Jan Jacob Mauricius: Het Leidsche studenten leeven. Amsterdam, 1717.
Ceneton05797KBH
Uitgegeven op 1 januari 2003 door A.J.E. Harmsen
Universiteit Leiden.
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.

Continue

HET

LEIDSCHE

STUDENTEN LEEVEN

KLUCHTIG BLYSPÉL

PER HAEC AD ALTIORA.

[Vignet: Turbant, sed extollunt].

TE AMSTERDAM,
By HENDRIK van de GAETE, Boekverkooper,
op den hoek van den Vygendam en Warmoes-straat.
1717.




[Gravure: Wapen met de tekst: ‘Waakt - Huybert’].

DEN
WELEDELGEBOOREN’ HEERE,
DEN HEERE
PIETER ANTONI
DE HUYBERT,
Heere van Kruiningen, Rilland,
enz. enz.


SEKRETARIS
DER STAD
AMSTERDAM.

MYN HEER,
IK geeve my de eer van myn’ LEIDSCHEN STUDENT, geheel in ’t nieuw gekleed, Uwe Weledt. tot een vriendelyk Nieuwjaarsgeschenk toe te zenden; en nadien ik hem niet zonder Uw’ Weledts. aanraading en goedkeuring in ’t licht geef, vlei ik my, dat Uw’ Weledt. hem onder de schaduw van haaren Weledelen naam en wapen met vermaak zal laaten schuilen. Ik acht my gelukkig, myn Heer, dat deeze Opdragt my gelegenheid geeft, om Uw’ Weledt. op een’ plegtige wyze met het deftig Eerampt, ’t geen Uw’ Weledt. met een’ algemeene toejuiching verkreegen heeft, alle bedenkelyk heil en zegen te wenschen. De uitgebreide weetenschap, ’t ryp oordeel, en de ongemeene begaafdheden, die, gevoegd by een oud en edel geslacht, Uw’ Weledt. de achting der Burgeren, en de genegenheid Uwer Doorluchtige Vrienden waardig maaken, doen al de waereld hoopen, dat deeze eerste Staatstrap van veel grooter’ gelukken een voorspel zal zyn, en dat Uw’ Weledt. haare roemryke Voorouderen, die de hoogste Eerampten in ons Gemeenebest zo loflyk bekleed, en de vryheid altoos beschermd hebben, deftig zal natreeden. Wat my betreft, myn Heer, myne oprechte vriendschap is Uw’ Weledt. te wel bekend, dan dat ik eenige woorden behoef, om uit te drukken, met hoe veel yver ik ben, en altyd wensch te blyven,

            MYN HEER,

                    Uw’ Weledts.Gehoorzaame Dienaar,

                    JOAN JAKOB MAURICIUS.
                                        R.G.
Den eersten van
    Januari 1717.



VOORBERICHT

SChoon ik wel weet, dat het Gemeen weinig reden heeft
om op den inhoud der dagelyxe Voorredenen veel acht te geeven, als, die gemeenlyk meer met opgeschikte Charlataneryen, dan met ernstige waarheden gevuld zyn; hoop ik echter, dat men my gelooven zal, wanneer ik betuig, dat ik dit Stukje tegen myn vermaak en voorneemen, met bedwongen wille uitgeef. ’t Is al van ouds by kenneren wydloopig aengemerkt, dat de jonge Dichters de kunst van een Tooneelspel te maaken, al te ligt agten, en, zo ras ze eenige kennis van rymen hebben, zich zonder eenige verdere ervarenheid daar toe te schielyk bequaam schatten; ’t geen veroirzaakt, dat de Schouwburg meer met quaalyk by een gelapte saamenspraaken, dan met rechte Tooneelstukken opgevuld, en by menschen, die meer op ’t misbruik, dan op ’t werk zelf zien, gehaat wordt. Ik schaam my geenszins te bekennen, dat ik mede in myn’ eerste Jeugd die zwakheid ben onderhevig geweest, en om verscheidene brokken van Treurspelen, die ik toen gerymd heb, en thans met een vermaakelyk medelyden somtyds lees, voorby te gaan, zal ik alleen zeggen, dat ik naauwlyx veertien jaaren oud was, wanneer ik, na een’ menigte ven Bruiloftsvaerzen, Verjaarzangen, en andere Mengeldichten op myn’ wyze gemaakt te heben, eindelyk (op zyn Eêlharts in de Gelukte List) niet rusten kon van verlangen om iets van myn’ werkjes op het Tooneel te brengen. Doch, gelyk ik aan den eenen kant nog geen Fransch genoeg verstond om iets over te zetten,en aan de andere zyde myn’ jaaren te weinig waaren om van de waereldsche gevallen veel kennis te hebben, was ’er geen voorwerp, daar my ’t oog natuurlyker op vallen kon, dan ’t Studentenleeven, ’t geen ik, toen ter tyd op de Akademie zynde, dagelyx hoorde, en zag. Met zeer veel yver teeg ik derhalven aan ’t werk, en maakte een stukje, onder den naam van DE GESTOORDE STUDENTENVREUGD, ’t geen naar maate van myne jongheid, en kleine kennis, zeer verdraagelyk was, en, zoo ik my den tyd van het te schaaven gegund had, moogelyk den lof van een zoet kluchtje zou verdiend hebben. Doch myne vuurigheid om myn’ vaerzen gespeeld te zien, was, gelyk ’t gemeenlyk gaat, al te onmaatig; te meer, dewyl ik ’t vastgesteld had niet te laaten drukken, en buiten dat nooit eenigen tyd aan de Poëzy gehangen heb, dan, die my van myne hoofdbezigheden volkomen overschoot. ’t Was derhalven pas uit de pen, of ik gaf ’t den Tooneelspeeler Ryndorp, met volle magt van ’er naar zyn welgevallen in te kappen en te veranderen, die ’t ook na verloop van weinige weeken, zeer verkleind, onder den naam van ’T LEIDSCHE STUDENTENLEEVEN NAAR DE MODE op het Tooneel bragt. Doch hoe zeer ik oprechtelyke zeggen kan, dat dit stukje, zo wel als een ander, ’t geen ik onder den naam van ’T PLEIDOOI VOOR DE STUDENTEN sedert gemaakt heb, naar maate, dat myn’ kennis door opmerking, en ’t leezen van verstandige boeken gegroeid is, my allengskens minder voldaan heeft; schynt het echter, dat sommige Liefhebbers de goedheid gehad hebben van myne Werkjes met gunstiger’ oogen aan te zien, dan ik zelf. Hoe ’t zy, men heeft van één der Speelers weeten Afschriften te krygen, en men heeft die twee Blypelen op verscheide plaatsen meêr dan ééns tegen myn’ zin willen drukken. De Boekverkooper van de Gaete hadt de beleefdheid van my hier van kennis te geeven, ’t geen my, nadien ik ’t niet langer beletten kon, noodzaakte de moeite te neemen, van vooreerst die Stukje wat naauwkeuriger over te zien, in vertrouwen, dat bescheidene Liefhebbers begrypen zullen, dat men oud werk wel schaaven kan, doch geenszins nieuw maaken, en dat het geen lof, maar alleen verschooning is, die ik van hen vergen zal.
    Men zal (om nu vna ’t Spel zelf iets te zeggen) moogelyk aenmerken, dat het een Stuk zonder minnery is, en ik had zelf, om rechtuit te spreeken, ’t liefst anders gezien. Doch behalven dat ik geen’ noodzaakelykheid vinden kan, waarom huist alle Tooneelspelen met een Huuwelyk eindigen moeten, (gelyk ook de verandering dikwils iets aangenaams heeft) oordeel ik ook, dat aan de eene zyde by losse jongelingen, die geen’ andere meesteres hebben, dan de ongebondenheid (want zoodaanige, en geen’ bezaadigde Studenten worden hier afgeschilded) een[’ ernstige vryaadje heel quaalyk te pas koomt, en da aan de andere zyde de geschiktheid niet lyden kan, dat men oneerlyke Vrouwen, die ik anderszins iin de histori gemaakelyk had kunnen inwikkelen, op ’t Tooneel brengt. Hoe ’t zyn mag, ik beken gaeren, dat de stof, en ’t voorwerp zeer eenvoudig is, als behlzende alleenlyk een dronken Studentengezelschap, dat van een’ Vader verrast wordt; doch ik vlei my ook, dat de rechte kenners die eenvoudigheid moogelyk ’t meest waardeeren zullen. En, schoon ik derhalven met weinig’ moeite den Hospes had kunnen een’ Dochter geeven, of de rol der meid verder uitrekken; heb ik echter liever de geschiedenis door een natuurlyk voorval willen ontknoopen, dan ’t Spel, gelyk ik veele, en zelfs in sommige Fransche stukken tot walgens geschiedt, in ’t einde door een gewrongen en onwaarschynlyk Trouwgeval schielyk in stukken hakken. Ik heb voor ’t overig den naam van HET LEIDSCHE STUDENTENLEEVEN (schoon die van myn’ uitvinding niet is) om dat het dus bekend was, laaten houden. Anders was de naam van DEN LEIDSCHEN STUDENT, en voornaamlyk de allereerste van DE GESTOORDE STUDENTENVREUGD, om verscheidene redenen veel beter geweest. En zo het thans de zwier niet was, aan eenvoudige werkjes grootsche titels te geeven, zou men kunnen aanmerken, dat de inhoud met dat breed opschrift niet overéénkomt; nadien ’t Stukje alleen voor een’ byzondere geschiedenis, en geenszins voor een’ volmaakte afschetzing van al, wat tot dat leeven behoort, kan gerekend worden. De naamen van Ligthart, Blyhart, enz. heb ik voor andere gekoozen, om niemant onverhoeds misnoegen te geeven. Voor ’t overig heb ik in taal, spelling en geslachten hier en daar, om de schildery natuurlyk te maaken, de dagelyxe wyze van spreeken meer gevolgd, dan den eisch der regels.
    Zie daar in ’t kort, al ’t geen ik den Leezer ontrent dit Blyspel te berichten heb; en ik zou hier afscheiden, zo ik niet lang na gelegenheid gewenscht had om een woordtje van zekeren Brief te zeggen, die onlangs zonder naam, tot vervolg op zeker Rymwerk met Nooten, dat den titel van Kneppel onder de Hoenders draagt, is uitgegeeven. Men heeft daar in op een los bericht van een’ tweeden brief, mede zonder naam, of liever op een enkel vermoeden, om dat ik de eer heb van met den Heer van Kruinigen een’ naauwe vriendschap te houden, de vryheid gebruikt van myn’ naam stout te boek te slaan voor den maaker der werkjes, die sederteenigen tyd onder den naam van Chrysostomus Mathanasius zyn uitgekoomen. Ik heb geen’ reden om ’er quaad over te weezen, nadien die werkjes zo wel en geestig geschreeven zyn, dat ik my met dat vermoeden (zo ’t alleen by vermoeden bleef) zou moeten vereerd achten. Watn dat die goede Vriend, die zich Philomusus gelieft te doopen, de schriften van Mathanasius walgelyk noemt, is waarlyk myns oordeels (zonder dat ik zyn water behoef te zien) een vast teken van een’ zwaare Hypocondrie, die zyn’ maag de kracht beneemt om zo hartig-bemosterde Hammebeetjes te kunnen verduwen. Hoe ’t zy, die kaatst, moet ballen verwachten, en zo ik verlof mag hebben om in ’t voorbygaan iets van myne gedachten te zeggen, de vinnige Uitdrukkingen [noot: Dien ’t lust, kan hier van staaltjes vinden: Zangb. in Gev. Opdr. v. 1. verder p. 1. v. 3. p. 5. v. 4. p. 7. v. 3. en 13. Zangb. buit. Gev. p. 3. v. 8. 12. en 17. p. 4. v. 15. p. 5. v. 7, 10. 12. en 16, p. 6. v. 3. 12 en 20. p. 7. v. 4. en 11, p. 8 v. 3. 10. 12. en 19. Ged. aan den Heere Zeeus, Opdr. v. 1. 2. en 4. p. 3. v. 6. en 8. p. 4. v. 12. p. 5. v. 13. en 15. p. 6. v. 12. p. 7. v. 15. en 19. p. 8. v. 1. 7. 9. en 13. Kneppel ond. de Hoend. doorgaans.], en haatelyke spotteryen, die de maakers van den Zangberg in Gevaar, Den Zangberg buiten gevaar, ’t Gedicht aan den Heere Jakob Zeeus wegens den Zangberg in Gevaar, en Den kneppel onder de Hoenders, den Heere van Kruiningen, zonder eenige voorgaande belediging, hebben toegeduwd, gevoegd by de onvoorzigtige behandeling ontrent den Heer Droste, een oud’ Heer, die hen moogelyk nooit gekend, veel min ooit misdaan heeft; hadden zeker vy scherper antwoord konnen vinden, dan den Muizenzang, enz, waar in niemant gehekeld wordt, dan bedektelyk, met geestige en fyne Ironiën, daar een onkundige niets van verstaan kan. Zo ik ook al oirzaak had om over dien Brief misnoegd te zyn, moet ik my troosten, dat ik ’t niet alleen ben, maar in myn ongeluk zeer deftig gezelschap heb: en wanneer ik zie, hoe men in den Kneppel onder de Hoenders Heeren van oneindig meer staat, en verdiensten, dan ik, niet alleen voornaame Edellieden van ons Land, maar zelfs Mylords, Graaven, en Hartogen, ja zo wel dooden, als leevende (waar van ik voor myn eigen vermaak een’ Lyst opgesteld heb) zonder eenig ontzag aangetast, en met naam en toenaam begekt heeft, weet ik waarlyk niet, of ’t der moeite wel waardig is, om ’t my aan te trekken. Indien my de naam des Schryvers wat zekerder bekend was, zou ik beter besluiten kunnen, wat my te doen stondt, om hem in beleefdheid niet schuldig te blyven, en myne verpligting op een’ weezenlyke wyze te doen begrypen. Doch tegenwoordig ben ik waarlyk geheel in ’t wargaren. Dan schryft hy zich Cornelius Indignantius; nu heet hy weêr M. Modestius Hilarus; dan is ’t de Ridder van de starren ***; een oogenblik daar na L. Annius Italicus Honoratus; dan Gallus Favonius Jocundus; dan Philomusus. In ’t eind, wien zou de keur van zo veel’ schoone, lange, uitheemsche naamen, elk om ’t geleerdste, niet verlegen maaken? Waarlyk, hy zy, wie hy zy, ’t moet een zeer verstandig man zyn. Want op elk blad vindt men geheele regels met Latyn, even of ’t geen geld gekost hadt. Doch ’t dunkt my vreemd, dat een Heer, die zo doorletterd is, om ’t oude Latynsche schoollesje van Kato niet gedacht heeft:

