ZegelBloemlezing Zuid-Afrikaanse literatuur



Joseph Suasso De Lima
(Amsterdam, 1791- Kaapstad, 1858)

Biografische informatie

Joseph Suasso De Lima komt uit een Portugees-joodse familie uit Amsterdam, maar bekeert zich op jonge leeftijd tot het christendom en wordt lid van de Nederlandse Hervormde Kerk.

Hij promoveert aan de Amsterdamse universiteit tot doctor juris en werkt in een praktijk een aantal jaren in dezelfde stad. Hij trouwt met een elf jaar oudere vrouw, Gertruda Bakker (1780-1836) en vertrek in 1816 met haar naar Nederlands Indië waar hij werk vindt als staatsambtenaar. Hij verlaat de kolonie in 1818 naar aanleiding van een schandaal: hij wordt beschuldigd van misbruik van documenten die aan hem toevertrouwd waren. In augustus van hetzelfde jaar verhuist hij naar Kaapstad waar hij tot aan zijn dood in 1858 blijft.

De Lima heeft altijd belangstelling gehad voor de letterkunde en hij zal zich in Kaapstad bijna uitsluitend daarmee bezig houden. Hij verdient zijn brood als vertaler van moderne en klassieke talen werken en later werkt hij ook als tolk. Daarnaast wordt hij ook bekend als onderwijzer, boekhandelaar en -verzamelaar, uitgever, samensteller van almanakken en vooral als journalist.

Als dichter schrijft De Lima in de traditie van Bilderdijk, Feith en Tollens. Hij heeft geen echt literair talent en is dus ‘eerder versmaker als dichter’. Toch is De Lima van groot belang geweest voor de Nederlandse letterkunde aan de Kaap in de eerste helft van de negentiende eeuw. Sinds 1806 was de kolonie van de Kaap de Goede Hoop onder Engels gezag. Het Engels werd de cultuurtaal aan de Kaap en het Nederlands werd daardoor ‘met rasse skrede agteruitgedring’. Volgens Elisabeth Conradie heeft De Lima een belangrijke bijdrage geleverd aan de handhaving van zijn taal als cultuurtaal, naast het Engels. Als gelegenheidsdichter heeft hij namelijk ‘geen sterfgeval, verjaarsdag, afskeid of bruiloft in die voornaamste maatskaplike kringe, (…) onbesing gelaat nie en dit steeds in Hollands bly doen, suiwer en betekenisvas in die gebruik daarvan, toen die mode al lang die engelse taal voorgeskryf het.’

Suasso De Lima is een belangrijke persoonlijkheid geweest aan de Kaap, waar hij niet alleen vanwege zijn literaire activiteiten beroemd werd, maar ook om zijn onaangenaam voorkomen en zijn financiële problemen. In zijn tijd werd hij vaak doelwit van spot en laster, maar inmiddels heeft hij de plaats gekregen die hij verdient in de Nederlandstalige Zuid-Afrikaanse literatuur:

As Hollands geleerde, literator en joernalis het hy sy aangenome vaderland dienste bewys, wat hom ’n ereplek gee na Meent Borcherds onder die vroeë skrywers, toe die drukpers so pas ingevoer was en die druk van oorheersing sy eerste loodsware gewig voelbaar gemaak het.

De verschillende activiteiten van De Lima aan de Kaap

De Lima werkt van 1823 tot 1827 als schoolmeester van de Evangelisch-Lutherse school aan de Kaap, omdat hij als vertaler niet genoeg verdient. Dit inspireert hem tot het schrijven van zijn Allereerste beginselen der geschiedenis van de Kaap de Goede Hoop (1825), een geschiedenisboek van de Kaap in vraag- en antwoordvorm. Hij begint ook met kindertoneel aan de Kaap. In 1825 richt hij het kindergezelschap Tot oefening en Smaak op. Waarschijnlijk is De Lima’s strijd met de Franse schrijver Charles Etienne Boniface de oorzaak geweest van zijn betrokkenheid bij het kindertoneel. Boniface was de voornaamste vijand van De Lima aan de Kaap en zijn grootste concurrent op het gebied van het onderwijs. Omdat de Franse schrijver sinds 1825 een enorme succes kende met zijn kinderballet, heeft De Lima waarschijnlijk geprobeerd het succes van zijn concurrent te overtreffen. Maar zijn toneelgezelschap geeft meteen aanleiding tot felle kritieken, die voornamelijk komt van het Nederduitsch Zuid-Afrikaans Tijdschrift, een calvinistisch blad. Het tijdschrift vindt immers toneelspelen niet bevorderlijk voor de deugd en de wijsheid van de jeugd. Ondanks zijn verdediging moet De Lima in 1826 stoppen met zijn kindergezelschap. Hij blijft echter, ook na 1826, telkens met één of ander kindergezelschap geassocieerd.

