Joris de Wijse: Voorzigtige Dolheit. Amsterdam, 1650.
Naar El cuerdo loco (1620) van Félix Lope de Vega
Uitgegeven door from the page
Red. dr. A.J.E. Harmsen, Universiteit Leiden.
Ceneton098750Ursicula
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.

Continue
[
fol. *1r]

VOORZIGTIGE

DOLHEIT,

HOF-SPEL.

Qui nescit simulare, nescit Regnare.

[Vignet: D’een lacht en d’ander schreit]

t’Amsteldam,
___________________
Gedrukt by Ian van Hilten, Boekverkoper in de Beurstraat, in de
geborduurde Hantschoen. ANNO 1650.



[fol. *1v: blanco]
[fol. *2r]

Opdracht,

Aan Mevrouwe, Mevrouwe

MARIA SPIEGELS,

Gemalin van den eedelen gestrengen, groot achtba-
ren Heere, mijn Heere

Dr. GEERAARD SCHAAP.

Oudt Burgermeester en Raad der Stede Amsteldam,
Curateur der beroemde hooge Schoole te Leyden,
en tegenwoordig Raad van Staten, etc.

MEVROUWE,
NU ik u E. een toonneelspel derf toebrengen, is mijn hertelijkste wensch, dat uw edelmoedige gedagten zich niet inbeelden, dat ik dit tot eenige afdoening denk te doen gelden van zoo veel onverdiende weldaden, als my wel eer door zijn edelheit, mijn heer uw edts. gemaal beweezen zijn: want de letteren en ’t papier, (die ik Spanje in tijdt van vrede [fol. *2v] ontleende) tegens zulke gunsten op te weegen, waar een ongemeene ondankbaarheit: maar de naaste trap tot dankbaarheit, is weldaaden erkennen; daar mijn onvermoogentheit in plaats van erkennen, alleen be kent; hier waar ook mijn swijgen ondankbaarheidt geweest, en door het bekennen en spreeken schijn ik naar roem te staan: want het is my onmogelijk te bekennen, hoe seer ik van u Ets. gemaal begunstigt ben, of ik moet met eenen aan al de werelt verkondigen, dat zijn Edelheit my zijn gunsten waardig achte: maar het staat my beter vermetel; als ondankbaar te schijnen. Ik breng dan een dankbaaren koning (die op het Duitsch toonneel de weldaaden en plichten zijnes trousten onderzaats met gunsten en ampten betaalt zet) voor uw voeten, niet zo zeer om uw schrandre oogen te vermaaken, als om mijn eigen machteloosheit aan te wijzen, en deze dankbare regulen van Seneca te gemoet te voeren.
    Nimmermeer kan ik u voldanken, doch zal niet laten over al te belijden, dat my zulcx ondoenlijk is.
    Vergelding was ook ’t oogmerk der Burgermeesterlijke mildadigheit niet; want
    Dan is weldoen een deught, als het niet vergolden [fol. *3r] wort: wiens vrucht een dapper man in ’t geven al ge nooten heeft.
    Ik schrijf dan, om dit te betuigen onder d’ooghen des gemaals, deze erkentenis de gemalin toe; ik brengh ghedighten aan een vernuft, dat de dichtkonst zoo langh omhelsde; en nu noch niet haaten kan:
        Als uw verstandt van hemelsch man bedouwt
        Gaat weiden, als een pen gedoopt in ’t gouwt,
        Die trekkend haar geleert vernuft ontfout
                    Op zuivre bladers.
[naar Vondel]
    Vloeit ook van hier af het geluk des Burgermeesters niet? want de hoogheidt zijner Ampten, het koninglijk gezantschap, doorluchte burgermeesterschappen, gunst van volk’ren, stenden en staaten, vervullen zijn gelijkmoedige ziel met zo veel genoegen niet, als uw eenige liefde:
        Vitae vita amor est, nec perfectus nisi unus:
    Ook heeft de bron te veel volmaaktheit, om geen volmaaktheit voort te brengen.
        Qualem blanda Venus, daretque Iuno:
        Formâ, simplicitate, comitate,
        Censu, sanguine, gratiâ, decore.

[fol. *3v]
    Ontfang dan in uw beleefde beschermingh mijn belaagde Koning, en oordeel waar hy wel of qualijk geveinst heeft; zijn vervolgde Lucinde lacht alreedts, om datze uit zo veel doorgeworstelde ellende in uw armen werdt opgenoomen: de staatzugtige Rosania bekent met Dinardo onder uw rechtvaardige oogen haar ongerechtigheit; Morosin zijn onbedachtzaam heit, en ik, dat ik in plaats van ouwde weldaden af te doen, my in nieuwe schulden steek door dese toeëigening, die ik verzoek ten goede genomen te werden,

MEVROUWE van

                                UEdts.

                                                        Onderdanigste verplichtste en dienst-
                                                            willigste dienaar

                                                                                        Ioris de Wijze.



