Frans Ryk: Athalia. 1716. Naar het Frans van Racine (Athalie, 1691).
Uitgegeven door drs. J. Breunesse.
Red. dr. A.J.E. Harmsen, Universiteit Leiden.
Ceneton07119 - UBGent
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.

Continue

[fol. *1r: frontispice]



[fol. *1v: blanco]
[fol. *2r]

ATHALIA,

TREURSPEL.

DOOR

FRANS RYK.

[Vignet: Turbant, sed extollunt]

TE AMSTERDAM,
By HENDRIK VANDE GAETE, Boekverkooper,
op den hoek van den Vygendam en Warmoes-
straat, 1716.

Continue
[fol. *2v: blanco]
[fol. *3r]

VOORREDEN.

Al de waereld is genoegsaam bekent, dat het Koningkryke Juda bestond uyt twee Stammen; naamentlyk uyt die van Juda en Benjamin, en dat de tien anderen, die zich tegens Roboam aankanteden, het Koningkryk Israëls uitmaakten. En dewyl de Koningen van Juda, uit den huize Davids zynde, de Stad Jeruzalem en deszelfs Tempel te beurte vielen, quamen alle andre Priesters en Levyten ook tot hen over: Vermits het naa de volbouwing des Tempels niet geoorloft was, elders te offeren, en alle andere Altaaren, hier en daar op hoogtens gesticht, en daarom in de H. Schriftuur Hooge Plaatsen genaamt, God onaangenaam waren. Zoo dat de wettige Godsdienst niet, als in Juda, wierd geoeffent, en d’andre Stammen, een kleine hoop uitgezondert, Afgodisch, of scheurziek waaren.
    Deze Priesters en Levyten (waar van d’eerste uit den geslachte Aarons moesten zyn) waaren in ’t kort zoo vermenigvuldigt, dat zy zich verdeelden in verscheiden genootschappen, om by beurten, van Sabbath, tot Sabbath, den Tempeldienst waar te neemen. De Levieten wierden gestelt onder de Priesters, en moesten de zang, Tempelwacht en toebereidselen tot het slachtoffer bezorgen, ook gaf men, zonder onderscheid, aan alle, die uit de Stamme Levy geboren waaren, den naam van Levyt. Die ’t zynen [fol. *3v] beurt, of week was, had, gelyk de Hoogepriester, zyn verblyf in de Portaalen, of Galeryen des Tempels, die zelfs voor een gedeelte des Tempels wierden gehouden. ’t Gebouw, in zyn geheel, wierd doorgaans wel de Heilige Plaats genaamt: maar die naam sloeg in zynen rechten zin, wel het meest op het binnenste gedeelte des Tempels, daar de goude Kandelaar, het Wierookvat, de Toonbrooden stonden; gelyk men de plaats, daar d’Arke des Verbonds stond, ook de naam gaf, van het Heilige der Heiligen; daar niemand, als de Hoogepriester, vermogt in te komen; en dat maar éénmaal ’s Jaars. Ook stelde men, by de overleveringen, vast, dat den Berg, waar op de Tempel gebouwt stond, den zelven Berg was, daar Abraham zynen eenigen Zoon Izak eertyds had geoffert.
    Ik hebbe dienstig geoordeelt, deze byzonderheden hier ter neder te stellen; op dat den geene, dien de Historiën van ’t oud Verbond niet levendig genoeg mogten te binnen schieten, zich, in het leezen van dit Treurspel, niet zoude behoeven op te houden. Het ontwerp daar van, is, Joas erkent, en op den Troon gestelt, en vloeit, voor het grootste gedeelte, uyt deze volgende gevallen.
    Joram, Koning van Juda, zoon van Jozaphat, en zevende Koning uit den geslachte Davids, trouwde Athalia, Dochter van Achab en Jezabel, die in Israël regeerden, beyde alom befaamt, [fol. *4r] inzonderheid Jezabel, door haar bloedige vervolging, tegens de Propheeten. Athalia, niet minder godloos, als haaren Moeder, bragt haaren Man wel haast tot Afgodery, en liet zelfs te Jeruzalem een Tempel stichten, voor Baäl, de God van Tyrus en Sydon, daar Jezabel was gebooren. Na Joram alle zyne kinderen, behalven Okazias, door d’Arabieren en Philistynen had zien ombrengen, stierf hy zelfs heel elendig, door een sleepende ziekte, die hem het ingewand* allengsjes verteerde. Die rampzalige dood belettede echter niet aan Okazias, het goddeloos voorbeeld van zynen Vader en Moeder te volgen: doch hy regeerde maar één Jaar; als wanneer die ongelukkige Prins, terwyl hy uitgegaan was, om den Koning van Israel, Athalias Broeder, te bezoeken, op het puyn der neêrgestorte muuren van Achabs huys, wierd gedood, door bevel van Jehu, die, van God aangestelt, om Israël te regeeren, en een werktuig zyner wraake te zyn, daar op alle de nakomelingen van Achab doodde, en Jezabel ten venster uyt liet smyten, waar op zy, volgens Helias voorzegging, in den wyngaard van den zelfden Nabot, dien zy, om ’t bezit zyner nalatenschap had doen sterven, van de Honden wierd gegeeten. Athalia, alle deze slachtingen, te Jeruzalem gehoord hebbende, onderwond zich daar tegens, de Stamme Davids gantsch uyt te roeijen, en alle de kinderen van haaren zoon Okazias te doen ster- [fol. *4v] ven: maar Jozabet, zuster van Okazias, en dochter van Joram, ten Hove komende, zoo als men bezig was, met de Princen, haare neeven, om te brengen, wist Joas behendig onder alle zyne stervende broeders, te redden, en bragt den zuygeling, met zynen voedster, by haren Broeder den Hoogenpriester, die hen beyde in den Tempel, achter den Altaar verbergde, daar het kind stil wierd opgetoogen, en tot den dag bewaard, dat het voor Koning van Juda wierd uitgeroepen. Het tweede Boek der Koningen zegt, dat zulks geschiedde op het zevende Jaar daar na: maar de Grieksche text, dien Severus Sulpicius gevolgt heeft, spreekt van het achtste; het welk my de vryheid heeft doen neemen, om aan dezen Prins een ouderdom van négen of tien Jaaren te geeven; op dat hy in staat zoude kunnen weezen, van de vraagen en voorstellingen, die men hem doet, rechtzinnig te beantwoorden.
    Ik geloove ook niet, dat ik hem iets heb doen zeggen, dat boven het bereik gaat van die jaaren: inzonderheid voor een kind dat geest en geheugen heeft. En zoo ik dit wat te ver heb getrokken, moet men daar tegens ook denken, dat dit een kind is van een gantsch buitengemeenen opvoeding, zelfs in Gods Tempel, door een Hoogenpriester opgetrokken, en daar, als den eenigsten hoop en toeverlaat der Joodsche Volkeren, bewaart. Ook wierden hun- [fol. *5r] ne kinderen op een andre wyze groot gemaakt, als d’onzen, men onderwees hen niet alleen, zoo draa zy tot de Jaaren van bezeffing waaren gekomen; maar, om met Paulus te spreeken, van ’s Moeders borsten af. En elk Jood moest éénmaal van zyn leven het Wetboek, met eygen hand, uytschryven: De Koningen tweemaal; het welk zy ook geduurig voor oogen moesten houden.
    Ik heb het gevoelen gevolgt van verscheyden Godgeleerden, die uyt de Heylige Schriften bewyzen, dat alle de Krygsknechten, die, van den Hoogenpriester Jojada, Davids Gods geheyligde wapenen ontfingen, alzoo wel Priesters en Levyten waaren, als de vyf Hoofdmannen, die daar ’t gebied over hadden. Waarlyk, zeggen deze uytleggers, behoorde tot zulk een heyligen aanslag alles heylig te weezen, en niets onheylig daar toe geroepen te werden, dewyl het niet alleen strekte tot behoudenisse van Davids huys, maar om een Koning te beschermen, waar uyt den Messias voort moest komen.
    De Heylige Historie meld ons den dag niet, waar op Joas voor den volke wierd uytgeroepen; eenige willen, dat het op een Feestdag zoude zyn geschied; en ik heb het Pinxterfeest daar toe verkooren, eene der drie grootste Feesten, die by de Jooden wierden geviert, ter geheugenis van de verkondiging der Wet op den Berg Sinaï; als wanneer men den eer- [fol. *5v] steling van het nieuw graangewas ook opofferde aan God; welke omstandigheden my stoffe tot veranderingen gaven, gevoegelyk tot de Gezangen voor de Reijen.
    Deze Reijen bestaan uyt jonge Levietische Maagden, aan welkers hoofd ik stelle des Hoogenpriesters Dochter, genaamt Salomite, die altyd den Rey op en af brengt, daar voor het woord voert, en mede zingt.
    Eenigen zullen het licht wat vremd te vooren komen, dat ik een Propheet, verrukt door de Geest Gods, ten Tooneele durf voeren, en daar het toekomende laat voorzeggen; maar ik heb my wel gewacht, hem iets anders in den mond te geeven, als het geen ik zelfs uyt de Propheten heb getrokken, en schoon de Heylige Schriftuur niet uytdrukkelyk te kennen geeft, dat Jojada een Propheet was, gelyk zy het zegt van zynen Zoone, verbeeld zy hem echter, als een Man, vol van Gods Geest.
    Komt ons ook aan d’andre kant, door ’t Evangelie, niet waarschynelyk te vooren, dat hy, uyt kracht van ’t Opperpriesterschap, heeft kunnen Propheteeren? Ik onderstel dan, dat hy, in den Geest, den afval van Joas, na een godvruchtige Regeering van dertig Jaaren heeft kunnen voorzien, gelyk mede de dood van Zacharias, deszelfs Zoon en opvolger in ’t Hoogepriesterschap*, welke moord, in den Tem- [fol. *6r] pel begaan, een oorzaak was van alle de rampen, die de Jooden in gevolg van tyden overquamen. Men zegt zelfs, dat God, zedert die gruweldaad zich in ’t Heylige der Heylige niet meer heeft laaten hooren.
    Op deze grond heb ik Jojada de verwoesting der Stad Jeruzalem en deszelfs Tempel doen voorzeggen. Maar gelyk de Propheeten gemeenelyk eenige vertroostingen by hunne dreigementen voegden, heb ik my daar van ook bedient, met den Messias, hunnen toekomende Vertrooster hier in te voegen, waar na alle gelovigen reykhalsden, en zuchteden.
    Dit byvoegsel heb ik van te grooter nut geoordeelt, om het Muzyk des te natuurelyker daar in te kunnen voegen; dewyl verscheyden Propheeten gewoon waaren, zich, door de klank van Instrumenten, tot die heylige verrukkingen te laaten opwekken, gelyk het blykt aan die Propheeten, die de Harp en Liere voor zich lieten draagen, toen zy voor Saul verscheenen. Voeg hier noch by, dat deze Prophetien het stuk meer werk byzetten, door d’ontsteltenissen en bewegingen, dieze in de gemoederen veroorzaakt.



[fol. *6v]

VERTOONERS.

JOAS, Koning van Juda, Zoon van Okazias.
ATHALIA, Wed: van Joram, Grootmoeder van Joas.
JOJADA, Hoogenpriester.
JOZABET, des Hoogenpriesters Vrouw, Moey van Joas.
ZACHARIAS, des Hoogenpriesters Zoon.
SALOMITE, Zacharias Suster.
ABNER, Veldheer der Judeesche Legermachten.
AZARIAS,
ISMAEL,
{ Opperhoofden der Priesteren, en Levieten.
MATHAN, Afgevallen Joods Priester, Offeraar van Baäl.
NABAL, Vertrouweling van Mathan.
AGAR, Staatjuffer van Athalia.
PRIESTERS, en LEVIETEN.
JOAS Voedster.
GEVOLG van Athalia.
REY van LEVIETISCHE MAAGDEN.

Het Tooneel verbeeld des Hoogenpriesters vertrek,
                        in den Tempel, te Jeruzalem.

Continue
[p. 1]

ATHALIA,

TREURSPEL.
______________

EERSTE BEDRYF,

EERSTE TOONEEL.

JOJADA, ABNER.

