Nederlandse vertaling door G.M. van tien redevoeringen en twee brieven van Marcus Tullius Cicero.
G.M. is een leerling van Graevius in 1663-1667; in die tijd was Graevius aan de Universiteit van Utrecht verbonden als hoogleraar in de welsprekendheid.
Amsterdam, S. Petzold, 1702.
Vertalingen van de redevoeringen Pro Archia, Pro Marcello, Pro Ligario, Pro Deiotaro, Pro lege Manilia, In Catilinam I, In Catilinam II, In Catilinam III, In Catilinam IV, Pro Milone, en de brieven Ad Lentulum (Ad Familiares I, IX) en Ad Quintum (Ep. I, I).
Uitgegeven door Anchrit Edelaar en Bibiane Vroegindeweij.
Redactie dr. A.J.E. Harmsen, Universiteit Leiden.
Gebruikt exemplaar: UBL 1222 E 25. Zie ook books.google
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.

Continue

[fol. *1r]

X. REEDENVOERINGEN

Van

M.T. CICERO,

In Nederduits overgebragt;

Neevens twee aanmerkenswaardige Brie-
ven van den selven, in ’t Latyn en Duits.

Door een Lid van het Konstgenootschap,

[Vignet: In Magnis Voluisse Sat Est.]

t’AMSTELREDAM,

By S. PETZOLD, op het Rokkin, in de
drie Kroonen. A°. 1702.

Met Privilegie.

Continue

[fol. *1v: blanco]
[fol. *2r]

COPYE

van de

PRIVILEGIE.

DE STAATEN VAN HOLLAND ENDE WEST-VRIESLAND, doen te weeten. Alzoo Ons vertoond is by eenige Liefhebbers van de Duitse Taal ende Digtkonst, dat sy hadden opgeregt een Konstgenootschap onder de Latynse Sinspreuk IN MAGNIS VOLUISSE SAT EST, en van Ons op den 17 December 1682 bekomen hadden Octroy of vorregt voor den tyd van 15 jaaren, omme te mogen drukken haare werken, geïntituleerd onder de voorsz. Latynse Sinspreuk IN MAGNIS VOLUISSE SAT EST; ende alsoo sy Supplianten geduurende den voorsz. tyd, tot amplieringe van het voorsz werk ook heel veel moeite ende kosten hadden besteed, ende vervolgens wel genegen waren, de voorsz. werken, soo reeds gedrukt, als dewelke van tyd tot tyd nog staan uit te komen, weder op nieuw te doen drukken, [...]



[fol. *3r]

Aan den Edelen en Gestrengen

Heer,

Mr. JOAN GEELVINK,

Heer van Castricum, Raad, Oud-
Scheepen, en Colonel van de
Burgervaandelen der Stad
Amstelredamme,

Bewindhebber der Oostindisse Maat-
schappy.

MYN HEER,
VEele oorsaaken hebben my bewoogen, dese Reedenvoeringen aan uwe Eede. Agtbd. op [fol. *3v] te draagen. Want gelyk Archias van Cicero geroemd wort, om dat de Lucullen syne voornaamste voorstanders gebleeven waren, die hy van syne kindsheid voor syne beste vrienden had gehouden: Alsoo rekene ik het geene kleine Eer voor my, dat ik reeds in de jaaren 1654 en 1655, in welk laatste ik in ’t elfde van mynen ouderdom eerst getreeden was, (gelyk sulx nog veelen van d’ansienlykste in dese Stad seer wel geheugen kan) de gunst genooten hebbe, van in ’t geselschap en de vriendschap uwer Eede. Agtbd. aangenoomen te syn geweest. Tsedert dien tyd is die goede kennisse tussen ons op het ’s Graavenland voortgequeekt, [fol. *4r] en wyders t’Utregt en alhier met wylen uwer Eede. Agtbds. Broeders, de voornaame Heeren Albertus, Cornelis, Koenraad en Dirk Geelvink telkens vermeerdert, en vernieuwd, en daarnaa ook merkelyk vergroot, door d’oude kennisse, die ik van tyd tot tyd onderhouden heb met wylen den Eede. Agtben. en seer Agtbaren Heer Albert Bentes.
    Die Heer is d’eerste aanleider geweest, dat ik dese Reedenvoeringen van Cicero in het Duits soude overbrengen, en met den druk aan allen gemeen maaken; op dat onsen Landaard mede deelagtig mogt worden aan de voordeelen, die de Frans- [fol. *4v] sen, en andere volkeren, trekken uit d’oversettingen eeniger voortreflyke Boeken der Griekse en Latynse Schryvers. ’T geen ik mitsdien aan d’aangenaame geheugenis, en de meenigvuldige verdiensten van den Eedlen Heere Albert Bentes, schuldig was; soo ’t den Almoogenden beliefd had, dien Heer langer in ’t leeven; te behouden, die door eene wettige voorspraak in de Regtbanken, en door lyne openhartige en getrouwe raadgeevingen, in syne Eerampten, en besondere beesigheeden, veelen aan sig verpligte; sulx betaamt my, aan uwe Eede. Agtbd. te betaalen, wiens Swaager en allernaasten [fol. *5r] bloedvriend syne Eedd. omtrent over de dartig jaaren is geweest.
    Hier by komt, dat ik voor ondankbaar mogt gehouden worden, indien ik niet vlytiglyk sogte naar de geleegendheid, om een openbaar bewys te geeven van myne dankschuldige erkentenis voor alle de gunstbewysingen, die ik van uw Eede. Agtbd. self, en ten huise uwer Eede. Agtbds. naaste Bloedvrienden soo langen tyd genooten heb, en tot nog toe geniete.
    Ik wil ook niet ontkennen, dat ik voor my niet alleen goeder vrienden trouw en aansien noodig heb; maar dat ik ook dit myn werk, sonder het ontsag en de gunst van aansienlyke Heeren, [fol. *5v] niet niet sal konnen verdeedigen, tegen de lasteringen van onweetende. Want indien by geval wyse mannen, of uit ongeneegendheid, of met goede reeden, iets in het werk van een ander misprysen, dan is het eerst de regte tyd van nydige lasteraars, dat sy sig de kaauwe gelyk maaken, waar van Phaedrus spreekt in syne Verdigtselen, dat is, dat sy met vreemde veeren pronken, en met eenen schyn van geleerdheid, en opregtigheid, in woorden en gelaat, sig self toeeigenen, ’t geene sy van anderen hoorden seggen, hoewel tegen de deugdelykheid, onderlinge liefde, en het, algemeene belang der Letterkundi- [fol. *6r] gen; voor hunne grootste winst agtende, die geenen te benaadeelen, daar sy van vreesen agterhaald te sullen worden, in de verkeerde gronden van hunne niets te regt geleerd hebbende waanwysheid.
    Hoe veel my dan daar aan geleegen legt, dat ik winne, en behoude uwe Eede. Agtbds. dierbare gunst en voorspraak, my in alle deelen veel waardig, kan hier uit ligtelyk begreepen worden; om dat ik, onder d’algemeene hoogagtinge van uwe Eede. Agtbds. Naam schuilende, seekerheid soek tegen den nyd van menssen, my van overlang niets goeds gunnende, weshalven ik my ten [fol. *6v] uitersten sal bevlytigen, om te syn, en voor altoos te blyven,

        Uwer Eede. Agtbds.

                Ootmoedigsten en dank-
                    schuldigsten
                            M’. G. M. Advc.




[fol. *7r]

GUNSTIGE LEESER.

DEse welspreekenste Reedenvoeringen, die ooit, van aller tyden oudheid af, in ’t Latyn, of Grieks geschreeven syn, geeven ons voorbeelden der welgeschikte Aansspraaken, en syn allen den geenen ten boogsten dienstig, die sig verpligt vinden, om in’t openbaar, of in den Raad, of voor de Regtbank, of in de vergaderinge der Gemeente iets te verhandelen, en voor te draagen. Ik wierd daarom te meer tot desen arbeid aangemoedigd; om, dat ik ’t voorbeeld van Cicero sogt naa te volgen, die veele dingen uit het Grieks in ’t Latyn over bragt, om in beide die spraaken sig self wel t’oeffenen. Dit versuimen nogtans veele spraakkundigen, die meer daar op toeleggen, om ook goede syreekwysen te berispen, dan wel om eenige voorbeelden van de beste welspreekendbeid in onse moederspraak naa te volgen, en te verbeelden. En ik verwonderde my grootelyks, dat voor my [fol. *7v] niemand dit besogt heeft, in ’t verduitsen ten minsten van eenige deser naar de grootste konst geschreevene Reedenvoeringen van dien seer wysen en deugdlievenden Romein.
    Egter ik vinde niets, dat de jeugd meer dienstig is, om oude en vreemde Scbryvers wel te verstaan, dan d’oversettingen, waar in men sig getrouwlyk verbint aan den sin en d’eigenschap der beteekenissen van elke reeden, jaa van elk woord, al is ’t schoon dat men niet vermag af te wyken van den aard der spreekwysen in alle taalen gebruiklyk, en met de verhandelde saaken best overeenkoomende. En nogtans sien dese swaarigheeden meest overhoofd, die sig in ’t uitleggen van vreemde Schryvers reinig beesig houden; welke menssen ook de beste vertaalingen onbedagtelyk laaken, en den leerlingen ’t gebruik daar van verbieden, sonder twyffel van hunne eigene onweetendheid.
    Eevenwel niemand schryft iets, dat in alles volmaakt is. Dog quaalyk onderweesenen geeven of niets, of niets goeds in ’t ligt, en lasteren alleen afweesenden, die sy t’on-
[fol. *8r] regt beschuldigen; winnende voor sig eene Agtinge, niet uijt met d’allergrootste deugd en trouw, maar met gevaar van hun eigen aansien, als beleedigende met een agterklappend waarschouwen, hoewel sy voor ’t oog opregte en goede vrienden schynen willen. Om sulke menssen van hunne Christelyke pligt te vermaanen, en my ook niet booven geleerde mannen te verheffen, soo schaam ik my niet, vry uit te seggen, dat ik my niet aanmaatige, eene onverbeeterlyke oversettinge in ’t ligt gegeeven te hebben. Dit is onmoogelyk, insonderheid in ’t vertaalen der werken van Cicero, die de welspreekendste en een van de vroomste en wyste der Heidenen is geweest. Somtyds treffen wy niet juist d’eigenste en beste spreekwysen, enjten iets over ’t hoofd, dat met meer naadruk en deftigheid uitgesprooken konde worden. Somtyds missen wy door eene quaade gewoonte van schryven, om dat wy in onse spraak nog niet in ’t algemeen aangenoomen hebben d’allesins sig gelykende lessen eener Welgegronde Letterkunde. En somtyds verscheelen onse gevoelens van anderen, die wy in [fol. *8v] ons afsyn, tot onse meeninge niet konnen overbrengen, dewyl wy aan hen onse reedenen, en sy aan ons hunne wederredenen niet bekend maaken.
    Maar op dat niemand denken soude, dat ik uit enkele verwaandheid desen arbeid op my genoomen heb, soo verhoop ik, dat men ’t my ten besten houden sal, als ik my derf aanmaatigen; dat ik dese myne vertaalingen kan goed maaken, ook in de swaarste plaatsen, door spraakkundige aanteekeningen, indien ’t van nooden was. Dog of dat sy, die my niet kennen, sulx voor geene grootspreekendheid soitden aansien; soo sal ik wyders belyden, dat ik in de jaaren 1663, 1665, 1666, en 1667, ’t geluk genoot, om alle d’openbaare en besondere Hoogeschoollessen, in de Griekse en Latynse spraakoeffeningen, waar te neemen, met de grootste onkosten, niets versuimende, by den Heere Joannes Georgius Graevius, mynen nog leevenden en seer beroemden Leermeester, en tsedert soo lange jaaren de meest geagtste Hooge-school-leeraar en taalkundigste in de Griekse en Latynse oudheeden; en dat ik by [fol. π1r] dienselven Heer geduurende de drie laatst genoemde jaaren, ook een huis- en tafel-gast ben geweest, wens opsigt ik met de grootste sorgvuldigheid was aanbevoolen, en die my te dier tyd dagelyks selfs oeffende, en ook soo wel op syne Stads- als op meer andere Hooge schoolen, binnen en buiten ’s lands, Geleerde mannen aanprees, ten einde ik niets versuimen mogt, wat eenen wel opgebragten leerling dient te weeten, soo in de taalkennis, als in oefeningen en lessen der regters, waar in ik nog moeiten, nog onkosten spaarde, of behoefde te spaaren.
    Ik meene derhalven, dat ik te booven gekoomen ben den nyd der halfvolleerde groote spreekers; om dat ik myne gants niet suinig uitgevoerde Hooge-schoollessen ten halven nooit liet steeken, als waar in ik, ook naa myn overgaan uit de lagere Latynse schoolen, volle agt jaaren toegebragt heb. Dog dit seg ik, op dat de lasteringen van eenige my t’onregt wangunstige menssen minder geloof verdienen souden, in myn afweesen, by de geenen, daar ik my over mondelyken agter klap niet kan suiveren, en ontscbuldigen.

[fol. π1v]
    Eevenwel om dat men altyd menssen vint, die misprysen dat sy niet verbeeteren konnen; dewyl het geene swaare saak is, in de schriften van een ander iets aan te merken, ’t geen wy self onbedagtelyk konnen overgeslaagen, en niet verbeeterd hebben; soo lust het my sulke alles naauw siftende hairkloovers te gemoed te voeren; dat sy self, gelyk ik nu doe, in gedrukte vertaalingen beproeven de kragten van hunne taalkennis, en letteroeffeningen; dewyl ik alleen eenige weinige Reedenvoeringen van Cicero, als om hen uit te daagen, in ’t ligt geeve. Want aldus sullen sy best weeten, en bevinden; dat het een seer swaare saak is, met eene van syne eevengelykheid niet afwykende wyse van schryven Cicero te leeren, in eene andere spraak, van sig self in ’t geheel als niet te verscheelen; en dan sal ik ook volmondig hunnen lof verbreiden; omdat in den stryd der waarheid, en geleerdheid, verwinnaar blyft, die, van misslaagen overtuigd synde, swygt, en sig beetert.
    Ik oordeelde, dat ik de wysheid, en de
[fol. *π2r] deugd van Cicero behoorde tot een voorbeeld, aan onse wel op te brengene jongelingen voor te stellen. Ik voegde daarom by dese verduitste Reedenvoeringen twee der voortreffelykste Brieven van Cicero. Dese syn wel nooit geschreeven, om van ieder een geleesen te worden, insonderheid by syn leeven, maar sy syn ons medegedeeld door eene trouwhartige weldaad der vrienden van Cicero, die naa hem geleefd hebben. Behalven andere en deftige deugdelessen, konnen wy uit dese brieven ook sien en leeren; hoe eerlyke en vroome mannen sig niets laaten geleegen leggen aan de gevoelens van baatsugtige vyanden; maar de waarheid, en ’t belang van hun Vaderland in diervoegen verdeedigen en voorstaan; dat sy self niemand soeken te verongelyken, en aan elk t’ onregt beschuldigde, en benaadeelde, gunnen syne wettige verdeeding, en geregtig tegenseggen.
    Dese brieven syn gedrukt in ’t Latyn en Duits, om dat men deselve nooit van te vooren afsonderlyk, ten behoeve der Schoolleerlingen, heeft in ’t ligt gegee-
[fol. π2v] ven. In de tien Reedenvoeringen is waargenoomen, dat deselve vertaald en verbeeterd wierden, naar den laatst uitgegevenen Latynsen Text by den Heer Joannes Georgius Graevius. Vaar wel.

Continue

[p. 1]

PLEITREEDEN

van

M.T. CICERO

Voor den Digter

ARCHIAS.

Inhoud.

ONder de Burgermeesters D. Junius Silanus en L. Licinius Murena, naar de tydrekeninge van P. Manutius, heeft sekeren Gratius, of (soo in andere afschriften geleesen word) Gracchus, den Digter Archias, uit Griekenland afkomslig, dog t’Antiochie geboren, voor regt doen roepen; om dat hy tegen de wet Plautia Papiria, die de Gemeensmannen Silvanus en Carbo hadden doen goedkeuren, sig uitgaf, en gehouden wilde syn voor een Burger van Roome. Maar Cicero wyst aan, dat Archias, ook naar de woorden en sin van die selve wet, het Burgerregt tsedert lang verkreegen had, en besat. Want dat hy met L. Lucullus uit Sicilie wederkerende, op syn versoek, en door de gunst van Lucullus, te Heraclea onder de stads burgers was aangenoomen. Verr’ het grootste gedeelte van dese voorspraak besteet [p. 2] Cicero minst in ’t bewysen (waar aan niet te twyffelen valt) van ’t goede regt van Archias, die eertyds Cicero in de welspreekendheid onderweesen had, maar meest in ’t prysen van syne geleerdheid en digtkunde, sig breed uitende, in ’t roemen van de nuttigheid der wysheids-oeffeningen en d’onsterflykheid der konstelyk beschreevene lof-redenen van vootreffelyke en dappere mannen.