    Turpe est doctori, cum culpa redarguit ipsum.

Dat zo veel zeggen wil, als:

    ’t Is schand’lyk, als de meester zelf bedryft
    Het geen hy in zyn’ leereling bekyft.

    Immers, verscheiden’ menschen van kennis en aenzien hebben ’t belacchelyk en met één erbarmelyk gevonden, dat iemant, die een’ ander zonder grond over ’t gebruiken van een’ verzierden naam beknorren wil, zelf den zynen onder zo veel’ verscheidene dekklederen verborgen, en zich zelven, als een bloode Haas, in zyn rottig leger verscholen houdt, terwyl hy dus een veilig middel vindt om een goed gedeelte van de zwarte gal, daar zyn’ ingewanden meê bezet zyn, gemakkelyk zonder braakdrank quyt te raaken. Zy voegen ’er by, dat men dien liefhebber, indien hy zoo afkeerig niet van de Logika was, klaar bewyzen zou kunnen, dat hy vast aan één van beide zich schuldig maakt, of een’ groote losheid, of een opzettelyk bedrog. Zo hy den brief van Philomusus zelf verzierd heeft, zeggen ze, is ’t laatste zonder tegenspraak. En zo ’t waar is, dat hem zodaanigen brief, van een’ onbekende hand geschreeven, door een’ vriend, die zelf niet wist, van waar die quam, gegeeven zy; laaten zy ’t aan ’t oordeel van al’ de waereld, of ’t werk van wyze menschen is, op zulke lossen bericht den naam van iemant, die hem nooit eenstroo in den weg gelegt heeft, zo ligt ten toon te stellen. Voor my, zo ik een dier Beuzelaaren was, die al hun verstand, en leeven met rymen verslyten, zou ik moogelyk blyde zyn, dat men my gelegenheid hadt gegeeven om te beproeven, of ik braaf kyven en schelden kon. Doch om vyf of zes uuren, die ik op ’t meeste in een’ gansche maand aan de Poëzy hang, lust het my geenszins schrap te staan, zo dikwils de eene of de andere Wargeest my tot het voorwerp van zyn’ onrustigheid gelieft uit te kiezen. Hoe ’t zyn mag, ik wil niettemin voor ’t tegenwoordige nog niet scherp zyn, en deeze eerste misgreep voor deeze reis, uit goedaartigheid, in hoope van beterschap, over ’t hoofd zien.
    Wat andere laffe nachtwerkers, en Almanaxpoëeten betreft, die hun’ onbekende naamen door ’t verongelyken van eerlyke lieden zoeken befaamd te maaken, en ’t verstand niet hebben om binnen de paalen van lacchen te blyven; zo ik ooit het ongeluk had van in zulke handen te vallen, zou ik hen nooit de eer doen van hun’ onbeschofte harssenbraakzels in te zien, veel min, dat ik my zo diep verjanhagelen zou willen om hen in hun’ lompe taal te antwoorden. ’t Is waar, dat ik van natuure met die bloeden deernis heb, om dat het hun schuld niet is; nadien de armoede van geest, die hen belet iets, dat leezenswaardig zy, voort te brengen, hen dwingt om dat gebrek met vuilaartigheid te vervullen: want gelyk op straat geen volk vergadert, wanneer twee menschen bezadigd ’t saamen praaten, maar wel, wanneer twee viswyven aan ’t schelden geraakt zyn; zo verbeelden zy zich mede, dat ruwe Pasquillen meer’ Leezers en verwonderaars zullen vinden, dan zedige boerteryen, die gezouten, en niet vergiftigd zyn. Doch nadien ik nooit mensch myns weetens in Gedichten of Voorredens gehekeld, maar dikwils gepreezen heb; oordeel ik ongehouden te zyn, om iemands quaadwilligheid te moeten afwachten; en zo men my derhalven onbehoorlyk geliefde aan te tasten, of in geschillen, die my geenszins raaken, verder, dan my gelegen koomt, in te wikkelen, kan men verzekerd zyn, dat ik my aan geen’ Apollo, noch Muzen beklaagen zou, en my steeds erinneren, dat wy ’t geluk hebben van in een Land te leeven, daar men hooger’ Rechtbanken vindt, dan den Zangberg.



VERTOONERS.

GOZEN, hospes van Ligthart.

DIEUWERTJE, vrouw van Gozen.

LIGTHART, een Student.

DRINKAART, een Dansmeester, boezem-
                            vriend van Ligthart.

ROEMER, een Student.

BLYHART, een jong Student, of Groentje.

JAKOMYNTJE, meid van Gozen.

KOENAART, een Student.

RYKERT, vader van Ligthart.

KEES, een boer, knecht van Rykert.


                    Zwygende.


GULHART, een Student.


Het Tooneel verbeeldt een’ straat voor ’t huis van
                Gozen, te Leide.



De geschiedenis van het Blyspel begint ’s avonds
    ten half zeven, en eindigt na half acht uu-
    ren, in Lente- of Herfsttyd.


Continue

HET LEIDSCHE

STUDENTENLEEVEN.

KLUCHTIG BLYSPEL. _____________________

EERSTE TOONEEL.

GOZEN, DIEUWERTJE.

GOZEN.
MAar Dieuwert, zal ik al’ die naare talmeryën
            En die melankolieke praat
Dan eeuwig aan myn’ ooren moeten lyën?
Hy weet niet beter, of zyn zoon is kandidaat.
(5) ’k Weet dat hy koomen zel: ik wacht hem alle dagen.
Hoe ken je nou dan ook zo haastig zyn, moêr Jans?

