Juvenalis en Persius: Alle de schimpdichten. Haarlem, Willem van Kessel, 1709.
Uitgegeven door drs. G.C. van Uitert
Red. dr. A.J.E. Harmsen, Universiteit Leiden.
Ursicula
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk; een lijst van verbeteringen staat aan het eind van het document. De voetnoten van het origineel zijn onder de satires als eindnoten geplaatst.

Juvenalis I (Elmeguidi) (Pierson) II (Montanus) III (Elmeguidi) (Lydius) IV (Pierson) V (De Geest) VI (Nuyts) VII (Elmeguidi) (Van Haps) VIII (Nuyts) (Bogaert) (Westerbaen) IX (Schermer) (Westerbaen) X (Westerbaen) (Bake) XI (Nuyts) XII (Vlaming) XIII (Nuyts) (Sewel) (Van der Merwede) XIV (De Decker) XV (Schermer) XVI (Vlaming) (Delcourt)
Persius I (Elmeguidi) II (Elmeguidi) III (Elmeguidi) (Pierson) IV (Elmeguidi) (De Decker) V (Pierson) VI (Pierson)
Continue

[
fol. π1r: gegraveerde titelpagina]

ALLE DE
SCHIMPDICHTEN
VAN D.J. JUVENALIS,
EN A. PERSIUS.
Door verschyde Dichters berymt.

[Banderol: Irridens cuspide figo]
[Medaillon: D. Junius Juvenalis
et Aulus Persius Flaccus]

TE HAERLEM, by W. van KESSEL. Boek-verkooper. A° 1709.


[fol. π1v: blanco]
[ fol. *1r]

ALLE DE

SCHIMPDICHTEN

VAN

DECIUS JUNIUS

JUVENALIS,

EN

A. PERSIUS FLACCUS,

DOOR VERSCHEIDE

DICHTEREN

IN NEDERDUITSE VAARZEN
OVER GEBRACHT.

[Vignet: Myn glas loopt ras]

TE HAARLEM,
By WILHELMUS VAN KESSEL. 1709.


[fol. *1v: blanco]
[fol. *2r]

DEN

GEËERDEN

HEERE

MYNEN HEERE

LUKAS SCHERMER,

GROOT BEMINNAAR

EN

ZEER SCHRANDER OEFFENAAR

DER

EDELE DICHTKUNST

EN

LIEFHEBBER

VAN ALLE

NUTTE WEETENSCHAPPEN,

[fol. *2v]

WORDT

DEEZE VERTAALING

DER

SCHIMPDICHTEN

VAN

D. JUNIUS JUVENALIS,

EN

A. PERSIUS FLACCUS,

WAARAAN

ZYN E: NEEVENS ANDERE

ZOO KUNSTIGLYK

DE HAND GELEEND HEEFT,

MET ALLE

EERBIET EN GENEEGENHEID

TEN BLYKE

VAN WAARE ERKENTENISSE

OPGEDRAGEN

VAN ZYN E: GEHOORSAAMEN

DIENAAR

                                W. VAN KESSEL.


[fol. *3r]

VOORREDEN

Van den

UITGEEVER

Aan den

LEEZER.


HOe wel de Heidenen in ’t algemeen; en eenige onder hen in ’t byzonder voor en ten tyde van onze Dichteren tot die onbeschaamtheit waaren gekoomen, datze niet alleen in hunne grootste gruuwelen, als waaren ’t pryzenswaardige Heldenstukken, roemden, maar ook tot die uiterste buitenspoorigheit vervielen, dat zy dezelve als Goden en Godinnen op den troon verheften en aanbaden, gelyk by voorbeelt, de Onkuischheit onder den naam van Venus, Dronkenschap onder den naam van Venus, Dronkenschap onder den naam van [fol. *3v] Bacchus, enz. zo ontbrak het echter die tyden niet aan kloeke geesten, die, alleen door ’t licht der natuurelyke reden aangezet, en door eenen edelmoedigen aart verder geprikkelt, die Heidensche gruuwelen met een onverschrokken moet dorsten overhaalen, niet ontziende zelfs de Keizers op hunne troonen, noch de Vorsten in hunne paleizen aan te tasten.
    Zoodanig deeden voornamentlyk onder de Grieken en Romeinen Euripides, Sofokles, en Seneka, in hunne treurspelen; Menander, Aristofanes, Plautus en Terentius in hunne blyspelen; Lucianus in zyne samenspraken en andere schriften, Ezopus en Fcdrus in hunne fabelen, en Horatius, JUVENALIS, en PERSIUS in hunne hekeldichten. Doch wat vrucht hunne nootzakelyke arbeit op de gemoederen van het volk in de voorige eeuwen gegeeven heeft, kan lichtelyk geoordeelt worden, van den geenen, die hedendaags noch met den Lierdichter klaagen.

                * Audax omnia perpeti
                        Gens humana ruit per vetitum nefas.

    [* Horat. ode 3 lib. I.]

Wy loopen altyt het spoor, dat tot den tem- [fol. *4r] pel der Deucht leit, bezyden; ja hoe weinige doch zyn ’er te vinden, die van zich met waarheit zouden konnen roemen, dat zy door diergelyke heilzaame vermaningen overtuigt, hun leeven gebetert hebben. Doch laat ons ophouden, Leezer, langer als een derde Kato voor den dagh te koomen, wy weeten

                * Vitiis nemo sine nascitur. Optimus ille
                    Qui minimis urgetur.

    [* Horat. sat. 3. l. I.]

dat niemant zonder misslagen gebooren wordt, en die geene de beste is, op wien het minste te berispen valt: gy zult gevoelen dat onze twee Hekeldichters JUVENALIS, en PERSIUS, u, zo gy van eenige misdaat by u zelven bewust zyt, hart genoeg den roskam op het vel zullen zetten, wy zullen alleenlyk u noch een weinig ophouden met u eenige kennisse van onze schimpdichteren te geven, en verder van onze vertalinge bekent te maaken, het geenen wy noodig geoordeelt hebben.
    DECIUS JUNIUS JUVENALIS, die men twyffelt of een zoon, of een voedsterling van eenen ryken Vrygemaakte was, is gebooren te [fol. *4v] Aquinum een stat der Volscen in Italien ten tyde van Klaudius Nero. Hy bracht by na het beste van zyn leeven door met opzeggen van redenvoeringen, meerder uit eenige liefhebbery, als dat hy zich tot de schoolen of rechtbank zocht te bevorderen. Daar na, zich overgevende aan de dichtkonst, en ziende dat de besmettinge der Ondeugden meer en meer voortsloeg, heeft hy eindelyk als met eene verontwaardiging aldus begonnen.

            Semper ego Auditor tantum?

            * Zal ik myn schoonen tyt dan eeuwig maar verslyten
            Met luisteren


    [* Iste Schimpd. van E.E.]

Vorders een Schimpdicht van eenige weinige vaarzen, dat gantsch niet onaardig was, op Paris, den Hofnar van Domitianus, en den Dichter P. Statius, hoovaardig op zyne zesmaandige krygsbedieningjes, gemaakt hebbende, is hy wakker met de borst op dit soort van schryven gevallen, en schoon hy ee- [fol. *5r] nen langen tyt zelfs aan weinige toehoorderen zyne gedichten niet dorst opzeggen, is hy nochtans, vrymoediger geworden, met een zeer grooten toeloop en veel genoegen drie of viermaal gehoort, waar door hy aangedreven wierdt, om eenige vaarzen in het schimpdicht, dat hy te vooren gemaakt hadde, te laaten invloeyen, welke naar de vertaalinge van den Heere E E op deezen zin uitkoomen

            Dat is een man, wiens gunst veel menschen heeft verheeven;
            Tot ampten en tot slaat, een Hofnar kan u geeven,
            Het geen Regeerders nu niet meerder vry en staat:
            Wat past gy hen noch op? ik zeg u vrient, verlaat
            Hun deuren, en verkoop aan Paris uw gedichten:
            Zo krygt g’ een ampt en hoeft voor niemant niet te zwichten.



Caetera desiderantur
Continue
[
p. 241]

HET ELFDE

SCHIMPDICHT

Van

D.J. JUVENALIS.

Door den HEERE

PIETER NUYTS,

INHOUT.

De Dichter hekelt en bestraft de Overdaadigheid en pracht der Romeinen; voornamenlyk dier gener, dewelke, den Vermogenden in middelen en staat heel ongelyk, nochtans in Maaltyden en andere Plechtigheden trachten gelyk te weezen; pryzende in tegendeel de Maatigheid.
ZO Jonker schaft Pastei, Taart, Pannekoek en Wafels,
En dag’lyks voor elk een houd open Hof en Tafels,
Als of het Kermis staâg, of Vastenavond was,
En nooit drinkt, dan uit syn Veneets gesleepen Glas,
(5) Elk roemt zyn Mildheid en zyn Edelmoedig leeven!
Maar zo Kees Kaalbeurs zich daar ook wil toebegeeven,
Men doemt hem als een Dwaas: de Kroegen het Zalet,
De Schouwburg, Markt en Beurs beschimpen zyn Banket
[p. 242]
En prachtig Disgerecht. Waar op zal ’t Volk meer schrollen,
(10) Als op het kwisten en het overdaadig hollen
Des armen Lekkertands Hans Smullebroêr? die staâg
Met [1] onbekende spys op propte mond en maag;
Die van [2] voedzaame Vocht, van [3] hooge en [4] kittelsmaaken
Veel bundels bladeren beschryven kan en maaken?
(15) Gelukkig, dat hy heeft verteerd zyn Besjes goed,
Terwyl hy, jong en frisch, en noch vol ziedend bloed,
Bekwaam was, om den Kryg, gelyk Soldaat, te volgen,
Of als een kloek Serjant, die, of hy was verbolgen
Met fiere en hooge stem des Overstens bevel
(20) Uit ’t schrift’lyk orderboek uitdeelt den Rotgezel,
Eêr hem het Weesgericht deed tot Stadskind verklaaren.
Wat ziet men meenige Schuldeischeren vergaâren
Op Vis, op Hoender markt, aan deuren van de Hal,
Om hunnen Schuldenaar, aan de een of de and’re Stal
(25) Vast bezig voorraad voor zyn Keelgat te bezorgen,
Te trekken by de mouw? terwyl hy, die hem borgen,
Met list te stryken uit en vaak te ontsnappen weet.
Voorwaar die mag’re Luis en uitgeteerde Neet
Beeld zich niet anders in, of hy is slechts gebooren,
(30) Om in zyn hollen buik veel dierb’re spys te smooren,
En Stoopen Moezelzop te jaagen door den hals.
Hoe dat hy meer bespeurt den Voorbô zynes vals,
En zeer verwarden staat ziet van zyn Kas en Boeken,
Hoe meerder hy zich mest; ja roert, en doet doorzoeken
(35) Al* de Elementen om na ’t geen het smaak’lykst is,
Na Pluimgediert, na Vee, na de allerbeste Vis,
Niet achtende den prys hoe hoog ook die mag loopen.
Hun eigen Zinspreuk is; Al wat men dierst moet koopen
Smaakt ook het alderbest. Dus valt het geenzins zwaar,
(40) Voor die ’t zo door laat staan, te worden Schuldenaar
[p. 243]
Van veele duizenden, ten woeker opgenoomen,
Daar ’t kostelyk juweel, uit Besjes boêl gekoomen,
Voor staat veronderpand, dat haast verteert zal zyn,
Indien de Kelderknaap met zo veel zoort van Wyn
(45) Den Berkemeijer vult, Kortjannen en Bokaalen;
Indien de Kok doorgaans op alle Middagmaalen
Schaft Schotelen, zo breed en hoog met Spys gelaân,
Dat schier hun top tot aan den Zolder komt te staan.
Eêrlang en eindelyk ziet Smullebroêr dan zuiver
(50) In Kaas en Brood verteert zyn alderlaatste stuiver.
Het is gewisselyk te grooten onderscheid,
Wie veele en prachtige Gastmaalen toebereid.
Het geen gelaakt werd in een Kalis en verweezen
Werd in een grooter Hans van yder een gepreezen.
(55) Zyn schatten baaren hem onsterffelyken roem;
Doch ik, met goede reên, gelyk een dwaas, verdoem
Den genen, die zich moeit met slechte beuzelingen,
En niet betracht hoe ver hy met zyn stok kan springen;*
Die met de zwaarte van een zakje Ducatons
(60) ’t Bankbriefje; ’t* geen niet op kan haalen een half Onz’,
Of schoon ’t in zich bevat ruim hondert duizend Ponden,
Poogt te overweegen, of gelyk te zyn bevonden.
Maar, ach! elendige, zo blind, gelyk een Mol,
Die slechts wat veel geschreeuw by brengt, en weinig Wol.
(65) Voorwaar de goude spreuk der Wyzen; [5] Ken u zelven,
Is nederwaarts gedaalt uit ’s Hemels Troon gewelven,
Wel waardig, dat die staag herkaauwt werde en bedacht
In ’t stout vermetel brein van ’t Menschelyk Geslacht,
In al hun handeling; in ’t Huw’lyk te begêeren;
(70) In ’t staan na Amten, en na ’t Stads en ’t Staats regeeren.
Van die gemaatigdheid Therzites zelfs eer was,
Zich kennende te zwak om ’t Wapen, de Rondas,
En ’t Zwaard des dapperen Achils, aan een geklonken
[p. 244]
In ’t Reuzen Smidshol door Vulkaan, den God der Vonken,
(75) Met een vermeet’le hand en trots te grypen aan;
Een zaak, die waarelyk alleen maar dorst bestaan
De schranderen Ulys. Ga eerst uw kracht doorgronden
En met u zelfs te raade, of gy zult zyn bevonden
Bekwaam en kloek genoeg om voor het hoog Gericht
(80) Ten Hoof te pleiten in een zaak van groot gewigt,
Eêr gy zulks onderneemt; of gy ’t zult durven waagen
Met zulke Vogels, die haar op hun tanden draagen;
Of dat gy by het Volk alleen te boek maar staat,
En slechts erkent werd voor een Boeren Advokaat.
(85) Eer gy u stelt ter sprong wil uwen Polsstok meeten.
Tc wikken eer men waagt heeft niemand ooit gespeeten.
’t Zy zaaken van belang, ’t zy van geringer slag,
Men moet eerst weeten waar men door en over mag:
Zelfs in een Vismarktsgang. ’t Zyn losse jongelingen,
(90) Die willen blanke Baars met Spierings geld bedingen.
Wat eind toch meent gy, dat voor hem te wachten staat
Wiens bors staâg leedig is, en keelgat nooit verzaad?
Geen ander, als dat hy zal zien in korte stonden
Met leet, hoe dat zyn keel verzwolgen en verslonden
(95) Heeft al zyn Zilver, Goud, gemunt en ongemunt,
Haave, Erf, en al het geen hem Besje* had gegunt;
Ja zelfs den Wapenring, van Grootevaâr geschonken,
Door zyn zwelggraagen hals tot in den Buik verzonken,
Het geen hem ringeloos, tot onuitwisb’re schand
(100) En smaad van ’t braaf Geslacht, doed bedelen langs ’t Land.
Geen onverwachte Dood kan zulke meer vervaaren,
Als hoogen ouderdom en lang gerekte jaaren;
Zy wenschen met verdriet gestaâg na ’t einde en ’t Graf.
Drie trappen telt men,* daar de Slempers vallen af,
(105) Eerst ’t opgenoomen Geld, dat hen in Schulden dompelt;
Angst voor den Eischer, dat hy hem niet overrompelt,
Als zy in zyn gezicht onnut hun Geld verdoen;
[p. 245]
En, eind’lyk, dat hy zich moet na [6] Viänen spoen.
’t Welk thans geen schand meer is, alsof zy gingen ryden
(110) Na Scheev’ling eens in Zee, om koelte, en slechts te myden
Het heete Haagsch gewoel, begaan, dat [7] Jan Baptist
Alleen van hun maar tot Viänen werd gemist.
Waar ziet men in deze Eeuw toch voortaan meer de Roozen
Van Eerbaarheid en Deugd op iemands kaaken bloozen?
(115) Wie keeren met een ernst, gelyk het wel betaamt,
De vluchtende, en, althans belacchelyke, Schaamt?
Kom, kom nu, waarde Vrind, wil ooggetuige weezen
Of, ’t geen ik heb gelaakt, en ’t geen ik heb gepreezen,
Ik ’t een niet zelfs vermyde, en ’t ander vlytig pleeg
(120) In myn Gezinsbestier. Bezoek en overweeg,
Of ik den Huigg’laar speel, en aan myn Knecht, door wenken;
Gebiê myn Vrind het slechtste, en my het best te schenken.
Gy, die my heden zyt een welgekoomen Gast,
Zult vinden, dat gy niet zult werden overlast;
(125) Of schoon ’t uw Staat vereischt, met prachtige Gerechten,
Als was het te Parys; maar als onze Ouders plegten,
Met Ei’ren en hun Moêr, gekipt op eigen Werf.
Met Lamsbout, vetgezoogt, op eigen Land en Erf,
’t Geen, van de jongste worp, noch nimmermeer gegeeten,
(130) En niet als op de Mam, de tanden heeft versleeten;
Met minder bloed, als melk; het malste uit onze kooi;
Tot nu toe kennende noch weidegras, noch hooi:
Met Ribstuk van een Os, geweid op eig’ne Bemden,
Wien onze Kees en Klaas nauw in zyn jongheid temden;
(135) En ’t hieltje van een Ham, gemest op eigen Schot,
En, onverguld, gekookt in geen geleenden Pot:
[p. 246]
Met dikke Aspergies, die, gewassen op de weuning,
Het Landwyf, hangende den Spinrok op de Leuning,
Des morgens uitsteekt, en des middags Stêwaarts ment:
(140) Met Peer, met Appel, in myn Boomgaard zelf geënt;
Met Druiven, van myn Dak met eigen hand geleezen,
Al t’zaamen zoet en ryp, zo dat men niet te vreezen
Hoeft voor de kwaalen, die het groene zap verwekt:
Met Boter en met Kaas, die eigen Melker trekt
(145) Uit bonte, bruine, zwarte en ander slag van Koeijen,
Die heel den Zomer door in onze Weiden loeijen:
Met Brood van Terwe en Rog, die onze Zaaiman schuurt,
Zo schoon gewonnen, als in onze heele buurt:
En, eindelyk, met Bier, van eigen Mout gebrouwen,
(150) ’t Geen niemand, Gast of Waard moet al te veel vertrouwen,
Want ouden Meewis kan ’t ook een bekroesden kop
Zo wel verwekken, als het Fransche of Rhynsche zop.
Zulks was eêr Bruiloftskost voor onze hoogste Heeren:
Nu zoude een Sleeper, of een Kraankiud, naauw begeeren
(155) De spys, die voormaals een aanzien’lyk Borgervoogd,
Beschreeven in den Haag ter Dagvaard, daar men poogd
’s Lands Welstands Steun te zyn, ontwond uit een blaauw doekje,
En schaften ’t op een bank in ’t Voorhout, of een hoekje
Van’t Graaffelyke Bos, toen Hollands kloek beleid
(160) Beheersten Vorsten in haar oude eenvoudigheid.
Jan Hagel hoort men nu van Hoenderbouten praaten
En and’re lekkerny, die de Ouden slechts maar aaten
Op Huw’lyksfeesten, op een Kraammaal, en wanneer
Een gulde Bruiloft wierd gehouden, en niet meer;
(165) Daar Borgermeesteren zich konden meê verzaaden;
Ja die ’s Lands Opperheer zelfs nimmermeer versmaaden,
Verzocht by Schuttery, of op Victorydag,
Of daar men ’t Steêgezag ’s jaars te verand’ren plag.
Als oude Ernsthaftigheid en toezicht op de Zeden
(170) Verhinderde den pracht in Huisraad en in Kleeden,
En strenger Borgervoogd zyn wankelenden maat
[p. 247]
Dorst houwen over ’t oor in ’t midden van den Raad,
Toen wist men van geen Noote, of Ebbenhoute, Stoelen,
Zo zacht gevoedert, dat men nergens hout kan voelen;
(175) Van Tafels, ingelegt met Schilpad, Paer’lemoer,
En zilver Loofwerk, als een Bloemhof; van geen Vloer,
Bedekt met Voettapyt; van hooge Ledekanten,
Gesierd met Vederbos. als Turksche Lyftrauwanten;
Van Koetzen, om en om met Spiegelglas bezet,
(180) Waar mede aan Borëas den doortogt werd belet;
Van Spiegels aan de Want, zo hoog, als heele Menschen,
Vertoonende vaak meer, als zy zich zelven wenschen,
Of and’re kostlykheid, waar aan Jaap, en zyn Kind,
By ’t Heerschap koomende, zich zelfs zien steekeblind:
(185) Toen waaren, als de Spys, ook Huis en Huissieraaden
Eenvoudig, slecht en recht, en met geen pracht belaaden,
Onkundig van het Fransch en Italjaansch gebruik:
Toen spilde ’t Krygsvolk hun geroofde Kroes en Kruik,
Hoe konstelyk van Goud en Zilver ook gedreeven,
(190) In plaats het van den Buit zoude overdaadig leeven,
Alleen tot Pronksiraad van Hellemet, van Zwaard,
Van Wapentuig, van Speer, en moedig Oor’loogs Paard;
En, om den Gouden Leeuw, met Goude Kroon Zwaard, Pylen
(Verstrekkende aan ’t Gebouw van Staat voor Zeven Stylen,
(195) Waar op het, zonder schroom, doorgaans gerust zyn mag)
Op ’t Roode Schildblazoen. of Prinsselyke Vlag,
Tot schrik der Vyanden, en groei van Neêrlands Staaten,
De Waereld te doen zien, woude yder graag verlaaten
Zyn Huis en Tafelpracht, en schafte op de oude wys
(200) Uit Aarde Schootelen bekende Borgerspys:
Toen was de Tempelbouw wel in zich zelven prachtig
Tot eer der Godheid; maar het Volk noch meêr aandachtig,
Ja wierd de Godsdienst ook Kerkplegtiger gevierd,
Wanneer de Muur, slechts wit, zo niet was opgesierd
(205) Met Goude en Zilvere Blazoen en Wapenrokken,
[p. 248]
Die ’t oog en zinnen van ’t gehoor naar elders lokken:
Toen wierde uit eigen Boom een Tafelblad gezaagt,
En door den voet van een en ’t zelve hout geschraagt,
Dien, reets bedaagd, een Storm kwam uit den Oosten vellen;
(210) Maar afkeer van* de Spys komt ’t Kwistziek Volk nu kwellen.*
Een verschen jongen Haas; de krimper Kabbeljaauw;
’t Geämberde Banket smaakt hun, als vies en flaauw,
Zo ’t niet geschaft is op Damaste Tafelkleeden,
Die ’t preutsche en kwistig Wyf tot Ryssel had doen reeden;
(215) Zo ’t niet wierde aangerecht op Tafels van Albast,
Gesteund door wit yvoor, ’t geen in de monden wast
Der Elefanten, in het heete Land der Mooren,
Of ’t onbekender deel van Indiën gebooren,
Daar van, als al te zwaar, in ’t Nabatheesche Woud
(220) Zich ’t vreez’lyk Dier ontlast, ’t welk schier, zo waard, als Goud,
Eens Meesters handgreep door den beitel moet bediss’len,
En in den klaauw eens Leeuws, of Arends eerst verwiss’len;
Wyl hier door word kwanzuis de lust tot spys verwekt,
En graag gemaakt de Maag, die meer na ’t eeten trekt.
(225) Nu acht men in ons Land vergulde Tafelschraagen
Meer niet, als Vingeren, die Kop’re Ringen draagen.
’k Verzeker u, myn Vrind, dat nooit zo Grootschen Gast
Aan mynen Dis verschynt, of in myn Schotel tast.
Die spys en toestel waant, als ’t zynent, hier te wachten,
(230) En myne Borgerkost bestaan zou te verachten
Schoon, dat ik schaf uit Delfsch, niet uit Kraak Porcelein,
Myn Hollandsch Schoteltje geef ik u altyt rein;
Dat myne Messen staan in slechte en beene Hechten,
Zy snyden niettemin gezonde Disgerechten;
(235) Dat geen Hofmeester, of Voorsnyder, mynen Dis,
Na konst der Tafelwet, stoffeert met Vlees of Vis,
Of ’t aangerechte weet op ’t aardigst te verdeelen,
[p. 249]
En op de Hoofsche wys met Mes en Vork te speelen,
Noch in die weetenschap in Duitschland niet volleert.
(240) Nochtans myn groene Knaap, tot noch toe onbeheerd,
Met* Boere Py gedost en zonder pracht van koorden,
Zal u myn Borgerkroes vol schenken tot de boorden;
Maar als gy hem iets eischt zo eischt het niet in ’t Frans,
De vreemde taal verstaat hy, als zyns Vaders Gans:
(245) Geen Steedsche Maakelaar heeft hem voor my verkooren:
Hy is te Landewaarts, en op myn Hoef gebooren,
En onlangs hier gebragt: zyn Vader is myn Boer:
Hy tracht zo zeer na ’t Vee en Stal, als na zyn Moêr:
Noch ruuw, en ongeschaaft, van Kinderlyke jaaren,
(250) En een groen Rysje, wiens in een gekliste Hairen
Zyn om deez’ Maaltyd eerst geschooren en gekemt;
Nochtans van Zeden en van inborst geenzins vremd,
Als was ’t een Jonkertje, zulks Trui niet hoeft te vreezen,
Deez’ zal Voorsuyder en Aanrechter heden weezen,
(255) En schaffen u van ’t Vee, op ’t zelve Veld gevoed,
Daar hy van Kindsbeen is gek weekt en uitgebroed:
Misschien verwacht gy ook, dat ik u zoude onthaalen
Met Snaar en Stemgeluid van schelle Zangkoraalen;
Met Spaangeklap; met Boert; met Mommedanssery;
(260) Met Googeltas; met Oor en Oogen Lekkerny:
Doch zulken slag van Volk, en zoorten van vermaaken
Verschynen nimmermeer in Borgerlyke Daken:
De Kaart en Dobbelsteen dient maer te zyn gepleegt
By zulk een, die niet voelt, dat Tas of Schatkas, leegt.
(265) Hen, wien het Lot tot Staat en Hoogheid heeft verheeven,
Word licht een misgreep of uitspoorigheid vergeeven,
’t Geen in een Borgerman bestraft word, en gedoemt,
Word Edelmoedigheid in Groote Lui genoemt.
Betaemelyker stof zal ons Gezelschap heden
(270) Verschaffen, en in plaats van ongezoute Reden,
Vanschenzieke Achterklap; of toomelooze Taal,
Die eerbare Ooren kwetst, verhand’len over ’t Maal.
Wie deftiger beschreef ’t elendige verstrooijen
Der Teukren, en den val van ’t wydberoemde Troijen;
[p. 250]
(275) Uit welkers overschot oud Rome is opgestaan,
En ’t Kapitool verrees, de [8] Griek of [9] Mantuäan;
Wie de Ystroom en haar Stad, haar Welvaard en Gebouwen
Met heerelyker Toon den Nazaat ging ontvouwen,
De jonge [10] Goezenaar, of ’t [11] Agrippiner Licht,
(280) Wier Dichtkunst Holland heeft in eeuwigheid verplicht:
Wat heerelyker Daân ORANJE heeft bedreeven,
Hoe dat zyn Zwaard heeft aan Euroop den Vreê gegeeven:
Hoe Moskouws groote Kzaar tot Polen is geneigt,
Die met zyn Zabel vast de halve Maanen dreigt.
(285) Wil u van bezigheên en zorgen nu ontwinden
En enkel dezen dag besteden voor den Vrinden:
Denk nu om Dam, om Beurs, om Wind noch om Verlies:
Kreun u daar geenzins aan, of ’t Vrouwtje ziet wat vies,
Of dat zy heel den dag verslyt by haar Gevaartje,
(290) ’t Zy op een Teetje, of op een Wafeltjen, of Kaartje:
Al wat u kwelt, of kwynt, sluit buiten onze Poort:
Van Huis, of Huisgezin rep heden niet een woord:
Vergeet de ondankbaarheid, die U is wedervaaren.
Laat, laat ons vrolyk zyn, terwyl met heele Schaaren
(295) ’t Volk na den Schouwburg loopt,of ’t zingende Opera,
Het welk te missen by de jongheid voor meêr schâ
Gerekend werd, als of de Vyand doorgebrooken
Was aan het Tolhuis, en de Betuw kwam bestooken.
Laat ons een frissen Kroes met nieuw gekoomen Wyn
(300) Uitveegen, en verheugd zyn tot der Maanenschyn:
Laat Damon Dorile gestaâg op zy versellen
En onophoudelyk, om’t langzaam jawoord kwellen,
’t Geen wel komt op de tong, maar binnen lips staâg duikt.
De Wellust smaakt het best met Maatigheyd gebruikt.

[p. 242]
    1 Viande Deguise.
    2 Jeus.
    3 Haultgous.
    4 Ragous.
[p. 243]
    5 Door Chilo van Lacedemonien, een der zeven Wyzen van Griekenland, voor den Tempel van Apollo tot Delfos, met goudene letteren gedaan stellen.
[p. 245]
    6 Een Vrystad en schuilplaats* voor gevluchte Schuldenaaren.
    7 Een vermaard Tooneelspeelder in den Haag.
[p. 250]
    8 Homerus.
    9 Virgilius.
    10 Johannes Antonides van der Goes.
    11 J. v.Vondel, geboortig van Keulen.

Continue
[
p. 251]

HET TWAALFDE

SCHIMPDICHT

Van

D.J. JUVENALIS.

Door den HEERE

P. VLAMING.

INHOUT.

De Dichter, verblyt over de behoude komst van zynen vriend Catullus, verlost zynde uit een zeer zwaaren zeestorm (dien hy ondertusschen beschryft) belooft zyn offergelofte met een verheucht gemoet te zullen volbrengen; doch niet met die gedachten als die pluymstrykers, die, hunkerende na Erffenissen, de kinderlooze rykaarts met vleyen en geschenken zo innemen, dat zy hen hunne erfgenamen maken.
VEel meer behaagt my ’t licht van deze blyde dag
Als ’t uur, waar op ik eerst het vrolyk daglicht zag;
Corvinus, deze dag, waar op de groene zoden
Verwachten ’t heylig vee; de Goden aangeboden,
(5) En lang beloofd. Men slacht een lam, zo wit als snee
Voor ’s hemels Koningin; men zal de weêrga meê
Opoff’ren aan die op haar beukelaar, in ’t vechten,
[p. 252]
De Moorsche Gorgon, voert, die wond’ren uit kan rechten,
Maar ’t dertel offerdier rekt de gespannen lyn
(10) En schud zyn hoofd, alleen bewaard voor God Jupyn;
Het is een rustig kalf, voor templen en altaren
Volwassen, wien het voegt met wyn des voorhoofts haren
Te sprengen, wien ’t nu schaamt te lurken aan de speen
Zyns moeders, en die reeds zyn horens, uit het been
(15) Van ’t voorhoofd bottende, beproeft op eykebomen.
Zo ik een rykaart was en zag myn wensch volkomen
Vernoegt, men leide een stier naar’t outer, ruim zo vet
Als zelf Hispulla is, en lui en loom van tred,
Door zynen zwaren pens, ook in geen Roomsche weien
[p. 253]
(20) Gevoed, maar die noch de Clitumnische valleien
En ’t lachend klaverveld, toont door zyn blinkend vel,
Een rustig dienaar was ’er nodig, om hem wel
Te treffen, en hem net in eene slag te doden,
Om ’t wederkeren van een vriend, de dood ontvloden;
(25) Noch bevend, die in ’t kort zo veele rampen leed,
Verwonderd dat by zich behouden ziet en weet.
Want boven’t hobbelen der zee en bliksemslagen
Ontvloden, werd de lucht vervuld met onweêrvlagen,
Bedekt met duisternis. De dag word straks een nacht,
(30) Het swerk schynt eene wolk, tot dat ’er onverwacht
En schielyk stort een vuur, dat al de masten kraken,
Vlak op de raën neer, die gloed en vlammen braken:
Een ieder staat verzuft, als hy dit werk bezeft,
En denkt dat hem het vuur des hemels slaat en treft.
(35) Zy zien straks dat ’er geen gevaar van schipbreuk lyden
Te duchten is, dewyl men ziet aan alle zyden
De zeilen branden; jaa ’t gebeurt daar al zo zwaar,
Als oft een dichters storm! en vreeslyk onweer waar.
Zie daar, weêr ander zoort van ongeval! wil horen;
(40) Erbarm u wederom, hoewel gy hier te voren
Zulk slag reeds hebt gehoord. Een groot gedeelte er van
Is schriklyk, doch, dat elk genoeg beschouwen kan,
Zoo ons de moeite lust het oog te laten spelen
[p. 254]
In veele templen, op gelofte tafereelen;
(45) Men vint dat menig dit is tot zyn schaâ bekend.
Wie weet niet dat by nader schildren gansche bend
Gevoed werd door de Kerk van Isis? deze slagen
Van ’t wuft geval heeft myn Catullus ook verdragen,
Als ’t hol van ’t schip al half met water stond bedekt,
(50) En de ongestuime zee, nu op, dan neder trekt
De boegen van het schip, dat slingert, en d’ervaren
En wyze stuurman, schoon reeds grys van baard en haren,
Geen hulp verschaffen kon, beslechte hy ’t geschil
Door zeeworp met de wind, schoon ’t hem wat lastig vil:
(55) Den bever volgende, die zich ontbloot van schatten
[p. 255]
Waarom hy weet dat hem de jager zoekt te vatten.
Catullus zeide werpt al ’t geen my toe behoort,
Zelfs d’allerschoonste van myn goedren, buiten boort;
Een purper kleed, bekwaam voor murwe Mecenaten,
(60) En andren, niet geverwd, maar d’eige kleur gelaten,
Waar mee het edel gras, de heerelyke bron,
Door zyn verborge kracht, of lucht en hete zon
Van Spanjen ’t vee bedekt by Betis wondre stromen.
Hy schroomt geen zilver zelf; heeft schotelen genomen
[p. 256]
(65) Zeer schoon gedreven van Parthenius, en smyt
Haar in de golven: ja een beker, die zo wyd
Gelyk een emmer was, recht goed voor Pholos kuwen;
Wanneer hy dorst heeft, en voor Fuscus vrouw, die ’t stuwen
Zo wel verstaat: men voegt koelvaten zelfs ’er by
(70) En schalen, en wat meer van disch gereedschap zy;
En veel gesneden werk, waar uyt de Grieksche stroper
Wel eer gedronken had, Olynthos snode koper.
Maar is ’er anders wel een mensch, en in wat oort,
Wien zyne welvaard meer dan geld en goed bekoort;
(75) Die ’t leven meerder acht dan goud? En, om te leven,
Bezitten eenige geen schatten, maar, gedreven
Door eene blinde drift, begrypen ze dat zy,
Slechts leven, om het goed, o dolle zotterny!
Men werpt het meestedeel van ’t scheepstuig in de baren,
(80) Maar zelfs dat zwaar verlies verlicht niet, de gevaren
Aan ’t groejen, dwingen dat de byl de steyle mast;
Omver kerft, en het schip weer op ryst, dus ontlast.
’t Gevaar dient grooter niet, wanneer men ’t schip verminken
Moet van zyn nodig hout, op dat het niet zal zinken.
(85) Ga na, beveel de wind en golven uwe ziel;
[p. 257]
Vertrouwende op het hout der uitgeholde kiel,
En van de nare dood, en ’t derven van uw leven,
Vier duimen slechts van daan, of, op het breedste, zeeven.
Nu, in ’t toekomende, met knapzak, brood, en wyn,
(90) Gezien naar bylen, die in storm zo noodig zyn.
Doch toen de zee was vlak gevallen, aan ’t bedaren,
En ’t weder naar de zin des stuurmans, als de baren
En winden weken voor het lot, zo niet ontzind:
Na dat de Schik-godin veel beter draden spint,
(95) En witten inslag weeft, gansch vrolyk en genegen,
Een gunstig windetje is voordeelig opgestegen,
Dat niet veel harder dan een lieflyk koeltje blies,
Ging ’t schip armhartig voort, na zô een zwaer verlies
Van must, van stengen, van zyn zeylen en zyn touwen,
(100) Door kleed’ren uitgestrekt en in de wind gehouwen,
En fok noch overig, en met de zon kwam weer
De hoop van leven, nu ook d’ooste wind ter neer
Ging leggen, en men zag den steylen top verschynen,
Iulus aangenaam, en voorgesteld voor zynen
(105) Stiefmoederlyken Stad Lavinium, hem gaf
Een witte Zeug zyn naam, voor Phrygen moe, en af,
En blyde, een wonder Zwyn, vermaard om dartig jongen,
Die wit als sneeuw, aan nooit geziene spenen hongen.
Toen zakt het matte Schip ten haven in: een reê,
(110) Waar tussen hoofden werd gekneld de woeste zee,
By ’t hoge Pharos van Etrurien, en bochten,
Die ylend dwars in zeê, als of zy ’t woeden zochten,
Het Itaaljaansche Land, verr’ laten achter haar:
[p. 258]
Derhalven zult gy zo u niet verwond’ren, daar
(115) Natuur een haven maakt, als hier de handen deden.
De Schipper met zyn kiel van boven tot beneden
Ontheisterd en gesloopt stuurt diep ter haven in,
Daar ’t water valt zo vlak, dat elk daar naar zyn zin
Met Baaische Jachtjes zonder vrees mag spelevaren.
(120) d’Inhammen zyn zo stil als of het meeren waren.
Daar schept de zeeman, nu behouden en gerust,
Met zyn geschore kruin vermaak, en vreugd, en lust
Te kaaklen van ’t gevaar het geen hy is ontvloden.
Gaat henen Jongens, gaat, volvoert fluks myn geboden,
(125) Weest gunstig met uw mond en hart aan ’t heyligdom:
Legt ’t Meel op ’t offermesch, bekranst de kerk rondsom,
Bereydt het zacht altaar en groenende offerzoden;
’k Zal u straks volgen; en als ik ’t geen is van noden
Ter Godsdienst heb naar eisch voldaan, begeef ik my
(130) Naar huis, dan zal ik in myn hart verheugd en bly
Myn kleene beeltjes ook wat teedre kransjes schenken,
[p. 259]
Die glimmen van hun was, door ’t hand’len licht te krenken.
Hier zal ik God Jupyn verzoenen, onzen God;
’k Zal wierook branden voor myn huisgoon, die ik tot
(135) Een erffenis verkreeg van Vader en Voorvaad’ren;
’k Zal al de kleuren van viool by een vergaad’ren
En strojenze op ’t altaar; ’t blinkt alles zoo ’t behoort:
De lauwerkrans versiert de posten van de poort,
Die opgeschikt is en bedekt met morgenlichten.
(140) Corvyn, u moesten niet verdacht zyn deze plichten,
Catullus, om wiens komst ik offer, en zo veel
Altaren opgerecht, heeft drie kleentjes, die hun deel
In ’t erven toekomt, zyn geborene erfgenamen.
Hoe zouw ik wachten, dat, wie zouw het zich niet schamen?
(145) Een zieke hen, die ’t oog al sluit aan d’eene zy,
Gekocht wierd voor een vriend zo kinderloos als hy;
Die kosten zyn te groot, men zal geen kwakkel schenken
Aan een die Vader is. Gallita zal niet denken:
En Paccius twee die schatryk zyn, zonder kind
(150) Of kraai, dat hy zich door de koorts niet wel bevind;
Of zie het gansch portaal van boven tot beneden,
Met veele bortjes vol gelofte al om bekleden;
Ja hondert dieren zelfs te slachten werd beloofd;
Een Elefant wierd zelf van ’t leven wel beroofd,
(155) Maar komt hier niet te koop, noch teelt in onze landen;
[p. 260]
Maar ver van daan gehaald, al waar de zon door ’t branden
De Moren verft, zyn zy gesloten in het woud
Der Rutulen, daar hen de Keizer onderhoud;
Men hoedze als zyne kudde in Turnus oude weyen,
(160) Zy laten hunne nek niet van ’t gemeen beschryen,
Dewyl haar Ouders den Karthaagschen Hannibal,
Onze Oversten, en der Molossen Koning al
Ten dienste stonden, om gewoon gansche oorlogsbenden,
Een deel van ’t heir, en gansche torens op hun lenden
(165) Te dragen in den stryd; ’t schort niet, gansch niet, o neen,
Aan Novius en aan Pacuvius dat been,
Dat dierbaar elpenbeen te brengen naar d’altaren,
En voor de huisgoon van Gallita niet te sparen,
Maar t’offeren, alleen ook zulke goden waard
(170) En zulke erfzoekeren; een ander, gansch ontaard,
Zal zelfs de schoonste van zyn slaven wel beloven,
Zoo ’t toegestaan wierd en zal offerbanden boven
Op ’t voorhoofd schikken van zyn eigen knecht of meyd;
Of zo hy ’t huis zelf heeft een dochter, waard gevryd
(175) En huuwbaar, zal hy, als Ifigenie, haar geven
Ten altaar, schoon hy weet dat zy ’er vast zal sneven,
En hy niet hopen kan dat zy verwisseld werd
Door t’offren in haar plaats dat wyd vermaerde hert.
Op welke stof zo vaak de treurspeeldichters vielen.
[p. 261]
(180) Ik prys myn burger, en gelyk geen duizend kielen
By zyne laatste wil; want zo de zieke ontgaat
De Lykgodin, zal hy al ’t geen geschreven staat
In ’t eerste testament vernietigen, bedrogen
Door zyn erfzoeker, en ’t net over ’t hoofd getogen.
(185) En zal Pacuvius na zo een dienst, misschien
Zich erfgenaam in ’t kort van al zyn middlen zien,
Die opgeblazen treet, om dat hy door zyn treeken
Alleen die erffenis heeft in zyn zak gestreeken,
En steekt de borst vooruit, om dat hy listig heeft
(190) Zyn mede vryjeren in kunst voor by gestreeft.
Ziet daar eens vrienden, wie zou ’t immer kunnen menen?
Wat nut het offer doet der dochter van Mycenen?
    Lang leef Pacuvius, ja Nestors levenstyd:
Dat hy zo veel bezitt’ en in zyn kisten smyt
(195) Als Nero heeft geroofd, hy stapel zyne schyven
Zo hoog als bergen op, mits dat hy maar mag blyven
Pacuvius, en hy zich dan, als nu, bevind
Beminnend niemand, en van niemand ook bemind.