[fol. *4r]

Aan den

LEZER:

TErwijl* ik mijn gedaghten op het volg-geschil der dingen liet gaan, en met een aandagtig oogh van buitten het schoutoonneel des werelts, en in mijn leesvertrek van binnen de kleene toonneelen der ouwde en hedendaagsche geschiedenissen overzag, bevond ik, dat deze zijd’ aan zijd’ niet als rollen van gheveinstheidt speelden; en dat de verloopen tijden wel veranderden van aanzigt, maar niet van gebreken. Onze nabuurige Koningrijken zijn met te veel bloet bevlekt, om geen treurtoonneelen van geveinstheit af te beelden, en geveinst te wezen; terwijl ik met bedroefde oogen d’ongehoorden ondergang van Koningrijken en Koningen aanschouwde, viel my de gelukkige uitkomst van het deurgeworstelt gevaar eens uitheemsche Konings in handen, en mijn schrijflust vond gelegentheit, om Koningen aan te wijzen, dat zy geen quaatheit, als te veel goetheits hadden, en in d’aldergeveinste wereldt d’aldergeveinste vyanden niet ongeveinst behoorden t’omhelzen. Terwijl dit huidendaags toonneel haar gordijnen open schoof, wiert mijn pen verwekt om het tegendeel van deze openhertige, doch ongelukkige oprechtigheidt mijn tijdt genooten ten toon te stellen, door een spaansche Dolheit, die haar poëet, en niet te on regt, de naam van Voorzigtigheit toepast; maar eer op ons toneel de rollen des voorzigtigen konings afliepen, had de gekroonde Lijdzaamheit voor haar erfpaleis; maar op een moordtoonneel haar rol volspeelt; evenwel heb ik, hoe wel te laat, noch willen voortgaan, om te betuigen, dat ik wenschte voorgespeelt te zien, ’t geen dit toonneelspel nagespeelt heeft. Mijn geest heeft het gelust zich hier in te oeffenen, en mijn gedachten schieppen vermaak uit treurstof; daar de Koningen ten koste van haar mogentheit, en dikwils van haar bloedt leeren veinzen, heb ik met meerder genoegen, en minder gevaar, deze konst onderzocht, en de weten schap van mijn koning Antony nu wel, dan qualijk, en ten lesten geluk- [fol. *4v] kig zien uitvallen. Ik verhoope dat uw beleeftheit zo veel vermaak in’t lezen zal vinden, als ik in’t schrijven vont. Den naam van Hof-spel dacht my niet oneigentlijk voor dit werk te voegen; om dat het veinzen, daar dit spel van aan een hangt, het rechte spel der hoven, of hofspel is. Dit heb ik bescheide lezer gewilt, dat u niet onbewust zouw zijn; gebruik het dan tot uw voordeel; maar veins niet, ten zy het den vaderlande ten dienste, uw*vrunden te nut, en niemandt tot hinder kan strekken. Vaar wel.

J. de Wijze.



[fol. A1r]

Inhout:

TOen Phlips koning van Albanien en Epiro gestorven was, liet hy zijnen enigen zoon Anthony tot erfgenaam des rijks, en hem een stiefmoeder na, die (verlieft zijnde op den staatzuchtigen veldheer van zijn legers) bedekte lagen leit, om zichzelf in den troon van Anthony te draajen.