DIEUWERTJE.
Dat ’s waar, jy hebt het goed te zeggen, jy lui, mans.
Maar zie, ik blyf ’er by, ik wil ’t niet meer verdraagen.
Jy praat wat, Gozen, maar jy weet ’er weinig van.
            (10) Jy gaat wat op je muiltjes schuuren,
Of loopt het gat uit om een praatje by de buuren,
En ondertusschen komt op myn vast alles an.
Jy bent niet gek: jy woudt je vrouw wel laten slooven,
En trekken zachtjes ’t geld: wel zou je ’t niet wel looven?
(15) Neen: al dat raazen, al dat kloppen elk moment,
            Dat Ligtemissen, al dat plagen,
            Dat mogt de Drommel langer draagen.
            Ik ben zulk leeven niet gewend.
Dat redementen, en dat akermentsche wachten
            (20) Tot twee drie uuren alle nachten,
            Dat maakt me dol en desperaat.
Want onze Jakemyn die heit dan niet geslaapen
En ken dan over dag van luijigheid pas gaapen.
’t Is toch zoôn lamgat: want die slaapt dan, daar ze gaat,
(25) De kost bederft, en als ze iets doen zal, is ze in staat
                Om al men mooije goed te breeken.
        Zie, Goozen, of we zwygen, of we spreeken,
                We hebben weinig aan die meid.
            Ze is los, en wild, en ze acht gien kyven.
                (30) En ’k heb gien’ zin, recht uit gezeid,
Als ik haar by hum stuur, in dat lang boven blyven.
Zie daarom, dat is uit: ik ben zoo mal niet meer.
En jy bepraat me niet, al waar je met je tienen.
Wil jy hum houwen, zie, dan mag je hum ook dienen.
            (35) Verhuuren wy zoo ras geen kamer weêr,
            Pasjensy! hy zei evenwel verhuizen
Jy kent zoo doende dan wat beter leeren kluizen,
En loopen zo niet om een pintje hier en daar.
Dat geld ken jy dan weêr besparen, vat je ’t, vaâr?

GOZEN.
(40) Ik bid je, Dieuwert, laat ons daarom toch niet kyven,
En laat je man daar in een beetje meester blyven.
Wanneer ik by een’ Buur een eerlyk Bruidje leg,
Dat doe ’k alleen maar om je niet te incommodeeren;
Want als ik uit ben, loop ik thuis niet in de weg.
(45) Ook zeit de Dokter, dat ik my moet diverteeren,
Wanneer ik frisch wil zyn. Bedenk dan ook, myn sloof,
Het spaart weêr vuur: want jy behelpt je met een’ stoof.
            En als ik thuis bleef, lief gepreezen,
            Dan zou der vuur an moeten weezen,
(50) Zo dat, indien ik reis een dubbeltje verteer,
            Ik spaar ’t aan andere dingen weêr.
Maar voor de rest, ik pleit voor Ligthart nu niet meer,
En ik verlies zo wel, als jy, al myn’ pasjensy.
            Het kan ook langer zo niet gaan.
                    Ligthart zingt van binnen.
(55) Sus, sus, daar komt hy t’huis. Kom, spreeken wy hem aan,
En zetten wy ’t hem eens ter dege op zyn’ consjensy.


TWEEDE TOONEEL.

LIGTHART met een’ Japon gekleed, GOZEN,
           
DIEUWERTJE.
LIGTHART, Goozen op den schouder slaande.

Ho, hospes!

GOZEN, hem weder op den schouder slaande.

                Ho student!

LIGTHART.
            Ha! jy staat duivels in myn’ gracy.
        Al doe ik jou somtyds zoo wat temtaçy,
(60) Je bent al evenwel een braaf slag van een’ vent.
            Myn hospesje!
                    Hy omhelst hem.

GOZEN.
                                Maar jy Studenten,
    Jy bent zo vol van complimenten;
Ik ben daar by men’ keel in ’t minst niet op gezet.

LIGTHART.
Verdord! we hadden van den nacht weêr zulken pret.
(65) Daar ’s niet een glaasje, waar we gingen, heel gebleeven,
        Ho kaereltje! we maakten zulken leeven.
Voor myn part, broertje lief, ’k verklaar jou op men’ trouw,
        Ik was zo vol als een kartouw.
    Men rok is heel en al bespoogen.

GOZEN.
(70) Waar is hy dan?

LIGTHART.
                                    Hy hangt by Blyhart om te droogen.
        Die heeft me zyn’ Japon zo lang geleend.
En t’avond trekken wy weêr op, als lui van krachten.

GOZEN.
        Jy bent een borst van goeije hoop, ik meen ’t,
            Daar is wat groots van jou te wachten.

LIGTHART.
(75) Ik geef het vaatje, en dan met nieuwen lust en moed
Aan ’t krotten al’ den nacht; ik laat geen’ tyd verlooren.
Dat heet eerst vlytig zyn.

GOZEN.
                                        Heel loffelyk! heel goed!
Maar ’k loof, dat jou Papa heel aardig op zou hooren,
Als hem die vlytigheid en yver quam ter ooren.
(80) Wie weet, waar jou fortuin nog leit, of hy terstond
        Jou niet naar ’t Oost om peper zondt?
        Daar heeft men vlytig volk van noden.

LIGTHART.
        Het lykt, jy spot wat met de Goden.
        Die Tabernakel jeukt je wat.
        (85) Hoe drommel, denk ik, of het hier is?
        Als ’t evenwel van jou plaisier is,
        Wat minder Grieks! verstaa je dat?

GOZEN.
Hoor vriend, of jy wat legt te snurken en te raazen,
        Dat zyn ’t niet, die Wilhelmus blaazen.
(90) ’t Heit lang genoeg geduurd. Ik zeg ’t, gelyk ik ’t meen,
En ik verklaar je myn besluit met korte reên,
Dat ik dat leeven dus niet langer zou verdraagen,
Of ’k zou ’t je Vader moeten klaagen.

LIGTHART.
Jy durft dan tegen myn zoo spreeken, doe je, plug?
(95) Jy klaagen, weegluis? ha! wat wil ik jou dien rug
Nog murruw streelen! ’k zal je eens hartig moeten leeren,
Hoe je een’ Student van myn fatsoen zult respekteeren.
Jy klaagen, Izegrim? zeg, gaat het jou dan aan?

DIEUWERTJE.
Dat hoop ik zeker, dat ’et hum nog an zel gaan.
        (100) Loop, Ligtmis, loop, betaal je schulden.
        Geef eerst die zeeven honderd gulden,
Die je ons nog schuldig bint, jou quistgoed, daar je staat,
        Nog druipen zel je, daar je gaat.
    Jy toont je niet, als ien Student met eeren.
(105) Foei! dat je ien ouwe vrouw zo doet altammereeren!

LIGTHART.
        Maar, besje, maar, wat heb je ’t quaad!
        Wel ik beklaag jou in der daad.
’k Geloof, ’k zal jou voortaan om oorlof moeten vraagen,
Wat dat ik maaken zal, en hoe ik my zal draagen.
(110) Je maakt je by men’ keel al vry wat familjaar.

GOZEN.
Hoor Ligthart, ’k wll der nou geen’ praat meer over maaken.
Ik zie daar Drinkaart: maar wy zellen onze zaaken
        Reis anders schikken met malkaâr.
Is ’t huiden niet, het is dan morgen, vat je ’t, vaar?
        (115) Ik zie, met jou is toch geen spreeken.


DERDE TOONEEL.

LIGTHART, DRINKAART.

LIGTHART.
JA! ja! je zelt al heel beweeglyk moeten preeken,
        Eer jy me brengt tot jou geloof.
        ’k Ben aan dat oor een beetje doof.
Doe jy je best: ik ben voor dreigen niet verlegen,
(120) Hoewel, als ik het by me zelf gaa overweegen,
Myn ouwe man is al een rare Filosoof.
Die snaak kan aan zyn hoofd niet veel gefutsel veelen.
        En dat canaille is niet een haar
        Te goed om my die pots te speelen.

DRINKAART.

        (125) Wel, vriend des Keizers, staa je daar?
        Verdord! wat is de kop my zwaar?
        Ik heb den heelen dag geslaapen,
En ’k doe tot nog toe niets, als slingeren en gaapen.
        Hoewel (zie, dat vertroost me weêr)
(130) Ik meen men’ darmpjes met het eigen wagensmeer
Van gistren weêr braaf te zalven en te stryken.
        Maar hoe? wat schort er aan? wat is ’t?
        Hoe sta je zo bedrukt te kyken,
Gelyk een hondje, dat de matten heeft bepist?
(135) ’t Is of je zuchtte. Wat zyn dat voor fantazyën,
        Die door je harssens ryën?
Heeft blonde Mietje (want die is toch jouw Godin)
Van deezen nacht je niet ontfangen naar je zin?

LIGTHART.
        Ey! niemendal! wat malder vraagen?
        (140) ’k Heb wel wat zwaarders in myn’ kop,
        En denk heel ergens anders op.
        Ik kan jou alles zo niet klaagen.
Jy bent ook by men’ keel een raare Potentaat.
        Want nimmer mist het, of jouw praat
    (145) Komt altyd uit op drinken of op vrouwen,
    Zo dikwyls als je mond maar open gaat.
’t Is waar, dat blonde Mie heel in myn’ zinnen staat.
En ’k mogt wel lyën om een’ dubbelden dukaat,
Dat al’ de vlooyen van myn bed zo lelyk waaren.
(150) Maar kom, ik zelje, wat me op ’t hart leit, openbaaren.
Neem maar de moeite, dat je dit pakket eens ziet,
Ziedaar! wat dunkt je van dat soort van minnebriefjes?
        Zyn dat geen’ aardige geliefjes?
En heb ik reên, dat ik men’ ooren krab, of niet?

DRINKAART.

        (155) Wat ’s dat? wat henker wil dat zeggen?