                                    ABNER.
Ja, ik kom Isr’els God, in zynen Tempel, looven;
Dewyl de dag verjaert, dat wy de wet van boven
Ontfingen op den berg. hoe is die tyd verkeert!
Hoe plechtig wierd die dag by ’t heilig volk ge-eert!
(5) Wat liep het tempelwaert, op ’t klinken der klaroenen!
Hoe pronkte ’t hoog gewelf, met kranssen en festoenen!
Hoe drong men na ’t altaar! hoe mild! met welk een zucht
Bragt elk den eersteling van zynen akkervrucht!
Nu is die dag verkeert in naare duisternissen:
(10) Nu doet ons daer een vrouw het heilgenot van missen
En veel godvruchtigen verwyd’ren van ’t altaer;
Terwyl een kleene hoop van d’yvrigste, om het jaer,
Dat zalig vreugdefeest, als in een schets, verbeelden;
Daar ’t overig, ten spyt der vadren, die hen teelden,
(15) Zich niet alleen tot Baal, den Tyr’schen afgod keert,
Maer zelf den naem beschimpt, door d’ouderen ge-ëert.
En, ach! ik vrees, dat ons noch zwaerder ramp zal drukken,
Dat u Athalia van ’t hoog altaar zal rukken,
Dat zy, verbannende ’t Hoogpriesterlyk gezag,
(20) Haar wraak voltrekken zal, met zulk een wreede slag.
                                   JOJADA.
Wat reden hebt ge, om voor dat ongeval te vreezen?
[p. 2]
                                    ABNER.
Men kan hier ongestraft noch trouw, noch heilig weezen.
Zy haat die edele standvastigheid, die ’t hoog
Aartspriesterlyk gezag van Jojada, voor ’t oog
(25) Van al de waereld, doet met grooter luister praalen.
Godvruchtige yver weet ze afschuw’lyk af te maalen:
Oprechtigheid en deugd is by haar muitery.
Ook haat zy Josabet, uw Ega: omdat zy
Een eygen zuster is van onzen laatsten Koning.
(30) Dit maakt haar schuldig: en die schuld lyd geen verschoning.
Daar by komt Mathan, die afvallige verraâr,
En blaast haar d’ooren vol. ’t is dien aartshuichelaar
Noch niet genoeg, dat hy, om eer, gezag en staaten,
Zyn’ God verlochent, en onze altaars gaat verlaaten,
(35) Of dat zyn kruin zelf met den Myther pronkt van Baal:
Neen, hy berokkent ons bederf noch altemaal,
En peinst niet anders, als om Isrel te belaagen.
Dan pryst hy u, dan schynt hy u weêr te beklaagen
En zorgelyk belang te neemen in uw’ staat.
(40) Een listig dekkleed, tot bewimp’ling van zyn’ haat.
Thans stelt hy u weer heel ontzachelyk en magtig.
Dan spreekt hy van uw deugd; maar flaauw en twyffelagtig.
Laatst gaf hy voor, dat gy een groote schat van goud,
By David lang vergaart, by u verborgen houd.
(45) Een kragtig lokaas, om aartsgierigen en wrekken,
Gelyk de Koningin, tot uw bederff te trekken.
’K merk, dat het eenigsins haar ook ter harte gaat:
Want zy treed naauwelyks ten hofpoorte uit, of slaat
Haare oogen herwaards aan, vol achterdocht en zorgen:
(50) Als of dees heil’ge plaats een wreeker hield verborgen.
’T gezicht en weezen staat afkeerig, koel en schuw.
In ’t kort, ’k vrees, dat haar toorn noch storten zal op u,
Dat die Onzaal’ge niet ontzien zal, haare handen
Aan ’t heiligdom te slaan, daar God zelfs aan te randen.
                                   JOJADA.
(55) Hy, die het onweer stilt, de zee dryft af en aan
Kan ook het opzet der God’loozen wederstaan:
[p. 3]
Des onderwerp ik my dat onbepaalde weezen.
’T is God alleen, dien ’k vrees: geen mensch kan my doen vreezen.
Doch ik erken in u die ted’re zorg, myn vrind;
(60) Gy toont, als Isrelliet, datge Isrels welstant mint
En ’t onrecht haat, dat ons poogt met geweld te drukken,
Dat gy een afkeer hebt van al die gruwelstukken.
Doch meent gy, dat ge alleen met deze zorg voldoet?
Gy ziet een vremde vrouw, bezoedelt met het bloed
(65) Van onze Koningen, op Davids troon verheven:
Een vrouw, zeg ik, die haar kinds kindren bragt om ’t leeven,
Om zich te dringen in het opper ryks gebied;
Een vrouw, die recht, noch wet, ja zelfs geen God ontziet.
En gy, een toeverlaat der onderdrukte Jooden,
(70) Die in vorst Jorams heir, als Veldheer, hebt geboden,
Na datge, in ’t leger van zyn’ vader Josaphat,
De krygskunde, in uw jeugd, al lang geoeffend had,
Gy, die Jerusalem verzekerde en haar wallen:
Wanneer Okasias, van Jehu overvallen,
(75) En zyne ruiteren omsingelt en benart,
Door eenen boogscheut, fel getroffen wierd door ’t hart,
Nu is ’t uw plicht, om ’t volk te redden, naar vermogen.
’K vrees God, zegt gy: ik ben met Israël bewogen:
Maar hoor, hoe God u daar op antwoord, door myn’ mond:
(80) ’T is niet genoeg, dat gy, naar ons gemaakt verbond,
My daaglyks eert en dient, met lofzang en gebeden,
Met offerhanden en gemaakte plechtigheden.
Wat baat my ’t bloed van bok, off geyt, zoo lang, als gy
’T bloed uwer Vorsten niet gewroken hebt voor my.
(85) Sny die gemeenschap af, met Baal, verbreek die banden:
Dan maakt ge u aangenaam by God, door offerhanden.
                                    ABNER.
Wat kan ik doen, myn Heer, met zulk een kleene macht?
Gansch Juda heeft geen trouw, en Benjamin geen kracht;
De dapperheid, die hen zoo eigen was voorheenen,
(90) Is, met het leven van hunn’* Koningen, verdweenen:
Zy zeggen zelfs: zoo dra die stam is uytgeroeit,
Heeft God zich met het volk van Isrel niet bemoeit.
[p. 4]
Hy, die hun glory had zoo hoog in top getoogen,
Ziet hunnen val nu aan, met onverschillige oogen,
(95) ’T meêlyden, zeggenze, is ten enden: want wy zien
Die wonderwerken, door zyn hand, niet meer geschiên,
Daar al de waereld voor verstelt stond en verwondert;
De heilige Ark is stom: God heeft zich afgezondert.
                                   JOJADA.
Heeft God wel ooit zoo klaar zyn magt getoont, als nu?
(100) ’K merk, dat zyn wonderen onzigtbaar zyn voor u.
Ondankbaar volk, zult gy dan nimmer zyn bewogen,
Door all’ die tekenen van ’t onbepaalt vermogen?
Moet ik, o Abner, u erinneren al ’t geen
Dat God noch daaglyks doet, en heeft gedaan voorheen:
(105) Hoe ’t Joodsche volk wel eer vergaan zag hun tierannen,
Hoe Achab, tegens God en Isrel aangespannen,
’T land, dat hy door geweld en moord verkregen had,
Noch in het end heeft, met zyn eigen bloed bespat,
Hoe Jesabel, omtrent dien akker, door de honden
(110) Afgrys’lyk wierd vermoord, gescheurt, gesleurt, verslonden.
Baals logenachtige Profeten staan verstomd
’T vuur, dat, op ’t altaar, uit den hoogen hemel komt
En d’offerspys verteert, Eliza, die de dooden
Wekt uit hunne ysre slaap, het weer naar zyn geboden
(115) Stipt te doen luisteren, gelyk Elias deed,
Toen ’t volk, na drie jaar droogte, om water kermde en kreet.
Erken, erken hier aan Gods wonderlyk vermogen,
Datge altoos onder het bereik zyt van zyne oogen.
                                    ABNER.
Wat is aan Salomon en David niet belooft?
(120) Wat zegen hing ons van die stam niet boven ’t hoofd!
Wat had men daar een reeks van vorsten uit te wagten!
Waar uit dat een alleen de volk’ren en geslachten
Van ’t aardryk zou gebiên, een Vorst van vrede en rust,
Door wien het oorlogsvuur zou werden uitgeblust,
(125) Daar alle vorsten zich voor zouden nederbuigen
En hulde doen, met hem hunne eerbied te betuigen.
[p. 5]
                                   JOJADA.
Maar waarom houd gy die beloften nu verdacht?
                                    ABNER.
Wie is ’t, die zulk een Vorst uit Davids stam verwacht?
(130) Zy is glad uitgeroeit, met wortel, lot en telgen.
Deed niet Athalia het overschot verdelgen?
En Joas, ’tjongske van haar zoon Okazias
Versmooren in den wieg, wen ’t nauw acht maanden was?
Had dat de hemel noch bevryd voor haare woede?
(135) Ik zou....
                                   JOJADA.
Wat zoud ge?
                                    ABNER.
                      Ik zou, verheugt en bly te moede,
My aanstonts werpen voor zyn tedre voeten neer
En hem erkennen, als myn Vorst en Opperheer.
Zoud gy noch twyffelen, dat de volk’ren en geslachten....
Maar ach? wat vlei ik my met ydele gedachten!
(140) ’K weet, dat Okazias, de laatste uit Davids stam,
Met al zyn kinderen, bedroeft om ’t leven quam.
Ik heb den Vader zelfs, door Jehus pyl, zien sneeven;
En gy, gy zaagt zyn kroost ook brengen om het leven.
                                   JOJADA.
Ik zal me in ’t minst daar op niet uiten: maar als gy
(145) Het derde deel ziet van deez’ grooten dag voorby,
En ’t uur van ons gebed ten derdemaal verscheenen,
Laat dan die zelfde drift u dryven herwaards heenen.
God zal ons mogelyk in korten tyd doen zien,
Dat alles, wat hy ons belooft heeft, moet geschiên.
(150) Vaar wel, mynVrind; ’k ga tot het feest my vaardig maken
De zon beschynt alreeds het top der tempeldaaken.
                                    ABNER.
God zal ons moog’lyk... maar ik zie daar Jozabet.
Ik ga my voegen by het volk, dat Mozes wet
En handvest onderhoud, en zeden en manieren:
(155) Om ter bestemden tyd, het offerfeest te vieren.



[p. 6]

TWEEDE TOONEEL.

JOJADA, JOZABET.

                                   JOJADA.
Mevrouw, de dagen zyn in ’t end vervult: gy moet
Het kind, dat, door uw zorg, is van de dood behoed,
Vertoonen voor het volk. Gods vyanden, vermeeten
Door uw stilzwygendheid, belachen zyn Profeeten,
(160) En spotten met de heilbelofte, aan ons geschied.
Wat zeg ik, ’t gaat zoo ver, dat zich uw Stiefmoer niet
Ontzien zal, ons altaar, met haar afgoderyen
Te smetten, daar op Baal het offer toe te wyen:
Des is het tyd, dat wy ons redden door ’t gevaar;
(165) Dat ik den jongen Prins, die ’k achter ’t hoog altaar
Dus lang verborgen hielt, als onder Godes vleug’len,
Voor elk ten toon stelle, om haar trotsheid te beteug’len.
’K weet, dat de telg niet van zyn stam ontaarden zal.
Zyn oordeel en verstand gaat boven ’t kleen getal
(170) Der jaaren. ’k zal, voor ik hem uitroep, eerst vertoonen
By ’t altaar, voor zyn’ God, de steunpilaar der troonen,
Dan Priester en Leviet vergaderen byéén,
En zeggen: dit ’s uw vorst, de toevlucht van ’t gemeen.
                                   JOZABET.
Maar kent hy al zyn stam, en hoe hy is geheeten?
                                   JOJADA.
(175) Tot noch toe heb ik hem daar niet van laaten weeten.
Hy heet Eliasyn; en ’t jongske meent, dat hy
Gelyk een vond’ling, opgetogen is van my.
                                   JOZABET.
Heb ik dan ’t kind gered, om ’t weêr in die gevaaren
Op nieuws te wikk’len, na een reeks van negen jaaren?
                                   JOJADA.
(180) Hoe dus bezwykt uw moed? die hoop, die gy wel eer....
                                   JOZABET.
Ach? Ik verlaat my op uw wyze raad, myn Heer.
[p. 7]
Van ’t uur af, dat ik ’t voor den moorddolk heb geborgen,
Stelde ik u ’t kind ter hand, op dat gy ’t zoud bezorgen.
’K heb zelfs daar ’t byzyn, als gevaarlyk, van ontvlucht:
(185) Wyl ik, mistrouwende myn liefde en tedre zucht,
Steeds vreesde, dat ik door de zorgelyke trekken
Van ’t medelydende gelaat, iets mogt ontdekken.
Ik heb drie dagen, en drie nachten achter een,
Den traagen tyd doorbragt, met traanen en gebeên.
(190) Maar is ’t geoorloft, u te vragen, op wat vrinden
Ge u kunt verlaaten? wien gy tot uw dienst zult vinden?
Zyt gy van Abner wel verzekert? heeft die al
Zyn woord gegeven, dat hy ons beschermen zal?
                                   JOJADA.
Op Abners deugt moogt gy u blindelings vertrouwen.
(195) Doch ’k heb tot noch voor hem ’t geheim bedekt gehouwen.
                                   JOZABET.
Wie maakt gy hoofdman van de lyfstaffiers, of wacht?
Voor my, ’k heb ’t Ammon, of aan Obed toegedacht:
Zy hebben, in hun tyd, veel weldaân van myn vader....
                                   JOJADA.
Ach! spreek van Ammon niet, noch Obed, dien verrader:
(200) Want beide zynze door Athalia misleid.
                                   JOZABET.
Wie zal dan waaken voor des Vorsten zekerheid?
                                   JOJADA.
Heb ik dat niet gezegt? de Priesters en Levieten.
                                   JOZABET.
’K weet, dat gy heim’lyk, om uw oogwit te beschieten,
’T getal daar van by u verdubbeld hebt, dat zy
(205) Athalia de kroon der opperheerschappy,
Indien ’t hen moog’lyk was, gewiss’lyk zoude ontrukken,
Om Davids kroost, zoo zy ’t ontdekte, op ’t hoofd te drukken:
Maar schoon hun yver al zoo groot is, wat vermag
Toch zulk een kleene hoop, gestyft door uw gezag?
(210) Gy zult Athalia, met haare vremdelingen,
Op ’t allereerst gerucht, den Tempel zien omringen,
Als zy van Joas hoort. wie zal haar macht weêrstaan?
[p. 8]
Onnoz’le Priesters, die hun hand ten hemel slaan
En niet gewent zyn, als te bidden en te smeeken.
(215) My dunkt, ik zie het kind in hunnen arm doorsteeken.
                                   JOJADA.
Hoe! acht gy God dan nietmetal? God, die altyd
’T onnozel wees beschermt, en voor de zynen stryd,
Die vaak den zwaksten helpt, om zynen macht te toonen,
Die aarts-tierannen vloekt, en neêrbonst van de troonen,
(220) Die zelfs gezworen heeft, dat hy, in Israel,
Den trotsen Achab, met d’ontrouwe Jesabel
Verdelgen zou: gelyk ge aan Joram zaagt voor dezen
En aan Ocasias.
                                   JOZABET.
                            Helaas! dat doet my vreezen.
Wie weet, of ’s hemels toorn, ophouden zal te woên,
(225) Voor hy myns broeders zoon verdelgt ziet, hem ten zoen?
Of ’t kind, gewikkelt in het quaad dier booze tyden,
In ’s moeders buik niet mee gedoemt is straf te lyden?
Of meent gy, dat hem God, om Davids deugd en trouw,
Als afgezondert van die stam, wel spaaren zou?
    (230) Helaas! ’k verbeeld my noch die schrikkelyke woede,
Toen ik ’t onnozel schaap, voor ’s vyands dolk behoedde,
En al zyn broederen zag sneuvelen, in de zaal,
Den eenen door de strop, den and’ren door het staal.
D’ontmenschte Athalia, in wreedheid uitgelaten,
(235) Liep, als verwoed, door ’t hof, en hitste haar soldaaten,
Met uitgetogen dolk, zelfs tot die slagting aan.
’K zag Joas... nooit zal my daar ’t denkbeeld van ontgaan,
Ik vond het teder Wicht, gedrukt in ’s voedsters armen,
Die, om den Zuig’ling voor den moorddolk te beschermen,
(240) Naar hevig worst’len, neergestort was, in dien nood.
Ik greep het kind, dat op haar boezem lag voor dood;
Ik wiesch het, daar het was bebloed op lip en wangen:
Het zag myn traanen, ’t bleef me om hals, en schouders hangen,
Als of het kennis van myn medelyden had.
    (245) Gy groote onzigtbre God, spaar toch die dierb’re schat,
Dat eenigste overschot, uit David voortgesprooten,
[p. 9]
Gevoed by ’t altaar, ’t hoofd van Mozes wetgenoten;
Hy kent alleen u voor zyn vader en zyn heer:
Sterk hem, in dezen nood, maak dat hy triomfeer
(250) Van zyn aartsvyandin, die wy staan te bestryden.
Zoo gy ’t u belgt, dat ik, door ’t bloed, uit medelyden,
Dees traanen stort, zoo straf myn zwakheid: die is ’t waard:
Dat gy slechs d’Erfgenaam van uw belofte spaart.
                                   JOJADA.
Gy moogt wel schreijen: maar gy moet op hem vertrouwen.
(255) ’T kind, dat hem eert en vreest, zal hy niet schuldig houwen
Aan ’s vaders gruwel. Gy zult hier in ’t kort by een
Vergadert zien, de trouwgeblevene Hebreen:
Om hem te hulden en gehoorzaamheid te zweeren;
Dan zult gy zien, hoe zy het zaad van David eeren,
(260) De Dochter Jesabel vervloeken, elk om stryd.
Gods stem zal mid’lerwyl ons styven, in die tyd.
Hy heeft genoeg zich van twee vorsten zien braveeren:
Hy zal nu, op zyn’ beurt, een Koning doen regeeren,
Die, op zyn Troon, zich zal erinneren, dat hy,
(265) Door zyne Priesteren, tot d’opperheerschappy
Gebragt is, en die ons altyd die eer zal geeven,
Dat wy ’t zaad Davids, als uit ’t graf, weêr doen herleeven.
    Gy Hartekenner, die ’t hier al beneên beschouwt,
Zooge iets voorziet, waar door gy hem niet waardig houd,
(270) Dat hy is uit de stam van David voortgesprooten:
Zoo laat hem zyn, gelyk d’eerste uitgebotte looten,
Of als een bloem, die fluks vergaat, in haar geboort:
Maar zoo hy naar uw wet en wyze lessen hoort,
Zoo laat hem ’t errefrecht zyns vaders ook genieten,
(275) En ’t edel werktuig zyn, waar door we ons wit beschieten.
Verstoor de raadslag van een wreede Koningin,
Stort Mathan, dien verraâr, een geest van dwaling in,
Geef haar een tuim’ling, een verwarring van gedachten,
En al het geen, waar uit we eens vorsten val verwachten.
(280) Maar daar komt Salomite, uw Dochter, ’k Ga. Houd moed.



[p. 10]

DERDE TOONEEL.

JOZABET, SALOMITE, REY.