    1. De jonge koning in’t bloejenst van zijn jeugt, en overzulks minzuchtig, slaat dit weinig acht; maar zijn zinnen op de schoone Gravin Lucinde, die zijn liefde erkent en met vrye toegang begunstigt, waar over de Koning zich in haar vertrek vindende, op een nacht van den Graaf Morosin haar broeder beloopen, en onbekent wechgeholpen wiert; de graaf hier door vol gramschap, beschuldigt zijn zuster met onkuisheit, en begeert, om zijn eer te voldoen, de man te weten, die hem ontkomen is: hier stijf op aanstaande vint hy zich belet voort te varen door het bevel des konings, die hem te hoof doet haalen, en veltheer maakt van het leger, dat op zijn vertrek stont, om Sfetisgrad (welke stadt van den Turk belegert was) t’ontzetten, hier door wert Morosin gedwongen metten dageraat te vertrekken, en zijn zuster ongequelt te laten. Het begeven van dit ampt verbaast den afgezette veltheer Dinardo, en de stiefmoeder Rosania, die beducht zijn dat de koning haar lagen gemerkt, en daarom Morosin veltheer gemaakt hadde; hier over gaan tusschen Rosania, Dinardo en haar vloekverwanten Tancredo en Domicio hette raatslagen om; men zoekt den jonge vorst naâ zijn staat: maar men derft, om de [fol. A1v] haat der gemeente niet op den hals te haalen, naar zijn leven niet staan: ten laasten besluitmen hem door vergift ’t verstant te bedwelmen, en onder schijn van een rechtvaardige tijtel zijn rijk (geduurende zijn onzinnigheit) te beheeren; hier over trachtmen den drankbereider Robbrecht om te koopen, die haar zijn hulp belooft.
    II. En echter den koning alles ontdekt. Anthony om al zijn vyanden t’ontdekken, te bedriegen en onder te brengen, beveelt zich de trouw van zijnen oprechten dienaar, en wil dat hy zich gelaat om hun te believen, drinkt zijn gewoone maagdrank, veinst zich in het byweezen van Rosania, den hartog Dinardo en ’t hofgezin vergeven en buiten zinnen te weezen. hier door wert hy gewaar wie met zijn vyanden aanspannen, en eindelijk door last des hartogs van zijne eige lijfwacht vast gestelt in verzekering geleit, en Lucinde door de haat van Rosania met dit verraat bericht, en ook gevangen.
    III. Dinardo waanende nu meester te zijn, laat door zijn medestanders Tancredo en Domicio de gemeente des konings razerny bekent maken; en beleit de zaaken door zijn list tot voordeel van Rosania, die door d’adel en gemeente eenstemmiglijk tot Regente verkooren wert, om het rijk (geduurende haar zoons onzinnigheit) te regeeren. De nieuwe Regente besluit Lucinde by Anthony te laten brengen, te doen doorsteeken, en dan uit te laten stroojen, dat de koning in zijn razerny zijn handen aan haar geleit, en haar afgemaakt hadde; op dat haar broeder Morosin zich op Anthony werp, en zy door een tweede hand haar haat een slag zou voegen. Dit komt den veinsende vorst ter ooren, die zich verlegen vint, en te laat gewaar wert, dat hy door zijn veinzen de stiefmoeder gelegentheit gegeven heeft, om aan zijn kroon te komen: dat hy om zijn vyanden te leeren kennen, en zijn leven te verzekeren, zich zelf te diep in dit werk had ingewikkelt, en nu vergeefs naar zijn bedroge onderzaaten te rug, en Lucinde in gevaar zag; en hoorde dat Domicio zich aanboot om haar te vermoorden. maar wanneer nu Lucinde by den gevangen koning gebragt is, geeft hy zijn verstant aan haar aanstaande doot te kennen: doch hy bedriegt en doorsteekt Domicio; wint hem in een laaken; betreurt en omhelst het lichaam in ’t bywezen van de lijfwagten (die op zijn geroep te laat toeschieten) gelijk of het Lucinde was: de bedro- [fol. A2r] ge lijfwacht ontweldigt hem het lijk van Domicio, ’t welk zy, door ordre van Domicio zelf, (terwijl zy meenden dat het Lucinde was) in een put werpen. De koning helpt Lucinde met zijn drankbereider (die door Dinardo ook vastgezet was) uit de gevankkenis, ondertus schen loopt het gerucht, dat Lucinde door den dollen koning ver moort is, waar op Rosania Tancredo afvaardigt om den veltheer Morosin zijn zusters doot bekent te maken en Anthony te beschuldigen.
    IV. Morosin vol haat en toorn maakt stilstant van wapenen met den Turk, en verbint zich met den Bassa Sinam, om gelijkerhant met beî de legers naar de hooftstadt Croye te trekken, Anthony over Lucindes moort te straffen, en het rijk te leen vanden grooten heer t’ont fangen. Lucinde verschuilt zich terwijl op ’t lant en doet Robbrecht naar den koning verneemen; d’afgezonde Tancredo komt te rug Rosania aandienen, dat Morosin den koning Anthony in handen wil hebben; hier op wert Tancredo belast den gevangen vorst in een be sloote koets na den graaf te voeren. Ondertusschen koomt Lucinde door hulp van Robbrecht vermomt by Anthony, wien zy een pook in een mande met fruit brengt, en de twee wachters helpt afmaken; doch op het punt van vluchten, wert Anthony van Tancredo, die op’t slag komt, aangehouwden en op een koets geworpen, om naar den graaf te brengen.
    V. Hier op wert Rosania aangezeit dat Morosin met den Bassa voor de poorten zijn, en met een gedeelte des legers, tot hun verzee kering, intrekken; dit beweegt haar om Tancredo het overleveren van Anthony te verbieden tot nader last. Morosin komt op ’t hof en de Bassa maakt het lant chijnsbaar onder zijn kaizer, en Rosania moet den gevangen koning afstaan, en last geven tot d’overleveringe. eindelijk maken eenige soldaten, die de lantbestiering van Rosania wars waaren, een oploop, en rukken den koning uit de handen van Tancredo. De vorst toont zijn verstant en oordeel, verhaalt zijn stiefmoe ders schelmery, en verzoekt haar gehoorzaamheit en hulp, trekt ein delijk naar het leger van den graaf, ’t welk hem toe, en den Turk op ’t lijf valt en ter stadt uit slaat. hier op trekt de verloste koning na zijn hof, daar Rosania, Dinardo en den Bassa zijn majesteit te voet val len. Morosin zijn zusters leven, en eigen onbedachtheit, en eindelijk [fol. A2v] haar ongeluk hoort verhaalen, en haar gelukkig omhelst. Ten laasten neemt zijn majesteit Lucinde voor koningin en gemalin, en Robbrecht voor kamerling aan. Morisin wert in zijn veltheers ampt bevestigt, en des konings nicht ten huw’lijk gegeven. Sinam ontslaagen verzonden, en Rosania raakt met haaren hartog Dinardo in ballingschap, en ons toonneelspel ten einde.
Het Tooneel is binnen, en een mijl twee of dry van Croye.



PERSONAADIEN:

 Anthony, koning van Albanien.
 Morosin, een graaf, broeder van Lu-
        cinde.
 Lucinde, bemint van den koning.
 Rosania, stiefmoeder des konings.
 Dimardo, een hartog en veltheer.
Tancredo,
Domicio,
} Twee graven.
 Finardo, hofmeester des konings.
 Celio, kamerling.
Tebandro,
Cloro,
} Twee staatjongens.
 Filippo, ’t hooft der gemeente.
 Robbrecht, des koning drankbereider.
Reyntje,
Floris,
} Twee lijfwachten.
Zargiant.
1
2
3
4
}
}
Albanoiser soldaten.
 Ergasus, een harder.
 Tirsus, harders jongen.
Stommen.
 Valerio, hopman van de lijfwacht des konings.
 De gemeente der Allbanoiseren.
 Het leger der Albanoiseren.
 Het leger der Turken.
Continue
[
fol. A3r]

Eerste bedrijf.

