verkocht voor vijf schellingen.
90. Een Extract Authentijcq uyt een Reysbeschryving van Mercurius, met desselfs eyge hand geschreven, naar eenige onbekende Eylanden, alwaar hy het navolgende sag.
    Sommige menschen braken de worsten tegen de kniën aan stukken.
    Andere stroopten de Palingen haar huyt af, waar over sy niet en kreeten voor dat se gantsch gevild waren.
    Sommige maakten groote dingen van iet met al, en deden daar en tegen groote dingen tot niet met al weder worden.
    Andere kapten ’t vuur met een mes in tweën.
    Sommige schepten water met een net.
    Andere maakten van blasen Lanteernen.
    En sommige maakten van de wolken groote kopere deksels.
91. De voorste vinger van Socrates, leggende gebalsemt in een tinne Intkoker son- [p. 60] der rant, welke Socrates de helft van sijn oeffentijd besteede in ’t afmeten hoe verre de Vlooyen kosten springen.
92. De Geraamtens van twee Giborynen uyt het Eyland van Nusquam, daar den Koning Nemo regeerde, welke in hun leven op verlore Schildwacht saten hoog en droog op het topje van een Toorn, alwaar se de Maan voor de Wolven bewaarden.
93. Den Haspel waar op Clotho (een van de drie Schikgodinnen) den draat des menschelyken Levens placht te haspelen, welke draad dan naderhand door haar Susje Atropos, met een Ciseau de Molin wierd afgeknipt, waar op soodanigen mensch, wiens levensdraad sy afknipte, aanstonts de geest gaf.
94. ’t Geraamte van Promachus een van de voornaamste Drinkebroers van sijn tijd, dewelke in sijn leven door Alexander de Groote, op de portie genood zijnde, op op eene tijd een Ham van 11 en ¼ opat, nevens een Kalfsbout van 12 1/8 pont: en van Tafel opgestaan zijnde, met de andere Gasten een weddingschap aanging, wie ’t meest drinken soude; waar op yder def- [p. 61] tig aan ’t rooken van Suissent Tabak en Wijndrinken toog, doch hy won de weddingschap ter waardye van een Talent of twaalf honderd Guldens, door dien hy alleen, onder faveur van een douzijn pijpjes Tabak, sestien en een halve stoop Tossane Bearne Wijn dronk.
95. ’t Pourtrait van Panigon, was in sijn leven een goed Heer in sijn Land, die getrouwt zijnde, syne Vrienden noodigde om sijn Vrouw te komen kussen: en die niet wist wat Jalousie was, alles goedkeurende wat sijn Vrouwtje deê.
96. ’t Geraamte van Stentor, zijnde een Griek, die in sijn leven soo luyden en sterken stem had, dat hy 50 anderen, te gelijk schreeuwende, te boven ging.
97. ’t Geraamte van een Philosooph die een Tractaatje heeft geschreven, waar in den selven sustineert, dat Sinte Typhania de Moeder der drie Koningen is geweest.
98. Een curieuse party Handrottingen, gewassen op Bengale, en gesneên op Japâre, wordende bewaard in een Zeekist sonder slot; zijnde seer goed om’er de Kleeren van eenige Viesneussen en Botterikken meê te borstelen.
[p. 62]
99. ’t Een Indiaans Tractaatje gebonden in Stiereparkement met goude silvere Sloten, behelsende de nuttigheyt van ’t gehoorsamen, wanneer men overmeestert is, bevestigt met authentijcque stukken van verscheyde Indiaanse Volkeren.
100. ’t Geraamte van een malcontente Drinkeling, die in sijn leven door den drank geanimeert, een heroique daat aan de andere zyde van den Donau wilde ondernemen, en ten dien eynde sich plotselijk in die Rivier begaf, door te gulsig slurpen aan sijn eynd geraakten. Desen Loskop wierd door sijn makkers geremonstreert, dat hy, sich in dat gevaar werpende, op sijn best een Griekse ? tot belooning had te verwachten, en tot Schaaphoeder in de Maneschijn stont geavanceert te worden, maar hy sloeg alles in de wind, met het seggen van Anaxarchus, Meâ nihili interest terram, an infra computrescam, dat het hem niet kon verschelen, of hy na sijn Dood droogde of verrotte, en of hy aan de Kraaijen of aan de Wormen tot spijs quam te strekken; maar hy heeft sijn rekening qualijk gemaakt, dewijl hy aan de Visschen te beurt is gevallen.
[p. 63]
101. Een Missive, geschreven met de eyge handen van den Secretaris van den Gouverneur van de Waygats, in onbekende Characters aan den Commandant van ’t Fort, genaamt de Groene Herberg op Groenland; behelsende in substantie, (voor soo veel als de Schoolmeester van Belgrado het selve heeft konnen begrypen) dat eenige moraliserende Studenten in Nova Zembla, een hunner Confraters op een singuliere wyse van den dronk hebben trachten te detourneren, door hem het ridicule daar van te demonstreren. Sy namen ten dien eynde den verslingerden Likkebroer met hen in een Drinkwinkel, en ballaste dit Wijnscheepje byna tot sinkens toe met eenige kannen van het Druyvenat: hierop wierd een grooten Raad gehouden, en (na alle Autheuren, over die materie schryvende, nagesien te hebben) geresolveert de broek van desen Bachusslaaf met de stercorale uytwasemingen van het gantsche geselschap te stofferen; dat gedaan hebbende beschilderden sy hem met een goede verfkwast van top tot teen, wentelde hem in een opgesnede bed met veeren, en lieten hem soo bestruyft en gevederd op de [p. 64] grond vernachten. Desen Pluymgraaf wakker wordende, en siende synen gele geveederden baard, meende dat hy by de Metamorphosis, of Herschepping van Ovidius in een Pluymgediert was veranderd, en beloofde derhalven aan Jupiter sich als een fatsoenelijk mensch te sullen gedragen, indien hem sijn vorige staat weêr gebeuren mocht: hier op wierd hy door het geselschap tot sijn menschelyke gedaante hervormt, met bedreyging, indien hy het weêr soo bont maakte, dat hy voor altoos onder het Uylegeselschap sou swerven, sonder eenige genade van herstelling te hopen.
102. De Geest van Don Pedro, wordende bewaard tussen twee geconfyte Oranjeschillen.
103. ’t Geraamte van een Soldaat, zijnde in sijn leven geweest een gewesen Juridicq Student, die sijn Serjant wat rottingoly op de Wacht had verkocht en gecondemneert wierd ter dier sake om sijn betalinge in blaauw boonen te ontfangen: hy swoer dat hy liever geen geld als sulke munt wou hebben, doordien hy vreesde, dat hy se op sijn reys na de andere Wee- [p. 65] relt niet sou konnen uytgeven, terwijl het by de Schimmen geen gangbare Specie is. Hy kon om de dood de Justitia expletrix, of vergeldende Rechtvaerdigheyt, waar mede de Rechtsgeleerden voorgaven, dat hy betaald sou worden, niet bevatten, vermits hy niet kon vinden, dat de proportio Aritmethica, of de Telkonsts evenheyt, (gelijk de spitsvinnige Rechtsgeleerden sulks noemen) hier in geobserveerd was, dewijl’er tussen Stokslagen en een Kogel door de Kop, groot onderscheyt is, meenende derhalven dat wanneer men hem de Stokslagen met den lntrest van dien, a ? per Cent ’s Maands wederom gaf, het soo wel toe sou kunnen; maar de Rechters, die met dese Philosophise distinctie haar kop niet mochten breken, verklaarden, dat soo dese Justitie niet als expletrix kon bestaan, men deselve als attributrix of begevende sou rekenen; en als dan de proportionem Geometricam, of Meetkonsts evenheyt volgen; maar dit quam den gecondemneerde noch schotser voor, en meende, dat dit een fijnheyt was, die geen redelyke Ziel kon bevatten. Waar op de Krijgsraad hem by nader elucidatie te kennen [p. 66] gaf, dat in allen gevalle in den Artykel-brief stilswygende altijd dese salutaire clausule wierd verstaan, te weten, dat deselve stant moest grypen onder wat benaminge sulks best sou konnen zijn, gelijk de Notarissen hunne hedendaagse Testamenten maken. Hier wist de Patient geen solutie op, terwijl hy te vast gebonden was, en moest derhalven dit droevig noodlot ondergaan.
104. ’t Pourtrait van den Procureur van de Fiscaal van de Bahia de todos los Sanctos, die in sijn leven soo verre sijn indifferentie toonde, dat hy sijn Party ging feliciteren, om met eeren aan den drop te raken.
105. ’t Geraamte van zeker Kleermaker van Roelevaartjes-Veen, die in sijn leven van het drillen met de Naald tot het Beursesnijen verviel, om dat hy nooyt zin in sijn Ambacht had gehad; sijn Vader, die een habile Lappedief was, wilde die konst du Pere en Fils doen overgaan; de Zoon protesteerde daar wel tegen, met verzekering dat het sijn humeur niet was, en dat soo men hem daar toe dwingen wilde, sulks nooyt van een goeden uytslag sou zijn; maar de Vaâr, die onversettelijk in sijn [p. 67] voornemen bleef, deed sijn Zoon na sijn pypen danssen; en dese signoriale konst oeffenen; doch desen Naaldridder te volatiel zijnde, om soo gebogen op zijn Turks te sitten, raakte aan de wind, en vermits hy geen ander instrument dan de Schaar verstont, begaf hy sich tot desselfs behendig gebruyk, om er de kost uyt te vinden, ’t geen hem ook wel sou gelukt hebben, indien hem niet sijn fatale Star in de handen van eenige rakkers had doen geraken, ten kosten van sijn besten hals.
106. Een levende Vloo, omtrent een duym groot, leggende aan een staal Kettingje, dewelke met het kettingje aan sijn lijf 600. voeten ver kan springen.
107. ’t Pourtrait na ’t Leven van een Bedelaar van fatsoen, die 125. Jaren oud was eer hy dese Weerelt kon vergeten, en na de Oudvaders ging. Hy pretendeerde, volgens sijn Geslachtboek, afkomstig te wesen van den Olden Nestor; maar syne Buuren hebben verzekert by forme van Certificatie, dat hy van ’s Vaders zy is gesproten uyt de Familie van Besacieri, en van Moeders kant, uyt die van Painbis. Hy had altijd geleeft in een groote soberheyt, [p. 68] sonder ooyt te vernemen honger of dorst, dewelke hy beyde prevenieerde om de menage. Dese overleden was van jongs af aan geweest redelijk leuy, en een dood vyand van gebrek; etende, drinkende, slapende, genererende, als hem de Natuur daar toe aanporde. Hy gaf hier van voor reden, dat hy een Zoon van de Natuur was, en dat de Kinderen niet wyser behooren te willen wesen als hare Ouders; volgens het seggen der Philosophen, die oordeelen, dat de oorsaak aan ’t effect niet meer kan meê deelen, als sy selfs heeft.
108. Een vliegende Luys, groot omtrent 18. voeten en 7. duymen Rijnlandse maat; hebbende de Navel op de rugge, goed voor de Jongens om op een Krikje te leeren vliegen, in plaats van een Vink.
109. Een Raillant Tractaatje, behelsende onder anderen een nieuw Recept van eenige Minerale Medicamenten tot herstelling van de Polityke Siektens, die men hedendaags veel vind ; item voor de Malades Imaginaires, die onder het gebied der Piskykers leven, mitsgaders voor de Vrouwtjes, die om een bel air te vertoonen, haar altijd siek houden.
[p. 69]
110. ’t Pourtrait van een Vent als een David, die in sijn leven met een Scheepje na sijn Lijf, in qualiteyt als Kaper, ses Prysen heeft genomen, en in Winjewanje opgebracht; doch, soo als men voorgeeft, is niet waar bevonden dat de minste Prijs een Oorlogschip soude geweest zijn van 110. stukken Kanon, en 1127. Man, behalven de Kok met sijn Maat.
111. ’t Geraamte van een Persoon die in sijn leven soo kloek was, dat hy ten vollen de maat van 10. Voet lang was, en in de dikte voor het Heydelbergse Wijnvat niet behoefde te wyken. Zeker Matroos siende soodanigen kloeken Dikbast, en hoorende dat hy maar Lieutenant was, seyde, dat hy op het gewicht wel voor Admiraal kon passeren, doch in couragie pas voor Bottelier.
112. Een Traktaatje over ’t Aarbeijen plokken, in Vers beschreven door Monsieur Orgolio, zijnde geweest een Reus van ses duym; met de noodige Aanmerkingen op de kant, geschreven door den Tuynder van den Grooten Mogol, ses deelen, compleet.
113. Een curieus Manuscipt, behelsende de konst om over Slooten te springen; be- [p. 70] schreven door een kreupele Biindeman, met kopere Platen, verguld op sneê, gebonden in Parkement van de huyd van een Vloo gemaakt.
114. ’t Geraamte van een Aap met twee Esels Ooren, en een Vossestaart.
115. Het Fregat, waar mede Jason na Colchos voer, om ’t Gulde Vlies te halen: zijnde geladen met de navolgende Koopmanschappen.
    Voor eerst een Sak gevuld met ses mingelen Brood.
    Tien ellen Boter, en seven vadem Kaas minjoot.
    Geaccompagneert met dertien Voet-eijers van Kalkoenen.
    En seven en seventig pinten van vette Kapoenen.
    Negen Margen Bier, en achtien Gemeten Wijn.
    Een Wastobbe vol Alikruyken, geregen aan een Paerde Lijn.
    Ellefthalve Roede puyks puyk blaâr Tabakje.
    En veertien Stoop Kanasser en een mantje van ’t beste Arakje.
    Een Barneveltjes Stoop, gevuld met derdehals wasem van een Soen.
[p. 71]
    Noch achtendertig lood Koussen, en tien pond Schoen.
    Drieënvijftig Schepel Rokken, en achtentachtig Mutsjes Broeken.
    Veertig Mudden Hoeden, en eenentwintig Maten Neusdoeken.
    Negen Last Hembden, en de rest na advenant.
    Eyndelijk noch een Schoenmakers Sloofje met een Point de Venise kant.
116. Een Extraxt uyt de Reysbeschryving van den Postneester van ’t Onbekende Zuyd-land; waar in den selven onder anderen verhaald, dat hy van Grand Cairo na Oostindien varende, met sijn Schip soo na aan de Zon quam, dat deselve boven de groote Mast van ’t Schip begost in de ronte te loopen als een Meulen, ja hy was hem dikwils soo na, dat hy de Bramstengen liet inhalen, uyt vrees dat sy de Zon het een Oog souden uytgesloken hebben.
117. ’t Geraamte van een Persoon, die in sijn leven soodanige verdrooginge in sijn Darmen kreeg, dat hy niet als Mummies kakte van een vaam lang.
118. De Geraamtens van twee minderjarige Gauwdieven, die in hun leven, voor haar [p. 72] dood, de houte Linie zijn gepasseert; sy konden met haar beyden geen ses pond Vlaams in Jaren uytmaken, gerekent yder Jaar tegen een gulde Hollands; sy hadden sich nu al vroeg op de Reyne Kaap begeven, en soo sterk aangezeylt, dat sy, eer se ’t selfs wisten, het Eyland Non plus Ultra, andersints Verdiende Loon genaamt, bereykt hadden. Dese twee Kadets van de Vrije Compagnie der swarte Benden, waren reets soo ver in de konst van Bescharen gekomen, dat het tijd was van haar daar in te graduceren, of se souden de Galg noch verder ontstolen hebben, ’t geen deselve rechtmatig toequam. In dese Promotie of verheffing tot het Dwarshout, hadden se twee Paranymfen of Speelnoots, die yder met een Amsterdamse Medaille vereerd wierden, ter gedachtenisse van hunne al te groote vigilantie. Geduurende dese Ceremonie wierd een ongepriviligeerde Beursesnyder onder het Treurtooneel, door het Gemeen op heeterdaad gevat, en ten straf van syne verkeerde behendigheyt door het selve als onwaardig zijnde de Aarde te betreden, in het water gedompelt, waar in hy ook sonder twijffel het eynde sijns [p. 73] Levens sou gevonden hebben, indien niet de Justitie daar tussen was gekomen om hem tot een grooter straf te bewaren.
119. Een pertinent Relaas getrokken uyt de Reysbeschryving van een Groenlandse Oostindievaarder, sonder Pen beschreven, waar in onder anderen te lesen is, hoe dat den selven na Oostindien varende door de Waygats, gesien heeft dat de Maan achter de Zon marcheerde als Berganje met sijn Knecht.
120. ’t Pourtrait na ’t Leven in een Brabants Excrement gedrukt van een zekere Kermisgast, die in het Aardsstift van Keulen, in Compagnie van sijn twee Broodwinders, zijnde een Monstreus Kalf, met een Varken, gearresteert is; hy was sonder slaapgeld voor sijn twee beesjes te betalen, ter smuyk uyt de Stad vertrokken, ’t geen synen hongerigen Hospes gewaar werdende, deed resolveren sijn vluchtige Nachtgasten na te jagen, ’t welk met dat succes geschiede, dat hy deselve noch onder het Territoir van dat stift in een Bark betrapte, en geassisteert door het Gerecht, sijn geëschappeerden Debiteur daar uyt deed lichten: doch sich herdenkende dat desselfs [p. 74] Persoon altemets niet solvendo mocht zijn, addresseerde hy sich in securitatem debiti aan Monsieur Vitulus en Madam vander Knor; maar dese twee brutale Borgen van haren poveren Principaal sich op de Voorsteven van het Schip onthoudende, maakten sulken spook aan den vervolgende Schuldeyser, dat se hem ten dank van sijn slecht compliment, de grond van den Rijn deden peylen, om alsoo sijn brandenden yver in het water te verkoelen. t’Sedert heeft hy dese twee Beesten in Rechten betrokken, om dit geledene affront honorabel en profitabel gerepareert te sien, concluderende ten reguarde van het honorabele, dat se ter Slachtbank sullen werden gebracht, en in opsichte van het profitabele, dat der selven doode Rompen tot restauratie syner verlorene krachten, ter Pot souden werden gedoemt, bereyd zijnde op sijn Manne-waarheyt te verklaren, van om alle de Koeijen van Brabant, ik laat staan Kalveren, mitsgaders om de geheele Republijcq der Swynen, diergelyken dangér niet te willen uytstaan, vermits hy soo diep al in de Rijn was verseyld, dat hy byna op den Oever van de Dood was aangeland, indien [p. 75] niet de Schippers Knecht hem met een haak in sijn Kaak, als een Vis had opgehaald; verzekerende den gedompelde, dat hy Caron al van verre sag aan komen roeijen, em albereyts den driehoofdigen Cerberus hoorde bassen, doch ten synen gelukke als voren, ten nadeelen van den voorsz Schipper Caron, uyt sijn klaauwen gehaald wierd.
121. ’t Geraamte van een Persoon van Utopia, daar Thomas Morus Gouverneur van was, dewelke nooyt geen koud water wilde drinken, sustinerende dat het water meê een Ziel had, en hy door het selve te drinken twee Zielen soude hebben, welke Zielen hy vreesde, dat t’avond of morgen een Querel d’ Alemagne souden soeken, en alsoo, den een den anderen bruyende, beyde doorsluypen door de eene of andere opening, en hem alsoo sonder Ziel souden laten; om alle het welke te prevenieren, liet hy het water 5 en ? van een uur sterk koken, bewerende dat als dan de Ziel van het water te gelijk met den Rook weg vliegt.
122. Een Extract Authentijcq sonder Letters, uyt een Reysbeschryving, beschreven door [p. 76] een Man sonder Handen of Voeten, dewelke met een Schip alleen, sonder Masten Zeylen of Touwen, aan een Eyland gezeylt is, alwaar het gesicht van de Medicynen, aan de Menschen die siek waren, het selfde effect deê, als of sy deselve ingenomen hadden, en alsoo genesen wierden.
123. Het Hart en de Lever van den Draak, daar Perseus tegen plokhayrde, en doorstak, die Andromeda vervolgde, leggende deselve gebalsemt in een knikkersakje; al wie daar van maar een weynigje proeft, die kan alle de Beesten verstaan, soo ras als deselve maar spreken; zijnde uyt dien hoofde bequaam om alles te weten, wat onder de Dieren omgaat.
124. ’t Geraamte van een Persoon, wiens Tong rondom soo dik met Hayr bewassen is, dat men’er volkomen een kort Pruykje van sou konnen maken.
125. Een Penne, zijnde gekomen uyt de rechter Vleugel van den Arent, waar meê Jupiter Ruytertepaertje, ik wil seggen, waar op hy sat als hy een Boodschap doen moest; met welke Penne alleen, een van de Wysen van Arabia Deserta, sonder deselve te versnyen, heeft [p. 77] geschreven de quantiteyt van 39 Boeken, te weten, 8 in Folio, 6 in Quarto, 15 in Octavo, en 10 Boeken in Duodecimo & minori Formâ.
126. ’t Geraamte van een Groenlandse Musulman, die op een zekeren tijd met Kurke Schoenen aan de voeten gewandeld heeft over Zee van Groenland na de Bahia de todos los Sanctos, als wanneer hy onderweeg aan een Eyland pleysterende, van de Inwoonders aldaar verstaan had, dat sy alle op dat Eyland woonachtig, afkomstig waren van Triton de Hoornblaser van Neptunus, en van een jonge Boerin die hy uyt Groenland schaakte, wanneer dat sy in qualiteyt als Herderin, het Veê in de Wey dreef.
127. ’t Geraamte van een Vrouwspersoon, die door haar Mond verloste van een Kind de groote van een vinger, zijnde het selve Kind mede in het geraamte, en staande in een Dieve Lantaarntje, hangende aan de linker Ping van haar Mama.
128. ’t Geraamte van een Persoon, die in sijn Leven niet kon Drinken als door sijn Neusgaten, en niet kon ruyken als door sijn Mond, ende wiens rechter Hand aan sijn linker, en sijn linker Been aan sijn rechter zy stont.
[p. 78]
129. Een originele Missive met een Ouwel gesloten, waar van het opschrift luyd als volgd: Desen Brief sal men bestellen aan den Gouverneur van Paflagonien, dubbeld port; zijnde deselve Missive geschreven door een onbekent Persoon, waar in den selven schrijft, dat hy op een Eyland in de Middelandse Zee geweest is, alwaar alle de Schapen van dat Land, als de wind Zuyden was, Wijfjes waren, en de wind Noorden zijnde, veranderde deselve al te maal in Mannetjes.
130. Een Attestatie met Potloot geschreven, door den Doodgraver van de Sandzee, behelsende dat hy, doen hy 45 Jaren en een half oud was, met sijn Papa op reys zijnde, is geweest aan een Eyland, alwaar Slangens gevonden worden, welkers hoofd het eene half Jaar een Staart is, en het andere half Jaar word de Staart wederom het Hoofd.
131. Een Tak van een Boom welke in een Oester verandert is; ten tyde van Neusvaar Zalr., alias Ovidus Naso.
132. Twee Bornwaters Kannetjes, gevult met tegenstrydige Wateren; soo iemant van het eerste water drinkt, soo soude hy [p. 79] sich dood lagchen, doch daar op van het tweede water drinkende, word wederom genesen.
133. Een pints potje met Water, gehaald uyt een Welput van de Zandzee, welk water by dag soo heet is, dat men ’er Eijeren volkomen gaar in kan koken; en des nachts wederom soo kout is, dat men ’er sijn hand qualijk in kan houden, uyt vreese dat de hand aan ’t potje bevriesen sou.
134. Een Extract uyt een Reysbeschryving, geschreven met de eyge handen van Don Clarazel de Gontarnos, waar in den selven schrijft, dat hy op een tijd aan een Eyland is geweest, alwaar geen Edelman mocht gearresteert of gedetineert worden, al had hy noch soo veel Moorden of quaads gedaan, ten zy dat hy eerst overwonnen en gecondemneert was; waar uyt dat dikmaals volgde, dat se dan, of wel eer het hasepad kosen, en de bree weg op liepen, sonder ooyt in detentie te geraken.
