Ceneton07346
Gepubliceerd op 30 december 1998 door E. Hofland.
Redactie dr. A.J.E. Harmsen,
Opleiding Nederlandse taal- en letterkunde, Universiteit Leiden.
Dit treurspel in vijf bedrijven is een bewerking van passages uit Vergilius’ Aeneis
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.




Frontispice eerste druk

ENEAS

EN

TURNUS

TREURSPEL.

DOOR

L. ROTGANS.

[Vignet: In hoc signo vinces].

t’ AMSTERDAM,

___________________

By FRANÇOIS HALMA,

Boekverkoper; MDCCV.

MET PRIVILEGIE.



Titelpagina eerste druk



OPDRAGT

AAN DEN

WELEDELEN HEER

JOSEF HUYDEKOPER,

HEER VAN MAARSEVEEN,

NEERDYK, &c.

RAADT DER STADT AMSTERDAM,

BEWINTHEBBER VAN DE OOST-

INDISCHE MAATSCHAPPYE,

&c, &c, &c.

Weledele Heer en hooggeëerde Neef,
UW Eds achting en zucht voor de dichtkunde, hebben my aangemoedigt, deze eerstelingen van myne toneelpoëzye, met alle schuldige eerbiedigheidt, aan Uw Ed: op te draagen.
      De Naam van HUYDEKOPER, wegens ongemeene deugden en ontelbare verdiensten door ons vaderlandt beroemt, aan ’t hoofdt dezer toneelstoffe gestelt, zal myne zangeres geen kleenen luister byzetten, en haar, als een schootvry schildt, tegen alle lasterpylen der nydige vyanden verdedigen.
      Uw Eds aangebore heuscheidt (een deugdt die als een hoofdtsieraadt onder alle andere in edelmoedige zielen uitmunt) die ik altydt omtrent myn persoon, en in het verschoonen der feilen van myne werken bespeurt hebbe, verstout my deze bescherminge voor dit toneelstuk Uw Ed. af te smeeken; met verzekeringe dat ik dezen dienst tot het einde van myn leven met een dankbaar hart zal erkennen.
      Ik hebbe de hoofdtstoffe van dit werk uit het Latyn van Virgilius ENEAS getrokken: maar my van eenige nootsakelyke vryheden en byvoegselen, tot oppronkinge der stoffe, en om de werking der hertstogten, aaneenschakeling der toneelen, kortheit des tydts, en meeste waarschynlykheit uit te vinden, (alle zaaken die in een welgeschikt treurspel vereischt worden) bedient: naar het voorbeeldt der Fransche toneeldichteren, die in deze stoffe ver boven anderen uitmunten.
      Deze zaaken hier omstandig en van stuk tot stuk aan te wyzen, zoude mogelyk Uw Ed: verveelen, die, in de geleerde schriften en Virgilius heldendicht niet onervaren, in het leezen deze uitweiding genoegzaam zal ontdekken; en, wetende dat de gansche ENEAS als een verdichtsel aangemerkt wordt, deze vryheden niet qualyk duiden.
      Indien ik nu Uw Eds doordringent oordeel eenigzins kan behaagen, zal ik in andere gelegenheden op Uw Eds bevel myn dichtsnaaren weder spannen, en altydt blyken geeven dat ik ben

                                            WEL EDELE HEER

                                                                  Uw Eds. gehoorzaamste
                                                                        en verpligtste dienaar

                                                                            L. ROTGANS.


PRIVILEGIE.

DE Staten van Hollandt ende Westvrieslandt, Doen te weten. Alsoo Ons vertoont is by Lucas Rotgans, woonende tot Utrecht, hoe dat hy geerne Wilhem de derde Koning van Groot-Brittanien, door hem in Heldendicht beschreven, en in acht Boeken verdeelt, midsgaders zyne verdere dichtkundige Werken met den druk zoude gemeen maaken, ende onder zyne dagelykse toezigt en gedurige nalésing tot Utrecht laten drukken; Dan alzoo hy niet sonder reden bedugt was, dat sommige baetzuchtige menschen, na dat hy veel tyds en arbeyds daar toe zoude hebben besteedt, en groote onkosten tot het drukken van ’t selve gedaan, sich mogten onderstaan het voorsz Werk in ’t geheel of ten deele in Onsen Lande van Holland na te drukken, en dikwils by faute van naeukeurige toezigt, en opmerkinge, niet alleen deszelfs luyster te beneemen, maar ook zelfs aan de dichtkunde, en aan de reputatie van den Auteur te kort te doen; zoo vind de zelve zig genootsaakt om zulks voor te komen, zig te addresseren aan Ons, en gehoorzaamst te verzoeken, dat Wy uyt Onze Souveraine macht en authoriteit, hem geliefden te vergunnen, gelijk meermalen in diergelijke voorvallen gebeurt was, Ons consent en Octoy, om het voorsz Werk Wilhem de derde, Koning van Groot Britannien &c. midsgaders alle zyne dichtkundige Werken te mogen laten drukken, daar hy het goet zoude vinden, voor den tyd van vyftien eerstkomende Jaren, zonder dat het binnen dien tyd aan Onse ingezetenen vry zoude staan het zelve Werk, of eenige derzelve na te drukken, of elders nagedrukt in Onzen Lande te brengen, uyt te geven, of te verkoopen, onder zoodanige verbeurte, als wy zouden gelieven te statueren en ordonneren. ZOO IST, Dat Wy de zake ende ’t verzoek voorsz overgemerkt hebbende, ende genegen wezende ter bede van den suppliant, uit Onze rechte wetenschap, Souveraine magt ende authoriteyt, den selven suppliant geconsenteert, geaccordeert, ende geoctroyeert hebben, consenteren, accorderen ende octroyeren mitsdesen, dat hy gedurende den tyd van vyftien eerst agtereenvolgende jaren het voorsz Boek, genaamt Wilhem de derde, Koning van Groot Britannien &c. mitsgaders alle zyne verdere digtkundige Werken binnen de voorsz Onsen Lande alleen zal mogen drukken, doen drukken, uytgeven ende verkopen: verbiedende daarom allen ende een iegelyken het zelve Boek in ’t geheel ofte ten deele naer te drukken, ofte elders naergedrukt binnen den zelven Onsen Lande te brengen, uit te geeven ofte te verkopen, op verbeurte van alle naergedrukte, ingebragte, ofte verkogte Exemplaren, ende een boete van drie hondert guldens daarenboven te verbeuren, te appliceren een derdepart voor den Officier die de calange doen zal, een derdepart voor den Armen daar het casus voorvallen zal, ende het resteerende derdepart voor den suppliant. Alles in dien verstande, dat Wy den suppliant met Onsen Octroye alleen willende gratificeren tot verhoedinge van zijne schade door het naardrukken van het voorsz boek, daar door in genigen deele verstaan den inhoude van dien te authoriseren, ofte te advoueeren, ende veel min het zelve onder Onse Protectie ende bescherminge eenig meerder credit, aansien ofte reputatie te geven, nemaar den suppliant in cas daarinne iets onbehoorlyks soude influeren, alle het zelve tot zijnen laste sal gehouden weesen te verantwoorden, tot dien eynde wel expresselyk begeerende, dat by aldien hy dezen Onsen Octroye voor het zelve Boek zal willen stellen, daar van geen geabbrevieerde ofte gecontraheerde mentie zal mogen maken, nemaar gehouden zal weezen het zelve Octroy in ’t geheel en zonder eenige Omissie daar voor te drukken, ofte te doen drukken, ende dat hy gehouden zal zyn een exemplaar van het voorsz Boek gebonden ende wel geconditioneert te brengen in de Bibliotheecq van Onse Universiteyt tot Leyden, ende daar van behoorlyk te doen blijken: alles op poene van het effect van dien te verliesen; Ende ten einde de Suppliant desen Onsen consente ende Octroye moge genieten als naer behooren, lasten Wy allen ende eenen iegelijken die ’t aengaen magh, dat zy den Suppliant van den inhoude van desen doen, laten ende gedogen, rustelijk, vrédelijk ende volkomentlijk genieten ende gebruyken, cesserende alle belet ter contrarie. Gedaan in den Hage onder Onzen grooten Zegele hier aan doen hangen den xxxjen July, in ’t Jaar Ons Heeren ende Saligmakers duysent ses hondert sevenentnegentigh.

A. HEINSIUS,

                        Ter Ordonnantie van de Staten

                                        SIMON VAN BEAUMONT.

  ______________________________________________

  Lukas Rotgans heeft het recht van deeze privilegie, tot het drukken van zyn Treurspel Eneas en Turnus, overgedraagen aan François Halma, nu Boekdrukker en Boekverkoper te Amsterdam.

VERTOONERS.

LATINUS, Koning der Latynen.
TURNUS, Koning der Rutulen.
ENEAS, Koning der gevluchte Trojaanen.
AMATE, Gemalin van Latinus.
LAVINIA, Dochter van Latinus en Amate.
JULIA, Vertroude van Amate.
SABINE, Vertroude van Lavinia.
THYRENUS, Vertrouweling van Latinus.
MARCELLUS, Hooftman der Lyfwacht van Latinus.
ACHATES, & SERESTUS, Trojaanen van ’t gevolg van Eneas.
LYFWACHT.

Het Toneel verbeeldt een zaal in ’t hof van
                Latinus, binnen Laurentum.



ENEAS en TURNUS

TREURSPEL.

___________________

EERSTE BEDRYF.

EERSTE TONEEL.
LATINUS, THYRENUS.

LATINUS.
HEbt gy myn last verricht, Thyrenus?

THYRENUS.
                                                                  De Trojaan
Heeft ons den stilstant, naar uw voorschrift, toegestaan.

LATINUS.
Verhaal my verder, hoe ’t in ’t leger stondt geschapen.

THYRENUS.
Ik zag Eneas voor zyn tent, in ’t glinstrent wapen,
(5) De legerbende zelf, met uitgetogen zwaardt,
Aanmoedigen ten storm, op ’t brieschend oorlogspaardt.
Gy helden, sprak hy, die, na zo veel zwarigheden
En wederwaardigheên, door ’t woedent lot geleden,
Met ons ten leste zyt in Latium gelandt;
(10) Daar gy de Trooische vlag op d’oevers hebt geplant
Van vader Tyberyn, en in verscheide slagen,
Begunstigt van de Goôn, de zege wechgedragen,
En uw trofeen gesticht in ’t vyandtlyke bloedt:
Wy houden ons verpligt aan uw beleidt en moedt.
(15) De Goden hebben ons naar deze kust gezonden,
Toen Priaams ryksstadt lag door ’t Grieksche vier verslonden,
En ’t koninklyk paleis, met zyn gezengde kruin,
De lykasch van den heer betreurde op smokent puin.
Nu lacht de leste strydt ons toe, myn togtgenooten.
(20) Latinus hooge vest en rykbemande sloten
Staan ons te winnen. ziet de ladders opgerecht,
Den stormbok vaardig: en de Trooische legerknecht
Zwaait toorts en pekstok, versch ontsteken, om de daken
Van huis en tempelkoor en hofpaleis te blaaken.
(25) Dit ryksgebiedt wierdt ons geschonken van de Goôn.
Latinus heeft my zelf zyn dochter aangeboôn;
Toen hy, verwittigt door gezanten van myn landen,
Anchizes offerkop en Priaams dierbre panden,
Zyn purper feestgewaadt, den staf en tullebandt
(30) Aanvaardde, met veel zorg gesleept uit Trojes brandt.
Hy zondt my wederom geschenken uit zyn wallen,
En liet zich ons verbondt en vrientschap wel gevallen.
Toen scheen de tydt van rust geboren, en ons leet
Ten einde: maar de vorst verbrak in ’t kort zyn eedt.
(35) Wy wierden, als gy weet, door wapens aangegrepen;
En Turnus slingerde de fakkels in de schepen,
Terwyl ik hulp verzocht in prins Evanders hof
Het is myn oogmerk niet, ô helden! om uw lof
En brave daden in ’t byzonder op te haalen.
(40) Wy zagen door uw arm ontelbre zegepraalen,
En ’s vyandts grootste magt bezwyken. vaart nu voort:
Ontgrendelt met uw vuist de vastgesloote poort.
Ontwapent Turnus wacht, en baant, door dapperheden,
Den weg, waar langs Askaan zal op den rykstroon treeden.
(45) Toont, door ’t verheffen van Kreüzes eedle spruit,
Dat gy hanthavers zyt van ’t opperste besluit.
Hier zwygt hy. ’t veldtgeschrei der strydtbaare oorlogsknechten,
Verheft zich aan de lucht: en elk, belust op vechten,
Op zege, of in ’t geweer te sneuvelen, belooft
(50) Den veldtheer hulp, en zwaait den sabel om zyn hoofdt;
Ja wacht met ongedult alleen het legerteken.
Maar ik verzoek den heldt uit uwen naam te spreeken.
Achates maakt myn komst in ’t leger hem bekent,
Hy stygt van ’t oorlogspaardt, en leidt my in zyn tent.
(55) Ik heb myn pligt voldaan, en, naar uw welbehagen,
Den stilstant aan den vorst van Troje voorgedraagen.

LATINUS.
Wat antwoordt gaf hy u?

THYRENUS.
                                                    Ik sta gewillig toe,
Het geen uw koning eischt, en ben den oorlog moe:
Ja haak naar tydt en plaats om in gesprek te treden.
(60) Ga, bootschap aan uw heer, Thyrenus, dat ik heden,
Tot vordering van vrede en rust, met zyn verlof,
En onder vrygelei, verschynen zal in ’t hof.
Zo luidde ’t antwoordt van den prins.

LATINUS.
                                                        Ik zal hem wachten.
’t Gedenkt u noch dat wy gekranste schapen slachtten,
(65) Ter eere van den boom, aan Febus dienst gewydt.
Wat zag men wonderen by ’t offer in dien tydt!
Een dikke byzwarm daalde al brommende op de loten,
En bleef, o wonder! met aan een gevlochte pooten
Vasthangen aan den top der lauren by ’t altaar.
(70) Een ieder stondt verstelt. toen riep de wichelaar:
Hoort, hoort myn spelling, ô godtvruchtige Latynen!
Wy zien eerlang in ’t ryk een vreemde magt verschynen,
En heerschen op den troon. maar ’t bleef hier noch niet by.
Myn dochter, d’offervlam ontsteekende aan myn zy,
(75) Scheen van een hemelsch vier te schittren en te blaaken,
Haar kroon te branden, en de vlam door alle daken
En zaalen van ’t paleis en hofkapel te slaan.
Ik zag, al bevende, dat wonderteken aan,
En rustte niet, maar trok, langs onbewoonde wegen,
(80) Naar ’t heilig woudt, om met myn vader raadt te pleegen.
De godtsdienst wordt bereidt en ’t offervee geslacht.
Ik vly myn stramme leen op d’afgestroopte vacht.
De zon was lang in zee gezonken met haar straalen.
De starren scheenen flaau op d’omgelege dalen:
(85) Toen ik een schorre stem, geborsten uit den grondt,
En dit Orakel hoorde uit vader Faunus mondt.
Lavinia zal nooit met uw Latynen trouwen.
      Ontzeg des minnaars eisch, die nu van liefde brandt.
Gy zult haar bruidegom eerlang in ’t ryk aanschouwen.

      (90) Hy nadert vast, myn zoon, maar uit een ander landt.
Wy wachten van dien heldt onsterfelyke neeven,
      Verheerlykt door hun deugdt, beroemt door ’t krygsgeweer.
Zo wordt uw groote naam tot aan de lucht verheven.
      Zo buigt de wereldt zich voor onzen nazaat neêr.

(95) Ik keerde wel vernoegt ten hove, en openbaarde
’t Geheim der Goden, dat myn vader my verklaarde,
Aan veel getrouwen, die my dienden in den raadt.
Neef Turnus, die naar d’echt van onze dochter staat,
Zag my, met ongedult, zyn vlammen wederstreeven.

THYRENUS.
(100) ’t Is waar, die brave prins heeft haar zyn hart gegeeven.
Hy mint Lavinia; en zyn oprechte min
Wierdt lang begunstigt van uw waarde gemalin.
Zy trachtte dag op dag, naar onze huwlykswetten,
Met alle plegtigheên, den troudag voort te zetten:
(105) Ja gansch Auzonië verlangde om ’t vorstlyk paar
Den bruiloftzegen toe te galmen voor ’t altaar.

LATINUS.
Terwyl Amate door gebeden my vermoeide,
En Turnus minnedrift in d’ingewanden groeide,
Daar ik myn oor voor zyn verliefde klagten sloot,
(110) Verscheen Eneas op den Tyber met zyn vloot.
De koning treedt aan landt met al zyne onderdaanen.
Hy meet de gronden voor de tenten der Trojaanen,
Steekt erven af, en zendt zyn afgezant naar ’t hof,
Met eedle giften en geschenken, ryk van stof
(115) Toen heb ik hem, ’t is waar, myn dochter aangeboden.
Ik was verheugt, en dacht het hoog besluit der Goden
Zendt ons dien vreemdeling, als Faunus heeft gespelt.
Maar toen Askaan het hert van Thyrrus wondde op ’t veldt,
Zo teer van hem bemint en al zyn huisgenooten,
(120) Raakte ons gewest in roer; en d’akkerliên beslooten
Het leet te wreeken van den hoeder van myn vee.
Men vloekte Eneas en zyn komst aan onze ree.
De herder grypt geen stok noch steen, maar speer en degen,
En vliegt, op wraak verhit, de Trooische jagers tegen.
(125) Het volk wordt handtgemeen, ja meer en meer verwoedt,
En verft de velden van Auzonië met bloet.
Maar wat vermag een heir van landtliên tegen schaaren,
Zo lang getuchtigt, en in oorlogskunde ervaren?
Zy vlieden uit den strydt, begruist van bloet en stof,
(130) En sleepen hunne doôn al klagende in myn hof.
Elk prest my tot de wraak. Amate, nat van traanen,
Verschynt, en zoekt my tot den oorlog aan te maanen.
Neef Turnus, aangevoert tot haat door minnenydt,
Biedt my zyn wapens aan, en rekhalst naar den strydt
(135) De ryksraadt, vaardig om dit ongelyk te wreeken,
Verzoektme d’yzre poort des oorlogs op te breeken;
Ook zonder ’t noodlot raadt te vraagen voor ’t altaar.
Ik, die den ramp van ’t ryk voorzie en ’t krygsgevaar
Ontzeg dien eisch, en zoek d’oplopentheidt te stuiten:
(140) Maar vruchteloos. ik wierdt vervolgt, en mostme sluiten
In myn geheimvertrek, om ’t lastig volk t’ ontgaan.
Toen scheen een hooger magt de kerkdeur op te slaan
Een Godtheidt brak de kracht van grendelen en sloten
Men greep de wapens aan. wat wierdt’er bloet vergooten,
(145) En reis op reis myn magt ontzenuwt in den slag!
Eneas triomfeert. dies haak ik naar ’t verdrag,
Om ’t dreigende gevaar te keeren van myn muuren;
Zy kunnen ’t stormgeweldt der Teukren niet verduuren
Ga, breng den prins myn woordt, en lei hem, naar den eisch,
(150) Met vyftig edelliên, op ’t heerlykst naar ’t paleis.
Ik zie de koningin. zy naakt, en wil my spreeken.



TWEDE TONEEL.
AMATE, LATINUS.