[p. 251]
    Zoden, de gewoonte om altaren van zoden toe te stellen, en daar offerhanden op te plegen, vind men buiten de H. schrift in vele oude schryvers, als Virgilius, Horatius, Ovidius enz.
    Koningin, Juno, dus bygenaamd, niet alleen in verscheide schriften, maar ook op oude steenen en penningen.
[p. 252]
    Moorsche Gorgon, het hoofd van Medusa, de dochter van Phorbus, uit het Cyrenaische land in Mauritanien geboortig, die om het plegen van onkuisheid met Neptunus, in de tempel van Minerva door die Godin eerst het hair in slangen veranderd, en de kracht gegeven wiert van al die haar aanzag te hervormen in stenen, doch door Perseus met behulp van het schild van Minerva gedood, heeft de godin haar afgeslagen hoofd naderhand altyd op haar beukelaar gevoerd. Zie Ovidius Herschep: 7 boek en meest alle andere Fabelschryvers. Gorgon van het Grieksche gorgos afkomstig, dat zomwylen vreeselyk verschrikkelyk beteekend. Andere halen ’t van zeker Libys dier dus genaamd.
    Rekt, willende daar niet mede betekenen de onwilligheid van het dier in het gaan naar het altaar, dewyl dat een zeer kwaad voorteken by de ouden was, maar zyn sterkte en dartelheid door het lopen, dat de lyn schier uit de hand van die hem leit werd gerukt, ’t hoofd te schudden enz.
    Wyn, een doorgaandsche gewoonte by de ouden was het sprengen van wyn tussen de hoornen, en op het voorhoofd der offerdieren. Virgilius doorgaans enz.
    Hispulla, een dikke fommel van zyn tyd, die in zyn zesde Schimpdicht wegens haar ommegang met een treurspeeler ook een veeg uit de pan krygt.
[p. 253]
    Clitumnische, de landeryen gelegen by de riviere Clitumnus, in Umbra, befaamd door haar schoon vee. zie Lucan. 1.v. 473. Virg. Landg. 2. 144. Altyd wit, een geachte klaar tot de offerhanden inzonderheid beschryft de jonge Plinius die zeer aartig in een zyner brieven.
    Gevaar van Schipbreuk, dewylze niet anders voor oogen zagen als te verbranden.
    Dichters storm, zo als de Poëten, die na hun gewoonte ’er vry wat by doen, een storm verbeelden, Zie Homeer 5. 9. 12, Odiss.Virgilius en anderen.
[p. 254]
    Gelofte taferelen, deze waren schilderyen verbeeldende de ongevallen die men meende door zich aan de eene of de andre god bevolen te hebben te zyn ontkomen, als schipbreuk, ziekte enz. en die men ter gedachtenisse in de Tempelen ophing.
    Kerk van Isis, de dichter wil hier mede te kennen geven, dat ’er zoo een groot getal van menschen zyn die op zee in levensgevaar gesteld of schipbreuk lydende, de dood naanwelyks ontkomen, en daarom ter gedachtenisse en tot dankbaarheit in de tempel van Isis die de patronesse van de zeevarende lieden was hunne ongevallen lieten schilderen en ten toon hangen, dat byna al de schilders daar alleen van konden de kost hebben.
    Hy, Catullus.
    Geschil, even als of de wind actie maakte op zyn goed en hy ’et daarom buiten boort gooide, om met hem geen kwestie meer te hebben.
    Schatten, te weten zyn ballekens, zo als de oude meenden dat die het Castorium, een gebruikelyk medicament, verschaften; maar de ervarenheid heeft geleerd dat dit onmogelyk is, zo door gestalte van het dier als anders. Zie Brouwn gemene dwalingen 3de boek 4de Hoofdst. by Plinius zelf 32 B. beweert Sestius dat dit valsch is en een verdichtzel.
[p. 255]
    Mecenaten, L. Cilenius Mecenas, (zo befaamt door zyn liefde tot geleerdheid en geletterde, en waar na noch een party pedanten den eenen en den anderen vorst, of jonker, die haar de mond openhout de naam van Mecenaten geven, zich zelf ten minsten gelyk stellende met Virgilius) was, zo hem na gegeven word, wat dartel in kleding, gang, en manier van schryven. ’t Geen Seneca gestadig op haalt, die volgens zyne gewoonte zelf zeer schurft andere hatelyk ten toon stelt, onze dichter ziet hier meest op zyne lafheid in kleding, dewyl hy altyd ongegord ging, dat toen tertyd een teken was van wulpsheit. Doch om wel te verstaan wat distinctus dat is ongegord, altecinctus hooggegord enz. zeggen wil dient men naa te zien, die van de kleding der ouden hebben geschreven, insonderheid Ferrarius en Rubenius. die meer van Mecenas weten wil leze Meyboom in zyn leven, die hem wegens die aangevrevene lafheid verschoont.
    Kleur, Te weten een natuurlyke blinkende purperachtige verw zeer bekend en geroemd by de oude schryvers.
    Gras, Hoofd zegt in een van zyn Klinkdichten:
        Granaadsche wol had nooit het gloeirood bet gedronken,
            Daar ’t voeder verwer is aan groene kruiden sap. enz.

    Bron, Neemt de dichter hier voor de rivier Betis die zyne naam aan de by gelegene landstreek Betica mede deelt tegenwoordig Andaluzien, zynde de naam der riviere door de Moren hervormd in Gua-dalquivir, ’t geen een groote rivier betekent.
[p. 256]
    Parthenius, een vermaard Konstenaar.
    Pholos, De Centaurus, hy ziet op de vaerzen van Stesichorus die beschryvende de maaltyd der Lapithen en Centauren Pholos invoert Herkules een vervaarlyken beker toedrinkende.
    Fuscus vrouw, Een wyf van zyn tyd dat schoon van de lik hield, misschien van dien Fuscus, waar van hy in zyn zestiende gewag maakt, en die dus het haar man niet toegaf.
    Stroper, Philippus de Macedonier, die gansch Griekenland afliep. Zie Justinus enz.
    Olynthos, Een machtige stad in Macedonien de Atheniënsen onderworpen, die Philippus gelyk meest alle andere, door geld in kreeg, zy hem verkocht werdende door Lasthenes.
[p. 257]
    Top, Van Alba.
    Iulus, Ascanius de zoon van Eneas.
    Witte, Om dat wit in ’t Latyn Alba betekent; zie de geschiedenis in Virgilius.
    Pharos, Hy verstaat hier de vuurboet, die Claudius naar het voorbeeld der Alexandrynsche, in de vermaarde haven van Ostia, namaals door Trajanus verbeterd, heeft opgericht. Zie Suetonius in zyn leven cap. 20.
[p. 258]
    Baaische, Hy neemt hier Bajaansche Jachtjes voor ’t allerkleenste vaartuig ’t geen men gebruikt om tot vermaak hier en daar te roejen. Baje zynde een plaats en haven by Napels zo vermakelyk door zyn schoone gezichten, als veylig voor alle winden, vermaard door zyne warme baden, en de brug die Caligula uit dartelheid over die groote zeeboezem heen sloeg.
    Geschore, Dewyl dat het niet geoorloofd was als in noodweer te scheep hair en nagelen te korten, zie. Handel. 27 vers 34 en Petronius, C. 63 en 64.
    Gunstig, In ’t latyn, linguis animisque favete, een eigene manier van spreeken gebruikelyk by de offerhanden, waar mede betekent wierd niet met woorden gunstig te zyn, maar te zwygen, om de offerdienst niet te stooren.
    Meel, Meel en zout door elkandren gemengt wierden op het offermesch, in het vuur van ’t altaar, en op de voorhoofden der offerdieren gestrooit.
    Beeltjes, Huisgoden.
[p. 259]
    Was, Zynde daar van gemaakt.
    Morgenlichten, Met lampen, die ’s morgens wierden op gestoken, of die tot de morgen branden, terwyl de posten met laurier bekleed waren, een teken van blydschap, gelyk wy noch zien dat de vensters by gemeene vreugde werden met onstekene lichten enz. vervuld.
    Gallita, Paccius, Twee ryke fokkerts zonder kindren welke Tacitus ook gedenkt.
[p. 260]
    Turnus, By Ardea, de oude hoofdstad der Rutulen, welke door Turnus beheerscht wierd; ziet Virgilius.
    Molossen, Pyrrhus Koning der Epiroten en Molossen, van wiens oorlogen tegens de Romeynen en zyne Elefanten men leze Livius. d’Elefanten zyn in dezen oorlog eerst in Italien gezien, en naderhand zelfs by de Romeinen in hunne veldtochten gebruykt.
    Novius en Pacuvius, Twee bekende flikflojers van kinderlooze rykaarts, om daar door aan de erffenis te geraken.
    Offerbanden, Een doorgaansche gewoonte van het gedierte dat men offerde met witte banden van wederzyden af hangende het hoofd te bekleden, gelyk noch in veele onde marmers enz. te zien is.
[p. 261]
    Ik, Hier voert by een ander sprekende in die de erfzoekers quanswys gelyk geeft.
    Kielen, Die tot de belegering van Troje te zamen kwamen: hy neemt hier een zeker getal voor het onzekere, zo vindmen het zelve ook by Petronius en anderen, die ’t net getal lust te weten, leeze Homerus, en meer diergelyke waarachtige schryvers van die oorlog.
    Mycenen, Om dat hy voorgaf zyn dochter te willen offeren, gelyk Ifigenie oorspronkelyk van Mycenen in Aulis is geofferd geworden, zie Ovidius enz.
   
Continue
[
p. 262]

HET DERTIENDE

SCHIMPDICHT

Van

D. J. JUVENALIS.

Door den HEERE

PIETER NUYTS.

AL ’t euvel, dat ooit, op ’t kwaad voorbeeld, werd bedreeven,
Mishaagt den Pleeger zelf; dit ’s de eerste wraak beleeven,
Tot lichtenisse van ’t geleedene verdriet,
Van ’t bitter ongelyk trouwloozelyk geschied,
(5) Dat hy, die ’t stuk bestondt, zich zelfs niet vry zou keuren,
Schoon hem zyn eigen Recht te spreeken mogt gebeuren;
Of schoon ook, dat hy kon, door deugdelooze gonst
Des Rechters, door bedrog, en haatelyke konst,
Zyn Pleit twist, op de Rol, zich plegtig toe zien wyzen.
(10) Gedenk niet, waarde Vrind, dat iemand ooit zal pryzen
De snoodheid laatst gepleegd, en schelms geschonde trouw;
Uw schaade port elk tot meêdoogenheid en rouw,
Doch daarom is uw staat niet redd’loos, of verlooren;
Neen; zulk een kleen verlies kan u niet doen versmooren;
(15) Deeze onverwachte slag, door dit verlies geleên,
[p. 263]
Is hedendaags niet nieuw; die zaak werd nu gemeen;
Gy moet die stellen by veel duizend andre rampen,
Waar meê het slings Geval ons daag’liks aan komt klampen;
Dus maatig uw geklag; de Rouw moet nimmermeêr
(20) Zyn grooter dan de Smert, noch ’t zuchten dan het zeer;
Zulks past geen moedig Man. En gy, nu gy moet draagen
Alleen een kleen verlies, één van de lichtste slagen
Des weyfelende Lots, stuift op in heete moed,
En blaakt van gramschap, wyl uw Vrind u niet voldoed,
(25) Niet weêr geeft ’t weinig geld, dat hy voor u bewaarde.
Staat gy hier voor verbaast, gy Raadsheer, gy Bejaarde,
Die sestig winters teld, voor wien zo meenig maal
Van snood gepleegt bedrog gebragt wierd ’t droef verhaal.
Kan dan de ervarenheid van zo veel groote zaaken,
(30) Die gy hebt bygewoondt, u noch niet kloeker maaken?
Wat baat de Wysheid doch, die onwaardeerb’re schat,
In achtb’re bladeren zorgvuldiglyk bevat,
Zo zy ons niet bevrydt voor de ongestuime nukken
Van ’t weifelend Geval? hy ’s wys, die de ongelukken
(35) Der waereld, met geduld, te draagen heeft geleerdt,
En ’t Juk des Noodlots niet weerbaarstig van zich keerdt.
Zaagt gy één 1 Feestdag ooit zo hoog geviert, zo heilig,
Dat zy de Oprechten voor de Dieven stelde veilig,
Voor trouweloos bedrog, meineedigheid, geweld,
(40) En moordzucht, door vergif, of staal in’t werk gesteldt?
’t Getal der Vroomen werd voorwaar heel kleen gevonden,
En naauw zo veel noch, als de Vette Nylstroom monden,
Of 2 Thebe poorten heeft. De laast’ te komene Eeuw,
Die de Yzere overtreft, beleeftmen; die Hebreeuw
(45) Noch Griek, noch iemand, wie daar ooit van heeft geschreeven,
[p. 264]
Noch ook Natuur zelf heeft een Bynaam konnen geeven,
Als aan de voorigen genoemt na ’t hard 3 Metaal.
En wy, Onwyze Schaar! wy schreeuwen altemaal,
Zo luidskeels, om de hulp van Aard- en Hemel lieden,
(50) Wanneer wy heel verbaasd één Schelmstuk zien geschieden;
Als of der vleijers Rot, om brok, en drop gehuurt,
Een slechte Pleiters lof deed schaatren door de 4 Buurt;
Daar niemand hedensdaags dit strekken moest een wonder.
’t Bedrog klimt hoog in top, de stille Deugd raakt onder,
(55) De Schelmen zyn alleen niet straf’loos, maar gekroondt,
De Vroomen schamperlyk vertreeden, en gehoondt.
Ai! zeg doch, Oude Heer, zo weetloos opgewassen,
Dat ik de lessen van de Jeugd u toe moet passen;
Is dan alleen voor u een onbekende zaak,
(60) Wat zoete aanloklykheên, wat ongemeen vermaak
Eens anders Geldkist geeft? kond gy noch niet ontdekken,
Hoe uwe eenvoudigheid elks lachchen zal verwekken?
Gy eischt, dat niemand ooit zal doen een Valschen Eed,
Maar vast gelooven, dat de Straf reeds staadt gereedt.
(65) Ja, zulke wyzen, en zo naauw gezette zeden
Behaagden de Ouderen in tyden lang voorleeden; 5
’k Beken, zo ging het toe, eer dat Saturnus hoofd
Van Koninglyk gezag en Kroondragt was beroofdt,
Toen hy genoodzaakt was een Zeissen by de Boeren,
(70) In plaats van Scepterstaf, al vlugtende te voeren;
Wanneer Vrouw Juno noch een teeder Meisje was;
Wanneer de Donderaar Jupyn, als in een kas,
Of schuilhoek, buiten Staat, lag heimelyk verschoolen
In ’t woeste Idees gebergt, of Kretes stille hoolen;
(75) Eer boven ’t Blaauw gewelf de Goddelyke staat
[p. 265]
Zo banketeerde, en voort verviel tot overdaad,
Eer dat Vrouw Hebe schonk, of Ganimeed de kroezen
Der Goden vulde, met zo veel vergode roezen;
Eer dat de Bliksem Smid, van Nektarteugen vol,
(80) Zyn Swarte Schonken schuurde in ’t Lipareesche hol;
Toen ieder Godheid, aan zyn eigen Disch gezeeten,
Gemeene Spyze stil en vergenoegdt kon eeten;
Als elk geen Godheid noch voor zich verkooren had,
Gelyk men hedensdaags gebeuren ziet, om dat
(85) Het wroegende gemoed heeft Heiligdom van nooden,
Als ’t Hemelsch Hof, vernoegdt, met minder tal van Goden,
Den Armen Atlas met een pak van kleender wigt
Belaste, dat hem viel verdraagelyk, en licht;
Als niemand ’t Heersch Recht van de Zé was opgedraagen,
(90) Als Pluto met zyn Wyf, noch straffen had, noch plaagen
Van Slangrad, Swarte Gier, geen Steen, noch Razerny,
En dat de Zieltjes saam op ’t hoogst vernoegdt, en bly
Krioelden, zonder vreeze, en Oppervorst hier onder;
Toen was de boosheid, en ’t Bedrog al om een wonder;
(95) Het scheen iets seldsaams, zo was elk ter Deugd geneigt;
Toen hield men voor een schand, waard met de dood gedreigdt,
Indien de Kinderen hunne Ouderen niet eerden,
Noch Jongelingen voor gebaarden zich verneerden;
Schoon die Gryshoofdige ook een min waardeerbre schat
(100) Van Land, van Veê, van Aarde, of Boomgewas bezat;
Het was hoog achtbaar maar vier jaaren meêr te tellen;
Zo wierd ook de eerste Baard der Jongere gezellen
Gehouden in waardy. Maar by aldien men nu,
In deez’ bedurvene Eeuw, die voor de Deugd schynt schuuw,
(105) Eén mensch, al was het ook uit de alderbeste Vrinden,
Zo deugdelyk, en trouw kwam onverwacht te vinden,
Die ’t toevertrouwde Geld, zo zuinigjes bespaardt,
En roestrood schimmelig in ’t bundeltje bewaardt,
Aan ons niet weigerde, met onbeschaamde kaaken,
[p. 266]
(110) En alles loochende; dat waaren vreemde zaaken;
Diens ongewoone Trouw wierd, als iet raars geroemdt,
En was recht waardig in het wonderboek genoemdt;
Of dat men ’t zyner eer het vette Kalf deed slachten.
Vind ik ’er één zo vroom, ’k zal ’t grooter wonder achten,
(115) Als ’t wonderbaar geval van een Twelyvig Kind,
Of dat men een Muillin vruchtdraagende elders vindt,
Ik zal my waarelyk daar over bet ontzetten,
Dan of een regen van Straatsteenen kwam verpletten
Het Veld, en Hofgewas; dan of een Byën vlugt,
(120) In schyn eens Druiven Trots, verliet de vrije lucht,
En hechte zich aan ’t Spits van de alderhoogsten Tooren,
Dan of ’k een Beek, als Melk, zich snel in Zé zag smooren.
Maar, waarde Heer, gy klaagt, en zyt geheel ontsteldt,
Dat u ontvreemd zyn, niet door openbaar Geweld,
(125) Maar door een Valschen Eed, en dit kond gy niet dulden,
Dit trouweloos bedrog, slegts tienmaal duizend gulden.
Wat reden heeft hy niet, die door de zelfde list,
Als u geschied is, wel twehonderd duizend mist?
En, boven dien, wat zal een derde dan niet zeggen,
(130) Die zulk een schat verliest, als naauwelyks kan leggen
In Ys’re Kisten, schoon al vry wat ruim, en breed;
Ook door het middel van een valsch gezwoorene Eed?
Zo licht en luchtig is ’t den Goden te bedriegen;
Als ’t maar den Mensch niet weet, dan schroomt men niet te liegen.
(135) Met wat halstarrigheid vermomdt men ’t snood gelaat,
Dat in de plooi van een rechtschaap’ne vroomheid staat;
Men zweert by ’t Zonnelicht, by Hagel, 6 en by Donder,
By ’t Slagzwaard, daar God Mars het boovenst’ meê keert onder,
By Schichten van Apol, by Koker, Boog, en Pyl,
(140) Waar meê Diane ’t Wild kan vellen in der yl;
By God Neptunus Vork, en by Alcides Schichten,
[p. 267]
Waar voor de muuren van Oud Troije moesten zwichten;
By Pallas Lans, en wat in ’t Wapenhuis der Goôn
Noch meerder zyn mag. Ja, indien men heeft een zoon,
(145) Men zal wel zweeren, dat men wreed hem mag doen sneeven,
En in Azyn gezult, voor Spys op taafel geeven
Zyn Spieren, Zenuën, zyn Leden, Hoofd, en Hals;
Indien, het geen men zweerd, ooit werd bevonden vals.
Veel stellen aan ’t Geval ’t beleid van alle zaaken;
(150) Hoe meenig is ’er, die geen zwaarigheid zal maaken
Rond uit te zeggen, dat de Waereld werd bestiert,
Niet door een Weezen. ’t welk alom moet zyn gevierdt
Met eerbied, met ontzag, maar die het al toeschryven
De alteelende Natuur, en dies styfhoofdig dryven,
(155) Dat ’t al bewoogen werd alleen door zulk een drift,
Dat die en Dag, en Nacht, en Jaar, en Tyden schift;
En hier door leid dit slag van Volk een reukloos leeven,
’t Is hier door, dat zy voor Altaar noch Godheid beeven.
Daar ’s noch een ander slag, wat minder boos, nochtans,
(160) Dat, vreezend voor de straf, aan Goôn geloofd, de kans
Doch echter waagt, en zweert, zo ’t hen slechts kan verryken,
Een valschen Eed; op hoop, de straffe zal noch wyken,
Der goeden Goden reeks, met hen langmoedig zyn;
En zeggen, schoon ’t onschoot, laat, laat de Hemel pyn,
(165) En zwaare plaagen aan het Lichaam ons verschaffen,
Alle onze Leden doen gevoelen rechte straffen;
Laat, laat onze Oogen vry ontbeeren ’t lieve Licht,
Wy troosten ons gerust ’t ontbeeren van ’t Gezigt,
Indien wy, schoon ook blind, of met bedorvene Oogen,
(170) Het valsch geloochend Goud, na wensch, bezitten moogen,
Dat is noch meerder waard; wie zou het zoet genot
Van ’t schitterende Goud, of de aangenaame pot
Gevult met penningen, niet goede koop waardeeren,
Zo hy ’t bekomen kon, voor etterige zweeren,
[p. 268]
(175) Voor Teering, of de Steen? geef de arme Ladas magt 7
Het knobb’lig Podagra te wenschen, zo hy wacht,
En zich niet onderwerpt gewillig al de plaagen,
Die deeze kwellingen de Ryken doen verdraagen,
Zo moeten hem in ’t Hoofd de Herss’nen av’regts staan;
(180) Wat voordeel heeft hem doch zyn snelle loop gedaan?
Wat voedzel trok zyn Maag van zyn gezwinde Voeten?
De Honger is met geen Olyve krans te boeten.
Een Booswigt denkt al voort, om ’t saagende gemoed
Te styven, in het kwaad, dat hy met opzet doed.
(185) Hy spreekt in zyn Gedachte, om zich gerust te maaken,
Der Goden toorn zy streng, ze is langzaam in ’t genaaken:
Want ingevalle zy aan ieder gaaven ’t zyn,
Wanneer doch kwaamen zy eens eindeling tot myn?
En als ’t al zo geviel, dan zou men licht bespeuren
(190) Eén Godheid, die geraakt meêdoogend door myn treuren,
Zich eind’ling, met gemak, van my verbidden liet
En licht genoegen nam, voor ’t kwaad wel eer geschied,
Zy zyn goedaardig, en gewoon ons vry te geeven;
Veel zynder, die wel een, en ’t zelve kwaad bedreeven,
(195) Doch met byzonder Lot, deez’ krygt de Galg tot Loon,
Een ander, even boos, vereert men met een Kroon;
Hoe snooder Guiten, hoe men die meêr ziet verheffen;
De kleene, onnoosl’en, zal het ongeluk meest treffen;
Dus trachten zy door konst het wroegende Gemoed,
(200) Dat zo veel euveldaân arglistig heeft gebroed,
Wanneer het werd verbaast, door al zyn Gruuwelwerken,
Te troosten, en met zulk een laaff’nis te versterken,
En als zy dan in ’t kwaad gehardt zyn en gezult;
Zo zullen zy, als of zy waaren vry van Schuldt,
(205) Indien, dat gy haar voor het Hoog Altaar doed daagen,
Of aan den Rechterstoel ter Vuurschaar wild beklaagen,
U zelve komen voor, en naderen niet traag,
Maar met veel omslag, en betoonen zich heel graag,
Om ’t feit te zuiveren, kwansuis, met dierbaare eeden,
[p. 269]
(210) Ja tarten u om haar in ’t zweeren na te treeden;
Zo werd men vaak misleid, door ’t snood geveinsd gelaat;
Zo kan de fynigheid, zelfs by een Man van Staat,
Een deugdelooze zaak, door konstiglyk bekleeden,
Doen ingang neemen, en doen gelden tegen reeden;
(215) Hem zich doen stellen, als een voorspraak voor die Man,
Niet denkend’, dat een Guit zich zo vervormen kan.
En gy, die ’t heilloos kwaad van deez’ bedurvene eeuwen,
Van deeze laatste tyd, bewust moest zyn, gaat schreeuwen,
En klaagen overal, op beurs, op Markt, op Straat,
(220) In Kerk, op Raadhuis, en al waar gy zit of staat,
Zo luidkeels, als of gy die Schreeuwer woud verdooven,
Die met zyn sterk geroep ging vyftig man te boven,
Gelyk Homerus in zyn Dichtkonst ons verteld;
Gy vraagd een Beeld, Jupyn! hoe lyd gy zulk geweld!
(225) Hoe! zwygd gy noch? schoon gy ook zyt uit harde steenen,
Of Koper, echter moest gy spraak, en wraak verleenen!
Kond gy die gruwelen aanhooren zonder straf,
Wel waarom of ik dan zo veele jaaren gaf
Uit ’t heilige papier, zo mild, en zonder spaaren
(230) Den dierb’ren wierookgeur, op uw gewyde Altaaren?
Waarom of ik zo vaak eens jonger Bigge net,
Of Kalver lever heb op uw Altaar gezet?
Ik zie men hoeft nu niet meêr onderscheid te stellen
In ’t beeld van u, of van 8 Bathil, en zyn Gezellen.
    (235) Maar, Fynman, kom, ontfang doch, tegen al dit kwaad,
En onheil, dat u treft, den alderbesten raad,
Die gy in Cynische, noch Stoïcynsche Boeken,
Noch uit haar Lessen zult behoeven op te zoeken;
Schoon ons die leeren, dat men geld, en ’s Waerelds goed,
(240) Met ’t weinige vernoegd, geheel verachten moet.
Laat zieken, welkers kwaal, in twyffel van geneezen,
Haar angstig hart benaauwd, en voor de Dood doed vreezen;
[p. 270]
Vry zoeken Artzen van uitsteekenheid en naam,
Wy achten, om uw leed te leenigen, bekwaam
(245) Volkomen de eerste Knaap, al had hy weinig jaaren,
Van een Baardschraaper, in zyn konst niet zeer ervaren.
Dus lyd’lyk is den last, dien ge op uw schouders draagd;
Zo gy my toonen kond dat niemand zo geplaagd
Ooit ergens wierd, als gy; geen Mensch meêr had geleeden,
(250) Of zo bedroogen was, zo liet ik u met vreeden,
En spaarde mynen troost; ik liet u, Borst en Wang,
Met vuist en handen slaan, wel zeven jaaren lang;
Want om zo zwaare ramp moest gy het sterfhuis sluiten.
Wat is ’er, dat den rouw van ’t geldverlies kan stuiten?
(255) ’t Huis loeid van meêr gehuil, en dreund van meêr gebaar,
Om een ontdraagen Schat, als ’t Lyk van Moêr, of Vaâr,
Die Rouw was nooit geveinst, nooit liet men zich genoegen
Met ’t opperkleed alleen te scheuren, of met ’t ploegen
Van vooren in de Wang, door nagelen; het Oog,
(260) ’t Geen anders meenigmaal door schyn het volk bedroog,
Zal zyn verlooren Goud, als uit ontsloote kraanen,
Betreuren ieverig met heete en waere traanen.
Doch gy, die klaarlyk ziet, en hoord, hoe hedensdaags
In alle Hoven, en Gerichten veel geklaags
(265) En twistens is, om zulke en diergelyke zaaken;
Hoe meenig, zonder schroom of zwaarigheid te maaken,
Heel licht zyn eigen hand ontkend en heusche schuld,
Schoon dat,wanneer ’t papier wierd met zyn schrift gevult;
Daar by ook waaren nu gezwoorene Getuigen;
(270) Schoon; om het recht begrip, en waare zin te zuigen,
De opstelling tienmaal wierd geleezen en herhaald;
Schoon ook het zegel was behoorelyk betaald;
Ja schoon de wettigheid op ’t krachtigst wierd beweezen,
Door Wasch en Waapendruk des Sardoniek gepreezen,
(275) En, om zyn waardigheid bewaard in blank Yvoor.
Zult gy, zo kennende der Goddeloozen spoor,
Om zulk een voorval nu zo overmaatig treuren?
[p. 271]
Of meend gy dat u moet een beeter Lot gebeuren,
Als deez’ heillooze Tyd aan ieder mededeeld?
(280) Of dat uw Staat zo veel van het Gemeen verscheeld?
Dat gy een troetelkind van het Geluk, gebooren
Zyt van een Witte Hen, met goude Kam en Spooren,
En ’t andere Gebroed van veel gemeener slag,
Uit een onzuiver Ei gekomen voor den dag?
(285) ’t Was slechts een kleen verlies, dat u is wedervaaren,
En daarom staat u dit te draagen met bedaaren,
Indien gy maar eens ’t oog op grooter rampen slaat,
Door and’ren met geduld zo vaak geleeden. Laat
Eens met den Evenaar van reden overwegen,
(290) Om welke zaak men meêr behoorde straf te pleegen:
Of over ’t schelmstuk van ’t ontkennen van uw Geld,
Of over Moordenaars, gehuurd, om met geweld,
Of door bedekte list, en heimelyke laagen,
Al die hen tegenstaan, verwoed in ’t Graf te jaagen?
(295) Of over ’t schelmstuk van een Godvergeeten Guit,
Die Schip of Wooning, door kracht van verborgen kruid
Doed springen in de Lucht? of over Stookebranders,*
Die Sulfer, Poppen, of Vuurballen, of wat anders,
Aan Durpel, Deur, of Dak gaan hechten, om het Huis
(300) Te doen verteeren door de gloed tot puin en gruis?
Of over zulke, die de Tempels en Altaaren,
Om de ouderdom gevierd, en voor onheugb’re jaaren
Gesticht, berooven van Bokalen, Kelken, Pracht,
Waar in de Aloudheid had een achtb’re roest gebragt;
(305) Van Kroonen, die vereerd zyn van voorgaande Vorsten,
En giften, die het volk Kerkplichtig uitgeborsten,
Den Goden offerden? of, daar ontbrak die schat,
Men minder Dieven dan ook niet te straffen had;
Gelyk die ’t gulde Beeld van Hercules besteelen;
(310) Die van Neptunus baard de goude haaren deelen;
Die ’t fyne Zilverdraad en Klinkant uit den Rok
Daar Kastor mede praald, te Tempelschennig trok?
Want al dat slag van volk gewis’lyk zou niet stil staan,
Mogt maar gelegentheid en tyd na haaren wil gaan,
[p. 272]
(315) Om heel de Beeldenis, zelfs van den Donderaar
Te ontrooven, uit de Kerk, en van ’t gewyd Altaar,
En op dat haar bestaan verhoolen doch mogt blyven,
Te smelten op een klomp, en laaten ’t slaan tot schyven.
Ei maak eens, zo ’t u lust, een vergelyk van ’t geen
(320) Gy door ’t verlooch’nen van uw geld ooit hebt geleên,
Met zaaken die vry meer, ja tienmaal hooger steig’ren,
En waar aan men althans verdiende straf blyft weig’ren;
Dunkt u, dat ’t maaken, en het koopen van fenyn
Om menschen meê te doôn, niet grooter gruuw’len zyn?
(325) Zyn uw gedachten niet, men hoorde, die zulks pleegen,
Met Hond, Sim, Haan, en Slang in de Ossehuid gereegen,
Schoon dat die Dieren nooit verdienden deeze straf,
Die de alderstrengste Wet de snoodste Schelmen gaf,
Te werpen in de Zee, en daar te smooren laaten?
(330) Al wat u overkomt kan waarelyk niet baaten,
Om op te weegen al ’t gekerm, en droef geween,
De klagten over ’t kwaad, zo tegens Recht geleên,
Die Romens Stadvoogd, tot den avond, van den morgen,
Moet hooren, ’t welk by na hem smooren doed in zorgen.
(335) Noopt u de lust eens om te kennen ’t boos bestaan,
De gruwelstukken door de Menschen steeds begaan,
Verblyf by hem één dag, gy zult u niet meer noemen
Elendig, maar uw staat voor de alderbeste roemen;
Want over ’t boos bestaan, dat ik hier heb gemeld,
(340) En noch ontelb’re meer, door list of door geweld
Van tyd tot tyd gewrocht, heeft ’t volk heel weinig straffen
Recht na verdiensten aan de Daaders zien verschaffen;
Ja, ’t geen de snoodheid van onze eeuw noch klaarder toond,
Men ziet ze met Gezag, en Tabbaarden beloond.
(345) Dus werd het niet alleen voor dwaasheid nu gerekend,
Maar als een misdaad zelfs geächt en aangetekend,
Zy gy u toond verbaasd, dat zulk een zaak geschied,
Dewyl men dagelyks zo veele snoodheid ziet.
’t Gaat u als of men zich laat strekken tot een wonder,
[p. 273]
(350) En ongehoorde zaak, dat ’t volk, ’t geen aan, en onder
Het Alpische gebergt gezeten is en woond,
Heel opgezwollen en dikhalzig zig vertoond;
Dat ’t Duidsche volk is blaauw van oogen, blond van haaren;
Die zy bevogtigd als een hoorn by een vergaaren,
(355) En draaijen om de kruin na haar gewoonte en styl;
Dat ’t Meroësche Wyf, Buurinne van de Nyl,
Haar dikke Borsten niet verveelen, noch verhind’ren,
Schoon die veel grooter zyn als wel haar groove kind’ren;
Dit is uit haar natuur die menschen algemeen.
(360) Dunkt iemand ooit wel vreemd? verwonderd zich wel een,
Wanneer hy hoord, dat in de afleggende Gewesten,
Van ’t ruuwe Traciën, en de Indiaansche Vesten,
Pigmeën, Reuzen, maar twee voeten lang en hoog,
Op Geit, en Bok te Paerd, verzien met pyl en boog,
(365) Gepast na hun bereik, met heele benden ryden,
Om haare Vyanden de Kraanen te bestryden,
Die snel van vleugelen, gelyk een dikke wolk,
Met ysselyk gedruis, dat kleen gewaapend volk
Te keer gaan, en in ’t kort vermeest’ren en verstrooijen,
(370) En met hun kromme klaauw door lucht en wolken gooijen?
Daar over mag elk een hier wel verwonderd staan,
En lachchen uit de borst, en in zyn’ handen slaan;
Maar daar ter plaats, alwaar men daag’lyks ziet gebeuren
Die fellen stryden, dat verstrooijen, dat verscheuren,
(375) Daar al het volkje blyft niet hooger als een voet,
Vind gy voorwaar niet één die daarom lachchen moet.
Maar, Vrind, my dunkt, ik hoor u met verstooring vraagen,
Zal een Meineedige dan nimmer straffen draagen
Voor zyn ontrouwigheid, by Mensch en Goôn gewraakt?
(380) Werd van het hoog Gericht hem nooit geding gemaakt?
Gewiss’lyk; en ik meen, dat hy met zwaarder banden,
Als Yzer, of Metaal, aan Voeten, en aan Handen
Geboeidt gaat; ja, dat hy, wat eischt uw Gramschap meer?
[p. 274]
Geduurig word geplaagd van een ondraaglyk zeer,
(385) ’t Welk daag’lyks hem vermoord. Waar werd doch iemand sterker
Gerekt, gerukt, gerolt, gepynt; als in de Kerker
Van zyn Geweeten, daar hy nimmer rust in heeft,
En duizend Doôn ’s daags sterft, hoe langer tyd hy leeft?
Noch verder gaat uw klagt, gy zegt, dat mag niet helpen;
(390) Het heim’lyk wroegen kan doch niet myn wraaklust stelpen;
Ik heb die Schaä vast weg, en ben myn ander goed
Niet meerder zeeker; doch, vyf, of zes onsen bloed
Uit den onthoofden Romp, ’t verdiende loon der boosten,
Vernoegden mynen drift, en zouden my vertroosten;
(395) Want ’t Leeven is zo zoet niet, als ’t genot van wraak,
Door welkers felle tocht ik ook inwendig blaak.
    Maar Vrind, dit is de taal van onervaaren Lieden,
Wiens herssens licht, om kleene, of geene reden, zieden;
Die nooit geweest zyn op het Leerschool van ’t geduld,
(400) En om het minste leed, ten spoedigste vervult
Met Wraak, en Gramschap zyns Gewis, zo redeneerde
Chrisippus nimmermeer, noch Thales ooit zo leerde;
Noch Socrates, wel eer de buurman van Hymét
Met lieflyk bloemgewas, en Honing zoet bezet;
(405) Die doorgaans wraakte zulk een hevigheid, die driften;
Die zo het waare Goed van ’t schyngoed leerde schiften,
Dat hy met zedigheid al ’t ongelyk verdroeg,
En wat hem ook weervoêr, niet achte, maar beloeg;
Die zo gemaatigt was, langmoedig en geduldig,
(410) Dat hy, die ’t onrecht hem had aangeklaagdt als schuldig,
Verbannende de Wraak, niet wilde van ’t Venyn,
’t Geen hy moest zwelgen, meê deelachtig laaten zyn.
Dus had de Weetenschap, dat pronkbeeld der Meestressen,
Die ’t eerst de Deugd ons wees, door haar vergode lessen,
(415) Allengs en met ’er tyd de ondeugden uitgeroeidt,
Zulks dat zy in die Ziel heel heilzaam heeft gebloeidt.
Voorwaar de Wraaklust is niet anders als ’t genoegen,
Dat een gering, en zwak gemoed zich toe gaat voegen.
[p. 275]
Gedenk doch by u zelf, dat ’t Vrouwvolk alderrast
(420) Is tot de Wraak geneigdt, dat het in ’t minst niet past
De deftigheid eens Mans, te werden aangevochten,
Veel minder overheert, van Vrouwelyke tochten.
    Waarom doch oordeelt gy, dat ’t Heilloos slag van Volk
Hier wandelt ongestraft, als of in Lethis Kolk
(425) Haar misdaad wierd gespoeldt, en ’t eenemaal vergeeten?
Daar echter haar gestaâg het knaagende Geweeten,
Verschrikt, worgt, rabraakt, wroegt, en strekt een wreede Beul,
En uit haar ziel verbandt gehoopte troost, en heul;
Want onophoudelyk, by Nachten, en by Dagen,
(430) De onwraakbaare Getuige in zyn Gemoed te draagen,
Is waarlyk grooter straf, en duldeloozer smert,
Als van 9 Ceditius doorgaans bevoolen werd;
Of 10 Rhadamantus ooit in ’t heilloos Hof deed pleegen.
De Godspraak van Apol, (om Waarheid nooit verlegen,
(435) Gevraagdt van Glaucus, een Spartaan, of wel de straf
Der Goôn zou volgen, zo hy iemand, die hem gaf
In zyn bewaaring Geld, ooit voornam te bedriegen,
’t Ontkennen door een Eed, en ’t hem te heeten liegen?
Of wel Apollo hem zou raaden tot dien Buit?
(440) Doorsnufflende ’t Geheim van ’t Goddelyk besluit;)
Gaf spoedig antwoord, dat dit nimmermeêr de Goden
Gedoogden ongestraft. Meer had hy niet van nooden;
Hy gaf terstond weerom, ’t geen hy genooten had.
Maar, wyl hem meêr de vreeze, als Deugdzaamheid bezat,
(445) Bespeurde hy, in ’t kort, oogschynelyk, en krachtig,
Dat, ’t geen de Godspraak hem voorspeldt had wierd waarachtig;
Want hy, met huis, en kroost wierd aanstonds uitgeroeit,
Met al wat aan die Stam Vermaatschapt had gebloeidt.
Zo werd ook zelf gestraft de wil tot booze daaden;
[p. 276]
(450) Want by aldien dat zich slechts iemand had belaaden
Alleen met het ontwerp van Gruuwlen in ’t Gedacht,
Die was reeds straffens waard, ’k zwyg, zo het was volbragt;
Benaauwdheid zonder end, geduurige Angst, en Beeven,
Zelfs onder Taafelvreugd zal nimmer hem begeeven;
(455) Als in de drooge keel eens Kranken blyven zit
Het voedzel, zo kleeft ook de Spyze hem in ’t gebit,
En schynt te groeijen in de plaatze van verteeren;
De Wyn smaakt hem niet meêr, maar wil te rugwaarts keeren,
Gedreeven door de drang van eindeloos gezugt;
(460) Den duurb’ren Ouderdom van de aldersterkste Vrucht,
En Sap, mishaagt hem, en zo hy laat beeter brengen,
Hy zal die walgelyk gaan de Eetzaal over plengen,
En trekken ’t Voorhoofd zo vol Rimpelen van pyn,
Of hy gedronken had den scherpsten Wynazyn
(465) Indien de zorgen, die door ’t Hoofd gestaadig woelen,
Hem laaten overnacht een korte rust gevoelen,
En de afgesloofde Leên gestildt zyn voor een tyd,
Hem dunkt, dat gy gestaag ontrent en by hem zyt;
’t Geen hem het klammen zweet uit Spieren perst, en Aâren;
(470) Geschond’ne Tempelen, en God gewyde Altaaren,
Door zyn meineedigheid ontheiligdt en veracht,
Staan hem verschrikkelyk altyd in ’t Oog, by Nacht;
Uw Beeldenis, ’t geen hem afgryslyker, en grooter
Als Menschlyk schyndt te zyn, steldt hem hoe langs hoe blooter
(475) Aan zyn Versaagtheid, en benooddrukt hem gestaâg
Te erkennen zyn Misdryf, en welverdiende Plaag;
Hy is, als ademloos, beteuterd, en verslagen,
Als hy van ver maar hoord aanstaande Dondervlaagen;
Hy sidderd, en verbleekt van elken Bliksemslag,
(480) Daar zyn kleenmoedigheid niet langer tegen mag;
Hy ducht, dat ’s Hemelsch Vuur, op hem met recht ontsteeken,
Niet door geval, of kracht van wind; maar, om te wreeken
[p. 277]
Zyn boosgepleegde daad, op de Aarde neêrgestort.
Dryft deeze Bui voorby dan ongestraft, en word
(485) Hy niet getroffen van deez’ Bliksemschicht, noch Donder,
Zo vreest hy wederom het volgende Onweêr, zonder
Dat lieve Zonneschyn in ’t uitstel hem vernoegd.
Word hem een heete Koorts; of Zyd’wee toegevoegd,
Zyn ongerustheid denkt, het zyn vergramde Goden,
(490) Die door deez’ Krankheid my gewis’lyk zullen dooden,
’t Zyn hunne Slagen, ’t is hun Geessel, ’t is hun Roe,
Ik ly niet buiten schuld, my komt die straf wel toe:
Hy durft zyn Hofkappél; of Wandgoôn niet genaaken,
Noch van zyn Offervuur zyn Huisaltaar doen blaaken.
(495) Wat is ’er over doch voor dat verdoemd gebroed,
Als Wanhoop, zonder eind, in ’t overtuigd Gemoed?
Wat Offervee was zo gering, en slecht van waarden,
’t Geen ’t Volk niet liever van des Priesters Slagtmes spaarden,
Als toe te staan dat zulks verstrekken zou tot zoen
(500) Dier geene, die staâg niet als gruuwelstukken doen.
Heel ongestaadig is den aard der booze Geesten;
Als zy het kwaad begaan, dan zyn zy stout op ’t meesten;
Maar als het is gewrogt; bevreest, verschrikt, ontsteld,
En voelen dan eens recht wat Weedom haar bekneld;
(505) Nochtans zo zyn ze in ’t kwaad te pleegen heel volstandig,
In haare Gruuwelen te werken knap en handig.
Wie van die Snoode steld zyn zonde een einde, of maat?
Wie toonde ooit waare rouw na ’t Goddelooze kwaad?
Wanneer hem eerbaarheid, en schaamte ééns had begeeven?
(510) Was wel één booze Ziel vernoegd, met één bedreeven’
Verfoeide Gruweldaad? o neen; maar staadig hoopt
Hy ’t een op ’t ander, tot de maat eens overloopt.
Uw snoode Booswigt zal ook eenmaal noch gevoelen
Zyn welverdiende straf, en uwe Wraakzucht koelen;
(515) Hy zal, in Bande en Boei gekluisterd, en verstrikt,
Noch in een duister Hol, daar hy byna verstikt
Van Honger, Dorst, Verdriet, en onophoub’re plaagen,
Tot straf van ’t snood bestaan eens eindigen zyn dagen;
[p. 278]
Of op een barre Klip in ’t woeste Egësche Meer;
(520) Of ongezonde Kust, of Eiland, daar wel eer
Beroemde Ballingen, uit Staat en Goed gesmeeten,
In ’t uiterste verdriet en ramp hun leeven sleeten;
Wanneer Gy, na hy heeft geleeden raam op raam,
Door ’t knaagende Gemoed; van zyn gehaate naam
(525) Ontslagen weezen zult, en eind’ling met verblyden,
Noch moeten overtuigd, in ’t openbaar, belyden;
Dat, schoon, na ons begrip, wat traag, de Hemelliên
Niet doof, noch blind zyn, maar, ’t al hooren, en ’t al zien.

SChynchristenen, die, traag in Christelyke pligten,
Voor wyze Heidenen, voor Juvenaal moet swigten;
’t Licht der Natuur kon hen op ’t spoor der deugd doen gaan;
Hoe zullen wy eens aan dien Grooten Dag bestaan?


[p. 263]
    (1) Daer nochtans de schelmen op zommige Feestdagen vryheid hebben voor de Justitie.
    (2) Zeven.
[p. 264]
    (3) Deeze eeuw slechter dan de Yzere, heeft geen byzondere naam.
    (4) Dit was wel eer de gewoonte.
    (5) In de eerste, of Goude Eeuw.
[p. 266]
    (6) Manieren van zweeren wel eer gebruikelyk.
[p. 268]
    (7) Door zyn snelheid in het loopen wydvermaerd.
[p. 269]
    (8) Een beroemd Speelder.
[p. 275]
    (9) Een streng Rechter ten tyde des Dichters.
    (10) Rechter in de Helle.
Continue
[
p. 279]

HET DERTIENDE

SCHIMPDICHT

Van

D. J. JUVENALIS.

Door

WM. SÉWEL.

INHOUT.