                                   JOZABET.
Zyt gy ’t, myn Dochter, kom, kom herwaards, met uw stoet,
Gy jonge Telgen, die, uit Levi voortgesprooten,
Altyd geweest zyt myn getrouwe lotgenooten,
Al myn vermaak en troost, in myn verdriet en smart,
(285) Die in uw jeugt, noch door een heilige yver werd
Gedreeven, om met vreugd, dit groote feest te vieren,
Wy zien u vrugt’loos ’t hoofd met bloemfestonnen cieren;
Dat tooisel voegde by het offer wel voorheen;
De Hemel eischt nu niet, als traanen en gebeên.
(290) Ik hoor, ik hoor alreeds de heilige trompetten;
Men zal de tempeldeur, na ’k merk, haast open zetten;
Ik ga my kleên; op dat ik u op ’t feest verzell’.
Zingt midlerwyl, en looft den God van Israël.
                                  REY.
Hy is de bron en oorspronk aller dingen.
    (295) Zyn heerschappy heeft geen begin, noch end.
Laat ons, laat ons, zyn naam ter eere, zingen,
    Zoo ver de waereld is bekent.
                              EEN STEM.
        Vergeefs poogt ons geweld te dwingen:
    De tongen van Gods lievelingen
        (300) Ontzien noch straf, noch dreigement.
    Laat ons, laat ons, zyn’ naam ter eere zingen,
        Zoo ver de waereld is bekent.
                                  REY.
Laat ons, laat ons, zyn’ naam ter eere zingen,
        Zoo ver de waereld is bekent.
                              EEN STEM.
    (305) Hy is het, die, met kleur, op kleur,
    De bloemen spikkelt deur en deur,
’T geboomte op zynen tyd doet bloeijen,
[p. 11]
    En ’t bloeizel weer verkeert in ooft,
    Die d’aard by dag met warmte stooft,
(310) En ’s nachts komt met zyn dauw besproeijen.
                          EEN ANDERE.
    Gelyk de zon, dat aldoorstraalend vuur,
    Die Queeker der alteelende natuur,
        Beminn’lyk is in yders oogen;
    Zoo lief, zoo waard, van zulk vermogen
        (315) Is aan de ziel, die heil’ge wet,
        Op Sinai ons voorgezet.
                          EEN ANDERE.
O! Sinai! vergeet de wonderen niet,
    Die op uw toppunt zyn geschied:
        Toen God daalde uit den hoogen,
    (320) En in een vuurkolom, vol licht,
    Te sterk voor ’t sterffelyk gezicht,
        Verscheen voor ’s menschen oogen.
                          EEN ANDERE.
Zeg ons, waar toe dit toch gedient heeft altemaal?
    Die rook, dat vuur, die bliksemstraal,
                        (325) Dat gerucht,
                        In de lucht,
        Met zulk een fellen donder.
        Daar dwarrelwinden onder?
    Was hemel, aard, door dat geweld,
    (330) En d’Elementen niet ontsteld?
                          EEN ANDERE.
God quam Israël toen nooden
Tot zyn heilige geboden,
    Daar hy ’t volk mee heeft verlicht,
Als hy zei: gy zult, ô Jooden,
(335) Niet begeeren, rooven, dooden;
    Maar ’t beminnen zy uw plicht.
                                  REY.
    ô! Heil’ge wet! ô nut, ô schoon gebod!
Wat reed’lyk schepzel kan zich des beklaagen!
    Hoe aangenaam is ’t zulk een God,
[p. 12]
(340) Zyn hart en ziel voor eeuwig op te dragen!
                              EEN STEM.
    Hy heeft ons ’t juk gelicht van onzen hals,
En in woestyn gespyst naar ons begeeren,
    Met hemelsbrood, en quakkels, zacht en mals;
Wie zou hem niet beminnen, dienen, eeren?
                          EEN ANDERE.
(345) De wat’ren scheid’de hy van een,
En bragt ons volk droogvoets door zeên,
    Daar Faro leid begraven.
Hy deed, ten nutten van ’t gemeen,
’T nat vloeijen uit een dorren steen,
    (350) Om ’t hart zyns volks te laaven.
                                  REY.
    ô Heil’ge wet! ô nut! ô schoon gebod!
Wat reed’lyk schepzel kan zich des beklaagen!
    Hoe aangenaam is ’t, zulk een God
Zyn hart en ziel, voor eeuwig op te draagen!
                              EEN STEM.
(355) Gy, die om staat, om geld, of goed,
    In ’t hart smoort uw gepeinzen,
Val voor dien grooten God te voet:
    Zyn volk past nooit het veinzen.
        Een slaaf vreest voor zyn Heer:
        (360) Maar een kind Gods bemind hem teêr.
                                  REY.
ô Heil’ge wet! &c.&c.

                    Einde van ’t eerste Bedryf.

Continue
[p. 13]

TWEEDE BEDRYF.

EERSTE TOONEEL.

JOZABET, SALOMITE, REY.

                                   JOZABET.
Houd op, myn kind’ren, staakt uw lofzang en gebeden:
’T is tyd, en meer dan tyd, dat wy ten tempel treden;
Om dezen grooten dag....


TWEEDE TOONEEL.

JOZABET, SALOMITE, ZACHARIAS, REY.

                                  ZACHARIAS.
                                            Ach! Moeder!
                                   JOZABET.
                                                                      Hoe! wat voert
(365) U herrewaards, myn Zoon? hoe ziet gy zoo ontroert?
                                  ZACHARIAS.
Een vrouw, op haaren magt, te trots en ongebonden,
Heeft onzen Tempel gansch ontheiligt en geschonden.
                                   JOZABET.
De Tempel! ach! ik beef! maar hoe is zulks geschied?
                                  ZACHARIAS.
De Hoogenpriester had den eersteling noch niet
(370) Volkomen geoffert, aan den oorsprong van het leeven,
Of daar verschynt een vrouw, ach! all’ myn leden beeven,
Op ’t noemen van haar naam. Het was de Koningin.
                                   JOZABET.
ô Hemel!
                                  ZACHARIAS.
              Zy treed trots en stout ten voorhof in:
Een plaats, daar ’t nooit een vrouw, wie ’t zy, betaamt te komen.
[p. 14]
(375) Zy schynt het Heilige der Heil’gen niet te schroomen,
’T welk niemant nadren mag, zelfs Priester, noch Leviet.
’T volk staat verbaast, zoo dra het zulk een gruwel ziet,
Myn vader... wat wierd hy vervoert van ed’le tooren!
Ja, Mozes quam nooit zoo ontzagchelyk te vooren,
(380) Wanneer hy Farao dagvaarde tot den stryd.
Hy roept: vertrek, Vorstin; wyl gy dees plaats ontwyd,
Den levendigen God in ’t aanzicht komt braveeren.
De Trotze, die zich eerst scheen nergens aan te keeren,
Bleef als verstomd, en werpt een woedend oog op hem.*
(385) Zy wilde lasteren; maar ’t scheen dat tong en stem,
Van die vermeet’le, door Gods Engel, wierd weêrhouwen.
Zoo dra ze Eliacyn, dat jongske, quam te aanschouwen.
                                   JOZABET.
Hoe, heeft zy ’t kind gezien?
                                  ZACHARIAS.
                                            O ja! zy starde ’t aan,
Zoo lang zy ’t op de zy zag van myn vader staan;
(390) Doch ’t wierd bedektelyk door Priesters opgenomen,
En elders heen gebragt.
                                   JOZABET.
                                    Gewis is zy gekomen,
Om ’t jong onnozel wicht te rukken van ’t altaar.
Gy die myn traanen ziet, ’k bid, red het, in ’t gevaar:
Op dat ze ontydig niet de draad zyns leevens korten.
                                  SALOMITE.
(395) Maar waarom schreit ge? wie doet u die traanen storten?
                                  ZACHARIAS.
Hoe meend gy, Moeder, dat men ’t kind na ’t leeven staat?
                                  SALOMITE.
Wat is toch d’oorzaak, dat de Koningin het haat?
                                  ZACHARIAS.
Vreest zy een weeskind, dat geslagt heeft, noch vermogen?
                                   JOZABET.
Daar komt die Wreede; laat ons vluchten uit haare oogen.



[p. 15]

DERDE TOONEEL.

ATHALIA, AGAR, ABNER, GEVOLG.

                                        AGAR.
(400) Gy doet heel wel, Mevrouw, dat gy een plaats verlaat,
Daar ’t alles haatlyk is, en daar gy word gehaat;
Laat, laat den Tempel aan de Priesters en Levieten,
Gy zaagt, hoe elk, zoo draa gy in trad, toe kwam schieten,
Wat groote onsteltenis uw komst daar heeft verwekt.
(405) Best is het, dat gy u dat haatlyk volk onttrekt,
En in uw Hofpaleis tot rusten gaat begeeven.
                                    ATHALIA.
Hoe kan ik rusten, daar van schrik myn leeden beeven?
Ga, zeg dat Mathan kome. Ach! kon ik, door zyn raad,
De rust genieten, die me alom ontvlucht en haat.


VIERDE TOONEEL.

ATHALIA, zittende, ABNER.

                                    ABNER.
(410) Gy hoeft u (’k bid vergeef myn openhartig spreeken,)
Om Jojada in geen bekommering te steeken.
De God, die van ons werd gedient, heeft vorm en stand
Van onzen tempel, zelfs geschetst, met eigen hand,
’T hoogwaardig offerampt aan niemand opgedragen,
(415) Als Arons kinderen, of eene van zyn maagen,
Vervolgens den Leviet, of ’t minder Priesterschap,
Bediening, plaats en werk, beschikt van trap tot trap,
En aan den nazaad op het allerstrengst verboden,
Zich ooit te mengen met den dienst van andre Goden,
(420) Is u zulks onbewust? kent ge onze wetten niet,
Gy, die als Koningin op Judaas troon gebied,
[p. 16]
En door Vorst Joram zyt tot dat gezag verheven?
Maar ’k zie daar Mathan, ik zal hem zyn vryheid geven.
                                    ATHALIA.
Neen, Abner, blyf: ik spreek van Joads trotsheid niet.
(425) Noch welk een hoon my in den Tempel is geschied.
’K weet, dat ge in ’t oorlog opgevoed, altoos zorgvuldig
Betragt hebt, ’t geen ge uw God en Koningin zyt schuldig.


VYFDE TOONEEL.

MATHAN, ATHALIA, ABNER.

                                   MATHAN.
Mevrouw, wat oorzaak heeft u herwaarts aangevoert?
Wat deert u? hoe ziet gy zoo schrikkelyk ontroert?
(430) Wat is ’t, dat gy hier by uw vyanden komt zoeken?
Hoe durft ge een Tempel, die gy voormaals pleegt te vloeken,
Een Godsdienst, die gy zoo afgryslyk hebt gehaat...
                                    ATHALIA.
Ik heb u allebei hoognodig, om uw raad.
    ’K zal u, ô Abner, van het geen ik heb bedreeven,
(435) Noch van het bloed, dat ik gestort heb, reden geeven;
’T geen ik gedaan heb, is tot nut van ’t Ryk geschied,
’K onderwerp my ook daar van ’s volks oordeel niet,
Noch ’t word, hoe luit het schreeuwt, niet myn gehoor verwaardigt:
Genoeg is ’t, dat myn doen de hemel zelfs rechtvaardigt.
    (440) Myn magt, gevestigt op ontelbre krygstrofeën,
En overwinningen, heeft my, tot aan twee zeën,
Ontzachelyk gemaakt. wy zien geen Filistynen,
Als by het leven van uw’ Vorst, in ’t veld verschynen,
Geen zwervende Arabier, verwoesten land en kust;
(445) Jerusalem geniet een volle vrede en rust.
De trotse Jehu, die my van den troon wou sleepen,
Beeft in Samaria, door angst en vrees beneepen,
En Syrië, dat my, als Koningin erkent,
Heeft tegens dien vermeet’le all’ zyne magt gewend;
[p. 17]
(450) Om hem te straffen, en myn ongelyk te wreeken:
Maar schoon des Hemels gunst zoo klaar my is gebleken,
En ik op mynen Troon regeer, naar myne wil,
Gevoel ik echter iets, dat my, bedekt en stil,
Het hart doorpynigt, en steets doet voor onheil schroomen.
(455) Een droom (ach! hoe kan ik tot zulk een zwakheid komen!)
Is d’oorzaak, dat ik my dus jammerlyk ontstel.
’K zag, dacht my, deze nacht myn moeder Jezabel,
Zoo opgetooit, als zy, ten venster uitgesmeeten,
Van felle honden, in den wyngaard, wierd gegeeten:
(460) Zy hielt zich, in haar ramp, noch fier, gelyk voorheen:
Zelfs had zy, door een afgerechte hand, naar ’t scheen,
’T veroudert aangezicht verjongt en op doen klaaren,
En, door de konst, bedekt ’t gebrek der hooge jaaren.
Beef, beef, myn Dochter, beef, riep zy, met naare stem,
(465) Beef voor der Joden God: gy word gedreigt van hem,
’T lot, dat u nakende is, wekt my tot mededogen.
Hier op is zy terstond uyt myn gezicht vervlogen.
Denk, hoe ’k gestelt moest zyn, in dien benauwden stand.
’K zag niet, als vlees en been, rondom myn ledekant,
(470) Bebloede klederen, afgryselyk geschonden,
En in het stof gesleept, door afgevaste honden.
                                    ABNER.
                                                                          O! Hemel!
                                    ATHALIA.
’K zie hier op een kind, dat tot my treed,
Gelyk de Priest’ren der Hebreen, in ’t wit gekleed.
Dit aangenaam gezicht scheen eenigsins myn vreezen
(475) Te matigen: maar, ach! terwyl ik ’t zedig weezen
En edel opzicht, met verwond’ring, van naby
Beschouw, gevoel ik, dat het snoode booswicht my
Een pook in ’t hart duwt, en myn bloed langs d’aard doet stroomen.
’T zyn slechts verbeeldingen, ’k beken ’t, van yd’le droomen,
(480) Die my die laffe vrees verwekken. ’k heb, met kracht,
Dat aak’lig denkbeeld uit myn harssenen getracht
Te bannen, maar het schiet my t’elkens weêr te binnen;
[p. 18]
’T zy, waar ik ga, of sta, het werkt steeds op myn zinnen.
’K heb tweemaal achter een die zelfde droom gehad,
(485) De grond alom gezien met brein en bloed beklad,
En telkens ’t zelfde kind verwoed op me af zien komen.
Ik heb myn toevlucht dan in ’t end tot Baal genomen;
En niet alleen tot Baal: maar ik heb, te onbedocht,
Die in den Tempel van de Jooden zelfs gezocht.
(490) Zoo veel vermag de schrik! ’k dacht hunne God te vreden
Te stellen. (Ach! vergeef myn buitenspoorigheden,
Eerwaarde Vader, en eerste offeraar van Baal.)
Ik tree ten Tempel in, (’k bid, luister na ’t verhaal.)
Men laat het offer en de plechtigheden steeken.
(495) De Priester nadert vast, om my zelfs aan te spreeken.
’K vernam hem naauw’lyks, of ’k zie ook een jongsken. Ach!
’T was ’t zelve kind, dat ik, in myne droomen, zag,
En my zoo heeft gedreigt. Het had het zelve wezen,
Ook dat gezicht, gelyk het my verscheen voor dezen,
(500) Die zelve gang en tred: het stond aan ’s Priesters zy;
Maar ’t wierd behendig, in een oogenblik, voor my
Verduistert: zoo dat ik niet weet, waar ’t is gebleeven.
Dit is, het geen ik u te kennen wilde geeven.
Wat oordeelt gy hier af?
                                   MATHAN.
                                        Voor my, ik sta verstomt.
(505) Die akelige droom, die vremde ontmoeting komt
My heel afgryslyk voor.
                                    ATHALIA.
                                      Gy, Abner, kunt wel weeten,
Wie Vader is van ’t kind, en hoe het is geheeten.
                                    ABNER.
’K weet, dat twee kinderen het offer dienden: ’t een,
Was Zacharias, zoon van Jojada, naar ’k meen,
(510) D’andre is my onbekent.
                                   MATHAN.
                                                Wat mag dit vraagen baaten?
Mevrouw, gy moet hen beide aanstonts verzek’ren laaten.
Gy weet, hoe ’k my steeds heb voor Jojada getoont,
[p. 19]
Dat ik sta na geen wraak, schoon hy my heeft gehoont,
Maar recht en billykheid bewaard heb, ongeschonden.
(515) En schoon zyn zoon al zelfs eens schuldig wierd bevonden:
Meent gy, dat Jojada het Ryk zoo ongetrouw
Zou weezen, dat hy hem in ’t leven spaaren zou?
                                    ABNER.
Door welk een misdaad kan een kind doodschuldig weezen?
                                   MATHAN.
Ik houd hem schuldig dien een Koningin moet vreezen.
(520) De Hemel heeft hem dus verbeeld; de Hemel doet
Nooit iets vergeefs; zoo dat men ’t kind verdenken moet.
                                    ABNER.
Zoo hoor ik, wilt gy, op ’t geloof van yd’le droomen,
Door dampen voortgebragt, d’onnos’len om doen komen.
Men weet noch niet eens, wie zyn Vader is geweest.
                                   MATHAN.
(525) ’K zeg, dat het schuldig is, om dat het word gevreest.
Hoe meer ’t herkomstig is uit edele geslachten,
Hoe meer gevaarlyk wy zyn leven moeten achten;
En is ’t gesprooten uit een stam, ons onbekent,
Wat is ’er dan verbeurt, hoe ’t Kind raakt aan zyn end?
(530) ’T is veeltyds schaad’lyk, zich zoo naauw gezet te toonen:
Daar ’t schielyk straffen vaak ’t behoud’nis is der kroonen.
Men pynig ons dan met onnutte zorg niet meer.
’K zeg noch, hy ’s schuldig, die slechs is verdacht, myn Heer.
                                    ABNER.
Wat hoor ik! hoe zal dus een Hoogepriester spreeken!
(535) Ik, die, van kindsbeen af, om Koningen te wreeken,
Zoo veel bloedstortingen heb bygewoont, en stryd,
Past my ’t meelyden meer, als u, die Priester zyt?
Als u, zeg ik, myn Heer, die, om belang van staaten,
Noch eenige inzicht, zich niet moest vervoeren laaten,
(540) Maar die in zyn gedrag, rechtvaerdig en gedwee,
Een voorbeeld hoort te zyn van zachtheid, rust en vree,
Mevrouw, heeft ons geboôn, hier ongeveinst te weezen.
Ik bid u, zeg my eens, waar op dat ydel vreezen
Gegrond is, op een droom, een zwak en weerloos wicht,
[p. 20]
(545) Om dat men ’t zich verbeeld des nachts in een gezicht
Gezien te hebben? op zulke ydele vertoogen?
                          ATHALIA, tegens Abner.
Het geen gy zegt, is waar: ik kan wel zyn bedroogen,
Men oordeelt licht wat te voorbarig: laaten wy
Het kind naaukeurig eens beschouwen, van naby.
(550) Gy kunt hen beide wel eens herwaards aan geleiden.*
                                    ABNER.
Ik* vrees, Mevrouw.....
                                    ATHALIA.
                                      Hoe? zou de Jood zo onbescheiden
En oneerbiedig zyn, dat hy dit weig’ren zou?
Ga, zeg aan Jojada, of Jozabet, zyn Vrouw,
Dat zy de kind’ren zelf hier breng, dat ik ’t haar rade,
(555) Op peenen van myn haat, of uitterste ongenade.
Uw Priesters vallen wat te trots, in hun gedrag;
Ik te lankmoedig: zy misbruiken myn gezag:
’K zie hen, van tyd, tot tyd, noch meer het hoofd opsteeken.
’K weet, dat zy onder zich tot nadeel van my spreeken;
(560) En mid’lerwyl laat ik dat volk, in vrede en rust,
Hun Godsdienst oeff’nen, in hun Tempel, naar ’t hun lust,
Daar ’t best waar, dat men ’t in hun yver wat besnoeide:
Op dat het met de kroon wat minder zich bemoeide.
Ga heen.


