Andries Pels: Gebruik én misbruik des tooneels. Amsterdam, 1681.
Uitgegeven door drs. G.C. van Uitert
Red. dr. A.J.E. Harmsen, Universiteit Leiden
Facsimile bij Ursicula
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.

Continue
[
fol. *1r]

GEBRUIK

ÉN

MISBRUIK

DES

TOONEELS,

DOOR

A. PÉLS.

[Vignet: Nil Volentibus Arduum]

TE AMSTERDAM,

By ALBERT MAGNUS, op de Nieuwen Dyk, in den Atlas,
by Dirk van Hasselts Steeg. 1681.
Met Privilegie.



[fol. *1v: blanco]
[fol. *2r]

COPYE

Van de

PRIVILEGIE.

DE Staten van Holland ende Westvrieslandt doen te weten. Alsoo Ons vertoont is by eenige Liefhebbers van de Nederduytsche Tael en Poëzy, hoe dat sy al voor eenige Jaren, na het voorbeeld van de Italiaensche en Fransche Academien, t’Amsterdam opgerecht hadden, een Konstgenootschap onder de Prent en Sinspreuke van NIL VOLENTIBUS ARDUUM, waer in dagelijks gearbeyt was, en noch wiert, tot voortsettinge van onse Taal en Dichtkunst, gelijk ook al eenige werkjens, nu en dan daar van in ’t licht gekomen, en door den druk gemeen gemaakt waren; en dewyl van tyt tot tyt uytgeven souden worden grootere werken, die by dat Konstgenootschap, sommige reets gemaakt, sommige noch onder handen waren, waar toe het selve boven haar tyt en arbeyd, noch groote kosten tot den druk, en wat daar meer toe behoort, soude moeten doen, en vermits ook niet sonder grote reden gevreest wierd, dat al ’t gene van eenigh belang zynde, by het selve Konstgenootschap uytgegeven soude worden, aanstonts door andere soude mogen werden naargedrukt, en sonder eenige opmerkingh, veel min naauwkeurigheyt der Spelling oft nettigheydt der Tale, aan al de wereldt gemeen gemaakt, waar door het goede Insigt tot opbouwing der Nederduytsche Taale, ende voortsettinge van de welsprekentheyt in de selve verhindert, en de lust om daar in voort te gaan aan het voorseyde Konstgenootschap soude benomen worden: soo hadde sich het selve Konstgenootschap genootsaakt gevonden, om sich te keeren tot Ons, ootmoedelyk versoekende, dat het Ons gelieven mogte haar te begunstigen alle de werken, die uit het selve Konstgenootschap in ’t licht gebraght souden worden, met ons Octroy voor 20 jaren langh, en onder soodanige straffe tegen de geene, die deselve souden nadrukken, verkopen, oft elders naargedrukt, in dese Onse Provintie voeren om te verkoopen, als het Ons soude gelieven goet te vinden. SOO IS ’t, dat Wy, de Sake en ’t Versoek voorsz. overgemerkt hebbende ende genegen wesende ter bede van de Supplianten, uyt Onse rechte wetenschap, Souveraine macht ende authoriteyt de selve Supplianten geconsenteert, geaccordeert, en geoctroyeert hebben, consenteeren, accordeeren, ende Octroyeeren mits desen, dat zy geduurende den tydt van vyftien eerstkomende Jaren, de werken by het voornoemde Konstgenootschap onder den Tytul van NIL VOLENTIBUS ARDUUM gemaakt werdende oft alreede zynde, binnen den voornoemden Onsen Lande alleen sullen moogen drukken, uytgeeven ende verkoopen, ver- [fol. *2v] biedende daarom allen ende eenen yegelyken, de selve werken na te drukken, ofte elders naargedrukt binnen Onsen Lande te brengen, uyt te geven ofte te verkoopen, op de verbeurte van alle de naargedruckte, ingebraghte ofte verkofte Exemplaren, ende een boete van drie hondert guldens daar en boven te verbeuren, te appliceren een derde part voor den Officier die de calange doen sal, een derde part voor den Armen der plaatsen daar het casus voorvallen sal, ende het resteerende derde part voor de Supplianten. Alles in dien verstande, dat Wy de Supplianten, met desen Onsen Octroye alleen willende gratificeren tot verhoedinge van hare schade door het nadrukken van de voorsz Werken, daar door in geenigen deele verstaan, den Inhoude van dien te authoriseren ofte te advouëren, ende veel min het selve onder Onse protectie ende bescherminge eenig meerder credit, aansien ofte reputatie te geven; Nemaar den Supplianten in cas daar in iets onbehoorlyks soude mogen influeren, alle het selve tot haren lasten sullen gehouden wesen te verantwoorden, tot dien eynde wel expresselyk begeerende, dat by aldien sy desen Onsen Octroye voor de selve Werken sullen willen stellen, daar van geene geabbrevieerde ofte gecontraheerde mentie sullen mogen maken; Nemaar gehouden sullen wesen, het selve Octroy in ’t geheel, en sonder eenige Omissie daar voor te drukken, op peene van het effect van dien te verliesen. Ende ten eynde de supplianten desen Onsen consente en Octroye mogen genieten naar behooren, lasten wy allen* ende eenen yegelyken, dat sy de Supplianten van den inhoudt van desen doen laten ende gedogen, rustelyk, vredelyk ende volkomentlyk genieten ende gebruyken, cesserende alle beleg ende wederleggen ter contrarie. Gedaan in den Hage onder Onsen grooten Zegele hier aan doen hangen, den XV Maart, in ’t Jaar onses Heeren en Zaligmakers duysent ses hondert seven en seventigh.
A. Br. d’ASPEREN,
1677.           

Ter Ordonnantie van de Staten

HERBERT van BEAUMONT,   
1677.               
    Het KONSTGENOOTSCHAP heeft het récht van de bovenstaande PRIVILEGIE, aangaande HET GEBRUIK ÉN MISBRUIK DES TOONEELS, vergund aan ALBERT MAGNUS, Boekverkooper tót Amsterdam.

In Amsterdam den 2 van Sprókkelmaand, 1681.

Continue

[
p. 1]

GEBRUIK,

ÉN

MISBRUIK

DES

TOONEELS.