LIGTHART.
Me dunkt, je leest het daar zo duidlyk altemaal
        Dat ik ’t je niet hoef uit te leggen.
        Je ziet het, ik ben duivels kaal,
        En ’k heb daarby myn’ naars vol schulden
        (160) Voor meer dan achttien honderd gulden.
        Verdord! ik vrees voor zulken baal,
        Wanneer den ouwen paai zal weeten,
Dat ik zo dikwyls al heb in ’t Kachot gezeeten.
Die vleit zich, dat ik hier braaf op myn’ dingen pas,
(165) Ik kryg vast elke post een’ brief, dat ik zo ras,
Als ’t toch maar zyn kan, my moet laaten promoveeren,
Met heele stapels van vermaaningen tot vlyt,
        Tot soberheid, tot menageeren,
En gansche Oraties van de slechtheid van den tyd.

DRINKAART.

        (170) Wel vriend, jy zult ’er dan wel koomen,
En de olde man maakt mooi zyn’ reekning zonder waard.

LIGTHART.
Ja, denk eens. ’k Heb niet één Collegie waargenomen.
Ik ken geen’ boeken, als ’t verkeerbord, en de kaart.
Nog wist ik raad genoeg. En ’k zou wel iemand vinden,
(175) Die voor een hoopje van die ronde blanke vrinden
My helpen, en een goed dispuit kalfaatren zou.
Zo doet toch een ieder een. En ’t is de mode nou.
Maar ’k heb het niet. Al’ myn financy is verslonden.
Het kandidaatgeld, dat myn vaâr my heeft gezonden,
        (180) Is lang verdobbeld en verteerd.
Myn schoone goudbeurs is al lang geëklipseerd.
Al ’tgeen ik myn’ Mama nog heb van ’t hart gebonden,
        Toen ik van haar myn afscheid nam,
        En eerst op de Akademie quam,
(185) En al wat zy my sints nog stil heeft bygesteeken
Dat ’s lang versmolten. Myn Orlogie en myn ring
Is lang ad patres. Zie, daar heb je een’ rekening
        Van zekere kruiden uit de Apteeken,
En zeekren Chirurgyn, dien jy meê heel wel kent.

DRINKAART.

(190) Wel ja, ’k geloof, dat ik het gissen kan omtrent.
Maar anders, ’k vind dat juist niet nodig op te haalen.

LIGTHART.
Ik moet myn hospes nog een’ schoonder lyst betaalen
Van huur, en kost, en ’t geen hy nu en dan verschiet.
        Zie, die registers zyn van boeken,
        (195) Die ’k hier en gins, gelyk je ziet,
In alle winkels meest gehaald heb op crediet.
En om weêr balsem voor myn zieke beurs te zoeken,
        Verkogt ik die bagagie strak
Voor een’ çivilen prys tot voering voor myn’ zak.
(200) Want al dat goore goed gaf my maar ongemak.
Daar, al’ die lysten zyn van Oesters, Wyn, Tabak,
Anchovis, Brandewyn. Daar heb je twee pakketjes
(Zie, elk leit op zyn’ plaats. Ik schik myn’ dingen netjes)
Van herberg, koffyhuis, den hospes uit het schild,
(205) Van kaatsbaan, maliebaan, enfin al wat je wilt.

DRINKAART.

Je staat ’er heerlyk by. Men zou ’t aan jou niet zeggen,
Daar jy je zaaken zoo korrekt weet te overleggen.

LIGTHART.
        Ja broêr, geloof me vry, dat ik,
        Al vriest het ’s winters handen dik,
(210) Als ik die bullen op myn lyf leg, wel kan zweeten.

DRINKAART.

        Tut, tut, een goeye beker wyn
        Is een probaate Mediçyn,
Die al de zaaken van de waereld doet vergeeten.
            Jou vaâr heeft geld en goed
                (215) In overvloed.
Of die wat gromt, die moet dat volk te vrede stellen.
        ’k Zou daar myn kop niet eens meê quellen.
        Wat wil de ouwen snaak je doen?
Beschaft hy jou geen geld genoeg naar jouw fatsoen,
(220) Dat is zyn’ eigen’ schuld, dat hy niet meer wil geeven.
Wel wat begeert hy toch, dat je, als een Griek, zult leven,
En blokken, als een Gek, en denken om geen’ vreugd?
Als jy maar zorgt, dat jy je Meester schryven meugt,
Wat scheelt de rest hem dan? zou jy je jonge jeugd,
        (225) Als een Pedant, verslyten met studeeren?
Wel, jy zoekt immers nooit om geld te praktizeeren,
En kunt genoeg een Drost, of ’t een of ander zyn.
        Al weet je van geen rechten, noch Latyn.

LIGTHART.
Je hebt gelyk: ik wil de zorg van ’t hart afdrinken.
(230) Maar ’k zal den eersten plug, dien ik ontmoet op straat,
Gewaar doen worden, dat de kop my quaalyk staat.
        ’k Moet van den nacht eens braaf rinkinken.
Daar gints komt Roemer met ons Groentje, en ’t wordt al laat.


VIERDE TOONEEL.

LIGTHART, ROEMER, DRINKAART, BLYHART.

LIGTHART.
HA! welkom, Roemertje.

ROEMER.

                                        Pas ik niet op, men’ Heeren?

DRINKAART.

(235) Ho! dat verzuimt geen man met eere. Altans voor my,
Daar wat te zuipen valt, daar ben ik de eerste by.

BLYHART.

Heer Roemer, als je ’t nu belieft te permitteeren,
Zoo loop ik met ’er haast den hoek eens effen om.

ROEMER.

Naar huis toe?

BLYHART.

                        Als ik mag.

ROEMER.

                                        Waar toe zal dat toch dienen?

BLYHART.

(240) ’k Gaa maar eens zeggen, zo ik uitblyf over tienen,
Dat ik dan hier blyf, en van nacht niet thuis en kom.
Want anders is hy boos en ’k ben zo bang voor schryven.

LIGTHART.
Wel wat een’ zotheid, dat dit graauw niet op kan blyven!
        Wen jy jouw’ rekel van een’ hospes, dat hy wacht.
            (245) Jy moet hem anders drillen,
            Al was het nacht aan nacht.

BLYHART.

        Ja maar, myn Heer, hy zou niet willen.
Toen myn Papa my hier op de Akademie bragt,
    Heeft hy my aan myn hospes aanbevolen;
(250) Myn zoon is jong, zei hy, ik geef je volle magt,
Bestraf hem, en pas op dat hy niet raakt aan ’t doolen.
Daar is hy trots op, en dat geeft me vry wat schrik.

LIGTHART.
O, jongeling, jongeling, wat zel je al moeten leeren,
        Eer jy zo oud reis bent, als ik.
(255) Nu loop al heen. Maai, pas my aanstonds weer te keeren.
        En talm niet langer als ’t behoeft.

ROEMER.

Ja zo je langer, als een oogenblik, durft blyven,
    Zoo zal ik jou die ooren lustig wryven.
Je weet, hoe ’t smaakt. Je hebt myn handen meer geproefd.


VYFDE TOONEEL.

ROEMER, LIGTHART, DRINKAART.

ROEMER.

                (260) ZIe, ik weet om te springen.
                Met zulke jongelingen.
Ha, broêrtjes! ik verlang al naar den nacht
                Om aan den gang te raaken.
            Ik hoor zo graag die ruiten kraaken.
            (265) Ik hoest reis in de heele wacht.
            Geen stoepen kunnen my doen schrikken.
’k Zal wondren doen. Verdord! zoôn mothuis op te schikken,
En al’ de katten braaf wat schoppen onder ’t gat,
            En klappen voor den bek te geeven.
            (270) Dat heur het zweet om de, ooren spat,
            Ha! dat is ’t recht Studentenleeven.
Ha maat! de ribben van de stoepen plat te slaan,
            Die pluggenlenden braaf te smeeren,
Ik wou’er by men’ keel niet voor te Bruiloft gaan.

LIGTHART.
(275) Wat weet jy hartelyk van ’t werk te diskoureeren!
Wat is dat altemaal zeer heerelyk gezeid!
            Maar kom, men zal van nacht eens kyken,
            Of jy je moed en dapperheid,
Als die van noden is, zult durven laaten blyken.
(280) Quartier voor tienen is vergaadering beleid
            Om in het Schild by één te koomen.
Wy hebben iets, dat van belang is, voorgenomen.
            Als dat ter deeg is afgedaan,
Dan zullen wy, zoo ras wy moê zyn van ’t rinkinken,
(285) Ons zacht en makkelyk tot mynent vol gaan drinken.
Verdord! wat meenen wy een heerlyk Baal te slaan!
Maar kom! om alle vrees en bangheid weg te spoelen,
            Gaan, drinken we eerst een balven roes.
Want als de wyn zoo wat begint in ’t hoofd te woelen,
            (290) Dan staat de kop wel ééns zo kroes.

DRINKAART.

            Ha, ha! dat is een ander praatje!
            Want boven krotten, boven al,
            Ik hou het met een warmen stal,
In ’t schoorsteenhoekje by een meisje, of by een vaatje.
            (295) Altans geloof me, ik ben een schurk,
Indien myn keelgat niet zoo droog is als een kurk.
’k Heb ’t vast al, eer ik in het Schild kom, voor myn kiezen,
Wat wil het ras op dat oud ys van gistren vriezen!
            Ha! Jakemyntje, ben je daar?


ZESDE TOONEEL.

LIGTHART, JAKOMYNTJE, DRINKAART,
            ROEMER.
Roemer doet niets geduurende dit Tooneel, dan wat heen en
    weêr wandelen, en met zyn’ wandelstok, onder ’t ge-
    woone geluid van HA HA, tegen den muur schermen.


LIGTHART.
        (300) WEl meisje maat, is alles klaar?

JAKOMYNTJE.

Myn Heer, ik heb...
        Zy luistert Ligthart iets in, en neigt zeer beleefd.

DRINKAART.

                                Zo, zo! beleefd! ter degen Moêrtje.
Verdord! dat meisje! ik zou wel haast wat zeggen, broêrtje.
            Dat hexje ziet er smaaklyk uit.
Men zou ’er, by men’ keel wet anderhalve Bruid
(305) Meê spaaren kunnen: kyk, wat witte albaste handjes?
Kyk, wat een mondje, wat voor oogjes, wat voor tandjes!
            Wel zie, ik heb geen’ honger nou.
            Maar ik verzeker je op men’ trouw,
            Zoôn wentelteefje zou me smaaken.