De Koning, de graaf Morosin, en Lucinde.

Luci. HOud broeder.
Mor.                           Ga ter zijde, en laat my los, eer ’t staal
    Uw boesem open’ en bespreng mijn vaders zaal
    Met eer’loos bloed, laat los, laat los, laat los gy snode,
    Dat ik hem ken, die zo bedekt’lik is ontvlode,
    (5) En nu zo stout noch is, dat hy my hier verwagt.
Luc. Te minder hoort hy by den graaf te zijn verdagt?
Mor. Hoe des te min verdagt, heb ik hem niet belopen
    In uw vertrek? hy zal het met de dood bekopen,
    Ten zy hy my voldoe, wie dat hem derwaarts joeg,
    (10) Of wat hy daar verloor: maar ’k vrees dat hy genoeg
    Aan u gevonden heeft?
Luci.                                 Hoe graaff aan my gevonden,
    Ik weet wel dat ik ben door ’t bloet aan u verbonden,
    En u mijn eer ten dele aangaat als broeder: maar
    Niet als gemaal; gy spreekt Lucindes deugt te naar,
    (15) Terwijl gy ’t eerbaar hert met oneer durft besmetten,
    En hier uw tong, en kling op deze boesem wetten.
Mor. Foei dat ik dulden zou zo duldeloze schand,
    Laat los, noch eens laat los;
Luci.                                         Aylaas houd broeder: want
    Hy heeft u nooit misdaan:
Mor.                                       Meer als te veel Lucinde?
    (20) Off kan hy niet misdoen die ’k in uw kamer vinden?
    Wie kan het anders zijn, ô hoon, als die ’t genot
    Van uwe schoot genoot, en drijft met my den spot?
Luci. Heer broeder laat de drift uws gramschaps recht en reeden
    Niet overtreên, ik zelff en ben niet wel te vreeden
    (25) Mits gy hem in ’t vertrek, ja in mijn slaapplaats vond;
    Ik wenschte datmen wist, wie dat hem derwaarts zond?
[fol. A3v]
    Zouw een van mijn gezin haar wel zo wulps vergeeten
    En overtreen haar plicht?
Moro.                                   Dat dientmen dan te weeten.
    Ik nader hem en vraag wie dat het van hun zy:
    (30) Maar neen Lucinde, neen, het blijkt genoeg, dat gy
    Hem last gaafft; geen gezin heeft hem by u versteeken?
    Wat houd my dan, laat los, ik wil my aan hem wreeken,
    Fy dat de gaile min Lucinde dus vervoert:
    Hy staat gelijk een beeld, dat hand, nogh voeten roert:
    (35) Vlucht rover van mijn eer, wat laat de schelm sich voorstaan,
    Verrader acht gy my laffhertich, ’t zalder door gaan:
    O neen ik ducht hy zy veel groter heer als ik,
    Het zy dan wat het wil, ik nader
Luc.                                                 Ach ik schrik
    Houd broeder.
Mor.                   Spreek gy, mensch, off spook, wilt u ontdekken?
    (40) Wat soekt gy hier, wat min, wie kon u herwaarts trekken,
    Noch eenmaal wie gy zijt, spreek eer het u berouw,
    Nogh andermaal zeg op wat soekt gy?
Kon.                                                         ’K soek mijn vrouw,
Binnen.
Mor. Is deze uw vrouw.
Luc.                               Hy’s wegh.
Mor.                                                 Ik zal zijn vlucht dan stuiten:
Luc. Vertoeff wie weet wat volk, dat hem verwagt daar buiten?
Mo. (45) Hoe zal ik dit verstaan: wie weet wat volk hem waght:
    Onteerde vrouw, gy weet wel wien ik deze nacht
    In uw vertrek beliep, en kunt, het niet ontleggen:
    Want gy verspraakt u zelff, en nu zult gy ’t ook zeggen:
Luc. Lucinde zei noch oit, het geen zy niet en wist:
Mor. (50) Hy zocht zijn vrouw, en moet haar hebben hier vermist
    En uw lichtvaardigheit veinst daar niet aff te weeten,
    Onkundig heb ik u tot deze tijt versleeten!
Luc. Daar ik veel dochteren ten hove bij my hou,
    Is’t vreemt dan, dat ik niet en ken dees man zijn vrouw?
[fol. A4r]
Mor. (55) O neen Lucind’, ik vrees hy heeft u uitgelezen,
    Slaâ acht, en ziet gy geen verand’ring in mijn wezen,
    Ik voel mijn eer gequetst, mijn strijdtbare arm gemandt,
    Om door uw dood ons huis t’ontlasten van die schandt?
    Maar ’t broeders hert schijnt tot medoogentheydt te neigen?
    (60) Wie dorft des graven eer met zulk een schipbreuk dreigen,
    Nu zeg my dan wie ’t was, en help my uit den dut,
    Op dat ik noch in tijdts uw val, en my beschut:
    Want is die vluchteling uit edel bloedt gesprooten,
    Ik staa het toe, vermits hy meerder heeft genooten,
    (65) Dan d’eer toelaaten mocht, en twijffel niet gravin,
    De hemel hoort ons aan, ontdekt my dan uw min.
Luc. Heer graaff heb ik u oit hier reden toe gegeven
    Door zoek van dagh tot dagh mijn wandel en mijn leven,
    Hebt gy wel oit aan my lichtvaardigheydt bespeurt:
Mor. Ja nu, dies swijgh voort aan.
Luc. (70)                                       Die niets en heeft verbeurt
    En zijn gewisse kent bevrijt van zulke vlekken,
    Die mach voor yeder een zijn onschuld wel ontdekken:
    Mor. Het bleek my veel te klaar, en nu gy zulks ontkent
    Ist zeeker, dat gy zijt aan deze lust verwent,
    (75) Ja tracht int heimelik noch langer min te pleegen:
    Maar neen zy is ontdekt: mijn deughd stelt sich daar tegen,
    En lijd die schandvlek niet verduldigh in zijn bloed,
    Ontrouwe, zijt gy zoo van jongs aff op gevoed,
    Neen; vader gaff u wel een and’ren les int leste,
    (80) Nu die vergeten is, geeft gy uw schoot ten beste
    Aan een vermetelen, die ’t huis te schande maakt.
Luc. O bitse tong, die zoo veel valsche laster braakt
    En quetst uw susters eer, houd op, houd op met schelden,
    Daar zoo veel dochters zijn moet ik ’t alleen ontgelden?
    (85) Hoe komt Lucinde doch in zulk een quaat gelooff.
[fol. A4v]
Rijntje, Floris, Morosin, Lucinde.
Rijn. Heer graaff zijn majesteit ontbiedt u strax ten hoof,
Mor. Zijn majesteyt:
Rijn.                         De vorst.
Mor.                                       Gaa heen, ik volg.
Flor.                                                                   Wy dragen
    Zulk antwoordt aan geen vorst, dat liep licht uit op slagen,
    Off voor een week off twee te water en te brood,
    (90) Men keert niet zonder u, terwijl men ’t ons gebood.
Mor. Zijt gy maar met u tweên?
Rijn.                                           Noch dertich: dees verbeiden
    Uw komst.
Mor.               Waar toe zoo veel?
Rijn.                                             Om u ten Hooff te leiden.
Mor. Noit was mijn moedig hert ten hooff te gaan beducht,
    Gewis de koning was ’t, die is my straks ontvlucht;
    (95) O spijt, ik heb geen macht, om zulk een macht te keeren,
    Ik ben genoeg onteert, wat kan my meêr onteeren?
                                                                                Binnen.
Luc. Wat liep mijn leven, en mijn Konings eer gevaar,
    Doch nu door dit ontbodt weêr in zijn vryheidt: maar
    Waar meê vergelde ik dit, ik geeff aan u mijn leven,
    (100) Mijn prins gy gaaft het my? wie kan ik’t nader geven.