AMATE.
ZAl ik dan zonder endt om Turnus troudag smeeken,
En uw verstokt gemoedt steets weigeren, myn heer?
Vergeldt gy zo den dienst van zyn gevreest geweer,
(155) Dat Latium beschermt voor Trooische bannelingen,
Die tegen recht in ’t hart van uwe landen dringen?
Hadt Turnus in dien staat niet voor den troon gewaakt;
D’uitheemsche rover hadt uw rykskroon lang geschaakt,
Den hoogen burg verwoest, en uw doorluchte maagen,
(160) Met slaafsche ketenen geklonken aan zyn wagen,
Van vorstelyk sieraadt ontbloot, door bloedig stof
In krygstriomf gesleept uit ons gebliksemt hof.
Neef Turnus heeft voor u de wapens aangeschooten,
En wurf ten dienst van ’t ryk ontelbre krygsgenooten:
(165) Hy heeft de braafsten van Eneas heir gevelt;
En Pallas sneefde door den sabel van dien heldt.
Een koning is verpligt genooten dienst te loonen.
Zo gy ondankbaar blyft, gy zult den luister hoonen
Van ons aaloudt geslacht en vader Faunus stam.
(170) Ontwaak, myn echtgenoot, ontsteek de bruiloftsvlam
Met uw gewyde toorts op Turnus echtaltaaren.
Ik zal Lavinia, met ongevlochte haaren,
In ’t witte feestgewaadt, geleiden met myn handt
Naar ’t hooge tempelkoor, daar ’t huwlyksoffer brandt

LATINUS.
(175) Hou op, vorstin, gy quetst myn ooren door uw klagten.
Hoe komt in dezen staat de trou in uw gedachten?
Hebt gy de stormbazuin niet voor den muur gehoort ,
De Trooische ladders niet zien ryzen voor de poort?
En zal die bruiloftsbandt Eneas opzet breeken,
(180) Het rechte middel om zyn gramschap meer t’ontsteeken?

AMATE.
Schoon ’t vyantlyk geweldt naar onze muuren streeft,
Wy vreezen niet, zo lang de brave Turnus leeft.
Ja, zo gy hem vergunt Lavinia te trouwen,
Gy zult een groote vrucht van heil in ’t ryk aanschouwen.
(185) De huwlyksfakkel zal den fellen oorlogsgloedt,
In ’t stryden, meer en meer ontvonken in zyn bloedt.
Hoe zal d’oprechte min den moedt van Turnus wetten,
Als hem Lavinia den helm op ’t hoofdt zal zetten,
En reiken met een kus het onverwinbaar zwaardt,
(190) En gulden beukelaar, wanneer hy stygt te paardt!
My dunkt, ik zie den heldt uit onze poorten draaven,
Ontelbre vyanden in ’t bloedig stof begraaven,
Slagordens breeken, en Eneas heir, in noodt,
Omkyken te vergeefs naar zyn vernielde vloot.

LATINUS.
(195) Gy vleit u zelf te veel, vorstin, met die gedachten.
’t Is waar den heldt, dien gy begunstigt, moet ik achten
En hoog waardeeren om zyn diensten, aan dit ryk,
In ’t nijpen van den noodt, beweezen. blyk op blyk
Van edelmoedigheidt, beleidt en dapperheden
(200) Gaf Turnus, daar voor ’t recht der rykskroon wierdt gestreeden:
Maar prins Eneas week hem nooit in kracht of moedt.
Gy acht uw vyandt kleen, en ziet den tegenspoedt
Van onze wapenen. hoe kan ik dit verdraagen?
Maar belg u niet, mevrouw, indien ik iets moet vraagen,
(205) En antwoordt my oprecht. gy, die uw eenig kindt,
Lavinia, zo vast aan Turnus echt verbindt,
En die van tydt tot tydt die zaak hebt voortgedreeven,
Weet gy haar keur? heeft zy haar stem hier toe gegeeven ?

AMATE.
(210) Ik ken myn dochters aardt en haar gehoorzaamheidt,
Die nimmer met den wil der oudren heeft gepleit.
Lavinia sprak nooit den eisch der moeder tegen.
’t Is my genoeg, als ik haar vader kan beweegen,
Ik bidde u in den naam der Goden, geef uw woordt,
En zet dit heilzaam werk door Turnus troudag voort.
(215) Hy zal voor ons...

LATINUS.
                                          Hou op, en stel uw hart te vreden.
Gy zult myn oor niet lang vermoejen door gebeden,
Maar licht haar bruiloftsfeest noch vieren dezen dag.
Vaar wel.



DERDE TONEEL.
AMATE, JULIA.

JULIA.
                    DE koning hoort in ’t eindt naar uw geklag.
Nu zullen wy de bruidt geleiden naar den tempel,
(220) En stroojen palm en mirt en roozen op den drempel,
Ja plegtig op de luit met onze vingren slaan,
Tot roem van Turnus zwaardt, dat wondren heeft gedaan.

AMATE.
Indien ik my op ’t woordt des konings mag vertrouwen,
Zal gansch Auzonië dat groote feest aanschouwen.
(225) Gy, die hier boven heerscht, als koningin der Goôn,
O Juno! die myn wensch begunstigt op uw troon;
Gy, die den gloedt van haat ontsteekt in myn gedachten;
Ach! mogt ik met de byl den Trooischen balling slagten
Voor Turnus echtaltaar, en ’t lillend ingewandt
(230) Opoffren aan uw wraak met myn bebloede handt;
Dan zou ik, wel vernoegt, bestuwt van maagdereien,
Het nieuw vereenigt paar naar ’t bruitsbanket geleien,
En ’t afgetapte bloedt, gemengt met bruiloftswyn,
Inzwelgen aan den disch, terwyl wy vrolyk zyn.

JULIA.
(235) Zal ’t my geoorlooft zyn de koningin te vraagen,
Wat oorzaak haar beweegt zo fellen haat te draagen?
Gy vloekte den Trojaan voor ’t breeken van den vreê;
Zo dra hy landde met zyn vloot aan onze ree.

AMATE.
Gy hebt, myn Julia, voor lang de gunst genooten,
(240) Dat ik aan u den grondt myns boezems heb ontslooten:
En is u dit geheim verzwegen? hoor uit my
Den oorspronk van myn wrok, myn woede en razerny.
Maar beef voor ’t gruuwzaam spook, dat ik u zal verhaalen.
Een donkre nacht bekleedde om hoog de zonnestraalen,
(245) Toen ik, van moeite en zorg en waaken afgemat,
Het hoofdt onthulde, en voort op myne nachtkoets tradt.
Ik zag een Vloekgodin, ten afgrondt uitgebroken,
In ’t midden van den slaap langs myne kamer spooken.
Zy zwaaide een zwarte toorts met haar verbleekte handt,
(250) En slingerde de vlam langs ’t purper ledekant.
De haarvlecht krielde om ’t hoofdt van krinkelende slangen.
De wreetheidt stondt gemaalt op d’uitgeteerde wangen.
My dacht, zy drukte met haar vuist, van bloet bemorst,
Een adder, uit haar pruik gegreepen, in myn borst.
(255) Ik voelde ’t helsch venyn in d’aadren onder ’t droomen.
Zy sprak my aan: ik ben in Latium gekomen,
En uit den jammerpoel, die eeuwig smookt en brandt,
Door hooger last geprest. Eneas is gelandt.
De vorst heeft hem tot bruidt Lavinia gegeeven.
(260) Dit hatelyk verbondt wil Juno wederstreeven.
Zy vloekte ’t magtig Troje en Priaams kroon en staf
En afkomst, sint zyn zoon het ooft aan Venus gaf
Haar wrok heeft Ilium door ’t Grieksche vier ontsteken
Zy wil zich meer en meer aan prins Eneas wreeken,
(265) Zyn huwlyk door uw hulp beletten. schenk de maagdt
Aan Turnus, die zo trou die schoone liefde draagt:
Ik zal hem dezen nacht noch in zyn hof aanschouwen,
En in den slaap ’t gevaar van zyne min ontvouwen.
Hy wapen’ zich ten strydt, eer hem dit huwlyk smart.
(270) Hier zwygtze, en drukt de slang noch dieper in myn hart.
’t Vergif verspreit zich door myn tedere ingewanden.
’k Ontwaak, en voel een vier door al myn leden branden.
’t Gelaat stondt naar, en al’ myn vlechten overendt.
Ik zag my zelf, maar een gezigt my onbekent.
(275) Het glas vertoonde (o schrik!) myn oog een ander wezen.
Ik vloog beneden, om den koning te beleezen,
En ’t opgerecht verbondt te breeken door myn beê:
Maar vruchteloos. ik raasde en schreeude wee op wee;
Ja hoonde myn gezag en vorstelyke staaten,
(280) En holde zinneloos langs onze markt en straaten.
Ik zocht Lavinia met dodelyk gekerm.
Ik vondt haar in de zaal. ik greep haar in myn arm,
En trok haar uit den kring der hoofsche kamenieren,
Die, bezig met den hals en blonde vlecht te sieren,
(285) Myn buitensporigheên, met een verbaast gelaat,
En bevende van schrik, aanschouden in dien staat.
Ik vluchtte met de maagdt naar buiten, onder ’t vloeken;
Verstak haar onder ’t loof in afgelege hoeken,
Om ’t feest te stooren van den Trooischen vreemdeling;
(290) En, veinzende dat my des Wyngodts geest beving,
Liep in ’t gewyde kleedt met myn ontsnoerde haaren,
En spookte langs den weg met uitgelaate schaaren.
Daar gilde ik Evohé, met een verwoeden zin,
In ’t Laurentynsche woudt, als Bachus priesterin.
(295) De galm verspreidde zich door d’omgelege landen.
Ik slingerde de toorts met myn verbleekte handen,
En zong prins Turnus lof en zyn verbeelde trou.

JULIA.
Het lest van uw verhaal is my bekent, mevrou.
De stadt liep leeg. men zag de vrouwen der Latynen
(300) Ook, met een vreemt gebaar, by u in ’t bosch verschynen.

AMATE.
Terwyl ik dit verhaal; gevoelt myn hart met pyn
De werking van ’t vergif. ô dodelyk venyn!
Help Julia! ik voel myn ingewanden kooken.
Ik zie die helsche toorts weêr voor myn oogen rooken:
(305) Haar vlam ontsteekt een vier van haat in myn gemoedt,
Dat nimmer wordt gebluscht dan door Eneas bloet.
Verfoeilyk ondier, dat myn ingewandt komt knaagen!
Aanqueeker van myn haat! ô werktuig van myn plaagen!
Verstoorder van myn rust! verwekker van myn smart!
(310) Verhuis, verhuis serpent, sluip in Eneas hart.
Doorwroet de Trooische borst. vergiftig al zyn leden
Door uitgebraakt venyn. beroof hem van de reden,
Bezwalk zyn brein; opdat hy razende en ontzint,
(Gelyk een tyger, die zyn eigen nest verslindt,
(315) En scherpe klaauwen slaat aan d’eerstgestreelde jongen)
Den sabel grype, en, uit de legertent gesprongen,
Door zyne benden vliege, en Trojes overschot,
Aan dese kust gelandt tot myn rampzalig lot,
Verdelge in ons gezigt met al zyn bondtgenooten.
(320) Ja dwing hem zelf Askaan den dolk door ’t hart te stooten:
Tot hy, vermoeit en zat van moorden, in dien staat
By ’t omgebragte kindt zyn eigen leven laat.
Dat treurspel kan alleen myn razerny betoomen.
Dat treurspel zal....

JULIA.
                              Bedaar, ik zie prins Tumus komen.



VIERDE TONEEL.
TURNUS, AMATE, JULIA.

TURNUS.
(325) GY zyt ontstelt, mevrouw. indien ik u verstoor,
Ik ga.

AMATE.
        Neen, Turnus blyf, en geef my wat gehoor,
Opdat ik u myn vreugdt, en d’uwe mag verhaalen.

TURNUS.
Spreek van geen vreugde; ik kan myn droefheidt niet bepaalen
Een hart dat hoopeloos in zuivre liefde blaakt . . . .

AMATE.
(330) Hou op. ’t is nu geen tydt van klaagen. ’t uur genaakt
Dat gy Lavinia, als gemalin, zult streelen,
En zy door kus op kus uw minnewonden heelen.
Stantvaste minnaar, juich om uw gezegent lot.

TURNUS.
Heb ik verdient, dat gy myn zuivre min bespot?

AMATE.
(335) Doorluchte vriendt, zo na door ’t bloet aan my verbonden,
Hoe tracht myn hulp uw hart t’ontlasten van zyn wonden!
Myn gunst groeit uur op uur, ik min u, als myn zoon
En stort wel tienmaal daags myn traanen voor den troon
Dien myn gemaal bekleedt, door zucht tot u gedreven.
(340) Hy kon myn jongste beê niet langer wederstreeven,
Maar gaf zyn woordt en sprak: licht ziet gy dezen dag
Uw dochters feest, en ik het eindt van uw geklag.

TURNUS.
Haar bruigom zult gy haast in uw paleis aanschouwen.

AMATE.
Ik groet den heldt, die met Lavinia zal trouwen.

TURNUS.
(345) Gy groet haar minnaar, maar haar bruigom niet, vorstin.

AMATE.
O ja! door ’s konings woordt.

TURNUS.
                                                      Dat duidt gy naar uw zin.
Heeft hy myn naam genoemt in ’t antwoordt op uw smeeken ?

AMATE.
Ik heb hem wel verstaan: hy kon niet klaarder spreeken.

TURNUS.
Gy vleit myn hoop, en hebt zyn mening niet gevat.
(350) Maar als Eneas zal verschynen in de stadt,
En door uw lyfstaffiers, met alle plegtigheden,
En vyftig edellien, naar deze hofzaal treeden;
Zal blyken, wien hy wil verbinden door de trou.

AMATE
Wat hoor ik!

TURNUS.
                    Is zyn komst u niet bekent, mevrou?

AMATE
(355) O neen!

TURNUS.
                    De koning, op den hoogen muur gesteegen,
Zag flus het leger der Trojanen zich beweegen,
En in slagorde voor d’omringde muuren staan,
Ten storm gemoedigt door Eneas en Askaan.
Hy zondt, op dat gezigt, Thyrenus naar beneden
(360) Om stilstant. dit geviel Anchizes zoon: die heden
Verwacht wordt, om ’t verdrag te sluiten, in ’t paleis.
Gy weet, Lavinia voldoet alleen zyn eisch.
Nu kan de koningin dit paar naar ’t offer leien,
En ’t bruitsbedt voor haar kindt en prins Eneas spreien.

AMATE.
(365) Zou die verdelger van ons vorstelyk geslacht,
Die al myn maagen door zyn zwaardt heeft omgebragt,
Auzonië verwoest met zyn Trojaansche benden,
En ’t gansche ryk vervult met jammer en elenden:
Die Faunus afkomst, by den nagebuur vermaardt,
(370) Door heldendeugdt beroemt, ontluistert door zyn zwaardt:
Die landt- en waterplaag, die vloek van dorp en steden,
Zou die met Turnus bruidt gerust ten tempel treeden?
O neen! Lavinia, eer zal Amates handt
Uw doodbus sieren, dan uw bruiloftsledekant.

TURNUS.
(375) Zo haar de koning aan myn vyandt wil verbinden,
Hy mogt in dat besluit zich wel bedrogen vinden.
O neen! ik zal zo licht niet scheiden van de maagdt.
Ik heb om haar gestreên, het vorstlyk bloet gewaagt;
En zal dat opzet en dien troudag nooit gedoogen.

AMATE.
(380) Noch ik die gruwelen aanschouwen met myn oogen.
Eer stort myn dochter voor den voet van ’t outer neêr.

TURNUS.
Eer sneuvelt Turnus of Eneas door ’t geweer.

                Einde van het eerste bedryf.





TWEDE BEDRYF.

EERSTE TONEEL.
LAVINIA, SABINE.

LAVINIA.
O Neen, Sabine, ik kan myn droefheidt niet bepaalen.
De hemel haat my, en verwektme ontelbre quaalen.

SABINE.
(385) Zal dan de druk uw hart steets pynigen, mevrou,
En ik, van dag tot dag, bewogen door uw rou,
De purpre roozen, daar de koningen om blaaken
En oorlog voeren, zien verbleeken op uw kaaken?
Geef my gehoor, en ban de droefheidt uit uw hart.

LAVINIA.
(390) Gy wilt my troosten, en erinnert my myn smart;
Myn wonden heelen, en gy krabt die telkens open.
Hoe kan de zieken op zyn krankbedde uitkomst hoopen,
Daar hy, door koorts op koorts gemartelt, in dien staat,
Verbleekt en klam van zweet, den lyfarts smeekt om raadt;
(395) Indien men, aangedaan van avrechts mededogen,
Zyn quaal vernieuwt, en hem zyn lyden stelt voor oogen?
Rep van geen koningen noch oorlog, zo gy my
Wilt heelen van myn leet en quelling, die ik ly.
De krygstoorts, die gy ziet voor onze muuren rooken,
(400) Wierdt om Lavinia, Sabine, in ’t ryk ontstoken.
Men steekt om myne zaak de schorre krygsbazuin.
Men spreidt myn bruiloftsbedt op smookende assche en puin,
Op dode beendren en gekloofde bekkeneelen.
De ryksstadt wordt ontbloot van burgers door ’t krakkeelen.
(405) De lyken spooken voor myn bedtsponde, en hun bloet
Schreeuwt eeuwig wraak en wee in myn ontrust gemoedt.
Hoe droevig hoort myn oor de bleeke weduw klaagen
Op ’t lyk van haar gemaal, door zwaardt of speer verslagen:
Terwyl de zuigeling, in zyne onnozelheidt,
(410) De wondt met traanen wascht, en by zyn moeder schreit!
Zo breekt het wreede lot de vaste huwlyksbanden,
Om my te paaren, moet myn bruiloftsfakkel branden
Op ’t heldengraf, ontrust door zuchten en geween,
En duister schynen door de zwarte lyktoorts heen!
(415) Latynsche weduwen en moeders, die myn klagten
Veroorzaakt door uw rou; ai queekt in uw gedachten
Geen haat of vyantschap, maar ziet myn onschuldt aan:
Verwyt my ’t quaadt niet, dat door ’t nootlot wordt gedaan.
Geen mensch kan keeren, dat hier boven is beschoren.
(420) ’t ls waar uw onheil wierdt met my gelyk geboren:
Maar was my deze keur vergunt van hooger magt;
Nooit waar uw ramp door myn geboorte voortgebragt.
’k Hadt onder moeders hart veel eer den geest gegeeven,
Dan, als de vloek van ’t ryk, tot uw bederf te leeven.
(425) En gy, myn zielvrindin, kloekmoedige Amazoon,
Kamille, die ten dienst der Laurentynsche kroon;
De wapens voerde aan ’t hoofdt van onze legerschaaren,
En Trojes magt braveerde, en zo veel krygsgevaaren;
Tot gy, zo diep in ’t hart getroffen door den schicht,
(430) Om my den dootsnik gaaft: ach! hadt ik uw gezigt
Met myne vingeren al bevende gelooken,
En, aan uw zyde op ’t veldt in ’t bloedig gras gedoken,
Den pyl getrokken uit uw wonde, en ’t bloedt gekust,
En u vergiffenis gesmeekt! dat zou noch rust
(435) In deze ontsteltenis aan myn gedachten queeken.

SABINE.
’t Is tydt, prinses, om eens uw klagten af te breeken.
Men zal het oorlogszwaardt haast steeken in de scheê.
Eneas komt ten hove op ’t sluiten van den vreê.

LAVINIA.
Gy moogt u zelve veel van dit verdrag beloven,
(440) Sabine, maar wy zyn ’t gevaar noch niet te boven.
Twee vorsten, even groot van dapperheldt en kracht,
Verheerlykt door hun deugdt en vaderlyk geslacht,
Staan naar myn huwelyk. wie zal die minnaars scheiden?
Zal Turnus, die, om my naar ’t echtaltaar te leiden,
(445) Zo veel gevaaren heeft in ’t stryden doorgestaan,
En aan myn min zyn bloet opofferde onder ’t slaan,
Den medeminnaar van zyn eisch zien zegepraalen?
Of zal Eneas, die, vermoeit van om te dwaalen,
Na Trojes ondergang belandde aan deze kust;
(450) Daar hy door ’t hoog besluit zyn lang gewenschte rust
En bruidt zou vinden, als hy voorgeeft, ooit gedoogen,
Dat my de Rutuler zal trouwen voor zyn oogen?
Neen, elk vervolgt zyn recht te sterk. Anchizes zoon
Houdt zich aan ’t nootlot vast; en Turnus eischt zyn loon
(455) Voor zo veel diensten, aan ons vaderlandt beweezen.
Sabine, dit geschil vervult myn hart met vreezen.
Ik stel aan u ’t gevolg van groote zwarigheên.

