Nil Volentibus Arduum: De wanhébbelyke liefde. Kluchtspél. Amsterdam 1704.
Uitgegeven op 10 juni 2004 door dr. A.J.E. Harmsen, Universiteit Leiden.
Ceneton05976 - British Library

Continue

DE

WANHÉBBELYKE

LIEFDE.

KLUCHTSPÉL.

De Twéde druk, overgezien, verbéterd, én van
veele misslagen, én drukfeilen gezuivert.

[Vignet: Nil Volentibus Arduum].

TE AMSTERDAM,
_____________________

Gedrukt voor het KUNSTGENOOTSCHAP, én te bekomen
by de Erven van J. LESCAILJE, énz. 1704.

Met Privilegie.

Continue

COPYE van de PRIVILEGIE.

DE Staten van Holland ende Westvrieslandt; Doen te weten, Alsoo ons vertoont is by eenige Liefhebbers van de Nederduytsche Taal en Poëzy, dat sy naar ’t voorbeeld van de Italiaensche en Fransche Academien, t’Amsterdam al voor eenige Jaren, hadden opgerecht, een Konstgenootschap onder de Prent, en Zinnespreuk van NIL VOLENTIBUS ARDUUM, dat wy, in Consideratie van dien, en van haaren dagelykschen arbeid, en Yver tot voortzettinge van de Duytsche Taal en de Dichtkonst, den Supplianten voor den tyd van Vyftien Jaaren met het Octroy ons geexhibeert hadden begunstigt gehad, ’t geene in het korte stondt te expireeren. Ende alsoo zy Supplianten gaern in den voorschreeven haaren Yver ende arbeid zouden Continueeren, ende bedught waaren, dat eenige baatsoekende Menschen haar Supplianten daar inne zouden zoeken te onderkruypen ende benadeelen met haare werkjens naar te drukken, of verkoopen; Waaren zy Supplianten, haar onderdaaniglyk keerende tot Ons, in alle onderdaanigheid verzoekende dat Wy het voorschreeve Octroy voor gelyke Vyftien Jaaren, geliefden te Continueeren, ende sulks de Supplianten te Octroyeeren, omme onder de voorschreeve Titul van NIL VOLENTIBUS ARDUUM, alleenlyk, met uytsluytinge van allen anderen, uit te mogen geeven, doen drukken en verkoopen alle de werkjens die zy Supplianten onder den voorschreeven Tytul, reets hadden gemaakt, en geduurende den voorschreven tyd noch zouden komen te maaken, ende ten dien einde aan de Supplianten te verleenen Acta in debita forma. SOO IS ’T, dat Wy de zaake en ’t verzoek voorschreeve overgemerkt hebbende, ende genegen weesende, ter beede van de Supplianten, uit Onze rechte weetenschap, Souverayne maght, ende Authoriteyt, deselve Supplianten geconsenteert, geaccordeert en geoctroijeert hebben, Consenteeren, accordeeren, ende Octroyeeren mits deezen, dat zy, by Continuatie, geduurende den tyd van Vyftien eerstkomende Jaaren, de Werken by het voornoemde Kunstgenootschap onder den Titul van NIL VOLENTIBUS ARDUUM gemaakt zynde, ende als noch gemaakt werdende, binnen den voorschreeven Onzen Lande, alleen zullen mogen drukken, uitgeeven ende verkoopen. Verbiedende daarom allen ende eenen iegelyken, deselve Werken naar te drukken, ofte elders naargedrukt binnen Onzen Lande te brengen, uit te geeven, ofte te verkoopen, op de verbeurte van alle de naar gedrukte, ingebragte ofte verkochte Exemplaren, ende een Boete van Drie Hondert Guldens daar en boven, te verbeuren; te appliceeren een derde part voor den Officier die de Calange doen zal, een derde part voor den Armen der plaatse daar het Casus voorvallen zal, ende het resteerende derde part voor de Supplianten. Alles in dien verstande, dat wy de Supplianten, met deesen Onzen Octroye alleen willende gratificeeren tot verhoedinge van haare schaade, door het naardrukken van de voorschreeve Werken, daar door in geenigen deele verstaan, den inhouden van dien te authoriseren, ofte te advoueeren, ende veel min dezelve onder onze protexie ende bescherminge, eenig meerder Credit, aansien, ofte reputatie te geeven; nemaar de Supplianten in Cas daar in iets onbehoorlyks souden mogen influeeren, alle het selve tot haaren laste sullen gehouden weesen, te verantwoorden; tot dien eynde wel expresselyk begeerende dat by aldien zy deezen Onzen Octroye voor deselve Werken zullen stellen, daar van geene geabbrevieerde, ofte gecontraheerde mentie zullen mogen maaken; nemaar gehouden zullen weezen, het zelve Octroy in ’t geheel, en sonder eenige Omissie daar voor te drukken; ende dat zy gehouden zullen zyn een Exemplaar van de voorschreven Werken gebonden, en wel geconditioneert te brengen in de Bibliotheecq van Onze Universiteyt tot Leyden, ende daar af behoorlyk te doen blyken. Alles op op peene van het effect van deesen te verliesen. Ende ten eynde de Supplianten desen Onsen consente en Octroye mogen genieten naar behooren, Lasten wy allen, ende eenen iegelyken, dat sy de Supplianten van den inhouden van deesen, doen laaten, ende gedogen, rustelyk, vredelyk, ende volkomentlyk genieten ende gebruiken, Cesseerende alle belet ende wederleggen ter Contrarie. Gedaan in den Hage, onder Onsen grooten Zegele hier aan doen hangen, den XIVe Maart, in ’t Jaar ons Heeren en Zalichmaakers Duysent ses Hondert, twee en t’negentigh.

                                        A. HEINSIUS.

                                    Ter Ordonnantie van de Staten,

                                SIMON van BEAUMONT.

WAARSCHOUWING.

    Het Kunstgenootschap NIL VOLÉNTIBUS ARDUUM, érkénd geene Wérken voor hunne eigene, dan die met deeze nieuwe Privilegie zyn gedrukt, én aldus geteekend.

                       


VOORRÉDE.