De Dichter; willende zynen vriend Calvinus troosten, om dat hy zeer groote rouw bedreef over ’t verlies van tien duyzend Sesiertiën [zynde van ons geld, naar de rekeninge van eenige* omtrent 250. Ryksdaalders] welke by onder iemand betrouwd had, die ’t zelve naderhand ontbeerde; verhaalt in dit gedicht de veelvuldige ongerechtigheden en schelmeryen, die toen ter tyd in zwing gingen: en ook hoe dat de werkers der zelve, niet tegenstaande hunne stoutheyd, geduurig eene wroeging en knaaging hunner geweten, daar over gevoelen: voegende daar by tot een besluyt, dat die trouwlooze bedrieger ten laasten nog wel gestraft zoude worden over zyne valsheyd.

AL ’t gene dat tot een kwaad voorbeeld wordt bedreven,
Mishaagt den stichter zelve’, en wroegt hem, in dit leeven,
[p. 280]
Dit is dan de eerste straf, en ook voornaamste wraak,
Dae niemand, schuldig aan eene ongerechte zaak,
(5) Wordt vrygesproken by zich zelven, door het oordeel
Van zyn geweeten, schoon de Rechter, hem ten voordeel,
Uyt gunst het recht verdraait. Wat meent gy wel, Kalvyn,
Dat ieder denkt van ’t feyt uws schuldenaars, van zyn
Trouwloos ontkennen? Doch gy zyt zo niet versteeken
(10) Van geld en goed’ren, dat een kleyn verlies u breeken,
Of merklyk krenken kan. Ook ’t gene u is gebeurd,
Dunkt ons geen nieuwe zaak: want meenig heeft betreurd
Een diergelyk geval: en ’t zyn gemeene slagen
Waar me Fórtuin ons drukt. Stel u dan tót verdraagen,
(15) En maatig uwe rouw: ’t en voegt geen rustig man
Te klaagen, meêr als recht is, en de grootte van
Zyn scha vereyscht. Dóch gy kont naauwlyks u bedwingen
Om dit gering verlies, en slechts een deel der dingen
Die ons hier tegen gaan: maar brandende van spyt
(20) En ziênde gramschap, klaagt gy dat uw vrind, vol nyd,
Aan u ’t vertrouwde geld niet wederom wil geeven.
Maar hoe! zult gy, die reeds zo lang een’ tyd van leeven
Gehad hebt, en nu al ruim tzestig jaaren oud
Zyt, nóg verwonderd staan, als een zyn woord niet houdt!
(25) Maakt u de eervaarenheyd dan ganschlyk niet geleerder?
Veel’ wyze lessen vindt me’ in boeken, om te meerder
Het trótsen der Fórtuin te konnen wederstaan.
Maar echter acht menze ook gelukkig, die zich aan
Een’ ander’ spieg’len, en door ondervinding leeren,
(30) All’ de ongemakken, die ons in dit leeven deeren,
Kloekmoedig ’t hooft te biên. Waar was ’er ooit een dag
Zo heylig, dat men niet een’ dief betrappen zag;
Of trouwloos, door bedrog en and’re schellemstukken,
Als moord, en snood vergif, zyn’ naasten ’t geld ontrukken?
    (35) Heel weynig’ vroomen vindt men: ’k twyfel of ’t getal
[p. 281]
De stroomen van de 1 Nyl, of Thebens poorten zal
Eev’naaren konnen. Wy beleeven nu de tyden,
Die de yzere eeuw bykans van schelmery bevryden,
Om datze slimmer zyn, men heeft nóg geenen naam
(40) Gevonden; die haar kwaad afbeelden, en bekwaam
Beteyk’nen kan, nóch geen van alle de 2 metaalen
Kan deze negende eeuw behoorelyk afmaalen.
Wy ondertusschen, uyt verwond’ring, roepen Goôn
En menschen aan, met zulk eene overluyde toon
(45) Als ’t vólk 3 Fessidius, wanneer hy op zyn wenken,
Hen uyt doet schát’ren door zyn’ daaglyksche geschenken.
Zyt gy dan nòg zo kindsch, zeg eens, ô oude man,
Dat gy de aanlókselen, die ’t geld van and’ren kan
Vertoonen, niet en kent? weet gy niet welk een spotten
(50) ’t Veroorzaakt by het vólk, die uws gelyk voor zótten
Aanzien, wanneer men hen vermaant een’ valschen eed
Te myden, en hen zegt, dat Gód, die alles weet,
Ook in de Temp’len, en by ’t rooken der altaaren,
Onzichtbaar zich onthoudt! De liên, die eertyds waaren
(55) Bewooners van dit Land, behielden deze wys,
[Dat elk, door wel te doen, voorstreefde na de prys.]
[p. 282]
4 Saturnus had toen nóg zyn rykskroon niet verlaaten,
En voor een maaijers zeyn verwisseld zyne staaten,
Vrouw 4 Juno was toen nóg een maagdeken; 4 Jupyn
(60) Hieldt onbekend, in een spelonk van 5 Ida zyn
Verblyfplaats: niemand wist toen nóg van Goden maalen,
Op ’t prachtigst aangerecht in de bewolkte zaalen.
En 6 Hebe Herk’les wyf, noch Trojens 7 Ganymeed,
Had ooit nóg ’t schenkers-ampt by ’t Godendom bekleed.
(65) Ook had men toen 8 Vulkaan nóg nooit gezien, naa ’t leegen
Eens Nektar-schaals, zyn’ zwarte en rook’rige armen veegen
En wryven in zyn’ smisse, op ’t Eyland Liparé:
Een ieder van de Goôn hieldt op zyne eygen’ steê,
Alleen zyn maaltyd; ook was toen ’t getal der Goden
(70) Zo groot, als nu, niet, want het was geensins van nooden:
Dus was ’t gesternd gewelf ook een veel ligter last
Op 9 Atlas nek: by ’t lót was nóg niet toegepast
Aan iemand het bewind der naare helsche kólken:
Ook was 10 Proserpina en 10 Pluto by den volken
[p. 283]
(75) Nóg onbekend: men wist niet van 11 Ixions rad,
Of steen van 12 Sisyphus; ’t was nooit gehoord ook, dat
Een 13 Gier de lever van een mensch tót straf, zou knaagen;
Geen’ razernyen zag men toen de boozen plaagen:
De Schimmen onder de aard’, die waaren heel verheugd,
(80) En onder geen bedwang van Rechters: want de ondeugd
Was toen iets wonders: ’t wierdt voor groote zond’ gerékend,
Ja als een schelmstuk, óf nóg slimmer, aangetékend,
Wanneer een jongman voor eene’ ouden niet oprees,
Of dat een jongen niet behoorlyk eer’ bewees
(85) Aan eenen, wien de baard begon eerst uyt te loopen,
Schoon dat hy ryker was, en t’huys veel grooter hoopen
Van veld- en boom-gewas bezat: zoo groot een lof
Was ’t als men iemand slechts vier jaaren overtrof:
Waar door de Jonglingschap schier met den staad der oude
(90) Gelyk was. Nu, wanneer uw vrind het toevertrouwde
Niet valschelyk verzaakt, maar alles, tót een duyt,
[p. 284]
Weêrom geeft, hoe roept elk dan van verwond’ring uyt!
Als óf ’er waarelyk iets zeldzaams was verscheenen,
Om ’t welk geofferd wordt. En zie ik nu daar heenen
(95) Een’ man gaan, die oprecht, en vroom van leeven is,
’t Is al zo vreemd, als óf ik (by gelykenis
Gesproken) zag een kind met dubb’le leên gebooren:
En dat een ploeger 14 visch inde opgeploegde vooren
Vondt spart’len; en als óf een muylpaard zwanger was;
(100) Ja ’k sta versteld, gelyk wanneer een regenplas,
Met steen vermengd, neêrstort, óf wen een zwerm van byen
Zich, als een’ tros, ter tóppe eens Tempels nêer komt spreijen:
Of dat een’ beek in melk verandert? en een vloed
Heel wonderlyk in zee bruyst, als een’ stroom van bloed.
    (105) Gy klaagt dat u ontrent twee honderd 15 Dukatonnen
Afhandig zyn gemaakt, door list zeer schelms verzonnen,
Maar zeg, wat denkt gy, als een ander twintig maal
Zo veel, op zulk een’ wyz’, verliest? óf welk een taal
Zoudt gy wel voeren, zo gy ergens hoorde spreeken
(110) Van iemand, dien nóg een veel grooter somme ontstreeken
Wierdt, welk een groot deel van een’ ruyme kist besloeg?
    Men oordeelt het heel licht, en veyliglyk genoeg,
De Goôn, getuygen van ons kwaad doen, te verachten,
Indien men zich voor ’t oog van menschen slechts kan wachten,
(115) Zie eens, met wat een stout en onversteld gelaat,
Dat een bedrieger durft eene opgetygde daad
Ontkennen: by de zon en bliksem zal hy zweeren,
[p. 285]
By ’t zwaard waar mê dat 16 Mars zyn’ vyand vaak deed, keeren,
En by de schich’ten daar 16 Apól mede is belaân,
(120) By pyl en koker van de jacht-godin, 16 Diaan,
Ook by 16 Minerva’s speer, en by uw’ drietand, Vader
16 Neptuin, by 16 Herk’les boog, en voorts by al te gader
’t Geweer dat in ’t vertrek des wyden hemels is;
Of heeft hy kinderen, zo spreekt hy dus: gewis
(125) Ik zal my niet ontzien myn’ eygen’ zoon te moorden,
En eeten van zyn hoofd, [zoo iemand deze woorden,
Waar mê men my te onrecht beticht, waar maaken kan.]
    Veel’ dryven onbeschaamd en stout, dat alles van
’t Geval beheerscht wordt, en gelooven dat de wereld
(130) Door niemand wordt bestierd, maar alles rondom dwerelt,
Het zy dan zon, óf maan, óf eenig ander licht,
Alleen uyt de natuur, die dag en jaar verplicht
By beurten om te gaan; en zonder ’t minst bezwaaren,
Zien wy hen eeden doen voor allerleije altaaren.
(135) Men vindt wel een’, die vreest dat naa het kwaad de straf
Aanstonds zal vólgen: doch een ander, niet zo laf,
Schoon dat hy aan de Goôn gelooft, durft wel valsche eeden
Vrymoedig zweeren, en dan dusgelyke reden
Besluyten by zich zelv’: Laat, 17 Isis wat haar lust
(140) Vry met myn lighaam doen, ’k zal me echter heel gerust
Betoonen, schoon zy met haar Rinkeltuyg myne oogen
Uytsloeg, indien ik ’t geld, daar ’k iemand om bedroogen
En uytgestreeken heb, maar houden mag: ik acht
De blindheyd, teering, been-breuk, óf een etter-dragt
(145) Van een gezwel, niet veel, als ik maar ryk mag weezen.
Zelfs de arme 18 Ladas, zo hem slechts niet staat te vreezen
[p. 286]
Een dulle uytzinnigheyd, wenscht wel om Podagra,
Indien de Rykdom haar verzelle, en trouw bysta,
Want wat kan ’t baaten, dat men in de Renperk-speelen
(150) Het snelst ter voet zy, en de olyftak, boven veelen
Geroemd, verkryge, indien men honger lyden moet?
Hoewel der Goden toorn mag groot zyn, en verwoed,
Ze is echter langsaam. Ook indien zy alle menschen,
Die and’ren overlast en schâ doen, zouden wenschen
(155) Te straffen, wanneer kan ’t hen beuren, om tót my
Te komen? En als ’t al zo uytviel, zullen zy
Misschien, door myn’ gebeên, zich nóg om laten zetten;
Want veeltyds plagten zy de plaagen te beletten.
Veel’ krygen door ’t bedrog niet eenerhande loon:
(160) Deez’ raakt wel aan de galg, een ander tot de kroon,
Om één en ’t zelfde kwaad. Door zulke reên verherden
Zy hun gemoed, op dat het niet versaagd zou werden
Voor felle straf. En zo gy ooit van zulk een dróg
Vereyscht, dat hy een eed doe in den Tempel, óch
(165) Hoe vaerdig is hy, straks zal hy voor uyt gaan treeden,
En zo gy traag hem vólgt, u pressen met gebéden.
Want wanneer iemand durft een kwaade zaak heel koen
Verweeren, dan schept elk uyt hem een goed vermoên.
Een ander weêr, die spot met u in alle deelen,
(170) Gelyk men gekken wel ziet doen op speel-tooneelen.
En gy, dit ziende, schreeuwt dus, met een’ reuzen stem:
Hoort gy dan, Jupiter, deze eeden, zonder hem
Daar voor te straffen? hoe! gy spreekt niet; uwen lippen
Laat gy geen enkel woord, tót myne troost, ontglippen,
(175) ’t Geen u nóchtans wel voegde, al waart gy gantsch verstaald;
Is ’t daarom, dat ik myn’ belóften heb betaald
Met wierook, op ’t altaar, en zuyvere ingewanden
Der dieren, u ten dienst, gódvruchtig te verbranden?
Dan voor zo veel ik zien kan, dient ’er gantschlyk nu
(180) Geen onderscheyd gemaakt te worden, tusschen uw’
Afbeeldsels, en een pronk-beeld, ’t welk somtyds, met reden
[p. 287]
Ter eere eens konstenaars, wordt opgerecht in steden.
    Wel aan, hoor welk een troost dat hy u geeven kan,
Die nooit de boeken opsloeg, en leerstukken van
(185) De Stoische en Cynische Wysgeeren, heeft geleezen,
Wiêr onderscheid in ’t kleed, en het uytwendig weezen
Alleenelyk bestaat; en ook ten geenen stond’,
Behaagen in de Leer’ van 19 Epicurus vondt,
Die zich met het gewas zyns kleyne tuyns verblydde.
(190) Laat zulken zieken, die ter dood toe krank zyn, by de
Voornaamste Medicyns te raade gaan; maar gy
Moogt uwe kwaal, óf wond, aan eenen leerling vry
Betrouwen. Zo gy my geen wedergâ kont toonen
Van zulk een schelmstuk, als men u me komt beloonen,
(195) Dan zwyg ik stil, en zal u ’t klaagen niet verbiên;
Maar dat ge u zelven kwelt en pynigt, vreedig zien:
Dewyl men hedendaags gewoon is ’t huys te sluyten
Slechts om geleeden’ schâ, en veel meêr rouw ziet uytten
Om het verlies van geld, als over eenig lyk.
(200) Geen mensch in dit geval, die maar alleen een blyk
Van droefheyd geeft; en zich vernoegt met stukken trekken
Zyns opperkleeds, óf slechts zyne oogen te verwekken,
Door dwang, tot weenen: neen! het geld dat wordt beschreyd
Met heete traanen, als een’ dierb’re kóst’lykheyd,
(205) Wanneer ’t verlooren wordt. Maar zo gy alle wyken,
En alle markten, ziet vervuld met diergelyk een
Geklag: en zo ’t gemeen is, dat een schuldenaar,
Als hem zyn handschrift voorgeleezen wordt, zich daar
Zoekt uyt te draaijen, en het voor verdicht uytspreeken,
(210) Schoon dat zyn eygen’ hand, en zegel tot een teken
Van waarheyd bygevoegd, hem overtuygt: dan moet
Gy niet gelooven, dat gy, als uyt edelbloed
[p. 288]
Geteeld, zyt buyten het gemeen geval geslooten,
En wy uyt slechte liên, ter kwaader uur’, gesprooten.
    (215) Uw schade is maar gering, en naaulyks gramschap waard,
Ten opsigt van nog iets veel ergers. Wat aanvaardt
Een moordenaar niet, die met geld zich om laat koopen?
Aanmerk de snoode list der gener, die met loopen
Van zwavel, om een’ brand te stichten, eerst de deur
(220) Van ’t huys in lichte vlam doen blaaken, [om te leur
Daardoor te stellen, die daar buyten zyn óf binnen.]
Aanschouw die gene ook, die de Temp’len maar beminnen,
Om zilv’re vaten en geschenken, aangebeên
Om hunn’ aaloudheyd, en de kroonen die van de één’
(225) Of de and’ren Koning zyn geschonken, weg te steelen;
Of waar die niet en zyn, eene and’re trek te speelen,
’t Zy met te vylen aan een gulden beeld, óf met
Besnoeijen eenes Góds, van zilver opgezet.
Zoud iemand, dunkt u, zulk eene arbeyd ook verdrieten,
(230) Die ’t beeld van Jupiter gewoon is te vergieten?
Voeg hier giftmengers by, die, in een’ koopmans schyn,
Hunn’ handel dryven met verkoopen van fenyn;
En vadermoorders, die men strengelyk het leeven
Beneemt. Ik heb hier maar het minste deel beschreeven
(235) Van ’t kwaed, het welk de Schout van Rome rechtevoort,
In de omloop van een’ dag en nacht, verneemt en hoort.
Verkeer maar in zyn huys een kleyn getal van dagen,
Zo gy begeerig zyt, de veelerhande laagen
En listen, van het grós der menschen, te verstaan;
(240) En heb dan eens het hart, wanneer gy daar van daan
Zult zyn gekomen, om u zelven uyt te spreeken
Voor een rampzalig mensch, wien hulp en troost ontbreeken.
    Wanneer heeft eenig mensch ooit, die in de Alpen woont
Zich zelv’ verwondert om een’ dikke 20 króp? wie toont,
[p. 289]
(245) In ’t Eyland 21 Meroë, zich vreemd om ’t machtig zwellen
Der vrouwen borsten? zal wel iemand zich ontstellen,
Als hy een’ Duytscher met blaauwe oogen ergens ziet,
’t Opkrullen van wiens háár al draajende geschiet?
Gelyk dit van natuur beschooren schynt aan allen,
(250) [Zo is ’t ook in den aart tót boosheyd te vervallen.]
Zo dra uyt Thracië, in de landstreek der 22 Pygmeên
Een vlugt van kraanen komt, dan ziet men op de been,
En in de wapentjes terstond een’ schaar krygsknechten,
Waar van ’er haast één, die heel ongelyk in ’t vechten
(255) Met zynen vyand is, wordt door de lucht gesleurd,
En door een kraane klaauw zeer wreedelyk gescheurd.
Indien gy dit bedryf in ons land zoudt aanschouwen,
Gy zoudt voorzéker u van lachgen niet onthouwen.
Dóch waar men daaglyks zulk een oorlóg ziet, daar lacht
(260) Geen mensch om deze troep, pas één voet hoog geacht
    Maar zal ’er dan geen straf voor een’ bedrieger weezen,
Of een’ meyneedigen? ô ja, geloof dat dezen
Een strenge straf te beurt zal vallen; en misschien,
Zo gy ’t begeert, (wat wil uw’ wraakzucht meerder zien?)
(265) Raakt hy zyn hoofd wel kwyt. Dóch uwe schà zal blyven:
Zyn bloed zal nooit zyn schuld by u uyt kunnen wryven.
Dan ’t zy zo; evenwel zyn lighaam dus geknót
Zal u, hoewel van elk benyd, verstrekken tót
Een’ troost: want wreede wraak is veeltyds aangenaamer
(270) Als ’t leeven zelf. Maar denk vry dat niets onbekwaamer
U voegt; dewyl dit aan het onverstandig graauw
Best past, die dikwils om een’ beuzeling, hoe flaauw
En slecht die ook mag zyn, van spyt en gramschap branden:
Ja ’t minste voorval, datmen somtyds krygt in handen,
(275) Ontsteekt hun toorn. Daar by wordt deze oploopende aart
[p. 290]
Niet van 22* Chrysippus, en van 23 Thales, die bedaard
Van zinnen was, voor goed gekeurd, maar gantsch versmeeten:
En 24 Socrates, toen hy; in hechtenis gezéten;
Vergif moest drinken, zou zelfs zyn’ party, door dwangk,
(280) Niet hebben toegewenscht één’druppel van dien drank.
    De waare wysheyd leert allengskens overwinnen
Zeer veele ondeugden en gebréken, die de zinnen
Beheerschen, toonende het geen’ dat recht is: want
De wraak verbeugt slechts een gemoed van kort bestand,
(285) En weynig deurzicht, ’t welk zich licht’lyk laat ontrusten.
Geloof dat wraakzugt ook geen’ menschen meer kan lusten,
Dan ’t vrouwvólk. Maar waarom acht gy die gantsch bevryd
Van straf,’ die ongerust in hun gemoed, altyd
Om het gepleegde kwaad, een stil en heym’lyk knaagen
(290) Van hun geweeten, ’t welk met prikkelende slagen
Hen kwelt, gevoelen? want de straf die hier te land
Een Rechter ooit verzon; óf ook die 25 Rhadamant
Den boozen oplegt, kan geensins zo hevig weezen,
Als in den boezem nacht en dag, omringd van vreezen,
(295) Met zich te draagen een’ getuyge van het kwaad.
    Wel eer wierdt 26 Glaucus, die na Delphos ging om raad,
Geantwoord door Apols Priest’rin, dat zyn’ gedachten,
Van ’t aanbetrouwde geld, met listigheyd, te trachten
Tót zich te trekken, en met eede dat bedróg
(300) Dan te verdédigen, niet zonder straffe, nóch,
Zwaar ongeval, voorby gaan zouden; want zyn vraagen
Was aan dien Gód geweest, hoe hem dit zou behaagen.
Hy gaf ’t dan wéderom uyt vreeze, en niet door trouw;
[p. 291]
En echter ondervondt hy, dóch met naberouw
(305) Dat het Orakel hem de waarheyd, als ’t betaamde,
Gezegd had, overmits hem ’t ongeval zo praamde,
Dat hy met al zyn huys, en zyn geheel geslacht,
Ja verre vrinden, die men naauwlyks maagschap acht,
Verdelgt wierd. Zulk een straf was slechts den will’ beschoren
(310) Van kwaad te doen: want die zich zelven laat bekooren
Tót eenig schelmstuk, heeft een’ misdaad reeds begaan.
Wat straf verwacht hy dan, die zich durft onderstaan
Het voorgenomen kwaad, met opzet, uyt te voeren?
Geduurig zal de vreeze en angst zyn hart ontroeren;
(315) Zelfs over tafel: zulks dat in zyn keel de spys
Zal blyven steeken, op een’ kommerlyke wys.
Hem walgt een’ dierb’re wyn, en schoon zy is belégen,
En om haare ouderdom vermaard, zy staat hem tegen:
Schenkt gy hem beter; hy ziet evenwel zo bang,
(320) Met rimpels aan zyn hoofd, als óf zy byster wrang
En wreed was. Zo misschien by nacht hy eens aan ’t slaapen
Geraakt, en dat de zórg hem toelaat rust te raapen
Voor zyn’ vermoeide leên, in ’t bedde neêr gestrekt;
Straks wort hy door een’ droom, die hem verschrikt, gewekt:
(325) De Tempel, en ’t Altaar voor ’t welk hy heeft geloogen,
Zweeft hem, van zweet beklemd, gestadig voor zyne oogen:
En ’t geen’ hem allermeest nóg kwelt, is dat hy u
In zynen slaap ziet: want uw beeldt’nis, doet hem, schuuw
Van vreez’, dewyl ’t zo groot zich toont, het stuk belyden.
    (330) Zulk slag van volk is ’t, die zich nimmer kunnen myden
Van bleek te worden, óf van schrik te zyn geraakt,
Wanneer het bliksemt, óf zo dra de donder kraakt.
Zy meenen zeker dat de snelle bliksem straalen
Niet by geval, nóch ook door stórmwind, nederdaalen,
(335) Maar pleyn op hen gemunt, neêrschieten. En indien
Dit onweer hen niet deert, dan vreezen zy misschien
Nóg voor een zwaarer buy, die ligt’lyk heel verbólgen,
Hoewel wat uytgesteld, op de eerste wel mogt vólgen.
[p. 292]
En zo ’t gebeurt dat hen het zydewee, verzeld
(340) Met koortsen die den slaap beneemen, heftig kwelt,
Voort denken zy, dat hen die ziekte is toegezonden
Van Goden, die, vergramd en toornig, hen dus wonden
Met hunne schichten: en derhalven durven zy
Geen lam belooven tót zoenóffer, en daar by
(345) Een haan aan den 27 Huysgoôn. Want wie kan tóch iets hoopen
Voor zulke zieken, die zo schendig zich verloopen?
Of welk een ófferbeest is niet veel beter waard
Te leeven? Doorgaans zyn de boozen ligt van aart
En wispeltuurig: eerze een’ groote boosheyd pleegen,
(350) Zyn zy gehard, maar als ’t gedaan is, voort verlégen;
Dan wordenze eerst gewaar wat recht óf onrecht is.
Nochtans dryft hen natuur tòt hun bederfenis,
Wanneer zy, vast gegroeid, het kwaad doen niet kan laaten.
Want wie staakt zondigen, die, boos en heel verwaaten,
(355) Zo verr’ gekomen is, dat alle schaamte en eer
Is aan een kant geraakt? Zult gy wel immermeer
Een mensch zien, die tót kwaad zich over heeft gegeeven,
En zich vernoegt met ééns een schellemsluk bedreeven
Te hebben? De ééne tyd óf de andere raakt hy
(360) Wel in de knip, die u zo trouwloos in de ly
Gehulpen heeft: veellicht zal hem nóg overkomen,
Om in een kerker, daar de donkerheyd doet schroomen,
Geboeid te zitten, óf op eene klip in zee,
Of zulk een eyland, ’t welk geschikt is tot een’ ree
(365) Voor ballingen, gezet te worden. En in ’t ende
Zult gy met blydschap nog aanschouwen zyne elende:
En ook bekennen, dat ge ontwyfelbaar bevindt,
Dat niemand van de Goôn óf doof is, ófte blind.

[p. 281]
    (1) De Nyl, een rivier in Egypte had 7 uytgangen in Zee; en Tbebe, een stad in Beociën, had 7 poorten. In Egypten was ook eene stad Thebe genaamd, welke 100 poorten zou gehad hebben.
    (2) De Grieken rekenden boven de 7 metaalen nóg één bestaande uyt goud en zilver; naar den welken zy de eeuwen afbeelden en noemden: maar vólgens den Poëet, ontbrak ’er dan nóg een metaal, om die eeuw welke hy de negende noemt, uyt te beelden.
    (3) Een Advokaat, die om van ’t vólk, wanneer hy pleytte, toegejuychd te worden, hen met giften vereerde, wanneer hy van hen gegroet wierdt,
[p. 282]
    (4) Godheden der Heydenen, genoeg bekend.
    (5) Een berg in ’t Eyland Creta, alwaar Jupiter gezegd wordt opgevoed te zyn.
    (6) Hebe was eene dochter van Juno, en gehouden voor de godinne der jeugd, en eene schenkster van Jupiter.
    (7)Van Ganymedes, eenen Trojaanschen jongen, wordt verdicht, dat hy van Jupiter geschaakt, en in de plaats van Hebe, tot schenker aangenomen wierdt: zie Ovidius herscheppinge, tiende boek, en Herodianus eerste boek.
    (8) Van Vulkanus wordt verzierd, dat zyn werkplaats was op het Eyland Liparé, niet verre van Sicilie, alwaar hy voor Jupiter bliksems smeede.
    (9) Van Atlas wordt verdicht, dat hy den hemel op zyne schouderen onderschraagde; en om dat ’er (gelyk de Poëet zegt) toen nog zo veele goden niet waaren, was zyn last nog zo zwaar niet.
    (10) Helsche Godheden.
[p. 283]
    (11) Van Ixion, eenen Koning van Thessalië, hebben de Poëeten verdicht, dat hy, om dat by zich beroemde Juno beslaapen te hebben, in de helle aan een rad, met stangen omslingerd, gebonden, en geduurig rondom gedraaid wierdt.
    (12) Sisyphus, een Zoon van Aeolus, wierdt om zyn rooveryen van Theseus gedood; en daar naa in de helle, gelyk de Poëten verzierden, veroordeeld, om eenen grooten steen op eenen zeer hoogen berg te wentelen; die dan naauwlyks boven gevoerd zynde, door zyne zwaarte weer neerwaarts rolde, en hem alzo een’ oneyndelyken arbeyd verschafte.
    (13) De Poëten verzierden dat Tityus, een zoon van Jupiter en Elara, om dat hy zyne onkuysche oogen op Latona wierp, van haren zoon Apollo met pylen wierdt doorschooten, en toen in de hel veroordeeld, dat zyn lever gestadig van eene Gier zou geknaagd worden. Zie hier van Virgilius in ’t zesde boek van zyn Aeneas, alwaar hy ook gewag maakt van Ixion, en Sisyfs; steen als mede Ovidius in ’t vierde boek zyner Herscheppinge.
[p. 284]
    (14) Zie hier van T. Livius in zyn* 42ste Boek. Die op verscheydene plaatsen ook van andere zulke wonderteykenen als hier vermeld worden, verhaalt.
    (15) Voor de Latynsche munt is alhier Hollandsch geld gesteld, als zynde best by den Nederduytschen bekend.
[p. 285]
    (16) Heydensche Godheden
    (17) Eene Godin by den Egyptenaaren aangebeden: en dochter van Inachus Koning der Argiven in Griekenland.
    (18) Een vermaard looper in de Renbaan.
[p. 287]
    (19) Een Philosooph: wiens leere gezegd word te weezen, dat de zielen der menschen sterfelyk zyn: waarom hy in de wellust het hoogste goed stelde.
[p. 288]
    (20) In de Alpen omtrent Tirol woonen een zeker slag van menschen, die aan den hals groote dikke króppen hebben.
[p. 289]
    (21) Een Eyland in Egypten.
    (22) Dit zyn, volgens Plinius in zyn 7 hoofdstuk, kleyne dwergkens, die op de uyterste grenzen van Indiën woonen, en niet boven drie spannen lang zyn, voerende tegen de kraanen, als hunne vyanden, oorlog.
[p. 290]
    (22) Een voornaam Stoisch Philosooph.
    (23) Een van de zeven Wyzen van Griekenland.
    (24) Een voortreffelyk Philosooph.
    (25) By den Heydensche Dichteren een van de 3 Rechters der Helle.
    (26) Dit zou, volgens Herodotus in zyn zesde boek, genaamd Erato, tot Sparten geschied weezen.
[p. 292]
    (27) Aan Aesculapius, zynde vólgens de Poëeten, een zoon van Apollo en Coronis, die by den Centaurus Chiron ter opvoedinge besteld, en van hem in de konst der medicynen onderweezen was, wierdt van die gene, welke uyt een ziekte opgekomen waren, een Haan opgeófferd; want zyn Vader was Phoebus (dat is de Zon) en de Haan is een bode der opgaande zonne.

Continue
[
p. 293]

HET VEERTIENDE
SCHIMPDICHT
Van
D. J. JUVENALIS.
DOOR
J. DE DECKER.

Vervattende eene bestraffinge der Ouderen, dewelcke voor d’oogen hunner kinderen schandelijck, sottelijck en qualijck levende, deselve tot quade, sotte en schandelijcke stucken als aenleyden, en voornamelijck tot eene meer als rasende geldgierigheyd.

SChandvlecken zynd’er veel, veel’ pesten voor de jeugd,
Veel’ lemten, die ’t gewaed besoedelen der deugd,
Die thans geen vader schroomt zyn’ Sonen aen te wryven.
    Indien de grijsaerd groeyt by ’t klappen van de schijven,
(5) By kaert en dobbel-spel, zyn baerdeloos gebroed
Vat oock die wapens aen, en vind dien oorlog soet.
    Van sulk’ een’ jongeling staet niet veel goeds te hopen,
Die aen zyns vaders haerd in leckerny versopen
Geleert heeft in wat sop de pricke swemmen moet,
(10) Wat sausse lysteren en vincken smaken doet:
[p. 294]

Een bende predikers en sal hem die gebreken,
Die keucken-kettery noyt uyt den hoofde preken,
Noyt sal hy avondmael aenrechten op de maet,
Die tot zyn’ seven jaer soo vet te weyde gaet.
    (15) Wat dunckt u, seg, Fuscijn, acht oock Rutill zyn’ leden
En zyner slaven lijf uyt eenen tronck gesneden?
Ick bid’s u, leert die man het kinderlijck gemoed
Sachtsinnig zyn van aerd of vinnig en verwoed,
Die selve bitter mensch zyn’ weelde maekt van ’t woeden?
(20) Die geen Sirenen-sang voor ’t kletsen van de roeden
En stelt, en met zyn volck, dat voor zyn’ stemme beeft,
Gelijck een Antiphaet een Polyphemus leeft?
Die groeyt, wanneer hy slechs om ’t missen van twee blancken
Brand-yseren alom en sweepen mag doen wancken?
    (25) Wat konst of Cannius zyn’ kinders leeren mag,
Die sich by zynen soon doet soecken in ’t gelag?
Sal niet die quant eerlang het dunne bier verfoeyen,
Die zynen vader siet van rijnsche dampen gloeyen?
    Sal 1 Larga ’t hoofd haers mans doen ongemytert gaen,
(30) Of ongekroont van ’t beeld der derdendaegsche maen,
Die ruym tot dertig mael den adem sou behoeven
T’herhalen in ’t verhael van all’ haers moeders boeven?
Geensins, sy sal eerlang den moederlijcken voet
Nadanssen, en eens doen als nu haer’ moeder doet.
(35) ’t Staet dus met onsen aerd, de vuyle sonde-vlecken
Der ouderen, of dier, die ons voor ouders strecken,
Die kleven onsen geest en ras en grondig aen.
Dees’ smet mag hier of daer een soon of twee ontgaen,
Den welcken Titan juyst uyt beter’ kley wou kneden:
(40) Maer och! het meerendeel treed in zyns vaders treden,
En volgt lichtvaerdelijck der sonden wandel-spoor.
Hierom, ghy vaderen, treed treed voorsichtig voor.
Ghy doolt u niet alleen, recht dient ghy op uw’ solen
Te gaen, op dat met u uw’ vruchten niet en dolen.

[p. 295]

(45) All’ zyn wy kloeck in ’t geen dat krom is en verkeert,
All’ in der sonden school van stonden aen volleert;
En al waer menschen zyn, zyn Catilijns met hoopen:*
Maer Brutus of zyn oom zyn nergens te beloopen.
Maeck, vader, dat de deur der kinderkamer sluyt
(50) Voor all wat schandig schynt, voor all wat leelijck luyd.
Ontuchtige van hier, van hier bordeel-gebaeren.
Een kind dient meest ontsien: veracht geen’ kindsche jaren:
Soo ghy iet schandigs wilt, bedeck’et, houd’et stil,
En toom uw’ sonden in om uwer sonen wil.
(55) Ghy fijne vader scheld, soo d’uwe sich vergrijpen,
Dat’s doen gelijk als ghy, dat’s, danssen naer uw pijpen,
(Want uwer seden beeld, sy zyn dan goed of quaed,
Vloeyt af tot uwen soon, als dat van uw gelaet)
Ghy scheld, en straft in hun wel dapper uw’gebreken,
(60) Ja wiltse van hunn deel als basterden versteken:
Maer, beste man, van waer komt u dit vader recht,
Die ’t slechter maeckt als zy, of immers al soo slecht?
Sult ghy hunn’ herssenen hunn’ dompen doen verliesen,
Die selve d’uwe noyt eens suyver uyt kond niesen?
    (65) Men glase-wast en witt tot uwent all’ den dag.
Raeg (roept uw wijf) en vaeg, laet nergens stof noch rag.
’t En mag by witselquast en bessen noch niet blyven;
Men poogt ’er ’t hout als goud tot glimmens toe te wryven,
Men boent ’er banck en trap, soo datt’er selden voet
(70) Mag dalen onbegraeut, noyt stygen mag geschoed:
’t Moet tot de vloeren toe all blincken, blaken, blosen,
Sulcx dat men niet en weet waer op zyn fluymen losen,
Sulcx datmen tot ontset van hoofd of middel-lyf
Nau vuyler hoeck en vind als ’t backhuys van uw wyf.
(75) Wat vruchten sal uw huys van dese grillen oesten,
Die ’t spinwiel rusten doen, de nutte naelde roesten?
Die d’onrust vorderen in plaetse van’t gewin?
Wat dunckt u? sou uw wijf die dertele sottin
Tyd, vlyt en naerstigheyd niet vruchtiger besteden,
(80) Ontrent het suyveren der kinderlijcke seden?
Of soose boenen wil, waerom dat niet gelet
[p. 296]

Dat uwe kinders ’t huys soo heylig sien als net?
    ’t Is nut, den vaderlande een’ borger te verwecken,
Indien ghy hem tot nut des selven op kond trecken,
(85) Hem makende geschickt soo wel van geest als lyf
Tot nutten ackerbouw, tot stad en staet-bedryf.
’T en is geen’ slechte saeck, geen’ saeck van kleen verlangen,
Hoe ghy de jeugd gewent: van vorsschen, padden, slangen,
Versag de Storck weleer zyn vederloos gebroed;
(90) Het welk nu vlug dien kost noch lecker vind en soet.
De wreede gier vind smaeck in vuyle galgen asen,
En sleept dien buyt te nest, waer in zyn broedsels grasen
Waer naer het rasen sal soo lang het gier sal zyn.
De Valck in tegendeel en vogel van Jupijn
(95) Gaen of met Geyten-bout of lendenen van Hasen
Al werm en versch bebloed hunn’ teere jongen aesen;
Die ook op alle ’t geen dat vuyl is of onguur,
Noyt tocht en sullen doen. Gewoonte word natuur.
    Centroon plag in zyn’ tijd van timmerlust te blaken,
(100) Staeg was de man verlet met breken of met maken,
Nu op een’ heuveltop, dan aen een’ dorren strand,
Nu weder in de stad, dan wederom te land,
En overal op ’t rijckst: sijn’ hoeven gingen hoven
Syn’ huysen tempelen in marmer-prael te boven.
(105) Dees’ malle besigheyd sleet metter tyd het goed,
Heeft metter tyd in ’t geld een dapper hol gewroet:
Doch liet hy evenwel zyn’ Soon genoeg te spillen;
Die erfgenaem niet min van all’ zyns vaders grillen
Als van zyn’ goederen all ’t nagebleven goud
(110) In marmer heeft gequist, en sich beroyt gebout.
    Wat spilde Verres geld, wat hing hy sware sommen
Aen luchtig Kristalijn, aen Porceleyne kommen,
Aen schelpen, horenkens, aen ick en weet niet wat!
(Wie derf dan loochenen dat Verres hoornen had?)
(115) En tot een nut beslag en had hy niet te geven.
Syn Soon oock van dien geest of van dien geck gedreven
Is reuckeloos bloemist; spilt aen een’ brosse waer,
Waer van een’ weke duurt de winst van menig jaer;
[p. 297]

Kan ven veel’ honderden gerust en vrolijck scheyên
(120) Om wat papiers genaemt na Durer of van Leyên:
Die aen soo lichte waer zyn’ borse licht en leegt,
Is ’t vreemd dat sijn geloof ter Borse weynig weegt?
    Hirpijn had groot geloof by all’onse handelaren;
Men dede hem op geloof en menigten van waren
(125) En schijven sonder tal: hy koopt, hy breeckt, hy bout,
Hy is een dapper man met ander’ lieden goud;
Hy vind zich wonder sacht in zyn geleende pluymen:
En siende, soo men hem die weder drong te ruymen,
Dat hem die hooger vlucht oock weder sou vergaen,
(130) En hy veel kaeler als Esopus vogel staen:
Soo veynst hy dat de banck genooddrukt is te breken,
En weet zyn schelmery soo geestig te besteken,
Dat hy sijn’ eyscheren met vijf voor twintig paeyt,
En sich wel vast en dicht in hunne veeren draeyt.
(135) Ontsag die boeve dan noch kluysteren noch basten?
De basten (wist hy wel) zyn slechs voor slechte gasten,
Voor diefkens die de konst niet grondelijck verstaen;
Oock was die selve treck zyn’ vader wel vergaen.
    Pompilius brageert in ’t onbetaelt scharlaken:
(140) Wel; sal hy vromer sijn, of sal hy ’t minder maken
Als die hem heeft gemaeckt; die (soo men ons verhaelt)
Syn’ fulpe broeck veel eer verslonst had als betaelt?
    Hoe fijn kan Dasius in DARY redeneren!
’t Is noodig (segt hy) weer tot moeders schoot te keeren,
(145) Nadien mijns vaders mond vermaek vond in haer’ saus.
Sluyt dat niet als een’ broeck om ’t hoofd van haren Paus?
    Waer, vraegt ghy, leert mijn Soon dit stout en leelijck spreken? By u. die sijn gebreck met schelden poogt te breken:
Vriend, wilt ghy dat de straf hem nut zy en gesond,
(150) Soo roer de roede slechs, en snoer uw’ quaden mond.
    Tot allen laet de jeugd vrywillig sich verlocken;
Maer word tot gierigheid als met geweld getrocken:
Een quaed? dat onder schijn van deugd uyt mommen gaet,
[p. 298]

Een quaed, dat slecht en recht van wesen en gewaed
(155) Den vreckaerd achten doet voor ingetoomt van leven,
Voor matig, voor een’ man in huys-bestier bedreven,
Een’ man, die bet het zyn kan hoeden voor verlies,
Als d’een’ en d’ander’ Slang den Appelhof en ’t Vlies:
Ja die oock streken weet om ’t zyne te vermeeren,
(160) Waer door hy aerdig schijnt en waerdig aller eeren,
En onder ’t graeu den naem van kloeck verkrijgt en gaeu.
Een Rijckaerd sotter dan en snooder als het graeu,
Die ’t geld iet heyligs acht, die ’t goud zyn’ god laet strecken,
Die niemand salig acht als slechts de rijcke vrecken,
(165) Die niemand heylloos acht als slechts den geldeloos,
Beveelt zyn’ soon dien weg te houden voor altoos,
Vermaent hem nimmermeer de schraep-kunst te vergeten,
En doet hem flucx ’t A. B. van hare wetten weten;
Daer na de regelen van ’t stinckende gewin,
(170) En stort hem endelijck den heetsten geld-dorst in.
Doch schoon zyn’ tonge swijgt, zyn’ wercken doen ’t hem weten:
Hy bind aen seker tal van teugen en van beten
Soo wel zyn’ eyge maeg als zyner knechten buyck:
Geen als verschimmelt brood is by hem in gebruyck;
(175) Hy laet zyn bier noyt versch noyt voor het suuren drincken,
Syn’ hutspot en krawey noyt eten als na ’t stincken;
Hy koopt een’ mossel sô voor anderhalven duyt,
En reckt ’er met geweld twee middagmalen uyt:
Of schoon zyn’ borse berst, of schoon van versche soden
(180) De vischmart krielt en leeft, hy soeckt ’er niet als dooden;
Wat rot is rieckt hem soetst: met eenen spieringh-visch
Stoffeert hy, als hy brast, tot tweemael zynen disch:
Van zyne tafel gaet versegelt met zyn teecken
Kaes, daer geen bedelaer sou mond aen willen steken.
(185) Maer, arme geldsack, seg, waer toe soo schrael gebrast?
Waer toe met soo veel pijns wat gelds op een getast?
Gewis hy raest en suft, ja herssens moet hy derven,
Die armelijcken leeft, op dat hy rijck mag sterven.
[p. 299]

Terwijl de borse dan vast dick en dicker swelt,
(190) Groeyt oock de geldsucht aen na ’t groeyen van het geld.
Want die maer weynig heeft, sal oock niet veel begeeren.
Dus tracht hy geld en veld en hoeven te vermeeren;
En ’t is hem even hoe; zyn ell-stock, maet en wicht
Syn meerendeels, Fulcijn, te kort, te kleen, te licht,
(195) Syn’ waren meest vervalscht en schijn schoon slechs voor d’oogen.
Verneemt hy dat de Mart van ’t korten is aen ’t hoogen,
Hy sluyt zyn’ solderen, vent niet een’ schepel graen,
Al soude ’t gansche land van hongersnood vergaen;
Ontsiet sich niet verblind door ’t blincken van de schyven
(200) Met toevoer van geweer en oorlogstuych te styven
’s Lands felste vyanden (ô handel al te vuyl,
Daer rug of hals voor plag te bloeden, niet de buyl!)
Kan om een kleen profijt een groot verwijt verdouwen,
Speelt met zyn’ gansche siel op krijgen, hebben, houwen;
(205) Is als verwoed na ’t geld, sweert om des gouds genot
Bloedvriendschap, vaderland, ja Godsdienst af en God:
Versint en stelt te werck tien-duysend loose lagen
Om tot zyns naesten scha zyn voordeel te bejagen.
Indien zyns buurmans land hem vetter als het zyn
(210) Hem overvloediger in granen dunckt of wijn,
Hy poogt ’et aen het zyn door koop of list te knoopen;
Kan hy den eygenaer niet locken tot verkoopen,
Soo jaegt hy hem by nacht (onmenschelijcken vond!)
Een’ kudde mager vees op zynen vetten grond;
(215) ’t Welck in dien milden oegst soo gierig slaet zyn’ tanden,
Als waer het sickel-mes daer door gejaegt met handen.
’t En kan nau recht bedocht veel minder zyn geseyt,
Hoe seer dien overlast besucht word en beschreyt,
En hoe veel lands hy doet beneden waerde gelden.
(220) Maer vreest ghy, wreede gier, het lasteren en schelden
Der onderdruckte niet? wat (segt hy) schaed my dit?
’k Heb van veel lands en sands veel liever ’t ruym besit,
Als door myn gansche buurt den naem van man met eeren,
[p. 300]