SESDE TOONEEL.

ATHALIA, MATHAN.

                                   MATHAN.
                  Mevrouw, nu kan ik veilig en oprecht
(565) U zeggen, welk een vrees my op het harte legt.
Gy zyt niet zonder reên bekommert en vol zorgen:
Een Monster houd zich in den Tempel stil verborgen.
Gy word op ’t felst gedreigt; wacht u vry voor den slag.
Men zegt, dat Abner voor het krieken van den dag,
[p. 21]
(570) Met Jojada, stil in den Tempel heeft gesproken.
Wie weet, wat tusschen hen daar heim’lyk is bestoken.
U is niet onbekent, wat zucht noch in hem leeft,
En welk een neiging hy tot Davids afkomst heeft.
Ik vrees, en kan het uit d’omstandigheid beseffen,
(575) Dat men dat jongste kind, ten rykstroon wil verheffen.
                                    ATHALIA.
Ja, Mathan, ’k vrees het ook, gy opent my ’t gezicht:
Maar ’k hoop in ’t kort wel van hun aanslag onderricht
Te weezen, en my uit die twyffeling te trekken.
Een kind is ongeveinst, een woord kan ’t werk ontdekken.
(580) Laat my alleen daar meê begaan, ga aanstonds heen,
Om myn Tyriërs te vergaderen, by een.


SEVENDE TOONEEL.

JOAS, JOZABET, ATHALIA, ZACHARIAS, ABNER,
SALOMITE, twee LEVIETEN, REY.

                    JOZABET tegens de twee Levieten.
Ik bid u, draag toch zorg voor die twee lieve kind’ren.

                        ABNER tegens Jozabet.
Zyt vry gerust: ’k sta daar voor in; niets zal hen hind’ren.
                                    ATHALIA.
ô! Hemel! hoe meer ik het zie, hoe ’t meer gelykt
(585) Naar ’t kind, dat ik zag in myn droom. Myn hart bezwykt.
Is dat uw Zoon, Mevrouw?
                                   JOZABET.
                                            Wie? deze?
                                    ATHALIA.
                                                              Ik meen dien Grooten.
                                   JOZABET.
O! ja,
                                    ATHALIA.
          Uit welk geslagt is die dan voortgesprooten?
Wie was uw Vader? spreek.
[p. 22]
                                   JOZABET.
                                            Men weet noch niet te recht....
                                    ATHALIA.
Zacht, zo voorbarig niet; ’k wil, dat hy ’t zelfs my zegt.
                                   JOZABET.
(590) Wat licht kunt ge uit een kind toch trekken,van die jaren?
                                    ATHALIA.
Dat’s ongeveinst, en zal het minst de waarheid spaaren.

                                  JOZABET stil.

,, ô Hemel! ’k bid u, red het kind, in deze nood!
                                    ATHALIA.
Hoe, heet ge?
                                        JOAS.
                      Eliacyn,
                                    ATHALIA.
                                Uw Vader?
                                        JOAS.
                                                  Die is dood.
Ik ben een weeskind.
                                    ATHALIA.
                                  Maar hebt gy hier Vrind, noch magen?
                                        JOAS.
(595) Niet als myn God; wiens zorg ik vroeg ben opgedragen.
                                    ATHALIA.
Naar ’k hoor, zyt gy dan een verlaat’ne; sint wat tyd?
                                        JOAS.
Van myn geboorte.
                                    ATHALIA.
                              Weet ge ook, van wat Land gy zyt?
                                        JOAS.
De Tempel is myn Land.
                                    ATHALIA.
                                      Waar heeft men u gevonden?
                                        JOAS.
By wreede Wolven, daar ik haast door was verslonden.
                                    ATHALIA.
(600) Maar zeg eens, wie u in den Tempel heeft gebragt.
[p. 23]
                                        JOAS.
Een vrouw, die ik niet ken, veel minder haar geslacht.
                                    ATHALIA.
Wie heeft dus lang u daar bezorgt en onderhouwen?
                                        JOAS.
God, die ons nooit verlaat, wanneer we op hem vertrouwen,
Die ’t kleinste vogelken bezorgt en queekt in ’t nest,
(605) Daar Israël dus lang zyn hoop op heeft gevest,
En die my, op myn beê, steeds voed en houd by ’t leven,
Door Heilige Offerspys, op zyn altaar gegeven.
                                    ATHALIA.
Wat wonderteeken zie ’k in ’t kind! die tedre stem,
Dat vriend’lyk wezen, die onnozelheid van hem,
(610) Die fiere zedigheid, in d’opslag zyner oogen,
Heeft my, eer ik het weet, gebragt tot mededogen.
                                    ABNER.
Dit is de vyand, die u zo te vreezen stond.
Nu ziet gy, waar uw vrees en droom op is gegrond:
’T zy ’t mededogen, dat u hart heeft ingenomen,
(615) De felle moorddolk is, waar voor gy had te schromen.
                                    ATHALIA.
Wat wonderteeken zie ’k in ’t kind! die tedre stem,
                        ATHALIA tegens Jozabet.
Hoe? gaat gy weg?
                                   JOZABET.
                              Dewyl gy alles weet, Mevrouw,
Dacht ik, dat hy u in het end verveelen zou.
                                    ATHALIA.
Gansch niet. Maar wat ’s altyd uw werk?
                                        JOAS.
                                                                ’K aanbid den Heere,
’K hoor daaglyks Moses wet uitleggen, t’zyner eere,
(620) Ik denk, ik peins daar op: ik leer daar leezen in:
Ja, ’k maak al, met die uit te schryven, een begin.
                                    ATHALIA.
Wat leert u deze wet?
                                        JOAS.
                                  Dat God bemind wil weezen,
En dat de lasteraar zyns naams zyn wraak moet vreezen,
[p. 24]
Dat hy d’onnosle wees altyd zyn hulp verschaft,
(625) De hovaardy weêrstaat, geweld en ’t moorden straft.
                                    ATHALIA.
’K versta het. Maar heeft elk daar zyne bezigheden.
                                        JOAS.
Ja, elk verheerlykt God, met Lofzang en Gebeden.
                                    ATHALIA.
Wil dan u God steeds zyn geviert en aangebeên.
                                        JOAS.
Daar word geen oeffening die waerelds is, geleên.
                                    ATHALIA.
(630) Wat is dan uw vermaak.
                                        JOAS.
                                                Den Priester aan te brengen
Het wierook en het zout, om ’t offer te besprengen,
Tot roem en glory van dien Oppermajesteit,
Het hooren van zyn lof, het zien dier plechtigheid.
                                    ATHALIA.
Kunt gy geen ander spel, of tydverdryf hier vinden?
(635) Gy zyt te jong, om u zo stipt daar aan te binden.
Begeef u aan myn Hof, daar ’s blydschap, daar is vreugd:
Daar kunt ge u, op uw tyd, vermaaken, by de jeugd.
                                        JOAS.
Zou ’k afgaan van myn God, den oorspronk aller dingen?
                                    ATHALIA.
Gy kunt hem dienen, op uw tyd: ’k zal u niet dwingen.
                                        JOAS.
(640) ’K zou echter moeten zien, dat Baal daar werd geëert.
                                    ATHALIA.
Baal is een God, als d’uwe.
                                        JOAS.
                                            één is ’er, die regeert;
En die, die laat zich van geen andren God verpoozen.
                                    ATHALIA.
Gy zult gelukkig zyn.
                                        JOAS.
                                ’T geluk der Goddeloozen,*
[p. 25]
Acht ik gelyk de wind.
                                   JOZABET.
                                  ’K bid, dat gy ’t kind vergeeft.......
                                    ATHALIA.
(645) Ik merk, dat hy uw les heel wel onthouden heeft:
Ik schep vermaak daar in. Gy zyt, naar ik kan hooren,
Uit geen gemeen geslacht, of laage stam gebooren.
Ik ben hier Koningin, en heb, gelyk gy weet,
Geen erfgenaam: verlaat dat slecht en haatlyk kleed:
(650) Ik zal u deelgenoot van al myn rykdom maaken.
Neem slechts een proef daar van, gy zult dit leven wraken.
Ter tafel zal ik u steets plaatzen aan myn zy,
En u onthaalen, als een echte Zoon van my.
                                        JOAS.
Hoe? als uw Zoon?
                                    ATHALIA.
                                Ja.
                                        JOAS.
                                    Welk een Vader zou ’k verliezen!
(655) En welk.....
                                    ATHALIA.
                            Wel nu, vaar voort.
                                        JOAS.
                                                            Een Moeder zoude ik kiezen!
                          ATHALIA tegens Jozabet.
Hy is van oordeel, noch geheugen niet misdeelt.
Ik merk, dat Jojada zyn rol hier onder speelt;
Dat hy, onaangezien de vryheid, die we u geeven,
Dien kleenen jongen, in den opgang van zyn leeven,
(660) Reeds heeft vergiftigt met uw oude wrok en haat;
En my afschildert als een Monster, voor den staat.
                                   JOZABET.
Maar wat bewimpeling wilt gy aan gruw’len geeven,
Zoo jongs gebeurt, zoo klaar, zoo duidelyk beschreeven,
En daar gy zelfs uw eer en glory noch in stelt?
                                    ATHALIA.
(665) Dat ’s waar: ik roem daar op; dewyl ik ’t snood geweld,
[p. 26]
Myn stamhuis aangedaan, rechtvaerdig heb gewrooken.
Quam Koning Josaphat myn Vader niet bestooken,
Dien hy verraderlyk deed sneuv’len, door een schicht?
Wierd myne Broeder niet berooft van ’s levens licht?
(670) En myne Moeder niet ten venster uitgesmeeten,
De honden tot een prooy, ten wraak van uw Profeeten?
En tachtig Zoonen, uyt het Koninglyk geslacht,
Rampzalig, op één tyd, gewurgt en omgebragt?
En zou Athalia dat ongewroken laaten?
(675) Die felle haters, op haar tyd en beurt, niet haaten?
Zou ’k, uit een averechts meêdogen, zyn zoo laf,
Dat ik den vyand van ons huis niet streng en straf
Vervolgen zou? zoude ik geen moord met moord betalen,
En Vader Achabs dood op Davids stam verhaalen?
(680) Had ik de wetten van natuur niet uitgedooft,
Zelfs myn kindskinderen van ’s levens licht berooft,
En zulk een zee van bloed met eigen hand vergooten,
Waar ik niet weder van den Rykstroon afgestooten?
In ’t kort, wy zyn niet te vereenigen; dewyl
(685) Wy al te strydig zyn, in Godsdienst, wet en styl.
Ik gruw voor David, ’k haat al zyn nakomelingen:
Schoon veel daar van, door my, het levenslicht ontfingen.
                                   JOZABET.
’T is u gelukt, ’k beken ’t: maar God, die alles ziet,
Verlaat zyn volk wel voor een tyd, maar eeuwig niet.
                                    ATHALIA.
(690) Waar blyft die God, daar ge u dus lang op hebt verlaaten?
Wat mogen zyn belofte en Profesyen baaten?
Waar is die Koning, dien hy u heeft toegelegt,
Die Zoon van David... Maar zy heeft genoeg gezegt,
En ik genoeg gezien. Ik zal u verder spreeken;
(695) Gy hebt voldaan, vaar wel, myn tyd die is verstreeken.



[p. 27]

ACHTSTE TOONEEL.

JOJADA, JOZABET, JOAS, ZACHARIAS, ABNER,
SALOMITE, LEVIETEN, REY.

                      JOZABET tegens Jojada.
Hebt gy de Koningin, die trotse, niet gehoort?
                                   JOJADA.
Ja, ik heb alles wel verstaan, van woord, tot woord.
Ik stond gereed, met die trouwhartige Levieten,
Om, op het minst geweld, gelyk’lyk toe te schieten.
(700) De Hemel zy met u, ô waardig kind, wiens moed
Wel overeenkomt met den afkomst van uw bloed.
Ik dank u, Abner, voor uw trouw, aan ons beweezen.
Gy, vrinden, die ik tot myn dienst heb uitgeleezen,
Gaan wy weêr Tempelwaard, om die ontreiniging,
(705) Die hy, door een godlooze onzaal’ge Vrouw, ontfing,
Weêr af te wassen, en de grond van zyne smetten
Met bloed te zuiv’ren, daar zy haaren voet quam zetten.


NEGENDE TOONEEL.

REY.

                              EEN STEM.
    Welk een Star! welk een Licht
    Doet zich op voor ’t gezicht!
    (710) Wat slaat van zulk een spruit te hoopen,
    Die, in zyn ’s levens dageraad,
    Al ’s werelds ydelheid versmaad,
    En met geen Goud is om te koopen!
                          EEN ANDER.
    Terwyl het volk meest altemaal
    (715) De Koninginne volgt, na Baal,
        En haar Afgoderyen,
    Zien wy een kind, zoo kleen, zoo teêr,
[p. 28]
    Voor zynen God en Opperheer,
        Als een Elia, stryen.
                          EEN ANDER.
    (720) Ach! mochten wy zyn stamhuis weeten!
    Licht is ’t een Zoon van een der heilige Profeten.
                          EEN ANDER.
    Dus zag men Samuel voorheen
    Opwassen, by den Tabernakel,
    (725) Die namaals wierd ’t Hebreeuws Orakel,
    En Isrels toeverlaat alleen.
                          EEN ANDER.
    Gelukkig kind! dat zoo Godvruchtig leeft,
    En Isrels God tot zyn’ leermeester heeft,
    En in zyn Wet, en Lessen schept behaagen.
                                    REY.
    (730) Gelukkig kind! hoe zalig is uw lot!
    Zoo teêr bemind! en zoo getrouw aan God!
    Aan wien gy hart en ziel hebt opgedraagen.
                              EEN STEM.
    Zoo groeit en bloeit de Lely, ongestoort,
        In afgelegen oord,
        (735) By zuiv’re watervlieten.
    Zoo zien we een telg, gedekt voor ’t noord,
    Zyn kruin ten hoogen hemel schieten.
                          EEN ANDER.
    Jeruzalem! gy schoone Stad,
ô Berg! daar God wel eer zyn woonplaats had,
(740) Waar zyn wy toe gekomen!
Wat denkt, helaas! wat denkt gy niet,
Wanneer gy Davids Rykstroon ziet,
Door vremde Vrouwen, ingenomen!
                                    REY.
Wat denkt, wat denkt ge, ô Zion niet,
(745) Wanneer gy Davids Rykstroon ziet,
Door vremde Vrouwen, ingenomen!
[p. 29]
                          EEN ANDER.
    Gy, die, in het ongemeeten
            Licht gezeeten,
    Yder geeft zyn deel en lot,
    (750) Straft gy niet de Goddeloosheid
    En de boosheid
    Van een volk, dat met u spot?
                          EEN ANDER.
    Wat baat dat naaubepaalde leven,
    Roept dat Afgodische gebroed,
    (755) Dat ge u aan geen vermaak, hoe zoet,
    Of aangenaam, wilt overgeven,
    Daar uwe God niets voor u doet?
                          EEN ANDERE.
    Laat ons Roozenkranssen draagen,
    Zingen, springen, rennen, jaagen,
    (760) Roept dien Goddeloozen hoop,
    Laat ons Roozenkranssen draagen,
    In het kragtigst onzer dagen,
    Tyd is voor geen goud te koop.
                                    REY.
    Hemel wreek u van die plaagen:
    (765) Dat zy op haar beurt meê klaagen:
    Straf dien Goddeloozen hoop.

                Einde van het tweede Bedryf.

Continue
[p. 30]

DERDE BEDRYF,

EERSTE TOONEEL.

MATHAN, NABAL, REY.

                                    MATHAN.
Ga, zeg aan Jozabet, dat zy zich herwaards spoed,
Dat ik noodzakelyk hier met haar spreeken moet.
                            EEN VAN DE REY.
’T is Mathan! Hemel! Ach! wanneer zult gy ons wreeken?
                                    NABAL.
(770) Wat ’s dit? ’t schynt, elk is schuw: zy vluchten, zonder spreken.
Laat ons haar volgen.