LA MERE COQUETTE, óf DE VRYERZIEKE MOEDER, een geestig Blyspél van den Heer Quinault, in de Fransche taal, mitsgaders twé ongemeene, én ongehoorde huuwelyken van twé beroemde Néderduitsche Tooneelspeelders, wélke zeer gaerne een Kluchtspél van diergelyk een geval, wénschten te zien, én zélve te vertoonen, hebben voor ruim twintig jaaren, aanleiding tót het opstellen van de WANHEBBELYKE LIEFDE, gegeeven, zonder dat wy échter ons aan ééne deezer Geschiedenissen, zeer stip hebben gebonden.
    In het Fransche Tooneelstuk, gelyk dit Klúchtspél, wordt de Moeder op haar Dóchters Minnaar, én de Vader op zyn Zoons Meestrés, buitenspoorig verliefd; dóch de omstandighéden der geschiedenisse, ten opzichte der intrigues, óf warringe, én de incidens, óf voorvallen, zo wél als de ontwarring van het Bly, én Kluchtspél, (die échter beide op het zélve oogwit doelen,) zyn in het laatste, op eene geheele andere wyze verhandeld: want in het Fransche Blyspél, bréngt eene doortrapte én baatzuchtige dienstmeid Laurette, ter béde van Isméne, de Vryerzieke Moeder, met de hulp van eene lósbollige Markies, én die van Champagne, een guitachtige knécht, de twé verliefde, Acante, én Isabelle, in eene verbysterde én wanhoopende verwydering, door een wéderzydsche opgevatte én ongegronde minnenyd, die zo verre uitbarst, dat, om malkanderen spyt aan te doen, de één aan zyns Vrysters Moeder, én de andere aan haars Vryers Vader, zich verlooft. Dit alles woelt én wart geduurig, zeer aardig, tót dat de man van Ismene, die eenige tyd uitlasndig, én by haar voor dood gerekend was, door de knécht, onder schyn van eenen Vremdeling, méde gebragt, om kwansuis getuigenis van ’s mans overlyden te geeven, zich in ’t einde aan zyne trouwelooze Vrouw ontdékt, haar, én zynen ouden vriend Cremante, die met zyne Dóchter, (welke voor zyn vertrék, aan Ancante verloofd was,) trachtte te trouwen, op het stréngste bestraft, én het huuwelyk van Izabelle met Acante, voortgang doet neemen.
    Dit Kluschtspél, waar in, om de kortheid, zo veele warringen, én voorvallen niet konden, nóch mogten gebragt worden, verbeeldt évenwél eene diergelyke verlooving van Hendrik aan zyns Vrysters Moeder; dóch énkelyk door aanrading van Adriaan, én Agniet, om dies te béter het voorgenomen huuwelyk van zynen Vader, te beletten; gelyk van de kant van Lucia. zulks aan Joost, haars Vryers Vader, gedaan wordt, uit wanhoop van ooit getrouwd te zyn, óf moogelyk uit eene minzuchtige list, om te gemakkelyker tót haar oogwit te komen, én met Hendrick, die ze beminde, te trouwen.
    De vreemde, dóch waarachtige Geschiedenis der twé ongehoorde huuwelyken, hier boven aangeroerd, heeft weinig overeenkomin met deeze Tooneelstukken; niet tégenstaande dat’er eenige toepassing van het ééne op gemaakt is, toen de Wanhebbelyke Liefde, eerst in het licht kwam, én by de twé beroemde Tooneelspeelders vertoond wierdt, wélke beide de Hoofd-persoonaadjen inde Geschiedenis, zo wél als in het Kluchtspél, zyn geweest. Deeze getrouwe vrienden waaren zeer naauw aan malkanderen verbonden, om datze veele jaaren in de Néderlanden, Duitsland, Dénemarken, Pruyssen, Poolen, én Zwéden, met malkanderen gereidt, én in kérmistyd, verlóf kreegen eenige weeken hier in onze Stad te speelen, daatze groote toeloop hadden om de kóstelykheid hunner kleederen, kunstige Tooneelen, goede nieuwe Tooneelstukken, én ordéntelyke uitvoeringe, vergezélschapt van déftige Speelsters, (waar onder ook hunne eigene Vrouwen,) in een tyd dat alle vrouwe-rollen op onzen Schouwburg, nóg door mans persoonen wierden uitgevoerd. De jongste van deeze twé was getrouwd met eene uitmuntende Tooneelspeelster, by wien hy eene Dóchter had. Weinige jaaren naar de dood zyner Huisvrouwe, verzoekt hy eene Dóchter van zyne Médetooneelist ten huuwelyk, die, toen reeds eene voornaame Tooneelspeelder, hem, met geneegenheid, toegestaan wierdt, én by wien hy verscheidene Zoonen kreeg. Eenige tyd hier naa, komt zyn Schoonvaders Huisvrouw te overlyden; deeze, by uitsteekenheid al zo érnstig én kunstig in Treur, als ongemeen geestig, én vermaakelyk in Blyspélen, (gelyk de ander zynen Schoonvader in geene deezer hoedaanighéden behoefde te wyken,) verzoekt op zyne beurt met eene aangenaame wyze, de Voordóchter van zynen Schoonzoon voor zich zélven ten huuwelyk, die zo wél door een tédere vriendschap, als een dubbel belang aan zynen Schoonvader verplicht, hem zyne Voordóchter noet konde, nóch wilde weigeren. En alhoewél dat de verzoeker ruim eens zo oud, én de verzóchte Dóchter, niet veel meer als vyf én twintig jaaren had, hebben zy een geruime tyd, zeer gerust, vriendelyk én vergenoegd, te saameb geleefd; want gelyk hy een schrander én oprécht man was, heeft hy zyne kinderen, niettégenstaande het Tooneelspeelen, in alle goede tucht, én gehoorzaamheid opgebragt, én ook kinderen by deeze zyne laatste vrouw naagelaaten. Aldus zyn deeze twé halsvrienden, aan malkanders Dóchter getrouwd, de een dés anders Schoonzoon, én te gelyk ook élkanders Behouwdvader geworden. En ’t geen hier by néch aanmérkens waardig word geoordeeld, is, datze beide als Gevader stonden over de Dóchters waar méde zy getrouwd waaren.
    De Catastrophé, óf ontknooping van de Wanhebbelyke Liefde, heeft meerder overeenkomst met de Geschiedenis van La Mere Cocquette, én behelst de Episodia, óf byverdichtselen, nóch twé huuwelyken, die in het Fransche stuk niet noodig waaren; het eene van de Vader met de Moeder, én het andere van Adriaan met Agniet; wélke laatste als byverdichte persoonen, hierniet onnuttelyk zyn ingebragt, dewyl zy alleen, de ontwarron uitvoeren. Voor ’t overige is’er de waarschynelykheid in waargenomen, én de Zédeleere, om aan de buitentydige trouwlusten in hooge ouderdom met ongelyke jaaren, een afkeer te verwekken, doorgaans krahtig genoeg uitgedrukt, om diesaangaande niets verders te zeggen. Sommige spreekwyzen, die eenigzints ruuw, óf aanstootelyk gevonden wierdemn, hebben wy veranderd, óf geheelyk daar uitgelaaten. Aan veele rymwoorden, die dikwils kort na malkanderen gebruikt werden zyn zonder den zin te krénken, gehee;e andere rynklanken gegeeven, vólgens de lés van den geleerden Franschen Tooneeldichter den Heer Pierre Corneille, die niet goedvindt dat men zich van een, én het zélve rymwoord bediene, voor én al eer dat’er zéstig régels voorby zyn. Een uitgelaten halve régel, die in eenen verwérpelyken bydruk, (Pag. 29.) met ontélbaare letter fouten, was overgeslagen, is in deezen twéden druk, ingevuld, én het Kluchtspél doorgaans in de onderscheidenlyke spelling, én spreeken, naar ieders Karakter, verbétert; zynde in de persoonaadje van Geertrui in acht genoomen, op de zélfde wyze gelyk wy inde nieuwe uitgifte vanden Vryer in de Kist, ten opzichte van Dibberig, hebben gedaan, vólgens Horatius Flaccus Dichtkunst, in 8e. Pag. 11.

Veel zal ’t verscheelen óf een meester spreekt óf knécht,
Of ook een staatig man die weet het geen hy zégt,
Of dartel Jong’ling; een Vórstin, óf Minnemoeder;
Een sneedig Koopman, óf onnozel Schaapenhoeder;
Een Spanjaard, óf een Pool, een Fransman, óf een Deen.

    Deeze waarneming zal, om de overeenkoomende gevoeglykheid, altyd behaagen.

Maar maakt een dichter, dat zyn Speeler anders spreekt,
Dan zulk een, in wiens staat, én kl;eederen hy steekt,
’t Ruim, geleryen, bak, én huisjes zullen schaat’ren
Van lacchen, om zulk mal, én buitensporrig snaat’ren.

    Dit raakt eigen;yk het wérk van een Tooneelpoeët: het vólgende vaers van den weêrgaâloozen Dichter den Heer van Vondel, eertyds boven de schoorscheen vande Speelders kamer, achter het oude tooneel geschreeven:

        Het zy gy speelt voor stom, óf spreekt,
        Lét altyd in wat kleed gy steekt.

behélst, in weinige woorden, eene zeer leerzame, én nutte lés voor de Tooneelspeelders, die, naar de eigenschap der Persoonaadje dieze verbeelden, gekleed, zich zélven in al hun bedryf én gebaarden, zoodaanig moeten schikken, dat die volmaaktelyk overeenkomen met de waarheid, óf de waarschynlykheid der Geschiedenisse, sie ze verbeelden.
    Onze voortreffelyke Tooneelspeelder Hr. Hermanus Koning, die voor geen Fransche Moliere, Poisson, nóch Romainville, behoeft te wyken, én als een uisteekend voorbeeld, van anderen behoorde gevolgd te worden, bezit deeze kunst in den hoogsten graad, én heeft in zyn vermogen een ongevoelig hart tót médelyden der onderdrukten te beweegen, een wéderom het allerzuurste aangezicht aan ’t lachchen te bréngen, zo ménigmaal als hy in Treur- en Blyspél, het Tooneel betreedt; én onder anderen in dit Kluchtspél, de ról van Joost, wélke niet kwakzalverachtig, nóch kinderachtig mal, gespeeld mag worden, zeer natuurlyk, tót groot genoegen van verstandige aanschouweren, vertoont.

        VERTOONERS.

JOOST, Weeuwenaar, Vader van Hendrik.
HENDRIK, Zoon van Joost, Vryer van Lucia.
LUCIA, Dóchter van Geertrui.
ADRIAAN, Kozyn van Joost, Vryer van Agniet.
AGNIET, Nicht van Geertrui.
GEERTRUI, Weduw, Moeder van Lucia.

        Het Tooneel verbeeld het Huis, én de Buurt van
Geertrui, te Amsterdam.

        De Geschiedenis van het Kluchtspél, begint in de na-
midddag, én eindigt in de tyd waar in het vertoond kan
worden.




DE

WANHÉBBELYKE

LIEFDE.

KLUCHTSPÉL.
__________________________

EERSTE TOONEEL.
JOOST, HENDRIK.