SABINE.
Indien Eneas hier door ’t gunstig* lot verscheen,
Moet Turnus zwichten voor dat onbepaalt vermogen.

LAVINIA.
(460) Niet eer, voor dat zyn ziel, ten boezem uitgevlogen,
’t Krakkeel zal slechten, en myn vader en ons landt
Den val betreuren van dien grooten bloetverwant.

SABINE.
Indien om uwe min die minnaar wierdt verslaagen,
Zout gy als minnares zyn ongeval beklaagen,
(465) Of zaagtge Eneas liefst verwinnaar van den strydt?
Ik vraag te stout.

LAVINIA.
                            Verwacht ook ’t antwoordt op zyn tydt.

SABINE.
Heb ik my onbedacht vergrepen door myn reden
’t Gezag gequetst, verschoon myn buitensporigheden.
Maar Turnus nadert ons.



TWEDE TONEEL.
TURNUS, LAVINIA, SABINE.

TURNUS.
                                          IK kom hier niet, vorstin,
(470) Om naar gewoonte u weer te spreeken van myn min:
Ik mogt uw ooren door dat onderhoudt verveelen;
Daar licht Eneas door ’t gevry uw hart zal streelen:
Tot gy, verbonden door den vasten huwlyksknoop,
In ’t eindt den oorlog ziet verdwynen en myn hoop.

LAVINIA.
(475) De minnenydt vervoert uw tong om zo te spreeken.
Waar is myn liefde tot Eneas u gebleeken?

TURNUS.
’t Is waar ik speurde nooit, prinses, in uw gelaat
De minnetogten, maar geen tekens ook van haat.
De Trooische vyandt, die, na ’t ankren aan uw stranden,
(480) Het Laurentynsche veldt verwoestte, en deze landen
En landtgenooten door zyn onrechtvaardig zwaardt
Vernielde, en akkerman noch burger heeft gespaart;
Wierdt door de koningin, uw moeder, nat van traanen,
Gelastert, en gevloekt van al haar onderdaanen;
(485) Maar gy bleeft koel, en ik hier door vol achterdocht:
Te meer toen ik vergeefs u tot myn bruidt verzocht,
Gy ongevoelig bleeft, en zonder mededogen
Uw oor sloot voor myn klagte en voor ’t geween uw oogen.

LAVINIA.
Indien uw liefde... maar de koning komt. vaar wel.



DERDE TONEEL.
LATINUS, TURNUS, MARCELLUS.

MARCELLUS.
(490) IK heb de bende van uw lyfwacht, op ’t bevel,
Met helm en beukelaar en harnas uitgestreken,
Voor dit paleis verdeelt.

LATINUS.
                                        Uw vlyt is my gebleken.
Ga heen, en hou de wacht by ’t volk.

MARCELLUS.
                                                          Met uw verlof.



VIERDE TONEEL.
LATINUS, TURNUS.

LATINUS.
PRins Turnus, die uw stam verheerlykt, en myn hof,
(495) Ja ’t gansche ryk verpligt in deze ontroerde tyden,
Ik hoop dat gy haast rust genieten zult na ’t stryden.
Men zal, indien ons ’t lot begunstigt, het verdrag,
Tot welstant van de kroon, noch sluiten dezen dag.
Zo ziet gy ’t vrolyk eindt van alle uw krygsgevaaren.

TURNUS.
(500) Die vreê zal in myn hart een’ nieuwen oorlog baaren,
Myn onrust spruiten uit de rust die ge u verbeeldt.
Ik heb my zelf zo lang met ydle hoop gestreelt,
Uw dochter dag op dag om wedermin gebeden,
Voor ’t recht van Latium, voor u en haar gestreden;
(505) Nu zal myns vyandts arm, tot nadeel van myn eer,
De bruidt omhelzen, die ’k verdiende door ’t geweer.

LATINUS.
’t Is noch geen tydt om door die vreeze u zelf te quellen.
Men hoor’ den eisch eerst, dien Eneas voor zal stellen.

TURNUS.
Gy kent dien zwaaren eisch, den oorspronk van den strydt.

LATINUS.
(510) Licht staat hy af. de mensch verandert door den tydt.

TURNUS.
’t Waar best tot afstant hem te dwingen door den degen.

LATINUS.
Wy streefden lang vergeefs dien grooten vyandt tegen
Met onze wapenen. myn meeste magt, door ’t staal
Gesneuvelt, gaf hem stof tot roem en zegepraal.
(515) Gy ziet het lykhout, naar der vaadren wyze, ontstoken,
Door gansch Auzonië langs onze velden rooken.
De damp van ’t lykaltaar bekleedt alom de lucht:
Terwyl de zuigeling, de vrou en moeder zucht
By ’t kraakende gebeente, en d’asch besproeit met traanen.
(520) Zo wordt myn ryk ontvolkt, ontbloot van onderdaanen,
Zo nodig in den kryg. ook keerde myn gezant
Te rug, maar zonder hulp uit Diomedes landt,
Tot hoon van my en ’t ryk, met d’aangebode gaaven.
Zyn haat legt onder ’t puin van Trojes muur begraaven.
(525) Hy heeft zyn vyantschap en wrok, gelyk hy zegt,
Op ’t graf van Priaam en zyn zoonen afgelegt.
Zal ’t dan niet raatzaam zyn het vreêverbondt te sluiten,
Om ’t schadelyk gevolg van grooter quaadt te stuiten?

TURNUS.
Heeft ons het ongeluk in dezen staat gebragt,
(530) Dat gy geen hoop stelt op uw wapens en myn magt?
En zal Auzonië, door laffe vrees bezweeken,
Uitheemsche ballingen, ô schande! om vrede smeeken?
Gy helden, die, door ’t staal getroffen in ’t gevecht,
Uw eeretekens door uw doot hebt opgerecht,
(535) Het oorlogslot heeft u ver boven ons verheven,
En ’t eerlyk hart doorboort, om niet veracht te leeven!
Maar hoor, doorluchte vorst, voor ’t lest myn woorden aan:
’t Is waar, de krygskans diende Eneas onder ’t slaan;
Doch ’t voordeel stont hem dier. de bloem der Trooische helden,
(540) Door schicht op schicht ontzielt, vertreden op de velden
Van paardevoeten, en mishandelt door ’t geweer,
Getuigt, hoe dier hy kocht die kleene zege en eer.
Het weifelent geluk draait sneller dan de winden,
Begrimt den voorspoedt van zyn eerstgestreelde vrinden,
(545) En hanthaaft met veel zucht de zaak van hun party.
Verwacht een gunstig lot, myn heer, aan onze zy,
Na zo veel rampen en ontworstelde ongelukken.
Nooit moet de wanhoop in ’t verlies den moedt verdrukken.
’t Vervallen werk wordt meest door vlyt en moedt herstelt.
(550) Wie zich lafhartig toont, zal zwichten voor ’t geweldt.
Heeft Diomedes u geweigert hulp te zenden;
’k Verzeker u van volk en uitgekeurde benden:
Betrou myn vlyt; als gy voor dezen hebt gedaan.

LATINUS.
Wanneer de zeeman op den woesten oceaan,
(555) Door tekens van de lucht, het onweer ziet genaaken,
Dan vindt hy raatzaam, eer de noodt hem tref, te waaken.
Hy toont zich vlytig in ’t bezorgen van zyn heil,
En strykt by tydts, eer hem de storm verrass’, het zeil.
Wy hebben, maar te dwaas, door hoogmoedt aangedreven,
(560) Het zeil te hoog in top getrokken en verheven:
’t Is tydt te zwichten, eer wy in den krygsorkaan,
Die daaglyks opsteekt, met den hulk van ’t ryk vergaan.
’t Is geen lafhartigheidt in hachelyke tyden
Te spreeken van verdrag na ’t edelmoedig stryden;
(565) Wanneer men, van ’t geluk verlaaten en veracht,
Den wissen ondergang uit ’s vyands voordeel wacht.
’t Afgunstig nootlot, in ontelbre nederlaagen,
Het hoofdt te bieden, en hartnekkig uit te daagen,
Is wanhoop, die ’t verderf veroorzaakt. toom uw moedt;
(570) Verschoon u zelf, uw volk en het Latynsche bloedt.

TURNUS.
De koning zoekt vergeefs myn heldenvier te blusschen.
Zou ik Eneas, met myn bruidt, op ’t vorstlyk kussen
Van uw verheven stoel zien pronken na uw doot,
Of by uw leven ’t ryk gebieden? neen: te groot
(575) Is Turnus glorizucht en liefde, om voor zyn oogen
Dat kroon- en bruiloftfeest lafhartig te gedoogen.

LATINUS.
Ik zoek den vrede niet te koopen tot dien prys;
En zal myn oogmerk u ontdekken, tot bewys,
Dat ik uw trouwen dienst niet wil verongelyken.
(580) Een ruime landtstreek legt beslooten in myn ryken:
Aruns en Rutuler, vereenigt door ’t verbondt,
Bezaajen ’t hoog gebergte en ploegen daar den grondt,
Terwyl hun’ herders ’t vee door vruchtbre beemden weiden.
Eneas kan zyn volk, indien ’t hem lust, geleiden
(585) (Dat zal ik voorslaan) naar die grens, en zonder schroom
Zyn tenten nederslaan aan myn’ Tuskaanschen stroom,
Zyn steden stichten, en met ons in vrientschap leeven.
Of wil hy over zee zich elders heen begeeven,
En vreemde volkeren bezoeken met zyn magt:
(590) Men zal hem, naar ’t gebruik, den ryksrok, groot van pracht,
Den gulden wagenstoel en gout en zilver schenken,
Om eeuwig aan ’t verbondt van Latium te denken.
Ook zal men hem voorzien met schepen op zyn reis,
En alles voor ’t vertrek bezorgen naar den eisch.

TURNUS.
(595) Hoe kuntge u zelf en my met zulk een voorslag vleien?
Eneas zal zo licht niet van uw oever scheien,
Noch zich vernoegen met dat aangeboden landt.
Geen koninklyk geschenk van gout of diamant,
Geen sierlyk elpenbeen, noch purpre troongewaaden,
(600) Bezaait met peerlen en gestikt met gulde draaden,
Noch dierbre schatten, door uw kunstenaars gewrocht,
Zyn by het ryksjuweel, dat hier zyn heerschlust zocht,
Prinses Lavinia, in waarde te gelyken.
Hy wil, door haare min, zich met uw kroon verryken.
(605) En zou hy afstant doen, door minder schat bekoort?
Geloof dat niet.

LATINUS.
                        Ik hoor gewag voor deze poort.



VIJFDE TONEEL.
LATINUS, TURNUS, MARCELLUS.

MARCELLUS.
MYn heer, Eneas is in uw paleis verscheenen,
En wacht hier buiten in de voorzaal.

LATINUS.
                                                        Ga straks heenen;
Gelei hem hier Marcel’. ô hemel! die den brandt
(610) Van dezen oorlog hebt ontsteeken in myn lant,
En d’yzre tempeldeur ontsloten; droog de traanen,
Verzoet de klagten van myn treurende onderdaanen;
Begunstig ons verdrag: dan zal myn dankaltaar
Eerbiedig rooken na ’t ontworstelde gevaar!

TURNUS.
(615) Gy, die hier boven heerscht, onsterfelyke Goden,
Die ’t menschelyk geslacht verpligt aan uw geboden,
Ai stort in dezen staat op ’t ryk uw zegen neer!
’k Beveel aan u myn min, myn leven en myn eer!



ZESDE TONEEL.
ENEAS, LATINUS, TURNUS, THYRENUS,
ACHATES, SERESTUS.

ENEAS.
DOorluchte vorst, doordien de stilstant is geslooten,
(620) Ben ik met kleen gevolg van myne togtgenooten,
Verzekert van uw woordt, gekomen in uw wal;
Om d’onderhandeling van vrede, in dit geval,
(Zo ’t vergelyken van den twist u mogt behaagen)
Zelf by te woonen, myn besluit u voor te draagen
(625) En ’t antwoordt op myn eisch te hooren uit uw mondt.
Ik zal uw majesteit het breeken van ’t verbondt
Bezworen by de Goôn in ’t ankren aan uw paalen,
Met scherpe woorden niet verwyten noch herhaalen.
Steets drukt rechtvaardigheidt, door ramp en tegenspoedt,
(630) ’t Bewys van ongelyk in ’t overtuigt gemoedt.
Wy zochten in uw ryk, na ’t worstlen met de baaren,
De rust te vinden voor onze afgesloofde schaaren,
En herberg voor myn schat, en vaderlyke Goôn,
En heiligdommen, en den ouden Priaams kroon,
(635) En dat ik, met gevaar van ’t leven, onder ’t blaaken,
Noch woekerde uit de vlam der koninklyke daken.
Wy zochten nooit uw volk t’ontrusten door geschil,
Maar ons te voegen naar het nootlot en uw wil.
Ik zweer u by den stam, waar uit wy zyn gesprooten;
(640) Dat veele volken ons verblyf, als bondtgenooten
En vrienden, in hun landt aanboden, om gerust
Te leeven; maar ’t besluit voerde ons aan deze kust.
De koning Dardaan zelf, geteelt aan uwe stroomen,
Verscheen my dagelyks in ’t zeilen, onder ’t droomen,
(645) En preste ons met de vloot naar uw Latynsche ree.
Zo dat geen storm, noch vrees voor schipbreuk op de zee,
Maar ’t hemelsche besluit, door dagelyksche blyken,
Ons dwong de zeilen in Auzonië te stryken.
Maar d’ingebeelde rust wierdt haast ontrust, myn heer,
(650) Na ’t opgerecht verbondt. uw landtvolk, in ’t geweer,
Bestookte ons onverwacht in ’t jaagen op de velden.
’t Is nodeloos ’t gevolg van dit krakkeel te melden,
De werking van den haat, zo diep in ’t hart geprent,
Weêr op te haalen: neen; dat ’s u en my bekent.
(655) Ik zeg in ’t kort: gy ziet my met de zege praalen,
Uw magt bezwyken en den moedt der helden daalen.
Zo ver begunstigt ons de voorspoedt, dat myn handt
Haar zegestanders voor uw muuren heeft geplant.
Maar denk niet, dat de gunst der Goôn en ’t overwinnen
(660) Ooit opgeblazenheidt zal koestren in myn zinnen.
Een edelmoedig hart beteugelt in ’t geluk
Zyn hovaardy, en draagt zich moedig onder ’t juk
Van tegenspoedt: dit heeft Anchizes in zyn leven,
By andre lesssen van myn jeugdt, my voorgeschreven.
(665) Ik schat uw vrientschap hoog, en, schoon ik triomfeer,
Geeft gy de rede plaats, ik leg de wapens neer.

LATINUS.
Nooit is myn voet van ’t spoor der billikheidt geweeken,
Maar steets myn zucht tot recht in vrede en kryg gebleeken.
Geen oorlogsdrift heeft ooit myn reedlyk hart vervoert,
(670) ’t Verbondt gebrooken, of den nagebuur ontroert.
Nooit zocht ik met myn zwaardt, door schennis van de wetten,
En ’t recht der volkeren, myn ryksgrens uit te zetten:
Maar in ’t bezitten van myn erfgebiedt vernoegt,
Het lot te looven, van de Goôn my toegevoegt.
(675) En zou ik zonder reên den vreemdeling na ’t landen,
Als vyandt, onverwacht bestooken aan myn stranden?
O neen, Eneas.

ENEAS.
                              ’t Is gebleeken, en het bloet
Rookt noch op d’akkers, daar uw landtvolk heeft gewoedt.

LATINUS.
Zy zochten ’t ongelyk van Thyrrus huis te wreeken.
(680) Askaan hadt onbedacht hun gramschap aangesteeken.
Maar dit vernieuwen der geschillen dient ons niet.
Men zwyge dat voorheen by toeval is geschiedt.
Gy zoekt, gelyk gy zegt, dit oorlogsvier te smooren:
Nu wenschte ik uit uw mondt de voorwaarde aan te hooren,
(685) Waar op men wederzydts zal sluiten dit verbondt.

ENEAS.
Ik heb op uw belofte alleen myn eisch gegrondt.
’t Volbrengen van uw woordt zal my vernoeging geeven,
En ik, als onderdaan, met u in vrientschap leeven.
Beraad u met de Goôn: ik eisch door hun besluit
(690) Uw erfgenaam, prinses Lavinia, tot bruidt.
Maar hoe! myn heer, ik zie verandring in uw wezen.
Ben ik de ryksprinses min waardig dan voor dezen,
Toen gy door myn gezant, na ’t ankren van de vloot,
My noodde in uw gebiedt, als zoon en bondtgenoot?
(695) Of waant gy door deze echt uw vorstlyk huis te hoonen?
Geef my gehoor: ik zal het tegendeel vertoonen.
Verstrekt het huwelyk van Dardaans bloetverwant,
En vorst Anchizes zoon Latinus stam tot schandt?
Waar zag men Ilium en d’Aziaansche steden,
(700) Weleer van elk gevreest, van vorsten aangebeden,
Daar ik zo heerlyk wierdt aan d’oevers voortgebragt,
Ooit zwichten voor uw ryk in heerlykheidt en magt?
Gy huwt uw dochter, door onsterflyke geboden,
Aan geen verlaaten man, maar gunsteling der Goden.

TURNUS.
(705) Die glans van gunst bescheen uw’ vaderlyken stam,
En straalde op Priaams kroon uit Agamemnons vlam.
De weldaân, die de Goon aan uw geslacht beweezen,
Staan noch in ’t smookent puin van Trojes muur te leezen.

ENEAS.
Nooit smaalt een eedle ziel op iemants ongeval,
(710) Maar troost hem in zyn ramp. ’t is waar, ik zag myn wal
Door Argos vier vergaan; en myn doorluchte neeven,
En Hektor, die met bloet zyn daden heeft beschreeven.
Door ’s overwinnaars staal vernielen op den grondt,
Daar eer de trotse muur van ’t oude Troje stondt.
(715) Ik zag den koning zelf met zyne gryze haaren
Voor Pyrrhus moortgeweer bezwyken by d’altaaren;
Zyn dochters in triomf, met ketenen beknelt,
Tot slaverny gedoemt, wechsleepen over ’t veldt.
Maar d’ondergang van ’t ryk en al myn landtgenooten
(720) En eedle maagen heeft den Goden lang verdrooten.
Hoe wierdt de Grieksche vloot, verheerlykt met trofeen,
In ’t keeren, op den togt van windt en zee bestreên,
Vervolgt, verstrooit, vervoert naar onbekende streeken!
De zoon van Atreus, die, om ’t ongelyk te wreeken,
(725) Een ry van koningen verdagvaarde, om het staal
Op zy te gespen voor vrou Helenaas gemaal:
Hy, die tot ons bederf, door hoogmoedt aangedreven,
Zich zelf tot opperhoofdt der Grieken had verheven,
Wierdt deerlyk omgebragt, toen Troje lag verbrandt,
(730) Door Klytemnestres byl, en ’s overspeelers handt.
Hoe wordt Ulysses, met zyn uitgewoede schaaren,
Van d’een naar d’andre kust geslingert op de baaren,
Door storm op storm geschokt; terwyl Penelopé
Vergeefs haar heer verwacht aan d’lthakaasche ree!
(735) Maar ’t zal onnodig zyn meer andren op te haalen,
Zo ver gescheiden van hun vaderlyke paalen.
De gunst, daar ik op roem, die gy zoo dwaas bespot
Bleek in der Grieken straf, en hun rampzalig lot.
Die gunst verlaat my niet, maar blyft ons by in ’t stryden,
(740) En sterkt my tegen u, en die myn heil benyden:
Dat is in slag op slag gebleeken; daar uw stoet,
Ontwapent door myn volk, ontbloot van kracht en moedt,
Het veldt verliet, terwyl myn sabel triomfeerde.

TURNUS.
’t Was tydt van vechten, toen de Griek uw ryk braveerde.