135. ’t Geraamte van een Persoon, die in sijn Leven seyde gesien te hebben, dat Achilles door Hector doodgestooken wierd.
136. Een ponds graauw Papiere Sak, gevult met Saly, gewassen in den Tuyn van Hip- [p. 80] pocrates, seer dienstig voor luyden die Chagrijn zijn, om eenige blaadjes achter haar ooren te leggen, als wanneer het alle Chagrijn verdrijft.
137. ’t Geraamte van een Boere Philosooph, die in sijn leven sustineerde, dat iemant die geleerd was en veel wist, noodsakelijk schielijk sterven moest, weshalven hy oordeelde, dat ’er oversulks niets plaisieriger was, als niet veel te weten.
138. ’t Pourtrait van een Philosooph, geboortig uyt Finland, dewelke sustineerde dat de Weerelt van den Hemel gesepareert was met een onsichtbare muur van een ongelooffelyke grootte, ende dat op die muur met groote Caracters geschreven staan, alle de geheymen van de natuur.
139. ’t Pourtrait van een Persoon, die sesendertig greynen Opium ingenomen heeft, sonder eenig letsel.
140. Een Copye van een Reysbeschryving, gedaan door den Keukemeester van den grooten Mogol, na eenige onbekende Eylanden; alles met roodaarde op frans Postpapier geschreven, waar in den selven onder anderen verhaald, dat hy op een tijd aan een Eyland is geweest, alwaar de [p. 81] menschen voor een grondregel staande hielden, dat de Duyvel den autheur en eerste uytvinder van de Philosophie is geweest om dat’er soo veel disputen en oneenigheden in gevonden worden, &c.
141. ’t Geraamte van een Persoon, die in sijn leven soo sterk was, en sulken harden voorhooft had, dat hy daar mede met drie slagen een spyker van vijf en een halve duym tot de kop toe in een dikke harde muur sloeg, sonder dat hy het voelde (soo hy sey.)
142. ’t Geraamte van een wilde Hottentot, die in sijn leven sijn leven sijn eyge Avontuuren op een blad van een Komkommer heeft geschreven met een potlootspennetje, ’t gene den selven vereert was door een Brabantse Kramer; waar op onder anderen te lesen is, dat hy gesien heeft menschen, waar van de eene de oogen hadden achter in ’t hooft, andere maar een oog midden in ’t voorhooft, andere wederom de oogen op de schouders geplaatst, ende noch een andere met twee oogappelen in een oog, maar soo dangereus, dat als wanneer hy quaad was, en yemant aansag, soo storf die gene die hy aangesien had, ten eersten sonder spreken.
[p. 82]
143. Een webbe door een Spinnekop geweven, ’t gene soo sterk is, dat het door geen menschen kan aan stukken getrokken werden.
144. Een paar curieuse Schakels, door een Spinnekop geweven en gebreyd, goed voor de liefhebbers van de Vissery, om’er meê te vissen.
145. Een groote vogel, curieus opgeset door de Meestersknecht van den Barbier, dewelke den Tiran Dionisius placht te scheeren; welke vogel des somers in de lucht vliegt, en des winters verandert deselve in een Vis, en swemt in Zee.
146. Een Certificatie, gegeven door den Toornwachter van den Toorn van Babel; waar in hy met ware woorden in plaatse van eede (als Mennonist zijnde) certificeert, dat hy op een zekeren tijd des nachts de wacht op den selven Toorn hebbende, gesien heeft de klokke ontrent twee uuren, vijf personen den toorn opklimmen, hebbende de eene een Oliphants hooft, den tweede, den hals en de kop van een Gans; de derde het hooft van een Hond; de vierde was sonder hooft, ende de vijfde had het hooft doorluchtig als een schuymspaan; [p. 83] van welk voorsz gesicht hy soo gealtereert was, dat hy sijn Kromhoorn, daar hy alle uuren op speelde, uyt de hand liet vallen, en vervolgens achter sijn selven viel, dat immiddels de voorsz Messieurs rondom hem dansten, en op de selve Kromhoorn speelde het bekende deuntje van Kees me Vryer; waar na deselve verdwenen, en hy wederom tot sich selven quam.
147. ’t Geraamte van een Persoon, uyt wiens borst, in ’t leven zijnde, een Aalebesseboomtje wies met sijn behoorlyke takken en bladeren, en des somers groeyden ’er ordinair 15 en ¾ pond Aalbesse aan, dewelke extraordinair goed van smaak waren, veel aangenamer en soeter als de beste Brielse.
148. Een stuk Ys, dat in een Kagchel tot een harde steen geworden is, zijnde seer goed voor de liefhebbers, om deselve steen in een stoop Wijn te leggen, aanstonts verkoeltse.
149. Een Leeuw, die in het jaar 1027. uyt de Maan gevallen is vlak op een Krooswijks schuytje, leggende in de Zandzee.
150. ’t Geraamte van een Hoen, die in ’t leven zijnde, in een Haan verandert is.
151. Een Extract Authentijk uyt een Reys- [p. 84] beschryvinge, beschreven met beyde de handen te gelijk, soo als men sien kan, door den Ondermeester van den tyran Dionysius, doen hy voor Schoolmeester ageerde, waar in onder anderen te lesen is, voor die het wel verstaan, dat hy gesien heeft in ’t onbekende Zuydland, dat op een tijd sesentwintig Margen en driehondert en vijftig Roeden Weyland, met Boomen en Huysen daar op, drie dagen lang achter malkanderen marcheerden, ende eyndelijk alles in een hoogen Berg veranderde.
152. Een marmelade Potje gevult met Honing, welke van soodanigen kracht is, dat se de wysen gek, en de gekken wijs maakt.
153. ’t Geraamte van een Persoon, die in ’t leven zijnde geen mond hid, en bygevolge alleenlijk maar door de reuk van ’t gebraat leefde.
154. ’t Geraamte van een Pedant van den ouden tijd, hebbende twee sulke lange ooren, dat sy tot sijn enklaauwen hongen. Hy gebruykte sijn rechter oor voor een Matras daar hy ’s nachts op sliep, en sijn linker voor een dekkleet om hem meê te dekken.
[p. 85]
155. Een Missive geschreven in het Hebreeuwsch door den Patriarch van Schevelingen, aan den Gouverneur van Mesopotanien, en getranslateert door den Schoolmeester van de Wensveense Plassen; alwaar onder anderen te lesen is, hoe dat hy op een tijd aan een Eyland in de Krooszee geweest is, alwaar hy sag dit navolgende, te weten:
Een Man wiens lichaam geen schaduw maakte, en die niet anders at als Quikzilver; hy was van vooren soo als van achteren, en van achteren soo als hy van vooren moest zijn, sijn knien bogen niet; sijn voeten hadden de gedaante van een strontvlieg, hy spoog geduurig niet als spelden, spykers, kleyne stukjes loot, koper, en steenen.
Sijn Broeder die by hem was, die was soo kleyn en licht, dat hy niet grooter was als een Patrijs, en niet swaarder woeg als 3 lood en een half (Amsterdamse Waagwicht) sijn eene voet had de gedaante van een Paerdevoet, en de andere die van een Os.
De Huysvrouw van de eerste was swaar, en hy hoorde het kind in haar buyk schrei- [p. 86]* jen; sy had vier Borsten, te weten, twee voor, en twee achter.
Haar twee Dochters, die by haar waren, waren mede van een vreemd maaksel, de oudste had twee tongen, en maar eene borst, ende de jongste had geen voorhooft noch aangesicht, en geleek wel een kloot; sy aassemde door haar nek, alwaar een gat in was.
156. Een Steen, verbeeldende door sijn figuur een Maan, die wast en afgaat, volgens het wassen en afnemen van de Maan.
157. Een blad van een Moerbesyenboom, daar men levendig op gedrukt siet staan de figuur van een grooten Draak, sijnde het selve blad gekomeh uyt de Orangerye van van den Drilmeester van Cremona.
158. ’t Geraamte van de Kok van de Koning der Wouwouwen, dewelke in sijn leven soo konstig was, dat hy een geheel Varken aan de eene kant kon braden, en de andere stoven, sonder van den anderen te scheyden, ’t welk hy gedaan heeft op de Bruyloft van de Sophy van Persien met sijn Bruytje.
159. ’t Geraamte van een Persoon, die in sijn leven seyde gesien te hebben een Hart dat Grieks en Latijn kon spreken.
[p. 87]
160. ’t Geraamte van een Aap met vleugels, die in sijn leven fraay op de Guitarre met de Kassinjetten kon spelen; hy kon soo wel een Karos met ses Paerden mennen, als de beste Koetsier; hy kon admirabel op de Fleuyt Douse spelen, en voorts kon hy alle Ambachten van Goudsmeden, Kuypen, Naaijen, Weven, &c.
161. ’t Geraamte van den Ingenieur van Buyksloot; die in sijn leven seyde gesien te hebben in het noorden van America een Stad, die in sijn omtrek dertig duytse mylen groot was; welke Stad hy met een Leger van 149000. mannen aan de eene kant stormenderhand in nam, welk innemen de Burgers aan de andere kant van de Stad niet wisten, als eerst drie dagen en ses uuren daar na.
162. Een stik van een Zeylsteen, die, in plaats van het yser na sich te trekken, het selve van sich afwerpt.
163. Een Radijs, die soo wonderlijk gewassen is, dat sy wel gelijkt na een hand met Lobbens en verçiersels, seer curieus om te sien.
164. Een wonderlyke Knol, hebbende de gedaante van een sittende Vrouw, soo na- [p. 88] tuurlijk, dat men sweren sou dat men een Vrouw sag sitten.
165. Een levende Arabise Vogel, die met sijn veren en nest te samen wegen maar omtrent 34. greyn.
166. Twee Kapelletjes gevonden op een Kerkhof, hebbende yder een hooft als een menschen Doodshooft.
167. ’t Geraamte van den Lijfmedicus van Nephtunus, die in sijn leven seyde op een Eyland in de Roode Zee geweest te zijn, en aldaar sag een boom die ronde bollen voortbracht, en welke bollen geopent zijnde, daar uyt verscheyde Vogeltjes, die seer fraay songen, vlogen; als mede dat de blaren, die van dien boom vielen, langs ’t veld heen en weêr liepen, alsoo er voeten aan gewassen waren.
168. ’t Geraamte van zekere Spanjaart, die in sijn leven door de spitsroeden moetende, met een graviteytse stap heel langsaam ging, met de Kassinjetten in de handen, en vervolgens daar op speelde en danste, waar op sijn Castigadoors hem aanmaanden sijn tred wat te verhaasten, om sijn huyd wat meer te verschoonen, doch hy gaf tot antwoord, dat hy een groote jeukte hadde, [p. 89] en dat het bygevolge plaisierig voor hem was om alsoo in het byzijn van sijn Confraters gekrouwt en met de rijsjes gekittelt te worden, en ten anderen (sey hy) wat sijn respect aangong, dat hy sijn goede gratie om diergelyke bagatelle niet meende te verliesen.
169. ’t Pourtrait na ’t leven van een Medicus in een potje Recinae Jelappa gedrukt, zijnde op een tijd met een Jurist om de voorrang in dispuyt, alwaar wederzijds zijnde geallegueert, ’t geen tot luyster van die twee Faculteyten konde dienen, sonder dat den een noch den andere sijn sustenue wilde desisteren, bracht den Jurist eyndelijk te berde, dat de Wet selver voor de Val was geweest, en derhalven desselfs voorstanders praeferabel; maar zeker Boer daar by staande, decideerde dit geschil in voordeel van den Medicus, gevende voor redenen, dat het sesde Gebod waar by het Menschenmoorden was verboden, voor het negende, ’t geen tot bedwang der Leugentaal strekte, in rang ging.
170. ’t Pourtrait na ’t leven van een Advocaat, gedrukt op een Geldsakje; dewelke eertijds een fraaije somme gelds gesprok- [p. 90] kelt had, in het hanteren van het Corpus Juris, met Bartolus en Baldus, en naderhand voelende sijn levenszon aan ’t duyken, sijn Vrienden nobel op sijn Lusthuys op een Collation onthaalde, en in der selver presentie by Uytterstewille over sijn goederen gedisponeert heeft, waar op hy kort daar na voor goed na de andere weerelt vertrok. Dien Heer was van gedachten, dat men uyt dit leven vertrekkende, een blyhertig afscheyt van syne Vrienden moest nemen, en daar meê als het dood- belletje luyd maar gerust afvaren, sonder eenig chagrijn; want dat dit leven niet anders als een Reys zijnde, men ook met sijn geselschap soo moest leven, gelijk een Reyscompagnon betaamt, te weten, als men een verscheyde route moet nemen, malkanderen bedanken met een hertelyke teug.
171. Een Okkernoot, zijnde noch in de bolster, gewassen aan de klagende Noteboom die Ovidius beschreven heeft.
172. Een Copye Authentijcq van het Testament van het swijn Grunnius Gorocotta, zijnde het selve Testament gepasseert den 37. van Knormaand, des jaars 939. voor [p. 91] den Notaris Plutarchus en zekere getuygen tot Venetien, waar van ook den Oudvader Hieronymus gewag maakt in een syner boeken.
173. Een Authentijcque Missive, geschreven door den Lector Anatomicus van Pluto, aan den Kabinet bewaarder van Grand Cairo, in onleesbare Caracters, doch door een voornaam Medallist van het Eyland Borneo in het Javaans, en wederom daar uyt door de Voorleser van de Schoonderloose Kerk in het Molquerns getranslateert, behelsende in substantie: dat op een zekere plaats twee Medallisten van den nieuwen trant, met den anderen in dispuyt zijn geweest, over de voortreffelijkheyt van die nobele studie; de eene, zijnde een Mennogezinde, meende dat desselfs heerlijkheyt in de modeste wesens der manhafte Antiquiteyt bestont; de andere, zijnde een Intendant van de Vysel, dacht ter contrarie, dat desselfs luyster uyt de onwetenheyt van het Mineraal moest werden afgemeten, sustinerende, dat de Gedenkpenningen der Griekse en Romeynse Oudheyt, yder in hunne soort, van vry wat onvervalsler Metaal dan die der hedendaagse Weerelt [p. 92] waren, dewijlse in die tijd soo veel remedie niet gebruykten tot conservatie der Muntstof, als jegenwoordig, van waar het ook dikmaal komt, dat de Moderne silvere Penningen soo geel sien, als of se haar gesontheyt met Medicineren verloren hadden. Dus was het geleerd raisonement van desen aardigen Apotheker, die sich beter verstaande op de Pharmaceuticale Inscriptien syner Salfpotten, dan op de fijnheyt der Medallyque Historien, daar van oordeelde na sijn konst. Een derde daar by sittende, en siende dat dese blinde Mollen plaisier nemen, om in de Puynhoopen der vervalle Oudheyt te wroeten, noodigde hen tot het besichtigen van een konstig Cabinet; de bestemde tijd gekomen zijnde, quamen onse kenders om de gepretendeerde Muntschat te beschouwen, en daar over te Philosopheren hemelsbreette; waar op de liefhebber sijn Wysen uyt het westen gerecipieert hebbende, hun vertoonde een quantiteyt van verslete Legpenningen en quade deuyten, waar over hy hun sentiment versocht; maar onse wijskoppen hun siende bespot, wierden gemelijk, ’t geen hunnen Tractant bemerken- [p. 93] de, leyde hy hen in eene andere Kamer, om de rechte schat te besien; daar komende, vonden sy een naakte Waarheyt in het leven, waar op dien Heer wysende, hen toevoegde, indien je t’huys in diergelyke Medaille wat meer studeert, sul je meter haast uyt de kap van de anderen geraken.
174. ’t Pourtrait na ’t leven van een zekere Bruydegom, zijnde Cadet onder de Compagnie Handgranadiers van Kapiteyn Hymen, dewelke het sinnebeeld willende gebruyken, quod omne animal sit post Coitum triste excepto Gallo gallinaceo, dat is, dat de Haan altijd sijn veren na den slag schud, zijnde even couragieus als voor de Battaille, waar in hy alle dieren surpasseert, had een Haan in sijn Slaapkamer geplaatst, alwaar hy de eerste nacht met sijn Bruyd stond te camperen; dit matineus dier het geschemer van den dag gewaar werdende, begon met sijn gekraay de gelieven op te wekken uyt hun slaap; de nieuwgetrouwde Held dese gelegentheyt waarnemende, seyde tegen sijn Beminde, dat hy door den Haan in sijn plicht wierd vermaant, waar tegen de Bruyd inley, tanquam quae vincere nollet, &c. dat is, als of se het al willens verliesen wou, [p. 94] enz. De rest sal den amoureusen Leser wel weten, die Ovidius tot opwekking gelesen heeft: maar den Haan sijn gekraay te dikmaal hervattende, begon desen hanigen discipel te verflaauwen, sonder meer na sijn meester te luysteren, waar op sijn nieuwbakke Wijfje hem herinnerde, dat sich den Haan weêr hooren liet, antwoorde hy, dat sulks een teeken van sijn courage was, waar op de Vrouw weêr repliceerde, dat indien sy ten tyde van de Metamorphosis, of Herschepping van Ovidius leefde, dat hy alsdan wel mogt bidden, dat Jupiter hem in sulken beest niet quam te veranderen, dewijl het hem te veel in moet overtrof.
175. ’t Geraamte van een Blindeman, dien in sijn leven sulken sterken reuk had, dat hy altijd ruyken kon, van wat coleur de menschen haar kleêren waren, ’t zy rood, paars, groen, geel, of blaauw; alsmede of deselve een lange of korte Paruyk op hadden.
176. ’t Geraamte van een Vlieg, hebbende in sijn leven gehad, ’t aangesicht van een Neger, een roode baard, een Kroon op sijn hooft, twee kleyne horentjes, en ses voeten.
[p. 95]
177. De Schaal van een Hoender Ey, waar op men afgebeeld siet een Zon, seer konstig opwaarts staande; ’t Ey is gelegt door een Hoen uyt het Hoenderhok van den Sophi van Persien, ten tyde als’er een groote Eclipsis was.
178. Een Karos met vier Paerden, gevolgt met twaalf Jagers te voet en te paerd, met alle hare Honden, &c. zijnde alles van Yvoor soo konstig gemaakt, en soo kleyn dat het altemaal te gelijk gemakkelijk kan passeren door het oog van een gemeene Naalde.
179. Een levende witte Rave, sonder vleugels, dewelke soo sterk is, dat hy een Schaap of een Varken kan opnemen, en meê heen vliegen, alsoo licht en gemakkelijk als met een Mier.
180. Een Duyg van een vaatje Nectar, gekomen uyt de Kelder van Jupiter, ’t geen al 1800. jaar oud is, seer bequaam om er Beulingpennetjes van te maken; ’t is noch soo dicht en massijf, dat by mijn soolen, als Argus met 100. Oogen daar door moest sien, hy ’er noch wel 99999 ¾ sou te kort komen; het werd bewaard in Spinneweb van de selfde ouderdom door de Bestemoer [p. 96] van alle de Spinnekoppen, gesponnen op ’t Slot Nusquam, in de Heerlijkheyt Narrevink, by de eerlyke Heer en Mr. Jaloerse Platvink.
181. Een Hayrtje uyt de Knevels van den grooten Holefarnes; noch riekende na de Pomade, waar mede hy syne knevels placht te stryken; wordende bewaard in een groene Olifants Tant, die mede van ’t voorsz hayrtje na de Pomade stinkt, als een Bok na Muskeljaat.
l82. Een Sool van de linker Schoen van Cajephas, zijnde ruym 1 3/8 el dik, zeer dienstig voor de Heeren reperateurs van olde Schoenen, om’er een lengte van solen af te konnen snyen.
183. ’t Geraamte van Dionisius Sabazius, zijnde geboren uyt Monsr. Jupiter en Juffr. Proserpina; den selven is de eerste uytvinder geweest om de Ossen in het juk te brengen, om alsoo de Aarde te beploegen.
184. ’t Pourtrait na ’t leven van zeker Doctor, dewelke uyt desperatie, dat sijn Practijcq aan ’t agoniseren was, een geheele Lijst van Cordiale Medicamenten, doch meest getrokken uyt de Spiritus Vini, die hy in sijn eyge ligchaam dagelijks distilleert, in [p. 97] een Loterywinkel heeft gesonden, met presentatie van daar loten voor te willen nemen, ten redelyken pryse; doch de Collecteur gaf hem te kennen, dat alhoewel men van de boutique der Loteryen wel een Charlatanswinkel kon maken, om de menschen, die met een dolle drift aan den dobbel wilden, van de beurs te lichten, men echter niet van sints was een Lotery van een Quakzalverskraam op te rechten, om de luyden te doen trekken Medicynen by avans, tegens dat sy se noodig mochten krygen, en dat hy voor de rest geen kans sag om se quijt te raken, al gaf hy selver den Doctor toe, want dat’er hedendaags verscheyden waren, die door een gedebaucheert leven sich onbequaam tot andere faculteyten hebbende gemaakt, echter tot een dekmantel van al hun gebreken, met den Galenischen titel pronkten tot walgens toe, soo dat dien graad niet hooger word geacht, als de valeur van een besitter komt meê te brengen, ’t geen somtijds geen quâ Stoter haald.
185. Een lapje van de Mantel van St. Ursula, zijnde licht donkergroen, en swart Carmozijnrood geverft; dese Reliquie is soo [p. 98] veel te voordeftiger, om dat’er 11000. Maagden, nevens 709. Dragonders te paerd onder dese Mantel konden sitten, ende in deselve wierd niet eene naad gevonden; wie weet wat’er onder die Mantel uytgevoerd is!
186. Een waterdicht Tonnetje sonder bodems, ’t geen een wonder des weerelts is, dewijl se tans soo niet meer worden gemaakt.
187. Een Intkoker van den Schoolmeester van ’t Braassemer-Meer, daar geen Int in verdroogen kan, al stond het ’er 359 ½ jaren in; ’t is geen wonder, daar is geen gat in, men kan’er geen drop in krygen.
188. ’t Geraamte van een Paerd sonder pooten, ’t welk altijd te post placht te loopen, zijnde vier vademen dik.
189. Een Oorlap van Madame Periosodoriucularum, groot in sijn omtrek 2 ½ el, nevens een stukje van de Lel van ’t Oor, zijnde ruym soo groot als een oor van een Olifant; seer bequaam om schoenen of muylen meê te versôlen.
190. Een Lamp die in het huys van Priamus binnen Trooijen, geduurende de Belegering placht te hangen, noch brandende [p. 99] met sijn eyge Pit en Oly; s’is admirabel op den duur gemaakt,en uyt dien hoofde waardig om op de Baken van Ysland geplaatst te worden, tot het lichten der schepen, die ’s nachts langs de kust varen.
191. Een steene Doosje sonder rand, gevult met het hayr van drie naakte Honden.
192. De Verrekyker van Don Antonio Magino, die lang de moort gestoken is, en echter noch Waarseggen kan.
193. Een curieus Tractaatje met Roodaarde gedrukt, behelsende de ontleedkunde van Garnalen en Alikruyken; beschreven door de Professoren Garnelius en Alikrukius, op Rijm, met de geleerde Aanteekeningen in prosâ van Cornelius Peperus en Thomas Asinius.
194. d’Enterlooper van Venus, die in de grond gezeylt wierd door een Teefje dat op sijn achterste pooten liep.
195. De vermakelyke Historie van de Galanteryen en Minneryen van den Ridder met de Stelt, met de Princes Mankenburg, beschreven door een blind Poëet in Prosâ, met kopere Platen in Houd gesneden.
196. Eenige Boeken, gekomen uyt de Bi- [p. 100] bliotheecq van Ptolomeus Philadelphus, door den selven, by forme van donatio inter viros vereert, aan den Hoofdman van ’t Droogistsgilde tot Konstantinopelen, bestaande deselve in het navolgende:

IN FOLIO.
1 DE considerabele en vervaarlyke Reysen door Mesopotanien, Zevenhuysen, d’Archipel en Pinaken, door Rombout Robbertsz Pinkoog.
2 ’t Leven en Bedrijf van Jan van Honkorbero, Cancelier van de Waaygats.
3 ’t Leven en Bedrijf van Hokus Bokus Quadratus, en de Beurs van Fortunatus in eene bant, met houte Platen in koper gesneden.
4 Bericht van ’t Kweesten, met de Kwakerachtige Vryagie van Jan Klaasz. en Saartje Jans.
5 Den Herbergier van de Nachtuylen en Vledermuysen, met kopere Platen, en taille douce.
6 De koddige Vryagie van Judikje Rutte van Jutland, Mevrouw Olympia, Alexander de IV. en sijn Soon Caezar Borgia.

[p. 101]
IN QUARTO.

1 DEn Architect der Kakstoelen, door Girolamo Starontio. 2 voll. 1 tom.
2 Een Politijcq Bewijs, dat de Menschen (Wijs- en Vijshoofden uytgesondert) den bruy van serieuse Boeken, maar wat loopjes voor haar gelt willen hebben, france bant.
3 De Beerenjacht der Weduwen, met de Snap- en Kaaklust van de Vrouwen, in eene bant, met Ysere platen.
4 ’t Lof van ’t Kaatsen of Balslaan en Ringsteken, nevens een schoon Onderwijs, rakende de Schermkonst met de Snaphaan, en de Drilkonst met het Rapier, beschreven door den Drilmeester van Cremona.
5 ’t Koekkoeks Leven onder de Koekkoekken, beschreven in Prosâ en op Rijm door wylen Sr. Acteon zalr.
6 Onderwijs om Vliegers van alderhande Fatsoen te maken, door Conradus Vliegerius, verrijkt met schoone kopere Platen, gedrukt tot Vliegenburg, in den Vliegende Vlieger.

[p. 102]
IN OCTAVO.

1 DE Konst om Kogels en Hagel te gieten, beschreven door Johannes Hagelius, Primaat van Abcou.
2 De Historie van ’t Knikkeren der Jongens, en ’t Hilteken of Stuyteren der Meysjes, op Rym beschreven door den Paedagoog van den Starost Wysowasky, alles met de Natuurlyke Verbeeldingen van dien in ’t Koper gesneden.
3 Onderwijs dat men des Somers soo wel op Schaatsen kan ryden als des Winters, door Giovanni Schaatso.
4 ’t Kruytboek van Bostangi Bassa, gevult met alderhande soorten van Droogeryen; seer dienstig voor een Droogist van den Ouden tijt.
5 Den Herssenrager van nydige en quaataardige Vooroordeelaars, die niet een droppeltje Wit mogen sien, beschreven door Henricus Vroolkius.
6 De Konst om Roklyven te maken voor Schele, Blinde en Doove Luyden, door Roelof Rokkius.

[p. 103]
IN DUODECIMO.

1 DE Minneryen van den Charlatan van den Keurvorst van Babilonien, met Platen, franse bant.
2 De Beschryvinge van den Oorlog tussen de Katten en Muysen, door Jacobus Klaauw en Heyndrik Muys, met de Belegering van de Stad Mauwenburg, door Monsieur vander Poes, 2 voll. 1 tom. met de Kaarten en Platen daar toe noodig.
3 Een Manuscript van Heliodorus Halicarnasseus, over het Snyen van Turkse Boontjes, en het Koken en Stoven van deselve; met de Geleerde Aanteekeningen op de kant Johannes Saucijs.
4 De Konst om Ankers te maken die dryven, beschreven en vers burlesque door de Smit van Goeree.
5 Onderwijs om Komkommertjes te Sulten, beschreven door den Kelderknecht van Sultman Oliman.
6 De Historie van Jupiter en Latona, seer fraay om te Lesen en te Singen, door Fransiscus Xavedra, met de geleer- [p. 104] de Aanteykeningen op de kant door Johannes Nemo.
197. ’t Geraamte van een Reusin, lang 133. Brabantse ellen; dewelke in haar leven Paaps zijnde, aan de Paap in de Biegt ontdekte, dat se eens een Scheet liet, daar een staart van 72. ellen aan vast was; den Paap vraagde haar hoe se dat soo net wist? hier op antwoordese, dat se een webbe Linden van het veld opraapte, en haar poepert de beest stelde toen se begon, en niet eer eyndigde voor het webbe Linde, ’t geen net 72. ellen lang was, opgeraapt was.
198. Een Copye Authentijcq van een Missive, geschreven door den Intendent van de Karrelieden van de Pontus Euxinus aan den Admiraal van de Baggervloot in den Hellespont; behelsende onder anderen een aardig voorval, ’t geen tot Bagdad, niet verre van de Pontus Euxinus gelegen, voorgevallen is; luydende deselve van woorde te woorde als volgt, soodanig als het selve door den Boekhouder van den Starost Sablisky is getranslateert.

[p. 105]

    MYN HEER,
ZEkere Partisans van de Funesse Bende der Lijkvolgende Vrienden, hebbende onlangs een Lichaam ter Aarde bestelt, hadden eens hartig op de gelukkige reys des Overledene gedronken, waar door het gesicht met eenige fumeuse nevelen des Wijns betrokken, niet in staat zijnde om hen voor een behoorlyke Gidse te verstrekken, hen tot dankbaarheyt van hunne genomene moeyte, deed struykelen in een riool van naarheyt tot aan de Keel toe: dese Vrienden gemantelt en gebeft sich vindende in een belagchelyke kuyl van slykerige miserien, schreeuden yder om het seerst: de mannen van de Nachtwacht hier op komende toeschieten, meenden dat het spoken waren, volgens den ouden trant; maar hem beswerende by een geheel nesje Gecanoniseerde Santen en Santinnen, toonden sich dese half begravene des te meer vergramd om de weygering van hulp, ’t geen dese nachtravens deed twijffelen aan de waarheyt van de saak, en gelegentheyt gaf tot navorsching van ’t geheym: ’t sedert dat se uyt dit nare graft, daar hen de Wijn, of om liever te seggen hunnen onvoorsichtigen tred had ingeplonst, gelukkig verlost zijn, tellen se by- [p. 106] na de steenen, om niet weder te geraken in diergelyke poel. Heer Admiraal, dewijl je meê niet vijs valt van een sopperige Peer, je kunt u meê wachten voor diergelyke Rottevallen van het Nachtwerkers Gilde, als je ’s avonts eens gelijk een Bordeauxvaarder komt laveren na je huys toe, vol en soet. Eyndigende hier mede mijne Mißive, blyve na offerte van mijn dienst als U E. mijn niet noodig hebt,

                                        MYN HEER,

U E: genegen Vriend sonder occasie,

JUSTUS KARRENIUS,

Intendant Generaal van de Karrelieden van
Pontus Euxinus, glorieuser Memorie.

199. ’t Poutrait na ’t leven in Marmelade gedrukt van Juffrouw Quiksteert, in haar leven Wed: van wylen de Heer Friket, die door ondervinding zijnde geleert, dat al ’t Aardsche maar ydelheyt der ydelheden is, heeft sy sich daar van door een Heydensche of Catonische stantvastigheyt soeken t’ontslaan, met maar een stuyver aan Rattekruyt te vermedicineren, waar aan sy dan ook eerlijk is geborsten, en ’s nachts by Lanteernligt op ’t verlore Kerkhof begraven.
[p. 107]
200. Een curieus Boek in Folio, gemaakt door Jan den Swyger, alias Johannes Silentiarius, behelsende niet dan schrandere Aanmerkingen over allerley seldsaamheden, als
Waarom Jongens en Wyven in alle oploopen, tumulten, beroerten, &c. eerst beginnen en de voorrang hebben?
Wat nut het de Weerelt sou toebrengen indien alle Papen en Monnikken Hooy vraten?
Of een Uyl niet onder het Wilbraad behoord?
Een bewijs dat’er geen Hoeren souden zijn, indien’er geen Vrouwen waren.
Of Vrouwen en Boeren niet maar een half slag van menschen zijn?
Uyt wat oorsaak de Romeynen het Aarsgat van een mensch, en een oud Wijf met een en ’t selve woord Anus hebben benoemt?
En duysent dusdanige subtile Questien en verschilpunten der Geleerden meer, zijnde stellingen daar d’Inquisitie niet aan sou derven ruyken, al was ’t selfs in Roomen.
’t Is gedrukt tot Bokkemhaven met Stijfsel en Roodaarde door den anderen ge- [p. 108] mengt, by Jogchem Snoffius, Couzijn maternel van den Houtvester van den Berg Caucasus, in den Jare dat degelyke boeken in de Smokwinkeltjes voor peperhuysjes passeren.
201. ’t Pourtrait na’t leven, in een Paerdevijg gedrukt, van Jonker Judocus vander Klomp tot Slangenbach, Marquis van Paddenburg en Rommelwijk, Heer van Krabbendam, Spreeuwhuysen en Kreupelpoort, Krotmeester Generaal van een troep Lichtmissen, Gouverneur van ’t Eyland Bokkenburg, &c. in sijn Ed: leven gelogeert geweest in den Gebugchelde Smous, ten huyse van Tieltje van Dumpen, Luysevanger en eerste Liedjessanger tot Treurenburg.
202. ’t Geraamte van Acio, zijnde geweest een oud lelijk Wijf, dewelke op een tijd voor een Spiegel staande, en daar in haar mismaakte tronie siende, rasend wierd, en uyt dolheyt Kruysbeijen met Mostert, en Ham met Suyker at.
203. ’t Geraamte van een Philosooph, die in sijn leven sustineerde dat een Man uyt 1560. en een Vrouw uyt 1550. deelen bestonden, gevende voor redenen van wetenschap, dat hy alle de deelen van een [p. 109] menschelijk ligchaam van beyde de Sexen getelt heeft; presenterende het selve in leven zijnde, des noods nader by sijn duym te verklaren.
204. Een Authentijcque Missive gediceert in ’t Grieks, geschreven in ’t Hebreeuws, en leesbaar in ’t Latijn, geschreven door Socrates aan sijn Cousijn Pierleponius; wegens de Amours van sijn andere Cousijn Barbarot; luydende deselve Missive; (na dat se 4 ? Jaar onderhanden is geweest om te translateren, door den tolk van wylen Alexander de Groot) van woorde te woorde als volgt:
Mon Cousyn,
DEwijl mijn Cousijn Barbarot heftig door Cupido met een Braadspit in sijn hart is getroffen, en daar door doodelijk is verlieft op Juffrouw Antje Lavas, die in schoonheyt voor de beste Engelsche Dame niet behoeft te wyken, als besittende de drie beste Vrouwe gratien, Deugd, Verstand, en Schoonheyt, te weten, gepaard met de aanlokkelijkste trekplaaster en sterkste recommandatie brief, de besitting van veel rijkdommen, soo gaat hem de [p. 110] Min beter dan my ter herten. Maar geen couragie hebbende om haar den Oorlog te declareren, soo soulageert hy sich dagelijks met een uur a twee door haar straat te kruyssen, waar na hy dan ten toegift een quartieruurs tegen een Lantaarnpaal over haar Huys gaat staan, siende dat met betraande oogen en bibberende leden stijf en steroogende aan, niet dan manden vol zegeningen doormengt met besweringen uytstortende, soo dat de Passagiers worden genoodsaakt sich over hem te erbermen, en hoe ’t hem treft, toonen sijn roode oogen, ingevalle koonen, dunne beenen, vermagert ligchaam, en slingerende gang, &c. Afbrekende, blyve na groetenis aan U E. en desselfs Susje Clementia.
Cousijntje Nigt,
U E: Dienstweygerende Neef,
Was geteykent,
Socrates.
Nota bene. Dese is de eenigste Missive, die aan de complete Werken van den gemelden Socrates noch manqueert, sulks deselve uyt dien hoofde onwaardeerlijk is voor Liefhebbers van de Socratische Geleertheyt.
[p. 111]
205. Een Extract uyt een Missive, geschreven door de Kelderknecht van de Brouwerye van de Weerelt, aan sijn oudste Broeder, als doen Grootjagermeester zijnde van de Bierwagens van Buyksloot, luydende als volgt:

BREUR LIEF,
NAdien de uytstekentheyt mijns Ligchaams hoe langer hoe meer toeneemt, en uyt dien hoofde bevind noodig te zijn, dat’er een putachtige portuur voor parade by moet zijn, soo make ik Ulieden bekent, als dat ik ten dien eynde mijn oog hebbe laten vallen op dat puyks puyk van alle puykige puykjes Juffrouw Alauda Buykvast à ’s Gravenbil, dochter van den Drilkommissaris, Fonteyn van mijn Minnedrankjes, en kerker van mijn Hart, op de beschansingen van wiens verstaalde Ziel ik nu gestadig met oogstralen flanqueer, om die t’emporteren, en soo, is ’t mogelijk de gantsche Fortres tot overgaaf te noodsaken, gelijk ik dan ook geen dag laat passeren, dat ik my niet door woord of letter in de Antichambre van haar gunst recommandeer, edoch tot noch toe met weynig succes, nademaal ik reets driemaal [p. 112] storm heb geloopen, sonder meer bres en plaats in haar hert te krygen, dan de ruymte van twee Speldeknoppen. En soo sy mijn aanvallen soo wil tegenstaan, sou ik eyndelijk de Belegering zekerlijk met schande moeten opbreken. Zulks ik versoeke dat U E: by de voornaamste Schoolmeester en Poëet van U E: plaats gaat, en voor mijn een Minnedicht, op mijn Lyden toepasselijk, doet maken, ’t welk ik hope, dat van soodanigen uytwerkinge sal zijn, dat haar Hert, nu soo hart zijnde als een Pruymsteen, in ’t korte soo week sa1 worden, dat het in weekheyt een dunne suypjyse surpasseert; waar op my verlatende, blyve inmiddels, je weet wel wat ik seggen wil,

                BREUR,
    Geschreven in
’t openen der
Trencheen voor
de Fortresse van
mijn Bemindens
hert.
U E: Verliefden Broer,

        Joannes Dundrytius.

P. S. Wilt nevens mijn voorsz by Ul. te doen makene Gedicht, mede oversenden een Vat Scharbier, om deselve in plaats van Mol te gebruyken tot verkoeling van mijn innerlyke Brand; dewijl in onse Brou- [p. 113] wery niet als swaar Bier word gebrouwen.
Vaart wel.

206. ’t Geraamte van de Stads Barbier van Negapatnan, dewelke in sijn leven met sijn Vrouwtje, door een Bagatel, aan pluysen rakende, soo wel onthaald wierd, dat sy hem, behalven eenige andere quetsuuren, noch de Neus gantsch opscheurde. De Battaille door Scheytsluyden zijnde gestremt, begaf sich de goede Man met naald en draat voor een Spiegel, om ’t gebrokene weêr aan een te hechten; doch soo dra was hy niet besich, siende in de Spiegel dat sijn Vrouwtjelief achter hem stond, of met een vaard stak hy de naald, om die niet te verliesen, in sijn Neus, en van spijt als een Pad in de Maneschijn swellende, vloog hy soo gram als Vader Neptuyn, door een Garnaat in sijn bil wordende gesteken als hy meend te slapen, na sijn lieve Wijfje om sich te wreken, doch die ontfing hem weêr soo kloekmoedig, dat hy voor de tweedemaal met verlies van een half douzijn tanden, en achterlating van sijn beste lokken, den aftocht moest blasen.
[p. 114]
207. Een Authentijcque Genealogie van de Stads Klompemaker van Gibralter, geschreven in een Missive, door den Koster van de ses Kerken van Kadix, aan den Doodgraver van Lisbon, in den jare 1147. den 30. February, luydende deselve Missive van woorde te woorde, als volgt:

            MYN HEER,
NA ik hoop sal ’t niet onaangenaam aan U E: zijn, dat ik, volgens myne beloften aan U E: hier een kort denkbeeld make van het geslacht van Girolamo Poultronnio, Stads Klompemaker tot Gibralter. Een Geslacht, buyten welk ik in dit gantsche distrikt geen talryker, en dat meer onderscheydene Profeßien waar neemt, ken. Sijn Overgrootvader (vreesselyker Memorie) was een Doodgraver, en hoe wel hy duysenden onder de Aarde heeft geholpen, soo is’er evenwel niemant te vinden geweest, die hem den dienst heeft willen of mogen doen: des selfs Vrouw was de beste Hekelster van gantsch Brabant, en werkte sonder onderscheyt van Persoonen, ô Edelmoedigheyt! voor Rijk en Arm. Sijn Grootvader was Belleman of Uytroeper tot Breda, en wel van soo [p. 115] goede reputatie, als in 100. Jaren een in die Stad is geweest; desselfs Vrouw was Turftonster, en beroemt om haar oprechtigheyt in ’t meeten, waarom sy ook met veel kinderen wierd gezegent. Doch de Dooden latende rusten, stappe tot de Levendige over.
Sijn vader is de oudste Diefleyer ter deser plaatse en dat met eere, zijnde een doodvyand van allerley quaaddoenders: zijn Moeder kruyt met Mosselen, en met niemant is beter noch goedkooper te handelen, dan met haar. Sijn oudste Suster, (een brave Frelle) loopt met Krabben, Schol, Garnaat, enz. getrouwelijk, de meeste herbergen daar meê stofferende. Sijn middelste Maseur doet niet dan Bedelen, en in welk Ambacht sy meer vermaak, proffijt en gemak, dan in eenige andere Profeßie vind. Sijn derde en jongste Suster, als de kuyste en genereuste, woont voor Meyd, en dat in alle Eerbaarheyt, (wat raars in waarheyt!) in ’t principaalste Hoerhuys van de Stad. Sijn oudste Frêre ageert voor Spitsboef, en staat te trouwen met Frans de Schoorsteenvegers dochter: en sijn jongste speeld voor verklikker, wordende van de Pachters seer gepresen. Somtijds brengt hy ook wel gekochte Vis voor anderen t’huys. Sijn Oom is een Schoenlapper, en sijn Tante
[p. 116] verkoopt gestole goederen. Sijn Swager is een bezembinder, en sijn Snaar gaat uyt Schrobben, Wassen, Wyen, &c. Sijn Peet is Jep de Liedjeszanger, een Straatbreker van sijn handwerk, doch beroemt van wegen sijn schoone stem, en soet spelen op de Fiool, den selven is mede Autheur van het volgende Airtje, ’t geen hy uyt een Sonnet van den deftigen Albinoni heeft getranslateert:
        Het Fortuyn en de Dood
    Die saten in een Schuytje:
        Sy vraten Kaas en Brood,
    En speelden op een Fleuytje:
        Sy songen, sy dronken
    Water gemengt met Azijn,
        Sy wierden beschonken,
    Enkel uyt trek tot Brandewijn.
    Doe sprak men van Jan en van Trijn:
    ô! Wat is ’t soet vrolijk te zijn.
    En dewijl hy om eenige bagâtellen voor eeuwig is gebannen, gevoelen de Boeren daar over groote smert, dewijl hy haar Kermissen beroemt maakte, en oorsaak van alle vreugt was,
De Maagschap van sijn Gemalins zyde is niet min aansienelijk, soo in afkomst als bedienin-
[p. 117] gen: want sijn vrouws Vader was een Kranemaker en dat soo beroemt, dat hy noch huydendaags ter memorie voor de Nakomelingen, en tot roem van sijn Familie, om sijn Heerlyke Daden tot ’s Hertogenbos op de Snykamer word bewaard, en in ’t Geraamte aan alle Liefhebbers getoond. Haar Broer is een Speldemaker, en loopt Somers voor Kramer met een Mers door ’t Land, tot groot gerief van den Huysman. Hy is van wegen vreesselijk vloeken gerenomeert, en men gelooft dat sijns gelyken in gantsch Europa niet is. Haar Moeder was de bekende Anna Poephil, toegenaamt Holdarm, Bastaard van een Lieutenant ter Zee, en Visverkoopster van Negotie, gerenomeert van wegen haar Penitentien en Martelingen die sy heeft moeten uytstaan, als hebbende viermalen haar rug moeten bloot stellen voor al de Weerelt, staande aan een paal om met Roeden geslagen te worden. Twee à driemaal is sy met de Wapens van differente Steden overladen, en dat lastig valt, die most sy dag en nacht op haar rug torssen. Haar Vaderland en Vrienden heeft sy veelmalen als Balling moeten verlaten: en als men nu meende dat sy al genoeg door de nijd was gedwarsboomt, soo heeft het noodlot noch gewild dat sy in haar ouden dag Cabrio- [p. 118] len sou leeren maken, doch met soo quaden uytslag, dat sy aan een dwarshout bleef hangen, en, dewijl niemant haar te hulp dorst komen, de geest gaf. Een echte Suster heeft sy niet, doch haar bastaart Suster loopt ’s winters met Obliën, en ’s Somers met de Heydens, en die is soo bang voor de Justitie, dat sy schrikt als sy een gerechts dienaar siet. Haar Oom van Vaders wegen is seer ongelukkig, met een scherprechter in Düel vechtende, (ô overkloek gemoed, doch ongelyke strijd!) doodgebleven. Haar Moeije van Moeders kant, leeft thans in pracht en weelde, zijnde Waardin in een Amsterdams speelhuys. Haar Peet heeft sedert twee jaren om sijn gemak en uyt playsier, doch soo andere seggen op het versoek van den Bailliou, en wel uyt enkele nijt, om dat hy sich meer als meesterlijk op de konst van huysbraken verstont, sijn woonplaats in ’t Rasphuys tot Rotterdam genomen. Sy is thans voor de tweedemaal getrouwd, doch met weynig genoegen, want van dese man word sy weynig bemint, en van haar eerste heeft sy weynig vreugde genoten, dewijl hy op de Bruyloftsnacht door den Schout met sijn smachterige Apostelen van haar zyde wierd gelicht, en om dat hy sonder Privilegie geld had geslagen, des anderendaags op- [p. 119] gehangen. Wat waayt een mensch niet al over ’t hoofd?
Enfin, dat heele geslacht, soo eygen als aangetrouwt, sou een gantsche geslacht- en tijdrekening uytmaken, en waardig zijn dat’er een geslacht- of stamboek van wierd gemaakt, met de wapens, tytels, &c. daar toe gehoorende. Ende dit zy wat aangaat de geslachtregisters; zoo’er iets meer nieuws voorvalt, sal U E. Het per naasten doen weten; blyve inmiddels na onttrekking van mijn dienst aan U E. en desselfs beminde,