___________________________________

I. HOOFDSTUK.

INdien ik, Heeren Regters, eenigsins verstandig en geleerd was, waar op ik my niet te veel kan beroemen; of indien ik my in’t pleiten iets geoeffent heb, waarin ik belyde een weinig ervaren te zyn; of soo ’er een andere soort is van kennisse, getrokken uit d’oeffeningen en onderwysingen der deftigste weetenschappen, waarvan ik toestaa, dat ik, geduurende myn geheele leeven niet afkeerig ben geweest; A. Licinius kan wel insonderheid de voordeelen van dit alles my afvorderen, met een voor hem selfs by naa verkreegen regt. Want soo verre ik met myne geheugnis den voorleedenen tyd my verbeelde, en by my self wederom overweege de saaken van myne eerste kindsheid, tsedert dien tyd alles herdenkende, soo bevinde ik; dat dese man de voornaamste en eerstc raadgever is geweest, om my te begeeven, en geduurig te vorderen, in dese wyse van verstand-oeffeningen. Maar indien ik door myne voorspraak, van dien man onderweesen, [p. 3] en volleerd zynde, veelen in regten geholpen, en gered heb; soo betaamt het, alle hulp en bystand hem te bewysen, voor soo veel in ons vermoogen is, aan wien wy verschuldigd syn, datwy de bequaamheid hebben, om ook anderen te helpen, en te behouden. En op dat niemand denke, dat dit maar bloote woorden van my syn, sonder redenen van waarheid, om dat dese man een geheel andere begaaftheid van verstand voor sig heeft verkreegen, en niets gemeen met onse soort van redeneren en geleerdheid; soo dient men te weeten, dat ik my self niet altoos besng gehouden heb, in eene wyse van letter-oeffeningen. Want ook alle weetenschappen, die tot de letter-wysheid behooren, syn aan een geschakelt met een gemeenen band, en als met eenige maagschap onder een verknogt.
    II. Op dat het nu niemand vreemd dunke, dat ik gebruike een soodanige wyse van redeneren, die niet alleen oneigen is aan de gewoonte der ding-talen, maar ook geheel strydig met de spraak van onse Regt-banken, alhoewel ik verhandele een geregtelyk geding, voor de openbare Vierschaar, daar men hier pleit op de burgerrolle, in ’t aanhooren van een Voorsittenden stads Regter, een man van uitmuntende deftigheden, en in de tegenwoordigheid van uitgekoosen mede-Regters, in dese groote vergaderinge en byeen-komst van geleerde menssen; soo versoek ik van u alle, dat gy my in dese eene regtssaak die beede toestaat, die best voegt aan onsen beklaagden, en u alle, gelyk ik verhoop, niet verdrieten sal; op dat ik, met een weinig meerder vryheid van spreeken, verdeedige d’oeffeningen [p. 4] der vrye konsten en taal-kennis; nadien ik pleite voor een seer deftig digter, en een bovengemeen geleerd man, my bediene van uwe tegenwoordige goedgunstigheid, nu wy verkreegen hebben een daar toe niet ongenegen Opperregter; en nu men hier pleit voor een man, die, van weegen syn stil leeven en geleerdheid, de regtsvorderingen en haare gevaaren nooit gekent heeft. Soo vergun men my dan, dat ik spreeken mag met een geheel nieuwe, en aan de Pleit-besorgers ongewoone wyse. Indien my dese beede van u sal toegestaan en ingewilligt worden, soo neem ik aan, dit te bewysen, en staande te houden dat gy met my verstaan sult, dat men desen A. Licinius, naadien hy alreede onder het getal is van onse burgeren, niet alleen niet behoorde van syn verkreegen voorregt te berooven, maar indien hy ook geen burger was, onder deselve soude moeten aanneemen.
    III. Soo haast Archias syne kindse jaaren was ontwassen, en sig ontslagen had van de konstlessen, waar door de jongelingen bequaam gemaakt worden tot een hooger geleerdheid; en begeeven tot de beesigheid van iets te schryven, soo heeft hy haastelyk uitgeblonken in beroemdheid van verstand booven anderen te Antiochie; want hy is gebooren in die voortreffelyke en wel eer wytvermaarde stad, die in rykdom, geleerde mannen, en alle vrye letteroeffeningen bloeide. Naa desen heeft men syne overkomst in d’andere gedeelten van Klein Asie, en geheel Griekenland soo in aansien gehouden, dat het verlangen van dien man overtrof de beroemdheid van syn verstand; en, syne tegen- [p. 5] woordigheid, en de verwonderinge over hem te booven ging het verlangen naar hem. Italië bloeide in dien tyd in alle Griekse konsten en wetenschappen; en dese verstand-oeffeningen waaren toenmaals self by onse Latynen in grooter waarde en agtinge, dan nu wel in deselve steeden. Jaa hier binnen Roome wierden sy doorgans niet versuimt; want men leefde in een diepe vreede en rust. Aldus dan hebben de Tarentyners, Rheginensen en Neapolitanen desen man beschonken met hun burgerregt, en andere voordeelen en gunst-bewysingen; soo dat ook alle die een goed oordeel en gevoelen hadden van beroemde verstanden, Archias hunne kennisse en bywooninge waardig kenden. Met sulk een groote beroemdheid van syn naam is hy binnen Roome gekoomen, afweesende al bekend geworden synde, toen Marius en Catulus Burgermeesters waaren. Hy verkreeg voor eerst twee Burgermeesters, waar van d’een hem verschafte groote en deftige krygsdaaden; maar d’ander ook behalven syne oorlogs werken oordeel en kennis van geleerde schriften. Terstond noodigden de Lucullen, om by hen te woonen, Archias, die toen nog de jaaren van syne eerste jongelingschap niet voleindigt had. Dit mag men ook wel rekenen een voordeel geweest te syn, niet alleen van syn verstand en geleerdheid, maar ook van syn goeden inborst en opvoedinge, dat de Heeren van het huis en geslagt, het geen hem in syne jongelingschap ’t allereerst beminde, ook in syne oude jaaren syne gemeensaamste Vrienden waaren. In dese tyden was hy wel gesien by Q. Metellus van Numidie, en by syn soon Pius; M. Aemilius was een van die dage- [p. 6] lyks in syne lessen quamen; hy leefde heel gemeensaam met Q. Catulus, den vader en soon; L. Crassus hielde hem in waarde; en aangesien de Lucullen, en Drusus, en d’Octavien, en Cato, en het gantse geslagt van de Hortensien sig alle aan hem verpligt hielden in eene geduurige gemeensaamheid, so bewees men hem overal groote eere, om dat hy in aansien was niet alleen by de geene, die iets schryven, of leeren wilden, maar ook by die het moogelyk veinsden.
    IV. Ondertussen een geruimen tyd daar naa, als hy met L. Lucullus naar Sicilie gereist was, en wanneer hy met den selven Lucullus uit dat Landschap wederom keerde, soo is hy te Heraclea gekoomen. Overmits nu dese stad met seer voordeelige voorregten en verbonden het Rooms burgerregt besat, soo sogt hy aldaar voor Burger aangenoomen te worden, en hy verkreeg het van de Heracleërs, soo wel om dat hy het door sig waardig geoordeelt wierd, als om d’agtbaarheid en gunst van Lucullus. Aldus is hy Rooms Burger geworden, volgens dese wet van Silvanus en Carbo, Soo’er eenige vreemdelmingen mogten in der Bondgenooten Poortersteeden voor burgers aangenoomen weesen; byaldien sy naa d’afkonding van die wet hun vaste woonsteede in Italie altoos gehouden; en binnen de tsestig daagen by den stads opperregter sig hadden aangegeven, of voor soodanigen bekend gemaakt. Aangesien onse Archias nu tsedert veele jaaren syn vaste woonstede te Roome heeft gehouden; en sig aangegeven by den Opperregter Q. Metellus, syn seer gemeensamen vriend; soo behoeve ik niet een woord meer te seggen, indien wy alleen spreeken over ’t burgerregt, en de meeninge van de [p. 7] wet; en dese saak is ten vollen afgepleit. Want, Gratius, wat van dese dingen sult gy konnen ontkennen? Sult gy loogchenen, dat hy te dier tyd onder de Heracleërs voor burger is aangenoomen? M. Lucullus, een man van den eerden rang, en ’t hoogste gesag, deugdelykheid en trouw, is hier tegenwoordig; die geeft voor en belyd, niet dat hy het alleen meent, maar wel weet; niet dat hy het weet van hooren seggen, maar dat hy’er een ooggetuige van is geweest; niet dat hy’er slegts tegenwoordig was, maar dat hy het selfs heeft te weege gebragt. Hier siet gy de Gesanten van Heraclea, seer aansienlyke mannen, die van weegen dit geding, met stads beveelen en getuigenisse, tot ons syn gesonden, en voor de Regtbank verscheenen, getuigende; dat dese man een aangenoomen burger is van Heraclea. Maar gy eist nog, dat men u doe sien de stads burger-rollen van Heraclea, die wy alle weeten, dat in den Italiaansen oorlog met de stads handvesten syn verbrand. Het is te belagchen, op de dingen, die bygebragt konnen worden, niets t’antwoorden; en te vraagen, of t’eissen de dingen, daar men niets van hebben, nog seggen kan; en aangaande de geheugnis der menssen niets te willen bybrengen; en nogtans ook niet af te staan, van t’eissen d’aanwysingen der schriftelyke blyken. En daar men sig beroepen kan op de goede trouw van een der voortreffelyste mannen, en op den eed en ’t getuigenis van een seer getrouwe en geloofwaardige Burger-stad; te verwerpen de dingen, welke geensins vervalst en min gelooflyk gemaakt konnen worden, en daar tegen staande te blyven, op ’t geen men self bekennen moet, dat vervalst en verlooren kan wor- [p. 8] den. Heeft dese man syne vaste woonplaats te Roome niet gehouden, die tsedert soo veel jaaren voor syn verkreegen Burgerregt in Roome gehad heeft een vast verblyf van al syn welvaren, en van alle syne goederen? Maar nooit heeft hy sig by eenigen Opperregter als burger aangegeven. Sekerlyk daarentegen staat hy als burger aangeschreeven in de burgerrollen. die van weegen hunne naauwkeurige opschryvinge, en ten overstaan van dat aansienlyk ligchaam der stads Opperregters, wel meest gehouden worden te zyn d’eenigste en goedgekeurde monsterrollen. Want nademaal de stads registers van Appius gehouden wierden niet met de grootste toesigt en naarstigheid te syn bewaart; en naadien d’onagtsame losheid van Gabinius, soo lang hy in aansien bleef; en syn ongelukkigen staat, naa dat hy, opentlyk voor regt geroepen synde, was verweesen en gebannen, vernietigt hadden het goed geloof van de by hem gehoudene opschryvinge der burgeren: soo heeft Metellus, een man altoos geagt voor seer opregt en van een deugdsaam leven, die neerstigheid aangewent in d’aantekeninge van de Burgery, dat hy ook, by den Opperregter L. Lentulus en syne amptgenooten koomende, beleeden heeft; hoe ongerust ny daar over was, dewyl’er in den naam van eenen burger iets uitgeschrapt gevonden wierde. In dese burgerrollen dan van Metellus wort de minste smet niet gevonden in den naam van A. Licinius.
    V. Aangesien het met die dingen nu soo geleegen is, wat redenen syn ’er, dat men aan deses mans burgerschap twyffelen sou, die daar boven in andere Burger-steeden mede als burger is aangenoomen. Want nademaal d’inwoo- [p. 9] ners van de Griekse steeden in Italie voor niet het burgerregt opdroegen, ook aan menssen van een middelbaren staat, en in geene konst, of in een geringe en veragte, beroemt, soo sal ik wel gelooven willen, dat de Locrensen, Neapolitanen en Tarentyners aan deesen man, uitmuntende in alle gaven van ’t verstand, hun burgerregt souden geweigert hebben, waar mede die stedelingen begunstigden ook selfs bekende tooneel-speelders. Hoe? daar tsedert aan d’Italiaanse steeden het burgerregt door den Raad vergunt is,en ook nog naa ’t verbod van d’onwettigheid in ’t toelaaten van vreemdelingen, by de wet Papia vastgestelt, dies niettegenstaande veele soo nu en dan in d’aantekeningen der Burgeren dier Burger-steeden syn ingesloopen; soo sal men, seg ik, desen man, die sig van de bewysen, uit soodanige steeden gehaalt, daar hy ook voor burger aangenoomen is, geensins wil bedienen, van syn burgerregt versteeken, om dat hy altoos heeft willen gehouden syn voor een burger van Heraclea? Gy dan nog beroept u op de rollen van onse Schatmeesters; want het is niet genoeg bekend, dat in de laatste opteekeninge der Schatmeesters onse man by dien vermaarden Veldheer L. Lucullus in den kryg en in ’t leeger sig heeft opgehouden; en dat hy geduurende de bedieninge der naast voorgaande Schatmeesters, by den selven L. Lucullus, ontfanger van ’s Lands middelen, in Asie altoos is gebleeven; of dat onder d’eerst voorgaande Schatmeesters Julius en Crassus geheel geene opteekeninge van der burgeren staat en middelen is gemaakt. Maar aangesien de schattinge der burgeren in ’t minste niet bekragtigt iemands verkreegen burgerregt, waar in deselve alleen aan [p. 10] wyst, dat d’aangeteekende persoon in de schatting-boeken, sig te dier tyd als een burger heeft gedraagen; soo sal men van onsen Archias bewysen konnen, dat hy, op die selve tyden, daar gy van voorgeeft, dat hy, volgens syne eigene bekentenis,* het burgerregt sig niet sou hebben aangematigt, meenigmaal syn uiterste wil gemaakt heeft, volgens het regt der Roomse burgeren, en ook d’opdragt ontfangen der aanbestorvene erffenissen der Roomse burgeren; en dat L. Lucullus in syn Opperregterschap, en als Burgermeester, ter stads schatkaamer syn naam heeft doen opschryven onder de geene, welke eenige belooninge om hunne goede diensten te verwagten hadden.
    VI. Sie vry om naa andere bewysreedenen, soo gy kond; nooit sal dese man wederlegt worden, ter saake van syne belydenis, nog met de getuigenislen van syne vrienden. Maar gy sult my, Gratius, booven dien nog vraagen, wat’er voor redenen syn, dat wy in Archias soo een groot behaagen scheppen. Hy is de geene, die ons overvloedige stof verschaft, waar mede ons gemoed sig verlustigt naa dit pleitgeraas; en waarin myne ooren, moede van der vierscharen mond-krakkeel, hunne rust vinden. Wat meent gy? dat wy wel bereid konnen syn, in ’t geene ons dagelyks valt te seggen, by soo een meenigte van in alles verschillende pleitredenen, ten sy wy geduurig ons selven door de geleerdheid verrykten; of dat ons verstand dese nooit ophoudende besigheeden en twistredenen sou verduuren konnen, ten waare wy ons wederom met deselve geleerde oeffeningen vermaakten? Ik belyde gaarne, dat ik de geleerdheids arbeid seer bemin. Laaten sig anderen [p. 11] schaamen, die sig selfs ook in de wysheids lessen soo begraaven hebben, dat sy niets daar van ten gemeenen voordeel konnen iemand doen verstaan, of het oordeel en ’t gesigt van al de weereld onderwerpen. En wat behoeve ik my daar over te schaamen, Heeren Regters, indien ik tsedert veele jaaren soo voor my selfs leeve, dat geene leedige uuren my hebben afgetrokken, om iemand dienst te doen in syne ongelegendheden; of om hem aan syne voordeelen te helpen; nog dat’er my de vermakelykheeden in verhindert hebben, jaa ook de slaaprust daar van afgehouden. Wie is hy dan, die met eenig regt daar in my bestraffen sou, of billik daar over t’onvreeden syn; indien ik voor my, om de letter-oeffeningen doorgaans waar te neemen, al den tyd besteede, die andere menssen gegeven word, om hunne noodige saaken te verrigten; die eenige gebruiken om de heilige dagen te vieren, en de schouspeelen by te woonen; soo veel tyds anderen in hunne wellusten doorbrengen, en self tot noodsakelyke verquikkinge van hunne leeden, en van hun geest; soo veel anderen sig gunnen tot geoorloofde en tydige gasteryen, en anderen tot het bal slaan, en het dobbelspeelen. Dit behoorde men my ook soo veel te meer in ’t goede af te neemen, om dat uit d’oeffeningen van die geleerdheid dese myne reeden, en alle de bequaamieid van ’t pleiten mede gehaalt, en in waarde gehouden word, dewelke, hoe gering s’ in my mag gevonden worden, nogtans myne vrienden in hunne ongelegendheeden nooit verleegen heeft gelaaten. Maar indien dese dingen minder van eenige geagt wierden; ik weet nogtans by my selfs wel, uit welke bron-aader ik d’al- [p. 12] lervoortreffelykste saaken haale. Want indien ik van kindsbeen af niet gesogt had, my in te boesemen door de lessen van veele deftige mannen, en ’t leesen van hunne schriften; dat men in ons leeven nergens grootelyks naar te tragten had, dan naar lof en deugd; en dat men om daar toe te geraaken alle gevaaren van de dood en ballingschappen moest versmaaden; soo sou ik my nooit voor uwe behoudenis en welvaren in soo veele en groote vyandschappen geworpen hebben, nog my alle dagen bloot geltelt voor ’t geweld en d’aanvallen van die overgegeven snoode menssen. Hier van syn ook alle boeken opgevult; dit leeren ons aller wyser mannen spreuken; en alle eeuwen syn vol van diergelyke voorbeelden; dewelke alle te samen in een duistere nagt versmoort en vergeeten souden leggen, ten waare het ligt der geschiedenissen deselve ons klaar voor d’oogen stelde. Hoe veele tafereelen van d’eedelmoedigste en braafste mannen worden ons niet vertoont, soo wel by Griekse als Latynse schryvers, niet om alleen geweeten en beschout, maar ook om naagevolgt te worden? En ik door ’t overdenken van dese dingen, schikte my daar naar, en bevestigde myn gemoed dagelyks in dat goede opset, terwyl ik bekleede de grootste ampten van onse staat.
    VII. Iemand mogt vraagen: Syn die voortreffelyke mannen, welker braave daaden en deugden in d’oude schriften geleesen worden, onderweesen geweest in de geleerdheid, die gy soo boven maaten pryst? Dit sou ons swaar vallen, om van alle met verseekering te seggen; eevenwel is my niet onbekend, wat ik antwoorden moet. Ik belyde gaarne, dat’er veele geleeft hebben van een [p. 13] ongemeene wysheid en deugd, die ook sonder eenige geleerdheid, door de voortreffelyke en bynaa Goddelyke hoedanigheid van hunnen inborst en aard, uit sig self geweest syn niet alleen gemaatigde, maar ook deftige en agtbare mannen. Ik sal ’er dit nog bydoen: dat veelmaalen, om lof en eer te verdienen, de natuur meer heeft uitgeregt sonder de geleerdheid, als wel de geleerdheid sonder de natuur. En ik self houde ook staande: Wanneer by een uitsteekende en voortreffelyke natuur komt eenige wyse bestieringe, en onderregtinge van de geleerdheid, dat alsdan voortgebragt word iets (ik weet het niet uit te spreeken) dat buiten gemeen heerlyk en voortreffelyk is. Ik oordeele, dat onder dit getal gerekent moet worden, dien onse voorouders gekent hebben, Africanus, een bynaa Goddelyken man; onder dit getal behooren C. Laelius en L. Surius, seer gematigde menden en wel leevende; een van dese mannen is geweest de seer eedelmoedige, en naar die tyden, seer geleerde man, d’oude M Cato. Dese menssen voorwaar, soo sy gelooft hadden, dat sy om de deugd wel te kennen, en te betragten, geen hulpmiddel in de geleerdheid vonden, soo souden sy sig nooit daar op gelegt hebben, om deselve t’ondersoeken. Maar indien ook dit groot voordeel in de geleerdheid niet te vinden was; en soo maar alleen uit dese verstand-oeffeningen eenig vermaak gehaalt kon worden; eevenwel, gelyk ik het daar voor houde, diende men t’oordeelen, dat dese uitspanninge van besigheeden des gemoeds gehouden moest worden voor seer eigen aan een mens, en seer eerlyk. Want alle andere vermaakelykheeden komen niet wel over [p. 14] een met alle tyden, leevens ouderdommen en plaatsen. Alleen dese letter-oeffeningen scherpen de jonkheid, vermaaken d’oude, syn een vercieringe in de voorspoed, een toevlugt en vertroostinge van de tegenspoed, vermaaken ons te huis, verveelen en verhinderen ons niet, als wy buiten syn, vernagten altyd met ons, versellen ons op reis, en onderregten ons ook in de landbouwery. Self mede soo het onse gelegenheid niet was, om ons in die geleerdheid t’oeffenen, en haare vergenoegingen by ons self t’ondervinden; eevenwel voegde het ons wel, dat wy ons daar over verwonderden, als wy aanmerken de geene, die’er boven anderen in uitmunten.


[...]

    X. Hebben dan onse Voorvaderen dien burger van de Rudiers, die dese dingen in digt beschreeven had, met het burgerregt begiftigt; en sullen wy desen Heracleër, van veele steeden aangesogt, en door de wetten in ons burgerschap bevestigt, van syn burgerregt versteeken, of berooven? Maar indien mogelyk iemand geloofde, dat minder vrugt van eer uit Griekse, dan uit Latynse verssen te haalen was, die vergist hem grootelyks.* Want de Griekse schriften worden bynaa van alle volkren verstaan en geleesen; terwyl de Latynse beslooten blyven binnen hun eigen, dat is, voorseeker min uitgebreide landpaalen. Indien dan de groote daaden van ons volk sig soo wyt uitstrekken, als’er bewoonde landen in de weereld syn, soo moeten wy wenssen; dat onse beroemdheid en eer ook tot soo verre doordringen, als tot daar wy de schrik van onse wapenen gebragt hebben. Maar indien dese dingen groot en heerlyk syn voor geheele natiën, welker daaden ons beschreeven worden; voorseeker sy syn dengeenen, die voor hunne eer en leeven vegten, de grootste aanprikkelinge, om alle moeiten en gevaaren t’ondergaan. Van Alexander de Groote wort verhaalt, dat hy in syn gevolg veele aantekenaars en beschryvers van syne daaden heeft gehad. En nogtans seide hy, toen hy op ’t Voorland [p. 19] van Sigeam by het graf van Achilles stond: ô gelukkige jongeling! die Homerus tot een verkondiger van uwc dapperheid verkreegen hebt. En hy had’er goede reeden toe. want ten waare d’Ilias van Homerus ons was naargelaaten, soo soude het selve graf, dat Achilles ligchaam bedekte, ook syn naam verduisterd, en begraaven gehouden hebben. Soo mede onse Pompejus Magnus, die syn geluk met syne strydbaarheid heeft gelyk gemaakt, begiftigde, in ’t aansien van ’t gantse leeger, Theopompus, de beschryver van syne oorlogen, met het burgerregt; en de meenigte der dappere mannen, en onse burgers, maar boeren en soldaaten, door eene soete aantreklykheid van eer bewoogen en geraakt, als deelgenooten aan dien lof, hebben dese daad met een krygsgeschreeuw voor goed gekeurd. Ik sal mitsdien wel gelooven; indien Archias, volgens de wetten, geen Rooms-burger was, dat hy niet heeft konnen uitwerken, om door een van onse Leegervoogden met het burgerregt beschonken te worden? Ik geloof ook; dat Sulla, die Spanjaarts en Franssen tot burgers aanstelde, desen man, sulx versoekende, sou afgeweesen hebben? Eevenwel hebben wy gesien, toen een slegt Digter uit het volk Sulla een geschrift in de hand stak, als die een Puntdigt met verwisselde korter en langer verssen op hem had gemaakt, dat deselve Sulla beval, den man een vereeringe te geeven, onder dese voorwaarde; dat hy daarnaa niets meer schryven soude. Die de naarstigheid van een quaad Digter oordeelde eenige vergeldinge waardig te syn, sou niet uitnemende bemint hebben ’t groote verstand van dese man, en syne voortreffelyke deugd, in iets te schryven? Hoe? sou Archias van [p. 20] Q. Metellus Pius, syn boven gemeene vriend, die alleen veele burgers heeft gemaakt, het selve op syn versoek, of op de beede van de Lucullen, niet verworven hebben? daar egter Lucullus, die soo gants seer wenste; dat syne daaden beschreeven wierden, met genegendheid hoorde de Digters van Corduba geboortig, welker schriften ongeschaaft waaren, en met vreemde woorden opgevult.
    XI. Men dient ook geensins t’ontveinsen, ’t welk niet kan verborgen syn, maar vry uit gesegt moet worden. Wy alle syn ingenoomen met eene liefde van eer; en d’allerbeste man wort meest door een groote lof bewoogen. Self de wysheids-lievende mannen stellen hunne naamen voor die boeken, die sy schryven, om lof en eer te versmaaden: en aldus soeken sy gepreesen en vermaard te worden, ook door die reedeneringen, waar mede sy veragten alle lofreedenen en beroemdheid. Heeft niet Decimus Brutus, een seer groot man en Krygsvoogd, de portalen en deuren van syne tempelen en gebouwen opgeschikt, en verciert met de verssen van syn groote vriend Attius? Van gelyken Fulvius, die, tegen d’Aetoliers oorlogende, Ennius onder syn gevolg had, ontsag sig niet, de geroofde goederen van d’oorlogs-god Mars te wyen aan de Sang-godinnen. So moeten dan de getabberde Regters geen afkeer hebben van d’eer der Sang-godinnen, en ’t welvaren der Digteren in eene stad, daar de bynaa geharnaste Veldheeren de naam der Digteren, en de tempelen der Sanggodinnen geviert, en aangebeeden hebben. En op dat gy dit te liever doen moogt, Heeren Regters, soo sal ik u myne gedagten openbaren, en eene [p. 21] ware belydenis doen aangaande myne, mogelyk veel te driftige, en nogtans deugdsame liefde der beroemdheid en eer. Want dese man heeft begonnen in een gedigt te beschryven, en te verhandelen de daaden, die ik te samen met u in myn Burgermeesterschap uitgevoert heb, voor de behoudenis van dese stad, van onse gantse Heerschappy, en het leeven van alle desselfs burgers en ingesetenen. En ik heb hem geraden, dat werk te voleinden, en af te maaken; soo haast ik ’t verstonde, om dat ét my als een groote en aangename saak voorquam. Want de deugd en dapperheid staat naa geene andere belooninge van hare uitgestaane moeiten en gevaaren, buiten dese lofreedenen en de beroemdheid. En als men aan de deugd die loon onthoud, Heeren Regters, waarom is het, dat wy, geduurende dese geringe en korte leeftyd, ons in soo veele moeiten steeken? En voorseeker, soo ons gemoed geen insigt had op de toekomende eeuwen; en soo wy, binnen de bepalinge van ons tydlyk leeven, beslooten hielden alle onse begeerten en gedagten; soo sou niemand sig in soo veele ongemakken afmatten; nog met soo veel waaken en sorgen bekommeren; jaa ook self om de gerustheid van dit leeven stryden. Maar nu legt’er in ’t hert van de braafste man eene deugd opgeslooten, die ons gemoed dag en nagt opwekt, door prikkelen van eer; en ons doet gedenken, dat wy binnen de tyd van dit aardse leeven de gedagtenis van onsen naam niet besluiten, maar met alle onse nakomelingen gelyk moeten stellen.
    XII. Moogen wy alle, die dagelyks, in lyf- en leevens gevaaren, met veele moeilykheden, voor [p. 22] ’t gemeene best onsen tyd besteeden, dese kleinmoedige gedagten wel in onse herten voeden; dat wy souden meenen; dat met ons alles dood en gestorven weesen sal, ook wanneer wy, tot het laatste oogenblik van ons leeven, ons geene rust, nog vrye, en vreedsame tyd vergunt sullen hebben? Of daar veele menssen met groote vlyt tragten naa te laaten schilderyen en beelden, niet van hunne gedagten en gemoed, maar van hunne ligchamen; sullen wy niet veel liever begeeren, om te doen overblyven eenige verbeeldingen onser besluiten, voorneemens, en deugds-oeffeningen, van voorname verstanden opgestelt, en wel beschreeven? Ik voor my geloofde, dat ik aan d’eeuwige geheugnis van de geheele weereld, om vermeld en verbreid te worden, myne daaden opdroeg, en toevertroude, terwyl ik in d’uitvoeringe van deselve beesig was. Maar byaldien alle geheugnis, naa myn overlyden, met my uitgeblust sal weesen; of gelyk het de wyste menssen altoos sig hebben ingebeelt, indien die nog eigen syn sal aan eenig gedeelte van myn gemoed, soo, vermaak ik my alreede met de hoop en overdenkinge van deselve. Derhalven, Heeren Regters, houd d’eer op, en verdeedigt een man van een soodanige eersame agtinge, gelyk se van de genegenheid syner vrienden wordt goedgekeurt; van dat aansien, en van die lieftallligheid, maar ook van soo een groot verstand, ’t geen door de geleerdheid der deftigste mannen is aangesogt geweest; en die soo eene goede saak heeft, dat sy bevestigt wort door de gunstbewysing van de wet, d’agtbaarheid van syne burgerstad, het getuignis van Lucullus, en de burgerrollen van Metellus. Aan- [p. 23] gesien dan dese dingen alsoo syn; soo bidden wy u, Heeren Regters, indien niet alleen eenige mensselyke, maar ook Goddelyke aanbeveelinge iets vermag, in soo gewigtige saaken, dat gy hem, die of u self, of uwe Veldheeren, en de daaden van het Roomse volk altoos heeft verheerlykt; en die ook voorgeeft, dat hy een eeuwig-blyvend lof beschryven sal voor dese onse en uwe, ter naauwer nood, onlangs overgebragte gevaaren, en binnenlandse swaarigheeden; en die een man is onder ’t getal van de geene, die by alle menssen voor altoos heilig genaamt, en gehouden syn; alsoo aanneemt in uwe trouwe, dat hy door uwe vriendelykhcid meer verquikt, als wel door uwe harde strengheid beleedigt geweest te syn, schynen mooge. ’t Geen ik nu belangende de saak self, naa myne gewoonte, in ’t kort en eenvoudiglyk heb voorgedraagen, wil ik vertrouwen, dat van u alle sal goedgekeurd worden. Maar hetgeen ik gesprooken heb, buiten alle gebruik der regtsgedingen, en tegen de gemeene manier van ’t pleiten, soo wel betressende deses mans geleerdheid en verstand, als in ’t algemeen aangaande syne letteroeffeningen, die dingen, verhoop ik, Heeren Regters, dat gy my ten besten sult afgenoomen hebben; gelyk ik ’t seeker weet gedaan te syn van hem, die in dit gerigte de voorsittendc, en voornaamste plaats bekleed.

Continue

[p. 158]

I. REEDEN-VOERING

van

M.T. CICERO

Tegen

L. SERGIUS CATILINA.

Inhoud.

