Ceneton08781 - Facsimile bij Ursicula
Vondels Zungchin (1667) met Engelse vertaling door Ton Harmsen, Christopher Joby, Dick
van der Mark en Manjusha Kuruppath. De Vergiliuscitaten zijn vertaald naar John Dryden.

Continue

[fol. A1r] [fol. A1r]

J. v. VONDELS

ZUNGCHIN

OF

ONDERGANG

DER

Sineesche Heerschappye.

TREURSPEL.

Venit summa dies, & ineluctabile tempus.

[Vignet: Putje met emmer rechts van het touw].

t’AMSTERDAM,
_____________________

Voor de weduwe van Abraham de Wees, op den Middeldam,
in ’t Nieuwe Testament. 1667.

Joost van den Vondel’s

CHONGZHEN

OR

THE FALL

OF THE

Chinese Empire.

A TRAGEDY.

The fatal day, th’ appointed hour, is come.

[Printers mark: A little well with a bucket to the right of the rope].

AMSTERDAM,
_____________________

For de widow of Abraham de Wees, on the Middeldam,
in the shop with the New Testament sign. 1667.

[fol. A1v: blanco]
[fol. A2r]
[fol. A1v: blanco]
[fol. A2r]

DEN WELEDELEN
HEERE
CORNELIS NOBELAER,
Heere van
KABAU, GRYSOORT &c.

TO THE NOBLE
LORD
CORNELIS NOBELAER,
Lord of
KABAU, GRYSOORT &c.

DE staetwijzen, alle de krachten des vernufts opspannende, om eene bestendige heerschappy te beschieten, konden noit hun gewenscht ooghmerk treffen. De Romainen, in staetkennisse en oorloghshandel, boven alle andere volken, bedreven en uitgeleert, lieten zich voorstaen dat die kroon in Cezar en Augustus voltrokken was, toen deze stem, gelijk een hemelsche trompet, de wijde weerelt in d’ooren klonk,

        IMPERIUM SINE FINE DEDI:

Maer d’uitkomste leerde sedert hoe het rijk, na verloop van dry en vier eeuwen, geschokt en bouvalligh, allengs tot eene woestheit quam te spatten; en zulx, dat van dien grooten naem, nu al overlang, niet dan d’ontleende nagalm en dootsche schaduwe overschiet. Eeuwigheit, geduurzaemheit, bestendigheit blijven de Godtheit eigen, die de weereltsche maghten onverwrikbaere paelen zet, en, gelijk profeet Daniel zeght, [fol. A2v] tijden en jaeren verandert; rijken overvoert en bevestight; ons leerende geene zekerheit, buiten Godt, in veranderbaere dingen te stellen. Op deze veranderingen van staeten en doorluchtige personaedjen draven de treurspeelen doorgaens ten tooneele, die, naer datze van te grooter nadruk zijn, te heerlijker boven de minderen uytsteeken. Onder zoodaenigen magh dit voorbeelt van den Sineeschen Keizer Zungchin, onlangs voorgevallen, onder de naemhaftighste met recht gerekent worden: want hy, de leste telgh uit den befaemden stamme en geslachtboom der Taimingen, ontrent dryhondert jaeren in volle eere, sleepte door zijnen val met zich dien bloedigen inbreuk van den grooten Cham, keizer der Tartaren, en gaf heldendichteren rijke stof om eene Ilias hier mede te stoffeeren. De goddelijke poeet zeght van koning Priamus:

        Haec finis Priami fatorum. hic exitus illum
        Sorte tulit, Troiam incensam & prolapsa videntem
        Pergama, tot quondam Populis, terrisque superbum
        Regnatorem Asiae. jacet ingens littore truncus,
        Avulsumque humeris caput, & sine nomine corpus;
The Politicians, who have used all their powers of reason to say what constitutes stable government, have never been able to achieve their goal. The Romans, practised and expert in statecraft and warfare above all other peoples, boasted that they achieved this in Caesar and Augustus, when this voice, like a heavenly trumpet, sounded across the whole world

        To them no bounds of empire I assign,
        Nor term of years to their immortal line:


But history has taught us since how the empire, after three or four centuries, crumbling and in a state of shock, gradually turned into a desert, so that nothing of that great name now remains except the echo of former glories and the shadow of death. Eternity, durability and permanence belong to God; who sets immovable limits on worldly powers, and, as the prophet Daniel says, [fol. A2v] changes the seasons and the years, changes governments and establishes empires, teaching us not to put our trust in mutable things, but in God. Tragedies were based on these changes in dominion and illustrious characters, who, as they are of greater importance, excel all the more in relation to less important people. Amongst these, the example of the Chinese Emperor, Chongzhen, which occured not long ago, may be justifiably included, for he, the last scion of the famed dynasty of the Tai-Ming, which ruled gloriously for about three hundred years, succumbed to the bloody invasion of the great Khan, Emperor of the Tartars, and gave epic poets rich material with which to decorate an Iliad. The divine poet, Virgil, says of King Priam,

        Thus Priam fell, and shar’d one common fate
        With Troy in ashes, and his ruin’d state:
        He, who the sceptre of all Asia sway’d,
        Whom monarchs like domestic slaves obey’d.
        On the bleak shore now lies th’ abandon’d king,
        A headless carcass, and a nameless thing.
    Het welk beter op keizer Zungchin past, wiens lijk, op het velt voor d’oogen van zijnen triomfeerende vyant, aen riemen en dunne snipperlingen gesneden lagh: want Priamus, hier beheerscher van Asia genoemt, beheerschte alleen Frygie en Mygdonie, niet te gelijken by het wijtstrekkende keizerdom van Sina, het ooster- [fol. A3r] sche Europe genoemt. Maer hier mede endight mijne rede noch niet: hier valt iet meer by te voegen.
    Het Apostolische licht der waerheit hadde in zijnen opgang niet alleen de Oostindien, maer ook Tartarye, naer de ghetuighenis van hunnen eigen keizer, bescheenen, doch was sedert telkemaele, door den haet en de nijdigheit der waerzeggeren afgodiste Bonsien en guighelaeren benevelt en verduistert; gelijk ten lange leste ook in Japonie, van den heiligen Franciscus Xaverius zoo gelukkigh bestraelt, als door eenen vuilen rook en smook, uit den afgront opwellende, onder tyran Taikozaeme verdonkert; toen Karel Spinola, neef van zijnen grootdaedigen grootvader, graef Augustijn Spinola, met zijne medegenooten, vier jaeren lang, onder den blaeuwen hemel, van koude bevrozen, van hitte gebraden, stantvastigh den gloeienden rooster van den heiligen Laurens, dien grooten martelaer, verdoofde. De kruisboom voorheene van de eerste ontsluiteren der Sineesche weerelt weder met onvermoeiden arbeit, in Sina geplant, begon, onder de heerschappy van keizer Zungchin, adem te herscheppen, te bloeien en te groeien, en ongelijk veiliger onder d’opgaende regeeringe van den jongen Tarter; ook zulx dat koninginnen, vorsten, de grooten van het hof, besneênen, mandarijnen, amptenaeren, en ontelbaere duizenden, de Wet van den eenigen verlosser der menschen omhelzende, zich in het zuivere waschbadt der wedergeboorte lieten baden: maer he- [fol. A3v] laes de jonge keizer, die de waerheit in ’t openbaer begenadighde, en zelf, als een herboren Konstantijn, overbodigh was zich het juk des gekruisten t’onderwerpen, ten waere het verbodt van de veelheit der vrouwen hem t’onverdraeghzaem scheen; komt, door gehengenis der goddelijke voorzienigheit, welker voetstappen onnaspoorbaer zijn, ontijdigh t’overlijden. De wispelturige nazaet, gelijk een ander Herodes, te licht geloovende dat d’opgang van den Europeeschen godtsdienst den ondergang zijner kroone voorspelde; verandert nu alle genade in onverzetbaeren haet en vyantschap. Zoo worden de katholijke kruisgezanten plotseling overvallen en verdrukt, waerom de getrouwe arbeiders in den ooghst der zielen, ter naeuwer noot, den wreeden klaeuwen der Tartarische tygeren ontschuilen.

    Tantae molis erat ROMANAM condere GENTEM.

    De heer van Kabau is niet ongewoon, uit den mont van godtvruchtige letterhelden, de nieuwe maeren, uit d’andere weerelt herwaert overwaeiende, te hooren, en aendachtigh t’overweegen hoe d’eeuwen door de beurten der heerschappyen, gelukkige en rampzalige tijden, geduurigh ommewentelen, waer by de voortplanters der katholijke waerheit, onder het Heidensche afgodendom, vruchten winnen, of de hagelbuien der vervolgingen den bloesem van hunne hoope zien treffen, wanneer vroomen beproeft en gelou- [fol. A4r] tert, quaden gestraft worden: hierom docht ik my zelven d’eer te geven den heere Nobelaer, op te draegen dit treurspel van keizer Zungchin, of den ondergang der Sineesche heerschappye, of het misschien, in schaduwe van de plantagie te Hofvliet, zijne gedachten met eenige aengenaeme bespiegelinge moght voeden en onderhouden. Ontfang dan, weledele heer, dit tooneelwerk, hetwelk zich gelukkigh schat uwen naem en titel in het voorhooft te voeren, terwijl ik wensche altijt te mogen blijven,

                              Uwe weled. ootmoedige dienaer

                                                                  J. V. VONDEL.
    Which is more appropriate for emperor Chongzhen, whose body lay on the field, before the eyes of his triumphant enemy, cut into shreds. For Priam, who was called the ruler of Asia, only ruled over Phrygia and Macedonia, which cannot be compared with the vast empire of China, [fol. A3r] which was called the Europe of the East. But my address does not end here, for I have something more to add.
    The Apostolic light of truth shone, as it rose, not only on East India, but also on Tartary, according to the witness of its own Emperor, but has since that time been obscured and clouded again and again by hate and envy of the soothsaying, idolatrous Buddhist priests and deceivers; just as the light in Japan, which shone so blessedly out of St. Francis Xavier, was recently obscured, as if by dirty smoke, welling up out of the abyss, under the tyrant Taikosama; when Charles Spinola, the grandson of his illustrious grandfather, Augustine Spinola, along with his fellow Jesuits, for four years, under the blue sky, freezing with cold, burning with heat, continually put the fire of the glowing brazier of the great martyr, St. Lawrence, in the shadows.
    The tree of the cross, planted in China at first by those who first unlocked the Chinese world again with tireless work, began, under the rule of Emperor Chongzhen, to recover again, to blossom and grow, and was secure as never before under the emerging rule of the young Tartar, so that queens, princes, the important courtiers, eunuchs, mandarins, officials and countless thousands, embracing the Law of the only saviour of mankind, let themselves be washed in the pure bath of being born again. But [fol. A3v] alas, the young emperor, who supported the truth in public, and himself, as a new Constantine, was more than willing to subject himself to the yoke of the crucified one, although the prohibition on having more than one wife appeared to him to be too intolerable, died before his time, by the will of divine providence, the footsteps of which are inscrutable. His fickle descendant, like another Herod, believing too easily that the rise of the European religion predicted the demise of his crown, now changes all grace into irresistible hatred and enmity. So the Catholic missionaries were suddenly assaulted and oppressed, so that the faithful workers in the harvesting of souls, in such great distress, could hardly find refuge from the vengeful claws of the Tartar tigers.

        Such time, such toil, requir’d the Roman name,
        Such length of labour for so vast a frame.


The Lord of Kabau is not unused to hearing the news wafting across from the other side of the world, from the mouth of pious and heroic writers, and to carefully weigh up how the events of dominions, happy and disastrous times constantly change down the centuries, as the early planters of Catholic truth reap a harvest amongst heathen idolatry, or see the hailstorms of persecutions strike down the blossom of their hope, when pious men are tested and purified and [fol. A4r] evil men are punished. That’s why I thought that I should give myself the honour of dedicating this tragedy about Emperor Chongzhen, or the decline of the Chinese Empire, to my Lord Nobelaer, as it might nourish and sustain his thoughts with some pleasant reflections in the shadow of the arboretum at Hofvliet. Receive then, noble Lord, this play, which considers itself fortunate to bear your name and title on the frontispiece, whilst I wish to remain always,

                            The humble servant of your noble lordship

                                                    J.V. Vondel.
[fol. A4v] [fol. A4v]

INHOUDT.

SUMMARY.

ZUngchin, keizer van Sina, de leste uit den stamme van Taiminga, bezeten van onverzaetzaeme gierigheit, en hierom teffens van oversten en onderdaenen gehaet, wort te Peking, de hooftstadt en de stoel des rijx, onvoorziens besprongen van Lykungzus, hooft der wederspannelingen, en opgeworpen keizer. Dees hadde heimelijk verstant met den mont des krijghsraets, en eenige belhamelen, alreede stil in stadt vooruit afgevaerdight, om tegens zijne aankomste onraet en misverstant te brouwen. De stadt was met eene geweldige bezettinge, den muur in ’t vierkant met kortouwen gewapent: doch daer de wederspannelingen storm liepen, stont het grof geschut slechts zwanger van los bussekruit, en de wederstant hier en elders was alleen een schijnstrijt en bloot spiegelvechten, tot dat endelijk de poort van binnen schichtigh geopent, de vyanden, voor den opgang der zonne [want eenige getrouwe voorvechters hielden niet lang stant] ter stede inberstende, het hof, onaengezien den wederstant van eenige vroome rijxamptenaeren en hofbesneênen, overweldighden. Lykungzus hadde nu den eersten hofmuur, eer de keizer het merkte, alreede verovert: want trouwelooze hofbesneênen, by wien het meeste gezagh bestont, stelden het waerschuwen zoo lang aen d’eene zijde, uit vreeze dat de keizer den slagh ontwijken zoude: maer hy buiten hoop van ontvlughten gestelt, raeden vroomen hem, ook onvroomen, onder schijn van trouwe, het palais en de stadt te verlaeten: waer op Zungchin [hoorende dat de wegh alom gesloten, alle hoop van ontvlughten benomen was] eenen brief met zijn eigen bloet schreef, waer in hy d’oversten van het te spade ontdekte verraet beschuldighde, d’onderdaenen ontschuldighde, en begeerde dat Lykungzus, dewijl de hemel hem het rijk beschoren hadde, wraek zoude eischen van trouwelooze oversten en vadermoordenaeren. Terstont hier na doorstak hy zijne eenige huwbaere dochter, om haer niet ten guighelspeele des triomfeerenden vyants te stellen, en verhing zich zelven aen eenen pruimeboom, met zijnen koussebant, gelijk ook de keizerin, Kolaus, de stadthouder, eenige getrouwe hofbesneênen, mandarynen, en menighten van burgeren hem in de doot navolgen. Lykungzus komt hier op ten hove, hoort en ziet den uitgang van Zungchin, zet zich op den [fol. B1r] keizerlijken stoel, laet den bloetbrief lezen, gebiet Us, den aertskanzelier, Uzangueius, zijnen zoon, wachtmeester van den rijxmuur, ten hove te verdaghvaerden, om met allen krijghsoversten den nieuwen eedt van getrouheit te staven. Hy belooft de Christensche kruisgenooten by de hantvest van hunne vryheit te hanthaven, aen wien de Geest van den heiligen Franciscus Xaverius, verschijnt, en hun voorspelt het omkomen van ’s keizers dry zoonen, Lykungzus ondergang, en den opgang van den grooten Cham, Keizer der Tartaren, onder wiens regeeringe de Christensche godtsdienst zich door geheel Sina eerst wijder zal uitbreiden, doch eerlang door den nazaet onderdrukt worden.
    Het tooneel is te Peking, op het voorhof. Het treurspel begint na den ondergang, en endight met den opgang der zonne.
CHongzhen, Emperor of China, the last of the dynasty of Tai-Ming, seized with insatiable greed, and for this reason hated by officers and subjects, was unexpectedly attacked in Beijing, the capital and seat of the empire, by Li Zicheng, head of the rebels, who seized the throne. He had a secret agreement with the envoy of the war council and some rogues, who had already been sent quietly into the city in advance, in order to brew up unrest and misunderstanding just before his arrival. The city had a huge garrison, all four walls were equipped with cannons, but where the rebels stormed it, the heavy artillery only fired blank shots and the resistance everywhere was only apparent and a sham, so that finally the gate was opened from the inside in a flash, the enemies, before the sun rose [for some faithful defenders did not hold their positions long] burst into the city, and overwhelmed the court, despite the resistance of a few loyal imperial officials and court eunuchs. Li Zicheng had already overcome the first wall of the court, before the emperor was aware of it: for disloyal court eunuchs, who had the most authority, delayed their warnings for so long, out of fear that the emperor would flee the battle, but he, having given up hope of being able to flee, was advised by loyal men and disloyal ones, who gave the appearance of loyalty, to leave the palace and the city: at which Chongzhen [hearing that the way was closed all around, and losing hope of escape] wrote a letter with his own blood, in which he blamed the leaders of the treason which was discovered all too late, cleared the subjects of blame and wanted Li Zicheng, whilst heaven had granted him the empire, to take revenge on all disloyal officers and murderers of fathers. Immediately after this, he ran his only eligible daughter through, in order to avoid making her the object of scorn of the triumphant enemy, and he hanged himself on a plum tree, with his garter, just as the empress, Guolao, the city regent, some faithful court eunuchs, mandarins, and many citizens also followed him to their deaths. At this, Li Zicheng comes to the court, hears of and sees the exit of Chongzhen, sits on the [fol. B1r] imperial throne, has the blood letter read to him, orders Us, the High Chancellor, to summon Wu Sangui, his son, head guard of the imperial wall, to the court, in order to take the new oath of loyalty along with all the army officers. He promises the Christian brothers that he will uphold their freedom with a charter, at which the Spirit of St. Francis Xavier appears and prophecies to them the death of the emperor’s three sons, Li Zicheng’s demise, and the rise of the great Khan, Emperor of the Tartars, under whose rule the Christian religion will at first spread wider throughout the whole of China, but then before long be oppressed by his descendants.







The scene is Beijing, in front of the palace. The tragedy begins after sunset and ends at sunrise.
[fol. B1v][fol. B1v]

De tooneelisten van dit treurspel.

DRAMATIS PERSONAE.

ADAM SCHAL. Agripyner, overste der priesteren van de Societeit.
REY van PRIESTEREN.
US. Aertskantzelier.
KOLAUS. Stedehouder.
ZUNGCHIN. De keizer.
JASMYN. De keizerin.
PAO. De erfprinces.
FUNGIANG. De erfprins.
XAIANGA. Vorstin en staetjoffer.
LYKUNGZUS. De tyran.
De GEEST van FRANCISCUS XAVERIUS.
ADAM SCHALL. From Cologne, the Superior of the Society of Jesus.
CHORUS OF PRIESTS.
US. High Chancellor.
GUOLAO. Regent.
CHONGZHEN. The emperor.
JASMINE. The empress.
BAO. The crown princess.
FUNGIANG. The crown prince.
XAIANGA. Princess and lady-in-waiting.
LI ZICHENG. The tyrant.
The SPIRIT of Saint FRANCIS XAVIER.
Ceneton
[fol. B2r, p. 3][fol. B2r, p. 3]

J. v. VONDELS

ZUNGCHIN

of Ondergang der

Sineesche Heerschappye.

HET EERSTE BEDRYF.

Adam. Rey van Priesteren. Us.

J. v. VONDELS

CHONGZHEN

or the Decline of the

Chinese Empire.

ACT ONE.

Adam. Chorus of Priests. Us.