LIGTHART.
(310) Ik docht wel, dat je straks weer op den Text zoudt raaken.

DRINKAART.

Ha! Jakemyntje lief, wy moeten kennis maaken.
Ik vind je by men’ keel een braaf slag van een’ meid.
Wat doet die neusdoek daar? wat hoeft dat toegeleid?
Dat goed is al te mooi om zoo bedekt te draagen.
            Hy wil haar naar den hals tasten.

JAKOMYNTJE.

                (315) Nu! alle ding in zoetigheid,
    Sus, Drinkert, sus! wat heb jy aan dat plaagen?
                                            Hy kust haar.

LIGTHART.
Maar Drinkaart, ben je gek?

DRINKAART.

                                            Ja vrindje lief, ’k geloof,
(Ken ik jou anders recht) dat die modeste sloof,
            (Je meugt je nog zo stemmig houwen)
            (320) Wel meer wat aanstoot lyden moet,
Als zy jou ’s middernachts de voordeur open doet.
Ik zou myn’ kaas by zulk een’ kater niet vertrouwen,
En als men de oogjes van dat meisje eens regt beziet,
            Die staan al meê zoo weigrig niet.
(325) ’k Geloof niet, maat, dat zy haar moeder zou gaan roepen.

ROEMER, nog schermende.

            Ha! ha! ha! ha! ja toch! ’t gaat wis.
            Ha! hal ha! ha! neen! ’t kan niet mis.
Daar heb ik iets geleerd dat admirabel is,
            Wanneer je vechten moet met stoepen.
(330) Komt, ziet eens hier, ’k heb daar een stoot geëxerceerd,
Waarmee je zonder fout een’ halve piek pareert.
Het is onmoogelyk, dat zy je kunnen raaken.

DRINKAART.

’k Docht by men’ zoolen, dat het vry wat wonders was.
Ik praat van zoenen: wat komt hier jouw stoot te pas?
(335) Jy zoudt het meisje met jouw stoot wel angstig maaken.
            Niet waar, myn gatje van kandy,
            Myn’ suikerde, konfyte pry?
Wat raakt jou Roemers stoot? jy hoeft geen kunst te leeren,
            Om halve piekjes te pareeren.
(340) Niet waar, myn Buisje lief? heb jy dat wel van doen?

JAKOMYNTJE

Wel jemy, dat is eerst een hooggeleerd Sermoen.
            Want ik geloof, geen mensch verstaat je.

LIGTHART.
            Hoor Drinkaart, ’k merk, jou schort een praatje.
            Maar of je nydig bent, of niet,
            (345) En of je zoet of zuinig ziet,
            Wy weeten ’t met malkaâr te schikken,
            Niet waar myn’ Tulp, myn’ Stookebrand?
                    Hy houdt haar met de eene hand vast.
                Maar vrindjelief, daar is myn’ hand,
Geloofme zeker: jy zelt aan de pot niet likken.
(350) Maar zie, wat my betreft, wanneer men danssen leert,
Zoo weet jy, als men ’t in zyn huis niet exerceert,
                Zo kan men weinig avançeeren,
En alles, wat men leert, vergeet men met een’ snap,
Zoo gaat het evenééns met alle wetenschap.
(355) Hetgeen je buiten leert, dat moet je t’huis probeeren.

DRINKAART.

                Wel nu, dat argument gaat deur,
En Jakemyntje is recht een goed subjekt daar veur.
Nu, zoete meisje, laat ik meê reis vrolyk weezen.
            Hy wil haar by de andere hand neemen, terwyl
                        men Gozen van binnen hoort hoesten.


JAKOMYNTJE.

’k Heb zeker nu geen’ tyd: laat los, komt, laat me gaan.
(360) Hoor je onzen baas daar niet? dat die me bier zag staan,
            Hy zou me braaf de metten leezen.

DRINKAART.

Nu noch een zoentje: ras.

JAKOMYNTJE.

                                            Voor ieder dan een wang.
Ras: laat me schielyk los: hy komt: ik ben zoo bang.

LIGTHART tegen Roemer, die nog
                        bezig is met schermen.


Wel Roemertje, jy zelt in al ’t gescherm verwarren.


ZEVENDE TOONEEL.

GOZEN, JAKOMYNTJE, LIGTHART,
            ROEMER, DRINKAART.
Terwyl Gozen komt, danssen Ligthart en Drinkaart saa-
        men, binnen monds zingende, eenige passen van
        een’ minuët.


GOZEN tegen Jakomyntje.

            (365) WAt talm je hier voor deur zo lang?

JAKOMYNTJE.

Ik spekeleer zo wat in ’t opgaan van de Starren,
            Of ’t morgen nog zoo waaien zel.

GOZEN.
            Je lacht nog met me, doe je, vel?
Dat jy je werk gingt doen, je deedt wel eens zo wel.

JAKOMYNTJE.

(370) Maar miester, kyf toch niet. ’k Doe immers jou begeeren.

GOZEN.
Als jy maar kunt, het geen vlak voor je is, opserveeren,
Dan spekeleer jy al genoeg, myn’ goeije sloof.
Jy zoudt wel vaaren, als een zeekre Filosoof.
’k Heb ’t eens gehoord. En ’t schiet me nou juist in gedachten.
(375) Die ging meê kyken naar de Starren alle nachten,
’t Gebeurde op ’t lest, dat hy niet lette op zeker gat,
            Hetgeen hy vlak zo voor hem hadt,
En...

LIGTHART, terwyl Drinkaart nog voort-
                            gaat met danssen.


            Zel zy lang naar die history moeten wagten?
’k Had anders garen*, als ’t met jouw’ permissie waar,
(380) Dat zy ons boven wat bediende in ’t een en ’t aâr.

* Hy neemt op een’ belachelyke wyze zyn’ hoed af.


ACHTSTE TOONEEL.

DRINKAART, LIGTHART, GOZEN, ROEMER.

DRINKAART, Gozen schielyk by de hand vattende.

KOm, dans jy liever meê, een Menuëtje, vaâr.
Jy bent te goeijen man om zo jouw hooft te breeken
            Met dat vertellen en dat preeken.
Kom, Ligthart, braaf! ik zel hem leeren: dans jy maar.
            Ligthart danst een’ Minuët, terwyl Drinkaart al
                                        neuriënde Gozen tegen hem aanleidt.


GOZEN.
(385) Maar Drinkaart. ...

DRINKAART.

                                Maar, men vriend! waar toe dat protesteeren?

GOZEN.
            ’k Weet immers zeker niet een’ beet.

DRINKAART.

Maar ’k zel je leeren, maat, al ’t geen je niet en weet.
Je hebt te goeijen air om ’t niet te kultiveeren.
Hou maar je hals wat recht. Recht, zeg ik, recht dien kop.
            Hy vat Gozen by den hals, en haalt
                                zyn hoofd om hoog.


GOZEN.
(390) Wat duivel doeje? zacht! je wurgt, je hangt men op.

DRINKAART.

Ik moet dien hals op ’t minst een bandbreed langer maaken.
De knieën styf: dat been moet meer naar buiten staan.*
Die borst wat meer vooruit**: ha! dat begint te gaan.

* Hy slaat hem op de knieën.
** Hy geeft hem een’ slag op den rug.


GOZEN.
Ja maar, tut! tut! ik voel alvast myn’ ribben kraaken.
(395) Laat los! ik lach daar meê: ’k heb daar den drommel van.

DRINKAART.

Wel beest! is dat myn dank voor al myn instruëeren?
            Wel potuil, durf jy refuseeren
            Te danssen met een’ eerlyk’ man?
Koom, koom, allons, allons, niet veel weêrom te spreeken
                        Hy danst met hem voort.
(400) Zie zo! dat lykt ’er na: jy heb de kunst gevat.
Sa lustig! maar dat gat, dat akrementsche gat!
                    Hy geeft hem een’ schop of twee.
Wat doet dat duivelsch gat zo achter uit te steeken?

GOZEN.
Maar ben je dol? laat los! wat beestigheid is dat?

DRINKAART.

Ik zeg je, allons! ’t is nog geen tyd van uit te scheiën,
            (405) De dans is zo terstond gedaan.
            En ’t beste koomt nu eerst nog aan.
Reik nu je handen uit: (Ligthart vat Gozens beide handen)
                                        zo: dans nu met je beien.
                Ligthart draait met Gozen om, tot hy valt.

GOZEN onder ’t draaien.

Hou op... hou op toch... by men keel... ik kan niet meer.
    Hy valt.

O myn! men rug! men naers! ô myn! wat doe ’k me zeer!

ROEMER, schielyk van schermen ophoudende.

(410) Zie by men’ ziel, je meugt wat lacchen, of wat praaten,
Maar ik voor my, ’k wou om geen stapeltje dukaaten,
Of ’k wist dien stoot, daar ik je strak van heb verteld.
Ha! ha! Ha! ha! (hy wyst den stoot op Gozen, die op een’ be-
                        drukte wyze weêr opgestaan is.)
nu ben ik eerst een man in ’t veld,
            En ieder stoep, die nu zo stout is,
(415) Dat hy me ontmoet, denk’ vry, dat hy ’er strax om koud is.

LIGTHART.
Wel nu! men zal het zien, komt, talmt nu maar niet lang.

DRINKAART.

Ja, voort aan ’t zuipen.

LIGTHART.
                            Hei! dat gaat je voor: dat ’s gang.
                Hy slaat GOZEN op den schouder.
Dag hospesje; dat ken je meê myn’ vader klaagen.

DRINKAART, hem op den anderen schouder slaande.

Gen dag, discipeltje.
                Zy gaan zingende en springende, met een groot
                            gestommel naar boven.



NEGENDE TOONEEL.

GOZEN, LIGTHART, en de anderen, boven op de
                voorkamer.


GOZEN, zyn’ hoed afveegende.

                            JA loop jy naar de Hel.
(420) Maar ik beloof het jou, dat ik jou al dat plaagen,
En al’ die vreugd haast in je papkom brokken zel.
        Boven wordt verscheiden’ reizen zeer hard geklopt.
Hei! klop men zolder niet aan stukken: dat ’s een leeven!
Hei Sinte Jutmis! daar begint de vreugde weêr.
Daar meê komt by men’ keel het huis van boven neêr.