L. Sergius Catilina, van Raaden afkomst, en onlangs Land-voogd in Africa, gedwongen door armoede, uit eene verquistende overdaad en grootsheid gesprooten, is tot die gedagten vervallen, om sig te verryken, en groot te maaken door ’t berooven en verbranden der stad Roome, en ’t vermoorden der voornaamste, en rykste Heeren en Burgeren. Hy wierd geholpen door Lentulus, ten tweedemnaal ’t Opperregtersampt bedienende, en door Cethegus, met meer anderen van de voornaamste Eedelen neevens de bedurvenste en snoodste van de Roomse jonge manschap. Wanneer hem nu meenigmaal gemist hadden, en verydeld waaren syne heimelyke laagen, die hy, om de Burgermeesteren, en syne tegenstreevers om te brengen, besteld had, in de byeenkomsten der Burgery of den Markt, [p. 159] [...]




[p. 163]

I. HOOFDSTUK.

HOe lang nog sult gy, Catilina, onse langmoedigheid misbruiken? Hoe lang sal uwe woedende raserny onse wraak nog trotsen? Hoe lang sal het duuren, dat gy op uwe onbedwongene stoutheid u sult beroemen, en verhoogmoedigen? Syt gy nog niet ongerust en ontsteld, nu men de wagten van het Hoff en van de Stad des nagts verdubbelt; nu het gantse volk in vreese leeft; nu alle eerlyke menssen de hoofden te saamen steeken? let gy daar niet op, dat den Raad vergadert in eene plaats van rontom met sterke wagten beset? kan u het aansien en ’t gesigt van dese Heeren niet ontroeren? siet gy nog niet, dat wy wel syn onderregt, van ’t geene gy hebt voorgenoomen? en kont gy niet begrypen, datmen uwe tsamensweeringe in bedwang hout, omdat wy die nu alle weeten? Wie van ons meent gy, dat onkundig syn kan; wat gy dese en de naast voorleedene nagt hebt verhandeld; waar gy geweest syt; wat voor slag van menssen gy had by een doen koomen; wat gy daar beslooten hebt, en gedaan? O bedorven tyden, en seeden! De gantse Raad heeft volle kennis van dien vuilen aanslag; en de Burgermeester weet het seekerlyk. Eevenwel leeft Catilina nog; en niet alleen leeft hy; maar hy verschynt ook in den Raad; en hy stemt self mede in de Raads besluiten; en aldaar [p. 164] kiest hy uit, en schikt ons, een voor een, om vermoord te worden. Maar wy eedelmoedige mannen doen overvloedig genoeg voor ’t Gemeenebest, wanneer wy slegs ontgaan de raserny van desen man, en syn doodlyk moordgeweer. Myn pligt, als Burgermeester, was het al voorlang geweest; dat men u, Catilina, om de halsstraf t’ondergaan, had bevoolen in versekering te neemen: en het betaamde wel, dat gy die uiterste elende leed, daar gy tsedert lang getragt hebt, ons alle in te storten. D’Opperpriester P. Scipio, dien het niet voegde, sig te bemoeien met geregtelyke strafoeffeningen, heeft met syne eigene handen wel derven ombrengen Tiberius Gracchus, allenlyk om dat hy tweedragt en oproe in de regeringe sogt te verwekken: en wy, Burgemeesters, laaten Catilina vry en ongestraft leeven, die syn uiterste best doet, om de heerschappy van ’t magtigste Ryk in de geheele Weereld, met moorderyen en brandstigtingen te verwoesten. Ik wil dan van die oude dingen niet eens spreeken; hoe Q Servilius Ahala, met eigene handen gedood heeft Sp. Melius, die sig self dagt groot te maaken, door eene nieuwe verandering in de Regeeringen. Die tyden syn voorby: en wel eer was het by ons in gebruik; dat kloekmoedige mannen swaarder straften eenen aan ’t gemeen schaadelyken burger, dan wel eenen uitlandigen, en op ons verbitterden vyand. Want ook nu alreede, Catilina, legt ’er tegen u een streng en swaar Raads-besluit: en het ontbreekt de Regeeringe geensins aan goed berigt; en dese Raads-vergaderinge behout ook nu d’agtbaarheid van hare magt: maar dit segge ik vry uit, wy Burgermeesters, wy alleen syn te naalatig in onse pligt.
[p. 165]
    II. Wel eer had den Raad eens aan L.Opimius den Burgermeester, die magt, by een eenparig besluit, opgedraagen, dat hy toesien soude, dat de Regeeringe geene schaade wierd toegebragt; nog dien selven dag doode men C. Gracchus, alleen maar op argwaan van eenen gesmeeden oproer, hoewel hy afkomstig was van seer beroemde Voorouders, Vader en Grootvader. Toen wier mede omgebragt d’oud Burgermeester M. Fulvius, en fyne kinderen. Met een diergelyk Raads-besluit syn voorsien geweest de Burgermeesters C. Marius, en L. Valerius, ten voordeel van ’t gemeen. Wagte men wel eenen dag, om aan het leeven te straffen voor ’t gemeene welvaaren den Gemeensman L. Saturninus, en den Stads Opperregter C. Servilius? Wy Burgermeesters laaten nogtans nu alreede twintig dagen, by ons te weinig gelden d’agtbaarheid van desen geheelen Raad. Want wy syn ook voorsien met eene soodanige magt: en wy bewaaren onder ons dat Raadsbesluit, gelyk eenen deegen in de scheede; uit kragt van hetwelke men u, Catilina, terstond had moeten en vermoogen om te brengen, en aan het leeven te straffen. Eevenwel gy leeft nog, ja gy leeft, niet om uwe vermeetenheid te verlaaten; maar om deselve te bevestigen. Beschreeven Vaaders, Ik wens barmhertig te moogen weesen: ik begeer, in dese overgroote gevaaren van onsen Staat, niet voor al te los en ligtvaardig gehouden te worden: maar alreede ken ik my selven schuldig aan bloohertigheid, en een merkelyk versuim. In ’t gebergte van Toscanen, heeft men nu al een heirleeger tegen onsen Staat op de been gebragt, en aldaar word de toeloop [p. 166] der vyanden van dag tot dag grooter. Maar de Veldheer van dat leeger, en de Krygsoverste van onse vyanden, onthoud sig binnen onse muuren, en self sien wy hem, in onse Raads-vergaderingen, eenen heimelyken ondergang dagelyks tot ons bederf brouwende. Indien ik nu Catilina beval; dat men u geboeid weg leide, en ombragt; ik houde het daar voor, dat ik sorgen moest; dat alle welmeenende Burgeren van gedagten syn, dat ik veel te laat dit besluit genoomen had; dan dat iemand sou segen, dat ik al te wreed met u handelde. Egter, het geene voor lang op myn bevel moest geschied syn, word ik om sekere redenen bewoogen, voor tegenwoordig niet te doen. Dan sal ik last geeven u te dooden, als men niemand meer soo ondeugende sal vinden, soo overgegeeven boos, en in alles u soo gelykende, die sou derven seggen, dat ik sulx met eenig onregt had gedaan. Soo lang ’er menssen leeven, die u willen voorspreeken, sult gy leeven: maar gy sylt niet anders leeven, dan gy nu leeft, omcingeld en bewaard synde van myne veelvuldige en sterke wagten; op dat gy u niet soud roeren, en ergens heen wenden konnen, in nadeelige aanslaagen voor den Staat. Ook sullen u (sonder dat gy het weet, of merkt) de oogen en ooren veeler Burgeren, gelyk tot nu toe is geschied, overal gaade slaan, bespieden, en bewaaken.
    III. Want, Catilina, wat is ’er, daar gy nu langer naar wagt; indien ook de nagt uwe vervloekte byeenkomstem niet kan doen verborgen blyven; en in geen een burgers huis versweegen wordt, ’t beslootene van uwe tsamensweeringe; soo alles [p. 167] aan het ligt komt; soo alles uitbreekt. Geloof’er my vry in; en staa af van uwe voorneemens; set uit uwe gedagten het moorden en branden. Overal syt gy gevangen; klaarder als den dag sien wy alle uwe aanslaagen. Ook staat het u vry, deselve met my eens t’overweegen. Het heugt u wel, hoe ik op den twintigsten van herfstmaand den Raad aandiende; dat den dag reets vastgesteld was onder den uwen, wanneer den trawant en uitvoerder van uwe verwaandheid C. Manlius, sig opentlyk in de wapenen sou begeeven; en dat dit gebeuren sou op den ses-en-twintigsten van dien maand. Heb ik wel gemist, Catilina, in eene saak van soo een groot gewigt, soo onmenslyk, soo gans ongelooflyk? En daar men hem nog meer over verwonderen moet; ik heb daen regten dag geweeten, en voorsegt. Ik self maakte den Raad ook bekend; dat gy het ombrengen van de voornaamste van onse Raaden, en Regeerende Heeren, vastgesteld had tegen den seeven-en-twintigsten des selven maands. En op dien selven dag sag men veele voornaame Raadspersoonen uit Roome trekken; niet soo seer om hun leven te behouden; dan wel om uwe aanslaagen te verydelen. Kont gy ontkennen; hoe gy op dien dag door myne sterke wagten, en door myne voorsigtigheid, soo wel aan alle syden waart belemmerd, en beset, dat gy u, tot naadel van den Staat, nog konde, nog derfde verroeren? Toen seide gy; dat gy om ’t vertrek der anderen niet gaaft, en met mynen dood, die in de Stad gebleeven was, u vergenoegd hielde. Hoe! Toen gy het Steedjen Praeneste, op den eersten van Slagtmaand, by nagt vast meende t’overrompelen; hebt gy [p. 168] niet bevonden, dat die door ons bevolkte plaats, op myn bevel, met myne wagten en soldaaten, en door myne voorsorg was beset, en gesterkt, Gy regt niets uit: gy onderneemt niets; gy denkt niets; dat van my niet alleen tydig wort gehoord, maar ook doorsien, en seer wel verstaan.
    IV. Dog eindelyk overdenk eens met my de laatst voorleedene nagt; daar uit alleen sult gy begrypen konnen; dat ik veel yveriger waak, voor de behoudenisse van onsen Staat; dan gy wel tot syne verwoestinge en bederf. Ik seg dan, in duidelyke en verstaanbare woorden, dat gy de naastvoorleedene nag geweest syt, in de straat der feissen-maakers, ten huise van M. Lecca. Aldaar waren ook by een gekoomen meer andere makker en deelgenooten van deselve raserny en groove schellemstukken. Derft ghy het ontkennen? Waarom Swygt gy? Ik sal u overtuigen, soo gy ontkent. Want ik sie hier eenige in den raad, die ’er ook neevens u fyn geweest. O onsterfelyke Gooden! In wat land syn wy hier? Hoe staat het met onse regeringe? In welke stad leeven wy? Beschreeven Vaders, hier, alhier, worden in onse Vergaderinge gevonden, in dese aansienlykste, en seer heilige bijeenkomst, en Raad van de geheele Weereld, vind men Leeden, die in hunne gedagten beslooten hebben, myne en onser aller dood en ondergang, en de verwoestinge van dese stad, en van de vreede des geheelen Aardboodems. Ik Burgemeester kenne, en sie die menssen, en vraag naa hunne gevoelens in staatssaaken. En die aanstonds met den swaarde behoorden gestraft te worden, beleedige ik nog niet door myne aanspraak. Catilina, gy syt dan dese [p. 169] nagt geweest ten huise van Lecca; gy hebt aldaar elk aangeweesen syn gedeelte van Italie; gy hebt vastgesteld waar naar toe sig ieder te begeeven had; gy verkoost dien gy te Roome laaten wilde, en die met u vertrekken souden; gy verdeelde de wyken van de Stad, daar men den brand eerst wilde stigten; gy verseekerde hen, dat gy nu sonder uistel op uw vertrek stonde; gy seide, dat ’er maar een geringe saak was, die u ophiel, om dat ik nog leefde. Toen vond men twee Roomse Ridders, die u van deese bekommeringe verlosten, en beloofden dat sy nog in dese nagt, voor ’t aangaan van den dag, my in myn rustbed dooden wilden. Alle die dingen syn my aangediend, soo terstond naa het scheiden van uwe vergaderingen; en ik besette myn huis met sterker wagten van alle kanten, Maar deede d’ingang weigeren, toen eeven die selve menssen quaamen, die gy gefonden had, om my in ’t opstaan te begroeten; en die ik aan veelen, en de deftigste mannen voorsegd had, dat op het selve oogenblik koomen souden.
    V. Dese dingen soo synde, Catilina, begeef u dan waar heenen gy had voorgenoomen; verlaat eindelyk eens dese Stad; de poorten staan voor u oopen; vertrek; het leeger van uwen Manlius wagt u, synen Veldheer, veel te lang; voer met u daar naar toe alle d’uwen, of ten minsten d’allermeeste; suiver onse Stad van dat ruigt; aldus sult gy my van eene groote vrees ontlasten, als wy maar van een gescheiden blyven door de Stads muuren en vesten; onder ons kont gy nu niet veilig leeven; ik sal het niet gedoogen; ik sal het niet lyden; ik sal het langer niet verdraagen. Wy [p. 170] syn d’onsterflyke Gooden de grootste dankseggingen schuldig, en wel insonderheid aan Jupiter, den Standhoudenden, den alleroudsten voorstander van onse Stad, dat wy nu soo dikwils behouden gebleeven syn, in dit schendig, schrikklyk en vyandig quaad, en bederf van den Staat. Het was nooit geraaden, dat men het welvaren en de behoudenis van het geheele Vaderland, meermaals in de waagschaal stelde, ten believen van eenig quaadmeenend mens. Hoe dikwils hebt gy, Catilina, tsedert ik tot Burgermeester ben gekoosen, my naar het leeven gestaan; terwyl ik my verdeedigde, niet door eene stads opgeregte lyfwagt, maar alleen met myne besondere en eigene naarstigheid. Wanneer ook onlangs, in de laatste Burgermeesterlyke Staatsvergaderingen, op het veld van Mars, gy had voorgenoomen, te vermoorden soo wel my den Burgermeester, als de Heeren, die neevens u naar ’t Burgermeesterampt dongen; soo verydelde ik uwe godloofde aanslaagen, door de meenigte van myne gewapende vrienden, sonder eenigen openbaaren oproer, of geweldpleeginge aan te regten. Eindelyk, soo dikwils gy my naar het leven stond, heb ik self, alleen door myn eigen beleid, uwe pogingen wederstaan, niet tegenstaande ik wel sag, dat myne dood met sig sleepte eene algemeene elende van den gantsen Staat. Maar nu dingt gy opentlyk naar d’ondergang van de geheele Regeeringe; naar ’t omsmyten en afbranden der Kerken van d’onsterflyke Gooden, en der Gebouwen van de Stad; naar het leeven aller onser Burgeren: en ten laatsten sleept gy met u ten bederve, en ter verwoestinge, gants Italie. Derhalven aangesien ik nog niet derf bestaan, [p. 171] ’t geen wel ’t voornaamste, eigentlyk ’t welvoeglykste is aan onse Heerschappy, volgens de scherpe tugt onser Voorouderen; soo sal ik het geene doen, dat het sagste is voor de gestrengheid, en voor ’t gemeene best het voordeeligste. Want indien ik nu bevel gaf, dat gy soude gedood worden, soo sullen onder ons overig blyven een geheel leeger van tsaamengesoorenen: maarindien gy (dat ik u tsedert lang geraaden heb) uit dese Stad verterk: soo sult gy deselve ontleedigen van alle het vuil geboeft, en ’t schaadelykste uitvaagsel der groote bende uwer rotgesellen. Wat is er in den weg, Catilina? Twyfelt gy nog op myn bevel te doen, ’t geene gy by u self alreede voorgenoomen had. Ik Burgermeester beveel u, onsen vyand, de Stad te ruimen. Vraagt gy my waar naar toe of in ballingschap? Dat beveel ik u niet, nogtans soo gy my om raad vraagt; ik raade het u.
[...]

Continue

[p. 187]

II. REEDENVOERING

van

M.T. CICERO

Tegen

L. SERGIUS CATILINA.

Inhoud.

CAtilina, in de voorgaande Reedenvoering van Cicero op ’t scherpste overtuigd, en bestraft, is terstond midden in de nagt uit Roome getoogen, naar ’t Leeger van Manlius; aan Lentulus, Cethegus, en synen overigen vloekverwanten bevoolen hebbende, hunne aanslaagen te verhaasten; aangesien hy in ’t kort, met een magtig Leeger, om hen te helpen, meende by der hand te syn. Maar Cicero roemt, in dese syne aanspraak, voor de Burgery gedaan, dat hy Catilina gedwongen had, Roome te verlaaten; klaagende, dat in de Stad gebleeven waren syne aansienlykste medepligtige, die dagelyks op den markt in ’t openbaar wandelden, en ook in den Raad verscheenen. Hy telt op vier soorten van tsaamengeswoorenen, die van Catilina afhingen, en in Roome gebleeven waren, waar tegen hy raad, dat de Burge- [p. 188] ry waaken wilde; maar hy bedreigt die menssen, dat by hen strenglyk sal vervolgen; soo ’er iemand van de tsaamengeswoorne bestaan mogt iets, tot nadeel der Stad en ’t Vaderland. Hy vermaant van gelyken de welmeenende; dat sy de Gooden openllyk danken souden; en van die alle verdere hulp en bystand bidden; aangesien voor Catilina nu soo seer niet gevreest kon worden, wiens heirkragt, om veele redenen, voor onnut, en t’onmagtig moest gebouden worden. Cicero heeft dese reeden uitgesprooken, ’s daags naa ’t vertrek van Catilina uit Roome, dat is des anderen daags naa de voorgaande. De Raad besloot op dese Reedenvoering; dat Catilina en Manlius verklaard souden worden voor vyanden des Vaderlands; en dat de Burgermeesters gemagtigd souden syn, om een Leeger te vergaderen, waar mede Antonius tegen Catilina moest te velde trekken.