Hier staenwe op ’t voorhof van het keizerlijk Peking,
    De hooftstadt van heel Sine, en zien aen ’s hemels ring
    De zon alree gedaelt, den Noortbeer opwaert stappen,
    En steigeren in top, langs tweewerf twintigh trappen.
    (5) Zungchin de keizer daeghde ons uit de stadt ten hoof,
    Nu van Lykungzus heir beronnen, en ten roof
    Arghlistigh aengezocht, en jammerlijk beneepen,
    Gelijk een blaetend lam, van ’s wolfs gebit gegreepen.
    Wat raet? hoe draegen wy ons best in dit geval?
    (10) De krijghskans twijfelt aen wat kant zy hellen zal.
    Wy staen in ’t midden van de vyanden en vrienden.
    Bezwijkt de rijxkolom, die ’s keizers standert dienden
    Met raet of daeden, werk of woorden gaen te gront:
    Doch sterven van een’ pijl, of speer, of sabel stont
    (15) Ons licht, naerdienwe, ontbloot van goet en bloet en erven,
    Dus verre in ’t oosten uit Europe, als pelgrims, zwerven,
    Om ongeloovigen, uit blinde afgodery
    Verlossende, het juk van ’s afgronts slaverny
    Te schuiven van den hals, gelijk Sint Thomas leering
    (20) Den grontsteen leide van der Heidenen bekeering:
Here we stand in the forecourt of imperial Beijing,
    The capital of all China, and we see on the sky’s sphere
    The sun already set, the Great Bear ascending
    And rising on high, along two-times twenty degrees.
    (5) The Emperor Chongzhen summoned us from the city to the court,
    Now attacked by Li Zicheng’s army, and deceitfully approached
    To be plundered, and pitifully trapped
    Like a bleating lamb, grabbed by a wolf’s teeth.
    What is to be done? What’s the best thing to do in this situation?
    (10) The fortunes of war are in doubt about which way will they lean.
    We stand in the middle of friend and foe.
    If the power of the empire collapses, then those who served the emperor’s standard
    With advice or deed, work or words, will perish:
    But dying from an arrow, or spear, or sabre
    (15) Would be easy for us, because we, lacking family and goods and heirs,
    Far from Europe in the east, wander, like pilgrims
    To remove the yoke of hell’s slavery from the neck
    Of unbelievers, saving them from blind idolatry,
    Just as Saint Thomas’ teachings
    (20) Laid the foundations for the conversion of the Heathens:
[p. 4]
    Maer stervenwe, zoo staet de kruisoogst in gevaer,
    En zulk een arbeit van dry vijfentwintigh jaer,
    Om zaet te winnen, zou verdwijnen met ons leven.
    De hooghste wil ons raet, zijn’ naem ter eere, geven,
    (25) Op dat het kruisgewas van ’t wijt Sineesch gebiet,
    Dat schoon en heerlijk staet, eens in zijne aêren schiet’,
    En zulk een zegen van dit rijk en ’s rijx gebuuren
    Gemaeit, behouden raeke in ’s hemels ruime schuuren.
Rey. Eerwaerde vader Schal, die ’t Roomsche priesterdom
    (30) Zorghvuldigh gadeslaet, wy staen bereit alom
    Te volgen uwen last, en geen gevaer te mijden,
    In deze oproerige en staetwisselbaere tijden,
    Noch ongestadiger dan ’t ongestadigh licht
    Der maene ons toeschijnt met geen eenerley gezicht,
    (35) Naer datze van de zon belonkt wort en bescheenen.
    Wat spoet of rampspoet Godt zijn’ knechten wil verleenen,
    Wy staen gelaeten: het besla tot ’s hemels lof.
    Een dankbaer harte ontbrak ten geenen tijde stof
    Den allerhooghste een schael vol reukwerk op te draegen.
    (40) Hy leeft gerust, die zich Godts schikking laet behaegen.
Adam. De grijze kantzler Us treet, leunende op den staf,
    Ter hofpoorte uit, en stijght de marmre trappen af,
    Bekommert met den staet, en zwanger van gedachten.
    Het zou wel voegen in dees galery te wachten.
    (45) Begeeft u achter ons in orden op een ry.
    Hy wandelt herwaert aen. het is geraên dat wy
    Met alle eerbiedigheit den amptenaer ontmoeten.
    Verzuimt niet drywerf hem al neigende te groeten.
Us Eerwaerde vader, Schal.    Adam. Doorluchtste aertskantzelier.
Us. (50) Uw komste is aengenaem.    Adam. Dat ooghmerk drijft ons hier.
Us. Gy komt ter goeder tijt met uwe altaergenooten
    Door ’s keizers last ten hove, om dat hy heeft besloten,
    In ’t nijpen van den noot, zich noch van uw gebeên
    Te dienen: want gy stemt godtvruchtigh overeen
[p. 5]
    (55) Met onze wijzen, die het keizerdom bestieren.
    Uw starrewijsheit en getrouheit en manieren
    Behaegen hem ten hooghste, en zonder wederga.
    Bedaert dees oorloghsstorm, betrou u zijn gena.
Adam. Wy staen in ’s keizers dienst ten hooghste al lang gehouden.
    (60) Onze onmaght blijve slechts verschoont en quijtgeschouden.
    De mont der kruiswet van Godts zoone en Godt het Woort
    Gebiet den Christen wat den keizer toebehoort
    Zijn tol en schatting hem ootmoedigh toe te wijden.
    Wy waeken nacht en dagh in deze wilde tijden
    (65) Voor ’t keizerlijke hof, en ’t gansche keizerdom,
    En offeren gebeên in kerke en koor alom.
    De Godt der goden wende ons zwaericheên ten goede.
    De burgerlijke twist is eene scherpe roede.
    Wat raet, wat middel om te lesschen zulk een’ brant?
Us. (70) Men voert de waterspuit te spade by der hant,
    Wanneer de vlam in ’t hof ten hemel komt gestegen,
    d’Orkaen daer onder blaest en stookt, en aller wegen
    De wijken zet in vier, en weit de straeten af.
Adam. Ik wenschte dikwijl dat my iemant reden gaf
    (75) Hoe deze inheemsche vonk eerst smeulde en raekte aen ’t smooken.
    Hier wort wel stukwijs, noit volkomen, van gesproken.
Us. De brant heeft al gesmeult van over menigh jaer.
    Het eischt een langk verhael, en langkheit valt te zwaer,
    Indien men van den stam Taiminga wil beginnen.
    (80) Het was Hunguüs, die, geboren tot verwinnen,
    Den Cham naer Tartarye uit Sinaes palen dreef,
    En slagh op slagh in ’t velt zeeghaftigh meester bleef,
    Dies hem de sluierkroon des rijx wiert opgedraegen.
    Na hem rust Sina niet Niuche fel te plaegen,
    (85) Verbiet des konings bloem te trouwen een’ Tartaer,
    En brengt haer’ vader om: dat valt den zoone zwaer,
    Die berst ten rijxmuure in, en wint Tuxin grootdaedigh.
    Noch zoekt hy pais: maer wert van Vanliëus smaedigh
[p. 6]
    En trots bejegent, dies de wraeklust hem beving
    (90) Dat hy de sabel zwaeide in ’t aenzicht van Peking.
Adam. Hoe treurde ons kruisgeloof, zoo heerelijk aen ’t bloeien,
    Toen Xinkio, van nijt, noch bloeien kon noch groeien,
    En Vanliëus riedt het kruis, der vroomen wijk,
    Met onze broederschap te bannen uit het rijk.
Us. (95) Dat heeft Taimingaes stam een’ grooten krak gegeven:
Adam. Makao ’s keizers zaek in zulk een’ noot gesteven,
    Met busseschietren en kortouwen van metael.
    Zoo raekte ’t flaeuwe hof aen aêmtoght en verhael.
Us. De tijt gehengt niet in ’t byzonder nu te spreeken
    (100) Hoe ’t wankele avontuur noch regel houdt noch streeken,
    Maer tuimelt om en om, gelijk een draeiend radt.
    Wie hier aen hangt, en houdt het geen hy eenmael vat,
    Zit midden in, of raekt dan boven op, dan onder.
    ’t Gestarnte, aen ’s hemels kloot gehangen, draeit niet ronder,
    (105) Dan ’s weerelts staeten, noit in stilstant en in rust.
    De roovers winnen velt, en boeten hunnen lust,
    Tot dat Lykungzus, ’t hooft der rooveren, met rooven
    Alle andren dempt, en zich heel Sina durf beloven,
    Zoo dra, hy meester van het noortsch geweste in ’t kort,
    (110) De keizerlijke naem hem opgedraegen wort,
    Om vratige amptenaers, die d’onderdaenen pletten,
    Een’ muilprang op den muil, het volk ten zoen, te zetten.
    Hy toonde een schoon gelaet, en scheen een ieders vrient.
    Het volk, met streelen en zacht handelen gedient,
    (115) Schept adem, valt hem toe. Tienkius komt te sterven.
    Zungchin geraekt aen ’t rijk, en, om geen gunst te derven,
    Besnoeit besneênen, en Guieius, al te hoogh
    In maght gesteigert, en den oversten in ’t oogh.
    Dees, onder schijn van eer, gezonden naer de graven
    (120) Der oude keizeren, ontfangt in ’t heenedraven
    Een goude doos, waer in een zijde koorde leit;
    Dies worght hy zich, door last der hooghste majesteit.
[p. 7]
    Noch wint Lykungzus velt. Zungchin, om dezen roover
    Te stuiten, werft een heir, dat loopt weêrspannigh over.
    (125) Zoo komt d’aertsvyant, die ons maghten ziet gezwakt,
    En oversten gedeelt, tot hier toe afgezakt.
    Zoo tweedraght en verraet inwendigh ons niet deeren,
    De krijghsmaght en ’t geschut is maghtigh hem te keeren.
Adam. Zoo ’t eeuwigh wakende oogh te nacht op schiltwacht staet,
    (130) Ontzie de stadt en ’t hof noch tweedraght noch verraet.
    Wy willen met gebeên, het rijk ten beste, waeken.
Us. Begunstight naer uw maght de keizerlijke zaeken.
[p. 4]
    But if we die, the harvest of the cross will be in danger,
    And so much work, for three times five-and-twenty years,
    To reap the harvest, would disappear with our lives.
    May God on high give us wise counsel, to the honour of his name,
    (25) So that the crop of the cross of all the Chinese land,
    That stands glorious and proud, may finally ripen into ears of wheat,
    And such a blessing from this empire and its neighbours
    May be harvested and stored in heaven’s spacious barns.
Chor. Reverend Father Schall, who carefully watches over
    (30) The Roman Catholic priests, we are ready everywhere
    To follow your orders, whatever happens, and will avoid no danger
    In these rebellious and uncertain times,
    Less stable than the unstable light
    Of the moon that shines upon us with a changing face,
    (35) After she is looked at and irradiated by the sun.
    Whatever fortune or misfortune God will mete out to his servants:
    We submit to his will: which, we hope, will lead to heaven’s glory.
    A grateful heart never wanted for anything
    To dedicate to the Almighty a plate full of sweet-smelling perfumes.
    (40) He who is pleased by God’s judgement lives peacefully.
Adam. The grey chancellor, Us, leaning on his staff, steps
    Out of the palace gates, and descends the marble stairs,
    Worrying about the state, and full of concerns.
    In this situation, it would be appropriate to wait in this walkway.
    (45) Stand to attention behind us in a straight line.
    He is walking towards us. We should show this official all due respect.
    Do not fail to bow three times when you greet him.
Us Reverend Father Schall. Adam. Most illustrious High Chancellor.
Us. (50) We are pleased that you have come. Adam. That is what brings us here.
Us. You have come to the court just at the right time,
    With all your altar-colleagues, on the emperor’s orders,
    Because he has decided, in his hour of need, to make use
    Of your prayers as a last resort, because you devoutly agree
[p. 5]
    (55) With our wise men, who govern the empire.
    Your wisdom about the stars and loyalty and manners
    Please him to the utmost and are without equal.
    If this thunderstorm subsides, he will shower you with his grace.
Adam. We have long been completely bound to his majesty’s service.
    (60) The one thing we may be excused for is our powerlessness.
    The mouth of the law of the Cross of God’s son and God the Word
    Compel the Christian humbly to dedicate
    To the emperor what is due to him.
    We keep vigil night and day in these troubled times
    (65) For the imperial court and the entire empire,
    And we offer prayers in all churches and chancels everywhere.
    Let the God of Gods turn our difficulties to good advantage.
    Civil discord is a harsh rod.
    What should we do? What can we use to quench such a fire?
Us. (70) They use the firehose too late,
    When the flames in the court have reached the sky;
    The hurricane blows and brews trouble, and on all sides
    Sets fire to houses and grazes along the streets.
Adam. I often wished that someone would explain to me
    (75) How this native spark first smouldered and began to burn.
    It is discussed in part, but never in full.
Us. The fire has smouldered for many years now.
    It requires a long story and it would be too long
    If we started with the father of the Taiming.
    (80) He was Hung-wu, who, being born to conquer,
    Drove Khan to Tartary beyond China’s pale,
    And, battle after battle, remained the triumphant master of the field.
    He was therefore entrusted with the emperial crown.
    After him, China does not stop tormenting Niuche, or Tartary,
    (85) Forbids the king’s flower to marry a Tartar
    And even kills her father: the son takes this very badly:
    He breaks into the imperial walls, and wins Tuxin triumphantly.
    Nevertheless he seeks peace: but is insulted by Wan-li
[p. 6]
    And treated arrogantly; for this he was so stirred-up by revenge
    (90) That he waved his sword in the face of Beijing.
Adam. How our Christian faith mourned, which so blossomed gloriously,
    When Xinkio, out of envy, could neither flourish nor grow,
    And Wan-li counselled that the cross, refuge of the pious,
    Be banished from the empire along with our brotherhood.
Us. (95) That struck a great blow to Taiming’s dynasty.
Adam. Macao strengthened the emperor’s position in the hour of need
    With gunners and metal cannons,
    So the weak court could breathe again and recover.
Us. Time does not permit us to speak in detail
    (100) About how fickle fortune follows neither rule nor direction,
    But tumbles round and round, like a turning wheel.
    Anyone who hangs on, and holds on to what he can grasp,
    Sits in the middle, or ends up above, then below.
    The stars, which hang in heaven’s sphere, do not go round more
    (105) Than the world’s affairs, which are never stationary: never at rest.
    The robbers gain ground and satisfy their desires,
    Until Li Zicheng, the prince of thieves, puts all others in his shadow
    With his plundering, and dares to promise himself all of China,
    After he, in a short space of time, becoming master of the northern province,
    (110) Is given the title of Emperor,
    To gag the mouths of corrupt officials,
    Who crush their subjects, and thereby please the people.
    He showed everyone his good side and seemed to be their friend.
    The people, contented with kind and gentle treatment,
    (115) Can breathe again, and support him. Then Tianqi dies.
    Chongzhen inherited the empire, and not to be deprived of sympathy,
    Trimmed the power of the eunuchs, and of Wei Zhongxian, who had risen far too high
    In power and who was the thorn in the ruler’s side.
    This man, with the pretence of honour, sent to the graves
    (120) Of the old emperors, receives on the way there
    A golden box, in which there is a silk thread,
    So he strangles himself, on the orders of his supreme majesty.
[p. 7]
    Li Zicheng becomes more powerful. Chongzhen, to stop this robber,
    Acquires an army, which then turns on him and rebelled.
    (125) So the arch-enemy, who sees our power weakened,
    And commanders divided, comes gradually towards us.
    As long as discord and treachery within do not harm us,
    Then our army and artillery are powerful enough to repel him.
Adam. If the ever-watchful eye stands guard at night,
    (130) Then the city and the court need not fear discord and treachery.
    We will keep watch, for the good of the empire, with prayers.
Us. Do whatever is in your power to support the emperor’s affairs.
                            REY VAN PRIESTEREN.

                    I. ZANG.

    BEscherremheer, wiens wakkere oogen
        Noit sluimeren op ’s hemels wacht,
    (135) Bescherm door ’t eeuwigh alvermogen
        Den grooten keizer in zijn kracht,
    En d’afkomste uit Taiming gesproten,
        Die, schier dry eeuwen achter een,
    Den wreeden Cham keerde onverdroten,
        (140) Hoe vreeslijk hy in ’t velt verscheen.
    De vyant magh vry bosschen planten
        Van veltstandaerden, en den wal
    Met stormslotdraegende elefanten
        Omcingelen, en luit geschal
    (145) Van dolle en brieschende oorloogspaerden,
        En krijghsklaroenen, heesch van keel:
    Wy zwichten voor geen veltstandaerden,
        Noch elefanten, noch kameel,
    Noch geen ontelbaer heir van buiten,
    (150) Indien uw maght gewelt wil stuiten.

[p. 8]
                I. TEGENZANG.

    Dat is voorheene klaer gebleeken.
        Sennacherib van Ninive
    Bedekte met zijn heir de streeken
        Van Samarye en Sion me.
    (155) De koning Ezechias treurde:
        Doch Ezaias trooste hem,
    Toen hy, vol drux, zijn purper scheurde,
        Belegert in Jeruzalem.
    Rabsaces stofte voor de veste,
        (160) En lasterde den waeren Godt,
    Die hoorde ’s volx geschrey ten leste,
        Schoon d’Assyrier hier mede spot.
    Een engel komt het heir aenrannen,
        En velt ter aerde met een’ slagh
    (165) Omtrent twee hondertduizent mannen,
        Getelt in ’t opgaen van den dagh.
    Als d’opperste wil ooreloogen,
    Dan baeten panssers, zwaert, noch boogen.

                    II. ZANG.

    Och kon men ’t Aziaensche Euroope
        (170) Herbaeren door het hemelsch zaet,
    Tot eene levendige hoope
        Op Godt, der vadren toeverlaet,
    En zijnen zoon, die zonder smetten
        Van d’aerde steegh in ’t hemelsch rijk,
    (175) En eerde Cezar Christus wetten,
        Den grooten Constantyn gelijk;
    Men zagh de vyanden gevloden,
        Gelijk het kaf verstuift voor wint,
    En ’t kruis geplant in hun pagoden,
        (180) Te lang in ’s afgronts nacht verblint:
[p. 9]
    ’k Zagh guighelaers en wichelaeren,
        En Epikuurs verdwaelt gebroet,
    Voor Christus onbebloede altaeren,
        Gezoent met Godt door waere boet.
    (185) Regeerde dan de vorst van vrede
    Het zwaert zou rusten in de scheede.

                II. TEGENZANG.

    Besloot het hof een straf te zetten
        Op d’ongetoomtheit, die Godt terght
    Door nimmer noembre gruwelsmetten,
        (190) ’k Zagh Sine, in strandens noot, geberght.
    Wat baet het dat Sineesche wijzen
        De godtheit kennen, en haer niet
    Naer eisch van zulk een kennis prijzen,
        Zich buigende onder Godts gebiet?
    (195) Nu geeft hyze aen hun lusten over
        En lasterstukken, zonder maet.
    Zy staen ten doele van den roover,
        Die naer de kroon van ’t oosten staet.
    Een springvloet van gevloekte plaegen
        (200) Verheft zich. heer, beschut het rijk.
    Laet onze voorbede u behaegen.
        Gena beslechte alle ongelijk.
    Gy kunt verraet en tweedraght teugelen.
    Beschut ons, heer, met uwe vleugelen.

                        CHORUS OF PRIESTS.

                                        I. STROPHE.

PRotector, whose watchful eyes
    Never slumber on heaven’s watch,
(135) Protect with eternal omnipotence
    The great emperor in his might,
And the descendants of Taiming,
    Who, for nearly three centuries in succession,
Kept cruel Khan at bay, undaunted,
    (140) However terrible he appeared on the battlefield.
The enemy may plant as many forests
    Of battleflags as they want, and surround the walls
With elephants carrying battering armour,
    And with the loud blast
(145) Of fierce and neighing warhorses
    And war trumpets, hoarse of throat:
But we will yield to no battleflags,
    Elephants, camels,
Nor an innumerable army from abroad,
(150) If Your power can check the violence.

[p. 8]
                  I. ANTI-STROPHE

This was evident previously.
    Sennecherib of Nineveh
Covered the region of Samaria and
    Zion with his army.
(155) King Hezekiah wept:
    But Isaiah comforted him
When he, full of woes, beseiged in Jerusalem,
    Tore his purple cloak to shreds.
Rabshakeh was boasting in front of the ramparts
    (160) And insulted the true God,
Who finally heard the wails of the people,
    Although the Assyrian was scoffing at it.
An angel came to attack the army
    And struck to the ground with one blow
(165) Around one hundred thousand men
    Counted at the start of the day.
If the Almighty wants to wage war
Then neither armour, nor sword, nor bow are of use.

                    II. STROPHE.

O, could Asiatic Europe be born again,
    (170) By the heavenly seed,
To be a symbol of hope
    For the support of God, refuge of the fathers,
And of his son, who rose untainted
    From earth unto the heavenly kingdom,
(175) And if the Emperor respected Christ’s laws,
    As did the Great Constantine;
Then you would see the enemy flee,
    Like chaff blown away in the wind
And you would see the cross planted in their pagodas,
    (180) Blinded for too long in the hellish night:
[p. 9]
Then I would see sorcerers and soothsayers
    And Epicurus’ lost brood,
In front of Christ’s unbloodied altars,
    Reconciled to God by true penance.
(185) If the prince of peace then reigned,
The sword would stay in its sheath.

                II. ANTI-STROPHE.

If the court decided to punish
    The incontinence, which provokes God
With unspeakable atrocities,
    (190) Then I would see China, which is now running aground, rescued.
What is the use of Chinese sages
    Knowing God, and not praising him
As such knowledge demands,
    Submitting to God’s command?
(195) Now, he gives them over to their desires
    And their slanderous deeds, beyond measure.
They are the target of the robber,
    Who vies for the crown of the East.
A spring flood of cursed plagues
    (200) Rises up. Lord, protect the empire.
Let our intercessions please you.
    Let grace bring all injustice to an end.
You can rein in discord and treason.
Protect us, Lord, with your wings.

Continue

HET TWEEDE BEDRYF.

Kolaus. Zungchin.

ACT TWO.

Guolao. Chongzhen.

(205) DE keizer wandelt door de hofzael heene en weêr,
    Dan ras, dan langkzaem, zwaeit met eenen korter keer,
    Of daer de goude wandt hem stuit in zijn gedachten.
    By wylen staet hy stil, en mompelt, dat de wachten
[p. 10]
    Het hooren aen ’t poortael, en twijfelen ontstelt
    (210) Of ’t ernst is. niemandt durf, eer binnen wort geschelt,
    Ter kamer intreên en hem vraegen ongeroepen.
    By wijlen treet hy uit, daer met gedeelde troepen
    De Mandarijns en hofbesneênen staen bereit,
    En wachten op den wenk der hooghste majesteit.
    (215) De keizer ziet hen aen, mistrout gestroide maeren,
    En wenscht getrouwen en vermomde weifelaeren
    Te schiften: maer natuur, in ’t vormen van den mensch,
    Schiep geene venster in den boezem, om naer wensch
    Het hart, den schuilhoek van geveinstheit en ontrouwe,
    (220) Te kennen, en bespiên wat ongeval men brouwe.
    Al draeght de majesteit den naem van ’s hemels zoon;
    De hartekennis blijft een parel aen de kroon
    Des alleroppersten, ontdekker der gepeinzen.
    By hem gelt mommery, noch valscheit, noch ontveinzen.
    (225) De hemel dreight ons met een’ ooreloghsorkaen
    Te storten op de stadt. het moet’er nu op staen.
    Hier zal den ganschen nacht geen oogh geloken worden.
    Al ’t hof, aen ’t woelen, schijnt te spatten uit zijne orden.
    Daer treet de keizer aen, in ’t geele prachtgewaet,
    (230) Geheilight tot zijn draght. hoe treft mijn tong de maet
    In ’t spreeken, dat de klank hem lieflijk klinke in d’ooren!
Zun. Hoe staet het in de stadt, en op den muur geschoren?
    Kolaüs, mijn getrouwe en vaste toeverlaet,
    Aertsstedehouder van mijn krijghsgewelt en staet,
    (235) Wy slaepen op uw wacht en vaderlijke zorgen,
    En achten ’t keizerrijk behouden en geborgen,
    Zoo lang oprechte trou, te roer gezeten, waekt.
Ko. O zoon des hemels, wie u afvalt en verzaekt,
    Wy troosten ons by u het leven op te zetten,
    (240) Hoe scherp de vyanden de sne der sabel wetten.
Zun. Hebt gy de maetschappy der kruisbaniere ontboôn?
Ko. Zy quamen daetelijk, ten stut van uwen troon,
[p. 11]
    En offeren gebeên aen ’t Christensch outer binnen
    Voor Gode en ’t kruis, waer in hun keizers overwinnen,
    (245) De wederspannigen zien storten in den stroom.
    Dan rukkenze, vol moedts, met vollen ren en toom,
    De poort der hooftstadt van Europe in met hun paerden,
    Tot datze zegenrijk de stang der kruisstandaerden
    In d’aerde planten, op den afgestormden wal.
    (250) Zy streven voor uw kroone, in allerley geval,
    Dat vijftien landen lof van hunnen yver spreeken.
Zun. Hunne ongekrenkte trou is openbaer gebleeken
    Aen onzen voorzaet, door de hulp van Portugael,
    Gezonden uit Makou. zy blonk, gelijk een strael,
    (255) In Zunignatius, den fenixhelt, die garen
    Zijn ziel in bloet vergoot, en roovers noch Tartaren
    Wou dienen, ook een kroon versmaeden kon, om niet
    Te weiflen, tot bederf van Sinaes hooftgebiet.
    Wy wenschten met een rijk ’s helts leven noch te koopen:
    (260) Want sedert zijne doot is d’oorloghskans verloopen.
    Maer nu, hoe staenwe met de muuren en de poort?
Ko. Gelijk een winterwolf, bykans in sneeu gesmoort,
    Van magren honger voor de schaepskoy huilt, beladen
    Om met onnooslen roof zich zelven te verzaeden;
    (265) Zoo spookt Lykungzus vast, na d’ondergaende zon,
    Of hy met list of kracht ter poorte inbersten kon,
    Doch wort, waer ’t leger stormt, geschut van ’s rijx bezetting.
    Mijn ronden schouwen haer gansch zuiver van besmetting,
    En hondertduizent sterk. kortouwen op hun raên
    (270) En kopre afuiten, en met kogelen gelaên,
    Van buskruit zwanger, en gewelt van donderklooten,
    Ontzien geen’ stormram, noch zijn horens, stomp gestooten.
    Het vierkant van den muur staet overal in vier.
    De blixems slingren, dat de blikken van dien stier
    (275) Verdraeien in het hooft, en hy, aen ’t suizebollen,
    Van donderslagh op slagh, in ’t velt komt nederrollen,
[p. 12]
    Op zijnen ysren rugh, de voeten steekt van een,
    En lilt, als d’offerstier voor ons pagoden heen,
    Wanneer de bijl hem trof. hier spreekt het hooft der steden
    (280) Uit zijn’ metaelen mont, de leste en sterkste reden.
    Dan schreit de vyant, waer ’t geschut de beenders kraekt.
    Dan trekt de roover af, die eerst zoo trots genaekt.
Zun. Noch rust hy echter niet den krijghsman moedt te geven,
    Om langs de stormleer en de stormkat op te streven.
    (285) Laoiang, wel voorzien van bussen, hiel een wijl
    Den Tarter tegen, slechts gesterkt met boogh en pijl,
    En planken voor de borst: noch wert de stadt gewonnen,
    Aen vier gewesten, en van ruitren overronnen.
Ko. Die stadt, in ’t laden van haer donderbus te traegh,
    (290) Gedeegh dees traegheit tot een droeve nederlaegh:
    Wy vechten, afgerecht op bussen en musketten.
Zun. De roover quam, vol moedts, den slijkstroom overzetten,
    Die Xensi met gedruisch van ’t vruchtbre Xansi scheit.
    Hy sleept Kiancheu me, dat op den oever leit.
    (295) Thaiven ontstont hem niet. Kolaüs quam te spade,
    Uw onvertsaeght genan, en, bang voor ongenade,
    Verhing zich in het woudt: en hadde ik toen Peking
    Verlaeten, en Nanking gekoren, om den spring
    Des ooreloghs t’ontgaen, men zat hier niet belegen.
    (300) Men hieltme, tusschen raet en onraet, maghtigh tegen.
Ko. Getrouwen hebben u misraeden noch misleit.
    Dees stadt is dubbel sterk door tegenwoordigheit
    Des keizers, wiens gezagh, tot heil der onderzaeten,
    Noch meer vermagh dan een bezetting van soldaeten.
Zun. (305) Men trooste ons met de hulp der landen, die getrou
    Van alle kanten naer dees hofstadt streven zou:
    Dat miste: en och indien de strijdbaere Amazone,
    Die fier Cingtu ontzette, in dienst van onze kroone
    Verscheenen waer, nu zich geen onderkoning rept,
    (310) Peking hadde adem uit haer dapperheên geschept:
[p. 13]
    Want zy de stroopers, die de wraek des keizers tergen,
    Als stomme kudden, dreef naer wildernis en bergen,
    Van waerze sedert dus in krachten en getal
    Aengroeiden, datze ons hier braveeren voor de wal.
Ko. (315) ’k Vertrou zy zullen u niet lang voor ’t hof braveeren.
    Daer komt d’aertskantzelier met eenen stoet van heeren.
(205) THe emperor walks up and down through the main hall of the palace
    Noe swiftly, now slowly, and turns around quickly halfway down,
    Or where the golden wall checks him in his thoughts.
    On occasion, he stands still, and mumbles, so that the sentries
[p. 10]
    Hear it along the corridors, and they wonder, unsettled,
    (210) Whether it is serious. No one dares, before the bell is rung inside,
    To enter the room and question him without being summoned.
    On occasion, he exits; where the Mandarins and Eunuchs stand ready there,
    With loyal and disloyal troops,
    And wait for the sign from his sublime majesty.
    (215) The emperor looks at them, mistrusts scattered rumours which have been sown,
    And wants to decide who is trustworthy and who is a waverer in disguise.
    But nature, when it moulds man,
    Creates no window into the bosom, to know the heart
    Where hypocrisy and mistrust lurk in dark corners,
    (220) And to espy whatever misfortune may brew there.
    Even though his majesty bears the name of heaven’s son.
    Knowledge of the heart remains a pearl in the crown
    Of the supreme being, who discerns men’s thoughts.
    With him, neither disguise, nor deception or dissembling have any value.
    (225) Heaven threatens us with a hurricane of war
    On the city. Now is the decisive moment.
    Here, no eye shall be shut through the entire night.
    The whole court, stirred up, seems to break out of its ranks.
    There the emperor approaches, in magnificent yellow robes,
    (230) Which he alone may wear. How shall my tongue find the right tone
    When I speak so that the sound may tickle his ears.
Cho. What is the situation in the city, and on the walls?
    Guolao, my trusted and steady support,
    Commander-in-chief of my army and state,
    (235) We sleep under your watch and in your fatherly care,
    And consider the empire protected and secure,
    As long as sincere trust keeps watch at the helm.
Guo. O son of heaven, whoever deserts and forsakes you,
    We are ready to risk our lives for you,
    (240) No matter how sharply the enemy whets his sabre.
Cho. Have you summoned the society of the flag of the cross?
Guo. They arrived immediately, to prop up your throne,
[p. 11]
    And they offer prayers at the Christian altar, inside,
    To God and the cross, by which their emperors are victorious,
    (245) And see the rebels plunge in the river.
    Then they march, valiantly and unbridled at full speed,
    Through the gate of the capital of Europe with their horses,
    Until they, with God’s blessing, plant the poles of the Christian banners
    In the earth, on the walls, that have been assailed.
    (250) They strive for your crown, in all circumstances,
    So that the fifteen provinces of China speak of their zeal with praise.
Cho. Their unwavering faithfulness was evident
    To our ancestors from the help of Portugal,
    Sent from Macau. It shone, like a ray,
    (255) In Zong Ignatius, the Phoenix-like hero,
    Who willingly poured out his soul in blood,
    And wanted to serve neither the robbers nor the Tartars,
    And who could also refuse a crown, in order to avoid confusion,
    Which would have destroyed most of China.
    If only we had bought the hero’s life with an empire:
    (260) For since his death the fortunes of war have changed.
    But now, what is the situation regarding the walls and the gate?
Guo. Just as a winterwolf, almost smothered in the snow,
    Which howls with hunger before the sheepfold, is ready
    To satisfy itself with the booty of innocent sheep;
    (265) So Li Zicheng constantly goes on the prowl after sunset,
    To find out whether he can burst open the gates with guile or strength,
    But he is checked by the imperial guard where the army attack.
    My sentries see that the walls are free from contagion,
    And a hundred thousand strong. Cannons on their wheels
    (270) And bronze gun-carriages, laden with cannonballs,
    Pregnant with gunpowder, and the violence of cannonballs,
    Spare no battering ram, nor its horns, which are made blunt.
    The walled city is under fire from all four sides.
    The lightning flashes back and forth, so that the look in the eye of this bull
    (275) Is distorted in its head, and he, dazed by
    One thunderbolt after another, falls down on the battlefield,
[p. 12]
    On his iron back, feet set apart,
    And trembles, like the sacrificial bull in our pagodas,
    When it meets with the axe. Here, the capital city speaks
    (280) Through its metal mouth its last and strongest words.
    Then the enemy groans, when the artillery breaks its legs.
    Then the robber, who first attacked so proudly, retreats.
Cho. But, he does not stop giving the warrior the courage
    To try to assail the siege-engine and ladder.
    (285) Laoiang, well-furnished with cannons, checked the Tartars’ advance for a while,
    As they were only equipped with bow and arrow,
    And a plank of wood for the chest: yet the city was overpowered
    From all corners, and overrun by the cavalry.
Guo. For that city, too slow in loading her guns,
    (290) This lethargy led to a miserable defeat:
    We, on the other hand, fight, well-trained in the use of guns and muskets.
Cho. The robber came, valiantly, ferrying across the muddy Yellow River,
    Which separates Xensi from the fertile Xansi with its loud waters.
    It drags Kiancheu with it, which sits on its banks.
    (295) Thaiven did not escape. Guolao, your fearless namesake,
    Came too late, and fearing disgrace,
    Hanged himself in the forest: and if I had then left Beijing
    And chosen Nanjing, to escape the flood of war,
    There would not have been a siege here.
    (300) I was kept back by force by people giving good and bad advice.
Guo. Your loyal men have neither badly advised nor misled you.
    This city is doubly strong with the presence
    Of the emperor, whose authority, to the benefit of his subjects,
    Has greater influence than a garrison of soldiers.
Cho. (305) They consoled us with the help of the provinces,
    Which would faithfully strive to this capital from all sides:
    That failed: and oh, if the warrior Amazon,
    Who proudly relieved Cingtu, had appeared in the service,
    Of our crown, now that no viceroy makes a move,
    (310) Then Beijing would have breathed a sigh of relief as a result of her bravery:
[p. 13]
    For she drove the thieves, who provoke the revenge of emperors,
    Like foolish flocks, into the wilderness and mountains,
    From where, since then, they have grown in power and numbers,
    So that they challenge us here before our walls.
Guo. (315) I trust that they shall not challenge you for long in front of the palace.
    Here comes the high chancellor with a procession of lords.