TIENDE TOONEEL.

BLYHART, GOZEN, LIGTHART, enz. boven.

BLYHART, met een’ grooten haast koomende loopen.

(425) ZYn ze al naar boven toe!

GOZEN.
                                                Dat hoor je wel, myn Heer.

BLYHART.

Verbaasd! heeft Roemer niet vervaarelyk gekeeven,
            En zyn ze niet afgryslyk quaad,
            Dat ik zo lang ben weggebleeven?


ELFDE TOONEEL.

KOENAART, BLYHART, GULHART, GOZEN.
            LIGTHART, enz. boven.

KOENAART, tegen Gulhart.

GAan wy maar boven, maat: hy moet toch ’t vaatje geeven,
                                tegen Blyhart.
(430) Wel Blyhart, blyf jy nog een beetje staan op straat?
            ’t Wordt donker, en het slaat daar zeven.

BLYHART.

Ik volg terstond.


TWAALFDE TOONEEL.

BLYHART, GOZEN. LIGTHART, enz. boven.

Men hoort, gedurende dit, en eenige volgende Tooneelen, op
    de kamer van Ligthart kloppen, en om Tabak, pypen,
    vuur, kaarsen, en ’t een en ’t ander schreeuwen, bene-
    vens ’t geluid van een verkeerbord, waarin men passe-
    diezen speelt.


BLYHART.

                        IK zie het wel: ik kom te laat.
Nu zal ik weêr tot straf moorddadig moeten zuipen.
        Dat zyn altyd toch de ouwe stuipen.
(435) En ’t is al evenwel myn’ schuld niet, in der daad.
Pasjensy! Hospesje, daar heb je drie zesthalven.
Geef die aan ’t meysje: want ik zie wel, dat ik vast
        Van deezen nacht zal moeten kalven.
’k Bid, als ik vol ben, dat je toch wat op me past.


DARTIENDE TOONEEL.

GOZEN, LIGTHART, enz. boven.

GOZEN.
(440) DAt hiet eerst met geduld zyn waerelds leed te draagen.
Dat martelaartje moet ik by men’ keel beklaagen.
            Wat droes is daar nou weêr te doen?


VEERTIENDE TOONEEL.

DIEUWERTJE, JAKOMYNTJE, GOZEN.
            LIGTHART, enz. boven.

DIEUWERTJE.
            HAr uit, har uit, jou vuil fatsoen.
Jou schandvlek van men huis, jou rechte ligtomdyne.
(445) Ik zeg jou, pak je goed: en maak je voort hier uit.

JAKOMYNTJE.

            Wel vrouw! wel geef men eerst het myne.

DIEUWERTJE.
            Gien enkle rooije kópre duit,
            Zie dat, zie dat zel ik niet geeven.
Jou rechte ligtekooi! jou pry! jou eerloos vel!

JAKOMYNTJE.

(450) Maar vrouw, of jy al schreeuwt, dat is daar meê niet wel.
                                Luid op huilende.
Wel zeg de miester dan, wat dat ik heb bedreeven.

GOZEN.
Sus, zeg ik, allebei. Wat koekoek is ’er dan?
Je bint op straat. Je zoudt de menschen doen vergaâren.

DIEUWERTJE.
Och, hou me een beetje vast: ik zel ’t je zeggen, man.
(455) Ja wel kedaar, ’k mot eerst een weinigje bedaaren.
            Ik heb een’ halve koorts* der van.
Daar kom ik boven. Zou ien’ vrouw niet schaltereeren?
            Daar zien ik onze Jakemyn,
            Die laat ’er zoenen van de Heeren.
            (460) Wat dunktje van dat ligte zwyn?

JAKOMYNTJE, luid op lacchende.

Maar heden jemeny! daar is wat aan geleegen.
Wel, die ’t niet hebben wil, ken ’t van zyn bakkes veegen.
            Wel lieven tydt! het is maar stof.

DIEUWERTJE.
Jy bent een’ heldre tas: jy praat ’er luchtig of.
(465) Zy liet ’et zachtjes doen: zy sprak niet, en ze leed ’et.
            Ja wel, zie daar! Sint Pieter weet ’et,
            Hoe jy met Ligthart hebt geleefd.
Was ’t daarom, dat je altyd, om ’k weet niet wat voor zaaken,
            Heele uuren by hem boven bleeft,
            (470) Als jy zyn bed zoudt ’s morgens maaken?
            Jy lachtte vast wat met mekaâr,
Of ik wat schreeuwde, en aan de trappen stond te kloppen.
Dan wist je staâg tot jouw’ verschooning ’t een of ’t aâr:
            ,,’k Was bezig met men’ kous te stoppen,
            (475) Of diergelyken blaauw’ exkuis.
    Daar wordt zeer hard geklopt, en hospes! hospita!
                                    Jakemyn! enz. geroepen.
Maar is dat kloppen! gort! ik zou wel quaalyk spreeken:
Hei! is dat stampen! hoor, hoe dreunt het hiele huis?
Het is om al men glas en postelein te breeken.
En jy blyft allebei, als houte bielden, staan.

JAKOMYNTJE.

    (480) Wel vrouw, je wilt men ommers ’t huis uitboenen.
En ook, ik ben te bang. Ze mogten myn weêr zoenen.

DIEUWERTJE.
Maar man, zou jy dan niet reis kennen boven gaan?
            Wel! komt op myn dan alles aan?
    Daar wordt nog harder geklopt.
Hei myn! ’t is om een’ vrouw de harssenen te rooven!


VYFTIENDE TOONEEL.

GOZEN, JAKOMYNTJE. LIGTHART
            enz. boven.

GOZEN.
(485) JA, ja! tut, tut! elk in zyn’ funxie, past het best.
Maar jy, Madam, kom, volg haar ras en help haar boven,
            Eer zy te boos wordt op het lest.

JAKOMYNTJE, hard op huilende.

Maar miester, moet ik al’ die praat en talmeryën
Zo maar verdraagen, en is dat genoeg daar meê?

GOZEN.
(490) Wel jemeny! wat heit dat eerlyk hart te lyën!
Hoor, moêr! stoor jy jou aan geen haastig woord of twee.
Wees maar voorzigtig om je zelve te bewaaren;
Want die zich brandt, zit met de billen op de blaâren.
Maar zacht...


ZESTIENDE TOONEEL.

RYKERT, KEES, GOZEN. LIGTHART, enz.
            boven.

RYKERT.
EI, Krelis! al dat talmen in de schuit
(495) Heeft lang genoeg geduurd: schei toch eens eindlyk uit.

KEES.

Nou, nou, men heer, men mot wat vraegen, zel men leeren.
Wel Jemeni! dat is al knoddig, dat stoddeeren.
Ik wou ’et séper wel rais zien. Kyk, Miester Jan,
De Koster (dat is meê zoôn hiel verstangdig man)
(500) Die heit me wel ezeid, dat zukken werk hiel raer is.
Die heit ’et wel ezien van ongzen Suikertaeris.
Maar hei! men heer, wat heb je nou óók klein geduld!
Dat is zó waer allien die zwarte vengt zen schuld,
            Die jy zó strak hebt weezen spreeken.
            (505) Want van de plaets tot Laaien toe,
Waer jy de gangsche weg hiel wel, en bly te moe.
Maar nou, men heertje, is al de vreugd van jou eweeken.

GOZEN, ter zyde.

            Wie koekoek of daar ginter koomt?

KEES.

Wel hei, men heer! ’t is óók gerechtig, of je dróómt.
(510) Doch lykewel ik mot zoôn beetje diskereeren.
            En wordt ’er óók niet tóórnig om;
            Want kyk, de huislui zin wat dom.
Maar nou, die Dómenies, die heur de studie leeren...

RYKERT.

Wat Dominees! je meent Professors.

KEES.

                                                                Maer, men heer!
(515) Wel ommers binnen der nou gien Proffeeten meer.
Maar bloed! dat lóóf ik, zin óók hiele wyze snaeken.
Ja wel kedaer! zie, dat ik schryven kon, gansch kracht!
’k Zou, dunkt men, óók zó strak aen dat stoddeeren raeken.

RYKERT, zuchtende.

Ja, Kees, die studie heeft vry wat meer in, als ik dacht.

KEES.

(520) He! hadt men vaertje myn daerin reis op-ebragt,
        En hadt hy myn reis laeten leeren leezen,
                Hoe wys, hoe wys wou ik dan weezen!
Dan waer ik nou misschien al miê ien koster, of
Ien Proppenent. Wel jae! me maekt ze van zuk stof.

RYKERT.

(525) Nu zwyg toch stil, en stap wat voort: het wordt reeds donker.
            In deeze straat logeert myn zoon.

GOZEN, ter zyde.

Ha! ha! nou vat ik het. Verdord! dat komt eerst schoon.

KEES.

Men heer, ik zie ’t wel, jy verlangt al nae de Jonker.
En ’k wed, hy ook hiel in zen nopjes weezen zel,
(530) Als hy zen vaêrtje ziet, zo frisch, en gnap, en wel.
Ik wed, hy hum van vreugd bedoen zel.

GOZEN, ter zyde.

                                                                            Ja, byzonder.
Je zelt zeer welkom zyn.

LIGTHART, een’ fles uit het venster werpende terwyl
            BLYHART uit het andere een kalf maakt.

                                        Daar leit hy dan! van onder!
Wat doe je, Blyhart? hoe? aan ’t kalven reeds zo ras?

BLYHART, hikkende.

            Dat lest... dat leste groote glas!

LIGTHART.
(535) Kom zuipen! kom!

BLYHART, over ’t venster hangende, met een’
                            flaauwe stem, geduurig hikkende.


                            Ik wou me liever... laaten kloppen.
Je zelt me... by men’ keel... als ben ik... groen,... niet foppen.
’k Ben jong, dat... weet ik wel... maar zie... ik doe myn best.
Ik heb niet één... bokaal... geweigerd... als op ’t lest,
En ’k zal... nog metter tyd... wel beter... avanceeren.

LIGTHART, hem weder binnentrekkende.

(540) Kom, uit het venster! kom, wy moeten quinkeleeren.
                Zy zingen, en schreeuwen boven.