GElyk een Minnaar, van zyn’ Minnarés gescheiden,
Onweetend, waar zy is, én óf hy lang zal beiden,
Eer hy haar, die hém loont mét liefde, wéder ziet,
Eene onuitspreekb’re vreugd in zyne ziel geniet;
(5) Als hém een vader, óf een voogd van zyn’ beminde
Verzoekt by toeval, dat hy zich geneegen vinde,
Om tót gezélschap, tót vermaak, óf tydverdryf
Eens méê te trékken na de plaats van haar verblyf:
Mét éven zulk een’ vreugd, gepast op myn verlangen,
(10) Héb ik van hooger’hand de lieve last ontfangen,
Die my tot schryven noopt, waarin het goed, én kwaad,
Dat veele zéggen van het Schouwtooneel, bestaat.
[p. 2]
    ’k Héb lang die stóf doorzócht in veel’ verachte boeken,
Hoewél hoognoodige, én gevonden na lang zoeken,
(15) Waar ’t schuilde, dat het meeste, én zélfs het béste deel
Der ménschen in déze eeuw zo tégen het tooneel
Gekant is, daar altyd de meesten, én de bésten
Zo vérr’verschillen; én ’k bén bly, dat ik ten lésten
Het goed geluk héb aangetroffen om ’t gemeen
(20) Myne ondervinding méê te deelen, én mét één
Te toonen, dat de tyd, die daarin is versleeten,
Heel wél besteed, én niet onnut verspild moet heeten.
    Niet min verheugt me, én veel’ zeer eerelyke liên,
Mét my voor zótten van liefhébbers aangezien,
(25) Dat déze ontvouwing, aanbevolen myner pénne,
Ontdékken zal, dat ons de waereld béter kénne;
Want zéker zyn wy mét de meeste ménschen in
Eene and’re, wy zyn mét de béste in ééne zin;
Omdat de béste alleen het Schouwtooneel verachten
(30) Om ’t Misbruik, én de meeste, omdat men hunn’ gedachten
Heeft ingenomen mét vooroordeel, dat geen goed
Kan zyn in zaaken, daar men zich voor wachten moet.
    Die zich voor ’t vuur niet wacht, zal zich éléndig branden:
Men wachte zich niet van het water, heele landen
(35) Zal ’t maaken tot eene ongemeeten’ waterplas;
Gelyk ’t verwaarloosd vuur légt heele stéên in de asch.
En ’t één, én ’t ander heeft Natuur ons niet gegeeven
Tót ons vermaak, maar is noodzaaklyk in dit leeven.
De wyn, die ’t lichchaam heelt, én vreugd wékt in de geest,
(40) Verschépt ons, wacht men zich daar voor niet, in een beest.
Der dingen nut, én waerde is in ’t gebruik; daartégen
Der dingen schade, én schande in ’t kwaad gebruik gelégen.
Dus geeft het goed Gebruik, óf ’t Misbruik ook geheel
De lóf, óf laster aan het Schouwspél, én Tooneel.
[p. 3]
    (45) En was het Schouwspél door een langzaam aangewénnen
Van kwaade zéden (’t wélk ik gansch niet wil ontkénnen)
Zo zeer misbruikt, dat élk daar op mét réden schéldt,
’t Was dan hoognoodig, dat het éndlyk wierd herstéld.
    De réden nu van dat mispryzen, van dat pryzen,
(50) En die hérstélling is myne inzigt aan te wyzen.
    ’k Voorzie wél, dat ik in zo nét’lig een geval
Bespótting, ondank, én verwyt behaalen zal
In veeler licht geraakte, én onbezonnen’ zinnen,
Zo wél die ’t Schouwtooneel verachten, als beminnen.
(55) En dat ik, ’t zy ik voor, óf tégen ’t Schouwspél spreek,
Myn stoute hand, als in een vat vol add’ren steek,
Wier bitse tanden (want het is dien beesten eigen)
My mét gevaarelyke, én doodsche beeten dreigen;
Maar ’k stél me heel gerust, dat geen vergiftig dier
(60) My kan beschadigen mét zyn besméttend vier;
Wanneer het myne hand door Heeren vind bezwooren,
Tot rédders van ’t verval des Schouwtooneels verkooren.
    Wat is tóch pryzselyks in eenig ander slag
Van dichten, ’t geen men niet van ’t Schouwspél zéggen mag?
(65) Is niet in ’t algemeen het inzigt, om de zéden,
En taal te schaaven door optooijen van de réden
Mét ongewoone zwier van zéggen, maat, én trant?
Ja komt het Schouwspél niet mét récht de hooge hand
Van alle dichten toe? dewyl’t, mét persoonaazjen
(70) Vertoond zynde op naar eisch beschilderde stéllaazjen,
De zaaken nétter, én natuurelijker drukt
In ons gemoed, én ons veel héviger verrukt?
O ja, voorzéker, én het is daar voor by de Ouden
Van alle landen, van alle eeuwen ook gehouden;
(75) De réden, dat het zo genadiglyk bestraald,
En overminlyk van de Grooten is onthaald,
[p. 4]
Niet min in tréffelyk gestélde Républyken,
Als by de Koningen, én in de Koningryken.
Want waar is land, indien men ’er sléchts ménschen vindt,
(80) Hoe wild zy zyn, daar niet de dichtkunst wordt bemind?
En waar is dichtkunst ooit gekweekt, daar boven allen
Tooneelstóf niet en heeft aan oog, én oor gevallen?
Haar’ waerdigheid, én nut is tót aan ’s waerelds énd;
Haar’ oudheid van ’t begin der eeuwen af bekénd.
    (85) Ik zwyg van Arabiers, Egiptenaars, Chaldeeuwen,
En and’re fakkels, én voorgangers der Hebreeuwen;
Ik zal eerbiediglyk voorbygaan, dat profeet
Ezéchïél ook is geweest Tooneelpoëet,
En de uittógt van Góds vólk heeft spélsgewijs beschreeven;
(90) Ik zal het Hoogelied van Salomon, nóch ’t leeven
Van Jób aanroeren, schoon het beide op zulk een voet
Omtrént gestéld is, als men een’ Tooneelstuk doet.
Het voegt niet diergelijk een’ stóf te pas te bréngen,
Om niet het heilige in ’t onheilige te méngen,
(95) ’t Moet ons genoeg zyn, dat we alleenlyk de oorspronk van
Het Schouwspél trékken uit het geen men weeten kan
Van Grieksche Schryvers, én Latynsche; én dat we ons houden
Aan die voortréffelijke, én onnavólgbaare Ouden.
    Men zégt van Théspis, dat hy de eerste een zéker slag
(100) Van Treurdicht, onbekénd voorheen, op wagens plag
In alle plékken van zyn’ landstreek om te voeren;
En, zynen speeleren ’t gelaat mét roode moeren
Van wyn vermommende, zyn vaerzen zingen déê,
En spreeken. Aeschylus bouwde eene vaste stéê
(105) Op lichte balkjens, én was vinder van tooneelen,
Van gryns, én kleeding, én hoogdraavendheid in ’t speelen.
Op wélke voet de hooggeschoeide Sophoclés,
En néffens hém de nét bespraakte Euripidés
[p. 5]
Het Schouwspél zulk een’ lóf, én luister déê verkrygen,
(110) Tót zulk een’ hooge trap van eere, én aanzien stygen,
Dat by den ouden Griek een’ welgeboor’ne ziel
Dier mannen lés voor wét, én spreuk voor Gódspraak hiel.
Want zy mét déftige voorbeelden, héchte réden,
En aangenaame styl veele ongerégeldheeden,
(115) En tógten ten gemoede uitdreeven, niet op de één,
Of de ander mikkende; maar ’t was in ’t algemeen
Uit éd’le drift, om élk te leeren, én believen,
Als zy de deugden tót de hémel toe verhieven,
En de ondeugd vloekten. Zo déde Epicharmus in
(120) Zyn’ spélen méde, aan wien men de oorspronk, én ’t begin
Van ’t Blyspél toeschryft: want al schérsend zonder steeken
Wist hy der burg’ren kwaâ gewoontens, én gebréken
Met groote vrucht, én vreugd op ’t Schouwtooneel ten toon
Te stéllen zonder eens byzond’ren haat, óf hoon.
    (125) Maar al te haastig is dat goed Gebruik vervallen;
En meest in Blyspél, daar men onder schyn van mallen
In ’t eerst wél wat bedékt, én duister; dóch daar naar
Malkand’ren mérkte, óf noemde, én schond in ’t openbaar.
En ’t had nóch lydelyk geweest, waar’ ’t sléchts gebleeven
(130) By hén, wier érgerlyk, én buitenspoorig leeven
Om ’t kwaad gevólg aldus wél waerdig wierd bestraft:
Want nimmer heeft de Griek behoorlyk raad geschaft
In kwaade zéden; zo als naderhand te Romen,
Om ’s vólks baldaadig, én woest leeven in te toomen,
(135) Gebeurde; daar heel wél, én wyzselyk de wét
Op alle uitspoorigheid Tuchtmeesters heeft gezét.
Maar ’t zy ’t hier haperde aan der laat’re dicht’ren krachten;
Of goede neiging, om door deugd na kunst te trachten;
Het zy ’t geschied is uit byzond’re haat, óf wraak,
(140) Of lichtelyk ter gunst van ’t graauw, dat mét vermaak
[p. 6]
Zyne overheeden op het schérpst hoort overhaalen;
Geen ampt, geen’ deugd ontwies der schouwspéldicht’ren smaalen.
De Héld Périclés, én de dapp’re Brasidas,
Schoon élk zyns vaderlands behoud, én luister was;
(145) De wyze Euripidés, ja Socratés, dier tyden
Deugdspiegel, én sieraad; zy moesten alle lyden,
Dat in het openbaar hunn’ naam geschandvlékt is
Door Aristophanés, Cratinus, Eupolis,
En and’re; wélke smét, licht nooit weêr uit te wryven,
(150) Nóch kleeft in ’s vólks vermoên op all’, die dichten schryven.
    Toen ’t Misbruik évenwél zo hoog liep, vond men goed
De maat te stéllen aan dier dichtr’en overmoed.
Want alle schriften, daar byzond’ren zich beleedigd
In vonden, moesten door den schryver zyn verdeedigd
(155) Voor bank, én réchters; én wie geen voldoening gaf
Aan zynen daager, kreeg stókslagen tót zyn’ straf.
Ja, ’t geen wél anders door de waereld heeft geklonken,
De dichter Eupolis wierd in de zé verdronken
Door Alcibiadés, én and’re, wélker faam
(160) Hy had bezoedeld door het schénden van hunn’ naam.
    Dus kwam ’t, dat naderhand geen spélen, als voorheenen,
Van waare, óf kortelings gebeurde stóf verscheenen;
Maar dat de Treurstóf uit aaloude boeken wierd
Gehaald, én ’t Blyspél uit des dichters brein verzierd.
    (165) En échter kon men ’t na dier tyden luim niet passen,
Zo hévigh was de haat op ’t schimpschrift aangewassen.
Indien in ’t algemeen eene ondeugd wierd gedoemd
In ’t Spél, schoon niemand wierd gemeend, veel min genoemd,
Eens ieders érgwaan, én voornaamelyk der Grooten
(170) Misduidde dat, als óf ’t op hén was uitgeschooten;
Elk, óf om zynent wil de stóf wierd uitgekipt,
Als hy maar ’t minste mét die misdaad was behipt.
[p. 7]
    Dus ging door ’t Misbruik van het Schouwspél, ’t geen te vooren
De zweep der ondeugd was, ook ’t goed Gebruik verlooren;
(175) Toen alle nuttigheid, als noodeloos, veracht,
En meest om ’t vólk vermaak te geeven wierd getracht;
Wélk oogmérk, wélke wys der Grieken de Latynen
Geheellyk vólgden, toen zy hunn’ tooneelgordynen
Opschooven. ’t Schémpen op byzond’re wierd gedémpt,
(180) Ten minsten zélden, én zeer maatiglyk geschémpt;
Tót dat de Eénhoofdigheid te Rome wierd herbooren,
De Burgermeester zyn hoog aanzien had verlooren,
En sléchts de naam behield. Want onder de opperdwang
Der Keizeren raakte alle uitspoorigheid in zwang;
(185) Geen onbeschaamdheid, die mét woorden, én mét wérken
Op ’t vuilst niet wierd gepleegd, én buiten alle pérken,
En paalen spatte; geen beschimpen, hoe ’t ook neep,
Of ’t stond den Speeler vry, indien een woord, een’ greep,
Een’ kwinkslag, óf grimmas den Hóve sléchts behaagde.
    (190) Maar ’t geen het Schouspél heel veracht maakte, én verlaagde,
Was de ongehoorde slag van wreedheid om ’t vermaak
Der Grooten ingevoerd; want zo vérr’ was de smaak
Dier kunst vervallen by Domitianus tyden,
Dat een misdaadiger, die straf voor schuld moest lyden,
(195) Op ’t Schouwtooneel, in plaats van ’t openbaar Schavót,
Verscheurd wierd van een’ beer op ’t Keizerlyk gebód.
    ’t Is dan geen wonder, dat de Gódgeleerde vaders
Der eerste Kristen’ Kérke in hunn’ gewyde bladers
Zo hévig het Tooneel na keurig onderzoek
(200) Verdoemden, ’t Spél den vólke afmaalden, als een vloek.
Want zo de Heiden zélf die gruuwelschool moest laaken
Na réden, hoe veel meer moest haar een Kristen wraaken;
Dewyl geen Schouwspél ooit vertoond wierd, óf ’t was in-
Gestéld ter eere van een’ dartele Gódin,
[p. 8]
(205) Of dronken’ Gód op hunn’ verdoemlijke ófferfeesten;
Daar al’ die wilden, als onrédelyke beesten,
In volle vrijigheid hunn’ wéllust pleegden mét
Gehuurde vrouwen op het wullepsch feestbankét.
Tót wélk een einde (ô schrik!) die lichtekooijen zaten
(210) In ’t spél op ’t voortooneel, om geil, én uitgelaaten
Hunn’ waar te veilen, én te vénten na het spél,
Als óf het gódsdienst waare, én bovenaardsch bevél.
    Zo dat de kunst door die wanórde is ondergraaven
Van tyd tót tyd; én de éêlste, én lóffelykste gaaven,
(215) Zo van wélspreekendheid, als stichting, zyn veracht;
Ja haar Gebruik in ’t énd geheel tót niet gebragt,
En diep gedompeld in vergeetelheid, toen Romen
Van Hunnen, Gótten, én Wandaalen ingenomen,
Door zyne onachtzaamheid, én eigen’ schuld bezweek,*
(220) En naauw de schaduw’ van oud Romen meêr geleek.
Toen alle kunsten door dat woeden, én vernielen
In Romens zwaare smak gelykelyk vervielen.
    Tót eindelyk het spél ’t hoofd wéder boven stak
Na meer dan duizend jaar verloopen’ tyds; én strak
(225) Omhélsd wierd, én onthaald, voornaamelyk in landen,
Die overvloeiden van doorluchtige verstanden;
Waar onder Néderland geen and’re landen wijkt,
En zich mét réden by de béste vergelykt
In liefde tót de kunst. Is buiten tégenspreeken
(230) Onze aangeboorenheid tot dichten niet gebleeken
By de oude Bélgen, eer eens Batoos krygsbannier
Was opgerécht, en wy de naam van Batavier
Ontfingen, in de fél aanhitsende oorlógzangen
Der Barden, voor den slag gezongen, én ontfangen
(235) Met groote eerbiedigheid, gelyk te dézer tyd
Een moedigend gebéd in ’t aangaan van een’ stryd?
[p. 9]
    Ja zonder hulp van die Batavische Poëeten
Was ménig duistere eeuw nu heel, én al vergeeten
In ’s lands geheugboek; én een’ groote schat gemist,
(240) Die sédert uit de stroom dier zangen is gevischt.
Want ieder zong ze, ’t oudste aan ’t jongste kind, de vader
Den zoon, die and’ren voor; dus kroop het voort, én nader,
En nader, was het iets onthoudens waerd, iets raars,
Van hand tót hand, op onze oudoverbéstevaârs.
    (245) Die hulp déê Mélis Stókke in zyne Rymkronyken
Zyn’ mag’re stóf mét kleine omstandigheên verryken;
En dag’lyks zingt men op der oude Barden trant
Nóch liedekens van de oude, én jonge Hillebrand,
Van Vélzen, Rypelmonde, én Raaphorst, én van Gélder,
(250) En Heeroom Knélis, by de boeren klaar, én hélder,
Luidskeels ter borst uit mét een bly, óf droef gelaat,
En vreugd, óf aandacht na de stóf, daar ’t lied op slaat.
    Dus bleek, al waaren ze ongeoeffend in geschriften,
Der Bélgen liefde tót de Dichtkunst in de driften
(255) Van ’t snédig brein, dat sint, van tyd tót tyd gestérkt
Door de oeff’ning, mét meêr vruchts gespeeld heeft, én gewérkt.
    Om wélke drift zo wél, als héldenmoed te wétten,
En kunst, én wapens beij gelyklyk voort te zétten,
De Landsheer groote, én veel’ voorréchten toegestaan,
(260) En mild geschonken heeft aan zynen onderdaan;
Als blykt op Doelens, én op Rédenrykers kamers.
Ook was’er in die tyd niet noodigers, bekwaamers,
Nóch aangenaamers voor hét jong Batavisch bloed,
Dan déze prikkeling van geest, én héldenmoed.
(265) En, schoon de Doelens, om byzond’re groote réden,
In ’t énd vervallen zyn mét wil der Overheeden;
Den Rédenrykeren is ’t échter nooit belét
Hunn’ kunst te kweeken, nóch de voet hén dwars gezét.
[p. 10]
    ’t Is ook verwonderlyk, wat weelderige looten
(270) Die konst van ’t aanbegin door Hólland heeft geschooten.
Een’ groote lyst, die in de séstig kamers méldt,
Elk mét zyn’ zinspreuk, én blazoen, daar by gestéld,
Kan nóch de Kamer van de Wyngaardranken toonen
Te Haarlem. ’t Scheen schier, óf een’ stad zich zélf wou hoonen,
(275) Die niet een’ kamer stichte, én somtyds twé, óf meer;
Zélfs ménig vlék, ja dórp begeerde deel aan de eer.
    Dies déze kamers, die der Grooten gunst verkreegen,
Om haar’ vermaakelyke uitwérking, immer steegen,
En éndlyk pronkten mét eene ongemeene pracht,
(280) Die klaar te kénnen gaf der vólk’ren weelde, én magt.
    Maar sint ’s Lands hoofdgezag aan buitenlandsche Heeren
Verviel, én ’t meeste vólk straks oversloeg tót leeren
Van ’s Vórsten taal, om zich te wikk’len in zyn’ gunst,
Verviel de Duitsche spraak, de grondsteen dézer kunst.
(285) Dus zyn, als ook door ’t vuur der inlandsche Oorelogen,
De Rédenrykers, én hunne oeff’ning meest vervloogen.
    Niet zonder vrucht nóchtans zyn ze ingevoerd geweest.
Want sint onweetendheid zich meester van de geest
Der stoute Paapen maakte, én de onomzétb’re zinnen,
(290) Verpaft van weelde, déde alle overmoed beginnen;
Sint dat zy, zórgeloos, gewapend mét de vloek
Der kérke, ’t vrouwenvleesch meer handelden, dan ’t boek;
En ’t halsgevaarlyk was zich tégen déze kwanten,
Hoe lós, én lasterlyk zy leefden, aan te kanten;
(295) Behaalde een schérsend woord, dat punt had, meerder prys,
En wérkte krachtiger, dan réden, óf bewys.
    Dit eenig middel, om de dofste geest te noopen,
Deed veelen simpelen de onnozele oogen open,
En twyff’len, óf hunn’ leer ook mét de waarheid stréê,
(300) Gelyk hun leeven mét een heilig leeven déê:
[p. 11]
Zo dat de lust om deugd, én waarheid te onderzoeken,
Uit schérserijen, én zinspélen, in de boeken,
Door Rédenrykers meest beschreeven, eerst bestond,
En schielyk voortsloeg op die eerst geleide grond.
    (305) Toen nu Duk d’Alve in déze, als and’re in veel’ gewésten,
Daar Spanje heerschte, dacht zich zélve vét te mésten,
En de onbesnoeide magt van opperdwingelandy
Door inkwisitie, én uitheemsche paapery,
Om ’t vólk te mommen, óf verschrikken, in wou voeren;
(310) Vond hy die slaaven niet; maar vólk, in schyn van boeren,
Dat zyne vryheid alzo wél mét tong, én taal
Kon staande houden, als beschérmen door het staal.
    Niet min bedroogen was dat boeveschuim der Paapen,
Die domme harders, veel onnoz’ler, dan hunn’ schaapen,
(315) Die hunne kudde in plaats van vétte klaverwey