Us. Zungchin. Kolaus.


Us. Chongzhen. Guolao.

GEnadighste, wy staen onzeker met de wacht,
    Geduurende den storm, in ’t vallen van den nacht.
    De strooper, toen de zon in ’t gras begon te vallen,
    (320) Quam stil, gelijk een dief, aensluipen voor de wallen,
    Maer voerde ’t volk ten storm, na ’et ondergaen van ’t licht.
    Dat ’s tegens krijghsgebruik: want met den avont zwicht
    De stormer tot den dagh: en dit gewelt blijft duuren.
    Men plagh, om niet ontdekt te worden, ’s nachts de muuren
    (325) Aen eenen oort, die niet bewaekt wort en voorzien,
    Op ’t loos verwittigen en voortreên van de spiên,
    Al stil te naderen, en, zonder iet te mompelen,
    Na ’et oversteigeren, langs ladders t’overrompelen:
    Doch openbaer een’ muur, van oorloghsvolk gepropt,
    (330) Van donderbussen en kortouwen overkropt,
    Te tergen voor de vuist, geeft allerley bedenken
    Of hier verraet me speelt, en, op ’s verraeders wenken,
    Dit, tegens oorloghsstijl, by eene heldre maen,
    Wort aengegrepen: want een reukeloos bestaen
    (335) Leght doorgaens achter, of beslaet ten minste zelden:
    Dies legh het over, in den raet der oorloghshelden.
Zun. Gy spreekt niet ongegront: uw voorstel rust op reên,
    En stemt volkomen met onze inzicht overeen.
    Wat dunkt Kolaüs? zoo verraet de stadt ontwapen,
    (340) Dan is het jammerlijk met ons en ’t rijk geschapen.
Ko. Behouden ’s kantzlers eer, dit riekt naer onbescheit,
    Van d’openbaere daet beschaemt en wederleit.
[p. 14]
    Verraet steef ’s roovers maght, en broght veel steden onder.
    Dat bleek voorheen te klaer: doch hier getuight de donder
    (345) En blixem van geschut en bussen welk een kracht
    Van tegenstant men biet, een ieder op zijn wacht.
    De stadts bezetting waekt met hondertduizent oogen,
    Waer tegens weinige verraeders niet vermogen
    Ter sluik te werken, of het wort terstont ontdekt.
    (350) Verradery bestaet by veelen, en dit lekt
    Te lichter uit. een hooft alleen kan niet bedrijven:
    Het hoeft hanthavers, die dit werk op maght van schijven
    Voortrollen, of het steekt in ’t midden van zijn vaert.
    De storm drijft over, en d’ontstelde lucht bedaert.
    (355) Kortouwen zwijgen stil. men stormde alleen by vlaegen,
    Wel drywerf achtereen gestuit en afgeslagen.
    Verrees de zon, men vloogh door zes paer poorten uit,
    En overrende ’t heir, en deelde een’ rijken buit.
Us. Dees storm, by vlaegen, sterkt mijne achterdocht en vreezen.
Ko. (360) Wie kan u helpen, en uwe achterdocht genezen?
    Zy kent geen paelen, als een onbemuurde stadt.
    Het achterdenken schrikt voor ’t ritslen van een bladt.
Us. Wanneer de stormram rust de poort en muur te beuken,
    Dan krijght de list gehoor, om stil de trou te kreuken,
    (365) Te krenken door gesprek.    Ko. Dat hoort de gansche stadt.
Us. Men spreekt de schiltwacht door de holte van een spat.
    Wie kan verneemen wat men haer in d’ooren luistert,
    Omtrent een’ toren, daer de schaduw ’t oogh verduistert,
    Het schijnsel van de maen den fluisteraer niet melt?
    (370) Dan weet de vyant hoe ’t van binnen is gestelt,
    Waer ’t sterk of zwak is, om de stormleêr aen te voeren,
    Gewenkt van weifelaers, die hunne ziel verzwoeren,
    Bekoort door hoop van staet en ampten, zoo ’t geluk,
    Dat ongerechtigheit het wettigh recht verdruk.
Ko. (375) Gy voedt uwe achterdocht met ydele gedachten.
Us. Wat beuren kan staet den voorzichtigen te wachten.
[p. 15]
Ko. Wie kan bedenken wat gebeuren magh of niet?
Us. Hy is niet dwaes, die wat gebeuren kan voorziet.
Ko. Dat eischt een godheit: wy zijn menschen, geene goden.
Us. (380) Zie tijdigh toe, en sterk met nadruk uw geboden.
Ko. De hofstandaerden staen strijtvaerdigh op mijn woort
    Elk op zijn’ hoefslagh, op de wal, en aen de poort.
    De ronden rusten niet elkanderen t’ontmoeten.
    Men staet bereit de scha, waer inbreuk valt, te boeten
    (385) Met versche noothulp, die noch sluimert nochte slaept,
    In wederstant te biên, te stoppen waer het gaept.
    De zon in ’t opgaen zal de torenwacht ontdekken
    Met welk een nederlaegh de stormer af most trekken.
Us. Het schijnt gy schat de maght der vyanden te kleen.
Ko. (390) Ik weeghze in eene schael van krijghservaere reên.
Us. Hoe vint men dan zoo veel flaeuhartige kornellen?
Ko. Een bloodaert kan zich om een klein gerucht ontstellen.
Us. Men had bloohartigen dan nutter uitgezift.
Ko. Z’ontveinzen hunne vrees met schijn van oorloghsdrift.
Us. (395) Men magh bloohartigheit, maer geen verraet verschoonen.
Ko. Gestreng in ’t straffen, milt en rustigh in ’t beloonen
    Van ontrou en van trou zet staeten in hun kracht.
Zun. Stadthouder, hof en stadt verlaet zich op uw wacht.
    Ontbreekt het aen gezagh, gy hoeft ons niet te sparen.
    (400) Verschoon geen grooten, noch besneên, noch amptenaeren.
    Elk vliege van uw hant. de noot lijt geen verdragh.
    Hoe stil is ’t overal. wy hooren geen gewagh.
    Het schutgevaerte zwijght. men blaest trompet noch horen.
    Geen wachters slaen geluit uit tinne of hoogen toren.
    (405) Wy durven hoopen dat het hart des vyants zonk,
    Toen hem ’t salpeterlicht te sterk in d’oogen blonk.
Ko. De krijghsfaem zal hier haest aensnorren op haer veder.
    Zoo dit den vyant smaekt, hy keer’ vry echter weder.
MOst merciful Lord, we are uncertain about the guard,
    During the storming of the city, while night falls.
    The raider, when the sun began to fall into the grass,
    (320) Came silently, like a thief, sneaking up to the walls,
    But led his people to storm the fortress, after sunset.
    That’s against the rules of warfare: because when night falls, the aggressor
    Should hold off until dawn: and this violence carries on and on.
    It has been usual, In order not to be discovered,
    (325) To approach a place at night quietly, that is not guarded or well-equipped,
    And, based on a crafty report and guidance by spies,
    Without a murmur, to scale the wall, and take them by surprise using ladders:
    But to attack a wall openly, crammed with soldiers
    (330) Piled up with cannons and guns,
    Creates all kinds of suspicion,
    That treachery has played a role here, and, at the traitor’s signal,
    This is, against the rules of warfare, attempted
    In bright moonlight: for a reckless undertaking
    (335) Is deemed to be a failure, or at least is seldom successful:
    Therefore, discuss this in the council of war heroes.
Cho. Your words are not unfounded: your suggestion rests on reason
    And agrees entirely with our perception.
    What does Guolao think? If treason can disarm the city,
    (340) Then it is a pitiful situation for us and the empire.
Guo. With all respect to the Chancellor’s honour, this reeks of mis-understanding,
    Disproved and falsified by manifest actions.
[p. 14]
    Treachery has strengthened the robber’s power, and brought down many cities.
    This has been only too evident in the past: but here the thunder and lightning of
    (345) Artillery and guns make clear the power of resistance that is on offer,
    Everyone being on his guard.
    The city’s garrison keeps vigil with one hundred thousand eyes,
    Against which a small group of traitors cannot act
    In secret, or they will be discovered immediately.
    (350) Treason exists in many people, and becomes known
    All too easily. One person can do no wrong on his own.
    It requires accomplices, who can roll this task forward
    On powerful wheels, or else it gets stuck when it is in full swing).
    The storm passes, and the turbulent skies calm down.
    (355) Cannons fall silent. They attacked only in fits and starts,
    Three times in a row checked and repelled.
    As soon as the sun would rise, we would charge through twelve gates
    And overrun the army and share out a rich booty.
Us. This storm, in fits and starts, confirms my fears and suspicions.
Guo. (360) Who can help you, and cure your suspicion?
    It knows no bounds, like an unwalled city.
    Suspicion fears even the rustling of a leaf.
Us. When the battering ram takes a break from battering the gates and walls,
    Then stratagem gets an audience, silently to break
    (365) And injure trust by words.
Guo. The whole city hears that.
Us. You can speak to the sentry through the hollow of a pipe.
    Who can hear what they whisper into the sentry’s ears,
    Near a tower, where the shadow makes it difficult to see,
    And where the moonlight does not betray the whisperer?
    (370) Then the enemy knows the situation within,
    Where it is strong and where weak, to erect the scaling-ladder,
    Beckoned by waverers, who have sold their souls with an oath,
    Seduced by the hope of status and office, if it turns out that
    Injustice should suppress lawful justice.
Guo. (375) You feed your suspicions with idle thoughts.
Us. The cautious have to await what might happen.
[p. 15]
Guo. Who can imagine what might or might not happen?
Us. He, who foresees what can happen, is wise.
Guo. That requires a Deity: we are men, not gods.
Us. (380) Keep watch in a timely manner, and be firm in your orders.
Guo. The royal standards stand ready for combat at my command
    Each at its guardpost, on the wall, and at the gate.
    The sentries strive to meet each other continually.
    They stand ready to repair the damage where the wall is breached
    (385) With back-up emergency-relief, that neither slumbers nor sleeps,
    To offer resistance, to fill a breach.
    When the sun rises, its rays shall reveal to the watchtower
    How great a defeat causes the assailant to retreat.
Us. It appears that you underestimate the might of the enemies.
Guo. (390) I weigh them up in the scales of my experience of war.
Us. Then how is it that there are so many fainthearted commanders?
Guo. A small rumour can startle a coward.
Us. They should have sifted out the cowards better.
Guo. They hide their fears under the guise of a passion for war.
Us. (395) You can condone cowardice but not treachery.
Guo. Being severe in the punishment of disloyalty, but mild and peaceful
    In the remuneration of loyalty makes states powerful.
Cho. Viceroy, the court and city rely on your guard.
    If there is a lack of authority, you need not spare us.
    (400) Spare no nobles, nor eunuchs, nor officials.
    Let each follow your orders immediately. The emergency tolerates no delay.
    How quiet it is everywhere. We hear no noise.
    The guns have fallen silent. No-one sounds trumpets or horn.
    No guards make a noise from battlements or high towers.
    (405) We dare to hope that the enemy’s heart sank,
    When the light of gunpowder flashed too strongly in his eyes.
Guo. Battle-glory will soon arrive here on its wings.
    If the enemy likes the taste of this, let him come back for more.
[p. 16]
            REY VAN PRIESTEREN.

                            I. ZANG.

            O lichten, Rykaert en Trigau,
        (410) Die d’eersten met uw maetschappye
        Ontsloot het slot van ’t ongastvrye
            Rijk Sine, en, als een morgendau,
        De dorre ziel, die schier verstickte,
            En, diep in blinde afgodery
            (415) Gesmoort, ten lange leste bly
        Door troost der kruisgena verquikte;
            Gy voerde uw kruisvaen, als voorheen
        Sint Thomas en Sint Bartels vaenen,
        d’Afgodery der Indiaenen
            (420) Met wapenen des lichts bestreên.
        Wy volghden u door vijftien landen,
            En bouden kerken op den gront,
            Daer ’t eerst vol gruwelbeelden stont,
        Waer voor de zwarte lampen branden:
            (425) Daer afgodisten wijn en rijs
        En haenen wijdden aen d’altaeren,
        Voor afgodt Fe, van gansche schaeren
            Bewierookt, Belzebub ten prijs,
        Die nu zijn offereer moet missen.
        (430) Het licht verdreef de duisternissen.

                    I. TEGENZANG.

            De paradijsslang schort het noch
        Aen logentael, noch nabootzeeren
        Van waerheit: want zy kan stoffeeren
            Met glimp, en lokken met bedrogh.
        (435) Dat tuigen offers en gebeden,
            Gebedentellers, kerkgebaer,
[p. 17]
            De priesters, het geschoren haer,
        De kloosternonnen, zuivre zeden,
            Gestrengheit, vasten, feest op feest,
        (440) De bedevaert, de pelgrimsstappen,
        Inwydingen, en broederschappen.
            Zoo geestigh momt de logengeest:
        Doch waer de heilzon quam te schijnen
            Verloor het bygeloof zijn kracht.
            (445) Besneênen scheiden uit dien nacht,
        Zelfs koningen en Mandarijnen.
            Zy stormden afgoôn uit pagoôn;
        Geplet tot puin, gestampt aen mortel,
        Verdelghden ’t onkruit met den wortel,
            (450) En eerden Christus kruisgeboôn.
        Het zielverhuizen wert verwezen,
        Een zielpest, lastigh in ’t genezen.

                            II. ZANG.

            De zalige Xaveer had, voor
        Helt Rykaert en Trigau, Japanners,
        (455) Ten schimp van alle wederspanners,
            Te recht gebrocht op Christus spoor.
        Zoo brande d’yver van Elias,
            Gelijk een torts, in Achabs tijdt,
            Van Baäls priesterdom benijt,
        (460) Een ry van eeuwen voor Messias.
            Een zegen volghde waer hy tradt,
        Noit flaeu van kracht en wonderwerken,
        Bezaeiende alle steên met kerken,
            Ja veertigh in een zelve stadt.
        (465) Hy lant te Sanciane op ’t eilant,
            Ziet Sine en haer verblinde kust,
            En wenscht van harte daer met lust
        t’Ontsteeken ’t kruislicht van den heilant:
[p. 18]
            Doch anders lagh het in Godts raet.
        (470) Hy sterft. Japon, uit nijt verandert
        Van zin, beoorloght Jesus standert,
            Die naer geene aerdtsche rijken staet.
        Veel duizent martlaers triomfeeren.
        Zoo kan de hofstijl ommekeeren.

                    II. TEGENZANG.

            (475) Zoo kan hier ook de heerschappy
        Op eenen andren voet geraeken.
        De noot gebiet ons streng te waeken.
            De hemel sta den keizer by:
        Want komt het hooft der roovren boven,
            (480) En schupt den keizer uit zijn’ staet,
            Door ontrou, twist en eigebaet,
        Wat vryheit durvenwe ons beloven.
            Verandering van heeren baert
        Verandering van stijl en wetten.
        (485) Wie kan een’ springvloet paelen zetten
            Dan eene maght, die ’t al bewaert.
        Kaifang voor ’s rijx Saffraenstroom open,
            Na’et sloopen van den steenen dijk,
            Zagh out en jong en arm en rijk
        (490) In eene bare zee verzopen,
            Verdronken in een bruizend meer,
        Eer dit Lykungzus kon bevroeden,
        Die zaghze, tegens zijn vermoeden,
            Vergaen: hier holp geen tegenweer.
        (495) Nu vlamt hy op de kroon der steden.
        Laet ons hem spits biên met gebeden.

                            TOEZANG.

            Alziende schiltwacht, op den trans
            Des hoogen hemels, rijk van glans,
[p. 19]
        Bewaek het hof: bewaek de muuren.
        (500) Beveel alle oogenblik en uuren
            De ronden aen uw geestendom,
            Zoo snel als vlugge winden, om,
        Tot ’s morgens vroegh van ’s avonts spade,
        Met uwe gunste en heilgenade
            (505) Te dekken teffens goên en quaên,
        De goên, op datze uw’ naem vereeren,
        De quaên op datze zich bekeeren.
            Geen rijk kan zonder u bestaen.

    De keizerin verschijnt met Pao, luttel blijde,
    (510) Die schoone rijxprinces. vertrekkenwe aen een zijde,
    En laet ons luisteren wat haeren geest bezwaert.
    De midnacht daelt allengs van ’t hooftpunt nederwaert.
[p. 16]
                            CHORUS OF PRIESTS.

                            I. STROPHE.

        O lights, Matteo Ricci and Trigault,
    (410) Who were the first members of your society
    To unlock the lock of the inhospitable
        Chinese Empire, and who, like morning dew, quenched
    The barren soul, which was almost choking
        And, smothered deep in blind idolatry,
        (415) At long last with the comfort
    Of the mercy of the cross:
        You wielded the banner of the cross, just as before
    Saint Thomas’ and Saint Bartholomew’s banners
    Fought the idolatry of the Indians
        (420) With weapons of light.
    We followed you through fifteen lands,
        And built churches on the ground,
        Where grotesque images previously stood,
    Before which the black lamps burned:
        (425) Where idolaters sacrificed wine and rice
    And cockerels at the altars,
    To the idol Fo, filled with incense
        By whole crowds, as a booty for Beelzebub,
    Who must now forego his sacrificial honour.
    (430) The light dispelled the darkness.

                            I. ANTI-STROPHE.

        The serpent of Paradise lacks neither
    The language of lies, nor pretensions of truth:
    Because it can mislead with a superficial sheen,
        And entice with deceit.
    (435) This is witnessed to by sacrifices and prayers,
        Prayer beads, pious gestures,
[p. 17]
        The priests, the tonsured heads,
    The convent nuns, pure morals,
        Asceticism, fasts, feast upon feast,
    (440) Pilgrimage, the pilgrim journeys,
    Consecrations, and brotherhoods,
        So ingeniously does the spirit of lies deceive:
    But where the holy sun appeared,
        Superstition lost its power,
        (445) Eunuchs departed this night,
    And even kings and Mandarins.
        They drove idols out of pagodas,
    Crushed to dust, pounded to mortar,
    And removed the weeds, including their roots,
        (450) And revered Christ’s cross-commands.
    Transmigration of the soul was condemned,
    A disease of the soul, difficult to heal.

                            II. STROPHE.

        The Blessed Xavier had, before
    The heroes Ricci and Trigault, to the
    (455) Mockery of all recalcitrant people,
        Brought a number of Japanese back to the path of Christ:
    Just as the zeal of Elijah burnt,
        Like a torch, in Ahab’s time,
        Hated by Baal’s priests,
    (460) A number of centuries before the Messiah.
        A blessing followed everywhere he went,
    Never lacking in strength and miracles,
    Sowing all cities with churches,
        Indeed, forty in a single city.
    (465) He lands on the island of Shangchuan,
        Sees China and her blinded coast,
        And desires most earnestly to kindle the light of the cross
    Of the Saviour there with passion:
[p. 18]
        But God had other plans.
    (470) He died. Japan, changing its mind out of malice,
    Waged war with Jesus’ standard,
        Which strives for no earthly kingdoms.
    Many thousand martyrs triumph.
    So can the ways of the court change.

                            II. ANTI-STROPHE.

        (475) So, too, dominion can change
    Completely here.
    These times of emergency compel us to keep close watch.
        Let heaven help the emperor:
    For if the chief of the robbers emerges victorious,
        (480) And expels the emperor from his land,
        By disloyalty, dispute and self-seeking,
    What liberty dare we then promise ourselves?
        A change of masters gives birth to
    A change of customs and laws.
    (485) Who can check a springflood,
        Other than a power, that already controls the universe?
    Kaifang, exposed to the kingdom’s Yellow River,
        After the demolition of the stone dykes,
        Saw old and young and poor and rich
    (490) Overwhelmed in a wild sea,
        Drowned in a seething lake,
    Before Li Zicheng realized what was happening;
    He saw them perish, contrary to what he expected,
        Resistance was futile in this case.
    (495) Now his desire burns for the crown of cities.
    Let us resist him with prayers.

                            EPODE.

        All-seeing sentinel, on the battlements
        Of high heaven, rich in splendour,
[p. 19]
    Protect the court: protect the walls.
    (500) Commit, at all moments and hours,
        The guards to your angels,
        As swift as rapid winds, in order,
    Until early morning from the late evening,
    With your favour and mercy,
        (505) To protect both good and bad:
    The good, so that they honour your name,
    The bad, so that they might be converted.
        No kingdom can exist without you.

    The empress appears with Bao, that beautiful princess,
    (510) Who is not happy. Let us depart to one side,
    And let us hear what weighs on their souls.
    Midnight gradually descends downwards from its high point.


Continue

HET DERDE BEDRYF.

Jasmijn. Pao. Adam.

ACT THREE.

Jasmin. Bao. Adam.

