Continue

Gerardus Joannes Vossius (1577-1649)

De vertaling van zijn Elementa rhetorica door A.L. Kók en gedichten.
Eerste druk, 1648; herdruk 1678.
Hier uitgegeven naar de tweede druk.
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gemarkeerd met een asterisk,
en fraktuurletters in een aparte kleur weergegeven.
Continue
[
fol. A1r, p. 1]

Elementa Rhetorica,

Dat is

BE-GHINZELEN

DER

REDEN-RIJK-KONST;

In-zonderheidt van de Leer

DER

Waalingen en Ghe-stalten.

Tot nut der Schoolen van Hollandt en West-Vries-
land, in ’t Latijn t’zaam-ghe-stelt door


GER. JO. VOSSIUS,

Hoóg-leer-meester in de Door-luchtighe Schoól
van
AMSTERDAM.

En nu den Lief-hebbers ten besten in Neêr-duitsch
ver-taalt door A.L. KÓK.

[Vignet: Stadswapen van Amsterdam]

Tot AMSTELREDAM,
_____________________

By Servaas Witteling, Boeck-verkooper in de
Koe-straat, over de Latijnsche Schoolen.
1678.



[fol. A1v, p. 2: blanco]
[fol. A2r, p. 3]

Aan den
LEEZER.

’t SPoór is ghe-trokken, de Wegh ghebaant, en mijn be-lófte ghesproken, om u alle konsten en weetenschappen met ver-taalen (voor eerst) mê te deelen. Zal ik eerlijk zijn, ’t is reden, dat ik, na ver-moghen, vol-doe: en, had my een ander slagh van be-kommernissen niet ver-hindert, mijn be-lófte waar mooghlijk al ten eind gheraakt. Nu, be-leefde Leezer, moet u uw ghedult zo lang be-vredighen, om welk niet met ver-driet an te doen, zend ik u hier wederom voor uit iets kleins in schijn, maar ghroóts in zijn, de Be-ghinselen der Reden-rijk-konst naamlijk: Beghinselen, welke vol-leert en wel beghreepen, moghen ghe-zeght worden een byna vol-maakt Redener uit te konnen reeden. Maar laat my niet te veel roemen, op-dat mijn roem de zaak zelve niet ver-dacht maake; ’t schijnt oók niet noódigh, den Naam alleenlijk, daar dit mê op ’t voor-hoófdt pronkt, doet u, dat weet ik, niet als iet treflijx ver-wachten. Ghe-lijk ik dan dit op die ver-zekertheidt mede-deel, zo wacht ook ik van u, ghunstighe Leezer, ’t welk my noóyt ghe-mist heeft, niet [fol. A2v, p. 4] in mijn meening bedroóghen te zullen worden, en dat ghy dit, even als ’t gheen ik u voor dezen ghe-meen ghemaakt heb, danckbaarlijk en ghunstlijk an-vaarden, en my daar door anmoedighen zult, om niet af te laaten van u dienst te doen. Ter-wijl dan ghy verwacht, blijf ik bezigh ende ghe-heel uwe

                                                                                      A.L. KOK.
Continue
[
fol. A3r, p. 5]

BE-GHINZELEN

Der

REDEN-RIJK-
KONST,

In-zonderheidt van de Leer der
Waalingen en Ghe-stalten.

RHetorica, welke by de Latijnen Oratoria, by de Duitsen Reden-rijk-konst, ghenoemt word, heeft haar naam van Rheo, dat is, ik zegh. Om-dat, ghelijk de Letter-konst [Grammatica] de wegh wijst om wel oft zuiverlijk te spreeken: zo leert de Reden-rijk-konst [Rhetorica] wel zegghen, oft voor-zichtlijk, overvloedlijk en çierlijk spreeken.
    De Reden-rijk-konst wordt uit-ghe-beelt, een Ver-moghen om in ieder ding te zien, wat in ’t zelve be-quaam is om te over-reeden. Der-halven is het over-reeden het laaste Eind van een Reedener [Orator]: zijn plicht is te zien, wat om te overreeden voeght, of be-quaamlijk zegghen om te over-reeden. De Stof is alle ding, maar in-zonderheidt het borgherlijk Ghe-schil [Quaestio civilis].
    Dat Ghe-schil is oft Stelling oft Onder-stelling.
    Stelling [Thesis] is een on-be-paaldt oft al-ghemeen Ghe-schil; als,
    Of men een laaghe-leggher magh doóden?
[fol. A3v, p. 6]
    Onder-stellingh [Hypothesis] is een be-paaldt oft by-zonder Ghe-schil; als
        Of Milo met recht Clodius ghedoót heeft?
    De deelen van eens Reedeners plight zijn vier Be-wijs-redenen vinden, de ghe-bondene schik-ken, de ghe-schikte op-pronken, en de ghe-pronk-te uit-spreeken. En hier uit zijn ’er even zo veel deelen der Reden-rijk-konst; Vinding, Schik-king, Be-woording en Uit-spreeking.


VAN DE VINDING.

    Vinding [Inventio] is een be-denking van Be-wijs-redenen, welke be-quaam zijn om te over-reeden.
    De Be-wijs-redenen [Argumenta] zijn dryërley; Redenen, Zeden en Harts-toghten, welke by de Ghrieken Logoi, Ethê en Pathê ghe-noemt worden. Van dezelve zijn de Redenen krachtigh om te over-reeden; de Zeden, ghoedtwilligh te maaken; de Harts-toghten om te be-weeghen.
    De Be-wijs-redenen van ’t eerste Gheslacht zijn konstigh oft on-konstigh.
    Konstighe [Artificialia] worden ghe-noemt, welke van den Reedener door weldaadt der konst ghe-vonden worden.
    De zelve zijn Ver-scheiden na de ghe-slachten der Onder-stellingen, welke de Latijnen Causae, wy [Hoofdt-zaaken] noemen.
    De ghe-slachten der Hoofdt-zaaken zijn dry: Be-tooghend, Be-raadend, en Recht-spreekend.
    Betoóghend [Demonstrativum] is, waar door men looft oft lastert. En ziet voor-neemlijk op de teghen-woordighe tijdt.
    Alle lof en laster is oft van een Persoon, oft van een daadt, oft van een zaak.
[fol. A4r, p. 7]
    Van een Persoón [Personae]; als, zo men Cicero looft: Antonius ver-acht.
    Van een daadt [Facti]; als, zo men het vry-willigh me-de-leeven kan M. Regulus tot zijn vyanden looft: oft in de Utische Kato ver-acht, dat hy, om niet in Cesars ghe-weldt te vallen, an zich zelf zijn handen ghe-leght heeft.
    Van een Zaak [Rei]; als, zo men de wel-spreeken-heidt oft het landt-bouwen looft: oft ver-acht de on-deughdt van een on-dankbaar ghe-moedt.
    De Be-wijs-redenen worden in dit gheslacht voor-neemlijk ghe-nomen van het Eerlijk en Schandlijk.
    ’t Be-raadend [Deliberativum] Ghe-slacht is, waar door men an of af-raadt; als, indien-men de breede oft wapenstandt anraadt; den oorlogh af-raadt: oft in teghen-deel.
    Alle Be-raading is van het toe-komstighe. En in de zelve wordt voor-neemlijk an-gemerkt, of iet Nut oft On-nut zy.
’t Rechtspreekend [Judiciale] Ghe-slacht is, waar door men be-schuldight oft be-schermt. Zo is Milo, na dat hy Klodius ghe-doot had, van Klodius Vrienden be-schuldight, van Cicero be-schermt.
    Dit Ghe-slacht ver-keert omtrent het Voor-ledene. En de Be-wijs-redenen zijn in ’t zelve ver-scheiden na de ver-scheidenheidt der Staa-ten.
    De Staat [Status] is een Ghe-schil uit de eerste t’ zaa-men-horting der Hoofdt-zaaken voort-komende. En rijst in ’t Recht-spreekend Ghe-slacht uit des Be-schuldighers eerste an-klacht, en des Be-schermers ver-weering.
    Zo wierd Milo beschuldight dat hy Klodius [fol. A4v, p. 8] ghe-doot had: Milo be-kende hem om-ghe-braght te hebben; maar zeide, dat hy hem met recht ghe-doot had. Der-halven is de Staat ghe-weest, of Milo Klodius met recht oft onrecht ghe-doot heeft?
    De Staat is vierërley, Naamend, Be-paaldend, der Hoe-daanigheidt, der Hoe-ghrootheidt.
    Raamende [Conjecturalis] is, waar door men vraaght, of ’er iet ghedaan zy, oft niet; als,
    Of Sextus Roscius zijn vader ghe-doót heeft?
    Bepaaldende [Finitivus] is, waar door men na de naam de zaak vraaght; als,
    Ik heb ’t wel ghe-nómen, maar gheen dief-stal bedreven.
    Al-waar men Dief-stal zal moeten uit-beelden, Ende zo in andere.
    Der Hoe-daanigheidt [Quantitatis] is waar door men vraaght hoe-daanigh de daadt zy; als
    Milo heeft Klodius wel ghe-doót, maar hy heeft het met recht ghedaan.
    Al-waar men met de wetten zal moeten bewij-zen, wat met recht oft onrecht gheschiedt.
    De Staat der Hoe-groôtheit [Quantitatis] is waar door men verschil over de grootheidt der zaak heeft; als,
    Indien ’t blijkt en mis-daat te zijn, maar ontkent wordt een zwaare mis-daadt te zijn.
    Al-waar in-zonderheidt op de ver-ghrooting en ver-kleining der daat ghe-let wordt. Derhal-ven moetmen zien, wat ghroot oft klein behoort ghe-acht te worden.
    In elk Ghe-slacht nu heeft a het Mooghlijk [tò Dunatòn] (oft ’t gheen ghe-schieden oft niet ghe-schieden kan) plaats: ghe-lijk ook de ver-ghe-lijking b oft wat eerlijker, nutter, of recht-vaerdigher zy.
    By de konstighe c Be-wijs-redenen komen de [fol. A5r, p. 9] On-konstighe [Inartificialia], welke van buiten by-ghe-braght van den Reedener alleen door de konst ge-handelt worden.
    Als in zonderheit zijn de Ghe-tuighnissen [Testimonia.]
    Nu volghen de Lydingen [Pathê] oft Harts-tóghten [Affectus], welke Ghodt in onze ghemoederen in-ghe-stort heeft om als prikkels tot eer-lijke doeningen te zijn.
    Deze zijn, na ’t ghe-voelen der Stoïschen, vier: een opzicht van het teghen-woordigh ghoedt, Blijdtschap; ten opzicht van het toekomstigh ghoedt, Hoop; ten op-zicht van het teghen-woordigh quaadt Droefheidt; ten opzicht van het toe-komstigh quaadt, Vrees.
    En hier toe worden be-trokken, Ghramschap, Zaft-moedigheidt, Schaamte, On-beschaamtheidt Liefde, Haat, Spijt, Nijt, Barmhartig-heidt en Ver-bolging.
    In ieder van welke men in-zonderheidt letten moet, en hoe die Harts toght be-wooghen, en hoe die ghe-stilt werde.
    Nu zijn de Zeden [Mores] overigh; welke hier an-ghe-merkt worden, voor zo veel zy uit de reden van de Reedener uit-schijnen.
    Op dat een Reden zedigh zy, zo moet een Reedener voor al maaken, dat Doorzichtigheydt, Droomheidt en Ghoedtwilligheidt in de zelve uit-spreeken. Want wy ghe-looven haar lichtlijk, die en de zaak ver-staan, en ons gonstigh zijn.
    Daar-en-boven moet hy zien, en by welke hy spreekt, en van welke hij spreekt. Want de ze-den der Menschen ver-anderen zo ten op-zicht van de natuur des Dolr en ghe-meenen-bests: als ook in elk in ’t by-zonder, ten op-zicht der Harts-toghten, Heblijkheden, Ouderdom en Avondt-uur. Tot hier toe van de Vinding.