    I. EIndelyk, en ten laatsten hebben wy uit dese Stad verdreeven, of versonden, of met onse redenen hem, vertrekkende, vrygelei verleend: die verwoed in raserny, op grouweldaden uit was, en godlooslyk synes Vaderlands ondergang smeede, jaa ook de Stad self met moord en brand dreigde. Hy is vertrokken, hy is weggereist, hy is het ont- [p. 189] koomen, hy is van onder ons uitgebrooken. Nu sal binnen onse stads muuren, onse erfwooningen en huisen, geene verwoestinge meer te vreesen syn, van dat wangedrogt, en ondier. Altoos, buiten alle teegenspreekinge, wy hebben den Krygsoversten van desen inlandsen oorlog tot dus verre overwonnen. Want nu sullen wy syn moordgeweer naast aan onse syde niet sien uitgetoogen; wy houden nu op te vreesen, of in ’t Vergader-perk der Gemeentens, of op de Markt, of in het Raadhuis, ja ook selt niet binnen de muuren van onse eigene huisen. Toen heeft hy alle syne waardigheeden en regten verlooren, wanneer hy uit de Stad verdreeven wierd. Nu sullen wy, sonder iemands tegenspreeken, met eenen verklaarden vyand, eenen regtvaardigen oorlog voeren konnen. Wy hebben dien mens in den grand bedorven, en roemrugtig overwonnen; toen wy hem genoodsaakt hebben, syne verborgene aanslaagen in eenen openbaren oorlog van struikrovery bekend te staan. Met hoe groote droefheid, meent gy, dat hy nu wel is bevangen, en ter nedergeslaagen, om dat hy syn moordgeweer, sonder iemands bloed te storten, met sig heeft genoomen; om dat hy, sonder my omgebragt te hebben, is weg getoogen, om dat wy hem den deegen uit de vuist gewrongen hebben; om dat hy, onse Burgery nog welvarende, en de Stad, sonder daar brandstigtinge en moorderyen in aan te regten, heeft moeten verlaaten. Nu legt hy, medeburgers, voor onse voeten als verslaagen; en bevint, dat hy is t’ondergebragt, en bedorven. Dikwils went hy syn gesigt te rug naar dese Stad, bedroefd, dat deselve uit syne alverslindende kaaken en [p. 190] klaauwen is gerukt En my dunkt, dat dese Stad daar tegen seer verheugd is, dat sy soo een verderflyk wangedrogt uitgebraakt, en sig daar van ontlast heeft.
    II. Maar is ’er nog iemand, gelyk wy alle moesten weesen, die my eeven daarom grootelyks wilde beschuldigen, waarover ik my nogtans in myne Aanspraak ten hoogsten verblyde, en self seegepraale, om dat ik, namentlyk desen doodelyken Staats-vyand, niet veel liever heb doen vastsetten, dan laaten vertrekken. Medeburgers, sulx is niet myne schuld, maar moet geweeten worden aan den staat van onse tyden. Al voor lang moest L. Catilina met de dood syn gestraft geweest: soodanig een swaar vonnis over hem, eiste van my de gewoonte onser Voorouderen, de gestrenge agtbaarheid onser Regeeringe, en het welweesen van onsen Staat. Maar hoe veele, meent gy lieden wel, dat ’er souden syn geweest, die myn aanbrengen aan den Raad niet souden geloofd hebben? hoe veele, die, om de dwaasheid van de daad, geen vermoeden daar van hadden? hoe veele ook, die Catilina souden voorgesprooken en beschermd hebben? en hoe veele, die hem om dese snoode daaden souden gunstig syn geweest. En, indien ik ook geoordeeld had; dat met synen dood ’t gevaar van ons alle was weggenoomen; soo had ik L. Catilina al voor lang doen ombrengen, sonder voor eenige nydigheid diesweegen, of ook voor myn eigen leeven te vreesen. Maar naadien ik bevond; dat ik, overmeesterd door den haat van veele menssen, geensins syne vloekverwanten sou hebben konnen naaspeuren, en verdelgen; indien ik hem, gelyk hy [p. 191] verdiende, had doen ombrengen; self naa dat ik de waarheid van de saak u alle bekend gemaakt, en beweesen had; soo heb ik het alleen hier toe getragt te brengen; dat gy opentlyk tegen hem konde oorloogen; wanneer elk een sien sou, hoe hy een openbaren vyand van ons was geworden. Hier uit nu, medeburgers, kont gy ligtelyk verstaan, hoe gants gering ik dese Lands-vyand agte; dewyl ik daar over ook verdrietig ben; dat hy alleen, van weinige verseld, uit onse Stad is vertrokken. Og of hy syn geheele Leeger van verraders met sig weggevoerd had! Tongillus heeft hy myne straf ontnoomen, dien hy, van eenen minderjarigen jongen af, oneerlyk beminde; als ook Publicius en Munatius, welker groote schulden, in de kroegen gemaakt, de Regeeringe niet hinderlyk syn konden. Maar wat andere voornaame mannen heeft hy in de Stad gelaaten? hoe grootelyks met veele schulden overlaaden? hoe vermoogende? hoe seer berugte? Bedenkt dat by u selven.
    III. Ik agt dienvolgens geheel niets hunne Leegertroepen, wanneer ik daar tegen stel onse Franse Benden, en de geworvene soldaaten, op de landeryen van Picenum, en in ’t Provencaale Vrankryk, door Q. Metellus; en als ik daar by voege de Leegers, die wy daaglyks overal op de been brengen. Want alle Catilinaas Krygsknegten, syn oude suffers, bedorve menssen, en versoopen landluiden, die hunne middelen hebben doorgebragt, en die, om hunne geregtelyke dagvaardingen t’ontvlugten, sig in synen krygsdienst hebben laaten aanneemen. Alle dese menssen sal den lust en den moed terstont ontvallen, als ik hen doe sien, niet alleen [p. 192] de welgestelde troepen van onse slagordens, maar self ook de vervolgingen, en indaagingen onser Opperregters. Veel liever wenste ik, dat Catilina met sig vervoerd had syne beste krygsgesinden, die ik,in eene groote meenigte dagelyks den Markt sie betreeden, voor het Raathuis hunne wagrplaats houden, jaa ook in den Raad verschynen, die naar welriekende salven stinken, en met purpere gewaaden pronken. Gedenkt ’er my by, soo lang dese menssen onder ons blyven woonen en verkeeren, sal men hen veel meer vreesen moeten, die Catilinaas Leeger nier gevolgd syn, dan wel alle desselfs krygsmagt en soldaaten. En dies t’ontsaglyker syn dese menssen voor ons, om dat sy wel weeten, dat my hunne voorneemens syn ontdekt, sonder dat sy sig sulx eenigsins schynen aan te trekken. Hier onder ons sie ik hem, dien de bestieringe van Apulie is aanbevoolen; dien men Hetrurie heeft aanvertrout; die voor sig versogt hebben het Landschap Picenum, en het Italiaanse Vrankryk; en die op sig genoomen hebben de bestellinge van de bestookene laagen, moorderyen, en brandstichtingen in dese Stad. Nu begrypen sy wel, dat my aangediend syn alle besluiten, die sy in dese laatst-voorleedene nagt onder sig hebben vastgesteld. En gisteren heb ik den Raad het geen ik will voorgedraagen. Catilina self is ’er door bevreest geworden, en heeft sig op de vlugt begeeven. Waar wagten dese menssen naa. Voorseeker sy bedriegen sig grootelyks, soo sy sig inbeelden, dat ’er nooit een einde syn sal van myne oude langmoedigheid.
    IV. Ik heb dat verkreegen, daar ik naa wagte; dat gy alle klaarlyk soude sien en bevinden, [p. 193] dat men een vloekverwandschap tegen de Regeringe hadde aangegaan. Of ’er moest misschien nog iemand weesen, die oordeelde, dat alle, die met Catilina in eenen staat syn, van hem nogtans in voorneemens en gevoelens veel verschillensouden. Soo en is ’er dan geene plaats voor myne langmoedigheid meer overgelaaten: en de saak self beveelt ons strengheid te gebruiken. Dese weldaad sal ik hen nog vergunnen. Laaten sy uit de Stad gaan; laaten sy vertrekken: dat d’elendige Catilina hunnent halven in geene verlegendheid blyve. Ik sal hen aanwysinge doen, waar naar toe hy vertrokken is. Hy is getoogen langs den straatweg Aurelia. Soo sy sig een weinig in ’t rysen sallen verhaasten, konnen sy van desenavond hem nog inhaalen. Og! hoe gelukkig sal onse Staats-Regeeringe syn, wanneer.sy sig ontlast sal hebben van dat vuile boeven-rot deser Steedelingen. Voorwaar alreede dunkt my, dat, met het vertrek van den eenen Catilina, onsen Staat eenige verligtinge, en verquikkinge heeft genooten. Want wat ondeugden, en misdaaden kon men bedenken, of versinnen, die hy niet deed onder neemen. En waar vint men ergens, in gants Italie, eenen vergiftmenger, eenen voorvegter, eenen straatschenner, eenen gehuurden moordenaar, eenen doodslaager syner bloedvrienden, eenen valsen uiterste-wil-maaker, eenen die anderen menssen goederen met bedrog sig aanmaatigt, eenen hoerendop, eenen doorbrenger, eene eerloose hoer, eenen overspeelder, eenen verleider van de jeugd, of eenen deugniet, die niet soude bekennen moeten een van Cattlinaas gemeensaamste vrienden geweest te syn. Waar is’er, tse- [p. 194] dert den eeniige jaaren, eene moord. sonder syn toedoen, gepleegt geweest? wat eerloose vrouwe-verkragtingen heeft hy ma bedreeven? Maar wat mens leeft ’er die de jonge jeugd meer sig geneegen maakte, en bedarf? hoe aanhaalende was hy hier toe van sig self, die met d’onkuise liefde sommige beminde, en anderen wederom in hunne vuile lusten alle diensten deed; en aan eenigen beloorde?» genot van hunne geile dristen; aan anderen ’t vermoorden van banne Ouders, niet alleen deselve daar toe ophitsende, maar ook in de daad self helpende. Wyders,: hoe spoediglyk heert hy, soo wel uit dese Stad, als uit de landeryen van random, een geheel Leeger van ondeugende en vertwyfelde menssen te saamen gebragt? Heeft men, of hier binnen Roome, of in eenigen schsrithoek van Italie, wel ergens eenen verartnden schuldenaar, en doorbrenger kunnen v indem, dien hy niet gaarne aangenoomen heeft in het verbond van soo een ongelooflyk schelmstuk.
    V. En op dat gy den grooten yver van dien man, in dese bed or vene genegendheeden, mogt begrypen; onder de slaaven, die! in ’t vegten onderweesen worden, eh maar een weinig gehard syn, om een schelmstuk te beiraan, is’er niet een, of hy sal bekennen, eenen boeslemvriend van Catilina geweest te syn: en onder de tooneelspeelders seggen de loste, en bedurvensle, datsy bynaa Catihnaas besie makkers waren. Deselve Catilina nogtans, gewoon synde sig te oeffenen in vrouwen-verkragtingen, en euveldaaden, wierd van die menssen geroemd, als een dapper man, in ’t verdraagen van koude, honger, dorst, en langdurig waaken, wanneer hy; dese hulpmiddelen [p. 195] van de naarstigheid en deugd besteede, en doorbragt in geile lusten, en een ongebonden leeven. Indien alle deese makkers van Catilina, sig by hem sullen vervoegt hebben; indien die grooten hoop van vertwyfelde menssen eens uit de Stad sal syn geweeken. O hoe gelukkig sullen wy, en onse Staats-Regeeringe weesen! hoe deftig sal de roem syn van myn Burgermeesterschap! De lusten en staatsugt der menssen gaan nu alle maat te booven; de stoudheid, en de poogingen van dat volk, syn onverdraaglyk geworden, en meer dan menslyk; men tragt nu nergens anders naar, dan naar moorderyen, brandstigtingen, en openbare roveryen. Hunne Vaderlyke goederen hebben sy verteerd; hunne inkomsten vervreeten, en versoopen; al lang hebben sy geene eigendommen en gelden meer gehad; nu onlangs heeft het hen ook begonnen aan goed geloof by anderen te ontbreeken: en nogtans laaten sy niet naa in hunne verquistingen en lusten voort te gaan, gelyk sy ’t gewoon waaren, in hunnen goeden stand en rykdom. Indien sy nu sugten ryk te worden, om overdadiglyk te brassen,en te boeleeren, soo souden sy voor sig self in eenen slegten staat gevonden worden; en nogtans voor de Regeeringe niet onverdraaglyk syn. Maar hoe kan dit geleeden worden; dat verwyfde merssen dapperen mannen soeken te verschalken; dat vetstandeloose sotten tragten, de wyse en voorsigtige t’oveheeren; de versoopene de altoos nugteren, en de 1uije en slaapsugtige anderen, die gestaadig waaken. Dese menssen derven, in hunne gasteryen aangeseeten, onder ’t omhelsen van geile boelinnen, door het veel suipen lustloos en vadsig, van spysen overlaaden, met gekranste [p. 196] hoofden, naar salven stinkende, en door ’t hoereeren afgemat, in bunne redenen vermelden, en uitbraaken ’t vermoorden der welmeenenden, en eerlyke menssen; en het in de brand steeken vàn de Stad. Ik vertrou eevenwel, dat een noodvallig quaad hen over ’t hoost hangt; endatdigt» by lyn hunne aannaaderende ttrasten,die se verdiend hebben, door hunne boosheid, godloosheid, schelmeryen, en vuile lusten. Indien ik nu, in mvn Burgenneesterschap, dese menssen; dieonbekeerlyk geworden lyn, sal konnen vernielen, en ombrengen, soo sal ik Diet voor eehen korten tyd, inaar voor veele eeuwen, den welstand van onse Regeeringe, bevorderd, en vastgerteld hebben. Want nu tyn’er geene volken, die wy behoevcn te vreesen; nu leeven ’er geene Koningen, die bestaan derven, ons den oorlogaan te doen; alle buitenlandse magten syn door de dapperheid van eenen eenigen onser Veldheeren t’ondergebragt, en verwonnen. Eenen binnésilandsen oorlog is aanstaande; in onsen boesem voeden wy de laagen; midden onder ons legt het gevaarbeslooten; hier by ons onthoud sig de vyaod: men sal moeten vegten met d’overdaad, met de sinneloosheid, met de stshelmeryen. Medeburgeren, in desea oorlog stel ik my self voor tot «wen Veldheer. Ik verklaar my eenen openbaren vyand te syn van vertwyfelde deugnieten. Die nog tot beterschap te brengen syn, sal ik op allerhande wyse soeken te geneesen; de bedurvene leeden, die afgesneeden moeten worden, sal ik niet gedoogen, dat, ten nadeel van de Regeeringe, ook anderen bederven, enaansteeken. Derhalven laaten sy, of vertrekleça, oslig stil, eivgerust houden; of by [p. 197] aldien sy in de Stad, en by hun voorgaande meeninge blyven, laaten sy sig dan getroosten, afte wagten hunne welverdiende straf.
    VI. Ondertussen, medeburgers, vint men nog menssen, die voorwenden; dat ik Catilina uit de stad in ballingschap verjaagd heb. Maar indien ik dit met bloote woorden kon uit werken, ik sou dan hen self in ballingschap wegjaagen, die soo spreeken derven. Te weeten; die vreesagtige en seedige man kon niet verdraagen de harde redenen van den Burgermeester; en soo haast het hem bevoolen wierd, om in ballingschap te vertrekken, heeft hy’t gehoorsaamd, en is vertrokken. Gistren, wanneerik bynaa in myn eigen huis was vermoordgeweeit, hebikdenRaaddoen vergaderen in den Tempel van Jupiter, den Standhouder; en de gantse saak de beschreevene Vaders voorgedraagen. Als Catilina daar ook was verscheenen, wat Raadsheer heeft Kein aangesprooken? wie heeft hem gegroet? wie heeft hem ten laatsten niet aldus aangeiien, als eenen ondeugenden burger, en niet nog veel mecr als eenen leer schadelyken vyand. Self ook de voornaamste van den Raad hebben dat gedeelte van de subanken leedigen blootlaaten staan, daarhy ligplaatste. Ik toen, die veel te vmnige, en in haauigheid uitvarende Burgermeester, die voornaame burgers met een woord in ballingschap jaag, ondervroeg Catilina; of hy ten huise van M. Leeea, in de nagtvergadering, was geweest, of niet? Wanneer nu, die onbeschaamde en stoute mens, van syn geweeten overtuigd, voorts sweeg; soo heb ik het vervolg van de saak aan den dag gebragt; en ik heb aangeweesen, wat hy in die nagt had gedaan, waar [p. 198] hy was geweest; wat hy voor de naastvolgende had vastgesteld; wat hy in alle de dingen van den gantsen oorlog had beslooten, en voorgenoomen. Als hy verleegen stond; als hy sag, dat hy agterhaald was; soo heb ik hem afgevraagd, waarom hy twysselde, daar naar toe te gaan, waar hy al voor lang naar toe dagt te vertrekken, doordien ik wel wist, dat hy voor af daar heenengesonden had veele wapenen, geregts bondel-bylen, krygs-trompetten, veld-teekenen, en ook nog dien Silveren arend, waar voor hy in syn huis eene kappel gewyd had van allerhande schelmstukken? Verdreef ik dienvolgens in ballingschap, dien ik sag, en wist, dat sig alreede voor den oorlog verklaard, en daar in begeeven had? Want ik sal mede wel moeten gelooven, dat de Krygsoverste Manlius, die sig geleegerd heeft in de landstreek van Fesulen, den Raad en ’t volk van Roome, uit synen naam alleen, den oorlog heeft doen aanseggen? en dat het selve leeger nu niet te gemoed iiet synen Veldheer Catilina? en dat hy in ballinglehap verjaagd synde, gelyk sy seggen, sig nu naar Massilie heeft begeeven, en geensins naar het Leeger van Manlius?
    VII. O beklaaglyke gelegendheid! soo wel in ’t bestieren, als in ’t voorstaan van eenige Staats-Regeringe! Wanneer nu L. Catilina, in syn quaad doen achterhaald, en van alle magt beroofd, door myne raadgeevingen, en aangewende moeiten, met het grootste gevaar van myn eigen leeven, onvoorsiens sal in vreese vallen, van opset veranderen, sig van de syne afsonderen, syn voorneemen van’t oorloogen vaaren laaten; en in de plaats van voort te gaau, in schelmeryen en [p. 199] krygsdaden, syne reise sal in eene vlugt en ballingschap veranderen; too sal men van hem seggen, met dat ik hem de wapenen van syn stout bestaan ontnoomen heb, en ontsteld, en verschrikt gemaakt, door myne naarstige voorsorg; nog dat ik hem in syne hoop en aanslaagen heb verydeld; maar dat hy onveroordeeld van my den Burgermeester, is, door myne bedreigingen en geweld, in ballingschap verdreeven: en menssen sullen gevonden worden, die hem, sulx doende, sullen houden, niet voor een vertwyfeld boos, maar ongelukkig Rooms burger; en my daartegen voor geenen naarstiglyk waakenden Burgermeester, maar voor eenen overwreeden Dwingland. Ik wil het my wel soo veel kosten laaten, medeburgers, dat ik op my lade het onweer van eene diergelyke onverdiende en onbillyke nydigheid, als maar van u wort afgeweerd ’t gevaar van soodanig eenen afschouwelyken, en vreeslyken oorlog. Men segge vryelyk, dat ik hem voor balling uit de Stad verdreeven heb, als hy maar alleen in ballingschap gaan, en tig ml hoaden wil. Dog geloost het my vastelyk, hy sal in ballingschap met willen vertrekken. Noit sal ik, medeburgers, om minder nydigheid op my te laaden, vand’onlterslyke Goden wenllen, dat gy soud hooren; hoe L. Catilina de wapenen opgevat, en’t hoogste gesag in 4 vyandlyke Leeger sig heeftaangemaatigd. Eevenwel, binnen nog dne daagen, sultgy het hooren. Daar vrees ik dan veel meer voor, dat het my eens sal verweeten, en quaalyk aigsnoomen worden; dat ik Catilina met synen vryen wil heb laaten wegtrekken, en niet veel liever uit de Stad verdreeven. Nogtaas, dewyl men menssen vint, [p. 200] die die voorgeeven dat ik hem heb uitgebannen, nu hy van sig self vertrokken is, wat souden sy dan seggen, indien ik hem aan ’t leeven gestraft had? Eevenwel, die uitstrooien, dat Catilina naar Massilie sou syn gereist, beklaagen sig daar over soo seer niet, als sy bet wel vreeien. Niemand van die menssen heeft soo veel mededoogendheid voor syn Vaderland, die niet liever sou sien, dat hy sig by Manlius begas, dan naar M assilie toe reisde. En hy self voorseeker sal liever willen sterven, als een geweldenaar tegen ons; dan leeven als een balling, buken ’s lands, al had hy nooit te vooren gedagt, ’t geen hy nu wel doet MaàE nademaal hem tot nog toe niets wedervaaren is buiten synegisiinge, entegensynen dank,oswil; dan alleen dat hy Roomeheeft verlaaten, sonder my alvoorens omgebragt te hebben; soo laat het ons eerder wenlsen, dan dat wy ons hier over beklaagen souden, indien hy sig slegts in ballingschap ’ begeeven wilde.
    VIII. Maar waarom spreeken wy ook dus lang van eenen eenigen vyand, en van soo eenen vy and, waar voor ik niet vreese; om dat hy nu sig self verklaard heeft onsen vyand te syn; en van welken wy, daar ik altyt naar verlangt heb, asgescheiden syn door onse Stads-vesten; en tot nog toe seggen wy geheel niets van de geene, die hun quaad voorneemen ontveinsen, die binnen Roome blyven, en hier midden onder ons woonen. Dese inensten, kan het eenigsins geschieden, soek ik eerder op eenen beeteren weg te brengen, en wederom met de Regeringe te versoenen, dan met wraak en straffen te vervolgen. Ik sie ook geene redenen, waarom dit niai sou [p. 201] geschieden konnen, soo ’t hun lust naar myne redenen sig te schikken. Met dit voorneemen sal ik nu, medeburgers, u doen verltaan, uit wat; voor soort van meniïèn, het Leeger van onse vyanden wort opgeregt; en daarnaa sal ik hen verschauen, is het dioenlyk, door dese mynereeden, het hulpmiddel van eenen goeden Raad. Men vint onder deselve eenigen, die, swaare schulden gemaakt hebbende, eevenwel nog grootere goederen en rykdommen belitten; en dese, nietswillende vervreemden, sien geenen uitweg, om sig van hunne schuldeillèrs t’ontilaan. Het uiterlyke gelaat van dese menssen schynt seer eerlyk te syn, want sy hebben de naam van welgegoedeenryke menslen, maar han quaad opset, en îaak is bovenmaaten schandelyk. Soud gy een weihebbend man blyven, in landeryen, huisen, enhossteeden, goud, silver, slaaven, en uitmuntende in alle schatten; en soud gy n ontsien, iets van uwe besittingen te verkoopen. om u goed geloof by ieder een wederom te winnen? En wat ver wagt gy nog den oorlog? hoe? gelooft gy, dat by de verwoestinge van alle landgoederen, d’uwe onschenbaar, en meer als anderen voor heilig sullen gehouden worden; of tragt gy naar eene algemeene vernietinge van alle schuldeissingen? Sy vergissen sig grootelyks, die iets diergelyks van Catilina derven hoopen. Ik sal die weldaad voor ’t gemeen besorgen; dat men eene algemeene afdoeninge van schulden bekoome, hoewel onder die voorwaarden, dat elk schuldenaar, met de openbare verkoopmge van lyne valligheeden, sig self redde. Want ik weet geen ander middel, om hen allen voor de vervolginge van hunne [p. 202] schuldeissers te bevryden, die eenige goederen en vastigheeden hebben. Dese menssen hadden wy nu nog moogen houden, voor onse goede en getrouwe burgers, indien het hen beliefd had, eerder desen Raad te volgen, en niet (’t geen de grootste dwaasheid is) geduuriglyk in verleegendheid te staan, om de betaalinge van meerdere en swaardere renten, als d’inkomsten van hunne goederen jaarlyks kunnen opbrengen. Egter voor die menssen, naar myne meening, staat ons minder te vreesen, om dat men se, of van gevoelen kan doen veranderen, of soo sy ’er halsterrig in volharden, soo houde ik het daar voor, dat sy eerder stil sittende met hun hart d’ondergang van ons Gemeene-best sullen wenssen, dan sig in de wapenen tegen ons derven begeeven.
    IX. Van d’andere slag van menssen syn sy, die, onaangesien met gemaakte schulden beswaard, nogtans leeven in verwagtinge, op eene verandering der Regeringe tot eene dwinglandye. Dese haaken naar d’Oppermagt; en meenen, dat sy, in eenen overmeesterden Staat, tot eerampten sullen gevorderd worden, daar sy in eene welgestelde, en vreedsame Regeringe niet op konnen hoopen. Maar men sal hen dienen aan te wysen, eeven het selve, dat wy allen d’anderen konnen doen verstaan, hoe sy sig gants buiten eenige hoop bevinden, van ooit te verkrygen, daar sy naar tragten. Voor eerst, om dat ik self naarstig voor ’t Gemeene-best waak, overal by ben, en van te vooren voor alles goede sorg draag: ten anderen, om dat alle welmeenende, en eerlyke menssen vol goede hoop syn; dat onder alle eene groote eendragt bespeurt wort; dat ’er een groote mee- [p. 203] nigte is van soodanig gesinden, en datmenalreede eerie groote heirkragt in’t veld heeft gebragt; en eindelyk, om dat d’onsterflyke Goden niet sullen naarlaaten, spoediglyk, en altoos te helpen ons onverwinlyk volk, de roemrugtigste heerschappy, en dese seer schoone Stad, tegen het geweld van sulk een schriklyk schelmstuk Indien ook dese menilèn souden verkreegen hebben,’t geen sy met de grootste raserny begeeren, hoe konnen sy dan nog hoopen; dat sy gekoosen sullen worden tot Burgermeesters, Opperste Stedehouders in de Regeringe, of ook wel tot Koningen; wanneer dese Stad en goede Burgery, te vuur en te swaard, sal verdelgd en uitgeroeid syn, gelyk sy sulx met een ontron en godloos gemoed derven wenssen? Sien sy nog niet, dat sy iets begeeren,’t geen sy aan eenen weggeloopenen schelm, of moordenaar, soo het komt voor te vallen, sullen moeten afstaan? De derde soort van menssen, maaken uit de by naa afgeleefde onde mannen, en die egter, door langduarige krygsoesseningen, voor braave oorlogshelden souden konnen gereekend worden. Onder dit getal behoort Manlius self, in wiens plaats Catilina nu getreeden is. Dese lieden syn afkomstig van Fesulen, daar Sulla eene volkplanting heeft naar toegesonden. Alle dese menssen houde ik te syn van de braafste en dapperste burgeren. Egter dit syn die van ons naar dese Stad versondene inwoonders, die, buiten verwagtinge, en binnen korten tyd, ryk geworden synde, dartel en uitgelaaten geleefd hebben. Dese menssen syn in soo groote schulden vervallen, terwyl sy, als andere ryken, nieuwe gebouwentimmeren, hossteeden aanmaa- [p. 204] ken, ken, in rosbaren gedraagen worden, veele knegten voeden, en groote gastmalen aanregten, dat sy, om behouden te blyven, wenden moeten, dat Sulla tot bun voordeel wederom uit den doode verryse. Dese syn het ook, die eenig landvolk, liegte, en arme menslên, op hunne syde getrokken hebben, hen doende hoopen d’oude en ongestrafte vryheid van rooven, en plonderen. Ik stel dan, medeburgers, en rekene met regt dit slag van oproerige, onder ’t getal der roovers, en moordenaars. Nogtans ik vermane hen alle, dat sy ophouden rasende te syn, en sig te vlyen, met de hoop van ’t verbannen der vroome burgeren, en van eens voor Algemeene Steedehouders in den Staat aangenoomen te worden. Want soo een groot leetweesen en verdriet, over diergelyke tegenspoeden in de Regeringe, heeft de harten van alle onse Burgeren ingenoomen, en beseeten; dat ik my derve inbeelden, dat diergelyke nieuwigheeden, nooit wederom geleeden sullen worden, ik wil niet seggen van de menssen, maar ook self niet van het stomme vee.
    X. De vierde soort van menssen syn ongeruste, veelerhande, en oproerige, die al voor lang met ongelegentheeden worstelen, en nimmermeer tot eenen goeden stand geraaken sullen, die ten deele door eene luije agteloosheid, en met hun wel vaaren te versuimen; en ten deele ook van weegen veele oude en groote schulden, in ongerustheid leeven, die magteloos geworden synde, door dagvaardingen, verlooren processen, en ’t verkoopen van hunne goederen, over tegen hen gegeevene vonnissen, in groote meenigte van het land, en uit de Stad gesegd worden naar het Leeger van [p. 205] Catilina sig te begeeven. Ik houde dese lieden meer voor slaphartige schuldversaakers, dan wel voor braave en moedige soldaaten. Laaten dese menssen, soo sy niet behouden konnen blyven, arm, en sonder uitstel, in hun bederf loopen; maar in diervoegen, dat sulx niet en strekke tot eenig nadeel van den Staat, en dat ook hunne naaste buuren geene schaade daar door lyden. Dit kan ik nogtans soo wel niet begrypen; waarom sy, met eeren niet langer konnende bestaan, met schande en oneer liever willen sterven, en te gronde gaan? of hoe sy tot die gedagten syn gekoomen, dat sy met minder hartseer sullen willen bedorven worden, wanneer sy het met veele anderen lyden, dan wanneer dit ongeval hen alleen sou treffen De vyfde soort van menssen syn doodslaagers van hunne bloedvrienden, moordenaars, en meer diergelyke misdadige. Dese alle soek ik van Canlina niet af te trekken. Sy kunnen ook van hem niet afgescheiden worden. En laaten sy, om hunne struikrooveryen, vry willig in hun verders loopen; Want sy syn in sulk een groot getal, dat wy hen in geene gevangenhuisen konnen opsluiten. En eindelyk, dit laatste slag van menssen, is niet alleen in aansien, maar ook in leevens-wyse en genegendheeden, by Catilina self gekoosen, hem naast gelykende, en onder syne liefste boessemvrienden. Dusdanig siet gy hen de straaten betreeden, met opgekrulde hairlokken, net opgeschikt, met afgeschoorene, of aardig opgesette baarden, en gemouwde wambussen, en tot op de voeten neerhangende rokken, en omhangen met ruime gewaaden, niet met tabberden; alle dese besteeden [p. 206] hunne naarstigheid en arbeid, soo lang sy leeven, in gasteryen, die tot den dag toe duuren. Onder desen hoop vintmen alle dobbelaars, overspeelders, onnatuurelyke en geile boeven. Dese soo geestig verwyfde, en in lekkernyen dartele jongens, hebben geleerd, niet alleen te vreien, en gevreid te worden, te singen, en te danssen; maar al wierd hun hoofd verslaagen, ook het moordgeweer te handelen, en ’t vergift te mengen. Denkt vry, dat van dese Catilinaas gasten, eene voortplanting in onsen Staat sal overblyven, soo sy nu niet mede vertrekken, en te gronde gaan. Nogtans, wat begeeren dese elendigen? sullen sy hunne hoertjens met sig naar het leeger sleepen? en hoe sullen sy deselve eenigsins ontbeeren konnen, nu de nagten lang syn? maar hoe sullen sy ook de ongemakken van den berg Apenninus, en al den haagel, en de sneeuw verdraagen; ten waar sy sig inbeelden, dat sy daarom alle koude, en onweer ligtlyk sullen uitstaan, om dat sy geleerd hebben, onder de maaltyden naakt te danssen? O hoe seer moeten wy voor sulk eenen oorlog schrikken, daar de beste benden van Catilinaas lyfwagt, mit sulke verhoerde schurken, syn by een geraapt?
    XI. Brengt nu, medeburgers, te veld tegen dese voortreflyke leegerbenden van Catilina, uwe besettingen der Steeden, en uitgeruste Heirkragten; en stelt voor eerst, tegen dien uitgemergelden en versoopen mens, uwe Veldheeren, en Burgermeesters. Daar naa tegen dat gantse leeger van meeneedige bankerotspeelders, weggejaagde, onvermoogende menssen, laat uit trekken, de bloem en de magt van gants Italie. Ook sullen [p. 207] wy tegen de hooge landen en wouden van Catilina, stellen de van ouds bevolkte, en met het burgerregt beschonkene Steeden. Verder derf ik met de elende, en armoede van dien Struikroover, niet vergelyken onse meer overige Leegertroepen; voorname krygsvercierselen, en steunselen van den oorlog. Maar of wy schoon niet eens sien op alle dese dingen, die by ons overvloedig syn. Catilina, en die hem volgen, ontbreekt het aan wettige Raadsheeren, eenen Roomsen Ridderstand, eene welmeenende Gemeente, eene algemeene Vaderlyke Stad, Lands schatkist, jaarlykse inkomsten, de hulp van gants Italie, de overheerde Landschappen, en nabuurige volkeren. Indien, wy, seg ik, dese dingen voorbygaande, de redenen, die aan beide syden worden voorgewend, en geheel strydig syn, d’eene tegen d’andere stellen; soo sullen wy hier uit verstaan, hoe slegt het met hen gesteld is. Voor ons stryd de goede naam, en eer, voor hen d’omgebondenheid; voor ons eene eerbaare schaamte, voor hen de verkragtinge der vrouwen; voor ons de goede trou, voor hen ’t bedrog; voor ons eene pligtschuldige liefde, voor hen de schelmeryen, voor ons de volstandigheid, voor hen de dolligheid; voor ons de deugd, voor hen d’ondeugd; voor ons de gemaatigdheid. voor hen de alle quaade lusten: eindelyk, de billykheid, ingetoogenheid, de dapperheid, de voorsigtigheid, en alle de deugden stryden hier met de ongeregtigheid, met d’overdaad, met de luiheid, met de ligtvaardigheid, en met alles wat ondeugend is: ten laatsten nog d’overvloed met d’armoede, goed overleg met quaad beraad, goed verstand met raa- [p. 208] serny; en dan nog eindelyk eene goede hoop,’ en verwagtinge van ’t beste, met de wanhoop in alle Taaken en uitkomsten. Indien in eenen dierge-lyken stryd ook de genegendheeden der menssen ons ontbraaken, soo sullen d’onsterflyke Goden, net met hun bedwang daar toe brengen; dat soo veele en groote ondeugden, door dese voortreflyke hoedaanigheden, overwonnen en vermeesterd worden.
    XII. Aangesien dan, medeburgers, dese dingen alsoo syn, soo waakt gy lieden, gelyk ik reeds te vooren gesegd heb, self voor de bescherminge en bewaringe uwer huisen. Ik heb sorg gedraagen, en daar in voorsien, dat de Stad, met eene genoegsaame Krygsmagt en besettinge, sou versterkt, en gy lieden sonder vrees van oproer, en overlast weesen. Alle bevolkte, en met ons burgerregt beschonkene Steeden, door my de weet ontfangen hebbende, van dese in ’t stille, en by nagt ondernoomene leegertogt van Catilina, sullen hunne landpaalen, en vaste plaatsen ligtelyk konnen verdeedigen. De in schermen onderweesene slaaven (waar van Catilina eene groote en getrouwe leegermagt meende op te regten) sullen door myne sorg, in een behoorlyk bedwang gehouden worden; alhoewel de meeste van hen, betere en eerlyker gedagten hebben, als wel eenige der Raadsheeren, en hunne kinderen. Q. Metellus, dien ik, dit voorsiende, naar de Franse grensen, en de landstreek van Picenum, vooruit gesonden heb, sal Catilina, of geheel verslaan, of in alle syne aanslaagen, en in synen voortgang, verhinderen. Aangaande d’overige saaken, wat hier in beslooten dient te worden, of met hoeda- [p. 209] nigen spoed verrigt, en uitgevoerd, dit alles sal ik aan den Raad voordraagen, dien gy tegenwoordig siet vergaderen. Nu wil ik dese menssen, hoewel onse vyanden, om dat sy mede ingeboorenen, en eigene burgers syn, ook ernstiglyk vermaand, en aangesprooken hebben, die van Catilinaas gevolg sig onder ons nog onthouden, en van hem syn agtergelaaten, tot den ondergang voornaamentlyk onser Stad, en van u alle. Indien myne langmoedigheid by eenigen tot nu toe is verdagt geweest, over eene al te groote slaphartigheid, ik heb hier naa gewagt, dat uitbersten en bekend mogt worden, ’t geen verhoolen was. Voor soo veel ’er nog overig is; ik kan nu langer niet vergeeten, dat dese Stad myn Vaderland is, dat ikhier Burgermeester ben, dat ik met myne burgers of leeven, of voor derselver welstand ilerven moet. Men heeft by de Stads-poorten geene wagt besteld, op den weg behoeft men voor geene laagen te vreesen, soo eenige metdevlagt sig willen redden, het staat hen vry. Dog die in de Stad oproer verwekken, wiens euveldaad nietalleen, maar ook de lust daar toe, en eenige onderneeminge tegen het Vaderland, by my sal ontdekt worden, die sal bevinden, dat in dese Stad op alles lettende Burgermeesters syn, dat ’er voortreflyke Heeren sitten aan ’t roer van de Regeringe, dat de Raad bestaat uit kloekmoedige mannen, dat wy alle van wapenen wel syn voorsien, en dat men plaatsen heeft om gevangenen in op te sluiten, welke onse voorouderen gebouwt hebben, om grouwelyke en openbaare schelmen te dwingen en te straffen.
    XIII. Alle dese dingen dan, medeburgers, sul- [p. 210] len in dier voegen uitgevoerd, en afgedaan worden, dat men door my, als eenen getabberden Veldheer, en Krygs oversten, de grootste swaarigheeden met de minste beweeginge; de uiterste Staatsgevaaren sonder een igen oproer;en eenen inlandsen en burgerkryg, de grouwlykste, en felste, daar men ooit van heeft geweeten, uit de weg genoomen, en bevreedigd sal sien. Hier in meene ik my soo te draagen, medeburgers, dat ook geen ondeugend mens, is het eenigsins moogelyk, de straf van syne misdaad sal te lyden hebben. Indien nogtans het geweld van eene openbare wreevelmoedigheid; indien het naaby synde gevaarvan ons Vaderland my noodsaaken sal, van myne langmoedigheid af te wyken; nogtans sal ik dit voorseeker uitwerken, tgeen in soo eenen grooten, en vol verburgene laagen steekenden oorlog, naaulyks mag gewenst worden; dat geen eerlyk man voor syn leeven behoeft te vreesen; en dat wy alle, madestras van weinige schuldigen, konnen behouden blyven. Ik beloove u dit, medeburgers, met steunende op myne voorsigtigheid, en mensselyke raadslaagen, maar het oog hebbende op veele en geene onsekere voortekenen van ts’onstefflyke Goden. Want door hunne ingevingen ben ik tot die voorneemens, en dese hoop gekoomen: dewelke nu niet verr’ van hier, gelyk sy wel eer de gewoonte hadden, voor eenen vreemden, en wyd afgeleegenen vyand, maar midden onder ons tegenwoordig, met hunne Goddelyke magt, en hulp, beschermen ’en verdeedigen hunne Tempels, en alle de gebouwen van dese Stad. Gy, medeburgers, syt gehouden, deselve daar om aan te roepen, te [p. 211] bidden, en te smeeken; dat het hen behaage, dese Stad te beschermen, en te bevryden, van het schendig en godloos bestaan eeniger vertwyfelde, en snoode burgers, en schelmen, naadien het hen behaagd heeft, dese Stad te maaken, onder alle Steeden, de schoonste, belt bloeienste, en magtigste, overwonnen en verslaagen hebbende alle onse vyanden, te water ente land.