In 1826 begint hij de ‘Nederduitsche Leesboekerij’, een nieuw verschijnsel aan de Kaap. Al snel wordt de Leesboekerij de bekendste Boek-, Papier- en Prentenwinkel, waardoor De Lima de naam van ‘Kaapsche Antiquarius’ krijgt.

In 1825 richt hij De Verzamelaar (The Gleaner) op, het eerste a-politieke en niet-godsdienstige weekblad van de Kaap. De Verzamelaar houdt zich uitsluitend met literatuur bezig en het uitgesproken doel van De Lima met het blad is de leeslust en schrijflust onder alle Zuid- Afrikaners te bevorderen. Hij schrijft in het nummer van 2 Juli 1828:

En wie weet welke belangrijke, welke goud aanbrengende ontdekkingen er vroeg of laat nog eenmaal tot roem en luister dezer voortplanting voor den dag zullen komen, als leeslust en zucht naar onderzoek eenmaal de algemeen heerschende, geliefkoosde neiging des geheelen Publieks, zoo van arm en rijk, aanzienlijk en gering, van Blanken en Zwarten, van Heiden en Christen zal geworden zijn.

Uit dit citaat blijkt dat De Lima een idealist was, met een passie voor literatuur. Hij wilde niets liever dan zijn passie aan zoveel mogelijk mensen overdragen. Door financiële moeilijkheden gaat De Verzamelaar echter ten onder in 1830 en De Lima zal slechts met moeite zijn blad in 1835 kunnen doen herleven, als maandblad. Hij verkoopt het blad uiteindelijk in 1848 aan de regering. Naast De Verzamelaar richt hij in 1830 een ander blad op: De Zuid- Afrikaan, de eerste Nederlandse politieke courant in Zuid-Afrika. Van 1853 tot 1858 werkt hij ook voor Het Volksblad.

De Lima begint in 1832 een almanak, waarmee hij zich tot zijn dood bezig houdt. Tot slot wordt hij binnen de Nederlandstalige gemeenschap aan de Kaap bekend als de gelegenheidsdichter van zijn tijd.

Het literaire werk van De Lima

Zoals eerder gezegd, profiteerde De Lima van alle sociale gebeurtenissen en evenementen om gedichten te schrijven. Daarnaast schreef hij ook veel hekeldichten. Zijn ruzies met de Franse schrijver Charles Etienne Boniface (van wie hij toneelstukken heeft vertaald) zijn berucht geworden, vooral door de hekeldichten waarmee ze elkaar bestookten. In 1821 publiceert De Lima zijn eerste dichtbundel, Gedichten, maar het grootste deel van zijn hekeldichten en gelegenheidsgedichten verschijnt in couranten of in ‘vliegende blaadjes’. Tussen 1824 en 1826 verschijnt een groot aantal van De Lima’s gedichten in de Chronicle, waarvan het volgende gedicht een voorbeeld is:

Een Uitenhaagsche heer in Afrika geboren,

Meldt dat zijn vrouw een kind bekwam;

Hij doet aan het publiek voorts horen,

Uit welk een bloed het de oorsprong nam.

Wat vreemden vraag kwam ooit te voren,

Zijn vaders vader was een Schot,

Zijn moeder was Iersch- Duitsch geboren,

Zijn vader trof ’t groot vaders lot.

Hij zelf heeft hier het licht verkregen,

Dus een geboren Afrikaan;

(Waar is Iersch- Duitschland toch gelegen?