En met myn seyssen slechts een ackerken te scheeren;
(225) De deugd en geeft my niet, ick trecke soeter vrucht
Van ’t klincken van het goud als van een goed gerucht.
Dat ’s recht, myn beste man, ’t geld sal uw’ kortsen heelen,
’t Is tegengift, ô jae ’t, voor gichten en graveelen;
Ontslagen soud ghy zyn van sorgen en gesteen,
(230) Ja leven menigte van eeuwen achter een,
Soo ghy slechts soo veel lands mocht voor uw hoofd besitten,
Als onder Tatius gansch Roomen plag te spitten,
Welcx borgeren daer na besprongen en gequelt
Van ’t Punische geweer, en ’t Epirotsch geweld,
(235) Voor veele wonden nau twee bunderen genoten;
All ’t sweet en bloed nochtans soo rijckelijck vergooten
Docht allen in die gift oock rijckelijck beloont,
En geen van all’ heeft des het vaderland gehoont;
En soo een stucxken lands versag zyn’ heer van voeder
(240) Voor twee paer kinderkens en een’ bevruchte moeder;
Syn’ ander’ ouder’ soons die smulden gerstenbry
Na ’t keeren van den ploeg voor hoogste leckerny.
Maer nu, nu duncken ons om eenen tuyn te maken
Twee bunders niet genoeg. Ach! heblust hol van kaken
(245) Is moeder van all ’t quaed dat door de wereld woed;
Geen’ schelmery heeft oyt meer moords en brands gebroed,
Meer staels met bloed bevlekt, meer wijns met gift geschonden,
Als die verwoede pry, die wortel aller sonden.
Die vaerdig rijck wil zyn, wat laet hy onbesmet?
(250) Wat vrees, wat schaemte, laes! of wat ontsich van wet,
Sal oyt een’goudsiek sot doen buygen onder reden?
Houd met dese huttekens, ô kinders, u te vreden
Heeft 2 Marsus overlang en Hernicus gesegt.
O, laet ons, riep Vestijn die goede grijse knecht
(255) Laet laet ons niet meer graens doen springen over het seyssen
Als noodruft en natuur tot onderhoud vereyschen;

[p. 301]

Sulcx prijst de Graen-godin, sulcx achtse vroom gedaen,
Die onsen disch soo mild gesegent heeft met graen,
Dat hy nu ’t eeckel-brood kan missen, ja versmaden.
(260) Hy sal geen handen slaen aen schandelijcke daden,
Die op een’ graeuwe py, die op een’ blaeuwen hoed
De wintervlagen schut, den hagel stuyten doet.
Gelooft ’et, kinders, vry, ’t is ’t is het vreemd scharlaken,
De zy’n, de felpen zyn ’t, die ons tot schelmen maken.
(265) Dus blonck der ouden stem in d’ooren van de jeugd.
Wat doet een vader nu? wat wetenschap, wat deugd
Tracht hy zyn sone doch van jongs te doen betrachten?
Op ’t scheyden van den herbst, in ’t langste van de nachten
Weckt hy voor dauw voor dag den sluymerenden op:
(270) Tsa jongen, (roept hy) tsa, vat Baldus by den kop,
Doorloop uw’ reden-konst, leer hoemen spyt de rechten
Een’ rechte krommen sal een’ kromme sake rechten,
Dat styft den buydel best; de wetenschap, mijn kind,
Die ons geen’ winst en baert, en acht ick maer voor wind.
(275) Of zijt gy bet belust tot vechten als tot pleyten,
Maeck u een’ grooten naem door mannelijcke feyten;
Tast westwaert eens met ernst der Mooren nabuur aen?
En help hem rustig uyt Panamas engde slaen;
Ga, ga hem in Peru dat’s in zyn hert bestoocken;
(280) ’t Bestoocken van Bresil en is maar wind gebroken,
En gaet hem niet aen ’t vel: laê goud in plaets van hout,
Soo word u metter tyd eens hopmans ampt vertrout,
Dat sal u metter vaerd den buydel op doen loopen;
Dan kond ghy als de rest ook honderd kop verkoopen,
(285) En vijftig leveren of immers weynig bet.
Doch soo u ’t herte krimpt op’t klincken der trompet,
Of voelt ghy u te swack om leger-last te dragen:
Soo derf een stuyverken, myn Soon, aen waren wagen,
Die gy voor twee of meer weer kond geraken quijt:
(290) En om den handel staeg te dryven met profyt,
Ick sal u (luyster toe) een treck of twee doen weten;
Ghy moet niet al te vies, niet t’eng zyn van geweten:
’t Is heylig, net en goed all waermen nut af maeyt:
[p. 302]

De wind van winst rieckt soet, ’t sy van wat oord hy waeyt.
(295) Des dichters goude spreuck klinck eeuwig in uw’ ooren,
Voorwaer een’ Goden-spreuck uyt Jovis mond geboren:
Het hebben maeckt ons moed, het derven valt te swaer,
Elck maeck slechs dat hy heb, men vraegt nu niet van waer.
Dees goude les en word by d’ouden noyt vergeten,
(300) Word by de jonckheyd lang voor ’t A. B. C. geweten.
    Een vader, die dus spreekt, en in zyn’ sone voed
Soo schoone meeningen, is waerd aldus begroet:
Uytsinnige, waer toe dus vaerdig voortgevaren?
Waer toe in hem vereyscht de wijsheyd voor de jaaren?
(305) Ghy segt, op dat myn soon eens hier myn meester zy:
Dat sal hy, vrome man, dus staeck uw’ moeyte vry,
Eerlange sal hy u soo ver te boven wesen
Als Ajax en Achill hunn’ vaders oyt voor desen.
De kindsheyd dient verschoont, ghy perst hem al te vroeg,
(310) Het ingeboren quaed vind noch niet herts genoeg,
Vind noch te weynig hairs om recht zyn’ kracht te toonen:
Maar toef, tot dat hy eens de schaer op kin en koonen
Gebruyckt, en door den kam de knevels trecken mag;
Dan sal hy tuyge zijn van ’t geen hy noyt en sag,
(315) Dan sal hy min zyn leet als zynen eed vergeten,
Dan sal zyn’ valsche tong zyn herte liegen heeten
Voor Ceres outerbeeld, ja dan dan sal hy ’t lijf
Slechs om de bruylofs-gift verbinden aen een wijf,
En om die gift door gift flux weer dien band ontbinden.
(320) Want dat ghy hem belast door Zee door sand te vinden,
Daer raeckt hy onder dack en met gemack wel aen.
Een’ groote schelmery vereyscht geen groot bestaen,
’k En heb hem (roept ghy) noyt tot soo veel quaeds geraden.
Ghy, grijsaerd, sijt nochtans grond-oorsaeck aller quaden.
(325) Want die met geld-begeert de teere jeugd ontsteeckt,
Die noyt van andren text als slechts van hebben preeckt,
Die haer den buydel leert door quade nucken vollen,
Dit geeft haer tooms genoeg om heel te slaen aen ’t hollen:
[p. 303]

En schoon ghy wederroept, sy weet dan van geen staen,
(330) Hoort dan na Stem noch sweep, siet dal noch heuvel aen.
Soo ghy de jeugd van deugd een hair-breed laet vervremen,
Sy sal eerlang een’ duym een’ hand-breed derven nemen.
Als ghy by uwen soon dien voor een’ slechtaerd scheld,
Die zynen armen vriend troost met een hand vol geld;
(335) Soo leert ghy hem met een den armen ’t zyn ontrucken,
Ja reden, recht en all om’t snoode geld verdrucken,
Welcx minne, snoode gier, in u niet min en brand,
Als in de Deciën de min van ’t vaderland:
’T gelt geld by u veel meer (foey, schaem u eens ten lesten)
(340) Als by Menoecus oyt het heyl van Thebes vesten,
(Daer man en schild weleer uyt Slange-tanden sproot)
’t Welk hy, soo Grieken seyt, dê leven door zyn’ dood.
O foey! dat ghy uw’ siel uw’ redelijcke krachten,
Geschapen om iet hoogs iets hemelsch te betrachten,
(345) Op ’t gaeren van wat dreks staag wett en besig houd.
Ja tot een voet veeg maekt van ’t ongesielde goud?
’T vier, dat ghy voedsel gaeft, sal dan eens kracht gewinnen,
Sal woeden wijd en sijd, sal watt’et vat verslinnen;
Ghy self, ellendige, ghy sult’et niet ontgaen,
(350) ’t Sal eenmael als de Leeuw zyn’ meester vliegen aen.
Uw soon doorsnuffelt vast de keeren der planeten,
Om uyt der sterren tred uw’ stervens uur te weten;
De Parken spinnen hem te traeg, te lang, te laet,
Hy wenscht, eer ’t rocken dunt, het mes door uwen draed,
(355) Ghy sit hem in zyn licht, hy is met u verlegen,
Uw harten-ouderdom staet hem in ’t herte tegen:
Indien de kompost eerst door Mithridaet gemengt
U weer op ’t nieuwe gras, u door den winter brengt,
Soo mist hy zyn gedult, ’t sou hem in ’t herte drucken,
(360) Soo ghy meer roosen roockt, meer eygen quaemt te plucken:
En al om slechs wat gouds te puren uyt uw’ tesch:
Sie daer de goude vrucht van uwe goude les.
    Die ’t ooge spelen leyd door ’t leven van de menschen,
Hy sal geen soeter spel, geen’ sotter’ kluchten wenschen:
[p. 304]

(365) Die sien kan hoemen sweet, hoe seer men draeft en wroet
Om ’t noodeloose veel, om mallen overvloed,
Om slaefsch, om kinderlijck wat schijven op te hoopen,
Waer mede menigmael een loose dief gaet loopen,
Waer met een booser boef licht na Vianen stryckt,
(370) Is sot indien hy geld aen apen-spel verkijckt,
Mag (seg ik) speel-tooneel en spelers wel verlaten:
Want heeft hy lachens lust, op borse, mart en straten
Ontmoet hem stofs genoeg die hem de lippen reckt.
Of meent ghy dat de geest meer lust en weelde treckt
(375) Uyt koorddans, guychelspel of diergelijcke rancken?
Als uyt uw’ sotterny, die op wat brosse plancken
Nu van een’ zuyderbuy, dan van een’ wester-vlaeg
Gesolt, om ’t snoode geld het lijf stelt in de waeg,
Ontsiende blind door sucht tot schrapen en vergaren
(380) Noch strooperen in ’t bosch, noch roovers in de baren?
Hy, die te koorde klimt’, tracht strenge winterkou
Of bitter brood-gebreck t’ontspringen op die tou,
En oeffent slechs uyt nood soo sorgelijcke grepen:
Ghy breed gehuyst, gegoed geeft u in enge schepen
(385) Om honderd stucken lands, om honderd duysend pond,
Om meer te swellegen, als ghy verteeren kond.
Kijck, kijck hoe ree en zee van masten krielt en vloten,
Hoe men zyn’ vaderstad, zyn huys, zyn’ huysgenoten,
Kortom zyn element het vaste land begeeft,
(390) En vlammende na wind op wind en water sweeft,
Thans sal hy niet alleen de Lybiaensche baren
Doorsnyden met de kiel, maer Hercules pilaren
Soo verre westwaert aen ontryden op een hout,
Tot daer hy ’t Sonnevier hoort kissen in het sout.
(395) En veel is ’t, mag hy weer behouden thuyswaert dryven
Verladen met een’ bors gebult van goude schyven,
En ons van Meeremin of Triton iet verslaen,
En wat hy vorder sag door all’ den Oceaen.
De raserye broeyt verscheyde mymeringen.
(400) Dees siet zyns moeders geest, en tracht haer’ torts t’ontspringen:
[p. 305]

Die geesselt stier of koe, en meynt hy tout een poos
Den rug van Argos vorst, of van den Ithakois:
Een ander mogelijck sal kleed en mantel sparen;
Maer suft niet min als die, als hy zyn schip met waren
(405) Tot sinckens toe verlaed, en om een’ hand vol goud
Syn heyl, zyn heele lijf d’ontrouwe zee vertrout.
De Peperkooper roept: nu is de wind ons mede,
Licht, licht uw’ anckers, maets, en geeft u van de reede;
Of schoon de lucht wat bruynt, wat weerlicht, mort en raest
(410) ’t Is maer een somerbuy, weest daer in niet verbaest.
En bloed hy sal het licht den naesten nacht beklagen,
En tegens banck of klip zyn vlot te bersten jagen,
En houdende de bors met lip en tand gevat
Op kiste, berd of planck tot aen de kin in ’t nat
(415) De kaken van de dood ter nauwer nood ontswemmen,
En die sijn gierigheyd noyt stoppen liet noch stremmen
Met all het gouden sand dat Tagus schuurt en wrijft,
Met all dat oyt Pactool aen zynen oever drijft,
Sal met een’oude slet om zyn’ verkoude leden,
(420) Sal met wat slechte spijs dan dubbel zyn te vreden,
En soecken onderstand van munt en noodig brood
In ’t droevige vertoog van zyn’ geleden nood.
    ’t Geld nu met soo veel leets met soo veel sweets bekomen
Word met geen’ minder sorg bewaert en waergenomen,
(425) Word veel onrustiger beseten als vergaert.
Licijn soo rijck van goed als arm en vreck van aerd
Doet deur een bende knechts zyn’ huysdeur ’s nachts bewaren,
Sorgvuldig voor sijn goud, zyn’ oost en wesler-waren,
Syn huysraed, huys en hof en wat hem meer gehoort.
(430) Nu dunckt hem dat de dief zyn’ kamer-wand deurboort,
Dan droomt hy, komt’er vlam ten daken uytgevlogen;
Flucx schopt de vreese slaep en slaep lust uyt sijn’ oogen,
Flucx voelt hy sich van schrick in ’t ingewand geraeckt;
Soo dat hy t’elckemael ontsluymert en ontwaeckt.
[p. 306]

(435) Het huys des Cynicus kon vier en vlam ontloopen,
En ’t oud vervallende, ’t viel licht een nieuw te koopen,
Of wierd ’et eens verlood, soo hield’et eeuwig stand.
Dit sag der Persen roê die groote dwingeland,
Als hy dat groot gemoed in ’t enge vat ontmoete,
(440) ’t Welk met genoeg vernoegt noyt om te veel en wroete,
Geluckiger als hy, die’t aerd-rond socht t’omvâen,
Maer maeckte zyn verdriet niet minder dan zyn’ dâen.
    Een wijs gemoed weet raed om zyn fortuyn te maken,
Maer onse sotheyd stelt fortuyn aen ’t roer der saken.
(445) Wenscht iemand te verstaen wanneer begeerlijckheyd
Of heb-lust dient gestuyt, de mond des wijsen seyt:
Als wy ons sien versien van spijse, dranck en kleeren
Soo veel als noodig is om onsen nood te weeren:
Socraet en socht niet meer, niet meer oock Epicuur:
(450) Dit wyst de wijsheyd aen, dit leert ons de natuur.
    Doch acht ghy u aldus al t’eng en streng besneden:
Soo meugt’er soo wat by der hedendaegse seden:
Hoop op, en breng’et vry, soo ghy met eeren kunt,
Tot daer u Othos wet de ridderbanck vergunt;
(455) Of dunckt u dit misschien noch niet genoeg geklommen,
Wel aen, hoop noch eens op, en maeck twee ridder-sommen,
Ja dry, indien ’t u lust: soo ’t soo noch niet kan gaen,
Of soo ghy uwen balg noch niet en voelt voldaen;
Soo is hy tyd gestopt met taeye kennep-draden;
(460) Soo sal u all het goud van Croesus niet versaden,
Noch ’t rijkke van den Pers hoe rijck en ruym het is,
Noch all’ de schatten van dien dertelen Narciss,
Daer Keyser Claudius soo wonder veel af hielde,
Dat hy op sijn bevel sijn’ Messalijn ontsielde.

    (1) Larga Junior.
    (2) Marsus, Hernicus, &c. populi sunt apud Juvenalem, hic antiqua virtute homines.
Continue
[
p. 307]

HET VYFTIENDE

SCHIMPDICHT

Van

D.J. JUVENALIS,

DOOR

L. SCHERMER.

INHOUT.

De Dichter berispt hier de gruuwelyke zeden en Godtsdienst der bygeloovige Egiptenaaren, die, wyl zy zich van beesten onthouden, het vleesch der menschen met eene wonderlyke graagheit opeeten, ’t welk hy, daar heen gezonden tot overste van eene bende, betuigt zelfs gezien te hebben, in het oorlog tusschen de buursteden Tentira en Ombis, die, uit haat tot malkanders Goden, (vermits elk waant de zyne de beste te zyn) geduurig malkanders feesttyden met de wapenen verstoorden.

VOlusius, wie is onkundig, voor wat slag
Van monst’ren ’t dwaas Egipte al nêerbuigt met ontzag?
Dees dient een krokodil, die weêr, met vrees bevangen,
Eert 1 Ibis, opgepropt met ingeslokte slangen.
(5) De goude Meerkat blinkt in ’t midden vande Goôn,
[p. 308]
Daar 2 Memnons halve beelt weêrgalmt den tovertoon,
En’t oude 3 Thebe, met zyn hooggebouwde wallen,
En hondert poorten leit ten puinhoop ingevallen.
Riviervisch bidt men hier, daar bidt men zeevisch aan,
(10) Gints viert men eenen 4 hont; maar niemant eert 5 Diaan:
[p. 309]
Ja 6 knoflook en ajuin te knaauwen is verboden.
O wonder heilig volk, dat zulke groote Goden
In uwe hoven queekt! geen schapenvleesch wordt daar
Ter tafel opgedist, geen teder geitje, maar
(15) Een 7 mensch wordt schroomeloos gekeelt en opgevreeten.
Wanneer 8 Ulisses zulks Alcinoüs, by ’t eeten,
Verhaalde, wierdt hy daar van zommigen misschien
Voor een vertelder van wat sprookjes aangezien,
Daar dees vergramt om wierdt, die lachte met geschater.
[p. 310]
(20) 9 Heeft niemant zulk een schelm geworpen in het water
Der grondelooze zee, die, mits hy willens loog,
Van 10 Lestrigoners, en Ciklopen met een oog
Verbaasde monsters, daar voorheen’ geen mensch van hoorde,
Was waardig, dat hy in 11 Charibdis draajkolk smoorde.
(25) Want eer geloofde ik vast, dat men een 12 Scilla vindt,
Dat 13 rotsen zich in zee bewegen, dat de wint
[p. 311]
Kan worden in 14 een zak van ossenleer geslooten,
En dat 15 Elpenor, met zyne and’re scheepsgenooten,
Geknort heeft als een zwyn, door Circes roe geraakt.
(30) Zou deeze beuzelaar zich hebben wys gemaakt,
Dat het 16 Korcirisch volk zyn praat geloof zou geeven,
Zo zou hem iemant licht met reden tegenstreeven;
Die nuchter zyn verstant, voor het Korcirisch vat,
In zuiver druivesap noch niet verzoopen hadt;
(35) Mits d’ 17 Itakoizer dit licht uit zyn duim kon zuigen,
Dewyl hem niemant kon van logen overtuigen.
Maar ik zing wonderen, wat mensch gelooft ze niet?
In ’t Burgermeesterschap van 18 Junius geschiedt,
[p. 312]
Daar Febus 19 Koptos roost met gloênde middaghstraalen,
(40) Ik zal de schelmery van ’t spoorloos volk verhaalen,
Met hooger vaarzen dan een Sofokleeschen toon.
Want diergelyk een slag van gruwelstukken, schoon
g’ Uw oog naauwkeurig sloegt op d’alderwreetste spelen,
Wierdt na den zontvloet noojt vertoont op treurtonneelen:
(45) Zulk een vervloekte woede is in onze eeuw geschiedt.
    Een oude wrok en haat, die noch op heden ziedt,
Heeft tusschen 20 Tentira en Ombis, twee gebuuren,
Een langen tyt geblaakt, met onuitbluschb’re vuuren.
De reden is, waarom dees hevigheit ontstaat,
(50) Dat d’een, vol nydigheit, des anders Goden haat,
En meent, dat men alleen zyn Goôn behoort te vreezen.
Wanneer ’er hoogtyt wordt gehouden by d’Ombeezen,
Dan storten d’Oversten van Tentira met macht,
By dees gelegentheit, hun vyant onverwacht,
(55) In zyne plechtigheit van Godtsdienst, op de lenden,
Op dat de Feestdagh niet in vrolykheit zal enden,
Daar ’t volk, krioelende op het luchtig 21 tafelbet,
[p. 313]
By tempelen en op kruiswegen, ’t feestbanket
Insling’ren, en den wyn als water ’t lyf injagen,
(60) Het welk, by nacht en dagh, zomtyts wel zeven dagen
Kan duuren achter een. Woest is d’Egiptenaar,
En, naar ik heb gemerkt, hoeft die ontmenschte schaar,
Voor de 22 Kanopers niet in dertelheit te wyken.
Hier by komt, dat licht d’een gaat met den zege stryken,
(65) Als d’ander dubbelt slaat, en zwiert door ’t druivenat;
Dan danssen overal de mannen in de stat,
Op ’t piepend fluitje van hun 23 zwarte lyftrouwanten,
Een slegte balsem glimt om ’t lyf aan alle kanten,
En bloemen, geschakeert tot kranssen, toojen ’t haar:
(70) Dees breideloosheit valt den nuchteren te zwaar,
Om goets moets aan te zien. Eerst raaken deeze helden,
Met een ontstooken moet, aan ’t kyven en aan ’t schelden,
Hun oorelogsklaroen. Fluks rukken z’altemaal
Met bloote vuisten los, voor alvernielend staal;
(75) Naauw komt ’er iemant af, als deerelyk ontfangen,
Met een gequetsten neus en opgehaalde wangen.
Daar ziet g’ een grooten hoop, die droevig staat en kykt,
In ’t aangezicht verminkt, dat naar zich zelfs niet lykt:
Hier ziet men anderen, noch moedig in het wapen,
(80) Met koonen opgerukt, dat hun de kaaken gaapen;
Gints werpt een derde deel, met volle vuisten bloet,
Malkander in den stryt ten oogen uit gewroet.
[p. 314]
Doch dit is kinderspel en maar uit joks gestreden,
Zo lang ’er noch geen lyk in ’t voetzant leit vertreden:
(85) En zeeker helpt het wat, dat men al vegt en kyft,
Indien men altemaal gerust in ’t leven blyft?
O neen: men leit het vuur wat nader aan de scheenen,
En klinkt malkaar naar ’t hooft met losgerukte steenen,
’t Gewoonlyk wapentuig in hunnen burgerstryt,
(90) Doch zulke steenen niet, als 24 Ajax, in zyn tyt,
En 25 Turnus uit hun vuist wegwierpen, dat het gonsde,
En 26 Diomedes op 27 Eneas heupen bonsde,
[p. 315]
Maar klinkerts, licht genoeg voor armen onzer eeuw:
Want zulk een forsheit, naast de krachten van een Leeuw,
(95) Heeft met Homerus doot al lang een eint genoomen.
Nu schynt ’er niets uit d’aarde, als boosheit, voort te koomen
En kleine menschjes, vol van alderhande quaat,
Die ’t hooge Hemeldom met recht 28 belacht en haat.
    Doch laat ons ’t weêr te rug, van onzen afweg wenden.
(100) Wanneer de nucht’re hoop, versterkt met versche benden,
Van leer trekt, en den stryt met pyl en boog hervat,
Dan kiezen d’anderen gezwint het haazepat,
Doch worden in hun vlucht vervolgt met vlugge schreeden,
Van die by 29 Tentira in ’t loofryk palmbosch treden.
(105) Zo iemant by geval eens struikelt, dien de moet
Wat laag zit, die wordt straks gevangen, en verwoet
Gehakt tot huspot, om zo veele graage maagen
’t Onthaalen op zyn vleesch, die ’t van de beenen knaagen,
Al t’ongeduldig, om ’t te kooken of te braân;
(110) De tyt is veel te lang, om aan hun buit te gaan,
Te wachten naar het vuur, zy reppen mont en armen,
En slingeren zo raauw het lichaam in hun’ darmen.
Dit ’s heuchelijk, dat, door hun’ groote ontmensch’lykheên,
Het heilig vuur noch niet bezoetelt wordt, het geen
[p. 316]
(115) 30 Prometheus steelsgewys het zonlicht heeft ontdraagen
’k Ben bly om ’t element, en ’k meen ’t zal u behaagen,
Volusius. Maar, die zyn’ tanden eens durft slaan,
In ’t raauwe vleesch, laat daar het beste vleesch voor staan.
[p. 317]
Want vraag, noch twyffel eens, in zulke gruweldaaden
(120) Of d’eerste, die hun buik met deeze spys verzaaden,
Daar smaak in vinden, wyl de laasten, als het lyk
Geheel is opgesmult, van d’aarde, en uit het slyk,
Het neêrgevloeide bloet met graage ving’ren likken.
Zulk voetsel moest voorheen ’t 31 Vaskoner volk verquikken;
(125) Maar tusschen deeze twee is merk’lyk onderscheit;
Daar heeft de krygsfortuin benyt de dapperheit,
Daar drong het oorlogslot, en uiterste gevaaren
Der zwarte hongersnoot de trouwe burgerschaaren,
In ’t perssende beleg door zwakheit afgestreên.
(130) Dit droevig voorbeelt brengt met recht en rede elk een
Tot deernis: mits het volk, in zyn’ besloote vesten,
Na ’t al de kruiden, al de beesten, ja ten lesten
Het al hadt opgeteert, waar toe de honger drong,
Zyn wreeden vyant zelfs tot mededoogen dwong,
(135) Om zyne magerheit en uitgeteerde leden:
Waarom d’ellendige in hun naastens lichaam sneden,
En kerfden, zelfs, in zulk een uiterste, bereit
Hun’ lyken ’t offeren ten spys der dapperheit.
Wat Godt wat mensch zou hun die misdaat niet vergeeven,
(140) Na zo veel jammeren, ten koste van hun leven,
Te hebben uitgestaan? de geesten zelfs der geen’,
Van hun ten spys geslacht, vergeeven ’t hen beneên,
[p. 318]
De wyze 32 Zeno leert ons beter, in gevaaren,
Al veel, doch alles niet, om ’t leven te bewaaren
(145) Te waagen. Maar van waar heeft de Biskajer eer
Geweeten en gebruikt de stoîsche zedeleer
In d’oude tyden van 33 Metellus? Doch nu stappen
Ten top der Griekenlantsche en Roomsche wetenschappen
De vreemste Volkeren, van d’een tot d’and’re pool
(150) ’t Welspreekend Vrankryk queekt de Britten in zyn school
Tot Advokaaten op; zelfs, in de woeste streeken
Van Yslant, hoort men nu van Redenaaren spreeken.*
’t Vaskoner volk nochtans strydt om de lauwerblaân
In edelmoedigheit, in trouwe, en oorlogsdaân
(155) Met de 34 Sagunters, doch rampzaliger te zaamen
[p. 319]
Mits zy met man en muis volmoet om ’t leeven quamen.*
    Maar wat verschoont u dit, ontmenschte Egiptenaars?
Veel onbarmhertiger, als menschen offeraars,
Die by ’t 35 Meotisch meer geduurig heele vlieten
(160) Van bloet op ’t auter van de Jachtgodin vergieten,
Alwaar Ifiginie van Taurus, wiens verstant
Eerst opbracht dees vervloekte en schellemse offerhant,
(Indien men dichteren hier in geloof mag geeven)
Alleen maar menschen slacht, die nergens meer voor beeven,
(165) Als voor het offermes, tot hun verderf gewet.
Wat doch voor reden heeft die schelmen aangezet
Tot zulke gruweldaân? wat deerlyke ongevallen
Van zwaare hongersnoot, of ingesloote wallen?
Was ’t wonder, zo de Nyl, om zulk een godtloos werk,
(170) Voortaan nooit wederom, geborsten uit zyn perk,
De dorstige akkers wou van 36 Memfis overstroomen?
Dit blood en nutt’loos volk, afgryslyk voor de vroomen,
Dat kleene zeiltjes op 37 gebakke schuitjes zet
Rontom beschildert, dat door ’t water heenbruist, met
(175) Hun’ korte riemen, is zo wreet, als ooit Tartaaren,
Sarmaaten, Britten, of gevreesde Deenen waaren.
Wat straf wordt waardig voor dees gruweldaân bedacht
[p. 320]
Tot tucht van zulk een volk, dat steets naar woeden tracht
En gramschap, die men hun ziet bliksemen uit d’oogen?
(180) Natuur, die traanen gaf, schonk ons ook mededoogen,
Dat aldersterkst beroert de driften van ons hert:
Dus is ons, van Natuur, het ongeluk een smert
Het welk een vrient verhaalt; ’t bedrukt en mager weezen,
Van een veroordeelt mensch; een weeskint, dat, vol vreezen,
(185) d’Uitzuipers van zyn goet voor ’t recht roept, dat het haar
Van droefheit ongekemt op ’t aanzicht leit, alwaar
Een traanenvliet langs heen komt bígg’lend nederstroomen,
Dat het nu naauwlyks meer voor ’t zelfde wordt genoomen.
    Dus zuchten w’om de doot van een volwasse maacht,
(190) En om een zuigeling, dien men naar ’t graf toe draacht;
38 Noch al te jong om door het lykvuur te verteeren.
Want wie doch, die om zyn’ godtvruchtigheit is t’eeren,
En 39 Ceres priesterschap verdient, trekt zich niet aan
Een anders ongelyk, of ’t hem wierdt aangedaan?
(195) Barmhertigheit heeft ons van beesten afgescheiden,
Dierhalven hebben wy verstant, om naar te leiden
Het geen, dat Godlyk is, wy zyn bequaam door gunst
Des Hemels, om ons zelfs in alderhande kunst
Te vorderen, ons is een beter ziel geschonken,
(200) Wier oogen naar ’t gewelf des hoogen Hemels lonken
Als ’t redenlooze vee, ’t geen ’t oog naar d’aarde slaat.
[p. 321]
In ’s waerelts aanvang heeft de Schepper, die uit zaat
Des Bajerts vormde het heel al, en gaf zyn leeven,
Een dierelyke ziel de beesten ingegeeven,
(205) Ons daarenboven noch een ziel, die reed’lyk is:
Om onderlinge liefde, en hulp, en deerenis
Te smeeken en weêrom aan and’ren te betoonen:
Om menschen, die verspreit en eenzaam d’aart bewoonen,
Te brengen tot een volk, en uit de bosschen, daar
(210) Hunne ouders leefden, hen te zaam’len by malkaar:
Om huizen van den gront te timmeren, om steden
Te stichten, daar men, om der buuren hulp, zyn leden
Des nachts uitrusten kan, van alle zorg bevryt;
Om, die te kort schiet, en reets waggelt in den stryt,
(215) Door zwaare wonden, voor het krygsgewelt te dekken,
Om onder een banier ten oorlog op te trekken,
Om door een zelfde vest beschermt te zyn, en voor ’t
Vyandelyk gewelt te waaken aan de Poort.
    Maar grooter eendracht wordt nu in den slang bevonden,
(220) Het wilt verschoont het wilt. Heeft ooit een Leeuw verslonden
Een machteloozer Leeuw? waar vloog ooit in het bos
Een woedend boschzwyn op een ander boschzwyn los,
Om dat het felder beet? de wreede tyger mede
Leeft met met den tyger in een onverbreekbren vreede.
(225) Maar nu wordt voor den Mensch geen staal genoeg gesmeet
Op ’t gruuwlyk aambeelt, om zyn medemensch zo wreet
Te moorden: daar de Smits, voor meer als duizent jaaren
Gewent om egge en spa te maaken, als zy waaren
Vermoeit van ploeg en schop, niet wisten; hoe een dolk
(230) Gesmeet moest worden. Hier aanschouwen wy een volk
Wiens moet niet is gekoelt, als ’t, zonder zich ’t ontfermen,
Een mensch de keel afsnyt, maar meent, dat borst en armen
En aanzicht kost is voor zyn hongrig ingewant.
[p. 322]
Wat zou 40 Pithagoras dan zeggen, aan wat kant
(235) Der wyde werelt zou die goede man niet vlieden,
Indien hy voor zyn oog dees gruuw’len zag geschieden:
Hy, die het beestevleesch zo min als menschen at,
En zelfs een 41 onderscheit in vrucht en kruiden hadt.

[p. 307]
    (1) Een Egiptische Vogel, zich onthoudende omtrent den Nyl, deeze wierdt geëert, om dat hy van natuur een vyant en verslinder der slangen is.
[p. 308]
    (2) Memnon was de zoon van Aurora en Titan, andere willen een Koning van Etiopien. Jo. Brittannikus, meent dat by zyn grafstede twee beelden van eene uitstekende grootheit (colossi) naast malkanderen stonden, waar van het eene tot de middel toe verbryzelt was, in wiens voet men dagelyks een zeker onbekent geluit hoorde ’t welk men dagt (mits de oorzaak niet kon nagespeurt worden) dat door tovery verwekt wierdt. Andere wederom maken ons wys, dat er een koper beelt ter gedachtenisse van Memnon was, ’t welk op zeekere uuren een aangenaam geluit gaf. Dit zoude Kambises, denkende dat er eenig konstwerk in verborgen was, hebben doen openen, het welk naderhant (vermits het door toverkonst geschiedde) evenwel zynen gewoonen toon bleef behouden.
    (3) Het oude Thebe, gesticht door Busiris, Koning van Egipte, was vermaert door 100 poorten, zommigen willen 100 Vorstelyke hoven. Daar zyn verscheide steden van dien naam geweest; in Beöcien (door Kadmus gesticht, wiens muuren volgens de Dichters door het lieflijk speelen van Amfion gebouwt zyn) en in andere gewesten.
    (4) De Dichter meent hier, of den Egiptischen Afgodt Anubis, die met een hondekop verbeelt wierdt, waarom hy van de Poeeten menigmaal (Latrator) blaffer (semicanis Deus) halfhondelijk Godt (semihomo canis) halfmenschelijke hont, zomtyts ook Hermanubis genaamt wordt (om dat zommige meenen dat hy om zyn vernuft dezelve is met Merkurius.) Of hier wordt verstaan naar de Letter een hont: want d’ Egiptenaars baden voornamentlijk een os een kat en een hont aan; eenen hont, om dat Isis hem gebruikt heeft in het opsnoffelen van Osiris, waarom jaarelijks, naar ouder gewoonte, een deel honden in den plechtelijken ommegang deezer Godin voor uit gingen. ziet L. Gyraldus synt. 9.
[p. 309]
    (5) Diana de Jachtgodin. De Dichter spot hier met dit bygelovig volk, dat zy eenen hont, die Diana in het jagen gebruikt, aanbidden, en haar zelfs voorby gaan.
    (6) Knoflook en Ajuin waaren heilig, om dat naar het getuygenisse van A.Gellius (Lib: XX cap. VIII.) de Ajuin, tegens de gewoonte van alle moeskruiden, met het afgaan van de maan bloeit, en met het wassen verdroogt.
    (7) Dit is het onderwerp, waar op dit geheele Schimpdicht steunt.
    (8) Na dat Ulisses, na het verbranden van Troje, zeven jaaren door de zee gezworven hadt, is hy, door een zwaar onweder Schipbreuk hebbende geleden, het gevaar door ’t zwemmen ontkoomen, en naakt en bloot gelant in de haven der Feäcers, alwaar Nausikaä, de dochter van den Koning Alcinoüs, hem, in de groente en struiken verschoolen, gevonden heeft, wien zy een kleet hebbende doen geeven naar haaren Vader gebracht heeft: tegen wien hy over ’t avontmaal zyne doling verhaalde, hoe, by de Lestrigoniers, Antifates zynen reisgezel opgegeeten heeft, hoe hy geweest is by den menschenvreeter Polifemus in Sicilien enz. Derhalven wil Juvenalis zeggen, dat zommige, toen hy dit vertelde, daarom als om een sprookje lachten, zommige zich over hem verstoorden, als of hy hen Leugens zocht wys te maaken.
[p. 310]
    (9) Hier wil de Dichter zeggen: dus konden de vergramde Feäcers gezeit hebben, als of Ulisses zulke groote Leugens zocht voor waarheit te doen aanneemen, om wat met hen te spotten als onnoozele en eenvoudige menschen.
    (10) Lestrigoniers en Ciklopen, Siciliaansche Reuzen.
    (11) Charibdis, een vreeselijke draajkolk in de Siciliaansche zee tegen over Scilla. Die Virgilius beide beschryft in zyn 13 boek van Eneas. Men zeit, dat Charibdis een diefachtig Vrouwmensch geweest is, die, de ossen van Herkules hebbende gestoolen, door den bliksem van Jupiter geslagen, en in een grondelooze kolk hervormt is.
    (12) Scilla was de dochter van Forkus, en leefde met Glaukus in eene onderlinge Liefde, waarom Circe, mede verslingert op Glaukus, en vergramt, dat Scilla boven haar bemint wierdt, de fontein, waar in zy gewoon was te baden, met tooverkruiden vergiftigde: van welk bedrog Scilla onbewust zynde, en naar gewoonte in den bron gaande, als zy zag, dat het onderste gedeelte van haar Lichaam in hondekoppen verandert wierdt, schrikkende voor haar gruwelijke gedaante, heeft zich van boven neer in zee geworpen, alwaar zy in een steenklip verandert is.
    (13) Twee klippen of eilanden by den Tracischen Bosforus gelegen, deeze zeitmen dat in zee zich bewoogen hebben, doch met met den Scheeptocht der Argonauten onbeweeglijk zyn geworden.
[p. 311]
    (14) Toen Ulisses in Eölien gelant was, wierden hem van Eolus (van wien mogelijk de Laplanders de konst van wint verkoopen hebben) alle de winden, behalven de weste, in een lederen zak geslooten, gegeeven, waar mede als hy op reis ging, en reets in het gezicht van Ithaka gekomen was, wierdt die ongelukkige doolende Ridder (mits zyne scheepsgenooten den zak los bonden, meenende dat er eenige schat of kostlijkheit in was) wederom naar Eoliën gedreeven.
    (15) Elpenor een reisgezel van Ulisses met zyne mede makkeren door Circe in zwynen herschept, welke fabel en Toveresse genoeg bekent zyn.
    (16) Korcirisch volk, de Feäcers.
    (17) Ulisses, geboortig van Ithaka.
    (18) Het blykt niet uit de Romeinsche jaarboeken, wie deeze Junius is geweest, doch zommige zeggen dat het Q. Junius Rustikus was, die met Hadrianus in ’t derde jaar van zyne regeeringe Burgermeester geweest is. Andere leezen hier Vincus, andere wederom Juncus: De groote Rechtsgeleerde L. Cujacius maakt gewag, in tit: de fidei comiss. Libertat. van een senatusconsultum Juncianum, of raatsbesluit van Juncus.
[p. 312]
    (19) Koptos een stat op de grenzen van Egipten en Arabien.
    (20) Tentira en Ombis. Tentira was een stat, als een eilant in den Nyl geleegen, wiens borgers, tegen ’t gebruik van alle d’ Egiptenaaren, de krokodillen vervolgden en doodden. Hier uit wil de Dichter zeggen ontstaat het oorlog onder hen en de Ombeezen, die de krokodillen eerden en aanbaaden.
    (21) De ouden waaren gewoon hunne maaltyden op bedden te houden. Virg. tweede boek.
        Inde toto pater Aeneas sic orsus ab alto.
Naar Vondels overzetting.
        De Vorst Eneas heeft hier op dus aangevangen
        Van ’t hooge tafelbedde.
[p. 313]
    (22) Kanopus was 120 stadien van Alexandrien gelegen, en beroemt door den vermaarden tempel van Serapis, hier zeit men dat de Dichter Klaudianus gebooren is. De overdaat en brootdronheit der burgeren is zo groot geweest, dat men voor een spreekwoort pleeg te gebruiken, Luxuria Canopea, of overdaat der Kanopers. Ziet van Kanopus Strabo. 17de boek.
    (23) Zwarte Lyftrouwanten, deeze waaren Etiopiers of Arabiers, waar aan die van Tentira grenzen.
[p. 314]
    (24) Ajax de zoon van Telamon, vermaart in den Trojaanschen oorlog, heeft na Hektor eenen steen van eenen verwonderlijke zwaarte geworpen, ziet Homer: Iliad.
    (25) Turnus was een Koning der Rutilers, dien Eneas in een tweestryt om Lavinia overwonnen heeft, van zyne sterkte in het werpen van steenen zingt Virgilius,
                    Saxum circumspicit ingens,
        Saxum antiquum ingens, campo qui forte jacebat &c
Naar de vertalinge van J. v. Vondel.
                                                                    Hy ziet
        Een vreesselijcken steen, die d’oude tyt hier liet
        Bestellen by geval, en tot een mercksteen rechten,
        Tot eenen scheypael, om het lantkrakkeel te slechten,
        Waar aan noch hedendaeghs wel zes paer stercke mans
        Met al hun magt en kracht aen heffen, zonder kans;
        De Helt heft deezen steen, zo hoogh als hy kan heffen,
        En styf inloopende, smeyt toe, om wel te treffen
        Den steen al bevende naar ’s vyants hooft heel dul. enz.
    (26) Diomedes, de zoon van Tideus Koning van Etolien, was zo sterk dat hy een steen naar Eneas wierp, zo zwaar als naauwlyks zeven mannen (te weeten van onze tyt, die wat licht vallen) van den gront zouden konnen optillen, waar onder Eneas, zo hy door zyn moeder Venus niet geholpen was, zoude gesneuvelt hebben.
[p. 315]
    (27) Eneas, de zoon van Venus en Anchises, genoeg bekent by Virg.
    (28) Die de Goden belachen om hunne kleinheit, en haaten om hunne boosheit.
    (29) Om de menigte der Palmboomen, die aldaar wasschen.
[p. 316]
    (30) Prometheus, de zoon van Japetus en vader van Deukalion, wordt gezeit den eersten mensch uit slyk geboetseert te hebben, met zulk een geluk, dat Minerva, verwondert over zyne schranderheit, hem ten hemel heeft opgevoert, daar hy, zyn toorts aan de straalen der zon aansteekende, het vuur gestolen en met het zelve zyn opgerecht lichaam bezielt heeft. Jupiter, hier over brandende van toorn, wordt van Hesiodus aldus spreekende ingevoert.
        Ι’απετιονίδη enz.
Dit heb ik aldus vertaalt.
            Hoe juicht g’ o snoode telg van Japetus, dat gy
        (120) Het vuur hebt weggevoert, en Jupiter bedroogen?
        Dit zal uw onheil zyn, ja tot den laatsten ry
        Van uw nakoomlingschap; want, zonder mededoogen,
        Zal ik voor ’t vuur, waar mee g’ u zo veel heil belooft,
        Het schrikkelykste quaat doen storten op uw hooft.
Welk quaat wel haast volgde, want Jupiter heeft Pandora in de waerelt gezonden met een doos, vol alderbande quaalen, die zy aan Prometheus gaf, doch deeze, ruikende de list, weigerde het geschenk, het welck nochtans wierdt aangenoomen door zynen broeder Epimetheus, die, onvoorzichtig de doos openende, alle de quaalen daar uit liet vliegen. Prometheus zelve wierdt, op bevel van Jupyn, door Merkurius op den berg kaukasus vastgeketent, en een Arent by hem gestelt, die onophoudelyk zyn lever knaagde. De Grieksche Dichter Menander boert, dat hy niet gestraft wierdt om zyn dievery, maar om dat hy de vrouw, ’t verderfelykst dier, gemaakt hadt.
[p. 317]
    (31) ’t Vaskoner volk (door den dichter naderhant genaamt Cantabri, hedensdaags Biskajers) van Sertorius belegert, heeft, om zyn verbont met de Romeinen niet te quetsen, zodanig een elende uitgestaan, als ons hier beschreven wordt, in den zelven tyt als Pompejus en Q. Metellus oorloogden tegen den voornoemden Sertorius.
[p. 318]
    (32) Zeno, geboortig van Ciprus, en door schipbreuk t’ Atheenen gekoomen, was de stichter der Stoïsche Wysbegeerte, hy, door den Godtsspraak vermaant zynde, dat hy moest om gaan met de dooden, heeft zich begeeven tot de letteroeffening, was een leerling van den Filozoof Krates, en stelde dat het hoogste goet in de Deucht bestont. Zyne leer quam zeer na aan de Christenheit. Men zeit, dat hy, 72 jaaren zonder ziekte out geworden zynde, zich zelfs verworgt heeft: ’t welk aldus geschiedde; als hy uit zyne vergadering quam, en by ongeluk zich aan een steen stiet, brak hy zyn vinger, en slaande zyne hant tegens d’ aarde, zou hy gezeit hebben. En adsum, quid me quaeso vocas. Ei lieve wat roept gy my, zie hier benik. Hier na, terstont zich verworgende, is hy aldus omgekoomen.
    (33) Metellus ziet N°. 31.
    (34) Saguntus, eertyts een beroemde stat in Spanje, was als in het midden gelegen, op de grenzen der Rumeinen en Karthaginienzers, deeze stat in bontgenootschap zynde met de Romeinen wierdt door Hannibal belegert, en ten uiterste benaauwt. Doch de getrouwe burgers hebben liever zich zelve en alle hunne goederen in het vuur willen werpen, als hun vast verbont breeken, en levende in de handen hunner vyanden vallen. Nochtans na acht maanden wierdt de ellendige stat gewonnen, die van zich zelve wel een groote, doch droeve gedachtenisse heeft naargelaaten.
[p. 319]
    (35)* Een meer in Schietien, dat zyn oorspronk neemt uit den Rivier Tanais, die Europa van Azia scheidt; aldaar, omtrent den mont van ’t voornoemde meer, stont een tempel ter eere van Diana van Taurus, op wiens auter Levendige menschen geoffert wierden; de Priesteres van deezen tempel was Ifigenia, de dochter van Agamemnon, en zuster van Orestes.
    (36) Dikwils wordt by de Poëten Memfis voor geheel Egipte genoomen, vermits het de vermaarste en aanzienelykste stat van dat Lant was.
    (37) De hedendaagsche Lezer zou hier weinig geloof aangeeven, en ik zou het hem voor waarheit niet durven verkoopen, maar hem alleen wyzen naar Seneka (L 3. Nat Quaest. c. 25) daar hy spreekt van steenen en eilanden die op ’t water en de zee dryven.
[p. 320]
    (38) De kinderen, beneden de zeven maanden, of voor het uitkoomen der tanden gestorven, wierden niet, naar gewoonte der Ouden, op de Lykstapel verbrant, maar alleenlyk in plaatsen (suggrundaria genaamt) begraaven.
    (39) Alle onvroome, die by zich zelven bewust, of verdacht waaren van ondeugden, wierden door eenen uitroeper geweert van de verborge heiligdommen der Godinne Ceres. Sueton in Neron. C. XXIV.
[p. 322]
    (40) Pithagoras, een Filozoof van Samos, quam (na dat hy de Egiptenaars en Chaldeers, om hunnen godtsdienst en zeden t’onderzoeken, bezocht hadt) uit zyn vaderlant, voor Polikrates den Tiran, ten tyde van Tarquinius superbus, in het diepste van Italien vluchten. Aldaar heeft hy zich door zyne wysheit zo beroemt gemaakt, dat hy de Prins of eerste der Itaaljaansche sekte genaamt wierd, en by zyne aanhangers zulk eene achting kreeg, dat het genoeg was in verschillen te zeggen, ἄυτος ἔφα hy heeft het gezeit. Niemant heeft hem ooit zien schreien of lachen. Hy lag zyne leerelingen eene vyfjaarige stilzwygentheit op, om alleen te hooren, en te zien. Hy verboot het eeten van alderhande beesten, om dat hy gevoelde, dat de zielen uit de lichaamen der menschen in de beesten overgingen. Ziet van hem in het vyftiende boek der herscheppinge van Ovid:. Hy is te Metapontus gestorven, aan welk een oorzaak van doot is onzeker.
    (41) Want hy verboodt het eeten van boonen; doch Aristoksenes, gelyk by A. Gellius verhaalt wordt, schryft dat hy van aartvruchten niets meerder dan boonen, en ook eenige soorten van beesten gegeeten heeft.
Continue
[
p. 323]

HET ZESTIENDE

SCHIMPDICHT

Van

D. J. JUVENALIS

Door den HEERE

P. VLAMING.

INHOUT.