VOrstin Xaianga, waer magh Adam nu vertoeven?
    Wy toetsten vaders trou, die blonk op alle proeven,
    (515) Als gout van Ganges op den toetsteen blinkt ten toon.
    Zy blonk gelijk een perle aen onze wereltkroon.
    Indienwe recht zien, zijn genooten afgescheiden
    Staen ginder. zegh hun dat wy ’s vaders komst verbeiden.
Pa. Zy haelen hem.    Jas. my lust te hooren uit zijn’ mont
    (520) Of mijn bekommering op reden is gegront.
Adam. Gezalfde dochter van den hemel.    Jas. wijze vader.
Ad. Wat eischt de majesteit?    Jas. nu schroom niet: tre vry nader.
Adam. Op ’t hoogh behaegen van de grootste keizerin,
    Verknocht aen ’s hemels zoon door goddelijke min.
    (525) Ontschuldigh uit genade, indienwe een luttel draelden.
    Toen d’uuren van den nacht in top het hooftpunt haelden,
    Begon ik flux den dienst, naer d’ingestelde wijs,
    En offerde op ’t altaer, den waeren Godt ten prijs,
My lady, Xaianga, where is Adam now staying?
    We tested the father’s loyalty, which has shone in all tests,
    (515) Just as gold from the Ganges shines for all to see when it is assayed.
    It glistened like a pearl in our imperial crown.
    If we are right, his fellow-priests have departed
    And stand over there. Tell them that we await the father’s coming.
Ba. They’re bringing him. Jas. I desire to hear from his mouth,
    (520) Whether my anxiety is based on reason.
Adam. Anointed daughter of heaven. Jas. Wise father.
Ad. What does your Majesty desire?
Jas. Now, don’t hesitate. Please come closer.
Adam. At the highest pleasure of the greatest empress,
    Bound by divine love to the son of heaven.
    (525) Excuse us, by your grace, if we tarried too long.
    When the hours of the night reached their highest point,
    I swiftly began to celebrate the Mass, according to the established manner,
    And made an offering at the altar, to the honour of the true God,
[p. 20]
    Ten zoen der misdaên, en gedacht in mijn gebeden
    (530) Dat Godt Taimingaes telgh, van ’s roovers heir bestreden,
    Behoedende, alle ramp van uwen rijxstoel keer’.
    Gebruikme, ben ik ’t waert, ten wasdom van uwe eer.
Jas. De geest, met eene wolk van staetbekommeringen
    Betrokken, zweeft te laegh, en kan niet hooger dringen.
    (535) Gedachten pijnigen de zinnen om al ’t geen
    Ons sedert eene wijl een droevigh voorspook scheen.
    Uit veele tekenen, die wy te zaemen stellen
    Als letters, kan men niet dan ongevallen spellen.
        Voorleden zomer queekte een oievaer op ’t nest
    (540) Van ’t gulden hofdak zijn gebroetzel. uit het west
    Verscheen een ros gedroght, gevoert op vleermuispennen.
    Het braekte vier en vlam, viel gruwzaem aen het schennen,
    En rukte d’ouden fel de taeie slaghpen uit.
    Zy stortten van het nest ter aerde dat het stuit.
    (545) De jongen wouden vliên, maer werden flux verbeeten.
    De roover hielt het nest, hoovaerdigh en vermeeten.
Adam. Hoe lang?    Jas. tot dat een draek van ’t noorden streven quam,
    Het ros gedroght verbaest de vlught ten zuiden nam,
    En, vliegende afgemat, in eenen poel verstikte.
    (550) Een dreigend voorspel, dat ons menighmael verschrikte
Adam. En wat bezwaert u meer?    Jas. de schranderste in het lant,
    Om uit de linien der palme van de hant
    Geluk of ongeluk met kennis t’overleggen,
    Ontziet, uit vrees voor straf, al watze ziet te zeggen,
    (555) Dewijl de dwarsse lijn de langste knipt en snijt.
    Bediet de lange lijn den draet van ’s levens tijt,
    Zoo wil ons leven kort en snel ten ende loopen.
    Wat lust of weelde staet Jasmijne dan te hoopen?
Ad. Ik hoore al wat u schijnt een post van ongeval,
    (560) Naer uw verbeelding.    Jas. neen, gy hoorde het niet al.
    Een wijs Araber zagh hoe ons geboortesterre
    Geraetzaem vont den pijl t’ontwijken, die, van verre
[p. 20]
    For the reconciliation of sins, and asked in my prayers
    (530) That God, watching over the descendants of Taiminga,
    Attacked by the robber army, might turn all disasters away from your throne.
    Employ me, if I am worthy, for the increase of your glory.
Jas. The mind, overcast with a cloud of troubles of state,
    Hovers too low, and cannot rise any higher.
    (535) Thoughts torment the senses with all that which
    Has appeared to us for a while as a sad premonition.
    From many signs, which we put together
    Like letters, nothing can be spelt except misfortune.
    Last summer, a stork hatched a brood
    (540) In a nest on the golden palace roof. From the west
    There appeared a red monster, carried on bat’s wings.
    It breathed fire and flames, and began gruesomely attacking,
    And fiercely tearing out the pinion of the parents.
    They fell from the nest and hit the earth with a thud.
    (545) The fledglings tried to flee, but were quickly bitten to death.
    The robber took held of the nest, haughtily and boldly.
Adam. For how long? Jas. Until a dragon rushed in from the north,
    And the startled red monster took flight to the south,
    And, being exhausted from flying, drowned in a pool.
    (550) A threatening premonition, that has frightened us many times.
Adam. And what else burdens you?
Jas. The shrewdest mind in the land,
    For predicting with knowledge fortune and misfortune
    From the lines on the palm,
    Is fearful to tell us all that she sees, for fear of punishment,
    (555) For the diagonal line clips and cuts the longest.
    As the long line indicates how long the thread of life will be,
    Our life will finish soon and suddenly.
    What pleasure or luxuries can Jasmine hope for in that case?
Ad. I see all that you sayto be a message of impending misfortune,
    (560) According to your imagination.
Jas. No, you haven’t heard all of it yet.
    A wise Arab saw how our birthstar
    Wisely advised us to avoid an arrow, which,
[p. 21]
    Afsnorrende uit de lucht, gelijk een staertstar, blonk,
    En hooftçieraet en kroon van ’t hooft ter aerde klonk.
    (565) Indien Toangus leefde, in starrekunde ervaeren,
    En starrewichlery, hy zou het openbaeren
    Door welk een middel men dien pijl ontwijken kon,
    Eer d’onverwachte slagh het heiligh kroonrecht schon.
Adam. Zoo wort uw majesteit bestreên van hier en ginder.
Jas. (570) Wy zagen menighmael den grijzen offervinder
    Verschrikken voor ’t altaer, wanneer hy met verstant
    Doorsnuffelde en bezagh het offeringewant
    Van zwijn en bok en haen, bekommert en verslegen.
    De honden huilen ’s nachts. het spookt langs achterwegen.
    (575) De raven krassen naer. de gront der aerde beeft.
    Een damp bezwalkt de zon. wat adem schept en leeft,
    Gezielt en ongezielt, gedroghten aen de stranden
    Bestemmen dat ’er staetverandring is voorhanden.
    Hunguüs dootsche geest verscheen ons ’s nachts, zoo ’t scheen.
    (580) Wy greepen naer de schim, die droop door d’armen heen,
    In ’t midden van den droom. laet hooren hoe gylieden
    Die tekens opneemt: watze melden en bedieden.
Adam. Doorluchtste keizerin, Europe, klaer verlicht
    Van boven, bout geen hoop van voorspoet op gezicht
    (585) Van geesten, wichlery uit vogelvlughten, droomen,
    En hantbekyken, naer geruisch van bosch en stroomen,
    Gehuil, en hontsgebas, en starrewichlery,
    Noch acht geen nachtgespook, ook geene razerny
    Van offervinder, noch gezwets van guighelaeren.
    (590) Zoo schroomenze ook geen ramp, noch laeten zich vervaeren
    Om beuzelmerkten, daer bedrogh zijn logens vent:
    En uw Konfutius, gansch Sina door bekent,
    Beloegh deze ydelheên. hy plante goude zeden,
    Voor twintigh eeuwen op het lant, en in de steden.
    (595) d’Onfaelbre waerheit van ons heiligh wetboek vloekt
    De ziel, die troost en raet by vogelwichlaers zoekt,
[p. 21]
    Whizzing from afar out of the sky, shone, like a comet,
    And aused the head ornaments and crown to fall from the head to the ground with an awful noise
    (565) If Toangus were alive, experienced in astronomy,
    And astrology, he would reveal
    By what means one could avoid the arrow,
    Before the unexpected blow violated the sacred right to the crown.
Adam, And so your majesty is attacked from here and there.
Jas. (570) We saw many times the ageing augur,
    Startled before the altar, when he, troubled and subdued,
    Used his knowledge to rummage through the entrails and
    Examined the sacrificial entrails of swine and goat and cock.
    The dogs howl at night. There are ghosts along the backroads.
    (575) The ravens caw ominously. The ground of the earth trembles.
    Fog occludes the sun. All that breathes and lives,
    With soul or without, monsters on the beaches
    Indicate that a change of regime is at hand.
    Hung-wu’s dead spirit appeared to us at night, so it seemed.
    (580) We reached for the shadow, which ran through our fingers,
    In the middle of the dream. Let us hear what you
    Understand from these omens: what they communicate and indicate.
Adam. Most august Empress, Europe, enlightened
    From above, places no hope for well-being on the sight of spirits,
    (585) Soothsaying from the flight of birds, dreams and palmistry,
    Ominous rustling of forests and rushing of streams,
    Howling, and barking of dogs, and astrology,
    Nor does it heed spirits of the night, or lunacy
    Of the augur, nor the drivel of sorcerers.
    (590) So they fear no disaster, and are not alarmed
    About gossip markets, where deceit sells its lies:
    And your Confucius, known throughout China,
    Mocked this vanity. He planted golden morals,
    Twenty centuries ago on the land, and in the cities.
    (595) The infallible truth of our holy lawbook curses the soul
    That seeks comfort and advice amongst soothsayers,
[p. 22]
    Waerzeggers en gespook van geesten, streng veroordeelt.
Jas. Kunt gy dit sterken met een klaer bewijs en voorbeelt?
Adam. Een koning Saul, van dootvyanden bestreên,
    (600) Toogh buiten ’t leger ’s nachts naer ’s lants waerzeghster heen,
    Op datze een’ geest verwekte, om uit zijn’ mont te hooren
    Wat lot hem ’s andren daeghs van boven was beschoren.
    Zy wekte Samuël, een’ ouden godtsprofeet,
    Die uit der aerde rees, en in het lange kleet,
    (605) Hem spelde hoe hy op de lijken van dry zoonen
    Zou storten in het zwaert, versteeken van zijn kroonen.
    Toen wanhoop velt won, quam het naberou te spa.
    Die raet zocht buiten Godt, verviel uit Godts gena.
    Dees misdaet wert hem voor een dootschult aengerekent.
    (610) Vrees Godt alleen, die weet wat spoet of ramp betekent.
Jas. Daer komt de keizer, met den erfvorst Fungiang,
    Verbaest en schichtigh aen. wy mogen onzen gang
    Ter zijde neemen, om geen overlegh te stooren.
    Wy kunnen hun gesprek aen dezen pyler hooren.
[p. 22]
    Prophets and apparitions, which are strongly condemned.
Jas. Can you substantiate this with clear proof and example?
Adam. A king, Saul, assailed by arch-enemies,
    (600) Slipped outside the army camp at night to go to the only soothsayer in the land,
    Who could summon a spirit, from whose mouth could be heard
    What fate had been allotted to him from above on the following day.
    She awakened Samuel, an old prophet of God,
    Who arose from the earth, and in his long robe,
    (605) Prophesied to him how he, over the corpses of his three sons,
    Would die by the sword, deprived of his crown.
    When despair won the day, repentance came too late.
    The one who sought counsel beyond God, fell out of God’s mercy.
    This misdeed made him liable for punishment by death.
    (610) Fear God alone, who signifies fortune or misfortune.
Jas. Here comes the emperor, with crown prince Fungiang,
    Startled and nervous. We must take our place
    At the side, in order not to disturb their discussion.
    We can hear their conversation from this pillar.
                        Zungchin. Fungiang.
(615) HIer broeit een nachtverraet.
    Fun. de hemel breng ’t in ’t licht.
Zun. Dit lijdt geen uitstel, neen.    Fun. heer vader, lees het dicht.
Zun. Zie toe, het rijxhof staet op wankelbaere beenen.
    Zie toe, en wacht u voor vermomde hofbesneênen.
Fun. Waer vondt heer vader dit.    Zun. geslingert in ’t poortael.
    (620) De hant is onbekent.    Fun. verdaegh hen altemael,
    En monsterze op een ry, zoo kan zich geen beklaegen
    Dat hy uit achterdocht vervalt in ’t hoogh mishaegen
    Onnozel, zonder schult. een vroome blijft wel vroom.
    De schrik houdt weifelaers door onderzoek in toom.
    (625) De proef beschaemt geen trou, maer geeftze een’ klaerder luister.
Zun. Wie slimme gangen gaet blijft schuilen in het duister.
Fun. Men merkt in ’t monstren wie beteutert staet of niet,
    Wie stamelt in de spraek, wie zijne verf verschiet.
                        Chongzhen. Fungiang.