JOOST.
IK zég nóch ééns, ’t zyn grillen al dat verliefd weezen.
HENDRIK.
’t Is waar Vader; maar jy waart ook verliefd voor deezen;
Want zonder dat hadje jou eigen meid niet getrouwd,
Daarje my by gewonnen hébt.
JOOST.
                                                ’t Heeft me ook genoeg berouwd.
(5) Daarom spiegelje aan my, én stél jou hart te vréden.
HENDRIK.
Zo myn liefde niet gegronder was, dan hadje réden;
Maar de Dóchter is myns gelyk, zy heeft veel goed;
Z’is schoon, zy magme wel lyen; én ik héb moed,
Zoje de moeder ééns over ’t huuwelyk aan wilt spreeken,
(10) Dat al die kwéstie wordt in een ommezien vergeleeken.
JOOST.
Wat kwéstie is ’er, Héndrik?
HENDRIK.
                                            Geen andere, Vader, als ’t géld,
Daar scheidtze niet graag van, zo ’t schynd, én dat stéld
De zaak alleenig uit: want ziet, waar zouden we van leeven?
Ik heb geen styl van doen.
JOOST.
                                        Maar hébje ’er al te verstaan gegeeven,
(15) Dat ik jou vyf én twintig duizend gulden mêe geven zou?
HENDRIK.
Ja, dat weet ze wél, Vader, maar ik weet niet, wat de vrouw
Schorten mag; ze onthaaltme wél, én ze wil niet toelaaten,
Dat ik haar Dóchter héb; dóch dat ik by heur kom praaten,
Daar bidze my altyd om, én dat met zulken genégenheid,
(20) Dat ik niet bedénken kan, hoe het wérk geleegen leid.
JOOST.
’t Vaders goed kan ze ’er Dóchter ommers niet onthouwen.
HENDRIK.
Zo is ’t Vader; maar zo we anders niet hebben zouwen,
Zou ’t sober omkomen: want haar man was eerst haar knécht
Die ze daar na trouwde.
JOOST.
                                        Is ’t de waarheid, datje me zégt?
HENDRIK.
(25) Ja Vader, en in ’t huuwelyks kontrakt wierd beslooten
Geen goederen nóch winst gemeen, én dat hy voor zyn kooten
Maar vyf honderd pond in gebragt had, niet meêr
Is nu haar Vaders goed.
JOOST.
                                        Wél Héndrik, hébje geen eer
In je lyf? jy na de Dóchter van een knécht te kyken,
(30) Een kaale schóft, én licht een knoet, een poep, óf zyns gelyken?
Dénkje niet omje vrinden, én jou kóstelyk geslacht?
En hébje geen schaamte, dat jy dat zo weinig acht?
Een kaalvinks Dóchter! een kaalvinks Dóchter! ’k stóp myn ooren.
Neen, dat ’s óf, dat ’s óf, zwyg, zwyg; ik wil ’er niet meêr van hooren.
HENDRIK.
(35) Laat me tóch nóch een woord spreeken.
JOOST.
                                                                        Wél nou, wél nou,
Wat wouje zeggen?
HENDRIK.
                                Wat was tóch jou zalige vrouw?
JOOST.
Dat was jouw Moeder.
HENDRIK.
                                Met réden; maar van waar gekomen?
JOOST.
Wat weet ik het, ’k héb ’er myn leeven niet na vernoomen.
HENDRIK.
Van Wéstfalen, Vader, zo heeft ze me dikwils zélf vertéld.
JOOST.
(40) Wat wouje daar méê zeggen?
HENDRIK.
                                                        Hadze niet méê veel geld?
JOOST.
Al haar goed was haar eigen.
HENDRIK.
                                                Maar hoe kwam jy by ’er,
Om met haar te trouwen?
JOOST.
                                        Zy was Vryster, én ik was Vryer.
HENDRIK.
Dat is de vraag niet; maar was zy te vooren niet jouw meid?
JOOST.
Wél wat óf deeze béngel, dénk ik, daar aan geleegen leid?
HENDRIK.
(45) Ik wil zeggen, wy hebben malkander niet te verwyten,
Nóch ons geslacht hoog op te haalen, óf heel wég te smyten;
Nóch haar Dóchter, nóch jou Zoon, nóch myn Vaar, nóch haar Moêr.
’t Is loot om oud yzer, hui is karremélks broêr.
Men maakt hier zulken staat niet meêr van oude geslachten,
(50) ’t Is waar, die ’er van af komen, willen zich doen achten;
Maar wanneer men het te deeg met een bril beziet,
Myn lieve Vader, ’t is ’em dat eyereeten niet,
Om zich wéderom met diergelyke stammen te paaren,
O neen; maar ’t is om met die kwinkslag schatten te vergaaren:
(55) Want komt ’er een boerenrékel, én heeft hy goed,
Of een Dóchter van schoorsteen- óf stilleveegers bloed,
Zo de Vaâr maar goude kluiten nalaat, én dat met hoopen
Zo kunnen zy zich gemakkelyk in een tréffelyk huis verkoopen.
Vader, Vader, ’t géld is de leus hier te Amsterdam,
(60) Die dat heeft, verziert men haast wapens, én een oude stam.
Als by éksempel, haar Vaders naam was Hans Vlégel;
Een goude vlégel op een azure véld, mét deeze régel,
Ik schei het kooren van ’t kaf; óf een diergelyke zin,
Is straks een goet wapen; én zo raak ’er de Edelman in.
JOOST.
(65) Maar jy zégt, dat haar de moeder niets van ’t hare wil schénken?
HENDRIK.
Als jy haar aanspreekt, Vader, zal zy zich wél bedénken;
Zy staat licht op haar reputatie, én begeert misschien
Een behoorlyk verzoek, dat jy myn aan komt biên.
JOOST.
Maar zo dat miste, én wierd ik ook eens afgeslagen?
HENDRIK.
(70) Dan was ’t maar, als ’t nu is.
JOOST.
                                                      Ik myn reputasie waagen
Aan een kaale knéchts Dóchter, én bot vangen? heel niet;
Ik moest eerst verzékerd weezen, dat ’et gaan zou. daarom ziet,
Dat j’et zo verr’ brengt, dan zal ik me laaten beweegen;
Anders zal ’er niet van vallen. En spreek me daar in niet teegen.
HENDRIK.
(75) Ik héb ’t zo verr’ gebragt, als ik het immer bréngen kan.
JOOST.
Wél zo laat het ’er by steeken, én spreekt ’er geen meer van.
HENDRIK.
Ai, Vader, gaat ’er tóch; Kozyn Adriaan zal ’er zich ook laaten vinden
Met zyn Vryster, heurlui Nicht, om het wérk aan te binden,
Zy hebben ’t my beloofd. Ai Vader, doe ’er tóch ’t uwe toe,
(80) En héb médelyden met myn liefde.
JOOST.
                                                            Hendrik, maak me ’t hooft niet moê,
’k Zég, dat ik myn reputatie zo niet in gevaar wil stellen.
HENDRIK.
En jouw Zoons leeven wél? want het zal me zo kwellen,
Dat ik niet langer begeer te leeven, zo ik af moet staan;
Maar ik zal daat’lik in den oorlóg tégen de Fransman gaan,
(85) En een eerelyke dood zoeken, in plaats van een kwynend’ leeven:
Want myn liefde, weet ik wél, zal my tóch nooit begeeven.
JOOST.
Ja wél, die liefde leid jou béngels altyd wél in ’t hoofd;
Nóchtans is ’t een krankzinnigheid, die jou de zinnen beroofd.
Dat jy je niet inbeelde, dat je verliefd moest weezen,
(90) Je zoudt van geen liefde weeten, nóch veur geen liefde vreezen;
Maar wees verliefd, én blyf verliefd, zo ’t zo weezen moet;
Dóch zie na een andere Dóchter, én na meêr goed.
HENDRIK.
Och, z’is te schoon! haar oogen zouden ’t wreedste hart verleijen;
En daar is goed genoeg, wou ’er de Moeder maar van scheijen.
(95) Haar schoonheid...
JOOST.
                                    Nou schoonheid, straks liefde; ja wél, ja wél!
Jy jonge béngels bent zót, ik spring schier uit myn vél.
Nou, ik moet dat schoontje eens zien, én ik ga de Moêr spreeken;
Maar Héndrik, jy zult me daar na ’t hooft niet meêr breeken,
Zo ik van de lavuit kryg; dat gaat ’er zo na toe;
(100) Hoor je wél, Héndrik, maak me daar na ’t hoofd niet moe
Met al dat liefde, én schoonheid, én al zulke zótte grillen:
Want je zult daar na willen moeten, dat ik zal willen.
Versta je dat?
HENDRIK.
                        Ja vader, ik zal ’t doen; en ik beloof ’t,
Maar doe haar het verzoek tóch met geen onbezadigt hoofd,
(105) En geef de Moeder geen réden van u af te zetten.
JOOST.
Ja, dat beloof ik je, ’k zal myn bést doen, én op myn woorden letten.
Dat ’s gang. kom jy hier over een half uurtje weêrom,
En wacht me hier dan zo lang, tót dat ik weêr uit den huize kom.
HENDRIK.
Ai Vader, houd myn liefde tóch geduurig in de zinnen.
JOOST.
(110) Ja, ik zal. Dat liefde.... liefde.... dat schoonheid.... dat beminnen....
Die béngels! die lékkers! schoonheid.... liefde.... wat een dolligheid!
Nou ’k mag aan klóppen, dewyl ’t tóch zo geschapen leid.


TWÉDE TOONEEL.
JOOST, LUCIA.