Continue

[p. 212]

III. REEDENVOERING

van

M.T. CICERO

Tegen

L. SERGIUS CATILINA.

Inhoud.

IN dese Reedenvoering verhaalt Cicero, wat voorsorg by had gedraagen, in ’t ontdekken deser tsamensweeringe. Want, wanneer Catilina tot den oorlog naar ’t Leeger van Manlius gereist, en door den Raad verklaard was, voor eenen vyand des Vaderlands; en dede by een Raadsbesluit vastgesteld, dat de Burgemeester Antonius met eene heirkragt tegen hem soude gesonden worden; soo had ondertussen P. Lentulus Sura aangesogt de Gesanten der Savooiards, en hen ook brieven medegegeeven aan hunne vrienden, en landsgenooten, van Roome vertrekkende, daar sy gekoomen waren, om te klaagen over de gierigheid, en’t geweld, dat sy leeden van hunne Ooverigheeden. Cicero desen aanslag verstaande uit Q. Fabius Sanga, den aangenoomenen Voorspraak, en Pleitbesorger der Savooiards, gaf last aan L. [p. 213] Valerius Flaccus, en C. Pomptinius, twee Opperregters van Roome; dat sy met hun Krygsvolk heimelyk de Gesanten der Savooiards by de Brug Milvius wagten, en gevankelyk met sig naar Roome te rug souden voeren. Dese Heeren, op den tweeden van Wintermaand des avonds, door verscheidene weegen met hun volk uitgetoogen synde, hebben de Gesanten, met hun gevolg en brieven, geweldadiglyk vermeesterd, en vast gehouden by dese brug, bynaa ten einde van de derde nagtwagt, en hen met het aanbreeken van den dag, gebragt by den Burgermeester Cicero. Dese ontbood terstond tot sig de hoofden der tsamensweeringe, en deede den Raad vergaaderen in den Tembel der Eendragt. Aldaar is toen door de bekentenis, en’t aanbrengen van T. Vulturcius, en der Savooiards, de gantse tsamensweeringe gebleeken, en ontdekt. Maar den Raad beval, dat Lentulus, Cethegus, Statilius Gabinius, en Ceparius, souden vastgeset, en in hegtenis genoomen worden. Den Raad besloot mede, dat men op dien dag de Kerken openen, en ter eerden van den Burgemeester Cicero, voor de behoudenis* der Stad, en des Vaderlands, de Goden dankseggingen soude doen. In ’t vallen van den avond heeft Cicero dese Reedenvoering uitgesprooken, voor de Vergaderinge der Gemeente, die hy bekend maakte, ’t geen desen aangaande in den Raad was voorgevallen, waar naa de Burgermeester plegtelyk van al het volk verseld, en geleid wierd, [p. 214] naar’ t huis van synen naasten Buurman, om dat men in syn eigen huis, alleen door de voornaamsten vrouwen der Stad, vierde het Feest der Heil-Godin van Roome.
__________________________________________________