Dinardo, Rosania.
    ’T Is tijdt mijn landt prinsces dat gy naar hoogheit tragt,
    Te meer terwijl ’t geluk u vriendelijk belagt,
    Ja bied u self de hand, om op den troon te stijgen,
    Ontzegt geen Koningkrijk, dat niemandt kan verkrijgen
    (105) Ten zy, hy moedig is; begin eer’t werd te laat?
    De jonge koning zal zijn ingekropte haat
    Uitstorten, die hy hield’ voor Flippes dood verborgen;
[fol. B1r]
    En dagelix uw staat met zoo veel wagts verzorgen,
    Nu hy den scepter van Albania geniet,
    (110) Dat gy verslijten zult uw leven in verdriet.
    Vermooght gy ’t nu, gy sult het namaals niet vermogen,
    Hy moet van kant, zijn dood, en val kan u verhoogen,
    Zijn leven hoont u, en zijn kroon is u bederf;
    Dies hoogberoemde vrouw, dat d’Albanoiser sterf
    (115) Ist raadsaamst, en het kan bequamelijk geschieden
    Terwijl ik veldheer ben, en ’t leger mag gebieden,
    Hier door bestaat mijn maght, en meenig oud soldaat
    Moet naar mijn oogen zien, en door een stoute daat
    Zijn ongeachte staat met dapperheit vergrooten:
    (120) Hier door kan ik de vorst uit zijne zeetel stooten;
    Ja den verwijfden zoon, en laffen koning doôn?
    En wie is dan zoo naa aan dees beroemde kroon,
    Als gy, die my uw echt, en vriendschap waard wilt aghten.
Ros. Kloekmoedigh hertogh ik beken dat uw gedagten
    (125) Behoorden mijn gemoed te wekken, om den staf
    Van d’Albanoiser prins, geholpen in het graf,
    T’aanvaarden: maar ’t gemoed, met vrouwe vrees bevangen,
    Kan niet besluiten om die door zijn dood t’ontfangen.
Din. Of schoon de scepter van dit rijk u niet en trekt,
    (130) Gewis de liefde tot kloekmoedigheidt verwekt,
    Om door des konings dood, ons eigen dood t’ontwijken:
    Maar neen Rosania laat nu geen liefde blijken,
    En acht Dinard onwaard te heerschen nevens haar:
    Vorstin de liefd’ ontziet om scepters geen gevaar,
    (135) Een recht verliefde vrouw laat haar door vrees niet toomen.
    Mevrouw gy schroomt den vorst, de vorst sal u niet schromen,
    De zoon Antoni nu zijn hoogmoed blijken laat,
    Vermits hy dees, of dien uit zijnen dienst ontslaat,
    De hoogste daalen, en de laagste doet verheffen;
    (140) Die slag trof meenig held, komtz’ u niet meê te treffen?
Ros. Noch hoop van deze staf, en’t Albanois ontzagh
    Noch vrees voor slegter staat meer als mijn min vermagh,
[fol. B1v]
    Mijn ware liefde zal Dinardo noit beswijken,
    Mijn liefde t’uwaarts zag op kroon, noch koningrijken,
    (145) En heeft Dinardoos liefd meer na de kroon gesien,
    Als na mijn waardicheit, uw inzicht moet geschiên,
    Vermits ik zoo een kroon niet waardig ben te dragen.
Din. Stort hemel vry gelijk al uw gevreesde plagen
    Op ’s hartogs boesem uit, dat d’aard, het water, lugt
    (150) En vuur my hier gelijk bestrijde, en ik ter vlugt
    Van d’Ottomannen werd vertreên door paarde voeten,
    Is dat noch niet genoech om mijne schuld te boeten?
    Zo plaagh de hemel my met agterdocht, een plaag,
    Die ’k d’aldergootste schat, zo ’k yemand liefde draag
    (155) Dan u, of zonder u tragt op den troon te treden.
Ros. Gy hebt Rosania verwonnen door u eeden,
    Gy siet veel eer dees stad, ja’t Koningrijk ten val
    Eer mijn ontsteecke moed int minst beswijken zal,
    Mijn liefd’ is ongeveinst, en om u dat te toonen
    (160) Ist op de kroon gemund, wild dan geen vorst verschoonen.
Din. O woorden, die mijn hert verdubb’len doen haar moed,
    ’T is op de kroon gemunt, men spaar geen konings bloed,
    Het krijgsvolk is gereed, ik zal geen opset staken,
    Al zouwd’ ik Croye tot een twede Troje maken.
Ros. (165) Men geef zich niet te rust, voor dat de gulde glans
    Des zons, uw hooft omring met sulk een lauwer krans.