(615) HEre brews treason by night.
Fun. Let Heaven bring it to light.
Cho. There can be no delay, no.    Fun. My Lord and father, read this poem.
Cho. Take care, the imperial court stands on unsteady feet.
Take care for duplicitous eunuchs.
Fun. My Lord, where did you find this?    Cho. Tossed into the porch.
(620) I don’t recognize the hand.    Fun. Summon all of them.
    Line them up in a row, so none of them can complain
    That he is very displeased at being under suspicion,
    Whilst being innocent, without guilt. The innocent will always be innocent.
    Fear will keep waverers in check when they are inspected.
    (625) Testing does not offend faithfulness, but gives it a better sheen.
Cho. Whoever schemes remains hiding in the darkness.
Fun. When you examine people, you see who looks dismayed and who not;
    Who stutters in his speech, and who turns pale.
[p. 23]
    Men zieze hooft voor hooft vrypostigh onder oogen.
Zun. (630) Het hol van ’s menschen hart is ’t broeinest van de logen.
Fun. Het aengezicht, gelijk een spiegel van ’t gemoedt,
    Ontdekt door tekens wat in ’t harte wort gebroet.
    Uit veelen kan zich pas een eenigh schalk verbergen.
Zun. De kanker in den staet ten hove lijdt geen tergen.
Fun. (635) Een kanker in den staet dient tijdigh uitgesneên.
Zun. Men snijde ’t quaet uit, maer ontzie gezonde leên
    Aen ’t lijf te knotten, en neeme eerst volkome kennis.
Fun. Men sammelt veel te lang, wanneer de bitse schennis,
    Die worm, het hart bekruipt in ’t lichaem van den staet.
Zun. (640) Dat wort u toegestaen, maer eischt een rijp beraet.
Fun. Valt op Kolaüs, uw’ stadthouder, geen bedenken?
Zun. Wy schroomen zijne trou door achterdocht te krenken.
    Hy is de slaghpen, daer het gansche hof op drijft.
Fun. Men acht getrou die tot het endt stantvastigh blijft.
Zun. (645) Wat geeft u reden van bedenken of mistrouwen?
Fun. Men bezight amptenaers, doch magh ’er niet op bouwen.
Zun. Wat twijfel valt hier? hy bezweek in geenen noot.
Fun. Voorheene, maer nu staet gy voor den vyant bloot.
Zun. Zoo bloot niet of men kan een’ harden storm verduuren,
    (650) Indien de krijghsliên niet bezwijken op de muuren.
Fun. Een muur, tien schreden dik, die tusschen beide leit,
    Valt licht te sloopen. zulk een kleene ruimte scheit
    De vyanden en u. hy koome uw’ troon niet nader:
    De pylers wankelen. een eenigh hofverrader,
    (655) Van u gemaghtight om te heerschen en gebiên,
    En wienze, als eenen godt, naer mont en oogen zien,
    Behoeftze van ter zijde alleen een’ wenk te geven;
    De vyant zal terstont, daer ’t hapert, innestreven,
    En overloopenze al, gelijk een hooge vloet.
Zun. (660) Eer die stantvastige Kolaüs ons den voet
    Zou lichten, zal de dagh in duistren nacht verkeeren,
    De zon in duisternis, de draek venijn ontbeeren,
[p. 24]
    Kiang, de zoon der zee, opstreven tegens stroom.
    Wie los uit achterdocht met eenen lossen toom
    (665) Durf hollen over hooge en laegere amptenaeren,
    Beschaftze wettigh stof uit hunnen plicht te vaeren,
    En heul te zoeken aen een’ opgeworpen heer.
    Wat onbescheit is dit! zwijgh stil: geen woorden meer.
Fun. Heer vader, belgh u niet; ay luister. uit wiens koker
    (670) Quam zulk een lasterpijl, dan uit dien oproerstooker?
    Hier mompelde een gerucht door ’t hof, vol onbescheit,
    Hoe onder ’t hofgebrek alleen de gierigheit
    De gout- en geltzucht van den keizer, onberaeden
    En met geen schattingen te stoppen noch verzaeden,
    (675) Een eenige oirzaek was, al klonk dees naklank valsch,
    Dat Sina zulk een storm van jamren op den hals
    Quam storten, duizenden van d’oude trou veraerden,
    En overliepen by geheele veltstandaerden,
    Behalve weinigen, besneên en Mandarijn,
    (680) Die noch volharden, naer den uiterlijken schijn,
    En heimlijk letten of ’t verraet begint te rijpen,
    De hulk van ’t hof geraekt aen ’t overslaen en gijpen,
    Om dan den oversprong te waegen buiten last.
    Begon heer vader nu ’t momaenzicht van dien gast
    (685) Te lichten, strax zoude u de tronie openbaeren
    Wie ’t opperhooft is der vermomde weifelaeren.
Zun. Geen reden houdt de tong der reukelooze jeught
    In toom. het lasteren van ongekrenkte deught
    Beneemt de deught den moedt een’ rijxstorm uit te harden,
    (690) Die al wat tegenstaet aen slenters scheurt en flarden.
    Waer loon ontbreekt, daer wort het weifelen verschoont.
    Kolaüs is te rijk voor zijnen dienst beloont,
    En durf zich zelven, by verandering van heeren,
    Al quamenze over ons door hem te triomfeeren,
    (695) Geen zegenrijker loon beloven. laet dan af
    Te schenden zulk een’ helt, die noit ons reden gaf
[p. 25]
    Te twijflen aen zijn trou: of smolten alle vroomen,
    Zoo staenwe op lossen gront, en ’t is hier omgekomen.
Fun. Heer vader, spreek met Us, den grooten kantzelier.
    (700) Ik hael dien ouden, en vertrek terwijl van hier.
    Daer nadert hy van pas. de vader kan hem hooren.
    Ik ga eens luisteren ten transse uit van den toren.
    De cedel waerschuwt u voor aenstaende ongemak.
    De weiflaers schuilen in de schaduw van dit dak.
[p. 23]
    Let us inspect them one by one without holding back.
Cho. (630) The hollow of the human heart is the breeding ground for lies.
Fun. The face, like a mirror of the emotions,
    Reveals by signs what is hatched in the heart.
    Only one rogue can hide himself amongst many.
Cho: The cancer in the state can bear no goading at the court.
Fun. (635) A cancer in the state has to be removed in a timely manner.
Cho. Let us cut out what is bad; but be careful not to cut out healthy limbs
    From the body, and avail yourself of all the facts.
Fun. We tarry far too long, when savage destruction,
    That worm, creeps into the heart in the body of the state.
Cho. (640) I grant you that, but it requires serious deliberation.
Fun. Have you no reason to suspect Guolao, your regent?
Cho. We are afraid of offending his allegiance through suspicion.
    He is the pinion, on which the whole court is floating.
Fun. We only consider trustworthy the one who remains loyal to the end.
Cho. (645) What gives you reason for suspicion or mistrust?
Fun. We employ officials, but cannot rely on them.
Cho. What doubt is there here? He has never given way in the face of any trouble.
Fun. In the past, but now you are exposed to the enemy.
Cho. Not so exposed that we can’t endure a violent assault,
    (650) As long as the soldiers do not give way on the walls.
Fun. A wall, ten paces thick, which separates one from the other,
    Is easy to demolish. Such a small distance separates
    The enemies from you. Don’t let him come any closer to your throne:
    The pillars totter. One sole traitor in the court,
    (655) Empowered by you to rule and command,
    And whose eyes and mouth they look at like those of a god,
    Has only to give them a nod on the sly:
    The enemy will enter by force immediately, where the defences are weak
    And overcome them all, like a high flood.
Cho. (660) Before that steadfast Guolao will unseat us
    The day shall turn to dark night,
    The sun to darkness, the dragon shall be poisonous no more,
[p. 24]
    Jiang, the son of the sea, will run upstream.
    Whoever, out of suspicion, dares to run
    (665) Unbridled over high and low officials,
    Provides them with lawful reason to shun their duties
    And seek shelter in someone who sets himself up as a new ruler.
    Oh what stupidity! Be quiet: no more words.
Fun. My Lord, don’t be angry. Oh, listen, from whose quiver could such a slanderous
    (670) Arrow come, other than from that of this provocative troublemaker?
    A rumour did the rounds at court, lacking discernment,
    As to how in the situation of imperial hardship, the miserliness
    And desire of the emperor for money and gold, ill-advised
    And neither stopped or sated by any tribute,
    (675) Was the only reason, although this rumour sounded wrong,
    That such a storm of calamities could come crashing down
    On the shoulders of China; thousands reneged on their old loyalty,
    And defected in whole regiments,
    Save a few people, eunuchs and Mandarins,
    (680) Who still persevere, as it appears from the outside,
    And surreptiously observe whether the treason begins to grow;
    Whether the ship of the court begins go off course and to jibe,
    In order to shift allegiance with no discomfort to themselves.
    If my Lord would now begin to remove the mask of that fellow,
    (685) Then his face would soon reveal to you
    The identity of the leader of the waverers in disguise.
Cho. No reason can keep the tongue of reckless youth in check.
    Slandering the untainted virtue takes away from virtue
    The courage to endure violence against the state,
    (690) Which rips up and shreds all that opposes it.
    Where reward is lacking, waverers are given an excuse.
    Guolao has been paid too handsomely for his services,
    And does not dare to pay himself more money,
    If there is a regime change, even if they were to triumph
    (695) Over us thanks to him. Stop then
    From blackening the name of such a hero, who has never given us reason
[p. 25]
    To doubt his loyalty: and if all the loyalists were to succumb,
    Then we would stand on weak ground, and all would be lost.
Fun. My Lord, speak with Us, the High Chancellor.
    (700) I shall fetch that old man, and depart in the meantime from here.
    There, he’s approaching right on time. The father can hear him.
    I shall go to listen from the battlements of the tower.
    The poem warns you about approaching disaster.
    The waverers hide in the shadow of this roof.
                            Zungchin. Us.
(705) AErtskantzelier, nu lees dees cedel, strax gesmeeten
    In ’t hofpoortael.    Us. wat ’s dit? de schrijver heeft vergeeten
    Zijn’ naem te tekenen.    Zun. dat was hem ook geraên.
Us. De dichter waerschuwt u.    Zun. hy tast de grooten aen.
Us. Wat middel vint men best om deze hant te kennen?
Zun. (710) De schrijfkunst zweeft te wuft op allerhande pennen.
    De hant valt zomwijl in het schrijven ongelijk.
    Elk kent zijn eige hant.    Us. een al te donkre blijk
    Om uit de letteren des schrijvers naem te spellen.
    Men kan een anders hant naerbootsen, of misstellen
    (715) Met eene quaede pen: zoo slaen de raeders mis.
    In zulk een halszaek durf geen rechter by de gis
    Een’ man betighten door een reukloos onderwinden.
    Wy staen voor dit geschrift verstomt, als ziende blinden.
    Wat oordeel gaf de prins van dit gestroide vaers?
Zun. (720) Hy starooghde eerst een poos, en stampte met de laers
    Wel drywerf op den vloer, en schudde hooft en lokken,
    Gelijk een jonge leeu allengs begint te wrokken,
    Van spijt geterght. hy sloegh zijn blikken heene en weêr
    En stapte, ontsteeken van een’ gloet, vast op en neêr.
Us. (725) Dat ’s edelmoedigheit, een aert van zijn’ heer vader.
    De zoon is hem geheel gelijk, en niemant nader.
    Wat sloot d’eêlmoedige te werken op dees stof?
Zun. Te monstren, hooft voor hooft, de grooten van het hof,
[p. 26]
    En met een snedigh oogh te zoeken eenigh teken,
    (730) Een blijk, ontdekkende dit nest der hofgebreken.
Us. Dat inzicht was niet vreemt, noch ongeraên voor ’t rijk.
Zun. En schoon ’t geraeden waer, het is te zorgelijk.
Us. Wat docht hem endelijk in ’t scheiden best geraeden?
Zun. Hy hadde het op den stadthouder fel geladen.
Us. (735) Kolaüs? neen hy is des keizers trouste vrient,
    En heeft noit achterdocht gegeven noch verdient.
    Het moght hem faelen aen zijn oordeel, in ’t bestieren,
    Den oorloghstoom te kort aenhaelen, ofte vieren
    Te lang en al te ruim: maer willens wetens zou
    (740) Het nimmer haperen aen ’s mans beproefde trou.
    Hier eens aen twijfelen, dat waer den dootsteek geven
    Dien dapperen, getroost al stervende te streven
    Ter eere van uw staet, en keizerlijke kroon.
    De vader overzie dien misslagh in den zoon.
Zun. (745) Wy mogen door dit vaers ons dan gewaerschuwt achten:
Us. En scherper passen op ’t veranderen der wachten,
    Alle uuren, langer niet, verandren van het woort,
    De ronden gaslaen, langs den muur, en aen de poort.
Zun. Het is de vierde nacht, dat wy met raet en orden,
    (750) Om van krijghsoversten niet loos misleit te worden,
    Voorzichtigh zelfs den muur bezichtighden in ’t ront;
    Hoe ’t met kortouwen, en de wacht geschapen stont;
    Hoe elk zijn’ hoefslagh, hem gezet, alom bewaerde.
    Wy telden hooft voor hooft te voet, en ook te paerde,
    (755) Belasten d’ampten zich te quijten vroegh en spa,
    Om niet te vallen in des keizers ongena:
    Doch nergens vont men daer het minste op viel te spreeken.
Us. Waer ’t oogh des keizers waekt wort geene kans verkeeken.
    Zelf voortreên, leert den knaep navolgen ’s meesters spoor.
    (760) Ik viel noch daetelijk op d’aerde met mijn oor,
    En luisterde heel scherp, om eene lucht te scheppen,
    Aen vier gewesten, wat zich roeren moght of reppen,
[p. 27]
    Maer hoorde geen gewagh. de wagen van den nacht
    Rolt steiler neêr, voorby de derde starrewacht.
    (765) Uw majesteit magh vry op mijne toezicht rusten.
Zun. Hoe past het slaepen, en wat slaepen zou hem lusten,
    Die zulkeen’ vyant voor de poorten ziet in ’t velt?
    Een openbaere zee van roofzucht en gewelt
    Komt bruizen naer Peking, om vraetigh in te slikken
    (770) Een schatkist, daer de balgh des afgronts aen zou stikken,
    Een schatkist, jaeren lang inzwelgende onverzaet
    Wat zulk een hofprael eischt, ten steun van onzen staet,
    Geheele stroomen gouts, en onwaerdeerbre tollen.
    De roover, om het heir, dus vreesselijk aen ’t hollen,
    (775) Noch aen te prikkelen, zwoer by zijn’ tullebant
    En heirbijl hun Peking en dit wijdtstrekkend lant
    Ten roof te schenken, zoo zy ’s keizers poort oprammen.
    Gedenk gedenk eens hoeze op zulk een’ vrybuit vlammen.
    Peking, met zonnegout en diamant gekranst,
    (780) Is deze schoone bruit, daer ’t al om juicht en danst.
Us. Z’is voor dien schender en schoffeerder niet geschapen.
    Hy zalze dezen nacht niet reppen noch beslaepen.
    En of men tijdigh hem misleide door verdragh,
    Behoudens d’eer van uw grootmaghtighste gezagh?
Zun. (785) Wat middel dunkt u waer de raetzaemste en de beste?
Us. Lykungzus voere ’t heir een daghreis van dees veste,
    Om tusschen beide op ’t velt de tenten op te slaen,
    En blank in ’t harrenas, van weêrzijde af en aen,
    Voorwaerden van verdragh eendraghtigh in te stellen.
    (790) Gy most den hollen buik der hoofden en kornellen
    Uit uwe schatkist milt opvullen tot de keel.
Zun. Zy slikten heel Peking, tot slissing van ’t krakkeel,
    Al wat men schraepen kon met graven en met delven
    Uit dertigh rijken, zoo veel kelders en gewelven,
    (795) Van zilver gout en zijde en diamant verkropt.
    De balgh des gierigaerts wort met geen gout gestopt.
[p. 28]
    Veel jaeren schattingen, met rijk gelade jonken
    Door Yo naer dit hof gevoert, of ons geschonken
    Van onderkoningen, vrywilligh af te staen;
    (800) Dat koelt geen roofkoorts, neen, maer steekt de roofkoorts aen.
    Den gouden sleutel van ons schatkist hem te geven!
    Wy scheiden liever, blank in ’t harnas, van ons leven.
    Het hart des keizers leght begraven in het gout.
Us. Gy kunt het derven.    Zun. neen, zoo weinigh als het zout.
    (805) De schatkist moet den krijgh, gelijk een zenuw, stijven:
    En stont menze af, wie zou een roovers waerborgh blijven,
    Dat hy, na d’overgift, het heir afdanken zou?
Us. Eisch duizent gyzelaers, ten onderpant van trou.
Zun. Geen vaster gyzelaers dan klinkende metaelen.
Us. (810) Wie komt hier schichtigh van den hoftrans nederdaelen?
    Wat maere of Fungiang den vader brengen wil?
                            Chongzhen. Us.
(705) High Chancellor, now read this poem, which has just been flung into the main gateway.
Us. What is this? The author has forgotten to sign his name.
Cho. That was the best thing for him to do.
Us. The author warns you.    Cho. He attacks the nobles.
Us. What is the best way to find out who wrote this poem?
(710) Cho. Handwriting is floating too capriciously on various quills.
    People’s handwriting changes from time to time.
    Everyone knows his own handwriting.
Us. That’s hat’s a poor way of working out the name
    Of the person who wrote these characters.
    You can imitate someone else’s handwriting, or write badly
    (715) With a malevolent pen: which will put investigators off the scent.
    With such a capital offence, no judge would dare to accuse a man
    With guesswork, based on a reckless assumption.
    We don’t know what to say about this writing; we use our eyes like blind people.
    What did the prince make of this verse tossed away?
Cho. (720) He gazed for a moment, and stamped on the ground
    Three times with his boot, and shook his head and locks,
    Like a young lion gradually begins to get angry,
    Provoked by sadness. He threw glances here and there,
    And continually paced up and down, incited by a fever.
Us. (725) That is noble-heartedness, a trait of his noble father.
    No-one is more like his father than the son.
    How did the noble-hearted man decide to proceed with this matter?
Cho. By examining all the nobles of the court, one by one,
[p. 26]
    And with an eagle-eye to seek out signs,
    (730) A proof, uncovering this nest of misdemeanours at the court.
Us. That position is neither strange, nor unadvisable for the kingdom.
Cho. And even if it were advisable, it is too distressing.
Us. What did he think, finally, was most advisable as he left?
Cho. He was very suspicious of the regent.
Us. (735) Guolao? No, he is the emperor’s most trusted friend,
    And has never given cause for suspision or earned it.
    He may have failed in his judgement, in governing,
    When he made the reins of war too short, or slackened them
    For too long a time: but there would never be
    (740) An intentional hindrance to this man’s proven faithfulness.
    To doubt at all would be to inflict the deathblow
    On this hero, comforted in order to fight unto death
    For the honour of your empire, and imperial crown.
    The father should overlook the son’s error of judgement.
Cho. (745) In any case, we must cautiously take heed of this verse:
Us. And we must pay greater attention to the changing of the guards,
    To the changing of the password, every hour, and not a moment longer,
    To watching the guards, who do the rounds, along the wall and at the gates.
Cho. This is the fourth night, that we with consultation and regularity,
    (750) Have been cautious enough personally to inspect the wall ourselves,
    So that we are not deceitfully misled by the commanders;
    To see how things were with the cannons, and the watch;
    How every soldier took care of the post assigned to him at all times.
    We counted the infantry and the cavalry one by one,
    (755) Ordered the officers to fulfil their duty early and late,
    So as not to incur the emperor’s wrath:
    But nowhere did anyone find the slightest reason to be critical.
Us. Where the eye of the emperor watches, no chance is missed.
    Being an example oneself teaches the apprentice to follow in his master’s footsteps.
    (760) I put my ear to the ground just now,
    And carefully listened, to detect
    From all four directions, what might be stirring or moving,
[p. 27]
    But did not hear any noise. The chariot of the night
    Rolls downwards quickly, after the third nightwatch.
    (765) Your majesty may freely rest on my vigilance.
Cho. How can someone sleep, and what sleep can he enjoy,
    If he sees such an enemy at his gates, ready for battle?
    An open sea of rapaciousness and violence
    Comes seething towards Beijing, gluttonously to swallow
    (770) A treasure chest, which would suffocate the belly of the abyss,
    A treasure chest, for years insatiably guzzling
    Whatever such courtly magnificence desires, to support our state,
    Whole streams of gold, and priceless tribute.
    The robber, in order to spur on the army,
    (775) Rampaging terribly, swore by his turban
    And martial axe that he would grant them Beijing and that extensive land as booty,
    If they would burst open the imperial gates.
    Just imagine, imagine how they are obsessed by such free booty.
    Beijing, adorned with gold and diamond,
    (780) Is this beautiful bride, around whom everyone rejoices and dances.
Us. She was not created for this desecrator and violator.
    He will neither touch her nor sleep with her tonight.
    And if we were to mislead him for a short time with a treaty,
    Preserving the honour of your most powerful authority?
Cho. (785) What means do you think would be most advisable and best?
Us. Let Li Zicheng move his army, a day’s journey from this fortress,
    To erect tents between us and the enemy on the field,
    And bright in armour, with give and take on both sides,
    Harmoniously to determine the conditions of the treaty.
    (790) You must liberally fill the empty stomachs of the chiefs and colonels
    Up to the throat from your treasure chest.
Cho. They would swallow all of Beijing, in order to put an end to this quarrel;
    All that we could scrape together by digging and mining,
    From thirty provinces, so many cellars and vaults bursting with
    (795) Silver, gold and silk and diamond.
    The belly of the miser is stuffed with no gold.
[p. 28]
    The voluntary handing over of the tribute of many years,
    Transported by richly-laden junks to the court on the Yongding,
    Or presented to us by viceroys:
    (800) That quells no fever for robbery, but, rather inflames it.
    Surrendering the golden key of our treasure chest to him!
    We would rather part with our lives, in shining armour.
    The heart of the emperor lies buried in the gold.
Us. You could do without it. Cho. No, I need it as much as salt.
(805) The treasure chest must strengthen the war, like a nerve
    And if we were to surrender it, who would guarantee that the robber,
    After the surrender of the booty would demobilize the army?
Us. Demand a thousand hostages as a pledge for loyalty.
Cho. There are no more unwavering hostages than clinking coins.
Us. (810) Who hastily descends the court gallery?
    What news does Fungiang bring his father?
                        Fungiang. Zungchin. Us.
WY hooren geen gewagh. de nanacht zwijght zoo stil,
    Dat al de wachters, op den porceleinen toren,
    Geen mompelen in stadt, geen bladers ruischen hooren
    (815) Rondom den boomgaert. is ’t geen teken dat de haet
    Behendigh toeleght op een gruwelijk verraet?
    Men zoude uit deze kalmte een’ rijxorkaen vermoeden,
    Het geeft bedenken datze een onweêr uit wil broeden.
    Heer vader, laetme toe, aen dien of dezen oort
    (820) Te gaen naerspooren, op de merkt, of aen de poort,
    Hoe ’t sta geschapen, eer het onweêr op moght komen.
Zun. Wy hebben kennis van geschut en volk genomen,
    En stadts gelegenheit, een dagh of dry geleên.
Fun. Wat kunnen schelmen in dry dagen tijts niet smeên!
    (825) De vyant staet niet stil. een oorloghskans verandert,
    In eenen oogenblik, van aengezicht en standert.
Zun. Wanneer twee heiren schrap, en tegens een gekant,
    Zich mengen onderling, en kampen hant aen hant,
[p. 29]
    Dan moet de zwakste in ’t velt den allersterksten wijken:
    (830) Dan gaet de sterkste met dien roof en zege strijken:
    Nu duikenwe gerust en schootvry zonder noot,
    In een bemuurde stadt: dat onderscheit is groot.
Fun. Heer vader, ik geloof zy leggen toe uit laegen
    U op te koomen, eer het licht begint te daegen.
    (835) Vergunme buiten ’t hof eens kennis van den staet
    Te neemen.    Us. zou de prins rinkinken by de straet,
    Een oir en erfgenaem van duizent vorstendommen
    Zich waegen by de maen en maeneschijn te mommen,
    Daer hem een onverlaet bejegent in der yl,
    (840) Of ergens by geval een kaisteen of een pijl,
    In ’t wilt gevlogen, ’t is gebeurzaem, quaem te grieven?
    De vader volge vry zijn inzicht en believen;
    Wat my belangt, my gruwt. ik sta het geensins toe.
Fun. Men houde uwe ydle vrees den ouderdom te goe.
Zun. (845) Dat is geen suffers raet. veel nutter hier gebleven.
Fun. Heer vader, gunme toch ter hofpoorte uit te streven.
    Mijn geest getuight niet goets van deze stille vlaegh.
Zun. Vertoef, mijn zoon: gedult, tot dat de morgen daegh.
Fun. Mijn onrust lijdt niet hier een oogenblik te toeven:
Zun. (850) Gy wilt uw vaders hart ontstellen en bedroeven.
Fun. Ik wil het veiligen voor onraet en gevaer.
Us. Men stuure een’ andren heen. doorluchtste prins, bedaer.
    De hofpost zal terstont gewisse tijding brengen.
Fun. Indien zich weifelaers in dezen handel mengen,
    (855) Mooght gy den hofpost niet betrouwen by zijn woort.
Us. Men opent in den nacht den vyanden geen poort.
Fun. Daer trou op schiltwacht staet, van geene gunst te krenken.
    Nu waerschuwde ons dit vaers het erghste na te denken.
Zun. Verkies dan uit het hof den trousten amptenaer.
Fun. (860) Ik ben de trouste, en wil, gelijk een hofpylaer,
    Den rijxtroon stutten. men betrou geen ronde of wachter.
    Broet hier verraet, ik wil ter sluik en stil van achter
[p. 30]
    De schelmen naertreên, en betrappen op de daet.
Us. Zoo een verraeder zich verweert, u steekt of slaet,
    (865) Bekent of onbekent, hoe zal men d’opspraek paeien?
    Hoe wil uw doot door twee-endertigh rijken kraeien?
    Hoe zou men dit vergrijp verdaedigen? geen wet
    Gedooght dat ik den prins in ’s levens waeghschael zett’.
    De rijxwet stelde my en andren tot uw hoeders.
Fun. (870) Al sneefde Fungiang, noch leven bey zijn broeders,
    Om vaders stoel te kleên, en d’oude heerschappy.
Us. Het wettigh voorrecht eischt den outsten van de dry
    Ten troon te klimmen, tot verdaediging der wetten.
Fun. Het eischt dan datwe d’eerste op ’s rijx beschutting letten:
Us. (875) Met reden, doch geensins door reukeloos bewint.
    Het sta aen vader, zoo hy dit geraeden vint.
Fun. Gy pijnight vader met zwaermoedige gepeinzen.
Us. Ik openbaer mijn hart vrymoedigh, zonder veinzen.
Fun. Uw zorgen zien te verre, en suffen zonder last.
Us. (880) Zy zien te verre, indien dees voorzorgh ons niet past.
Fun. Heer vader, geef verlof: men magh niet langer beiden.
Zun. Zoo most een sterke drom van riddren u geleiden.
Fun. My dient geen stadtgerucht, maer met een stille trom
    Te vliegen naer de poort op kuntschap, en voor mom.
    (885) Zoo moet men rijxverraet opkomen, en ontdekken.
Us. Waer ’t ongeraên een’ storm van onraet op te wekken,
    Met keteltrommelen, klaeroen en hoftrompet,
    Geklep van klokken, als in ’t wilt en zonder wet,
    Getoet van hoornen, uit vier hoeken van de poorte,
    (890) Om deze misdraght van verraet in haer geboorte
    Te smooren, ’t zy hier hof of stadt van zwanger gaet?
Zun. Een’ loozen wapenklank opwekken eischt beraet.
    Het heeft zijn zwaericheit niet kleen van wederzyen,
    En kon tot heil der stede of ’s rijx bederf gedyen,
    (895) Naer d’ongelijkheit van een ieder opgevat,
    Of recht of averecht; en misverstant in stadt
[p. 31]
    By trouweloozen en getrouwen teffens baeren.
Fun. Heer vader, geef verlof, om tijdigh voort te vaeren,
    En zegenme, zoo rukke ik stewaert in van ’t hof.
Zun. (900) Trek heen, en keer terstont: wy geven u verlof.

Fungiang. Chongzhen. Us.
WE hear no noise. The latter part of the night is so silent,
    That all the sentries, on the porcelain tower,
    Hear no murmering in the city, no leaves rustling
    (815) Around the orchard. Isn’t that a sign that hatred
    Skillfully intends horrible treachery?
    You would expect an imperial hurricane from this calm,
    It gives rise to the suspicion that she wants to hatch a hurricane.
    My Lord,, allow me to investigate in this or that place
    (820) In the market or at the gates,
    What the situation is, before the thunderstorm approaches.
Cho. We acquired knowledge about artillery and people,
    And the situation in the city, about three days ago.
Fun. What can rogues not forge in three days!
    (825) The enemy does not keep still. The fortunes of war change
    In a second, in countenance and standard.
Cho. When two armies take position, set against each other,
    Join battle and fight hand to hand
[p. 29]
    Then the weakest on the field must yield to the strongest:
    (830) Then the strongest goes off with its booty and is proud of its victory:
    Now we take cover in peace and scot-free without danger,
    In a walled city: that difference is great.
Fun. My Lord, I believe they lie in ambush
    To attack you, before day begins to break.
    (835) Permit me to acquire knowledge of the state outside the court.
Us. And if the prince, the heir and inheritor of a thousand kingdoms,
    Were to walk noisily about the streets,
    Venturing to roam around in disguise under the moon and the moonlight,
    Where a miscreant might soon come across him,
    (840) Or somewhere by chance a cobblestone or an arrow,
    Shot at random - and that’s quite possible - were to hurt him?
    Let the father freely follow his insight and preference.
    But as far as I’m concerned, I abhor it. I cannot consent to it.
Fun. Let your groundless fears be ascribed to your old age.
Cho. (845) That is no advise of an old codger. It is more expedient to stay here.
Fun. My Lord, permit me at least to go outside the gates
    My conscience feels nothing good at this silent interlude.
Cho. Stay, my son: Be patient until the morning dawns.
Fun. My turmoil does not allow me to suffer one more moment here:
Cho. (850) You want to disconcert and sadden your father’s heart.
Fun. I want to protect it from threats and danger.
Us. Let us send someone else. Most esteemed prince, be calm.
    Our messenger will soon bring certain news.
Fun. If the waverers have their hand in this affair
    (855) You should not trust the word of the messenger.
    Us. You will open no gate to the enemy at night.
Fun. Only if loyalty itself stands guard, incorruptible by any favour
    Now this verse has warned us to think the worst.
Cho. Then choose for yourself from the court, the most trustworthy official.
Fun. (860) I am the most trustworthy, and will, like a pillar of the court
    Shore up the imperial throne. Let them trust no guard or keeper.
    If treachery brews here, I will sneak up silently on the rogues
[p. 30]
    From behind, and catch them red-handed.
Us. If a traitor, to save himself, stabs or strikes you
    (865) Known or unknown, how should we gain redress from the scandal?
    How the rumour of your death permeate will 32 provinces?
    How should one justify this offence? No law would
    Tolerate me putting the prince in the scales of life.
    The statute law appointed me and others to be your guardians.
Fun. (870) If Fungiang were to die, then both his brothers would still be alive
    To grace father’s throne and the old dominion.
Us. The legal privilege demands that the oldest of the three
    Ascends the throne, to defend the laws.
Fun. It demands then that we first of all watch over the defence of the kingdom:
Us. (875) With reason, and yet in no way by reckless enterprise.
    Let it be up to your father, as to what he deems advisable.
Fun. You torment father with melancholic musings.
Us. I open up my heart candidly, without pretence.
Fun. Your anxieties are excessive and create problems without reason.
Us. (880) My anxieties would go too far, if this precaution were not suitable for us.
Fun. My Lord, give me leave: we can tarry no longer.
Cho. Then a strong band of knights should accompany you.
Fun. It will do me no good to make noise in the city, so I shall go with a quiet band
    To the gates, to gather information by stealth.
    (885) We must discover and attack betrayal of the empire.
Us. Would it be so inadvisable to stir up a storm of trouble,
    With timbals, clarions and trumpet,
    The peal of bells, as if at random and without rules,
    The toot of horns, from the four corners of the gateway,
    (890) In order to smother this miscarriage of treachery at its birth,
    With which the court or city is pregnant with?
Cho. Raising a false alarm demands deliberation.
    Its problems are not small for either side
    And could bring salvation to the city or cause the empire’s demise,
    (895) Perceived by everyone very differently,
    Either rightly or wrongly; and cause misapprehension in the city
[p. 31]
    Amongst the disloyal and loyal alike.
Fun. My Lord, permit me to take leave quickly,
    And bless me as I march into the city from the court.
Cho. (900) Then depart and return quickly: We give you leave.
            REY VAN PRIESTEREN.

                            I. ZANG.

        Gelukkigh Asie, betreden
        Van Godt, den hovenier in Eden,
            En engelen, en Godt den zoon,
        Gy zijt het grootste van dry deelen
        (905) Der aerde, en onder lantjuweelen
            Spant gy met reden d’eerste kroon:
        Doch aen den ring der landeryen
        Van twee-endertigh heerschappyen
            Is Sina d’eedle diamant,
        (910) Die goddelijk in d’oogen flonkert,
        En alle uitsteekentheên verdonkert,
            Gelijk een onwaerdeerbaer pant.
        Al wat den eersten mensch bejegent,
        In ’t paradijs, zoo rijk gezegent,
            (915) Dat vloeit u toe uit ’s hemels schoot.
        Gy zijt het hart, dat ziel en leven
        Aen alle uw medeleên kunt geven,
            Ten schimp en uitstel van de doot.
        Elk lantschap draeght zijn vrucht en naemen:
        (920) Gy vatze in eenen bondel t’zamen.

                    I. TEGENZANG.

        Natuur, om uw geluk te waeren,
        Omheinde, ô Sina, u met baeren,
            Steenrotsen, plaeten, drooghte en bank,
        Of met geberghten, bosch, en wouden,
[p. 32]
        (925) Of gulle zantzeen voor mistrouden,
            En wildernissen, breet en langk:
        Doch toen natuur, vol wonderwerken,
        Verzuimde in ’t noorden u te sterken,
            Voltrok de kunst wat haer ontbrak,
        (930) En boude, om u in noot te troosten,
        Den muur van ’t westen tot in ’t oosten,
            Een borstweer tegens ongemak.
        Tienhondertduizent mans bevrijden,
        Ten trots van al die ’t rijk benijden,
            (935) Dien muur, vijfhondert mijlen lang:
        Waerna zomwijl Sineesche steden
        Door ’s Tarters inbreuk schade leden,
            Geschonden van uitheemschen dwang,
        Tot dat Taiminga wiert verheven.
        (940) Men wensch’ zijne afkomst lang te leven.

                            II. ZANG.

        Maer schoon, van ’s Tarters juk ontslagen,
        En vry van buitenlantsche plaegen,
            De rijxmuur dicht gesloten blijft,
        Wat baet het, nu d’inheemsche wrokken
        (945) ’s Rijx vruchtbren bodem overtrokken,
            En roofzucht haeren moedtwil drijft.
        De steden treuren al t’elendigh,
        En quijnen aen een koorts inwendigh.
            Het bloet, in d’aderen verrot,
        (950) Verwekt een’ brant van hofgebreken,
        Die ’t rijk naer ’t hart te vinnigh steeken.
            Aen krachten is geen overschot.
        Wat uitkomst kunnenwe ons beloven,
        Ten zy een hooger hant van boven
            (955) Den staetarts helpe alle oogenblik,
        Nu d’artsenyen niet vermogen
[p. 33]
        De slagh der hartaêr opgetogen
            Ons waerschuwt met den jongsten snik.
        Het hooft lijdt van verrotte leden.
        (960) Men hadze nutter afgesneden.

                    II. TEGENZANG.

        Aertsherder, troost verstroide lammeren,
        Beschut de zielen, die nu jammeren,
            d’Onnooslen voor het wolfsgebit,
        En wolven, die in ’t schaepskleet duiken.
        (965) Het is geen tijt het oogh te luiken.
            Gy hoort hoe u de kudde bidt.
        Bescherm Taimingaes eedle loten,
        Die ’t hof van Sina, toegesloten
            Voor alle uitheemschen en het kruis,
        (970) Eerst openden voor uw standaerden,
        Uwe eer hanthaefden en bewaerden,
            Ten schimp van afgodistgedruisch.
        Bescherm uw planten, teêr in ’t bloeien,
        Op datze in kracht en sterkheit groeien,
            (975) En vruchten draegen op haer tijdt.
        Een hagelbuy, met recht te schromen,
        Dreight uit de lucht ons op te komen,
            Die hof en hoop ter aerde smijt.
        Bescherm den bloesem van uw hoven,
        (980) Op datwe u met gezangen loven.

            CHORUS OF PRIESTS.

                    I. STROPHE.

        Happy Asia, trodden by God,
        The gardener of Eden,
            And angels, and God the son,
        You are the greatest of three regions
        (905) Of the earth, and among majestic lands
            You, with reason, wear the best crown:
        But on the ring of the lands
        Of thirty-two dominions,
            China is the noble diamond,
        (910) That sparkles divinely in the eye,
        And makes all brilliant things dark,
            Like a priceless pledge.
        All that the first man was given
        In paradise, so richly blessed,
            (915) Flows to you out of heaven’s lap.
        You are the heart, that can give life and soul
        To all your fellow-members,
            Which derides and delays death.
        Every piece of land bears its fruit and their names:
        (920) You hold them together in one bundle.

                    I. ANTISTROPHE

        Nature, to protect your good fortune,
        Surrounded you, o China, with waves,
            Rocks, plateaux, desert and shore,
        Or with mountains, forest and woods,
[p. 32]
        925) Or seas of shifting sands against the disloyal,
            And wildernesses, broad and long:
        But when nature, full of miracles,
        Failed to strengthen you in the north,
            Art completed what nature could not,
        (930) And built, to console you in need,
        The wall from the west to the east,
            A rampart against misfortune.
        Ten hundred thousand men,
        To defy all who envied the empire,
            (935) Defended the wall, five hundred miles long;
        Later, from time to time, Chinese cities
        Suffered losses from Tartar incursions,
            Damaged by foreign force,
        Until Tai-Ming was raised to the throne.
        (940) Let’s wish his descendants longevity.

                    II. STROPHE.

        But although, free from the yoke of the Tartar,
        And free from troubles from abroad,
            The imperial wall remains tightly closed,
        What is the advantage, now that internal feuds
        (945) Have overrun the empire’s fertile lands,
            And plundering drives her wantonness.
        The cities lament all too miserably,
        And languish from a fever within.
            The blood, lying rotten in the veins,
        (950) Stirs up a fire of treacherous acts in the court,
        Which thrust too sharply into the heart of the empire.
            There are no forces left.
        What outcome can we promise ourselves,
        Unless a higher hand from above
            (955) Helps the doctor of the state at all times,
        Now that medicines are to no avail
[p. 33]
        And the beating of the main artery, now extinguished,
            Warns us with its last breath.
        The head suffers from festering limbs.
        (960) It would be better to amputate them.