Verleid’den op een’ dórre, én afgezéngde hey;
En, mét haar’ mélk, én wol nóch niet te vréden, vilden
Zo veele schaapen, als verblind hén vólgen wilden.
Dat toen de vrye hals ons niet is ingedrukt,
(320) En ’t euvel opzét den gewéldenaar mislukt,
Déswégen deelen diep in de eer de Kameristen;
Die door uitgeevingen van raadsels, én betwisten
Van zinnespreuken, slaande op gódsdienst, op geloof,
En vryheid, ’t sléchste vólk, voor and’re leering doof,
(325) Der Paapen droom, én ’t hoofsch wywater déên verwérpen,
En tót beschérming van zich zélf hunn’ zinnen schérpen;
Dewyl ’t bevatten van het naakend kwaad élk één
De ziel moest nypen, eer men ’t saamen zou vertreên.
    De Rédenrykery was échter ongesleepen
(330) In taal, én styl, al had zy fraaije zinnegreepen;
En zo de Kamer van onze Amsterdamsche maats
De Bloeijende Eglentier op hunn’ vergaderplaats
[p. 12]
In Liefde Bloeyende der and’ren lang verzuimen
Om basterdwoorden uit hét Néderduitsch te schuimen
(335) Niet lóflyk had geboet mét groote zórg, én vlyt;
Hoe was de spraak? waar was de Dichtkunst nu ter tyd?
De Néderlandsche Maagd heeft niemand dank te weeten,
O Amsterdam, dan uw’ doorluchtigen Poëeten,
En zuiv’ren schryv’ren, dat zy, treedende onverminkt
(340) In hooge laerzen, zich laat hooren, dat het klinkt,
In haare moedertaal, én dat ze zich durft roemen
Met eigen’ woorden al, wat weezen heeft, te noemen;
’t Geen Engeland, nóch Spanje, Itaalje, Portugaal,
Nóch Vrankryk doen kan, dan mét hulp van vrémde taal.
    (345) Ook waaren ’t gaauwe, én doorgeleerde Létterhélden,
Die zulk een’ braave wys op déze kamer stélden;
Als Spiegel, Korenhart, én Visscher, liên van eer,
En achting, néffens veele aanzienelyke meer;
By wélke, als léden, zich te voegen niet versmaad’den
(350) Vyf Burgermeesters, én een groot getal van Raaden,
En Schépens; de allergrootste, óf de eenigste oorzaak licht,
Dat hier eene oeffenplaats der dichtkunst blyft gesticht:
Daar de and’re Kamers, door hunn’ schuld tót niet mét allen,
Of, nóch veel slimmer, tót bierbanken zyn vervallen;
(355) Misbruikende érgerlyk een voorrécht, aan de kunst
Alleen geschonken door der Overheeden gunst:
Terwyl onze Amsterdamsche érvaar’ne Konstgenooten
De taal, én dichtkunst, als op nieuw uit hén ontsprooten,
Bebouwden, lichtende, als een’ héld’re fakkel, voor;
(360) Of hén de aankomeling wou vólgen op dat spoor.
    Gelyk niet weinige, op hét voorbeeld van die mannen,
Betoonden mét hunn’ kracht, én yver in te spannen,
Om uit te steeken in de dichtkunst. Breêroôs geest
Is door die broederschap eerst opgewékt geweest;
[p. 13]
(365) Een geest, wiens wédergade in schérts, én boertigheeden,
Nabootzende de zwier van de oude platte zéden,
En de onbeschaafdheid van de straattaal te Amsterdam,
Nooit voor hém is geweest, óf sédert na hém kwam.
    ’t Verstand van Kóster is op ’t zélfde spoor gebleeken
(370) In zyne ronde styl, én zuiver Néêrduitsch spreeken.
    Ook hy, die, als een zon, alle ander licht verdooft,
Dat Hoofd der dichteren, de Dróst, de Ridder Hoofd,
Van geenig Létterhéld ooit uit hét véld geslagen,
Maar die de Lauwerkrans altyd heeft wéggedraagen;
(375) Die, van Apól alleen voor échten zoon érkénd,
Mét hém onstérffelyk zal zyn tót ’s waerelds énd;
Wiens pén in alle slag van schryven alle pénnen
Géwend was vérr’ voorby, én uit het oog te rénnen;
Wien ’t niet verscheelde, óf hy geschiedenissen, óf
(380) Staatkunde voorhad; die zo wél in taal, én stóf
Van érnst, én boert, als dicht, én ondicht was érvaaren;
Die Leidstér, dat vermaak van dicht’ren, rédenaaren,
En schryveren hield in zyn’ jonkheid zich vereerd,
Dat hy een lid was van zo déftig, én geleerd
(385) Een Konstgenootschap; ’t geen een’ dichtbrief klaar doet blijken,
Die hy der kamere door wydgescheiden’ ryken
Zond uit Florénsen tót bewys, dat zyne lust
Door vérgeleegenheid, nóch afzyn wierd gebluscht.
    Dit voorbeeld prikkelde de nimmer slaapende yver
(390) Van onzen déftigen gedicht-, én treurspélschryver
Den grooten Vondel, die de taal, wat hard én wreed
In Hoofds gedichten, zo beschaafd heeft, én versmeed
In styl, én schikking, dat hy grootsch, dóch ongedwongen,
En zonder lafheid vloeit, én rólt op alle tongen;
(395) Ja haar, gantsch ryklyk van den Ridder overstrooid
Mét pronksieraaden, zo bekoorlyk heeft voltooid,
[p. 14]
Dat zy, al raakt ze eens wéêr aan ’t kwynen, ja verlooren,
Heel lichtelyk uit Hoofd, én Vondel wordt hérbooren.
    Dóch alles heeft, zo ’t schynt, zyne op-, én ondergang,
(400) En déze Kamer van Liefd Bloeijend, schoon ze lang
’t Hoofd lófflyk boven hield, kon éndlyk, door ’t benyden
Eens nieuwen kamers, haar’ vernietiging niet myden;
Maar ’t was haar voordeel, én mét luister; mits de twist
Door Burgermeesters wierd bemiddeld, én geslist;
(405) Die, ziende aan élk een’ zy uitmuntendheid van gaaven,
Met réden hoopten uit het brein van zo veel’ braaven
Een’ vaak verwórpene, dóch onwaardeerb’re schat
Van leering, én vermaak te trékken voor hunn’ stad.
Dés zy vergunden aan de Weezen, én aan de Ouden,
(410) Dat hunn’ Régénten een’ vermaarde Schouwplaats bouwden,
Om die gelykelyk in min te doen bekleên
Van beij die kamers, nu vereenigd, én in één
Gesmolten; opdat élk, in plaats van ’t wéêrzydsch hoonen,
Om ’t bést zyn’ spélen aan den vólke zou vertoonen.
(415) Want aller dicht’ren drift bestond alreê geheel
In ’t wél vertoonen van een Spél op ’t Speeltooneel;
Om hunn’ gedachten door het oog, én oor te drukken
In ’t hart, én héviger de zielen te verrukken.
    En zéker toen de kunst door zulke schryvers wierd
(420) In tóp gehéven, én zo plégtiglyk gevierd;
Was ’t wél behoorelyk een nieuw gebouw te stichten,
Daar haare straalen vérre, én hélder mogten lichten;
Gelyk men ook ’t besluit mét billyke yver nam,
Tót luister, tót vermaak, én nut van Amsterdam;
(425) En aan Van Kampen, die de kroon te dier tyd spande
Van alle érvaarene Bouwmeesters hier te lande,
De zórg der Bouwkunst liet bevolen; die het wérk,
Schoon klein van omtrék, groot, én wyd, gelyk een’ kérk,
[p. 15]
Déê schynen; én ’t gemak zo mét de wélstand paarde,
(430) Dat dit gebouw, versierd mét zulk een’ pracht, én waarde,
Gelyk zo braaf een’ kunst, én groot een’ stad betaamt,
Een meesterstuk verstrékte, én Schouwburg wierd genaamd,
    Schoon déze plaats niet lang is in die stand gebleeven;
Maar door al te yverige onkunde, én onbedreeven’
(435) Opzieners, om het onbeweegchelyk tooneel
Te doen beweegen, én Italïe in dat deel
Te vólgen, mét zeer groote onkósten is vertimmerd,
En niet verbéterd, maar érbarmelyk verslimmerd.
Daar mét het vierde deel van dat verspilde géld
(440) De Schouwburg, waar ’t bewind aan kunstenaars bestéld,
Die ’t wérk verstonden, viermaal béter was te bouwen
Zo wél voor ’t speelen, als voor ’t hooren, én beschouwen,
Met stóffen, als onnut verwórpen toen ter tyd,
Die nu nóch door haar’ kunst, d’onweetendheid ten spyt,
(445) Hoewél ’t maar brókken zyn, getoogen uit het duister,
Het hédendaagsch Tooneel nóchtans een’ groote luister
Byzétten, én ons klaar doen zien, hoe’t oud gebouw,
Waar’ ’t nóch in staat, dit nieuw vérre overtréffen zou.
    Dit was het strydpérk der Néêrduitsche Létterhélden,
(450) Daar Burgermeesters toen zés Hoofden over stélden;
Wier waare pligt niet was alleenlyk gaâ te slaan
Der armen voordeel, als een’ zeer verkeerde waan
Van min doorzichtige aan het vólk wil doen gelooven;
O neen, de pénningen, die de armen trékken boven
(455) De onkósten, die men doet, én doen moet, zyn alleen
Een’ toegift, ’t zy de plaats veel voordeel heeft, óf geen.
Het inzigt is om ’t goed te kweeken, ’t kwaad te hind’ren,
Mét aan der édelste, én voornaamste burgr’en kind’ren,
Waar uit ge, ô Amsterdam, uwe Overheeden wacht,
(460) (Wat jammer, wierden zy niet deugdig opgebragt!)
[p. 16]
Een leerzaam tydverdryf in de uchtend van hun leeven,
Als hunn’ verkiezing zo gevaarlyk is, te geeven;
En hén te lókken na ’t vermaak van ’t Schouwtooneel
In plaats van wyngelag, van tuischbank, óf bórdeel.
    (465) Der armen voordeel, daar toevallig by gekomen,
Dient eerst daarna, én niet vooral in acht genomen;
Hoewél ’t mét kunst, op deugd gegrondvést, meerder wordt
Bevórderd, als wanneer daar kunst, én deugd aan schort.
    ’t Was dan hunn’ pligt vooral op ’t inzigt wél te létten,
(470) De Néderduitsche taal, de zéden voort te zétten;
En mét voorbeelden van een’ burgerlyke deugd,
En leeringen ’t gemoed van de onérvaar’ne jeugd
Te leiden; hén de lust van ’t vólgen in te schérpen;
En hunne tógten aan de réden te onderwérpen.
    (475) Tót wélk een einde, én wél mét voordacht, wierd gezét
Déze altyd noodige, én uitdrukkelyke wét;
Van alle spélen, die na muiterijen smaakten,
En die maar eenigsins de Staat, óf Kérke raakten,
Gansch geen gezindheid uitgezonderd, af te slaan;
(480) Geen schimp, óf laster op byzond’ren toe te staan;
Als ook lichtvaerdigheid op ’t Schouwtooneel te bréngen
Geensins in woorden, óf in wérken te gehéngen.
    Maar óch, hoe weinig is op ’t réchte wit gelét!
Hoe armelyk zyn taal, én zéden voortgezét!
(485) ’t Is waar, dat Staat, nóch Kérk die aanstoot heeft geleeden,
Die de eene, én de and’re door der dicht’ren vinnigheeden
In Palamédes, én Iphigenia léê
Op de oude kamer; óf ’t zy in een’ plaats, óf twé
Van twintig régels in Andronicus, die de yver
(490) Der stoute, én ruuwe pén van dien befaamden schryver
Uit Palamédes, én Iphigenia maait,
Daar méê hy de akker van zyn raasend spél bezaait.*
[p. 17]
Ook zouden veele uit Maz’ Anjéllo wél besluiten,
Als óf ’t een’ stóf was, om den onderdaan tót muiten
(495) Te bréngen, én te meer, omdat het wierd vertoond
Voor de eerste maal, zoals (én ’t was nóch geen gewoont’)
Het honderdpénninggéld in Hólland wierd gehéven:
Maar ’t is te onkunstig én te érbarmelyk beschreeven,
Nóch ’s dichters doelwit, die sléchts toeging stout, én lós
(500) Op ’s meesters voorbeeld, om, als leerling van Jan Vós,
Met weidsche opsnijery van woorden, én met prullen
Van ballingskóppen ’t oor, én oog des vólks te vullen;
Zo dat men zéggen mag de Staat te zyn verschoond,
Ten minsten, dat zy niet opzétlyk is gehoond,
(505) Om ’t vólk tót muitery, én oproer te beweegen;
    Maar mét de Kérk is ’t op eene and’re wys gelégen;
Want, zyn de Leeraars, óf ’t Geloof niet régelrécht
Bevochten, ’t is ’er van ter zyde op aangelégt.
De smét des Schouwtooneels, die de eerste Kristen’ tyden
(510) Zo hévig doemden, én nooit hébben willen lyden,
En die de Kérk nóch nu, nóch nimmer lyden kan,
Te weeten, dat het Spél een groot gedeelte van
De Gódsdienst maakt, is daar nóch lang in zwang gebleeven.
    Ik mérk my wordt van de één, óf de ander toegedreeven,
(515) Die my verkeerdelyk, óf ganschlyk niet verstaat;
Hoe, spreekt ge nóch van die verkeerd gegronde haat?
Beweert ge, dat mét récht van Gódgeleerde mannen
Dat eerlyk tydverdryf het Schouwspél wérd’ verbannen,
Om de euv’le gruuw’len, óf om de ongebondenheid
(520) Der Heidenen? Wordt ons hunn’ schuld te last geleid?
Wilt ge over ons, én hén het zélfde vonnis strijken?
Kunt ge ons Tooneelspél by Afgódendienst gelyken;
Omdat men alteméts een Mars, een Jupitér,
Of Pallas invoert op een Schouwtooneel? ’t Is vérr’
[p. 18]
(525) Gezócht. Wie twyfelt, óf die geestige verziering
Der oude Dicht’ren strékt alleenlyk tót versiering
Der Spélen, niet tót leer van Gódsdienst, óf Geloof,
Opdat zy de eerbiede in de Kristenen verdoov’.
Is dat niet last’rens waard, dat veel’ veranderingen
(530) Van ’s waerelds wond’re loop ons tot bespiegelingen
Op wékken, én lydt gy die op een Schouwtooneel?
Waarom mispryst gy het Tooneelspél in dat deel?
Waarom benydt gy aan ons Néêrland, dat geen landen
Rondom ons wykt in tal van vruchtbaare verstanden,
(535) Die dart’lende oeffening der lieve Poëzy,
Of waarom bant ge’er niet alle and’re dichten by,
Daar zulke Góden meer in vloeijen, dan in Spélen?
Voorwaar u schynt alleen een’ vryheid te verveelen,
Die and’re pryzen, die in alle land, én taal
(540) Volop gebruikt wordt van de dichters al te maal.
Die wys van Spélen dan, in steê van dat daar gróflyk
In zou gemist zyn, in het tégendeel is lóflyk.
    ’k Bekén ’t; maar wist wél, dat men my niet récht verstond.
’t Berisplyk Misbruik spruit heel uit eene and’re grond.
(545) Men mag wél, zonder in het minste een teer geweeten
Te kwétzen, de oorlóg Mars, de zon Apóllo heeten.
Dat raakt geen Gódsdienst, én ’t komt in een Tusschenspél,
Of Voor-, óf Naspél vaak behoorelyk, én wél,
Om zinnebeeldelyk veel’ dingen uit te léggen.
    (550) Maar, valt hier op, gelyk als ’t waar is, niet te zéggen,
Hét Schouwtooneel nóchtans is zo onschuldig niet,
Nóch zuiver; is ’er geen Afgódendienst geschiedt,
Verkeerde Gódsdienst is niet zélden daar geleeden.
Het zy by Badelóch Broêr Péter zyn’ gebéden,
(555) Tót Gód gericht, mét zulk een ’taal, én yver stort,
Dat veeler téder hart in érnst bewoogen wordt
[p. 19]
Gód aan te roepen, schoon ’t geheel niet weet in ’t midden
Zyns aandachts de oorzaak, nóch het oogwit van zyn bidden.
Het zy Sint Ursul, nét bespraakt, én doorgeleerd
(560) Hét Kristen, Salomon het Joodsch geloof beweert,
Wyl zy den Heiden stóf verschaffen Gód te last’ren,
En op die voet, helaas! de Gódsvrucht doen verbast’ren
In ménig’ zwakke ziel, die tégen ’t heilig Woord
Een’ rédenkaav’ling van die aard nooit had gehoord.
(565) ’t Zy zich een’ treurról steekt in Góds geheimenissen,
En, daar ’t een Leeraar is verbóden na te gissen,
Dan met eerbiede, ’t vólk de zin zo nét verklaart,
Al waar ’t den dichter van Gód zélf geopenbaard.
Ik zal twé Davids, nóch dry Jozéfs hier tót proeven
(570) Bybréngen; Samson, nóch Adonias behoeven,
De Broeders, Salomon, nóch Jéptha. Zie alleen
Aartséngel Lucifér het wolktooneel betreên;
Hoor, hoe verwaaten hy, ’t verhoolenste aller dingen
Omwroetende, zich in Góds raadbesluit durft dringen,
(575) Om, ’t geen voor ’t aanbegin der eeuwen is geschied,
Te ontdékken, dat het élk vermaaklyk vat, én ziet.
    Het Speeltooneel maakt dan de ménschen zo érvaaren
In Gódgeleerdheid, dat men Kérk, én School kan spaaren;
Geen Leeraars zyn ’er meer van nooden; ’t Speeltooneel
(580) Leert alles; ’t is Góds Kérk; dér zielen lustprieel.
Zéndt hier de jonkheid, hier is ’t nutte boek der Leeken,
Waar tégen zich de Kérk niet kante, óf dénk’ te preeken,
Ten zy ze zich getrooste in de angel van een’ pén
Te vallen, die haar wéêr punt biede, én wonde, én schénn’.
(585) Verdoemlyk Misbruik! vond van schalke Jezuwyten!
Om dus de Kérk om vérre, óf overhoop te smyten,
En loos de zielen te verleijen mét aldaar
Verbóden’ Leeringen den vólke in ’t openbaar
[p. 20]
Te veilen onder schyn van tydverdryf, én speelen,
(590) Als nutte midd’len om geloovigen te teelen.
    Maar Heinsius, de Groot, Schonaeus, Buchanaan
Zyn zonder opspraak, zalmen zéggen, voorgegaan;
Straf ik de Schryver? Ik wil régel, wys, nóch wétten
Op ’s dichters hooge geest, nóch keur van schryven zétten.
(595) Elk hebb’ zyn inzigt; élk schryve op zyne eigen’ ban,
En boete. ’t Speeltooneel alleen blyf vry daar van,
Is ’t Bybelstóf: óf zo de Speeler ’t vólk mét vreugden
De heirbaan wyzen zal der Kristelyke deugden;
En is Gódsdienstigheid des Treurspéls nutste doel;
(600) Zo zét den Prédikant een kussen, én een’ stoel
In uw’ vergadering, gy Hoofden, óm zyn oordeel
Te hooren, óf de stóf tót nadeel, óf tót voordeel
Van ’t openbaar geloof der zuiv’re leere strékt.
En óf de Kérk door ’t Spél gebouwd wordt, óf bevlékt.
(605) Zo is ’t in ’t Pausdom, daar de toegelaaten’ Spélen
Nooit mét het inzigt van hunn’ Kérk in ’t minst verscheelen.
    Hier baat geen onschuld, dat eertyds het Kamerspél
De breidel was der Kérke, én vonniste wat wél,
Wat kwaâlyk stond. ’t Is waar, dat néffens ’t beeldestormen
(610) Het Speeltooneel de grond gelégd heeft van ’t hérvórmen.
Maar wee den tyden, daar de Kérk die hulp behoeft!
Die zyn, Gód lóf, voorby. Geen Spél, veel min geboeft
Is nu noodzaaklyk om misbruiken af te schaffen.
Indien men ’t leeven van de Leeraars wil bestraffen,
(615) Of valsche leer der Kérke, is hier een’ tieranny,
Die ’t schryven op den hals verbiedt? Neen, ’t staat élk vry.
    Men hoort dan wél te récht de Prédikstoelen dreunen,
Wén zich het Speeltooneel wil mét Góds woord bekreunen.
Een Leeraar, die dat niet bestraft, vergeet zyn’ pligt,
(620) Verraadt zyn ampt, én staat zich zélven in het licht.
[p. 21]
De groote Vondel, onnavólglyk in zyn schryven,
Zal myn getuige zyn, zal zélfs myn’ waarbórg blyven.
Leen in Salmoneus zyn’ Piezaneren het oor,
Hoe zy ’t afschild’ren aan Kérkwachter Diodoor:
(625) De Góden treeden hier te voorschyn mét hunn’ róllen,
Zo raakt Jupyn ter schimp, en zyn’ gemeente aan ’t hóllen.
Gódslasterlyke vond! de Gódsdienst raast, en suft,
Wanneer ze dient tót Spél van ménschelyk vernuft.