ENEAS.
(745) Tien jaaren hebben wy de stormen uitgestaan,
Maar mosten eindelyk door Sinons list vergaan.
Nooit hadt de vyandt voor de vuist of met den degen
De koninklyke vest in zyn geweldt gekreegen.

TURNUS.
Verschoon uw neêrlaag niet door ongegronde reên.
(750) Een wakent oog ziet door bedrog en krygslist heen.
Een kundig krygsman kan de laagen licht ontdekken.
Daar magt te kort schiet, moet de list het werk voltrekken.

LATINUS.
Gy heeren, staakt dien twist. Eneas, ik beken,
Dat ik aan u myn woordt gegeven heb, en ben
(755) Genoeg verzekert, door ontwyfelbare blyken,
Dat gy in deugden noch geboorte ons hoeft te wyken.
Door die verbintenis, die gy van my begeert,
Wordt vader Faunus noch zyn afkomst ooit onteert.
Maar zekere oorzaak maakt my in myn woordt verlegen.
(760) Ik wenschte u, eedle vorst, tot afstant te beweegen.
Verander uwen eisch: hy wordt u toegestaan.

ENEAS.
Van ’t eens gegeven woordt zal ik u nooit ontslaan,
Noch afstant doen. ô neen! ik zou de Goden hoonen,
En tegens hun besluit my wederspannig toonen;
(765) Den haat verwekken, en hun gunst door zulk een feit
Verliezen: verg dit niet aan myn gehoorzaamheidt.

LATINUS.
De zaak, van groot belang, verpligt my raadt te pleegen.
Vergunme slechts een uur om alles t’overweegen.
Gy kunt de koningin en ook Lavinia
(770) Bezoeken, zo ’t u lust, terwyl ik my berâ.



ZEVENDE TONEEL.
ENEAS, ACHATES, SERESTUS.

ACHATES.
’k GEloof niet dat de vorst uw eisch zal wederstreeven.
Maar Turnus heeft noch blyk van vyantschap gegeeven.

SERESTUS.
Hoe bits verweet hy ons de neêrlaag, en den val
Van uw doorluchtig huis, en vader Priaams wal!

ENEAS.
(775) Een medeminnaar kan zyn driften niet bepaalen.
Ik zal eerlang my zien gewroken van zyn smaalen.
Serestus, keer terstont naar ’t heir, en zeg myn zoon;
Dat hy het offervier, ter eere van de Goôn,
Die ons begunstigen, noch heden moet ontsteeken;
(780) Om in dit wigtig werk hun bystant af te smeeken.
Voorts, dat hy ’t leger in de wapens houde. en gy,
Getrouwe metgezel, Achates, blyfme by.

                Einde van het twede Bedryf.




DERDE BEDRYF.

EERSTE TONEEL.
AMATE, JULIA.

JULIA.
O Ja, vorstin, ik zag Eneas herwaarts treeden
Door ’s konings lyfwacht heen.

AMATE.
                                              Hoe wordt myn hart bestreden,
(785) Gepynigt door zyn komst! gy ziet uit myn gelaat,
Getrouwe Julia, de werking van den haat.
Vervaarlyk nachtgezigt! ô spook, dat myne zinnen
Verbystert! helsche slang, die my ontrust van binnen!
O nooit gehoorde droom! hoe ver vervoert gy my
(790) Van ’t spoor der rede door een vreemde razerny!
O nacht! die myn verstandt verduisterde, als de straalen
Der uitgediende zon, die voor uw schaduw daalen;
Verdryf den middag, rys met sneller vaart om hoog,
En maak myn vyandt nu onzigtbaar voor myn oog.
(795) Verberg den moorder, die myn vorstelyke neeven
En bloetverwanten door zyn sabel bragt om ’ t leven.
Zy schreeuwen om de wraak, en toonen my de borst,
Met wondt op wondt doorboort van drabbig bloet bemorst.
Latynsche schimmen rust, ik zal uw lykasch wreeken,
(800) En met myn dolk uw beul voor ’t echtaltaar doorsteeken;
Indien Latinus keur, tot spyt van Turnus min,
Dit haatlyk huwlyk stemt. ik zal . . . .

JULIA.
                                                                Bedaar vorstin.
Hy komt, en zal u best zyn oogmerk openbaaren.



TWEDE TONEEL.
LATINUS, AMATE, JULIA.

AMATE.
ZAl nu myn dochter met myn grootsten vyandt paaren,
(805) En myn getrouste vriendt, gemartelt door den rou,
Elendig quynen om die dodelyke trou?
Is dit de hoop, die gy my heden hebt gegeeven?
Ik dacht Lavinia zal nu met Turnus leeven:
Maar deelende in zyn heil, vond ik my zelf misleidt,
(810) Door uw belofte en woordt vol dubbelzinnigheidt.

LATINUS.
’t Is waar, Eneas wil, om ’t woeden af te breeken,
Dat ik zyn bruiloftstoorts zal in myn hof ontsteeken.*
’t Gevaar van Latium, alom van bloet begruist,
Door storm op storm geschokt, gebliksemt door zyn vuist,
(815) Verpligt my, voor ’t belang der treurende onderdaanen
Te waaken, en den weg tot vrede en rust te baanen.
Voeg hier ’t Orakel van myn vader Faunus by.
Wat spelt hy uit deze echt een lange heerschappy,
En eindelozen roem, die nimmer zal verdwynen,
(820) Maar eeuwig, als de zon, de werelt overschynen!
’t Gezegent Latium zal uit Eneas zoon
Een ry van koningen verwachten op den troon.

AMATE.
Dat zal de koningin der Goden nooit gedogen:
Zy heeft de vyantschap te diep in ’t hart gezogen.
(825) Zo gy dien troudag stemt: uw ryk zal ondergaan,
En deze stadt in vier, als eertydts Troje, staan.

LATINUS.
Gy zyt verdoolt. ik weet het hoog besluit der Goden
Uit Faunus mondt, die my dit huwlyk heeft geboden.

AMATE.
Zal hy, die in ons ryk zo vreeslyk heeft gewoedt,
(830) O gruwel! met zyn handt, noch rookende van ’t bloet
Der eedle maagen, en Latynsche burgerschaaren,
Prinses Lavinia geleiden naar d’altaaren?
Heeft Faunus in zyn woudt dit echtverbondt gespelt?
Vergode vader, zie om laag ’t Auzonisch veldt
(835) Bedekt met beenderen van uw doorluchte neeven:
Hoor hoe de schimmen, die ontrust door ’t aartryk zweeven,
Haar onbegraavene asch beklaagen: vorst, zie neêr,
Hebt gy die trou voorzegt, herroep ’t orakel weêr.

LATINUS.
Hoe tracht gy ’t nootlot van de Goden te verzetten?
(840) Uw buitensporigheidt zal hunnen gramschap wetten.



DERDE TONEEL.
LATINUS, AMATE, LAVINIA,
JULIA, SABINE.

AMATE.
GY nadert ons van pas, myn waarde dochter, om
Van uw heer vaders hand van daag den bruidegom
t’ Ontfangen, en uw stem tot dit besluit te geeven.
De koning heeft alreê de voorwaarde onderschreven
(845) Men wacht alleen naar u. het offer wordt bereidt,
Daar u de vreemdeling voor ’t echtaltaar verbeidt.

LAVINIA.
Wat hoor ik!

AMATE.
                    Maar, ik zie verandring uit de trekken
Van uw gelaat. moet ik de minnevlam ontdekken
In ’t bloozen van uw wang? stemt gy die trou? o ja!
(850) Dat hadde ik nooit gedacht van u, Lavinia.

LAVINIA.
Ach! gy bezwaart myn leet, vorstin, met die gedachten.
Ik slyt myn eedle jeugdt in eindeloze klagten;
Daar ik, om mynent wil, den fellen oorlogsbrandt
In ’t hart zie weiden van ’t mishandelt vaderlandt.
(855) Ik treur met weduwen en ouderlooze weezen
Op ’t graf der helden, die in ’t bloedig veldt voor dezen
Ons blyken gaven van hunne onbevlekte trou.
Noch wordt myn ramp gevoedt, door uw verwyt, mevrou.

AMATE.
Gy tracht vergeefs voor my die minnevlam t’ontveinzen.
(860) Uw oog verraadt uw hart en binnenste gepeinzen.
’t Vermoeden opent myn gezigt. myn achterdocht
Ontdekt de werking van uw’ dwaazen minnetogt.

LATINUS.
Laat af, Amate, van uw dochters rust te stooren.

AMATE.
O neen! zy moet van my de zwarigheden hooren,
(865) Die haar te wachten staan uit die verbintenis.
Zo quyt ik myn gemoedt, dat haar genegen is.
Het voegt een moeder voor haar dochter zorg te draagen.
In ’t huwlyk vindt men heil of eindelooze plaagen.
Kom, nader dan myn kindt, en hoor uit mynen mondt,
(870) Met wien gy treeden zult in ’t huwelyksverbondt.
’t Gerucht heeft ons voorlang dien vreemdeling beschreven,
Eer hy aan deze kust wierdt door de zee gedreven.
Hy past op woordt noch eedt; en zyn geschonde trou
Staat noch gebrantmerkt in het koninklyk gebou,
(875) Dat Didoos kunstenaar in ’t nieuw Karthago stichtte.
Zy, die door gunst op gunst den weifelaar verpligtte,
En dien verwurpeling der golven, pas gelandt,
Verwelkoomde in haar hof, in ’t hart, op ’t ledekant,
Daar zy, als echtgenoot, hem streelde uit zuivre liefde,
(880) Vervloekte, maar te spa, den schicht die haar doorgriefde;
Toen hy by nacht, gelyk een rover zonder trou,
Karthagoos kust verliet en zyn bedroge vrou.
Z’ontwaakt, en mist terstont haar bruigom, valt aan ’t klagen,
En knielt voor ’t heiligdom, alleen en zonder maagen.
(885) Hier zat Elize, nat bekreeten, dootsch en naar.
De minnevlam ontstak den houthoop op ’t altaar.
Het Trooische zwaardt, van dien trouloozen haar gegeven,
Doorstak den boezem, door ’t geschenk berooft van ’t leven.
Verwekt dat voorbeeldt der verleide koningin,
(890) En haar rampzalig eindt, geen schrik in uw zin?
En wilt gy reukloos met dien echtschoffeerder paaren:
Dan zal haar bleeke schim, van bloet bepurpert, waaren
Om ’t brandent echtaltaar, ja razende en verwoedt
De vlammen blusschen, en met haar gelaarsden voet
(895) ’t Gewyde wierookvat en offerkelk vertreeden.
Ik zie den wichelaar met sidderende leden
Het woedent spook verbaast ontvluchten van uw zy.
Beef voor myn spelling, beef, ontzinde bruit! en gy
Verdoolde koning, die den balling hebt verkoren
(900) Tot schoonzoon, ach! wat ramp heeft ons uw keur beschoren!
Gaat u de moeder niet ter harte, noch de vrucht,
Zo teer geliefkoost, en geteelt met zucht op zucht!
Hoe zal die rover ons Latynsch gewest ontroeren,
Als hy de schoone maagdt zal van den oever voeren
(905) Met zyn Troiaansche kiel, en vluchten trouloos heen
Naar eene uitheemsche kust, als Paris met Heleen!
Dan zullen wy aan strandt, omringt van onderdaanen,
Haar volgen met gekerm en uitgestorte traanen:
Daar gy, door naberou gepynigt, troostloos treurt,
(910) De bleeke handen wringt, en ’t ryksgewaadt verscheurt.
Met hoe veel vyanden zal dan de koning stryden!
Prins Turnus zal u noch bezwaaren in uw lyden,
En d’ontrou, hem betoont, verwyten dag op dag.
Het volk zal walgen van uw vorstelyk gezag;
(915) De trouste gunsteling u hoonen en verlaaten,
En, als ’t bederf van landt, van vrou en dochter, haaten.
Ja vrees u zelf, myn heer, want midden in uw smart
Hebt gy de grootste straf te wachten van uw hart?
Gy zult, veroordeelt, daar uw beul en rechter vinden.

LATINUS.
(920) ’t Was Faunus mening niet myn oogen te verblinden.
Ik ben gerust, maar gy vervoert door razerny.

AMATE.
O neen! de koningin der Goden spreekt door my.
Noch eens, geef haar gehoor, of vrees ontelbre plaagen.

LATINUS.
Dit lastig onderhoudt kan ik niet meer verdraagen.

(925) ’t Geheim, daar ’t heil der kroon aan hangt, is my bewust.
Myn geest, door uw gesprek zo lang ontroert, zoekt rust.
Bedaar, vorstin, vaar wel.

AMATE.
                                            Neen, ik zal u geleiden,
En volgen, waar gy gaat. wy zullen zo niet scheiden.



VIERDE TONEEL.
LAVINIA, SABINE.

SABINE.
DE koning zocht zich, maar vergeefs, van haar t’ontslaan.
(930) Zy volgt hem naar ’t vertrek. hoe zal die zaak vergaan?
Uw vader is verpligt, zich heden te verklaaren.
Elk poogt den vrede nu t’omhelzen voor d’altaaren,
Daar prins Eneas u zal groeten, als zyn bruidt.
De burger, lang vermoeit door ’t schorre krygsgeluit,
(935) Zoekt met een bruiloftstoon het quynent hart te streelen;
U heil te wenschen door den galm der maagdekeelen,
En palm en rozeblaân te stroojen op de straat;
Daar gy, verheerlykt met het witte feestgewaadt,
En losse vlechten, die zich slingren om uw leden,
(940) En met een kroon op ’t hoofdt, zult naar den tempel treeden.

LAVINIA.
Zou dan Eneas, die, door ’t bloedig oorlogsstaal,
Op onze nederlaag zyn trotse zegepraal
Gesticht heeft; en, gevolgt van zyn Trojaansche helden,
De bloem der edellien versloeg op onze velden,
(945) En d’eer ontluisterde van vaders heerschappy
Noch triomfeeren van de gunst der burgery?
Wie heeft u zo misleidt, Sabine?

SABINE.
                                                      Uw onderzaaten,
Zich ziende in slag op slag van ’t krygsgeluk verlaaten,
En dien Trojaanschen vorst begunstigt van de Goôn,
(950) Vervloeken openbaar, uit liefde voor de kroon
En eigen huisbelang, de smertende oorlogsplaagen.
Men mort. men mompelt: dat de vorsten zich verdraagen.
Maar andren zwygen door ’t ontzag der koningin,
En kroppen ’t leet met kracht in hun gemoedt, vorstin.
(955) ’t Geheim, dat Faunus aan den koning quam verklaaren,
Nu ruchtbaar, werkt op ’t hart der burgerlyke schaaren.
En kan die godtspraak, die belofte, zo veel eer,
D ontsterfelyke naam in ’t heerschen; ja, noch meer,
D’uitbreiding van uw ryk en vaderlyke paalen,
(960) Geen overwinning op uw weigrent hart behaalen?

LAVINIA.
Helaas!

SABINE.
                    Gy zucht

LAVINIA.
                                            Met recht.

SABINE.
                                                                  Hoe zal ik dit verstaan?

Vertoont zich liefde of haat? gy beeft. wat gaat u aan?

LAVINIA.
(965) Een onbekende magt vermeesterde myn zinnen,
En dwong my, op ’t gezigt, den vreemdeling te minnen.
Die onbekende drift groeide aan van tydt tot tydt,
En voerde met myn hart een eindeloozen strydt.
Eneas schoon gelaat kon myne ziel bekooren,
Toen ik, om ’t heir te zien, gestegen op den toren
Van ’t vaderlyk paleis, dien onversaagden heldt
(970) Te paardt zag draaven langs de muuren over ’t veldt.

SABINE.
Hoe hebt gy dit geheim zo lang voor my verzwegen?

LAVINIA.
Ik streefde dagelyks die snoode driften tegen,
En zocht de werking van die versch ontsteke vlam
Te dwingen in myn hart, eer zy meer voetzel nam.
(975) Ik waarde om ’t lykaltaar van vrienden en van maagen,
Door prins Eneas zwaardt mishandelt en verslagen,
Om aan dat doodlyk vier de driften van den haat
t’Ontsteeken: maar vergeefs. ik zwichtte, en ’t groeizaam quaadt
Schoot wortels in myn hart en doolende gedachten.

SABINE.
(980) Wat oorzaak port u om die liefde te verachten?

LAVINIA.
Weet gy die reden niet, daar gy myn vaderlandt
Van bloet ziet rooken, en gebliksemt door zyn handt?
En wilt gy dat ik hem myn handt, als bruidt, zal geeven,
Die al’ myn vrienden zo moortdadig bracht om ’t leven?

SABINE.
(985) Gy hoont Eneas door dat ongegront verwyt.
Hy heeft hen voor de vuist besprongen in den strydt
En niet moortdadig, als gy voorgeeft, maar, door ’t waagen
Van zyn doorluchtig bloet, om uwe min verslaagen.
Zyn strydbre sabel vecht voor ’t opperste besluit,
(990) Dat door de koningin en Turnus wordt gestuit:
Maar zy verwekken, door ’t weerstreeven der geboden
Den haat en gramschap der onsterfelyke Goden.
’t Orakel stemt uw keur. verfoei de liefde niet,
Die ’t nootlot u, tot roem van Latium, gebiedt.
(995) Zo ik u ongeveinst myn hart mag openbaaren;
Saturnus afkomst wordt verheerlykt door dit paaren.

LAVINIA.
Sabine, schoon gy my rechtvaardigt in uw zin,
Ik wacht veel rampen uit de werking myner min.
Hoe zal myn moeder, door de razerny gedreeven,
(1000) My vloeken, en haar vriendt dit huwlyk wederstreeven!
Ik zieze beide ontzint verschynen, en by ’t haar
My rukken van de zy des bruigoms voor ’t altaar.
Ik zie gewapent volk de hofkapel bespringen,
En woeden tegen een met uitgetoge klingen,
(1005) Ja d’offervlam gebluscht door versch vergooten bloet.

SABINE.
De Goden zullen u verdedigen. hou moedt.
Maar Prins Eneas . . . .

LAVINIA.
                                Ach! laat ons van hier vertrekken.
Hy mogt uit myn gelaat den staat van ’t harte ontdekken.



VYFDE TONEEL.
ENEAS, LAVINIA, SABINE, ACHATES.

ENEAS.
DOorluchtige prinses, hoe vlucht gy? om wat rêen
(1010) Misgunt gy my ’t gezigt van uw bekoorlykheên?
Ik ben alleen om u, geslingert door de stroomen
En onweêrwinden, in Auzonië gekomen;
Om u myn dienst en trou op t’offren met ontzag.
Ik bad uw schoonheidt aan, myn waarde, eer ik haar zag.
(1015) De Goden drukten zelfs uw beeldt in myn gedachten
In d’eenzaamheden en myn rusteloze nachten.
Dat beeldt verstrekte my een heldre baak in zee.
Die leidstar voerde ons met de vloot aan deze ree.
En wilt gy nu, door myn gevaar noch ramp bewoogen,
(1020) Het waare voorwerp noch onttrekken aan myn oogen,
Dat ik in schyn zo lang verheerlykte in myn hart:
Zo wordt aan deze kust myn allergrootste smart
Geboren, daar ik dacht myn hoogste goedt te vinden.
Dan vloek ik op de gunst van golven en van winden,
(1025) Die ons behouden hier geleidde met de vloot,
En ’t leven spaarde voor de pynelykste doodt.

LAVINIA.
Uw hoofsche tong, myn heer, dus afgerecht op vleien,
Kon in Karthagoos hof de koningin verleien.
Wy hoorden hier den ramp, gesprooten uit haar min,
(1030) En deelden in haar leet met al ons hofgezin.
Hadt zy haar oor gestopt voor uw bedrieglykheden,
Noch zou de schoone vrou Karthagoos troon betreeden;
Die door uw ontrou, prins, stantvastig daalde in ’t graf

ENEAS.
Verwyt haar doodt my niet: gy zyt daar oorzaak af
(1035) Elize most om u, van al haar onderzaaten
En Annaas oog beweent, de kroon en ’t leven laaten.