I. Hoofdstuk.

HEeden siet gy, mederburgers, onsen gantsen Staat, het leeven van ons alle, onse goederen, welstand, vrouwen, kinderen, en den seetel van de beroemste heerschappy, dese overgelukkige en seer schoone Stad, door eene bovengemeene liefde der onsterflyke Goden voor u, en door myne vlyt, raadsbelsuiten, en lyfsgevaaren, gered, en getrokken uit moord en brand, jaa uit de kaaken van den dood en ’t uiterste bederf, en voor u alle behouden en hersteld. Indien nu die dagen by ons niet min aangenaam en voortreflyk geagt worden, waar in wy uit groote nooden syn geholpen, dan wel de dagen waar op wy gebooren worden; om dat de blydschap van onse reddinge uit eenig gevaar seekerlyk wort geweeten, maar ’t geval der geboorte onsseker is; en om dat wy sonder onse kennisse in de weereld komen; maar met eene groote blydschap ons uit gevaaren verlost sien; soo sal hy voorseeker altyd by u, en uwe naakomelingen in hooge agtinge syn, die dese selve reeds gestigte en in aansien vergroote Stad heeft behouden, en bewaard. Want wy hebben ook Romulus, d’eerste opbou- [p. 215] wer van de selve door onse genegendheid en syne vermaardheid, onder ’t getal der onsterflyke Goden geplaatst. Nu hebben wy uitgeblust de vuuren, gelegd en bynaa aangestooken van alle kanten rondom uwe Kerken, geweide plaatsen, huisen en Stadvesten; en wy self hebben stomp gemaakt d’uitgetoogene swaarden tegen de geheele Regeringe, en hunne pooken van uwe halsen afgeweerd. Vervolgens zal ik, medeburgers, u in’t kort verklaaren, en uitleggen, hoe dese dingen door my in den grooten Raad syn aangegeeven, ontdekt, en ten vollen beweesen; op dat gy ook sekerlyk, soude weeten, die het tot nog toe niet weet, en begeert te verneemen, hoe swaarwigtig dese dingen syn, en hoe gantslyk nu bekend, en op welke wyse ontdekt. Voor eerst, soo haast Catilina, voor eenige weinige dagen, het uit dese Stad was ontkoomen, wanneer hy onder ons gelaaten had de medestadners van syne grouweldaaden, en d’yverigste aanvoerders van desen godloosen kryg, soo waakte ik altoos, medeburgers, en besteede myn sorgen, ten einde wy in eene veilige gerustheid souden leeven, onaangesien dese groote en seer verhoolene laagen en tsamensweeringen.
    II. Want te dier tyd, toen ik Catilina, uit de Stad verdreef, (nu ben ik in geene bekommeringe van weegen de haatelykheid van dat woord, en sie wel, dat men my meer kan beschuldigen, om dat hy leevende is vertrokken,) toen ik hem sogt als balling te verjaagen, geloofde ik; dat het overige rot aller syner vloekverwanten met hen soude syn weggetrokken; of dat sy, die by ons bleeven, magteloos en veel te swak souden [p. 216] bevonden worden. Nogtans toen ik sag, dat onder ons, en in Roome gebleeven waaren, die ik in het schelmstk voor de verwoedste en meest hevigste kende, soo besteede ik by dag en nagt al mynen tyd, op dat ik verneemen en doorsien mogt, wat sy uitvoerden, en welke voorneemens sy hadden; en dat ik al dien aanslag in myn bedwang houden mogt: aangesien myne redenen en aanklagten in uwe ooren min geloofwardig scheenen, om d’ongelooflyke grootheid van dit vuil bestaand; en op dat gy dan eerste self voor uwe behoudenis sousde sorgen, wanneer gy het gantse verraad met uwe eigen oogen konde sien. Soo haaast ik dan wel onderregt was; dat P. Lentulus de Gesanten van de Savooiards genoodigd hadde, om eenen oorlog en opstand te verwekken onder de Franssen, die aan geene syde van d’Alpes woonen; en dat sy naar hunnen landsgenooten te rug gesonden waaren, en op deselve reise brieven mede genoomen hadden aan Catilina; en dat hen Vulturcius tot een reisgenood mede gegeeven was, die men den brief aan Catilina had aanvertrout, soo oordeelde ik terstond, dat my eene gelegendheid aan de hand gegeeven wierd (’t geen andersins seer swaar om te bewysen voor my sou geweest hebben) ten einde den geheelen aanslag, gelyk ik sulx altoos van d’onsterflyke Goden had gewenst, niet alleen aan my, maar ook aan den gantsen Raad, en aan uw allen ten vollen blyken en ontdekt soude worden. Derhalven heb ik gisteren by my doen koomen de twee Voorsittende Regters L. Flaccus en C. Pomptimius, dappere mannen, en het gemeene best seer beminnende. Ik verhaalde hen de gantse saak; en ontdekte wat [p. 217] ik wilde dat gedaan soude worden: sy, die van een eerlk en pryslyk gevoelen voor de Regeringe waren, hebben, sonder eenig tegenstreven of uitstel, dien last en d’uitvoering op sig genoomen, en sig tegen ’t vallen van den avond in alle stilte omtrent de Brug Milvius laaten vinden, en aldaar op de naastgeleegene hofsteeden hun volk in tween alsoo verdeeld, dat sy besetten konden den Tyber en de brug van beide syden. Daar naa deeden sy by sig koomen ook veele andere welgemoede mannen, sonder dat men eenigen argwaan hebben konde; en ik had ook daar heene gesonden, en met sydgeweer voorsien, sommige uitgeleesene jonge mannen, van het Reatynse Bevelhebberschap, waar van ik my doorgaans bediene, tot de bescherminge van onsen Staat. Ondertussen bynaa ten einde van de derde nagtwagt, wanneer de Gesanten der Savooiards met een groot gevolg begonden te trekken over de brug Milvius, en met hen Vulturcius, soo overvalt men deselve van alle kanten. De deegens raakten uit, soo wel van d’onse, als van de hunne. De saak was alleen den Geregtsheeren bekend, en wierd voor d’andere stil gehouden.
    III. Dog terstond eindigde ’t begonnen gevegt, door tussen koomen van Pomptinius en Flaccus: men overhandigde de brieven, die by dit volk gevonden wierden, met ongeschondene seegels, aan de Geregtsheeren, en voerde dese gevangene menssen naar myn huis, toen het al begon dag te worden. Maar ik dede, sonder langer te wagten, by my haalen Cimber Gabinius, den schendigen smeeder van alle dese schelmstukken, die hier gants niet op verdagt was Daar [p. 218] naa wierd ook door my ontbooden L. Statilius, en naar hem Cethegus, dog Lentulus is de laatste van alle gekoomen. Ik wil gelooven om dat hy buiten gewoonte de voorgaande nagt sig te spaade in de rust had begeeven, te lang synde beesig geweest met het afveerdigen van syne brieven. Wanneer ik nu geraaden wierd van eenige der aansienlykste en voortreffelykste Raaden deser Stad, dewelke de saak verstaan hebbende, in een groot getal, vroeg in de morgen waren by my gekoomen; dat ik d’aangehaalde brieven eerst opbreeken soude en leesen, eer ik iets daar over aan den Raad voorstelde, op dat ik niet schynen mogte, indien’er niets nadeeligs in de brieven gevonden wierd, veel te ligtvaardiglyk sulk eene groote opschuddinge in de Stad gemaakt te hebben: soo weigerde ik, belangende een algemeen Staatsgevaar, ergens elders in ’t heiemlyk iets aan anderen voor te draagen, dan in syn geheel en ongeschonden, aan d’Algemeene Staatsvergaderinge van den Raad. Want indien, medeburgers, van de dingen, die men my had bekend gemaakt, niets in die brieven was vermeld geweest, eevenwel oordeelde ik, dat ik om myne al te groote voorsorg, in soo swaare gevaaren van ’tgemeene-best, geene aanklagt, of bestraffinge te vreesen had. Ik heb dan in alle haast den grooten raad doen beroepen, gelyk gy siet; en ondertussen sonder uistel mede, door de Savooiards daar in gewaarschouwd synde, den Opperregter C. Sulpicius, eenen kloekmoedigen man, gesonden, dat hy uit het huis van Cethegus ligten en wegneemen soude alle de wapenen, die men vinden mogt, gelyk hy’er dan ook eene [p. 219] groote meenigte pooken en swaarden heeft vandaan gehaald.
    IV. Ik deede daarnaa Vulturcius binnen staan, sonder de Fransse Gesanten; ik beloofde hem eene volkoomene vergifnis van alle misdaden, uit den naam van den gantsen Raad; en vermaande hem sonder eenige vreese alles te belyden, wat hem van de saak bekend was. Toen seide hy, naauwelyks van eene groote verslaagendheid hersteld synde; dat P. Lentulus hem aan Catilina brieven mede gegeeven had; en belast te seggen; dat hy sig met gewapende slaaven wel diende te versterken; en met syn Leeger in alle spoed de Stad te nadere; met insigt, en voorneemen, soo haast hy sien sou de Stad in de brand gestooken, gelyk sy het onder hun bestemd, en verdeeld hadden, en eene groote moord onder de burgery aangesegt, dat hy dan terstond met syne benden daar by konde syn, om de vlugtelingen op te vangen en syne magten te voegen by d’Oversten, die in de Stad van de hunne gevonden wierden. De Fransse Gesanten, binnen geroepen synde, verseekerden, dat P. Lentulus, Cethegus, en Statilius, naar eenen voorgaanden plegtelyken eed, aan hen brieven overhandigd hadden, om in Vrankryk by hunne meesters re bestellen; en dat deselve Heeren, en L. Cassius, hen gesegd, en bevoolen hadden, dat van hunne syde met den eersten eene talryke ruitery naar Italie moest gesonden worden; want dat sy selfs van voetvolk wel voorsien waaren. Dat Lentulus, tot meerder verseekeringe, hen, uit de voorspellingen der Sibylle, en Wigchelaaren, bygebragt had; dat hy de derde Cornelius was, aan wien, volgens de voorschikkin- [p. 220] ge van ’t noodlot, tot oppergesag over deze Stad, en in de regeringe noodsakelyk stond te beurt te vallen; dat Cinna en Sulla voor hem alreede die magt geoeffend hadden; en dat hy ook tot hen gesegt had, dat dit jaar van ’t noodlot bestemd was tot den ondergang van onse Stad en Staat, als synde het tiende jaar naa de vrykenninge der Verstaalse nonnen, en het twintigste naa ’t verbranden van het Capitolium. Sy verhaalden ook, dat Cethegus met d’andere dit verschil had gehad; dat Lentulus en d’overige beslooten, om op de Feestdagen van Saturnus de moord, en de brandstigtinge door de gantse Stad aan te regten, maar dat Cethegus dien tyd al te lang geoordeeld had.
    V. Om niet langwylig te syn, medeburgers, ik beval dat men de brieven, die elk gesegd wierd geschreeven te hebben, sou aan den Raad vertoonen. Aan Cethegus wierd het eerste van aalen syn merk voorgehouden; hy erkende het; wy openden den brief, en laasen hem opentlyk, deselve was van syne eigene hand geschreeven, aan den Raad, en’t Volk der Savooiards, dat hy agtervolgen en doen sou, ’t geene hy aan hunne Gesanten had beloofd, en verseekerd: dat hy versogt, dat sy ook wederom volvoeren wilden, ’t geene de Gesanten hem hadden toegesegd. Cethegus, die eeven te vooren, belangende de swaarden en pooken, die men uit syn huis had gehaald, antwoorde; dat hy altoos een liefhebber van goed geweers geweest had, stond naa’t leesen van dien brief verwonnen, en serslaagen; en van syn geweeten overtuigd wordende, sweeg ten eersten Satilius binnen gebragt synde, erkende syn hand, [p. 221] en merk, men las hem synen brief voor, bynaa van eenen selfden inhoud; en hy beleed alles. Toen vertoonde ik synen brief aan Lentulus, en vroeg, of hy het merk erkende? Hy stond het toe. Ik seide, het merk is wel genoeg bekend, vertoonende de beeltenis van uwen grootvaader, eenen seer voorstreflyken man, die ’t met syn Vaderland, en de burgery, altoos wel gemeend heeft. Dit stomme beeltenis had u behooren van sulk een grouwlyk schelmstuk eenen afkeer te doen hebben. Men las hem voor ’t geschreevene en van den selfden inhoud aan den Raad, en de gemeente der Savooiards. Ik vergunde hem, sooy hy, aangaande dese saaken, nog iets te seggen had, dat het hem vry stond. Dit weigerde hy in ’teerst wel, maar een weinig tyds daar na, als men alle de bescheiden van ’t ontdekte verraad geleesen, en voor de Raaden had overgelegt, is hy opgestaan, en vroeg de Franssen, wat sy met hem te doen hadden, en waarom sy aan syn huis gekoomen waren? Het selve seide hy ook aan Vulturcius. Toen hem nu met korte woorden vrymoediglyk van deselfe wierd geantwoord; door welke menssen, en hoe meenigmaal sy by hem waren gebragt; en sy hem wederom gevraagt hadden, of hy niet met hen gesprooken had over de Sibyllynse voorspellingen? Soo deed hy, in syne misdaad dwaas geworden synde, aan ieder een sien, hoe groot de kragt is van ’t geweeten. Want daar hy het ontkennen konde, heeft hy ’t selve, tegen de verwagtinge van alle, opentlyk beleeden. Aldus begaf hem niet alleen syne geleerdheid, en d’oeffeninge der welspreekendheid, war in hy altoos heeft uigemunt maar ook syne schaamteloosheid, waar in hy hen [p. 222] alle overtrof, van weegen de grootheid der ontdekte en agterhaalde verradery. Maar Vulturcius beval terstond, dat men den brief vertoonen, en leesen sou, dien hy seide, dat Lentulus hem gegeeven had, om aan Catilina t’overhandigen. Lentulus toen, ten uitersten ontsteld, erkende dieniettegenstaande syne hand en merk. De brief was wel met synen naam niet ondertekend, maar aldus geschreeven. Dien ik sende, sal u te kennen geeven, wie ik ben; toont dat gy een braave krygsman sie; en gedenk, welke staat gy nu bekleet; voorsie ook in alles, wat voor u noodig is; en draag sorg, dat gy uw Leeger versterkt met hulptroepen self van de geringste menssen. Gabianus naa hem binnengeroepen synde, wanneer hy in ’teerst ontbeschaamdelyk begon t’antwoorden, heeft ten laatsten niets ontkend van de dingen, waar mede de Franssen hem beschuldigden. Wat my aangaat; medeburgers, hoewel de brieven, merken; eigene handschriften, en eindelijk elks vrywillige bekentienis, my dunken te syn d’allergewiste bewysen en blyken van die grouweldaad, nogtans dese uiterlyke tekenen syn voor my de sekerste een beschaamde verwe, d’opslag der oogen, een ontsteld gelaat, en diep stilswygen. Want sy waaren soo verstomd, saagen soo neerslagtig naar d’aarde, en keerden soo steelsgewys d’een naar d’ander hun gesigt, dat sy van niemand nu scheenen aangeklaagd, maar self hun eigene beschuldigers geworden te syn.
    VI. De beschuldingen, medeburgers, gehoord, na voor den Raad opengelegd synde, droeg ik de vergadermge voor, wat hen behaagde, dat aangaande denwelstand onses Vaderlands diende vast- [p. 223] gesteld te worden. De voornaamste Raaden waren van een seer streng en kloekmoedig gevoelen, en hunne voorstellingen wierden sonder iemands tegenseggen goed gekeurd. Maar om dat her Raadsbesluit nog niet opgemaakt, nog ter Schatkamer aangetekend, of overgebragt is; soo sal ik u, medeburgers, naar myne geheugenis, ’t selve verhaalen. Men bedankte my ten eersten met veele woorden, om dat door myne trouwhartigheid, goeden raad, en voorsigtigheid, de Stad en Staat uit d’allergrootste gevaaren was gered: daarnaa, gelyk het billyk en regt scheen, bedankte men en prees in den vollen Raad, d’Opperregters L. Flaccus, en C. Pomptinius, welker dappere en getrouwe dienst in dese ontdekkinge ik gebruikt had. Men roemde ook den eedelmoedigen man mynen amptgenoot, dat hy de hoofden van dit verraad, en deser tsamensweeringe, geset en gehouden had uit syne besondere, en des Staats raadpleegingen. Men verstond wyders, dat P. Lentulus, van syn Opperregterschap sig ontslagen hebbende, daarnaa in beslooten hegtenis gesteld soude worden: desgelyks, dat C. Cethegus, L Statilius, en P. Gabinius, welke alle tegenwoordig waren, souden worden vast geset. ’tSelve is ook beslooten tegen L. Cassius, die voor sig versogt had den last, om de Stad in den brand te steeken; tegen M. Ceparius, waar van men had aangebragt, dat hem aanbevoolen was geweest, de landluiden en veehoeders in Apulie, tot eenen opstand aan te soeken, tegen P. Furius, die afkomstig is van de bevolking, dewelke L. Sulla naar Fesulen heeft overgebragt; tegen Q. Manlius Chilo, die met dese Furius doorgaans was gebruikt geweest, in ’t [p. 224] aansoeken van de Savooiards; tegen P. Umbrenus, eenen vrygemaakten slaaf, waar van beweesen was, dat hy d’eerstemaal de Savooiards by Gabinius had gebragt. De Raad, medeburgers, gebruikte hier in veele sagtmoedigheid, en oordeelde, dat in sulk eene wyd verspreide tsamensweeringe, en sulk een groot geweld, en meenigte van inlandse vyanden, de straf alleen van negen overgegeeven en boose menssen genoegsaam was, tot de behoudenis van onse gantse Regeringe, en tot de bekeeringe, en geneesinge der gemoederen van de medeschuldige. Men beraamde ook op mynen naam eenen algemeenen dankdag, aan d’onsterflyke Goden, om hunne sonderlinge verdiensten, en voorsorg: welke eere, medeburgers, voor myn tyd nooit beweesen is aan eenigen Heer, binnen de Stad Roome syne eerampten waarnemende; als synde geschied met dese uitgedrukte woorden: Om dat ik dese Stad bewaard had, voor brandstigtingen; en de burgery, van overvallen en vermoord te worden; en ’t overig Italie van eenen oorlog. Wanneer de woorden en redenen van dese dankdag, medeburgers, vergeleeken worden met die van d’andere dankdaagen, soo verscheelen deselve hier in; dat d’andere dankdagen uitgeschreeven worden, om ’t geluk van eenen voorspoedigen oorlog; maar dat dese vastgesteld is, om de verworvene reddinge, en behoudenis vaji de geheele Regeringe. Ook gebeurden, ’t geen voor af moest gedaan worden, en verdraagen was. Want Lentulus omsloeg sig self vrywillig van alle Raadsbedieningen; alhoewel reeds van te vooren, d’aanklagten beweesen, en syne bekentenissen gehoord waren en Lentulus, naar ’t oordeel van den [p. 225] Raad, niet alleen alle voorregten van eenen Stads Opperregter, maar ook van eenen gemeenen burger verlooren, en verbeurd had. Dog men wilde ons bevryden van d’amptschennis, in ’t straffen van Lentulus, een man sonder aansien en bedieninge nu geworden synde, welke goede insigt de wydberoemde Marius miste, toen hy d’Opperregter P. Glaucia deede ombrengen, om dat in dese saak de Raad met d’uitgedrukte naam des verweesenen, geen besluit had genoomen.
    VII. Naadien gy nu, medeburgers, de slimste hoofden van dien schandelyken, en gevaarlyken oorlog, gevangen, en onder uw geweld gebragt hebt; soo mogt gy wel denken, dat alle de Leegerbenden van Catilina, al syne opgevatte hoop, en alle syne magt verslaagen leggen, dese onse Stads gevaaren synde afgeweerd, en verwonnen. Toen ik Catilina, medeburgers, uit de Stad verjoeg, voorsag ik dit by my self; dat Catilina, verre van hier synde, ik niet behoefde te vreesen, nog voor de droomende slaaperigheid van P. Lentulus, nog voor de groflyvigheid van L. Cassius; nog ook voor de rasende loskoppigheid van C. Cethegus. Voor hem alleen uit al dien hoop moest men in eenige vreese syn, maar niet langer als hy sig onder ons in de Stad onthield. Hy wist alles; by alien konde hy eenen toegang krygen; hy verstond sig op iemand wel aan te spreeken; heimlyk t’ondertasten, en tot eene quaade saak op te hitsen; hy derfde het bestaan; hy had goed verstand, om een schelmstuk te beleggen; en aan syn goed beraad ontbrak geene bespraaktheid, of veerdigheid in ’t volvoeren. Om d’andere saaken te verrigten, had hy wel vertroude, en daar [p. 226] toe geschikte menssen: hy beelde sig ook niet in, dat het geene hy bevoolen had, terstond soo was volvoerd: niets was ’er daar hy self niet naar sag, ’t geene hy niet van te vooren te gemoed quam, daar hy niet voor waakte, en moeite om deede: alie koude, dorst, en honger konde hy uitstaan. Byaldien ik, medeburgers, van syn voorneemen naa te laaten, en om ons binnen de Stad te belaagen, tot eenen openbaren leegertogt eener hoop struikroovers, niet genoodsaakt, en overgebragt had sulk eenen scharp oppassenden mens, sulk eenen altoos gereeden, sulk eenen stoutmoedigen, sulk eenen listigen, sulk eenen op schelmstukken wakenden, en in eene vertwyffelde staat van saaken niets versuimenden (ik spreek myn gevoelen vry uit) soo soude ik soo gemaklyk de groote swaarigheid van dit quaad van uwe halsen geensins hebben afgeweerd. Nooit soude hy de Feestdagen van Saturnus, tot d’uitvoeringe van syne moorderyen, hebben vaslgesteld; nog soo lang van te vooren doen bekend maken den beraamden dag van d’ondergang, en de verwoestinge der Regeringe: hy soude ten laatsten ook gemaakt hebben, dat men nooit van hem self geschreevene brieven had konnen onderscheppen, of agterhaalen, en betrappen de getuigen van een ontdekt schelmstuk: alle welke dingen in syn afweesen soo bestierd, en uitgevoerd wierden., dat men in geen burger huis eenen diefstal ooit soo klaar en naakt ontdekte, dan wel dese ongemeen swaare tsamensweeringe tegen de Regeringe aan den dag gekoomen, en op de daad betrapt is. Maar was Catilina tot heeden toe in de Stad gebleeven, alhoewel ik, soo lang hy ’er was, hem altoos ben [p. 227] voorgekoomen, en syne aanslaagen heb belet, egter souden wy, om het minste te seggen, opentlyk met geweld en wapenen tegen hem hebben moeten vegten; en nooit soude ik, soo lang die vyand by ons in de Stad bleef; met sulk eene stille vreede, sulk eene groote gerustheid, en sonder den minsten oproer, onsen Staat en Stad gered, en verlost hebben.
    VIII. Nogtans alle dese dingen, medeburgers, heb ik in diervoegen uitgevoerd, dat sy gehouden moogen worden met goedvinden der onsterflyke Goden? en door hun beleid te vooren bedagt, en geschied te syn. En sulx konnen wy door onse gissingen wel naaspeuren; aangesien de bestieringe van sulke groote Taaken naauwlyks schynt over een te koomen met het verstand van eenig bloot mens; en om dat de Goden ons sulk eene gereede, en spoedige hulp verschaft hebben, dat wy hen, als tegenwoordig, en voor onse oogen, hebben konnen sien. Want om niet te spreeken van dese dingen, dat men uit het weilen by nagt groote dwaalligten heeft gesien; en dat de lugt als in den brand stond, en van swaare blixem-slaagen daverde, en dat ik swyge van aardbeevingen, en veele diergelyke saaken, die in eene groote meenigte, gedurende myn Burgermeesterschap syn voorgevallen; invoegen d’onsterflyke Goden ons scheenen voor te spellen de dingen, die wy nu sien gebeuren: soo diene ik eevenwel, medeburgers, op ditmaal niet stilswygende voorby tegaan, hetgeen ik mi seggen sal. Want het heugt u voorgewis nog wel, toen Cotta en Torquatus Burgermeeslers waaren, dat men veele toorens door den blixem sag geschonden, de beeiden der onsierflyke Goden omverre geworpen, anderen van lang voorheen gestorvene mannen afgesmeeten, ende kopere plaaten, daar men de wetten in uitsnyd, smelten. Mede trof de blixem ’t beeld van Romulus, die het u heugt klein en verguld gestaan te hebben in ’t Capitolium, suigende, en aandes Wolfs uijer hangende. Als men te dier tyd de Wigchelaars uit gants Hetrurie by eenriep, hebben sy geantwoord; dat moorderyen, en brandstigtingen, en de vernietinge der vastgestelde wetten, en d’ondergang van de gantse Stad, en onse heerschappy waren nakende, ten ware d’onsterflyke Goden, op allerlei wyse versoend, door hunne Godlyke magt bynaa noodschiklyke Taaken veranderden. Agtervolgens hunnen raad en antwoord, deede men toen tien dagen agter een schouwspeelen vertoonen, en men heeft geene saak naargelaaten,die eenigsins strekken konde, om der Goden gramschap te versoenen. Deselve Wigehelaars gebooden wyders; dat men een grooter beeld van Jupiter maaken, en in eene verheevener plaats stellen sou, met eenen gants anderen (land dan van te vooren, en naar het oosten omgekeerd) seggende, dat sy verhoopten, wanneer het beeld, ’t geen gy siet, syn gesigt gewend soude hebben naar het oosten, den Markt, en het Raadhuis, dat alsdan d’aanslaagen, die heimelyk gesmeed waren tegen den welitand deser Stad, en onser heerschappy, souden ontdekr, en van den Raad, en de gantse Gemeente, klaarlyk verstaan en gesien worden. Te dier tyd beslooten de Burgermeesters wel, dat het beeld alsoo soude verset, en geplaatst worden; maar men ípoede soo weinig met het werk, dat niet alleçn onder der laatste Burgermeesters regeringe, maar ook onder d’onse, tot desen huidigen dag toe, het beeld in synen ouden stand gelaaten is.
    IX. Wie, medeburgers, kan, in dit geval, soo tegen de waarheid aan gekant, soo voorbaarig, en soo herssenloos syn, dat hy de dingen ontkennen soude, die wy alle sien; en voornamentlyk dat dese Stad bestierd, en bewaard wort, volgens het welbehaagen, en d’oppermagt der onsterflyke Goden. Want, toen die ons geantwoord hadden, dat men heimelyke aanslaagen broude, tot moorderyen, brandstigtingen, en d’ondergang der regeringe, en sulx wel door eigene burgers. En als die dingen toenmaals, van weegen de grootheid dier grouweldaden, by eenige voor ongelooflyk gehouden wierden; nogtans hebt gy bevonden, dat se niet alleen van vervloekte schelmen bedagt, maar self ondernoomen waren. Is dit ook geene soo sigtbare, en nog tegen woordige daad; dat se als door de bestieringe van den hoogsten en goedertierensten Jupiter schyntgedaan te syn. Wanneer op myn bevel de vloekverwanten, en hunne aanbrengers, vroeg van desen morgen over de Markt naar de Tempel van d’Eenragt wierden geleid, dat men op het selve oogenblik het Beeld van Jupiter verplaatste, het welk alsoo vastgeset synde, dat het met syn gesigt gekeerd was naar u alle,en den Raad, soo hebtgy gesien, dat aan den Raad en ons ontdekt, en klaar gebleeken syn de dingen, die tegen onser aller welstand bedagt, en ondernoomen waren. Hierom syn sy waardig meerder gehaat, en swaarder gestraft te worden, die getragt hebben, in eene verderflyke en schendige brandstigtinge, te ver- [p. 230] nielen, en te verwoesten, niet alleen uwe wooningen en huisen, maar ook de tempelen, en gewyde plaatsen der Goden. Indien ik nu seide, dat ik my hier tegen had aangekant, soo aanmaatigde ik my veel te veel; en het konde in my niet geleeden worden. Jupiter self, ja hy self, heeft hen tegengestaan, hy heeft dit Capitolium, hy heeft dese Tempelen, hy heeft dese Stad, hy heeft u alle behouden, en bewaaren willen. Ik nam, medeburgers, daar in geholpen, en voorgegaan synde van d’onsterflyke Goden, dit goede voorneemen, en door hen ben ik agter dese groote ontdekkingen geraakt. Nooit souden Lentulus, met d’andere inlandse vyanden, de Savooiards gesogt hebben in hunne belangen te trekken; nog sulk eene gewigtige saak soo dwaaslyk syn aan vertroud geweest aan onbekende, en onbesschaafde menssen; nooit souden íy aan deselve dese brieven overhandigd hebben; ten ware d’onsterflyke Goden dese overgegeevene boeven van alie verstand, en overleg beroofd hadden. Maar meent gy, dat het wel kan gebeuren, buiten alie Goddelyke bestieringe; dat vreemdelingen, en Franssen, woonende in eenen ter naauwer nood met ons bevreedigden Staat, en van het eenige volk, dat van ons niet is overwonnen, en dat onse Romeinen den oorlog kan aandoen, en ook daar toe niet ongeneegen schynt, niet souden versuimen de hoop van eene magtige heerschappy, en d’uitvoeringe van de grootste saaken, hen aangebooden, en opgedraagen, door de voornaamste Leeden onses Raads; en dat sy uwe behoudenis souden stellen booven hunne magt, insonderheid daar sy ons konden overwihnen, niet met bloedige veldilaagen, maar met stilswyg«i.
    X. Weshalven, medeburgers, aangesien eene algemeene danksegging is uitgeschreeven, om voor de beeiden en offerplaatsen der Goden gevierd te worden; sóo onderhoud gy, uwe vrouwen, en kinderen, pleegtelyk deie Feestdaagen. Want men heeft billyk, ter eeren der Goden, meenigmaal schuldige en regtvaardige dankseggingen doen afkondigen, maar voor desen nooit billyker. Nu syt gy gerukt uit den wreedsten, en jammerlyksten ondergang; en daar uit getrokken, sonder moorderyen, sonder bloedstortinge, sonder leegermagten, sonder eenig gevegt. Gy hebt het gewonnen, onder my self, uwen getabberden Oversten, en Leegervoogd. Want herdenkt, medeburgers, aan alle burgertwisten, niet alleen waar van wy voor desen veel gehoord hebben; maar ook waar van wy oog-getuigen syn geweest, en eene versle geheugenis hebben. L. Sulla heeft P. Sulpieius overwonnen; hy verdreef uit dese Stad C. Marius, den bewaardervandeselve; veele andere dappere mannen heeft hy sommige van hier verjaagd, en sommige doen ombrengen. De Burgermeester Cn. Oâavius deede, met geweld van wapenen, synen amptgenood de Stad ruimen, en men sag alhier door alle wyken, op een geltaapelde doode lyken, en de straaten stroomden van’t burger bloed. Wederom kreegen Cinna en Marius d’overhand, en toen sag men ondergaan de voortreflykste ligten van den Staat, en de voornaamste mannen omgebragt. Maar Sulla heeft naamaals de wreedheid deser overwinninge gestraft. Het sal niet [p. 232] noodig syn te verhaalen, hoe groot de moord der burgeren was: hoe swaar de rampen der Regeringe. M. Lepidus, met den voortreflyken, en kloekmoedigen man Q. Catulus in tweedragt geraakt synde, hulp de gantse Regeringe in den rou, niet soo seer door den dood van dien eenen man, als wel door ’t vermoorden van d’anderen. Egter, medeburgers, alle dese Stads twisten waren van dien aard, dat men sogt, niet hoe men de Regeringe ’t onderste booven keeren soude, maar hoe men eenige nieuwigheeden, en veranderingen in mogt voeren. Sy beoogden niet d’ondergang van den geheelen Staat, m aar sogten ’er slegts de voornaamste in te weesen. Sy wilden dese Stad niet door den brand vernielen, maar net meeltegesagvoor sig self verkrygen. Eevenwel, dese burger-oorlogen, waar van geen eenen strekte tot d’ondergang van den gantsen Staat, hadden alle die gevolgen, dat sy beilegt wierden, niet met het heritellen der eendragt, maar met een bloedbad aan te regten onder de burgery. Ikheb, medeburgers, my soo gedraagen, dat gy alle in uwen welstand syt behouden gebleeven in desen oorlog, tsedert de geheugenis der menssen, de grootste, en bloedigste; hoedanigen oorlog geene wilde volkeren ooit tegen hunne eigene inboorlingen gevoerd hebben; over welken oorlog Lentulus, Catilina, G. Cassius, en Cethegus, sig elkanderen dese wet hadden voorgeschreeven, dat alle, die, soo lang de Stad in weesenwas, welvarende konden blyven, voor hunne vyanden souden verklaard worden, lk heb de Stad en Burgery buiten schaade, en inveiligheid bewaard, [p. 233] toen toen uwe vyanden de gedagten hadden, dat ’er soo veele burgeren slegts in ’t leeven souden blyven, als ’er uit eenen eindeloosen moord vry geraakten; en soo veel alleen van dese Stad ongeschonden overig syn, als tot daar de vlam der brandende gebouwen niet had konnen genaaken.
    XI. lk versoek, medeburgers, voor dese myne groote diensten, van u geene belooninge, voor myne kloekmoedigheid, geen openbaar bewys van eene algemeene hoogagtinge, geen gedenkteeken van lof; alleen begeer ik eene eeuwig blyvende geheugenis van desen dag. lk staa daar naa, dat in uwe herten opgeslooten, enbegraaven worden alle myne seegenpralingen, alle verciercelen van myne eer, de gedenkteekenen van myne beroemdheid, d’openbare bewysen van mynen lof. Ik kan my niet vermaaken in onbespraakte dingen, in ’t geene altoos swygt, en ook in iets diergelyks, ’t geen aan menisen, mindere eere waardig, kan opgedraagen worden. Laat, medeburgers, myne daaden aangroeien in uwe geduurige geheugenis, laatse voortgequeekt worden door uwe redenen, laatse oud en sterk worden in de gedenktekenen der geschiedenissen. Ik spreek nu van dien dag, die ik hoop dat eeuwig duuren sal, en voortgeplant worden, ter behoudenis van dese Stad, en ter gedagrenis van myn Burgermeesterschap; en dat ’er op eene tyd twee burgers in onsen Staat geleeft hebben, waarvan d’eene de Landpaalen van uwe Heerschappy bepaalde, niet met de verr’ afgelegenste landen des aardryks, maar naar de wyken des heemels; en d’ander de woonsteede en den seetel des gebieds in syne welstand bewaarde.
[p. 234]
    XII. Maar overmits ’er geene eene en deselve staat en gelegendheid is der daaden, die ik uitgevoerd heb, en der geener, die in vreemde landen oorloogen: naadien ik blyven en leeven moet onder hen, die ik t’ondergebragt heb, daar anderen hunne of gedoode, of overwonnene vyanden, verlaaten; soo sal het, medeburgers, uwe schuldige pligt syn sorge te draagen, byaldien aan anderen hunne wel uitgevoerde saaken voordeelig syn, dat my om deselve t’eeniger tyd geene schaaden overkoomen. Want ik heb myne sorgen besteed, op dat d’ondeugende, en vervloekte sinnen der uitgelaatene stoute menssen u en d’uwen niet souden konnen beschaadigen. Ondertussen, medeburgers, ik verseekere u; dat dese snoode menssen my nu tegenwoordig nergens in konnen eenig groot geweld aandoen. Want van alle welmeenenden, en eerlyke menssen, mag ik my voor altoos eene seekere hulp, en bystand belooven, en my daar op verlaaten. Groot is d’ agtbaarheid der vrye Regeringe, die my altoos stilswygende door haar aansien sal beschermen. Groot is de kragt van ’t mensselyk geweeten, dese sal hen dwingen sig self te verraaden, die deselve versmadende my gewelddadelyk sullen willen naar het leeven staan. Ik vinde my ook soo wel gemoed, medeburgers, dat ik niet alleen niets toegeef aan iemands verwaande boosheid, maar dat ik van my self altoos uitdaage alle boosen en quaalyk meenenden. Dog indien d’overlast, en ’t geweld onser boesem-vyanden, van uwe halsen sal afgeweerd syn, en sy sig wenden sullen om my alleen te bederven; soo staat het aan u, om te voorsien, in hoedanigen staat sy sig naa dee- [p. 235] sen sullen bevinden, die voor uwe behoudenis sig sullen onderworpen hebben aan de vervolginge van de nyd, en aan alle gevaaren. Wat voordeelen deses levens syn ’er ondertussen, die ik voor my nog mogt wenssen te verwerven? insonderheid nu ik niets hooger weet en soek te beklimmen, of in uwe agtinge, of in luister, en aansien van de deugd. Dit sal ik, medeburgers, voorseeker nog tragten uit te werken, dat ik, weederom buiten de regeringe synde, de dingen voorstaa, en in hooge agtinge doe blyven, die ik in myn Burgermeesterschap heb uitgevoerd; op dat, soo ik eenige nyd op my gelaaden heb, door de bescherminge van ’t gemeene-best, den nydigen menssen sulx tot nadeel gedye, en my tot eene grootere beroemdheid strekke. Eindelyk, in de Regeringe sult gy aan my eenen man hebben, die altoos in myne gedagten sal houden, ’t geen ik heb gedaan: en ik sal my bevlytigen, dat dese dingen sullen blyken, niet by geval, maar met eene voorsigtige kloekmoedigheid gedaan te syn. Gy, medeburgers, nu de nagt ons overvalt, bewyst uwe eerbiedigheid, en dankseggingen aan Jupiter, den bewaarder onser Stad, en den uwen: gaat ook naar uwe huisen: en of wy wel ’t gevaar te booven syn gekoomen, beschermt deselve nogtans met uwe magt, en bewaaringe, gelyk de naast voorledene nagt. Ik sal alle mynen vlyd en sorgen besteeden, dat gy sulx niet langer behoeft te doen, en dat uwe rust en vreede eeuwigduurende sy.