Monsieur,
U E. Donderdaagsen Driemaal,
Giovanni Kiekebodi.
P. S. De groetenis aan de gebiedenis wegens Ul. Cousijn de Varkeslager woonachtig tot Emden (God betert) onder boven den Bakker in de Kelder.
Servitori.
208. ’t Geraamte van de Stads Apothekers knecht van Buykslooterwaard,
[p. 120]
Die in sijn leven langs ’t Land liep, en speelde den gebraden haan,
En ageerde voor Doctor Medici, en dan eens voor Courtisaan:
Sijn Dame was een voesterkind van de Cyprusse Godinne die haar geld winnen met eeren:
Want terwijl hy sijn Visitens deed, was sy besich met Klisteren.
209. Een Copye Authentijcq van een seer curieuse Missive, geschreven door den onder Veldheer van het Moordsche Veen, Justo Venenski, aan sijn Papa Gio Potteminde Holsky, Groot Schatbewaarder van Katendrecht, luydende deselve Missive van woorde te woorde, als volgt:
Mon Papa,
HIer nevens gaan de twee Pakketten Roomsche Boonen, à 4 Aspers en een quart per dozijn, rabatterende volgens de Balans en Factorie van den 23. deser U E: Bodemarie gedefaulqueert twee Serasil Brassis, sulks ten dien insichte de laatste Post tot by de Laan van Nieuw Oostindien voor een gemortificeerde in blanco is blyven staan tot nader ordre. Belangende de geëmbarqueerde Nantise Boter, deselve heb ik met de wekelijkse Nachtmerrie doen [p. 121] brengen tot in het Concilium van Trenten, omme aldaar met de grote en kleyne Maat door het Dakvengster te werden gedistribueert; edoch ten ware den Commissaris my op ’t afsteken van de Vlotschuyt hadde geadverteert, dat den Hertog van Vendôme van intentie was geweest om in de Schuyt te Rijssel gebrade Paling te eten, soude ik niet hebben gemanqueert, omme my op het alderspoedigste naar Haserwouw te transporteren, ten fine de interventie van Klaas Bierbuyk in dorso mochte werden geconsuleert, blyvende niettemin onse laatste retroacten in soodanige predicament, als of deselve eerst nieuw uyt de naalde quamen: in consideratie van ’t welk ik niet en sal supercederen in opvolginge van de eminente genealogie tot sulke effecten, dat daer inne nopende myne devoiren yetwes meerder sal kunnen werden gedesidereert; ende de Trafyke concernerende, de groene Milketors van groot en kleyn Asia, ende de Noorderdeelen van Kalansoog, gelegen onder Scorpio; deselve sal ik seer gedienstelijk U E: gewonelyke goede directie gerecommandeert laten, niet twijffelende of U E: sult de respective Contractanten seer providentelijk (volgens het derde Artykel van ’t Placcaat op ’t stuk van de Collaterale Successie geëmaneert) voor Sonnen ondergang naar den Accijns toe stuuren, omme op ’t rapport van de naaste Vrienden, mitsgaders Weduwe en Boedelhouster te treden in liquidatie, op poene en in cas van contraventie, dat den gesworen Landmeter van Dur- [p. 122] kerdam wel expresselijk sal werden geinterdiceert eenige resignatien van Cannonyen, ofte Vicarien in ’t toekomende op blaauw papier te doubleren, maar dat deselve (vermits de infermiteyt van den laatsten termijn) met clausulen derogatoirs om den hals arbitralijk sullen werden gecorrigeert, ten eynde Metropolitanen, Suffraganen, Domheeren, Abten, Proosten, Prioren, ende Pastoren, ook Gardianen, Canunnikken, Papen, Priesters, Biechtvaders, Minnebroers, Bagynen, Kloppen, en Quesels, mitsgaders Preekheeren, Preekbroers, Kruysbroers, Likke- (ik wil seggen Leeke) Broers, Jesuiten, Karmeliten, ende Kathuysers; item de Jacobynen, Kapucynen, Bernardynen, Benedictynen, Basilianen, Augustynen, Obseventes, Hagelantes, Puryteynen, Aditu, Diaconi exsorsistoresialias, Duyvelbesweerders, Lectores, Acoluth, Cereforati, ende Kaarsdragers in pleno possessorio mochten werden gerestabileert, en ook specialijk tot faciliteyt ende elucidatie van de marginale glossen, reserverende altijd voor ons ende onse Vassalen, een manifeste interpretatie, omme daar mede te amputeren de obscuriteyten en Bagatellen van onse hooge en lage Jurisdictie als directelijk strydende tegens de geparagrapheerde correspondentie van den Marquis van Potjebeuling, soo als te sien is in syne Commentarien over de Wetten van Geertruydenberg, fol. 19. verso: waaromme ik albereyts de clandestyne desseynen van twee Italiaanse [p. 123] Waarseggers met een bysondere dexteriteyt soodanig hebbe geënerveert, dat de ses Leeuwerken van den Stalmeester van den Archipel op ses Pieken, na Franeker sullen werden gedragen, omme aldaar opgebracht te werden met de Pen; onder conditie nochtans, dat soo iemant met het casquet onder den arm door ’t Moeras sal hebben gevoltiseert, deselve tot een eerlyke recognitie sal genieten vier Sikkels Swolse Munt, acht ponden Metworsten, twee Spaanse Radysen, met een Saussyse Broot, (wat ben je me groot) en voor een jaarlijks Pensioen drie hondert en elf Caraten Spek, achtien gesuykerde Boterammen, met een Bef met kant; belangende de interruptie ons door het droevig ende beklaaglijk afsterven van Joachimus Bulderbastius Baron von Schijthorn en Drytensteyn, Vryheer van Slobbergen, malheureuselijk gecauseert door de applicatie van een Spaanse Vlieg op de drie linker Pori van sijn rechter Bil, waar door sijn adem weg vloog, en in de Spaanse Vlieg leven bracht, sulks dat de Spaanse Vlieg rondom den Overleden een Sarabande begon te danssen, weshalven wy daar door van de gewenste effecten van onse loffelyke intentie, ende een Merveilleuse condesentie van dien totaliter zijn gefrustreert. En kan U E. voor als noch niet sekers adviseren, alleenlijk dient dat men hier met een uytnemende diligentie heeft gelaboreert, tot het formeren van Sepulturen en Tombens, mee desselfs ap- en dependentien, in conformité van [p. 124] de qualiteyt daar toe essentielijk gerequireert, het verdelen van de quartieren, en rangeren van de Krijgstroepen, alle het selve is seer illuster, prodigaal, en splendide door de Erfgenamen Ab-lntestato gedaan stellen en exigeren, als zijnde doorgaans met Pistasjes, Gansen Eyeren, Limburgse Kaas, en soute Lamoenen seer konstiglijk aan den anderen gefabriceert, steunende het gantsche Werk met vier Pilaren (op de Dorise wyse) van Spaanse Zeep gemaakt, op een Silvere Tabakdoos, tussen deselve Pilaren staat een model van een Oostindise Asput curieuselijk uyt gesmolte Boter gesneden, op een yvore Rommelpot, representerende de Beklaaglyken Dwang; aan de eene zyde staat een Man, die sijn hooft van kokent Ys, en sijn lijf van heet Kaarssmeer is, in sijn eene hand een stuk Krijt, en in de andere hand een Snuyter houdende; voor sijn Voorhooft staat met groote Letteren PREST à CHEVAL aan de andere zyde leyt een Slang op een Santlooper, daar op staat RESPICE FINEM, en beeld uyt de Lapis Philosophorum aan een besmeert Spit gesooden.
Voor ’t Lijk marcheert een troep Engelsche Bostelmakers, op haar schouderen dragende eenige Swagtelrollen, gekomen uyt het Kabinet van den Primo Vizir van de Menniste Bruyloft, blasende yder opeen Javaanse Brandewijnsbobbel de entreprise en de Ontschakinge van de Frelle Sultane, die althans, vermits de onlydelyke tormenten in [p. 125] haar Maagdelijk Gansebort, van intentie is, omme de geoctrooijeerde Vroedvrouwen van Spitsbergen een Oogtant te laten trekken by representatie van een kleyn Vaandragertje, en wyders door conditie van een Bakermoer den Inventaris te doen amplieren met een Luyrmand en Pappot, strekkende tot een singuliere beneficie en prerogatijf van de Blikslagery van Ostende, niettemin wert groote difficulteyt gemaakt, ofte de saak, nopende de Kraamkosten, in statu sal blyven, ter tijd de gedaagde by die van Herenthals onder handtasting sal wesen geadmitteert, omme te occuperen by Lieutenant immers en in allen gevalle; en in reguarde van de Naveldoeken, verklaard quod curia non vocat; volgen twee Schiedamse Weesjongens, yder met twee doodsbeenderen uyt de Cimitiere du Saint Innocent op haar hoed, dragende de Neutekraker van Methusalem op een ongekookte Zietharing, tot voor de entré van de Corps de Guarde quisenteau prienementasie viva klaveren Boer, Tabak, Alsemwijn, en Oly uyt de Reyssak op eenen keer, Gloria Victoria dikke Pater, sulken fonteyn geeft goed water; Het Lijk word gedragen van drie Millioenen Barbarise Kamelen, omhangen met swarte Kamisolen tot ter Aarde, gechambreert met ses hondert Vogel-struys koppen, die van Heliogabalus Tafel gekomen zijn, en sullen werden geleyt van driehondert en achtien blinde Aptekers, alle te samen met een linie perpendiculair descenderende uyt den huyse van Watjekal.
[p. 126]
Op het Lijk vertoonen sich vier Stolkse kasen, ’t stuk tot elf pont anderhalf vierendeel twee oncen en ses scrupels, in de eerste steken twee Ebbenhoute Pencelen van Momus, daar mede hy Vulcanus Hoornen meê had geschildert: in de tweede ’t Pourtrait van den slapenden Boer, seer konstig geschildert op een Jutte Lever, staande op een oude Hellebaart. In de derde den Admiraal Sterrevelt seer diep in den rouw, sittende op een gebakke Pekelharing. Ende in de vierde de gedroogde Prik, daar den Orateur Hortensius lang rouw over gedragen heeft NB.
De voortgang in rang voor de hooge Vierschaar van Sardinien in dispuyt en contraversie zijnde geventileert, is na voorgenome schriftelijk advijs van die van Beveraas met Schriftelyke deliberatie van Raden verstaan, dat die van de Consistorie en kerkelyke ordre van nu perpetuelijk sullen zijn en blyven voor alle anderen geprefereert, als geen ouder of beter recht hebbende, met die expresse limitatie, restrictie, en modificatie, dat nochtans, soo ymant van dien, sonder Calot ofte gepomadeerde knevels een swangere Vrouw onder den Orgel komt te verschrikken, in sulken gevalle deselve met de gemeene Buyren malkander sullen moeten volgen op een Besem steel.
Sie daar dan de namen der naaste vrinden. Het 1. paar marcheert de Biechtvader van den overleden, met een waterbel op de schoef van sijn Mantel; neffens hem rijd de Glase- [p. 127] maker van de Baak van Schevelingen op een podagreuse Karnemelkspot, onder een groote pompoen.
Het 2. paer de Leydekker van Eykenduynen, rydende op een vleeschelijk Aanbeelt. Naast hem den uytroeper van Londonderry op een bos witte Peên.
Het 3. paar de Gardiaan van Molquern met een dieve Lantaarn op een deuyts Fluytje. Naast hem de garnaatsman van Jericho, met een wilde Schelvis aan sijn keel.
Het 4. paar de Lijndraaijer van Arabyen, sittende met sijn gat op een bos Hennip. Naast hem de Groenvrouw van Roelevaartjes Veen, sittende in de holligheyt van een Artisjok.
Het 5. paar, de Lantaarn-ontsteker van de Mokerhey, sittende in een bak van een Olymeulen. Naast hem de Knoopmaker van Cremona, wordende getrokken door twee Slakken.
Het 6. paar de Schipper van de Trekschuyt van Jerusalem op Grand Cairo, sittende op de Helmstok van ’t Roer. Naast hem de Klokkestelder van Westphalen, hebbende een belletje van een kakstoel om den hals.
Het 7. paar de Koordedansser van de Waygats, sittende op een Broedertjeskraam. Naast hem de Blaauwselmaker van de Oranje Polder, sittende op een Korehalm.
Het 8. paar de Klapwaker van Sneek, aan hebbende een papiere Curas met een par- [p. 128] kemente degen op zy. Naast hem de Aarts-hertogin van Scheteldoekshaven, in een vaatje van ses stoop.
Het 9. paar, de Modderman van Jutfaas, sittende op het eene Paerd van de Mallemolen. Naast hem de Kladschilder van Hongaryen, rydende op een lange pinceel met de quast in sijn naars.
Het 10. paar, de Kajuytwachter van een State Boere Hoogaarts, met sijn Aansicht op een Almanak. Naast hem de Meulemaker van Kulderstaart, dravende op een Meuleroe.
Het 11. paar, den Brugophaalder van de roo Zee, sittende met het halve lijf in een klomp. Naast hem gaat de Commissaris van de Negromantie, met een swarte roo Mantel omhangen.
Het 12. paar, den Superintendant van de Jeneverbeyen, sittende op een Disteleer-ketel. Naast hem de Viceroy van de seven Planeten, sittende op een vergulde Star.
Het 14. paar, den Landdrost van de oude Wetering sittende op een rokende Turf. Naast hem den Doodgraver van Weenen sittende op een ouwe Doodkist.
Het 15. paar, de Courier van ’t Aalmoesseniershuys tot Lillo, vertoonende de Slaapmuts van Cajus Caligula op een Turkse Sabel. Naast hem gaat een bestruyfde Wafelmeyt hard beschonken.
Het 16. paar, den Olyslager van Smirna, sittende in een Kersseboomtje. Naast hem [p. 129] gooyt de Warmoessenier van Napels geld te grabbel uyt een kakstoel.
Het 17. paar, de Bontwerker van Poelgeest, slaande de Princemars op een Kalfslever. Naast hem rijd de Gravin van Schipluy, en eet een kandeeltje uyt een Razijnkorf.
Volgt de Americaanse Compagnie hooft voor hooft met een Musquet of Snaphaan, de Loop vijf vierendeel lang, twee pont kruyt, een pont lont, twee pont loot, en een zijtgeweer, ten minsten van een el, alles ingevolge van onse preëminente Handvesten, Previlegien, en Vryheden, ten dien fine gestatueert sonder arg of list; de rest volgt als in onse voorgaande Astrolabium punctuelijk is gespecificeert ende gecalculeert, blykende by onse brieven en represalien, ende declaratoir van de contrabande van dato de twaalf maanden in ’t jaar, stilo nullo.
Hier mede wil ik vertrouwen U E. in alle trepidantie ende geconniveerde sympathye ten genoegen na exigentie van saken te hebben geadviseert, soo evenwel uwe respective contramande iets verders t’uwen dienste van my mocht komen te requireren, ’k sal als dan in alle occasien paraat staan om storm palen onder de bescherming van ’t Kanon uytterukken, ’k sal slaan door tien paar Regimenten van de allerhevigste Hussaren, die ooyt by Chiari gekloofde Fransjes hebben gemaakt, selfs durg herdurg ont wieder durg, ’k sal door Hagel en Wind na Konstantinopolen op de punt van een Besemstok ryden, soo maar een Rot van [p. 130] U was gestorven, om deselve een eerlyke begraaffenis aan te doen, ’k sal de heele Magistraat van Nova Sembla tot U E. contemplatie voor een Aposema opslurpen, ’k sal alle Suykermolens van Naarden, Wesep, en Muyden als Bandyten in een Poeijerdoos laten spykeren, ’k sal even als een Postillion gaan sitten op de knevels van den Marechal de Villars, en ryden van Lekkerkerk na Farnabocq, om een oortje graauw Papier, als gy een Purgatie ingenomen hebt, ’k sal die van Twent en Drent in volle Curas de Lantaarn laten dragen, als gy met een paar stoop Wijn geschoten zijt, ’k sal die van Suratte en Madagascar in ’t oog van alle menschen in een pond Vlas veranderen, om Neusdoeken van te maken, tegen dat gy verkouwen zijt, ’k sal de gantsche vloot van Vigos u in een Snuyfdoos senden, ’k sal alle de Kardinalen aan riemen laten snyden, om in ’t voorjaar U E. Wijngaard daar mede op te binden, ’k sal de Marechal de Bouflers u toesenden om Brillen van te slypen, die verder sullen kyken als op de Kijkuyt; ’k sal negen en tachtig Bredaasse Kapoenen onder ’t Ys laten duwen, op dat, wanneer gy op Schaatsen mogt ryden, gy altoos met u neus in de Veeren mogt vallen, ’k sal de gerenomeerde Botterboeren van Nantes en Roüan voor een Peperwortel in de Saus laten raspen, als gy Baars eet, ’k sal den Hertog van Poeperdam in U E. huysraad vereeren, voor een plankje, om Tabak op te kerven, ’k sal Don [p. 131] Pedro de Vargas tot in ’t Lammetje Groen op sijn knien doen kruypen om U E. vergiffenis te bidden, dat hy de slip van U E. mantel niet heeft opgehouden, doen gy eerst in de broek gesteken waart, en sijn Grootvader sal ik door twee geharnaste Weerwolven, yder in een Karos met acht donkere bruyne Nachtmerryen, doen vragen, waarom hy in gebreken blijft om u Bef te schikken als gy te groef gaat; en ik sal de Ridders van ’t Gulde Vlies begenadigen met den titul van substituyt slypers van de Tafelmessen, ’k sal Madame de Maintenon driemaal doen voltiseren op haar rug, soo hoog als een leggend blad papier, tot penitentie, dat se u Bef niet opgestreken heeft, als gy na de Voorburgse Kermis reed; ’k sal tot vaste goederen aan U E. Domeynen aanhechten, ’t nieuw geboren Fort Kandia, en tot Rentmeester over desselfs inkomsten, den Grooten Mogol, ’k sal u tot divertissement van u ledige uuren, de drie deelen van de Weerelt U E. tot een Verkeerbort laten toekomen, en ’t resterende vierde tot Dobbelsteenen.
En alhoewel dit alles in ’t allerminste niet merireert U E. met geboge knien te derven opofferen, en aan te bieden, nochtans in vertrouwen, dat U E. aangeboorne goedertierentheyt ’t selve als een Manifestatie van myne devoiren sult estimeren, sal ik de vryheyt nemen na een kleyn spatie in U E. goede gratie gebeden te hebben, welke ik niet kan denken dat UE. [p. 132] my weygeren sult, maar toelaten om te schryven,
Mon Papa,
In mijn Boekkamer den 27. van 31. dagen, in ’t jaar dat de Blinden niet mochten sien al wildense.
U E: gants Onderdanige Zoon,
Was Geteykend,
Justo Venensky.
210. Een considerabele Vereeringe, gedaan door den Stalmeester van den ouden Bellerophon zalr. aan den Drost van Dorstenburg, bestaande in een curieus Adelijk Wapen voor hem en syne nakomelingen; namentlijk:
In sijn Schild voert hy een Spinnewiel d’argent, op welker onderste sport een subtiel strontvliegje d’Or, negen en negentigmaal kleynder als een Atomus, met sijn Vleugels slagvaardig staat, zijnde dit precisement dat Vliegje, daar Ezopus van verhaalt, dat het op een Wagenrad sat, en uytriep, quantum pulverem moveo! dat is, wat verwek ik niet al stof!
Het Schild is getimbreert met een open Helm, schynende wel van de Vrouwelijkse [p. 133] Sex te zijn, waar uyt voor een Cimier seer speculatief vertoont, een dik gebekt Aeolusje, van sich blasende, als een Kat die in benaauwtheyt is, en omset met een bouquet Westphaalse Swyneveren, soo dik als ’t Haagse Bos.
Twee wreede Monsterdieren, een Vries Koetje, en een Munsters Biggetje verstrekken dit Wapen tot supporten, voerende elk van hun in sijn Poot een Standaart, en in Wimpels eener siet men dese woorden, Hic ceu vacca bibit; en in des anders, & suis instar edit.
Sijn Maag met Spyse overladen,
De Blaas met Wijn, zijn ed’le gaven.