                    II. ANTISTROPHE.

        Great Pastor, comfort the lambs, which have gone astray,
        Protect the souls that now whine,
            The innocent from the jaws of the wolf,
        And wolves, that hide in sheep’s clothing.
        (965) This is not the time to shut your eyes.
            You hear how the flock beseeches you.
        Protect Tai-Ming’s noble offspring,
        Who, when the court of China was closed to
            All foreigners and the cross,
        (970) First opened it to your standards,
        Maintained and preserved your honour,
            To the derision of the noise of idolatry.
        Protect your plants, tender in their growth,
        So that they may grow in power and strength,
            (975) And bear fruits at the right time.
        A hailstorm, rightly to be feared,
        Threatens to attack us from the skies,
            Smashing court and dashing hope to the ground.
        Protect the blossoms of your gardens
        (980) So that we may praise you with songs.

Continue

HET VIERDE BEDRYF.

Pao. Iasmijn. Adam.

ACT FOUR.

Bao. Jasmine. Adam.

HOe dus, vrou moeder? hoe? gy schreit uwe oogen uit,
    Ziet root bekreeten. och verwek geen hofgeluit
    Met handenwringen. staek dit ongeduldigh kermen.
Ias. Och dochter, och wat raet? wie zal dit rijk beschermen,
[p. 34]
    (985) En ons en u? hael Schal, mijn’ allertrousten raet.
Pao. Daer komt de vader aen.    Jas. in welk een’ droeven staet
    Vermaent de hooge noot noch troost by u te zoeken?
    Getrouwe vader, och hoe dreigen duizent vloeken
    Het hof te treffen! och waer blijft de prins, de zoon,
    (990) Hanthaver en pylaer van zijn heer vaders troon?
Adam. Genadighste mevrou, brogt iemant quaede maeren?
Jas. Geen maeren.    Adam. waerom wiltge ontijdigh u bezwaeren?
    Verwacht den blijden bode, en quel u niet te vroegh.
Jas. Geen tijding hooren geeft ons zekerheit genoegh
    (995) Hoe ’t staet geschoren. och, het is hier omgekomen.
    Van droefheit sluit mijn hart. wie kan zich zelve toomen!
Adam. Geef reden plaets. waertoe deze ongelaetenheit?
    De dageraet breekt aen in ’t oostgeweste, en scheit
    De duisternis en ’t licht. ay laet u niet verlangen:
    (1000) De moeder zal den zoon eerlang ten hove ontfangen,
    Behouden en gezont. betroume by mijn woort.
    Hy stelt vast orden aen de veste en aen de poort.
Jas. Dat voeghde een’ minderen, den wachter van de benden.
    De vader zijnen zoon alleen by nacht te zenden
    (1005) Van ’t hof ter stede in, met een merkelijk gevaer
    Van ’t leven: och wat valt ons dees verbeelding zwaer!
    De vader zal te spa die dwaesheit zich beklaegen.
    Noch onlangs droomde ik hoe hy op een baer gedraegen
    Zijne oudren t’huis quam, ’t hart met eenen pijl gewont.
    (1010) Wy vielen beide op ’t lijk, en kusten ’s jonglings mont,
    Die bleek geene antwoort gaf op nokken traenen klaghten;
    Een voorspook van den rouwe en steek, dien wy verwachten.
Adam. Mevrou, ik leerde u hoe de wijzen in Euroop
    Geen droefheit scheppen uit een nachtgezicht, noch hoop
    (1015) Op droomen bouwen, schuw van zulke valsche snaeren,
    Die d’ooren streelen, om ’t genot der wichelaeren.
    O waerdste dochter van den hemel, leer uw lot
    Verwachten uit den schoot van dien alzienden Godt,
[p. 35]
    En Godts voorzienigheit, beleitster van de zaeken
    (1020) Der weerelt, allermeest die heerschappyen raeken.
Jas. Natuur houdt ouders aen hun kinders vast verplicht
    Met eenen taeien bant. het hart der moeder zwicht
    Uit teêre liefde voor den aenstoot, in haer vruchten
    Te lijden. kanze dit uitharden zonder zuchten?
Adam. (1025) Dat is natuurlijk, en een moeders aert gelijk.
    Doch alle uw wijzen zelfs bekennen dat geen rijk,
    Met alle omstandigheên aen ’t rijxbewint gehangen,
    By wilt geval, maer uit den hemel wort ontfangen,
    Gelijk een wettigh leen: en op dien vasten voet
    (1030) Is ’t billijk dat gy me den leenheer kennen moet,
    En danken voor ’t genot van uwe weereltkroonen,
    Uw schoone dochter, en dry keizerlijke zoonen.
    De leenheer, dieze u schonk, is maghtigh hen te hoên.
    Laet af dan t’ontijde uw zwaermoedigheit te voên
    (1035) Met bystre droomen, en onstuimige gedachten.
    Het past groothartigen geene uitkomst hier te wachten
    Dan van de hoogste hant des hemels, hoeze ook zy.
    De keizer wandelt in de lange galery,
    Beslommert met den staet en edele gepeinzen.
    (1040) Het is geraeden uwe inbeeldingen t’ontveinzen
    Met een gerust gelaet, en ingetoomt ontzagh.
    ’k Wil hoopen dat uw zoon, voor ’t opgaen van den dagh,
    En lentezonneschijn, u vrolijk zal gemoeten,
    En offren zijnen dienst eerbiedigh aen uw voeten.
    (1045) Een oogenblik gedult, mevrou: ’k vertrekke alleen
    Met uw verlof, en wil met vierige gebeên
    Den hertret van den prins, uw’ zoon, naer ’t hof geleiden.
Jas. Wy mogen d’uitkomst dan van ’s hemels hant verbeiden.
Adam. Daer hoort men Fungiang, die komt den vader t’huis
    (1050) Behouden, en gevolght van eenigh hofgedruisch.
    Hy leeft, ter goeder uure, en wil den vader spreeken.
    ’t Is noodigh eene poos aen eene zy geweeken,
[p. 36]
    Te hooren wat hy brengt, wat lot hem herwaert jaeght.
    Wat roep magh ’t wezen, daer al ’t voorhof van gewaeght?
    (1055) Het hof raekt overent, de kleenen en de grooten.
    Al wat’er is komt hier verbaest naer toe geschoten.

WHat’s up, dear mother? What? You cry your eyes out,
    Your eyes are red from crying. Oh, make no noise at court
    By wringing your hands. Stop this impatient moaning.
Jas. Oh daughter, what is to be done? Who shall protect this empire
[p. 34]
    (985) And us and you? Bring Schall here, my most trusted advisor.
Bao. Here comes the father. Jas. What a sorry state we are in,
    Does the greatest need still exhort me to seek comfort in you?
    Trusted father, how a thousand curses threaten
    To strike the court! Oh, when will the prince come, the son,
    (990) Upholder and pillar of his lord and father’s throne?
Adam. Most gracious lady, has anyone brought bad news?
Jas. No news. Adam. Why do you want to burden yourself prematurely?
    Expect the blessed bringer of good news, and do not torment yourself too soon.
Jas. Hearing no news makes us sufficiently sure
    (995) Of what the situation is. Oh, it is irretrievably lost.
    Sorrow blocks my heart. Who can restrain himself?
Adam. Make room for reason. Why this irrepressible sorrow?
    The day breaks in the eastern region, and divides
    The light and darkness. Oh, do not be impatient:
    (1000) The mother shall receive the son at the court before long,
    Safe and sound. Trust my word.
    He will put things in order at the ramparts and at the gates.
Jas. That is supposed to be the duty of a subaltern, the captain of the troops.
    How can the father send his son alone at night
    (1005) From the court into the city, with considerable danger
    To his life: oh, how difficult this image is for us!
    The father shall repent this foolishness too late.
    Not long ago I dreamt that he came home to his parents
    Borne in a bier, his heart wounded by an arrow.
    (1010) We both fell on the corpse, and kissed the lad’s mouth;
    He gave no answer to sobs, tears, laments;
    A precursor of the mourning and wound which we expect.
Adam. Madam, I taught you the wise men in Europe
    Read no sorrow in a night vision, nor
    (1015) Build hope on dreams, being abhorring such false tunes,
    Which caress the ears, to the pleasure of soothsayers.
    O most worthy daughter of heaven, learn to expect your destiny
    From the lap of the all-seeing God,
[p. 35]
    And God’s providence, the controller of the things
    (1020) Of the world, especially those which concern empires.
Jas. Nature keeps parents duty bound to their children
    With a strong bond. The heart of the mother yields,
    Out of tender love, to suffering hurtful attacks against her children.
    Can she withstand this without sighing?
Adam. (1025) That is natural, and typical of a mother’s disposition.
    But all your wise men acknowledge that no kingdom,
    With all the circumstances that relate to the government of the empire,
    Is granted by irrational chance, but by heaven
    Like a legal fief: and on that firm foundation
    (1030) It is just that you acknowledge also the feudal lord,
    And thank him for the enjoyment of your worldly crowns,
    Your beautiful daughter, and three imperial sons.
    The feudal lord, who gifted you them, is mighty enough to protect them.
    Desist from feeding your melancholy too early
    (1035) With foolish dreams, and turbulent thoughts.
    The generous-hearted should expect no other outcome
    Than what is willed by the highest hand in heaven, whatever it is.
    The emperor wanders in the long gallery,
    Worried with the state and noble musings.
    (1040) The best thing to do is to conceal your inner thoughts
    With an unperturbed countenance and restrained awe.
    I hope that your son, before the break of day,
    And the first rays of the sun, will cheerfully meet you
    And respectfully offer his service at your feet.
    (1045) Please be patient for a while, my lady: I shall only depart with your consent
    And will support with fervent prayers
    The return of the prince, your son, to the court.
Jas. We must then await the outcome from the hand of heaven
Adam. I hear Fungiang, who comes home to his father, safe and sound,
    (1050) Followed by some noise of the court.
    He lives, safe and sound, and he wants to speak to his father.
    It is necessary to step aside for a while
[p. 36]
    To hear the tidings he brings, what destiny sends him hither.
    What shout might it be, that everyone is speaking about in the forecourt?
    (1055) All the court rushes out, the insignificant and the great.
    Everyone rushes this way, startled.
                Zungchin. Fungiang.
TEr goeder uure, zoon. wat tijding van beneên?
Fun. Het ziet ’er deerlijk uit. dit laghme al op de leên.
    Wy zijn verraên, verkocht. het is hier omgekomen.
    (1060) De vyant heeft zijn’ slagh erghlistigh wis genomen.
    Het schort aen ’t leveren. hier is geen redden aen.
Zun. Laet hooren: melt ons kort hoe alle zaeken staen.
Fun. Ik vloogh ter stede in, hoorde omtrent het merktvelt mompelen
    Hoe ’s vyants opzet was de westpoort t’overrompelen,
    (1065) En ondervraeghde eens, om te polssen dezen gront,
    Waer zulk een mompeling en fluistring uit ontstont.
    Een burger zey: hier is een groot verraet besteeken,
    En naulix staet het vry zijn hart recht uit te spreeken.
    Likungzus, eer hy quam aensluipen met zijn maght
    (1070) Naer deze stadt, besloot de loosheit en de kracht
    Te paeren om zijn wit te treffen door die beide.
    Gemakkelijker raekt men door een voorbereide
    Dan onbereide mijne aen een’ gewenschten schat.
    Hy zendt dan heimelijk soldaeten naer dees stadt,
    (1075) Verkleet en stil voorheen, voorzien van gelt tot teering,
    Om daer in kelderen en kroegen zich ter neering
    Te stellen, tegens dat zijn heirkracht derwaert quaem
    Aenrukken, sneller dan de tijdingzieke Faem
    Gewisse tijding van zijn komste in ’t hof kon brengen.
    (1080) Dan zoudenze onbekent zich in het oproer mengen,
    By hen te stooken, ter bestemde tijt en uur.
Zun. De krijghsbezetting heeft nochtans met kracht den muur
    Verdaedight tegens al die roofgezinde knechten.
Fun. Heer vader, dat gevecht was slechts een spiegelvechten.
[p. 37]
    (1085) De roover won den mont des krijghsraets op zijn hant:
    Die vleit het avontuur, door ’t voên van misverstant.
    Ter plaetse, daer ’t geschut vervaerlijk op afuiten
    Geladen stont, om vier op al ’t gewelt van buiten
    Te geven, schoot op schoot, wert allerminst gestreên.
Zun. (1090) Wy hoorden evenwel by vlaegen achtereen
    Het dondren balderen en buldren der kortouwen.
Fun. Alleen een valsche loze, om rijxverraet te brouwen:
    Want onder eenen schijn van weêrstant, aen die poort
    Ten weste, voer het hooft des krijghsraets immer voort.
    (1095) De bussen, zwanger van los kruit, op hunne raeden,
    Met donderklooten tang noch ketenen geladen,
    Gelieten zich gewelt te baeren recht en scheef,
    Daer niemant midlerwijl getroffen leggen bleef.
Zun. Het hooft des krijghsraets is zoo niet berooft van zinnen.
    (1100) Wat voordeel kan men by zijn vyants zege winnen?
Fun. Hy zagh van langer hant uw’ voorspoet onder gaen,
    Den valschen keizer met dien titel boven staen,
    Dies was het raetzaemst, eer de noot begon te knijpen,
    Het avontuur van voor gezwint by ’t haer te grijpen,
    (1105) Met ’s keizers ongeluk te trouwen zijn geluk.
Zun. Wy geven naeu geloof aen dit verwaten stuk.
    Met krijghsliên, licht van aert, een wijl vooruitgezonden,
    Dien handel aen te gaen; een volk, dat ongebonden
    En toomeloos van tong niet zwijgen kan, en eer
    (1110) ’t Gewis voor ’t onwis kiest: hoe zou een wettigh heer
    Die schelmen straffen kan, aenbrengers rijk vergelden;
    Dit niet verneemen, d’een den andren schelm niet melden?
    En slaenwe dit voorby, hoe zou des krijghsraets mont,
    Aen wien het wachtbewint van muur en poorten stont,
    (1115) Van spraek verbasterende, een’ rijxverraeder achten,
    By wien hy nimmermeer besolding kan verwachten,
    Die zwaerder weeght dan dees, hem reede toegeleit,
    Behalve dat zijn ampt verbetering verbeit?
[p. 38]
    Maer spoe uw rede, hoe gy hier ten hove keerde,
    (1120) En melt wat tuimelgeest de menighte regeerde.
Fun. ’k Verstont dit breeder, toen ik aen de westpoort quam,
    Door alle straeten heen. daer zagh men en vernam
    Hoe trouwe burgers en soldaeten mosten zwichten
    Voor trouweloozen, die behendigh oproer stichten,
    (1125) En mompelden al stil, gestroit van troep in troep.
    Men dreighdeze wie zich verstoutten met geroep
    De rust en stilte by den maeneschijn te steuren.
    De buurten luisterden met toegeslote deuren
    En vensteren. ik sloop in schaduwe onbekent,
    (1130) Ontzaghme t’uiteren door wenk of dreigement.
    ’K heb zeven wijken op mijn’ hals ter sluik doorwandelt.
    Kan vader rieken, daer wort heimelijk gehandelt
    Om ons te leveren. bera bedenk u kort,
    Eer ’t nachtverraet voor dagh ter westpoorte innestort.
    (1135) De zon genaekt de kimme, en steigert op ten oosten.
    Ik ga vrou moeder met mijn weêrkomst binnen troosten.
                Chongzhen. Fungiang.
WElcome, son, what tidings from below?
Fun. The situation is terrible, just as I anticipated.
    We have been deceived, sold off. We are finished.
    (1060) The enemy has surely prepared his attack with craft.
    The only thing left is for him to make it. There is no escape.
Cho. Let us hear: report to us briefly how things stand.
Fun. I fled into the city, and heard murmurs around the marketplace
    Of how the enemy had intended to take the Westgate by surprise,
    (1065) And inquired, to fathom
    Where such murmurings and whisperings came from.
    A citizen said, ‘A great act of treason is being hatched,
    And we can hardly open our hearts.’
    Li Zicheng, before he came sneaking upto this city
    (1070) With his army, decided to yoke guile and strength together
    In order to achieve his goal with both of them.
    It is easier to reach a desired treasure
    By preparing a ruse rather than not.
    So he sends soldiers surreptitiously in advance to this city,
    (1075) Disguised and quiet, provided with money to eat,
    To take up residence in cellars and bars,
    Before his army marched there
    Faster than Fame, which is hungry for news,
    Could bring sure tidings of its arrival to the court.
    (1080) Then they were going to mingle anonymously into the insurgents
    Making trouble amongst them, at the prescribed time and hour.
Cho. The garrison has nonetheless defended the wall with force
    Against these ravenous bastards.
Fun. My Lord, that skirmish was nothing but a sham.
[p. 37]
    (1085) The robber won the envoy of the warcouncil over to his side,
    Who meddles in fortune by increasing misunderstanding.
    In the place, where the artillery stood loaded and threatening
    On its carriages, in order to fire on all the military power from outside the walls,
    Shot after shot, there was no fighting at all.
Cho. (1090) Yet we heard in quick succession
    The rumbles, bellows and roars of the cannons.
Fun. All false pretences, to stir up treason against the empire:
    Because under the guise of resistance, at the gates
    To the west, the head of the war council drove steadily forward.
    (1095) The cannons, laden with harmless dummies, on their carriages,
    Loaded neither with cannon-balls, pivot or chains,
    Pretended to cause violence in all directions,
    Where nevertheless no one lay dead on the ground.
Cho. The head of the war council has not been entirely robbed of his senses.
    (1100) What advantage can one gain by the triumph of one’s enemy?
Fun. He saw your fortune gradually diminish,
    And the pretender rise with the title of emperor.
    Therefore it was the most expedient way, before the emergency began,
    To grab fortune immediately by the hair.
    (1105) And to marry his fortune to the emperor’s misfortune.
Cho. We give little credence to this presumptuous enterprise.
    With soldiers, easily swayed, sent out shortly before,
    Undertaking this enterprise; a people,
    With loose tongues, unchecked, who cannot keep silent
    (1110) And who would prefer the certain to the uncertain: how would a lawful lord,
    Who can punish rogues and reward informers properly;
    How could he not be told about this; can it be that one rogue doesn’t report another?
    And if we set this aside, how will the spokesman of the war-council,
    Under whose authority the safety of the walls and the gates stood,
    (1115) Respect a traitor, whilst speaking the language of the enemy,
    From whom he can no longer expect remuneration,
    Which is greater than what is promptly given to him now,
    Unless he expects to gain a better position?
[p. 38]
    But speak quickly of how you returned here to the court,
    (1120) And report which revolutionary mind was controlling the mob.
Fun. I understood it better, when I reached the western gate,
    Through all the streets. There you could see and understand
    How loyal citizens and soldiers had to submit
    To the disloyal, who skilfully stirred revolt,
    (1125) And muttered quietly; their disquiet spreading from troop to troop.
    They threatened those who courageously undertook
    To disturb the peace and quiet in the moonlight.
    The neighbourhoods listened behind closed doors
    And windows. I slipped into the shadows incognito,
    (1130) And took care not to reveal myself by nod or threat.
    I have wandered seven districts furtively putting my own life at risk.
    If only my father could understand that it is secretly being planned
    To deliver us to the enemy. Make up your mind and decide quickly,
    Before the treason of the night breaks into the west gates before the break of day.
    (1135) The sun draws near to the horizon, and prances to the east.
    I shall go to comfort mother inside with my return.


                    Us. Zungchin. Kolaus.

WIe durf vermoeden dat het dus geschapen staet?
Zun. Hier gelt geen veinzen meer dit eischt een kort beraet.
Ko. Laet elk zijn inzicht op dees tijding vry ontdekken.
Zun. (1140) Het allerraetzaemste is dat wy terstont vertrekken
    Met onze gemaelinne en erfgenaemen. voort
    Kolaüs: baen den wegh ten oosten naer de poort.
Us. De keizer is te vast verplicht aen d’onderzaeten.
    De kinders kunnen zoo den vader niet verlaeten.
Ko. (1145) De tegenwoordigheit des keizers gelt hier meer
    Dan hondertduizenden, gestelt tot tegenweer.
Zun. Wy vinden ongeraên te duiken in dees hoven.
    Waer ’t hooft geborgen wort, staen alle leden boven.
Us. Gy kunt niet vlughten dan door ’t uiterste gevaer.
Ko. (1150) De dubble muur van ’t hof verweldigen valt zwaer
[p. 39]
    Voor dit inheemsch gewelt. al waer de stadt gewonnen,
    Zoo ’t hof volhardt is ’t werk gerokkent, niet gesponnen.
Us. Indien omstemmen gelt, men reekne het getal.
    Gy vint in duizenden niet een’ die stemmen zal
    (1155) Tot uw vertrek. och, zijt u zelven eerst genadigh.
Zun. Dit hof, vol huichelaers, is wuft en ongestadigh.
Ko. Waer vlughtge zeker, in zoo groot een dwarreling?
Zun. Het zekerste is Peking te ruimen om Nanking,
    Den outsten stoel, waer op een ry van keisren zaten;
    (1160) Een’ vryburgh, op wiens trou de keizers zich verlaeten.
    Daer stroomt Kiang voorby. in dien rijxboezem zal
    Een onverwinbre maght van vlooten, zonder tal,
    Verzaemen, om ’t gewelt des roovers ’t hooft te bieden.
Ko. Indien dees roofgriffoen den vlughtling, onder ’t vlieden,
    (1165) Inhaelende met kracht, een’ klaeu van achter gaf,
    Nanking verstrekte u dan geen vryburgh, maer een graf.
Us. Met ’s keizers ondergangk lagh ’t gansche rijk begraeven,
    En uw verlaeten volk aen ’s roovers knien, als slaven,
    Geketent om den hals, ter aerde in bloedigh stof.
Zun. (1170) Wie van u allen schrijft ons wetten voor in ’t hof?
Us. Het voeght den dienaer voor zijn meesters heil te zorgen.
Ko. Men rekent hof en stadt in u alleen geborgen.
Zun. Om ons te bergen schijnt het wijken eerst geraên.
Us. De krijghskans, trektge heen, zal daetdlijk ommeslaen.
Zun. (1175) Gy kunt ten minste een maent de stadt en ’t hof beschutten.
Us. De stadt, bezwijktge ons, steunt op al te kranke stutten.
    Al wat noch weifelt koos terstont de sterkste zy.
Ko. Dan stortenwe overhoop: dan lagenwe alle in ly.
Zun. Gy zijt met ’s keizers val niet veiligh noch gehulpen.
Us. (1180) Neen zeker: storte ’t hof ’t zou duizenden bestulpen,
    Begraven onder puin van gevel muur en dak,
    Het gansche Sine alom gevoelen zulk een’ smak,
    En davren dreunen met zijn praeltriomfgewelven.
    Gy kunt veel duizenden verschoonen in u zelven.
[p. 40]
Zun. (1185) Wat wederstaetge ons dan in ’t wijken van dit erf?
Ko. Gy kunt niet wijken dan met algemeen bederf.
Zun. Het schijnt heel Sina brant beneden onze zoolen.
Ko. De hemel heeft u ’t heil des onderdaens bevolen.
Zun. Wy wouden op dien voet verlaeten dezen gront.
Ko. (1190) Waer woudtge vliên? gy vlooght dien vyant in den mont.
Us. Hoe stillen wy de stadt, en hof en hovelingen?
    Zy hingen aen den tak der hemelsche Taimingen,
    Gelijk een dichte zwarm van byen vast en hecht,
    Dryhondert jaeren lang gehanthaeft, en berecht
    (1195) Van hunnen koning, daerze om hengelen en zwarmen.
    Zy kunnen zonder hem zich redden noch beschermen:
    Want missenze het hooft, zoo dwaelenze van een.
    Een lichaem zonder hooft, wat’s ’t lichaem dan? alleen
    Een hoofdelooze romp, berooft van brein en zinnen.
    (1200) Volhardt dan in het hof, en stel een wijs hier binnen.
    Wy zetten ’t leven by u op. wat eischtge meer?
Zun. Staffiers, naer binnen toe. brengt wapens brengt geweer,
    En paerden: het is tijt, hoogh tijt te paert te stijgen.
    Hier staen een deel verstomt. de hofbesneênen zwijgen,
    (1205) Of momplen binnen ’s monts, uit een geveinst gemoedt.
    Hoe aengegaen met dit veraert dit snoot gebroet?
    Het is geen suffens tijt, ’t is noodigh zich te reppen.
    Men steeke een bloetvaen uit. men moet de hofklok kleppen.
    Te wapen, mannen: voort te wapen: mannen voort.
    (1210) Ontgrendel flux het hof, en volghtme door de poort
    Ter stede in, eer het zeil van ’t rijk begin’ te gijpen.
    ’t Is tijt te sabelen, en by den hals te grijpen.
    Al lang genoegh gemart. men ruk ’t momaenzicht af:
    Men sable hooft voor hooft, een welverdiende straf.


                    Us. Chongzhen. Guolao.