TWEEDE TONEEL.

ZACHARIAS, MATHAN, NABAL.

                                  ZACHARIAS.
                                                    Zacht, Vermetele, waar heen?
Geen waerelds mensch mag, als gy weet, hier binnen treên:
Dewyl de Priesters en dienstplechtige Levieten,
Dat voorrecht, hen van God vergunt, alleen genieten.
(775) Wie zoekt gy? zoo het myn Heer Vader is: die mag,
Al wat Afgodisch is, niet zien op dezen dag,
En myn Vrouw Moeder zoud gy ook niet konnen spreeken:
Ze is bezig, om haar God te bidden en te smeeken.
                                   MATHAN.
Ontstel u niet; ’k zal hier wel wachten: houd u stil.
(780) ’T is Moeder Jozabet, die ik maar spreeken wil:
’K moet haar iets uyt de naam der Koningin doen weeten.



[p. 31]

DERDE TOONEEL.

MATHAN, NABAL.

                                    NABAL.
De Jongen, dunkt me, is, als de Moêr, vry wat vermeeten.
Maar wat is ’t oogwit van Athalia? waar spruit
Die ongestadigheid, al die verandring uit?
(785) Deze uchtend wilde zy op Jojada zich wreeken:
Ook sprak ze van een kind, dat haar na ’t hart wou steeken.
In ’t kort, wanneer het was gegaan, gelyk gy dacht,
Moest Jojada al in den Tempel zyn geslacht
Geweest, en gy met Baal in zynen plaats gezeten,
(790) Ten schrik van ’t Joodse volk, ten hoon van hun Profeeten.
Ik dacht, myn deel ook al te hebben van dien buit.
Maar wie doet haar zoo licht verandren van besluit.
                                   MATHAN.
Dat is my onbewust, haar leed gaat my ter harte.
’T is die Vorstin niet meer, die al ’t gevaar uyttartte,
(795) En, altoos even fier, het vrouwelyk geslacht
Te boven ging, in moed, voortvarentheid en kracht,
Die, niet een stip van haar gezag ook zou verliezen.
Dan schynt zy ’t eene, dan het andere te kiezen,
Dan heeft zy weder van ’t beslotene berouw.
(800) In ’t kort, myn Vrind, wat zal ik zeggen? ’t is een Vrouw.
Laatst zei ze al, dat ik zou vergadren, haar wachten;
Maar ze is, sint zy het kind gezien heeft, van gedachten
Verandert. ’t zy het is uit mededogendheid,
Of schrik, dat weet ik niet; althans, zy zucht en schreid,
(805) En toont zich heel verbaast. ’K heb, zeg ik, stil vernomen,
Uit wat doorlucht geslacht het jongske is voortgekomen,
Dat d’Opperpriester ’t vaak aan ’t muitziek volk vertoont
Gelyk een Moses, waard, als Vorst, te zyn gekroont,
En ’t graauw stil opruit, met zyn valsche Profesyen.
(810) Dit zeggen had by haar veel ingang. Zal ik lyen,
Riep zy, dat hy myn volk zoo schandelyk misleid?
[p. 32]
O neen, men leef niet meer in die onzekerheid:
Ga, Jozabet, die trotse, uit mynen naam, voort spreeken:
Zeg haar, dat ik den brand zal in den Tempel steeken,
(815) Indien men mynen eisch in ’t minste wederstreef,
En tot myn zekerheid het kind niet overgeef.
                                    NABAL.
Meent gy, dat ze, om een kind, wiens ouders en geslachten
Licht onbekent zyn, die bedreiging af zal wachten?
Den Tempel stellen, om een vond’ling, in gevaar?
                                   MATHAN.
(820) Gy kent de koppigheid van Jojada, noch haar.
Ik ben verzekert, dat hy alles eer zal waagen,
Eer hy het kind, dat hy zyn God heeft opgedragen,
Zal stellen in myn hand. naar ik de Koningin
Hoor spreeken van het wicht, steekt daar iets geestigs in,
(825) Dat zweemende is naar ’t groots; en zoo ’k ’t recht uit zal zeggen;
Hy liet zich niet zo veel daar aan gelegen leggen,
Zoo ’t was gebooren, uit eene onbekende stam.
In ’t kort, myn Vrind, ik zie hun Tempel, door de vlam,
Eer ’t morgen is, verteert, zoo zy myn eisch weêrstreeven,
(830) En ’t kind, gelyk ik vast geloof, niet overgeven.
                                    NABAL.
’K ben afgedaalt, gelyk gy weet, van Ismaël,
En dien geen Baal, noch ook den God van Israël:
Maar ’k bid u, laat ons beide eens openhartig spreeken:
Is ’t wel om Baal, dat gy in toorn dus zyt ontsteeken?
                                   MATHAN.
(835) Hoe? acht gy my zoo blind, dat ik een houte God,
Die, door de tyd, byna vergaan is en verrot,
Aanbidden zou? dan hebt gy my verkeert versleeten.
Indien belang van slaat dit hart niet had bezeeten,
En van het weifelend gemoed getriomfeert,
(840) Ik had dees Myter nooit aanvaard, noch Baal geëert:
Maar Isrels Godsdienst, door myn Ouderen bezwooren,
Waar in ik, als gy weet, als Priester ben gebooren,
Trouw by gebleeven: doch de heerschzucht heeft naar ’t scheen,
Die naauwgezetheid van ’t gewisse niet geleên
[p. 33]
(845) En die verbied my, vriend van Jojada te weezen.
Het is niet noodig, u te zeggen, hoe ’k voor dezen,
Om ’t Wierookvat, met hem gekuypt heb, en getwist,
Hoe hy, onaangezien myn moeite, zorg, en list,
Door zyne Vrienden, quam van my te triomfeeren.*
(850) Toen heb ik my (om ’t op een andren boeg te keeren)
Begeeven aan het Hof; daar ik, door veinzery,
’T hart van den Vorst zo wist te trekken op myn zy,
Dat ik van hem, als een Orakel, wierd gehouwen.
De Koningin stelt ook in my al haar vertrouwen;
(855) Daar zyne wrev’lige aart met haare trotsheid stryd.
’K bedien my daar ook van; ’k zeg, dat die hoon en spyt,
Die haar is aangedaan, geenzins is te verzwelgen;
Dat zy dien Priester, met zyn aanhang, moet verdelgen.
In ’t kort, ik heb het ook alreeds zoo ver gebragt,
(860) Dat Jojada zelfs op het punt staat, van geslagt
Te werden, en zyn volk ten Tempel uitgedreven.
Doch in dien staat, daar my ’t geluk toe heeft verheven,
Voel ik een wroeging, die my vaak gedenken doet,
Wat God ik heb gedient, en wien ik dienen moet.
(865) Maar ’k meen, dat ik die schrik wel zal te boven komen,
Als ik, ten smaad van hem, zyn Priesters bloed zie stroomen.
Dien trotsen Tempel, die, aan hem is toegewyd,
Door vuur en vlam, vergaan, zyn magtloosheid ten spyt
O! welk een schouspel... Maar daar komt myn vyandinne.


VIERDE TOONEEL.

JOZABET, MATHAN, NABAL.

                                   MATHAN.
(870) Princes, ik kom hier uit de naam der Koninginne,
Om u te zeggen, dat zy ’t haatelyk geval,
Noch ’t leed, haar aangedaan, ooit meer gedenken zal,
Maar alles ongeveinst vergeeten en vergeeven.
Doch midd’lerwyl kan zy in geen gerustheid leeven;
(875) Dewyl een stil gerucht, alom door ’t volk verspreid,
[p. 34]
Toepass’lyk op haar droom, haar in onzekerheid
Gebragt heeft, of zy u niet dient verdacht te houwen.
Ik zal niet zeggen (want gy zoud my licht mistrouwen)
Hoe ik gesprooken heb voor uwen Bedgenoot:
(880) Zyn haat is tegens my, gelyk gy weet, heel groot;
Doch ik ben niet geneigt, het quaad, met quaad te loonen:
Maar die, in tegendeel, te zeeg’nen, die my hoonen.
In ’t kort, ik kom hier, als een boô van vrede rust.
Gy kunt uw feest altyd hier vieren, naar ’t u lust,
(885) In volle veiligheid, by haar bescherming, leeven.
Zy eischt slechs, dat ge alleen een enkel pand zult geeven
Van uw gehoorzaamheid. Ik zocht haar daar van af
Te trekken; maar ik beefde, op ’t antwoord, dat zy gaf.
Zy eischt het kind, dat ze, in uw byzyn, hoorde spreeken.
                                   JOZABET.
(890) Eliacyn?
                                   MATHAN.
                        Zy zal het houden voor een teken
Van vyantschap, zoo gy my ’t kind niet stelt ter hand.
Voor my, ik schaam my, dat een vrouw, van zulk verstand,
Zich aan een ydle droom zoo verre kan vergaapen,
Een rook, een damp die ons na ’t hoofd schiet, als wy slaapen.
                                   JOZABET.
(895) Is dit de vryheid, rust en vreê, die zy ons gunt?
                                   MATHAN.
Is ’t moogelyk, dat ge u daar op beraaden kunt!
Gy zyt te wys, en al te inschikk’lyk, wil ik hoopen,
Om niet uw rust, voor zulk een kleenen prys, te koopen.
                                   JOZABET.
’K verwonderde my al, dat gy zo schielyk waard
(900) Verandert van gedrag, natuur, gewoonte en aard;
Maar ik kan ’t Scorpioen, in ’t schoon gebloemte, ontdekken.
’K zie, dat geen Luipaard kan veranderen zyn vlekken.
                                   MATHAN.
Wat is het voor een kind, waarom ge u zo ontstelt?
’T is Zacharias niet, uw zoon, die, met geweld,
(905) Werd uit uw arm gerukt. Die achterdocht, dat vreezen
[p. 35]
Verzekerd my, dat u die knaap veel waard moet weezen.
Wie weet, of ’t niet, als een verlosser, uyt de lucht
Gedaalt is. Doch, hoe ’t zy, of niet, die groote zucht,
Die gy draagt tot het wicht, doet my het werk mistrouwen
(910) Dat ik die mompeling van ’t volk verdacht moet houwen.
                                   JOZABET.
Wat momp’ling?
                                   MATHAN.
                            Dat het is uyt een doorlucht geslacht,
Dat, Jojada, uw Man, alleen den tyd afwacht,
Om ’t muitziek volk, door gansch Judea, te verdeelen.
                                   JOZABET.
Een listig dekkleed, om daar mede uw rol te speelen!
                                   MATHAN.
(915) Gy kunt me, indien gy wilt verlichten. ’K weet, dat gy
Een vyandin zyt van Bedrog en Veinzery,
En dat vrouw Jozabet zoo rein is van gewissen,
Dat zy veel liever zou het leeven willen missen,
Als d’edele waarheid te bevlekken, door een woord.
(920) Maar zeg eens, weet gy niet, of hebt gy nooit gehoord,
Wie Vader was van ’t kind? uit wat gewest, of landen
Het hier gekomen is? en hoe gy ’t kreegt in handen?
Ik zal gelooven, ’t geen gy zegt; quyt uw gemoed.
Denk, dat ge u God onteert, indien gy anders doet.
                                   JOZABET.
(925) Zacht, Mathan, ’t past u niet, zo roek’loos en verwaaten
Te spreeken van een God, die gy aan elk leert haaten.
Een Huichelaar, die, om het waereldsche genot,
De zuiv’re waarheid heeft verlochent en zyn God,
En op den stoel zit van afgodery en logen,
(930) Wat indruk heeft die van dat onbepaalt vermogen?



[p. 36]

VYFDE TOONEEL.

JOJADA, JOZABET, MATHAN, NABAL.

                                   JOJADA.
Wat zie ik? Mathan? hoe, Mevrouw? wat gaat u aan?
Is ’t mooglyk! dat gy dien verraâr te woord durft staan!
Gy, die, zelfs uit de stam van David zyt gesprooten.
Gelukkig zyt ge, dat zich d’aard niet heeft ontslooten,
(935) Om dien onzaal’gen in te zwelgen, of dat zelf
De zuivre muur van dit geheiligde gewelf,
Van schrik, niet neêrstorte op dien afgodisten Ketter,
En, met dien Huichelaar, u te gelyk verpletter.
                                   MATHAN.
Door zulk een lastering toont Jojada zyn aard,
(940) Doch ’t waar u best, dat gy wat meer gematigt waart;
Op dat de Majesteit van die my heeft gezonden,
(’K spreek van de Koningin) in my niet wierd geschonden.
                                   JOJADA.
Voor my, ik wacht niets goeds van zulk een Afgezant.
Maar nu, laat hooren, welk een strik men ons weêr spant.
                                   MATHAN.
(945) Ik heb by Jozabet, uw Vrouw myn last voltrokken.
                                   JOJADA.
Vertrek dan, eer gy u van ’t aardryk in ziet slokken.
Dat u de Hemel straf, gelyk Achytophel,
Of ’t lot te beurt vall’ van d’onzaal’ge Jezabel,
Van Dathan, Abiram, en die gehaate stammen.
(950) Ik zie de Honden op uw vlees en bloed al vlammen.
                                   MATHAN.
Men zal, eer ’t avond is, wel zien, of ik, of gy....
Kom, Nabal, laat ons gaan.
                                    NABAL.
                                          Gy loopt de deur voorby,
En schynt, naar ik bemerk, geheel ontstelt te weezen.



[p. 37]

SESDE TOONEEL.

JOJADA, JOZABET.

                                   JOZABET.
Een woedend onweer staat ons van die kant te vreezen.
(955) Men eischt Eliacyn. ’t Schynt, dat de Koningin
Bewust is van ’t geheim, en die verraâr niet min.
                                   JOJADA.
Door wie zou ’t zyn ontdekt? het is maar enkel gissen:
Licht, dat hy argwaan trekt uit uwe ontsteltenisse.
                                   JOZABET.
Ik heb, zoo veel ik kon, my zelfs verpynigt: maar
(960) Geloof my vry, wy zyn in ’t uitterste gevaar.
Ik ben verzekert, dat zy ’t kind na ’t leven dingen;
Des bergen wy ’t, eer zy ’t ons, met geweld, ontwringen.
De poorten zyn noch onbezet, de wegen vry.
Ik ben gereed, om ’t in een duist’re woesteny
(965) Te brengen, of ter plaats, daar David eenzaam zuchtte,
Toen hy, het woên van dien weêrspann’gen zoon ontvluchtte,
’K zal Leeuw, noch Beer ontzien. Of laat ons ’t waardig pand
By Jehu brengen, in ’t Samaritaansche land.
Die Vorst is zacht van aard, en niet geneigt tot tooren.
(970) De naam van David klinkt hem aangenaam in d’ooren.
Ach! welk een Koning kan ook zyn zoo wreed en fel,
(’T zy hy gebaart is van een andre Jezabel)
Dat hy een schepsel, zo volmaakt, zo hoog gebooren,
Zo jong en teêr, niet, op zyn smeeken, zou verhooren?
                                   JOJADA.
(975) Zoo woud ge op Jehu u verlaaten? welk een raad!
                                   JOZABET.
Wil God niet, dat men zich zelfs redde, in zulk een staat?
En heeft hy Jehu niet gewapent, om dien snooden
Ontrouwen Achab, in het open veld te dooden?
[p. 38]
                                   JOJADA.
O! Jehu is niet meer die Jehu, als voorheen;
(980) Wyl hy, op ’t voorbeeld van de Vorsten in ’t gemeen,
Gods weldaân heeft uit zyn geheugenis gedreeven,
En Achabs Dochter niet alleen laat in het leeven,
Maar zelfs de Tempelen bescherremt en bevryd,
Aan vuile Monsters, door Egyptenaars, gewyd.
(985) Een Vorst, die ’t wierook zwaait, een’ valschen God ter eeren
Zal, hoe ’t ook zy, zich aan ’t zaad Davids geensins keeren.
Hy heeft het hart niet, zich te stellen voor Gods zaak.
’T mishaage u niet, dat ik dan hier uw raad in wraak.
Wy moeten ons alleen op onzen God vertrouwen,
(990) En, verre, van het Kind verborregen te houwen,
Zal ik het aanstonts, met zyn Koninglyke Kroon,
Gaan stellen voor het volk, in ’t openbaar, ten toon.


ZEVENDE TOONEEL.

JOJADA, JOZABET, AZARIAS, gevolgt van de Rey
en verscheide Levieten.