JOOST.
GOeden dag, Dóchter, kan ik Jufvrou Geertrui eens spreeken?
LUCIA.
Neen, Moeder is niet in.
JOOST.
                                        ,, Héndrik heeft wél uitgekeeken.
(115) ,, Wat brust me die jongen! Wat zég je, is Moeder niet in.
LUCIA.
Neen, maar zy zal straks weêr thuis zyn.
JOOST.
                                                                    ,, Ja wél, na myn zin
,, Is ’er geen mooijer Engeltjen op de waereld gebooren!
LUCIA.
Wat praatje by jou zélf, bén je moeijelyk, dat je een verlooren
Gang gedaan hebt? wacht maar een oogenblik, myn Heer.
(120) Zy kan niet uitblyven; binnen een kwartier is ze hier weêr.
JOOST.
,, Dat ’s een middeltje! dat ’s een mondje! dat zyn oogen!
LUCIA.
Wat schort ’er, myn Heer?
JOOST.
                                        ,, Och, die dat meisjen eens zou moogen....
,, Ja wél, was ’t myn Zoons Liefste niet!....
LUCIA.
                                                            Wat praat je, by jou zélven al?
JOOST.
Ik zég, dat ik wat by jou praaten, én jou Moeder wachten zal.
(125) Héb jy geen kénnis aan my?
LUCIA.
                                                        Neen, naar myn béste weeten.
JOOST.
Maar myn Zoon, die kénje wél?
LUCIA.
                                                Hoe is die tóch geheeten?
JOOST.
’t Is Héndrik, die jou vryd, spélt hy me geen leugens op de mouw.
LUCIA.
Ik had niet gedacht, dat ik van daag ’t geluk ontmoeten zou
Van zyn Vaders byzyn, én blyf hem veel dank daar voor schuldig,
(130) Dat hy my die eer doet aandoen.
JOOST.
                                                            Hy is zeer onverduldig
Om u te bezitten, én heeft my gebéden met hart, én ziel,
Dat ik jou Moeder ééns aanspreeken zou, óf ’t haar geviel
Een eind van dit vryen te maaken, én dat kwam ik haar vraagen.
LUCIA.
Dan is uw boodschap al gedaan, én uw Zoon afgeslagen.
JOOST.
(135) Hoe dat zo?
LUCIA.
                                Ik zég, indien ’t aan myn Moeder mogt staan:
Want zy heeft deze mórgen zeer tégen my aangegaan,
Hoog gezeid, én gezwooren, zy zou me niet een spéld meê geeven
Zo ik met Héndrik trouwen wou, ja zy zou ’t haar leeven
Niet toelaaten, zo lang als zy het maar beletten kon;
(140) En ze gaf geen réden ter waereld, als haar wil; ’k begon
Moeijelyk te worden, én zei, dat uw Zoon my zeer vereerde
Met zyn aanzoek, én vraagde, waarom zy ’t niet begeerde?
Maar zy gebood me kort te zwygen, én zwoer met één,
Dat zy éér stérven zou, als my met hem in ’t huuwelik te zien tréên.
JOOST.
(145) Maar behaagt hy jou wél?
LUCIA.
                                                Zou hy me niet behaagen?
Geen braaver jongman, als hem, zag ik van al myn dagen.
Wou jy hem maar tien duizend pond méê geeven, myn heer,
Dat we met gemak leeven kosten, geen geluk begeerde ik meêr
Als dat ik zyn Vrouw tégens, óf mét Moeders wil, mogt geraaken.
(150) Ik bén de eenigste Dóchter, én Moeder kan my geen basterd maaken;
Maar zy kan nóch lang leeven, al is ze schier zéventig jaaren oud:
Want zy is ’t leeven gewénd; daarom, myn Heer, zo gy woud,
Gy hébt uw Zoon maar tien duizend pont méê ten huuwelyk te geeven
Voor hem, én voor my, dan konnen we saamen leeven:
(155) En ’t goed van myn kant moet éndlyk komen, dat ’s gewis.
Zo dat het kontant géld maar de eenige schorting is.
Met tien duizend pond, heeft hy my in behouden haven.
JOOST.
Maar dat heet zich zélf by zyn leevendig lyf begraaven!
Meest al zyn goed wég te geeven, zo lang men leeft;
(160) Hy doet al veel, die vyf én twintig duizend gulden geeft,
En maar gemeene middelen heeft: want je moet weeten,
Ik heb geen Goudmyn, al heet ik ryk, én wél gezeeten.
Alle kwaâ schulden afgerékend; én ’t land, als ’t nu geld,
Zou ’t styf hondert duizend haalen; én hy is al wél gestéld,
(165) Die dat zuiver heeft.
LUCIA.
                                ’t Kan dan geen tien duizend pond weezen?
JOOST.
Dat weetje wél béter.
LUCIA.
                                            Ik bén dan ook niet te beleezen,
En ik verzoek u, myn Heer, zo wél als uw Zoon, nooit meer
Na my om te kyken, want het is schaadelik aan iemands eer,
Zo wél jongman, als jufvrouw, malkanderen op te houwen
(170) Heele jaren lang, sonder hoop van malkander te trouwen;
En myn geneegenheid tót hem is alreê, al te groot.
Verschoon my dan, dat ik hem afsla, ’t geschied uit nood.
JOOST.
Maar wist ik jou een Vryer mét een tonnetje op te speuren,
Zou je hem wél hebben willen?
LUCIA.
                                                    Dat kon lichtelyk gebeuren,
(175) Want nu Moeder my aan uw Zoon Héndrik niet geeven wil,
Zal zy my haar leeven niet uit trouwen; én dat wékt een gril
In myn zinnen, dat ik lyen kan, nóch verdraagen.
JOOST.
Maar hy heeft wat jaaren, dat zou jou misschien mishaagen;
En dewyl ik hoor, dat jy vreest niet haast getrouwd te zyn,
(180) Zou jou een jonge kabouter béter behaagen, als een ouwe gryn.
LUCIA.
O neên! ik zoek alleen van Moeders dwang te bevryden,
En hoe oud dat myn man ook was, hy hoefde te geener tyden
Voor ontrouw, óf oneenigheid te vreezen: want ik zie alleen
Op iemand, daar ik eerlyk méê leeven kan, én op anders geen.
JOOST.
(185) Daar héb ik je te liever om; maar mag ik je al vertrouwen?
LUCIA.
Ik ben gewénd te speeken als ik meen, én myn woord te houwen.
JOOST.
,, Och! dorst ik!... maar is ’t fatzoen, de liefste van myn Zoon?...
LUCIA.
Wat praat je weêr by je zélf.
JOOST.
                                                ,, Ja wél, wat is ze schoon!
LUCIA.
Wat révelje?
JOOST.
                        Ik zég, ’t zyn ongelooffelyke zaaken,
(190) Dat zulk een jong ménsch zich met een oud man zou vermaaken.
LUCIA.
Och! ik zou heel wél, indien hy sléchts geen parten over hem had.
JOOST.
Geef me daar de hand op, zo je ’t meend, én beloof me dat.
LUCIA.
Ik moest hem ten minsten eerst zien.
JOOST.
                                                            Wél, zie my eens in myn oogen.
LUCIA.
Wél wat is ’t nu?
JOOST.
                                Hy lykt my op, énd op.
LUCIA.
                                                                      Ei! zonder loogen?
JOOST.
(195) In der daad; én hy is van de zélve jaaren, als ik.
LUCIA.
Het is my vry oud; maar dat hy me sléchts één oogenblik
In zulke zinnen aantrof, als nu, ik zou hem ’t jawoord geeven.
JOOST.
Héb jy een ring by jou?
LUCIA.
                                        Ja tóch, myn Heer, ik ben myn leeven
Niet zonder ring, én ’k wénste wél, dat ’et myn trouwring was.
JOOST.
(200) Zie daar, uit de naam van die Vryer, komt het jou te pas,
Bied ik je deeze ring op trouw aan, én wil de uwe ontfangen.
LUCIA.
Neen, ik moest de man eerst zien, ik zal me zo niet verhangen.
JOOST.
Zie my aan; ik ben de man zélf.
LUCIA.
                                                Gy, myn Heer! én meend gy het al?
JOOST.
Ja, hou jy me jouw woord, ik zweer, dat ik ’t myne ook houwen zal.
LUCIA.
(205) Maar uw Zoon?
JOOST.
                                    Die heeft ommers geen hoop van jou te krygen.
Ik wil al myn goed niet wég geeven: én om hem te doen zwygen
Weet ik raad: want hy heeft my beloofd af te staan,
Indien ik van de lavuit kreeg; én ik héb myn bést gedaan,
Alsje weet. Ook is hy geschikt, én laat hy zich niet gezeggen,
(210) Zal ik hem het vuur wél nader aan de scheenen leggen,
Ik zal hem dreigen te ontérven.
LUCIA.
                                                    Maar ’t voegt niet, in der daad.
JOOST.
Wat voegen? neem de ring maar; nou neem aan, wat een praat!
Is hy Vryer, ik bén Weêuwenaar; én het trouwen
Staat my zo vry, als hem: neem aan maar, ’t zalje niet rouwen:
(215) Want de som, die ik hem méê ten huuwelyk had beloofd,
Zal ik jou tót een duwarie maaken.
LUCIA.
                                                          Maar...
JOOST.
                                                                      Rust jou hoofd,
Zég ik nóch ééns. Ik zal jou ook zulke fraaije juweelen koopen,
Dat jy van myn Zoon, nóch niemand zoo veel zoud durven hoopen.
Boven dat héb je me jouw woord gegeeven; andersints
(220) Had ik me zo niet geopenbaard. Neem aan, bénje kindsch?
LUCIA.
Geef dan, én neem de myne; maar ik doe ’t, als gedwongen.
JOOST.
Dat dan bezégeld mét een kusje. Liefste, je zult sprongen
Van me zien, die je niet vermoed had! Ik ga zo na de Barbier:
Je zult zien, wat een man dat ik nóch bén, al lyk ik schier
(225) Een Béstevaâr. ’k Heb weinig meêr als zéstig jaaren,
En ik vind me zo vreemd gestéld!.... Ik zalje dat wérkje wél klaaren!
LUCIA.
Maar stellen wy een wys op onze zaaken, om Héndrik
Te bevrédigen, én myn Moeder te doen toestaan, dat ik
Jouw Vrouw met haar wil worden mag.
JOOST.
                                                            Ik zal dat wél maaken,
(230) Want zy zal bly zyn jou zonder duimkruid kwyt te geraaken.
Evenwél, om ’t behoorlyk respékt zal ik myn Neef
Adriaan, bidden, dat hy haar de zaak te kennen geef,
En ’t huuwelik verzoek.
LUCIA.
                                        Neen, Liefste, Moeder heeft nukken:
Dat het Adriaan, door Agniet zyn Vryster, laat doen, zal béter lukken.
(235) ’t Is onze Nicht, én die veel op ’t hart van Moeder vermag.
JOOST.
Wysselyk geraaden! ’k Zal ’t hem verzoeken nóch van deezen dag;
En met één, dat hy Héndrik zoek te vréden te stellen,
Om dat het een gedaane zaak is, én jy hem tóch vergeefs zou kwellen.
Nou, een Adieu kus, dat gaat ’er na toe, maar daar komt hy aan,
(240) Stél jou gerust, én laat alle dingen op my sléchts staan.