LAVINIA.
Om my! verbloemt gy dus uw schande en ’t gruwzaam feit?
Wat deel heeft uwe schuldt met myne onnozelheidt?

ENEAS.
Verstoor u niet, prinses, ik zoek u niet te hoonen
(1040) Door dat verwyt, maar zal de waarheidt klaar vertoonen.
De schoone weduw van Sicheus was my waardt,
En ’t scheiden viel my bang, na dat ik wierdt gepaart,
En in de rots met haar vereenigt onder ’t jaagen,
Gescheiden van ons volk door storm en dondervlaagen.
(1045) Nooit hadt Elizes hart om myn vertrek gezucht,
Noch ik de versche trou geschonden door myn vlucht:
Ik hadt haar stadt volbout, en tot de lucht verheven;
Maar most alleen om u die schoone en ’t ryk begeeven.
De Goden dreigden my met eeuwige ongena,
(1050) En schreeuden in myn slaap: op, zoek Lavinia.
Wy hebben u ’t gebiedt van Latium beschoren,
En eeuwigduurende eer. ik vreesde voor hun toren,
En tradt, op ’t hoog bevel, ten hove uit naar de ree;
Ging t’zeil, maar stortte een vloedt van traanen in de zee.

LAVINIA.
(1055) Neen gy voldoet my niet, Eneas; maar uw reden
Strydt met der Goden aart en hun’ hoedanigheden.
Hun bliksem treft de kruin van hem, die onbedacht
Zyn booze driften volgt en trou noch eeden acht.
En wilt gy noch, dat zy met weldoen overladen
(1060) Die zich bezoedelen met zulke gruweldaaden?
Indien hun gunst, in plaats van straf, het quaadt geleidt
Dan twyfel ik met reen aan hun rechtvaardigheidt.

ENEAS.
Gy zoekt te diep in hun geheimenis te dringen.
De vroomste sterveling vervalt in struikelingen.
(1065) En zou der Goden straf steets bliksemen op aardt?
Wy mosten al vergaan en niemant wierdt gespaart.
Onze onvolmaaktheidt kan hun gramschap paalen zetten.
Wy zuivren ons gemoedt voor ’t outer van die smetten.
Indien ik iets vermag, verwyt my langer niet,
(1070) Dat eertydts tusschen my en Dido is geschiedt.
Ik heb my zelf genoeg verdedigt met de Goden,
Die my, om u, ’t vertrek uit Lybie geboden.
Zo gy myn woordt mistrout, doorzoek by d’offerhandt
’t Geheim van ’t nootlot uit het lillend ingewandt
(1075) Der schaapen, door de byl der priesterlyke schaaren
Geheiligt en geslacht op uw gewyde altaaren:
En zo gy daar bespeurt by d’offerplegtigheen,
Dat ik u heb misleidt door valsch verdichte reên;
Dan zal ik, roodt van schaamte, uit vorst Latinus lander
(1080) Vertrekken met myn volk naar afgelege stranden.
Of wilt gy meer, prinses? zo wreek dan door myn doodt
’t Latynsche bloet, dat ik om uwe min vergoot.
Die doodt zal myn gemoedt veel meer vernoeging geeven,
Dan, door berou geknaagt, in schande en smart te leeven.
(1085) Maar ook in tegendeel, zo myne oprechtigheidt,
Aan uw gezigt ontdekt, voor myne liefde pleit;
Dan hoop ik dat uw hart, geraakt van mededogen,
Zal stemmen in myn heil door uw bekoorlyke oogen.
Vergun . . . .

LAVINIA.
                    Sta af gy zyt bezoedelt met myn bloet.
(1090) De lykpligt doemt uw liefde in myn oprecht gemoedt.
O landt! o vaderlandt! en myn ontzielde maagen,
Ik zal tot aan myn doodt uw droevig lot beklaagen!

ENEAS.
Ontrust die lykasch niet: zy lei in ’t eenzaam graf
De zwarigheden van dit sterflyk leven af:
(1095) Daar ik, gemartelt door uw wreetheidt, in myn lyden,
’t Gelukkig sterflot van die helden moet benyden.
Maar heeft hun doodt den haat gekoestert in uw zin,
Of wordt die vyantschap gevoedt door Turnus min?
Die medeminnaar, door gansch Latium gepreezen,
(1100) Uw moeders gunsteling, vervult myn hart met vreezen.

LAVINIA.
Hy komt. verwacht van hem dat antwoordt, prins, ik ga.



ZESDE TONEEL.
TURNUS, ENEAS, ACHATES.

TURNUS.
’k ONtwyk Eneas oog, en volg Lavinia.

ENEAS.
O neen! vertoef, myn heer, en antwoordt op myn vraagen.
De schoone ryksprinses, uw opperste behagen,
Wordt, als gy weet, van my geviert en aangebeên:
Wy wierden beide ontvonkt door haar bekoorlykheên:
Haar byzyn gaf u stof om van uw min te spreeken;
Daar ik in tegendeel, van dat geluk versteeken,
’t Zy door de vreeze ontrust, of door de hoop gevleit,
De quelling van myn hart meest voedde in eenzaamheidt:
Wien van ons beide zal haar keur gelukkig maaken?
Wie triomfeeren, of vergeefs in liefde blaaken?
Verwerp een korten tydt den haat, en antwoordt my,
(Is u haar keur bekent) maar zonder veinzery.

TURNUS.
(1115) Hoe, zoekt gy dit geheim uit Turnus mondt te hooren?
Gy zegt, Lavinia wierdt u door ’t lot beschooren:
Wel, vraag dan, of haar hart uw liefde stemt, of doemt,
Aan ’t opperste besluit, daar gy zo hoog op roemt.
Ik volg die schoone, om in haar byzyn myn gedachten
(1120) Te streelen: gy kunt hier der Goden antwoordt wachten



ZEVENDE TONEEL.
ENEAS, ACHATES.

ENEAS.
HOogmoedige ga heene. ô lasteraar! ik zal
Eerlang den Goden wraak verschaffen door uw val.

ACHATES.
Zyn trotse tong beschimpt d’ onsterfelyke magten,
Maar zal haar gramschap haast ontsteeken door ’t verachten.

ENEAS.
(1120) O hof! dat my ontrust, gy toont in dezen staat
My ’t voorwerp van myn liefde en werktuig van myn haat.
Verwoede Turnus, die, door wreetheidt aangedreven,
Myn allerwaardsten vriendt, prins Pallas, bragt om ’t leven;
Hoe tracht ik door uw doodt de schim van dezen heldt
(1130) Te paajen, die noch spookt en waart langs ’t bloedig veldt!
Doorluchte prins, ik heb uw lyk, doorboort met wonden,
Wel op de doodbaar naar Evanders hof gezonden;
Maar uw ontruste geest blyft my na d’uitvaart by,
En zweeft, al zuchtende om de wraak, steets aan myn zy.

ACHATES.
(1135) Gy hebt zyn doodt op ’t heir der Rutulen gewroken,
Toen gy, gelyk een leeuw, ter heirspitse ingebroken,
Hun koning opzocht, en, van rookent bloet begruist,
Een ry van vyanden vernielde door uw vuist.

ENEAS.
Die wraak voldoet my niet, zo lang ik voor myn oogen
(1140) Den trots en hovaardy van Turnus moet gedoogen,
Die hem den dootsteek gaf. ô gryze vader! ach!
Hoe treurtge om dit verlies in uwen ouden dag!
My dunkt ik zie den vorst, met traanen op de wangen
En bleek besturven, aan de doode leden hangen
(1145) Als eer toen hy ’t vaarwel uitzuchtte voor de poort.

ACHATES.
Ik heb zyn leste klagte en afscheidt klaar gehoort.
Hy riep de Goden aan in ’t scheiden: Rekt myn jaaren,
Zo ’t nootlot van myn zoon zyn frisse jeugdt zal spaaren:
Maar moet hy sneeven, bluscht dan ’t licht myns levens uit
(1150) En opent my myn graf, eer hy zyn oogen sluit.

ENEAS.
Gy, die om hoog myn heil hebt in uw’ raadt beslooten:
Gy, die my voerde naar den Tyber met myn vlooten;
Geef dat door myn geweer de trotse Turnus sterf;
Op dat ik Pallas wreeke, en myn prinses verwerf

                Einde van het derde bedryf




VIERDE BEDRYF.

EERSTE TONEEL.
LATINUS, THYRENUS.

LATINUS.
(1155) WAt jaagt u dus verbaast, Thyrenus, van de straaten?

THYRENUS.
Ik zag een menigte van burgers en soldaaten
Te zamenrotten en al twistende en verdeelt,
By troepen rennen naar Saturnus prachtig beeldt.
De voetsters vloogen, met de teedre zuigelingen,
(1160) Die, uitgehongert, aan haar drooge borsten hingen,
Door ’t weenent oog gelaaft, het marktveldt op en neêr.
De krygsknecht schudde ’t hoofdt, en kneusde zwaardt of speer,
Noch rookende van bloet, aan d’ uitgehouwe steenen.
De stramme gryzaart kroop met waggelende beenen,
(1165) En, hangende aan den stok, begaf zich in ’t gedrang.
Ik zag de maagdeschaar, met opgekrabde wang,
En losgeknoopte vlecht, den blanken boezem scheuren,
En om haar broeders doodt of waarden bruigom treuren
Een zet zich op den voet van ’t beeldt, en spreekt: hoort toe,
(1170) Myn medeburgers, die, gezweept door d’yzre roe
Des oorlogs, zwanger van ontelbre zwarigheden,
De purpre striemen noch voelt smarten aan uw leden:
Wat heeft de felle twist, daar Latium van waagt,
Ons bloet en zweet gekost, en ’t dor gebeent geknaagt!
(1175) Hoe klinkt de naare galm der vaderlooze weezen
Langs d’onbevolkte straat en velden, die voor dezen
Van menschen krielden, toen dit ryk in ruste en vree
Den glans der morgenzon verwelkoomde uit de zee!
Men ziet op ’t krygstoneel de woede en wreetheidt kroonen.
(1180) De gryze moeder stort op haar vermoorde zoonen,
Daar zy, van brein berooft, en razende om hun doodt,
De vruchtbaarheidt vervloekt (ô gruwel!) van haar schoot.
Men ziet den akkerman in ’t bloet zyn vruchten teelen,
En ’t kouter dryven door geraamte en bekkeneelen,
(1185) Dien d’eer van ’t lykaltaar door ’t nootlot wierdt benydt.
Wat brengtge al rampen voort, verslindende oorlogstydt!
Ontwapent uw gemaal, ô vrouwen, op de straaten,
Onthelmt de blanke kruin, ontgespt de harnasplaaten,
Eer ’t opgevloekt geweldt uw bruiloftsbanden scheurt,
(1190) En gy by ’t smookent hout de stuivende asch betreurt.
Verfoeit met my den kryg, mishandelde onderdaanen,
En helpt uw landtgenoot den weg tot vrede baanen.
Men heeft al lang genoeg om Turnus zaak gestreen.
Hy hanthaaf zyn belang, indien ’t hem lust, alleen.
(1195) Men laat hem Iyf om Iyf met prins Eneas vechten,
En door den tweestrydt om de bruidt den twist beslechten.
Hier zwygt hy. ieder stemt zyn voorslag. het gerucht
Der aangegroeide schaar verspreit zich door de lucht.
Veel krygsliên werpen op den grondt hun wapens neder,
(1200) En kruissen zinneloos de straaten heen en weder:
Daar Drances ’t oproer styft, die, uit den ouden haat,
Den vroomen Turnus scheldt als oorzaak van al ’t quaadt.



TWEEDE TONEEL.
LATINUS, TURNUS, THYRENUS.

LATINUS.
ACh! Turnus, moet ik u in dezen staat ontmoeten!

TURNUS.
De zaak is my bekent, gy zult my heden groeten
(1205) Als overwinnaar van den trotsen Frygiaan,
Of in den tweestrydt om uw dochter zien vergaan.
Het oproer heeft my niet tot dat besluit gedreven.
Myn moedt heeft my voorlang die pligten voorgeschreven.
Ik zal uw volk niet meer opoffren aan ’t gevaar.
(1210) My deert het ongeval der afgestrede schaar.
Ik kan myn eigen recht bepleiten met den degen.

LATINUS.
O edelmoedig prins: ach! mogt ik u beweegen,
En myn Lavinia verbannen uit uw zin.
Gy hangt uw leven aan die dodelyke min.
(1215) ’t Ontbrak nooit Latium aan uitgekeurde vrouwen,
Van vorsten afkomst, waardt met koningen te trouwen:
Verkies de schoonste tot uw troon- en echtgenoot.
Indien Eneas zwaardt uw dierbaar bloet vergoot,
En gy in ’t lyfgevecht wierdt om de bruidt verslagen;
(1220) Hoe zou gansch Ardea, met vader Daunus, klaagen!
Die braave koning wacht met ongedult zyn zoon,
En stort zyn traanen om uw afzyn voor den troon.
Geef hem geen oorzaak om uw ongeval te wreeken
Aan bloetverwanten, en de vrientschap af te breeken.

TURNUS.
(1225) Kent gy den vorst, die my heeft voortgeteelt, niet meer?
Hy zou my vloeken, zo ik keerde zonder eer;
Als een lafhartigen my lasteren en haaten,
En eeuwig uit zyn gunst en koninklyke staaten
Verbannen, als een zoon, die, eer- en moedeloos,
(1230) Een schandig leven voor de braafste doodt verkoos:
Die zyn doorluchtig huis, gekroont met lauwerbladen,
Zo snoodt onteerde door verfoejelyke daaden.
’t Is waar, dat my de vorst met ongedult verwacht;
Maar niet in zulk een staat. de plegtigheidt, de pracht,
(1235) En eeretekens zyn bereidt om ons t’ ontfangen.
Men ziet de vlaggen aan de tempeltranssen hangen.
De zegepoorten staan op markt en straat geplant;
Daar ik met myn prinses zou treeden handt aan handt
Naar ’t opgepronkt paleis, door duizent kunstenaaren,
(1240) In vroeger eeuw, gesticht op marmere pilaaren.
En zo u da t feestsieraadt, dat denkbeeldt van myn lof
Getuige strekken van myn schande in Daunus hof?
Uw dochter moet met my zich naar myn ryk begeeven,
Of ik om haare min voor uwe muuren sneeven.

LATINUS.
(1245) Dat gy dit Iyfgevecht ontgaat, zal nooit uw naam
En heldenroem, zo lang verheerlykt van de Faam, Bevlekken.
Turnus moedt is ons te klaar gebleeken.
De naneef zal met lof van uwe daaden spreeken,
Zo lang de morgenzon Auzonië bestraalt:
(1250) Maar hooger magt houdt hier uw dapperheidt bepaalt
Het zyn de Goden die Eneas voordeel geeven,
Zyn min begunstigen en d’uwe wederstreeven.
Wie voor het nootlot zwicht, verwaarloost nooit zyn eer.
Gy legt, op dat bevel, alleen de wapens neer.

TURNUS.
(1255) Hoe wil de vorst dat ik myn vyandt zal gelooven,
Wiens looze geest, om my Lavinia t’ontrooven,
Dat nootlot heeft verdicht? o neen! de trouwe min
Staat door den wil der Goôn gewortelt in myn zin:
En zouden zy die vlam in myn gemoedt ontsteeken,
(1260) Om, als een straf, daar door myn lyden aan te queeken
Dat heb ik nooit verdient. doorzoek myn handel vry,
En tel de dagen van myn leven op een ry,
Gy zult’er geen, bevlekt met snoode feiten, vinden.

LATINUS.
Gy zegt: Eneas zoekt onze oogen te verblinden,
(1265) En door verdichtselen, van ’t listig brein gesmeedt,
In slaap te wiegen. neen, gy zyt verdoolt. ik weet
D’ omstandigheden van die groote zaaken nader,
Door ’s priesters spelling en ’t Orakel van myn vader.
Maar ik, bewogen door de bloetverwantschap, en
(1270) Uw trouwe diensten, daar ik aan verschuldigt ben,
Heb reukeloos my zelf in veel gevaar gestoken,
Het opgerecht verbondt en vorstlyk woordt gebroken,
De godtspraak dwaas veracht, en myn beschooren zoon,
Als vyandt, aangetast, tot nadeel van de kroon,
(1275) Tot ramp der burgery en myn Latynsche helden,
Wier bloet den Tyber noch bepurpert en de velden.
En zal ik in dien staat, zo doodlyk voor myn ryk,
Myn bloetvriendt Turnus noch beweenen; en zyn lyk,
In plaats van lauren, met cipressebladen sieren,
(1280) En, voor de zege, by ’t altaar zyn uitvaart vieren?

TURNUS.
Vergeldt gy zo myn dienst, ô vorst, dat gy de kracht
En zenuw van uw ryk, in Turnus arm, veracht?
Die vuist, die Pallas velde, en duizent onderdaanen
Van prins Evanders hof, Arkaders en Trojaanen,
(1285) In ’t bloedig veldtgevecht ontwapende, en door ’t staal
Vernielde: die helmet en harnas van metaal,
En gulde beukelaars, waar mee de ridders pronken,
Tot zegetekens aan uw muuren heeft geklonken:
Zou die den handel nu vergeeten van ’t geweer,
(1290) En d’aangebore kracht verliezen, daar myn eer
En liefde loopt gevaar? ô neen! verban uw vreezen:
Ik vind my meer gehart, ja sterker dan voordezen.
Sta my den tweestrydt toe: dat eisch ik voor myn loon
Der diensten, door dit zwaardt beweezen aan uw troon.
(1295) Gy zult Eneas ook hier door vernoeging geeven.

LATINUS.
Wel aan, ik zal uw eisch niet langer wederstreeven:
Maar stem den strydt door dwang. ik heb myn pligt betracht.
O gryze Daunus! roem van uw aaloudt geslacht!
Ik roep de Goden tot getuigen, die ons hooren,
(1300) Dat ik onschuldig blyf, zo Turnus gaat verloren!
Gebliksemt Latium! en gy, gedreigde wal!
Uw heil verheft zich, maar door uw beschermers val!
Thyrenus, breng terstont myn volk het vredeteken.
Beveel het vechtperk voor de vorsten af te steeken
(1305) In ’t aanzien van de poort. de priesterlyke schaar
Tree straks in ’t kerkgewaadt naar buiten, met altaar
En offerschaalen en gewyde wierookvaten.
Stel al de vaanen van myn ruiters en soldaaten
En lyfstaffleren in slagorde op ’t ruime veldt.

THYRENUS.
(1310) Ik volg des konings last. en gy, kloekmoedig heldt,
Die ons in hoogen noodt verpligtte door uw daaden,
De hemel kroone u met de zege en lauwerbladen.



DERDE TONEEL.
LATINUS, TURNUS.

LATINUS.
IK zal den tweestrydt zelf aanschouwen; ieders recht,
(1315) Gelyk een vorst betaamt, hanthaven in ’t gevecht,
En naar de plaats, tot spoedt der plegtigheidt, vertrekken.
Gy kunt Eneas, als hy komt, de zaak ontdekken,
En volgen. ô besluit! ô kracht van liefde en bloet!
O Godtspraak! ach! wat storm verwektge in myn gemoedt!

TURNUS.
Gewenschte dag! ik groet uw zegenryke straalen:
(1320) Gy zult myn glori en myn min zien zegepraalen!
Ik zoek Eneas.



VIERDE TONEEL.
AMATE, TURNUS.

AMATE.
                    PRins, vertoef, en meld aan my,
De reden die ons volk beweegt tot muitery.
Wat wil dit straatgerucht? dat kan ik niet beseffen.

TURNUS.
Wat oproer, koningin? uw volk wil my verheffen

(1325) Ten allerhoogsten top van glori en geluk,
En wacht van Turnus arm het grootste meesterstuk.

AMATE.
Hoe zoekt men myn gedult door duistre taal te tergen?
Of wilt gy deze zaak voor uw vriendin verbergen?

TURNUS.
Ik bidt, verstoor u niet.