Ik zie het op geen kaarten staan.

Maar wat wil mij dat land toch raken)

De vraag alleen is naar het bloed;

Ik zal maar vast het antwoord maken,

Een zeker antwoord kort en goed.

Al bleef ’k acht dagen praktizeeren,

En men mijn vers nog meer verlengt,

Zoo zou geen mensch toch wel beweren,

Dan dat het antwoord is ‘Vermengd’.

Dit gedicht vind ik interessant omdat hierin De Lima als ‘getrouw Afrikaner’ verschijnt. We zien hier de bijzondere relatie van de schrijver met zijn nieuwe vaderland naar voren komen. De Lima schijnt zich snel thuis te hebben gevoeld aan de Kaap, en in zijn werk getuigt hij vaak van zijn liefde voor zijn nieuwe land.

Maar hoe gelukkig De Lima in Zuid-Afrika ook is, hij blijft een ‘Oranjeman’ en een trouw patriot. Zijn patriottisme komt ook uitgebreid aan bod in zijn werk, en in het bijzonder in zijn tweede bundel Nieuwe Gedichten, waaruit het gekozen fragment komt.

 

Nieuwe Gedichten

De tweede bundel en laatste van De Lima, Nieuwe Gedichten, verschijnt in 1840 aan de Kaap. Hij bestaat uit vijf delen: Bijbelstoffen, Godsdienstige mengeldichten, Vaderlandse zangen, Lijk-gedichten en Mengeldichten. Het uitgekozen gedicht, ‘De Hollandsche Taal’, komt uit Vaderlandsche zangen. Verschillende ‘lyrische genres’ zijn in Nieuwe Gedichten vertegenwoordigd. Men vindt in de bundel, naast de religieuze gedichten van de eerste afdeling, veel hekeldichten, vooral in de categorie Mengeldichten. Het onderdeel Lijkgedichten bestaat exclusief uit gelegenheidsgedichten bij sterfgevallen, maar in de andere vier onderdelen treft men ook gelegenheidsgedichten aan met verschillende thema’s, zoals de opening van een gebouw of het bezoek aan de Kaap van een lid van het Oranjehuis. De vleiende toon van gedichten als ‘De verjaardag van zijne koninklijke Hoogheid Willem Frederik George Lodewijk, kroonprins der Nederlanden’, kan ons heel slijmerig overkomen, maar het was niet meer dan normaal voor een gelegenheidsdichter.

Naast de gelegenheidsgedichten vindt men in de afdeling Mengelgedichten andere genres, o.a. liefdesgedichten (‘Aan mijn eerste liefde’, p.189), en ook natuurgedichten (‘Een zomer aan de Kaap de Goede Hoop’, p.133).

Een aantal gedichten uit deze bundel was al eerder in couranten gepubliceerd, zoals ‘De Goude Oude Tijden’ (p.131), of als pamflet uitgegeven zoals ‘De Uitgewekenen van Port Natal, zijnde eenne parodie der alleenspraak van Gijsbrecht van Amstel, bij d’Ondergangk zijner stadt en zijn ballingschap, door Joost van Vondel’ (p.174). Dit laatstgenoemde gedicht vind ik bijzonder interessant, zowel qua stijl als qua inhoud. Op het belang van de inhoud zal ik later terugkomen, maar wat de stijl betreft moet hier opgemerkt worden dat, zoals De Lima het zelf vermeldt, dit gedicht gemaakt is naar de monoloog waarmee Vondel’s Gysbreght van Aemstel opent. De Lima heeft bij elk vers het laatste woord van het oorspronkelijke gedicht overgenomen:

(Gijsbreght van Aemstel)

Het hemelsche gerecht heeft zich ten lange lesten

Erbarremt over my, en mijn benaeuwde vesten,

(De Uitgewekenen van Port Natal)