[fol. A5v, p. 10]

VAN DE SCHIKKING.

    Nu volght de Schikking, [Dispositio] welke is een t’zamen-stelling van de deelen eener Reden, bequaam om te over-reeden.
    De deelen van een Reden zijn In-leiding, Ver-telling, Voorstelling, Bevestighing, Weerlegghing, Besluiting. Dan welke eerste en laatste in-zonderheydt maghtigh zijn om de ghe-moederen te be-weeghen; de andere meer om te leeren.
    De Voor-neemste plight van een In-leyding [Exordium] is den Toe-hoorder voor-be-reiden tot het overig ghe-zegh. ’t Welk ghe-schiedt met hem ghoedt-willigh, an-daghtigh en leerzaam te maaken.
    Wanneer men het zelve opentlijk doet, zo wordt zy een Be-ghin oft An-vang [Archê, principium] ghe-noemt: maar zo het zelfde be-dektelijk ghe-schiedt, zo wordt zy Be-kruiping, in ’t Ghrieksch Ephodos, ghe-heeten.
    Men prijst de In-leidingen [Insinuatio], welke als uit de Hoofdt-zaak ghe-booren; ins-ghelijk zedigh en schaamachtigh zijn.
    En men moet die mijden, welke al te vêr ghe-haalt; ins-ghelijr ons en der Teghen-party ghe-meen, oft lichtlijk te ver-anderen, oft al te grootsch zijn.
    De Ver-telling [Narratio] ver-klaart de ghe-schiede zaak, zo als zy ghe-schiedt is, van ’t be-ghin tot het eind toe.
    De zelve wordt zom-tijds ghe-heel after-volght: zom-tijdts worden de deelen der zelve by-zonderlijk ont-bouwt en ver breet.
    De Ver-telling moet klaar zijn, op dat zy ver-staan: waar-schijnlijk, op-dat zy ghe-looft; zoet, op-dat zy ghaern ghe-hoort werde. Zy [fol. A6r, p. 11] moet ook kort zijn, om-dat zy zo zy langer uitghe-rekt wordt, als noodigh is, ver-drietigh sal zijn.
    De Voor-stelling [Propositio] stelt het be-ghrip der ghansche Reden voor. Welke, zo zy de Reden in deelen schift, Ver-deeling [Partitio] ghenoemt wordt. De Ver-deeling moet klaar en kort zijn: dat is, zy moet niet ghrooter als van dry, oft ten hooghsten van vier deelen zijn.
    De Be-twisting, [Contentio] welke Aristoteles Pistis (dat is, gheloof) noemt, beghrijpt de bevestighing en Weêr-legghing.
    De Be-vestighing [Confirmatio] maakt onze Hoofdt-zaak met be-wijs-redenen vast.
    De Weêr-legghing [Confutatio] ver-nietight de Be-wijs-redenen der Teghen-party.
    De Be-sluiting, by de Latijnen Peroratio, is het slot van de ghansche Reden.
    De plight der zelve nu is twe-voudigh. De eerste is de Her-telling [Anacephalaiosis], oft de op-telling der voor-neemste Bewijs-redenen. De tweede is de Ontroering, [Pathopoïa] oft de be-weeghing der Harts-thoghten. Komen wy nu tot de Be-woordingh.


VAN DE BE-WOORDING.

    De Bewoording [Elocutio] is zom Wijs-gierigh, zom Reden-rijk-konstigh; zom Ghe-schicht-kondigh, zom Dicht-konstigh.
    De Reden-rijk-konstighe Be-woording [Elocutio Oratoria] is een Ver-klaaring der ghe-vonde en ghe-schikte dingen door woorden en sprueken, be-quaam om te over-reeden.
    De Reghels der Be-woording zijn oft alghe-meen: oft tot deze oft die Stof oft Spreek-wijzen ver-knocht.