De Koning, graaf Morosin, Rijntje en Floris.
Mor. WAt wil uw majesteit? de hertog zalt zich belgen,
    En zulk een zwaaren hoon niet al te licht verswelgen,
Kon. Heer graaff het geen ik zeg, dat zal en moet geschiên,
Mor. (170) Het zal, zoo draa ik koom Auroraas komst te sien.
Kon. Zoo doet, en wild uw kling op ’s vyands boesem wetten,
    Men blaas ’t volk moed int lijf, door trommel en trompetten,
    Op dat de wrede turk gewaar wert dat men waakt,
    En met het manlijk heir hem onder ’t oog genaakt.
[fol. B2r]
Mor. (175) Dinardo die zoo lang een veldtheer kon verstrekken
    Zal nu, gereet staan om vol moeds te veld te trekken
    En zien door my zijn maght en krijgsstaf uit’er hand,
    Wat zal Rosania, wat zal het gansche land,
    Wat zal de hartog, en wat zal dan ’t leger zeggen,
    (180) Een man, dien d’aard verstrekt een bed, om op te leggen,
    ’T oorkussen een helmet, die d’oor’log ondersogt,
    En die van kinds been af daar in is opgebrogt,
    Zal zijne majesteit dan zulk een man versetten;
Kon. Wy zijn d’instelders en de breekers van de wetten.
    (185) Ben ik uw kooning niet?
Mor.                                             Gy zijt:
Kon.                                                         Wel staat het dan
    Aan my niet? een die geeft, ook weer benemen kan?
Mor. Zijn majesteyt vermagt: maar als het zonder reden
    Geschiet, dan wert het heir op konings doen t’onvreden;
    Ja roept, is dit de loon, voor die zoo trouw’lijk diend;
    (190) En boven dit mijn vorst, de hartog is mijn vriend.
Kon. Hy zy uw vriend, dit ampt en zal geen vriendschap breeken
    Gy krijgt het door mijn gunst, en niet door loze treken:
Mor. Maar dit wert by het volk en hartog niet gelooft?
Kon. Hoe, wederstrijdt gy my, zijt gy van hert berooft,
    (195) Of vreest gy voor den Turk?
Mor.                                                   Ik vrees des hartogs klagten,
    Dog om zijn majesteit t’ontnemen die gedagten,
    Dat ik uit vrundschap, en niet uit lafhertigheidt,
    Zoo lang weêrhieldt het ampt, dat my werd opgeleit,
    Begeef ik my op reis, voor ’t rijzen vande straalen
    (200) Des gulden zons, en zal eer dat die weder daalen
    Den wreden Turk in ’t oog verschijnen met mijn magt:
    Zijn majesteit, vaar wel.                                   Binnen.
Kon.                                   Ga heen vertoon uw kragt.
    Waar is mijn lijfwagt, die ik strax had uitgesonden,
    Kom hier, waar hebt gy flus graaf Morosin gevonden?
Flo. (205) Hy stond in reden met zijn zuster de gravin,
[fol. B2v]
Kon. In wat gevaar waar ik gevallen door de min,
    Had Morosin volhart, door d’eer daar toe gedreven,
    Te weeten wie ik waar, ten koste van zijn leven:
    Maar nu de graaf in ’t veld, als veldheer ’t volk gebied,
    (210) Heb ik geen zorg van hem te werden weêr bespiet,
    En zal Lucindes licht, verstrekkend my twee vonken,
    Aan schouwen zonder zorg, en spieg’len in haar lonken:
    Maar ach ik vrees. De haat van vaders bedgenoot
    Berokkent my niet goeds, en zoo ik haar verstoot,
    (215) En zend haar na haar land, zal elk zich noch erbarmen,
    Vermits zy pleeg de zyd’ mijns vaders te verwarmen.
    Het veinssen is dan best, men duld haar door ontzag:
    Wat tijdt ist.
Rijn.                 Middernagt:
Kon.                                     Men laat my voor den dag,
    Ja zelf voor ’t krieken door mijn kamerling opwekken,
    (220) Dat ik het leger met den veldheer zie vertreken.
                                                                        Binnen.
Flo. Hoe! zal dan zulk een wulp het veldheers ampt bekleden?
Rijn. Ja wel de hartog zal met al niet zijn te vreden,
    Als hy dit flusjens hoort, wie weet, of hy ’t belet.
Flo. Ja wijst my yemand eens die zich daar tegens zet,
    (225) Gants bloed ik wijk mijn hooft, dat zou wel koppen koste:
Rijn. Ik wou de korporaal ons hier van daan verloste,
    De tijdt verdriet mijn al; wy hebben onse wagt
    Al ruimpjes uitgestaan: maar Floris zijt bedagt
    Dat jy de maats niets zegt:
Flo.                                       Neen borst ik kan wel swijgen,
    (230) Jy zoud veel eerder uit een baksteen woorden krijgen,
    Alst halsen kost, dan my: neen Rijntje die ten hoof
    Door diensten tragt by veel te zijn in goet geloof,
    Die houde een slaapend’ oog, en stop met was zijn ooren,
    Een tong gelijk als steen, zo zal hy zien, noch hooren,
    (235) Noch spreeken, dat hem brengt in eenig ongeval:
    Maar Rijntje daar ist volk dat ons verlossen zal.