Dit zestiende Schimpdicht, ’t geen van ouds by velen niet erkend is voor een echt kind van Juvenalis, verheft, doch met een gestadige scherssing, den staat der krygslieden boven die der burgeren.
WIe kan al ’t voordeel eens voorspoedige oorlogs tellen,
O Gallus? zo wy een 1 gelukkig leger stellen
Ontfang de 2 poort me in een voorspoedig ogenblik,
[p. 324]
Schoon noch aankomeling vol schroom, vol angst, en schrik.
(5) Een gunstig uurtje van het noodlot zal meer baten,
Als dat de Mingodin aan Mars ons had gelaten
Bevolen door een brief, of 3 Juno, die het land
Van 4 Samos heeft bezind schoon dor en droog van zand.
    Laat ons eerst handelen van ’t algemeene voordeel;
(10) Waar van het minst niet is, zo ik naar waarheid oordeel,
Dat geen der burgren u durft kloppen, jaa’t ontveinst
Als hy geslagen word, en stil te rugge deinst,
En durft de tanden hem uit zynen mond geslagen
Niet toonen aan den Schout, noch buyl die hy moet dragen
(15) In ’t aanschyn blaauw als lood, gezwollen als een pad;
Noch ’t ovrig oog, waar aan de mediçyn al had
Getwyffeld, en hem daar niets zekers van kon zeggen,
Men zal tot rechter u, zo gy straf eischt, toe leggen
Een met een legerrok en laarzen aan, een man,
(20) Die ’t grootst gestoelte met zyn leden vullen kan,
5 Camillus veld gebruik en oude legerwetten
Behoudende, die aan een soudenier beletten
Te pleyten buyten ’t heir en van de vaanen af,
    6 Derhalven komt met recht den oversten de straf,
[p. 325]
(25) En ’t kennis nemen toe op krygslien, en geen wrake
Zal my ontbreken zoo ’k gerechtige aanklacht make,
En ware reden geef. 7 Het gansche regiment
Nochtans trekt zich dit aan; en werwaards gy u went,
Gy ziet het driegen; maak dat uwe wraak niet meerder
(30) Zy dan ’t begane kwaad; u diende tot verweerder,
Vervolger van uw zaak 8 Vagellius, die niet
Door zynen driesten aart een eenig mensch ontziet.
Gy hebt twee benen slechts en zult die beyde wagen
Aan zo veel 9 laarzen die met pennen zyn beslagen?
(35) Wie is ’er die zo ver zich uit de stad begeeft?
En daarenboven wie of zulke vrinden heeft,
Die durven denken in een legerplaats te komen?
Droogt vry uw tranen op en wilt uw druk betomen,
Verzoek geen vriend, die dit voor vast u wygren zal
(40) Wanneer de rechter zegt, hebt g’ u getuigen al?
Zo brengt hen voor den dag. Wie zal ’er durven zeggen
Die zo veel vuisten ziet, hier valt geen wederleggen,
Ik heb het zelf gezien? voor my ik weet hem niet
En acht hem waardig dien m’een koper eerbeeld giet
(45) Met baard en hairen naar de wyze van die ouden,
Op welker deugd en trouw onze ouders zich betrouwden.
Wanneer g’een burger wilt beklagen, zult gy licht
Getuigen vinden, die vergeten eer en plicht,
[p. 326]
Die valsch verklaren en getuigenissen geven.
(50) Maar nimmer vind’mer, die, door waarheid aangedreven,
Zich stellen tegens een die ’t krygsgeluk bedekt
Of iets het geen de naam van een soldaat bevlekt.
    Laat ons nu andere, ja meerdre vruchten tellen
Des krygseeds: zoo een schelm zyn scheidingen zal stellen
(55) Te ver op mynen grond, en rukt de 10 merksteen uit,
Die op de grenzen staat en myne kamp besluyt,
Die ’k jaarlyks heb gevierd met pap en offerkoeken:
Zoo ’k van een schuldenaar betaling heb te zoeken
Van penningen, aan hem op handschrift toegeteld,
(60) Ontkennende dat my zyn handschrift ietwes geld,
’k Moet wachten 11 ’t gansche jaar om hem met recht te winnen,
Dan zal noch myn verdriet en hartzeer eerst beginnen
Door zo veel uitstels, ja hoe dikmaals werd om niet
De rechterstoel gesteld; 12 Cedicius verdriet
(65) Het zitten, dies laat hy zyn rechters tabbaart leggen,
Schoon wel bedreven in ’t welsprekend vonnis zeggen;
En 13 Fuscus, die altyd met drank is overlaan,
Moet om te wateren steeds van de rol van daan,
[p. 327]
Terwyl wy zyn gereed de zaken te verweeren,
(70) En ons op ’t ruime veld der markt tot schelden keeren:
Maar hy die ’t harnas dekt en ’t zwaard de zy bekleet
Verkrygt wanneer hy wil zyn recht, voor hem gereed,
En spilt geen tyd door lang te plyten en te rechten.
    Het is ook toegestaan 14 alleen aan oorlogs knechten,
(75) En aan geen anderen door wetten ooit vergund,
Dat zo gy d’ oorlog volgt, gy zonder hinder kunt,
Terwyl uw vader leeft, uw goederen, vermaken:
Want goed, waar toe gy zult door ’t krygsgeluk geraken,
Is u na rechten, niet uw vader toegestaan
(80) Noch komt ooit in den boel. Derhalven ’t ook Coraan
Die ’t heir en vanen volgt en dient voor zyn soldye
Gebeurt dat hem zelfs zyn stokoude vader 15 vrye,
Hoewel al bevende van Ouderdom, om ’t geld;
Hem ziet men dat voor zweet belooninge verzeld,
(85) Dat billyke arbeyd hem verheft tot hoger staten;
En ’t schynt den Veldheer ook te kitt’len boven maten,
Dat die de dapperst’ is ook zo gelukkig zy,
Ja ’t is hem nut voor al, zoo z’ alle ry aan ry
Met gulde ketenen zyn om hun deugd beschonken,
(90) Hy wenscht dat 16 kragen om den hals van ieder blonken.

[p. 323]
    (1) Gelukkig, kan verscheidentlyk werden uitgelegd, of dat het een voorspoedig en verwinnend heir betekend, of zo anderen willen, ’t geen tegens vreemde Vyanden, niet tegens eigene burgeren te veld gaat.
    (2) Poort, de legerplaatzen van de Romeynen waren gemenelyk vierkant en hadden in elk van haar zyden een poort. Lipsius beschryft het zeer fraai, doch die hem niet verstaat leze Du choul; die in zyn boek van de legerplaatzen &c. de nieuwsgierigheid redelyk wel zal voldoen.
[p. 324]
    (3) Juno, op een wonderlyke wyze moeder van Mars, die uit spyt dat haar man zonder haar van noden gehad te hebben Pallas uit zyn harssenen had gebaard, door behulp van de Bloemgodinne Flora en ’t ruiken aan een bloem den krygsgod ontfing. Ovidius in het vyfde boek van zyn almanach beschryft dit verdichtzel zeer aartig.
    (4) Samos, Juno waren, Carthago, en Samos, een eiland in d’ Icarische zee toegeweid, gelyk ieder godheid by de ouden een bysondre Stad of land had onder hare beschutting.
    (5) Camillus, toen hy tien jaren voor de stad der Vejenten lag zegt men eerst te hebben ingesteld dat geen soldaat om eenige reden in rechte kan werden betrokken buiten het leger: ’t geen naderhand zo verder is in gebruik gebleven en met wetten bevestigd.
    (6) Derhalven, hier spreekt hem een ander tegen.
[p. 325]
    (7) Het, hier antwoord de dichter, en zegt dat, schoon de overste een rechtvaardig vonnis velde zouwt gy u zelve inwikkelen in de haat van al de soldaaten, en derhalven in groot gevaar.
    (8) Vagellius, een stout plyter van zyn tyd, die zelfs de allerschurfste en gevaarlykste zaken dorst aannemen.
    (9) Laarzen, de krygslieden droegen laarzen met yzere pennen van onderen uitstekende, beslagen, om door slik enz. vast te kunnen staan en voortgaan, de afbeeldzels ziet me er noch van in veele oude marmers. hier van had de Keyser Cajus zynen naam Caligula, dat zo veel als laarzemannetje te zeggen is, dewyl hy in ’t leger en onder de soldaten was opgevoed, en met dusdanige laarzen ging. Sueton Cal. 9.
[p. 326]
    (10) Merksteen, men stelde in de oude tyd verscheidene tekenen tot scheiding der landen, als bomen, palen, en stenen daar hier de dichter van spreekt, welke men goddelyke eer aan deed, met het offeren van moeskruiden, pap, die uit meel en water bestond, koeken enz. zelfs met het slachten van dieren, de verscheidene straffen voor de verplaatzers of uitrukkers derzelve zyn noch op veele plaatzen der rechten gemeld.
    (11) ’t Gansche jaar, mischien dat hy hier wil mede te kennen geven, dat de rol zo veel ten achteren was, dat als er een nieuwe zaak voorkwam, die een jaar moest wachten eer zy dienen kon.
    (12) Cedicius, waarschynelyk een bekend rechter van die tyd, hoewel anderen meenen een redenaar.
    (13) Fuscus, mogelyk is ’t dezelve, die van Martialis als een dronkaart werd getekend, en van wiens vrouw in het twaalfde schimpdicht is gesproken.
[p. 327]
    (14) Kinderen, volgens het al oude Roomsche recht was al ’t geen de kinderen van goederen opkwam den vader eigen, uitgezonderd alleen het geen zy in den oorlog verkregen, doch Justinianus heeft dit naderhand veel verder uitgebreid. zie zyne Institutien.
    (15) Vrye, dat is gestadigt fleeme om zyn erfgenaam te worden ’t geen het latynsche woord captare betekent.
    (16) Gulde ketenen, deze wierden door den veldheer gegeven aan die geen die meest door dapperheid uitblonk. Lips. Mil. Rom. 5. na wiens gedachten ik het woord Phalerae gulde ketenen heb over gezet. Kragen waren eigentlyk halsbanden een afkomstige dracht van de oude Gallen; deze gelyk als armbanden spietzen zonder scherp, velerhande kronen enz. waren onder die zaken waar mede de krygsknechten wierden begiftigd.
Continue
[p. 328]

HET ZESTIENDE

SCHIMPDICHT

Van

D. J. JUVENALIS.

Door den HEERE

DELCOURT.

WIe is er die het goed en voordeel op kan tellen
Van de oorlogs dienst, waar in ’t geluk ons komt versellen,
Want zo men onder een verwinnend’ Leger raakt
Gy werdt ter goeder uur een braaff soldaat gemaakt,
(5) Al waart gy noch zo bloô, en ganschlyk onbedreven
’t Geluk wanneer het ons maar gunstig is kan geven,
Dat wy voorspoedig zyn, veel meer, dan of een brief
Van Venus mingodes ons aanprees aan haar lief
Den krygsgod’ Mars; of dat om in zyn gunst te deelen
(10) Zyn moeder Juno ons aan hem ging aanbeveelen.
    Laat, ons hun voorrecht eerst verhand’len int gemeen,
Waar van het minst niet is te rek’nen, dat u geen
Die buiten dienst is durft een flonk in ’t bakkes geven,
Ja krygt hy zelfs een dof, zich stil moet weg begeven
(15) En durft niet aan den schout gaan toonen hoe zyn mond’
Is tandeloos gemaakt, of hoe zyn koonen blond’
En blaauw geslaagen zyn, ja zo dat op zyn wangen
In ’t zwart geronnen bloed’ een oog komt nederhangen
Zo dat zyn’ Chirurgyn veel zwarigheden maakt
(20) En vreest en wanhoopt, dat hy ’t oog niet kwyt en raakt:
[p. 329]
Doch zo hy klaagen wil, zal men tot rechter geeven
Een van geringe staat, in pleyten onbedreeven,
Van leden plomp, gelaarsd, en met een kolder* aan;
Aan dezen man moet hy zyn zaaken doen verstaan,
(25) Want ’t is geen burger ooyt geoorloofd’ volgens rechten
Van oude tyden met een krygsman te beslechten
Of te bepleyten de eene of de andre oneenigheyd,
Dan binnen ’t leger, daar ’t krakeel wordt bygeleyd,
Dan moogt gy zeggen gaan de rechters der soldaaten
(30) Rechtvaardig in de zaak, dies hoeft men niet te laaten
Zyn’ hoon te wreeken: maar of schoon gerechtigheyd
Zyn’ voorspraak was, daar ’s geen soldaat die niet en pleyt
Voor zyn’ spits broeder wyl dat al de rot gesellen
Zyn vyand zyn, daar hy zich niet kan tegen stellen,
(35) Zoo dat zyn wraakzucht hem veel hooger komt te staan
Als ’t ongelyk wel is, dat hem is aangedaan.
’t Zou na d’hertnekkigheyt eens pleytbesorgers smaken
Zo veele duysende gespoorde kwaad’ te maaken
Voor eenig man, die noch twee heele scheenen heeft.
(40) Wie is zo dwaas, die zich in zulk gevaar begeeft
Of wie zyn vriend zo trouw, dat hy niet zoude schroomen
Om tot zyn voorspraak voor die rechters bank te koomen?
Droog dan uw traanen, daar ’s geen recht, verzoek voor al
Geen vriend tot voorspraek, want hy ’t u doch weig’ren zal.
(45) Maar zegt de rechter: breng getuygens ’k zou hem houden
Die, schoon hy ’t had gezien, getuygen dorst, van de ouden
Oprechte en slechte tyd te zyn, Soldaatje krijgt
Een valsch getuygen licht, daar uw’ getuyge zwijgt.
    Laat ons nu anderen voordeelen aan gaan toonen
(50) Van krijgslui: want als my een buurman komt te hoonen
Mijn land ontvremt, en graaft de scheydsmuur uyt de weeg,
Die ’k Jaarelijks met koek en bry te vieren pleeg,
Of dat myn schuldenaar de schuld niet wil betaalen
En met zyn handschrift lacht, zo dat ik dien te haalen
(55) Met pleyten, dan moet ik noch wachten, tot de zaak
In rechten dienen zal: dan hangt men ’t aan den haak
Een Jaar lang, of wel meer, men weet my uyt te stellen
[p. 330]
Men komt met duyzende recessen my te kwellen.
Als dan de rechters al vergad’ren en het pleyt
(60) Zal dienen, de Advokaat heeft wel de halve tyd*
Van noden eer hy zich ter deeg gereed kan maaken,
Eer hy met hemmen zich bereyd heeft, eer de zaaken*
In order zyn geschikt, de mantel afgeleyd’,
Zo dat dan met ’er haast verloopt de gansche tyd’,
(65) En dus uw’ pleytzaak lang werdt sleepende gehouwen.
Maar die ’t rappier op zy, zich op ’t geweer betrouwen
Verkrijgen regt zo dra ’t hen lust, zo dat in ’t kort
De zaak niet uytgesteld’ maar afgehandeld wort.
Ook mag een krijgsman, zelfs by ’t leeven van syn vader
(70) Zyn goed vermaaken aan zyn vrienden allegader,
’t Geen hy in ’t oorlog opgegaard’ heeft door syn moed’.
Dit is de reden dat Coranus al zyn goed’
Dat hy door ’t vaandelschap verdient heeft ging besteden
Aan allerley vermaak en siering zyner leden,
(75) Of schoon zyn vader oud, en bevende van kou
Hem aanzocht dat hy hem zyn goedje maaken zou.
Myns oordeels legt ’er veel den veldheer aangeleegen
Dat hy de dapp’re door belooning te beweegen
En op te wekken tracht, dat hy hunn’ moed’ gedenkt
Met gulde ketenen en paards-sier hen beschenkt.

EYNDE.

Continue
[
fol. X6r]

ALLE DE

SCHIMPDICHTEN

Van

A. PERSIUS PLACCUS.

Door verscheide

DICHTEREN

In ’t Nederduitsch overgebracht.

[Vignet: Sicut lilium inter spinas. Cant. 2]

TE HAARLEM,
Gcdrukt by WILHELMUS VAN KESSEL,
Boekdrukker aan de Markt, 1709.


[fol. X6v: blanco]
[fol. X7r]

BRIEF

Aan den

HEERE N. N.

        Myn Heer.
HOe zeer ik altoos ben genegen geweest, om de regtmatige verzoeken van myn goede vrinden, en byzonder van U Ed te voldoen; heb ik echter zeer getwyffelt; of het my al wel geraden was, myne nog drie, zoo overzettingen als naarvolgingen van Persius, en een van Juvenalis Schimpdichten, op UEds begeerte, uit de hand te geven om door den drukpers mede gemeen te maken. Dewyl het heel wat anders is, zyne gedachten aan zyn vertroude vrienden eens voor te lezen, of maar eenige weimge afdruksels, daar men zelfs meester van blyft, te doen vervaardigen, om van goede kenders een ongeveinsd en vriendelyke oordeeluiting over dezelver waarde, en feilen daar in geslopen, te erlangen: en heel wat [fol. X7v] anders, dezelve dus door den druk algemeen gemaakt, het oordeel van gekken en wyzen, quaadaardige en goedaardige, (men wil of niet) zonder onderscheit, te onderwerpen. Edog dewyl U Ed reeds twee van myne overzettingen van Juvenalis en een van Persius Schimpdichten, over dertien jaren, maar tot een klein getal, voor myne gemeenzame vrienden, in stilte gedrukt, zonder myn toedoen, machtig geworden waard, en ter drukpers geschikt had: begon ik te denken, dat de grootste stap tog al gedaan was: En dat ik mogelyk geen meer gevaar zou loopen, met deze vier, die ik U Ed hier nevens laat toekomen, als ik met de drie vorige daar U Ed reeds meester van geworden was, al had uitgestaan. Want ik had al een deel letter-virters den neus zien opschorten, gelyk my dunkt al weer te zien: om dat ik eenvoudig gemeint had, niet te misdoen in eenige weinige uitheemse woorden spaarzaam te gebruiken: inzonderheit als het of konst- of ampt-woorden waren, of zoodanige andere, die van de grootste tot de geringste, van de geleerdste tot de eenvoudigste, te gelyk beter verstaan werden, en klaarder voorkomen (omdat zy door het lang gebruik gewettigt zyn) als gewrongene plat ouwerwetse duitse woorden, [fol. X8r] die by de meesten in onbruik, en op verre na by allen niet zoo wel bekent, een uitheems woord op de kant, tot een uitlegger, van nooden hebben. Hoewel ik ook gaarne wil bekennen, dat aan de andere zyde, met vele uitheemse woorden, in het Nederduits te mengen, geen mindere buitensporigheid somtyds begaan werd.
    Maar wie zal ons hier in de wet stellen, en een vasten regel voorschryven? want, of de Hooge Overigheit is Meester van de taal: of het volk, door ’t algemeen gebruik. Stelt men het eerste, dat zekerlyk wel het redelykste voorkomt: men zie der zelver openbare bevelen naar, die, om zig kort en krachtig uit te drukken, vele uitheemse woorden behelzen. Zoo men het tweede zoude willen stellen: zoo mein ik evenwel niet, dat men my ligt een woord zal aanwyzen, dat van ieder een niet verstaan werd, en van het volk niet dagelyks word gebruikt. Zonder dat men zig daarom juist behoeft te bedienen van zoodanigen gooren praat, als wel somtydts by het alderslechtste slag in zwang gaat, en in de mondt of pen van een fatsoenelyk man niet zoode passen; welke ik daarom eens vooral buiten sluit. Maar zoude men ook aan eenige neuswyze letter-vitters, die zig meer aan stip- [fol. X8v] pen, letters, en woorden vergapen, als acht op zaken geven, de macht van de taal te reguleren wel willen toeschryven? Ik wil immers niet hopen; dat iemand van die eerzame en zeer discrete heeren zig zelven zoodanigen gezag verwaandelyk zoude derven toeschryven. Wel, zeit der een uit dien hoop, onze voorouders hebben evenwel zoo niet gesprooken, als men nu gemeenlyk doet; maar goet plat Neerduits; en wie zeit geen Saxisch? Maar Amice! hoe komje zoo laat t’school? Hoor Pedantissime domine! Gy most vier a vyf hondert jaaren eerder in de waereld zyn gekomen, om met die voorouders, daar gy van zegt toen ter tyd een gelykformige taal te spreken, en een praatje te maken: en dan zoud gy der ons nu ook wat beter onderrechting van kunnen doen. Dog dewyl gy nu zoo veel later in de waereld zyt gekomen, zoo spreek dat u nu ieder een verstaat, en voeg u naar ’t gebruik. Maar myn, Heer! (alle gek latende varen) onder ons gezeit: Ik geloof, dat der heel wat anders achter schuilt.
    Het schynt, die vrinden moeten wat raars hebben. Te spreken, zoo als de meeste fatsoenlyke luiden doen, is voor die spitsvinnige verstanden veel te gering: En de betrachting der byzonderlykheit, (een paar harde woorden [fol. Y1r] warelyk! maar men moet zyn gasten op dissen, naar hun appetyt) om zig daar door als boven anderen uitmuntende te doen aanzien, legt hen zoo digt aan t’hert; dat zy moort en brand zouden schreewen, zoo men hen dat zoude willen beletten, en dat Marottjen uit den arm rukken: daar men echter gedachten toe heeft. Men eyst maar van hen; dat zy ons laten spreken en schryven, zoo ons goed dunkt, en wy vermeinen ons best te kunnen uitdrukken, en doen verstaan; en dat zy, zonder een ander te berispen, ook zoo doen: waar toe wy meinen, dat wy nevens hen, even gelyk zyn gerechtigt. Ik heb ook daarom, dat algemeene Recht gebruikende, alle bestiptheid en nauw bezetheid hatende, ontrent het stellen der woorden, zoo wel als de spelding, zonder vele vieze zorg-vuldigheid, zoodanige woorden en letters maar gebruikt, die my dacht aan de manier van spreken, en veel of weinig ernst daar in voorkomende, aan de klank van de woorden en de herkomst derzelven best te kunnen voldoen. Te meer dewyl ik tot nog toe geen leermeester ken, die gezag genoeg heeft om ons daar ontrent lessen voorte schryven. Want is het niet belachgelyk, dat men, ik weet niet wie al, tot vreemdelingen incluis, zich het Recht ziet [fol. Y1v] aanmatigen, van Grammaticaas uit te geven, en aan Hollanders in hun eigen Moeders taal wetten voor te stellen, hoe zy schryven moeten? al even eens of de geleerdste mannen niet bequaam waren, om zonder der zelver onderwyzing, hunne gedachten, naar behooren, op t’papier te brengen. Welke Grammaticaas in velen almeest tegens malkander aanstootende (de wydloopigste wel meest) hare gebruikers, in plaats van te regt te brengen, zoo verwarren, dat zy niet weten, waar zy zig keeren zullen. Dat zy dan eerst trachten met den anderen over een te stemmen, eer zy zig onderwinden het algemeen hunne regels op te dringen; op dat ten minste vreemdelingen mogen weten aan wien, en waar aan zy zig houden moeten, indien zy anders niet liever de taal, door het gebruik, de beste en gemakkelykste leermeester, leeren willen. Behalven dat der ook onder zyn, die door hunne meenigvuldige bestipte lessen en nauwe bepalingen, zonder de noodige uitzonderingen, (die der zeer vele kunnen zyn) daar by te voegen; ja zonder eenige opzigt te hebben op de zoet-vloejendheit en welluidendheit, de taal, in het uitspreken hart en gedrongen, en in het aanhooren rauw en bar maken.
    Het regte middel, om een mens eenige [fol. Y2r] vreemde taal natuurlyk en glat te doen spreken, is zekerlyk de ommegang en samen spraak met de inboorlingen. En het is honderdmaal waargenomen, dat jonge luiden, door den ommegang met de inboorlingen in Vrankryk, in een jaar die taal tien maal beter geleerd hadden; als die twee ja drie jaren, in een frans school over die taal hunne* herssenen gebroken hadden. Bevint men niet, dat de eersten de zelve natuurlyk en onbedwongen, en de laatste daar tegens styf en gedrongen spreken? waar van ook een fransman, met een rechtvaerdige verontwaerdiging zeggen zal: ’T is maar school-frans. Is dat niet em fray voordeel, dat men dan uit de Grammatica getrokken heeft? zoo als nu dat plaats heeft in de franse, zoo gaat het ook in andere levende talen door, waar van men, kortheits halven, nalaat verscheide bekende voorbeelden by te brengen. Dit alles onaangezien zouden onze spitsvinnige letterdwingelanden (men neeme my dit woord niet qualyk af; dewyl ik tot nog toe geen tyding heb, dat aan iemand van hen de letter-rykstaf oit wettig is opgedragen) hunne Grammaticale lessen de Mensen wel met zoodanigen meesterlyken gezag willen opdringen, of zy met den schepter in de hand op den letter-troon za- [fol. Y2v] ten: zonder eenige andere reden van de zelve te willen geven, als het ouwerwetse en lang beschimmelde ἄυτος ἔφα. Zedig echter draagt zig hier ontrent de namelooze maker van zekere korte Grammatica, welkers opschrift is: linguae Belgica Idea: wanneer hy pagg: 15 en 16 met zeer goed oordeel zegt: dat men op de welluidendheit van onze taal byzonder moet acht geven, en om deselve niet te verliezen, of te kort te doen, wel rustig over een opgeworpe regel mag henen stappen. waar van de Heer Niloe, in zyne aanleydinge tot de Nederduitse Tale, mede niet vreemt is, als hy pag: 87, mede op een goede grond zegt, dat men de namen van steden, als Rome, Troye, &c. die men gemeenlyk zonder n schryft; als der een vocaal navolgt, om de welluidendheit, wel doet een n achter aan te geven. Welke aanmerkinge (rakende het zetten of nalaten van de N op het einde van eenig woort, om een volgende vocaal) welluidendheids halven, wel vry wat breeder mag en behoort te werden uitgestrekt; indien men anders, in plaats van welluidende, geen hart luidende, en in plaats van zoetvloejende, geen gedronge en barse taal wil laten hooren en spreken: waar op in de niewe breet afweydende Grammaticaas maar al te weinig [fol. Y3r] acht gegeven word: van welke in het byzonder verder iets te zeggen, ik my, als buiten myn bestek zynde, onthouden zal, latende dezelve in hare volle waarde, dewylze buiten dat, echter nog al verscheide goede en noodige aanmerkingen bevatten. Gunnende de schryvers der zelven van herten, dat zy zig in hunne schrandere ontdekkingen en rare vindingen verheugen en toejuichen. Terwyl ik, met hun verlof, om de voor verhaalde reden, van die gedachten blyf; dat, onaangezien alle hunne opgeworpe regels, het oor wel alderbest, het welluidende, en Zoetvloejende, van het rauwe, barre, en gewrongene kan onderscheiden. En dat derhalven ook het gehoor voor alle opmerkende menschen, in hunne moederlyke tale, de netste en bequaamste Grammatica is, om çierelyk en aangenaam te spreken, waar aan alle andere Grammaticaas moeten getoetst werden. Staat nu evenwel iemand, die in dit stuk wat teer van concientie is, in onze schimpdichten een letter in de weeg; hy schrap hem uit, of zet daar een ander in de plaats: ik gun hem die vreugd en vryheit, en behouw voor my zelven die, van my daar niet aan te stooren. Maar hebben nu echter onze spitsvinnige niewe spraak-kundigen zulken lust, en zyn [fol. Y3v] zy zoo zeer met den geest der berispinge bezeten: Wel aan: wy zullen hen wezentlyker stof, en mogelyk meer werk, als hen lief zal zyn, beschikken.
    Het is bekent, dat in het Nederduits worden gehoort tweederhande klanken van de enkelde, en zoo veel mede van de dubbelde o gelyk, by voorbeeld, werd waargenomen, in het woord ból van een hoet naamentlyk, en bôl, dat men zegt van een mens, die der bôl uit ziet, of van bôl ys. En ten aanzien van oo in de woorden van kóól, een aard gewas, en een kôôl,* vuurs: welke twee paaren verscheide woorden, hoewel met de zelve letteren geschreven, zoo ten aanzien van de enkele o, als de dubbelde oo, op geen een en het zelve andre woord kunnen gezegt worden, even goet te rymen. Dus kan ból en bôl beide op vôl niet even goet rymen, mair het laatste alleen: gelyk ook kóól, en kôôl beide op schôôl of dôôl mede niet kunnen doen. Want het is niet genoeg, dat de rymende woorden of syllaben met dezelve vocalen en laatste consonant geschreven worden, maar de klank, in het uitspreken der zelven, moet gelyk luidende zyn; zal het anders goed rym wezen: alzoo daar in eygentlyk het rym bestaat. Dewyl nu het verschil der klanken in [fol. Y4r] het enkelde uitspreken van de bloote woorden, ból en bôl, mitsgaders kóól en kôôl, wel zoo groot is, dat men daar uit alleen het onderscheit van de opzigtelyke beteekeningen gemakkelyk kan afnemen; zoo volgt onwedersprekelyk, dat het verschil ook te groot is, om voor een en het zelve rym te kunnen genomen worden: en vervolgens dat ból op vôl, en kóól op schôôl, en wat dies meer is, by een nauwkeurig oor voor geen goed rym kan door gaan. Even zoo is het ook gelegen met de tweederhande dubbelde ee: ’t geen zig openbaart, by voorbeelt, in de twee, mede zoo zeer in zin verschillende, als in letters overeenkomende, woorden: van leer, daarmen by opklimt, en lêêr, van schoenen of anders, maar hier in zullen wy om dezen, die nu al wat lang begint te worden, te bekorten, ons tegenwoordig niet verder in laten: te meer dewyl alle het geen ontrent de oo hier even gezegt is, op de ee opzigtelyk mede zyn toepassing hebben kan; zynde ook myn voornemen niet, als myn macht te boven gaande, iemand lessen in de rymkunst voor te schryven.*Ik heb alleen maar eens willen aantoonen; wat kameelen van fouten, die liefhebbers van de berisp- en spraak-kunst kunnen door zwelgen; terwyl zy vreezen [fol. Y4v] aan een hoppe-zaatje te zullen stikken. Nademaal ik wel gaerne wil bekennen, dat het gemelde onderscheid van de o, oo, en ee, in het rym, by my overal zoo net niet is waargenomen; ja zelfs wat te veel verwareloost: maar ik heb strooms wyze gedreven met den grooten hoop, en na gerymt, gelyk ik my zag voor-rymen. Want de vrienden berispkundigen gelieven te weten; dat zy my over de zoo even aangeweze fouten niet kunnen veroordeelen, zonder devoornaamste poeeten van ons land daar in te betrekken. Want Vondel, Antonides, Vollenhoven, en meer andere van naam zyn daar gants niet vry van: ja zelf Pels, die in zyn Dichtkunst van Horatius, wel wist aan te merken, dat bôt op zót, en ból op vôl gantslyk niet en rymt, begaat, ten aanzien van het verder aangehaalde, verscheide malen dezelve misslag. Ik ga eerbieds halven verby te spreken van de levende, waar onder, buiten dat, zeer zindelyke schryvers zyn, maar de meeste, die mede aan den Duitsen Juvenalis het goede best gedaan hebben, leggen ook al in dat gasthuis ziek: ja de berispers zelfs, als zy haren tuin eens wieden wilden, zouden der mogelyk al mee van dat onkruit in vinden. Gelieven zy nu echter zoodanigen schyn-rym voor we- [fol. Y5r] zendlyk en goet te keuren: het zal my om ’t even zyn: alzoo ik, wanneer ’t my niet anders gelegen komt, als dan nevens anderen, my mede van dat algemeene voor-recht en gemak zal mogen bedienen. Want het schynt al wat moeiten te baren, wanneer men zig daar zoo stipt, als ’t wel behoort; aan binden wil: en men gewent zig aan ’t gemak, uit de veelheit der o, oo en ee door malkander zonder onderscheid genomen, voortspruitende; daar men zig anders wel meer als eens in zyn vaart gesteurt vint, ik heb het beproeft, en voor de eerste reis getracht in het derde en vierde schimpdicht van Persius waar te nemen: dog of het my gelukt is, zal een ander oordeelen, dewyl ik er zelf aan twyffel. Verders (Myn Heer) ziet U Ed wel, dat het zevende schimp-dicht van Juvenalis, voor een groot gedeelte by my meer naargevolgt, als overgezet is, dewyl ik my zelven daar in vry wat ruimte gegeven heb: dog rakende het tweede schimpdicht van Persius, dat heb ik ten naasten by, van regel tot regel zinvolgelyk overgezet. Maar het derde berispdicht van Persius heb ik op een geheel andere manier geschikt gelyk ook de voorreden van den zelven dichter: dewyl ik daar in getragt heb te vervatten den uitgebreiden zin, die daar [fol. Y5v] in volgens het gevoelen van den Heer Casaubonus, met weinig woorden opgeslooten is: hebbende ook hier en daar, in het derde, de samenhang alzoo wel, als de toepassingen der vergelykingen, dewelke Persius den verstandigen lezer, om zelf op te maken, had overgelaten, daar in gevoegt: het vierde van Persius heb ik, om redenen, den taalkundigen bekent, zonder al te veel in de byzonderheden te blyven hangen, met omzigtigheid wel moeten behandelen, dewyle des zelfs uitdrukkingen net naar te volgen niet veel stichting zoude gegeven hebben: van de rest in ’t begin dezes gemeld, heb ik niets byzonders meer te zeggen, als het geen voor eenige jaren in der zelver voorreden reeds gezegt is: Dat ik naamentlyk wel getracht heb in de zelven, de meining der Latynse Dichteren zoo naar te komen als my mogelyk was, zonder my echter al te stipt aan den letterlyken zin te verbinden, mogende ook zeer wel lyden, dat dieze voor geene genoegsame overzetting kunnen aanzien, dezelve maar voor naarvolgingen te boek zetten, daar ik ze mee wel voor houden wil. Vint U Ed nu goet deze myne geringe (’t zy overzettingen of) naarvolgingen, in uwen Duitsen Juvenalis plaats te geven, of achter aan te hechten: doe [fol. Y6r] zulx niet, of bezie ze nog eerst eens ter dege. Want U Ed zou het mogelyk alzoo zwaar te verantwoorden hebben; dat gy vôdden, die het niet waardig waren, by andere fraye zaken had laten voegen en drukken, als ik, dat ik ze niet beter had kunnen maken. Ik stelze, onder dat voorbeding, in uwe handen en macht: U Ed kan zien; hoe het daarmee te stellen. U Ed verders verzekerende &c.

in Deinopolis.
den 1 April.
1709.
Myn Heer
        U Ed
            DW: Dr
        EMILIUS ELMEGUIDI.



[fol. Y6v]

VOOR-REDEN

Van

A: PERSIUS FLACCUS.

EEn ander drinkt met groote teugen,
    En gulsig uit den Hengsten-bron:
Maar my en mag het gantsch niet heugen,
    Dat ik me ooit op Parnas bevon,


(5) En droomde daer veel wondre dingen,
    Waer door ik schierlyk tot Poeet
Gemaekt, dus voor den dag kom springen
    Neen, ’t kost my moeite dat gy ’t weet.

Ik geev’ den Helikon ten beste,

    (10) Pyrene en al den sampten kraem,
Aen die ’t van d’eerste tot de leste
    Alleen te doen is om de naem.

Op dat hun’ Beelt’nis met een kroontje
    Van klim mag pronken op het hooft,

(15) By my niet waardig een Godloontje,
    Daar maer een Bedelaer om slooft.

’k Gunn’ hun de voorrang, en ik stryk’er
    De Vlagge voor: Ik breng myn digt,
Maer als een boere-rederyker,

    (20) Eenvoudig zonder arg in ’t licht.

[fol. Y7r]
Wie deed de Papegaeyen klappen,
    En roepen, Keyzer zyt gegroet?
De Ravens menschen na te snappen?
    De honger is ’t, die wondren doet:


(25) Een konstenaer in alle zaken,
    En die verstand en wysheit geeft;
Die Beesten kan welsprekend maken,
    Schoon ’t hun Natuur geweigert heeft.

Daer, meine ik, schort het ook die Bazen:

    (30) Hoe zeer zy schreewen op Parnas
Door Phebus te zyn aangeblazen:
    De Rym-geest zit hun in den Tas.

Indien maer iemand hun’ Gedichten,
    Waer in zyn lof werd afgemaelt;

(35) Om hen in de Armoe te verlichten,
    Maer rykelyk met geld betaelt;

Zoo zyn zy aenstonds zoo vermeten,
    En willen dat gy vast gelooft,
Dat zy meer als Apollo weten,

    (40) Ja hem al ver zyn boven ’t hooft;

Schoon ’t veeltydts (om recht uit te spreeken)
    Zyn lompe krukken in den aard,
Die ’t rym elendig lede-breken,
    En schier niets maken lezens-waerd.


[fol. Y7v]
(45) Kort om: Het geld doet wondre dingen.
    Dan Rymt een krepel bot en dom:
Dan wil een Uyl musiek gaen zingen:
    En jeder een die lacht ’er om.


E.E.
Continue
[
p. 1]

HET EERSTE

SCHIMPDICHT

Van

A. PERSIUS.

Door den

HEERE E.E.

INHOUT.