Ten overvloede, op dat aan dit illustre Present niets manqueren soude, hangen daar met een aardige swier door een geslingert dese woorden tot een Devies aan: Magno conatu magnas nuges agit, dat is, ik wil wel, maar ik kan niet.
211. Het Hooft van den vaillanten Hercules, leggende gebalsemt in een tinne Peperdoos sonder bodem, van een considerabele grootte; welke Hercules in sijn leven sul- [p. 134] ken strijd had op Hyppolite Koninginne der Amazonen, dat hy het waagde binnen de Limiten van haar Rijk te komen, om een faveurtje, al was het met gewelt van haar te versoeken, gelijk hy ook tot sijn but quam. Tot teeken van sijn Overwinninge, had hy een Cinctuur haar ontroffelt, daar hy by haar gebuuren meê ging pronken, ’t geen gants geen Galant past; waarom ook den genereusen Theseus hem het selve af handig maakte, en het in stilheyt bewaarde, daar door toonende, dat hy beter waardig was een secrete gunst van een Dame te ontfangen, dan de snappende Hercules.
212. Een nieuw, net, en wel geproportioneert Vinkehuysje; met sijn netten en gereedschap tot de Vinkebaan behoorende; het selve is gekomen uyt de Vinkebuert, daar soo wel tamme als wilde Vinken vliegen, seer bequaam voor de Liefhebbers van de Vogelarye; benevens veertien blinde Vinken, die geen hand voor haar oogen konnen sien; nu eerst karsvers uyt der muyten gekomen; deselve singen soo krachtig, dat iemant die wat na de gryse kant is, by na hooren en sien vergaat.
[p. 135]
Eenig Liefhebber daar van nader naricht begerende, addressere sich maar aan den eersten Blindeman, die hy tegen komt, deselve sal hem blindeling bescheyt geven, en laten hem in die selve blindheyt, waar in hy van te voren was.
213. Het Harnas van Alexander de VIII. doot den ouwerwetsen Kopersmit van die naam, die tegenwoordig Lijf ketelboeter in het Vagevier is, aan eener syner bekenden gesonden, na dat hy eenige quetsuuren, die door de hongerige roest daar in waren gekomen, gecureert heeft. Zijnde het selve Harnas seer dienstig voor een Pontificale Dragonder, om schootvry te zijn, te weten, als hy een uur ot twee van sijn vyand van daan is.
214. ’t Pourtrait van een zeker Raadsheer tot Roomen, die tot’er doot toe vervolgt wierd, om dat hy maar een Kamerpot aangetast had, vergeten hebbende de Ring van sijn Vinger te doen, daar ’s Keysers Beeltenis in gesneên was.
215. Een Missive geschreven door den Euverman van het Klapwakers Gilde tot Londen, aan sijn Cousijn van Maternel, den Aards-biersteker van Londonderry, luydende de- [p. 136] selve van woorde te woorde als volgt:
Mon Cousyn,
ZEker Verponding gaarder in Engeland sijn Broek redelijk met ’s Lands penningen hebbende gestoffeerd, was van meening, om die bespaarde som na Italien te voeren, en aldaar by de Italiaanse Belle Signore, of Mooije Hennetjes de gebraden Haan te spelen, dat het een aard had; maar is in dat fugitijf voornemen door een vermaledyden Tolman (die het Schip, waar in desen vogel was, uyt vrees voor Contrabande waren, quam doorsnuffelen) tot groot ongeluk belet; want desen ’s Lands Toesiender den Penningman kennende, en hem soo beladen vindende met klinkende schelpen, en boven sulks op de valreep om buyten ’s Lands te gaan, kreeg aanstonts suspitie, dat desen fijnman als een religieusen Pelgrim van Sint Crispijns Bedevaart quam, die de Dieven in plaats van St. Jakob gaan besoeken, om dat dese laatste sijn schelpen van sulken krachtigen effect niet zijn, als die van de eerste. Siende derhalven sijn Lantsman met dese weytse équipagie, besloot hy hem, om niet verdoold te loopen, toe te senden een publyke Gids, [p. 137] die hem in den Tempel van St. Raspinus heeft gebracht, om in sijn devotie te volharden; men staat hem daar eerst van Haan, Capoen te maken, door het ontheffen varn sijn Beurs, en gevolgelijk met een verzegelde Brief, behoorlijk in dorso geteekent, na de Italiaanse Hennetjes te senden. Maar ik geloof, dat hy daar soo welkom sal zijn, als Robby by de Engelse Ladijs, die by manquement van geld heel vriendelijk wierd versocht, sijn Amours aan de klopper van de deur te maken, dewijl My Laddy geen lust had, om pro amico te vaceren, ’t geen ook inderdaad hard voor een practiserende Demoisel valt. Hier is tegenwoordig niet anders nieuws, soo iets nieuws voorvalt, sal ’t selve U E. nader adviseren. Afbrekende blyve na cordiale saluatie aan U E. en desselfs beminde Huysvrouwtje Beatrix,
Neefje,
Geschreven in mijn tweede wacht, Elf heyt de klok Elf.
U E: by nachtwakende Dienaar en Cousijn,
Robbert Klapperson.
216. Een Tractaatje, beschreven door den Domheer van Nova Zembla, geintituleert, [p. 138] l’Essai des Barbons Atrabilaires, behelsende in sich een korte, doch seer stichtelyke onderwysinge om wel te leeren grommen tegen den ouden dag; mitsgaders sonder het minste grimlagje, de aardigheden van Rabelais Boileau, Molliere en anderen, om dat men selfs tot diergelyde vindingen niet in staat is, als lichtvaerdig te berispen. Item, om alle Philosophise redeneringen, waar door de naaktheyt van sommige weetnieten somtijds te schandig aan den dag komt, als bedriegchelijk te verwerpen; en omals een habielen Grutters Esel, in den Rosmolen van domheyt te loopen soo lang men kan: met de geleerde kantteykeningen op Rijm van Giovanni Dommio.
217. Het lapje van Josephs Mantel, dat hy in de handen van Potiphars Vrouw heeft gelaten, als sy hem tot onkuysheyt versocht, zijnde vijfvierendeel lang, en uyt dien hoofde bequaam om een fatsoenelyke broek van te maken.
418. Een paar Vossestaarten, tussen welke de brandende Fakkel heeft geseten, als Simson het Koren van de Philistynen aanstak.
219. Een bondel van de Vlasstoppelen, daar onder de Hoere Rachab de Verspieders van Canaan versteken hadde.
[p. 139]
220. Een kleyn Flesje vol Maagde tranen van Jephtae’s dochter met haar gespelen, die sy gestort hebben als sy haar Maagdom beweenden; doch is seer beschimmelt, en meest weggedroogt.
221. De staart van Bileams Esel, met groene franje geboort.
222. De pantoffelen die Elisabeth aan hadde, als sy Maria besogt; seer bequaam om voor Kamermuylen te gebruyken voor de sindelyke Vrouwtjes.
223. Den Hamer en het Aambeelt van Tubalcain, met Elpenbeen ingeleyt; seer dienstig voor een gildebroer van Vulcanus, als hy niet veel te doen heeft.
224. Een achterbout uyt de magere Keuken van Egypten.
225. Een tak van den Boom daar Absalon sich aan verhangen heeft.
226. Het schootsvel dat de Slager voor hadde, doen hy op de wederkomst van de Verloren Zoon het gemeste Kalf slachte.
227. De Sondaagse Kousen van de Rykeman.
228. Het Krulyser van Esau, daar hy sijn hayr meê placht te krullen; seer dienstig voor de Messieurs die wat langwerpig hayr hebben; om het daar meê op te krullen.
[p. 140]
229. Het Liedje dat de Baker van Goliath plach te singen, als sy hem wiegde; op vijf stemmen gebracht door den Muzikant Bernardo Lollio.
230. Een klaauw van St. Hieronymus Leeuw, nevens eenige hayren uyt desselfs knevelbaart.
231. Een uytgedroogde Luys, die in de onderkous des Konings Pharao heeft geseten.
232. ’t Mes daar meê Delila Samson op zijn Frans geschoren heeft.
233. Het Dansboek van Herodes dochter nevens een beschryving van de Capriolen die sy voor haar Vader gedaan heeft.
234. Absalons Poeyer en Pomade doosen van Sakkerdanen hout gemaakt, en met cierlijk beeldwerk ingeleyt.
235. Ismaëls Jachtkleed en Swijnspriet; het kleed is na de mode met een kort lijf en lange schooten van Hasen hayr geweven, en met Harte pooten geborduurt; en de Swijnspriet is van Ebbenhout met silver ingeleyt, en de punt desselven is van fijn Veneets glas.
236. Aärons Smeltkroes, waar mede hy het goude Kalf heeft gegoten.
237. Een kleyn Tractaatje met Hebreeuwse [p. 141] Letteren, handelende van ’t gedult in den Huywelyken staat, door Urias beschreven doen hem de Hoorns opgeset wierden.
238. De rekening van den onrechtvaerdigen Rentmeester, nevens de balans desselven, tot waarschouwinge der fyne broederen in ’t licht gegeven.
239. De Zadel des Paerts, daar op Mordechai door de straten der Stad heeft omgereden, ’t welk op een bysondere manier gestikt is, doch is al vry wat wormstekig.
240. Een steen met de strik die St. Macarius om sijn hooft heeft gehangen, als hy de vaak verdryven wilde.
241. Een doosje vol Mouches of swarte Plaestertjes, die Isabel gebruykte als sy haar optooyde.
242. Adoni-Beseks fleuyt daar op hy gespeelt heeft, na dat hem beyde de duymen waren afgehouwen.
243. Het Complimenteerboek van Holophernes, waarin alle sijn verliefde suchten naar het leven in koper afgebeelt zijn.
244. De Truweel, daar mede Nimrod de eerste steen aan den Babylonise Toorn geleyt heeft, nevens een gedeelte van deselve steen.
[p. 142]
245. Het Kakebeen daar Caïn sijn broeder Abel meê doodsloeg, als hy kakte.
246. Een authentijcque Missive, geschreven door den Pasteybakker van Siam, aan sijne groote Papa, de eerste Klerk van de Secretaris van Boksmeer, in onbekende Characters geschreven; doch na dat’er een Blindeman sijn oogen op versleten heeft, door den selven getranslateert, luydende van woorde te woorde als volgt:
Groot Papa,
HIer nevens gaat een Entje van ’t vel van een Worst, lang 187 ? El Brabants; de Worst is in sijn geheel lang geweest 589 ? Ellen. Noch gaat hier nevens ’t model van een Brood, ’t geen 20 voeten breed, en 8 voet hoog was, zijnde vermits de grootte in twee Ovens gebakken. Dit kleyne Worsje is onlangs van 99. Koningsbergse Doodslagers knechts in een Proceßie alhier omgedragen, die om de deftigheyt yder 3 of 4 slagen om den hals hadden, sy sagen’er doen soo glad uyt, als een Kaarssemakers Kat, die eens gints ende weêr in ’t vet gestoken is; maar wat swarigheyt (sey de meyt) spelen met het Endtje Worst is wel een bilslag [p. 143] waard, soo dunkt my ook altijd sey Maas; ik voor mijn, ik stak er liever een vosje van de worst in mijn Corpus Juris, als soo een end viermaal om den hals geslagen, maar wat sal men seggen, elk leefd op sijn manier (sey Jan Claasse) en hy scheet in een Noteschulpje, en sijn lieve Saartje Jans in een Visnetje, dat 380 Jaren, 11 Maanden, ende den laatsten dag van February, als ’t een Schrikkeljaar is, net, verjaarde: om de overtreffelijkheyt is dese Worst uytgeschilderd door de Meestersknecht van Apelles Zoons Zoon, en daarom te meer om dat eene Laplander dese Worst behalven het vel geheel opvrat (op sijn gemanierst gesproken sey de man, en hy belaste sijn kinderen haar strontkaauwer toe te houden) behalven dese Worst at hy het voorsz heele Brood noch op, met 37 ? maatje Mostaart; en dronk daar op toe anderhalve Ton Roggestekers van Waarts Bier, en doen kon men noch naauwelijks aan hem sien, dat hy eens gegeten of gedronken had: ik voor my sey onse Cousijn Lubbert Lubbertsz de Gareklopper, wouw sulken Weeshuys van 999 ? Kinderen voor geen hondert gulden en een penning ’s jaars onderhouwen, want sy soude de ooren van mijn gat (ik wil seggen kop) af eeten: en maken daar en boven noch dat ik debet, debet, debet met [p. 144] de Noorder Zon na Vliegejanen souw moeten vertrekken, leggende by stad Vuylenburg, en by de Vaart, een uurtje van het Vorstelijk en Keyserlyke Paus Jutfaas;
Jam ad rem, dicebat Aristotelem,
Als hy nu te weten, namentlijk, sçavoir, nempe, desen breur van een Laplandse Knevel dit ontbytje, als voren gesegt hebbe, gedaan had, wierd hy ter dier oorsake na meriten in Proceßie omgevoerd. Zullende het u mijn lieve Groote Papaatje [hoop ik] niet vervelen, dat ik de geheele Proceßie beschrijf, doch soo het U E. niet gevald, soo lang te lesen, soo wilt desen maar in dorso endorsseren, en vervolgens met protest na Portugaal senden. Om dan wederom tot saak te komen, soo gelieft te weten de navolgende ordre van de Proceßie.
1. Vooraf ging den opper Broodsnyer van Calicuth, met 1200. Weesjongens uyt den berg Aetna.
2. Duysend Mammelukken met lange ooren die tot de grond hingen, en trokken tot hun vermaak elk een Boom met haar Ooren uyt de grond, en smetense [p. 145] soo hoog, datse in het Platonise Jaar eerst weêr op de Aarde sullen nedervallen.
3. Acht honderd Kaboutermannetjes, sijnde 1 ? voet groot, yder hoofd voor hoofd, met haar bloote gatje, die niet dan stukjes silver scheten voor de omstanders om haar te vermaken.
4. Twaalf honderd Indianen die maar eene voet hadden, en hem [namentlijk den voorsz Worstvreter] veel eerbewysingen met haar voet deden.
5. Seven honderd vijf en tachtig Noormannen met roo Baarden, paar aan paar, die half groen en half geel waren.
6. Drie en negentig kleyne Mannetjes van 16. ellen hoog, die tot vermaak van den voorsz Laplander alle gragten maar over stapten, volgens haar gewoonte in sulken gevalle.
7. De Loots van Middelburg op Buyksloot, sittende in een geconfyte suykerde Kompas.
8. De Postiljon van den Aartsbisschop van Krooswijk, rydende op een Platluys.
9. De Kamerdienaar van den Mufti van Charlois, wordende sijn klederen ge- [p. 146] veegt door sijn confrater met een Kleêrbostel sonder hayr.
10. De Sluyswachter van ’t Diemermeer, sittende in een holle bak, etende graauwe Erten met lang nat, en word voortgetrokken door twee Appelgraauwe Westfaalse Konynen.
11. De Laplander, die de voorsz Worst opgegeten heeft, sittende op de knop van een Rotting, die gedragen word door de eerste Schoolmeester van de Hottentotten: doende immiddels een cierlyke Oratie, tot lof van den voorsz worstige Laplander.
12. Drie duysend negen honderd negen en negentig Lamme, Kreupele, en Blinden die harder liepen dan andere menschen om de Processie van den voorseyden Worstknapper te sien.
Na dat de Proceßie gedaan was [groote Papaatje] kreeg yder twee nieten in een boomloos Mandje, en een Scheet in een Netje, nevens Vin de Rottingoly, en Vin de vuyst onder de Neus in overvloed, zoo dat sy door de overvloed van de vereeringe, die haar toegedeeld wierden, liepen als iemant die by fatsoenelyke luyden in sijn broek van achteren Kandeel met brokken heeft laten vallen.
[p. 147]
Hier mede eyndigende, blyve inmiddels na offerte van mijn Donderdaagse Dienst,
Groote Papa,
Siam den 32. February des jaars dat’er meer Worsten als Beulingen zijn.
U E. lieve Cousijn,
Antonio Bakkero di Braatspittio.
P. S. Soo op het sluyten deser komt’er een Westfaals Konijn te post aanloopen van Boksdehoe, met tyding, dat den Kancelier van deselve plaats een groote val heeft gedaan, namentlijk van de Kelder boven op de Vliering, hebbende sich ten allen ongelukken een weynig beseert, alsoo sijn hoofd net aan drie stukken is geborsten. Doch hy is door ’t Purgeren, en driemaal Aderlaten wederom tot sijn volkome gesondheyt hersteld, maar hy kan niet meer sien, voelen, of hooren, alsoo sijn gesicht gesloten, sijn gevoel verdwenen, en sijn Ooren verstopt zijn; nochtans siet hy al wat hy wil, hy voeld als men hem aan sijn middelste Teen kitteld, en hy hoord alles, als men niet veel goed van hem spreekt; daar gaan noch [p. 148] dagelijks drie Doctoren, ses Apothekers, en een snees Chirurgijn, over hem, om soo draa mogelijk is, hem van kant te helpen.
Vale.
247. ’t Pourtrait van de Glasemaker van de hooge en lage Swaluwe, zijnde seer curicus gesneden op een Kristallyne Bocaal; welke op een tijd, door de nieuwsgierigheyt, te dicht onder de troupen van een exercerent Regiment sich had gevoegt, door een Kogel, die by abuys op een Snaphaan was geraakt, soodanig wiert in de borst gequetst, dat hem aanstonts de Ziel met den Adem te gelijk ontvloog. Had hy dat tochtgat tydig konnen stoppen met een tuurglaasje na de konst, sou hy in staat geweest zijn, om de pneumatique beweginge na het leven te vertoonen, op een prik, tot groot genoegen van de hedendaagse Natuurkundigen.
248. De Koussebanden van St. Emerentia; die sy aan hadde, doen haar Vader op haar verlieft of versot was, doch sy om haar Maagdom te beschutten, las eenige Rosenhoedjes, en kreeg in eenen nacht [p. 149] een langen baard en knevels, soo dat haar Vader, daar door verschrikt, een afkeer nam van sijn boos voornemen; vry was Emerens, en soo haast was sy van haar vaders versoekinge niet bevrijt, of de kin was soo kaal als te voren.
249. ’t Pourtrait na ’t leven van Tiripus, in een Hane Ey gedrukt, welke soodanig een konstenaar was, dat hy alle de Hoender Eijeren van 3 ? jaar oud, in koude Karnemelk uyt kon broeijen, soo dat de kuykens de Karnemelkston uytvlogen, en langs straat liepen.
250. ’t Linker neusgat van St. Antonius, die in sijn leven soo mildadig was, dat de Varkens voor niet schoor, en de borstels aan den armen gaf.
251. ’t Pourtrait van Pieter Messert, op een kaarteblad geschilderd, verbeeldende naturellement schoppen boer; welke in sijn leven de gladste troefkaarten maakte, op dat velen het geld te lichter uyt de beursen souden rollen.
252. Een autentijcque Missive, geschreven door Agamemnon van Grieken, uyt Constantinopolen, aan sijn Cousijn Maternel Paris van Trooijen, zijnde in ’t Grieks leesbaar, [p. 150] ’t welk in Duyts getranslateert zijnde, aldus verstaanbaar is.
Mon Cousyn,
ZEker dolend Ridder, de amoureuse verrukkingen der schielijk verlievende Helden wat onderhevig zijnde, quam onlangs in de Uylevlucht een der kruyssende huysgenoten van Vrouw Venus te gemoet, welkers superlative schoonheyt hem in den duyster zoo bevallig voor quam, dat hy sijn liberteyt in de strikken van haar bekoorlijkheyt verloor: hier door als verrukt, meenden hy op den Oever harer lippen te stranden met een kus, om alsoo de hevigheyt van sijn Minnevlam te blussen; dit Vestaals Nonnetje, gewoon na de kunst het vuur in den Tempel van Paphos aan te vonken, defendeerde, als een half overwonnen, al deynsende haar Eer, tot dat se eyndelijk, door de sterke poursuites van haren galanten vervolger overwonnen, genoodsaakt was, half ademloos onder de verliefde omhelsingen te bukken. Het terreyn dat dese Kampioenen tot dit amoureus gevecht besloegen, was juyst een naauw straatje, op welkers eynd wierd gevonden een diepe put, doch ten dele waterloos, omset [p. 151] met een soort van een staketsel, welkers hooge jaren de exceßive forces, die onsen vaillianten strijer het selve te laste ley, niet konde wederstaan, en gevolgelijk dit betooverd paar malkanderen omarmende, de diepte van dese fatale kuyl deed peylen, hol over bol; hier door kunt gy, Cousijntje Neef, wel begrypen, dat de brand, welke onsen verliefden Minnaar om het hert was geslagen, geweldig verkoelde, en gevolgelijk om hulp, die hy anders niet van nooden had, deed roepen. Door bystant van goe luy dan eyndelijk geholpen, geraakte dit geattrapeerde paar, op een wonderlyke manier toegetakeld, ter water spelonk uyt, swerende van goeder herten, sich niet weder in een donkere nacht op de broosheyt van een vermolsemt hek te betrouwen.
Afbrekende, blyve, na detractie van mijn Sondaagse Dienst,

Cousyn,
Constantinopelen den 32. dag van de Maand Venus, des jaars dat het Ponjarderen lustig in swang gaat, soo als in myne Missive te sien is.
UE. Onderdanige
AGAMEMNON van GRIEKEN.
Valeto tu.
[p. 152]
253. Den Oorlog der Jansenisten en Jesuiten om de Hel te vermeerderen.
254. Copye Authentijcq van sekere Missive geschreven door den Kancelier van Puntogale aan de Gravin van Barataria, luydende deselve Missive als volgt:
Mevrouw,
DE Pionniers van U E. machtige aanlokselen, hebben soodanig de muuren van mijn vryheyt ondergraven, dat ter neder stortende, de arme bedrukte van mijn begeertens sich komen overgeven aan den Veldheer van uw bescheydentheyt. Maakt dan: bid ik u, dat de Komedianten van uw mededogen, door de klucht van eenige aangename gunst, de Toesienders van myne getrouwe genegentheyt verheugen, andersints sal de besetenheyt van mijn smerten haar toevlucht nemen tot de beswering van een wederzijdse verachting, die den Duyvel van myne Liefde sal verjagen, en honderd duysend mylen diep in de Hel senden, met een eeuwig duurend berouw: aldus de Bootsgesellen van uwe wreedheden schipbreuk lydende, in de Zee van uwe hardnekkigheyt sullen verslonden en verscheurd worden door de Vissen der kennis van [p. 153] mijn in plicht, waar mede afbrekende, blijf den gene, die niet waardig is te kussen de schaduw van de spyker daar u Schoenborstel aan hangt.
Mevrouw,
U E. Minnaar,
Petrus Porcus.
255. De Geest van Achates, wordende bewaard in een Karstanjepan; den selven is den eersten uytvinder en fabriqueur van de Tonteldoosjes geweest; als mede van het vuur uyt de steenen te slaan; ’t welk jegenwoordig door de Heeren Huysluyden als noch word gepractiseert, ende in viridi observantiâ is.
256. Een holle Kies van Sr. Aesculapius; den selven is de eerste uytvinder geweest, om een Kies of Tant met behendigheyt, by forme van een Galanterye, uyt te trekken.
257. ’t Pourtrait na ’t leven van de Heer Alleman, zijnde de eerste Poëet in de weerelt geweest; wordende den selven door syne fyne en geestige uytvindingen in de Poëesye van alle Beminnaars dier studie, [p. 154] ten hoogsten gepresen: hy is den Auteur en Componist geweest van de navolgende bekende Airtjes en Chacones:
Wel goelijk Meysje, &c.
Sy seggen dat Spanje te Rotterdam leyt, &c. Lestmaal in ’t krieken van den dage, &c.
Daar was een Vrouw, die koeken bakken sou, &c.
Mynen Man is na Parijs, &c.
Blaauw garen met een witte Twijn, &c.

alle welks Amoureuse en niet min prijswaerdige Gesangen, niet genoeg na meriten konnen gepresen worden.
258. Een Missive geschreven door een Bedelaar van Bagdad, aan den Kassier van de Wisselbank tot Poepelaroe; luydende als volgd,
Myn Heer,
HEt is noodig, dat ik U E. segge wat mijn siekte is, mogelijk dat gy my eenig middel sult geven, ’t geen my sal konnen herstellen: ik ben ontsilvert als een ouwe Dorpkelk, een siekte die jegenwoordig seer in swang gaat, waar mede de Almanakken ons alle jaar dreygen. lk addressere my aan u als aan een Goud- [p. 155] smit, die ik voor een van mijn beste vrienden houw. Ik belove my sooveel van u vriendschap dat gy my de Mercurius van uw Beurs sult leenen, en ik sal ’t u met den eersten weder geven, al moest ik mijn Kalbas te pant setten; de hooggestamde grootheden, en haar waterachtige hoogheden sijn kleyn ten mynen opsicht geworden. Ik heb dese nacht gedroomt dat de bark van eerbaarheyt vergaan was, en dat de Vissen van gretigheyt de Schipluyden van mijn hoop hadden verslonden. Gy weet wel dat ik ben,
Myn Heer,
U seer genegen Dienaar,
d’Argent Court.
259. De Geest van Alexander Citherius; werdende seer sorgvuldig bewaart in een tinne Santlooper; den selven is de eerste leermeester geweest om op de Psalter met snaren te spelen; dewijl men voor sijn tijd op deselve sonder snaren placht te spelen.
260. ’t Pourtrait na ’t leven van den geestigen Amphitrion; den selven is de eerste Droomuytlegger onder de Heydenen geweest.
[p. 156]
261. Een curieuse Blaasbalg, gemaakt door de eyge handen van Anacharsis, den eersten uytvinder van deselve, zijnde een geruymen tijd gebruykt geweest in de Smitswinkel van Vulcanus, doen hy de wapenen van Achilles, ende den Blixem van Jupiter smeede, door den tijd eenigsints schadeloos geworden, doch wederom met nieuw Leer overtrokken wordende, soude het selve noch konnen gebruykt worden in het doen van de Proef door een descendent of Gildebroeder van Vulcanus,
dewijl deselve, om sijn Antiquiteyt, te fraay sou zijn, om dagelijks gebruykt te worden.
262. Een Missive, geschreven met de linkerhand sonder vingers van den Waywode van Plugsky, aan de Hertoginne van Nergenshuysen, luydende als volgt:
Mejuffer,
INdien de Pastybakkers van u tegenwoordigheyt, Taarten en Eyerkoeken verschaft hebben, voor de goede gesellen van onse visites; soo gelooft dat de Gerechtsdienaars van u afwesen, een schrikkelyke ravagie hebben gemaakt [p. 157] onder de arme debiteurs van onse gedachten, door het aantasten en wegvoeren van al den huysraad van ons vergenoegen, maar soo de Lantaren van u wederkomst om liet weder sien de oogenblikken van uwe Schoonheden, soo sou de arme quynende van ons verdriet, weder genesing vinden in ’t bad van dit geluk, of wel soo het u aangenaam was, dat den Vassal van onse plicht sich dorst vertoonen aan den Heer van u verblijf, om aldaar op te offeren het vette Schaap van onse dienst, soo en sou het kleyne kind van onse affectie de Mos van onse hoop niet verliesen. Versekert ons dan door de portier van uwe goedaardigheyt, dat den Hofmeester van uw medelyden voor aangenaam sal houden, dat de Passanten van mijn wenschen, voor aan het Paleys van uwe uytnemende schoonheden beschouwen en contempleren. Waar op my verlatende, blyve, na insinuatie van mijn goede gratie,

        MEJUFFER,

                U E: geaffecteerden Dienaar,

                        Joannes Kulksky Waiwode
                                  van Plugsky.