Gij hebt, ô Kaapsche Boer! u dus ten lange…..leste,

Ontrokken aan uw land en oude Riebeeks……..veste,

Het onderdeel Vaderlandsche zangen, waaruit het fragment ‘De Hollandsche Taal’ komt, neemt een vrij belangrijke plaats in in de bundel. De vaderlandsliefde was in de tijd van De Lima een veel voorkomend motief in de literatuur en de chauvinistische toon van de schrijver moet ons dus niet verbazen. Gedichten als ‘Ter herinnering aan de slag van Waterloo’ of ‘Uitboezeming’ passen heel goed bij de traditie waarin De Lima schreef: die van Tollens en Bilderdijk. Ook kan hem vergelijken met de Nederlandse dichter Isaäc da Costa (1798-1860). Deze kwam evenals De Lima uit een Portugees-joods geslacht en schreef ook in de traditie van Bilderdijk. Het bewogen patriottisme van De Lima vinden we bij Da Costa terug, alleen hij besteedt in zijn werk meer aandacht aan het geïdealiseerde Nederland van de gouden eeuw. In zekere zin bezongen Da Costa en De Lima allebei hetzelfde: de lof van een ideaal, ver Nederland waarvan ze allebei gescheiden waren, de eerste door de tijd, de laatste door de fysieke afstand.

Nieuwe gedichten als onderdeel van de koloniale literatuur

Suasso De Lima leefde en schreef in een koloniale situatie. Deze was heel anders dan de andere koloniale situaties die de Europeanen toen kenden. De Hollanders aan de Kaap waren namelijk tegelijkertijd overheersers van de inheemse bevolking en overheerst door de Engelsen. De politieke situatie in de tijd van De Lima werd gedomineerd door het conflict tussen het Britse gezag en de Nederlandstalige gemeenschap. De spanningen tussen deze twee bevolkingsgroepen vinden we duidelijk terug in Nieuwe Gedichten, wat de bundel tot onderdeel maakt van de koloniale literatuur. Het eerder genoemde gedicht ‘De uitgewekenen van Port Natal’ gaat over de Grote Trek van de boeren die in 1834 begon, o.a. naar aanleiding van de afschaffing van de slavernij door de Engelsen.

Gij hebt, ô Kaapsche Boer! u dus ten lange……leste,

Ontrokken aan uw land en oude Riebeeks……..veste,

(…)

ô Kaapsche Landman, ja! als men uw zorgen…kent,

Waarom gij ons verliet; -verdrietig in het……..end.

Ook in Kaapstad bestonden er spanningen tussen de twee bevolkingsgroepen. Het Britse gezag bracht positieve culturele ontwikkelingen met zich mee, wat een deel van de Nederlandstalige gemeenschap als een vooruitgang ervoer. Een ander deel van deze gemeenschap voelde zich echter door deze ontwikkelingen bedreigd. Sinds 1822 was het Engels de enige officiële taal in het ambtelijke verkeer en in 1840 werd het Nederlands verdrongen uit het onderwijs. Hoewel de taal zich bleef handhaven in de ‘burgerlijke samenleving’, met name in de kerk, had de gemeenschap waaraan Suasso De Lima behoorde, redenen om zich zorgen te maken over de toekomst van haar taal en van haar identiteit. Volgens S. Huigen was toen ‘de actieve beheersing van het Nederlands overal in Zuid-Afrika vrij slecht. (…) Alleen een kleine toplaag kon zich vermoedelijk vloeiend in het Nederlands uitdrukken.’

In ‘De Hollandsche Taal’ staat deze kwestie centraal. Het gedicht is gedateerd van 1840, het jaar waarin het onderwijs in de kolonie uitsluitend Engelstalig worden. De positie van het Nederlands als ‘tweederangs’ taal zien we hierin terug:

O dierbre waarde moedertaal!

Geen wanklank u ontluistert,

Schoon niet in zwang in ’s regters zaal,

Blijft men aan u gekluisterd, …

Ondanks het optimisme van De Lima wat de toekomst van zijn taal betreft, is in dit gedicht duidelijk te zien dat het Nederlands een slechte periode doormaakt. Een taal die ‘in de zaal der wet’ niet meer gesproken mag worden, loopt het gevaar verloren te gaan.