                                   JOJADA.
Hebt ge, Azarias, met uw trouwe Altaargenooten,
Den Tempel wel bezorgt? de deuren dicht geslooten?
                                  AZARIAS.
(995) Ja, ’k heb ook, op uw last, den Tempel, in het rond,
En ’t Voorhof doorgekruist, of ik noch iemand vond;
Maar vruchteloos. Het volk, van doodschrik ingenomen,
Op ’t zien der Koningin, durft niet te voorschyn komen.
’K vind niemand zo getrouw, als Priester en Leviet.
(1000) Het volk van Moses was zo bang, noch schichtig niet,
Wanneer ’t voor Farao, door ’t roode meir, moest vluchten.
                                   JOJADA.
O! Bloodaarts! wilt ge altyd in slavernye zuchten?
Zult gy dan eeuwig zoo lafhartig zyn en schuw?
Maar hoe? hoe komen all’ die kinderen by u?
[p. 39]
                            EEN VAN DE REY.

(1005) Myn Heer, waar kunnen wy ons veiliger vertrouwen,
Als daar zich Vaderen en Broederen onthouwen?
                        EEN ANDER.
        Wy zullen, zo we, als Jahel, niet
        Ons leed met handen kunnen wreeken,
        Terwyl, de felle stryd geschied,
        (1010) Met traanen, om Gods bystant smeeken.
                                   JOJADA.
Ja, best is ’t, dat gy u op zynen arm vertrouwt.
O, gy, die alles wat hier omgaat, klaar beschouwt,
Zie, wie hier stryden wil, uw heil’gen naam ter eeren.
Indien gy haer beschermt, kan haar geen vyand deeren;
(1015) Gy wekt, wanneer gy wilt, de dooden uit het graf,
Dan wond, dan zalft gy weêr, ’t hangt alles van u af.
Des steunen zy niet op haar menschelyke krachten,
Noch vleeschelyken arm, maar u, die ’s vyands machten
En zyn raadslagen kan veryd’len, als de wind,
(1020) Op u en uwen naam, zoo teêr van haar bemind,
En op uw eeden, aan haar Koningen gezwooren,
Dees Tempel, dien gy tot uw woonplaats hebt verkooren,
En zo lang duuren zal, als ’t zonlicht d’aard bestraalt.
Maar hoe? ik schrik: ’t schynt, of iets heiligs op my daalt:
(1025) O ja, het is God zelfs; ik tril, myn leden beeven.
Kom, wek het vuur meêr op, waar door ik word gedreeven,
Door stem en snarenspel; op dat ik, als zyn tolk,
De duistere eeuwen mag ontdekken aan zyn volk.

    De REY zingt, of ’t geluit van allerhande snarenspel.
        Dat zich ’s hemels stem laat hooren,
        (1030) Door zyn Hoogenpriesters mond,
        Wy, wy, oop’nen hart en ooren,
        ’T zy dat hy ons zalft of wond.
        Dat zich.......
                                   JOJADA.
Hoord, Aarde en Hemel, hoort; en gy, ô Jacob, mede:
(1035) Zeg niet: God Isrels slaapt; Hy waakt, op myne bede.
[p. 40]
Hier begint men weêr te speelen: waar na JOJADA aan-
                          stonds begint te spreeken.


Wat zie ik! (a) zuiver goud verandren in slecht lood!
Wee! Wee! Jerusalem, die uw Profeeten dood:
Uw Tempel is ontwyd, de heil’ge plaats geschonden
Door (b) ’sHogenpriesters bloed, gestort uit zyne wonden.
(1040) God heeft niet meer voor u die liefde en tedre zucht;
Het wierook, dat gy zwaait, is haatelyk van lucht.
Maar hoe! wat zie ik daar al kinderen en vrouwen!
    (c) Waar leid gy die onnoz’len heen?
    Is dan die Koningin der steên,
    (1045) Met al haar prachtige gebouwen,
    Zoo jammerlyk verdelgt en tot de grond vertreên!
    Men leid haar Priesteren gevangen,
    Haar Vorsten zyn ontbloot van eer.
    Gy zult uw’ God, uw’ Opperheer
    (1050) Niet op uw Feesten meer ontfangen.
    Gy heil’ge Tempel stort ter neêr,
    Dat ’s Hemels vlam uw Cedrenhout verteer.
        Jerusalem, hoe is uw schoonheid zoo vervlogen!
            Wat hand heeft, in één’ enk’len dag,
            (1055) Uw vreugd verkeerd, in wee! en ach!
        Wie maakt twee bronnen van myn oogen,
        Op dat ik eeuwig u beschreijen mag?
                                    AZARIAS.
O! Tempel!
                                   JOZABET.
                    David!
                                        REY.
                                God van Zion! Bron van ’t leeven!
Waar is uw heil belofte, aan ons zoo vaak gegeeven?

    Men begint weêr te speelen, maar Jojada valt haar in.

    (a) Joas afval. (b) Zacharias.
    (c) Babilonische gevangenisse.


[p. 41]
                                   JOJADA.
(1060) (a) Wat Flonkerstar, wat heug’lyk licht
Doet zich daar op, voor myn gezicht,
        Met Goddelyke straalen!
Gy volkeren, verheft uw stem:
Dit is het nieuw Jerusalem,
(1065) Daar ’t oud niet by kan haalen.
Zy word geviert, gedient en aangebeên,
(b) By kinderen, haar onbekent voorheen.
Verhef uw hoofd, ô Schoone, tot de wolken,
Elk staat verbaast voor uwe heerlykheid:
(1070) De Koningen der Landen, Steden, Volken,
Vernedren zich voor uwe Majesteit,
        Elk kust het stof van uwe voeten;
Terwyl zy u, als hun Verlosser, groeten.
                            Tegens JOZABET.
Princes, ga, haal de Kroon, die David zelfs eerst droeg.
                          Tegens de LEVIETEN.
(1075) Ik heb het zwaard, daar hy den Philistyn meê sloeg,
Noch heimelyk bewaart, met wapenen en lanssen,
In hoogen ouderdom, naa hach’lyke oorlogs-kanssen,
Geoffert aan zyn God. Kom, volg my, edle stam;
’K zal u geleiden, daar geen waereldsch mensch ooit quam.
(1080) Nooit kunnen we ons daar meê met grooter nut ver weeren;
Dewyl ’t zyn’ Tempel en zyn’ naam geschied ter eeren.


ACHTSTE TOONEEL.

SALOMITE, REY.

                                  SALOMITE.
    Is dit dan de Eersteling? ach! ach!
    Het reukwerk, dat op dezen grooten dag
    Aan God moest opgeoffert weezen?
    (1085) Het hart krimpt my in ’t lyf, van vreezen.

    (a) De Kerk, (b) De Heidenen.

[p. 42]
                        EEN VAN DE REY.
Ach! wie zag zulk schouspel immermeer!
Wat nazaad kan dit gruwelstuk gelooven?
In ’t huis van liefde en vree het blinkend moordgeweer,
Om ’t beeld van God het leeven te berooven!
                          EEN ANDER.
(1090) Waar toe, waar toe, die toestel altemaal,
Die Koningskroon, by dat moordaadig staal?
                                    REY.
        God heeft zich laaten hooren,
        Door de mond van zyn Profeet:
        Maar ach! wie weet, wie weet,
        (1095) Wat lot ons is beschooren?
                              EEN STEM.
        Eerst speurden wy zyn tooren;
        Dan zalfde hy weêr ’t leed.
                          EEN ANDER.
        De vlam zal Zion heel verteeren,
        En haar ontblooten van sieraad.
                          EEN ANDER.
(1100) O neen, zy zal noch van haar vyand triomfeeren:
        Wyl zy zich op Gods heilig woord verlaat.
                          EEN ANDER.
    Ik zie haar zuiv’re glans verdwynen,
    Die ons voorheen zoo sterk straalde in ’t gezicht.
                          EEN ANDER.
        Ik zie dat heilzaam licht
        (1105) De gansche waereld overschynen.
                          EEN ANDER.
O Zion! Zion! ô! gy voorwerp van ons treuren!
        Wat legt gy met de voet vertreên!
                          EEN ANDER.
Ik zie uw hoofd weêrom ten wolken beuren,
Veel prachtiger, als ooit voorheen.
                          EEN ANDER.
        (1110) Wat hoor ik jammeren en klaagen!
[p. 43]
                          EEN ANDER.
Ik hoor ’t heel al van haare grootheid waagen.
                          EEN ANDER.
Het is al lang genoeg geschreid, gezucht:
God zal ons haast een uitkomst geeven.
                      ALLE TE GELYK.
Dat men dan zynen toorn ontvlucht,
    (1115) Door een boetvaardig leven.
                                    REY.
    Een hart, dat zich verlaat op God,
    Getroost zich in zyn ramp en ongelukken,
    Het kust de hand, waar door het zich voelt drukken,
    Geduldig in zyn deel en lot.
    (1120) Het wankelt niet, om eenig aardsch genot,
    Noch ’t zal daarom voor Baal niet bukken.
    Een hart, dat zich verlaat op God,
    Getroost zich in zyn ramp en ongelukken.

                Einde van het derde Bedryf.

Continue
[p. 44]

VIERDE BEDRYF.

EERSTE TOONEEL.

JOAS, JOZABET, ZACHARIAS, SALOMITE,
EEN LEVIET, REY.

                                  SALOMITE.
Wie zie ’k? Eliacyn? ja, ’t is hem, met myn Broeder;
(1125) Zy worden herwaards aan geleid, door myne Moeder.
Wat of zy beide daar verbergen onder ’t kleed?
Wat wil dat zwaard daar die Leviet meê voor haar treed?
                    JOZABET Tegens Zacharias.
Kom, dat men ’t Wetboek op dien Tafel stel ten toone.
En gy, Eliacyn, voeg Davids sluijer kroone,
(1130) Dat vorstlyk spansel, met zyn Scepter, daar op zy:
’T is ’s Hoogenpriesters wil. Kom, leg zyn zwaard daar by.
                                        JOAS.
Hoe? Kroon en Wetboek by een zwaard! Wat mag dat wezen?
’K zag in den Tempel zulk een toestel nooit voor dezen.
                    JOZABET neemt de Kroon, om die op ’t hoofd
                                                                    van
JOAS te zetten.
Gy zult in ’t kort daar van zyn onderrecht, myn Zoon.
                                        JOAS.
(1135) Wat wilt gy doen, Princes? hoe past my Davids Kroon?
Ik, ongelukkige! ten prooi gestelt van Beeren,
Zou daar zyn heilige geheugnis door onteeren.
                                   JOZABET.
Laat my begaan: ik doe, ’tgeen my is opgeleid.
                                        JOAS.
Hoe, ’k zie, gy weent: is dit uit mededogendheid?
(1140) Moet ik dees dag, om Gods genade te verwerven,
Als Jephtas Dochter, voor ’t gemeene welzyn sterven:
Dat d’Opperpriester dan zyn Offerhand vry doe,
Een Zoon heeft niets, of ’t komt aan zynen Vader toe.
[p. 45]
                                   JOZABET.
Daar komt hy, die u zal des hemels wil ontdekken.
(1145) Schep moet. ’k laat u by hem alleen. Laat ons vertrekken.


TWEEDE TOONEEL.

JOJADA, JOAS.

                         JOAS, loopende naar JOJADA, die
                                                    hem omhelst.

Myn Vader! wat is dit!
                                   JOJADA.
                                            Myn Zoon het is hoog tyd,
Dat gy niet langer van uw lot onkundig zyt.
Kom, wapen u met hoop, geloof en vast vertrouwen,
En toon dien yver, dien ’k u steeds heb voorgehouwen,
(1150) Om God op te offeren ’t geen gy hem zyt schuldig. Hoe
Vind gy u zelfs gestelt? zyt gy bequaam daar toe?
Voelt gy uw hart wel door die edle drift gedreven?
                                        JOAS.
Ik ben gereed, om hem op te offeren myn leven.
                                   JOJADA.
In ’t Boek der Koningen, staat, als gy weet, myn Zoon,
(1155) Waar zich een Vorst toe moet verplichten, op zyn Troon.
                                        JOAS.
De Mond der Waarheid zegt: (a) een Koning moet zyn zinnen
Niet stellen op het goud, maar zynen God beminnen
En vreezen: hy moet zyn geboden slaan in acht,
En zyne Broed’ren niet verdrukken, door zyn macht.
                                   JOJADA.
(1160) Maar welk een Vorst zoud gy naarvolgen, in zyn leven,
Indien ge, als Koning, hier eens wierd ten troon verheven?
                                        JOAS.
Het beste voorbeeld is Vorst David, naar ik meen:
Die bleef zyn God getrouw, en ’t Joodse volk met een.

    (a) Deuteronomium Cap. 17.

[p. 46]
                                   JOJADA.
Zo zoud gy Joram, noch ’t gedrag van dien ontrouwen
(1165) Okasias geensins tot uwen voorbeeld houwen?
                                        JOAS.
O! Vader....
                                   JOJADA.
                        Nu, vervolg,
                                        JOAS.
                                                De Hemel straf hem vry,
Die zulk een voorbeeld volgt. Maar hoe! gy knielt voor my!
                                   JOJADA.
Ja, ’k eer u, als myn Vorst, uit Davids stam gesprooten.
Toon, Joas, dat gy zyt de waardste van zyn looten.
                                        JOAS.
(1170) Ik, Joas? ik?
                                   JOJADA.
                                O ja, Gods hand heeft u behoed,
Toen u Athalia, uw Grootmoêr, zoo verwoed,
Met haren moorddolk, reeds een doodwond had gegeven:
Noch houdze uw naam verdacht, en dingt u naar het leven:
Maar Priester en Leviet staan al, met spies en zwaard,
(1175) In slagorde, onder uw banier, ten stryd geschaart,
Om ’t bitter ongelyk van hunnen Vorst te wreeken.
Gy Opperhoofden van een volk, dat alle weeken
Van wacht en Tempeldienst verwisselt, nadert vry;
Hier ziet ge een Koning, die u is belooft, door my.

DERDE TOONEEL.

JOAS, JOJADA, AZARIAS, ISMAEL, beneffens
drie andere Opperhoofden der Levieten.

                                  AZARIAS.
(1180) Wie meent ge? Eliacyn?
                                    ISMAEL.
                                                  Dat Kind? ach? wat wy hooren!
[p. 47]
                                   JOJADA.
O ja; ’t is Joas, dien gy ziet, de jongst gebooren
Van Vorst Ocazias, de laatste uit Davids stam,
Die, half zieltogende, ’t moorddaadig staal ontquam,
Waar door zyn Broederen geraakten om het leven.
(1185) God heeft den arm gestuit, die op hem was geheven,
En zyne Beulen, in die razerny, verblind:
Terwyl myn Echtgenoot het jong mishandelt kind,
In haaren schoot, verbergde, en, uit des moorders oogen,
Hier in den Tempel bragt; daar zy ’t heeft opgetoogen.
                  AZARIAS, ISMAEL en de drie andre
                              Opperhoofden der Levieten.

(1190) De Hemel zegen’ zyn Regeering, Troon en Kroon.
                            JOAS Tegens Jojada.
Ach! welk een liefde! welk een weldaad! hoe beloon
Ik u, naar uw verdienste...
                                   JOJADA.
                                          Ik zal geen loon verwachten,
Als dat ik u het nut van Isrel zie betrachten.
Dit ’s dan uw wettig Vorst, uw hoop, uw toeverlaat,
(1195) Die ik in ’t heimelyk dus ver gebragt heb. ’t Staat
Aan u, ô Helden Gods, om ’t ovrig te voltrekken.
De Dochter Jesabels begint reeds iets te ontdekken:
Zy heeft hem al geëischt, door Mathan, dien verraâr.
Zoo gy uw Koning niet beschermt, loopt hy gevaar;
(1200) Dewyl ze, uit argwaan, hem zal brengen om het leven.
Komt dan d’ontmenschte voor: doet Mozes wet herleven:
Wreekt uwe Koningen en Princen, die, zo valsch,
Door haar zyn omgebragt; werp ’t juk van uwen hals.
’K beken, ’t is vol gevaar, waar toe ’k u aan durf maanen:
(1205) Maar God zal ons een weg ter overwinning baanen,
Schoon zy veel duizenden afvallige Hebreën,
En vremdelingen, op haar wenken, heeft byéén.
Ik merk zyn gunst alreeds; de trotse is heel verslaagen,
En weet niet, hoe zy zich, in deze zaak, zal draagen.
(1210) ’K heb echter, zonder dat zy ’t weet, u hier vergaart;
Zy denkt niet, dat men is verzien van spies en zwaard,
[p. 48]
Maar dat wy weerloos zyn. Laat ons hem aanstonds kroonen,
In ’t openbaar, voor ’t volk, en daar als Vorst vertoonen
Dan, zonder tyd verzuim, zyn vyandin ten straf,
(1215) Voortrukken, naar het Hof. Wie zal zo slaafs, zo laf
Van hart zyn, dat hy, door die zelve drift gedreeven,
Ons loflyk voorbeeld niet zal poogen na te streeven?
Een Vorst, dien God heeft, in zyn’ Tempel, opgevoed,
Met Aarons nazaad, die gevolgt word, op den voet,
(1220) Van zoo veel Priesteren en heilige Levieten,
Die niet ontzien, voor hem, de wap’nen aan te schieten,
Dien David zelfs zyn’ Heer voorheen heeft toegewyd,
Belooft dat alles geen goede uitkomst, in den stryd?
God zal zyn vyanden verbeistren en verwarren.
(1225) Men trek dan aanstonds op, laat ons niet langer marren.
Ontziet het god’loos bloed dier trouweloozen niet:
Sla dood, wat u weerstaat, Tyrier, of Isrelliet.*
’t Levietiesch volk, waar uyt gy roemt te zyn gesprooten,
Heeft zelfs het bloet wel van zyn Broederen vergooten,
(1230) Om vuile Afgodery; waar door die ed’le stam
Die Heilige Altaardienst voor and’re bequam.
Maar ’t is hoognoodig, eer we iets verder onderwinden,
Dat wy ons onderling, door eeden, vast verbinden.
Komt, zweert dan uwe trouw, met algemeene stem,
(1235) Dat ge overwinnen zult, of sneuvelen met hem.
                                  AZARIAS.
Wy zweeren altemaal by Mozes en zyn’ wetten,
Den Koning Joas op zyns Vaders Troon te zetten.
Dit Heilig zwaard, dat ge ons tot zyn bescherming geeft,
Niet op te steeken, voor men hem gewrooken heeft,

(1240) Dat hem de Hemel straf, die zynen eed durft breeken;
Zyn zaad blyve eeuwig van ’t genaâverbond versteeken.