Terwyl Persius zit in een diepe overdenkinge van de zot- en ydelheden der Menschen, en de zelve eens naer waerde wil ten toon stellen; zoo overkomt hem een Vriend of Raed-gever, die hem het zelve tragt uit het hooft te praten; en wert zoo voort het eerste Schimp-digt by manier van samenspraek afgehandelt. Daer een P. staet betekent dat Persius, en daer een R. staet dat zyn Vriend of Raed-gever spreekt. P. WAt zyn de Menschen steeds vol zotte bezigheden!
En alles wat men ziet vervult met ydelheden;
R. Wie zal dit lezen; P. Hoe! zegt gy dit tegens my?
R. Waeragtig niemand. P. Wat! Geen mens: R. Geloof my vry:
(5) Zoo twee: ’t Is veel. Voor ’t naest, zal niemand hier naer talen,
Gy zult der niet als schimp en ondank mee behalen.
P. Waerom? Omdat het laf Trojaens gebroet veel-ligt,
Met Nero, Labeoos zot, kreupel, lam gedicht
[p. 2]
Vry meer zal achten als het myne: Beuzelingen?
(10) Schoon ’t wulpse Roomse Volk verhefte alle uwe dingen:
Vergaep u daer niet aen; nog weeg u in die schael,
Te valsch in ’t overslaen, bedrieglyk t’eenemael.
Nog zoek u eigen zelfs niet buiten uw gewissen:
Dat toont u wat gy zyt; die Rechter zal niet missen.
(15) Maar wie ’s te Rome niet..... Ach of ’t ge-oorlofd waer
Te zeggen! Maer voor ’t minst, is ’t nu geoorlofd; daer
Men ziet, hoe schandelyk zelfs oude Luiden leven:
En wat voor fieltery van zulken werd bedreven,
Die nu de knikkers en de koot ontwassen zyn,
(20) En al zoo wys zyn als hunne Oomen in den schijn.
Dan, dan ten minste (bid ik) houd my dog ten goeden
Myn spotterny. R. Geensins. P. Maar hoe zal ik my hoeden
Vanuit te bersten; daer my steeds de dert’le milt*
Tot lacchen prikkelt? Doet daer tegen wat gy wilt,
(25) Of kunt: Men is daer van geen Meester. Deze schryven
In onrym, die in rym roemruchtige bedryven,
Met grootze woorden, lang ruim anderhallef voet,
Dat jemand ruim van borst daer over hygen moet.
Om die dan opentlyk voor ’t volk eens op te zeggen,
(30) Laet men ’t gepoejerd’ hair eerst net in krullen leggen;
Met ringen aan de hand; een nieuw pak staet ’er op.
Dus in den hoogen stoel, gelyk een kermis pop,
Moy opgeschikt begint men daer dan braef te zwetzen:
De keel eerst glad gesmeert, om de ooren niet te quetzen.
(35) Voorts met een lonkend’ half gebrokene gezicht:
Daer ziet men dan, Hoe onmanierelyk en licht
Een heel geselschap van die groote Hansen schatert,
Hem toejuigt, opspringt, en de handen klapt dat ’t klatert:
Wanneer een kitt’lend’ Vaers hun aen de lenden raekt,
(40) En hun het ingewand en nieren gaende maekt.
[p. 3]
Maer gy, ô Grijsaert! Is u ’t hooft nog niet gesloten;
Dat gy meê vaerzen, uit uw ouden kop gesproten,
Nog opzegt voor een Volk, dat u zoo onbeschoft
Daer over prijst: Dat hoe zeer gy u hebt verkoft
(45) Aen de Ondeugt, daer ge u ook aen over hebt gegeven,
Gy root moet worden, zoo g’ oit root word van uw leven,
En zelfs gedwongen zyt te zeggen: Vrienden zacht?
R. Maer waer toe zou men ook zich zelven dag en nacht
Afloven en zyn neus staeg in de boeken steken,
(50) Indien de Wijsheit mee niet eens quam uit-te-breken,
Die men heeft opgeleid? Gelijk een wilde Vyg
Die door de muren breekt. P. O brave zeden, zwyg,
Ik schaem my dat ik ’t hoor. Bezie my eens dat wezen
Zoo mager bleek en oud geworden door al ’t leezen!
(55) Is zeker van zoo ver uw weten niet een beet,
’t En zy ’t, een yder zy bewust, dat gy dat weet?
R. Maer ’t is zoo moy, zig met de Vinger te zien wyzen,
Dat ieder zeit: Hy is ’t, en dat men zig hoort pryzen;
Voorts dat men in het school de Jongens, voor hun taek,
(60) Uw Vaerzen leeren doet; Is dat geen groote zaek?
Het Roomse Volk geeft meest half zat en by den beker
Zyn Oordeel van een dicht: dan gaet het immers zeker.
Daer komt dan altemets een Snoes-haen voor den dag,
Zoo dertel opgeschikt, dat men noit slimmer zag:
(65) Die iets gants onbeschaeft los van de tong laet glyen,
En van Hypsipile, of van Phyllis op-gaet-snyen,
En teemt wat door de neus, en babbelt daer een dicht,
Zoo sleght en jammerlyk als immer quam voor ’t licht.
De Mannen keuren ’t braef: Rust die Poëet ’s gebeente
(70) Nu onder Graf-naeld, en het marmere gesteente
Niet luchtig? Heeft zyn asch geen zonderling geluk?
De Gasten prijzen ’t ook, en hebben ’t wakker druk.
Wel zullen uit zyn Graf nu geen Violen spruiten?
Gy spot te hart (zegt gy) en gaet de maet te buiten.
[p. 4]
(75) Wie is er dog die steets niet tracht naer eer en lof?
En niet wenst dat zyn werk mag, voor bederf en stof
In Cedren hout bewaert, in eer en achting raken,
Zoo dat ’er niemand van zal peper-huizen maken?
Gy die my tegenspreekt, wat gy ook voor een Man
(80) Moogt zyn, weet, zoo ’k misschien iets goets voort brengen kan;
Hoe zeldzaem ’t ook mag zyn, zoo nogtans iets van waerde
By my werd voortgebragt, geen lof my oit vervaerde.
Myn hart en is al mee geen baksteen; maer ik wraek
Den lof, als ’t doelwit van een treffelyke zaek:
(85) Want als men dat gejuich, en pryzen zal ont-leden:
Wat is ’t vol vleyery bedrieglyk buiten reden?
Dit is geen Ilias van Attius vertaelt,
Door dwang van nieskruit uit zyn hersenen gehaelt:
Geen laffe min-nog ook geen vuile knuppel-dichten
(90) Van vaetse Jonkers, die maer ieder een ontstichten:
Nog iets dat op een Rustbank van Citroenen hout,
Gemaekt is. Maer gy weet een armen bloed een oud
Verslete manteltje, en een vetten baerd te geven,
En daer na zegt gy: Hoor: ’K heb zeker al myn leven
(95) De waerheyd zeer bemind: Kom aen, en zeg my dan,
Regt uit: Wat dat u van my dunkt? Hoe drommel kan
Dat een Pan-likker doen: Maer hoor, ik zal ’t u zeggen,
Gy zyt een groote Gek, die ’t maer schynt toe te leggen
Op ’t vullen van uw buik, die reets barst uit uw kleet;
(100) Een kaelbaerd, beuzelaer, die niet met al en weet.
Gelukkig Janus, die en rugglings, en van voren
Kunt zien, en niemand oit van achtren Ezels-ooren
Hebt nageweuift, nog met de vinger na-geguicht,
En met een lange tong uw’ spotterny betuicht.
(105) Gy Troyschen Adel hebt van achtren juist geen oogen;
Dus weert dat schimpen eens, want dat ’s niet te gedoogen.
Wat dat men van u zegt, spreekt de Pan-likker voort:
Wat anders, als dat gy eerst dight, gelyk ’t behoort?
[p. 5]
Uw Vaerzen vloejen zagt en wonder glad in ’t lezen:
(110) Ja iets dat men polyst kan zelfs niet gladder wezen.
Dat (zeggen ze) is een man, die alles netjes schikt,
Gelyk het wezen moet, en ’t op een haertje mikt:
’T zy hy de wellust en der menschen snoode zeden
Berispt, of Treur-stof schryft, vol wissel-valligheden.
(115) Men vint niet dat hy zig met slegte zaken moeit;
Maer dat niet als wat groots hem uit den wedervloeit.
Men ziet al veeltyds straks van Helden-Dichten praten
Leer-jongens, die onlangs op ’t laegste bankje zaten,
En nauwlyks weten, hoe me een Boogaerd of een Hof,
(120) Of ’t Land beschryven zal; hoe vol en ryk van stof
Daer alles overvloeid. Eerst gaet men zig verkiezen
Het slegste; en spreekt van haerd, van Varkens, stroo en biezen;
En hoe het boere volk des jaers op zekren tyd
Springt door een vuur van hooy en acht zig dan gewyd:
(125) Dit alles slecht genoeg. Maar hoort de man eens kallen
Van Remus, herkomst, en ’t begin der Roomse wallen;
En hoe Cincinnas wierd van d’ Akker en den ploeg
Gehaelt tot Veltheer, en hoe dapper hy zich droeg;
Toen hy zyn bange Vrouw zyn klederen deed langen:
(130) Terwyl de Boo zyn ploeg, met ’t ploeg’ gareel behangen,
Naar huys bragt Treffelyk Poeet! Dat ’s eerst een quant!
Hy quyt zig deftig met zyn emmer in den brand.
Deez’ vind in Accius hoe schromp’lig wond’re zaken.
Dien kan de kwastige Pacuvius vermaken,
(135) Die van Antiopa zoo breed heeft opgedeunt;
* Die haar rouw-maak’lyk hert met rampen ondersteunt.
Als men dan oude Luy ziet jonge aen komelingen
Aenpryzen, als wat frays die misselyke dingen;
[p. 6]
Vraegt gy dan nog, hoe dat met zoo veel onbescheit
(140) De tael verbastert? Hoe verkeerde fraayigheit,
En een gedrongen styl gantsch hard om aan te hooren
Althans het laf gemoed en zinnen kan bekooren
Van zulken, die quansuys wat meer zyn als gemeen,
En willen meer verstand betoonen, als elk een?
(145) Is ’t ook geen schande, dat men ziet in zware zaken,
Die een beschuldigden zyn hals en leven raken;
Hoe dat men meer vernuft en vlyt te kosten leit;
Om door versierde reên, en met welsprekentheit,
Lof te verdienen, die men beter zou besteden,
(150) Om ’t recht des armen mans te staven met de reden?
d’ Een zeit: ik zeg u dat ge een Dief zyt, Pedius.
En wat zeit d’ander? Die verantwoord zig aldus:
Hy weegt de misdaed met een gladde styl te spreken,
Met tegen-stellingen, en diergelyke streeken.
(155) Dat is eerst braef gepleit! Lof tuiten, geen gebrek.
Wat Drommel! Is dat braef, Romeinen word je gek?
Zou u het ongeluk van zoo een Man bewegen,
Die schipbreuk heeft geleên, en zingend langs de wegen
Een Aelmoes bid? Hoe! zingt gy, daer ge uw ongeval
(160) Geschildert voor u draagt? Dat sluit niet. My en zal
Geen Man, die voorbedagt heeft sierlyk leeren kermen,
Medoogend’ maken, om my over hem te ontfermen.
R. De Vaerzen evenwel van Nero zyn niet rot:
Hoe rouw de stof ook is hy geeft ze een aerdig slot.
(165) P. Byzonder. * Artyn dien Godin Cybele liefde,
Den Dolfyn, die de blaeuwe azure Zee doorkliefde.
Den langen Appenyn een ribbe uit ’t lyf gehaeld,

Is mee een staeltje, dat met recht hier nevens praelt.
R. Maar wyl gy fouten vind, naer ’t schynt in alle zaken;
(170) Zoo zeg my eens: Wie zal ’t u oit van passen maken,
Wat dunkt u dan wel van de Aeneas van Virgyl;
Is die niet bars, en van een op-geblazen styl?
[p. 7]
P. Neen ’t is een stuk, door konst en arbeyd t’zaem geklonken,
Dat groots en deftig, met zyn stof en trant mag pronken.
(175) R. Wat ’s dog dan lieffelyk, en teer, daar niets aen schort,
Dat met een slappen hals, en los gelezen word?
P. Hoort toe: Dit puikjuweel. * De woedende Bachanten
Vervullen door een wreed gebrom aen alle kanten,
Met hare Hoorens, ’t Land. De Bachus Priesterin

(180) Die rukt ’t hoveerdig kalf het hooft van ’t lyf, in min,
Als in een omme-zien, en weet de Tiger-Dieren
Met klimme toomen voor den wagen te bestieren,
En roept al Evion gestadig, dat het dreunt.
Wyl de Echo toe-klinkt, en haar schreeuwen ondersteunt:

(185) Zou men dus Dichten zoo een droppel maer in de Aderen
By ons nog ov’rig was van ’t bloed van onze Vaderen?
Zoo schrael de zaken zyn, zoo zlegt is ook de styl.
Menas en Atys beid’ die Zwemmen in het quyl.
Men ziet wel, dat er niet veel tyd aen is versleten,
(190) Het hooft om is gekrouwt, of nagels afgebeten.
R. Maer waer toe elk zoo bits de waerheid, en zoo naekt
Gezeit? Een schurrefd schaep is wonder licht geraekt.
Zyt op uw hoeden en ziet toe, dat u de grooten
Hun deuren t’een’ger tyd niet voor de neus en stooten.
(195) Zy grynzen u al toe. P. Wel mynen ’t halven dan:
Fiat al moy. Nou zy te vreden als een man.
Gy staet er op, alsof er duizenden aan hongen.
’k Hou veel van fraeye Luy! Wel Aep wat schoonder Jongen!
Dat niemand (zegt gy) hier te pissen zig verstout.
[p. 8]
(200) Maalt ’er twee Slangen by, dien gy de wacht vertrout:
En schrijft: Elk wacht zig van aen ’t heylig huys te pissen:
Pis buyten, of gy zult uw hoed of kleeren missen.
Wie moeyt u? Ik vertrek, en goeden dag myn Heer
Lucilius die heeft de gantse Stad wel eer,
(205) Lupus, en Mutius geroskamt dat het kraekte.
De leepe Flaccus, die quansuis zyn Vriend vermaekte,
Zey hem al lacchende wel schoon zyn zaligheit,
En heeft het gantse Volk wel by de neus geleit.
Waer ’t dan niet hardt, dat ik alleen zou zwygen moeten,
(210) En op myn beurt niet mee myn schimplust mogen boeten?
Ik zal ’t maer heimlyk doen. R. ’t Mag waerlyk niet geschien.
Ik zeg ’t dan aen ’t Papier: Ik heb het zelf gezien:
Hier onder ons gezeit: Dat zal juist niemand hooren:
Waarachtig al het Volk dat heeft hier Ezels ooren.
(215) Dus lacche ik by my zelfs. Dit lacchen, hoe bedekt,
Dit heim’lyk schimpen, hoe zeer gy ’er ook mee gekt,
Zou ’k voor geen Ilias u willen overgeven.
Gy, wie gy wezen moogt; indien u van u leven
Cratinus werk, die aen een ieder onversaagt
(220) Zyn fouten zey; heeft aangeblazen en behaegt:
Gy die den grimmigen Eupolides, en ouden,
Man Aristophanes steeds hebt in eer gehouden
En doorgekropen, ziet deez’ Vaerzen mee eens aen:
Vindt gy wat goeds der in; daer komt het my van daen
(225) Behaegde u dat: Dit zal dan licht niet heel mishagen.
’k Zal voor de rest niet veel naer zulk een Lezer vragen,
Die daerom maer alleen smaelt op der Grieken dragt;
Hun wysheid en ’t sieraed van hunne tael belacht:
Om dat zyn schrael verstand, gewend te mugge ziften,
(230) De ware wysheid van waenwysheid niet kan schiften.
’k Agt ook geen Lezers, die een Bultenaer zyn bult
Verwyten, of iets, dat hem buiten eigen schult
[p. 9]
Misstaet; en zeggen elk zyn lempen, en gebreken:
Schoon dat zy zelver vaek vol vuiligheden steken:
(235) Nog zulk een, die verwaend, gelijk een boere Schout,
De valse Maten en de Potten stukkend houwt:
En roemt daer op, als had hy wonderen bedreven:
Nog die de Cirkels, op de grond in ’t Zand beschreven,
En wys-konst Cijfers, als iets nietigs, dwaes en mal,
(240) Bespot; en zig bykans te barsten lacchen zal;
Als een twee-blankens-hoer, om met den Man te gekken,
Een Cynisch Filosoof komt by den baerd te trekken.
Die gun ik, dat zy zig verheugen in hun Lot:
En ’s morgens op de Rol, en ’s avonts gaen ter Mot.

[p. 5] 1 Een Vaers van Pacuvius van woord tot woord overgezet: Daer Persins de Gek mee steekt.
[p. 6] 2 Dit zyn Vaerzen van Nero, die Persius beschimpt.
[p. 7] 3 Vaerzen van Nero.

Continue
[
p. 10]

HET TWEEDE

SCHIMPDICHT

Van

A. PERSIUS FLACCUS.

Berymt en nagevolgt

Door den

HEER E. E.

Waer in hy de dwaesheit der Romeinen in hunne wenschen en gebeden, zoo ten aenzien van der zelver voorwerp, als van de manier, op welke zy die aen hanne Afgoden voordroegen, ten toon stelt en beschimpt.

MAeryn, laet deze dag, die uw’ reedts hooge jaren
Vermeert, en ciert den kroon van uwe zilvre haeren
Als met een nieuwen tak, vry aengeteikent zyn
Met roode letters: pleng, verheug uw’ geest met wyn.
(5) Gy zoekt voor gelt niets van de Goden weg te dragen,
Dat gy in ’t openbaer hen niet zoudt derven vragen,
Gelijk als de Adel doet, die bidt maer stil en zagt,
En schaemt zig haarer beê. ’t Is niet in ymands magt
Het stil gemompel en gefluister uit de tempelen
(10) Te weeren, en elk op de Godtgewyde drempelen
Zyns herts gebeen te doen uitstorten voor de Goôn,
[p. 11]
Dat ieder een het hoort. Men is nog wel gewoon
Een goet gemoet, een goet gerucht by alle menschen
En ongekreukte trouw te bidden en te wenschen
(15) Met luider stem: maer kort daer na zoo bid men stil:
Ach! dat de Goôn my dog tot zoo ver eens myn wil
Vergunden! dat ik mogt myn ryken oom zien sterven,
En dan van Herkules nog deze gunst verwerven,
Dat ik in ’t ploegen eens een spaerpot wel gelaen
(20) Mogt vinden, en dien knaep, die juist voor my moet gaen
In ’t erven van veel goed, ter aerde mogt besteden,
Hy is dog schurft, en heeft de geelzugt door de leden!
Wat is ook Nerius een man! die daer al ’t lyk
Van ’t derde wyf begraeft. Om nu meê diergelyk
(25) Tog heilig, naer den eisch, den Goden af te bidden,
Zoo dompelt gy al vroeg twee driemael ’t hooft in ’t midden
Des Tybers: en geheel zorgvuldig, of de nacht
U ook besmettingen mogt hebben toegebracht;
Zoo wilt ge u zuivren met in ’t water u te baeyen
(30) En meent een vlasschen baert de Goden aen te naeyen,
Maer hoor dog eens, ik zal niet lang in ’t vragen zyn:
Zeg: wat gedagten hebt gy dog wel van Jupijn?
Meint gy niet, dat hy ruim zoo vroom is, als een ander?
Als wie? als Stajus; zoo gy wilt; my dunkt, ik kan der
(35) Geen snooder vinden. Hoe! wat is ’t! gy twyffelt nog!
Wat Rechter is zoo vroom als Jupiter? wie doch
Tot Voogdt bequamer? maer dit over eens geslagen;
Bidt Stajus, om het geen gy Jupiter derft vragen:
Die goddelooze ziel zal roepen: help Jupijn!
(40) Wie zag iets boozer ooit, als deez’ gebeden zyn?
Hoe moet Jupijn dan zelfs wel vloeken en wel beven
Van toorn! wat meint gy, dat hy alles heeft vergeven?
Om dat by ’t dond’rend weer een eyk van ’t blixem vuur
Eer wert geslagen, als gy, of uw huis en schuur;
(45) En ’t schapen ingewant door Priesteren bekeken
Niet en belast u daer maer zoo in de aerd’ te steken,
En af te sluiten met staketselen van hout
[p. 12]
De plaets, daer gy tot schrik begraven legt in ’t wout;
Meint gy daerom, dat zig Jupijn altyt begekken
(50) En van u by den baert gestaeg zal laten trekken?
Zeg, waer voor kogt gy dog het oor wel van de Goôn?
Voor beesten ingewant? dat ’s zeker mager loon!
Let nu eens, wat voor by-geloovige aperyen
Dat Grootemoer of Moey, wanneer men ’t kint zal wyen
(55) Al uitslaen. Deze kan ’t behoen voor toovery:
Dus neemt zy ’t uit de wieg, en met haer quyl, dat zy
Wy-water acht, bestrijkt zy ’t voorhooft en de lippen
En veegt en reinigt het behendig met de tippen
Der middelvingers: slaet de handen dan in een,
(60) En zendt de teere spruit, met meedrige gebeên
Nu eens in Licius zyn vette en wyde velden:
Dan: dat de Goden hem in Krassus huizen stelden!
Dat hem een Koning tot zyn schoonzoon wenscht te zien:
Dat maegden elk om stryt hem hare gunst aenbien,
(65) En schaken hem! dat steedts en roos en violetten
Voortspruiten, waer hy oit zyn voeten komt te zetten.
Maer, voor my, ik beveel de voedtster ’t wenschen niet.
Neen: sla haer af, Jupijn, al schoon dat gy haer ziet
In ’t wit gekleet aen u haer wenschen voor te dragen:
(70) Zoo zal ik niet haer wensch, nog uwe gunst beklagen.
Gy bidt om sterkte, en welgestelde leên, en om
Een lichaem, dat niet krank mag zyn in ouderdom.
’t Is wel gebeên; maer al uw slempen en uw brassen
Belet de Goden, u daer van iets toe te passen,
(75) En houdt Jupijn terug. Gy zoekt uw gelt en goet
Te doen vermeerd’ren door geslagte stieren bloet,
En tracht Merkurius met offeren te paejen.
Ach dat hy my ’t geluk dog eens in ’t zeil deedt waejen?
Vermenigvuldig dog myn midd’len, maek me ryk
(80) Van allerhande Vee. Maer is dat mogelyk? Daer zoo veel beesten steets voor ’t altaer moeten sneven?
Hy meint het evenwel nog zoo niet op te geven;
Maer denkt gedurig, door het vet en ingewandt,
Der beesten, die hy slacht en tot een offer brandt,
[p. 13]
(85) Het nog te winnen, ’k Zal myne akkers nog zien groeyen
En ’t vee: my dunkt, ik hoore al meerder beesten loeyen:
Nu, nu zal ’t lukken, nu; tot dat hy ’t alles mist,
En arm zyn laetsten duit haelt zuchtende uit de kist.
Indien dat ik u eens quam zilvre bekers geven
(90) En kostlyk huisraadt met veel gout in een gedreven,
Ik wedt gy vreugde krijgt, en dat u gierig hert
Van blydtschap opspringt, als gy zoo beschonken werdt.
Hierom meindt gy, dat u de goden ook gelijken,
En gaet de tronyen der heiligen bestrijken
(95) Met gout, den vyanden in ’t stryden afgehaelt:
Want wie der koop’re goôn u meest met gunst bestraelt,
De beste droomen zendt, en aengenaemst doet ronken,
Is meest geächt, en zal met goude knevels pronken.
Het gout stiet overlang al Numaes vatewerk
(100) En kopre bekkens van Saturnus uit de kerk;
Deedt de aerde busschen der Vestalen stukkend’ klinken:
’t Is nu al gout, het geen men in de kerk ziet blinken.
O aerdtsche Menschen gantsch verkeert, en krom geslacht
Ontbloot van ’t hemelsche, en die ’t ware goet niet acht,
(105) Wat helpt het dat gy uw verdorve booze zeden
Ter Tempel invoert, en de Goôn gantsch buiten reden
En naer de driften van uw vleesch behagen wilt?
’t Geen Bassia vermengt met oly, en verspilt
Geheele schatten, en legt purpere koleuren
(110) Op de allerfynste wol, doet parelen op speuren
In ’t diepste van de zee, smelt gout eerst fijn als kaf
Tot staven, en maekt daer dan schoone vaten af.
Dus zondigt men al meer in diergelyke zaken;
Dog weet de zonden zig nogtans te nut te maken.
(115) Maer gy, o Priesters, zegt my eens, wat voordeel doet
Het gout in ’t heiligdom? niet meer als ’t poppegoet
En poppen, die men ziet dat onze Roomsche Joff’ren
Op haren troudag met veel vreugt aen Venus off’ren.
Maer offren wy de Goôn iets by hun meer geacht
(120) En ’t geen dat Messala zyn groots, dog leep geslacht
Met al zyn Rijkdom, niet is magtig op te brengen.
[p. 14]
Laet ons geregtigheit onscheidbaer zamen mengen
Met vroomheit van gemoet, en Godtsdienst, die beslaet
In ’t binnenst van de ziel geen uyterlyk gelaet;
(125) Voeg by dit alles nog een hert, dat edelmoedig
Doorkneedt in deugt is: zoo zult gy de goden goedig
Bevinden, om u al het geen, daer gy naer tracht
Te geven, schoon gy niet als meel ten offer bragt.
Continue
[
p. 15]

HET DERDE

SCHIMPDICHT

Van

A. PERSIUS FLACCUS.

In eenen ruymen zin overgezet

Door den

HEERE E.E.

INHOUT.

De Dichter voert hier eenen Stoischen Filosoof in, die zynen voedsterling, en andere jonge luyden vermaent, dat zy niet, zig te veel overgevende aen wellust en luiheit, en steunende op hunne geboorte en Rykdom, de wysbegeerte verachten en verwaerloozen; dewyl dezelve de zwakheden van de ziel geneest, de deugt en borgerlyke pligten leert, en aen ’t gemoet rust en genoegen verschaft.

AL wêer den ouwen deun, in ’t zoete nieuwe jaer?
De zon schynt op zyn nest wel helder, hoog en klaer,
En ziet myn Jonkertje daer nog eens leggen ronken.
Een lichtmis, schoon hy zig hadt ’s avonts vol gedronken,
(5) Hadt nu zyn rous al uit geslapen, en gedaen.
Wel, Jongeling! is ’t nog geen tyt om op te staen?
’T is over tienen. He! wat zegje? is ’t over tienen?
Hey! Holla! Hou! waer blyft het volk om my te dienen?
Wel komt ’er niemant voort? het bloet stygt me in de kop:

[p. 16]
(10) Kom ik er achter her, verdord! wat valt er klop!
Vermoey u niet, kryg tog geen ongemak van ’t geeuwen.
Canailje! komje niet? ’k zal my te barste schreeuwen.
Dat ’s waer: want dat gebulk gelykt wel naer de tael
Van den Arkadischen vierpooten Nagtegael.
(15) Dus na veel talmens raekt myn Jonker aen het schryven:
Maer ’t heeft geen langen duur, of hy trekt weer aen ’t kyven,
En vloeken, dat zyn inkt te dik is en begroeit
Van schimmel, of te dun, en door’t papier heen vloeit.
O Lobbes lompertje! dien ik staâg, als de kreeften,
(20) Te rug zie gaen, het spyt my, dat men dat beleeft, en
Hier toegekomen is: en ’t geeft my wonder, dat
Gy u niet voeiren laet met kaeutjes vol en zat,
* En u door uwe minn’, niet nog in slaept laet wiegen.
Wie meint gy, dat gy meer zult als u zelf bedriegen?
(25) Wat donder leg je en praet? ken ik met zulk een pen
Studeeren? zeg eens aep!
wat ik die loopjes ken!
Aen wie vertel jy dat? wat zult gy ’t nog beklagen?
’T is voor uw’ rekening gy moet den spot verdragen
Van yder een, om dat gy zelden hebt gereet
(30) Uw antwoort: of meint gy dat uw vergulde kleet
De onwetenheit bedekt? zoo zult gy nooit beklyven,
Maar steedts, gelyk gy zyt, een gouden Ezel blyven.
’T is nu, nu is ’t noch tyt, om hand aen ’t werk te slaen,
Terwyl gy fris en jong, met zaken onbeslommert,
(35) Niet anders hebt te doen. Waer, koekkoek tog bekommert
Zig deze karel meê!
ja: ’t Jonkertje heeft gelt,
Dat om de groote som niet ligtlyk wiert getelt:
Daer by bezit hy lant en huizen overvloedigh,
En rentebrieven zat; dat maekt het zeuntje moedigh.
(40) ’T heeft niet te vreezen: maer dat is nog niet genoeg:
Gy zwetst in ’t Koffyhuis, by ’t pintjen in de kroeg
Op uwen adeldom met opgeblaze kaken,
[p. 17]
Zoodanig, of ge u niet alleen gelyk woudt maken
Met de eersten van dien rang, maer gaen hun zelf nog voor
(45) Dog maekt dat ganzen wys: ik kenne u door en door.
Men zouw het geen zomtyts wort adeldom geheten
Licht met de kleine maet en ell wel kunnen meten;
En daer op ben jy nog wel zoo verwaent en groots,
Dat je een fatzoenlyk man naeu groet als maer boksstoots
(50) Houw eindelyk eens op zoo leuy en laf te leven:
’K hoop niet, dat gy de schaemte al hebt de zak gegeven;
Gelyk een sletvink, dien het reets schort in den bol,
Die zoo vervallen is, en zoo verre op den hol,
Dat het onmooglyk is hem weder op te regten:
(55) Hy is vereeld in’t quaet, geen raet kan op hem hegten.
De hemel geef maer aen Tirannen deze straf,
Wanneer zy van de deugt verbastert zyn en laf
Geweken, dat zy slechts in plaets van andre plagen
Gevoelen’t snerpen van de felle geesselslagen
(60) Van ’t wroegende gemoet; en dat ze in later tyt.
De deugt gekroont zien, en van hartzeer en van spyt
Om dat verlies, vergaen en knarssen op hun tanden.
Geen gruwelyker straf was ’t loeyen en het branden.
Des kopren stiers: en in geen schrikkelyker staet
(65) Was Damokles, doe hy in ’t purpere gewaedt
Aen ’s Konings tafel wel voldaen zag zyn verlangen,
Maer tevens boven ’t hooft het doodlyk zwaert zag hangen.
Zoo gaet het ook met hun, die door hunne eige schult
Zich storten in ’t verderf, en naeuwelyx vervult
(70) Haer lusten zien, of zien hun ongeval geboren.
Dan trillen ze in hun ziel, en roepen: ’k ben verloren.
Aen kindren kan men ’t nog vergeven in hun tyt,
Dat de een zig ziek maekt, als hy leuy is en vermyt
Zyn les te leeren; dat een ander met zyn tollen
(75) Zyn uir verzuimt, en zoo te zamen lossebollen.
Maer gy hebt immers al die jaren, dat gy weet
[p. 18]
Waer men zyn dagen wel, waer qualyk aen besteedt.
’k Hoop dat ge een denkbeelt hebt van goede en quade zeden;
De rede en waerheit niet wilt met de voeten treden;
(80) Dat ge onderscheiden kunt den weg, die ons tot deugt
En wysheit leydt, van die door wellust, ydle vreugt
Tydtquisting doet aen haer betreders schipbreuk lyden.
En ronkt gy noch? ey, wil die vadzigheit vermyden:
En houw uw hooft tog recht! ik bid u, geeuw zoo niet,
(85) Dat men een hallef el schier in uw keelgat ziet!
Of wilt gy nimmermeer dan iets ter hande vatten?
Maer lanterfanten, als de jongens, die met spatten
En kley de vogeltjes gaen schieten? onbedacht
Waer gy u henen wendt, gerust, als gy den nacht
(90) Den dagh maer volgen ziet. Men wil vergeefs genezen
Een zieken, die men ziet dat strax eyn lyk zal wezen:
Vergeefs belooft men dan den Dokter bergen gout:
Neem raedt, als ’t quaet begint, eet ’t al te veel verout
Leert! leert by tyts, al te onbedagte Jongelingen,
(95) De oorzaken kennen, en den aert van alle dingen.
Leert wat de menschen zyn, en waer toe voortgebracht;
Wat wetten ons zyn voorgeschreven, waer men acht
Op slaen moet, waer men scherp, waer weêr ruimschoots mag zeilen:
Hoe broos het lichaem zy; hoe licht men al kan feilen;
(100) Wat nut te vinden zy, wat onheil in het gelt:
Beziet de post ter deeg, waer in gy zyt gestelt:
Wat gy al schuldig zyt aen ’t vaderlant, uw magen,
Uw medeburgeren: beny niet die de dagen
Zyn ’s jeugts zoo naerstig en wel waergenomen heeft,
(105) Dat hy daer door met eer en met genoegen leeft.
Een grootze Bobbekop zal hier ligt tegen zeggen:
,, Ik weet genoeg, en laet my niet gelegen leggen,
,, Of ik zoo wys niet ben juist als Arcesilas,
,, Of Solon. ’t Is wat schoons! want de een en de ander was,
(110) ,, Naergeestig: en wie kan zig tog van lacchen houwen,
[p. 19]
,, Als men den een de vloer gestadig ziet beschouwen,
,, Den and’ren weer de lucht, als eertyts Hubert oom,
,, En of een hont een kat wouw kyken uit den boom:
,, Terwyl zy by hun zelf staag mompelen en morren
(115) ,, Gelyk bezetenen, en binnen ’s mondts zoo knorren
,, Als Besjes spinnewiel: dan trekken ze eens den bek
,, Weer tot hare ooren toe, zoo dat elk een de gek
,, Met zulke grillen steekt, en dat moet wysheit wezen?
,, Ey lieve, zeg my eens, wat hebje aen al dat lezen,
(120) ,, Aen ’t droomen van den een of van den andren zot,
,, Dat NIET UIT NIET NOIT WORT GEBOREN, EN OOK TOT
,, NIET NIMMER KEEREN KAN? wel, daar ’s wat aangelegen,
,, Of men dat weet of niet. beziet hem eens ter degen:
,, Daer ziet hy bleik van, om dat hy dat weten zouw,
(125) ,, Daer heeft hy om gevast. Wel warelyk ik wouw
,, Niet, dat ik zoo zot was: die wysheit kan men missen.
,, Om zulke praet zult gy zien lacchen datze pissen
,, De meeste jongens, en ’t Jan Hagel op de straet.
Maer, die met wysheit spot beklaegt het meest te laet:
(130) Het gaet met, die de les der wysheit niet betragten,
Als met de zieken, die des Dokters raet veragten.
Ey zie eens (zeit er een) ik weet niet wat my let:
Zoo klopt myn hert. myn mont en keel zyngantsch bezet
Met slym, myn adem stinkt: wil my de pols eens tasten.
(135) De Dokter raedt hem wel, en zeyt: gy moet wat vasten:
Houw u wat stil, en wacht u van alle overdaet.
Zoo nu zyn pols na twee drie dagen beter slaet,
Denkt hy niet meer om ’t geen de Dokter hem quam raden;
Maer gaet op nieuws zyn maeg met brassen overladen,
(140) En zuipt er weêr op aen, of’t noit gebeurt en was.
Maer hoe gaeuw leggen ook zyn spillen dan in de as!
Hoe kom je weêr zoo vaets te zien? dat zal niet lukken!
Tut, Tut! ’t is niet met al. Al weer aen de oude nukken?
Is ’t niet met al? ik zie wel, hoe ’t hier is gestelt,
(145) Acht het zoo klein gy wilt, uw gantsche lichaem zwelt:
Gy zyt heel bol en bleek, dat moog jy zelver wezen;
Ben jy myn voogt, om my gestaeg de les te lezen?
[p. 20]
’k Heb zulke praat wel meer van jonge luy verstaen,
Maer binnen korten tyt was ’t ook met hun gedaen,
(150) En ’t zal nu ook uw beurt haest werden. ’k Wil wel zwygen;
Vaer voort, de doot zal u haest by de lappen krygen!
Dit al onaengezien, vlooit hy er weêr op toe,
En vreet gelyk een wolf, en zuipt gelyk een koe,
Tot dat de koorts hem strax weêr* felder aen komt randen,
(155) Met zulk een rilling, dat men hem ziet klappertanden,
De brokken in den mont besterven: zelfs het glas
Met wyn valt uyt zyn hant, daer hy meê bezig was
Te drinken; maer dan is ’t te laet, om raat te vragen.
Zoo komt het, dat er veel zeer schierlyk hunne dagen
(160) Zien korten. Wel (zeit hier weêr ’t heerschap Bobbekop)
,, Wel Karel! ben ik ziek? houw jy my voor de fop?
,, Zie daer, voel vry myn pols, myn hert, myn voeten, handen:
,, Zyn deeze koudt? of voelt gy die van hitte branden?
’t Zy zoo gy wilt. Maer als er eens een zak met gout
(165) Wort aen uwe eerlykheit ligtveerdig toebetrouwt,
Of dat een dartle pry u geil komt toe te lonken,
Klopt u het hert dan niet, en voelt gy ’t niet ontvonken?
Wanneer gy leven moet by slegte spys en drank,
Is niet uw teere maeg te zwak? wort gy niet krank?
(170) Als u de vrees bevangt, ziet men u dan niet trillen?
Wanneer uw toorn op welt, en gy niet zyt te stillen,
En schuymbekt even eens gelyk een dulle hont,
Slaet dan u pols bedaert, en zyt gy dan gezont!
Niet minder: want gy gaet zoo ver de maet te buiten,
(175) Dat men wel diende u in een dolhuis op te sluiten.

* Het Latynsch vaers beduit eigentlyk: warom gy op de deuntjes van uwe minne (gelyk de kinderen) niet weygert te slapen?
Continue
[
p. 21]

HET DERDE

SCHIMPDICHT

Van

A. PERSIUS FLACCUS.

Door

CHR. PIERSON.

INHOUT.

    Een Leeraar, van de Stoikse wysheyd, geefd
Heyl-leering, aen een Los-kop; diep gesonken
In overdaad; en ryk, in weelde dronken;
    Hy leerd hem hoe en waarom dat men leefd.

(5) Terwyl ’t gespot een’s krygers hem komd stooren,
    Die al ’t begrip der wysen agt voor niet:
    Gelyk ook by ’t leerjonkertje geschied,
Dat na geen goe vermaningen wil hooren.
    Zoo ziet men dat een ingekankerd kwaad
    (10) De reed’lykheyd verwaarloosd en versmaad.

WEl hoe? altyd op ’t nest? de zon is lang aan ’t klimmen
Zyn ligt komd vensters, deur, en reeten binne-glimmen;
Het snorken houd niet op voor ’t kragtig druyve-vogt
Dat in Falerne wast uytwerkings eynd volbrogt:
(5) Zulks zal gewoonelyk, en moog’lyk langer duuren
[p. 22]
Tot zonnewysers streek beschaduwd ellef uuren.
Hoe is ’t geleegen? hey: het is alree zoo heet
Geworden op den dag, dat mayers ’t veld, bezweet
Verlaten, met haar werk; en al de koeyen komen
(10) Haar schuylen onder Scha’uw der digt gewasse boomen:
Maar end’lyk hoor ik hem, ’t schynd dat hy op sal staan.
Wat zegd gy? is dat waar, en is ’t zoo laat? wel aan
’t Sa Pieter, Jan, of Joost, wild straks myn kleeren brengen
Hoe? niemand voor den dag? de gal zweldmy, aan ’t sengen