WHo would have anticipated the circumstances that have now arisen?
Cho. This demands no more pretence but a short deliberation.
Guo. Let everyone reveal his views about this news.
Cho. (1140) The most expedient solution is that we depart immediately
    With our queen and heirs. Let’s go,
    Guolao, prepare the way eastwards to the gate.
Us. The emperor is too duty-bound to his subjects.
    The children cannot be abandoned in this manner by the father.
Guo. (1145) The presence of the emperor is of greater value here
    Than a hundred thousand men, ready to defend.
Cho. We find it inadvisable to take shelter in the court.
    Where the head is secure, so are all the limbs.
Us. You cannot flee unless you put yourself in the utmost danger.
Guo. (1150) To conquer the inner walls of the court will be difficult
[p. 39]
    For this native threat; even if the city is lost,
    Their work is under way, but will not be completed, as long as the courtiers perservere.
Us. If we can take a vote, we can count the number.
    Amongst a thousand, you will not find one who will vote
    (1155) That you leave. Oh, be merciful first of all to yourself.
Cho. This court, teeming with hypocrites, is frivolous and unstable.
Guo. Where can you flee safely, in such great confusion?
Cho. The safest course of action is to leave Beijing for Nanjing,
    The oldest seat, on which a line of emperors sat.
    (1160) A refuge, in whose faithfulness the emperors used to put their trust.
    There the Changjiang flows by. In that imperial river
    An invincible innumerable fleet will
    Assemble, in order to resist the violence of the robbers.
Guo. If this robber griffin, catching up with the fugitive,
    (1165) Were to pluck him from behind with his claw,
    Then Nanjing would provide you with no refuge, but a grave.
Us. With the emperor’s ruin, the entire kingdom would be buried,
    And your abandoned subjects would lie on the earth in blood-soaked dust,
    At the feet of the robber, as slaves, with chains around their necks.
Cho. (1170) Who, from amongst all of you, lays down the laws for the court?
Us. It is up to the servant to protect the welfare of his master.
Guo. We consider the court and city to be safe, only when you are safe.
Cho. In order to keep us safe, retreating appears advisable first of all.
Us. The fortunes of war will turn around as soon as you leave.
Cho. (1175) You can protect the city and the court for at least a month.
Us. If you leave, the city will rest on supports which are too weak.
    All those who still vacillate would quickly choose the stronger side. Guo. Then we would get into trouble: and be at the mercy of the enemy.
Cho. If the emperor falls, you will neither be safe nor helped.
Us. (1180) Surely not: if the court collapses, thousands will be crushed,
    Buried under the rubble of the façade, wall and roof.
    All parts of China would feel such a blow,
    And rumble and thunder with its beautiful triumphal arches.
    If you spare yourself, you can spare thousands of others.
[p. 40]
Cho. (1185) Why do you oppose us when we want to flee from this place?
Guo. You cannot flee without causing general decay.
Cho. It appears that all of China is burning beneath our feet.
Guo. Heaven has entrusted you with the salvation of your subjects.
Cho. For that reason, we would leave this place.
Guo. (1190) Where would you flee to, but into the jaws of the enemy?
Us. How do we appease the city, the court and the courtiers?
    They were loyal to the family of the heavenly Tai-Ming dynasty,
    Like a thick swarm of bees tightly knit,
    Maintained for three hundred years, and given justice
    (1195) By their king, whom they hang around and swarm about.
    Without him, they can neither save nor protect themselves:
    Because if they lack the head, they will stray away from one another.
    If a body is without a head, then what is the body? Only
    A headless torso, lacking mind and brain.
    (1200) Persist then in the court, and make plans for defence here inside.
    We put our lives at your disposal. What more do you desire?
Cho. Guards, come inside. Bring weapons, bring arms,
    And horses: it is time, it is high time to mount the horses.
    Here stands a group which does not say a word. The court eunuchs are silent,
    (1205) Or mumble inaudibly, with false feelings.
    How should one deal with this degenerated, this wicked rabble?
    This is no time for day-dreaming, it’s necessary to hurry.
    Let’s unfurl the red standard. The court bell must be rung.
    To arms, men: Arm yourselves: march forward, men.
    (1210) Unlock the court gates quickly, and follow me through them
    Into the city, before the sail of the empire begins to jibe.
    It is time to use your sabres and kill people.
    We have tarried long enough. Let us take off the mask:
    Let us chop off head after head, a well-deserved punishment.
                    Jasmijn. Fungiang. Zungchin.
(1215) GEtrouwe bedtgenoot, gy mooght ons niet begeven
    In dees gelegenheit. verschoon verschoon uw leven.
[p. 41]
    Bewaer het hof: of wilt gy enkel heene in stê,
    Zoo neem uw keizerin en lieve dochter me,
    En zoons. och vader, zie uw dootsche dochter schreien.
Fun. (1220) Heer vader, geef gehoor.    Zun. de tijt verbiet te beien.
    Wat baet dit jammeren? de noot eischt spoet, en kracht.
    Waer blijven lijfstaffiers, hofschutten, binnewacht?
    Waer blijven oversten, de ridders, en de knaepen?
    Men moet zich uiteren: het is geen tijt te slaepen.
Fun. (1225) Heer vader, geef gehoor.    Zun. waertoe dit ongeluit?
    Men recht met jammeren en kermen hier niet uit.
    Wy moeten door den drang, door vrient en vyant streven,
    Een eerelijke doot voor een oneerlijk leven
    Verkiezen. laet ons los. wie houdt onze armen vast?
Jas. (1230) Getrouwe bedtgenoot, wiltge ongeharrenast
    U mengen in gevaer van sabelen, en bijlen,
    Heirhamer, en musket, en kogelen, en pijlen,
    Zoo neem ons t’zamen mede, en gunme aen uwe zy
    Te sterven? ik bezweere u by de kroon, en by
    (1235) Den gouden rijxstaf, en dees geele rijxgewaeden,
    Bewaer den stoel, het rijk ten beste. laet u raeden.
    Alle oogen zien op u.    Zun. laet los: wy moeten voort.
    Wy troosten ons dien storm te schutten in de poort,
    In ’t midden van ’t gedruisch en brieschen van de paerden,
    (1240) Of vroom te sterven, daer getrouwen en veraerden
    Zich kanten tegens een, en strijden hant aen hant.
Jas. Och allerliefste, hou ten minste een luttel stant,
    Tot dat uw bedtgenoote, uwe eenige getrouwe,
    U haer gemoedt voor ’t leste, in ’t uiterste, eerst ontvouwe,
    (1245) Dan ruk vry heene, dat de hemel u geley.
Zun. Welaen dan: maek het kort. waertoe dit hofgeschrey?
    Het is verweerens tijt: de vyanden genaeken.
    Wat eischtge?    Jas. stel een wijs en orde op uwe zaeken.
Zun. Vertrekt, gy heeren: flux vertrekt: laet ons alleen.
Jas. (1250) Vermagh ik iet op u met traenen en gebeên,
[p. 42]
    Zoo bergh, eer gy vertrekt, de hoop van onze kroonen,
    De panden van ons trou, dit drytal, uwe zoonen.
    Zoo lang van deze dry een rijxoir overschiet,
    Berooft geen vyant my, uw weduw, vol verdriet,
    (1255) Dien nagelaeten troost, indienge komt te sneven.
Zun. Waer met uw dochter en haer moeder dan gebleven,
    Indien de nachtstorm ons in deze barrening
    Bestulpende, de hulk van ’t oude rijk verging,
    En eeuwigh schipbreuk leedt? wat winst vergoet die schade?
    (1260) Dan stont gy beide bloot, de wraeke ter genade.
Ias. Dat ga zoo ’t wil, zoo ’t kan, ’t gedy tot schande of lof:
    Wy scheiden nimmermeer vrywilligh van dit hof.
Zun. Hoort toe, mijn zoonen. past u daetelijk te bergen.
    Den oudren weerstaen, heet in ’t rijk den hemel tergen.
    (1265) Konfutius heeft elk dees hooftles ingescherpt.
    Godt zelf verwerpt hem, die zijn ouders raet verwerpt.
    Wy kunnen, Fungiang, van uwen aert getuigen,
    Grootmoedigh als een leeu, te breeken noch te buigen.
    Nu buigh u onder ons gehoorzaemheit al stil.
Fun. (1270) Heer vader, spreek een woort: wy volgen vaders wil.
Zun. Gy zult ter stroompoorte uit met eene gondel ylen
    Naer vader Changus, den Konfutiaen, vijf mijlen
    Van stadt, in ’t eensaem bosch: daer duikt dees woestijnier.
    Versteek u daer verkleet en stil een dagh of vier,
    (1275) En zie den uitgang van Peking aen by dien heiligh.
    Gy kunt, mislukt het hier, dan vlugten snel en veiligh
    Te water naer Nanking, het outste keizershof,
    Met deze uw broedren. voort.    Fun. wy neemen dan verlof.
    Heer vader, zegen ons.    Zun. de hemel zy uw hoeder.
Fun. (1280) Het ga u beter dan wy dachten. och vrou moeder,
    Och lieve zuster, och, wy kussen u voor ’t lest.
    Misschien kan ’t beter gaen.    Zun. voort voort, de nootweer prest.
    Wy willen zelf tot aen den hofstroom u geleiden.
    Wie ’t huis wil bergen moet de zoons en vader scheiden.
[p. 43]
Jas. (1285) Och bitter scheiden! och wy zienze nu niet meer,
    Of hachelijk. wat neemt het weereltsdom een’ keer!
    Met hoe veel juichens, met hoe groote zegeningen
    Onthaelde ons ’t hof! geluk, ô voester der Taimingen!
    Toen d’oude sluierkroon, naer d’ingewijde wet,
    (1290) Ons in de hofkerk, vol triomf, wiert opgezet,
    Waerna wy door den drang der vorsten gingen brommen
    Met vier erfkinderen, vier vaste rijxkolommen
    Om op te steunen. och hoe wankelt nu de staet!
    Tre binnen, dochter: ’k hoor een stadtgerucht op straet.

                Jasmine. Fungiang. Chongzhen.
(1215) TRusted bedfellow, you must not abandon us
    In these circumstances. Spare, spare your life.
[p. 41]
    Protect the court: or if all you want to do is go into the city,
    Then take your queen and dear daughter with you,
    And sons. Oh father, see your pale daughter weep.
Fun. (1220) My Lord, please listen. Cho. Time forbids delay.
    What use is this lament? The situation calls for speed and force.
    I need sentinels, royal guards, house-guards?
    Where are the officers, the knights and their shield bearers?
    They must reveal themselves as fighters: It is no time to sleep.
Fun. (1225) My Lord, please listen. Cho. What is this awful noise for?
    You can accomplish nothing with wails and whimpers.
    We must drive on, through the throng of friend and foe,
    And we must choose an honourable death instead of a dishonourable life.
    Let us go. Who is holding us back?
Jas. (1230) Trusted bedfellow, will you want to get involved, unarmoured,
    In the danger of sables, and axes,
    And hammers, and muskets, and bullets and arrows?
    Then take both of us with you, and permit me
    To die by your side! I beseech you by the crown,
    (1235) The golden imperial staff, and this yellow imperial robe,
    To protect the throne and the kingdom as best you can. Take advice.
    All eyes are watching you.
Cho. Let me go: we must go forth.
    We will without fail stop the attack at the gates,
    Amidst the neighing and snorting of horses,
    (1240) Or die nobly, where faithful men and traitors
    Join battle and fight hand to hand.
Jas. Oh beloved, stay for a short time here at,
    Until your bedfellow, your only trusted one,
    Unfolds her feelings for the last time to the utmost.
    (1245) And depart freely; may heaven guide you.
Cho. Very well then: make it quick. Why this courtly weeping?
    It is time to defend the court: the enemies approach.
    What do you desire?
Ja. Organize and arrange your affairs.
Cho. Depart, you lords: Depart quickly: leave us alone.
Jas. (1250) If I have any power of you with tears and prayers,
[p. 42]
    Then hide , before you depart, the hope of our crowns,
    The pledges of our fidelity, this group of three, your sons.
    As long as one successor remains from the three,
    No enemy can rob me, your widow, full of grief,
    (1255) The consolation left behind, if you are slain.
Cho. Where can I leave your daughter and her mother then,
    If the ship of the old empire were to perish,
    And suffer eternal ship wreck, whilst the nightstorm crushes us in this turmoil.
    What profit can compensate this damage?
    (1260) Then you would both be exposed, at the mercy of revenge.
Jas. What will be will be, whether it be to you disgrace or glory:
    We shall never leave the court voluntarily.
Cho. Listen, my sons. You have to take care to shelter at once.
    Opposing your parents is called in the Empire provoking heaven.
    (1265) Confucius has impressed upon everyone this cardinal lesson.
    God himself rejects those who reject the advice of their parents.
    We can, Funjiang, bear witness to your nature,
    Courageous as a lion, who will neither break nor bow.
    Bow yourself now silently to our authority.
Fun. (1270) Dear Father, speak: we shall follow your will.
Cho. You will hasten out of the river gates with a small boat.
    To father Changus, the Confucian, five miles away from the city
    In the isolated forest: there a hermit is hiding.
    Hide there in disguise and quietly for three or four days,
    (1275) And watch the fate of Beijing with the holy man.
    If it is unsuccessful here, then you can flee quickly and safely
    By water to Nanjing, the oldest imperial capital,
    With these your brothers. Go forth.    Fun. We then take our leave
    My Lord, bless us.    Cho. May heaven be your guardian.
Fun. (1280) May the future be better for you than we thought. O dear mother,
    Oh dear sister, oh, we kiss you for the last time.
    Perhaps things will be better than expected.
Cho. Hury, Hurry, the storm presses in.
    We shall lead you to the imperial canal.
    He who wants to preserve the house must split up the father from the sons.
[p. 43]
Jas. (1285) Oh bitter parting! Oh now we shall see them no more,
    Or in great danger. What a pivotal moment for the world.
    With how many shouts of joy, with how many blessings,
    Did the court welcome us! Fortune, the wet nurse of Tai-Ming!
    When the old veiled crown, according to the instituted law,
    (1290) Adorned us triumphantly in the court chapel,
    We through the urging of kings walked proudly
    With four heirs, four strong pillars of the empire
    On which to rely. Oh, how the state now totters!
    Come inside, my daughter: I hear a rumour about the city on the streets.

            Kolaus. Us. Zungchin.
(1295) WAt raet? wy staen ten doel der opperste ongenade.
    Wy waerschuwen, helaes, de majesteit te spade
    t’Ontvlughten; aengezien het onheil met den dagh
    Haer plotsling overvalt, en waerschuwt met den slagh.
Us. Hoe staet het dan? men moet niet zonder reden schroomen.
Ko. (1300) Hy borst ter westpoorte in. het krijgsheir bruischt, als stroomen,
    Ter stede in naer het hof.    Us. wie openden de poort?
Ko. De krijghsraet, schelmen, rijxverraders. dat de moort
    Hen sla, de donder schende. ô heilooze onverlaeten!
    De trou heeft teffens uit by burgers en soldaeten,
    (1305) En oversten. wy zijn gelevert en verraên.
    Wat raet? wat raet? geen raet. daar stapt de keizer aen.
Zun. Onze afkomste is geberght, behouden buiten zorgen.
Ko. Genadighste, wat raet? och waertge zelf geborgen;
Zun. Wat’s dat te zeggen? drijft het hof op avontuur?
Ko. (1310) Lykungzus is in stadt. hy heeft den dubblen muur
    Van ’t hof verweldight.    Zun. hoe?    Ko. alle elefanten dronken,
    In hunnen slaep gesmoort, in ste van waeken, ronken
    Op hunnen breeden rugh. dat heet op schiltwacht staen.
    Noit keizer wert zoo schalk van hof en stadt verraên.
Zun. (1315) Het is dan vlughtens tijt met alle onze eedtgenooten.
Ko. Te spa, helaes, te spa: de toegang is gesloten,
[p. 44]
    Aen alle kanten. och, de jongste dagh verscheen.
Zun. Meineedigen, is dat voor ’s keizers recht gestreên?
    Heeft u de keizer, in den top der heerschappye,
    (1320) Vergeefs miltdaedigh, met verheffing van soldye
    En eere en ampten, aen de glori van zijn kroon
    Verbonden, om hem dus te bonzen uit den troon?
    Lykungzus niet, maer gy zijt schuldigh, zijt hantdaedigh
    Aen dit verwaeten stuk. wie valt ons nu genadigh?
    (1325) Kolaüs, toon uw trou aen uwen trousten vorst.
    Tre herwaert. stoot dien dolk in onze oprechte borst.
    Tre herwaert. deinstge nu, en is uw trou te zoeken?
    Lijfschutten, hofstaffiers, gy hofbesneênen, vloeken
    En pesten van het rijk, genaekt op ’t ongezienst.
    (1330) Treet rustigh toe: stoot toe, en boet met dezen dienst
    Uw’ vadermoort. ’t is tijt dit edel bloet vergooten.
    Nu redt ons door den doot: gy hebt ons doodt beslooten.
    Valt teffens aen: stoot toe: wij staen u schoon en bloot.
    Daer leght uw keizers hart: dat zoektge. snijt, of stoot,
    (1335) Dat geen Lykungzus ons aen duizent stukken scherve.
    Ontfangt den lesten snik, terwijl ik tijdigh sterve.
    Dan och zy weigren ons dien jongsten dienst. welaen,
    Men moet zich redden. ’k zal een poos naer binnen gaen.
Us. Waer streeft de keizer? och hoe barnen die gedachten!
Ko. (1340) Daer steekt een hofgalm op van rouwe en jammerklaghten.
    De hofklok klept vast brant, en moort, en slaet geluit.
    De torenwachter blaest verraet ten toren uit,
    Van zeven transsen. welk een blixem! welk een donder!
    De hooftstadt en ’t palais, al ’t bovenste raekt onder.
    (1345) Het gansche Sina smilt in eenen mengelklomp.
    Peking verlaeten, schijnt een hoofdelooze romp,
    Een lichaem zonder hooft. maer treênwe spoedigh binnen.
    Hier valt met jammeren en klaegen niet te winnen.
Us. Ik volge u flux. helaes, men heeft dit lang gespelt.
    (1350) Het laghme al op de leên. geen reden, och ik smelt!
[p. 45]
    Kon dien inheemschen brant van snoode hofgebreken,
    Allengs aen ’t smeulen, en gelijk een pest ontsteeken,
    Uitblusschen. hemel, help uwe ondermajesteit.
    Hier koomen keizerin en dochter, root beschreit.

                        Kolaus. Us. Zungchin.
(1295) What shall we do? We are the object of extreme disfavour.
    We now advise his majesty to flee, but it is, alas, too late,
    As calamity will suddenly strike him at dawn,
    And warning will be the same thing as the final battle.
Us. What is the situation, then? We must not fear without reason.
Guo. (1300) He is bursting into the western gates. The army seethes like streams
    Into the city towards the court. Us. Who opened the gates?
Guo. The war council, the rogues, imperial traitors. Let death take them,
    Let them be damned. O damned reprobates.
    Trust has left all at once the citizens and soldiers,
    (1305) And officers. We have been handed over and betrayed.
    What shall we do? What shall we do? We don’t know. Here comes the emperor.
Cho. Our descendants are safe, beyond the reach of worry.
Guo. Most merciful, what shall we do? Oh, if only you had also taken refuge.
Cho. What do you mean? Is the court already at risk?
Guo. (1310) Li Zicheng is in the city, he has overcome the twin wall
    Of the court. Cho. How? Guo. All the elephants are drunk,
    Are in a deep sleep, instead of guarding, and they snore
    On their broad backs. That’s what they call being on your guard.
    Never has an emperor been betrayed by his court and city so cunningly.
Cho. (1315) It is then time to flee with all our confederates.
Guo. Too late, alas, too late: the entrance is closed,
[p. 44]
    On all sides. Oh, the day of judgment is coming
Cho. Oath breakers! Is that what you call fighting for the emperor’s law?
    Has the emperor, at the top of the dominion,
    (1320) Bound you in vain to the glory of his crown,
    Being generous by increasing your salary,
    Your honour and office,
    So that you then remove him from the throne?
    It is not Li Zicheng, but you who are guilty, you have orchestrated
    These circumstances. At whose mercy are we now?
    (1325) Guolao, show your faithfulness to your trusted ruler.
    Come hither. And thrust this dagger into my upright chest.
    Come hither. Do you now shrink back and is your faithfulness to be questioned?
    Guards, body-guards, you eunuchs, plague
    And pestilence of this empire, approach as imperceptibly as possible.
    (1330) Approach courageously; stab me to make good your high treason with this service.
    It is time to spill this noble blood.
    Now save us with my death: you have determined our death.
    Attack immediately: stab: we stand before you openly and willingly.
    Here is your emperor’s heart: that’s what you’re looking for. Cut, or stab,
    (1335) So that no Li Zicheng can cut me into a thousand pieces.
    Receive this last gasp, as I die at the appointed hour.
    But, oh, they refuse us this final service. Very well then,
    I must save myself. I shall go inside for a while.
Us. Where does the Emperor go? Oh how these thoughts burn!
Guo. (1340) There rises the noise of mourning and lamentation at the court.
    The palace bell rings continuously announcing fire, murder, making a din.
    The towerwatch trumpets treason from the tower,
    From seven ramparts. What lightning! What thunder!
    The capital and the palace all collapse.
    (1345) The whole of China is in meltdown.
    Beijing has been abandoned and looks like a headless torso,
    A body without the head. But we must hurry inside.
    We cannot win with mourning and lamentations here.
Us. I will follow you shortly. Alas, they have predicted this for so long.
(1350) I felt it in my limbs. I don’t know what to say, oh, I’m in tears.
[p. 45]
    I wish we could extinguish this native fire of heinous crimes against the court,
    Which is gradually smouldering, and now flaring up like a plague,
    Heaven, help your majestic son.
    Here come the queen and her daughter, red with tears.
            Pao. Zungchin. Us.
(1355) VRou moeder, ’t is gedaen. wy scheiden uit dit leven.
    Wie traenen stort kan noch dien rou te kennen geven
    Door traenen, tekens van verzetbren rou en druk:
    Maer geene traenzee kan ons uiterste ongeluk
    Uitbeelden, neen, och neen, noch zulk een bloetvlak wassen
    (1360) Uit vaders stamboek. och wat ramp komt ons verrassen!
Zun. Aertskantsler Us, hoor toe. aenvaert dit leste pant,
    Dien brief, geschreven met ons eigen bloet en hant,
    En zweerme by uw hooft, na’et korten van ons leven,
    Lykungzus dezen brief met uwe hant te geven.
Us. (1365) Ik zweere by mijn hooft: de hemel hoor’ het aen.
Zun. Volhardt, mijn dochter: blijf heer vader onderdaen.
    Lykungzus nadert vast om u en ons t’onterven.
    Gy moet van vyants of van vaders handen sterven.
    Die schender zal u, na uw vaders rype doot,
    (1370) Den scherreprechter eerst toedoemen, die u bloot
    En naekt voor ’t hofgezin durf schenden en schoffeeren,
    Dan u de blanke borst met gloênde tang en scheeren
    Afrukken, scheuren, en, in ’t barnen van ’t geraes,
    Zijn dolle hondejaght, gelijk een lekker aes,
    (1375) Toesmakken op den vloer, van vaders bloet noch dronken,
    En laeu en rookende, om met zulk een daet te pronken.
    Wy gunnen u den keur van beide: kies en deel.
    Ons rol heeft uitgedient op ’t bloedigh hoftooneel.
Pao. Heer vader, ’k geef aen u mijn lichaem zuiver over.
    (1380) Beschutme voor gewelt van dien verwaten roover.
    Ik kusse u voor het leste. ô vader, ’k neem verlof.
Zun. Nu dochter, volghme naer uw kamer in het hof.
[p. 46]
Us. O heerlijke aengename en hemelsche uitgekoren!
    O eenige erfprinces, wat ende is u beschoren!
    (1385) Gy schoonste fenixbloem in ’t heiligh kroonendal,
    Helaes, my schrikt alree, voor ’t opgaen van ’t geschal,
    Dat uit de tralien van uw bebloede kamer,
    Door hof en hofgewelf, noch luider dan de hamer
    Der hofklok klinkt, als zy de daken overbromt.
    (1390) Ik zie hoe stroom en stadt en heel Peking verstomt,
    Verbaest van schrik en angst, en zelf uit mededoogen
    De wraek der vyanden verzet staen en bewogen.
    O bloem van veertien jaer! ô vreught van moeders trou!
    Wat was ’er een gejuich, toen d’eerste morgendou,
    (1395) Uw’ levens dageraet besproeiende, op zagh luiken!
    Al ’t joffrentimmer riep: wie zal dees maybloem pluiken!
    Wat koning waerdigh zijn den ring, den diamant,
    Het puik van Indien, aen haer gewijde hant
    Te steeken! och zy stort. daer leght, daer leghtze neder.
    (1400) Hoe schudden hof en stadt: gelijk wanneer een ceder
    Ten berge af rolt. ay hoor dat schriklijk hofgedruisch,
    Dat huilen, dat geschrey, gebalk door ’t keizershuis.
    Het schijnt de hemel giet, afgrijsselijk verbolgen,
    Zijn’ viergloet teffens uit. nu wil het zwaerste volgen.
    (1405) De zwaerste droefheit is op ’t uiterste gespaert.
    Hoe dreunt dees hofkolom! de stroom schiet achterwaert,
    Die met zijn watervat den boomgaert quam besproeien.
    De dolle donder wil dien stamboom, onder ’t bloeien,
    Na drywerf hondert jaer, neêrploffen slagh op slagh.
    (1410) Hoor toe. hy ploft. hij stort. ô wee, ô wee, ô wach!
    Al wat ’er vast hangt aen den diep geschoten wortel
    Valt met hem, en verplet het al aen gruis en mortel.
    Nu valt dit ruime hof mijn’ ouderdom te naeu,
    Gy dienaers, stutme. ik ga: ik zwijm: mijn hart wort flaeu.