[fol. B3r]
Een meenigte Soldaten, Jongens en Wijven met pak en zak.
1. Sol. WAt drommel dat de trom zo vroeg begon te roeren?
2. Sol. Waar of die dolle haan ons wel na toe zal voeren?
3. Sol. ’T is wonder dat de graaf des hartogs ampt bekleed?
4. Sol. Het is my seeker van des hartogs wegen leed.
1. Sol. Wel waarom?
4. Sol.                       Vraag jy dat, hy is te jong van jaren,
    Die dolle duyvel zal ons leven niet veel sparen,
    Het is een droes, die na een Turk vijf, ses niet vraagt:
1. Sol. Met regt het ons gewaagt, daar hy zijn leven waagt.
2. Sol. Maar deze vroege togt, die zou my wel doen denken
    Dat hy den vyand door verrassing zoekt te krenken,
    Hy leidt voor Sfetisgrad, en hengelt na dit rijk,
    En hoort hy onse komst, hy neemt wel ligt de wijk:
    Maar houd wat droes is dat, die dus het volk te keer, gaat:
3. Sol. Hy kom ons niet te na, of denk eerst datmen weer, staat.
Dinardo.
    Hoe nu soldaten. houd? waar heen vervloekt gedrogt?
1. Sol. Wy weeten niet waar heen, men prest ons tot dees togt.
Din. En zonder mijne last? wie durft zulks onderwinden.
2. Sol. Houd dreigt niet, of ik zal ’t verhaal weêr aan u vinden.
Din. Hoe! draagt gy geen ontzag? kent gy uw veldheer niet?
2. Sol. Ons veldheer wel, en u versteken van ’t gebied;
    Vermits de wakkre graaf dit ampt is opgedragen.
Din. Hoe! Morosin?
1. Sol.                       Gewis ’t begon noch naau te dagen,
    Of al het manlijk heir quam op de trommelslag,
    Om onder Morosin te trekken, voor den dag.
Din. O dwase jongeling; stil, ’t veinzen zal best voegen;
    Soldaten ’t valt my swaar, doch ’k heb een goet genoegen,
    (Schoon dat ik zonder reên het veldheers ampt verloor)
[fol. B3v]
    Vermits zijn majesteit zo dap’ren man verkoor,
    Die zijnen vyant durft verschijnen onder d’oogen,
    Dees keur en heeft den vorst in ’t kiezen niet bedroogen,
    Ik heb den graaf gezien, toen ik het heir gebood,
    In’t midden van de dood niet vrezen voor de dood,
    Het is een braaf soldaat, in al zijn handel vaardig,
    En alles overwikt, hy is mijn ampt wel waardig.
    Soldaten endelijk zo wensch ik tot besluit,
    Dat gy te rugge keert verrijkt met Turkze buit,
    Dat uwe veldheer mach, bestuwt met halve maanen
    Den Turk ontrukt, zijn weg door alle straaten baanen,
    En met een lauwerkrans, wel waardig zijne jeugd,
    Wert ingehaalt van ’t volk met handgeklap en vreugd.
1. Sol. Mijn heer, uw edel hart laat gy genoegzaam blijken.
Sargiant.
    Soldaten op ’t is tijt, men blijft hier niet staan kijken,
    Elk stel zich in ’t gelit, de voortogt trekt alree.
Binnen.
Din. Het lijf blijft hier, en mijn gedachten trekken meê,
    Wie zag de vleugels van zijn hoop so schielijk korten?
    Zal ik mijn klagten voor den laffen prins gaan storten?
    ’T ontdekken van ’t verraat heeft my mijn ampt berooft.
    Gae ik ten hoof, ’k gae licht ten koste van mijn hooft,
    En ’t vluchten mocht de zaak, die dicht kan zijn, ontdekken:
    Wat staat my dan te doen, te blijven, of vertrekken?
    O neen ik blijf! wel licht dat ’s graven zusters min
    Den lossen jongeling dees wissel bragt in ’t sin;
    Ik geef my dan ten hoof, en zal mijn klagten uitten,
    Om dat ik nu mijn list, geweld, en hoop zie stuitten.