[fol. A6v, p. 12]
    De ge-meene Be-woording wort ge-schift in Aartigheidt, Waardigheidt, en Schiklijkheit.
    De Aartigheidt [Elegantia] maakt, dat alles zuyverlijk en duidelijk ghe-zeght wordt.
    Tot de Zuiverheidt [Puritas] is kuer van woorden nodigh. Der-halven moet men de Bast-aart-woorden [Barbara] vermijden. Ook gheen ver-oude en on-ghebruiklijke toe-laaten. Ins-gelijc moet men stodighe en on-kuische met eerlijke woorden omschrijven.
    Teghen de Duidlijkheit [Perspicuitas] strijdt onder anderen een dubbel-zinnighe reden, al te ghroote kortheidt, ende ver-werde order van woorden.
    De Waardigheit [Dignitas] ver-leent der Reden de pronxelen oft çieraaden van woorden en sprueken welke de Reden-rijkers Waalingen en Ghestalten noemen.
    Waaling [Tropus] is een ver-draaying van een woord van zijn eighe be-tekening tot een andere met kracht.
    De Ver-andering der be-tekening nu gheschiedt vier-zins, en daardoor zijn’er vier voor-neeme Waalingen: Over-draght, Over-naaming, Ver-vanging, en Schars.
    Over-draght [Metaphora] is een Waaling, waar door een woordt van zijn eigen tot een andere be-tekening over-ghe-draaghen wordt om de Ghe-lijkheidt.
    Der-halven worden hier dry dingen an-ghemerkt, de eigen en vreemde be-tekening, en de ghe-lijkheidt.
    Al-zo wordt een Scrupel eigentlijk genoemt een Steentje, in de schoenen der Reisigers invallende: on-eigentlijk wordt zo ge-noemt een bekommering en twijffeling. De ge-lijkheidt bestaat daar in; dat even als dat Steentje an de voeten; al-zo de bekommering an ’t gemoedt mojelijkheidt baart.
[fol. A7r, p. 13]
    Gheenighe Waaling nu brengt eener Reden meer luisters an; in-zonderheidt zo zy be-wooghen werd tot de zinnen zelve, doch meest der ooghen, welcke zin de scherpste is; als, De ghlans der woorden, de weetenschappen bloeyen, zien voor verstaan, en dier-ghelijke.
    Over-naaming [Metonymia] is een Waaling, waar door een uit-wendighe Oor-zaak voor een Ge-wrocht, of ten Onder-werp voor een By-voegh, oft het Door-ghaende voor ’t Na-volghende, oft het teghen-deel ghe-stelt worde. Der-halven zijn’er in ’t ghe-heel zes ghe-daanten oft wijzen van Over-naaming.
    De eerste voor een ghe-wrocht een uitwendighe Oor-zaak: en de zelfde oft werkende, als Mars voor den Oorlogh, Livius voor de schriften van Livius, de Tong voor de taal, de Handt voor het schrift: oft een Eindighe; als, Een voor-beelt stellen, dat is, Straffen, dat het anderen tot een leering zy. Al-zo Maro:
    Oft laat ootmoedigh hy de eer op d’altaars legghen. dat is, het offer.
    De tweede wijs is van een Ghe-wrocht voor een uit-wendighe Oor-zaak: en de zelve oft werkende; als, De bleeke doodt, om dat zy bleek maakt; De blinde gramschap, om dat zy de menschen blindt maakt: oft een Eindighe; als, Fillis zoud my een kransje leezen, voor bloemen. Virg. Ecclog. 10. † [† Alwaar ook een Vervanging is van een wezentlijk Heel voor een stoflijk Deel.]
    De derde is van een Onder-werp voor een By-voegh. Daar toe be-trek, als ’t Be-grypend ghe-stelt wordt voor ’t Be-ghreepene; als, Romen voor de Romainen, de Kroes voor de wijn. Ins-ghelijc als de Be-zitter ghe-stelt wordt voor de be-zetene zaak; als,
[fol. A7v, p. 14]
    Wat meent ghy, dat men u nóch eindelijk zal leeren.
    Als wien men zonder schroóm ghe-    duurig zal verteeren?

    Dat is, wiens rijkdommen me zal ver-teeren. Ter. Heaut. Nu brandt de naaste buur Ucalegon, dat is, Ukaleghons huis. Virg. 2 Aen. Ins-ghe-lijc de Veldt-heer voor de Zoldaaten als Caesar voor het heir. Oft de Schuts-heer [Patronus] voor de Schuts-ge-noót [Cliens]; als, Ik ont-ken my her-stelt te zijn, dan is, mijn Schuts-ghe-noot. Insghelijc het Be-tekende voor het Teken; als Iupiter voor Iupiters beeld; Orpheus voor een ghe-schilderde Orpheus.
    De vierde Wijs is van een Byvoegh voor een Onder-werp. Ghelijck wanneer ’t Be-ghreepene ghe-stelt wordt voor ’t Be-grijpend; als, Zy kroónen de wijn, voor de kroezen: oft het Teeken voor het Be-teekende; als, de Bondels en Bijlen, voor het Burgher-meesterlijk ghe-biedt: de Rók, voor de Vreede.
    Hier toe be-trek, als de Tijdt ghe-steldt wordt voor de zaak, die in de Tijdt is; als, De moedt-wil dezer eeuw. Philip. 9. O tijden! o zeden! tegh. Katil.
    Ghe-meenlijk be-trekt men hier toe ook, wanneer de dueghden oft ghe-breken * [* Maar dit is veel eêr een Vervanging van een Weezentlijk Heel: naamlijk van de Vorm voor ’t ghevormde.] voor de persoonen zelve ghe-stelt worden; als, de Konst voor de konstener; de Ghulzigheid voor den Ghulzigen.
    De vijfde Wijs is, als het Door-ghaande ghe-stelt wordt voor het Na-volghende; als, Zy hebben ghe-leeft; voor, Zy zijn ghe-storven; aanzitten, voor avont-maalen.
    De zeste Wijs is van een Na-volghend voor een Voor-ghaande; als, Het Lijk, voor de Doodt.
    De twee laatste Wijzen worden van zommighen Over-neeming [Metalepsis] ghe-noemt.
    Ver-vanging [Synecdoche] is, als een Heel ghe-stelt word [fol. A8r, p. 15] voor een Deel; oft een Deel voor een Heel. De zelve ghe-schiedt op zes Wijzen.
    De eerste Wijs is, als een Ghe-slacht, welk een Al ghe-meen Heel is, ghe-stelt wordt voor een Ghe-daante; als, De voghel wierp de roóf in ’t water uit haar klaauwen, voor den Arendt. Virg. Zo ook, De vier-voet steighert recht om hoógh, voor het Paerdt. De zelfde.
    De tweede wijs is, als een Ghe-daante in teghen deel ghe-bruikt wordt voor een Ghe-slacht; als de Zuide oft Noórde-wint voor allerley windt: Bastert, voor allerley kostelijke Wijn: Een schicht; voor allerley wapenen: Hymetsche Hooningh, voor allerley Hooningh.
    De derde is, als men een Weezentlijk Heel, welk uit Stof en Vorm be-staat, alleen voor de Stof, oft voor de Vorm ghe-bruikt; als, Zy hebben mijnen Heer ghe-nómen, en ik weet niet waar dat zy hem ghe-leght hebben, dat is, Mijns heeren Jezus lichaam. Joan. 20:13.
    De vierde, als in teghen-deel een vormlijk oft stoflijk Deel voor een weezentlijk Heel ghe-stelt wordt. Zo is een Ver-vanging der Vorm, Een zuivere ziel, voor een zuiver mensch. En der Stof, Goudt, Zilver, Koper, voor Geldt: het yzer, voor het zwaerdt: Een halm oft riedt, voor een fluit van een halm of riedt ghe-maakt. Zo ook; Uit Ghe-steenten drinken, Op purper slaapen. Dit noemt men ghe-meenlijk een Over-naaming der Stof.
    De vijfde Wijs, als ee heeligh Heel voor een Deel ghe-nomen wordt; als by Virg.
    Wanneer zy Trojens weiden smaakten.
    En Xanthus water-stroóm met haare lippe raakten.

Zo ook de Werelt voor het Roomsch-rijk.
    De zeste Wijs is, als een heeligh Deel voor [fol. A8v, p. 16] een Heel ghe-stelt wordt; als, Een kluchtigh óft belacchlijk hoofdt, voor een kluchtigh oft be-lacchlijk mensch: de Steven, voor ’t schip: het spits, voor het zwaerdt,: het dak, voor ’t huis.
    Tot de vijfde en zeste Wijs be-trek, als een een-voudigh Ghe-tal voor een meêr-voudigh oft een meêr-voudigh voor een een-voudigh, of eindelijk een zeker voor een on-zeker ghe-stelt wort als, De Romain ver-winner in de strijdt. Liv.
    Be-spreidend ’t eerbaar roódt op haar schoón’ anghezichten. dat is, haar schoon anghe-zicht. Ovid. Met.
    Zes hondert dier-ghe-lijke maghmen voort-brengen. Cic. 2. de Div.
    Schars [Ironia] is een Waaling, waar door men ’t te-ghen-deel ver-staat, van ’t gheen men zeght waar van zy by zommighe Be-spotting [Illusio] ghe-noemt wordt.
    Dat naamelijk be-zorgth het vólk. Ter. Hoór hier fijn man. De zelfde.
    Zo ook Penelope van een on-kuissche: Kato van een zot.
    En dit zijn de voor-neemste Waalingen.
    Ghe-daanten nu der Waalingen zijn Over-neeming, Ver-noeming, Ver-mindering.
    Over-neeming [Metalepsis], by de Latijnen Transumtio, wordt ghe-noemt, als het Voor-ghaande voor het Navolghende, oft het teghen-deel ghe-stelt word: en is een ghe-daante der Over-naaming, als boven ghe-zegt is. Maar iet anders is Over-neeming, als zy een An-doening oft Eigenschap der Waaling is, als na-maals ghe-zeght zal worden.
    Ver-noeming [Antonomasia] is een ghe-daante de Ver-vanging, waar door het eighen voor ’t ghe-meen, of het teegen-deel ghe-nomen wordt.
    Van de eerste wijs is, Irus voor een arm mensch, Thersites voor een leelijk-aart, Kato voor een wijs [fol. B1r, p. 17] man, Mecaenas voor een Schuts-heer der gheleerden.
    Van de tweede wijs is, Ouder voor Vader, de Wijs-ghier voor Aristoteles, de Stadt voor Romen, de Dichter voor Homerus oft Virgilius, de Ghods-ghe-zant voor Paulus.
    Hier toe betrek de niet-weer-keerighe Omspraak ; als, De Schrijver der Trojaansche oórlogh, voor Homerus.
    Ver-mindering [Litotes] by de Latijnen Extenuatio, gheschiedt, als men min zeght en meer ver-staat: waar uit blijkt, dat zy der Ver-vanghing onderworpen kan worden; als,
    ’k Ver-acht de ghaaven niet, dat is, ik ont-fang ze ghaeren. Virg. 7. Aen.
    Ik prijs ’t niet. dat is, ik berisp het. Ter. And.
    De voor-neemste An-doeninghen der Waalinghen zijn vier; Over-neeming, By-spraak, Mis-bruiking, Ghroot-spraak.
    Over-neeming [Metalepsis] is een veel-voudighe Waaling in een woordt; oft, wanneer men traps-wijs van de eene be-tekening tot de andere voortghaat; als,
    Na meenigh aaren-vliem be-ziende mijne rijken,
    Zal van verwondering ik lichtelijk be-zwijken. Virg.