DERDE TOONEEL.
ADRIAAN, JOOST.

ADRIAAN.
WEl Kozyn, dat is me zéker lief, dat Héndriks dingen
Zo wél staan; ’k wéd wél, de knécht zal van vreugd uit zyn vél springen.
Om dat jy zyn Vryster zo bemind, dat jy ze kust.
Is zyn huuwelik klaar?
JOOST.
                                        Ha, ha, ha!
ADRIAAN.
                                                            Zo vrolyk?
JOOST.
                                                                            Ziet me de lust
(245) Niet ten oogen uit?
ADRIAAN.
                                            Ja dóch; héb je ’t met Geertrui konnen stellen?
Zal ze goed mêe geeven?
JOOST.
                                          Neen, ik moetje heel wat anders vertellen.
Praat een uurtje met me, ’k hébje noodig, Kozyn Adriaan.
ADRIAAN.
Ik bén tót uw dienst; maar ik moet zo tót Geertruiden gaan,
By haar Nicht Agniet, myn Vryster, die daar moet weezen,
(250) Om uw Zoons zaaken voort te zetten, én ik zou vreezen
Die geleegenheid te verzuimen: want ik moet met haar,
Geertrui zien te persuaderen, zo word het huuwelyk klaar.
JOOST.
Geertrui is niet t’huis.
ADRIAAN.
                                        Ja, maar zy kon daatelyk komen.
JOOST.
Gaan we maar een burgwalletjen om; onder de boomen
(255) Zal ik ’t je zéggen Kozyn. Houwen wy haar terwyl in terwyl ’t oog,
Of ze kwamen: want dat je ’t weet, daar is myn hoog
Aangelégen, myn Zoon....
ADRIAAN.
                                            Daar komt Agniet uit het straatje
Met Geertrui. Adieu Kozyn, ik zie ze houwen een praatje,
En ik zal het zo allerbést, met een slingerslag
(260) Te pas bréngen.
JOOST.
                                    Je mogt doen, dat ik niet zeggen mag;
Ik moet jou eerst wat zeggen, anders zou je ’t heel verknóllen.
Ik héb zulke vreemde tydingen! ô, ’t zal je zo bóllen!
Je zoud een verkeerde boodschap gedaan hébben, in der daad.
Ook mogt je ’er steuren: want zy zyn vry drók in haar praat,
(265) En, na ’t lykt, zullen ze ’er zo haast niet uitscheijen.
ADRIAAN.
Wel al wat u belieft Kozyn, ik laat me van u leijen.
JOOST.
Zy zyn ons schier op ’t lyf! Kom Kozyn, deeze wég in.
Myn Zoon Héndriks Vryster, én ik, hébben in ’t zin....


VIERDE TOONEEL.
AGNIET, GEERTRUI.

AGNIET.
WAarom wilt gy Héndrik dan belétten met uw Dóchter te trouwen,
(270) Zo je geen krachtige rédenen hébt om het te weêrhouwen?
GEERTRUI.
Bén ik ’et schuldig te zéggen?
AGNIET.
                                        Neen; maar ’t zou wél voegen, Nicht.
GEERTRUI.
Zie, zy zél hem niet hebben, én ’t bennen zaaken van gewicht,
Die ’t me beletten, én die ik kan, nóch mag, nóch wil zeggen.
AGNIET.
Licht dat ’er oude kwéstiejen tusschen Joost, én u leggen?
GEERTRUI.
(275) Neen, Joost roerd me niet.
AGNIET.
                                                    Schort het dan an Hénderik?
GEERTRUI.
Ja, daer schort ’et me, én die maalt me in ’t hooft élken oogenblik.
AGNIET.
Heeft hy u belédigd?
GEERTRUI.
                                    O neen, ’t bennen hiel andere zaaken.
AGNIET.
Hebben ze hem licht een Poppetje t’huis gebragt?
GEERTRUI.
                                                                        Wat zou myn dat raaken?
AGNIET.
Is hy ook érgens verloofd?
GEERTRUI.
                                            Verlooft? Altoos niet dat ik weet.
AGNIET.
(280) Is ’t een dronkerd?
GEERTRUI.
                                        Neen, gantsch niet.
AGNIET.
                                                                    Of Dóbbelaar?
GEERTRUI.
                                                                            Och! niet ien beet.
AGNIET.
Of heeft hy lichtelyk and’re gebreeken, én verhoolen kwaalen?
GEERTRUI.
Wél myn lieve zoete Nicht, wat meugje al uit jou kruin haalen!
Wat ziekte? wat verhoole gebreeken? zyn vél is ekleurt
Zo koel, zo zacht, én van geur as een Parzik; ’t is wél ebeurd,
(285) Dat hy me ezoend het; maar ’t is niet uit te spreeken,
Zulken geur als hy over hem het.
AGNIET.
                                                        Wat mag hem dan ontbreeken?
GEERTRUI.
Niet ien zier ontbreekt ’em, hy is récht als ien kaers, hy is lang;
Morellen ziet men in zyn oogen, karssen op zyn wang,
En paerlen op zyn tanden; zyn haer mag men gelyken
(290) By gekruld gouddraed. Men zou géld an de knécht verkyken!
AGNIET.
Ik mérk waar ’t schort; jy misgunt hem uw Dóchter tót bruid,
En bemint hem zélf.
GEERTRUI.
                                Wat héb ik ezeid? maar ’t is ’er uit.
’K héb me daer leelik verklapt, ik bekén ’t; maar zonder logen,
Ik was daer al hiel buiten myn zélven op etoogen.
(295) ’t Is waer, ik bemin hem, én kén ’t niet gebéteren ook;
Hiele nachten waart hy veur myn oogen, als een spook.
Dan dénk ik, dat hy myn hier vatten wil, én daer spreeken;
En word ik wakker, dan zie ik, héb ik leelik mis ekeeken.
AGNIET.
Maar Nicht, dénkje wél op ’t geen je zégt, én ’t geen je doet?
(300) Dénkje wél om jouw ouderdom?
GEERTRUI.
                                                            O ja! ik héb nóch zo jongen bloed
In myn lyf, as jy, óf iemend.
AGNIET.
                                                Wél nicht, jy maakt me verwonderd!
Jy verliefd, én je hébt zo veel jaaren?
GEERTRUI.
                                                            Wél, noch gien honderd.
AGNIET.
Hoe veel minder?
GEERTRUI.
                                Vierendartig.
AGNIET.
                                                    Ja, zo veel min.
Dat ’s zés én zéstig. Maar hoe komt jou de dolheid in ’t zin?
GEERTRUI.
(305) Dat weet ik niet, Agnietje. Maar hy lykt van lyf, én léden
Zo nae men Man zaliger, die ook zo mooi, én besneeden
Van tronie was, dat Héndrik myn altyd an hem dénken doet:
Want al was die maar ien droogscheerders knécht, én ien knoet,
Hy had lichchaams, én verstands genoeg om ien vrouw te behaagen.
AGNIET.
(310) Maar geloof jy, dat jou de malle liefde wél zal slaagen?
GEERTRUI.
Wél ja, toen ik myn Man kreeg, was ik vyf én veertig jaar,
En hy pas twintig, sints ben ik weinig veranderd.
AGNIET.
                                                                                  Maar
Dat is nu ruim twintig jaar geleeden, én daar én boven
Was die maar jouw knécht: jy moet van een rykmans zoon gelooven
(315) Dat die andere gedachten heeft, én wat jongs begeert.
GEERTRUI.
Maar myn goed is sédert wél de hiele hélft vermeerd.
Laat zien, myn Kapetaal, óf erékend de kwaê schulden,
Is nou wél ruim honderd én zéstig duizend gulden.
Daar uit kén veur hum vallen, wanneer hy me trouwt,
(320) En ik te stérven kom, ten naesten by een Tonnegoud:
Want ik zou hem ’t huuwelyks kontrakt nae zyn zin laeten maaken,
En in zulken gelégenheid valt ’er wél wat te raaken.
AGNIET.
Ik hoor je aan met een open mond! Jy oude liê gelooft,
Dat de jonge lui zyn, als jy lui; én dat haar ’t hoofd
(325) Niet hangt, als over schatten te verzamelen, én te bespaaren;
Maar gy mist; laat hem liever met uw Dóchter paaren,
En geeft haar behoorlyk goed méê, indienje hem wél bemint:
Want jy maakt kwaade gissing, dat hy zo ontzind
Weezen zou, én een vrouw van zes én zéstig jaaren trouwen.
(330) Behalven dat, moet jy jouw reputatie in achting houwen.
Wat zouden de luiden niet zeggen, én al jouw geslacht?
Hébt wat schaamte, én maak niet, dat élk een met u lacht.
GEERTRUI.
Ze meugen lachchen, die willen, ik zél altyd wél belétten,
Dat hy myn Dóchter niet krygt.
AGNIET.
                                                    Zo zyt gy dan niet om te zetten?
GEERTRUI.
(335) Neen Nicht, al heel niet, ’t zy jy ’et goed vind, óf kwaed.
AGNIET.
Ik Zou je évenwél raaden.....
GEERTRUI.
                                            Hoor Nicht, loop heen mit jou raed,
Daer ze die van doen hebben, én daer ze die begeeren.
Bén ik niet oud genoeg, dénk ik? óf zou ik van jou moeten leeren,
Wat ik doen, óf laeten zél? Hoor Nicht, ik hébje gezeid
(340) Hoe ik het gaeren had, waer ’t me zit, én waer ’t me leit.
Wil je me hélpen, hiel wél; wil je niet, pasjénsie;
Maer wil je me teugenstaen, zo houdje vry uit myn prézénsie;
Anders bén je me wellekom; zie, dat ’s daer méê uit.
Daer komt jouw Vryer an, jy waert ook gaeren de Bruid;
(345) En ’t staet myn zo vry, as jou. Nou ’k mag van je scheijen,
Je weet, wat ik je gezeid héb, lég ’et over met je beijen.