AMATE.
                                            Geef my dan klaar bescheidt.

TURNUS.
(1330) O ja! het is uw volk, dat voor myn welvaart pleit.
Uw burger zoekt met kracht myn huwlyk voort te zetten,
En ’t feest te vieren, dat Latinus wil beletten.

AMATE.
Men dank den hemel, die zich voegt aan onze zy.

TURNUS.
Ik sta noch dieper in de gunst der burgery.

(1335) Men wil door my ’t gevolg der krygselenden stuiten,
En met myn strydtbren arm den oorlogstempel sluiten.
Zo wordt myn luister van uw onderdaan vergroot.

AMATE.
Maar door wat middel? spreek.

TURNUS.
                                                      Door prins Eneas dood

AMATE.
En met uw lyfgevaar? myn vreugdt verkeert in vreeze
(1340) Ontga dien strydt, myn zoon; ai, laat ik u beleezen.
Gy weet dat u myn hart, gelyk een moeder, mint:
Dat hart zou breeken, zo myn allerwaardste vrindt
Door ’t Frygiaansch geweer wierdt in ’t gevecht verslage]
Verkort myn leven niet door ’t korten van uw dagen.
(1345) Gy zyt de hoop en troost van onzen ouden dag.
Uw schouder onderschraagt den troon. ons ryksgezag
Wordt noch gehanthaaft, maar alleen door uw vermoge
Prins, spaar u zelf voor ons, voor ’t ryk, en droog myn oogen.

TURNUS.
Hoe keert men ’t oproer der gemeente, die den gloedt
(1350) Des oorlogs blusschen wil in een van beider bloet,
En den verwinnaar aan Lavinia verbinden?
Maar hoe!



VYFDE TONEEL.
ENEAS, TURNUS, AMATE, ACHATES

ENEAS.
MYn heer, ik dacht den koning hier te vinden,
En ’t antwoordt op myn eisch te hooren, nu de tydt
Van zyn beraadt alree verscheenen is.

TURNUS.
                                                                                Gy zyt
(1355) Van pas gekomen, schoon de vorst vertrok naar buiten,
Om in zyn naam met my het ryksverbondt te sluiten.
Gy eischt Lavinia, prins, van haar vaders handt.
Zy wordt u toegestaan, en door dien bruiloftsbandt
De magt vereenigt van Trojaanen en Latynen.
(1360) ZO zal de vredezon Auzonië beschynen,
En gansch Rutulië, door oorlog afgemat,
Zich vleien in de rust op ’t veldt of in de stadt.

ENEAS.
Achates, breng terstont Askaan die blyde maaren.

TURNUS.
O neen! vertoef, ik zal my nader openbaaren.
(1365) Gy kunt de ryksprinses, die gy begeert, myn heer,
Bezitten, maar gy moet haar winnen door ’t geweer.
Wanneer myn lykhout rookt omtrent uw echtaltaaren,
Kuntge onbeschroomt met haar ten tempel treen en paaren.
De tweestrydt zal den twist beslechten voor de poort.
(1370) Hier hoort gy myn besluit en vorst Latinus woordt.
Hy zal ons lyfgevecht aanschouwen voor zyn tenten.

ENEAS.
Achates, ga, bezorg, dat al myn regementen,
Geschaart in orde, by prins Turnus benden staan.
’k Beveel den offerdienst der Goden aan Askaan.

ACHATES.
(1375) Vaarwel, doorluchte prins, wy zullen u verwachten,
Om zege smeeken, en eerbiedig ’t offer slachten.



ZESDE TONEEL.
ENEAS, AMATE, TURNUS.

ENEAS.
O dappre vyandt! die in moedt voor niemant zwicht,
Gy hebt my nooit voorheen, maar heden dier verpligt.
’t Schynt of de drift van haat, in myn gemoedt bestreden
(1380) Begint te flaauwen door uw edelmoedigheden.
Maar ’k moet die tederheidt weerstreeven in myn zin.
Twee zaaken dwingen my, de vrientschap en de min.
Gy wilt de schoone bruidt; die my de Goden schonken,
Van my vervreemden en door uwe liefde ontvonken.
(1385) Gy hebt myn waarden vrient, dien jongen oorlogsheldt,
Evanders erfgenaam, tot myn verdriet, gevelt.
’k Moet door uw val myn min verzeekren, tot een teken
Dat ik het nootlot eere; en Pallas lykasch wreeken;
Ja, met myn weerwil u vervolgen tot de doodt.
(1390) En gy, door wie myn bruidt het levenslicht genoot,
Vorstin, die my verpligt tot onderdanigheden
Door haar geboorte, leen uw oor aan myn gebeden:
Indien de tweestrydt my gelukt, en deze handt
Het leven eindigt, van uw vriendt en bloetverwant,
(1395) Dien gy met moedermin begunstigt; laat uw tooren
Myn daadt niet vloeken noch myn bruiloftsvreugd verstooren.
Ik sta gedwongen naar zyn lyf. myn schoone bruidt,
Uw dochter, wet myn zwaardt door ’t hemelsche besluit.
Zy zal u Turnus door Eneas arm ontrukken.

AMATE.
(1400) Sta af. die vleiery zal nimmer u gelukken.
Gy kent Amate niet noch haar verwoeden zin.
Ik ben vergiftigt van uw grootste vyandin.
Die Priaams afkomst heeft verdelgt: wiens wrok, aan ’t blaaken,
De Grieksche toortsen stak in uw aaloude daken;
(1405) Die golf en wolk ontroerde, en Trojes rampgenoot
Met u zo lang vervolgde, en donderde op uw vloot
Met onweerwinden en gepreste zeeorkaanen:
Die , lachen de om uw klagt en uitgestorte traanen,
Den bliksem slingerde in uw zeilen op den vloedt:
(1410) Die Godtheidt heeft haar haat gedrukt in myn gemoedt.
Gy hebt dien haat, barbaar, door ’t moorden van myn maagen,
Noch daaglyks aangequeekt, ons volk door oorlogsplaagen
Geteistert, en ’t gebiedt van Latium ontrust,
Zo dra gy landde met uw vloot aan deze kust:
(1415) En meent gy dat ik u, als bruidegom, zal groeten,
Als koning Turnus legt verslagen voor uw voeten?
Wacht in Lavinia, verdoolde prins, uw straf
’k Zal haar met steek op steek vermoorden op zyn graf,
En op myn wraakaltaar tot zyn verzoening slachten.

TURNUS.
(1420) Verwerp dat opzet, zo verwoedt, uit uw gedachten.
Gy zoudt myn bleeke schim ontrusten door dat feit.
Verhoor een minnaars beê, die voor haar onschult pleit.
Indien Eneas my in ’t lyfgevecht zal dooden,
Getuigt myn nederlaag het hoog besluit der Goden;
(1425) Dan blykt de spelling, die myn liefde houdt verdacht:
Laat dan Lavinia, tot roem van haar geslacht,
Van elk verheerlykt, naar haar vaderlyke zeden,
Gelyk een koningsbruidt, met hem ten tempel treeden.
Ik eisch geen rougewaadt, geen jammerklagt, of druk.
(1430) Verheug u in den roem van ’t ryk, en zyn geluk.

AMATE.
Doorluchte ziel, wat tong kan u naar waarde looven!
Deze edelmoedigheidt gaat alle deugdt te boven.
Die u den grootsten schat, het leven, rooft door ’t zwaardt,
Dien schenkt gy na de doodt uw hoogste goedt op aardt.
(1435) Maar overweeg; ik heb de maagt aan u gegeeven,
Op dat gy, door de trou met haar vereent, zoudt leeven.
Uw doodlyk nootlot stelt haar weer in myne magt:
Te meer, nu gy haar schenkt aan hem, van elk veracht;
Van Goôn en mensch gevloekt, van windt en zee bestreden.

ENEAS.
(1440) ’t Is waar, wy hebben veel na Trojes val geleden:
Maar of der Goden vloek, dien gy aan my verwyt,
Verzoent is, of vervolgt, zal blyken uit den strydt.

AMATE.
Schoon u dit lyfgevecht rechtvaardigde in elks oogen;
Ik zal uw bruiloftsfeest, dat zweer ik, nooit gedoogen
(1445) Keer vry verwinnaar: ik zal juichen, als uw handt
Haar zegetekens op myn dochters lykbus plant.
Wanneer Eneas op haar grafzerk zyn laurieren
Besproeit met traanen, zal Amate zegevieren.
Verwacht dien gruwel van ecn moeder, die, verwoedt,
(1450) Haar vriendt zal wreeken, en u straffen door haar bloet.
Indien die prys den moedt kan in uw hart verwekken,
Kunt gy uit myn gezigt terstont naar ’t perk vertrekken:
Ik zal, wanneer gy keert in zege, u tegentreên,
En toonen u de vrucht, barbaar, van uw trofeen.



ZEVENDE TONEEL.
ENEAS, TURNUS.

ENEAS.
(1455) O schrikkelyk besluit, waar voor myn leden beeven!

TURNUS.
Ach! tot wat woede wordt de koningin gedreeven!
Zy wil my wreeken, en vermoordt my, ruim zo wreet
Door haar besluit dan ’t staal tot myn bederf gesmeedt.
O averechtse gunst! verfoeilyk mededogen!
(1460) O hatelyke dienst! hoe wordt myn hart bewogen
Door uw gevaar, prinses! gy sterft tot wraak van my,
Indien ik sneuvel, door Amates razerny:
Daar ik uw levensdraadt zou rekken door myn sterven,
Indien ik deze gunst mogt van de Goon verwerven.

ENEAS.
(1465) O nooit gehoorde haat! ontaarde koningin!
Gy zweert uw dochters doodt, om dat ik haar bemin.
Gy wilt de vrucht, van u geteelt en voortgesprooteil,
Het leven rooven, om myn lyden te vergrooten.
Hoe wordt uw hart van ’t spoor der reedlykheidt geruk

TURNUS.
(1470) Myn medeminnaar, zo de tweestrydt u gelukt,
En ik door u verga, ai, berg haar dierbaar leven:
Om haar behoudenis wordt u myn doodt vergeeven.

ENEAS.
lk weet een middel, om ons van die zorg t’ontslaan.
Men dien’ voor ’t lyfgevecht de zaak den koning aan;
(1475) Dan kan hy haar vertrek met zyn staffiers bezetten,
Om ’t doodlyk opzet van Amate te beletten.
Kom gaan wy naar den strydt. beproef uw leste kracht.

TURNUS.
Ik volg u naar de plaats, daar ons Latinus wacht.



ACHTSTE TONEEL.
LAVINIA, TURNUS, ENEAS, SABINE.

LAVINIA.
NEen, prinssen blyft, en ziet een konings dochter knielen:
(1480) Zy smeekt u voor u zelfs en uw doorluchte zielen.
Gy gaat ten strydt, o neen! ter slachtbank, daar de grondt
Uw verschvergooten bloet zal slurpen uit de wondt:
Daar ik, door uw bederf gemartelt, al myn dagen
’t Rampzalig nootlot van myn minnaars zal beklaagen.
(1485) Gy gespt het harnas aan, ô helden! om de bruidt
Te winnen, die gy zelf bevecht door dat besluit.
Gy wilt elkander voor de vuist in ’t veldt bespringens
Maar ’t staal zal door uw borst ook in myn boezem dringen,
Als oorzaak van uw doodt. rnyn hart gevoelt alree
(1490) De wonden smarten, eer de kling raakt uit de schee.
Mogt ik den gloedt van haat, in elks gemoedt aan ’t blaaken,
Met traanen blusschen, die vast vloejen langs myn kaaken
Ik schreide een gansche zee, ja bei myn oogen uit.
Doorluchte bloetverwant, o koninklyke spruit!
(1495) Die Daunus sluierkroon verheerlykt door uw daaden:
Die duizent vyanden, met ketenen beladen,
En ryken wapenbuit en koninklyken schat
In zege voerde naar uw vaderlyke stadt;
Uw leste heldenwerk zal d’andre ver braveeren,
(1500) Als gy zelf over u zo braaf zult triomfeeren.
Bevecht, gelyk een heldt, de drift van uw gemoedt,
Die naar uw leven staat, en myne elende voedt.

TURNUS.
Gy moogt, Lavinia, myn daaden hoog verheffen;
Het leste meesterstuk zal alles overtreffen:
(1505) Wanneer, om uwe min, een koning, zo vermaardt,
De ziel zal braaken door de slagen van myn zwaardt:
Maar wordt in tegendeel myn bloedt door hem vergooten,
Dan zal de nederlaag myn glori zelf vergrooten:
Doordien ik in den strydt door liefde wordt gevelt,
(1510) Om d’allerschoonste vrou, en door den grootsten heldt.

LAVINIA.
Dewyl ik Turnus niet kan winnen door gebeden,
Moet ik Eneas hart vermurwen door de reden.
Doorluchte vreemdeling, die met uw vloot zo lang
Geschokt wierdt op de zee na Trojes ondergang:
(1515) Die voor uw vaderlandt een langen reeks van jaaren
In ’t harnas stondt, tot schrik der Grieksche legerschaaren:
Die zelf uw vader met zyn witbegrysde kruin
Op beide uw schouders droogt door smookende assche en puin:
Die, lang van ’t woedent lot gemartelt en bestreden,
De Goden hebt verzoent door uw godtvruchtigheden:
Ai voeg noch eene deugdt by alle uw deugden. laat
Ik u beweegen door myn bede, en ban den haat,
Dat schriklyk monster, uit uw redelyke zinnen.
Betoon uw krachten in u zelven te verwinnen.
Bevredig u met hem, dien gy dreigt met de doodt.
Omhels prins Turnus als uw vriendt en bontgenoot.
Vereenig uwe magt, om tegen hen te stryden
Die ’t heil van Latium en Daunus kroon benyden.
Verheerlyk uwen roem door zulk een braave daadt,
(1530) En laat Lavinia, in maagdelyken staat,
En vry van ’t huwelyk, den oorspronk der elenden
Beschreien op den zerk van vrienden en bekenden
En bloetverwanten, door uw sabel omgebragt.
Aanschou myn traanen, prins, verhoor myn jammerklagt.
(1535) Ik zal, als erfgenaam, na vorst Latinus leven,
Zyn staf en tullebandt u willig overgeeven.
Dat bid ik, om de schim van haar, die u voorheen
Zo lief en waardig was, en aan uw zy verdween,
Toen gy om Priams doodt en Pyrrhus wreetheidt zuchtte,
(1540) En met Anchizes en Askaan den brandt ontvluchtte.

ENEAS.
Myn egaas geest, die zich vermaakt in ’t zalig veldt,
Heeft my op Trojes puin dit huwlyksfeest gespelt.
Gy zult Hesperie, sprak myn Kreuze, aanschouwen,
En aan den Tyberstroom een koningsdochter trouwen.
(1545) Ik zal haar spelling niet beschaamen, maar haar woordt
Gestant doen door myn zwaardt in ’t vechtperk voor de poort.
Vaarwel, prinses, wy gaan: ai, stel uw hart te vreden.
Ik sterf, of zal uw koets, als bruidegom, bekleden.

TURNUS.
Vaarwel, doorluchte vrou, ik ga om u ter doodt,
(1550) Of groet u, na den strydt, als troon- en echtgenoot.

LAVINIA.
Neen, prinssen, blyft, en hoort. helaas! zy zyn geweeken.



NEGENDE TONEEL.
LAVINIA, SABINE.

SABINE.
GY kost hun harten niet beweegen door uw smeeken.
De liefde wet hun moedt en vyantschap, mevrou.
Zo wordt gy met het zwaardt verbonden door de trou.
(1555) Twee helden, even groot van moedt en dapperheden,
Verstouten zich om u in ’t lyfgevecht te treeden.
Uw schoonheidt strekt het wit, daar ieders hoop op doelt:
Daar gy de werking ook van hoop of vrees gevoelt.

LAVINIA.
Ik moet my van den strydt, hoe die verga, beklaagen:

(1560) Myn waarde bloetverwant of minnaar wordt verslaagen.

SABINE.
’t Gevoel van dit verlies is ongelyk, prinses.
U treft prins Turnus leet, maar niet als minnares.

LAVINIA.
’t Is waar, Sabine, ik min Eneas: uit zyn wezen
Zyn alle tekens van eene eedle ziel te leezen.
(1565) Hy is die krygsheldt, die de magt van Griekenlandt
Tien jaaren wederstondt, en stuitte aan Xantus strandt:
Die, op ’t bestrydent heir met Hektor uitgevallen,
De velden stapelde met lyken voor zyn wallen.
Hadt Priaam helden, als Eneas, voortgebragt;
(1570) Nooit waar de gryze vorst in ’t heiligdom geslacht:
Noch stondt de trotse muur van Ilium verheven,
En Azie zou noch de werelt wetten geeven.
Zo spreekt zyn vyandt zelf; en Diomedes hof,
Wel eer van haat bevrucht, gaat zwanger van zyn lof:
(1575) Als vaders afgezant getuigde in ’t wederkeeren.
Ik moet Eneas om zyn deugdt en daaden eeren,
En minnen; maar ik schrik voor dit gevecht.

SABINE.
                                                                            Bedaar.
Gy zult uw bruidegom omhelzen na ’t gevaar,
En van uw vaders handt voor ’t echtaltaar ontfangen.

LAVINIA.
(1580) lk zal, wanneer hy keert, met traanen op myn wangen,
Den heldt ontmoeten, maar van dierbaar bloet bekladt.

SABINE.
En of prins Turnus quam verwinnaar in de stadt?

LAVINIA.
Zwyg, onbedachte, gy vermoordt my door uw vraagen.
Ach! eindigde myn leet door ’t einde van myn dagen,
(1585) En mogt ik ’t vuur van haat uitblusschen met myn bloet!
Ik zou in dezen staat, Sabine, welgemoedt
Den sabel kussen, en myn leden vrolyk buigen.
Dat kunt gy Goden , die myn hart doorgrondt, getuigen.

SABINE.
Hou moedt, en leef

LAVINIA.
                                        Kom, volg. laat ons in dit geval
(1590) Met smart verwachten, wat ons d’uitkomst geeven zal.

                Einde van het vierde Bedryf.




VYFDE BEDRYF.

EERSTE TONEEL.
LAVINIA, SABINE, MARCELLUS,
LYFWACHT.

LAVINIA.
IK klim, als zinneloos, den hoftrap op en neder.
Myn onrust . . . ach! ik beef. Marcellus keert gy weder!
Zyn zy al handtgemeen, of beide neêrgevelt,
Of een van beide? of is de tweestrydt uitgestelt?

MARCELLUS.
(1595) Zo dra prins Turnus, en de koning der Trojaanen
Op ’t afgesteken veldt, omringt van oorlogsvaanen,
Verscheenen, wierdt de vorst, omsingelt van zyn stoet,
Op zyn verheve koets in ’t perk van hun begroet.
Eneas luisterde den koning iets in d’ooren,
(1600) Zo zacht, dat niemant van ’t gevolg zyn woordt kon hooren.
Toen rees hy overent, en sprak: Marcellus, ga,
Verzeker met myn wacht prinses Lavinia.
’k Beveel aan u de zorg. bezet aan alle kanten
Haar hofportaalen, tot ik keer, met myn trouwanten.
(1605) Gedoog, op lyfstraf, geen bezoek van ’t hofgezin.
Dat ieder buiten sta, vooral de koningin.

LAVINIA.
Hoe! neemt myn vader my gevangen? om wat reden?
Heb ik hem ooit onteert door ongebonde zeden,
Of zyn gezag gekrenkt door ongehoorzaamheidt?
(1610) Waar ben ik schuldig aan, Marcellus? noem my ’t feit.

MARCELLUS.
Ik hoop uw goetheidt zal haar onderdaan verschoonen.
Ik weet de zaak niet, maar moet my gehoorzaam toonen.

LAVINIAwechgaande.
Ik wacht in hechtenis den uitslag van myn lot,
En ga u voor. volvoer het vaderlyk gebodt.

SABINE wechgaande.
(1615) O vreemt bevel! ik weet uw oorspronk niet te vinden;
Maar wacht den tydt, die my dit kluwen zal ontwinden.