    De aaren-vliem voor de koorn-aaren, de koorn-aaren voor de Ooghst, de Ooghst voor het jaar, en al-zo de aaren-vliemen voor het jaar.
    By-spraak [Allegoria] is een Vol-herding van een Waaling in veel woorden; als,
    Stop, kinderen, de beek, de weid heeft zat ghe-dron-ken. Virg.
    dat is, houd op van zinghen, wijl wy ’t ghenoegh ghe-hoort hebben.
    De Berghen, teel-ziek, zijn tot baaren vaardigh:
    Wat komt’ er voort? een muus be-lacchens waardigh,

[fol. B1v, p. 18] zeght Horatius van een ver-wachting, welk tot spot uit-valt.
    Mis-bruiking, [Catachresis] by de Latijnen Abusio, is een erghe herdigheidt van een Waaling. Als wanneer eenigh woordt vry-postelijker van zijn eighe tot een andere be-tekening af ghe-booghen wordt: als, Een Kolk oft wiel; en d’Ondiepte voor de Zee.
    Zy bouwen door de Konst van Pallas zulk een paerd
    Dat even als een bergh stont op het vlak der aardt. Virg.

    Een korte lely, by Horat. Voor een niet langduurighe.
    Ghroót-spraak [Hyperbole] is een reden voor ver-meerderen oft ver-minderen het ghe-loof te bovenghaande.
    Door ver-meerderen; als, Witter dan sneeuw, zoeter dan hooningh, Sneller dan d’ oóste-windt. Cic. Philip.2. Ghe-gheete brókken, die na de wijn roóken over-ghee-vende, heeft sijn schoot en de ghansche richt-stoel ver-vult.
    Door ver-minderen; als, Langzaamer als een Schildt-pad, Minder als niet-met-al.
    Tot de Waalingen be-trekt- men ook ghemeenlijk, doch valschlijk, zes ghe-daanten van Be-spotting; Be-ghrynzing, Be-schimping, Ghek-scheering, Boerding, Be-ghuighing, en Na-aaping.
    Be-ghrijnzing [Sarcasmus] is een vyandighe Be-spotting over een, die al-re ghe-storven is, oft zekerlijk sterven zal; als,Zijt ghe-ghroet Koning der Iooden. Matth. 27.
    Gha heen, be-spot de dueghdt met op-ghe-blaaze wooorden. 9. Aen.
    Be-schimping [Diasyrmus] is een vijandighe Be-spotting, maar buiten doodt-slagh; als De Ezel an de lier.
    De ghans ruischt met de Zwaanen. Ecclog.10.
    [fol. B2r, p. 19]
    Ghek-scheering [Charientismus] is een jokking met ghe-nueghlijkheidt bijtende, zo zeght Davus, by Terentius, het rasp-huis af-biddende; Ik bid u, gheeft ghoê woorden. Zo ook, Godt betere.
    Boerding [Asteïsmus] is een zedighe jokking; als,
    Die Bavius niet haat, minn’ Mevius uw’ dichten. Virg.
    Want Bavius was een quaadt dichter, en Mevius noch slimmer.
    Be-ghuighing [Mycterismus] ghe-schiedt, wanneer men iemant met een op-ghe-schorste nues be-ghuight.
    Na-aaping [Mimesis] ver-haalt eens anders woorden met een reghel-rechte reden; en by-na om te lacchen; als,
    Maar ’k wist niet wat ghy wout; het kindt is hier ontrokt,
    Mijn moeder heeft het voor haar dóchter op-ghe-fókt,
    Het wiert mijn Zus ghe-noemt: Nu wil ’k ’t an zijn vrinden,
    Weêr-lev’ren, om als kax, die an my te ver-binden. Ter.

    Hier toe pleeghen ook be-trokken te worden, welke eer tot de Letter-konst als Reden-rijk-konst schijnen te be-hooren: en dat oft tot de Oorspronklijkheidt [Etymologia], als Naam-dichting en Teghen-woording: oft tot de t’Zaamen-voeghing, [Syntaxis] als Ver-draaying.
    Naam-dighting [Onomatopoïia] is niets anders, als de verdichting van een naam na ’t ghe-luidt; als Blaeten, Ghnorren, Loeyen, Neyen.
    Teghen-woording [Antiphrasis] is een woordt van ’t teghenstrijdigh af-ghe-noemt: zo zeght men ghe-meenlijk by de Latijnen, dat d’ oorlogh Bellum ghenoemt wordt, als gheen-zins Bellum (schoon): de noemt Ghoddinnen des levens Parcae, om-dat zy gheenzins parcant (spaaren): Een dicht bosch Lucus, om-dat het gheen-zins Lucet (licht.)
[fol. B2v, p. 20]
    Ver-draying [Hypallage] is, wanneer de order der dingen ver-draayt wordt, als by Cicero voor Marcellus; Wy hebben in de Stadt het zwaerdt niet van schede ont-ledight ghe-zien. Voor, de schede van zwaerdt ont-ledight.
    De Zee, die sloegh de Bruutsche Weste-windt.
    Dat is, de Weste-windt sloegh de Bruutsche Zee. Sen. in Thyest.


VAN DE GHE-STALTEN.

    Het tweede deel der Reden-rijk-konstig Waerdigheidt ver-keert in de Ghe-stalten en Verbeeldingen [Figurae]
    Ghe-stalte [Schema] nu is een Vorm der Reden, waardoor zy op eenige andere wijs, als door ver-wisseling der be-teekening, van de ghe-meene ghe-woonte tot een beter ver-keert wordt.
    De Ghe-stalten zijn tweërley; der Woorden en Sprueken: by de Ghrieken Léxeös en Dianóias.
    De Ghe-stalten der woorden zijn dryërley: zommighe be-staan in ’t ver-zwijghen oft ghebrek; zommighe in de uit-wijk oft over-vloed, zommighe in ’t overighe lichaam der Reden.
    Door ver-zwijghen ver-beelden Uit-laating en Ont-koppeling.
    Ont-kóppelingh [Asyndeton] is een ghe-brek van ’t koppel-woordt; als Breng haastigh vlammen voort, werp pijlen drijf, de riemen. Virg. 4. Aeneid.
    Uit-laating [Ellipsis] is een ghe-brek van een ander deel oft ledeken; als,
    Maar eindelijk wie ghy? al waar zijt uit-ghelaaten wordt. 1. Aeneid.
    Door Uit-wijk ver-beelden de Reden Overtolligheidt en Veel-koppeling.
    Veel-koppeling [Polysyndeton] is een over-vloedt van ’t kop- [fol. B3r, p. 21] pel; als, My en dient, en eert, en lieft hy boven anderen. Cic.
    Over-tólligheidt [Pleonasmus] is een Over-vloedt van eenigh ander deel oft ledeken; als,
    Ik heb stem ghe-hoórt met dees mijn eighen oóren. 4. Aneïd.
    De Ghe stalten, welke in ’t overigh lichaam der Reden ghe-schieden, stellen oft het zelfde woordt, oft dier-ghe-lijke.

GHE-STALTEN.
Waar door het selfde woordt ver-haalt wordt.

    Weêr-slagh [Antanaclasis] wordt ghe-noemt, als het zelfde wordt in be-noeming, niet in be-tekening, ghebruikt wordt; als,
    Wat mooght ghy voor die zaak zo zórgen.
    Die u be-laadt met zo veel zórghen: Cornific.