                                   JOJADA.
Gy, Koning, zweert ge ook by dit heilig wetboek niet,
Trouw naar te komen, ’t geen ons God daar in gebied?
                                        JOAS.
Wie zou by zulk een Wet altoos niet willen leeven!
[p. 49]
                                   JOJADA.
(1245) Myn Zoon... maar zacht, ik hoop, dat gy my zult vergeven,
Dat ik u noch zoo noem; dewyl die misslag uit
Een tederhartigheid van zuiv’re liefde spruit.
Gy, verre van den Troon gevoed en opgetogen,
Kent zyn betov’ring niet, noch hoe die glans onze oogen,
(1250) Gelyk een dwaallicht, trekt van ’t spoor der reed’lykheid,
Hoe licht men, door de tong der vleijers, word misleid.
Zy zullen u in ’t kort diets maken, dat de wetten
Slechs breidels zyn voor ’t volk, dat zy nooit Vorst beletten,
Te volgen zynen wil; maar dat des Rechters stem,
(1255) Daar elk na luist’ren moet, afhangklyk is van hem,
Dat hy, om zich zelfs groot te maken, bloed noch traanen,
Noch ’t zweet ontzien moet van zyn schreijende onderdanen,
Maar die Regeeren met een yz’ren scepter staf.
Zoo troonen ze u allengs van deugd en waarheid af,
(1260) Met die op ’t haat’lykst voor onze oogen af te maalen;
Zoo raakt de braafste Vorst, of Koning aan het dwaalen.
Zweer dan, in ’t byzyn dier getuigen, dat gy d’eer
’T meest zult behartigen van God, uw Opperheer,
Den booze straf zyn, en een toevlucht voor den goede,
(1265) Dat gy, zelfs tusschen u, en nedrige arremoede
Geen and’ren Rechter zult verkiezen, als uw God,
Dat gy u altyd zult erinn’ren, welk een lot
Uw kindsheid viel te beurt, toen gy, ontbloot van staaten,
Een arrem Weeskind waart, van ieder een verlaaten.
                                        JOAS.
(1270) Ik zweer, te volgen, al wat Mozes Wet gebied.
De Hemel straf me, zo men my ooit trouw’loos ziet.
                                   JOJADA.
’K zal u dan zalven. Waar is Jozabet, myn Vrouwe?
Dat zy hier, met myn Zoon, dees plechtigheid beschouwe.



[p. 50]

VIERDE TOONEEL.

JOAS, JOJADA, JOZABET, ZACHARIAS, AZARIAS, ISMAEL, SALOMITE, REY.

                    JOZABET, JOAS omhelsende.
O! Koning! Davids Zoon!
                                        JOAS.
                                        Myn waarde Moeder! ach!
(1275) Gedoog toch, dat ik u dien naam noch geeven mach.
Kom, Broêr, omhels my.
                    JOZABET, tegens ZACHARIAS.
                                ’T is uw Vorst; kniel voor hem neder.
                        JOJADA, terwyl Joas en Zacharias malkander
                                                            omhelzen.

De Hemel geef, dat gy malkand’re altyd zoo teder
En trouw beminnen moogt.
                                   JOZABET.
                                        Nu kent gy uwen plicht,
En weet, uit welk een stam ge ontfingt het levens licht.
                                        JOAS.
(1280) ’K weet, wie me ook, zonder u, berooft had van het leven.
                                   JOZABET.
Duld, dat we u dan voortaan den naam van Joas geven.
                                        REY.
Hoe? is dat Joas?
                                   JOZABET.
                                Ja, ’t is Joas, dien gy ziet.
                                   JOJADA.
’K zie iemand nad’ren; naar ik merk, is ’t een Leviet.



[p. 51]

VYFDE TOONEEL.

JOAS, JOZABET, JOJADA, ZACHARIAS,
AZARIAS, ISMAEL, SALOMITE, REY,
EEN LEVIET.

                    EEN LEVIET.
Daar ’s tegens God iets gaans; de kopere Pylaaren
(1285) Des Tempels schudde, met de heilige standaaren.
Een heldre vuurstraal speelt daar flikkerende omheen.
’K vrees, dat Athalia haar krygsvolk rukt by een.
Wy zyn alreeds omringt van Tyrische Soldaaten:
Daar is geen weg, die zy heeft onbezet gelaaten.
(1290) Men schreeuwt van verre ons toe, dat Abner zit geboeit,
Dat haare legermacht elk oogenblik noch groeit.
                                   JOZABET.
Zoo is dan vruchteloos de zorg, die ’k heb gedraagen!
God denkt aan David, noch aan zyn geslacht, noch maagen.
                                   JOJADA.
Hoe? vreest gy niet zyn toorn op u en op dat kind
(1295) Noch meer te laaden, met, dus averechts en blind,
Te morren tegens God? Men legg’, heeft hy beslooten,
Het huis van David uit te roeijen, met zyn Looten,
Den vinger op de mond; op dat men hem niet terg’.
Heeft Abraham, toen hy, op dezen heil’gen berg,
(1300) Op Gods bevel, alreeds het moordmes had geheven,
Om zynen lieven Zoon den laatsten slag te geven,
Terwyl het Jongske lag geknielt voor ’t brandend hout,
Zich, in dien nood, op zyn belofte niet vertrouwt,
Onaangezien in ’t kind, als ’t eenigst zyner looten,
(1305) De hoop van zyn geslacht, of stamhuis lag beslooten?
Kom, laten wy ons dan verdeelen, als ’t behoort:
’K beveel aan u de wacht des Tempels, na het noord,
Aan u het zuiderlyk gedeelte, en u het weste:
Ik zal den oostkant zelf bewaaken, met de beste
(1310) Ismaëlliten, elk gedraag zich kloek en stout.
[p. 52]
Ruim niet, als stervende, de post, u toevertrouwt.
De vyand ziet ons aan, met d’uyterste kleinachting,
Als kudde Schapen, die, geschikt tot zyne slachting,
Op d’eersten aanval, met wanorde, vrees, en schrik,
(1315) Verstuiven zullen, in een enkel oogenblik.
Gy, Azarias, zult by onzen Koning blyven.
Gy diende, ô Vorst, om uw verdedigers te styven,
’T volk, met de Kroon op ’t hoofd, te toonen, wie gy zyt.
En moet gy sterven, sterf als Koning, in den stryd.
(1320) Waar zyn myn wapenen, ’t is tyd, die aan te schieten.
Komt, kind’ren, smeekt uw God, dat wy zyn hulp genieten.


ZESDE TOONEEL.

SALOMITE, REY.

                                    REY.
    Op, Arons Kind’ren, op, ’t is tyd;
    Uw Ouders zyn, met spies en boogen,
    Nooit wettiger te veld getoogen,
    (1325) Op, Arons Kind’ren, trek ten stryd;
    Het is uw Vorst, uw God, die hier by lyd.
                              EEN STEM.
    O! Jacobs God, wat wederhoud u nu?
    Baals peilen, die eylen en mikken op u;
            Zy dreigen ons, met boeijen,
    (1330) Uw Tempels, Altaaren te brengen tot niet,
    Den dienst, die u daar ter eere geschied,
    Met uwen naam gansch uit te roeijen.
                          EEN ANDER.
    Waar ’s uw bliksem? Waar ’s uw tooren?
            Laat dat vuil afgodisch rot
    (1335) Voelen, tasten, zien en hooren,
            Dat gy zyt een yv’rig God.
                                    REY.
    Waar ’s uw bliksem? Waar ’s uw tooren?
            Laat dat vuil afgodisch rot,
[p. 53]
    Voelen, tasten, zien en hooren,
            (1340) Dat gy zyt een yv’rig God.
                              EEN STEM.
    O! ed’le telg uit Davids stam,
    Die ’t moordmes, in de wieg, ontquam,
    Waar voor uw Broeders moesten bukken,
    Moet gy, helaas! ten tweedemaal
    (1345) Ten doel staan aan ’t moorddadig staal!
            God stuit die gruwelstukken.
                          EEN ANDER.
    Of is ’t uw wil en welbehagen,
Dat hy de straf moet voor zyn ouders misdaad draagen,
            Dat gy dien jongen blom,
            (1350) Dien tedren spruit verlaat daar om?
                                    REY.
        O! Jacobs God, wat wederhoud u nu?
        Baals peilen, die eylen, en mikken op u:
        Zy dreigen ons met boeijen,
    Uw Tempels, Altaren te brengen tot niet,
    (1355) Den dienst, die u daar ter eeren geschied,
    Met uwen naam gansch uit te roeijen.
                              EEN STEM.
Ach! Zusters, welk een ramp is ons beschooren!
Kunt gy daar niet de Krygstrompetten hooren?
                          EEN ANDER.
    Het haar reist my te berg, ach! ach!
(1360) Ik hoor, helaas! den wreeden Krygsknecht schreeuwen:
    Men vlucht vry, wat men vluchten mag,
Men schuw den klaauw dier hongerige Leeuwen.

                Einde van het vierde Bedryf.

Continue
[p. 54]

VYFDE BEDRYF.

EERSTE TOONEEL.

ZACHARIAS, SALOMITE, REY.

                                  SALOMITE.
Wat uitkomst ziet gy in onze algemeene elende?
                                  ZACHARIAS.
Verdubbel uw gebeên: het loopt met ons ten ende,
(1365) Onze uitkomst hangt alleen aan d’uitkomst van den stryd:
Verliezen wy de kans, zyn wy het alles quyt.
Elk staat reeds op zyn post, zo Priesters, als Levieten,
Om ter beraamder leus gelyk’lyk toe te schieten.
                                  SALOMITE.
Hoe is ’t met Joas?
                                  ZACHARIAS.
                            Die heeft zich voor ’t volk vertoont:
(1370) Daar d’Opperpriester hem gezalft heeft en gekroont.
Wat zag men niet al vreugde en blydschap in elks wezen!
Niet anders, als of hy was uyt het graf gerezen,
Men ziet de tekenen van zyne wonden noch.
Zyn voedster, die hem eerst gevoed heeft, met haar zoch,
(1375) En achter ’t hoog Altaar, in ’t heimlyk, onder d’oogen
Van Moeder Jozabet, bezorgt en opgetogen,
Verscheen daar mede, als zyn getuige, voor het volk.
Leviet en Priester schreit van vreugde, elk vloekt den dolk,
Die ’t op zyn leven had gemunt. ’t Mismoedig weenen
(1380) Mengt zich, al hikkende, door al die blydschap heenen.
Hy reikt den een zyn hand; terwyl hy ’t heus gelaat
En ’t zedige gezicht weêr naar een ander slaat.
Hy zweerd, by zynen Kroon, dat hy hun raad te gader
Opvolgen zal. Hy noemt hen niet, als Broêr, of Vader.
                                  SALOMITE.
(1385) Maar heeft men daar ook in de Stad al van gehoort?
                                  ZACHARIAS.
O neen, men heeft het in den Tempel noch gesmoort.
Elk houd zich stil, tot hem de krygsleus word gegeeven;
[p. 55]
Dat ’s; lang moet Joas, lang moet onzen Koning leeven.
Myn Vader wil, dat zich de Vorst houde uit gevaar,
(1390) Dat Azarias hem, in zyn vertrek bewaar.
De fiere Athalia, mistrouwend’ zyn geboorte,
Trekt al haar volk by een, en dreigt de kop’re Poorte
Van onzen Tempel op te rammen, met haar macht,
Terwyl die wreede na den muur rammyer wacht.
(1395) Men zocht zelfs Vader al eenstemmig te overreden,
Om d’Arke des Verbonds, met al haar kostelykheden,
Te bergen, in een gat, daar nimmer dagstraal blikt:
Maar d’Opperpriester riep: lafhartige, waar schrikt,
Of vreest gy voor? dit pand, daar vremdc Goôn voor beeven,
(1400) Waar door de loop wierd der Jordaan te rug gedreeven,
Zal dat zich, voor een Vrouw, verbergen, onder d’aard?
Myn droeve Moeder slaat haare oogen hemelwaard,
Dan weder op den Prins, dan valt zy weêr aan ’t kermen,
Dat zich een steene hart daar over moet ontfermen;
(1405) Terwyl de Koning haar omhelst en kust en vleid.
Ga, help haar, in dien nood, eer zy van ’t leeven scheid.
Maar wacht; ’k zie haar daar zelf met onzen Vader komen.


TWEEDE TOONEEL.

ABNER, JOJADA, JOZABET, ZACHARIAS, SALOMITE,
ISMAEL, TWEE LEVIETEN, REY.