Continue

[p. 236]

IV. REEDENVOERING

van

M.T. CICERO

Tegen

L. SERGIUS CATILINA.

Inhoud.


[...]

Continue

[p. 258]

PLEITREDEN
van
M.T. CICERO

Voor

T. ANNIUS MILO.

[p. 268]
Aldus kan men nooit met onbillykheid ombrengen, die iemands leeven laagen legt, en voor eenen moordenaar is bekend. Waarom gaan wy soo sterk verseld? waarom gorden wy de degens aan de syde? Het soude voorseeker niet geoorlofd syn, van dese wapenen sig te bedienen; indien het ganslyk ongeoorlofd was, deselve te gebruiken. Dis is dan, [p. 269] Heeren Regters, geen geschreeven, maar met ons gebooren regt, ’t geen wy nooit geleerd, ergens uit getrokken of geleesen hebben; maar door de natuur ons selven aangemaatigd, ingesoogen, en geoeffend; waar toe wy nooit syn onderweesen, maar geschaapen; nooit van onderregt, maar het is ons van jongs af aan ingeboesemd; dat sig self by ’t leeven te behouden, op alle wysen eerlyk was; wanneer men valt in onvoorsiene laagen, of in ’t geweld, en onder de klingen van moorders, en vyanden. Want de wetten wyken en swygen voor ’t geklank der swaarden; en verbieden ons naa haar te wagten, wanneer iemand een onregtvaardig leed alvoorens sou moeten verdraagen, soo hy ’t uitstelde, om ’er eene regtvaardige wraak naamaals van te neemen. Overmits seer wyslyk, en als stilswygende, dese wet ons de magt geeft, om ons self te verdeedigen, die de wapenen verbied te draagen, om anderen daar mede aan het leeven te verkorten; alsoo ’er ondersogt wort naar de reeden, en oorsaak, en geensins met wat voor geweer, als iemand eenen deegen heeft getrokken, om sig self te beschermen; en geoordeeld den deegen niet gedraagen te hebben, om ’er een ander mede te dooden. Derhalven, Heeren Regters, laat ons dit in dese saak voor onbetwistbaar vast stellen. Want ik twijffel niet, of ik sal by u, myne voorspraak wel beweeren konnen; indien gy uwe geheugenis sult hebben ingeprent, ’t geen men niet vergeeten kan; dat men wettelyk iemand vermag te dooden, die het op ons leeven met syne laagen heeft gemunt.
[...]

Continue

[p. 347]

M.T. CICERO

Wenst heil en welvaaren aan den
seeghaftigen Landvoogd

P. LENTULUS.

[De Latijnse tekst, ‘Perjucundae mihi fuerunt’ etc., staat steeds op de linkerpagina.]
MY is seer aangenaam geweest uwen brief, waar uit ik verstond, dat gy ondervonden had myne trouwhertigste liefde voor u. Want waarom zal ik het een goede genegendheid noemen, terwylen d’agtbaarstse en heiligste naam eener trouhertigste liefde my schynt veel te gering, in ’t opsicht uwer verdiensten tot mywaards? Maar dat gy schryft, dat u myne beweesene dienstplichten wel behaagd hebben: hier in doet gy uit eene overdaad van liefde blyken, hoe aangenaam u de dingen syn, die, sonder eene snoode misdaad te begaan, niet moogen nagelaaten worden. Egter myne genegendheid sou u self kenbaarder syn geweest, en in sig voortreflyker, indien wy, soo lang wy verre d’een van d’ander afweesende syn; te Roome tsaamen hadden konnen blyven. Want wy souden in ’t geene, dat gy verklaard te sullen doen, en daar gy wel meest een groot vermoogen in hebt, en ’t geen ik enkel van u verwagt, dat is, in ’t stemmen in den Raad, en in al het geene ons te doen stond, en int bestieren der regeringe, booven anderen hebben uitgeblonken. Aangaande welke [p. 349] Staatsregeeringe ik u terstond verklaaren sal myne gedagten, en hoe ’t daar mede geleegen is; en ik sal u antwoorden op het geene, waar naar gy my vraagt. En voorseeker ik soude aan u gehad hebben eenen geneegenen en wysen voorganger; maar ik self soude u gediend hebben voor eenen, mogelyk niet geheel onbedreevenen, immers getrouwen en waarlyk geneegenen raadgeever. Eevenwel ik verheug my, gelyk het myne pligt is, uwent weegen; dat gy met den naam van eenen seeghaftigen Veldheer uwe Landvoogdy blyft bestierende; en dat gy gebied over een overwinnend leeger; en dat gy uwe vyanden hebt verslaagen. Egter de voordeelen van myne vriendschap, die ik u verschuldigd ben, soud gy hier te Roome by ons overvloediger en gereeder genooten hebben. Altoos in ’t wreeken der geleedene ongelyken van hen, die gy weet voor een gedeelte uwe vyanden te syn, van weegen uwen yver, om myne behoudenis en herstellinge voor te staan; en voor een gedeelte benydende uwe beroemdheid, van weegen de voortreflykheid deser daad, soude ik my betoond hebben uwen getrousten en verwonderens waardigsten deelgenood te syn. Ondertussen d’onversettelyken vyand syner vrienden, die, overlaaden van u met de grootste weldaaden, syn verbrooken en magteloos geweld voornaamentlyk sogt t’uwen naadeel te besteeden, heeft sig over sig self in onse plaatse gewrooken. Want hy ondernam sulke dingen, die, ter kennis van ieder een gekoomen synde, ’t minste gedeelte hem niet lieten behouden, niet alleen van syne voorige waardigheid, maar ook van alle vrye agtbaatheid in iets te verdeedigen [p. 351] voor den Raad. Ik ondertussen had liever gesien, dat gy uit myne, dan wel uit uwe ongelegendheeden hier van waart onderregt; alhoewel ik my nog in dese droefheid verblyde, dat gy geensins met sulk een groot verlies, de trouw der burgeren voor u, als ik wel, tot myne allerswaarste droefheid, deselve voor my had bevonden. Hier meen ik nu eene bequaame geleegendheid verkreegen te hebben, dat ik alle dese dingen omstandelyk verhandele; en u antwoorde op het geene waar naar gy my vraagt. Gy schryft my, dat men u met brieven heeft bekend gemaakt, hoe ik my met Caesar en Appius versoend heb; en gy voegt ’er by, dat gy sulx niet wilt misprysen. Maar gy begeert van my te verstaan, welke redenen my bewoogen hebben, Vatinius niet alleen in’t geregt te verdeedigen, maar hem ook in den grooten Raad te prysen. Om u dit nu breeder uit te leggen, sal het noodig syn, een weinig hooger op te haalen de belangen, en redenen van alle myne daaden en besluiten. Terstond naa uwe voor my uitgewerkte handelingen, had ik de gedagten, dat ik in myne waardigheid hersteld, en uit de ballingschap te rug geroepen was, niet soo seer tot voordeel van de mynen, als wel voor ’t gemeene-best; en aangesien ik by u my verschuldigd kende van weegen eene ongelooflyke liefde, en van d’uitneemende, en de besonderste pligten aller gedienstigheid voor u self; als mede by de Regeringe, die u in myne herstellinge grootlyks had geholpen; soo oordeelde ik, dat ik naar verdiensten aan deselve dese genegendheid en trouw moest bewysen, nu niet meer uit pligt van eenen welmeenenden onderdaan, maar daar toe ver- [p. 353] schuldigd synde, door eene in ’t besonder aan my betoonde weldaad. Dat ik dese meeninge by my voede, heb ik de Raaden in uw Burgermeesterschap mondeling doen verstaan; en gy self hebt het gesien en vernoomen, in onse byeenkomsten en tsamenspraaken. Eevenwel ook te dier tyd in den beginne was ik in myn gemoed om veele dingen misnoegd, en t’onvreeden, siende den heimelyken haat, enden flaauwen yver van sommigen, wanneer gy den Raad voordroegt, ’t geen wyders diende gedaan te worden, om my ten vollen te herstellen in myne agtbaarheid. Want sy hielpen u niet, die het moesten doen, in de saak van myne opgeregte gedenkteekenen: ook niet, om geregtelyk te wreeken het godloos geweld, dat men my en mynen broeder had aangedaan, onse huisen overweldigende, en ons daar uit verdryvende. Jaa voorwaar ik ben van hen naar myne verwagtinge niet geholpen in de dingen, die ik by my self voor de, geringste agt, hoewel se my hoognoodig waren, om de schaade, die ik aan myne goederen geleeden had; en op dat my dit alles soude vergoed worden, uit kragt van een Raadsbesluit. Toen ik dit sag, (want men maakte dat ieder een het merken konde) vielen my dese, dingen soo onverdraaglyk niet, als my wel aangenaam was, ’t geene sy voor my hadden uitgewerkt. Of ik nu wel, naar uw eigen getuigenis en voorgeeven, ten hoogsten aan Pompejus was gehouden en verpligt, en hem self in hooge achtinge had, niet om de my betoonde weldaaden, maar uit eene opregte liefde, en bestandig goed gevoelen voor dien man: eevenwel, syne gedagten niet wel begrypende; volharde int stand- [p. 355] vastig in myne oude raadgeevingen over Staatssaaken. Self ook in een geregtelyk geding, daar Pompejus mede tegenwoordig, en waarom hy voornaamentlyk in de Stad gekoomen was, waar in hy P. Sextius met syne aanprysinge en voorspraak begunstigde; en toen de getuige Vatinius my verweet; dat ik, door Caesars voorspoeden geluk bewoogen, nu een vriend van hem was geworden; soo antwoorde ik, dat ik den staat van Bibulus, dien hy voor elendig hield, stelde verre booven de seegepralingen en overwinningen van allen anderen. En op eenen anderen tyd, toen Vatinius wederom als getuige verscheen, seide ik, dat het deselve menssen waren, die den Burgermeefter Bibulus dwongen in huis te blyven; en die my geweld hadden aangedaan. Dese myne geheele pleitreeden, over ’t hooren van getuigen, had geen ander insigt, dan eene scherpe bestraffinge er Gemeensmannen van dien tyd; en ik sprak voorts met de grootste vrymoedigheid, en volstandigheid, over ’t gepleegde geweld, ’t versuim der wigchelaryen, en ’t wegschenken van Koningryken. Dit deede ik niet alleen in dese saak, maar ook doorgaans meenigmaal in den Raad. Self onder de Burgermeesters Marcellinus en Philippus, op den vyfden van Grasmaand, besloot de Raad op myn voorstel, dat men op den vyftienden van Bloeimaand, in eene volle Raadsvergaderinge, afdoen soude de saak van de verdeelinge der landeryen van Campanie, onder de behoeftige onser burgery, en d’uitgediend hebbende oude krygslieden. Konde ik my wel sterker stellen tegen de grootste vastigheid en kragt dier saak? Of konde ik wel meerder vergeeten myne geleedene rampen, [p, 357] en gedenken aan myne voorige braave daaden. Dit voorstel in den Raad by my gedaan synde, ontstond ’er eene groote beweeginge en veranderinge in de gemoederen, soo wel dergeener, die het sulx te doen best voegde, als ook van hen, waarvan ik ’t nooit gedagt had. Want dit Raadsbesluit volgens myn voorstel genoomen zynde, vertrok Pompejus naar Sardinie en Africa, sonder mij eenigsins te doen blyken, dat ik hem beleedigd had, en hy is in die reise te Luca by Caesar gekoomen. Caesar beklaagde sig toenmaals geweldig over dit myn voorstel in den Raad, als die van te vooren alreede te Ravenne by Crassus was geweest, en van hem tegen my opgehitst. Altoos het bleek, dat Pompejus dit seer quaalyk nam: en het selve verstond ik voornamentlyk uit mynen broeder, van anderen sulx alreede gehoord hebbende. Want als Pompejus, eenige weinige dagen naa syn vertrek van Luca, by mynen broeder in Sardinie was gekoomen, soo seide hy: u self soek ik: niets kon beter van pas voorvallen; ten sy gy met uwen broeder Marcus sorgvuldiglyk hier over handelt, soo sult gy boeten, ’t geen gy my voor hem hebt beloofd. Wat behoeve ik veel te seggen. Hy deed swaarlyk syn beklag; en sprak van de diensten, die hy my had gedaan; en hoe hy met hem mynen broeder self veelmaalen, betreffende de daaden van Caesar, iets had vastgesteld; en bragt hem in de geheugenis ’t geen hy self voor my aan hem had beloofd; als ook, dat hy in alles, wat hy voor myne herstellinge, had gedaan, van Caesars goede wil alvoorens was verseekerd geweest, waar in hy self mynen broeder tot getuige riep. Hy versogt ook, dat myn broeder de saak en agt- [p. 359] baarheid van Caesar my soude aanbeveelen, ten einde ik my daar niet tegen stelde, indien ik deselve nog wilde, nog konde voorstaan. Als ik nu dit alles uit mynen broeder had vernoomen, en wanneer ook nog van te vooren door Vibullius van wegen Pompejus aan my was geboodschapt; dat ik de saak van d’uitdeelinge der Landeryen van Campanie soude open houden, tot syne wederkomst naar Roome; soo heb ik by my self alles overwoogen, en ben als in gesprek gekoomen met de Regeringe van den Staat; ten einde het met haar goedvinden my, die soo veele en groote tegenspoeden haarenthalven geleeden had, en te booven was gekoomen, mogt vrystaan, dat ik myn pligt en dankbaar gemoed bewees aan hen, die het aan my verdiend hadden, door hunne groote weldaaden, en waar in ik, om sulx te doen, gehouden was, van weegen ’t beloofde by mynen broeder: en dat de Regeringe aan hem nu niet weigeren wilde d’agtbaarheid van eenen eerlyken en getrouw burger, waar voor sy dien man altoos had gehouden. Dog belangende ’t geen by my gedaan, en inde Raadsvergaderinge voorgedraagen was, waar mede ik scheen Pompejus beleedigd te hebben, hier van wierden my geboodschapt de redenen sommiger menssen (wie sy syn, kont gy nu wel gissen) die in ’t stuk van ’t waare belang, en ’t bestieren van den Staat, van een gevoelen met my waren, en doorgaans geweest hadden, hoe sy naamentlyk sig daar over verheugden; dat ik Pompejus niet voldeede, en dat Caesar mynen ergsten vyand worden soude. Dit viel my smertelyk; maar nog veel meer, dat sy mynen vyand (wat seg ik, den mynen? jaa veel meer [p. 361] den vyand der wetten, der geregts-oeffeningen, der gemeene rust, des Vaderlands, en aller eer- en deugdlievende menssen) in dier voegen omarmden, als op de handen droegen, begunstigden, en in myne tegenwoordigheid kusten; waar meede sy my geensins in gramschap en spyt ontstaaken, (want die hartstogt heb ik in my uitgeblust) maar insonderheid en voorseeker daarom, dat elk merken soude, dat sy sulx voorbedagtelyk deeden. Ik toen, soo veel men met eenig mensselyk beraad kan uitwerken, alle myne saaken overwoogen hebbende, en als de reekeningen sluitende, nam op het hoofdgetal myner gedagten, gelyk ik se u, soo kort als mogelyk is, sal bekend maaken. By aldien ik sag, dat de Regeringe overmeesterd was van ondeugende, vertwyfelde en boose burgers, gelyk wy weeten, gebeurd te syn, geduurende ons leeven, en op andere tyden; geensins soude ik my op hunne syde begeeven, hoewel daar toe versogt met giften en beloften, die by my geenen ingang vinden, jaa ook niet door de vreese van eenige gevaaren gedwongen synde, waar door nogtans ook de kloekmoedigste mannen worden afgeschrikt; self al had ik van die menssen de grootste weldaaden genooten. Maar nadien Pompejus de magtigste man van onsen Staat is, die dit vermoogen en gesag sig heeft verkreegen, door syne boven gemeene en groote diensten aan den Staat, en voortreffyke krygsdaaden, wiens aansien ik van myne jongelingschap gesogt heb te vermeerderen, en in myn Opperregter- en Burgermeesterschap met mynen uitersten vlyt daar toe geholpen. Nadien hy ook self, met syne agtbaarheid en stem in den [p. 363] Raad, en syne voorslaagen en yver by ’t volk, u in myne herstellinge had geholpen; en behalven mynen vyand, geenen anderen in de Stad voor een synen kende. Soo vreesde ik niet eens, dat men my van onstandvastigneid mogt beschuldigen, indien ik eenige verandering maakte, in myne voorige raadgeevingen, en myne genegendheeden schikte, naar ’t voorstaan der waardigheid van dien grootsten man, die my in alles ten uitersten aan sig door syne verdiensten had verpligt. Tot dit gevoelen overgegaan synde, moest ik ook Caesars vriendschap soeken, die in belangen en aansien, gelyk gy weet, met Pompejus naauw verbonden was. Hier in heeft veel geholpen d’oude vriendschap, die ik en myn broeder Quintus met Caesar, soo ’t u ook wel geheugt, altoos onderhouden hebben, als mede syne beleefdheid en weldaadigheid, van ons binnen korten tyd gesien, en ondervonden, soo in brieven, als in goede diensten. Grootelyks wierd ik hier toe ook gedrongen, self door den staat van onse Regeringe, die niet toelaat, nog verstaat, dat men in vyandschap leeven soude met dese twee mannen, voornaamentlyk daar Caesar voor deselve sulke overgroote daaden heeft verrigt. Maar ik liet my het allermeest tot dese meeninge beweegen, door de beloofde trouw, waar Pompejus aan Caeser mynent weegen goede verseekeringe van gegeeven had, en die myn broeder voor my aan Pompejus had beloofd. Men moest ten besten van den Staat ook in agt neemen op de Goddelyke les van mynen Plato aan ons naagelaaten: Dat alle d’onderdaanen hunne seeden schikken, gelyk sy de voornaamste Heeren sien gesind te syn. Ik her- [p. 365] dagt, dat ik in myn Burgermeesterschap, tseedert den eersten van Louwmaand, de gronden gelegd had, om ’t aansien van den Raad te beveiligen,; invoegen niemand sig behoefde te verwonderen, dat in ’t begin van de Wintermaand, onder de Leeden van onsen Staat, sulk eene groote vrymoedigheid en agtbaarheid gevonden wierd. Ik overwoog mede, hoe eensgesind en eendragtig de geheelen Raad was, in de jaaren naa myn Burgermeesterschap, tot dat Caesar en Bibulus het selve ampt bekleeden, wanneer myne voorslagen en berigten by alle de Raaden seer in agtinge genoomen wierden. Daarnaa, toen gy de Landvoogdy had over het gedeelte van Spanjen, dat naast aan ons grenst, en de regeringe was in de handen niet van Burgermeesters, maar van koopers en verkoopers der Landschappen, en slaaven en dienaars van oproeren: soo geraakte mynen welstand in gevaar, by seeker voorval geworden synde een oorsaak van burger-twist en verdeelinge onder de Heeren. En wanneer men in dit myn ongeval sag, dat, om my te beschermen, wonderlyk en ongelooflyk eens gesind waren, alle de Raaden, geheel Italie, en alle eerlyke menssen. Nu wil ik ’t gebeurde niet verhaalen; men heeft het te wyten aan de verscheidene genegendheeden, en de schuld van veelen. Dit sal ik in ’t kort seggen; het ontbrak my aan geene heirkragt, maar aan voorgangers. Alhoewel sy na hier in te beschuldigen syn, die my weigerden te beschermen, soo moogen sy ook niet vrygesprooken worden, die my toen verlieten: en soo ik my over hen beklaagen mag, die voor sig self in vreese leefden, echter syn sy meerder te bestraffen, die [p. 367] veinsden, dat sy voor sig self moesten vreesen. Nogtans moet voorseeker myn voorneemen met regt gepreesen worden, dat ik onse Burgery van Roome, die ik voor den moord en de brandstigtinge van Catilina had bewaard, en die my in mynen welstand bewaaren wilden, sonder Hopmannen en Oversten, belet heb met gewapende slaaven te vegten; en dat ik liever sag, dat men aantoonde, hoe magtig d’eensgesindheid aller welmeenenden soude syn geweest, soo het hen vrygestaan had, met de wapenen myne agtbaarheid te verdeedigen, die sy, onderdrukt synde, weder hebben konnen herstellen, en opregten. Gy hebt niet alleen gesien op de geneegendheid van dese menssen, toen gy met den Raad over de vernietinge van myne ballingschap handelde, maar gy behield die ook voor my, en vermeerderde deselve. Ik sal daarom soo wel bekennen, als ook gaarne altyd daar aan gedenken, en daar op by een ieder roemen, dat gy in die saak u bediende van eenige seer voornaame mannen, die sig kloekmoediger droegen in myne herstellinge, dan sy van te vooren sig getoond hadden in myne verdeedinge; en had het hen beliefd, by die meeninge te volharden, soo souden sy wederom gekreegen hebben hunnen ouden luister, en myne behoudenisse. Want alle welmeenenden waren van nieuws aangemoedigd onder uw Burgermeesterschap, en door uwe volstandige en braave daaden opgewekt, insonderheid toen sig Cn. Pompejus aan hunne syde voegde: En toen ook Caesar d’agtbaarheid en ’t ontsag der Raaden ondersteunde, groote daaden van te vooren hebbende uitgevoerd; en toen hy door den Raad met eenige besondere en nieuwe eerampten, en [p. 369] erkentenissen van dankbewysingen was verheerlykt. Te dier tyd konde ook geen quaadmeenend burger eenige hoop en gelegendheid hebben, om de Regeringe in iets t’ontrusten, en te beleedigen. Nogtans bid ik, dat gy wel let op de dingen, die hier naa gevolgd syn. Want die woedende schenner der vrouwelyke offerpligten, die geen grooter ontsag gedraagen had voor onse Stads-heilgodin, dan voor syne drie susters, is by d’uitspraak van het vonnis deser lieden vry gekend, en ongestraft gebleeven. Hy nu, Gemeensman geworden synde, wanneer hy voor eerlyke Regters de straf eenes oproerigen burgers sogt uit te werken, soo hebben die selve mannen onsen Staat beroofd van een seer deftig voorbeeld eener geoeffende wraak over muitery. Daar naa hebben dese lieden staan laaten, gebrandmerkt met myn vyands naam, en met bloed bemorste letteren, het gedenkteeken, dat men volbouwd had niet voor ’t geld, ’t geen ik tot buit op mynen vyand had gewonnen; maar waar van d’aanbesteedinge van den arbeid door my was gedaan: dog ’t gedenkteeken self ging den gantsen Raad aan. Het is my seer aangenaam, dat dese menssen myne herstellinge mede wilden bevorderen; maar voor my was het wenlselyk geweest, dat het hen hadde behaagt, niet alleen sorg te draagen voor myne behoudenisse, gelyk de geneesmeesters, maar gelyk de salsfereiders in ’t salven, ook voor myne kragten, en leevendige verwe. Gelyk nu Apelles met eenl seer uitvoerlyke konst geschilderd heeft het hoofd der Godinne Venus, en de boovenste gedeelten van hare borst, dog het overige van haar ligchaam half begonnen naagelaaten; aldus hebben sommige menssen al hun- [p. 371] nen arbeid besteed, alleen om de behoudenis van myn hoofd en leeven, maar ’t overige van myn lyf lieten sy onaangeraakt, en onbeschaafd. Hier in egter heb ik bedroogen de hoop niet alleen myner benyders, maar ook myner vyanden, die wel eer de gedagten hadden van Q. Metellus, den soon van Lucius, eenen der meest yverende en dappere mannen, en, naar myn gevoelen, de voortredlykste van allen in eedelmoedigheid en volstandigheid; dat hy, uit syne ballingschap hersteld synde, flaauwhartiger en neerslagtiger soude geweest syn. Nogtans dient men te bewysen, dat hy daarom te neerslagtiger van gemoed soude geweest syn, die met eene groote geneegendheid, en sonder veel tegenseggen, in ballingschap vertrok, en met eene uitneemende blygeestigheid buiten syn Vaderland leefde, en sig aan syne herstellinge weinig liet geleegen leggen; waar mede hy verr’ overtrof, in volstandigheid en agtbaarheid, soo wel andere menden, als ook M. Scaurus, eenen ongemeen deftigen man. Het geen sy dan van Metellus verstaan hadden, of vermoeden, ’t selve meenden sy van my te konnen denken, dat ik neerslagtiger van gemoed soude syn, daar nogtans de gesteldheid der Regeringe my hooghartiger maakte dan te vooren; als die nu opentlyk had verklaard, dat sy mynen dienst, die een van hare goede burgers was, niet ontbeeren konde. En of wel Metellus weer ingeroepen was, uit syne ballingschap, door eene willekeur der Gemeente, by eenen Gemeensman slegts doorgedrongen; daar tegen heeft de gantse Regeringe myne wederkomst uitgewerkt, den geheelen Raad sulx van te vooren hebbende beslooten, gants Italie sig daar neevens voegende, alle [p. 373] burgeren sulx vaststellende, de Burgermeester het selve voordragende, in de byeenkomste des Volks naa syne wyken van honderden, adlle Leeden van den Staat, en alle menssen, met al hun vermoogen, sulx soekende uit te werken. Eevenwel naa dien tyd heb ik my niets aangemaatigd, en doe het niet tot desen dag toe, ’t geen te regt eenig misnoegen kan geeven ook aan hem, die het allerminst my toegeneegen is. Hier naar tragt ik met alle myne kragten, op dat ik geene pligten en diensten naalaate te bewysen, soo wel aan vrienden als vreemden, met alle naarstigheid, goeden raad, en arbeid. Dese myne wyse van leeven verdroot misschien hen, die alleen letten op d’uiterlyke aansienlykheid deses stands, en niet begrypen konnen desselfs sorgen, en moielykheeden. Dog opentlyk beklaagen sy sig over myne raadgeevingen, waarmede ik het aansien en gesag van Caesar vergroot, als of ik van ’t voorstaan der goede en oude saak was afgevallen. Eevenwel ik blyf niet alleen volstandig, by ’t geen ik hiervooren gesegd heb, maar ook wel meest by ’t geen ik heb begonnen aan u breeder te verklaaren. Lentulus, gy sult wederkoomende d’eertyds welmeenenden nu geheel anders gesind vinden, dan sy waren, toen gy van hier vertrokt. In myn Burgermeesterschap was die goede sin van die ’t beste gevoelden bevestigd, dog somtyds naa dien tyd afgebrooken, en voor uw Burgermeesterschap meest bedorven synde, is hy door u wederom op de baan gebragt, maar nu gants verlaaten van hen, die dese goede meeningen moesten voorstaan, en daar in volharden. Het selve geeven ons ook te verstaan de Heeren, die onder myne regeringe [p. 375] voor de bestmeenende wierden gehouden, niet slegts met het uiterlyke gelaat en aansien, waar mede men gemakkeiyk de geveinstheid kan bedekken, maar ook in hunne openbare raadgeevingen, en regtspraaken. By gevolge dient geheel veranderd te syn de genegendheid en ’t gevoelen der wyse en regtgesinde burgeren, waarvan ik altoos getragt heb een te syn, en daar voor gehouden te worden. Want ook Plato, naar wiens lessen ik wel meest myne woorden en daaden schik, beveelt ons: Soo veel in alles t’yveren, wat de regeringe aangaat, als men by de Gemeente soude konnen goedmaaken. Maar dat het niemand is geoorlofd syne ouders en ’t Vaderland met geweld aan te tasten. Hy belyd ook, dat dit de reeden was, waarom hy niet getragt had in de regeringe te koomen: dewyl hy sag, dat het volk van Athenen door ouderdom bynaa dwaas geworden was; en bemerkte, dat men nog naar wyse redenen, nog naar geweld luisterde; en toen wanhoopende, dat hy de gemeente door redenen soude konnen overtuigen, had hy ook niet gemeent deselve met geweld te moogen dwingen. Ik heb andere insigten gehad, my ingewikkeld siende in eenen tyd toen onse Gemeente verstandig handelde, en toen ik de vryheid verlooren had, om my anders te beraaden, of ik wel behoorde naar eerampten te tragten. Eevenwel daar over was ik blyde, dat het my vry stond in deselve staat van saaken te verdeedigen raadgeevingen, die aan my en elk eerlyk mens voordeelig waren. Hier by quam eene gedenkwaardige en Goddelyke milddaadigheid van Caesar tegen my, en mynen broeder, dien ik daarom in alles wat hy deede, ge- [p. 377] noodsaakt was voor te staan. En egter al was Caesar tegen ons soo goedgunstig niet, als hy is, nogtans moest men syn aansien vermeerderen, en voorstaan, in sulk een groot geluk, en naa soo meenigvuldige overwinningen, door hem op de vyanden behaald. Want ik begeere, dat gy dit vastelyk geloofd, dat ’er naa degeenen, die mynebehoudenis en welstand d’eerste hebben bevorderd, niemand is, over wiens weldaaden en dienstpligten ik my meer verblyde, en aan wien ik my naader verpligt vinde, dan aan Caesar. Nu ik u dese dingen verklaard heb, sal ’t my ligt vallen, u t’antwoorden op ’t geene gy my vraagt, aangaande myne vernieuwde vriendschap met Vatinius en Crassus. Want dat gy my schryft, dat u myne versoeninge met Appius niet mishaagt, gelyk ook niet myne vriendschap met Caesar, hier in verheug ik my, dat u myne besluiten wel gevallen. Aangaande Vatinius, voor eerst was ik, door toedoen van Pompejus, wederom met hem versoend, terstond naa dat hy Opperregter was gemaakt, waar in ik egter syne begeerten met myne stem in den Raad grootelyks had tegengestaan; dog soo seer niet om hem te beleedigen, als wel om Cato te helpen, en aansienlyker te maaken. Hier naa heeft Caesar sterk by my aangehouden, dat ik Vatinius wilde in myne verdeedinge neemen. Ik versoek u nogtans, dat gy my niet vraagt naar de redenen, waarom ik hem den Raad heb aangepreesen, en sulx niet alleen voor soo veel desen beklaagden aangaat, maar ook anderen. Ik soude u met deselve munt betaalen op uwe wederkomst, alhoewel ik het ook afweesende doen kan. Overdenk maar eens, wat voor slag van menssen gy voorsien hebt [p. 379] met uwe brieven van voorschryvinge, ook uit de verafgelegenste landen. Vrees hier nogtans niet voor. Want ik self help die menssen, en sy sullen van my voorgesprooken, en anderen worden aangepreesen. Ik ben ondertussen ook door dese prikkel aangemoedigd, om Vatinius te verdeedigen, van wien ik by de Regters, toen ik voor hem pleite, bekende, dat ik iets deede, ’t geen de panlikker den soldaat heeft geraaden, in de Gesneedene van Terentius:

    Spreekt sy van Phaedria, noem Pamphila daarteegen.
    Segt sy; laat Phaedria, tot ons besoek geneegen,
    Inkoomen; soo beveel, dat Pamphila terstond
    Mee binnen treede, om door haar stem, en lieve mond,
    Ons te vermaken. Pryst sy Phaedria, dien schoonen,
    Soo moogt gy Pamphila ruim tegen hem vertoonen.
    Betaal se met die munt, en op een selve wys;
    Dan spyt haar dese daad, en gy behaald den prys.


Op die selve wyse versogt ik van de Regters, dat sy my ook eenen anderen Publius toevoegen wilden, met wien ik eenigsins hunne gemoederen tot spyt mogt verwekken, die van hen niet weinig was getergd, naadien eenige der aansienlyksten, en aan wie ik seer veel was verpligt, booven maaten seer beminden mynen vyand, en voor myne oogen meenigmaal in de Raadsvergaderingen tot eene ernstige tsamenspraak ter syden af riepen, en soo nu en dan gemeensamelyk, en met vriendelykheid omarmden. Dit heb ik niet alleen gesegt, maar dikwils doe ik het ook, sonder dat het de Goden of menssen laaken. Dus verre spreek ik van Vatinius: hoor nu naar ’t geene Crasus raakt. Wanneer wy reeds in goed verstand en ge- [p. 381] neegendheid leefden, om dat ik de swaarste van hem geleedene ongelyken, ter saake van eene algemeene eendragt, met eene vrywillige vergeetendheid had over het hoofd gesien, soo soude ik ook wel opgenoomen hebben desselfs onverwagte voorspraak van Gabinius, dien hy nog voor weinige daagen vinnig had bestreeden, indien hy se maar aanvaard hadde, sonder my swaarlyk te lasteren Dog wanneer hy, in die saak pleitende, my verongelykte, die hem nergens in beleedigd had; soo voer ik uit, niet alleen, gelyk ik het agte, met eene tegenwoordige haastigheid, want misschien soude die soo heftig niet geweest syn; maar om dat mynen opgekropten haat schielyk uitborst, van weegen veele door hem my aangedaane ongelyken, hoewel ik nu meende dien gants afgelegd te hebben, daar hy nogtans, buiten myn weeten, in myn hart verborgen lag. Eenige menssen, en deselve, die ik nu meermaalen, als met eenen wenk, en aanwysinge, u doe kennen, seiden, dat sy een groot voordeel trokken uit dese myne vryigheid in ’t spreeken; en dat sy bevonden, dat ik nu eerst wel ten besten van de vrye Regeringe was hersteld in myn voorige aansien; en wanneer my desen yver ook buiten ’s lands eene groote nuttigheid toebragt; verklaarden sy nogtans, dat sy lig daar in verheugden, dat Caesar myn vyand, en sy, die eene selve saak met my voorstonden, nooit myne vrienden souden syn. Toen my dese hunne onbillyke gedagten, door seer aansienlyke Heeren, geboodschapt wierden, en Pompejus met sulk eenen grooten yver, als nooit van te vooren, daar op stonde, dat ik my met [p. 383] Crassus soude bevreedigen; en Caesar met brieven betuigde, dat hem een groot verdriet was aangedaan door myne tegenstreevinge, soo heb ik eenige agtinge genoomen op myne voorgaande ongelegendheeden, en op myne eigene neigingen. Crassus is ook, op dat aan de geheele Regeringe onse herstelde vriendschap soude blyken, en bekend staan, bynaa uit myn eigen huis naar syne Landvoogdyschap weggereist. Want sig self by my ten eeten genoodigd hebbende, soo hielden wy te saamen ons avondmaal, in de tuinen van mynen schoonsoon Crassipedes. Om dese reeden heb ik syne saak aangenoomen, ’t geen gy schryft verstaan te hebben; en met groote lofredenen t’syner eer in den Raad verdeedigd, gelyk het de pligt was van myne trouw. Nu hebt gy gehoord, door welke redenen ik bewoogen ben, en welke saaken en belangen ik voorstaa, en hoe ’t geleegen is met de dingen, die ik, in ’t bestieren van de Regeringe, oordeel te moeten doen, voor soo veel ’er my iets van aangaat. Ik wilde wel, dat gy ’er dit van gevoelde, dat ik van geene andere gedagten en meeninge sbude syn geweest, byaldien ik in dit alles vry geweest was, en mynen eigenen sin had moogen doen. Want ik meen, dat men sig te vergeefs soude stellen tegen sulke groote magten; en dat men ook niet behoorde het gesag der voortreflykste burgeren, al kon men ’t doen, te vernietigen; en ook niet vermag te blyven by eene en deselve meeninge, de staat der saaken veranderd synde, en de insigten der welmeenenden op andere redenen steunende, wanneer men sig moet voegen naar de tyds gelegendheeden. Want nooit in eene Staatsregeringe pree- [p. 385] sen deftige mannen eene onversettelykheid in raadgeevingen. En gelyk het in ’t feilen eene konst is, sig naar wind en weer te schikken, al kan men ten eersten de haaven op die wyse niet bereiken, wanneer men syn oogwit maar bekomt, den koers veranderd hebbende; en dat het eene dwaasheid is, met gevaar dien streek te houden, waar mede men van land gestooken is; in de plaats dat men de seilen over staag smytende, ten laatsten belanden sou, waar naartoe de reise legt: aldus, naademaal van ons allen, in ’t bewind van Staatssaaken, rust en aansien beoogd wort, ’t geen ik dikwils seg; soo moeten wy niet altyd het selve stemmen, maar op een en het selve insigt doelen. Dieshalven, gelyk ik een weinig van te vooren geschreeven heb, soo ik in alles myn eigen meester was, ik soude egter in ’t bewind der saaken my niet anders draagen, dan ik nu doe. Aangesien ik dan tot dese meeninge aangeset word, door de weldaaden dier mannen; en daar toe gedwongen door de geleedene ongelyken van anderen; loo gedooge ik goedwillig, dat ik dese dingen noodwendig in de Regeringe stem en voorstaa, welke ik oordeel, soo wel my self, als aan ’t belang van de Staatssaaken ’t voordeeligste te syn. Hier in gaa ik t’openhartiger, en doe het dikmaals, om dat ook myn broeder Quintus de plaats bekleed van Onderveldheer van Caesar; en om dat ik nooit iets gesegd, of gedaan heb ten voordeel van Caesar, ’t geen hy met sulk eene uitneemende gunstbewysing niet heeft beantwoord, dat ik ’er my aan hem ten hoogsten door verpligt erken. Aldus geniet ik syne gunst, die by allen in eene seer hoogeagting is; en ik bedien my van syne [p. 387] magt, die gy weet daat seer groot is, als van de myne. My dogt ook, dat ik de voorneemens der boose menssen, op myn nadeel uit synde, niet beeter konde verydelen; dan wanneer ik by de hulpmiddelen, waar van ik my altoos bedien, de toegeneegendheid deser magtige mannen voegde. Indien gy hier by ons waart geweest, gelyk ik het geloove, soo soude ik geene andere belluiten genoomen hebben; want ik kenne de gemaatigdheid en besaadigdheid uwer geneegendheeden. Ik ken u gemoed, my insonderheid toegeneegen, en tegens d’anderen met geene quaadwilligheid ingenoomen, maar daar tegen soo wel groots en eedelmoedig, als openhartig, en opregt. Ik heb eenige niet anders tegen u gesind bevonden, dan gy hebt konnen sien, dat sy geneegen voor my waren. De saaken daar ik door bewoogen ben, souden u voorseeker ook bewoogen hebben. Nogtans waar ik de gelegendheid van uw bysyn sal genieten, daar sal ik ook alle myne voorneemens schikken, soo gy het my raaden, en beveelen sult. Gelyk gy voor myne welstand hebt sorg gedraagen, alsoo sult gy ’t ook doen voor myne agtbaarheid. Aan my hebt gy voorseeker eenen makker en medgesel in al uw bestaan, raadgeevingen, geneegendheeden, en daaden: en geduurende myn geheele leeven sal ik naar geene saak soo tragten, dan alleen dat gy daagelyks u daar in meer verheugt, om dat gy my aan u ten hoogsten hebt verpligt. Belangende ’t geen gy my schryft, dat ik u sendeu soude de schriften, die ik tsedert u vertrek heb opgesteld: het syn eenige reedenvoeringen, en soo weinige, dat [p. 389] gy ’er niet om behoefd bevreesd te zyn; dese sal ik Menocritus mede geeven. Ik heb ook geschreeven, want ik ontslaa my meer en meer van ’t maaken der reedenvoeringen, en begeeve my tot min moeielyker verstand-oeffeningen, waar jn ik altoos een grooter behaagen schepte, self tseedert de jaaren myner jongelingschap; ik heb dan gelchreeven, in naavolginge van Aristoteles, naar myn eigen sin en meeninge, in de verhandelinge van tsamenspraaken, drie boeken over ’t geen eenen reedenaar betreft; dese meen ik, dat grootelyks voordeelig sullen syn aan uwen soon Lentulus. Want sy volgen niet de gemeene leergronden, en vervatten de geheele oude wyse der reedenvoeringen van Aristoteles, en Isocrates. Ik heb in gedigt ook verhandeld drie boeken van de voorvallen myner ongeleegendheeden, en herstellinge; dese soude ik voor lang aan u gesonden hebben, indien ik meende, dat sy in ’t ligt mogten gegeeven worden. Want in deselve getuige ik, en sal in eeuwigheid betuigen, uwe uitneemende verdiensten, en weldaaden, aan my beweesen, en myne trouw en liefdepligten tegen u. Dog ik vreesde eenig misnoegen te geeven, niet aan hen, die sig agten souden van my beleedigd te syn, want hier van spreek ik spaarsaamlyk, en met mindere heevigheid; maar aan d’anderen, waaraan ik veel verschuldigd was, en die, om hun groot getal, alle van my niet konden genoemd worden. Eevenwel sal ik ook maaken, dat dese boeken, soo ik iemand krygen kan, dien ik se derf aanvertrouwen, aan u behandigd worden. Immers dat gedeelte van mijn leven, en onse geemeensaame vriendschap, [p. 391] stel ik geheel aan uw oordeel en goedvinden. Van gelyken, wat ik in de letterkunde, en wysheidsoeffeningen, myne oude vermaakelykheeden, sal uitwerken, dit alles sal ik gaarne aan uw believen opdraagen,die dese beesigheeden altyd hebt bemind. ’t Geen gy aan my schryft van uwe huisbelangen, en myne sorgen aanbeveelt, daar in gebruik ik sulk eene groote naarstigheid, dat ik naauwlyks lyden kan, dat gy my daar over aapspreekt, en niet sonder myn groot leedweesen daarom versogt worde, ’t Geen gy my schryft aangaande de saak van,myn broeder Quintus; dat gy, door siekte verhinderd synde, inden voorgaande soomer niet hebt konnen naar Cilicie reisen, en om die reeden daar in niets afgedaan hebt, maar nu alles doen sult, om ’er een einde van te maaken; hier van moogt gy wel gelooven, dat myn broeder bekend, door uwe gunst in syne besittingen eene vaste gerustheid verkreegen te sullen hebben, soo het selve landgoed by d’anderen gevoegd sal syn. Ik begeer, dat gy my seer gemeensaamelyk en dikmaals kennis geeft, en schryft, belangende uwe eigene saaken, en de beesigheeden der letteroeffeningen van uwen soon Lentulus, die ik als de myne bemin; en dat gy het daar voor houd, dat niemand ooit een ander meer heeft bemind, en waarder geagt, dan ik u doe; dat ik alles soo sal schikken, dat gy sulx niet alleen ondervind, maar dat ook alle volkeren, en alle onse naakoomelingen ’t selve verstaan konnen. Appius gaf van te vooren in syne redenen wel te kennen, dog daar naa verklaarde hy opentlyk in den Raad, dat hy, soo ’t hem vry stonde, eene wet af te kondigen, om vastgesteld te worden, in de vergaderinge der [p. 393] Stads wyken, daar naa met synen amptgenood om de Landvoogdyschap looten soude; maar byaldien in de vergaderinge der Stads wyken niets van die ampten soude worden vastgesteld, dat hy in ’t besonder tig daar over niet synen ampgenoot soude verdraagen, en uw naavolger in die Opperheerschappy willen worden: dat net eenen Burgermeester toestond by de wyken der Stad om sulk eene wet aan te houden, maar dat het van de hoogste noodsaakelykheid niet was; en dat hy, wien by een Raadsbesluit dese waardigheid was opgedraagen, die Leegervoogdyschap behouden soude, uit kragt van de wet Cornelia, tot dat hy wederom in Roome soude aangekoomen syn. Ik weet niet wat eenigen uwer vrienden u van die dingen geschreeven hebben. Ik vinde dat ’er verschillende gevoelens van syn. Eenige meenen, dat gy niet vermogt van uwe Landvoogdyschap af te staan, om dat men u eenen naavolger send sonder eene voorgaande wet door de Stads wyken te doen vast stellen: en sommige gelooven, dat sy selfs aan iemand anders het hoogste gebied kont opdraagen, al vertrekt gy uit uw landschap. Maar my blykt soo seer niet, wat hier van naar regten dient gedaan te syn, al is het dat men daar over ook niet behoeft veel te twyffelen; als ik wel agte, dat het met uwe hoogste grootagtbaarheid, waardigheid en eedelmoedigheid best over een komt, waar naar ik weet dat gy u seer gaarne pleegt te schikken, soo gy sonder eenige langere vertoevinge de Landvoogdyschap aan uwen naavolger overdraagt en afstaat, insonderheid daar gy syne eergierigheid niet sult konnen verydelen, sonder u self van die misdaad verdagt te [p. 395] maaken. Ik oordeele beide die saake myne pligt te raaken, dat ik u myn gevoelen doe verstaan, en ook verdeedige, ’t geen gy sult gedaan hebben. Toen ik desen brief had geeindigd, wierd my den uwen behandigd, waar in gy spreekt van de Roomse pagters: hier in heb ik uwe billyke regtvaardigheid ten vollen goedgekeurd. Eevenwel wenste ik, dat gy door eenig geluk dit had verkreegen; dat gy, aangaande d’inkomsten, en geneegendheeden dier Leeden onser Staats-regering, deselve nergens in beleedigde, daar gy se in alles doorgaans hebt begunstigd. Ik sal nogtans niet ophouden uwe daaden en besluiten voor te spreeken: maar de gewoontens en den aard der menssen kent gy. Gy weet ook hoe verbitterde vyanden sy geweest syn van dien selven Q. Scaevola. En daarom raade ik u, dat gy dese Leeden van den Staat, soo gy best kont, met u bevreedigd, en u geneegen maakt. En of dit wel eenige moeite insig heeft, egter dunkt my, dat het uwe voorsigtigheid best soude betaamen. Vaarwel.

Continue

[p. 396]

Aan Quintus/