KEES.

Sus, sus daer boven. ’k Lóóf, dat zy der les daer leeren.
Ha, ha! nou weet ik ’et. Ei, is dat nou stoddeeren?
Wel ’k docht, dat dat altyd zó stil ging in zen werk.
                            Zy zingen en kloppen.
Wel benedystes! ’t lykt wel haest ien smousenkerk.

RYKERT.

(545) Ik ken die stem: ik zie, men heeft my niet bedroogen.
            Die Heer heeft my niet voorgeloogen.
Kom Kees, hier moet ik zyn. Gaa, klop eens aan dat huis.

GOZEN.
Nou is ’t myn tyd. Men Heer, ik kom je welkom heeten.
Ik ben de hospes van Heer Ligthart, moet je weeten.

RYKERT.

            (550) Wel hospes, ’k hoor aan dat gedruis,
Dat ik naar ’t leeven van myn’ zoon niet hoef te vraagen.
Zyn’ Moeder was al bang, dat hy zyn’ jonge dagen
Te veel in éénzaamheid en bezigheên versleet.
Maar ’k zie, hy diverteert zich beter, als ik weet.

GOZEN.
(555) Ja, ’k trek men schouwers op, men heer, en ’t is me leed.

RYKERT.

Hy had me wys gemaakt, dat hy in weinig’ weeken
Naar huis zou keeren met den naam vun Advokaat.
En ’k had tot nog toe niets geweeten van zyn’ staat,
Maar ’k heb daar straks dien Heer eens in passant gaan spreeken,
(560) Die, naar zyn schryven, zyn Professor was geweest.
Maar och! die man stondt heel verwonderd in zyn’ geest,
            Wanneer ik by hem was gekoomen,
            Hy heeft me uitdrukkelyk gezegt,
Dat hy hem nooit nog op ’t kollegie heeft vernomen.
(565) In ’t kort, die Heer heeft my van alles onderrecht.
            En gy, myn vriend, hadt van dat leeven
My wel een weinig eer wat kennis moogen geeven.

DRINKAART, van binnen voor ’tvenster
                            met een dronken stem.


            Weg, weg, ’t is immers al te vroeg.

ROEMER, in ’t venster tegen DRINKAART.

Zie daar, ’t is donker.

DRINKAART.

                                Wat! we hebben tyds genoeg.

ROEMER.
(570) Schei uit! weg met het bord! wy moeten aan ’t rinkinken.

DRINKAART.

’k Moet Salus Patriae dan eerst nog tweemaal drinken.

KEES.

’t Is of ’t daar kormis is. Ik stae, gelyk ien gek,
            Te gaepen met ien ópen bek.

GOZEN.
Men heer, nu koomen zy, geloof ik, strak beneden.
(575) Gaa nu wat aan een’ kant en laat hun slechts betiên.
Dan kun je van naby ’t Studentenleeven zien.

RYKERT.

Wel aan! nu Knelis, hou je mond: ’t geschiedt om reden.
Ga stil daar ginter staan.

KEES.

                                            Hier staen ik al, men heer.

GOZEN.
Zo luid niet! sus!

KEES.

                    Je zelt gien spreek meer van men hóóren.
(580) Maer als ik hoesten mot, zel ik dat meê al smóóren?
            Men hoort een verkeerbord omwerpen.

LIGTHART, van binnen.

Daar leit het bord met al den brui van boven neêr.
                    Je bent een hondsvot, en ik zweer,
            Dat ik er nooit een’ duit van zal betaalen,
                Al zou je van myn’ ribben haalen.

KOENAART, van binnen.

            (585) Heb maar het hart, en kom voor deur.

LIGTHART, van binnen.

Och, vriend, je vindt je man. Ha daar! dat gaat je veur.

GOZEN.
Hy springt de trappen af.

RYKERT.

                                        Ha! dat vervloekte speelen!


ZEVENTIENDE TOONEEL.

LIGTHART, KOENAART, GOZEN, RYKERT,
            KEES.

LIGTHART.
’t Sa! ’t is hier niet te doen met snappen of krakeelen.
Daar is tot korting een sufflet. Trek nu van leer,
            (590) Of anders kryg je daadlyk meer.

KOENAART.

Ha, schelm verweer je!


ACHTIENDE TOONEEL.

DRINKAART, KOENAART, LIGTHART,
                                ROEMER, GULHART, GOZEN,
            RYKERT, KEES.

DRINKAART heel dronken, met den degen tusschen
            hen inslaande, met een’ fles in de andere hand.


            Hei! schei, schei! wat zotternyën!
            Dat zullen we immers hier niet lyën,
            Komt, lustig, drinkt de questie af.
Hei, dat de hospes reis die pints bokaal hier gaf.
    (595) Komt, geeft malkaâr de poot, als goeije vrinden.

KOENAART.

’t Kan hier niet lukken, maar ik wacht je strax in ’t Schild.

LIGTHART.
Och, Koenaart! tot je dienst: ’k ben overal te vinden,
                    Zo dikwyls, als je wilt.
Maar dit vermaan ik je, en daar meug je wel op letten,
(600) Indien je ’t hart hebt van in d’eerste maand of tien
            Een voet in ’t huis van Mie te zetten,
            Dat wy malkaâr dan zullen zien.

KOENAART.

’k Lach met jou snurken, en ik zal je strak wel spreeken.
            Kom, Gulhart, gaan we maar.


NEGENTIENDE TOONEEL.

DRINKAART, ROEMER, LIGTHART, KEES,
            RYKERT,
GOZEN.
DRINKAART, uit de fles drinkende.

(605) WEl, zyn het geen vermaledyde streeken,
En als je ’t wel bedenkt, is ’t niet verbrust en naar?
Men zit gerust by één te zingen en te klinken,
En ’t één bokaaltje voor, en ’t ander na te drinken,
            Als karsten’ menschen met mekaâr.
(610) Men springt, men danst, men zoent malkander uit den treuren;
En strak in één moment om enkle lompe leuren,
Om bagatelletjes van een’ pistool of zes,
Verandert al die vreugd, strak grypt men naar den degen,
            En wil malkaâr den bek opveegen:
(615) Is dan aan ’t waereldsch goed zo gruwlyk veel gelegen?
Ik ben wel wyzer: ’k heb ’t sekuurder by men’ fles,
    En ’k smeer men hart vast wat: Gansch krachten!
Je zoudt een’ eerlyk’ mensch van dorst wel laaten smachten.

ROEMER.

Is nu ons groentje wel ter deeg te bed gedekt?

DRINKAART, Ligthart de hand geevende.

(620) Ha! Ligthart, by men’ keel! jy bent myn beste maatje.
                                Hy drinkt.

LIGTHART.
Wel vriend, jy hebt nog geen’ verstopping in dat gaatje.
            ’t Lykt, dat die schoorsteen heel wel trekt.
Hei, Dieuwert, Jakemyn! ’k zal die verbruide hoeren
            Die beenen beter leeren roeren.
(625) Hei! hei! kanaille! hei! jou ouwe toverkol!
Hei! Gozen! ouwe schurk! ik zal jou mores leeren.
Waar henker zit die schoft nu ergens in een hol?
    Kom, kom, ik moet dat graauw eens aârs dresseeren.
            Hy slaat de glazen der vensters aan stukken.
            Zo! laat ons nu maar zachtjes gaan.

ROEMER.

(630) Fiat! maar met beding, in nood te blyven staan.
En die één’ voet verzet, zal tien stoop wyn verbeuren.

DRINKAART.

Wyn, zeg je? ha! dat ’s braaf. Verdord! daar hou ik me an.
Hei, hei dan!                             Hy schrapt.

ROEMER.

                        Kom, steek op. Wat heb jy aan die leuren?
Trek hem als ’t nodig is.

DRINKAART.

                                            Ik zal geen quaad doen, Man.

ROEMER.

(635) Zie, ik ben zo. Ik zal niet ligt een’ degen trekken,
Maar als ik hem ook trek, dan is ’t niet my geen gekken.
Maar sus! wien zie ik daar? ras vrinden, ras in huis.
Daar staat een stoep. ’t Is by men’ zoolen hier niet pluis,
Wy zyn hier in de knip. Ik ga myn best aan ’t rekken.

LIGTHART, hem naspreekende.

(640) Zie, hy is zo. Hy zal niet ligt een’ degen trekken.
Maar, als hy hem ook trekt, dan is ’t met hem geen gekken.
                        Hy trekt hem te rug.
Kom hier: kom, toon ons nu, hoe moedig dat je bent.
            Hy zet zijn’ degen op den borst van Kees.
Sta, Kaerel, hei! wat hadt jy hier verlooren, vent?

KEES op zijn’ knieën vallende.

            O myn! ô, myn! ik ben bedurven.
(645) Och Sint Heródis! waar ik nou maar wel esturven!
            Och, laet me los, myn goeije Heer.
Ik mot iets doen. ’k Bin in een ommezien hier weêr.

LIGTHART.
Neen, vrind, je piert me niet. Je mot ’er aan gelooven.

DRINKAART de fles wegwerpende.

Is daar een stoep? dien snaak moet ik den kop reis klooven.
(650) Sta vast, jou schelmse stoep!

KEES, huilende.

                            Och, och! wat gróót verdriet!
Ik hiet geen stoep: zo waer! men heer, ik hiet zó niet.
            ’k Heb óók men leeven, by men weeten,
Geen stoep, of luiffel, of dat hier nae lykt, eheeten.
Maer zoek je naer ien stoep, men heer, daar is ’er ien.
            Hy wyst naar de stoep van een huis.

LIGTHART.
(655) Zo ben jy dan geen stoep?

KEES.

                                        Ien stoep, men heer? wel nien.
            De stoepen ommers zin van stien.
            En kyk, ik bin van vleisch en bienen.
            Men heer, je kent ’t zelven zien.
Ik bin ien armen boer, om jou al t’saam te dienen,

LIGTHART.
(660) Wel, schoft, het lykt, dat jy met ons een beetje lacht:
Weet jy niet, dat men hier Soldaaten van de wacht
Den naam van stoepen geeft?

KEES.