VYFDE TOONEEL.
ADRIAAN, AGNIET.

ADRIAAN.
GOeden dag, myn Engel, wat schort uw Nicht? is ze kwaad?
Me dunkt schier, datze u, met een boos hoofd, verlaat.
AGNIET.
O! ik moetje zo wat zeggen!
ADRIAAN.
                                            Maar laat my eerst eens spreeken,
(350) Je zult zo ophooren! Daar zal zulken bommel uitbreeken!
AGNIET.
Met myn niet minder; maar daar zie ik Héndrik gaan,
Hy komt wél te pas; ’t gaat hem voor alle and’ren aan.


ZÉSDE TOONEEL.
HENDRIK, ADRIAAN, AGNIET.

HENDRIK.
Ik bén uw Dienaar, Jufvrouw Agniet; de uwe van gelyken
Kozyn Adriaan. Hoe sta je me beide zo aan te kyken?
(355) Is het aan, óf af?
ADRIAAN.
                            ’t Is slimmer, als af.
HENDRIK.
                                                      Waarom? hoe dat?
ADRIAAN.
Je hébt van jouw leeven geen wonderlyker tyding gehad!
AGNIET.
De myne is ongelooffelyk!
ADRIAAN.
                                          De myne buiten gedachten!
HENDRIK.
Jy geeft me duizend doodsteeken! Ai, doet me niet wachten.
AGNIET.
Wél hoor: jouw Liefstes Moeder is op jou verliefd.
HENDRIK.
                                                                      Die Tootebél
(360) Op my verlieft! Wat komt my over? Och, ik dócht het wél,
Dat ’er iets schuilen moest, dat ik niet kon begrypen!
O Hémel! wat raad?
ADRIAAN.
                                Myn tyding zal u nóch wél anders nypen.
HENDRIK.
Kan my grooter ramp overkomen, Kozyn Adriaan?
Ik weet, dat ze me nu haar Dóchter nooit toe zal staan.
ADRIAAN.
(365) Al stond ze u haar Dóchter toe, het zou je niet baaten.
HENDRIK.
Ik verzoék niet meêr; wou ze me dat maar toe laaten,
Ze mogt me beminnen, zo lang ze wilde.
ADRIAAN.
                                                                    Met één woordt,
Haar Dóchter heeft zich verloofd.
HENDRIK.
                                                        Zwyg Kozyn, óch, je vermoord,
Je vermoordme! Verloofd! maar aan wie dóch? doet het me weeten.
(370) Kén ik hem?
ADRIAAN.
                            Ja, zo wél, als u zélf.
HENDRIK.
                                                            Hoe is hy geheeten?
ADRIAAN.
Jy noemt hem Vader.
HENDRIK.
                                    Myn Vader aan Lucia verloofd?
Och vrienden, staat me by!
ADRIAAN.
                                          Sus, sus, Héndrik, stélje hoofd
Wat geruster, je zoud dol worden; én ’t zyn zaaken
Die gedaan zyn, én die men dus niet anders kan maaken.
AGNIET.
(375) Ik weet nóch eenige raad.
HENDRIK.
                                                Wat raad? ze is verloofd, zo je zégt,
En dat aan myn Vader! Och, ik ongelukkige knécht!
Was ’t myn Vader niet, ik zou hem hals, én beenen breeken.
AGNIET.
Ik zég, dat ik eenige raad weet, maar laat me voort spreeken.
HENDRIK.
Och, hébje raad, zo geef ze me. ’k Val om vér, uit ontstéltenis.
AGNIET.
(380) Je moet weeten dat Geertrui zo op jou verslingerd is,
Als geen jong ménsch weezen kan, ga jy haar vryen.
HENDRIK.
Is dat die goede raad? héb ik niet genoeg aan dat ééne lyen
Van myn Liefste te missen? zou ik nóch met die ouwe Babyn,
Dat tandelooze vél trouwen?
ADRIAAN.
                                                          Neen, Héndrik Kozyn,
(385) Ik zie wél, wat myn Engel zeggen wil.
HENDRIK.
                                                                        Wat wil ze zeggen?
ADRIAAN.
Zy hoopt daar door, uw Vaders huuwelyk te ontleggen.
AGNIET.
Zo is ’t: want men zal niet toe laaten, dat een Vader ’t kind
Van zyn Zoons Vrouw trouwt; men is niet ontzind,
Of dol in dit Land, om dat te dulden: én veel minder
(390) Dat een Moeder haar Schoonzoons Zoon trouwt. Wat hinder
Is ’er te vreezen?
HENDRIK.
                            Je hébt gelyk, ik bedankje voor die raad.
Ik kan dat wél vatten. Maar Jufvrouw Agniet, mag ik staat
Maaken op jouw woorden? Is ’t met Geertrui zo geleegen
Als jy me zégt, én zou ik haar haast daar toe konnen beweegen?
AGNIET.
(395) In een oogenblik Héndrik, gaat ’er maar zo daatelyk by.
HENDRIK.
Hoe! zo daatelyk? op een sprong?
AGNIET.
                                                      Ja, zég ik, én boodschap vry
Uit myn naam, hoe dat zy ’er my zélf heeft om gebéden
Jou daar van aan te spreeken, én was ’t doenlyk te overreeden.
Wy zullen jou hier wachten. Ga, maakt ’et maar klaar, wél hoe?
(400) Hoe staje nu? ’t is met een snap beschikt.
HENDRIK.
                                                                            Dat gaat ’er dan na toe.


ZÉVENDE TOONEEL.
HENDRIK, GEERTRUI.

HENDRIK.
GOeden dag, Jufvrouw Geertrui.
GEERTRUI.
                                                        Goedendag, Héndrik. Myn aâren
Gaen open, as ik je zie! Komje niet in?
HENDRIK.
                                                                Ik zouje gaaren
Een woordje spreeken.
GEERTRUI.
                                        Wilje niet after by jou Vryster gaan? zég.
HENDRIK.
Wat Vryster?
GEERTRUI.
                      Lusytje, myn Dóchter.
HENDRIK.
                                                            Neen, die liefde is al wég;
(405) Ik hébje wat anders te zeggen. Lusytje is myn Vryster
Niet meer. Zy heeft zich aan een ander verloofd.
GEERTRUI.
                                                                              ’t Is te byster!
Zy haar verloofd? En buiten myn weeten, én niet an jou?
HENDRIK.
Neen; maar aan myn Vader.
GEERTRUI.
                                            Wat doet zy wysselyk! ik zou
Dat nooit op ’er vermoed hebben, zo wél te kiezen!
HENDRIK.
(410) Ik dócht, dat u die tyding uw geduld zou doen verliezen.
GEERTRUI.
Wél wat praat is dat? zy het ’er zélf béter besteed
Als ik doen kén, zy zél daar warm zitten, lykje weet.
Jouw Vader is ryk, én oud, én wys. Zulke voetstappen
Diende jy ook te vólgen. Men mag praaten, én klappen,
(415) Zo men wil, twie jonge lui dienen malkander niet,
Zo wat getémpert is béter. Myn lieve Héndrik, ziet,
Daarom had ik jou te lief, om je an myn Dóchter te geeven.
Maar heeft je jou Vader daar jouw lés niet fraai veur eschreeven?
Dat jy ook nae ien fraaije bejaarde Huismoeder zócht,
(420) Zou jy alzo kwaelyk doen?
HENDRIK.
                                                        Neen, ’t was, daar ik ook om dócht;
En daarom kom ik éxprés uit, om u te vryen:
Want een jong lóshoofd lang op te passen, is een lyen,
Dat my al sédert anderhalf, óf twee jaaren verdriet.
Behalven dat, heeft my zo daadelyk uw Nicht Agniet
(425) Vertrokken, dat ik in uw gratie stond, én zo ik ’t waagde,
Dat ik ’t jawoord krygen zou, door dien ik u behaagde.
GEERTRUI.
Och ja, zo doeje; én nou te meêr, om dat je wysselyk
Na ien vrouw ziet, die bezaadigd is, staatig, én ryk;
Daar je méê behouwen kent blyven, én ien man mit eeren.
(430) En behalven dat alles, óch wist je het karésseeren,
Dat een bedaagde Vrouw an ien jongman doet, óch Heer!
Ik ben verzékerd, jy wénschten op der aerde niet meêr.
Ook zulje alles hebben, watje maar wilt bedingen
In ’t huuwelyks kontrakt: want jy zélt ’er méê omspringen
(435) Nae jou lust, én zinnelykheid, daarom zie, wat je begeert.
HENDRIK.
Niet, als dat je deeze ring neemt, én my de uwe vereert;
Wél verstaande op trouw, én om ’t kontrakt te doen beschryven,
Zal ik dan voort gaan, én pas een ommezien uit blyven.
GEERTRUI.
Daer is myn ring, geef me de jouwe nou, én ien zoentje toe.
HENDRIK.
(440) Neen, daar, neemtze sléchts zonder die sirkomstantien.
GEERTRUI.
                                                                                              Wél hoe!
As men malkaâr trouw geeft, zou men dan niet iens kussen?
HENDRIK.
Dat zal daar nae béter val hebben.
GEERTRUI.
                                                            Ja, jy wilt zéggen tusschen
De witte lakens; jy hébt gelyk ook.
HENDRIK.
                                                          Nu Jufvrouw, ik ga
Het kontrakt laaten maaken.
GEERTRUI.
                                            Zég ten minsten Liefste.
HENDRIK.
                                                                                  Ja, ja.
(445) Liefste wil ik zeggen.
GEERTRUI.
                                    Nou Liefste, laet me tóch niet wachten,
Of ik zou van opréchte ongeveinsde liefde versmachten.
Wat hangt me al vreugd boven ’t hooft! Myn longen, én ingewand
Luiken op, as ien Roos, én staen in lichte klaare brand!
Wél Héndrik, ik gae dan in huis, én zél me zo wat opkwikken;
(450) Ik bin al mooijer as ik lyk.
HENDRIK.
                                      Ik ga myn boodtschap beschikken.