En vérder, als de Kérk zulk schouwspél niet wil lyen:
(630) De Góden hoeden ons voor zulke guich’leryen
Eene ongebondenheid, te Pieze lang getémd,
Dat stémt geen spélen, als de Kérk dat tégenstémt.

    En ’t zélfde Misbruik in de burgerlyke zéden,
Als in de Gódsdienst, heeft het Schouwtooneel geleeden.
    (635) ’k Sta toe, dat schémpen op byzonderen voorlang,
Van ’t Schouwtooneel gejaagd, ging zélden meer in zwang;
Hoewél rampzaal’ge Min, rampzaalig in twé deelen
Gesplist, tót nadeel van een groot geslagt te speelen
Beslooten was, én reeds gespeeld waar’, zo de Stad
(640) Die hoon door haar verbód niet voorgekomen had.
De Graaf van Warfuzé, wiens dóchter door den dichter
Wordt ingevoerd, gelyk een’ hófpop, óf nóch lichter,
Is ook veel te onbezuisd op ’t Schouwtooneel gebragt
Ter onverdiende schimp van dat beroemd geslagt.
(645) Dóch ’t wérk, wyl ’t inzigt gantsch niet toely op het hoonen,
Is om de onnozelheid des dichters te verschoonen.
De Schouwburg dan wordt maar beschuldigd by de tast,
Van die haar ’t schémpen op byzond’ren légt te last.
    Maar zo men haar betygt van andere gebréken,
(650) Van vloeken, zweeren, onbetaamlyk doen, én spreeken;
Dat kan zy zélve niet ontkénnen, óf de jeugd,
Na ’t Spél gezonden, om mét toegelaaten’ vreugd
[p. 22]
Des waerelds wond’re loop, én wiss’ling te onderzoeken,
Wordt ménigmaal ontsticht, als zy Biron hoort vloeken,
(655) Of Aran zweeren, én neemt voor wélspreekenheid
Van groote nadruk op zo gróf een onbescheid:
Gelyk zy acht voor fraay, én geestig rédeneeren
Onkuische woorden, die een zédig oor onteeren;
Hoe zeer men ’t loochene, óf ontschuldige, én verbloem’.
    (660) Onnoodig is het, dat ik honderd kluchten noem,
Die door geen and’re drift, als geilheid, zyn beschreeven.
De meeste heeft men van ons Schouwtooneel verdreeven
Sint weinig jaaren. Oene alleen is na de dood
Des dichters, die zyn’ klucht zélf doemde, uit hooge nood,
(665) En groote schaarscheid van verand’ring wéêr hérbooren;
Maar had geen uitslag, als voorheen; zo waaren de ooren
Alreê gezuiverd door ’t afschaffen van die smét.
Den Schouwburgshoofden hoog bevolen door de Wét.
    Men had de Spélen méde alreê begost te schuimen
(670) Van déze schandvlék; maar veel eerder door ’t verzuimen
Als kwaade neiging van ’de Hoofden, bleef ’er ’t zaat
Dier ondeughd in. Zo gy wilt weeten, hoe men ’t kwaad
Van eene geile gloed, verdarteld, én verwilderd,
Met wulpsche woorden, én verbeeld omhélzen schildert;
(675) Hoor Jémpsars rédenen tót Jozéf eens, én lét
Op haar’ gebaerden, én de toestél by het béd.
Die ritze tókkeling moog’ Jozéfs hétte dooven;
Maar ’k durf dat wonder van den kyker niet gelooven.
    Nu zou de Vrouwekracht, gepleegd aan Rozelyn
(680) In ’t Spél van Titus, méê van dien getale zyn,
’t En zy de Dichter, tót een’ moordról meer geneegen,
Die puiksieraaden meer verzuimd had, als verzweegen.
’t Geschiedt sléchts in een’ hoek van ’t Schouwtooneel, én kort;
Zo dat het naauwelyks eens waargenomen wordt.
[p. 23]
(685) Maar als Démétrius vertélt, hoe ’t hém gelukte
De man te zyn, die eerst het maagderoosje plukte;
Als Aran zich beroemt, hoe hy zyn’ geile lust
Met eenen ófferstier voor ’t Outer heeft gebluscht:
Wat édel Jóngeling heeft zulke oneerb’re kaaken,
(690) ’k Laat staan ’t Gejuffer, dien zy niet van schaamte blaaken?
    Maar zal verkrachten, én verbóden’ liefde dan,
Als teenemaal onnut, gedoemd zyn in de ban?
O neen; men kan’er wél een’ wys, een’ styl op zétten,
Die ’t licht ontvonkt gemoed der jeugd niet zal besmétten.
(695) ’t Verkrachten, daar gy zo geleerdlyk over klaagt,
Vrouw Machteld, kwétste nooit het oor der teerste maagd.
Nooit stookte Goloos geil, én overspeelig minnen
In ’t Spél van Génovéve onkuischeid in de zinnen
Der kykeren, hoe kuisch van oor men zy, én kiesch.
(700) Zo méde, als Juliaan de zuster van Lowies
De Vargas voor heeft mét, óf tégen wil te onteeren,
In wien verwékt hy lust, óf kitt’ling tót schóffeeren?
Een Dichter, die ’t verstaat, schrikt eer door vrees voor straf
Het wankelend gemoed van zulke gruuw’len af.
    (705) Maar gantschlyk anders is ’t mét Dieuwertje geschapen
In ’t spél van Iemand én van Niemand, daar ’t beslaapen
Mét Lodewyk, die half in ’t hémd zyn’ straf ontvliedt,
Ten minsten barrevoets, op ’t vol tooneel geschiedt;
Ook daar Hippolito mét Klariane dartelt,
(710) En élk uit geilheid zich om ’t zeerst beweegt, én spartelt,
Als Bélleménte, die op ’t mat komt, onverdiend,
En schélmsch bedroogen wordt van zyn’ verleiden vriend;
’t Is wél te vreezen, dat zulk lieven, lonken, lachchen,
Zo lódderlyk, én lós malkand’re om lusjes prachchen,
(715) De Jeugd in brand zét, én alzo van ’t Schouwtooneel
De dwaalwég régelrécht doet inslaan na ’t bordeel.
[p. 24]
    Zo lang dan is de Kérk gehouden ’t Spél te straffen,
Zo lang het nalaat die Misbruiken af te schaffen,
Daar andersins die nutte, én lóffelyke kunst
(720) Zich mag verzék’ren van der allervroomsten gunst.
    Maar neem, dat Staat, nóch Kérk, nóch iemand in ’t byzonder
Te klaagen hadde, nóch daar liep geen ontucht onder,
Waar ’t Schouwspél dan een onberispelyk vermaak?
O neen; ’t waar oogwit, het opbouwen onzer spraak,
(725) En zédebeelden voor het oog der Landsgenooten
Te schild’ren moest vooral, zou ’t wél gaan, zyn beschooten.
Maar heeft ooit Dichter na dat nut zyn’ stóf geschikt?
Of in de spraak op styl, én voeglykheid gemikt?
Men toon me is ’t moogelyk, men toon my onder honderd
(730) Vyf Spélen sléchts, de Dróst, én Vondel uitgezonderd,
Daar op een’ zuiv’re zwier, óf zéden is gelét?
    Wierd immer Schouwspél in een’ hooge tóp gezét,
En aangepreezen van vermaarde Létterwyzen,
’t Was Titus. Maar wat was tóch de oorspronk van zulk pryzen?
(735) Zyn’ fraaye styl, óf dat de Dichter daar in bragt
Al, wat hy ’t allerwreedst, én allergruuwlykst dacht
Te weezen? Even óf hy ’t édel wit wou raaken,
Om ’t vólk tót beulen, óf tót moordenaars te maaken;
Als Wraak de onteerde Maagd van hand, én tong berooft,
(740) De Vader van zyn’ hand, twé Zoonen van hun hoofd,
Twé andere verplét, én ’s Keizers Broêr doet hangen:
Als Weêrwraak op haar’ beurt twé Broeders, na het vangen,
’t Hart uit het lyf rukt, én de Wreeker brandt, én blaakt;
De Véldheer’s Vórsten Bruid, de Vórst de Véldheer raakt
(745) In ’t harte, ’s Véldsheers Zoon de Vórst wéêr; én dry moorden
Op éénen ogenblik geschieden mét dry woorden.
’t Schynt échter, dat men door onkunde van een’ kunst
Aan alle nieuwigheid, én ongewoonheid gunst,
[p. 25]
En achting toedraagt. Op dat dwaallicht zyn die vaerzen,
(750) Tróts brommende, als geschoeid op Sofokleesche laerzen,
,, Waar méde een Ambachtsman, een ongeletterd gast
,, Der dicht’ren gantsche Reij óp Hélikon verrast,
Voor ’t meesterproefstuk van een wonderwérk gehouden,
En ’s Dichters eernaam vér verhéven boven de Ouden.
    (755) Maar, zo men ’t oordeel eens onzydig véllen zal,
Durft iemand zich van zulk een’ styl, in wélk geval
’t Ook zy, bedienen, die geen windbuil wil gelyken?
Of ’t Spél, als leerzaam, aan zyn’ kinders laaten kyken?
Neen zéker; al wie tucht, én réd’lykheid bemint,
(760) Of houdt van voeglyk, én natuurlyk spreeken, vindt
Zeer weinig smaak in zulk opsnijen, én zulk raazen.
    ’t Was echter ’t Spél, ’t wélk toen de meeste jonge baazen,
Die zich bemoeiden mét de kunst, tót vólgers had
Door ’t waanen, dat hier in geen kleine nadruk zat,
(765) Verstaanelyke taal van ’t Schouwtooneel te schoppen,
En ’t oog der kyk’ren mét veele opgesmukte poppen
Van ongelyke kunne, én oude; ’t hart mét moord,
En wreedheid, als die na hun oordeel ’t meest bekoort;
En ’t oor met weidsch gesnor van woorden te vermaaken.
(770) Dóch ’t miste hén hier méde in achting te geraaken
By lieden van verstand; schoon ’t wierd gepreezen van
Het sléchtste vólk; gelyk ook meest Jan Alleman,
De wélgeboor’ne minst na Titus zyn geloopen.
    ’k Doe licht’lyk hier de mond eens Hoofds der Schouwburg open,
(775) Die niet gelooft, dat zy, die nu Régenten zyn,
Het béter vatten: Hoe? (dus spreekt hy) mét wat schyn
Veracht’ge Titus ’t geen den Armen zoo veel voordeels
Gedaan heeft? Is ’t juist al verwérpelyk uws oordeels,
Daar Schoolgeleerdheid, óf daar Létterkonst aan faalt?
(780) ’k Bekén dan, dat ’er lang, én gróflyk is gedwaald:
[p. 26]
Maar dit is ’t oud gelél, gy praat, als and’re, én weet ’er
Zeer weinig af, na ’k hoor; wy Hoofden wisten béter:
Dat na de Spélen, die gy voorstaat, zulk een’ loop
Toevloeide, als óf men ’er Triakel had te koop.
(785) Voorbeelden zoude ik u by stapels konnen toonen,
Vreesde ik de uitsteekendste in de Dichtkunst niet te hoonen.
Men loopt ’er dwars van af, hoe doorgezift, hoe fijn
Van rédeneering, taal, en zéden zy ook zyn.
Heel anders gaat het mét den vólke een Spél te schaffen,
(790) Daar worst’len, schérmen, schóts uitluchten, wéderblaffen,
En snaauwen tusschen twé, dry Koningen, ja tien,
Zo ’t sléchts den Dichter slaagt, gehoord wordt, én gezien;
Die, élk ’t om prachtigst uitgerust, hunn’ stém doen dond’ren
In de ooren, dat het dreunt; dewyl ’t my zou verwond’ren,
(795) Al slaat men nóch de kunst, nóch taal, nóch zéden gâ,
Indien men ’t voordeel niet zou vinden in de lâ.
De Gódshuisvaders, door wiens keur men ons tót Hoofden
Aanstelde, als die alleen, ô Gaauwerts, u geloofden,
Wy hadden het naar uwe om hunne zin gedaan:
(800) Want altyd hébben wy ’t, gelyk als zy, verstaan.
Maar meent ge, als wy hen ’t géld opbragten alle jaaren,
Het geen men is gewoon voor de Armen te vergaâren,
Dat zy ons vroegen, óf het Spél meer achting won,
Of’t aan de kénners, óf aan ’t graauw behaagen kon?
(805) O neen; zy weeten acht één meer te zyn, dan zéven.
Indien men dan na ’t jaar, van Spélen, fraay beschreeven,
En zédestichtelyk, maar zéven had gebragt,
En van de Spélen, zo die rompslomp vallen, acht;
Hunn’ wit was, om geen één op zéven te verliezen,
(810) De laatste blindelings, én voor de eerste vér te kiezen.
Wat zou het zyn, zo ’t veel verscheeld had. Och! de gunst
Van Filozoofen, én Poeeten; stichting, kunst,
[p. 27]
Nóch styl was magtig ons te hélpen, nóch beschérmen;
Wy waaren alle zés, als óf de kist der Armen
(815) Door ons, óf onze schuld van ’t ov’rig waar’ beroofd,
Gelyk misdaadigers, het vólgend jaar onthoofd.
Régénten, is ’t aan u niet zonneklaar gebleeken?
Hoe zeer ge uw hoofd mét taal, én kunst hébt moogen breeken?
Hoe fraay de Schouwburg door uw opzicht was geréd?
(820) Hoe groot een’ luister haar door u was bygezét
In spél, in zang, in dans, in kleed’ren, én tooneelen,
In grootsche, én boertige behaagchelyke Spélen?
Zy hébben alle uw’ liefde, én moeite, én zórg veracht,
Om dat gy na hunn’ zin niet gélds genoeg én bragt;
(825) Zy houden wél van kunst, maar meer van Dukatonnen.
Gy hébt te veel gespild, hébt gy wat veel gewonnen.
Daarom ziet, hadden wy ’t, gelyk als gy, gedaan,
’t Had éveneens mét ons, gelyk mét u, gegaan.
En niemant (weet ik) van ons zéssen was begeerig
(830) Om af te staan, als gy; Offiesiën zyn smeerig;
Dit méde; daarom déê uw’ pén vergeefsch gewéld,
Op ’t misbruik des Tooneels. Géld was de leus, géld, géld.