MARCELLUS.
Gy lyfwacht, tree voor uit. ik volg. bezet de poort.



TWEDE TONEEL.
AMATE, JULIA, MARCELLUS.

AMATE.
HEb ik myn dochter niet in deze zaal gehoort?
Marceilus toef. waar is Lavinia gebleven?

MARCELLUS.
(1620) Zy heeft zich, op myn woordt, naar haar vertrek begeeven,
Dat ik door ’s konings last, met lyfwacht hou bezet.

AMATE
Ik volg.

MARCELLUS.
                    Vergeef my.

AMATE.
                                                      Wordt de toegang my belet?

MARCELLUS.
Haar majesteit verschoon haar dienaar, die ’t behagen
Des konings volgt, en in zyn pligt zich trou moet draagen.



DERDE TONEEL.
AMATE, JULIA.

AMATE.
(1625) VErmetele ga heen, maar wacht eerlang myn wraak.
Ach! Turnus hebt gy my verraaden, en de zaak
Myn echtgenoot ontdekt? ik wilde uw onheil wreeken,
Indien gv sneuvelde, en den vreemdeling versteeken
Van d’ingebeelde vrucht des strydts. ondankbre vriendt,
(1630) Heeft myn genegenheidt en zorg dien hoon verdient?

JULIA.
Maar om wat oorzaak mag de ryksprinses, gevangen
En opgesloten, u niet in haar hof ontfangen?

AMATE.
Ik mag u dit geheim niet melden: weet alleen,
Dat my de haat vervoert tot buitensporigheen.
(1635) De gunst en vyantschap verbysteren myn zinnen.
Ik kan, o Julia, die driften niet verwinnen:
Zy overweldigen de reden in myn hart.
Ik heb u dezen dag den oorspronk van myn smart,
Dien onverzoenbren wrok ontdekt: dat vier, aan ’t branden,
(1640) Verteert natuur zelf in myn woedende ingewanden.
Dit zy genoog. hebt gy van Turnus niets verstaan?

JULIA.
Men zal haast hooren hoe de tweestrydt is vergaan.
De Tyberpoort, waar voor het perk is afgesteeken,
Staat dicht aan dit paleis. prins Turnus kracht, gebleeken
(1645) In zo veel slagen, zal hem redden uit den noodt,
En zyn oprechte min verzeekren door de doodt
Des vyandts, dien gy haat. hy zal in ’t hof verschynen,
Als winnaar, en uw zorg door zyn triomf verdwynen.

AMATE.
Gy zoekt myn zwakke hoop in ’t midden van den druk,
(1650) Te sterken, maar myn hart voorzegt my ’t ongeluk.
Daar voel ik, hoe myn vriendt, mishandelt en bestreden,
In ’t lyfgevecht bezwykt, en met vermoeide leden,
Al hygende, op den grondt zich wentelt in zyn bloedt.
De Trooische balling drukt den gorgel met zyn voet,
(1655) En plondert helm en zwaardt en riem en schouderplaaten.
Hy nadert, Julia, en sleept langs onze straaten
Dien ryken buit naar ’t hof, en legt dat krygsgeweer
Voor zyn gewonne bruidt, tot blyk der zege neer.
Kan ik dat treurspel wel aanschouwen, en noch leeven!
(1660) Vergramde Godtheidt, die, van wraakzucht aangedreeven,
My door een vreemde magt tot uwen dienst verpligt,
Ai sluit myn oogen voor dat doodelyk gezigt!
Laat my rampzalige van u die gunst verwerven,
En voor de nederlaag van koning Turnus sterven.
(1665) Ik zal de doodt met vreugde omhelzen.

JULIA.
                                                                  Staak uw klagt.
Verban de wanhoop uit uw zinnen, leef en wacht
Een gunstig nootlot van de Goden, die voordezen
Hun zegen aan dit ryk in overvloedt beweezen.

AMATE.
Hoe zou ik leeven, om te deelen in den lof
(1670) Myns vyandts, en zyn feest te vieren in ons hof!
Kunt gy die lafheidt van uw koningin gelooven?
Neen, Julia, ik zal my zelve ’t leven rooven
Indien de hemel voor myn bee zyn ooren sluit.
Laat dan Lavinia, als eene ontzinde bruidt,
(1675) De huwlyksfakkel aan haar moeders lykaltaaren
Ontsteeken: myne schim zal door den tempel waaren,
En schreeuwen wraak en wee in d’ooren van de Goon.
Ik zal haar volgen op den koninklyken troon,
En ’t kroonfeest in ’t gezigt der plegtigheden stooren;
(1680) Het volk verbaazen by ’t gejuich. myn vloek en tooren
Zal ’t paar geleiden naar het huwlyksledekant;
De wraaktoorts dit paleis ontsteeken door myn handt.

JULIA.
Mevrou, de koning keert.



VIERDE TONEEL.
LATINUS, AMATE, JULIA.

LATINUS.
                                                      VOrstin, wy gaan verloren.

AMATE.
Wordt d’ondergang van ’t ryk uit Turnus doodt geboren?
(1685) Legt hy in ’t vechtperk door Eneas zwaardt gevelt?

LATINUS.
O neen! hy leeft.

AMATE.
                    Hy leeft? en gy, gy keert ontstelt,
En bevende van schrik. wat maakt u dus verlegen?
Nu Turnus leeft, zyn wy behouden, en zyn degen
Zal ons . . . .

LATINUS.
                    Geef my gehoor; op dat ik u ’t gevaar
(1690) Van onze krygsmagt en den rykstroon openbaar:
Zo zal uw ydle hoop op Turnus hulp verdwynen.
Men zag Eneas welgemoedt in ’t perk verschynen.
Hy scheen een leeuw, die, lang getergt, vol ongedult,
Zyn vyandt afwacht, en afgryslyk tiert en brult,
(1695) Zyn klaauwen scherpt, en streeft met opgereze maanen,
Het veldt, omsingelt van Latynen en Trojaanen
En Rutulen, bekleedt met helm en beukelaar,
Verbeeldde een krygstoneel. de priesterlyke schaar
Ontstak de vlammen op ’t altaar van groene zoden,
(1700) En keelde ’t offervee geheiligt aan de Goden.
Eneas trekt zyn zwaardt. hy slaat zyn oogen naar
Den hemeltroon, en zweert voor ons Latynsch altaar;
Een eindeloos verbondt godtvruchtig t’onderhouwen.
Hy neemt d’alziende zon, d’Auzonische landouwen,
(1705) Noch rookende, en gemest met heldenbloet, en zweet;
En al de Goden tot getuigen van zyn eedt.
Zo gaat hy voor. ik volg, terwyl onze offers branden;
En raak ’t gewyde altaar eerbiedig met myn handen;
En zweer, by hemel, aarde en golven, by de kroon
(1710) Van vader Faunus, en by d’afkomst van Latoon.
Zo dra de Rutulen hun koning zien genaaken
Voor ’t offervier, en, met verbleekte en dootsche kaaken,
Zich tot het lyfgevecht bereiden; wordt hun hart
Bewogen door ’t gevaar van Turnus, dat hun smart.
(1715) Elk spelt de nederlaag alrede in zyn gedachten,
En ziet de stryders aan, als ongelyk van krachten.
Zy morren onder een, verwerpen het ontzag,
En vloeken openbaar ’t bezworen krygsverdrag.
Ja zelf’t Latynsche volk, dat heden, moe van stryden,
(1720) Om vrede schreeude, slaat, vervoert van medelyden,
De handen aan ’t geweer, en schendt ons vreeverbondt.
De Trooische krygsmagt, die naast onze benden stondt:
Wordt wakker op ’t gemor van Turnus oorlogsknechten.
De legers wederzydts staan vaardig om te vechten.
(1725) Eneas schreeut: laat af wat dolheidt gaat u aan,
Trojaanen? ’k moet alleen myn vyandt tegengaan.
Wat helsche tweedragt kan den verschen vrede stooren!
Men eer’ de voorwaarde en ’t verbondt, zo dier bezworen.
Hier zweeg Anchizes zoon; toen een vervlogen schicht
(1730) Op ’t harnas langs zyn borst afschampte, in ons gezigt.

AMATE.
Wat hoor ik! waar zyn ziel de borstwonde uitgevloogen,
En mogt Amate ’t lyk beschimpen voor elks oogen,
En juichen om de doodt van dien verrader?

LATINUS.
                                                                                            Staak
Dien wensch. dat voorval prest zyn onderdaan tot wraak.
(1735) Straks wordt men handtgemeen. men treft met speer en degen.
De schichten snorren door de lucht. een yzre regen
Bedekt ons groene veldt in ’t aanzien van de stadt.
D’een grypt het brandthout van ’t altaar, met bloet bespat,
En blaakt met offervier d’onthelmde bekkeneelen.
(1740) ’t Gewyde wierookvat, ontheiligt in ’t krakkeelen,
Knarst, door een sterke vuist gedreeven, op ’t metaal
Van borst- en schouderplaat. de blinkende offerschaal,
Noch schuimende van ’t bloet der verschgekeelde schaapen,
Vliegt door de legerbende, en kneust den helm en ’t wapen.
(1745) Een ander opent met zyn sabel, scherp van snee,
De vyantlyke kruin, en past op zucht noch bee.
Ja ’t uitgespatte brein der afgestrede schaaren
Vermengt zich onder ’t bloet der rundren by d’altaaren.
De priesters grypen noch ’t mishandelt overschot
(1750) Der heiligdommen, van ’t verwoede graauw bespot,
En vlieden langs den weg, bezaait met duizent dooden.
Ik volg hen in de stadt met myn geschonde Goden.
Daar klom ik op den muur en hoogen torentrans,
Die dit paleis bewaakt. ik zag van ver de kans
(1755) In eenen ogenblik prins Turnus zy verlaaten.
Eneas triomfeert, en streeft met zyn soldaaten
Recht naar de wallen, om te stormen op de stadt
Waar berg ik u, vorstin, myn dochter en myn schat,
Myn huisgoon, en de kroon en purpre troongewaaden!
(1760) Eneas zal zyn wraak tot walgens toe verzaaden,
En zuivren in ons bloet de schennis van ’t verdrag.
Wy gaan verloren, en ’t Latynsche ryksgezag
Vervalt in Trojes magt. de burger slaat aan ’t muiten,
En dreigt de poorten voor den vyandt op te sluiten.
(1765) Men geeft aan my de schuldt van dezen oorlogsbrandt.
Ik raakte noch alleen en zonder lyftrouwant
Door ’t oproer in myn hof, en ben ’t gevaar ontweeken.

AMATE.
Hou moedt, myn heer, geef last de krygstrompet te steeken.
Verdeel de burgers voor de poort en op den wal.

(1770) Ga voor, en moedig ’t volk door uw gezag. ik zal,
Gewapent, met een ry van juffren, u verzellen,
En, vechtende aan uw zy, den stormtroep nedervellen,
De ladders stooten van de muuren met myn handt.
Zo dra prins Turnus merkt dien dappren tegenstandt,
(1775) Zal hy de veege stadt ontzetten met zyn benden,
En, vallende onverwacht den rover op de lenden,
Ons redden. gryp geweer. waak op. geef my gehoor.
Vlieg naar de muuren, vorst. wy volgen u op ’t spoor.
Myn haat zal feller dan Eneas toortsen branden,
(1780) En bliksemen op ’t heir van ’t hoofdt der dwingelanden.
Breng wapens, Julia, kom volg my in den noodt:
Laat ons de slaverny ontvluchten door de doodt,
Of over ’t stormgevaart des vyandts triomfeeren.

LATINUS.
Hou stant. gy tracht vergeefs de vesten te verweeren.

JULIA.
(1785) Thyrenus nadert ons.



VYFDE TONEEL.
LATINUS, AMATE, JULIA, THYRENUS

                                           
LATINUS.
WAt brengt gy?

THYRENUS.
                                                                  Vorst, ik keer,
Doch met een droeve maar. prins Turnus leeft niet meer.

LATINUS.
Helaas! verhaal zyn doodt.

AMATE.
                                            Nu gaat myn ryk verlooren.
’k Vertrek om dit verhaal, zo doodlyk, niet te hooren.
Doorluchte ziel, ik weet wat ik u ben verpligt.



ZESDE TONEEL.
LATINUS, THYRENUS.

THYRENUS.
(1790) VErgramde Eneas dreigde uw muur in ons gezigt;
Toen Iüturnes gunst, uit zuiver mededogen,
Haar broeder in den strydt ontvoerde voor myn oogen,
En steets zyn hoop bedroog. maar Turnus, die ’t gevaar
Van uw verheve vest, en rykstroon wordt gewaar,
(1795) Ontslaat zich van de zorg der zuster; viert, vol toren,
Den teugelriem, en noopt zyn oorlogspaardt met spooren.
Gy helden, schreeut hy, rust, verandert uw besluit,
Verschoont de vesten; laat ons vechten om de bruidt:
Herroept met my ’t verbondt. de tweestrydt zal ons scheiden,
(1800) En ik Eneas met zyn wapens hier verbeiden.
Zo dra Anchizes zoon de stem van Turnus hoort,
Ontsteekt de vreugdt zyn moedt, op ’t uitgesprokenwoordt.
Hy juicht in ’t midden der slagorde, zwaait den degen,
En vliegt gelyk een leeuw, zyn medeminnaar tegen.
(1805) De hoofden ruimen plaats; terwyl de legerknecht
Met ongedult verwacht den uitslag van ’t gevecht.
De tweestrydt, zo verwoedt als ooit myn oogen zagen,
Begint met schichten, en vervolgt met sabelslagen;
Die, klinkende op ’t metaal des boukelaars, de lucht
(1810) En ’t omgelegen landt ontroeren door ’t gerucht.
Gelyk twee stieren, door de vyantschap aan ’t woeden,
Met horens stooten, dat de borst en ril ben bloeden;
En elk zyns vyandts schoft met wondt op wondt doorboort:
Terwyl de landtknaap en zyn runders op dien moordt
(1815) Ter zyde wyken, en van schrik en angst gedreven,
Van ver beloeren wien ’t geluk zal voordeel geeven:
Niet anders zag men hier Eneas, en den heldt
Uw dappren bloetverwant op ’t afgesteken veldt,
Daar duizenden verbaast den open grondt omringen,
(1820) Elkander, heet op wraak, met zwaardt en schicht bespringen.
’t Hartnekkig lyfgevecht vergramde den Trojaan.
Hy ziet al grimmende zyn medemilmaar aan,
En drilt een taaje speer, tot Turnus val geschapen.
Hy mikt. de werpspies treft, en klooft den zoom van ’t wapen.
(1825) De punt dringt door de heupe, en Turnus stort ter aardt.
Eneas nadert hem met uitgetogen zwaardt . . . .

LATINUS.
Wie stoort ons!



ZEVENDE TONEEL.
LATINUS, THYRENUS, MARCELLUS.

MARCELLUS.
                    DE prinses verzoekt den vorst te groeten,
En met ontzag haar klagt te storten voor uw voeten.

LATINUS.
Ga heen, en keer terstont met haar in deze zaal.
(1830) En gy, Thyrenus, vaar nu voort met uw verhaal.



ACHTSTE TONEEL.
LATINUS, THYRENUS.

THYRENUS .
TOen ’t heir den Frygiaan prins Turnus zag genaaken,
Spaar om zyn vader, die met ingevalle kaaken,
En zwak van ouderdom, elk uur den doodt verbeidt,
Zyn leven, schreeude ’t volk: de koning is bereidt
(1835) Den steek t’ontfangen, en den lesten snik te geeven:
Maar ’t heil van Daunus hangt geschakelt aan zyn leven.
Gy moordt den vader door ’t ontzielen van zyn kindt.
Gy weet, hoe teder u Anchizes heeft bemint,
En kent een vaders hart. Eneas wierdt bewogen.
(1840) Maar toen de wapenriem van Pallas in zyn oogen
Aan Turnus harnas blonk, en schitterde om zyn borst,
Wierdt door dien roof, noch versch van ’s prinsen bloet bemorst,
Zyn gramschap opgewokt. durft gy, om my te hoonen,
Dien gordel, vraagt hy, van myn Pallas my vertoonen,
(1845) En pronken met den buit, die my tot wraak verpligt?
Hier zwygt hy, en doorstoot den heldt in ons gezigt.
Hy geeft den geest. ik heb zyn stervend oog gelooken,
En ’t allerlest vaarwel al beevende uitgesprooken.

LATINUS.
Hoe droeg zich ’t leger, toen de koning lag gevelt?

THYRENUS.
(1850) Elk stortte al zuchtende zyn traanen op den heldt,
Omsingelt van den drom der droeve legerknaapen.
D’een buigt zich neder, en ontgespt het glinstrent wapen
Een ander licht den helm en kust den bleeken mondt.
Een ander scheurt zyn kleedt, en wascht de versche wondt
(1855) Met water, in den helm geschept uit klaare stroomen.
Maar uwe burgery, van blyschap ingenomen,
Juicht op den hoogen muur, op kerk en torentrans,
En schreeut: nu naakt de tydt, o burgers, dat de glans
En luister van dit ryk, gelyk de zon, zal ryzen,
(1860) En ieder Latium onsterflyke eer bewyzen.
Nu trout de ryksprinses, als Faunus heeft gespelt.
Men breekt de sloten, en ontgrendelt met geweldt
De Tyberpoort, om prins Eneas in te laaten.
Hy volgde my, van elk verheerlykt langs de straaten,
(1865) Naar ’t vorstelyk paleis, in ’t midden van zyn stoet.

LATINUS.
Ga heen, Thyrenus, tree den winnaar te gemoet.



NEGENDE TONEEL.
LATINUS, LAVINIA, SABINE, MARCELLUS.

LAVINIA.
MYn vorst, zal ik deze eer van uwe gunst ontfangen,
Om knielende aan uw voet . . . .

LATINUS.
Rys op, en droog uw wangen,
Myn waarde dochter, schiet de stasitabbert aan,
(1870) Versier uw leden om naar ’t echtaltaar te gaan.
Het lyfgevecht heeft u den bruidegom gegeeven.

LAVINIA.
Helaas! wie triomfeert? wie zal, ten troon verheven,
Het ryk van Latium gebieden na uw doodt?
Wien van hun beide schonk my ’t lot tot echtgenoot?

(1875) Eneas heeft . . . .

LAVINIA.
                                            Ik schrik! heeft hy den strydt verlooren?

LATINUS.
Ik merk, Lavinia, wien gy hebt uitverkoren.
De vrees, door twyfel en onzekerheidt gevoedt,
Ontdekt ons het geheim van ’t blaakende gemoedt.
Daar komt uw bruidegom. nu zal die vrees verdwynen.



TIENDE TONEEL.
ENEAS, LATINUS, LAVINIA, SABINE,
THYRENUS, SERESTUS, ACHATES,
MARCELLUS.

ENEAS.
(1880) MYn heer, gy ziet my niet als vyandt hier verschynen.
Het nootlot heeft myn arm de zege toegestaan.
Ik keer verwinnaar, maar ik blyf uw onderdaan.
En gy, prinses, om wien ik duizent krygsgevaaren,
Ontelbre zwarigheên te lande en op de baaren,
(1885) Kloekmoedig heb verduurt; nu leg ik ’t krygsgeweer,
Myn zwaardt en beukelaar voor uwe voeten neêr.
Dit zyn de wapens my van moeders gunst geschonken
De beukelaar, uit onwaardeerbre stof geklonken,
Vertoont in zyn begrip, schoon kleen, d’aanstaande m
(1890) Den roem en heerlykheidt van uw Latynsch geslacht.
Kan u de luister van den nazaat niet behaagen?
En zal u vruchteloos Eneas liefde draagen?
Ai, spreek een gunstig woordt: of sluit de schaamte u mond
Bewillig met uw oog, ô schoone, ons echtverbondt,
(1895) Na Trojes ondergang in ’s hemels raadt beschooren.

LAVINIA.
Ik moet naar ’t nootlot en de stem van Faunus hoore
Ik eer de Goden, en gehoorzaam hun besluit.