    Hier toe be-hoort Zin-waaling [Ploce], als een woordt op de eene plaats een Persoon oft zaak; op de andere de zeden, oft eenighe andere Hoe-daanigheidt be-tekent; als,
    Memmius was tót op dien dagh Memmius; dat is zijns ghe-lijk.
    Een aap is een aap, al had hy een ghulde keten an.
    Een-naaming [Synonymia], als woorden, die het zelfde betekenen, t’zaam ghe-voeght worden; als,
    Hy is wegh-ghe-ghaan, ont komen, ont-sloópen, ont-vlucht. Cic 2. Cat.
    Ik be loóf ’t, neem ’t op my, en blijf ’er borgh voor. Philip. 4.]
    Uit-werking [Exergasia] is een t’ zaamen-hooping van sprueken, die het zelfde be-tekenen; als,
    Want wat deed, Tubero, dat u zwaerdt in de Farzaalsche slagh-order? na wiens zijde zócht dat spits? Welk was de zin uwer wapenen? welk u ver-standt, [fol. B3v, p. 22] oóghen, hitte des ghe-moedts? wat be-geerde ghy? wat wenscht ghy? Cic. voor Lig.
    Voor-ver-haal [Anaphora] is een ver-haaling van ’t zelfde woordt in ’t be-ghin; als,
    U zong uw zoete vrouw, u eenigh an de strandt,
    U als de zon op-ghing, u als zy ghing van kant.

    Virg. 4. Geor.
    Na-ver-haal [Epiphora] is een ver-haaling van ’t zelfde woordt op de einden; als,
    Het Roomsche Volk heeft de Karthaginenzen door rechtvaardigheidt verwonnen, door wapenen ver-wonnen, door mis-daadigheidt ver-wonnen. Cornific.
    In-dien voor-ver-haal en Na-ver-haal t’zaamen-loopen, zo wordt het Om-tóght [Symploce] ghe-noemt; als,
    Wie heeft de wet ghe-gheeven? Rullus. Wie heeft het meeste deel des Vólx van Kuer-stemmen be roóft? Rullus. Wie is over de ver-ghaderingen ghe-weest? de zelfde Rullus. Cic. Agrar.
    After-na-verhaal [Epanalepsis] is een ver-haaling van ’t zelfde woordt in ’t be-ghin van de voor-ghaande, en ’t einde van de volghende spruek; als,
    Wie drinkt, die raast’er van: wijk vér voor-zichtigh Man.
    Die dijn ver-stand be-zórghst; wie drinkt, die raast’er van.

        Ovid. fast.
    Ver-dubbeling [Anadiplosis] is een ver-haaling in ’t eind van de voor-ghaande, en ’t be-ghin van de volghende spruek; als,
    Zie daar komt Cazars gulde ster.
    Ster, waar door ’t ghe-was zich hueghde. Virg. Eccl.
9
    Weer-keering [Epanodos] is, wanneer men ’t gheen voor ghe-stelt was, after, en ’t gheen after ghe-stelt was, voor ver-haalt; als,
    Demofoön du ghaaftst an winden Zeil en woordt:
    Dat nócht dijn woordt na trouw, nocht zeil na weêrkomst hoort,
    Is my be-klaaghens waerdt. Ovid. Epist. Heroid.

[fol. B4r, p. 23]
    t’ Zamen-voeghing [Epizeuxis] is, als eenigh woordt met heftigheidt her-haalt wordt; als,
    Het bosch, Menalkas, zelf klinkt steets, die Ghódt, die Ghódt. Virg. Eccl. 5.
    ’t Kruis, ’t kruis, zegh ik, voor dien on-ghe-lukkighen en ellendighen. Cic. Verr.
    Trap-spruek [Climax] hecht voor hetzelfde woordt het bovenste an ’t be-nedenste, Cic.
    De Wakkerheidt heeft den Afrikaanschen Scipio duegdt roem, de roem be-nijders verschaft. Cor.
    Val-wending [Polyptoton] is, wanneer het zelfde woordt met een ver-scheide, dat is, uit-ghang verhaalt wordt.
    Maar vol zijn al de boeken, vol de woorden der wijsen, vol out-heyt der Voor-beelden.
    Strandt vloek ik teghen strandt, &c.

GHE-STALTEN.
Welke ghe-lijke Woorden ver-haalen:

    Spruit-redening [Paregmenon] voeght woorden, van welke hetgeen van ’t ander af-spruit; als,
    Ook zijt ghy oeff’ner an’s dichts oeffening ver-pant:
    En ghy ver-standighe be-gunstight ons ver-standt. Ovid.

    Ver-lettering [Paronomasia] is, als door een kleene ver-andering van een woordt de reden in een ghansch andere zin ghe-booghen wordt; als,
    Nooit ghe-noegh ghe-zeght en wordt,
    Dat nooit ghe-noegh ghe-weeten wordt. Sen. in de 27. brief.

    Cato, als Tullius van den Redener zeght, als hy teghen iemandt zeide; laat ons ghaan wandelen; zo zeide die, Wat heeft men nu noodigh? ja zeker, ant-woorde hy; wat heeft men u noódigh?
    Ghe-lijk-valling [Homojoptoton] is, als veele door de zelfde vallen voort-ghe-braght worden; als,
    Hy is de selfde Verres, die hij al-tijdt ghe-weest is; [fol. B4v, p. 24] ghelijk ghe-strekt om te be-staan, zo ghe-reedt om te verstaan. Cic.
    Ghe-lijk-einding [Homojoteleuton.] is, als de Leden [Cola] oft Sneden [Commata] met de zelfde klank be-taalt worden. Cic.
    Dat niet alleenlijk de Borgers sijnen wille hebben toe-gestaan, de Bondt-ghenooten niet teghen-ghestaan, de vyanden teghen-gheghaan, maar ook de Winden en de Tempeesten, by-ghe-staan.
    Na-klank [Parechesis] is, als een oft meer letter-ghreepen [Syllaben] van het voor-ghaande woordt in een ander van ’t zelfde lidt ver-haalt worden; als,
    De rók be-rókt my niet als vrees. Plaut.
    O roem-rijk Romen zaligh ghe-boóren,
    Als my de Burghers tót Burgher-meester koóren! Cic.

VAN DE GHE-STALTEN.
der Sprueken.

    De Ghe-stalten der Sprueken worden byghe-braght tot de pronk zom der Vinding, zonder Schikking.
    Laat ons eerst zien van die, welke der Vinding zijn.
    Voor-koming [Prolepsis, Occupatio] is, wanneer wy dat, welk van de Teghen-party teghen-ghe-worpen wordt, oft welk wy achten dat teghen-ghe-worpen kan worden, voor-komen en ver-nietighen.
    De deelen der zelve zijn twee; Voor-brenghing [Hypophora], welke de Teghen-werping voor-stelt; en Teghen-brenghing [Anthypophora], welke de Teghen-werping be-antwoordt.
    By voor-beelt. Een Teghen-werping is in dat van Dido by Maro, 4. Aeneid.
    Dóch’t Avont-uur der strijdt waar on-ghe-wis.
    Maar de Teghen-brenging is; gheen noódt.     Wien vreesd’ ik, die al-rê vreesde voor die doódt:
[fol. B5r, p. 25]
    Onder-werping [Hypobole, Subjectio], is der Voor-koming ghe-lijk waar door men veel Dingen, die door de Teghenparty ghe-zeght konnen worden, kortelijk en stuks-wijs voor-stelt, en op elk ins ghe-lijx kortlijk be-ant-woordt.
    Cic. voor Planc. Het vólk heeft quâlijk ghe-oórdeelt: waar ’t heeft ghe-oórdeelt: ’t heeft niet ghe-moght: maar heeft ghe-kost. Ik ver-draagh ’t niet: maar veele de dijkste en wijste brughers hebben ’t ver-draaghen.
    Be-raading [Anacoinosis, Communicatio] is, waar door men de Teghen-party raadt vraaght, oft met den Rechter overleght, wat men doen moet, oft be-hoort ghedaan te hebben.
    Cic. voor Caecin. Ik vraagh, zo u heden, na u huis mende, een hoóp ghe-raapte en ghe-wapende luiden, dit alleen drempel en dak uwer huizing, maar oók de (?)ste an-komst en stoep ver-boóden, wat zoudt ghy doen?
    Be-lijding [Paromologia, Confessio] is, wanneer men looslijk de Teghen-party alles toe-laat.
    Cic. voor Lig. Ghy hebt dan Tubero (’t gheen voor een be-schuldigher meest te wenschen is) een be-lijdende ghe-noeghden: maar nochtans zo be-lijdende, enz.
    Toe-laating [Epitrope, Concessio] is, als wy an de Teghen-party het toe-laaten, om het overighe wegh te draaghen. Virg. 7. Aeneid.
    Men kan hem (’t zy zo) nooit Italien beletten:
    Men magh nochtans die zaak door wat ver-toefs ver-zetten.