De Koning, Rosania.
Ros. MYn heer zo vroeg van ’t bedt?
Kon.                                                       O ja mevrouw, de slaap
[fol. B4r]
[fol. B4v]
[fol. C1r]
[fol. C1v]
[fol. C2r]
[fol. C2v]
[fol. C3r]
[fol. C3v]
[fol. C4r]
[fol. C4v]
[fol. D1r]
[fol. D1v]
[fol. D2r]
[fol. D2v]
[fol. D3r]
[fol. D3v]
[fol. D4r]
[fol. D4v]
[fol. E1r]
[fol. E1v]
[fol. E2r]
[fol. E2v]
[fol. E3r]
[fol. E3v]
[fol. E4r]
[fol. E4v]
[fol. F1r]
[fol. F1v]
[fol. F2r]
[fol. F2v]
[fol. F3r]
[fol. F3v]
[fol. F4r]
[fol. F4v]
[fol. G1r]
[fol. G1v]
[fol. G2r]
[fol. G2v]
[fol. G3r]
[fol. G3v]
[fol. G4r]
[fol. G4v]
[fol. H1r]
[fol. H1v]
[fol. H2r]
[fol. H2v]
[fol. H3r]
[fol. H3v]
[fol. H4r]
[fol. H4v]
[fol. I1r]
[fol. I1v]
[fol. I2r]
[fol. I2v]
[fol. I3r]
[fol. I3v]
[fol. I4r]
[fol. I4v]
[fol. K1r]
[fol. K1v]
    Te toonen.
Kon.             Haalt het lijk; wat droeviger begin,
    Ik daght mijn ongeluk waar nu ten endt geloopen,
    Gy zult het altezaam ook met de dood bekoopen;
    Soldaaten t’saa geef vuur, voldoet Lucindes lijk;
    Op dat haar ziel dit zie in ’t eeuwig duurend rijk.
Lucinde, Robbrecht.
Luc. Houd op, voldoet geen lijk, noch ziel, hier is Lucinde,
    Haar dood was maar verdight, zy leeft noch mijn beminde,
    Dies schenk hun ’t leven weer, schoon zy de vorst, en my
    Vervolgden om de kroon, met zo veel schelmery:
Kon. Aanschouw uw vyanden, en wild eens overweegen,
    Wat dood verraad verischt, om zimpel recht te pleegen:
    Maar nademaal mevrouw, voor u te zoet van aard,
    Haar ongelijk niet wil besleghten met het zwaard,
    schoon dat uw dood dit rijk eerst zouw gerustheidt geven,
    Zo schenk ik u te zaam om haarent wil het leven.
Alle vier Lang leef zijn majesteit met zijn beminde bruidt.
Kon. Om dan op deze dagh te koomen ten besluit;
    Aanvaard mijn trouw gravin met vaders heerschappye,
    Wat moest gy hoons en leets om deze scepter lijen,
    Kom geef u aan mijn zijde, en klim langs deze trap;
    En door dit huwelijk begint ons broederschap;
    Graaf Morosin, gy zult van nu voortaan bekleeden
    Het veldheers ampt, en met mijn Nicht in echte treeden,
Mor. Dank zy zijn majesteit voor zulk een milde gaaff,
    Ik werdt uw broeder, doch blijff evenwel uw slaaf.
Kon. En gy getrouwe vriend, behoeder van mijn leven,
    Wat kan ik u genoeg voor zulk een weldaad geven,
    Gy zult mijn kamerling verstrekken, aan wiens trouw
    Des konings leven hangt, gy hebt my en mevrouw
    De koningin genoeg uw trouwheit laaten blijkken:
    Maar gy gesnede moor, en nacht-soldaat zult wijkken:
    Indien ik oogmerk nam, way dit rijk al quaats
[fol. K2r]
    Gedaan hebt met uw heir, en zo het krijgsrecht plaats
    Zou grijpen, ’k mogt u met uw volk tot slaaven maaken.
    Nochtans zo wil ik u uit deze banden slaaken,
    Begeef u met uw volk bevrijt na Zelims hof,
    Mijn koningin ter wil; gy hebt van nu verlof:
    En gy vervloekte vrouw, die vaders bed verwarmde,
    Indien ik my nu door dees inzicht niet ontfarmde,
    Wat straf waar groot genoeg voor zulk een vyandin?
    Gy zult verbannen zijn met al uw hofgezin.
    En gy Dinardo zult uw vrouw gezelschap houden
    In ballingschap, door dien gy my dees moeiten broude.
Alt’ samen. Lang leef zijn majesteit, en dat zijn vaders kroos
    Het nimmermeer ontbreek’ aan nazaat op zijn troon.
UIT.
[fol. K2v: blanco]
Continue

Tekstkritiek:

fol. *4r r. 3 Terwijl er staat: Teerwijl
fol. *4v r. 7 uw er staat: nw