[p. 158]
P. S. De speciale groetenis van de Kulketrekker van mijn genegentheyt, aan de Boutelje van je volmaaktheyt.
263. ’t Geraamte van Anagillis; zijnde geweest een jonge dochter, die het spelen met den Bal eerst uytgevonden heeft.
264. Een curieus Tractaatje, behelsende het gebruyk en de nuttigheyt der Schaduwen, in vers beschreven door Georgius Umbra.
265. Een Missive gechreven in ’t Jutfaas door den Majoor van Negapatnam, aan de Drostin van Buyksloot, en in ’t Nederduyts getranslateert door de Stads Schoolmeester van Kudelstaart, luydende als volgt:

        MEJUFFER,

MOet het dan zijn, dat de Harderin van uwe wreedheyt al de Schapen van mijn hoop scheerd, en dat den Ossendryrver van u versmading geduuriglijk de Ossen van mijn genegentheyt prikkeld. My dunkt dat de Stalmeester van uw gestrengheyt, het paard van mijn diensten genoeg heeft getormenteerd. De boetvaerdige van uwe hardnekkigheyt behoorden sich te tuchtigen met de Geessel van berouw, dewijl de Jager van mijn beloften naar geen ander [p. 159] Wild als van bestendigheyt schiet. En alhoewel de groote Vader Jupijn van uw weygering, den vermeten Phaëton van mijn lyden sou hebben geblixemt; soo sal de God Apollo van mijn Liefde niet nalaten de Lauwrier van uwe gedachten te omhelsen. Aldus sal de Scholier van mijn volharding, gekastijd door de Meester van uwe gramschap, altoos de Plak van sijn smert beminnen. Blyve

        MEJUFFER,

                        U E. genege Dienaar,

                                        Georgius Stavastius.

266. De rechter vinger van de voorste hand van St. Annus den Aegyptenaar, leggende gebalsemt in een Saucysebroodje: den selven Sinjoor is geweest de Grootvader maternel van dien bakkerachtigen Bakker van Pharo ende heeft eerst uytgevonden het gebruyk der Ovens om brood te bakken; voor desen plachtense het brood in de maneschijn te bakken.
267. De tong van wylen Architas, leggende gebalsemt in een kinder trommeltje; den [p. 160] selven is in sijn Ed: leven geweest Wijnwaker generaal tot Lacedemonien; hy heeft eerst uytgevonden de nuttigheyt en gebruyk van den Ratel.
268. De nieren van Aristeus, leggende gebalsemt in een knikkersakje; den selven heeft de Boerinnen aldereerst de stremsel van de melk leeren maken.
269. ’t Geraamte van de Heer Artemon Clazomenus, zijnde seer curieus en in sijn geheel, uytgesondert dat’er noch eenige ribbens en schinkels manqueren: den selven heeft, op de jacht zijnde, de eerste Schilpad gevangen, waar van hy te Krinkekesmes een curieuse Tabaksdoos liet maken; wordende deselve doos seer hoog gewardeert, als zijnde over eenige jaren gekomen uyt de Raryteytkamer van den Professor van Kormandel.
270. De linker voet van ’t rechter been van Sr. Atracius, leggende gebalsemt in een Kokusnoot sonder bast; den selven heeft in Tracien de eerste geweest, die aldaar de Tooverkonst geleert, en gepractiseert heeft, doende sijn proef met het navolgende staaltje, te weten; hy quam op een Vrydag ochtent, de klokke [p. 161] ontrent 7 uuren (sonder echter in den precisen tijd behaalt te willen zijn, in presentie van een groote menigte nieuwsgierige gekken, voor een zekere Rivier, vulgo een slootje, en na dat hy omtrent drie quartieruurs in een boek sonder bladeren wat vreemde Caracters gelesen en geprevelt had, marcheerde hy seer stoutelijk daar door tot aan sijn keel toe, sonder sijn kuyten nat te maken, ’t welk hy van yder mensch seer naauwkeurig liet examineren, doch hoe de menschen sagen of sochten, sy bevonden eyndelijk dat hy geen kuyten hadde; waar door den voornoemden Tooverbaas, een groote krak in sijn functie kreeg.
271. Een Missive geschreven sonder pen door den Agent van Mas Anjello, aan de jongste dochter van den grooten Kaymakam, luydende als volgt:
Mejuffer,
IK sou my vrywilliglijk met de Falie van vergetenheyt bedekken tegens den regen van u gestrengheyt, soo ik geloofde dat het Paerd van myne hoop sich niet t’eeniger tijd sou op- [p. 162] vullen met het Hooy van uw medelyden, want wat sou het baten aan de Lacquay van mijn gebeden soo lang aan de deur van verachting te kloppen, soo de Kamenier van u mededogen hem eyndelijk niet gaf de intrede van uwe goede gunst? De Flambeau van sijn volstandigheyt sou uytdooven, en ’t sou ook al te lang in ’t slijk van geduld gewenteld zijn. Byaldien gy dan begeert dat de Metselaar van mijn liefde het gebouw van uw plaisier witt met de Witquast van sijn genegentheyt, soo opent voor hem de deur van de Kamer uwer volmaaktheyt, op dat hy’er verkryge den loon van sijn smerten, ’t welk doende soo sal de doos van uw en raakt me daar niet al den Balsem van mijn verliefde begeerte kunnen bevatten: maar soo in tegendeel de Vleermuys van mijn pretentie, willende knabbelen het Spek van uwe beloften, is ter neder geworpen door den Besem van uwe listigheyt, om se te doen eeten door de Kat van achterdocht, soo en sult gy geen Slootmaker van goede wil meer vinden, om het Slot van u genoegen op te steken; maar eer sal de Stuurman van de volstandigheyt het oor van sijn verwachting stoppen voor de Syrenen van u veynsing. Aldus sal den Hond van u valsch gestreel, pogende den Haas van myne jonkheyt op te snap- [p. 163] pen en te verscheuren, sich wel haast gequetst sien door het schrikkelyk wild Swijn van mijn berouw, en mijn genegentheyt vervolgens begraven worden in het graf van u vergetelheyt. Waar mede eyndigende, blyve, na U E. en desselfs Petemeuy gesondheyt toegewenscht te hebben,
Mejuffer,
U E. getrouwe verliefde Dienaar.
Ritsardo Veuglie.
272. ’t Pourtrait na ’t leven van Boëtius, seer curieus geschildert geweest zijnde, doch door een Gildebroeder van Apelles, by ongeluk dronken zijnde, leelijk beklad: en door de alvernielende tijd met eenige sweetgaatjes of pori vereert, waar door deselve Schildery soodanig gesweet heeft, dat het voorsz pourtrait naauwelijks meer te bekennen is. Den voornoemden Boëtius is den eersten uytvinder geweest om met de naalde te naaijen, dewijl se voor die tijd het selve met haar knoesten deden.
[p. 164]
273. De rechter hand van Cadmus, hebbende gestaan aan desselfs linker arm, leggende gebalsemt in een Braadpan, die men ordinaris in de Stilletjes gebruykt; denselven is de eerste geweest die de goudmynen onder de Secreten heeft ontdekt, en daar van eerst professie heeft gedaan, om het selve te frequenteren.
274. Het Pourtrait van Combe, een jonge Dochter, zijnde geweest de dochter van Aesopus; deselve heeft eerst gevonden de wapenen van den Lieutenant generaal Milord Aeneas, tussen Trooijen, en Buyksloot in een wey, ten tyde als sy uyt melken sou gaan, op zekeren ochtent de klokke circum circa half negen uuren.
275. Een kristallijn Flesje, gevult door den Chimist van Carthago, met wat Extract van Leuyheyt heel subtiel over gehaald, om na de maaltijd met wat Spiritus Inopia te gebruyken.
276. Een Hansjovis Tonnetje van Hoofse Kool, met quintessence van leugen ingelegt, zijnde een lekker kosje.
277. ’t Geraamte van een Boer uyt het vermaarde Dorp Jemini, leggende in het midden van de Zantzee; welke Boer sich in [p. 165] sijn leven, in ’t velt zijnde, aan een wrijfpaal vast bond, om niet in het passeren van een mooije Herderin tot amoureuse buytensporigheden te vervallen.
278. De Treeft van Vulcanus daar hy’s nachts een potje Kaarnemelk placht op te koken.
279. Eenige Lampen, gekomen uyt het Koningrijk van Pluto; daar de verdoemde Zielen genoodsaakt waren het fijn Linnen voor Proserpina by te spinnen.
280. Een Missive geschreven door den Toornwachter van de Piek van Kanarien, aan de Veldmaarschalk van Winjewanje, luydende als volgt:
Myn Heer,
WAarom ben ik soo gelukkig niet als gy, Arm van Mars, om alle uuren van den dag die gene te sien, die mijn Liefde sadelt, en mijn begeerte betoomt; ik sou haar bidden om mijn Klepper te gorden, en hem met losse toom te laten loopen in het Veld van hare geheyme gedachten; mogelijk dat mijn importuniteyt my eenige rust sou toebrengen: Ha! wat sou ’t my dan goed doen te hippelen en kromme sprongen te maken, ’t is seker dat ik vijf hon- [p. 166] derd Courbettes voor mijn Schoone sou doen, en een half dozijn loopen tot haar genoegen: maar zy doet my de spitsgarde van haar wreedheyt soodanig gevoelen, dat ik mogelijk in ’t midden van mijn loop sal struykelen, met gevaar van den hals van mijn stantvastigheyt te breken: ’t welk my in soodanige bedêestheyt houd van te besluyten dat ik niet meer ben de myne, maar uwe
Genege Dienaar,
Gio Toetio.
281. De staart van zekere Visch, die aan Phacetis, de dochter van Venus, toen se in de plompert raakte, een trouwe daad bewesen heeft; te weten, met haar tussen de beenen te schieten, en alsoo, door haar soo al swemmende te torssen, behouden aan land te brengen.
282. ’t Geraamte van Ennius, dewelke in sijn leven op den Aventijnsen berg, als een Kluysenaar met een meyt alleen huys hield, daar de potteboeven seyden, dat hy’er in platheyt meê popte, om dat sy de tang eens in de meyts bed gelegt hebbende, [p. 167] deselve over de vier maanden ’t soek bleef, niet tegenstaande d’er maar twee bedden in sijn heele huys waren, ook dat hy dit gebrek had, dat sijn gedachten niet vluch waren, ten zy hy den bobbel binnen had.
283. ’t Geraamte van een Boer, dewelke in sijn leven een considerabel expedient heeft uytgevonden, namentlijk, dat als wanneer iemant ten onrechte gegeesselt was, alsdan den te onrecht gequispelde Patient weer ontgeesselen wilde, met de slagen door den Beul weer links te doen afnenen, die ’er rechts op geleyt waren, gelijk men de banden, waar mede iemant gebonden is, weder ontbint; doch ’t selve word voor als noch niet gepractiseert.
284. ’t Pourtrait na ’t leven van een zekere Gierigaart, uyt menage op een Naarswis gedrukt; den selven was op een zekere tijd uyt enkele gierigheyt, om dat alles soo duur was, seer schielijk overleden. Hy verstont sich ontrent de Negotie van swavelstokken de regel van drien in ’t gebroken. De Algebra, om te weten hoe veel Schuursant de meyt tot een tinne lepel van doen had, kon hy op een prik; hy dorst niet spoegen uyt sijn mont, uyt [p. 168] vrees, dat hy’er te veel by verliesen sou. De Inkt, om dat’er meenig uyt sijn goed meê geset word, hield hy in een wonderlyke achting, couperende niet alleen in sijn schrift alle overtollige letters, maar schryvende selfs altoos per abbreviatuur. Sijn Zoon sou hy haast als een goedverquister in een Beterhuys geset hebben, omdat hy eens onvoorsiens in sijn schryven een ; semicolon had gebruykt. Van Commata, en puncta bediende hy sich nooyt, om dat hy meende dat men se uyt de sin genoeg kon vinden. ( ) Parentheses in een schrift te plaatsen, hield hy voor een debauche, daar noch eyndelijk de weerelt om vergaan sou. Men segt dat hy door Pluto in de andere weerelt gestelt is, om de Atomi te klooven.
285. ’t Geraamte van dien considerabelen en Wysen Rekenaar Amphistides, die niet meer als vijf tellen kon; hy wist niet of hy van sijn Vader of van sijn Moeder ter weerelt gebracht was; en die op een tijd dat hy een soentje, die hy onverwacht van een lief Nymphie kreeg, soodanig sat en kreet, dat hy sijn sakken niet alleen, maar ook sijn hoed vol snot en quijl vervulde, net [p. 169] boordetjes vol, sonder dat’er eenig droppeltje van die Capitale excrementen meer in kon.
286. ’t Geraamte van Hortensius, opgeset en geanatomiseert door den Lector Anatomicus van Poepelaroe, in Compagnie van de Stads Chirurgijn van Kudelstaart; welke Hortensius in sijn leven over het afsterven van een Visch in sijn Vyver feestelijk den rouw aannam.
287. Een Missive sonder Letters, geschreven door den Drilmeester van Novazembla, aan de dochter van den Hospodar van Krooswijk, luydende als volgt:

        MEJUFFER,

DE Boogschutters van uwe Schoonheyt hebben den Beursesnyder van mijn Liefde by de kraag gegrepen, en geleyt na het Caches van u discretie, om het Vonnis van sijn myserijf te ontfangen, waar op den Procureur van sijn defentie aanstonts heeft Request gepresenteert aan den Criminelen Rechter van u medelyden, op dat hy reguard geliefde te nemen op de jonkheyt van sijn vemetelheyt: maar hy heeft de sententie van sijn ongeluk gekregen: [p. 170] want de Beul van uw refuys hem doende het wambais van sijn hoop ter neder leggen, en het bindende met de koorden van uwe strafheyt, heeft hem gegeesseld met de roeden van uw gestrengheyt, langs alle de kruysstraten van uwe wreedheyt, en hem doen vertrekken uyt de Stad van uwe gunst, om’er voor eeuwig uyt gebannen te zijn. Blyve,

        MEJUFFER,

                        U E. bedroefde Minnaar,

                                        Giovanni Drillio.
288. ’t Pourtrait van die wyse Gek Achaus, seer curieus door een blinde Schilder met een quast van 7. voet na ’t leven afgemaalt; welke Achaus op een tijd een botteltje vol eau de vie (alias Brandewijn) in plaats van een kussen onder het hoofd slapen ging; doch voelende dat het oorkussen wat onsacht was, likten hy de fles uyt en vulden se weêr met veeren op, om’er des te sachter op te rusten.

EYNDE.

Continue
[
p. 171]

LYSTE

VAN

SPREEK-

WOORDEN,

Op verscheyde voorvallen
toepasselijk.


Door een liefhebber der selve
by een vergaderd.

[Vignet: postiljon te paard]

Gedrukt in de Brouwery van de Weerelt,
in de Drukkery van Kakodemus.




[p. 172: blanco]
[p. 173]

LYSTE

VAN

SPREEK-

WOORDEN.