GHE-STALTEN.
Welke men ghe-bruikt om te verklaa-
ren, oft te ver-ghroóten.

    Zin-spruek [Gnome, Sententia] is een al-ghe-meene Uit-spraak van die dingen, welke men in ’t doen volght oft vlied;
[fol. B5v, p. 26]
    In-val oft Be-denking [Noëma, Cogitum] is een by-speeling op een Zin-spruek, oft een Zin-spruek an een persoon toe-ghe-past.
    By voor-beeldt, ’t is een Zin-spruek, Niets is an’t volk zo an-ghe-naam als ghoedtheidt. Maar een In-val is ’t als Cicero dit an Caesar toe-past in de reden voor Lig. Niets heeft nocht uw avont-uur ghroo-ter, als dat ghy veel kunt; noch uw natuur beter, als dat ghy ze wilt be-houden.
    Ver-deeling [Merismos, Distributio] is, wanneer men een Heel in zijn Ghe-daanten oft Deelen brengt.
        Lycurgus by Rutilius Lupus;
    Van wien alle delen des lichaams tot duegh-nietery aller ghe-voeglijkst zijn; de ooghen tot broodt-dronke der-telheidt, de handen tot roof, de buik tot ghreetigheidt,
enz.
    Oór-zaak-zegghing [Aitiologia] is, wanneer men in ’t vertellen de reden der daadt by-voeght.
    ’t Zelve nu ghe-schiedt aartighlijk met op-trapping als in dat van Ovidius:
    Hy zaghze, en ghe-zien be-gheertze, en be-gheert,
    Ghe-nietze.

    By zo vêr de Oor-zaak meer schijnlijk, als waar is zo wordt dit Verw [Color] ghe-noemt.
    Voor-beelding [Diatyposis] is, als een zaak zo klaar en over vloedighlijk ver-klaart wordt, dat men ze voor zich schijnt te zien:
    Ghe-lijk Cicero, in zijn reden voor Milo, de Toe-rusting van Milo en Clodius be-schrijft: die zittende op een kar en met een rijdt-rok an-ghe-daan: deze op een paerdt, en met zijn kuerlingen van zijn hoef komende, en van een hooger plaats vechtende, en ’t gheen’er volght.
    By zo ver de Be-schryving een-voudigher en klaarer zy, zo wordt zy Af-beelding [Hypotyposis] ghe-noemt, als deze van Maro 5. Aeneid.
    Zy stonden beid’ recht op haar toonen met der vaart,
    En heften on-ver-saaght haar ermen heemel-waart!
[fol. B6r, p. 27]
    Maar ghe-meenlijk worden Voor-beelding en Af-beelding voor de zelfde Ge-stalte ge-houden.
    Ghe-lijkenis [Ikon, Imago] is een Ver-ghelijking zonder Voor-stel en Toe-eighening, ghe-maakt door het woordt Ghe-lijk, ghe-lijker-wijs, even, ghe-lijk als, even als, oft een ander dierghe-lijk. Virg.
    Van an-ghe-zicht en Schouders ghe-lijk een Ghódt.
    Cic. tegen Vatin. Want terstondt hebt ghy u, even als een slang uit zijn schuil-hoeken, met uit-stekende ooghen, een op-gheblaze hals, ghe-zwolle nek, in-ghe-voert.

    By-spel [Paradeigma, Exemplum] is, wanneer men eenighe daadt oft bewijs ver-haalt, om daar door te be-toonen, dat iemandt diergelijk oft doen zal, oft doen moet; als
    ’t Is ghe-vaarlijk, dat niet even als de twist van Marius en Sylla, al-zo óok die van Caesar en Pompejus het ghe-meen-best rijte.
    Ver-ghe-lijking [Parabole, Comparatio] is, als men, omdat, waar van men reden heeft, te ver-klaaren, een ghe-lijkenis haalt van die dingen, welke ghe-weest zijn, worden, oft door de natuur oft by ghe-val in de dingen in-zijn.
    Zo loeyt de stier, als hy ghe-quetst van’t altaar vliedt,
    En in zijn nek een on-ghe-wisse bijl ghe-niet.

    By-passing [Symbole, Collatio] is, als men een Zelf-standigheidt met een Zelf-standigheidt, oft een Toeval met een Toeval by een brengt, op-dat uit die tegenstelling blijke, hoezeer zy over-een-komen oft ver-scheelen.
    Als, in-dien men Alexander en Caesar, de Olijf-boom en Wijn-ghaard ver-ghe-lijkt oft t’zaamen-past.
    Onder-scheiding [Paradiastole, Sejunctio] is, als die dingen, welke dezelfde kracht schijnen te hebben, onder-scheiden worden; als,
    Niet wijs, maar loós. De dueghdt wordt ghe-drukt, niet onder-drukt.
    Om-stel [Antimetabole, Commutatio] oft Ver-wisseling wordt ghe-noemt, [fol. B6v, p. 28] als’er met de verwisseling der woorden een strijdt der zin is; als,
    Ghy neemt, omt te ver-liezen; ghy ver-liest, om te nee-men.
    Men moet eeten, om te leeven; niet leeven, om te eeten.

    Teghen-stel [Antitheton] is een reden uit recht-strijdighen be-staande; als by Virg.
    Kan ik de Ghóden niet, ’k zal Acheron be-weeghen.
    Scherp-ghekking [Oxymoron] is, als ’t zelfde van zich zelf be-neent wordt. Ter. in Eunuch.
    Ghy zeker, zijt ghy wijs, weet niet, het geen ghy weet.
    Als zy zwyghen, zo roepen zy. Cic.

    Zijd-ghang [Parecbasis, Digressio] is een buiten order loopende verhandeling van een zaak, welke nochtans tot nuttigheidt der Hooft-zaak be-hoort.
    Ghe-lijk die van ’t lóf van Cn. Pompejus in de reden voor Balbus.
    Weêr-keer [Epenodos] is een weder-keering tot het Voorstel; Cic. In ’t tweede boek van de Redenaar.
    Maar om daar heen weder te keeren, daar deze reden af-ghe-weeken is.
    Toe-juighing [Epiphonema, Acclamatio] is als der ver-telde oft beweeze zaak een Hit-spraak, uit het voorighe uit-ghedrukt, even als tot een besluit by ghe-voeght wordt. Virg.
    ’t Is veel, van kints been af zich zullix te ghe-wennen.
    Ver-ghroóting [Auxesis] is, wanneer men een woordt ghebruikt, welk de ghrootheidt der zaak te buiten ghaat, als by Ter.
    Een Kerk-roófster, en een Ghift-mengster, voor een on-vroome: Een schelm-stuk voor een dwaaling.
    Ver-kleening [Tapeinosis] is, als men een ghe-ringer woordt ghe-bruikt, als de zaak ver-eischt.
    Als, wanneer men hem zeght an-ghe-raakt te hebben, die ghe-quetst heeft: zo een dwaling voor een schelm-stuk: ghe-streng voor wreedt.
[fol. B7r, p. 29]
    Voor-by-ghang [Paraleipsis] is, als wy zegghen dat wy voor-by willen ghaan, ’t gheen wy onder-tusschen ter loop zegghen. Cic. voor Cluens.
    Ik laat dat eerst on-ghe-lijk der Wel0lust, ik laat des Schoon-zoons schandelijke bruiloft, ik laat dedochter, door be-gheerlijkheidt der moeder uit het houwlijk ver-stooten, na.
    Ryzing [Incrementum] is, wanneer men even als langs eenighe trappen tot het hooghste ghe-raakt. Cic.
    ’t Is een mis-daad een Roomsch burgher te binden, een schelm stuk te slaan, by-na een Vader-moordt te dóoden: wat zal ik zegghen an ’t kruis te hangen?
    Om-spraak [Periphrasis] is, wanneer men een zaak met veel woorden om-spreekt; als
    De Vader der Roomsche wel-spreekentheidt, voor Cicero. Ins-gehlijks, Ghaan tot het ver-eisch der Natuur. Sallust.
    Uit-barsting [Exclamatio] is een redening, in welke een uitghe-drukt of ver-staan In-werpsel, de hartstoght des ghe-moedts te kennen gheeft. Waar van ook de uit-spraak ver-stijft wordt om de ghrootheidt der zaak te kennen te gheeven; als Cic. voor Marcell.
    O wonderlijke en met alle lof, ver-konding, letteren, en ghe-denk-tekenen te ver-eeren Zaft-moedigheidt!
    Cic. Teghen Pis. O Schelm-stuk! o Pest! o Smet!
    Twijfeling [Aporia, Dubitatio] is, wanneer men zeght niet te weeten, wat men zegghen oft doen moet. Cic. voor Ligar.
    Der-halven weet ik niet waar ik my wenden zal.
    Virg. Zal ik spreeken oft zwijghen?
    Ver-betering [Epanorthosis, Correctio] is, welke wegh-neemt ’tgheen gezeght is, en voor’t zelve, ’tgheen be-quaamer schijnt, stelt. Cic.
    Welke Wetten, hy; zo zy slechts Wetten , en geen toort-sen der stadt en pesten van’t gemeene-best te noemen zijn.
[fol. B7v, p. 30]
    Ver-zwijghing [Aposiopesi, Reticentia] is, als een reden zo af-ghe-broken wordt, dat het naauwlijx blijkt, wat iemandt ghe-zeght zoud hebben. Virg. I. Aeneid.
    Die ik: maar nu ’t is best d’ont-roerde vloên te slechten.
    Redeneering [Sermocinatio] is eigentlijk, als men een persoon, die tot het teghen-woordigh op-zet behoort, een reden op-dicht.
    Hoe-daanighe redenen ’er veele zijn by Gheschicht-schrijvers en Dichters.
    Persooneering [Prosopopoiïa, Personae Effictio] is, als men stomme dingen spraak toe-schrijft, oft doode, als leevendighe; oft af-zijnde, als teghen-woordighe, spreekende in-voert.
    Ghe-lijk als, by Cicero voor Celius, Appius Caecus van de dooden op-ghe-wekt wordt, om Clodia van weghen haar wel-lust te be-schrobben.
    Vraaghing [Erotema, Interrogatio] is, wanneer, daar men een rechte reden ghe-bruiken moght, men de spraak verbuight. Virg. in Eccl. 3.
    Heb ik u, snoódtste, niet zien Damons gheidt, be-laa-ghen?
    Af-wending oft Af-keer [Apostrophe] is, als men de anspraak elders af-wendt, als de op-ghe-zette reden ver-eischt. Cic. voor Mil.
    Want u, o Albaansche ghraven en bosscchen, u zegh ik, roep ik an en be-tuigh ik.
    I. Aeneid. Ver-haal my, Zang-ghóddin, de oór-zaak.
    En dit zy van de Ge-stalten, waar door de Vinding op-ghe pronkt wordt: nu volghen