Dus moest ’er van Sint An te méts wat onder loopen.
Haarklievers mogten ’t zonde, óf schande, óf misbruik doopen;
(835) Als Staat, óf Kérk maar van ter zyden wierd geraakt,
En ’t niet te gróf in ongeschiktheid wierd gemaakt,
Nóch ook byzonderen al te onbeschaamd getékent,
Als ’t géld gaf, wierd het ons zo euvel niet gerékend.
Het gaat in zaaken van vry wichtiger belang
(840) Vaak slimmer toe; ons maakt uw’ bullebak niet bang.
Wie ons berispte, ons heeft de géldwinst nooit verdrooten,
En heeft nóch Magistraat, nóch Burger veel geschooten,
Als ’t and’re déden, schoon het maar Jan Hagel was.
    Zulk eene ontschuldiging komt hier geenzins te pas.
[p. 28]
(845) Zy toont veel eerder, wélk een misbruik in de zéden
Door kwâ regeering was ter Schouwburg ingegleeden:
Dewijl gemeenlyk wordt bemanteld, én bedékt
Een’ zaak, die, staatze in ’t licht, tót schande óf nadeel strékt.
’t Klinkt schoon te schreuwen van de nood, én ’t nut der armen,
(850) En als men schynen kan daar over zich te érbarmen.
Het nut der Armen kraait zeer hoog; maar ’t is ’t niet al.
Indien men eens oprécht de waarheit zéggen zal.
’t Gezag ter Schouwburg wén dat over wierd gelaaten
Den Godshuisvad’ren, mét den Hoofden, ’t schreeuwen ’t praaten
(855) Nam haast een eind (het moet tóch éénmaal zyn gezégd)
Schoon ’t mét de géld ontfangst élendig ging, ja slécht.
    Waar’ ’t anders waarom wort het wéldoen heel vergeeten,
Waarom moet nut verschót onnut verspillen heeten?
Wie wil, kan na zien, dat de Schouwburg nimmermeer
(860) Dat voordeel heeft gehad benéffens zo veel eer,
En achting, dan zy voor ’t verand’ren heeft genooten,
Sint Burgermeesters haar wéêr hébben laatst ontslooten.
Men heeft ten minsten zo veel géld, géld, zég ik, géld
Den Armen opgebragt in zilver, én geteld,
(865) Als voor het sluiten na ’t verbouwen door malkander
In zéven jaaren gaf het één jaar door het ander,
Mét al de kósten (die wéleer betaalt zyn by
De Gódshuisvaders, én een’ schat bedroegen) vry.
Ik zég een’ schat; Zy zélf bekénnen, dat die schulden
(870) Beliepen meer, dan zés én dértig duizend gulden,
Zoo aan de Schouwplaats, als Tooneel, én steen, én hout,
Toen laast het Schouwtooneel door hénliên wierd hérbouwd.
All’ wélke kósten, die ze om voordeel daar aan hingen,
Niet uit het géld, dat zy daar dagelyksch ontfingen,
(875) Betaald zyn; maar vooraf. Daar in het tégendeel
Al ’t laatst verbéteren van Schouwplaats, en Tooneel,
[p. 29]
En trótsér kleederen betaald is uit de rénten
Der dag’lyksche inkomst, én gekóst heeft den Régénten
Der Schouwburg aan reed géld, én zuivere overwinst
(880) Tien duizend guldens, by de gis, voor ’t allerminst;
Welk géld meer in de kas der Armen waare ontfangen,
Wén daar vooraf het géld waare aan te kóst gehangen.
Zo dat in derd’halfjaar men jaarlyksch meer genoot
Vier duizend gulden, als’er voormaals overschoot.
(885) Men staak dan te onrécht den Régénten te verwyten
’t Onnut verkwisten, én geduuriglyk te wryten.
    Dóch neem, (’t geen ik ontkén) dat meer van vodden kwam,
Dan goede Spélen, zou dit magtig Amsterdam,
Wiens Burgermeesters zulk een géld aan straaten, wallen,
(890) En bruggen, om de Stad te hoeden voor ’t vervallen,
Uitgeeven; zou, zég ik, die zo bevólkte Stad
Niet gaeren een gering gedeelte van haar’ schat
Tót stuiting van ’t bedérf der burgerlyke zéden,
En voorder bouwing van verbéterde besteeden?
(895) Voorzéker: Want haar raakt veel meerder het gemoed
Van haare burg’ren, dan ’t gebouw van steenen doet;
Of’t waare een al te gróf, én onvergeeflyk doolen;
En géld te hangen aan de kleine, én hooge Schoolen,
Aan Meesters, Rékters, én Proféssers, om een’ stut
(900) Der wankelende Jeugd te strékken, gantsch onnut.
Al kwam dan weinig géld van stichtelyke Spélen,
En veel van érgerlyke, ô! wat zou ’t veel verscheelen
Om ’t geld te ontstichten, óf te stichten zonder géld.
Tót wélk een einde is tóch de Schouwburg ingestéld
(905) Van de eer, én kunst, én deugd betrachtende Amstelheeren?
Om géld te schachch’ren, óf te stichten, én te leeren?
Wie twyfelt, weete, dat hy hunne roem verkleint.
’t Verbét’ren van de taal, én zéden is het eind.
[p. 30]
    Het is een’ toegift, geeft zy voordeel; én ’t ontférmen
(910) Der Burgermeest’ren schénkt dat voordeel mild aan de Armen.
Zo gy dat voordeel wilt bevórd’ren, Schouwburgist,
En u bekreunt mét kunst, nóch zéden, ’t is gemist.
Dat blykt, wanneer somtyds de Schouwburg, blind van oordeel,
Uit vuile, uit Bybel-, óf Staatspélen zócht haar voordeel;
(915) Zy lókte wél veel vólks voor ééns na ’t Schouwtooneel;
Maar hoe behaagde zy die Heeren in dat deel?
Die, ’t kwaad voorziende, dat daar zéker uit moest spruiten,
Zeer dikwils dreigden van de Schouwburg toe te sluiten;
Gelyk ze ook is geweest geslooten om die réên,
(920) Zo schande-, én schadelyk geschat voor ’t algemeen.
En, wierd ze in ’t jaar van twé én séventig geslooten,
Uit de oorlóg is alleen zulk sluiten niet gesprooten;
Maar Karel Stuart op het haatelykst vertoond,
En Vrankryk in de Moord des Admiraals gehoond,
(925) ’t Geen méê begonnen was na Stuarts moord te speelen,
Was eerder de oorzaak van dat sluiten op ’t beveelen
Der Burgermeest’ren, die eerst na het vyfde jaar
Op lang, én stark verzoek toelieten, dat men daar
Wéêr speelde; dóch mét veel verbét’ring in de wétten,
(930) Om op de zéden, om op kunst, én taal te létten,
En niet op ’t géld; om schémp, én ontucht eeuwig van
’t Hérvórmde Schouwtooneel te doemen in de ban.
    Dat niemand hier te bot myn zéggen tégenkraaije,
Of myne rédenen kwaadwilliglyk verdraaije,
(935) Dat hém zeer licht te doen zou weezen mét wat schyn,
Omdat ik ’t géld alleen een’ toegift zég te zyn;
Als óf ik ’t géld niet achtte; én dat men maar moest speelen,
’t Gaf schade, óf voordeel, dat het my niet zou verscheelen,
Wén ’t Spél maar leerzaam was, én kunstig, nét van styl,
(940) En taal. Men hól niet voort zo driftig, én ter yl.
[p. 31]
’t Géld, dat een Spél geeft, om der Armen beurs te styven,
’t Zy veel, óf weinig, zal altyd een’ toegift blyven;
Maar zulk een’ toegift wordt vermeerderd door een Spél,
Dat stichtend, kunstig, na de régels is, én wél.
(945) Wie and’re proeven, als de réden, mogt begeeren,
Kan ’t door de dagelyksche érvaarenheid licht leeren.
Wordt Cinna, Mitridaat, Andromaché gespeeld,
Of wordt de gierigheid van Geeraard afgebeeld,
’t Gedwongen Huuw’lyk, óf Astrate, all’ fraaye stukken;
(950) Men ziet, dat zy het vólk als na de Schouwburg rukken;
Zy geeven niet alleen voor één maal; maar zo vaak
Men ze ophaalt, voordeel, vergenoeging, én vermaak.
    Een yv’rig Schouwburgshoofd zal hier op dit wéêr vinden:
O! ’t zyn uw’ Spélen, én de Spélen van uw’ vrinden,
(955) Die voert gy déftig, én all’ de and’re slordig uit.
Spreek eens van de oude tyd, én zie, óf uw besluit
Dan vólgen zal. Wat Spél heeft Titus kunnen krénken,
Toen wy regeerden, óf meer gélds den Armen schénken?
    Daar zyn’er weinige geweest, ’t is al te waar
(960) Tót mérklyk nadeel van de Schouwburgshoofden. Maar
De Cid, bekwaam genoeg het onbedachte zéggen
Des yverigen mans alleen te wéderléggen,
Zal ’t weezen, dat, in yl sléchts uit het fransch vertaald,
Nóchtans op ons Tooneel de grootste lóf behaalt.
(965) Dit Treurspél, jaaren lang voor Titus komst gebooren,
Heeft yders achting steeds doen groeyen, nooit verlooren;
En, schoon ’t zo vaak, én meer, dan Titus, is vertoond,
Ook zyn’ vertooners ruim zo ryklyk heeft beloond,
Zal na veel jaaren nóch een tréflyk Treurspél heeten,
(970) Als ’t ander lang zal dood gespeeld zyn, én vergeeten.
    Wat zyn de rédenen dier achting? ’t is niet hoog,
Nóch tróts van trant, én styl; het flikkert niet in ’t oog
[p. 32]
Door veel toetakelings van toestél, óf persoonen.
’t Gevécht van lyf om lyf, dat veele in ’t oog vertoonen,
(975) Als iets uitsteekends, én de stryd in ’t open véld,
Die veeltyds ’t Schouwtooneel in rép, én roere stélt,
Geschiedt niet voor het vólk, maar achter de górdynen.
Men ziet ’er Engel, geest, nóch monsters in verschynen.
Waar schuilt het dan? In ’t wérk, de zéden, én de zin
(980) Der rédeneering, daar steekt zo veel fraayheid in.
Wie hoort Chiméne, wie hoort Don Rodrigo klaagen,
Dien ’t hart niet week wordt om hunn’ ramp te hélpen draagen?
Wén kinderlyke pligt in wéêrwil van ’t gemoed
Zo wreede stórmen op hunn’ zuiv’re liefde doet.
(985) Het speelt alleenlyk niet voor de ooren, nóch voor de oogen;
Maar voor de ziel, die, door dat voorbeeld opgetoogen,
Onweetend neiging krygt tót vólging van een’ deugd,
Die zy in anderen beschouwt mét zulk een’ vreugd.
    Ik weet, wat stóf’er is dit Spél te wéderspreeken;
(990) ’k Weet, dat de maaker zélf zyn Spél van veel’ gebréken
Beschuldigt; wat men van de taal zégt, rym, én styl,
Die de Overzétter mét geen roffel, ’k zwyg een’ vyl,
Heeft overloopen; én ’k bekén, het déê geen hinder,
Als dat wat nétter waar’; maar daar het meerder ’t minder
(995) Zo krachtig overweegt, daar keurt men om het zoet,
’t Geen onze geest geniet, dat minder licht voor goed.
    Ook is de misstal klein, de tyden na gerékend,
Toen ’t eerst in ’t licht kwam, schoon Córneille zélf het tékent.
Het speelt geen maanden, nóch tooneelt zo woest, én wyd,
(1000) Of ’t houdt, schoon eenigsins gedwongen, plaats, én tyd.
Ook is de dubbelheid der stóffe weinig te achten;
Want onze inbeeldingen zyn mét zo groote krachten
Door Don Rodrigoos, én Chiménes ramp vervoerd,
Dat ons de Infante niet eens aangaat, nóch ontroert:
[p. 33]
(1005) Zo dat’er niemand na zou taalen, nóch haar missen,
Al onderstond men haar heel uit het Spél te wisschen.
    En schoon het juist in taal, én styl, én rym zo nét,
En zuiver, als ’t behoort, niet over is gezét,
Men weete, eer dat men spreek’ tót nadeel, óf verkleining
(1010) Van de overzétting, dat nooit’s Overzétters meining
Geweest is, mét het Spél te geeven in de druk,
Het oordeel van élk één te nooden op zyn stuk;
Maar dat hy ’t eerst Bedryf ter loop heeft opgeslagen
Een’ Juffer te gevalle, én onder ’t wérk behaagen
(1015) Tót voort te vaaren kreeg; zo dat hy tót het énd,
Gelyk men wandelt in gedachten, is beléndt;
Dat sint, een afschrift hém stilzwygend zynde ontnomen,
Het voort in ’t licht, én op de Schouwburg is gekomen;
Waarom de laatste hand daar aan niet is gelégd.
    (1020) En échter is het nóch verachtelyk, nóch slécht.
Neen zéker; want, zo sléchts ter vlugt vertaald, én jagtig,
Is ’t heel natuurlyk, klaar verstaanlyk, én zeer krachtig;
Ja zo, dat niemand licht zou durven onderstaan
De hand aan ’t schaaven, én veranderen te slaan;
(1025) Of die het waagde, zou ’t van veel’ voorneeme gaaven,
Daar ’t nu méê pronkt, misschien berooven, door ’t verschaaven.
    Ook was ’t onmooglyk, dat uit Raadsheer Heemskérks hand,
Die steeds geleid wierd van zyn hoog verlicht verstand,
Iets aan de dag kwam, dat mét blydschap, én verlangen
(1030) Niet wierd te moet’ gezien, én mét vermaak ontfangen;
Schoon zyne zédigheid steeds in haar’ paalen bleef,
En hy zyn’ wérken, hoe uitsteekende, onderschreef
Mét Veniam pro laude; in ’t Néêrduitsch, tót belooning,
Verzoek ik, vér van lóf te hoopen, om verschooning.