1. De tweede is soo goed als de eerste (sey de Visser) en hy haalde het tweede Posje aan sijn eerste Wurm op.
2. Die de naam heeft van hoogloopers te gebruyken (sey de valse Speelder) vind moeite om klanten te krygen.
3. Hy staat en kijkt als een Galant, wiens Matres met een ander op de loop is.
4. Tot weersiens (sey de Blinde).
5. Hy speeld met het geld als de Jongens met de Sintels.
6. Het is beter ten halven gekeerd, als ten heelen gedwaalt (sey Jeroen) en hy liep voorby de Kerk in ’t Hoerhuys.
7. Weg gaan we Marcus met de Bokken [p. 174] van Pharo, [sey dronke Joor] en hy ree met de wagen onder escorte van de Schout en Dienders na ’t Beterhuys.
8. De Liefde springt hem in de buyk als de Karpers op onse Solder, [sey Neeltje Lichtebil] en sy wierd wat gefoold.
9. Mijn geld rammeld in mijn sak, [sey kale Geurt] als Noordse Bokkekeutels in een Viltehoed.
10. Sijn Bakkus sweet als die van een Bakker, die op een Musicalen trant warme Bollen blaast.
11. Hy verheft sijn stem, als een Bok die Wormen in sijn Naars heeft [sey Govert Wijsneus] en hy hoorden den Haagsen Omroeper schreeuwen.
12. Ik plag mijn glaasje voor desen wel uyt te drinken [sey Jan Droogkeel] maar nu laat ik’er niet met al in.
13. Hoe menigmaal vergaat ons het gedenken [sey dronke Joost] en hy trok sijn kousen verkeerd aan.
14. Ik verwonder my, dat de weerelt geen Eyeren leyt [sey Jannetje de Eyervrouw] dewijl se soo braaf broeden doet.
15. Wel nou dan [sey de Meyt] en sy dorst geen ja seggen.
[p. 175]
16. Al weer een, al weer een [sey Govert] en hy haalde de Bruyloftsgasten een voor een met het hayr de trappen op.
17. Donnez moy den Emmer [sey Flip] ’t Paert moet drinken.
18. De Wol veegt het vuyl seer net van ’t Linden [sey Jan Drantel]
    En hy bekakte sijn Hemd, en veegde ’t af met sijn Mantel.
19. Daar heb je ’t Herbert [sey Grietje Pente] en sy scheet in haar mans schoot.
20. Dat smaakt [sey den Boer] en hy at het pap sijn kind op.
21. Dat Bijltje ben ik wel half quijt [sey de Jonge] en hy liet het in de Spaanse Zee vallen.
22. Och, och! dat Spek heb ik al weg [sey speulige Lijs] en sy stak een Ham onder haar rokken.
23. Alle goê dingen bestaan in drien [sey Fijtje tegens haar Vryer Teeuwes] en soo je dat niet geven kunt, soo houd hem vry t’huys.
24. Non semper Oleum [sey de Drommel] en hy scheet in de Lamp.
25. Dat gaat’er diep in [sey Joor] en hy stak een naalde in sijn Vrysters Naaldekoker.
[p. 176]
26. Ik heb nooyt smakelyker kost gegeten, [sey de Bestemoer van Jan Tamboer] en sy bikte Frikkedillen en een entje Worst van seven duym.
27. In Vrankrijk heeft de onfeylbaarheyt soo veel te seggen [sey Mazarijn] als een jonge die een half vat t’huys brengt.
28. Nu sal ’er een Konststukje komen, [sey Krispijn] en hy maakte een paar Schoenen sonder soôlen.
29. Eulusius, Eulusius, wat bent gy een koddige Vent [sey Besje Tralibaard] en hy maakte van een Wafelyser een steel van een Pan, ’t geen by haar een Mirakel was, om dat het der Smits Patroon was, die soo een konststuk maakte.
30. St. Goar, St. Goar, jy bent een aardigen* Duyvel, [sey Cousijn Jan van Spanje] jy maakt Spiegels daar men sich met twee gaten van achteren op kan spiegelen, welverstaande als ’er oogen in waren.
31. Wanneer een ding uyt liefde geschied, dan is ’t wel, [sey Jan Paddebaard] en hy bepiste sijn Wijf van bovenen tot onderen.
32. ’t Is geen Kinderspul, als de Oude Luy in ’t Bed kakken [sey lospoortige Joor] en hy scheet al de Lakens vol.
[p. 177]
33. Elk is een Dief in sijn Nering [sey laatst onse geestelyke Waarheyt verkooper] mijn dochter bevind het ook aan jou [sey fyne Gerrit] want se siet je geduurig aan de Sandlooper schudden.
34. Wel de drommel [sey Besje] sy soenen mijn dochter, en laten mijn leggen.
35. Hadden is hadden [sey Kees] ’t alles om sunst:
    Maar hebben is hebben, en krygen is kunst.
36. De Weerelt is om Rapen uyt [sprak Joris Stompvoet] rydende op de staart van een laverende Puyt.
37. Hibilis cum stribilis quiscum roosum, als de hayren geschooren zijn, dan danssen de Luysen op de stoppelen.
38. Mijn Wijf doet altijd wat,
    [sey Kees] sy pulkt in haar Neus, of klouwt’er gat.
39. Noch eens de selfde hand goed [sey Griet,]
    Toen sy in de Hooyberg gesoend wierd van Piet.
40. De Lotery is een Hoere neering [sey Jan de Bander,]
    Dat men in den eene wint, verliest men in den ander.
[p. 178]
41. Dat zijn [sey de Vygeman] schoone ongeschrapte Peênen,
    En hy stak’er een in een papiertje, en ging’er meê henen.
42. Ongelukken zijn qua kanssen,
    [sey Frederik] die op ’t Bed een Capriool sou danssen,
    Want wijl hy deed de sprong, soo stiet hy ’t hooft, en voer
    Met dese Capriool van ’t Bed af na de vloer.
43. Die winnen wil, die moet wagen [sey Tijl] en hy vocht met Saartje om een Soen, &c.
44. O jeetje daer komt het al weêr, [sey Jantje vander Steen,]
    En hy stak ’s nachts in den droom sijn kleyn Jantje door ’t gat van de bedplank heen.
45. De Duyvel mach het Slot bewaren [sey van Schagen,]
Waar van dat alle man de sleutel komt te dragen.
46. Wachtje voor de geen die van de natuur geteykent zijn [sey Willem Spek,]
    En hy sach selver scheel, had kromme beenen, en een scheven Bek.
47. Trek ik een groote prijs [sey Jantje vander Lit,]
[p. 179]
    Dan steek ik door de vreugd mijn Wijf te nacht aan ’t spit.
48. Het is een grooten Beest [sey Koen] als Plato seyd,
    Wie dat geen Vrouwen mind, al was ’t een Boere Meyd.
49. Alles heeft sijn insicht [sey den Boer] en hy keek in sijn Muts.
50. Elk leeft op sijn manier, [sey Jan Klaasz] en hy scheet in een Noteschulpje, en sijn lieve Saartje Jans in een Visnetje.
51. Daar leyt de stront [sey de Koster] en hy scheet in de Kerk.
52. Dat sal mijn gemakkelijk vallen [sey Koen Eenoog,] als ik sterf heb ik ’er maar een te sluyten.
53. Ik heb een vroom Man [sey Lijsje de Nachtloopster,] mijn Man timmerd aan de Kerk.
54. ’t Is onmogelijk dat Vlooijen en Luysen konnen sterven [sey Jochem den Bedelaar] en hy klouwde sijn kop.
55. Och wat sijn’er slappe dingen in de Weerelt [sey Grietje de Waster] en sy had een natte Vaatdoek in haar handen.
56. Het kan altijd niet even stijf wesen, [sey Goosse de Varkeslager] en hy blies een Blaas op daar een gat in was.
[p. 180]
57. Dat is je wat netter Truy Knops, als een Vloô in je kous, [sey Harmen Driebal] en hy caresseerde haar, dat sy naderhand in tween viel.
58. Dat’s een valsche treê [sey Krijn] en hy trapte met sijn eene Voet in de Kaauwjyse.
59. Ik sal mijn voegen na ’t valt [sey Besje Knevelbaart, varende met een Schuytje onder een Brugge] en sy sag warme darmkruypers uyt een bakkus sonder Neus hangen.
60. Waar kan de Mot niet al in komen! [sey Joris Janse] en hy vond een Modieuse Paruyk, die in 99. jaren niet gedragen was.
61. ’t Scheelt jou daar niet [sey Besje tegen haar Man] en sy sag hem in sijn Neus peuteren.
62. Ey kijk! kijk! die springt sonder Pols [sey Saartje de Breyster] en sy sag een VIoô in haar Hemd een kapriool maken.
63. Dat’s een schoone vangst [sey Lijs Smoddermuyls] en sy vong 29. Luysen in eene greep.
64. Doet de deur toe, past wel op [sey Besje tegen haar jongen] en sy gong op de Vloô vangst.
65. De Drommel is in de kan [sey Evert] en hy had hem leeg gesopen.
[p. 181]
66. Dat’s een achtenveertig Ponder [sey Jan Rommelwint] en hy liet’er een vliegen dat het heele Secreet dreunde.
67. Wat is het ruyg in dat gat [sey Blinde Neel] en sy voelde in een Schoorsteen die in geen 39. jaren geveegt was.
68. Dat lijkt wel na de Brand van Trooijen, [sey de Man,]
    En hy brande 87. Vlooijen in Karstanjepan.
69. Wat is dat ding smerig [sey Grietje Vijsneus] en sy had een eukebrandertje in’er hand.
70. In de noot grijpt men soo wel na een stront als na een Puthaak [sey Dries] en hy lag in ’t water.
71. Dat ik niet lachte [sey Drollige Koert] ik sou vreesen dat de Lever in mijn Lijf vast sou groeijen.
72. Wat kan je beter hebben [sey Jantje sonder Sin,]
    Als lekkere Suyvel, en een mooije Boerin.
73. Och lieve schepper [sey mooije Neel tegen Fop,]
    En hy lichte haar Hemd met een Potlepel op.
74. Geen grooter vreugde op aard [sey Jantje vander Buys;]
    Als ’s middags lekkere kost, en ’s avonts dronken t’huys.
[p. 182]
75. Wat fataalder douw is dat, [sey Joor] en hy kreeg een Brandmerk.
76. Wat dunkje van die Tabak [sey Goelyke Lijs tegen Flip] en sy had hem eens laten stoppen.
77. Och my, sie daar, hy leyt op sijn uytterste, [sey de meyd] en sy sag een Botertonnetje dat ten naastenby leeg was.
78. Schik confrater [sey de Gaaudief] ik moet ’er meê hangen.
79. Die sulke dingen doen, die raken in ’t gat [sey de meyd] en sy sag een man in een Alikruyk peuteren.
80. Hoe laat is ’t [sey Grootje tegens Joris vander Peer,]
    ’t Is ses uuren Besje, [sey hy] want de Wyser hangt op en neer.
81. Is de Tabak goed? [vroeg de Man,]
Sou se niet goed wesen [sey Besje] ik rook’er selfs van.
82. Drink hartig [sey Neeltje tegen haar Man,]
En sy gaf hem de lege kan.
83. Nou schol ik au opfressen, [sey de Mof] en hy vrat een Kikvors voor een Engelse Bokkem op.
84. Wat is die Kurk swaar, [sey de Mof] en hy wou een stuk Loot van 250. ponden opnemen, en laten het eens dryven.
[p. 183]
85. Hoe maak jy sulke aardige postuuren, [sey de Beul tegen een gaaudief] en hy geesselde hem lustig.
86. Wat hoor ik voor gedreun [sey Joris tegen sijn Peet,]
    Ontstelje niet [sey sy] ’t is maar een enkele scheet.
87. Ik gaa na de ouwe Wet, [sey Meeuwes de Quaker] en hy had kort hayr en lange ooren.
88. Mijn geest getuygt sulks [sey Jeremias de Quaker,]
    En hy ontbood sijn Wijf voor den Vredemaker.
89. Je bent beest [sey Joortje tegen Jantje vander Lens,]
    Dat’s waar [sey hy] voor vijf deuyten ben ik weêr een mensch.
90. Wat softer beet is dat, [sey Barber de Moffin,]
    Sy beet in een heet Wittebrood, met een Saucijs daar in.
91. Ey aanschouwt [sey Jeroen] dat is wat raars,
    En hy peuterde de Kat de Veren uyt de Naars.
92. Jeroen, Jeroen, [sey Trijn] jy bent een aardig gasje,
[p. 184]
    Jy schilderd mijn Paneel, seer aardig, sonder quasje.
93. Wat zijn dat wonderlyke Knollen,
    [sey Jochem] en hy sag ronde drollen.
94. Ik wensch je continuatie van gesondheyt [sey Jan vander Knaap]
    En hy nam sijn afscheyt van sijn Buurmans Aap.
95. Compeer, ik ben hier in een schoone vergadering [sey Jan Drillebils] en hy sat by 12. Hoorndragers.
96. Die ’t lang heeft die laat het lang hangen, [sey Henrikus Jansz Pikkius] en hy had een spar van seventig voeten in sijn gat.
97. Wat drommels plokhayren is dat, [sey Goosen] en hy sag sijn buurman met sijn Wijf worstelen.
98. ô Naakte bolletje [sey de Vrouw] en sy sag dat haar Mans hoofd kaal geschoren was.
99. Nood breekt wet, [sey Niesje] daarom moet ik mijn Man een Kornetmuts opsetten.
100. Daar sit niet veel gras op de wey, [sey Teeuw den Boer] en hy sag een Luys op een kale kop grasen.
101. Mundus vult decipi, [sey de Quakzalver op het Theater]
[p. 185]
    En hy verkogt de luy Krotesop, in plaats van Oogwater.
102. Daar is geen vermakelyker brand, [sey Pieter] als nat Hout en bevrore Turf, want het Hout singt, en de Turf luystert’er na.
103. ’t Is met Knollen goed reysen, [sey Flip] want sy zijn gaauw voor de poort.
104. Wat doe je met soo een lang ding in je broek, [sey Lijsje tegen haar Vrijer] en se sag een witte Peên uyt sijn sak steken.
105. ’t Is een sobere staat [sey de Menist] en hy sag hoe dat de Soldaten in ’t Leger leefden.
106. Dat’s een drol met Falbolâs [sey lospoortige Geurt] en hy scheet een gekronkelde Worm.
107. Dat’s de rechte Puytaal, [sey Marijtje] en sy had haar man by sijn middelste Vinger.
108. Daar kom je wel kaal af [sey de Vrouw tegen haar Man] en hy quam van den Barbier.
109. Hartje lief wat word je vet, [sey Lijsje tegen haar Man Fobert] jy krijgt beenen als Swavelstokken.
110. Dekse, dekse, [sey de Man tegen sijn Vrouw] wel waarom sou ik se dekken [sey se] ik heb se niet gestolen, en sy sat met de rokken op haar knien.
[p. 186]
111. Ik ben van de wijs, [sey Lijs] en sy riep Krentedingetjes, in plaats van Olykoeken.
112. Luystert na ’t geheym [sey drollige Piet] en hy liet’er een vliegen, die van klink was.
113. Ik ga eens sien of mijn familie slaapt, [sey Jorden den Boer] en hy keek in ’t Varkenskot.
114. Een woord soo veel als duysend [sey stomme Flip] en hy kon niet spreken.
115. Sa weer an [sey de Meit] ik leg noch.
116. Gy slacht de oude Wyven [sey Maarten] als men haar met een vinger aan’er naars krabt, beschytense de heele vuyst tot dankbaarheyt.
117. Water, water, mijn hart brand af, [sey dronke Griet] en sy had een pintje Jenever in eene teug uytgesopen.
118. Nou ry ik in Triumph [sey den Dief] en hy wierd met een wagen na de Galg gevoerd.
119. Met dit vleugje na bed, [sey de man tegen sijn Familie] en hy ley een Swavelstok op ’t vuur.
120. De Aarde is geresen, of den Hemel is gedaald, [sey de Starrekyker] en sy had- [p. 187] den hem een Meyblad onder zijn stoel geleyt.
121. Ik ruyk Muskeljaat, [sey Anna] en haar Kind scheet in’er schoot.
122. Ik maak slappe dingen stijf, [sey Truy] en sy maakte Beulingen.
123. Dat’s een keurig Musijk, [sey Govert] en hy hoorde sijn jongen op een Aarsdarm spelen.
124. Ik ben gantsch geen deeg van daag, [sey Adolf] en hy lag op ’t sterven.
125. Ik versuyp, ik versuyp, [riep Teeuw] en hy rolde van een Duyn af.
126. Ik ben verkeert gemaakt, [sey Jorden] en hy sat slinks.
127. ’t Is hier soo selderemalements dun, [sey dronke Joor] en hy ley in ’t water.
128. Die Jenever is wat Vatvuyl, [sey dorstige Joor] en hy dronk Scharrebier.
129. Ik heb geen smaak in die Wijn, [sey Flip] en de fles was leeg.
130. Sou ik je niet kennen, [sey Jan] ik heb je nooit meer gesien.
131. Man wat ben je ruyg, [sey Aaltje] en hy was in geen 36. jaar geschoren.
132. Ik ben niet kleyn van eeten, [sey Tijs Tafelbezem] maar ik val wat dorstig.
[p. 188]
133. Nou sal ik’er u een vertoonen, [sey jeukerige Tijs] en hy haalde een Luys achter sijn Ooren van daan.
134. Och! geef me noch een droppeltje, strak sal ik ’t niet lusten, [sey Ary Hangebast] en hy stond klaar om van de ladder gestoten te werden.
135. Wel moetje bekomen, [sey Jan] en hy gaf sijn vriend een leeg glaasje over.
136. Wat gebruy is dat, [sey Joost Blomkool] en daar sprong een Kikvors uyt sijn broek.
137. Dat lijkt wel na de Kapitulatie van Rijssel, [sey Jaap den Boer] en hy sag een Prijscourant.
138. Jouw, jouw, je kent me niet krygen, [sey Balten] en hy sprong in ’t water.
139. Sy byten mijn, die mijn helpen souden, [sey Luysige Teun] en hy had sijn hemd vol Vlooijen.
140. Die Haarsteê is niet suffissant, [sey Leen] en hy stookte een vuur op ’t Ys.
141. Dat’s een schoonder Snoek, [sey Pouw den Hengelaar] en hy haalde een Posje op.
142. Wat ben ik gaauw ter pen, [sey Lamme Dries] en hy had een half uur werk om eene letter te schryven.
143. Ik wouw dat ik het al gedaan had [sey [p. 189] de jonge] en hy sou ’t Varken den aars kussen, om den blaas te hebben.
144. Wat kan men niet al in gedachten doen [sey droomige Joris,] en hy at Mostaart sonder Ham.
145. Die Vink ben ik quijt, [sey luysige Flip] en daar sprong een Vloô van sijn rok op sijn buurmans mantel.
146. ô Vermoorde onnoselheyt! [sey droevige Willem] en hy sag een Luys op een Kam geknipt.
147. Als het soo wesen moet, patientie! [sey de Quaker] en hy kreeg tydinge dat hy 1000. guldens uyt de Lotery getrokken had.
148. Hoe kan den beest het soo net mikken [sey Folpert,] en een Exter scheet hem op sijn Neus.
149. Ik sal met dat Beest niet hollen, [sey de Postillion] en hy ging op een Ezel sitten.
150. Dit geselschap is by mijn solen raar,
    [sey Teunis] Van 12. menschen zijn’er 13. Jannen by malkaar.
151. Ik vrees dat mijn dat niet wel bekomen sal, [sey de Mof] en hy kreeg een slag van een Meulen.
152. Ik draag het Wildbraad by me, [sey [p. 190] Geurt de Jager] en hy haalde een hand vol Luysen uyt sijn hemd.
153. Het heeft geen swarigheyt [sey den Bakker,] en hy had sijn Brood te ligt gebakken.
154. Ik maak me vuyl, [sey de Schoorsteenveger] en hy quam uyt de Schoorsteen.
155. Ik kan door dien Bril niet lesen, [sey Besje] en de Spotters hadden’er de glasen uytgenomen.
156. Ik ben met die complimenten niet versien, [sey de Vrouw] en haar Man liet een veest onder er Neus vliegen.
157. De Weerelt loopt op ’t end [sey de jonge] en hy sag sijn Vaâr op een Varken rijen.
158. Wat beswaarder kost is dat, [sey Jorden] en hy at Room met Braadvet.
159. ’t Is gepermitteerd [sey Gijs] en hy scheet in sijn Broek.
160. Ik vrees dat me dat soo drommels knypen sal, [sey galgachtige Leen] en de Beul deed hem een kennippe Nachtdasje om den hals.
161. Dat’s Kraakporceleyn, [sey Ary] en hy liet een scheet.
162. Wat dunkje van die Vuurpijl, [sey Kees] en hy liet een scheet met een dubbelde klap.
[p. 191]
163. Nou sal je wat raars sien, [sey dronke Barent] en hy liep met de billen blootshoofts.
164. Ik moet eens sien hoe laat het is, [sey Jan Uurwerk] en hy sette sijn Wijfs Naaykussen in de Zon.
165. Dat’s een groote Wetering, [sey den Boer] en hy sag de Zee.
166. Dat’s point de Canailje, [sey Flip] en hy had een gescheurden das om.
167. Dat zijn maar knapuylen, [sey Jochem] en hy lieter twee vliegen.
168. Wat dunkje van dien Orvientaan? [sey Doctor Flakbal] en hy vertoonde aan sijn Patient een Papiertje met staront.
169. Ik ben vol humeuren, [sey Jochem Druyloor] en daar hong een droppel aan sijn Neus.
170. Die Kabeljaauw smaakt wel, [sey gekke Fop] en hy at een Engelse Bokkem.
171. Ik heb al genoeg, [sey Joost de Plug op ’t Schavot] en den Beul was pas begonnen.
172. Ik loop met Braadharing om, [sey Jeroen de Plerry] en hy was tot Enkhuysen gebrandmerkt.
173. Dat’s een Bakkers Proef, [sey Govert] [p. 192] en hy dweylde den Oven met een ouwen Paruyk.
174. Wat dunk je van dien draf, [sey manke Joor] en hy liep op krukken.
175. Ik sal se wel raken [sey blinde Flip] en hy ging uyt schieten.
176. Elk heeft sijn bysondere plagen, [sey lichte Piet] en hy had platluysen.
177. Hou je gat stil [sey Bartel tegen sijn Wijf] en haar hemd stont in brant.
178. Dat’s een voltiseer sprong [sey den Boer] en hy sprong over een Swavelstok.
179. Nou is mijn Paruyk behouwen, [sey dronke Mees] en se was half afgebrand.
180. Mijn Kat schijt vuur [sey Besje] en se had een vonk aan’er staart.
181. Die Smous heb ik gepierd, [sey den Boer] en hy gaf hem twee sestehalven voor acht stuyvers.
182. Compeer dat is je geblasen, [sey Pietje de Beursesnyder] en hy sneê sijn Buurmans Beurs af.
183. Nou is’er noch kans om het spul te winnen, [sey Lubbert] en hy was al sijn schyven quijt.
184. Ik versta sulk gebruy niet, [sey Trijntje vander Knor] en de Kat speulde met een slip van haar Hemd.
[p. 193]
185. Ik salt ’er wat stijf in douwen [sey Ritsert tegen Fijtje] en hy stopte een pijp Tabak.
186. Dat zijn Eyeren sonder schalen [sey Jaquelijntje Vijsneus] en sy sag een heel Korporaalschap darmkruypers op de Uyttersen Dom leggen.
187. Ik lust sulke kost niet meer, ’t is me wat hayrig [sey Agnietje de Moffin] en sy at het hayr van Artjesjokken op.
188. Nou ben ik voor Dieven bewaard [sey Geurt de Wever] en hy sloot sijn deur met een geele Peen.
189. Ey maatje buur verkort me leden niet [sey den Patient] en den Beul sou hem onthoofden.
190. Nou met’er haast na ’t Kakhuys [sey Jochem Achterlast] en hy had het al in sijn broek geleyt.
191. Die Karel heeft geen gevoel [sey Doctor Stokvis] en hy Anatomiseerde een Drenkeling.
192. Hoe is mijn Vee soo moedig [sey de jonge] en hy voelde de sesvoetige Ruytery op sijn kop vechten.
193. Ik ben niet poortvast [sey Klaas Likboter,] en hy stak’er een Peperwortel in.
[p. 194]
194. Dat’s ’er een die van klink is [sey Lobbes de Paerdevilder] en hy liet’er een vliegen dat sijn Hemb scheurde.
195. Hoe gaapt dat ding soo wijt, [sey Flip] en hy sag een open Oester op strant leggen.
196. Ik ben kort âmig, hoe kom ik de ladder op [sey kromhakige Dries] en hy most hangen.
197. Wat is dit een vruchtbaar Land [sey blinde Fop] en hy stont midden op de Moker Hey.
198. Wat Diabel is dat’s? jou schold mir schonken ond bonken in twien sloon [sey de Mof] en hy wierd gerabraakt.
199. Al na het valt [sey de jonge] en sijn stuk viel in een hoop met dubbeltjes.
200. Nou salt’er eerst op aan komen [sey Jannetje Kliers] en sy quam van Trouwen.
201. Die wat hebben wil, die moet’er om uyt sien, [sey Geurt] en hy kreeg een dikke Neus en twee blaauwe Oogen.
202. Hillium, Billium, ligtium, digtium, poenis,
    Ligt de Meyd haar rokken op, [sey Joris] en siet wat’er onder te doen is.
203. ’t Gaat soo wat over en weêr [sey Go- [p. 195] vert] hy verloor 99. spullen, en de honderste won hy.
204. Swyge best [sey dronke Hil,] en se had al geseyd wat se wist.
205. Elk past op sijn pluysen [sey grage Jan] en hy haalde een Hoen uyt de schotel.
206. Her op bemint Vleys [sey goelyke Trijntje] en sy klopte op haar Naars.
207. Dat is verkeerd [sey de Stalknecht,] en hy toomde het Paerd aan den Naars.
208. ’t Moet anders komen, [sey Bontekoe] of leg je Riemen in.
209. Ik weet wel wat je meent, [sey Grietje gare gesoend] en Joris wees op sijn Schootsvel.
210. Zoo loopen de Gooten als het regend, [sey Hansje Policionelle] en hy kreeg een gardez l’eau op sijn darmen, dat hy droop.
211. ’t Geld rold wonderlijk [sey losse Dirk] hy verloor een dubbeltje op de Draaybrugge, en hy von het in de groote Kerk wederom.
212. Nou leven wy als Broers [sey de jongen tegen sijn Vaar] en sy saten samen in een Kroeg.
213. Let op dese punten [sey knorrige Piet] en hy stak sijn elleboog uyt, om’er een ka- [p. 196] kelenden Boer een opsetje meê te geven.
214. Wy sullen malkander wel nader spreken [sey den Haan tegen de Pier] en hy had hem byna half op.
215. Nou salt’er op aankomen [sey vander Kap] hy sette sijn Bril op, en hy most het Hofpoortje in.
216. Daar leyd den drek, [sey malle Jan] en hy smeet sijn Wijf van ’t bed.
217. Baat het niet het schaad niet [sey Jaap] en hy gaf sijn Wijf noch een Soen doen se al dood was.
218. Dat ’s een groote wonde [sey meester Barent] en hy genas een kakhiel.
219. Hoe kunt gy de Vromen soo quellen [sey gaauwe Joost] en hy kreeg van Mr. Benedictus een hagelbuy met Roeslagen.
220. Dat’s strekkelyke kost [sey Laurens] en hy at Blompap met Uyen.
221. Zoo leef ik alle daag, [sey dronke Maarten] en hy ley in de goot.
222. Stekevis, Stekevis, [riep reyne Maartje Reyne] en sy dorst geen Pieterman seggen.
223. Wy moeten malkanderen geen vonken in de kous blasen, [sey geele Trijntje] mijn Moeder verkoopt ook vuur.
224. Alle gemeene digniteyten zijn den haat [p. 197] van het gemeen subject, [sey Ary den Asman] en hy wierd van een Dienstmeyd seer qualijk bejegend.
225. Al te voldoende [sey Nigje] en sy kreeg een gardez* l’eau van boven op haar dak, dat het haar de Schoenen weêr uyt liep.