ACHTSTE TOONEEL.
HENDRIK, ADRIAAN.

HENDRIK.
TOe is de deur! Kozyn, Kozyn, waar is Jufvrouw Agniet?
ADRIAAN.
Door dien ze uw Vader ginder zag, was ’t, dat ze me zo haastig verliet,
Om my by hem alleen te laaten, óf ik hem kost beleezen;
Dóch zy heeft gezeid, dat zy hier daatelyk weêr zal weezen.
(455) Maar Kozyn, hoe staje met Geertrui?
HENDRIK.
                                                                    Zie Kozyn, deeze ring
Héb ik op trouw van haar.
ADRIAAN.
                                          Dat behaagt me zonderling.
Maar uw Vader is dichte by. Kom, je moet me verlaaten;
Ik zal zien, over wat boeg dat ik ’et wénd’, om hem te bepraaten.
HENDRIK.
Vaar wél dan, Kozyn, voor een oogenblik: want ik kom
(460) Zo aanstonds weêr, óf ’t nood deê, én ga maar een straatjen om.


NÉGENDE TOONEEL.
JOOST, wat jeugdig, dóch niet buiten-
        spoorig opgeschikt,
ADRIAAN.

JOOST.
GOeden dag, Kozyn Adriaan.
ADRIAAN.
                                                    Wél, dus uitgestreeken,
Kozyn? je bént heel verjongd.
JOOST.
                                                      Zo doe ik, Kozyn. Eleweeken
Ik beloof myn allerliefste zulken dageraad!
Maar zég me tóch, hoe dat ’et al met Héndrik staat?
(465) Ik zie, hy verlaatje. Gaat hy hem licht’lyk voor zyn Vader verschuilen,
Om zyn kwaad hooft niet te toonen, gaat hy daarom zo heen pruilen?
’t Is een groote wysheid van hem.
ADRIAAN.
                                                                Och Kozyn! zou Héndrik
Kwaat zyn? neen! gantsch niet, hy is wonderlyk wél in zyn schik.
JOOST.
Is ’t wél moogelyk! dat is me zéker lief te hooren.
(470) O, ’t is een vroom kind! nooit heeft hy me gezócht te verstooren:
Ja geen Vader op de waereld heeft zulk een geschikte Zoon!
ADRIAAN.
Ik bekén het; maar hy wénschte wél, dat gy tót loon
Van zyn geschiktheid hem toe woud laaten te trouwen
Die hy wilde; want hy is ’er door zyn woord aan gehouwen.
(475) Hy heeft zich zo straks verlooft, én bad me, dat ik je ’er om bidden zou.
En daarom ging hy wég.
JOOST.
                                        Verloofd! maar is ’t ook een ryke Vrouw?
ADRIAAN.
Zy heeft wél anderhalve Tonnegouds.
JOOST.
                                                                    Wélk een wysheid
In een jonge bloem! ja wél, hy beschaamt myn ouwe grysheid!
ADRIAAN.
Maar ’t is een Wéduw met één kind.
JOOST.
                                                            Wél, wat schaad dat?
(480) Het géld maakt het goed.
ADRIAAN.
                                    Ook is ze al vry bejaard.
JOOST.
                                                                                Wat, wat,
Te meer weet ze van huishouwen. Ik mérk de kneepen!
Ik wist niet, waarom hy me by zyn Liefstes Moeder wou sleepen;
Hy wou licht aan, óf af wezen, om dat hy op dit verlooven stond,
Na ik nou zie. Wél, wat doet hy alles op een goede grond!
(485) Ik verblyme zulk een Zoon te hebben: want Kozyn, om récht uit te spreeken,
Ik vreesde dat hy een stók in ’t wiel van myn huuwelyk zou steeken.
Maar zo ik het wénsch, én begeer, valt alle dingen uit.
Zéker, ’t is een vroom jongman. Maar wie is tóch zyn Bruid?
ADRIAAN.
Uw Bruids Moeder.
JOOST.
                                Die fielt! wat heeft hy daar begonnen?
ADRIAAN.
(490) Het was straks zulk een vroom jongman.
JOOST.
                                                                        Ik had me niet wél bezonnen.
Want wie zou dénken, dat hy zulke dingen aanvangen zou?
ADRIAAN.
Hy neemt een éksémpel aan uw toekomende Vrouw.
JOOST.
Wat éksémpel? neem ik myn Vaders toekomende Moeder?
Wat gelykenis is dat? En bén ik zyn Vader niet? Jy bént vroeder
(495) Als jy praat, Kozyn.
ADRIAAN.
                                    O ja, ik weet wél, dat het gantsch niet past.
JOOST.
Wél, dat dénk ik wél!
ADRIAAN.
                                    Maar Kozyn, zie, ’t gaat méê vast,
Dat het u niet past na uw Zoons Liefste te kyken;
Daarom zo ’t hém niet past, past het u ook niet van gelyken.
Dés zoud’ ik u raaden van uw Vryster af te staan,
(500) Dan was hy met goede rédenen van de zyne ook af te raân.
JOOST.
Goê rédenen, óf kwâ rédenen, ’k zég, ik zal niet lyen,
Dat hy me dat affront doen, én myn Liefstes Moeder zou vryen.
ADRIAAN.
Wat vryen, Kozyn? hy heeft ’er al trouwbelóften van.
JOOST.
Heel wél; maar ik moet zien, óf ik dat niet belétten kan.
ADRIAAN.
(505) Zo jy ’t hem belétten kunt, zal hy u ook licht konnen beletten
Met zyn Vryster te trouwen.
JOOST.
                                        Zo hy hem daar tégen wil zetten,
Zal hy zyn légitime porsie maar hebben, Kozyn,
Of pér denatie intervives, want het myn is het myn,
Zal ik ’t aan een kant maaken; én évenwél zal hy me niet weeren
(510) Met Lucytje te trouwen.
ADRIAAN.
                                    Dan zal hy ook lichtelyk, tégen uw begeeren,
Met Lusias Moeder trouwen; én zy heeft wél zo veel goed,
Dat, indien zy dan de zélve wég ingaat, als jy doet,
Zo zal hy meêr op u, als gy op hém, konnen winnen.
Maar geloof me, bedaarje, én dénk met bezaadigde zinnen,
(515) Of ’t niet béter waar, dat gy u alle beide raaden liet,
En met malkander ruilde.
JOOST.
                                        Kozyn, zie daar, dat doe ik niet,
Al zou Stad, én Land, hól over ból, ja ’t onderste boven raaken.
ADRIAAN.
Zyt gy dan niet te raaden?
JOOST.
                                            Al te maal vergeefsche zaaken.
ADRIAAN.
Wél Kozyn, hoor dan toe mét wat minder ongeduld.
(520) Als men ’t al zeggen zal, uw Zoon heeft wél de minste schuld;
Dat oude vél heeft hem de poppen in ’t hoofd gesteeken:
Want zy heeft hem lang bemind, én deeze kans afgekeeken,
Door dien dat haar Dóchter zich aan u had ondertrouwd.
Die oude Tovenaarster heeft u al deeze verwarring gebrouwd.
JOOST.
(525) Kozyn, ik geloof wél, dat het waar is.
ADRIAAN.
                                                                          Wél te weeten:
Want uw Zoon is immers niet krankzinnig, óf bezeeten;
Zy heeft hém liefdekruid ingegeeven, dat is gewis;
Dat die jongman zo op dat verzoorde vél verslingerd is.
Daarom zou ik ’er zo straks gaan overhaalen, én zo doorstryken,
(530) Dat zy vreezen zou, én schrikken na uw Zoon om te kyken.
JOOST.
Dat had ik ook in ’t zin; zy zal wél afstaan, als ’t naauwt,
En ik haar zo aan boord lég.
ADRIAAN.
                                                    Wakker dan, eer uw yver verflaauwt.


TIENDE TOONEEL.
GEERTRUI, Jeugdig, dóch niet buiten-
        spoorig opgeschikt,
JOOST.

GEERTRUI.
GOeden dag, myn Heer, wat is jou vraagen?
ADRIAAN.
                                                                            Myn vraagen,
Oude Tovenaarster, dat is, wat veur Drommelsche laagen
(535) Jy op myn Zoon geleid hébt, dat hy krankzinnig, én mal
Geworden is?
GEERTRUI.
                        Wat Zoon?
JOOST.
                                            Héndrik, die jou trouwen zal,
Zo ik het niet belét; want was hy niet betovert, én aan ’t raazen,
Zou hy, op zulk een vermuft stuk vlees, niet dénken te aazen.
Kyk, hoe ze ’er opgehémeld heeft! dat ’s een staaltje! dat ’s een beeld!
(540) Foei, schaamje, dat je zo de vroome lui heur kinderen ontsteelt.
GEERTRUI.
Zo bén jy dan Joost, de Vader van Héndrik, myn Vryer?
Wél, jy hébtje méê niet leelyk toeëtaakeld, as ien Snyer,
Of Kwakzalver. Jy bént ien fatsoentje, récht uit ezeid;
Al bénje geschraapt: jy lykt ’er wél ien, om een fluksche meid,
(545) Als myn Dóchter, op te passen! Wie my niet durft schélden!
Kom jy nóch veur myn oogen, én durf jy jou anmélden?
Jy ouwe Suzannesboef, hébt myn ienige Dóchter verleid,
En verwyt myn, dat jou Zoon myn vryt? wél dat ’s ien schoon bescheid!