(1035) Ja ’t is der Dichtkunst al te jammerlyk mislukt,
[p. 34]
Dat zulk een geest zo vroeg der waereld wierd ontrukt;
Want zyne pén, bekwaam om alles uit te voeren,
Had veelen blafferen de mond licht konnen snoeren
Met and’re wérken, daar hy taal, én styl wat nét
(1040) Beschaafd, én op het rym wat naauwer had gelét.
    En échter heeft de Cid door al die névels heenen,
Gelyk een’ héld’re zon, het Schouwtooneel bescheenen.
De grootste wélstand, na myn oordeel, geeven wél
De zéd’lykheeden, én hartstógten van dat Spél;
(1045) En zo by ons de taal, in ’t Fransch de schikking nétter
Geweest waar’, grooter lóf behaalde ooit overzétter
Nóch maaker; wyl de kunst ontwyfelyk groot goed,
En voordeel, nimmermeer het minste nadeel doet.
    Die Spélen geeven géld, én worden altyd gunstig
(1050) Ontfangen, daar men taal, én fraaije zéden kunstig
In waarneemt. Laat de Fransche ons tót een voorbeeld zyn.
Hoe nét zyn die van taal? hoe zédenryk? hoe fyn
In kunst van schikking, in hartstógten, én gedachten.
’t Zyn deugden, die zo hoog doen hunne Spélen achten,
(1055) Dat hunne taal tót aan des waerelds uiterst énd
Door Schouwspéldichters, én tooneelstóf wordt bekénd.
Ja dat de Dichters, die zich mét tooneelstóf moeijen,
Wanneer ze uitsteeken, zien hunn’ staat, én schatten groeijen
Niet minder, dan hunne eer. Dus gaat ons Vrankryk voor,
(1060) En strékt een’ fakkel, om te vólgen op dat Spoor.
    Want wat zal schorten aan veel’ fraaije Spaansche Spélen,
En Engelsche, als men wél wil létten op ’t verdeelen
In Handelingen, én Uitkomsten, dat men die
Zo lief niet, als de Fransche, óf lichtlyk liever zie
(1065) Om hunne veelheid van voorvallen, én hunn’ volheid
Van vindingen? Aanschouw ’t Verwarde Hóf, de Dolheid,
Lowies de Vargas, het Veranderlyk Geval;
[p. 35]
Van schikking zyn zy wild in plaats, én tyd; maar all’
De waereld pryst de stóf, Geleerde, én Ongeleerde.
(1070) Zy zyn niet fraaij door onbetaamlyke, óf verkeerde
Oppronkingen; maar door zeer leerzaame aardigheên.
Men ziet’er trouwe Liefde, én Staatzugt in ’t gemeen
Malkand’ren tégengaan; men hoort ’er lóflyk spreeken
Ter gunst van pligt, én eer, ter ongunst van gebréken;
(1075) Zo dat ze, al zyn ze juist niet in de winkelhaak,
Daar door den kykeren aanbréngen groot vermaak.
En wil men eens een Spél van de Engelschen ontleenen,
Hunn’ zwier navólgen, én de nétte kunst mét éénen
Waarneemen, lichtlyk, dat het zich in tóp verhéff’,
(1080) En alle vindingen der Franschen overtréff’:
Want zéker, zo de kunst wierd wél in acht genomen,
Zou, meent men, minder géld daarom in de Armkist komen?
O neen; maar meerder: want voorwaar vermaak door kunst,
En zéden ondersteund, verdient all’ ’s waerelds gunst.
    (1085) O Dichter, wacht u dan wanórdentlyke stukken,
Schoon ze op een Schouwtooneel somwylen ééns gelukken,
Te maaken; vólg, hoewél omzigtiglyk, de wét
En régels, op het Spél mét overlég gezét:
Want Schouwtooneelkunst heeft haar’ régels, én haar’ gronden,
(1090) Zo wél als Bouwkunst, na veel arbeids uitgevonden
Door braave meesters op der ouden Grieken spoor;
Leen die alom, én steeds eerbiediglyk het oor.
    Gy mist zeer gróf, wilt gy ’t gebaande pad verliezen,
Wilt ge, als wanhoopende, een gevaarelyker kiezen;
(1095) En, met onduurzaam lóf te vréden, doen, gelyk
De groote Rémbrand, die ’t by Titiaan, van Dyk,
Nóch Michiel Angelo, nóch Rafel zag te haalen,
En daarom liever koos doorluchtiglyk te dwaalen,
Om de eerste kétter in de Schilderkunst te zyn,
[p. 36]
(1100) En ménig nieuweling te lókken aan zyn’ lyn;
Dan zich door ’t vólgen van érvaarene te schérpen,
En zyn vermaard pénseel den rég’len te onderwérpen.
Die, schoon hy voor niet één’ van all’ die meesters week
In houding, nóch in kracht van koloryt bezweek,
(1105) Als hy een’ naakte vrouw, gelyk ’t somtyds gebeurde,
Zou schild’ren, tót modél geen Grieksche Vénus keurde;
Maar eer een’ waschter, óf turftreedster uit een’ schuur,
Zyn’ dwaaling noemende navólging van Natuur,
Al ’t ander ydele verziering. Slappe borsten,
(1110) Verwrongen’ handen, ja de neepen van de worsten
Des ryglyfs in de buik, des kousebands om ’t been,
’t Moest al gevólgd zyn, óf natuur was niet te vréên;
Ten minsten zyne, die geen régels, nóch geen réden
Van évenmaatigheid gedoogde in ’s ménschen léden;
(1115) En doorzigt alzo min, als tusschenwydte, woog,
Nóch wikte mét de kunst, maar op de schyn van ’t oog.
Die door de gansche Stad op bruggen, én op hoeken,
Op Nieuwe, én Noordermarkt zeer yv’rig op ging zoeken
Harnassen, Moriljons, Japonsche Ponjerts, bont,
(1120) En rafelkraagen, die hy schilderachtig vond,
En vaak een’ Scipio aan ’t Roomsche lichchaam paste,
Of de éd’le léden van een Cyrus méê vermaste.
En échter scheen hém, schoon hy tót zyn voordeel nam,
Wat ooit uit ’s waerelds vier gedeelten hérwaarts kwam,
(1125) Tót ongemeenheid van optooisel veel te ontbreeken,
Als hy zyn’ beelden in de kleederen zou steeken.
Wat is ’t een’ schade voor de kunst, dat zich zo braaf
Een’ hand niet béter van haare ingestorte gaaf
Gediend heeft! Wie had hém voorby gestreefd in ’t schild’ren?
(1130) Maar óch! hoe éd’ler geest, hoe meer zy zal verwild’ren,
Zo zy zich aan geen grond, én snoer van régels bindt,
[p. 37]
Maar alles uit zich zélf te weeten onderwindt!
    Opdat een Dichter dan geen moeite, én tyd verlieze;
Dat hy voor alles een’ leerzaame stóf verkieze,
(1135) Het zy zyn’ lust op Klucht, op Bly-, óf Treurspél vall’,
Eer hy eens dénke, hoe, óf wat hy zéggen zal.
    Die leerzaamheid in Treur-, óf Blyspél is verscheiden.
    Het Treurspél (laat u tóch het voorbeeld niet verleiden
Van Grieksch, nóch van Latynsch Treurdichter, nóch ’t geschreeuw
(1140) Der blinde vólg’ren) wraakt in déze laatere eeuw
Een’ stóf, daar zy gestraft, én in élénde blyven,
Die zonder schuld zyn, óf onweetend kwaad bedryven.
Het treuren, ik bekén ’t, misvoegt een Treurspél niet;
Maar noemt men Spél, ’t geen ons niets aandoet, als verdriet.
(1145) Al kan ik Oedipus niet aanzien onbewoogen,
Al tréft my zyne ramp mét schrik, én médedoogen;
Dat médedoogen, nóch die schrik kan myn gemoed
Niet zuiv’ren van het kwaad, niet porren tót het goed:
Wélk inzigt wy het wit van alle Spélen houden.
    (1150) Het Treurspél, zo wy ’t wél aanmérken, had by de Ouden
Geheel een ander eind; zo dat mét groote lóf
Die nu verwérplyke, én wanhébbelyke stóf
Toen goed gekeurd wierd; want zy strékte tót beweering
Der Républyken, op de éénhoofdige régeering
(1155) Zo fél gebeeten, dat zélf de allervroomste man,
Wanneer hy koning was, geschat wierd voor Tieran,
Op wien der Góden vloek, van kind tót kind, moest kleeven;
Gelyk als had hy het verdoemlykst kwaad bedreeven,
Die de eerste ’t waardst kleinood der vólkeren geschaakt,
(1160) En, als een schélm, zich zélf tót koning had gemaakt.
Dus moest het overspél des nazaats van Thyéstés
Met Clytémnéstra door haar’ eigen’ zoon Oréstés
Gestraft, én bloedschand zyn mét moedermoord betaald:
[p. 38]
Daar andersins die stóf, wén zy wierde opgehaald
(1165) In déze tyden, mét meer vruchts op onze zinnen
Zou wérken, én de gunst van ménigen gewinnen,
Indien eene and’re hand dat wreeken ondernam,
Of, zou ’t Oréstés doen, indien ’t by toeval kwam.
    ’k Zoude échter, als men my geloofde, een’ Dichter raaden
(1170) Eer toe te léggen op een’ stóf, daar braave daaden,
En deugden van een Héld ten voorbeeld strékten, als
Een gódvergeeten boef te dingen na zyn’ hals.
Het loon der Deugd zal éd’le, én tédere gemoeden
Mét béter voedsel, dan de straf der Ondeugd, voeden;
(1175) ,, Dewyl de goede uit lust tót Deugd het kwaaddoen haat,
,, En sléchts de kwaade uit vrees voor straf het kwaaddoen laat.
Men légg’vooral dan toe op stóffen, daar de vroomen,
Lang worst’lend, het gevaar in ’t eind te boven komen;
En, wyl de ménschen zeer verscheiden zyn van zin,
(1180) Men voer somtyds eens een gestrafte aartsdwingland in.
    Die stóffen haalt men, óf Horatius moet missen,
Somtyds uit Fabels, dóch meest uit Geschiedenissen
Der Ouden, die aan all’ de waereld zyn bekénd.
Op Bybelstóffen, óf op Zaaken, die omtrént
(1185) Onze eeuw geschied zyn, is’t niet raadzaam zich te léggen:
Gy moogt van Oedipus, van Clytémnéstra zéggen
Al, wat u invalt; maar van Karel Stuart niet.
Hoe licht verspraakt ge u: ’t is te korteling geschied;
En ’t is zeer nét’lig voor, óf tégen Majesteiten,
(1190) ’t Zy gy hén martelaars, óf schuldig noemt, te pleiten.
Zie nu mét aandacht die verscheiden’ stóffen van
Maria Stuart, én Johanna Graij eens an.
Wie déze voorstaat, schynt die ongelyk te geeven;
Wie beide voorstaat, wordt van alle wind gedreeven.
(1195) Weg dan van ’t Schouwtooneel mét die beklémde stóf;
[
p. 39]
Weg mét de Moord tót Luik, óf Spanjens Erfprins, óf
Parysche Bruilóft; ze is gevaarlyk sléchts te schétsen;
Hoe nétter gy ze ontwérpt, hoe feller zy zal kwétzen.
Waarom ook Bybelstóf op ’t Speeltooneel niet past:
(1200) Tót die verhand’ling heeft alleen de Leeraar last.
    Gevalt u ook tót stóf uws Treurspéls eigen’ vinding,
’t Zal wildzang weezen, én vermeetele onderwinding.
Gelyk als Arans Wraak, én Titus Wéêrwraak, óf
Gelyk als Fabius Sévérus, wélker stóf
(1205) Der maak’ren onmagt uit het hoofd heeft moeten dichten,
Zynde onbekwaam om zich te wikk’len in geschichten,
Als aan Médéa, én aan Spanjens Erfprins blykt;
Waar in de schikking na de kunst alom bezwykt;
Waar in ’t karakter van de schuldigen, én vroomen
(1210) In ’t allerminste deel niet is in acht genomen,
Veel min de voeglykheid der zéden, daar ’t zo naauw
Niet eens op aankomt in een Spél, ter gunst van ’t graauw,
En jongens uit het brein eens Windbuils opgesmeeten.
    Vólg dan Horatius veel liever, min vermeeten,
(1215) Die u na de Ilias, én de Odysséa wyst,
En dan uwe éd’le drift, ô Schouwspéldichter, pryst,
Wén gy die stóffen zo kunt kneeden, draaijen, wénden,
Dat zy nooit éveneens beginnen, loopen, énden.
Des braafsten Héldenstuks uitmuntendst voorbeeld steurt
(1220) De kyker, zo hy ’t niet gelooft te zyn gebeurd.
’t Geschiede, óf ’t geen wy maar geschied te zyn vertrouwen,
Ja slechts een’ Fabel, die we ook voor een’ Fabel houwen,
Zét uwen Spélen veel meer kracht by, én gewigt,
Als alles, wat gy uit uw eigen brein verdicht.
    (1225) De stóf eens Blyspéls, dat zeer zélden hooge zaaken
Verhand’len moet, óf nooit, zal ons wél bést vermaaken,
En leerzaamst weezen, als mén vinnig scheert de gék
[p. 40]
Mét eenig burgerlyk verfoeijelyk gebrék,
Als afgunst, hoovaerdy, verkwisting, vrékheid, tooren,
(1230) Of eigenbaat; én al wat tégen het behooren
Van ménschlyke ommegang, én goede zéden strydt.
    En schoon ’t natuurlyk speelt, ’t geen speelt op déze tyd,
En hier, óf hier omtrént; zo moet men zich wél wachten
Tót schimp der feilen van byzond’ren zyn’ gedachten
(1235) Te laaten gaan. Men toon’ het kwaad in ’t algemeen,
Belachch’, bestraff’ het, maar treed’ niemand op de teen.
    Ook moet de Deugd, hoewél beklaagd, niet blyven zuchten;
Want alzo wél in Bly-, als Treurspél, ja in Kluchten
Is ’t aangenaamer, dat de deugd daar wordt geleerd,
(1240) Dan dat daar de ondeugd, óf de zonde in triomfeert.
Wat geeft het aan den vólke een wonder groot genoegen,
Wanneer het Waarnar ziet zich na de réden voegen;
Als hy die Pót vol goud, mét zo veel angst bewaard,
Mét zo veel rouw gemist, na ’t vinden onbezwaard
(1245) Aan Ritsaard geeft, én door een édelmoedig kiezen
Koopt rust voor kommer van ’t bewaaren, én verliezen:
Als Klaartje, onnozelyk bedroogen, én misleid,
Door ’t knaagend overschót van Ritsaards deugdlykheid
Wordt blyde moeder, én vernoegde bruid in ’t nypen
(1250) Der hooghste nood uit vrees van straf voor haar vergrypen.
Hoe stoort in tégendeel de aanschouwer zich, hoe mort
Men op de Loogenaar, dat zyn bedróg niet wordt
,, Gestraft in ’t énde; maar, onaangezien zyn liegen,
,, En Juffers, Kameraads, ja Vader zélf bedriegen,
(1255) Het alles uitvalt na zyns harten wénsch, én lust.
Hoe ’t wordt ontschuldigd by Córneille, is ons bewust:
Maar wordt zyn’ réden van verschooning aangenomen
Voor overreeding; neen, ’t wil in den man niet komen;
Wy zien te graag, dat hy, wien we onrécht geeven, lydt.
(1260) Weshalven ’t Huuwelyk van Niet, ook Haat-én-Nyd,
[p. 41]
De Ontrouwe Dienstmaagd, én Pefroen, én Kwaade Grieten
Behaagen, omdat we ons gewénschte wit beschieten.
Die dan verdiende lóf in ’t stichten van de Jeugd
Behaalen wil, geef straf aan Ondeugd, loon aan Deugd.
    (1265) De stóf eens Blyspéls zal men licht uit alle hoeken,
Uit avontuurtjens van oude Almenakken zoeken,
En wintersprookjens; want het onderscheid is klein,
Of gy die élders haalt, óf uit uw eigen brein.
Die sléchts een kwakje kan in de Almenak bedénken,
(1270) Kan iemand daadlyk stóf tót Klucht, óf Blyspél schénken;
Zy doet zich honderdmaal van zélf op in de praat.
    Maar ’t is niet in de stóf, dat al de kunst bestaat;
Verscheidene andere sieraaden doen de Spélen
Zo vérre in waerde van malkanderen verscheelen.
    (1275) ’t Is nu onfeilbaar by de meeste jonge maats;
Wén ze in een’ mag’re stóf op de éénheid van de Plaats,
En Tyd maar létten, én wanneer ze in hunn’ Bedryven
Geen gaaping lyden, nóch die lédig laaten blyven,
Dat hun Tooneelstuk dan verdient de lóf, én gunst
(1280) Der kénneren, én nét gemaakt is na de kunst;
Zich zélf inbeeldende, als dat is in acht genomen,
’t Is dan vérre in de kunst, ja vérr’ genoeg gekomen.
    Onnoz’le, ’t is het minst, dat iemand in een Spél
Waarneemen moet, al past het by ’t voornaamste wél.
(1285) De Byverdichtsels in uw’ stóf zo wél te weeven,
Dat zy geen dubbelheid, nóch ander misstal geeven;
Zeer naauw te létten op het léggen van de knoop
Des ganschen handels; op het leiden van de loop
Tót aan de ontknooping; én ’t natuurlyk fraaij ontbinden
(1290) Zyn kunsten, by geen onérvaar’ne licht te vinden;
Maar zeer noodzaakelyk, indien gy staat na lóf.
Want gy vindt uit zich zélf niet een’ bekwaame stóf,
[p. 42]
O Dichter, tót een Spél: ga vry in alle boeken
Na Fabels, ga vry na de geschiedenissen zoeken.
    (1295) Door Byverdichtsels maakt men eene stóf bekwaam,
En door ’t wél knoopen, én ontknoopen aangenaam.
Gelyk zélfs Titus, schoon gebrékkig in veel’ deelen,
Karakter, plaats, én tyd, én gaaping van tooneelen,
In rédeneering, styl, én taal, de ruuwe hoop
(1300) Trok in de ruuwe tyd mét algemeene loop.
Wat réden? De allergrootste (ik zég sléchts myn gevoelen)
Is déze, dat in al dat woeden, al dat woelen
Zeer ongemeene, én zeer veel’ Byverdichtzels zyn,
Die op een oogwit van het énde, élk in zyn’ lyn,
(1305) Toeloopen, én het hart der kyk’ren door zulk marren
Doen haaken, hoe zich al dit warren zal ontwarren;
Gelyk de knoop ook naauw ontknoopt is, én ’t besluit
Bekénd gemaakt, óf ’t spél, zo ’t voegt, is daadlyk uit.
Dit grootst, én eenig punt, dat nimmermeer, óf zélden
(1310) Was waargenomen by de braafste Létterhélden
In ’t Néderduitsch, én daar vooral op dient gelét,
Heeft aan Andronikus die luister bygezét.
Maar ’t is meer by geval, als wysheid, toegekomen;
Want in Médéa is dat gansch niet waargenomen;
(1315) Hoewél de Dichter toen al oppermeester was,
En van Tooneelkunst durfde oordeelen, als van glas;
Gelyk hy ’t klaar in zyn’ voorréden heeft beweezen,
Waar in veel’ wond’ren, veel’ vreemdheeden zyn te leezen,
Déze onder and’re: dat een botterik, een kind,
(1320) Geen man van brein zich zélf aan wét, nóch régels bindt;
Dat Aristotelés, nóch Flakkus van de gronden
Der Schouwtooneelkunst niet in ’t allerminst verstonden;
Want die was Fielozoof, onkundig in die zwier,
En déze kon alleen wat zingen op zyn’ lier.
[p. 43]
    (1325) Leer voorders, Dichter, dat ge uw Spél zo moet verdeelen
In vyf Bedrijven, dat geen gaaping uw’ Tooneelen
Van één scheide, én aldus maakte één Bedryf tót twé.
    Dan vólgen de Eénheid van de Tyd, én van de Stéê;
En de ééne, én de andere in ’t natuurlyk zo te dwingen,
(1330) Dat zy niet al te lang, nóch al te vérre en springen.
Want, schoon een Spél geen vier én twintig uuren speelt,
Nóch dat juist uw tooneel geen heele stad verbeeldt;
Ja zelfs al speelt het in een straat maar, óf een’ kamer,
En in vier uuren, ’t is den kénn’ren aangenaamer.
    (1335) Maak voorts, dat ge élk persoon zyn récht karakter geeft,
Zo als Horatius dat nét beschreeven heeft.
    Sier dan mét hevige hartstógten zo de Spélen,
Dat lange rédens zélfs den kyk’ren niet verveelen;
Maar dat, terwyl gy hunn’ gemoederen ontroert,
(1340) Hunne aandacht wérd’ gewét, én waar gy wilt, vervoerd.
    Dan moet men op de kracht der rédeneering létten,
Die geen gemeene zwier den Spélen by zal zétten;
Vooral, indien het wél berédeneerd verhaal
Doorgaands is opgepronkt mét zuiv’re fraaije taal,
(1345) En zwier van trant, én rym. Al is het sléchts voor de ooren,
Als wy maar iets gemeens op nétte rymtrant hooren,
’t Behaagt, én is ’er pit van zin by, ô! dan doet
Taal, trant, én rym zeer groot gewéld op ons gemoed.
    Maar dénk niet, dat alleen de lóffelykste leering,
(1350) De nétste rymtrant, nóch de béste rédeneering
Een Spél bevallig maakt; gy moet geleerd, én fyn
Van zin, én woorden, maar vooral verstaanlyk zyn;
Want schoon een Spél verdiende all’ ’s waerelds lóf in ’t leezen;
’t Moet, zo men ’t hoort, én ziet, terstond begryplyk weezen,
(1355) Of’t neemt niet op. Zo méde, indien gy dingt na lóf,
Moet gy die haalen uit, óf passen op uw’ stóf.
[p. 44]
Geen Spél ter waereld kan behaaglyk zyn, nóch sluiten,
Schoon ’t saamgesmeed waar’ van geleerdheid, zo zy buiten
De stóf blyft, én niet klaar verstaanelyk dringt voort
(1360) Na ’t einde, óf zo zy na de ontwarring wordt gehoord.
    ’k Weet, dat ik lichter, én mét meerder vrucht de straalen
Der héld’re middagzon mét houtekool zou maalen,
En zo vergeefs haar’ vaert najachten mét myn’ rén,
Dan Hoofds, én Vondels lóf behoorlyk mét myn’ pén
(1365) Beschryven, óf hunn’ kunst navólgen in het dichten;
’k Erkén die mannen voor de grootste, én klaarste lichten
Der Néderduitsche taal, én Dichtkunst. Maar, wat is ’t?
Het heeft hén échter beide op ons tooneel gemist
Mét all’ hunn’ taal, én kunst den vólke te behaagen;
(1370) Alleen omdat ze niet gestaâg na ’t énde jaagen,
Of veel doen zéggen na de ontknooping, ’t geen zo goed,
Als ’t voorige is, dóch wordt verspild in overvloed.
Omdat ze ook al te hoog door hunn’ geleerdheid draaven,
Veel te ydel kwistende op een Schouwtooneel de gaaven,
(1375) Waar méê zo grootsch, én tróts de Héldendichtér bromt,
En daar zyn wérk zo groot een’ luister door bekomt.
    Waar is in Néêrland een’ begaafde pén gevonden,
Die zo, als Zégemond by Bato, in de gronden
Der Gódsdienst indringt, óf die ze uitdrukt zo geleerd?
(1380) ’t Is échter veel te hoog, én diep gerédeneerd
Op een Tooneel voor ’t vólk, ’t wélk, zonder ’t brein te slypen,
Gemaklyk straks de zin der woorden wil begrypen;
Ja, schoon het geen ze zégt geheel verstaanlyk was,
Het komt tót voortgang van de handel niet te pas.
(1385) Men haakt te weeten, hoe ’t na veel’ gevreezde élénden
Mét Bato, om wien ’t hart bekommerd is, zal énden.
    ’t Gesprék, dat Potifar ook voert mét Jozéf in
Egipte wégens ’t feest van Apis, én de min
[p. 45]
Van Isis, weet heel nét der oude Egiptenaaren,
(1390) En Jooden gódsdienst af te beelden, én verklaaren.
’t Is fraaij van styl, én stóf; ’t is leerzaam, ik beken ’t;
Maar ’t stoort de kyker, die, verlangende na ’t énd
Van Jozéfs lót, én hoe hém Jémpsar in dat branden
Van minne, én ’t hard gety van twyff’len, aan zal randen,
(1395) Mét wéêrzin aanhoort al het zéggen, hoe vol pit,
Hoe kunstig ’t zy, dat niet récht toegaat op dat wit.
    Dus zal den kyk’ren ook in Vondels meeste Spélen,
Wén ’t eigen’ maaksels zyn, het laatst Bedryf verveelen;
Als méde ’t geene by den Ridder Hoofd de Vécht
(1400) In ’t Spél van Vélzen na Graaf Floris néêrlaâg zégt;
Omdat de gansche stóf verhandeld, hét verlangen
Voldaan is, én die brók schynt aan het wérk te hangen,
Gelyk een’ wén hangt aan een lichchaam; schoon ’t verhaal
Al ’t voorige overtroffe in vinding, zwier, én taal.
    (1405) Te veel geleerdheid kan de kyker ook niet achten;
Al, ’t geen hy niet verstaat, verbystert zyn’ gedachten.
De Zonne vólgt het spoor van ’s ouden Thitons bruid,
En steekt den hémel all’ zyn mindere oogen uit,