(15) Van boosheyd, en ik berst van schreeuwend’ ongeduld.
Ja tog, terwyl gy als d’Arkader esels bruld.
    Ten leste krygd hy ’t boek, het schryftuyg, en de pennen
In handen; vorder geefd men klagenswys te kennen
Dat d’inkt te drabbig is, of ’t water al te veel
(20) Daar in gegooten was, waar door geen letters heel
Of naulyks zyn te zien, of dat de pen in ’t schryven
Verdubbeld, en het schrift moet klad-vermengeld blyven.
ô Gy elendig wigt en leerling, wiens elend
Van dag tot dag nog zal vermeeren sonder end:
(25) Waar komd het toe? waarom (indien u sulks verveelde)
Na onse leer gestaan, en niet zoo lief in weelde
Volhard, gelyk het mak teer doffer-vogels broed?
Of ’t wittebroodjes kind in dartelheyd gevoed?
Dat niet als van vermaak en speelen voerd een praatje.
(30) Had gy veel liever weer geloopen na Mamaatje
Of by uw’ Bestemoer om koutjes, of een kus,
Aanhoorend weer den deun van zuy zoetkindje sus.
Zou ik met zulk een pen ook moog’lyk kunnen schryven?
Maar wie bedriegd gy? my, of u, met sulk bedryven?
(35) Wat klapt gy noodeloos? uw’ Tyd-sandlooper gaat
Van dag tot dag, van maand tot maand, in d’eyge staat
Al voord; en weet gy niet, zoo gy zoo wild volherden,
Dat gy een ongeleerd en onnut man suld werden?
’t Gerammel van de kruyk tuygd aan ’t gehoor voor wis
(40) Datz’ over-al gescheurd en niet bysonders is.
Denkt dat gy nog maar week vers leem en zyt, op heeden
[p. 23]
Nu, nu is ’t regten tyd om u bekwaam te kneeden
En tot een goede vorm te brengen, zoo ’t behoord,
Maar (zegd gy wederom) ’k ben reedelyk geschoord
(45) Met zeegenryke schat, en cierlyk uyt-gestreeken
In kost’lyk huys-gewaad, daar niemand op kan spreeken;
Hier kan ik eerelyk en ruym-ryk van bestaan;
Waar voor dan met veel vrees’ of zorgen overlaan?
’k Leef in een vreedig land, voor ’s vyands overvallen
(50) Beschut, gerust na wens, en kommerloos in allen.
Dat ’s wel, maar is ’t genoeg? moet dan ’t verganklyk goed
Of hoog-oud-adelyk’ of Ridder-stams gestoet
De Trotsheyd blazen op! roemd van schynlukkig leeven
En wat u uytterlyk’ aanzienlykheyd kan geeven,
(55) By ’t ongeletterd grauw en allemans gerel;
Ik ken uw’ grond, en weet wat u schuyld onder ’t vel.
Wild gy dan doen! als een (hoe geef ik hem benaaming):
Jan Nathoos of Jan Los; en treft u geen beschaaming?
Dog dat maakt evenwel die man zoo schuldig niet,
(60) Vermits men ’t kwaad gebrek hem aangebooren ziet,
Hy weet niet beeter, ’t vuyl kwam met hem op te groeyen,
En, ingeworteld is ’t onmoog’lyk uyt te roeyen;
Want hy verstaat hem niet hoe groot verlies de schat
Van leer en wysheyd geefd, van deugd, van eer, en wat
(65) Meer dierbaar, ’t kleyn begrip zyn’s herssens niet kan vatten;
Deez’ lien zoo diep in ’t slyk van domheyd needer spatten
Dat van haar’ opkomst noyt kan komen hoop nog blyk.
Maar (hemel) laat de geen’, als Gy, en uw’s gelyk,
(Die beter weeten en daar teegen doen in ’t leeren,)
(70) Tot straf deselve plaag al plagend’ overheeren,
Als dwingelanden om haar moord en boos bedryf
In ’t ingewand met pyn gevoelen door het lyf,
Daar ’t knaagen van ’t gemoed haar nimmermeer laat rusten
Kan ’t gloeyend’ stier-gebrul des dwingers op de kusten
[p. 24]
(75) Van ’t Sicil’jaans gebied; of, die door angst vervaard
En zidd’rend (hoe verwaand) zag hangen ’t bloote zwaard
Regt boven zyne kruyn; als hy in Konings kleeren
Aan ’s Konings tafel zat, verschrikkelyker deeren,
Dan ’t bevend knagen, en het wroegen van ’t gemoed
(80) Van die moedwillige kwaaddoenders altyd doed?
Wanneer haar boos bedryf, en ’t loon, daar voor te wagten
Haar voorkomd, schreeuwenz’ uyt by dagen en by nagten:
Wy zyn verlooren: ag, wy zyn verloore lien;
Ja schrikken dikwils om veel gruw’len, noyt gezien,
(85) Of oyt in menselyk vermoen, gedagt’ of tong was.
Wanneer ik nog, een kleyn kaboutertje dat jong was,
Veel liever speelen liep als leeren, wist ik toen
Al aardig vaartje lief bedrieg’lyk mal te broên;
Want als de meester my yets in geschrift te stellen
(90) Beval; het geen’ ik dan voor hem, en schoolgesellen,
In Vaders by zyn met zyn vrienden, weederom,
Opzeggen most, streek ik myn oogen met wat Gom
Of oly; en als hy het druypen van myn oogen
Bemerkte, wierd ik van myn werk-aanvang ontslogen,
(95) Zoo dat ik my daar door weerom in vryheyd vond:
Want in deez’ kindse tyd, na myn begryp, bestond
Het hoogste goed, niet in der wysheyds minnaars praaten
Maar dat men aardiglyk met kooten op de straaten
Weet om te gaan; of met den dobbelsteen, waar van
(100) Die d’oogen ’t hoogste werpt het potje trekken kan;
Of met het noote-spel; of met den Tol te draayen;
En diergelyk vermaak om kinders mee te paayen;
Daar ik myn zinnen in dien tyd op stelde schrap.
Wat, leerling, u belangd: Gy treed nu hooger Trap
(105) Van ouder jaaren op, en zyt ook meer ervaren;
Gy weet wat regt en krom de waarheyd kan verklaren,
Gy zyt in handeling en wand’ling onderrigt
In wyd-beroemde mans haar schoolen; het gestigt
Der Stoikze toegenaamd, de wandel ry t’ Atheene,
(110) Beschilderd, en berugt, door leer’ van deez’ en geene;
Hoe dat men ’t hair moet glad afschrappen van de kop,
[p. 25]
En maaken’t nagt-gerust wat kort, en vroeg weer op;
In plaats van hoender vleys een schapenbout te smeeren
Wat peul-vragt, moes, of bry, wat best de maag kan teeren,
(115) Voor honger tot gebruyk en vergenoegings lust:
Ook zyt gy, door het geen ik voordroeg, wel bewust
Van die twee Paaden, ’t een ter slinkerhand, en ’t ander
Ter regterhand, verbeeld, verscheyden van malkander,
Door deese letter Y, van Samos Wyzeman.
(120) Hoe, slaapt gy dan nog meer en gaapj’ al weeder an?
’t Is lang genoeg gegeeuwd met opgespalkte wangen,
En ’t hoofd op schoer, als of ’t vol lood was, neergehangen,
En ’t lyf, door daagelyks zoo gulzig van ’t gebraan
Te schranssen, zonder maat of reegel t’overlaan.
(125) Hebj’ in u selven wel vast doele wit voor oogen
Waar op gy zeeker mikt en aanlegd met den booge’,
Of schiet gy maar in ’t wild na ravens in de logt,
En sonder onderscheid waar ’t mist of waar het rogt?
Als kommerloos voor ’t ligt van naast’ of overmorgen.
(130) Een Waterzugtig mens vergeefs roept, om ’t versorgen
Zyn’s kwaals, des Lyfs-arts hulp’, als ’t ingekankerd kwaad
Volkomen meester word; doed liever daar voor raad
Als ’t ziek zyn eerst begind, want grooten loon te geeven
Is noo-loos, als er geen genees-kunst baat aan ’t leeven.
(135) ,, Elendig jong’lingschap, gy slaperige, leerd
,, Verneemen waar van daan het alles komd en keerd:
,, Zoekt d’oorsaak vlytig op waar ’t al toestrekt syn gangen,*
,, Te weeten, wat wy zyn, waar ’t leeven toe ontfangen;
,, Hoedanig een bestier daar elk in houden moet;
(140) ,, en welken middel men bekwaamelykst’ en goed
,, Daar in gebruyken zal, om zeekerlyk te peylen
,, Op hoofd en haaven aan daar wy met wens na zeylen;
,, Van waar, en op wat tyd men d’aanvang neemen zal;
,, En wat voor nuttigheyd der penningen getal
[p. 26]
(145) ,, Aanbrengen kan, hoe veel ook tot besteeding diende
,, Voor ’t Vaaderland, en aan de naa bestaande vrienden;
,, Waar toe een yder is beroepen; en wat pligt
,, Hy waar te neemen heeft, en door hem diend verrigt
,, In ’s Werelds groot beslag. Wel aan, leerd tydig reeden;
(150) ,, En, zynde met het uw’ gerust en wel te vreeden,
,, Benyd aan niemand dat hy ryker is als gy,
,, Ja schoon hy woekervrek, of slim in pleytery
,, Meer geld versaameld had als hy met al zyn smeeren
,, En brassen, en gezuyp, en zwelgen op kon teeren,
(155) ,, Ja zoo veel overvloed van voorraad, spys, en wyn
,, Zoo als ’t op ’t kostelykst en rykelykst’ mogt zyn
,, In al zyn kelders en zyn kamers op dee’ stouwen;
,, En daar al rottend liet bederven en ver-ouwen.
Maar, uyt den hoop van al de krygs-hoplien, begind
(160) Een ruyge stinkbok, of zoldaats-hoofd, schertsgezind
My dus heel onbeschoft in myne reen te vallen:
Hoor, zeyd hy: heer, na ’k merk zoo zyt gy een uyt alle
De wysheyds-lievers van het wandel-raks-verschiet
Daar men al ’t veld-gestry, en ’t zee-gevegt in ziet,
(165) Vermaard door ’t roem-gerugt van zoo veel griekse helden,
De gantse wereld brald van haar bedryf te melden:
’t Staat cier’lyk in ’t gezigt, maar ’t zien is buyten schoots;
Kunst maalde door de verw vermaard penceel geboots:
Zoo hebd gy-lieden ’t ook heel breed in mond en kaaken
(170) Terwyl u handen-werk gaar weynig uyt kan maaken.
Voor my: veel liever ik een vroomen krygsman ben
Dan dat ik vies en heel neus-wyzig kaak’len ken:
Van Wysheid snapt gy veel, maar ik vernoegm’ in t’ myne,
Elk pronkt met wysheyds naam om hoog geleerd te schynen;
(175) Maar wat voor volkjen is ’t? men siet haar heene-treen
Met styve halsen, en ’t gezigt om laag, beneên
Ter aard’, en elk sou vast van meening en in raan zyn
Dat zulks om spelden op te zoeken most gedaan zyn.
[p. 27]
En watse binnens-monds voor prevelingen doen
(180) Is buyten elks begrip: men zou somwyl vermoen
En twyf’len of er niet aan ’t uur-werk, onder ’t schutsel
Der kruyn, wat leut’ren mogt: dog zulks, en al ’t gefutsel
Van mompeling, dat moet men voor diepsinnigheen
Uyt innig zelf-gesprek opneemen: en het geen
(185) Dat daar van wesen mag, kan worden ondervonden
Uyt al die wonder-waard ernst-proeven dieze gronden:
Daar over rekkenz’ ook haar lippen ellen uyt;
Men hangd tot weeging daar de schaal aan, om besluyt
Te neemen, of haar wigt zig eevenaard met reeden:
(190) Maar waar in schuyld de proef van haar diepzinnigheden,
Dus over en weerom herwoogen met veel schroom?
In muffe zuffery en wonder yel gedroom.
Ziet daar een staal van haar’ uytmaling; waarz’ in leeren
DAT NIET VAN NIET EN KOMD, EN NIET TOT NIET KAN KEEREN:
(195) De heekelteeven en wol-spinstertjes, is dit
Zoo wel bekend, als al wie wysheyds-liefd’ bezit:
Want zonder vlas of wol en draydmen gaar nog snoeren,
En na ’t verbrande vuur is d’as maar om te roeren.
Dit beuseldrooms gesuf haar al ’t verstand beroofd,
(200) En houd haar zinne-kas zoo beezig en verdoofd
Datz’ om haar kost en drank te nutten niet en denken;
En haare verw en kragt en goe gesondheyd krenken.
Wat wonder is het dan dat m’ om haar lachen moet,
En dat de blyde jeugd haar spreeu-bespott’lyk groet,
(205) En schimpt en schaaterd in Tooneel-spel op haar naamen,
Weg hersseloose, weg wysneusen, ’k send u saamen
’s Kruydmengers winkel in, koopt nies-kruyd. Ik hou ’t met
Geen Filozooph, maar zoop, die ’t herte sterkt’ by zet.
Geneesheer, ziet my aan, ik kan myn herte kloppen
(210) Niet melden: uyt myn keel komd zwarten reuk opkroppen
Die stinkt; bekijk me dog, ey lieve, wild my raan.
Deez krankke jongeling, die teegen my, als aan
[p. 28]
Zyn lijf-arts, smeekend bid, en uytslaat sulke woorden;
Na dat ik hem de rust gebooden heb (als ’t hoorden)*
(215) Van ’t overmaatig kwaat dat hy te volgen plag;
Wat doed hy; straks daar na, en, op den vierden dag
Als hy wat beet’ring zag, en zyne Pols na maate
Weer sloeg begeerd hy (om geen kwaa gewoont’ te laaten)
Na ’t bad te gaan, en laat een dikk’ en groote kruyk
(220) Van d’aldersterkste wyn vol haalen, om sijn buyk
Op nieuws weer t’overlaan; ik zey dan: fieren Jonker
Gy ziet my weer te bleek, dat ’s niet, sprak desen dronker.
Maar ’t is gelyk het is: ik waarschouw u dat al
Uw lijf en leên weer zyn besproed met geele gal.
(225) Gy zyt meer bleek als ik, ik heb geen voogd van nooden,
Myn eerste voogd leyd lang begraaven by de dooden,
My dunkt gy wild nu zyn den tweeden al-bedil;
Gaat g’onderwyl zoo voord en ik zal zwygen stil:
Dit Broertje nu vervuld van suypen en van brassen,
(230) Loopt weer na ’t bad, om daar syn lighaam in te wassen,
Terwijl zyn aassem van ’t verdurve binne-deel
Wel zeeven mylen ver ruykt stinkend, uyt zyn keel,
En onder ’t drinken komd een beeving hem aanranden
Zoo dat den Roomer hem moet vallen uyt de handen;
(235) Daarop volgd lip-getrek, de tanden knerssen t’saam,
En al wat hy in ’t lyf van ’t lekker aangenaam
Banket, had, braakt hy weer met opgesperden monde
Ter keelen uyt: kort om, ’t word waarelijk bevonden,
De man is dood. Men blaasd de rouw-trompet; en ’t ligt
(240) Ontsteekend, schikt men voord het weelig Jonker-wigt
Op ’t hooge dood-praal-bed, en wel met speceryen
Die dierbaar syn van smout, gebalsemd, gaat hy glyen
Met stijve voeten voord, tot hy ter Poort uytraakt:
De dragers, daags voorheen tot burgervolk gemaakt
(245) Die gaan met hoên op ’t hoofd het lijk na buyten draagen.
Rampsalig Meestertje, voeld nu myn polsse jaagen,
En legd uw’ regterhand op myne linker borst.
Hier is geen warmte meer, die is al uytgemorst,
Betast het uyterlijkst’ van beyde myne voeten,
[p. 29]
(250) En myne handen, daar sal u geen kouw ontmoeten.
Ja ja, gy zegd heel wel: wierd u wat geld geteld;
Of uyt de buurt u een blank meysje, zoet-gesteld
Toelagte, dan sou ’t hart wel weer van kloppen weeten
En gy waard warmer als by ’t heetste vuur geseeten;
(255) Maar zoo ’t geringe moes u in een koude schaal
Of schotel word gedist, met het gemeene schrael
En zeemelagtig brood, laat dan u keel betasten,
Een schuylend’ stink-geswel zal weer uw’ mond belasten:
Geen slegt onsmaak’lyk aas of spijs uw eet-lust paayd,
(260) Dog als een beuzeling u groote schrik aan waayd,
Zoo dat u ’t hair daarom te bergen schijnd te rysen;
Dan zyt gy koud, en kund geen mannemoed bewysen,
De blooheyd maakt vertsaagd; maar nu schijnd u het bloed
Te kooken, d’oogen syn aan ’t branden als een gloed;
(265) De korselhoofdigheyd en tooren doed u spreeken
En dingen doen, daar al die geen verstand ontbreeken
Wel souden durven (met eedzweering sterk bevest)
Van zeggen, dat gy waard zoo raasend’ als Orest.
Continue
[
p. 30]

HET VIERDE

SCHIMPDICHT

Van

A. PERSIUS FLACCUS.

Door den

HEERE E. E.

INHOUT.

Onder de Perzoon, van Socrates het doen van Alcibiades berispende, vaert de Dichter tegens Nero uit, die door roem van zyn adeldom, en toejuychinge van het gemeene volk opgeblazen, de regeering van ’t R. Ryck op zich genomen hadt tot bestiering van ’t welke (hoewel hy in ’t eerste zulx ontveinsde) hy zoo wel van voorzichtigheit, kennisse en wysheit, als van ondervindinge ontbloot, geen de minste bequaemheit hadt.

GY wilt den zwaren last van ’t staats-bestier aanvaarden?
(Denk, dat hier tot u spreekt de wyze en lang-gebaarden
Leermeester Sokrates) verwaande voesterkint,
Perikles bloetverwant! eer ge u dit onderwint,
(5) Zeg eens, waar gy op steunt? of zouw wel voor de jaren
En ’t groejen van den baart, by u zig openbaren
Een schrander oordeel met een vlug verstant, gegront*
Op ondervinding en voorzichtigheit? men vondt
Dit nimmermeer by u, maar ziet het u ontbreken.
(10) Weet gy nog wel waar dat gy zwygen moet of spreken?
Als nu het woeste graeuw eens aen het hollen raakt,
Wanneer ’t door ongedult van heete gramschap blaakt,
[p. 31]
Zyt gy dan wel bequaam, om ’t met een deftigh wezen
En uitgestrekte hant tot stilte te belezen?
(15) Wat zult gy zeggen tog! Romeinen! dat ’s niet recht:
’T waar beter zoo gedaan. dit is te byster slecht.
Wel ja! gy zyt de man om op een punt te wikken,
Wat dat rechtvaerdigheit vereischt, hoe in te schikken
De zwarigheden, die zich voordoen aen ’t gemoet,
(20) Als men by ’t strenge Recht ook hardigheit ontmoet,
Als ongewone en niet licht te voorziene zaken
Vereyschen, dat men moet uitzonderingen maken.
Kent gy van schoonschyn en van deugt wel ’t onderscheit!
Weet gy zoo net, wien straf, wien loon dient toegeleyt?
(25) Vergeefs tracht ge uiterlijk ’t gemeene volk te vleyen
Met quispelstaarten, en zoo by de neus te leyen:
’T waar beter, dat ge u van dien waan genezen liet:
Want Lant- nog staats-bestier is tog uw werrek niet:
Uw hoogste goet is nog een lekkre schotel eten,
(30) Bestreeken en besmeert, wat in de zon gezeten.
Maar wacht, ’k wed’ besje mee zoo zeyt, als men ’t haar vraagt,
Dat haar zoo wel als u een lekkre beet behaagt.
Ga heen daar mee. ’k ben van een ed’len stam gesproten,
(Snuif op al) blank van vel en helder op myn koten.
(35) Wel dat ’s wat schoons! dewyl gy niet veel meerder weet,
Als ’t groenwyf op de markt, daar Jan zyn gelt besteet.
Is ’t mooglijk, dat geen mensch wil in zig zelven treden?
Maar stellen steets ten toon een anders vuiligheden!
Vraag maar aan ymant: is u ook de plaats bekent,
(40) Die aan Vectidius behoort? wien meint ge! ontrent
Corezzo leit hy; daar bebouwt hy zonder liegen
Wel zoo veel mergen, als een 1 kraei zal overvliegen
In eenen dagh, en ’t is een schoon en vrugtbaer lant.
’t Lant laat hy daar, meint gy (zegt hy) dien naren quant,
(45) Dien gier’gen lompen vrek, die in der Goden toren
Ter quader ure, tot zyn onheil is geboren?
[p. 32]
Die als hy op zyn beurt eens feestdagh houden zal,
En een bepikte fles ontgint, voor ongeval
Bevreest, of hy de fles in ’t openen mogt breken,
(50) Niet nalaat binnen ’s monts al zugtende te spreken:
Daar slaa geluk toe! voorts schaft hy ajuyn met zout
En tarwenbry daar toe, waar mee hy dan vertrouwt
Zig wonder milt getoont te hebben aan zyn’ gasten.*
Zyn jongens ongewoon, als of zy zig verbrasten,
(55) Die klapten in de hant, en juychten overluit,
Wanneer ten overmaat hy dan nog tot besluit
Een wakkren kroes azyn haar allen toe gaat drinken,
Die ruyg van schimmel haar de keel weer uit komt stinken,
Zoogy nu meê maar volgt uw pronklust en uw drift,
(60) Zoo denk vry, dat elk ook uw doen en laten zift.
Men zal om u niet meer, als om een ander geven.
Maar schimpen opentlik op uw manier van leven,
En averechtze min, die laatst u tot uw straf
Een smettelyke neep en schendich teyken gaf,
(65) Waar van men u in lang zoo ligt niet zal genezen,
Of gy uw haar al kamt en zindelyk wilt weezen,
En meint, dat gy daar door uw vuiligheit bedekt:
De muuren brengen ’t uit; en yder met u gekt.
Zoo gaat het, wie hy zy, die andren wil trotzeren
(70) Moet lyden, dat men weer met hem de gek zal scheeren.
Men kent u al te wel, men weet wat vuile wond
Gy draagt in ’t ingewant; bedekt, indien gy kond,
Dat eens met uw gezag. Kost gy met styve kaken,
En zwetzen ’t ranke lyf zoo sterk als Milo maken,
(75) ’T waar braaf. Wel daar my ’t volk hout voor een wakker man,
Zeg, waarom ik my zelf daar niet voor houden kan?
Zoo lang ge uw gierigheit en geilheit niet wilt laten,
Zal al wie eerlyk is en wys u moeten haten:
Betrouw den vleyer niet, die nooit de waarheit spreekt.
(80) Ga in uw zelve: weet, dat alles u ontbreekt.

[p. 31] 1 Milvus, beteikent eigentlyk een kuikendief, dog ik heb ons Hollants spreekwoort gevolgt.
Continue
[
p. 33]

HET VIERDE

SCHIMPDICHT

Van

A. PERSIUS FLACCUS

DOOR

J. DE DEKKER.

INHOUT.

Waar in Socrates uytvarende tegens Alcibiades de vermetele onwetenheyd der jongelingen berispt, der selver, brassery, pronkery, ydele laetdunkenheyd en verwijfde ydelheyd een luttel doorstrijkende.

HOe dus? sijt ghy de man die ’t staet-roer hebt aenvaerd?
(Neem, Leser, dese vraeg als quaemse door den baerd
Des meesters, die weleer in ’r kervel-sap versmachte)
Maer, seg, Alcibiaed, seg, kael-kin, onbedachte,
(5) Wat konst maeckt u soo koen? of heeft d’ervarentheyd,
In u alleen den baerd en jaren niet verbeyd?
Kond ghy den mond als ’t past nu openen dan sluyten,
En ’t hollen van het graeu op uw’ bespraecktheyd stuyten,
En seggen wijsselijck; nu, mannen laet u raên,
(10) Dit ’s, mannen, tegens regt, dat kan’er met bestaen?
O ja, ghy sijt de man, ghy weet’et t’overvliegen,
Hoe verre d’uyterste sijn van de deugd gelegen,
En hoe de wet gerecht, wanneerse kreupel gaet,
[p. 34]
En hoe de straffe dient gewogen tegen ’t quaed.
(15) En schat ghy als een wijf den ruyter na de veeren?
De waerde van den man na ’t gelden van de kleeren;
Het hoofd na kap of hoed? de noot na dop of huyd?
Loop, loop naer Anticyr, en nies uw’ dampen uyt.
    Wat is uw hoogste goed? slampampen, zwelgen,brassen,
(20) Wat zyn uw studiën? op hair en kleeren passen,
Verscheyde maeckselen van hoên en broecken broên,
En wol en linnen kneên op allerley fatsoen.
Hoor nu op dit gevraeg een’ van de minste slooren
Een groenmeyt of haer maet, ghy sult niet anders hooren
(25) Als dat na weelde rieckt en malle kleeder-pracht:
En roemd gy noch soo breed op uw beroemt geslacht?
En sijt ghy noch de man om mannen te verkloecken,
Die als een dertel wijf uw’ lappen en uw’ doecken
Naer alle snuffen schickt, en van het hoogste goed
(30) Niet hooger denckt en spreeckt als Fem of Fotis doet?
    Hoe selden kan de mensch zyn eygen oog mishagen!
Wy zyn als bultenaars, wy sien niet wat wy dragen,
Maer wat een ander draegt. Staeg lastert ghy den vrek
Vectidius, en bijt en geesselt zyn gebreck:
(35) Die gier, die oyt meer lands bebout heeft en beseten,
Als gier of kieckendief ter vlucht kan overmeten,
Die sich noch anderen noyt deugd en heeft gedaen,
Ploegt (segt ghy) eeuwelijk, siet son noch vier-dag aen;
Schroomt eenen goeden teug van all sijn sweet te trecken,
(40) Doet voor zyn huisgesin den disch met meel-pap decken,
Als hy den milden speelt, nut als de minste boer
Syn’ uyen met de huyd, zyn wijnen met de moer.
    Dus weet ghy op dien bloed te schieten en te schempen:
Terwijl een ander weer niet minder op uw slempen
(45) En mallen toy en doet, en op dien ruygen neck
Vast uytspout binnens lips: foey u, vervroude geck!
Foey u! die met dien bosch, die onbesnoeyde locken
Niet hoogers voor en hebt als vrouwen te verlocken;
Die meer met poeyeren en krullen sijt verlet,
(50) Als met het ondersoeck van land-recht of van wet.
[p. 35]
Wat nut, wat kloeck beleyd, wat mannelijck betrachten,
Staet onsen staet van u of uws gelijck te wachten,
Die liever ’t werren saegt in ’s lands Gemeene best,
Als in uw vunstig hair dien vuylen neten-nest?
    (55) Sie, dus word uw geschut u weder toegeschoten,
Dus gaet uw’ schamperheyd uw’ eyge schande blooten,
Doch niet soo naeckt als ’t hoort: uw goud en rijck sattijn
Deckt lemten, soo ghy weet, die vry noch vuyler zyn.
Verbloem nu, soo ghy kond, uw kindsch en kranck vermogen,
(60) En verg uw schouderen meer als sy dragen mogen.
Als (vraegt ghy) my mijn’ buurt als iet wat edels looft,
Hoe? sou ’t iet ydels sijn dat niet en dient gelooft?
Niet anders, ydele, ghy sult niet anders vinden:
Soo lang ghy uw gesicht van geldsucht laet verblinden,
(65) Uw’ nieren gloeyen voelt van Venus vuylen gloed,
Uw’ woeckerenden klaeuw slaet in uws naesten goed,
En voet en voedsel geeft tot twist en pleyteryen,
Sal u de lof des volcx tot stanck en schande dyen.
Let wat ghy niet en hebt, niet watmen van u spreeckt:
(70) Woon in u self, en sie wat huysraed u ontbreekt.
Continue
[
p. 36]

HET VYFDE

SCHIMPDICHT

Van

A. PERSIUS FLACCUS.

DOOR

CHR: PIERSON.

INHOUT.

            De Digter lagt hoogroemend zwetsen uyt
        En wil ’t papier met grollen niet ontwyen:
        Hy raad de jeugd, om kwaade paân te myen,
            Tot goede leer te neemen kort besluyt.

        (5) De Vryheyd werd ten hoogsten aangepreesen,
            En waar in die bestaad: ook niets ter hand
            Te slaan, dan met goed oordeel en verstand.
        De Gierigheyd wil Jupiter niet vreesen.
            Elk is een slaaf van syn inwendig kwaad.

            (10) De dommigheyd veragt der wysen raad.
P.  GEwoonlyk wenssen veel poëten honderd keelen
En honderd tongen, om hoogdravend’ op te kweelen
Van eenig Treurspel, of roemrugtig helden-werk;
Of tot heugwaardig lof van oorlogs zeege-merk.
(5) Om haar geschrift daardoor met luyster t’overglooren.
[p. 37]
C.  Maar waarom blaasd gy ons dit snork-gepuf in d’ ooren?
En waar toe diend u dog een Centors stemgeluyd?
Die grootze zaaken op wil zwetsen, mag zig uyt
De mist van Helicon beneev’len in syn zangen,
(10) ’t Zy dat hy Prognes pot weer over ’t vier wil hangen
Of met Thyéstes ’t vlees van Basterd kind’ren braan:
Daar lompe Glycon ’t maal heefd dikmaal mee gedaan,
En Treurspel van vertoond. Gy perst geen hygend’ loeyen
Ter blaasbalk uyt, terwyl de koolen ’t yser gloeyen;
(15) Nog mompeld ’k weet niet wat voor beuseldigts gedray,
Gelykend’ na ’t geklap van een verschorde kray:
Nog rond-gekoond door wind verbeeld gy geen Trompetter,
Die door styf-blaas-geraas uytklaterd groot geschetter,
Maar gy gebruykt gemeen en zeed’ge Burgertaal:
(20) Met treff’lyk aardigheyd beschaafd gy u verhaal,
Om ’s leevens buyten-spoors gedrag, en elks gebreeken
Te toonen aan, met schimp en straf op ’t kwaad te spreeken.
Hier zyt gy op gescherpt; gy kunt met ernstig jok
Haar properlyk gefopt doen lopen voor de fok.
(25) Haald dan, gelyk gy doed, uyt dees’ bedorve zeeden
Des werelds; stof, waar mee g’ uw hand’ling wild bekleeden,
En laat het moord-banket van Prognes of Thyést’
Met opgedis van hoofd en voeten en de rest
Vertrekken weederom van waar ze kwamen dwaalen,
(30) En wild uw’ gasten met gezonde spys onthaalen,
Vervolgens na ’t gebruyk van schikk’lyk huys-bestier.
P.  Ik soek geen kladdig schrift te stellen op ’t papier
Met windig bek-geblaas,door hoog-roemrugtig pralen
Van leugendigtery, om beuselrook te maalen
(35) Met glinsterende verw’ of blink-vernissing van
Pronk-woorden, en gezwets dat niemand vatten kan.
[p. 38]
Wy willen onder twee paar oogenspraak beginnen,
En op het goed vermaan van onse Zangheldinnen
Zoo schudden wy ’t geheym van onsen boezem uyt,
(40) En ’t is myn grootst’ vermaak u, lieve vriend Cornuyt’,
Wat deel-bezit gy in myn ziel hebd t’openbaaren.
Gy die verstandig kund met onderscheyd verklaaren
Of op de proef een Pot gereeten is of heel,
En of de Tong klinkt uyt een onvervalste keel,
(45) Dan ofz’ in plaastering van vreemde schilderstreeken
Haar verw-verciering heeft. Hier derf ik biddend’ smeeken
Om honderd stemmen, die, opregt en zonder erg,
Getuygen dat ik u in mynen boesem berg,
En, zonder vleyery, vryborstig uyt derf zeggen
(50) Wat in deez’ binnekas al kan verborgen leggen.
Als ik de kinder-schoen uytschopt’ en gaf de zak,
En langer niet en had te vreesen voor de plak,
En nu een jongeling begon te zullen worden;
Wanneer ’t geselschap en de jeugd my lokkend’ pordden
(55) Tot weereldlyk vermaak; en ik, ontbonden van
Dien eersten dwang, ’t gezigt vry had, om alles an
Te schouwen wat my wel beviel; ja self in steeden
Daar weinig plaats en was voor tugt of zuyverheeden;
Dewyl men, door gebrek van kennis, onverzogt
(60) En onbekwaam is om te kiesen welken togt
En weg men inslaan moet: hierom heel twyffelmoedig
Begaf ik my alsdoen in uw bestiering spoedig:
En gy Cornutus, zelf van Socrates gekweekt,
Ontfongm’ in uwen schoot; doe hebd gy my bepreekt
(65) Met leering, hoemen al die kromme zeên en zaaken
Na ’t onbedrieg’lyk snoer moet regt en zeeker maaken;
En allen Herts-togt door de wel-gegrondde reen
Betoomen, en met winst daar heerssen overheen’,
Ja onder ’t schaven uw’s kunsthandelings beveelen
(70) Zoo kwaamd gy myn verstand nieu weesen mee te deelen:
[p. 39]
En ’t heugdme nog hoe wy ’t lang zoomerdaagse ligt
Doorbragten met malkaar; en u goed onderrigt
Ons in den laten nagt, als wy aan tafel bleeven,
Door ernstig nutte reên de vaak uyt d’oogen dreven;
(75) Wy schikten ons te zaam op eenen tijd tot rust
En arbeyd, zoomen kreeg tot slaap’ of waken lust:
Na ’t nodig bezig zyn, nu zat en moe, besteedden
Wy d’ander’ uuren tot verkwikking onser leeden
Ter maaltijd aan den dis na zuynigheyd en maat:
(80) En inderdaad gy moet niet twijff’len of den staat.....
Van deez’ gelijkheyd in bedrijven en in leeven
Word van gelijk bestier en schikking voord-gedreeven,
Door hemelteykenen en starren, op den dag
Van ons’ geboortenis, ’t zy ’t noodlot die vermag
(85) Te knoopen aan het merk der twee gelijke schalen,
Of d’eendragt-sterren, die ’t paar tweelingen bepraalen;
Of ’t zy de goe’ Jupijn ons onderling bewaard,
Met zyn behoeding, voor Saturnus kwaad van aart:
En zeekerlijk ik weet niet welker sterre-blijken,
(90) Ons als twee druppels nat malkander doen gelijken:
Want duysend slag van volk, verscheyde van verstand,
Neemd veelerley gestalt’ van werken by der hand:
Een yder volgd zyn hoofd tot ’s leevens best vermaaken,
d’Een rust en d’ander woeld en zoekt na veele zaaken;
(95) Dees ruyld inlands gewas in ’t oosten of in ’t zuyd
Voor peeper of comijn, of diergelijken kruyd;
En and’ren houden ’t meer van ’t lichaam vet te voeden
En langen tijd en leuy in ’t bed te leggen broeden:
Het schermschool, en ’t gekaats. ook veeler lust bekoord;
(100) Of kroeg’ en tiktak-berd, of dobb’len, en zoo voord
In Venus Vuyle jagt, maar als nu hare handen
En voeten, stijf van jigt, als dorre takken van de
Verstorve boomen zyn, beklaagenz’, al te laat,
Hoe zorgeloos en dwaas zy in ontugtig kwaad,
(105) Haar schoonder-dagen-tijd zoo schandelijk versleeten.
[p. 40]
    Maar uw bleek aangezigt laat klare blijken weeten
Met wat geneegenheyd en vlyt, geduurig aan,
Gy door u beezigheyd de boeken woud doorblaan,
Zoo wel, na ’t ondergaan der zon, in laate nagten,
(110) Als op den ligten dag: want u geleerd betragten
Der jongelingen oor eerst van ’t ondeugend’ kruyd
Tot vrugtbaar akkers wied, en daar ’t eel saad in sluyt
Van dien roemwaardigen Cleantes, onderweesen
Door Zenon, stigter van de Stoikse wysheyd, desen
(115) Is regt de man, waar uyt gy, jong en oud, het pit
Van kennis halen kund, van ’t klaar en nodig wit
’t Welk d’oogen uw’s verstands ten doel diend, en, beneven
Dien, dierbaar reysgeld voot u grijze hair kan geven.
L.  Dit salmen morgen doen. C.  Maar morgen sal ’t al weer
(120) Het selve morgen zyn; den morgen komd niet eer
Als morgen, en den tijd van morgen word noyt heeden.
L.  Wel, meester geefd verlof; het zyn maar kleynigheden
Dat gy my eenen dag tot speelen overlaat.
C.  Maar om dat morgen noit als tegenwoordig staat,
(125) En gisteren altijd voorby is, blijfd den morgen
(Wanneer men handen aan de ploeg moet slaan) verborgen:
Zoo slijt men jaar op jaar, en meer ontbreekt ’er niet
Aan ’t werk, als kleynheyd, die in korten tijd geschied;
’t Is nimmer an of af. Want neem eens (ô gy trage)
(130) Dat gy het agterst rad most wesen van een wagen,
Loopt snel, en zoo gy wild, noid agterhaald gy ’t geen
Voor uyt is, schoon u bey den dissel is gemeen,
Elk loopt zyn as rondom, en of ze van malkander
Maar weynig scheelen, raakt het eene wiel noit ’t ander,
(135) ’t Geen ons voornamelijk van nooden is, bestaat
In vrydom: niet gelijk men sulks de slaven laat
Genieten, als die nu van slaverny ontslagen
Den naam van Publius Velijn tot pronk derfd draagen:
[p. 41]
Die, sonder by-naam, eerst maar Dama was en heet,
(140) En nu met ’t lootje by de vrye borgers treed
Om ’t half-bedurve graan, dat groote heeren deelen,
Voor niet te haalen. Og, ô menssen, wat verscheelen
Uw weetenschappen van de waarheyd? dat gy met
Een dray, (gelijk een heer zyn slaaf in vryheyd zet)
(145) Meend vry te zyn, door eens by d’armen om te wenden?
Deez’ vryen baas was eerst maar Dama, dien bekenden
Grof lompen leep-oog, en een ezel-drijver, geen
Drie grootjes waard; die om een blauwe boon alleen
Dat wit ook zwert was swoer; zoo haast hem synen heere
(150) Met drayen (na ’t gebruyk) de vryheyd kwam vereeren,
Zoo daagd hy daad’lijk op met kost’lijk naam-geklank
Van Markus Dama; wel? bedoed u niet met stank?
Waagd gy uw’ geld niet graag als Markus borg wil weesen?
Daar Markus ’t regt wijsd durfd gy daar kwaad vonnis vreesen?
(155) Wat Markus tuygd is waar: hangd Markus ’t zeegel aan
Een laatste wil, die kan door Markus merk bestaan:
Wat dunkt u mannen? dat kan lout’re vryheyd strekken
Waar meede men het hoofd mag met den hoed bedekken,
L.  Is ymand anders vry als die zoo leeven mag
(160) Gelijk hy wil? ik leef, met oorlof en gezag,
Zoo ’k wil; ’k ben immers dan zoo vry in mijne zaaken
Als Brutus, daar men hier zoo veel van weet te kaaken.
C.  Maar een Stoiks wijzeman die pit heefd agter ’t oor
Zal hier op zeggen: uw slot-reeden gaad niet door;
(165) Ik stem de rest; maar dat: ik heb, door mijne staten,
Verlof; en dit: zoo ’k wil; dat moet gy agterlaaten.
L.  Wel, na de Stads-voogd my heeft vry verklaard, wat sou
My hind’ren met verlof te doen al wat ik wouw;
[p. 42]
Verstaad, uytsonderlijk, niet teegen wet of orden.
C.  (170) Gy moet nog leeren, om wat wijser man te worden;
Maar schort uw’ neus niet op, nog word niet gram gestoord,
Op dat uw’ leezer word gezuyverd, na ’t behoord,
Van Bestemoers gekwijl en ydel-droomend rasen.
’t Was geen Stads-voogden werk te schrijven voor de dwasen
(175) Van elks byzond’re pligt in ’s leevens ommegang:
Veel eer bevalm’ een zwijn een konstig maat-gezang:
De reên weerspreekt dit werk, en geefd ons oorebeeten
Om nietwes t’onderstaan dan met verstand en weeten,
En geene dingen aan te grijpen met de hand
(180) Die ’t handelen bedorf, of niet bewrogt als schand:
d’Oud-aangebooren en al-om-gemeene wetten
Die schrijven voor om sulk bedrijf in ’t werk te setten
Daar m’ op gesleepen is; en daarenteegen, al
Wat ons onmoog’lijkheyd en onbesogtheyd zal
(185) Verbien t’aanvaarden, weer gerustlijk van te scheyen;
By voorbeeld, zoo gy woud een drankje toe-bereyen,
Voor een hardlijvig mens, en gy en waard niet vroed
Hoe veel van dit of dat men daar in mengen moet,
Was ’t niet geraadener de hand daar af te houwen
(190) En die kruydmenger is dat werkje te vertrouwen?
Zoo daar een ploeger, die noyt zee zag, en veel min
Van boog of pas-kaart wist, zig als een stierman in
Wouw stellen, om te scheep veer-landig heen te varen,
Na, waar men weer van brengd veel goud en zilver baren:
(195) ’t Ervaare zee-volk zouw dat niet met veei gespot
Uytschreeuwen, dat hy was vermeetel, dol, en zot?
Zoo gy dan ’t kunsje weet van ’t regt treen op de kooten,
En wel voor uyt te zien met d’oogen ongeslooten,
En kend gy loos vervalst bedrog, in schijn van ’t waar’,
(200) En kund gy hooren aan des pennings klank, of daar
[p. 43]
Geen kooper onder ’t goud en schuyld; hebd gy wel teyken
Op ’t spoor genomen, dat men volgend’ moet bereyken?
En slaat gy agt op al ’t gevaarelijk getal
Dood-paaden, die men moet en ook vermijden zal!
(205) Is uw begeerte wel te houden in haar paalen
En uw gebouw niet heel ten hoogsten op te haalen?
Hebd gy lieftalligheyd in vrienden ommegang?
Sluyt gy uw koore-schuur wel somtijds, maar niet lang
Weer op? en stapj’ een duyt, die gy ziet voor uw’ voeten
(210) In ’t slijk, ligt over? zijt ge geen inslokker? moeten
Uw’ tanden op ’t geklank van ’t geld niet waatrend zyn?
Als gy dan zeggen kund met waarheyd, niet in schijn?
Dit ’s mijn: dat hou ik vast. Zijt dan van mijnent weegen
Voor vry en wijs verklaard: dat gunn’ u ’s hemels zeegen
(215) En Stads-voogd mee. Maar zoo gy nog als eertijds waard,
Van d’eyge bakt als wy, nog oud geveld van aart,
En dats’ u als een lam in ’t voorhoofd komd vertoonen,
En uwe loose borst een sluyp-vos laat bewoonen;
Zoo neem ik wederom dat ik u daadlijk gaf
(220) En haal uw’ halsband ook wat digter toe tot straf;
De reeden laat u niet de minste vryheyd blijven:
Steekt maar een vinger uyt ’t is kwaad al u bedrijven:
Gy suld met woorden noit goed maaken dat’er van
Een zot een half aas deugd of wijsheyd komen kan:
(225) Hier is geen mengelmoes verschoonlijk uyt te vitten.
Nadien gy anders niet geleerd en hebd als spitten
Is ’t u onmoogelijk een radde dansers dray
Drie sprongen, na de kunst te volgen net en fray.
Ik ben een vry-man. Maar, waar kan u dat van komen,
(230) Daarj’ onder zoo veel dienst van Heeren staat in Roomen?
Of is uw’ meening dat hier niemand slaaf en zy
Als die van Overheyd of Heer uyt slaverny
[p. 44]
Verlost; met vryen gang de huysdienst zyn ontsprongen.
Zoo eenig Heer u nu toegrauwen kwam: loop jongen
(235) Brengd Crispens roskam na de badstoof: sukkelaar
Wat mard gy? zulk bevel beken ik, het is waar
Past gy nu niet meer op, zulk heere-bulderplaagen
Kan u geen schrik of schroom of vrees in d’ooren jaagen
’t Geen hand of voet-gerep u noodsaakt als wel eer
(240) Maar als nu uyt het rot uws leevers and’re weer
Voord-heerssen, en, met dwang, haar last u doen uytwerken,
Hoe kan men u dan min als arme slaaf aanmerken?
Als een onnooslen bloed die om de roskam loopt
Van schrik, op dat hy ’t niet met rotting-slaan bekoopt.*
(245) Pord u de gierigheyd in ’t vroegste van de morgen:
Hoe leuyaard? legd ge nog te ronken zonder zorgen?
Staad op: her uyt: sa: sa. Gy hoord voor d’eerstemaal
Kwansuys dat deuntje niet: maar voerdze weer die taal
Dan is ’t: wat moet ik doen - vraegd gy na sulk belangen?
(250) Vaard heen ne Pontus toe om daar de vis te vangen:
Na hier: na daar: na gints: en derwaard: daar ’t kan syn;
Om werk, en wierook, hout, Castoor, en Coose wijn
Die wel doed afgaan; pakt uw nieuwe peeper-baalen
Op Kemels vaardig eerst om d’eerste merkt te haalen,
(255) En zweerd by kris en kras uw’ waar de waardigst’ uyt.
Maar, (zegd ge) Jupiter zouw hooren ’t vloek geluyd:
ô Lacy! plomperd, kund gy nog niet beeter weeten?
Gaat by de huysen dan een korsje droog brood eeten.
Hoe? denkj’ om Jupiter? men komd nu anders door
(260) De wereld: gy dan al ree maakend, wat ’er voor
De reys diend, doed het door uw’ jongens heenesleepen
Na boord, en met de wyn altsaamen binne-scheepen:
Nu wederhoud u niet, om vaardig ’t scheep te gaan,
Als ’t denken, hoe gy ’t vet uws keukens, en ’t gebraan
[p. 45]
(265) Met alle lekkerny ontbeeren sult in ’t reyzen,
Dus gaat gy dit met uw gedagten overpeyzen;
Gy dollen zot, waar heen? waar toe zoo driftig voord?
Dan zweld uw’ toorn in brand waer in gy schier versmoord:
Hoe! vaard gy over zees zeg j’in u self al weeder,
(270) Om hier of daar ten dis slegts op een roeybank neder
Te zitten op een hard-bepekte kabel-stoel,
En uyt een scheeps-kan wijn die vaats is en niet koel
Met drinken smaakeloos en morsig in te slikken?
Wat voordeel zoekt gy daar u self uyt toe te schikken?
(275) Is ’t om van ’t honderd, waar gy veertig hier van knapt,
Tot woeker, eens soo veel te werden saam-geschrapt?
Teerd, smeerd dan liever hier, blijfd in dit weelig leeven
Gy hebt het neemt’er af al wat u sulks kan geeven;
Want heeden leeven wy en morgen zyn wy dood:
(280) Gedagtig dan hoe’t end’ haast alles nederstoot
Leefd vrolijk zoo gy kund; elk uur vliegd schigtig heenen,
Al spreekend mind’ren wy. Zie daar dan, en met eenen
Hoe ’t met u staat gesteld, gy word bestreeden van
Een dubb’le kommernis, d’een rukt u herwaard an
(285) En d’ander ginder: aan wat kant zult gy u keeren?
Terwijl gy als een slaaf van twee verscheyde heeren
Word weedersijds gejaagd, en heen en weer geplaagd.
Want schoon gy somtijds u wat weedersporlig draagd
En haar de nek toond, en de banden los wild rijten
(290) Het is vergeefs. De hond krijgd met gespring of bijten
Wel ligt een schakel los aen stuk, maar ’t langste deel
Des keetens houd hem vast geslooten by de keel.
L.  Geloofd my, Dave ’k ben gesind en meen van herten
Straks end’ te maken van mijn lang geleede smerten,
(295) Zey Cherestraat (en beet zijn nagels) zou ik voor
Het reedelijk verhaal van vrienden geen gehoor
Verleenen, en haar tot een schandvlek zijn, met haaten?
Zou ik het goed, my van mijn vader nagelaaten,
(Niet kreunend wat gebuur en borger praaten mogt)
[p. 46]
(300) By ligt geselschap dan zoo reuk’loos onbedogt
Versmullen; zonder toorts met ’t natte zeyl gaan zwieren
Des nagts voor Chrysis deur met zingen en met tieren?
P.  Zoo jongeling, dat ’s braaf, gy klinkt nu wijser toon
Gy moogd wel een vet lam gaan off’ren aan de Goon
(305) Die u zoo wonderlijk verlosten en bevrydden
Van ’t groot gebrek dat u zoo kwynend bragt in lijden,
L.  Maar Dave zouz’ als ik haar gantzelijk verlaat
Niet krijten? P.  Kinderwerk en yd’le malle praat,
Zy zal u liever haar’ roo toffel-straf toestieren:
(310) Verhaast u niet, en doed niet als de wilde dieren
Die met een groot geweld en sparteling bestaan
Het net te scheuren op waar in ze zyn gevaan:
Maar roept z’ u eens weerom, straks sal men van u hooren
Wat sal ik doen? indien sy my, als van te vooren,
(315) Met smeeken aanroept? zal ik dan niet vaardig by,
Haar gaan? zoo gy gezond’ en gants van alles vry
Van haar gescheyden waard, noyd zoudge weederkeren.
Zoo moet de man zijn, die wy zoeken en begeeren.
Ja, zulk een most het zyn. Die vrystok van Stads-voogd
(320) En al ’t geluk gewens van zyne dienaars, doogd
Nog geld hier niet. Zou hy, die nog met eersugts keeten
Gesleept word, eygen voogd en vryman moogen heeten?
Die met veel kuypery en vleyery zig schrap
Tot Staats-bediening steld, en zoo van trap tot* trap
(325) Veel hooge aanzien’lijkheen van ampten zoekt te krijgen;
Om boven anderen verwaand’lijk op te stijgen?
Wanneer hy zeyd, weesd gauw; smyt rijkelijk u geld
Te grabbel onder ’t grauw, (dat daarom met geweld
Pluyshairen zal) op datz u haar voor u verklaren;
(330) En d’oude kluyvers, en bejaarde bestevaaren,
Op haar klap-banken, in de zonneschijn, nog lang
Daar na verhaalen van jan haagels groot gedrang,
En van de vroolijkheyd in onse heyl’ge dagen:
[p. 47]
Wat is ’er moyer en wat kan ’er meer behaagen!
(335) Wanneer de viertijd dan nog van Herodes koomd,
Als men de vensters gants met brandend wasligt zoomd,
En Kerk en Outers met veel beelden gaat vercieren
Met kransend’ bloemgewas van alle verw’ en zwieren;
En groote schotels dist met overvloed van vis,
(340) En alderhande wijn in volle kannen is;
Dan roerj’ al prevelend stil-zwijgens uwe lippen
En laat gebeedjes uyt een nieuwe godsdienst glippen,
En steld u gantselijk na ’r vreemde gril-geboots
Der Sabbat-vierders aan te volgen op zyn Joods
(345) Met zulk een slaaven-angst, gelijk men af kan leezen
Uyt aansigts bleekigheyd van uw bestorve weesen;
Alsoo vervalj’ uyt d’een’ in d’ander slaaverny,
Van vrek- tot gulzigheyd, en voord in kettery:
Dan zalmen nagt-gespook en bulle-bakken schroomen,
(350) En breekt, wyl waarsegkunst word plegtig waargenomen,
Een ey, men dugt het huys zal vallen en vergaan,
Of dat de donder ter wijn-kelder in mogt slaan,
Zoo, dat de vaten leeg of van malkander vallen.
Men loopt van ’t Joodendom weer na gelubde Gallen,
(355) Of monster-maagden met haar rammeltuyg; waar van
Men vreesd voor zwellen en voor bersten, zoomen kan
Met tijdelijken raad zulks niet te hulpe koomen,
En met drie bollen look nog nugtren ingenoomen
Het alle morgen niet tot beet’ring onderhoud:
(360) Indien gy dit verhaal de domme hoplien woud
Inplanten; zou u straks de grofste van de zotten
Vulfenius daarom belacchen en bespotten;
En voor veel honderd wyze Grieken, naulijks geen
Kleynveertig grootjes tal tot koopen uyt besteen.
Continue
[
p. 48]

HET ZESDE

SCHIMPDICHT

Van

A. PERSIUS FLACCUS.

Door

CHR: PIERSON.