DE GHE-STALTEN,
Welke de Schikking ver-çieren.

    Over-tredt [Metabasis, Transitio] is, als der reden iet in-ghe-voeght wordt, om van ’t gheen wy ghe-zeght hebben, over te ghaan tot ’t gheen noch overigh is. Cic.
[fol. B8r, p. 31]
    Wijl ik van ’t ghe-slacht der Oór-logh ghe-spróken heb, zal ik nu van de ghroótheit een weinigh zegghen.
    Virg. Tót hier van d’akker-bouw en heemelijke Sterren;
    Nu wordt het Bachus buert, en ’k zal zijn lóf ontwerren.

    Ver-werping [Apodioxis, Rejectio] is, wanneer men iet tot een andere plaats oft tijdt ver-werpt. Cic. voor de Manilische wet.
    Maar van Catullus zal ik op een andere plaats spreeken, enz.
    Her-roeping [Revocatio] is, wanneer, omdat men wat te lang in eenighe zaak ghe-weest zoud zijn, men de reden tot het be-ghin be-roept; als,
    Wat van deze zaak te zegghen valt, zal op een andere plaats beter te pas komen.
    Wy hebben van de Waalingen en Ghe-stalten ghe-zien.


VAN DE SCHIKLYKHEYDT.

    Schiklijkheydt [Compositio] is een be-quaame t’ zaamenstelling der woorden en sprueken.
    De zelve be-ghrijpt de Voeghing, Order, Volzin oft Uit-ghang, en Maat.
    Voe-ghing [Jun_tura] gheeft, dat een reden zoet en lieflijk oft klinkend en grootsch zy.
    En hier wordt be-last, dat en zich mijde van dik-wijligh t’ zaamen-loopen der klink-letteren ; ver-veeling van de zelfde letter oft letter ghreep in ’t be-ghin oft eind ; ver-knochting van veel korte oft lange letter-ghreepen.
    Order [Ordo] ver-eischt, dat’er gheen on-ghe-schikte over-werp van woorden ghe-schiede ; insghe-lijk, dat de reden rijze, en men an ’t gheen deftigher is, niet het slechter onder-werpe : ins-ghelijk, dat men de natuurlijke order niet ver-werre ; en dat men der-halven liever zegghe,
[fol. B8v, p. 32]
    Mannen en Vrouwen, dagh en nacht, op- en onderghang, als in theghen-deel.
    Vol-zin [Periodus] oft Uit-ghang is, by Cicero , een reden even als in een kring ghe-slooten voort-loopende, tot dat zy in een vol-komen zin sluit.
    En is oft een-voudigh, oft van twee, oft van dry, oft ten hooghsten van vier leden : ghe-lijk als die van Cicero voor Caecina : In-dien de onbeschaamtheidt zo veel op de markt en in ’t ghe-right ver-moght; als de stoutheidt op ’t lant en in ver-laate plaatsen kan ; Aul. Caerina zoud in de hooft-zaak niet min voor Ser. Ebutius on-be-schaamtheidt wijken ; als hy toen in ghe-weldt te doen voor zijne stoutheidt ghe-weeken heeft.
    De deelen van een Vol-zin zijn zom ghroote welke by de Ghrieken Kola [Cola], by de Latijnen Membra, by ons Leden ghe-noemt worden : zom kleine ; welke by de Ghrieken Kommata [Commata], by de Latijnen Incisa, by ons Sneden ghe-heeten worden.
    Maar in ’t teghen-deel als by de Letter-wijzen [Grammatici] ghe-schiedt, zo een Snee lang zal zijn, als zo zy zeven letter-ghreepen te buiten ghaat, zo wordt zy een Lidt ghe-noemt: en een Lidt, zo het kort zal zijn, als zo het min als van zeven letter-ghreepen zy, zo zal het de naam van een Snee ont-fangen.
    Maat [Numerus] is by Cicero eenighe wijs der Redening, welke spruit uit ver-mengde voeten, en de bequaame reden der tijden, waar in zy be-staan.
    Deze Maat is ver-scheiden van de Dichtkonstighe ; waar van een Redener af-schrikt.En wordt veel waar-ghenomen in de Be-ghinselen ; min in ’t midden ; doch voor-neemlijk in de Be-sluitingen.
    Hier nu wordt het Oor-deel der ooren vereischt ; doch door het leezen van treflijke Redeners ghe vestight.
[fol. C1r, p. 33]
    En ghe-lijk de acht-loosheidt, zo is een al te naauwe zorgh-vuldigheidt te mijden.


VAN DE DRY-VOUDIGHE SPREEK-WYS OFT STYL.

    ’t Gheen wy tot noch toe ghe-zeght hebben, ziet al-ghe-meenlijk op de Be-woording. Laat ons nu zien, hoe de zelve na de ver-scheide stof ver-andert.
    Want ’er is dryërley Spreek-wijs [Character dicendi] oft Stijl: Heerijk oft hoogh-draavend; Nedrigh oft slecht ; en Middelbaar oft even-maatigh.
    De Hoogh-draavende Spreek-wijs [Sublime dicendi genus] heeft voor-nemlijk plaats in ghroote dingen; als van Ghodt en ’t Ghe-meen-best; waar om zy in-zonderheidt in Heldelijke en truerighe dingen byghe-braght wordt.
    Zy be-staat uit een heerlijke en op-ghe-pronkte t’ zaamen-stelling van deftighe en hoogh-draavende woorden. Haalt Over-draghten van ghroote dingen, brengt de heftighste Ghe-stalten by : als Uit-barstingen, Persooneeringen, Af-wendingen.
    Zy is be-quaam om de Harts-toghten te ontroeren.
    Het ghe-brek der zelve is, zo zy, hovaerdigh en op-ghe-blaazen, oft door on-ghe-woonte schriklijk is.
    In ’t teghen-deel voeght de Nederighe Stijl [Humile dicendi. Genus] an slechte dingen, en is ver-noeght met de eighenschap der woorden, ghe-woonlijke Over-draghten ; ins-ghe-lijk met scharp-zinnigheidt en gheestigheidt. Ghe-bruikt de Ghe-stalten de Sprueken spaarighlijker, ont-houdt zich van ver-heerlijkingen, treflijke Maaten, en naauwkuerighe Vol-zinnen.
[fol. C1v, p. 34]
    In-zonderheidt wordt zy by-ghe braght in brieven en wijs ghierige Twist-redenen [Disputatien].
    Doch men moet toe-zien, dat zy door al te groot een verzuim niet nuchteren en flaauw werde.
    De middelbaare Stijl [Mediocre dicendi genus] word ghe-bruikt in iddelbaare dingen. En is nederiger als de hoogh-draavende ; maar hoogh-dravender als de nederighe : en der-halven lieft zy nocht de heftigste Ghe-stalten ; nocht volght de nederigste wijs van zegghen.
    Hier voeghen in-zonderheidt even-ghe-lijke by even-ghe-lijken, Recht-strijdighe by Rechtstrijdighen ghe-past, en in uit ghang ghe-lijke vallen ; en dier-ghe lijke andere.
    Haar ghe-brek is Wankel-baar en on-zeker te zijn ; hoe-daanighe zy ghe-noemt wordt zo zy, nu de nederighe Stijl vliedende, te zeer an-rijst ; nu, de hoovaerdighe en op-ghe-blaaze mijdende, langs de aardt kruipt.
    Tot hier toe van de Be-woording. Nu is overigh het laatste deel der Reden-rijk-konst: welk is


VAN DE UIT-SPREEKING.