Het probleem van de taal kan niet los gezien worden van dat van de identiteit: een gemeenschap die zijn taal achteruit ziet gaan en uiteindelijk ziet verdwijnen, verliest zijn culturele identiteit. ‘De Hollandsche Taal’ getuigt van de gehechtheid van de Zuid-Afrikaanse Hollanders aan hun identiteit en hun angst voor de verengelsing die toen aan de gang was. Men komt dus hier een motief tegen dat typisch is voor de koloniale literatuur: de identiteitskwestie.

Van het patriottisme van De Lima hebben we eerder gezegd dat het bij zijn literaire traditie en bij het genre gelegenheidsgedicht hoorde, maar het moet volgens mij ook als karakteristiek van een koloniale literatuur beschouwd worden. Niet zozeer de inhoud van de patriottistische gedichten, maar eerder de belangrijke plaats die ze in de bundel innemen lijkt mij kenmerkend te zijn voor een literatuur die geschreven is in een koloniale situatie. De idealisatie van het verre vaderland komt namelijk heel vaak terug in de koloniale literatuur, geschreven door mensen die hun land van herkomst missen. Als De Lima in Amsterdam was blijven wonen, had hij waarschijnlijk de roem gezongen van het zeventiende-eeuwse Nederland, zoals Da Costa deed.

Men vindt dus in Nieuwe Gedichten drie elementen die karakteristiek zijn voor koloniale literatuur: de spanning tussen verschillende bevolkingsgroepen, het probleem van de identiteit en de idealisatie van het land van herkomst.

 

Het gekozen fragment

‘De Hollandsche Taal’ heb ik gekozen als representatie van de stijl van De Lima en vooral als symbool van een belangrijke strijd in zijn leven: het handhaven van het Nederlands als cultuurtaal in de kolonie. Daarnaast is in dit gedicht duidelijk te zien dat het werk van De Lima onderdeel is van de koloniale literatuur. Dit fragment vind ik dus niet alleen representatief voor de bundel waaruit het komt, maar ook voor de persoonlijkheid van de schrijver en zijn werk als geheel.

Joseph Suasso De Lima in de bloemlezing

Dat De Lima een plaats verdient in onze bloemlezing, is volgens mij nu wel duidelijk. Zijn werk heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de strijd tegen de overheersing van het Engels als cultuurtaal aan de Kaap en wanneer men nu 'De Hollandsche Taal’ leest, ziet men hoe belangrijk De Lima deze strijd vond.

Joseph Suasso De Lima vertegenwoordigt beter dan misschien wel ieder ander de Nederlandstalige gemeenschap van de Zuid-Afrikaanse kolonie in de eerste helft van de negentiende eeuw. Dit was een gemeenschap die gehecht was aan haar identiteit en haar taal en die bang was om deze te verliezen.

Verder voldoet De Lima aan de criteria van de NZAL: hij heeft het grootste deel van zijn leven in Zuid-Afrika doorgebracht en schreef in het Nederlands. Hij hoort dus zonder twijfel in onze bloemlezing.

 

 

Bibliografie

-Elisabeth Conradie, Hollandse skrijwers uit Suid-Afrika, ’n kultuur-historiese studie, dl. I (1652-1875), Pretoria/Kaapstad, 1934.

-F.C.L. Bosman, Drama en toneel in Suid-Afrika, dl. I (1652-1855), Kaapstad/Pretoria, 1928.

-F.C.L. Bosman en A. Dreyer, Hollandse joernalistiek in Suid-Afrika gedurende die 19de eeu en lewensketse van Hollandse joernaliste in Kaapland, Kaapstad, 1930.

-Suid-Afrikaanse Biografiese Woordenboek, dl. I, p.227-229.

-Joseph Suasso De Lima, Allereerste beginselen der geschiedenis van de Kaap de Goede Hoop, Kaapstad, 1825.

-Robert Ross, A concise history of South-Africa, Cambridge, 1999.

-Allister Sparks, The mind of South Africa, , New York, 1990.

-Siegfried Huigen, De weg naar Monomotapa, Amsterdam, 1996.

-H.J.M.F. Lodewick e.a., Literatuur geschiedenis en bloemlezing, dl.I, Den Bosch, z.j.


Continue


Terug naar de Bloemlezing Zuid-Afrikaanse literatuur
Terug naar de thuispagina van de Opleiding Nederlands