INHOUT.

’t Is eevenveel waar elk sijn leven slijt,
Indien hy maar te vreên is met het zyne;
Men moet niet om een anders rijkdom kwynen,
Als veele doen door wangunst en door nijd.

(5) De mensen zyn, verscheyden van gebreeken,
Te gierig, of te kwistig in haar goed.
Een vrek, die veel van and’ren erven moet
Raakt door zyn kwaa berisping ligt versteeken.
Een woekenaar, niet scheelend’ hoe hy ’t wind,

(10) Ligt eer zyn eynd’ als zyn begeeren vind.

P.  VOeld gy, ô Bassus, ook al winterkouws-vertooning,
En dat het beeter is in uw’ Sabijnsse wooning
Te zitten, by warm vier in ’t hoekje van den haard,
Als ergens in de kouw’ te veld’ of op der aard?
(5) ô Wonderlijken baas, wiens kunstig’ snaare-speelen
[p. 49]
Veel schoone deunen kan van ’s werelds oudheyd kweelen,
En met latijns geklank al brommend’ galmen uyt;
En klugt en vryery met vorder speel-geluyd
Der jongelingen meld: en ook, met hooger toonen,
(10) Der ouder helden lof en dapp’re mans komd kroonen;
Terwyl ik mijn vermaak aan warmer zeekust vind
In Lyguryen, wat onstuymig door de wind
En klipperige bogt der rondom laage landen.
ô Burgers, ’t is wel waard de schoone haaven van de
(15) Stad Lune te besien: ’k gebruyk hier ’t selve woord
Als Quintus Ennius, dat wys-hoofd, eerst bragt voord,
Na dat hy was ontwaakt van snorken en van droomen
Dat hy Homerus had geweesd, en voord-gekomen
Was uyt Pythagor’s Pauw, hier leef ik wel-gezind
(20) En schroom geen volks-gesnap nog praat; nog zuyden wind,
Schoonz’ ongesond voor ’t vee mag syn, in somm’ge dagen;
Ook zal ik hier mijn zelf hier met geen kwelling plagen
Om dat mijn buurmans land meer vrugt als ’t mijne heefd,
En grooter voordeel brengd als mijnen akker geefd.
(25) En schoon all’ anderen, van arger Stam gesprooten
Als wy, haar Rijkdom met haar Schatten meer vergrooten,
Verteer ik daarom niet mijn vleys en bloed van ’t lyf,
Nog dat en maakt my niet veel gryser, krom, of styf;
Nog daarom zal mijn dis geen minder schaffing krygen,
(30) Nog mijne zalving min van kosten syn: ik zwyge
Dat ik niet met de neus zouw leggen op de kraan
Vat ’t wijnvat, om heel nauw t’aanmerken of ’er aan
’t Gesmokkel niet en ging een glas of teug verlooren:
’k Laat and’ren anders doen. Tweelingen, saamgebooren
(35) Op eenen dag, en in een selfd’ planeets-bestier,
Verscheelen dikwils veel van imborst en manier;
d’ Een lyd zig met droog moes, en op ’s lands heyl’ge dagen
Zal hem een maag’ren doop van weynig saus behagen
Dat m’ in een kopje by de kraamers haalen kan,
[p. 50]
(40) Hy zal de schootel, met een weynig Peeper; dan
Heel dun en magertjes bestrooyen en bekruyen:
Den and’ren, denkkend’ om geen spaaren maar verbruyen,
In pragt en kost’lijkheyd, groot goed in kleynen tijd
Door ’t keel-gat jaagd, en met schenzieke tanden slijt.
(45) Voor my, ik wil er ’t nut van neemen in mijn leeven,
Maar wil geen geld te veel voor duure Tarbot geeven
Tot slaave-kost; ook ben ik niet zoo scherp nog eel
Van tong, dat ik terstond, door smaak in mijne keel,
Zou onderkennen, en met zeggen gaan verklaaren,
(50) Waar dat de Lysters die ik at gevangen waaren.
Leefd dan zoo vet als ’t reykt van zelfs gemaayd gewas,
En maald uw’ koore-schuur vry zuyver leeg, ô Bas
Het komd u toe, gaad voord met ploegen en met eggen,
Daar wast meer kooren op om weeder op te leggen.
E.  (55) Maar hoor, ik weet waar toe dat ik schuldpligtig ben;
Mijn arme vriend syn schip is heel geborsten, en
Hy zelf, ter nauwer nood zig houdend’ aan de klippen,
Zag al zyn koopmans waar en goed ten gronde glippen;
Hy bid, en elk is doof: zyn groote Gooden, van ’t
(60) Hoog’ agterschip gebonsd, die leggen op de strand
Rondom hem, en nu vliegd het zee-gevoogeld’ weeder
En heen’, of zet zig op gebrooke stukken needer,
Die dryven door de zee: breekt nu dan ook wat af
Van ’t geen u gaave land en groene zooden gaf,
(65) Reykt mildelijk de hand aan deez’ nooddruftig’ armen,
Op dat hy niet behoefd verlaaten om te zwarmen
Met een beschilderd berd van droeve Schipbreuk rouw:
Want uwen erfgenaam, op uw’ begraaving, zouw
Geen lyk-maal geeven, maar, verstoord op uw verkwisten,
(70) Zou hy uw’ beenen zonder zalf of balssem kisten
Met vals en reuk’loos kruyd, kwansuis hem onbekend,
Verminderd dan uw’goed niet voor u leevens end:
[p. 51]
Hoor eens na onsen Best; hoe hy geleerde Greeken
In ’t vaarzog zit: zoo gaat het heeden (is zyn spreeken)
(75) Na dat de wysheyd hier uyt Grieken smaak’lijk wierd,
(Voorheene zuyver Rooms, noyd over zee gestierd
Nog Griekenland en zag) en met haar’ peeper-lugten
Aanlanden, onder scha’uw haars daadel-boome-vrugten:
’t Hoymaayer-volk heeft haar goe bry-kost leelijk met
(80) Dees’ smeerkruyds snoepery verdorven en besmet.
P.  Hoe? schroomd gy voor ’t gesnap van gierig’ erfgenamen?
Of hoe m’ u ligchaam sal begraaven na ’t betaamen
Als ’t stof geworden is? maar Gy, myn onbekend’
En lieven erfgenaam, stapt wat ter zy, en wend
(85) Uw oor, en hoor: daar is een Lauwer-brief gesonden
Van Cesar, die ons komd het groot verlies verkonden
Der jonge Manschap van de duytsers; elk autaar,
Gesuyverd van koud’ as, maakt men ten offer klaar
Tot overgrooten dank van ’t loff’lijk overwinnen;
(90) Alreede steld Cesonia de Keyzerinne
Op alles goeden last; hoe men de waapens an,
De posten hangen zal, en welke schikking van
Krijgs-rokken, met de ruyg gevoerde winter-kleeren;
Met waagens overdekt: en karren, voor de Heeren
(95) En Opperhoofden, hier gevangen heen-gebragt:
Om dit groot’ Krijgs-bedryf en heerlijk oorlogs-pragt
Ik voor my honderd paar kampvegters wil betaalen
Tot dit aanstaande groots en heerlijk zeegepraalen,
Ter eere van de Goôn, dog ’s Keysers schermgod meest:
(100) Wie sal my zulks verbien? hebd gy de stoutheyd? vreesd
Zoo gy ’er teegen kikt. ’k Wil vleys pasteyen schenken,
Met oly, voor het grauw: belet gy ’t? durfd gy ’t denken?
Spreekt helder uyt de mond, wat zegd gy? E.  Neen voorwaer.
P.  ’k Heb hier omtrent wat land, heel vrugtbaar, schoon en klaar.
(105) Wel aan nu? ’k heb, ’t is waar, geen Meuy van Vaaders weegen,
[p. 52]
En nigt nog Neef, nog geen Kindskinderen gekreegen,
Nog geen nakoomeling; de meuy myn’s ooms en heefd
Ook nooyd in kraam geweesd maar sonder kind volleefd;
Ook is er niemand van myn Grootmoer na-gebleeven:
(110) Wat sou ’t dan zyn? nogtans en ben ik van myn leeven
Om eenen Erfgenaam te krygen niet belaan:
Ik zal maar na de Stad Boville heenen gaan
By Virbius gebergt’; daar heb ik wel te weeten
Een eenig’ Erfgenaam, en Manius geheeten.
E.  (115) Hoe, dat is maar een man van geenen naam of stam.
P.  Vraagd my van wie en waar myn overgrootvaar kwam,
(’t Kan my zoo haast niet met versinning binnen koomen)
En egter weet ik hem nog evenwel te noemen;
Vraagd gy ’er na nog een die verder is, en dan,
(120) Nog een wat verder, die men ook niet noemen kan;
En deese Manius is met bewys en teek’nen
By na myn Oud-oom, na de Stam-boom uyt te reek’nen:
Gy, ouder zynd’ als ik, begeerdge nog van my
Uw’ Erfgoed, daar ik nog veel jonger ben als Gy?
(125) ’k Ben uw’ Mercurius, en kom u zo aanranden
Als hy geschilderd word met ’t beursjen in syn handen.
Ik vraag u, weygerd gy de gaave die m’u bied?
Wilj’ u verheugen met myn middelen, of niet?
E.  Maar daar ontbreekt nog yets, de som is niet ten vollen.
P.  (130) Het is zoo veel als ’t is, wild om de rest niet grollen
Waar die gebleeven is: of welken laatsten wil
My Tadius besprak. Gebruykt geen straf geschil
Van woorden teegen my; past u niet streng te toonen
Als zomm’ge Vaders doen in ’t straffen van haar’ zoonen:
(135) Laat hier beneeven nog al tsaamen zyn gespaard
’t Geen gy met woeker-winst nog daagelijks vergaard;
Daar kund gy rykelijk uw nooddruft uyt genieten.
E.  Wat sal ’er dan van u tot erfdeel overschieten?
[p. 53]
P.  Hoe, overschieten? praat gy nog van overschot?
(140) Za za, smeer vetter, spaardme, jongen, in de pot
Met kool geen vet: hoe? soumen my op heyl’ge daagen
Wat neetel-moes ten dis met schuym van stink-vis draagen?
Op dat ’er moogelijk uw kinds-kind baat af had,
Een lekkerbek, die ’t al opsnoept, en daag’lijks zad
(145) Van Ganzeleever walgd! en dan nog niet te vreên is
Met sulk een hoere-soort als onder het gemeen is;
Maar zyn (ik durf het niet uytspreeken) vuyl begeer
By Burger-juffren zoekt, vol Edeldom en eer.
En ik souw midd’lerwyl in een geraamt’ verkeeren,
(150) Als hy na ’s herten-wens en mondjes smaak sou smeeren,
En vullen staag zyn Pens als een mestverken op.
Verkoop uw’ ziel om winst, dryfd koopmanschap, en prop’
Uw’ gier’ge schraaplust vol; doorsnuffel alle hoeken
Des weerelds, om meer schat met schach’ren op te zoeken;
(155) Maak dat geen pochher meer opsnoeven kan als gy
Van op ’t verkoop-toneel veel vetter slaaverny
Uyt Cappadociën te brengen om te koopen:
Verdubbeld uwen schat met rijkdom op te hoopen.
E.  Myn rykdom heb ik al driedubbel meer gemaakt,
(160) Ja ze is nu al ter som van vierwerf meer geraakt,
En wel tien-maal zoo veel gestaapeld opgereesen.
P.  Leerd waar ik stil moet staan, en waar het merk sal wesen.
Chryzipp’ het eynd, daar gy zoo lang vergeefs na sogt,
Is uytgevonden, en myn knibbel-stryd volbrogt.
Continue
[
p. 54]

HET DERTIENDE

SCHIMPDICHT

Van

D.J. JUVENALIS,

Door JONKHEER

M. vander MERVEDE,

HEERE van CLOOTWYK.


EEN over-geven Schelm, schoon hem steeds dient ’t geluk,
Mishaegt al sijn bedrijf, en vroegt sijn schellem-stuk.
En daer sien wy voor eerst het schellem stuk mee wreken,
Dat in sijn ziel geen Schelm sijn selven vry kan spreken.
(5) Schoon met verdraeyden sin ’t Recht wert in d’asch gebrout
Door snoode gunst van een bedriegelyke Schout.
Wat meent gy, seg Calvijn, dat yeder gaet gevoelen
Van ’t nieuwe schelm-stuk, waer in hy sijn moed gong koelen,
Die, met sijn sware schuld van eeds gescheurde trou,
(10) U suchten stoken, en u tranen voeden wou.
G’en zijt ook, als ik recht van uwe saek sal spreken,
Soo schraeltjes niet gegoed, dat u soo dwers kan steken
Een 1 kleyne schae in u soo moedig hert en krop,
En staekt wel eer het hooft uyt sulke golven op.
(15) ’T geen gy ook lijdt en zijn geen ongemeene dingen,
De heele weerld weet daer een Liedjen van te singen.
[p. 55]
’T Is een gesleete weg, van mennig door gedwaelt,
Uyt den gehoopten ramp van de Fortuyn gehaelt.
Laet ons ons hert van al te swaer gesucht gaen veylen:
(20) Een Man en moet niet buyten Mannen druk verzeylen.
Laet ons gevoelen zijn na mate van de wond,
Schoon men geen troost noch heul by Vriend noch Maeg en vond.
Hoewel het minste deel van ramp en ongelukken
U swakken hals schijnt als een lastig pak te drukken,
(25) Gansch blakende van spijt, in ’t schuymend’ ingewand,
Om dat u Vriend u Goed houd in bepekte hand,
Soo heylig hem betroud. Een Man van sestig jaren
Sal die verwondert daer gestaeg van leggen baren,
Die in de Weereld quam, in ’t borgermeesterschap
(30) Van Fontey Capito? heeft die niet wat ten voordeel
Van sijne ziel gevat, en sijn volwassen oordeel,
En ’t lang besochte hert gestaelt, gespitst, gewet,
Soo dat hy sig voor geenen ramp ter Weerld ontset?
Wat grooter nut geeft ons het neerstig ondersoeken,
(35) Met een weet-gierig hert, des Wijsheyds heyl’ge Boeken,
Die de Fortuyn verwint. Want m’ ook gelukkig acht
Die met den tegenspoed van onse dagen lacht,
Die lang’ ervarentheyd leerden het jok te dragen,
Van ramp en ongenucht. Seg my doch eens wat dagen,
(40) Hoe heylig men die viert, die immer Dief ontsagh,
Dat hy niet op het tou van sijnen roof en lagh?
En ’t een of ’t ander schelmstuk voor den dagh dorst brengen?
Wat hooge dagen, die een Schelm niet gong vermengen
Met trouwloosheyd, bedrog, dat hy geen winst en socht
(45) Uyt al wat hy in sijn schelm-suchtig hert bedocht:
Al sou hy ’t door een giftig glas of staal gaen halen.
’k Laet staen een hoere-maet, bedrieghelyke schalen,
En and’re fieltery, neen, neen, dat’s te gering,
Al anders wint de kost een trotsen Hoveling,
(50) En eenen Aep van ’t Hoff. ’k Seg de Thebaensse poorten,
En monden van den Nijl (’t Bedrogh heeft duisend soorten)
Zijn meerder in getal als d’eerelyke Lie’n,
Die men noyt kleynder, ja noyt minder heeft gesien.
[p. 56]
De eeuw, de schellem-stukken die wy nu beleven
(55) Weet de Natuer geen titel self noch naem te geven:
Den tijd is erger als die men den ysren hiet,
Soekt wat metael gy wilt, gy vind sijn doopsel niet.
Wy roepen d’Hemelen en Menschen tot getuygen,
Veel sterker, als dien valschen hoop, die’t Recht siet buygen
(60) Van 2 dien verdoemden Pleyter, die hy om-gekocht
Sijn valsch pleydoy gestaeg leert heffen in de locht.
Och soeten ouden Man, die ’t houte Peerd sou passen,
Dat eenig Kind beschrijt, ey gaet u oogen wassen,
Daer ’s stof voor u gesicht, u wesen is door-vaekt,
(65) Gy weet niet hoe dat een gestoole beetje smaekt,
Gy siet d’aenloxels niet, en soete tooveryen,
Waer mee eens anders schat ’t begeerigh hert gaet vryen,
Gy weet niet hoe men lacht met u eenvoudigheyd,
Wanneer gy yemand vergt dat hy de waerheyd seyd,
(70) En eyscht dat hy noch Ziel noch Hemel sou versweeren.
En meent dat eenig God de Tempels sou verêren
Met sijne godheyd, en op d’Auters rood van bloed
Sagh wat men daer in ’t heete offer-vyer al doet.
Wel eertijds leefden soo de ouw’ Inboortelingen,
(75) Eer dat men sagh Saturn van sijnen Soon bespringen
En voor sijn kroon en scepter ’t seyssen nemen aen,
En ermen Balling na een ander Land toe gaen.
Doen Jupiter noch by de Nimfen lagh ter minne,
Met geyte-melk gevoed, en doen sijn eerste minne,
(80) Sijn trotse Gemalin noch kleyne Kleuter was,
En als een Lammeken noch speelden in het gras.
Doen m’in den Hemel van geen gastmael wist te spreken,
Doen Jupiter op Ganimeed noch niet ontsteeken,
En Herc’les schoone Vrou was sijne Kellerin,
(85) Eer dat Vulcaen heel dorstig quam ten Hemel in.
En vreef sijn ermen af, berookt en heel bekrosen,
[p. 57]
Als hy den Nectar, sonder veel verhael of posen,
Eerst schoon had uyt-geveegt: doen sy niet in ’t gemeen,
Maer yeder God at aen een Tafeltjen alleen;
(90) Doen d’er soo grooten hoop van kleynen en van grooten
Niet, gelijk nu, quam in den ruymen Hemel stooten,
En dat ’t gesternt, met weynig Goden wel te vre’en,
Denermen Atlas drukten min sijn rouwe le’en.
Doen niemand ’t woeste Rijk noch niet te beurt gevallen
(95) Was van de droeve Zee, en dat men niet met allen
Wist van den wreeden Pluton, die, soo onverdacht,
Sijn Siciliaense Bruyd, geroofd, ter Hellen bracht.
Doen men van Rat, noch wreek-Godinnen wist te mallen,
Noch Sisifus, noch Titius sijn straf te kallen;
(100) En dat de Hel-gemeent een vrolyk leven had,
Om dat de Hel noch geen gekroonde kop besat.
Men gong toen ’t boos en ’t Booswicht voor een Monster achten.
Men hiel een Jongeling weerd met de bijl te slachten,
Soo hy (wat swaarder stuk!) geen grijsen baert ontsagh,
(105) Noch voor hem opstond daer hy yewers neder-lagh,
Of, waer hy sat, een graeuwen kruyn sijn plaets dorst weyg’ren,
En dat een Jongen oyt tegen ’t ontsagh dorst steyg’ren
Van een gebaerde kin, schoon hy meer t’eten had,
En grooter hoopen t’huys van cekelen besat.
(110) ’t Was als een wet, daer niemand sig dorst tegen rippen,
Dat neffens Grysaerts d’eerste wol van onse lippen
Ging immer in ontsagh, soo groot was ’t voor een saek
Vier jaren ouderdoms, en een ontkinde kaek.
Nu is ’t een wonder werk, ja wonder boven wonder,
(115) Indien u Vriend u Goed als eygen niet houd onder,
En d’ouwe stok-beurs met het lang beschimmelt geld
U wert behandigt, en weer trouw’lyk aengetelt.
(Indien hy ’t met een styve kaek niet gaet ontkennen,
En u, tot toemaet, noch in uwe eer gaet schennen)
(120) Soo gy soo trouwen hand in dese Weereld vandt,
Kniel voor sijn heyligheyd, hael Lammers van u Land,
En offert die gekroond in ryke auter-vyeren.
[p. 58]
Soo ik een eerlyk Man, een Man met ope nieren,
En niet gekromt van ziel in onse Weereld vindt,
(125) Ik acht dat Monster recht als een twee-koppigh Kind.
Of als een Esel met een Salms hooft, dat met Slangen,
Als Perseus wonder-schild, is om end’ om omvangen
Als koorn aen wijn-stok, of als druyven aen het koorn,
Als rosen aen een eyk, als kerssen aen een doorn.
(130) Of als een Snoek of Baers onder de ploeg gevonden
(Daer Wolf of Vos lag van een weerloos Schaep verslonden,)*
Als Bye-swerm aen een Kerk, als een Muylin begort,
En als een steenen regen uyt de lucht gestort.
En of in Zee (wat ongehoorder vreemder dingen!)
(135) Een beek van melk door wond’re wel hen uyt quam springen,
Of dat een honing spring-aêr met een swaren plots
Quam storten van een berg, quam barsten uyt een rots.
Gy klaegt geknapt te zijn voor 3 dertig dusend gulden,
Door gruwelijk bedrogh. Siet wat een ander dulden,
(140) Die wel voor thien-mael meer, ook op deselve voet,
En door te veel geloofs, gestroopt wierd van sijn goed.
En noch een ander, die sich ook uyt ’t nest liet lichten
Noch vry voor grooter som als men u kan berichten,
Die in de ruyme kist, van daer hy ’t seker docht,
(145) Ter naeuwer nood in den vervloekten geld-hoek mocht.
Soo licht is ’t na de goede Goden niet te vragen,
(Die men eerst, heyligh Volk, gong tot getuygen dagen)
Ja te verâchten, spijt haer al-bespiênd gesicht,
Indien u saek maer tusschen tween is uyt gericht.
(150) Siet met wat herden bek, met wat geschreeu en baren,
En met wat houten bakhuys hy weet uyt te varen,
En al ’t ontkennen, dat hem werd op ’t brood geleyd,
En met een ziel-genijp wert tegen hem gepleyt.
Hy sweert, met steyg’rend oog, selfs by de Son sijn stralen,
(155) En derft, met stouten vloek, ook voor den dagh gaen halen
Den blix van Jupiter, de schichten van Apol,
[p. 59]
De pijl en koker van het licht van Hex en Kol
Dat hier de Jacht gebied, sweert by het blinkend wapen
By ’t vinnig stael van Mars, en gaet sich mee vergapen
(160) Aen ’t sweeren by de vork en scepter van den God
Die Zee, en kiel, en Maets heeft onder sijn gebod;
Hy doet ’er by, of daer noch yet aen mocht gebreken
Den boog en knods, waer mee ’t verdrukte Volk gong wreken
Dien grooten Hercules, en Charons droeve Pont,
(165) Minervaes spies, en wat geweer m’ in d’Hemel vond.
Indien hy Vader is, soo sweert hy by sijn Sonen,
Dat hy haer hoofden geern gesoden wil verthoonen,
En eten met asijn,4 soo hy de waarheyd spaert,
Of soo hy in sijn eed een achter-deur bewaert.
(170) Daer zijnder, in ’t Geval, die alle dingen setten,
En meenen dat geen God op dese Weerld en letten,
En dat het alleen door den loop van de Natuur,
Dwers, slings, en rechts gaet, en door jaer, en dagh, en uer,
En daerom derven sy de hand op ’t Auter leggen,
(175) Met onbeschreumt gemoed. En die ’t laet slechter leggen
Houd dat’er Goden zijn, en doet een valschen eed,
Hoewel hy weet dat ’t qnaed de wegh tot straf bereed,
En denkt soo by sijn self, met goddeloos gevoelen,
Laet Isis vry haar moed op mijn gesicht gaen koelen,
(180) En straffen my aen ’t lijf, soo als sy selver wou,
Soo ik met blind gesicht de gek hou in de mouw,
Is etter-buyl en tering soo veel te beduyen,
En met een hallif been op een kruk te gaen kruyen?
Den ermen Ladas was, denkt my, heel wel te vre’en
(185) Met rijke voete-jicht voor sijne snelle le’en,
Soo hem de key niet leutert, noch de Doctors schorten.
Wat kunnen in sijn beurs sijn radde voeten storten,
En ’t hongerige groen van † palm, of van olyf?
Daer kreeg hy weynig van of in of om het lyf,
(190) Schoon dat de Goden swaer, men siet sy langsaem straffen,
[p. 60]
En soo sy yeder loon na sijne daed beschaffen,
Wanneer wert ’t dan mijn beurt? en ik sal ook misschien
Den Hemel wat gesegg’lyk tot mijn schelm-stuk sien:
Hy spaert en straft, en veel die hebben veel bedreven,
(195) En ’t een en ’t selve quaed, en d’een werd het vergeven,
En d’ander wert geplaegt, d’een krijgt wel op sijn kop
Een kroon, en d’ander kreeg een geess’ling of een strop.
Soo styven sy haer hert, dat van de schuld gaet sitt’ren:
En loopen noch voor uyt, om u meer te verbitt’ren,
(200) Soo g’haer ten Auter roept, ja trekken u wel voort,
En plagen u soo lang dat gy haer tuyging hoort.
Want als de stoutigheyd van hare quade saken
Haer goddeloosheyd stijft, meent mennig dat haer kaken
Vol roof en leugentael, een vast vertrouwen stijft,
(205) Van een rechtveerdigh stuk, dat immer boven drijft.
Haer hert dat speelt de fars en vasten-avond kluchten
(Al kost het u een tranen-vloed, en dusend suchten)
Gelijk den Fielt van dien 6 wel-sprekenden Catul.
Daer schreeut en baert gy dan, als waert gy hallif dul,
(210) Of als een Stentor, of gequetsten Mars gong roepen:
Waer zijt gy, Jupiter, dat gy de dichte troepen
Van ’t goddeloos Gebroed niet siet, en hoort mijn klacht,
En spreekt op ’t geen mijn mond voor uwen Auter bracht?
Gy most van marmer self, of ook van koper spreken.
(215) Waerom gaen wy dan in u auter-vyer onsteken
De wierook, en gesneede lever van een Kalf,
En witte Verkens reusel? ’t is maer narren salf.
Ik sie, schoon dat u Auters staeg van offers blaken,
Datter geen onderscheyd met allen is te maken
(220) Tusschen u Beeld en den Batyl van Policraet,
En dat u Tempel meest voor Schelmen open staet.
Siet hoe ’t in tegendeel u ziel een troost kan wesen
Die Zenos Schriften, noch Antisth’nes heeft gelesen,
Verschelend’ maer in dracht, en die, met groot ontsach.
[p. 61]
(225) ’t Vermaek van Epicuers kleyn Hofken niet en sag.
Geef twijffelige siekt’ in groote Meesters handen,
En laet u arrem-a’er vry binden met de banden
Van Leerling van Philip, en daer een gat in slaen:
Gy zijt met weynig seer, en kleyne siekt’ belaen,
(230) Soo gy in d’heele Weerl’d geen swaerder stuk kond’ wijsen
Geen gruwelyker daed, ’k laet staen u aen te prysen
Een wijs geduld, ik laet, mijn Vriend, al dese praet,
En ly dat gy met platte hand u aensicht slaet,
En u ontstelde borst. Men moet sijn deur doch sluyten
(235) Als ’t Kalf verdronken is, en gaet sijn klachten uytten
Veel meer, en maekt veel grooter treuren en misbaer,
Om Huys en Geld, alsof een Vriend gesturven waer.
Niemand veynst selver druk by na-gemaagde lyken,
Tevreden met sijn boven-kleed slechts af te stryken,
(240) En een gedwonge traen te vryven uyt sijn oogh.
Het schreyen om u geld, en die u beurs bedroog
Komt sonder veynsen voort. Maer soo gy alle hoeken
Siet vol van diergelyke klaeghelyke vloekken,
En dat sy seggen, schoon gy tienmael over leest
(245) Haer eygen Schriften, dat ’t noyt is haer hand geweest
Schoon dat gy ’t, als men seyd, wel tasten kond en voelen,
(Leer uwen tegenspoed met lijdsaemheyd te koelen)
Schoon dat haer over-tuygt haer teykeningh, en schild.
Dat gy tot tuyge van haer schelm stuk kyken wilt.
(250) Gemaelt in onyx, en bewaert in elpe kassen.
Meent gy dan dat gy ons zijt boven ’t hooft gewassen
Om dat gy zijt een Haentjen van een witte Hin,
En wy een slecht gebroed, na u verdraeyden sin,
Uyt ongelukkig nest. Het zijn maer kleyne saken,
(255) En daer gy soo veel stanks, noch gals om hoort te maken,
Indien gy u gesicht op grooter schelm-stuk slaet.
Gelykent daer eens by een gruwelyker daed,
Een Moordenaer om geld, en van dit rok gesponnen
Een stille brand-sticht eerst aen uwe deur begonnen,
(260) Set daer noch by die d’oude Kerken niet ontsien,
En derven met haer groote vaten henen vlien,
[p. 62]
Die vaten, die haer schimmel self ontsachlyk maekte,
Die in de Kerk door gift van heele Landen raekte,
En kroonen, die van ouden Koning daer vereert,
(265) Zijn meer als al de schatten van heel Roomen weerd.*
Is’er van diergelyke vaten niet ten besten,
Soo sal een kleynder Kerken-roover gaen vernesten
Een Hercules vergult, en schrappen (stout beleyd!)
’t Goud van sijn dgy, en dat op Neptuyns aensicht leydt,
(270) En Castors Beeld van weynig blad-goud gaen ontdekken,
Die mee gewend is selfs onder de voet te trekken
Een heelen Jupiter, en den gestolen God
Te smelten voor sijn beurs, te gieten uyt een pot.
Set daer de Konstenaers en Koop-lien van vergiften
(275) Al mee eens by, (die dik tot vreemde minne-driften
Haer wetenschap beste’en) en die stort van de ree,
Genaeyd in ossen-huyd met eenen Aep, in zee.
’t Hoe-veelste deel is dit van al de schellem-stukken
Die Gallicus in ’t wreev’lig Room soekt t’onderdrukken,
(280) Dien grooten Waers-man van dees over-geve Stad,
Van dat den dagh sijn ochtend en sijn avond had.
Soo gy het leven van de Weereld eens wilt weten,
Een Huys is u genoegh, gy sult hebben gesleten
Heel weynigh dagen, en derft dan noch eens bestaen
(285) Te klagen van u ramp, als gy daer komt van daen.
Wie is verwondert over de geswolle kelen,
In d’Alpes: en dat niet in Meroê vervelen
De groote borsten, die veel swaerder zijn als ’t Kind
Dat eenig’ Voedster-wijf en lieve moeder mind?
(290) Wie dacht het vreemd de blaeuwe oog’ en blonde lokken
Van ’t Duytsche Volk, en ’t hair tot horens op getrokken,
En eerst bevocht gekrult? dat schijnt geen wonder ding.
Om dat dat de natuer van all’ Inboorteling
Is van haer heele Land. Op de krytende wolken
(295) Van ’t machtigh Kranen-rot, gaen die gebete Volken,
Dat kleyn gespuys van de Pigmeën in ’t geweer,
En komt dan ’t fel Gevogelt’ op haer storten neer,
Het vat haer, en gaet met haer in haer kromme pooten,
[p. 63]
Flux door de lucht, en over bosch en bergen stooten.
(300) Saegt gy dat in ons Land, gy lachten u schier slap:
Maer daer, daer sy gestaeg staen in den oorlogh schrap
Tegen die vlugge macht, daer siet men niemand lacchen,
Daer ’t heele Leger, dat vol moedigheyd gaet pracchen,
En met een staeg geteel sijn oorlogs schade boet,
(305) Niet hooger is als slechts de hoogte van een voet.
Sal dan geen valschen eed, noch and’re valsche treken
Dien hoogen Jupiter met wisse plagen wreeken?
Dat’s wel een vreemde saek. Maer neem dat desen Fiel
Noch metter tijd, vol schande, door de mande viel,
(310) En swaer gekettingt wierd, in ’t oogh van alle Menschen
Na ’t Vangen-huys gesleept, en dat hy na ons wenschen
En na ons eygen sin, (wat eyscht u gramschap meer?)
Een sweerd kreeg door den nek, noch had gy ’t u niet we’er,
En geen versekertheyd. En seg my wat genoegen
(315) Gaf u een hand vol bloeds? ’t sou u gestadig vroegen
Als gy den haet en nijd, door sulk een straf bedrijf,
Gongt schorten op u hals, gongt laden op u lijf.
Maer immers is de wraek noch soeter als het leven,
Ja dat ’s onwetend’ Volk die sulken oordeel geven,
(320) Die als de Kind’ren strax, indien sy niet zijn veeg,
Te peerd zijn, legt haer maer een strootjen in de weeg,
Ja ’t minste santje kan haer galletje ontsteken.
Maerhoor Chrisippus, of dien goeden Thales spreken
Met sijn saft-sinnigheyd, en ook dien ouden Knecht,
(325) Dien Buur-man van Hymet, die (doen het kromme Recht
Hem in den kerker wurp, eu schoon niet kost bely’en,
Door valsche Tuygen hem de dood schuld op gong stry’en).
In d’herde boeyen, greep na den vergiften kroes;
En zijn Beschuldigers niet wenschten voor den Droes,
(330) Maer sey tot ’t leste toe dats’ ongelukkig waren,
Meer die ’t u doen, als die de rampen wedervaren,
En had sijn Vyand hem gebeden om een toogh
Van ’t geen daer hy sijn dood in sagh met vroolyk oogh.
Hy had het hem ontseyd, en als wat goeds geweygert.
(335) De Wijsheyd maekt dat onse ziel allengskens steygert
[p. 64]
Tegen veel quaeds, en alle dwalingen uyt schud,
En leert ons eerst het 7 recht, dat allen onlust stut.
Want het is een vermaek van kleyn’ en wank’le Zielen
Sijn trotsen Vyand te beschaden of vernielen,
(340) Stelt dit dan daed’lyk vast, dat niemand meer vermaek
Schiep als een swakke Vrouw in d’onbesinde wraek.
En waerom meent gy noch dat hy het is ontkomen
Wiens gansch verbaesde ziel met schuld is ingenomen
Die, als een wreeden Beul, sijn eygen geessel voert,
(345) En, met een stille sweep, ’t benaud gemoed ontroert?
Die straf is heftig, en veel wreeder dan de plagen
Die van Caeditius hier eerst zijn voorgeslagen,
En Radamant bedacht, dat, of het 8 nacht of daegt,
Men sijn getuygen in sijn boesem met hem draegt.
(350) Apollos Priesters eens, vol goddelyke stuypen,
Sey een Spartaner, dat hem sou in d’oogen druypen
Dat hy getwijfelt had, of hy, ’t geen op sijn trou
Hem was getelt, in spijt die ’t leet was, houden sou,
En sijn bedrogh door ’t godloos Recht sou gaen verweeren
(355) En door een valschen eed, met stout gesicht, te sweeren,
En vraegden hoe haer God dien handel aen mocht staen,
En of dat schelm-stuk van Apol hem wierd’ gera’en.
Hy gaf ’t dan weer uyt vrees, niet uyt genegentheden
Tot goed, en heeft daer na de waerheyd wel beleden
(360) Van ’t antwoord weerdigh sulken heyl’gen Goden-kluys,
Door sijnen droeven val, en van sijn gansche Huys:
Met al sijn naest’ en liefste Magen en Verwanten
Van hoog’ en langen draet, daer niemand tegen kanten,
Ja kanten dorst, gedaelt: Siet hier hoe God selfs plaegt
(365) Die maer den wille heeft totyet dat hem mishaegt.
Want die een schellem-stuk stil-swygens over-leggen
Zijn daer al schuldigh aen, daer valt niet op te seggen.
En hebben sy volvoert ’t geen by haer was bedacht,
Een eeuwige benautheyd in haer boesem wacht.
(370) Sit soo een aen den disch, hy voelt, met mag’re kaken,
Als uytgeteert van koorts, wat dat sijn sinnen maken,
[p. 65]
Staeg besig met sijn schuld, en knaeut met langen tand,
En spout de wijn uyt van de alder-beste plant,
Den kostelyken ouder kan hem niet behagen
(375) Van den Albaen, hy moet na and’re bet’re vragen,
Met dicht gefronst gesicht, of sijn bedrogen mond
Asijn geschonken was. Raekt hy ter leger-spond,
Hy krijgt in d’ongeruste ziel, en stekend’ oogen
Een weynigh rusts; maer na dat hy heeft overwogen
(380) Wel dusend’ dusend-mael de swaerte van sijn daed,
En dat als een vuyl ey sijn vuylen boesem slaet,
Nadat hy lang heeft leggen tobben heen en weder,
En maer door moeyigheyd sijn hooft ten sluym ley neder,
Daer ’s dan de sware spie van al sijn vuyl bedrijf,
(385) Die sijne ziel ontroert, en schud sijn heele lijf.
Daer komt het schenden van de Tempels en Autaren
Hem daed’lyk in sijn borst, als vreemde spoken, waren,
En sijne bange ziel dreef op der lippen zoom,
Indien dat gy hem dan verschijnt in sijnen droom.
(390) U heylige gestalt’ komt hem terstont te voren
Langer als Menschen lengt’, dit doet hem schier versmoren*
In sijn benautheyd, en al halen voor den dagh
Dat hy oyt dee; als of hy op de pijn-bank lagh.
Dit zijn de Maets die haer ondekken, sonder Tolken,
(395) Als sy het blixem-vyer sien schitt’ren door de wolken,
Of als den donder komt, sy zijn, met ’t eerst’ gerucht,
Soo bleek als dooden, van de ongestuyme lucht.
Niet of hier by geval, en door de dulle winden
Die snelle stralen quamen ons gesicht verblinden,
(400) Maer of het grimmigh vyer sich uyt den Hemel smeet,
Om recht te doen over haer kank’rend ziel-geweet.
Is haer dat mis, soo vreest men weer de naeste stormen
Met meerder bangigheyd, sonder sich te vervormen*
Als of dat onweer was gespaert en uytgestelt.
(405) En werden sy dan in haer zijde eens gequelt
Met ongeruste koorts, verselt met sware steekten,
Soo denken sy, dat sich den Hemel daer mee wreekten,
Geheel op haer vergrimt. Sy nemen dese straf
[p. 66]
Waer mee de Goden vechten van den Hemel af,
(410) Voor hare slinger-steenen, en onfeylb’re schichten.
Sy derven auter-vyer, noch offers toe doen richten,
Sy derven in geen Kerken met beloften gaen
Of van een bleetend’ Lam, of kam van eenen Haen
Voor haer Huysgodekens, wat val’ter doch te hopen,
(415) Om sijn geplaegde le’en van straffen vry te koopen,
Voor siek en sondigh Mensch? of wat voor offer-bloed
Is niet veel beter als een Schelm sijn leven doet.
Der Boosen grooten hoop, het machtigh rot der Fielen,
Het krielend’ heir van die bedrieghelyke Zielen
(420) Is seer verscheyden en veranderlyk van aert,
Men siet dat eenen Schelm stantvastigheyd bewaert
Wanneer hy ’t schelm-stuk doet; na dat hy ’t heeft bedreven
Gaet hy sijn selven dik de wanhoop over geven,
En kent sijn schellem-stuk, maer schoon hy ’t stinkend’ vond,
(425) Hy slikt weer ’t geen hy braekt, gelijk een satten Hond,
Sijn vast gesetten aert tot alle schelmeryen
Is niet veranderlyk. Want wie is ’t die gong vryen
Sijn sinnen van bedrogh, sijn ziele van het quaed,
Wie stelden sich in ’t sondigen of eynd’ of maet,
(430) Als hy het eerlijk root eens uyt sijn wang gong bannen?
Wat Schelm liet sig oyt van goe reden over-mannen,
Die met een vuyle daed, en schuld te vrede waer?
Wacht eens op uur, en dagh, op week, op maend, en jaer,
Soo sult gy onsen Schelm noch in den strik sien storten,
(435) En in een donk’re kerker noch sijn leven korten,
En sien hem slepen met den haek, of met een Schip
In Zee versonden werden op een naekte klip,
Onder een grooten hoop van groote Bannelingen,
Daer hy sijn leven lang niet uyt sal konnen springen.
(440) Dan sult gy in de bitt’re straf eens zijn verblijd
Van dien gehaetten kop, wiens ramp u schulden quijt,
En gansch verblijd bekennen (’t stuk wel overwogen)
Dat daer geen God en is, of hy heeft oor’ en oogen.

EYNDE.


[p. 54] 1 Hoewel ik de schade hier na wat hooger stel, als Juvenalis wel doet, die evenwel kleyn was, in dien tijd, voor een rijk Man, als men de macht en middelen van de Romeynen overdenkt.
[p. 56] 2 Fesidius, scil. Qui conductos habuit nebulones, qui eum agentem causas magna voce laudabant. Vide Comm. vet Scholast in Juven:
[p. 58] 3 ’k Heb om reden een andere somme genomen als Juvenalis, gelijk hier voren mede is aengewesen.
[p. 59] 4 Als een Salms hooft.
[ibid.] 5 Ladas primam palmam pernicitatis est adeptus.
[p. 60] 6 Ik heb het Epitheton van Urbanus, dat sommige meenen sijn by-naem geweest te zijn, niet willen nemen, en met voordacht een ander hier gestelt.
[p. 64] 7 .i. rectum.
[ibid.] 8 ut Latini, Vesperascere.

Continue

Tekstkritiek:

Inleiding Juvenalis
Juvenalis I
Juvenalis II
Juvenalis III
Juvenalis IV
Juvenalis V
Juvenalis VI
Juvenalis VII
Juvenalis VIII
Juvenalis IX
Juvenalis X
Juvenalis XI
vs. 35 Al er staat: El
58 springen; er staat: sprongen;
60 ’t er staat: ’r
96 Besje er staat: Besjc
104 men, er staat: men met een slecht doorgedrukte komma erachter.
p. 245, noot 6 schuilplaats er staat: schuilplaae; of schuilplaaes
vs. 210 van er staat: vau
ibid. kwellen. er staat: kwellent
241 Met er staat: Mer
Juvenalis XII
Juvenalis XIII
p. 271, vs. 287 Stookebranders er staat: Srookebranders
p. 279 eenige er staat: eenige ge
p. 284 noot 14 zyn er staat: zy
p. 295, vs. 47 hoopen er staat: hoopeu
p. 290, vs. 276 noot 22 is in feite noot 23
Juvenalis XIV
Juvenalis XV
p. 318, vs. 152 Yslant er staat: Yslanr
p. 319, vs. 156 quamen er staat: qaamen
ibid. noot (35) er staat: (37)
Juvenalis XVI
p. 329, vs. 23 kolder er staat: koldet
p. 330, vs. 60 Zal dienen er staat: Zaldienen
ibid., vs. 62 bereyd er staat: beryed
Inleiding Persius

fol. Y2r hunne er staat: hune
fol. Y3v een kôôl er staat: een kôôl
fol. Y4r schryven er staat: schrven
Persius I
p. 2, vs. 23 milt er staat: milr
Persius III
p. 20, vs 154 weêr er staat: weêer p. 25, vs. 137 vlytig er staat: vlyrig p. 28, vs. 214 hoorden) er staat: hoorden Persius IV
p. 30, vs. 7 schrander er staat: fchrander p. 32, vs. 53 gasten er staat: dasten Persius V
p. 44, vs. 244 hy er staat: hv p. 46, vs. 324 tot er staat: rot Persius VI
Juvenalis XIII
p. 58, vs. 131 verslonden,) er staat: verslonden,
p. 62, vs. 265 schatten er staat: schatren
p. 65, vs. 391 dit er staat: dir
ibid., vs. 403 vervormen er staat: vervormen)