                                    Hoe droes wou ik dat weeten?
Men heertje lief, ik kom zo strak hier in de stad.
            Jae, ’k heb, Sanjeurtje, dat je ’t vat,
            (665) Hier nog gien’ mongd vol bróód egeeten.

ROEMER, weder bykomende.

Wat, is ’t geen stoep?

LIGTHART.
                                Wel neen.

KEES.

                                                Och! ’k bid, verschóón men lyf,
En doe me toch gien quaad. Want och! men arme wyf.
            Die zou ’er zukken druk om stellen.
            Men heer, ik ken ’t je niet vertellen.
            (670) Ja ’k wed, kedaer, ze sturf van rouw.
            ’t Is toch zóón dóóije goeije vrouw.
Men hiet heur in de buurt gemienlyk goeije Jaepje.
Dan heb ik nog ien’ zeun. ’t Is zukken raeren aepje,
            Hoewel ’t is nog maer dusken knaepje.
            (675) Maar lykewel, men heer, hy zou
            Al zo bedrukt zin, als men’ vrouw,
Als jy je handen reis aan Krelis quamt te leggen.

LIGTHART.
            Ik weet niet, wat ik haast zal zeggen.
Hoe? Jaepje, en Krelis? wel, me dunkt, ik ken je wel.

KEES.

            (680) Wel, dat vertróóst men hart ien beetje.
Och jae, men heer, ’t is waer, al, wat ik jou vertel.
Men wyf hiet Jaepje, en ik hiet Krelis nae men peetje.
En lóóf je myn niet, kyk, daer an die gunse deur,
Dat heerschop, dat daer staet, men heer, dat ’s myn Senjeur.
            (685) Die ken jy, is ’t jouw behaegen,
            Of ik zó niet en hiet, gaen vraegen.

RYKERT.

            Ja zoon, ik ben ’t, en ’k ben verblyd
Dat ik hier kom, terwyl je juist zo vrolyk zyt.

LIGTHART.
,,Ik niet.

KEES.

            Ei! zie rais, is dat heerschop ongze Jonker?
(690) Wel ’k stae, en kyk.

ROEMER.

                                    Het wordt daar aan de lucht zo donker,
’t Zal daad’lyk regenen. Ik schuif maar zachtjes weg.


TWINTIGSTE TOONEEL.

LIGTHART, RYKERT, DRINKAART,
            GOZEN, KEES.

LIGTHART.
            PApa, mag ik u welkom heeten?

RYKERT, hem terugstootende.

Staa van me, Ligtmis! ’k mogt my zelf aan u vergeeten,
Kom, volg me in huis.

DRINKAART zwierende tegen Rykert.

                                    Hei vent! zoek jy hier questie, zeg?
(695) Wat talm, wat stoot jy hier? hei kaerel, kom niet nader.
Wat stel jy hier den beest? wat maak jy voor gedruis
            Hier aan een eerlyk’ man zen huis?

LIGTHART.
Sus, Drinkaart, zie, wie ’t is.   Gaa weg, het is myn vader.

DRINKAART.

Wat zeg je daar? is die Gryzippus jouw Papa?
(700) Wel ventje, wellekom. Maar by men zieterna,
Indien je om ons plaisier te stooren, bent gekoomen,
            Dan zel jy van den Duivel droomen.

RYKERT.

Wat onordentlykheên!

LIGTHART.
                                    Ik bid je, wil toch gaan.

DRINKAART, Rykert, die in huis wil gaan
            gedurig tegenhoudende.


Wel vriendtje, ik moet met jou wat raisonneeren.
            (705) Maar Ligthart, hier zoo droog te staan!
Is dat je plicht voldoen? is dat zyn’ ouders eeren?
            Wel, dat is zeker al te kaal.
Ha, Gozen, staa je daar? geef reis een pints bokaal.
            Wel, geef den olden vrind reis drinken.
(710) Ha, snaakje lief! ik moet van avond met je klinken.
Je komt hier recht ter steé. Jy hebt het net gepast,
Vlak met den neus in ’t vet. Jy moet reis meé rinkinken.
Ha daar je meugt niet af. Gaa meé; je ben myn gast.

GOZEN.
Ei! gaa toch heen, men vrind. ’t Is zeker best geraaden.
    (715) Hier valt toch nou niet meer te laaden.
    Hoe stel je dus je zelf ten toon?

DRINKAART.

Wel paai, je hebt daar recht een braaf slag van een’ zoon.
Hy is bequaam om met een’ Koning te verkeeren.
’k Ben ook zyn tweede vaâr, en ’k heb geen zorg gespaard
(720) Om hem te ontgroenen, en geheel te fatsoeneeren.
Hy is ook leerzaam, als je ziet, en gaauw van aart.
            Je bent hem by men’ keel niet waard:
            Want, na hy myn wel vaak verteld heeft,
Zo ben je een knorrepot, een lompe naare vrek,
            (725) Die dikwyls kyft, en zelden geld geeft...

LIGTHART.
Maar ’k bid...

DRINKAART.

                        Een yzegrim, een hypokriet, een gek,
Een bok, die al’ zyn’ geest zal dooven en bederven,
En in zyn goed reeds zit, een ouwen Rammelaar,
Die in den ouderdom van twee en vyftig jaar
(730) In spyt van hem, en myn, nog leeft en niet wil sterven.

RYKERT.

Wat onbeschoftheid!

LIGTHART.
                                    Maar ik bid je toch, vertrek,
’k Word dol. Hoe ken je hier zo langen tyd staan maalen?

DRINKAART.

’t Is wel. Ik ga dan, en ik spreek geen enkel woord.
            Maar ’k zal jou, weêrwolf, dat betaalen,
(735) Jou ouwe gryze Beer, die ons gezelschap stoort.
Nu moet ik heen gaan, en het vaatje laaten leggen,
Dat op de tafel nog schier vol, om zo te zeggen,
            Daar boven op de kamer leit.
Wel ouwe lompe paai! is dat ordentlykheid!
    (740) Maar ’k zweer, ’k zal ’t door de stad doen klinken.
Dat schoone vaatje! wel verdord! is dat fatsoen!
Nu ga ik, puur uit spyt, en om je schand te doen,
        Een’ roes in ’t schild van Vrankryk drinken.


EEN EN TWINTIGSTE TOONEEL.

KEES, RYKERT, LIGTHART,
GOZEN.
KEES.

DAt ’s óók hiel nodig: kyk! hoe zwiert hy! dat staat móói!
(745) Och! vrindje lief, gae jy maer zachtjes nae je kóói.
Dat ’s ierst ien raere vengt! die praet niet, as van zuipen.


TWEEËNTWINTIGSTE TOONEEL.

BLYHART, DIEUWERTJE, JAKOMYNTJE,
            RYKERT, LIGTHART, GOZEN, KEES.

BLYHART, smoordronken ondersteund van Dieuwertje en
Jakomyntje.


        HEi, zuipen! praatje... daar al weer...
        Van zuipen... neen... ik kan niet meer...
Dan wil ik... liever stil... weêr naar myn’ vlooibak... kruipen,
    (750) ’k Word... weer... zo... quaalyk... en... zo... ziek...

DIEUWERTJE.
Dat arme mantje! ei kyk! wat wordt hy bliek!
Nou, nou myn zoete vaêr. Men zal jou t’huis beschikken.
Zoôn schoone, jonge blom! dien bloed! ja wel, kedaar!
Het is konsjensiewerk: ’t is om ’er van te schrikken.

JAKOMYNTJE.

            (755) Och vrouw! ô myn! hy wordt zo zwaar,
            En hy bequylt men al’ men’ kleêren.

RYKERT.

Ja wel! dat borstje kan alleen niet gaan, noch staan.
            Kom, Kees, steek meê, wat handen aan.
            Het vrouwvolk kan hem niet regeeren.


DRIEËNTWINTIGSTE TOONEEL.

KEES, JAKOMYNTJE, BLYHART, RYKERT,
            LIGTHART, GOZEN,
DIEUWERTJE.
KEES.

(760) WEl kruisje gorters! komt dat mie al van stoddeeren!
Dan werkt die stuidie in ien’ mensch wel slecht en naer!

JAKOMYNTJE.

            Ja maar die Heer, myn goeije vaâr
Heit van die studie wat te veul in ’t lyf geslagen.

BLYHART.

Och... hospitaatje... maak toch... ras... wat koffi klaar.

KEES.

(765) Wat! hiet jy Hospetael! dat ’s zeper óók al raer!



VIERËNTWINTIGSTE TOONEEL.

GOZEN, KEES, RYKERT, BLYHART, LIGT-
            HART, DIEUWERTJE, JAKOMYNTJE.

GOZEN, met een’ ladder.

KEdaar! wat dunkt je? om hem gemakkelyk te draagen
            Zo weet ik geen’ sekuurder’ raad,
Als dat we op deuze leêr dat dronken varken bonden.

KEES.

Dat ’s by men zieternae al knoddig uit-evonden.

GOZEN.
(770) Kom lustig dan! speul meê wat poot an, beste maat!
    Zy binden Blyhart op den ladder.

KEES.

Myn tyd! wat zel ik nieuws veur ongze Jaepje weeten,
Hoe dat soldaeten van de wacht hier stoepjes heeten,
De vrouwen Hospetaels, de Dómenies Proffeeten!
Ik wed ze ’er zelve kruist, en gaept op ieder wóórd,
(775) Als zy dat leeven van de Kakkejemie hóórt.
Wel, die stuidenten zin al wongderlyke snaeken!
Zó, dat gaet wel. Zie, nou stoddeert hy stil en zacht.

GOZEN.
Nou op den schouder! help!

KEES.

                                                Ik til uit al’ men magt.

GOZEN.
Zie zo! dat ’s gang.

KEES.

                            Jae maer, den drommel most niet braeken
(780) Dat ’s ierst ien dronke biest: hei! hei! dat gaet je vóór.

RYKERT.

Wel ’t is my lief, dat ik dat leeven zie en hoor.
        Maar ’k zweer, ik zal ’t u bitter op doen breeken
Gy, hospes, kunt my in den Doelen morgen spreeken
En gy, myn zoon, zult by provisie tot uw’ straf,
            (785) Terstond van de Academie af.

EINDE.

Continue
Ceneton
Voorkeurenpagina Opleiding Nederlands