                                   JOJADA.
Kan ik myn oogen wel geloven? zyn ’t geen droomen?
Wat Engel, Abner, heeft uw boeijenen geslaakt?
(1410) Op welk een wys zyt gy door ’t Leger heen geraakt?
Waar door den weg alom beset is met Soldaaten?
                                    ABNER.
Die wreede Koningin heeft zelfs my vry gelaaten:
Dewyl zy wist, hoe ik by ’t meeste Krygsvolk stond.
Gy kunt wel denken, Heer, hoe zich dit hart bevond.
(1415) ’K dacht, als den Tempel is vergaan, door vuur en vlamme,
Het volk gansch uytgeroeit, van Levys braave stamme,
Dan zal d’ontmenschte my ontslaan van smart en pyn,
[p. 56]
En ik ’t laatste Offerhand van haare wreedheid zyn.
                                   JOJADA.
Maar door wat wonderwerk hebt gy genaâ gevonden?
                                    ABNER.
(1420) Dat weet hy, die alleen de harten kan doorgronden.
Zy riep, toen zy my zag, gy ziet, hoe ’t is gestelt,
Uw Tempel gansch omringt, den berg in myn gewelt,
Dat uwe God my in het minst niet kan beletten,
Dat prachtige gebouw in lichte vlam te zetten;
(1425) Maar ’k weet een middel, om dit voor te komen. Ga
By uwe Priesteren, zeg, dat Athalia
Die groote schat begeert, die by hen leid verborgen,
En ’t kind Eliacyn; datze, eer den dag van morgen
Verschynt, zich zelfs hier op verklaaren, dat hun val,
(1430) Of hun behoudenis aan ’t antwoord hangen zal!
                                   JOJADA.
Wat raad gy ons hier in?
                                    ABNER.
                                      Zoo hier die schatten leggen
Verborgen onder d’aard, gelyk wy hooren zeggen,
Moet gy die geven aan die wrekke Koningin:
Zoo niet, rukt zy terstond verwoed ten Tempel in,
(1435) En smet het Heilige, met ongewyde handen,
Door Altaarschennis, moord, door woeden, rooven, branden.
                                   JOJADA.
’K beken het, Abner; maar wat zou het schandlyk zyn,
Zoo we een onnozel Kind, gelyk Eliacyn,
Ten beste gaaven aan haar woede en rasernyen;
(1440) Om door die Offerhande ons leven te bevryen!
                                    ABNER.
De Hemel weet, hoe graag ik ’t myne opoffren zou,
Indien ik haar daar mee vernoegen kon, Mevrouw.
Maar ’k bid u, zeg my eens, wat baat uw tegenstreeven?
Kunt gy, door uwen dood, ’t kind houden in het leven?
(1445) Vergt God den Mensch ooit iets te doen, ’t geen hy niet kan?
Is Moses, toen hy, op ’t gebod van een Tieran,
Door zynen Moeder, ter genade van de stroomen,
[p. 57]
Wierd in den Nyl gezet, niet dat gevaar ontkomen?
En, door Gods hand, op zulk een wond’ren wys behoed?
(1450) Wierd ’t kind niet zelfs, door zyn Vervolger, opgevoed?
Licht zal Eliacyn dat zelve lot ervaaren.
Zaagt gy die wreede niet al eenigsints bedaaren?
Hoe ’t hart, door medelyde en gramschap wierd bestreên,
Zoo draa die kleene knaap voor haar gezicht verscheen?
(1455) Gy antwoord niet, Princes. zoud gy ’t geslacht der Jooden,
Uw Man, uw Kind’ren, om dien Jongen, laaten dooden?
Zoud ge, om een Kind, dat u in ’t bloed geenzints bestaat,
Dees heil’ge plaats, daar God alleen zich dienen laat,
Met Ark en Cherubyn, opofferen aan de vlamme?
(1460) Wat zoud gy dan niet doen, zoo ’t waare uyt Davids stamme?
                JOZABET stil tegens JOJADA.
Maar waarom spreekt gy niet? gy ziet, hoe teêr te moê
Dat hy van David spreekt.
                                   JOJADA.
                                    ’T is noch geen tyd daar toe.
                                    ABNER.
Geen tyd? ’t is meer dan tyd; de tyrische Soldaaten
Zyn altemaal, op hoop van buit, als uytgelaaten;
(1465) En Mathan prest en perst de Koningin vast aan,
Dat zy het teeken, of de leus geeve, om te slaan.
Des bid ik, dat gy uw bederf tracht voor te komen.
Doch zo gy by uw zelfs, om ’t kind, hebt voorgenomen,*
Te sterven, en zoo zwaar aan d’overgifte tilt,
(1470) Uit heilige inzicht, dat ge aan my niet zeggen wilt,
Zoo laat my, door uw volk, ook spies en wapens geeven;
Ik ben getroost, met uw te sterven, of te leeven.
                                   JOJADA.
O neen, gy opent my ’t gezicht. Ik ben geneigt,
Uw raad te volgen, om het quaad, het geen ons dreigt,
(1475) Te stuiten in zyn loop. ’t Is waar, ’k heb hier verborgen
Een schat van David, die betrouwt is aan myn zorgen,
Als d’allerlaaste hoop en toevlucht, in den nood;
Maar wyl uw Koningin ons dreigt, en zweert de dood,
En ik de magt niet kan weêrstaan van haar Soldaaten,
[p. 58]
(1480) Zal ik die wreede, met haar Lyfwacht, binnen laaten.
Maar ’k bid u. Dat toch geen baldadige Tyrier,
Noch and’ren woesten hoop van vremdelingen hier
Zyn voeten zett’; dan waar het met ons omgekomen;
Dewyl men ’t Altaar, noch het Heilige zou schroomen
(1485) Te schenden. Dat zy dan ’t getal van haare wacht,
Of stoet zoo klein maake, als zy ’t immers moog’lyk acht
Te weezen: dan zal ik het voorwerp van haar vreezen
Hier brengen, op dees plaats; en gy zult Rechter weezen,
Als gy ’s Kinds afkomst, of geboorte hoort en ziet,
(1490) Of ik ’t Athalia opoff’ren moet, of niet.


DERDE TOONEEL.

JOJADA, JOZABET, ISMAEL, ZACHARIAS, SALOMITE,
TWEE LEVIETEN, REY.

                                   JOJADA.
O gy, die alles wat hier omgaat, uit den hoogen
Beschouwt, kunt gy van uw doodvyandin gedogen,
Datze een onnozel kind, een telg uit Davids Stam,
Opoffere aan haar wraak? uw Tempel aan de vlam?
                                   JOZABET.
(1495) Slaa haar met blindheid, Heer, gelyk gy deed voorheenen,
Wanneer de zuigeling, gerukt van ’s voedsters speenen,
Met wond, op wond doorboort, mishandelt en halfdood,
Door uwen bystand, wierd geborgen, in myn schoot.
                                   JOJADA.
Ga, Ismael, op wiens beleid ik my verlaate,
(1500) Maak, dat zich niemand rep, wanneer gy die verwaate
En trotze Koningin door d’Oostpoort binnen leid.
Elk buig zich, waar zy gaat, uit diepe eerbiedigheid.
Dat Joas, onzeVorst, hier midd’lerwyl, met zyne
Geheiligde Staffiers, op deze plaats verschyne.
(1505) Gy Joodsche Dochteren, bereid een troon voor hem,
Gy Zacharias, zult, met opgeheven stem,
En ’t steeken der Trompet, de trouwgeblev’ne Jooden,
Tot hulp en bystand van hun wettig Koning, nooden:
[p. 59]
Verkondig hen, op welk een wyze hy gered
(1510) En opgevoed is, door de zorg van Jozabet.


VIERDE TOONEEL.

JOAS, JOJADA, JOZABET, Gevolg van Priesters en Levieten.

                                   JOJADA.
Getrouwe Priesteren, en heilige Levieten,
Bezet dees plaats, om op myn stem voort toe te schieten.
Dat niemand, onder u, zich zien, noch hooren laat.
Nu zult ge, ô Joas, ’t Wyf, dat u zoo dood’lyk haat,
(1515) Die trotse vyandin, in dit vertrek, aanschouwen:
Zy nadert vast; maar gy moet u op God vertrouwen,
En op zyn volk, dat zich gewapent heeft voor u.
Houd u kloekmoedig, Prins, zyt niet bevreest, noch schuw,
Als gy die wreede ziet voor uwen Troon verschynen.
(1520) ’T mishaage u niet, dat ik u achter dees gordynen
Een oogenblik verberg; dewyl ’t om reên geschied.
Wat hoor ik? opent men de deur van ’t Voorhof niet?
                                   JOZABET.
O! ja, ik zie, een drom gewapende Soldaaten,
Van d’ongelovigen die ze in den Tempel laaten.
(1525) D’ontmenschte treed voor uyt. Wat sleep heeft ze achter haar!
                                   JOJADA.
’T gaat wel, men sluit de poort. Nu is ’er geen gevaar.


VYFDE TOONEEL.

ATHALIA, JOAS, op zynen Troon zittende, achter een
Gordyn,
JOJADA, JOZABET, ABNER, VOEDSTER van Joas, gevolg van Athalia.

                                    ATHALIA.
Wel, Onrust, Stokebrand, die ’t volk zoekt te verdeelen
En op te hitzen, om daar mede uw rol te speelen,
Geslaagen vyand van myn kroon, gezag en staat,
(1530) Vind ik u hier, en met uw Vrouw? wat houd den raad?
Steunt gy op uwen God nu noch, gelyk voor deezen?
’T gezicht, zal, denk ik, u wat meer geopent weezen.
[p. 60]
Hy laat uw Tempel en uw leven in myn magt.
Nu kan ik zyn Altaar, daar gy hem ’t offer slagt,
(1535) Met u en alle, die my poogen te weêrstreeven,
Verdelgen maar ’k zal ’t woord, door Abner u gegeven,
In ’t minst niet breeken: mits dat gy me ook van uw kant
Het Jongske, met de schat van David, stelt ter hand:
Dan kunt ge uw Tempel, met al ’t overig, behouwen.
                                   JOJADA.
(1540) Wel aan; ’k zal u terstond het Jongske doen aanschouwen.
Kom, Joas treed in ’t licht. Hier ziet gy nu den Zoon
Van Vorst Okazias, den erfgenaam der kroon;
En twyffelt gy daar aan, zoo ziet na zyne wonden.
Dit is uw Koning, Volk, van God u toegezonden.
(1545) Kom, Abner, kom, erken in hem uw Vorst en Heer.
                                    ATHALIA.
Trouwlooze!
                                    ABNER.
                            O! Hemel?
                    JOJADA, wyzende op de Voedster.
                                                Dit ’s de Vrouw, die hy wel eer,
Gelyk u is bekent, de borsten heeft gezogen.
’T Kind is, door Jozabet, uw razerny onttoogen,
En in den Tempel stil bewaard: dit is die schat,
(1550) Dien ik van David, zoo gy meent, verborgen had.
                                    ATHALIA.
Verrader, gy zult u dit in het kort beklaagen.
Soldaaten, maak, dat ik van ’t spooksel werde ontslaagen.
                                   JOJADA.
En gy Soldaaten van den levendigen God,
Verdeedigt uwen Vorst; gehoorzaamt zyn gebod.

Hier opent zich het Tooneel, men ziet een drom gewapende
    Levieten, uyt het binnenste des Tempels te voorschyn
                                      komen.

                                    ATHALIA.
(1555) Wat zie ik? ach! ik ben verraden. Wapen! wapen!
Waar zyn myn Lyfstaffiers? myn trouwe Legerknaapen?
[p. 61]
                                   JOJADA.
Gy schreeuwt vergeefs: gy zyt bezet van alle kant:
Uw leeven en uw dood staan nu in onze hand.*
Nu moet gy, voor dien God, dien ge eerst braveerde, bukken.
(1560) Hy vordert rekening van al uw gruwelstukken.
                                    ATHALIA.
Wat mart ge, ô Blodaarts? wat weêrhoud u? vrees en schrik?
Gy hebt, ô Abner, my geleid in deze strik.
                                    ABNER.
God weet, hoe ik....
                                    ATHALIA.
                                Laat af, van uwen God te spreeken.
Zoo gy onschuldig zyt, zoo poogt my dan te wreeken
            ABNER, zich werpende voor de voeten van Joas,
(1565) Op wien? op Joas? op myn Vorst en wettig Heer?
Veel eerder stort het vuur des bliksems op my neer.
                                    ATHALIA.
Hy Joas? hy uw Vorst? Verraders, denkt gy niet,
Dat ge u alom noch, door myn volk, belegert ziet?
Het staat, zoo ’k niet verschyn, ten Tempel in te dringen;
(1570) ’K hoor, dat men om my schreeuwt. Beef, beef, Weêrspannelingen.


ZESDE TOONEEL.

ATHALIA, JOAS, JOJADA, JOZABET, ISMAEL, VOEDSTER,
LEVIETEN, gevolg van ATHALIA, SALOMITE, REY.

                            ISMAEL, tegens Jojada.
Wy zien ons, God zy dank, in ’t end verlost en vry.
Den vremdeling gevlucht, den Jood op onze zy,
Uw vyanden, verbaast, als door een stem van boven,
Zyn, in een oogenblik, uit ons gezicht verstooven,
(1575) En t’eenemaal verstrooit, gelyk als stof en asch.
Men had den jongsten Zoon, van Vorst Okasias,
Als wettig erfgenaam, van Davids heerschappye,
Naauw uitgeroepen, van den Voorhof gallerye,
’T verhaal daar by gevoegt van zyn behoudenis,
(1580) Hoe Achabs Dochter, tot haar straf, gevallen is,
[p. 62]
Of ’t woest Tyrieriesch volk, van doodschrik ingenomen,
Smyt zyne wapens neêr, om het gevaar te ontkomen.
Geen Meedjaniet is zo voorvlugtig uytgespat,
Toen Gideon dat Heir dicht op de hielen zat,
(1585) De schrik was algemeen, ja, zelfs de Jooden weeken,
Als zy den krygsklaroen, zoo schielyk hoorden steeken.
Doch ’t grootst gedeelte heeft voor Joas zich verklaart,
En dankt de hand, die hem in ’t leven heeft gespaart.
Man, Vrouw, en Kind’ren zyn van blydschap opgetogen:
(1590) ’T omhelst malkanderen, met traanen in hun oogen.
Men vloekt den Afgod Baal, men breekt zyn’ Tempel af,
En Mathan is alreeds gewurgt, tot zyne straf.
                                    ATHALIA.
    Gy triomfeert, ô! God der Jooden:
    ’T is zuiv’re waarheid, geen bedrog:
    (1595) ’T is Joas, dien ik zocht te dooden:
    Ik ken hem aan zyn wonden noch.
    ’K zie in de trekken, ’k zie in ’t weezen,
    Het wezen van Okazias,
    En David in zyn stam verreezen,
    (1600) Die Achabs grootsten vyand was.
    Dat hy, om zyn gezag te styven,
    Op uw’ schynheil’gen raad en daad,
    Zyn Grootmoêr niet ontzie te ontlyven,
    Gelyk een Offerhand van staat,
    (1605) Ik ben getroost, den dood te smaaken,
    En hoop, in ’t uyterst, tot uw straf,
    Dat hy, eerlang, uw Wet zal wraaken,
    En vallen van uw’ Godsdienst af.
    Zoo volgt hy ’t spoor van zynen Vader,
    (1610) Zoo krygt ge uw loon, naar uw waardy,
    Zoo wreekt hy ’t ongelyk, Verrader,
    Van Achab, Jezabel en my.
                                   JOJADA.
Men leid haar uit, op dat dees plaats, door d’ongebonden
En lasterlyke taal, ontwyd werd, noch geschonden.
(1615) Komt, Mannen, volgt haar na, en rukt d’ontmenschte voort;
[p. 63]
Wreekt uwe Princen die zoo schand’lyk zyn vermoort.
En zo gy iemand vind; die u wil tegenstreeven,
Dien moet ge, tot zyn straf, ook brengen om het leeven.


ZEVENDE TOONEEL.

JOAS, JOJADA, JOZABET, ABNER, REY.

                                        JOAS.
Gy, die d’ontsteltheid ziet van myn bedroeft gemoed,
(1620) Wend toch de vloeken van my af, die zy my doet;
Dat zy nooit kleeven op dit zuivere gewissen,
Maak, dat ik liever sterf, als u te willen missen.
                    JOJADA tegens een Leviet.
Men roep’ het volk terstond by een, ’t welk is verspreid:
Op dat het Joas hulde, en zweer gehoorzaamheid.
(1625) Wy zullen midd’lerwyl ’t Verbond, dat, God, voor dezen,
Met Jacob heeft gemaakt, en kracht’loos scheen te wezen,
Op nieuw bevestigen, en, met een dankbaar hart,
Hem looven, waar door wy het eind zien onzer smart.
Kom, Abner, leid den Vorst, als ’t hoofd der Lyfwachtbende.


LAATSTE TOONEEL.

JOAS, JOJADA, JOZABET, ABNER, EEN LEVIET, REY.

                              EEN LEVIET.
(1630) Wy zien dan eindelyk een end van onze elende:
Die goddelooze legt, door ’t staal, ter neêr geveld.
’T verdrukt Jerusalem, dus lang ten doel gestelt,
Aan Baals Afgodery en zyne wreede plaagen,
Juicht om haar dood en ziet zich van dat juk ontslagen.
                                   JOJADA.
(1635) Dank, Hemel? die ons van dit Monster heeft bevryd.
En gy, ô Joas, die nu wettig Koning zyt,
Laat dit geval u tot een leerzaam voorbeeld strekken,
Gy ziet, dat zich geen Vorst Gods gramschap kan onttrekken:
Dat hy om hoog zoo wel een Rechter heeft, als wy,
(1640) Die alle onnoz’len wreekt, ten straf der dwing’landy.
[p. 64]
                                    REY.
Laat ons God danken, pryzen en looven,
Die ons het juk van den hals heeft geschooven,
En Jezabels Dochter ter neder gevelt.
Laat ons God danken, pryzen en looven,
(1645) Daar alle onze rampen door zyn verstoven
En Joas, ’t zaad Davids ten troon is gestelt.
                              EEN STEM.
        Al wie met een oprecht gemoed,
        In angst, in druk, in tegenspoed,
        Gods wet poogt te onderhouwen,
        (1650) Red hy in ’t midden van den Gloed,
        Hy maakt het alsem bitter zoet,
        Voor die op hem vertrouwen.
                          EEN ANDER.
ô! Stad! ô! pronkjuweel der steden!
ô! Tempel! daar God aan wil zyn gebeden,
(1655) Verhef u stem ver boven welf en dak,
        Baal, die zoo trots zyn hoofd opstak,
        Legt eindlyk met den voet getreden.
        Gy triomfeert van d’onbesneden.
                                    REY.
Laat ons God danken, pryzen en looven,
(1660) Die ons het juk van den hals heeft geschooven,
En Jezabels dochter ter neder gevelt.
Laat ons God danken, pryzen en looven,
Daar alle onze rampen door zyn verstooven,
En Joas, ’t zaad Davids ten troon is gestelt.

                                    EINDE.

Continue

Tekstkritiek.

fol. *4r ingewand er staat: in gewand (afbrekingsteken ontbreekt)
fol. *5v Hoogepriesterschap er staat: Hooge priesterschap (afbrekingsteken ontbreekt)
vs. 90 hunn’ er staat: hnn’
vs. 384 punt toegevoegd
vs. 550 punt er staat: komma
vs. 551 Ik er staat: Is
vs. 643 komma er staat: punt
vs. 849 punt er staat: komma
vs. 1227 punt toegevoegd
vs. 1468 komma er staat: punt
vs. 1558 punt toegevoegd

Continue