    Uit-spreeking oft Handeling [Pronunciatio sive, Actio] is een be-quaame toe-passing der stem en ghe-baerden na de dingen en woorden.
    Even als de ghrondt der zelve is ’t Ghe-hue-ghen [Memoria]: waar door men de nu ge-vonde, ghe-schikte en op-ge-pronkte dingen vastelijk in ’t ge-moed be-ghrijpt.
    De deelen der Uit-spreeking zijn twee; het eene vormt de stem; het ander de be-weeging des lich-aams. Van de eerste plight wordt dit deel Uit-spreeking; van de laatste Handeling ghe-noemt. Welker kracht in de Wel-spreekentheidt zo ghroot is, dat Demosthenes haar de eerste, tweede en derde plaats toe-gheschreven heeft.

EINDE.

Continue
[fol. C2r, p. 35]
Rhetorica
Oratoria
} Reden rijk-konst.
GrammaticaLetter-konst.
OratorRedener.
Quaestio civilisBurgherlijk Ghe-schil.
ThesisStelling.
HypothesisOnder-stelling.
InventioVinding.
ArgumentaBe-wijs-redenen.
Argumenta { artificialia
inartificialia
Konstighe
On-konstighe
} Be-wijs-redenen.
CausaeHoofdt-zaaken.
Genus { Demonstrativum
Deliberativum
Juridiciale
Be-tooghend
Be-raadend
Recht-spreekend
} Gheslacht.
StatusStaat.
Status { conjecturalis
Finitivus
Qualitatis
Quantitatis
Raamende
Be-paalende
der Hoe-daanigheidt
der Hoe-ghrootheit
} Staat.
TestimoniaGhe-tuyghnissen.
Pathê
Affectus
} Harts-toghten.
MoresZeden.
DispositioSchikking.
ExordiumIn-leiding.
Archê
Prncipium
} An-vang.
Ephodos,
Insinuatio
} Be-kruiping.
NarratioVer-telling.
PropositioVoor-stelling.
PartitioVer-deeling.
Contentio Be-twisting.
ConfirmatioBe-vestighing.
ConfutatioWeêr-legghing.
[fol. C2v, p. 36]
PeroratioBe-sluiting.
AnacephalaiosisHer-telling.
PathopoiiaOnt-roering.
ElocutioBe-woording.
Elocutio oratoria.Reden rijk-konstigh Bewoording
ElegantiaAartigheidt.
PuritasZuiverheidt.
BarbaraBastaart-woorden.
PerspicuitasDuidelijkheidt.
DignitasWaardigheidt.
TropusWaaling.
MetaphoraOver-dracht.
MetonymiaOver-naaming.
MetalepsisOver-neeming.
SynecdocheVer-vanging.
IroniaSchars.
IllusioBe-spotting.
AntinomasiaVer-noeming.
LitotesVer-mindering.
AllegoriaBy-spraak.
CatachresisMis-bruiking.
HyperboleGhroot-spraak.
SarcasmusBe-ghrijnzing.
DiasyrmusBe-schimping.
CharientismusGhek-scheering.
AtheïsmusBoerding.
MycterismusBe-ghuighing.
MimesisNa-aaping.
EtymologiaOor-spronkelijkheidt.
Syntaxist’Zamen-voeghing.
OnomatopoiïaNaam-dichting.
AntiphrasisTeghen-woording.
HypallageVer-draaying.
FiguraeVer-beeldingen.
SchemaGhe-stalte.
AsyndetonOnt-koppeling.
[fol. C3r, p. 37]
EllipsisUit-laating.
PolysindetonVeel-koppeling.
PleonasmusOver-tolligheidt.
AntanaclasisWeêr-slagh.
PloceZin-waaling.
SynonymiaEen-naaming.
ExergasiaUit-werking.
AnaphoraVoor-ver-haal.
SymploceOm-toght.
EpanalepsisAfter-na-verhaal.
AnadiplosisVer-dubbeling.
EpanodosWeer-kering.
ClimaxTrap-sprueck.
ParegmenonSpruit-redening.
ParonomasiaVer-lettering.
HomoioptotonGhe-lijk-valling.
HomoioteleutonGhe-lijk-einding.
ParechesisNa-klank.
Prolepsis
Occupatio
} Voor-koming.
HypophoraVoor-brenging.
AnthypophoraTeghen-brenging.
Hypobole
Subjectio
} Onder-werping.
Anacoinosis
Communicatio
} Be-raading.
Paromologia
Confessio
} Toe-laating.
Confessio
Epitrope
} Be-lijding.
Gnome
Sententia
} Zin-spreuk.
Noëma
Cogitatum
} Be-denking.
[fol. C3v, p. 38]
Merismos
Distributio
} Ver-deeling.
AitiologiaOor-zaak-zegghing.
ColorVerw.
DiatyposisVoor-beelding.
Ikon
Imago
} Ghe-lijknis.
Paradeigma
Exemplum
} By-spel.
Parabole
Comparatio
} Ver-ghe-lijking.
Symbole
Collatio
} By-passing.
Paradastola
Sejunctio
} Onder-scheiding.
Antimetabole
Commutatio
} Omstel oft
verwisseling.
AntithetonTeghen-spel.
OxymoronScherp-ghekking.
Parecbasis
Digressio
} Sijd-ghang.
EpanodosWeer-keer.
Epiphonema
Acclamatio
} Ver-ghrooting.
Tapeinosos
Meiosis
} Ver-kleining.
ParaleipsisVoor-by-ghang.
IncrementumRijzingh
PeriphrasisOm-spraak.
ExclamatioUit-barsting.
Aporia
Dubitatio
} Twijffeling.
Epanorthosis
Correctio
} Ver-betering.
[fol. C4r, p. 39]
Aposiopesis
Reticentia
} Ver-zwijghing.
SermocinatioRedeneering.
Prosopopoiïa,
Personae Effictio.
} Personeering.
Erotema,
Interrogatio.
} Vraaghing.
Apostrophe. { Af-wending,
Af-keer.
Metabasis,
Transitio.
} Over-tredt.
Apodioxis,
Rejectio.
} Ver-werping.
Revocatio.Her-roeping.
Compositio.Schiklijkheidt.
Junctura.Voeghing.
Ordo.Order.
Periodus. { Vol-zin,
Uit-ghang.
Numerus.Maat.
Character dicendi.Wijs van spreeken.
Genus dicendi.
{ Sublime.
Humile
Medium.
Hoogdravende,
Nederighe,
Middelbaare.
}
Wijs van
spreeken
ofte stijl.
Pronunciatio.Uit-spreeking.
Actio,
Memoria.
} Ghe-hueghen.

[
fol. C4v, p. 40: blanco]
Continue

In V. Cl.
Gilbertum Jacchaeum.

CUrru quadrijugo Jaccheus Honoris ad aedem
    Maximus ingenio fertur, & arte potens.
Si Sophiam pandat, cuncti pendemus ab ore.
    Eloquium forsan tale Platonis erat.
(5) Nec satis hoc. Eadem gaudet signare libellis,
    Quos velit esse suos dius Aristoteles.
Adde quod, ut quondam Podalirius atque Machaon,
    Ab Stygis innumeros asserit ille lacu.
Nunc etiam optatas profert in luminis oras,
    (10) Quae placeant Coo Pergameoque seni.
Dicite, quanta vir is mereatur proemia laudis,
    Qui, quae vix alii singula, juncta temet.

                            Gerard. Jo. Vossius.

In: Gilbertus Jacchaeus: Institutiones medicae.
Leiden, Joannes Maire, 1631.
UBL 188 H 9.


Continue