226. Dat gaat wel [sey dronke Joor tegen Voerman Job] en de Wagen holde.
227. Dat is lekkere Peen [sey Lubbert] en hy at al het Vleys op.
228. ’t Komt van goederhand, [sey Goosen] en sy scheten hem op sijn kop.
229. Gord loon [sey Maay van Overschie] sy kreeg een Soen met een dubbeltje toe.
230. Wat holligheyt is dat [sey dronke Teeuw] en hy viel in een kakhuys.
231. Die kruyk wil geen water houden [sey nugtere Teun] en goot een kanne Bier in een Slaëmmer.
232. Wy beleven wonderlyke Tyden [sey Visserman Joost] en hy sag een Garnaat in een Pispot swemme.
233. Ik houw van soo’n stempel niet [sey Grieetje] en sy sag een Dief brandmerken.
234. Ik vaar voor Stuurman ten Oorlog, [sey Bootsman Jan] en hy voer voor Korporael op een Krooswyker Schuytje.
[p. 198]
235. Wat bruytme de Platter [sey Maay] en sy kreeg een Schol voor haar gat.
236. Dat is een Paruyk met Alfonsius [sey den Boer] en hy had twee Aalsvellen aan sijn hayr hangen.
237. De onderdrukte hebben ’t hart [sey Besje] en sy sag een Luys knippen.
238. Die Nachtegaal singt wel [sey dronke Goossen] en hy hoorde een Mos sjelpen.
239. Leg me die sôlen onder de Schoenen, [sey Govert tegen sijn Schoenlapper] en hy bracht hem twee gedroogde Koestronten.
240. De Vent wil kappitteleren [sey den Boer] en hy sag een Rot, die solliciteerde uyt de Val te komen.
241. Dat is een onwankelbare zuyl [sey Flip] en hy sag een Swavelstok overend staan.
242. Dat is een troostelijk boek [sey den Boer] en hy las het 7de boek van Esopus over de Kikvorssen.
243. Dat is een knappe Paling [sey Pier] en hy haalde een drenkeling op.
244. Dat haald een maal uyt [sey Jurrien] en hy vond een Pekelharings kop.
245. Goeden morgen [sey den Boer] en het was schemeravond.
246. Sta op jou leuyen beest [sey Gerrit de [p. 199] Snapper] en hy sag een dood Schaap in een Wey leggen.
247. Dat’s een Drommels wachten [sey Ary] en hy had noch niet eens gekommandeert.
248. Laten we ons nu eens helder warmen [sey Geurt tegen sijn Kinderen] en sy saten by een rookende Turf.
249. Ik sta wel uyt den drop, maar niet uyt den regen, [sey Louwtje] en hy kreeg een Pispot met Sal volatile Urinae op sijn kop.
250. Vangt me de Spiering hier soo [sey de Mof in Groenland] en hy sag een Walvis Harpoenen.
251. Dat’s een grooten Baviaan [sey Teeuw] en hy sag een Hoer in den Haag in de ysere Kooy draaijen.
252. Die Vent houwt de Bas wel [sey den Boer] en hy hoorde een Kalf bleeten.
253. Daar is Brand in die Schoorsteen [sey de Mof] en hy voer voor by den brandende Berg Aethna.
254. Nu heb ik het Heydelbergse Vat gesien [sey Louw] en hy sag een Voer Wijn van achtehalve stoop.
255. Dat’s de Grootvaar van de Muysen [sey Egbert] en hy sag een Olyfant.
256. Wat siet die Rot fel uyt sijn oo- [p. 200] gen [sey Blinde Gijs] en hy sag een Mol kruypen.
257. Dat is een schoon Pagadetje [sey den Engelsman] en hy sag een Ooyevaar in ’t veld loopen.
258. Dat’s een schoone Steur, [sey Aart] en hy haalde een Puytaal op.
259. Dat is een bitter Soopje [sey Krelis den Boer] en hy dronk Alssemwijn.
260. Dat is wonder dat je me niet ongemoeyt kan laten [sey de Banqueroetier] en sijn Crediteuren maanden haar schulden in.
261. Die Pen wil geen inkt geven [sey Leen] en hy wou met een beulingpennetje schryven.
262. Dat smaakt vunsig [sey Joor] en hy slurpte een stinkey uyt.
263. Daar leyt’er een verdronken [sey schele Piet] en hy sag een blaas op ’t water dryven.
264. Dat is goê Krootesop [sey Evert] en hy dronk roo Hooglandse wijn.
265. Dat is een aardige Dwarsfleuyt [sey Tiribus] en hy sag een Wijnverlaters pomp leggen.
266. ’t Is of ’er geen liefde meer in de Wee- [p. 201] relt was [sey Grietje] en sy sag twee Jongens vechten.
267. Wie biet’er geld voor [sey Goossen] en hy bracht sijn Wijf op ’t Erfhuys.
268. Ik ben nou luchthartig [sey lospoortige Dirk] en hy liet’er een vliegen die een vaam lang was.
269. ’t Is of die Vent gek was [sey Tijs] en hy sag een Vloo Capriolen maken.
270. Dat gelijkt wel een misgeboorte [sey Joor] en hy sag een Kikvorsch swemmen.
271. Dat gelijkt wel een Watjekal [sey Louw] en hy sag een Oester gapen.
272. Wat drommel sel ik nou gaan doen [sey Maarten] en den Beul had hem het hoofd af geslagen.
273. Dat zijn verbruyde parten, dat je niet vreten wild [sey de Mof tegen sijn Vaâr] en hy lag op sterven.
274. Dat is een schoon Horologie [sey Hans] en hy sag sijn Wijfs speldekussen.
275. Dat jy niet versint, sal de Koekkoek niet versinnen [sey Teun tegen sijn Vaâr,] en hy sag hem door de sporten van een stoel kakken.
276. Meester scheer sagt, Meester scheer sagt, [sey dronke Goris] en daar was een Var- [p. 202] ken, die likte hem achter ’t Oor.
277. Bacchus zy gedankt, [sey Lijsje] mijn Man consumeert geen sterke drank meer, hy drinkt nu anders niet als suyvere Jenever.
278. Dat gelijkt wel een Tuymelgeest [sey Bastiaan] en hy sag een Staront van de kaay in ’t water rollen.
279. Dat lykent wel ’t jong van sijn moer, [sey de Mof] en hy sag een Hoeker achter een Oorlogschip leggen.
280. Dat moet een bruyer van een Spinnekop geweest zijn, die die web gesponnen heeft, [sey de Mof] en hy examineerde heel serieusament het Touwerk op een Oorlogschip.
281. Dat is een soet lief Beesje [sey Pieter de Noorman] en hy sag een Platluys.
282. Dat is een schepsel met lange beenen [sey Teeuw den Boer] en hy sag een Aap op stelten loopen.
283. Dat is al een bejaard Man [sey stiksiende Volkert] en hy sag een Aap met een langen baart op de koord danssen.
284. Dat is maar om kennis te maken [sey losse Flip] en hy lichte sijn Vrouw met een houte Lantaarn na Bed, daar de Nachtegaal seven jaren op gesongen had.
[p. 203]
285. Wie lust’er Boekweytebry [sey de Mof] en hy had sijn hand vol Zeequal.
286. Dat gelijkt wel na ’t geraamte van een Walvis [sey blinde Gijs] en hy sag een Schip op stapel staan.
287. Dat is een schoone Bruynvis [sey de Mof] en hy sag een Vloô in een Wateremmer swemmen.
288. Heb je mijn gebruyt, ik sal je weêr bruyen [sey Aart] en hy brak een Luys de tanden uyt de mond.
289. Ik kan mijn niet onthouden van ’t lagchen [sey Jaap] en had een sneê in sijn koon gekregen.
290. ’t Is om de gereedheyt gedaan [sey malle Kees] en hy piste in sijn muts.
291. Kiek, kiek, twee Knollen aan eene steel [sey de Mof ] en hy sag een boutkogel.
292. Ik hou niet van dat karresseren [sey de Mof] en hy sag sijn makker rabraken.
293. Dat is een voltiseer sprong [sey Tijs] en hy sag een Dief van de ladder stooten.
294. Dat is een schoone sprong [sey Barent] en hy stapte over een slootje.
295. Dat gelijkt wel den tweeden Brand van Trooijen [sey Jochem] en hy sag een bos Swavelstokken branden.
[p. 204]
296. Ik ben een expresse, ’k heb wat haast, [sey Maarten de Klompmaker] en hy reê in de malle Molen.
297. Dat is een schoone vond [sey den Boer] en hy spleet een Swavelstok in sestienen.
298. ’t Is of ik hardlyvig was [sey Joris goed-bloed] en hy was aan den afgang.
299. Dat’s schoone Alssem [sey den Boer] en hy sag een bos wouw op ’t Vengster leggen.
300. Dat is een Leer met raren sporten [sey den Boer ] en hy sag een Graadboog.
301. Dat drommels ding wil niet stil staan [sey Fredrik] en hy draayde het Kompas om.
302. Dat is een wonderlyke Kikvorsch, [sey den Boer ] en hy sag een Rog op de Markt leggen.
303. Nou sel ik eens smullen [sey Floor] en hy liet een pintje Scharrebier halen.
304. Dat is om geen Schoenen te verslyten [sey den Boer ] en hy sag een Koordedansser op sijn handen loopen.
305. Ik houw van die Kapriool niet [sey Govert] en hy sag een Timmerman van een stellagie doodvallen.
306. Hoe maakt die Vent soo veel gebruy [p. 205] in ’t water [sey Roelof] en hy sag een Man verdrenken.
307. Zijn dat nu die Oesters, daar je soo lang van gesproken hebt [sey den Boer tegen sijn Landheer] en hy kreeg Alykruyken te eeten.
308. ’t Geluk wil my nooit verlaten [sey Louw] en hy vond een Kleefse stuyver.
309. Die Vent laat sijn naakte gat sien [sey Jochem] en hy sag een jonge swemmen.
310. Dat is een schoone Quispedoor [sey Simen] en hy spoog in sijn Wijfs kous.
311. Dat is een wonderlijk Kasteel [sey den Boer] en hy sag een ouwerwets Hoenderhok.
312. Dat is een knappe Hoogaarts [sey Flip] en hy sag het Admiraliteyts Jacht seylen.
313. Die Brokkoek drijft [sey malle Gijs] en hy sag een Vriesse Turf in ’t water leggen.
314. Ik heb van myn leven wel voor heeter vuur geseten [sey Lammert] en stont tot sijn keel toe in ’t water.
315. Reuylen is geen Sonde [sey Kromhakige Dries,] hy stal een koe uyt de Wey, en hy setten’er een Luys in de plaats.
316. Jy versta je dat visschen niet [sey Geurt] en hy stal den Boer sijn Eenden.
[p. 206]
317. Ik heb een honorabel en proffitabel officie gekregen [sey Wolfert] en hy bediende de Schop- en besems plaats als substituyt.
318. Dat gelijkt Jochem achter Lam [sey Mees] en hy sag een Konijn springen.
319. Ik sou jou lang van voren wachten [sey Katelijntje] en Jan quam achter in.
320. Ik geloof dat die Vent in ’t water gelegen heeft, en dat hy nu te droogen hangd [sey de Mof] en hy sag een Karel aan de Galg hangen.
321. Pas op den Haspel [sey Meeuwis tegen Lijs] en hy sou’er een laten vliegen.
322. Dat is een schoone beuyt [sey Piet] en hy vond een douzijn Stinkeyeren.
323. Dat is een bruyer van een Metworst [sey de Mof] en hy sag een halve Kartouw.
324. Dat is een suffisante Boterton [sey Filebout,] en hy sag een groote Mortier leggen.
325. Dat is een Staartman [sey Barent de Kok] en hy sag een Krokodil loopen.
326. Dat sijn kloeke Boonstaken [sey Julfus] en hy sag de Masten van een Oorlogschip.
327. Honger is een groot kruys [sey Tijs Tafelbesem] en hy quam pas van Tafel af.
[p. 207]
328. Ik houw van die inhalige Menschen niet [sey Jochem] en hy wouw vijfvierendeel voor een el hebben.
329. Ik kan niet begrypen, hoe dat mijn Rok soo nat is, [sey dronke Joost] en hy had drie uuren door een Slagregen gegaan.
330. Ik wouw wel eens vechten [sey Bartel] en hy was tweemaal afgeslagen.
331. Schenkt de Boutelje maar uyt [sey schele Govert] en se was leeg.
332. Ik heb’er wel honderdmaal op gelet, dat het op Palmsondag regende [sey de Vrouw] en sy was veertig jaren oud.
333. Ik hoop dat de eerste Paasdag op een Maandag sal komen, [sey Michiel] dan hebben wy drie Heylige dagen.
334. Ik ben benaauwt dat ik me noch dood sal werken, [sey leuye Pleun] en hy hiel de Boot wat of.
335. Dat lijkt wel een Quadraat [sey wyse Marcus] en hy sag een totebel.
336. Die Vent is swart van den Honger [sey Roelof] en hy sag een Moor gaan.
337. Ik bedankje voor dat Compliment [sey Tijs] en hy kreeg een Muylpeer voor sijn koonen.
[p. 208]
338. Dat is een omgekeerde klok [sey Giel-oom] en hy sag een stamper in de Vysel staan.
339. Dat recept komt niet wel à propò [sey snapachtige Gerrit] en hy kreeg een dragma Rottingoly.
340. Dat is een suffisante Doofpot [sey de Mof] en hy sag een Disteleerketel.
341. Ik wouw dat ik een harddraver was [sey Knelis] en sijn beenen waren afgeset.
342. Die warmte verquikt een oud mensch in de Winter [sey Besje] en sy sat op een kouwe Stoof.
343. Ik wil dat niet als ad referendum over nemen [sey den Dief] en sijn Sententie, dat hy hangen moest, wierd hem voorgelesen.
344. d’Onnoselheyt moet swichten [sey David] en hy sag een Muys door een Kat opeten.
345. Ik heb vol op gehad [sey de Jonge tegen sijn Vaâr] en hy quam met twee blaauwe Oogen en een dikke Neus t’huys.
346. Dat is een nieuwe inventie [sey Joor tegen Pleuntje] en hy bescheet haar van ’t hoofd tot de voeten.
347. Dat’s tot Represaille [sey Pleuntje tegen [p. 209] Joor,] en sy smeet hem al de Marsepeyn tegen sijn troniewerk.
348. Geef Boter den bruy, [sey de jonge] mijn Moer heeft een daalder gewisselt.
349. Ik houw van geen ydelheyd [sey Trijn] en sy voelde een lege Beurs.
350. Watte koddige concepten [sey de Drommel] en hy las in een Misboek.
351. Laet de Gek maar loopen, [sey malle Jan] en hy sag sijn Vaâr na de Galg leyen.
352. Wild goedje [sey May Louwe] en se vong een Luys in haar Waterfonteyn.
353. ’t Moet een ruygen Hond zijn, die twee nesten kan verwarmen [sey Joor] en hy sag sijn Zoon tussen twee Vrouwluy leggen.
354. ’t Sijn al geen quinten, die op een Fiool gespannen staan, [sey Lubbert] en hy hoorde den Bas spelen.
355. Meer halen [sey Jakhals] en hy bracht sijn dochters Poppegoed in de Lombert.
356. Dat sijn vette dingen, [sey Hans] drie Hoeren op een blad.
357. Dat is geen stront [sey Kniertje] en sy soog aan een beuling.
358. Weest suynig [sey Besje] en sy stak een Kattestront op de boutelje in plaats van een Kurk.
[p. 210]
359. Sta! [sey Blok] en hy soende een Meisje tegen de Galg.
360. Dat’s mis gestoken [sey Kourt] en hy stak sijn Wijf in’er Lies.
361. Lust u den drek niet [sey Ulespiegel] soo laatse staan.
362. Je slacht manke Neel [sey Flip] die veranderde negenmaal op een dag.
363. Schikt het al wat in [sey Femmetje Evengoed] wy zijn geen van drien de beste Juffers.
364. Alles met maten [sey de Drommel] en hy hing een bandelier om.
365. Eet Karnemelk met goude Torren [sey Joor] daar krijgt men geen stinkenden Adem van.
366. Kip [sey Bouwen] en hy klom over een muur.
367. ’t Is om te lagchen [sey Geurt] en hy sag een Hoer geesselen.
368. Dat zijn trekken [sey de Mof] en hy haalde een Pier van twintig duymen uit sijn fondement.
369. ’t Sal sig wel doeken [sey de Wever] en hy sprong door ’t garen.
370. ’t Is’er nacht [sey de Chimist,] en hy stak sijn kop in de disteleer Ketel.
[p. 211]
371. Al eene lucht [sey de Bagijn] ende Paap liet’er een vliegen.
372. Dat huis is verhuurd [sey de Hoer] en sy keek het Vengster uyt.
373. Gelijk by gelijk [sey Moddekevuyl] en sy kroop by een Bigge.
374. Dat is flink [sey Gerrit de Smit] en hy draayde een Anker sonder Yser.
375. l’Honneur aux Dames [sey den Dief] en hy liet de Hoeren eerst geesselen.
376. Daar sie ik wat nieuws [sey dronke Joost] en hy sag een nieuwe deur aan een oud Varkenskot.
377. Ik ben al moe van ’t rijen [sey Tijs] en hy reê na de Galg.
378. De Drommel mocht soo Tappen [sey Lijs] en het Vat was leeg.
379. Silentie en Patientie is het beste geneesmiddel [sey Cornificia]
En se setten haar Man een Tulband op, daar twee Pluymen uyt groeyden sonder weergâ.
380. Als het dan wesen moet [sey Grietje Onderlaag,] soo leeft’er wat soet meê.
381. Dat ik aan ’t Koorn verlies, dat zal ik aan ’t Spek wel weêr vinden [sey den Boer] en sijn Varkens liepen door het Koorn.
[p. 212]
382. Schenk Piet, [sey Jan] mijn hart brand af van de Rammelas.
383. Ik kan sonder ruyg te voelen niet slapen, [sey Droogje] en hy gong met een Raagshoofd na bed.
384. Daar sal een dronk op smaken [sey Goossen] en hy at Alykruyken met Braadvet.
385. Nieuwe grillen, nieuwe grillen, [sey de snyer] en hy beet in sijn Tafel.
386. Dat valt me schrikkelyk benauwt [sey Joor] en hy wierd gewurgt.
387. Dat is andere soort van Kreeften [sey den Boer] en brogt Kikvorssen te markt.
388. Dat is lieffelijk [sey den Ruyn] en hy liep naast de Meer.
389. Dat is een schoon Voer Wyn, [sey dronke klaasje]
En hy sag een Vaatje van vier stoopen door een vergrootglaasje.
390. Dat is een schoone Papegaay [sey den Boer] en hy sag een Vleêrmuys op een krik.
391. Dat is misselyke kost [sey de Mof] en hy vrat Spoeling voor Bier en Brood.
392. Dat is een nieuwe inventie [sey Jochem Bulkes,] en hy scheet door een Trechter.
[p. 213]
393. Nou sal ik een Doodslag begaan [sey Aagt,] en sy stak een Paling onder de korte ribbe.
394. Is dat nou die sterke kost [sey Robbert] en hy at een Hondekeutel voor een klaauwtje geconfyte Gember.
395. In die Slaapbank sal ik my van de nacht behelpen [sey dronke Tijs,] en hy ging in een Varkens trog leggen.
396. Dat’s ’t rechte Non plus Ultra [sey dronke Gijsje,] en hy liep met sijn kop tegen een steene muur.
397. Dat is Plus Ultra [sey dunlyvige Flip] en hy liet een Veest door de tralien.
398. Dat is een onwinbaar Kasteel [sey den Boer] en hy stond voor een Kalk-oven.
399. Van die slag sal de Weerelt wagen [sey Tijs] en hy schoot een Lood Kanonnetje af.
400. Is daar tochtig volk in Huis [sey Tymen den Boer] en hy hoorde een Bakker op den Hoorn blasen.
401. Uylen by Uylen, [sey stikziende Fransje] en hy sette een Mos by een Kanaryvogel.
402. Een Mensch heeft altijd liefde voor sijn evennaasten [sey Govert] en hy likte de Kat de kruymelen van den baard.
[p. 214]
403. Dat is onvergankelijk werk [sey blinde Teun] en hy sag een Boere Huys met stroo dekken.
404. De Vredelieventheyt is uyt de Weerelt [sey Filippijn] en hy zag een Kat met een Rot vechten.
405. Dat is van daag de kost gewonnen [sey Jaap] en hy vond een Vetmannetje op straat leggen.
406. Dat is de Droes sijn Cousijn [sey Goor] en hy sag een Swart.
407. Het begint te avanceren [sey Mr. Tijl tegen sijn knecht] en hy schoor drie uuren over een baard.
408. Wel Suster, gy zijt oud geworden [sey Kees den Oostindievaarder] en hy had’er in geen seventig jaren gesien.
409. Dat is brakke Azijn [sey Pleuntje] en sy proefde Paerde-Pis.
410. Dat is het Wapen van Haarlem [sey Gijsje] en hy sag de seven Star.
411. Ik doe een ommelands reysje [sey Floor] en hy liep de eene Kroeg uyt, en de and’re weêr in.
412. Dat is nieuwmodens lappen [sey Filebout] en hy klopte sijn Wijf.
413. Nou ben je gelubt [sey de Spanjaard] en hy hakte een Kat de staart af.
[p. 215]
414. Dat sijn nieuwerwetse Mosselen [sey de Mof] en hy sag een Emmer vol Oesters.
415. Dat zijn onrype Pruymen [sey Joris] en hy at Olyven.
416. Wonderlyke Huysvesting [sey Truy] en se vond een Rottenest in haar klomp.
417. Die Vis is slinks [sey Paauwtje] en hy sag een omgekeerde Armiaan op den Rooster leggen.
418. ’t Lijkt wel verlore Arbeyd [sey gekke Dries] en hy wouw de Zee leeg scheppen.
419. Ik wil Lantijn in mijn Huys hebben [sey den Boer] en hy liet voor sijn Varkenskot schilderen, Pax intrantibus & Mors exeuntibus.
420. Dat is na de nieuwe mode [sey Geurt] en hy vereerde sijn Wijf twee Oesterschulpen, om’er een paar Oorlappen van te maken.
421. Voort Hoornbeest [sey Frans,] en hy schopte een Slak weg.
422. Hou je edelmoedig, en maak niet veel gebruy [sey de Hapschaar] en hy sou een Deserteur ophangen.
423. Ik ben mildadig [sey Voerman Job,] en hy gaf een quâ stuyver aan vijf Bedelaars.
[p. 216]
424. Dat is om zeker te gaan [sey Gril] en hy trouwde een bestruyfde dochter.
425. Daar komen se weêr aandraven [sey Reyn Harmensz] en hy sag sijn Vaâr na de Galg rijen.
426. Die smaak is goed [sey Notekraker] en hy vrat sijn Vaders Vinken.
427. Den drank is goed [sey Goof den Tapissier] en hy lag tot over sijn ooren in ’t slijk.
428. ’t Is ter goeder meening [sey Philippijntje] en sy roerde de hutspot met de Tang om.
429. Ik houw veel van de Kluyten [sey Maay] ik ben uyt het Kleyland van daân.
430. Daar speult de Duyvel meê [sey Saam] vier asen, en niet eene troef.
431. Dat is een ongelukkig Seer [sey Trijn] en sy kreeg een paar kakhielen.
432. Wie kan’t keeren [sey Louw] en hy kreeg een Bal in sijn oog.
433. Dat geeft’er de geur in [sey Maay van Dort] en sy scheet in den Beuling.
434. Wat nieuws moet’er wesen [seyden de Dieven] en sy hongen den Beul aan de Galg.
435. Dat ruymt op [sey Grietje] en haar Man storf.
[p. 217]
436. Wat dunkt je van die Rolstok [sey Teeuw] en hy sag een groote Klos.
437. Dat gaat wel [sey de Brouwster in de Vos] en sy kneep haar knietjes toe.
438. Dat is leep [sey malle Frans] se maken de schuytjes, en se varen’er in.
439. Die smoort in den dop [sey Piet] en hy liet’er een in sijn broek vliegen.
440. Dat is schoon borneren [sey Kees tegen Saam] en sy dronken Wijn met een Pokdrank.
441. Dat is Kraakporceleyn [sey Dirk] en hy hoorde een aarde schotel aan stukken vallen.
442. Dat gaat na’t Dansschool [sey Jan Plerry] en den Beul bracht hem na ’t Schavot om gegeesselt te werden.
443. Ik ga uyt vrijen [sey Ritsert] en hy liep ter Mot.
444. Doet mijn dat eens na [sey Gerrit] en hy brak bey sijn beenen.
445. Hoe heb ik soo veel bekyks [sey losse Truy] en sy wierd na ’t Spinhuys gebracht.
446. Jy hebt gedaan, een ander Man in’t spul [sey Fijtje tegen Joor] en sy had hem uyt de baan geknikkert.
447. Wat dunk je van dat loopen [sey Piet] en hy liep door de spitsroeden.
[p. 218]
448. Dat sou ik je niet na doen [sey Quak] en hy sag een man van een huys dood ter aarde vallen.
449. Is ’t anders niet [sey Trijn] en sy moest op het Schavot te pronk staan.
450. Mijn dat Visje [sey Lena] en sy haalde een Paling uyt Joris sijn Fuyk.
451. Ik sal myn Moer wel t’huis komen, mijn armen stasn verkeert [sey Dries] en hy was gewipt.
452. Dat is delicaat [sey Flip] en hy at Krakebeijen met een Mostert Saus.
453. Dat is een extraordinaire sprong [sey Maarten] en hy sprong over een Wetering van drie voeten Waters.
454. Daar sal noch meer op volgen [sey Ary] hy was gegeesselt, en hy moest noch gebrandmerkt worden.
455. Staagjes an, staagjes an dan breekt de Lijn niet [sey Gijs] en hy wierd gekielhaalt.
456. Schiet toe, maar raakt mijn niet [sey Bartel] en hy wierd geharquebuseert.
457. Het sal van daag een heeten dag wesen [sey Maartje van Assen] en sy moest verbrant worden.
458. De Vromen kunnen geen gebrek lyden, al souden de steenen brooden wor- [p. 219] den [sey Kors Jansz] hy verkocht sijn baars, en hy versoop het gelt.
459. Dat licht helder [sey Gerrit] en hy snoot de kaars uyt.
460. Eet nou soupe [sey gekke Jorden] en hy gooyde een hambeen toe aan een Franse Kok.
461. Sulke loopen’er al onder [sey de Meyd] en sy had een platluys tusschen haar vingeren.
462. Jonge doet de pot toe [sey Doctor Filebout] want de geesten sullen evaporeren, en hy kookte Kaarnemelk.
463. Al te erg [sey Grietje Vasse] en sy liet haar bestruyven op een Kermisdag.
464. Die ’t Ambacht kan, die krijgt nering [sey Jan de Snyer] en hy kreeg een paar koussen te lappen.
465. Dat is wel versonnen [sey Brodder] en hy sette de lap ter zyden ’t gat.
466. Elk wat wils [sey de Kraay] en sy kakte den Exter op het hooft.
467. Dat is vunse kost [sey Dries] en hy at Koestront voor Spenage.
468. Daar stâ ik nou fraay te kyken [sey Hans] en hy stond op ’t Schavot te pronk.
[p. 220]
469. Doet mijn toch geen seer [sey Jaap] en hy sou onthooft worden.
470. La vallen ’t Gordijn de Kerspel is uyt [sey Rabelais] en hy ging na de andere Weereld.
471. Dat ’s leelijk [sey gekke Joor] en hy kakte in zijn hant.
472. Dat ’s een knappe Sopbaars [sey Teeuw] en hy sag een Walvis swemmen.
473. Weg gaan we [sey Flip] en hy reê na de Galg.
474. Wie lust’er een stukje Amsterdamse Koek [sey Gerrit] en hy presenteerde een blokje in een papier gewonden.
475. Mijn dat [sey Jan] hy meende een stukje Gemgber te vatten en ’t was juyst een gedroogde hondekeutel.
476. Hoe kan je me soo plagen, ik moey jou niet [sey Teun] en hy wierd gegeesselt.
477. Dat’s Uyt, [sey koddige Jaap] en hy was het schryven moe,
    Hebt gy een eerste deel, soo koopt dit tweede toe.

EYNDE.
Continue