                        Bao. Zungchin. Us.
(1355) DEar mother. It is done. We depart from this life.
    Whoever weeps tears can still express mourning
    Through tears, signs of mourning and pressure which can be forgotten:
    But no flood of tears can represent our utmost misfortune.
    No, oh no, nor wash such a bloodstain from the father’s lineage.
    (1360) Oh, what disaster takes us unawares!
Cho. High Chancellor, Us, listen. Accept this last pledge,
    This letter, written with my own blood and hand,
    And swear on your head, that after our demise,
    You will give Li Zicheng this letter by your own hand.
Us. I swear on my head: Let the heavens bear witness to it.
Cho. Persist, my daughter, remain your father’s subject.
    Li Zicheng fast approaches to disinherit you and us.
    You must die from the enemy’s or your father’s hand.
    That violator will, after your father’s timely death,
    (1370) First condemn you to the executioner, who will dare insult
    And violate you naked and bare before the royal family,
    Then rip your fair breast out with burning tongs and shears,
    Rip it, tear it, and, in a burning rage,
    Give it to eat on the floor to his mad hunting pack, like tasty carrion,
    (1375) Drunk on your father’s blood,
    Which is warm and steaming, in order to boast about such a deed.
    We grant you the choice of both: choose one of them.
    Our role has finished in this bloodly court drama.
Bao. My Lord, I submit my body, which is still pure, to you.
    (1380) Protect me from the violence of the arrogant robber.
    I kiss you for the last time. O father, I take my leave.
Cho. Now daughter, follow me to your room in the palace
[p. 46]
Us. O glorious, agreeable one chosen by heaven!
    O only crown princess, what fate has befallen you!
    (1385) You, most beautiful phoenix-flower in the holy valley of crowns,
    Alas, I am frightened already, with the increase in the blast of trumpets,
    Which sounds from the windows of your bloodied chamber,
    Through the court and vaults of the court, and louder than the hammer
    Of the court bell, when it resounds over the roofs.
    (1390) I see how the canal, and the city and all of Beijing fall silent,
    Startled with dread and fear, and I see it startled
    Even with compassion by the revenge of the enemy.
    O flower of fourteen years! O joy of your mother’s fidelity!
    What rejoicing there was, when the first morning dew,
    (1395) Sprinkling the dawn of your life, saw it rise up!
    All the damsels cried: who shall pluck this mayflower!
    Which king is worthy of placing the ring, the diamond,
    The pick of the Indies, on her consecrated hand!
    Oh, she falls, there she lies, there she lies on the floor.
    (1400) How the court and city shake: like when a cedar
    Rolls off the mountain. You hear that frightful sound in the court,
    That howling, that scream, mourning through the emperor’s house.
    It appears that the heavens, dreadfully enraged,
    Pour out their glowing fire. Now the darkest things will follow.
    (1405) The darkest things are saved until last.
    How this palace pillar trembles! The canal, which its watercask used
    To come and spray the orchard, now runs backwards.
    The mad thunder will make the dynastic tree, in bloom, topple over
    After three hundred years, bolt after bolt.
    (1410) Listen. It falls; it crashes. O woe, o woe, o woe!
    All that clings to the root which has burrowed deeply,
    Falls with it, and smashes everything into mortar and dust.
    Now this large court seems too narrow for my old body.
    You, servants, hold me. I am going: I am swooning: I am fainting; my heart is weak.
[p. 47]
            REY VAN PRIESTEREN.

                            I. ZANG.

            (1415) Helaes, waer schuilen wy voortaen?
        ’t Is met den keizer omgekomen,
            De majesteit met hem vergaen.
        O lustpriëel! o pruimeboomen!
            Getuigen van zijnen weeligen stant.
                    (1420) O koussebant!
            Hy drijft’er by de keizerin,
        Met hem gestikt in eenen aessem.
            De trouwe min en wedermin
        Verdweenen, als een rook en waessem.
            (1425) Zoo zinkt de zonneschijn onder de kim.
                    Dan rijst de schim.

                    I. TEGENZANG.

            Nu dreight een helsche en blinde nacht
        Van dwaelinge en afgoderyen
            Het licht van ’t kruisaltaer met kracht,
        (1430) Door ’t ommeslaen der heerschappyen,
            Te blusschen, den heidendommen ten spot.
                    O bitter lot!
            Nu staen de kruisgezanten bloot,
        Ten doele der godtslasteraeren.
            (1435) De kerkgewelven lijden noot,
        En onbebloede Christaltaeren.
            Het zielverhuizen gaet sneller zijn’ gang.
                    Wie smoort dees slang!

                            II. ZANG.

            Men vreesde lang, van tijt tot tijt,
        (1440) Den inbreuk uit des Tarters landen:
            Maer Uzangueius, die zich quijt,
        Bewaekt den rijxmuur, breekt de tanden
            Der gruwzaeme tygren, en houdtze in tucht.
                    Wy scheppen lucht.
            (1445) Ontsloot hy ’t rijk voor ’s Tarters stam,
        Wie zou dan eerst de bloetvlagh strijken,
            Lykungzus, of de groote Cham?
        Wie zou een’ voet den andren wijken?
            Wy zaten hier tusschen beide beknelt.
                    (1450) Hoe waer ’t gestelt!

                    II. TEGENZANG.

            Zoo lang d’aertskantzler Us den zoon
        Gebiet, en blijft in staet en eere,
            Strekt hy een waerborgh voor dees kroon,
        En nieuwen aengenomen heere.
            (1455) De liefde van vader en zoon verwint.
                    De bloetbant bint.
            Laet ons in ’t hof ten outer treên,
        In zulk een’ ommezwaey van staeten,
            Den hemel offren met gebeên,
        (1460) Den wil des oppersten gelaeten.
            ’t Is Godt die den rijken hun paelen zet.
                    Dit ’s d’opperwet.

[p. 47]
            CHORUS OF PRIESTS.

                            I. STROPHE.

            (1415) Alas, where shall we seek shelter henceforth?
        The emperor is dead,
            With him, and the empire perishes.
        O pleasure garden! O plum trees!
            Witnesses of his opulent state.
                    (1420) O garter!
            He swings there next to the queen,
        Choked with him in a single breath.
            The trusted love and reciprocated love
        Disappear like smoke and steam.
            (1425) In the same way, the sun sinks below the horizon;
                    After that the ghost rises.

                    I. ANTI-STROPHE.

            Now the blind and infernal night
        Of errors and idolatory threatens
            To extinguish the light of the altar of the cross with force,
        (1430) By the change of regimes,
            To mock the heathens.
                    O bitter fate!
            The bearers of the cross now stand exposed,
        At the mercy of the slanderers of God.
            (1435) The vaults of the church are in distress
        And Christian altars untainted by blood.
            The transmigration of the souls goes more quickly about its business.
                Who will strangle this snake!

                    II. STROPHE.

            We have long feared, from time to time,
        (1440) The invasion from the Tartar lands,
            But Wu Sangui, who performs his duties,
        Guards the imperial walls, and breaks the teeth
            Of these dreadful tigers, and keeps a hold on them.
                    We draw our breath.
            (1445) If he were to unlock the empire for the Tartar race,
        Who would first suffer defeat?
            Li Zicheng or the great Khan?
        Who would give an inch to the other?
            We would sit here stuck between both of them.
                    (1450) How could it be imagined?

                    II. ANTI-STROPHE.

            As long as the high chancellor Us is in charge of the son
        And remains with status and honour,
            He is a guarantee for this crown
        And newly-installed lord.
            (1455) The love of the father and son will conquer.
                    The blood-ties bind.
            Let us go up to the court altar,
        In such revolutionary times,
            And sacrifice to heaven with prayers,
        (1460) And submit ourselves to the will of the Almighty.
            It is God who sets the limits of empires.
                    This is the highest law.

Continue

HET VYFDE BEDRYF.

ACT FIVE.

            Us. Lykungzus. Xaianga. Rey.

NU rept u in der yl, staffiers en hoftrouwanten,
    En past op ’t voorhof hier den gouden troon te planten.
    (1465) De nieuwe keizer stapt door juichend hofgewoel,
    Op trommel en trompet, naer ’s voorzaets hoogen stoel.
    O zegenrijkste vorst en veltheer, aengebeden
    Van koningkrijken, en een ry verwonne steden,
    Genaek ter goeder uure, en schut der volken scha.
    (1470) Ontferm u over ’t volk, en open uw gena
[p. 48]
    Voor allen, die in ’t stof, aen ’t outer van uw voeten,
    Zich werpende, u verheught inhaelen en begroeten.
Ly. Rijs op, aertskantzelier. gy waert den voorzaet trou.
    Dat een van allen nu den nazaet klaer ontvou’
    (1475) Hoe deze treurrol van Zungchin is afgeloopen.
Us. Trouwanten, zet de poort van hof en boomgaert open.
    Genadighste, daer zien uwe oogen in ’t verschiet
    Den droeven uitgang van Taimingaes out gebiet.
    Zy drijven beide stil op hunne koussebanden.
    (1480) Flus dreef heel Sina noch en vijftien groote landen
    Alleen op ’t erfgezagh van hunne majesteit.
    Daer komt de rijxvorstin Xaiange, om u bescheit
    Te brengen, en het lot t’ontvouwen van dees beide:
    Want, als staetjoffer, zy onze erfprinces geleide
    (1485) In haer slaepkamer, en de dootsche keizerin
    Naer ’s keizers lusthof, op het bloetspoor van Zungchin.
    Zy heeft de dootverf al gezet, van rou bezweeken.
Ly. Schep moedt, mevrou. bedaer: verhaest u niet in ’t spreeken.
Xai. Genadighste, och wat heb ik heden niet beleeft!
    (1490) De geest der dochter en haer moeder waert en zweeft,
    Gelijk ook ’s keizers geest, voor mijne scheemrende oogen:
    En naulijx kan ik nu d’opgaende zon gedoogen,
    Die levenden verquikt, en mijn gemoedt bedroeft.
    De droefheit houdt mijn hart beknelt en toegeschroeft.
        (1495) De dochter nam zoo dra geen oorlof van den vader
    Op ’t voorhof met een’ kus, of zy en hy te gader
    Met een’ de moeder treên, gevolght van hofgezin
    En my, verbaest en bleek en dootsch ter kamer in.
    De dochter zet zich, met geen tranen op de wangen
    (1500) Van dootschrik, nu getroost den hartesteek t’ontfangen,
    Voor haer’ heer vader schrap, die stijf staet en bedrukt:
    Als zy den boezem met haer handen openrukt.
    Wat was ’er een geschrey! wat hoortmen al getrappels?
    Hy zagh geen borsten, neen, maer een paer hangende appels,
[p. 49]
    (1505) Van koningshanden waert, uit gloet en bruiloftslust,
    Eerbiedighlijk gestreelt, gekust en dan herkust.
    Hy kent zijn eigen kroost aen aengezicht en oogen,
    De spiegels van haer ziel, met ’s vaders rou bewogen.
    Hy ziet de versche roos van weêrzijde op de wang
    (1510) Bestorven, ook den mont. wat staet de vader bang
    Met eenen blooten dolk! hy smijt den ponjaert neder,
    En stampte langs den vloer wel drywerf heene en weder.
    Toen toegetreden keert het aenzicht van haer af,
    Ontveinzende den steek, dien hy de dochter gaf,
    (1515) Als door zijn eigen hart. de bloetbron, niet te schatten
    Op ’t fijnste kroonegout, aen ’t springen stroomen spatten,
    Besprengt het keizerlijk het vaderlijk gewaet.
    Zoo zijghtze neêr. de doot misverft dat schoon gelaet.
    De moeder staet stokstijf. de vader raest verbolgen,
    (1520) En vatze by de hant, die naulijx hem kan volgen.
    Ik ondervangze, en breng heur naer het lustprieel,
    In ’s pruimbooms schaduwe, een elendigh treurtooneel.
    De keizer kustze, en spoet te scheiden uit dit leven,
    Verhangt zich aen den boom, van wanhoop aengedreven,
    (1525) Met zijnen koussebant. zy volght den keizer na,
    Gejaeght van ’t hofgeschal: vertoef niet: rep u, dra.
    Lykungzus komt, gesterkt van duizent hofbesneênen.
    Uw jongste dag is om: uw zon heeft uitgescheenen.
Ly. Ons jammert hunne elende, en ’t hooren van dien toon.
Us. (1530) Genadighste, beklee dien ingeruimden troon.
    Geen vroom Sinees kan u deze erfnazaetschap weigeren.
Ly. Hoe dus? bezwijken nu de beenen, onder ’t steigeren
    Ten ingeruimden troon, tot drywerf achtereen.
    Wat spelt dit voorspook heil of onheil? neen ô neen:
    (1535) Wy willen onversuft ons in dien zetel zetten,
    En ’t rijk hanthaven by zijn recht en oude wetten.
Us. Geluk, heer keizer: heil, lang leven, rust en spoet.
    Ontfang dien gulden brief. Zungchin heeft met zijn bloet,
[p. 50]
    Als zijnen jongsten wil, dit bladt aen u geschreven,
    (1540) En op den eedt belast den nazaet dien te geven.
Ly. Heer kantzler, lees den brief voor allen overluit.
Us. Geluk, heer nazaet: ons regeering heeft nu uit.
    Geene onderdaenen ons van deze kroon beroofden,
    Maer hofbesneênen, krijghskornels, en opperhoofden.
    (1545) Zy meldden godtloos ons het hofverraet te spa.
    De hemel schenkt u ’t rijk. acht schelmen uw gena
    Onwaerdigh. strafze streng, ten spiegel van de boozen.
    Neem wraek, in onzen naem, van schelmen en godtloozen.
Ly. Waer blijft Kolaüs?    Us. hy verhing zich aen een’ boom.
    (1550) De wanhoop, los van bant, gaf eenen vryen toom
    Aen hofbesneênen, trou by eer en eedt gebleven,
    Om, op hun meesters spoor, te scheiden uit het leven.
Ly. Aertskantzelier, volhardt. uw trou blijve ongewraekt.
    Schrijf Uzangueius, die den grooten muur bewaekt,
    (1555) Tienhondertduizenden gebieden kan met wenken,
    Dat hy ten hoof verschijn’. wy willen hem beschenken,
    En hooger heffen op een’ koningklijken troon.
    Uit kracht van ’t recht, dat gy hebt over uwen zoon,
    Beveel hem op den hals, dat hy zich in koom’ stellen,
    (1560) Met alle hoofden en manhafte krijghskornellen.
    Men zalze altzamen van den ouden eedt ontslaen,
    Om door den nieuwen eedt, getrou en onderdaen,
    Lykungzus op den troon, hem toegekeurt, t’ontfangen.
Rey. Wy kruisgenooten uit Europe om strijt verlangen,
    (1565) Doorluchtste majesteit, te hooren uit uw’ mont,
    Of wy Peking en ’t hof, dat voor ons open stont,
    Verlaeten moeten, en terstont te lande uit trekken.
Ly. Volhardt: wy willen in ons schaduwe u bedekken
    Voor oproer en gewelt. Lykungzus blijft uw vrient.
    (1570) Gy hebt dees kroon getrou gehanthaeft en gedient.
    Bewaert de hantvest van uw vryheit onbezweken.

            Us. Li Zicheng. Xaianga. Chorus.

NOw hasten quickly, halberd-bearers and guards,
    And be sure to place the golden throne here in the forecourt.
    (1465) Amidst jubilation and the sound of drums and trumpets,
    The new emperor moves towards his predecessor’s throne.
    O most blessed ruler and general, worshipped
    By kingdoms, and a row of vanquished cities,
    Approach us at this auspicious hour, and protect the people.
    (1470) Have mercy on the people, and show mercy to all,
[p. 48]
    Who, hurling themselves into the dust, at the altar of your feet,
    Hail and receive you with delight.
Li. Arise, high chancellor. You were loyal to the predecessor.
    And let one of you now reveal to the successor
    (1475) How this tragic part of Chongzhen was concluded.
Us. Guards, open the gates of the garden and orchard.
    Most merciful lord, your eyes see there in the distance
    The sorrowful ending of Tai-Ming’s old rule.
    They both swing quietly on their garters.
    (1480) Not so long ago, all China and her fifteen great provinces
    Were ruled only by the inherited authority of their majesties.
    Here comes the imperial lady-in-waiting Xaiange, to give you a report
    And to reveal the fate of these two:
    For, as a lady of the court, she led our crownprincess
    (1485) To her bedchamber, and the deathly pale empress
    To the emperor’s pleasure garden, following the trail of Chongzhen’s blood.
    She had already turned deathly pale, having fainted in mourning.
Li. Take courage, Madam. Calm down: do not speak in haste.
Xai. Merciful lord, oh, what have I not experienced today!
    (1490) The ghost of the daughter and her mother haunt and hover,
    As does the emperor’s ghost, before my eyes, which are swimming:
    And I can hardly bear the rising sun,
    Which quickens the living, and grieves my heart.
    Sorrow traps and tightens my heart.
    (1495) As soon af the daughter had taken her leave from the father
    In the forecourt with a kiss, she and he together
    Entered the room at once with the mother, followed by the royal train and myself,
    And we were completely at a loss and pale and deathly.
    The daughter braces herself, with no tears of mortal fear
    (1500) Running down her cheeks, now prepared to be stabbed
    In front of her father, who stood stiff and dejected,
    As she wrenched open her clothes revealing her bosom.
    What a scream there was! What trampling of feet was heard?
    He saw no breasts, no, but a pair of hanging apples
[p. 49]
    (1505) Worthy of being caressed deserentially by regal hands,
    And of being kissed and kissed again, out of the burning passion of marriage.
    He recognizes his own offspring in her face and eyes,
    The mirrors of her soul, moved by her father’s grief.
    He sees the fresh rose deadly pale on either cheek,
    (1510) And the mouth. How fearfully does the father stand there
    With a naked dagger! He hurls the dagger down
    And stamped along the floor three times back and forth.
    He then approached her turning his face from her,
    Pretending not to notice the stab he gave his daughter
    (1515) As if he had stabbed his own heart. The source of blood, inestimably
    More precious than the finest royal gold, springing, streaming, splattering,
    Sprinkles the royal, fatherly robe.
    So, she collapses. Death discoloured that pretty face.
    The mother stands dead still. The father screams full of rage,
    (1520) And grabs her by the hand, who can hardly follow him.
    I catch her, and take her to the pleasure garden,
    Into the shadow of the plumtree, a sorrowful tragic scene.
    The emperor kisses her, and hurries to depart this life af quickly af possible,
    Hangs himself from the tree, driven to despair,
    (1525) With his garter. She follows the emperor
    Pursued by cries from the court: Don’t wait: be quick.
    Li Zicheng comes, with an army of a thousand court eunuchs.
    Your last day is over: your sun will shine no more.
Li. We lament their sorrow, and hearing this sad story.
Us. (1530) Most merciful lord, ascend this vacant throne.
    No true Chinese person can deny you this legitimate succession.
Li. How can this be? Why do I feel my legs collapsing
    As I attempt to ascend the throne three times in succession.
    What does the premonition suggest, good or ill? No, oh no:
    (1535) We shall place ourselves on this throne without fear,
    And uphold the kingdom according to its old and true laws.
Us. May fortune be with you, Lord Emperor: Hail, long may you live in peace
    And prosperity. Receive this golden letter.
    Chonzheng has written this page to you with his blood
[p. 50]
    As his last will,
    (1540) And entrusted me upon oath to deliver it to his successor.
Li. Lord Chancellor, read this letter aloud for us all.
Us. May fortune be with you, Lord Successor: Our rule has come to an end.
    No subjects have robbed us of this crown,
    Other than eunuchs, commanders and governors.
    (1545) They wickedly reported the treachery in the court to us too late.
    Heaven grants you the kingdom. Consider the rogues unworthy of your mercy.
    Punish them severely, as a mirror for the wicked.
    Take revenge, in our name, against the scoundrels and godless.
Li. Where’s Guolao? Us. He hanged himself from a tree.
    (1550) Despair, unbridled, gave free rein to the court eunuchs,
    Who remained loyal by their honour and oath,
    To depart from life in the wake of their master.
Li. High Chancellor, take courage. May your loyalty remain beyond question.
    Write to Wu Sangui, who guards the great wall,
    (1555) And can command ten hundred thousand men with a simple gesture,
    Ordering him to appear at court. We want to reward him,
    And raise him to a royal throne.
    By the power of the law that you have over your son,
    Order him on pain of death to present himself here
    (1560) With all the captains and brave colonels.
    We shall free them all from the previous oath,
    In order to receive, with a new oath, faithful and obedient,
    Li Zicheng on the throne, granted to him.
Chor. We brothers of the cross, from Europe, long
    (1565) To hear from your mouth, most esteemed majesty,
    Whether we should leave Beijing and the court,
    Which welcomed us, and leave the land immediately.
Li. Take courage: we shall protect you in our shadow
    From tumult and violence. Li Zicheng remains your friend.
    (1570) You have served this crown loyally.
    Preserve the charter of your liberty intact.
[p. 51]
            Rey. De geest van Xaverius.

GElooft zy Godt. nu laet ons hem eendraghtigh smeeken
    Dat hy een teken van genade ons openbaer’.
    Hier daelt een heldre wolk. men ziet eene engleschaer
    (1575) Aenheffen eenen dans, op hemelsche gezangen.
    Men kniele om zulk een’ groete, uit ’s hemels schoot ontfangen,
    Geluk en zegen, ons van boven toegeleit.
    De wolk gaet open. welk een glans en heerlijkheit
    Verschijnt hier in ’t verschiet, uit ’s hemels goude boogen!
    (1580) Een heiligh, rijk van glans, verquikt de schreiende oogen,
    En opent zijnen mont tot ’s allerhoogstens eer.
    Men luistre aendachtigh toe, en valle op ’t aenzicht neêr.
Xa. Altaergenooten, mijn gebroeders, wilt niet vreezen
    In dezen overgangk van ’t rijxhof der Sinezen:
    (1585) Lykungzus hangt te los aen ’t wankele avontuur:
    Want Uzangueius zelf, de wachter, wil den muur
    Ontsluiten voor het heir des Tarters. dees, aen ’t bruizen,
    Zal, als een waterval door opgezette sluizen
    Inberstende, al het lant zet in een bare zee,
    (1590) Velt winnen; de tyran Lykungzus deze ste
    Verbaest verlaeten, vliên met zijn geroofde schatten,
    Omkomen, en Peking het nieu gezagh zien spatten,
    Twee zoonen van Zungchin onthoofden voor de stadt,
    Den derden in een’ poel, van wanhoop afgemat,
    (1595) Gesprongen, over hals en hooft gedompelt, smooren,
    En al ’t Sineesche rijk, na slagh op slagh, verloren.
    Dan wil de groote Cham, in dezen ommezway
    Van staeten, Tartarye, en Sina, en Kathay,
    In eene heerschappy gesmolten, trots regeeren.
    (1600) Hy zal uw vryheit niet besnoeien maer vermeeren,
    Terwijlge ’t Heidendom herbaert door Christus wet,
    Tot dat zich d’afgront, dol van nijt, hier tegens zett’,
[p. 52]
    De nazaet opgeroit, en zonder reên verbolgen,
    Besta den godsdienst straf te dreigen en vervolgen,
    (1605) Den Bonsien ter gunste, en hun vervloekt altaer.
    Zoo ging het in Japon, getreden vijftigh jaer.
    Het wettigh strijden gaet voor ’t heerlijk triomfeeren.
    Wie kan Godts oordeel en voorzienigheit grondeeren!
    Want krachtigh treftze ’t wit en oogmerk daerze op mikt,
    (1610) Terwijlze lieflijk ’t voorgeziene in orde schikt.
Rey. Al zienwe boven ’t hooft veel donkre wolken hangen;
    Wy geven ons aen Godts voorzienigheit gevangen,
    Met onvermoeit gedult, uit ootmoedt en ontzagh.
    Het licht komt, na den nacht, veel schooner voor den dagh.

                                EYNDE.
[p. 51]
            Chorus. The spirit of Xavier.

God be praised. Now let us beseech him in unison
    To reveal to us a sign of mercy.
    Here a bright cloud descends. We see a host of angels
    (1575) Break into a dance to heavenly songs.
    Let us kneel to receive such a greeting from heaven’s lap,
    Fortune and blessing, sent to us from above.
    The clouds part. What a brilliant glow
    Appears here in the distance from heaven’s golden bows!
    (1580) A Saint, glowing richly, quickens the weeping eyes,
    And opens his mouth to the honour of the almighty.
    Let us listen attentively and throw ourselves to the ground.
Xa. Fellow altar companions, my brothers, you need not fear
    This change in the imperial court of China:
    (1585) Li Zicheng hangs in vain onto uncertain Fortune:
    Because Wu Sangue himself, the guard, will open the wall
    To the army of the Tartars. He will win the day,
    Just as a waterfall, bursting through open sluice-gates,
    Transforms land into an open sea;
    (1590) For the tyrant Li Zicheng will abandon the city in panic,
    Flee with his stolen treasures,
    Die, and Beijing shall see the new dynasty collapse,
    And see two sons of Chonzheng beheaded in front of the city,
    The third smothered, having jumped into a pool
    (1595) And submerged himself completely, exhausted with despair,
    And all the Chinese empire, lost, after so many battles.
    Then the great Khan, in this revolution
    Of states, having moulded Tartary, China and Cathay
    Into a dominion, will proudly rule.
    (1600) He will not curtail your freedom, but enhance it,
    While you let heathendom be reborn through Christian law,
    Until hell, gripped by jealousy, challenges this.
[p. 52]
    Let the successor, furious and angry without reason,
    Gravely threaten and persecute the faith,
    (1605) To the benefit of the Buddhists and their cursed altar.
    That is what happened in Japan, oppressed for fifty years.
    The just battle precedes the glorious triumph.
    Who can fathom God’s judgement and providence!
    For God’s providence will steadily achieve the objective it sets its eyes on
    (1610) Whilst it lovingly puts what is preordained in its place.
Cho. Although we see dark clouds hanging over our heads;
    We submit ourselves as prisoners of God’s providence
    With infinite patience, out of humility and respect.
    The light emerges, after the night, more brilliant.

                                THE END.


Continue