Zégt Hoofd in Vélzen, én beschryft aldus het daagen.
(1410) De meeste vatten ’t niet; hoe kan het hén behaagen?
Gy kwaamt dus vérre van het Zuiden, daar de Kreeft
De Mooren vérft, de boom zo weinig schaduw geeft,

Zégt Vondel éven na ’t opschuiven der górdynen
In Salomon, sléchts om het land der Abissynen
(1415) Bekénd te maaken; maar wie kan de zin verstaan,
Die in geen ander school, dan ’t Néêrduitsch heeft gegaan?
Ten zy hém de omgang mét Geleerden, óf het leezen
Van boeken in die stóf misschien hébbe onderweezen.
    Ik bid, ô Vaders van het Néderduitsch gedicht,
(1420) Dat ge eene vryheid, die gy spruiten ziet uit pligt,
[p. 46]
Aan de allernéd’rigste, én gehoorzaamste uwer zoonen
Om ’t goed gevólg tóch wilt méêwaariglyk verschoonen.
Gy weet, dat myne drift, mét openhartigheid
Verzéld, niet tégens u, geduchte Meesters, pleit;
(1425) Maar mét u. Kón ik u hérroepen in dit leeven,
’k Stél vast, gy zoudt uw’ stém aan myne pooging geeven;
Geen and’re geest bezielt de drift myns véders, dan
De kunst zo hoog in tóp te voeren, als ik kan.
    Gelyk wy weeten, dat gy jaaren lang voordézen
(1430) De Stryd van Ajax, én Ulyssés hébt verweezen,
En Théseus, én wat meer van u te voorschyn kwam,
O Ridder, braafste télg van uw’ beroemde stam,
Omdat een’ laat’re tyd meer lichts gaf aan uw oordeel,
En dat gy uit de minste aanwyzing trokt uw voordeel;
(1435) Zo zoudt ge ontwyflyk nu, dewyl de kunst mét magt
Van braave mannen, én veel blókkens is gebragt
In hooger’ luister, veel gébréklykheids bespeuren
In uwe Spélen, én die voor ongangbaar keuren.
    En gy, ô Vondel, gy, die myn voorganger zyt
(1440) Mét Jépthas voorberécht, gy die de kunst van tyd
Tot tyd verbéterde, én beschaafde na de wétten
Der Ouden, om die op de hoogste tóp te zétten;
Gy zoudt my achten, én beminnen, omdat ik,
Zynde ééns mét u, op één én ’t zélfde doelwit mik.
(1445) Al moet ik nu én dan in u een’ misslag wraaken;
Elk heeft het oog op u. In Zé is ’t zékerst baken
Een schip op strand. De liefde, ô groote mannen, doet,
Dat veele, ’t geen gy zélf verwérpen zoudt, voor goed
Aanneemen, én op hén vergramd zyn, én verbólgen,
(1450) Die u, gelyk als zy, niet blindelings en vólgen.
Gy gingt mét andere, wy gaan mét u te raad’;
Wy pryzen, zonder te verschoonen, wat misstaat,
[p. 47]
Uw’ wérken hémelhoog, én weeten, wélke schatten
Van diepe wysheid, én geleerdheid zy bevatten.
(1455) Mist gy in eenige kunstwétten van een Spél;
Al ’t ov’rige is geheel verwonderlyk, én wél.
    Maar laat ons wéêr tót ons begonnen oogwit komen.
    De stóf, de schikking, én bewoording waargenomen,
Voeg dan, Tooneelpoëet, daar uw’ sieraaden by,
(1460) En tooij voorts mét die lyst uw’ schoone schildery;
Want, vérre van dat wy versierselen versmaaden,
Wy lyden, dat een Spél voorzien zy mét sieraaden
Van allerleije slag, met kleed’ren, toestél, pracht
Van Schouwtooneelen, ja machienen zélf. Maar wacht
(1465) U zélve, dat ge u niet verwart in al ’t vermooijen.
Want, dénkt ge alleen, hoe gy uw lystwérk op zult tooijen,
Verdoolde Schilder, ’t is een’ zaak, die zélve spreekt,
Dat u de magt van wél te schilderen ontbreekt,
Dus zoudt ge uwe onmagt graâg vermommen in sieraaden,
(1470) En, als de Pinksterbloem opsmukkende, overlaaden
Mét blaak’rend klatergoud, mét diamant van glas,
En schótse paerlen, ’t komt te pas, óf niet te pas.
    Als ons een’ Juffer, die wanstallig was van léden,
Verlépt, én mager, dóch in kóstelyke kleeden
(1475) Gedóst, wierd voorgestéld, én néffens haar een’ Meid
Mét fluksche léden, onvoorzien van kóstlykheid,
Wiens héldere oogen, wiens onafgesneeden’ haaren,
En ongezóchte kleur haar eigen sierzel waaren;
Wie koos de laatste niet voor de eerste? én zo mét pracht
(1480) Déze ook op ’t sierlykst op te pronken waar’ getracht,
Hoe zou ’t natuurlyk schoon afsteeken, én vermeeren?
    ’t Zy vér dan, dat ik geen sieraaden zou begeeren;
’k Bemin die, maar voor al bemin ik, door de gunst
Der Zanggódinnen, stóf, én schikking na de kunst.
[p. 48]
(1485) Voor ’t overig, indien ze ’er voegen, kuntge u dienen
Van kleed’ren, van tooneel, vliegwérken, én machienen
Op ’t vreemdst, én kóstlykst; maar ik raad u, zo ’t sieraad
Zou stryden mét de kunst, dat gy het achterlaat.
De aanschouwer échter zal zyn inzigt wél bekomen,
(1490) En gy uwe achting, is de kunst wél waargenomen.
    Ik mérk, hier héb ik de één, óf de ander wéêr verstoord:
Sta vast, hy komt me voor de twéde maal aan boord.
Hoe? zégt hy, wilt gy op de Schouwtooneelen lijen
Nóch geesten, nóch gevécht, nóch weidsche opsnijerijen
(1495) Van woorden? is u zélfs geleerdheid in de weeg?
Wél, hoe wy ’t maaken, u is ’t nimmermeer te deeg.
Weet gy wél, wat gy wilt? uw’ pén, geneigd tót gispen,
En gees’len, zoekt ook stóf in ’t béste tót berispen.
Gy meent, zo ’t schynt, alleen het alles te verstaan;
(1500) Maar maatigt u voorwaar te groot een voorrécht aan.
Een Spél, hoe fraaij gemaakt, deugt langer niet mét allen,
Of ’t moet Nil Arduum Volentibus gevallen.
Van waar komt u die waan? zégt, Konstgenooten, zégt,
Wat ge ooit gemaakt hébt, dat veel eer heeft ingelégd?
(1505) Uwe Overzétsels uit Latynsche, én Fransche Spélen,
En Kluchten, hier én daar verlapzalfd in ’t verdeelen
Van Handelingen, én Uitkomsten? zégt, wordt dat
By u voor zulk een’ kunst, én meesterstuk geschat?
Of zyn de Spélen licht, van uw’ byzond’re léden
(1510) Wéleer gemaakt, de grond van uw’ vermeetelheeden?
Bréng hier de Koninksbruid, én Didoos Dood, bréng vry,
Het Vlies, Diana én Endimion daar by
Mét hunn’ Machienen, én Vliegwerken, Kunstgenooten.
Staan die zo vast, én onverwrikbaar op hunn’ kooten?
(1515) Zyn dat die déftige voorbeelden van de kunst?
Och! zo men over die wanschépsels zonder gunst
[p. 49]
Eens ’t oordeel véllen, én zyn hart récht uit zal spreeken;
Wat zyn zy anders, als een bayerd vol gebréken?
    De man heeft groot gelyk, al kan hy zélf misschien
(1520) Daar in niet eene fout mét eigene oogen zien.
Ja lichtlyk had hy die ten hémel toe gepreezen,
Ten waar’ wy hun gebrék zélf hadden aangeweezen.
Maar dat zy évenveel; gebréken zyn altyd
Gebréken; maak gy sléchts, Poëet, dat gy die mydt;
(1525) ’t Zy ondervinding, óf opmérking slype uw oordeel,
’t Zy onze misslag, óf ons voorbeeld u dat voordeel
Aanbrénge; zie ons vry voor uwe wétsteen aan,
Als gy maar schérp wordt, zo zyn wy, én gy voldaan.
    Opdat nóchtans zyn ruuw, én onbezonnen laaken,
(1530) Wanneer wy zwygen, ons niet schuldig schyn’ te maaken
Aan al te gróve, én nooit gehoorde uitspoorigheên;
Of dat de blindheid van zyn hévige yver geen,
Of weinig onderscheid misschien weet aan te mérken
In oude Spélen van byzond’re, én in de wérken
(1535) Van ’t Kunstgenootschap; is ’t, gelooven we, onze pligt,
Ten deele, dat men hém wat nader onderricht.
    Onze oude Spélen, eer wy Kunstgenooten wierden,
Zyn vodden; maar die toen het Speeltooneel versierden,
Als iets uitsteekends, én te dier tyd hoog geroemd:
(1540) Zo dat men die alleen mét réden vodden noemt
In vergelyking van onze and’re laater’ stukken,
Waar voor zy moeten, én zeer gaerne willen bukken.
    ,, Wy hadden toen een’ drift tót dichten; waaren heet
,, Op straatlóf; stonden ook na de eernaam van Poëet;
(1545) En, zynde gansch niet in tooneelkunst onderweezen;
Maar hier én daar ter loop wat hébbende geleezen,
En nu én dan een Spél beschouwd mét groot vermaak,
Beeldde élk van ons zich in zeer lichtelyk, luk raak,
[p. 50]
Een Spél te maaken, dat den kyk’ren zou behaagen;
(1550) Gelyk ’t ook (meer geluk, als wysheid) kwam te slaagen.
En schoon men in de kunst niet zeer érvaaren was;
Die drift, dat weinig zien, én leezen kwam te pas;
De drift, omdat ze ons om de Lauwerkroon déê stryden;
Het zien, én leezen, om aanstootlykheên te myden.
    (1555) Bréng nu de Koninksbruid, bréng Didoos dood, bréng vry
Het Vlies, Diana én Endimion daar by.
Dat ze in de hélle dag, dat zy te voorschyn komen;
En zien we eens, of ’t voornaamst niet is in acht genomen.
’t Voornaamst? wat is ’t voornaamst? De zéden, én de taal.
(1560) Alle ontucht is ’er uit verbannen teenemaal,
Zo wél in woorden, als in wérken. ’t End is leeren,
En stichten. Dido, omdat zy zich liet onteeren
Door dulle liefde, én brak haar’ duur gezwoorene eed,
Stort over hals, én hoofd door eigen’ schuld in ’t leed,
(1565) Dat haar bestélpt. Diane is wél te récht een baken
Voor maagden, die in ongelyke liefde blaaken.
Verwaten’ dwinglandy krygt in de Koninks bruid
Een’ schrikkelyke, dóch verdiende straf. De buit
Van ’t Gulde Vlies, mét zo veel moeite, én kunst verkreegen,
(1570) Verstrékt een’ spiegel voor de ondankb’re, die zich tégen
Ontfangen’ weldaân niet behoorlyk kwyten; maar
’t Beloofde loon van dienst, én uitgestaan gevaar
Den Hélden weig’ren; all’ voorbeelden om te stichten.
Behalven dat de taal in dagelyksche dichten
(1575) Nooit waargenomen was zo keurig, nóch zo kiesch,
Als in de Koninksbruid, én in het Gulde Vlies.
    Ook zyn zy zéker zo niet buiten alle wétten,
En régels, of, indien men voet by stuk wil zétten,
’k Durf staande houden, dat’er Tyd, nóch Plaats aan schort;
(1580) Te weeten zo, gelyk ons voorgeschreven wordt
[p. 51]
Van Vondel, Vóssius, én and’re Létterhélden,
Die toen de régels op de Schouwtooneelkunst stélden:
Nóch is op élks persoons Karakter wél gelét.
    Zo mede is ’t Doelwit, daar het wierd op aangezét,
(1585) Na wénsch beschooten: want doordien men zich moest dienen,
Om vólk te lókken, van vliegwérken, én machienen,
Is ’t Gulde Vlies alleen gemaakt tót zulk een énd;
En streek daar in de prys, als ieder is bekénd.
    Ik zwyg van Didoos dood om niet te breed te weiden;
(1590) Hoe haar’ gevoelige, haar héftige, én verscheiden’
Hartstógten veeler ziel zo troffen, dat men licht
De ontroernis van ’t gemoed kon speuren in ’t gezicht.
Het oogmérk was alleen mét ongeziene dingen,
Met aaperyen, én mét veel’ veranderingen,
(1595) Waar door men de oogen der nieuwsgierigen verrukt,
Den Armen dienst te doen, gelyk ’t ook is gelukt.
    Maar Julfus tusschen ’t Spél; kunt gy dat ook mét réden
Goed maaken? Neen wy; maar, ey, laat de Gék mét vréden;
Want schoon’er Julfus gansch niet voegt, gy zélf misschien
(1600) Zyt gék genoeg, om ’t om die Gék te komen zien.
Een gaauwerd héeft groot récht zich over hém te steuren;
Maar, opdat hy het boek niet kwaad zou stukken scheuren,
Is ’t Spél afzonderlyk gedrukt, zo dat de man,
Van Julfus wégen, dat gerust doorleezen kan.
    (1605) ’t Zyn échter vodden, laat’er ons niet lang van léggen
En maalen; dóch alleen dit in ’t voorbygaan zéggen;
Dat zulke vódden niet verwérplyk zyn, zo lang
Geen béter kénnis van Tooneelkunst gaat in zwang;
Gelyk wy hoopen, dat op ’t voorbeeld van de stukken,
(1610) In ’t licht gebragt door ’t Kunstgenootschap, zal gelukken.
Want, óf men die uit haat, óf uit onkunde doemt,
En die lapzalvery, óf overzétsels noemt;
[p. 52]
Nooit zal een schéndbrók ons, hoe hy ze ook wil benaamen,
De lust, beneemen, nóch de kunst daar in beschaamen.
    (1615) Men geeft Agrippa, én Andromaché alleen
Voor overzéttingen; die lóf, én anders geen,
Begeeren wy, indien ’er lóf steekt in ’t vertaalen,
Dat wy de laagste prys daar in licht niet behaalen.
    Maar stél daar Orondaat én Statira niet by,
(1620) Nóch ’t Spookend Weeuwtje. Weet onkundige, én leer vry,
Dat uit het onderscheid van die verschaafde wérken
Zeer lichtlyk ’t wanstal van hun voorschrift is te mérken;
En, voor die gaauw is, af te kyken, op wat voet
Een kunstenaar in zyn verbét’ren aangaan moet.
(1625) Maar, zéker, als hy, na veel blókkens in die gronden
Doordringende, ook de kunst zal hébben uitgevonden,
Dan zal hy weeten, wat het inheeft, eer een Spél,
’t Geen onórdéntlyk was gemaakt, maar taamlyk wél
Zich in de régels schikt; én dat men mét veel meerder
(1630) Gemak een Spél op nieuws kan opslaan, én veel eerder.
Gelyk men lichter een voortréffelyk gebouw