ELFDE TOONEEL.
LUCIA, JOOST, GEERTRUI.

LUCIA.
HY heeft me niet verleid, ik héb hem begeerd, moet gy weeten;
(550) Daarom schéld myn Bruigom niet, óf ik zou licht vergeeten
Dat ik uw Dóchter bén: want dat hem raakt, gaat my méê aan,
En ik bén min gehouden een Moeder, als een Man, voor te staan.


TWAALFDE TOONEEL.
HENDRIK, JOOST, LUCIA,
GEERTRUI.

HENDRIK.
WEl, zo bén ik ook gehouden myn vrouw voor te spreeken,
JOOST.
Hou den bék, béngel. Kyk, waar hem déze jongen in wil steeken!
(555) Dénk, dat jy myn Zoon bént.
JOOST.
                                                        Dénk, dat jy de myne haast weezen zult.
LUCIA.
Maar dan zal ik uw Moeder weezen.
GEERTRUI.
                                                            Wacht je myn geduld
Te térgen, Kladdegat, óf ik zweer, ik zélje doen voelen
Mit déze vuisten, dat ik jou Moêr bin, én myn moet zo koelen
Datje weeten zélt gekastyt te weezen, daarom houwje mond.
JOOST.
(560) Begin dat ééns, Hól-oog, Rimpelvél.
GEERTRUI.
                                                    Wél Lam-lénden, schieven hond!


DERTIENDE én laatste TOONEEL.
ADRIAAN, AGNIET, GEERTRUI,
        JOOST, HENDRIK, LUCIA.

ADRIAAN.
FOei, schaamt u wat, malkander zo op de staat uit te luchten.
AGNIET.
Nicht, gaan we in huis, eer dat ’er vólk vergaârt.
GEERTRUI.
                                                                                          Wat vólk? Zulke kluchten
Récht me die onverstandige oude Rammelaar uit!
Hy komt me veur myn deur uitfunsen. Is dat niet een schavuit?
JOOST.
(565) Verdien je ’t niet, met my myn eenige Zoon te onthouwen?
HENDRIK.
Jy hébt ongelyk, ik zal haar uit myn eigen vrye wil touwen.
JOOST.
Deeze Béngel valt myn altyd in myn woorden.
HENDRIK.
                                                                                Wél hoe!
Wat beelt gy u in, dénk ik? Komt my de eer zo wél niet toe
Als u, van eerst te spreeken? zal ik uw Vader niet haast heeten?
JOOST.
(570) Dat zal ik wél beletten; én buiten dat moet je weeten,
Al had jy myn Vrouws Moeder; én ik de Dóchter van jouw Vrouw,
Dat ik jouw ouder bén, én ’t eerst spreeken my passen zou.
GEERTRUI.
Wél dan zou ’t myn veur jou allegaâr te saamen passen.
JOOST.
Maar ik bén een man.
GEERTRUI.
                                    Ja, dat varken zellen wy jou ook wél wassen,
(575) Waer zie jy myn Liefste veur an? Ik wéd hy zyn Vaâr beschaamt
Van manheidshalven; én dewyl het dan zo betaamt,
Dat de mannen ’t woord voeren, zo laet ik hem veur myn spreeken.
LUCIA.
Wél zo aan de jaaren van myn Liefste iets mogt ontbreeken,
De twintig jaaren, die ik oud bén, voeg ik ’er dan by.
JOOST.
(580) Wél bedócht, die by myn zéstig, maakt tachtig.

LUCIA, tégens GEERTRUI.
                                                                                      En jy
Hébt maar zés én zéstig, dus schiet ’er effen veertien over.
JOOST.
Daar heeft myn Liefste gelyk in.
HENDRIK.
                                                            Zy kan haar niet grover
Verzinnen: want zo zy haar jaaren by de uwe zét,
Zét ik myn vierentwintig, by myn Liefstens, dat ’s négen bét
(585) Als jy met je beijen.
GEERTRUI.
                                          Daar valt niet teugen te kediezen,
Dat ’s uit, wy moeten eerst spreeken. Bekén je ’t te verliezen?
JOOST.
Wél ja, ik bekén ’t. Spreek eerst dan: wat is jouw wil?
ADRIAAN.
Met verlóf, Vrinden, zwyg allebei eerst een weinig stil,
En zét uw verschil aan ons, wy hoopen het by te léggen.
HENDRIK.
(590) Ik bén ’er méê te vréden.
JOOST.
                                                Ik houw my ook aan jouw zeggen,
Kozyn Adriaan.
GEERTRUI.
                            Ik ook Agnietje Nicht.
LUCIA.
                                                                En ik méê.
ADRIAAN.
Hoort eens Vrinden: ik zie in der eeuwigheid geen vréê
Tusschen u lieden, indien één van déze huuwelyken
Voortgang nam: want het schynt van de réden te wyken,
(595) Dat men u alle vier aan malkander trouwen zou,
En dat een Zoon zyn Vaders Schoonvader, óf een Dóchter de Vrouw
Van haar Moeders Schoonvader zou zyn. ’t Is tégen de wetten:
En om u de één tégen dés anders huuwelyk te zetten,
Hébt gy allebeide éven groote réden. Dies zult gy zien,
(600) Dat men u alle vier uw malle huuwelyken zal verbiên.
Te meêr, om dat uw kinderen, gelyk als gedwongen
Door uwe Wanhebbelyke liefde, die krullen, én sprongen
In ’t hoofd kreegen. En dus word gy aan al de waereld tót een spót.
Behalven dat, is ’t by uw lieder vrinden gewéldig verbród;
(605) Ik kom ze mét Agnietje daar zo daatelyk te spreeken.
Wy vertélden haar uw voorgenomen zót huwelyk. Hoe ze opkeeken,
Is niet uit te drukken; zy scholden zeer, én zwoeren met één,
Dat zy ’t niet lyden zouden, én dreigden u met uw twéên,
Dat zy ’er zich in steeken zouden, én de zaak zo betwisten,
(610) Dat jy alle vier Steêkind raakten, daar ze gemakkelyk raad toe wisten,
Zo ze zeiden; maar ook, wie van u vieren af zou staan,
Die zouden ze hélpen, om tégen d’onwillige aan te gaan.
Daarom verklaar ons, Héndrik, door dien gy eerst moet spreeken,
Na Joostneefs bekéntenis, óf gy dit huuwelyk wilt laaten steeken?
HENDRIK.
(615) Ja, liever, als van myn vrinden Steêkind gemaakt te zyn.
GEERTRUI.
Dénk wat je zégt, Liefste; kénje myn dat harteleed, die pyn
Aandoen?
HENDRIK.
                        Ik doe het gedwongen.
ADRIAAN.
                                                            En gy, Lusytje?
LUCIA.
                                                                                        Ik van gelyken.
ADRIAAN.
En gy Joost Neef, wat zégt gy?
JOOST.
                                              Ik sta vreemd toe te kyken!
Maar zouden ze my Steêkind kunnen maaken?
ADRIAAN.
                                                                                  Dat ’s gewis.
JOOST.
(620) Wél Kozyn, dan sta ik ook af, zo dat zo jouw meening is.
ADRIAAN.
En gy, Jufvrouw Geertrui?
GEERTRUI.
                                        Moet ik niet wél, al wouw ik niet willen?
Maar wat raed is ’er nou om die brand te koelen, én te stillen,
Die die échte opréchte kuissche liefde, onsteeken het in myn bloed?
JOOST.
En hoe maak ik het tóch? ik bén ook al vry heet gebroed!
ADRIAAN.
(625) Hoor Jufvrouw, wyl gy nóch moed hébt zo een jong kwant te behaagen,
En Kozyn, dat gy ’t ook met een meisje van twintig jaaren durft waagen,
Zo zoud gy malkanderen wél passen, én gy kost uw vuur van stroo
Eens hélder doen op branden. Daarom, vrinden, verstaat gy ’t zo,
Trouwt gy luiden malkander, én laat Héndrik met Lucytje paaren.
JOOST.
(630) Wél zie daar, ik bén te vréden, zo ’t Geertrui doen wil.
GEERTRUI.
                                                                                            Gaaren:
Want ik zie wél, dat ’er veur myn, aars niet van vallen zél?
ADRIAAN.
En gy Lusytje?
LUCIA.
                                Ik bén te vréden.
ADRIAAN.
                                                            Hoe gy, Héndrik?
HENDRIK.
                                                                                        Wonderlyk wél.
AGNIET.
Wél Adriaan, jy kunt met huuwelyk maaken omspringen!
ADRIAAN.
Dat wy ’t derde paar maakten, én méê voor de Roôdeur gingen?
(635) Wy zouden malkanders getuigen zyn, én ’t zou met één
Kósten, én moeiten doorgaan.
AGNIET.
                                                Daar is myn hand, ik bén ’er méê te vréên.

EINDE.

Continue