LATINUS.
Ontfang haar van myn handt, doorluchte prins, tot bruid,
Aanvaart met een myn kroon en koninklyke staaten.
(1900) Betree den zetel, dien ik willig zal verlaaten.

ENEAS.
Hoe zout gy leeven, en ik pronken met uw staf?
Heersch, waarde vader, tot uw lykbus daalt in ’t graf
’k Zal in uw ryk een stadt voor myn Trojaanen bouwen:
Daar zal de werelt voor de poort den naam aanschouwen
(1905) Van myn Lavinia in zuiver marmersteen.
Gy zult uw vaders troon bekleeden als voorheen.

LATINUS.
De Goden hebben u met recht hun gunst beweezen.
Uw grootste vyandt heeft uw deugden zelf gepreezen.



ELFDE TONEEL.
LATINUS, ENEAS, LAVINIA, JULIA, SABINE,
THYRENUS, SERESTUS, ACHATES, MARCELLUS.

JULIA.
O deerlyk ongeval!

LATINUS.
                                    Wat deert u Julia?

JULIA.
(1910) De slag treft u, myn heer, en u Lavinia.
De koningin ...

LATINUS.
                    Vaar voort.

JULIA.
                                            Heeft zich berooft van ’t leven.

LAVINIA.
Myn moeder!

LATINUS.
                                                                  Ach! myn lief!
Heeft zich berooft van ’t leven.

LATINUS.
                                                                  O ramp!
Verhaal ons, Julia, het eindt der koningin.

JULIA.
                                                                  Myn leden beeven
Zy stapte van uw zy met my ter slaapzaale in:
(1915) Toen u gebootschapt wierdt dat Turnus lag verslaagen
My lust in eenigheidt om dit verlies te klaagen;
Zo sprakze, Julia, ga, laat my wat alleen.
’k Zal ’t overkropt gemoedt ontlasten door geween,
En dan myn quelling door de rust een wyl verzachte
(1920) Ik volgde haar bevel, ging heen: maar myn gedachte
Toen ik beneden quam, voorspelden my geen goedt.
Een dodelyke schrik en angst doorkroop myn bloedt
Ik beefde, en ’t klamme zweet bevochtigde myn lede
Ik vloog naar boven, om de kamer in te treeden,
(1925) Maar vondt de deur in slot. ik schreeude: ô koningin
Doch ik kreeg geen gehoor. toen riep ik ’t hofgezin.
De stoet der juffren quam verslagen toegeschooten.
Wy hebben met gewelt de kamerdeur ontslooten:
Maar openden, ô vorst, een doodlyk treurtoneel.
(1930) De purpre sluier knelt in ons gezigt de keel
Der koningin, en haar verbleekte leden hangen
Aan ’t gulde zaalgewelf de bloesem van haar wangen
Wel eer uw zielsvermaak, ontluistert door de doodt,
Verdween, toen zy voor ’t lest haar stervende oogen sloot.

LATINUS.
(1935) Moet ik Amates lyk in dezen staat beweenen!
Hoe schielyk is myn vreugdt door dat verlies verdweenen!
Verwacht Lavinia, maar zonder bruitsieraadt,
Voor ’t huwlyksouter, prins, in ’t zwarte treurgewaadt.
Ik zal geen prachtig kleedt door onzen tempel spreien,
(1940) Maar over ’t routapyt de bruidt naar ’t offer leien.
Gedoog dat ik u mag verlaaten, om myn hart
Door zuchten en geween t’ontlasten van zyn smart.
                                                                  (hy gaat wech.)

ENEAS.
Thyrenus volg uw heer: uw zorg moet ons bevryden
Voor grooter ramp. ga, troost den koning in zyn lyden.

LAVINIA.
(1945) Rampzalige prinses! o nootlot al te straf!
Nu blaakt myn bruiloftstoorts, maar op mijn moeders graf:
lk zal haar blusschen, en besproejen met myn traanen.
Treur, treur, Auzonië, met alle uw onderdaanen.
Latynsche juffers, weent, bestrooit uw kruin met stof,
(1950) Verscheurt uw vlecht en borst in vorst Latinus hof
En gy, myn bruidegom, verban uit uw gedachten
De bruiIoftsvreugdt, en meng uw traanen met myn klagten.
Ik kan niet meer.
                      (Zy valt in de armen van Julia en Sabine.)

ENEAS.
                                Haar hart, ontroert door moeders doodt,
Bezwykt: laat ons met vlyt haar redden uit den noodt.

                            E I N D E.



OP HET
TREURSPEL
van
ENEAS en TURNUS,
DOOR DEN HEERE
LUKAS ROTGANS.

O brave Dichter! gy verheerlykt met uw toonen
    Den schouburg aan het Y, naar Maroos heldendicht,
    ’t Zy daar prins Turnus voor Eneas wapens zwigt,
Of daarge Anchizes zoon vlecht laure- en mirtekroonen.

(5) Amate mag dien vorst met hare vloeken hoonen,
    Als hy Lavinia tot kuische min verplicht.
    De vaale nacht verstuift voor ’t blakend zonnelicht,
En ’t Nootlot komt zyn liefde en zuivre deugt beloon

    O ROTGANS! Febus zoon, den Zangberg toegewydt,
    Dank hebbe uw hooge geest in ’t woekren van zyn’ tydt,
Om dit aaloude stuk ten schouburg op te voeren.

    Uw heldre klank vergoodt den grooten Mantuaan.
    Gy volgt hem aan ’t gestarnt, met d’Agrippynsche zwaan:
Dies d’Amstelnimfen u een kroon van paarlen snoeren.

                                                                            F. HALMA.

Continue


Bijlage 1. Lofdicht van François Halma op Rotgans’ Eneas en Turnus (1705). KBH .

OP HET TREURSPEL
VAN

ENEAS EN TURNUS,
DOOR DEN HEERE
LUKAS ROTGANS
IN DICHT GEBRAGT
EN TEN SCHOUBURGE GEVOERT;

Ondermengt met eenige Aanmerkingen over de Neder-
duitsche Taal- en Dichtkunde;
DOOR
F. HALMA.
[Vignet: In hoc signo vinces].
T’AMSTERDAM,
__________________
By FRANÇOIS HALMA, BOEKVERKOPER,
in Konstantyn den Grooten. 1705.



OP HET TREURSPEL

VAN

ENEAS EN TURNUS.

DOorluchte Dichter, die, tot heldentoon gebooren,
Uw heldenzangen liet in Neêrlandts kreitzen hooren,
Als gy Britanjes vorst verheerlykte in uw dicht,
En zyne krygstrofeen hebt door uw pen gesticht,
(5) Waardoor zyn groot bedryf zal in ’t geheugen leeven:
Die zoo veel helden hebt aan ’t starrenhof verheven,
Na hunne doot, als gy hun daden hebt gemeldt,
In Pallas hooge koor, of Mavors bloedig veldt
Verricht, die hunnen naam en lykbus eeuwig sieren:
(10) O Febuszoon, bekranst met blinkende laurieren,
Wy eeren uw vernuft, en gaven van de kunst
Der eedle poëzy. ’t blykt dat ter Zustren gunst
U dag op dag bestraalt, en nimmer laat verlegen,
Vooral zienwe in dit stuk gelyk een’ milden regen.
(15) Die mensch en vee verquikt, van zuivre Hippokreen*,
Uit Pindus heuvelbron, nu Roomen naar beneên
In ’t kristalyn der Vecht, om uwen dorst te laaven.
Gy, die de lekkerny van deze hemelgaven
Voorlange had gesmaakt, en kende Febus schat,
(20) Werdt dronken in den vloet van ’t geestbezielend nat;
En, teffens door het vier des Zanggods aangedreven,
Als uit u zelf verrukt, quam in uw geest herleeven
De sterke dryving van den grooten Mantuaan.
Flux zagmen uwe handt zyn goude snaaren slaan,
(25) Om prins Eneas in Latinus hof te kroonen,
En zyne dapperheit met uwe zegetoonen
Te voeren aan ’t gestarnt. tot hy door ’t hoog besluit
Prinses Lavinia, Latinus kroost, tot bruidt
Verwerft, en wint door ’t zwaart, daar Turnus door moet sneeven.
(30) Hoe zietmen hier uw’ geest op snelle wieken zweeven,
Gelyk den adelaar, tot in de bovenlucht,
En streeven tot den top des zangbergs in uw vlucht!
O Vechtzwaan! wie word niet vervoert door uwe zangen!
Wiens ziel zou uw gedicht niet door zyn toonen vangen!
(35) Amfions kracht en geest herleeft in uw verstandt,
En Orfeus, als hy ’t wout betovert met zyn handt
Daar hy zyn snaaren weet zoo kunstig meê te roeren.
’k Zie d’Amstelnimf alreê met zyde en goude snoeren
U kranssen strengelen van waterlis, en wier,
(40) En biezen, opdat zy uw kruin daar meê versier,
Als uwe Eneas, door uw luisterryke vaarzen,
Den schouburg zal betreên met hooggeschoeide laarzen,
En elk u groeten met gejuich en handgebaar
Wanneer zelf ’t schoutoneel, verheerlykt door de schaar
(45) Die Helikon bewoont, van hemelglans zal blaaken.
      O VONDEL! mogtge eens uit den yzren slaap ontwaaken,
En u dan wiert gegunt dit Treurspel aan te zien:
Straks zoudge uw stramme handt den braven dichter biên,
En, met ANTONIDES, hem voor uw kroost erkennen.
(50) Hy volgt u achterna op onvermoeide pennen,
En spiegelt zich in ’t licht dat uit uw dichtkunst straalt:
Die heldre flonkerstar, die nooit ter kimme daalt.
O Agrippyner! wie zou uw vernuft niet eeren!
Uw geest zal eeuwig haat en nyt betriomfeeren,
(55) Hoe zeer dat ondier grynst en knaagt zyn ingewandt.
Heer ROTGANS heeft voor u de zegevaan geplant,
Met zoo veel helden: spyt het woên der vaale spooken,
Die, uit den afgront van onwetenheit gebroken,
Uw glans niet kunnen zien noch dulden in ’t gezicht.
(60) Wy pryzen u, ô heldt, die zulk een middaglicht
Hebt over Nêerlands taal verspreidt en uitgegoten.
Dit schoon toneelstuk is als uit uw pen gevloten,
Naar styl en zuivre taal, diege altoos hebt bewaart
In uwe spelen, schoon de schikking naar den aart
(65) Van onze tyden is veroudert en verandert.
Dit zyn omstandigheên. gy volgde d’oudheitsstandert,
Gestyft door wyzen raadt, in d’orde van het spel.
Tydt baart verwisseling. gelyk een slang haar vel
Uitschudt, maar niet haar list, voorzigtigheit en treeken.
(70) Hier hoortmen kracht van taal, in zuiverheit van spreeken,
Naar vaste gronden, die de ziel bekoort en ’t oor.
Men volgt geen woestheit, maar ’t gebaande redenspoor
Voorheene en in dees’ tydt. men hoort de zelve klanken
Der onvervalschte tong; door geen uitheemsch aan ’t wanken
(75) Te brengen, hoe vernist en jofferlyk getooit.
Hier zietmen ’t onkruidt met zyn wortel uitgerooit
Van echtelooze taal; de schandige erfgebreken,
Van diepe Onkunde, door den dichter ’t hart afsteeken:
Gerechtigheit, voorzien met zwaart en evenaar,
(80) Wyst hem den lauwer toe, met d’Outsten van de schaar,
Die taal en poëzy naar rechten eisch waardeeren.
Geen eere, ô deernis! klinkt hier op het meervout heeren
Noch hoort men immer tyt gerymt op heerlykheit,
Men spreekt hier niet met den, naar ’t driestig onbescheit,
(85) Wanneer de Noemer zich laat hooren in een reden.
Men toets dit treurspel vry in zyne volle leden,
En gluure op ’t naauste of hier ook taalgebreken zyn
Die ’t stuk ontluisteren. doch geen spin zuige ook venyn,
Naar haren vuilen aart, uit leliën en roozen.
(90) Dit ’s ondiers eige werk. geen bloem ooit uitgekozen
Van ’t noestig bytje tot zyn honigs zoetigheit,
Bleef onbezwalkt van ’t gif dat d’angelsteek verspreidt.
      Zoo eere men de kunst daar haare straalen lichten.
Moet koper niet voor gout, glas voor den luister zwigten
(95) Des zuivren diamants? en of geen blinde ziet
’t Oneindig onderscheit: blyft glas en koper niet
Altoos de zelve slof, wier bleeke en flaauwe glanssen
Verschieten voor ’t gesteente? als, aan des hemels transsen,
De nachttoorts voor het licht der morgenzon verdwynt,
(100) En niet meer word gezien als ’t op den middag schynt?
Men pryze dan de deugt daar ze immer word gevonden,
En banne uit zyn gemoedt wat steeken kan en wonden
Een anders gave en kunst. men volge ’t redens licht.
Zo zienwe in Amstels kreits den zangberg haast hersticht
(105) In vollen luister. laat dan blinde mollen wroeten,
En graaven in den grondt, om eenig aas t’ontmoeten
Van naakte wormen, tot verzading van haar lust:
Men gunne haar die prooi, en houde zich gerust,
Dewyl zy nooit den top van Helikon genaaken,
(110) Noch ’t nat der hengstebron van Pindus toppen smaaken.
Geen arendt keert zich aan het vliegen van een mus.
Geen rustig man hoort meer naar ’t kinderlyk gesus
Van zyne voedsteren om hem in slaap te wiegen.
Wie doolen wil, hy doole, en laate zich bedriegen
(115) Door zinnelooze reên, en kieze zwart voor wit.
Eete ekels, lust ze hem, voor broodt. vertreede ’t pit,
En houde zich aan schaal en schorsse in taalgeleertheit.
      Doorluchte Griek, *
LONGYN, hoe geesselt gy verkeertheit,
In uw verheven boek van styls verhevenheit!
(120) O Spitsbroêrs, zoekt gy oit te worden opgeleidt
Tot hooger kennis en de kunst van wel te spreeken:
Leest, leest dien Redenaar, om eenmaal van gebreken
Gevaagt te zyn in styl, geloutert als het gout.
Zoo word Parnas in ’t end met luister opgebout,
(125) En hoeft de schouburg nooit voor ’t Fransch toneel te zwygen:
Maar zal, door u bezielt, meer glans en glory krygen,
Dan daar een laffe taal en vaatse rymery
Heerst in den heldentoon. als of een zoet gevry,
En teêre joffrentaal paste in den mondt der braven.
(130) Geen trom gelykt de veêl. het paardt moet rustig draaven,
En slaan zyn hoeve in ’t stof, en brieschen door de lucht,
Wanneer het in het heir hoort krygs-en moortgerucht,
Wanneer aan allen kant trompet en trommels raazen.
Een liedjestoon past wel by ’t klinken van de glazen,
(135) Maar niet by wapentuig en klatrend krygsmusyk.
Men loone vry die kunst met oude stoffe in ’t ryk,
Verheerlykt met het gout van lelien in ’t wapen.
Hoe groot *DESPREAUX ook zy, men moet zich niet vergaapen
Aan zyn fluweel gevlei, wanneer hy Vrankryks magt
(140) Verheft tot aan de lucht, en schimpende veracht
Den kloeken Batavier en zyne Bontgenooten.
Elk stuk heeft paal en perk. men hoort geen donderklooten
Ooit rollen door de lucht, dat alles beeft en kraakt,
En loeit, wanneer & zon met goude straalen blaakt.
(145) Men zoek’ dan houding in het tafereel te brengen,
En geenen baiert van wanstaltigheên te mengen,
Gelyk den ruwen klomp door Nazo uitgebeeldt.
Hoe schoon is ’t daar de kracht van licht en schaduw speelt,
Op voor- en achtergrondt, naar eisch van kunst en reden!
      (150) Maar, kunstgenooten, ’k schyn dus zelf hier t’ overtreeden
Den regel dien ik stelle en tot den hemel prys,
In dit myn lofgedicht dat niet naar Flakkus wys
En voorschrift schynt geschikt in wezen en sieraadjen.
Want, zeker, hier lykt visch geschildert in bosschaadjen,
(155) En aardtsch gedierte zich t’onthouden in de zee.
Men hoeft, op dat men net een lichaam siere en kleê,
Geen stukken lakens, maar.een kleen getal van ellen.
Hoe, zegtmen, koomt gy hier ons d’eigenschappen spellen
Der dichtkunde in ’t gemeen, daarge u bepaalen most
(160) Aan ’t puiktoneelstuk, daar Eneas is gedost
In ’t Frygiaansch gewaat; en Turnus, naar gebruiken
Der Rutelen gekleedt, moet door den werpschicht duiken,
Die hem zyn mingenoot dryft door de wapens heen;
Tot daar de Trooische vorst in zegepraal koomt treên,
(165) Met burgerhandtgeklap ter poorten ingelaaten,
Bestuuwt met lyfstaffiers en duizenden soldaaten,
In ’t koninklyke hof, daar hy Lavinia,
Zyn lieve zielvoogdes, tot bruidt verkrygt. waarna
De zwarte rougordyn wordt voor het oog geschoven,
(170) Wanneer Amate zich van ’tleven koomt berooven.
      ’k Zie dit, voor andren, zelf, doch ben niet buiten staat
Van myn verweering. want wat geeftmen dikwyls raadt
Aan vrienden, dien men zelf verwaarloost in’t betrachten!
Men ziet wel dat ik speel met vinding en gedachten,
(175) En met geen’ rechten ernst het wigtig stuk volding.
’t Was nimmer wraakbaar dat men veel verandering
Vondt in een schildery, naar kunst en verfschakeering.
Geen inslag is altoos het zelve met de scheering.
De zee bespoelt het landt daar groene boomen staan.
(180) Dit in een kunsttafreel te toonen, kan nooit schaân
Noch hindren aan het ooge in braave meesterstukken.
Men moer geen vrye kunst in harde banden drukken,
Die haar benaauwen en van haaren lossen zwier
Berooven. nergens dooft Horatius het vier
(185) Der vlugge geesten, daar ’t in heldre vlam aan ’t branden,
Op Febus outer blaakt, als geurige offerhanden
Van lndus specery, en vliegt door d’ope lucht.
      Wilt gy, o Dichters, dan ooit zien de rype vrucht
Van uwen arbeidt, volgt het spoor van ’t pronk der vaderen,
(190) In wien de dichtkunst zweefde als door het bloedt en d’aderen.
Zoo ryst de Poëzy, in ’t zuiver Neêrlands kleedt,
Zoo ver de zonnetoorts de hemelstreeken meet,
In haren snellen loop, en raakt nooit aan het quynens
Zoo lang Eneas zal op ’t schoutoneel verschynen.

                                                UIT.



Bijlage 2. Lofdicht van Halma op Eneas en Turnus in Rotgans’ Poezy (1714). KBH .

            OP HET TREURSPEL
                        van
            ENEAS en TURNUS,
            DOOR DEN HEERE
            LUKAS ROTGANS.


Nu zietmen ’t Schoutoneel met niewen luister blaake
      Daar Prins ENEAS zwaait het blanke krygsgeweer,
      En met het schittrend zwaardt heldt TURNUS gaat tekeer
Die in het vechtperk moet, doorgrieft, de ziel uitbraaken
(5) Dit toont den wisselval der aardtsche onzeekre zaaken
      Dit spiegelbeeldt verstrekt tot afschrik; en elks leer,
      Hoe zeer de minnenydt kan slypen dolk en speer;
Daar d’een of d’ander door moet in het voetzant raaken
      Hoe krachtig zietmen hier de driften afgemaalt!
      (10) Hoe flikkert hier het vuur dat uit de woede straalt,
Als blixemschichten door den donder voortgedreven!
      Des Dichters hooge geest munt in het Treurspel uit.
      Op ’t heerlykst schetst zyn pen ENEAS schoone bruidt:
Dies zal zyn naam altoos op Amstels schouburg leeven!

      Leewarden den 22                                            F. HALMA.
      van Herfstmaandt, 1714.