Van nieuws optimmeren, dan een misvertimmerd zou
Verhélpen, dat het aan Bouwmeesters zou behaagen.
    Wie twyfelt, kan aan hén de waarheid licht bevraagen,
(1635) Die tót Régénten van de Schouwburg zyn gestéld.
Hoe groot eene arbeid zy aanwénden, hoe veel géld
Zy willen geeven, hun Tooneel, misbouwd voordézen
In de aanvang, zal nooit zyn, gelyk ’t behoort te weezen.
Maar, zo zy ’t sloopten tót de grond toe in ’t geheel,
(1640) Het waar’ hén kleine kunst een pryslyk nieuw tooneel
Te bouwen. Al, wie hun verbét’ren échter lastert,
Toont zich van réd’lykheid, én réden vry verbasterd.
    Indien Virgilius wist goud te puuren uit
De drék van Ennius, én eene ryke buit
[p. 53]
(1645) Haalde uit Homérus: zo ’t de lóf niet kon verkleinen
Van de allerbéste Blyspéldichter der Romeinen,
Dat hy twé Spélen van Ménander smolt in één,
Toen hij zyne Andria toestélde: én mag ’t zo heen,
Dat Plautus, Naevius, én Ennius uit taalen
(1650) Van anderen ’t sieraad van hunn’ gedichten haalen,
Ja vaak de stélling, én de styl: én is ’t geen schand
Voor u, Guarini, dat gy in uw Vaderland,
Dat ge in uw’ Moedertaal hébt Tasso uitgekoozen,
En mét de stóf van zyn Amintas zonder bloozen
(1655) Uw Pastor Fido siert, ja acht gy ’t u tót lof:
Beroemt Córneille zich somtyds, dat hy zyn’ stóf
Uit Spanje haalt, al heeft hy zélf zeer klaar doen blyken,
Dat hy in vindingen geen Dichter hoeft te wyken:
Vond niemand immer van Racine kwaad, nóch vreemd,
(1660) Dat hy de Thébaïs, de Ifigenië neemt
Uit Grieksche dichters, én Latynsche: kan ’t betaamen
Aan Moliëre, dat hy, zonder zich te schaamen,
Vólgt in zijn meeste wérk de Italiaanen na,
Die hunne geestighéên, én kwinten zonder gâ
(1665) Uit Aristophanés wéêrom, én Plautus trékken;
Ja zal het hén tót lóf, in plaats van laster, strékken.
Waarom onthoudt men ons zo wélverdiend een gunst?
Waar hapert het? is ’t nyd? is ’t onkunde in de kunst?
    Wat meent ge, als Plautus zyn’ Menéchmen, in Kwierynen
(1670) Veranderd, héden zag op ons tooneel verschynen,
Dat hy zich bélgen zou, om ’t geen’er af, én by
Gedaan is? évenééns naar alle schyn, als wy,
Zo iemand iets, door ’t Kunstgenootschap uitgegeeven,
Veranderde. Ieder mag op ’s anders voorgaan streeven
(1675) Na hooger’ lóf; ja wie verbétert, heeft verdiend
Mét réden, dat hém zyn voorganger houd’ voor vriend.
[p. 54*]
Want die verbéteraar haalt dikmaal uit het duister
Vergeeten’ wérken, zét bekénde stukken luister,
En aanzien by; dóch deelt op geenerleije wys
(1680) Door dat verbét’ren in ’s voorgangers waare prys;
Al mag men hém ook zyn’ verdiende lóf niet weig’ren.
Daar in het tégendeel, die hooger willen steig’ren,
Dan hunne magt is, én verslimmeren een stuk
Mét hun verand’ren, maar hun eigen ongeluk,
(1685) En schand bewérken. Het verand’ren, ja ’t vertaalen
Kan ons zo groot een’ lóf, óf laster doen behaalen,
Als ’t maaken. Hy dan, die mét lóf zyn’ handen slaat
In ’s anders wérk, betoont, dat hy de kunst verstaat.
    Maar (schreeuwen zy, die ons mét schémp, én laster dreigen)
(1690) Dat praaten géldt niet; toont ons eigen’ wérken, eigen’.
En geen verhanselde, óf vertaalde, zo gy wilt
Voor Dichters gaan. Wy zien, hét is maar tyd verspild
Hén te onderréchten; Maar wy doen licht eenig voordeel
Aan’s onderzoekers, én aan ’s jong’ren Dichters oordeel.
    (1695) De Malle Wédding is ons eigen’ wérk; hoe vreemd
Gy ’t vindt, dolle yveraars, én waar voor gy ’t ook neemt?
O ja, hoe gy ’t benydt, wy durven ons dés roemen
En is ’t de vinders niet, de maakers daar van noemen;
Zo wél, als Aeschylus, zo wél, als Sophoklés,
(1700) Zo wél, als Séneca, óf als Euripidés
De maakers zyn van hunn’ zo wyd befaamde Spélen;
Al is ’t, dat we in waardy zeer veel van hen verscheelen.
    Gelyk hunn’ wérken zyn verhanseld, nóch vertaald,
Hoewél de stóffen zyn uit anderen gehaald,
(1705) Zo is de Wédding ook. De schikking; rédeneering,
En styl is de onze. Dat het strékt tót dubb’le leering
Is onze vinding, én uitvoering: anders geen
Genót ontleenen we, als de ruuwe stóf alleen.
[p. 55]
En wat verscheelt hét óf men die uit Schouwspélboeken,
(1710) Geschiedenissen, óf Vertéllingen ga zoeken;
’t Zy dat men die uit Grieksche, óf Roomsche Dichters heeft;
’t Zy ze ons een Franschman, óf een Néderlander geeft.
    Maar ’t zy, zo ’t wil; ’t gaat vast, dat onze Spélen échter
Voor lóflyk zyn gekeurd by de allerstréngste réchter;
(1715) Dat zy den Armen géld; den Kunstgenootschappe eer
Gegeeven hébben, én nóch geeven meer, én meer,
Sint ’t Burgermeesteren belieft heeft zich te ontférmen
Der édeler gemeente, én hooge nood der Armen.
    En, zo die yver voortgekweekt waar’ door de gunst
(1720) Dier Mésenaaten, én voortzétt’ren aller kunst,
Men had wél haast de mist der wryt’ren doen verdwynen
Mét eigen’ vinding, én ter Schouwburg doen verschynen
Sardanapalus, én ’t geen reeds begonnen is,
’t Zy Hartóg Karel, ’t zy Prinsés Sémiramis.
    (1725) Die yver nu zou zich mét nieuwe lust verstérken,
Als eens die yver mogt mét volle vryheid wérken;
Als eens het knibb’len, én krakkeelen om ’t gezag
Der Schouwburg eind nam, dat men billyk hoopen mag
Van hén, die Rédders zyn der Schouwburg, beide Heeren,
(1730) Op wien men niet vergeefs iets réd’lyks kan begeeren.
    Zo die eens wilden hunn’ geneegenheid ... Maar stil,
Wat zég ik? twyfel ik meer aan hunn’ goede wil,
Dan aen hunn’ magt? én zou ’t niet schynen, óf ik proeven
Van hunn’ geneegenheid tót goeddoen zou behoeven?
(1735) Is my dan onbekend, dat hunne geest, begaafd
Mét deugd, én kénnis, op het spoor der Hélden draaft;
En dat men ’t zélfde bloed ziet speelen door hunne aders,
Dat eertyds heeft bezield hunn’ Vaders, én Voorvaders,
Om allerleije slag van nutte weetenschap,
(1740) En deugd te voeren op de uitsteekenste eeretrap?
[p. 56]
Ja wantrouw ik, dat zy niet alle Misbruik zullen
Wégneemen, die hunn’ plaats zeer waardiglyk vervullen?
Voorzéker neen. Ik kén hunne éd’le geest, én drift,
Die goed van kwaad, én zyn van schyn zeer keurig schift
(1745) Alleen uit liefde; niet, dat zy de kunst verplichten,
Om lang te leeven in verdiende lófgedichten.
Zy hébben magt, én wil. Wie wanhoopt aan de daad?
Wie twyfelt, dat zy zyn der kunsten toeverlaat?
    Indien men nu eens mét opmérking gaat bezéffen
(1750) De midd’len noodig om de kunst in tóp te héffen,
Zy zullen weinig, én voorwaar naar alle schyn
Zeer licht te vinden, zeer licht uit te voeren zyn.
    ’t Voornaamst zal weezen, dat men toevoege eer, én voordeel
Den kunstenaaren van érvaarenheid, én oordeel.
(1755) Want niets is zékerer, als dat men hier te land’
Al, wat geen winst geeft, acht voor zonde, ik zwyg voor schand’;
Zo dat hy in de vloek des Hémels schynt gebooren,
Die tót vermaak, óf nut der ménschen heeft verkooren
Eene oeffening, wén zy geen tast’lyk voordeel geeft.
    (1760) Ik weet wél, dat nooit eeuw ter waereld is beleefd,
Nóch land gevonden wordt, daar ’t géld niet alle ménschen
Zo zeer bekoort, dat zy byna niets hoogers wénschen.
    ’k Weet, hoe de Vader van Ovidius wéleer
Zyn’ Zoon waarschouwde mét het voorbeeld van Homeer.
    (1765) ’k Weet, dat by ieder één alom in alle tyden
Het gild der Dicht’ren smaad, én arremoê moet lyden.
    Ook weet ik, dat men naauw een kreupel Dichter vindt,
Die niet verwaand’lyk zyne inbeelding voedt mét windt
Van eigenliefde, én wien men niet gestaâg hoort praaten,
(1770) Als óf’er ’t land aanhing; O! ’t schort aan Mécénaaten,
’t Schort aan Augusten, dat de kunst zo wordt verkleend;
Wyl vaak een kunstenaar (daar hy zich zélf méê meent)
[p. 57]
Moet achter staan, én plaats aan lompe platters maaken,
Wanneer men hier óf daar verhandelt groote zaaken.
(1775) Ons Dichters diende élk één mét eer in plaats van smaad
Te onthaalen, én het zou beklyven aan de staat.
Dus zwétzen ze alle, die zich léggen op het rymen,
En sléchts twé woorden op malkand’ren kunnen lymen,
Zich Dichters noemende, gelyk als óf de grond
(1780) Eens déftigen gedichts in ’t rym alleen bestond.
    Maar vérre zy het, dat ik immer tót verkleining
Der Dichtkunst hébben zou zo averéchtsch een’ meining.
Ik spreek van mannen, ’k spreek van mannen van verstand,
Niet, die, verrukt door drift, iets vatten by der hand;
(1785) Maar die mét overlég, mét wélberaaden’ zinnen
Al, wat zy doen, niet min uitvoeren, als beginnen;
Die na lange oefening, én aangewende vlyt
Niet sléchts hunne ov’rige, maar kóstelykste tyd
Aan ’t zuiv’ren van de taal, ’t polysten van de zéden,
(1790) Aan ’t vórderen van kunst, én deugd mét vrucht besteeden.
    ’k Bén échter niet in die inbeelding, dat de Stad,
Of Staat de Dichters moest beschénken uit haar’ schat;
Of om hén gunst te doen der Armen nut besnoeijen.
Neen; uit hunne arbeid moest hunne eer, én voordeel vloeijen;
(1795) De kunst moest zyn door de eer des kunstenaars vereerd;
Der Armen nut door ’t nut des kunstenaars vermeerd.
Zo gaat het élders mét de Dichters. Hier te lande
Alleen verstrékt die kunst tót ’s Dichters schade, én schande.
    Wat raad? wat middel? dit; (’k Bid, dat hy my verschoon,
(1800) Zo de één, óf de ander ’t licht mogt duiden t’zyner hoon)
Dat, die men aanstélde om de Spélen te waardeeren,
Niet eerst het Spéllen, én Duitsch spreeken nóch moest leeren;
Maar dat hy, zo hy niet gezien had in de grond
Der kunst, ten minsten taal, én trant, én rym verstond.
[p. 58]
(1805) Of liever dat men tót Régénten keurde mannen,
Die ’t onkruid weeten uit het heilzaam kruid te wannen;
Die weeten, waar de deugd der Spélen in bestaat;
Wat aan ’t gemeenebést der Schouwburg schaadt, óf baat;
Die wél bedacht op alle omstandigheeden létten,
(1810) Om deugd mét kunst, én kunst mét voordeel voort te zétten,
En zonder draalen uit te voeren mét een woord,
Of wénk all’ de omslag, die ’er tót een Spél behoort.
    Wanneer de Schouwburg dus verzien waar’ van Poëeten,
En van Régénten, is ’t niet lichtlyk af te meeten,
(1815) Dat mét der tyd de kunst bekénd, geacht, bemind
Zou worden? Zéker, ja. Een vader zou zyn kind
Na ’t lóflyk tydverdryf der Schouwburg dan niet schaamen
Te zénden; ja het zou den vad’ren zélf betaamen
Te komen op een’ plaats, daar de ontucht wordt geweerd,
(1820) En burgerlyke deugd, én tucht mét lust geleerd.
In stéê van dat ze nu hunn’ kinders vaak bekyven,
En van de Schouwburg hén gebieden wég te blyven
Sléchts door vooroordeel, dat niet stichtelyks, nóch goeds,
Nóch Kunst, nóch Deugd aldaar gebragt wordt op de toets:
(1825) Maar dat men niets vertoont den vólke, als beuzelingen,
En vodden, én (wie weet?) oneerelyker dingen.
    Dan zou de Schouwburg zyn een tydverdryf, dat vreugd,
Doorzult in leeringen, zou geeven aan de Jeugd;
Dat onze schoone Stad tót luister zou verstrékken;
(1830) En veeler mildheid tót der Armen gunst verwékken.
Daar ze in het tégendeel haar naderend verval
Tót aller Dichteren verdriet verhaasten zal,
En worden zo, als ze eerst geweest is, óf licht slimmer,
Ja zélfs by yder zo veracht zyn, dat ze nimmer
(1835) Haar hangend hoofd wéêr op zal beuren, én het nut
Der Armen missen zulk een’ mérkelyke stut.
[p. 59]
    Welk schaad’lyk onheil naar élks hoopen, én vermoeden
Zeer haast VAN BEUNINGEN, én HUDDE zal verhoeden,
Twé Burgervaders, die, nooit moê, nóch afgemat,
(1840) Met zwaare, én staâge zórg tót wélstand hunner Stad,
En haar’ verbét’ring zich alleenlyk niet bekommeren,
Maar zélfs mét zugt voor ’t nut der Armen zich beslommeren.
    Wat loon voor zulke, én zo veel wéldaân? Deze vreugd
Der deugdigen; dat Deugd is ’t waare loon van Deugd;
(1845) En dat hunn’ lieve Naam, oprécht mét lóf beschreeven
In braave boeken, lang zal leeven na hun leeven;
Opdat hunne arbeid, die uit Deugd haare oorsprong nam,
Een voorbeeld strékke aan hunn’ Nazaaten te Amsterdam.

[p. 60: blanco]
Continue

Tekstkritiek:

fol. *2v allen er staat: a en
vs. 210 bezweek er staat: bézweek
vs. 492 spél bezaait. er staat: spélbezaait.
p. 54 foutief gepagineerd als 45