Nil Volentibus Arduum: De listige vryster. Amsterdam 1730 (oorspr. 1690).
Ceneton08399
Uitgegeven op 14 september 2003 door dr. A.J.E. Harmsen,
Universiteit van Leiden.
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.

Continue

[fol. π1r-π1v: blanco]
[fol. π2r]

DE

LISTIGE VRYSTER,

óf de

VERSCHALKTE VOOGD;

BLYSPÉL.

In Vaerzen aan byzondere maat, nóch rym gebonden.

[Vignet: Nil Volentibus Arduum].

T’ AMSTELDAM,
__________________________________

Gedrukt voor het KUNSTGENOOTSCHAP,
én te bekomen by DAVID RUARUS,
Met Privilegie 1730.


[fol. π2r: blanco]
[fol. π3r]

COPYE van de PRIVILEGIE.

DE Staaten van Holland ende Westvriesland, Doen te weeten, Alzo ons vertoont is by die van het Kunstgenootschap NIL VOLENTIBUS ARDUUM, t’Amsterdam, hoe dat zy Supplianten op het voorbeelt van Italiaansche, Engelsche en Fransche Academien, voor veel Jaaren niet zonder zorg, moeite en ongemeene kosten, hun Kunstgenootschap hadden opgeregt, tot opbouwing ende voortsetting van de Nederlandsche Taal- en Digtkunst, en dat ten zelven einde de Supplianten ende hunne Kunstgenootschap, Ook by continuatie van hun voorig Privilegie en Octroy, op den 14. Maart, 1707. door ons op nieuw was begunstigt, om geduurende den tyd van nog vyftien Jaren alleen, en met uytsluiting van allen anderen, te mogen drukken, herdrukken, uytgeeven en verkoopen, in zodanigen Formaat en Taale als het de Supplianten geraden zoude mogen vinden, alle de Werken van het voorgenoemde Kunstgenootschap, als toen reeds gedrukt, en in gevolg van tyd verder te maaken, te drukken, te herdrukken, uyt te geeven ofte te Verkopen, onder het voorsz. Opschrift van, NIL VOLENTIBUS ARDUUM, met verbod van alle contraventie, onder wat pretext zulks ook zoude mogen zyn; en dat op zodanige poene of straffe, als breeder by het zelve Octroy by Copie authenticq aan ons geexhibeert stont uytgedrukt. Ende dewyle het zelve Octroy op den 14. Maart, dezes Jaars 1722. stond te expireeren, en dat zy Supplianten, ofte wel die geene, die hunnent weege, het drukken en herdrukken van hunne Werken, hadden bekostigt gehad, nog met de zelve grootelyks waaren en bleeven beswaart, en zonderling door de onderkruiping van die géne, die niet tegenstaande, en in verachting van ons voorsz. Octroy hadden durven bestaan, de voorsz. Werken meede na te Drukken en te Verkoopen, hoewel zeer gebrekkelyk, en tot oneere van het Kunstgenootschap, en tot verachtering van de Nederlandsche Taal- en Dichtkunst; behalven dat ’er ook verscheide Stukjes en Werken thans op nieuws stonden uyt te komen, ende de voorige met Titul, Kunst-platen, Muziek en anderzints voorzien en verbeetert, op Nieuw stonden uyt te koomen, zo vinden zy Supplianten, bedugt zynde, dat zy door baatzugtige menschen tot merkelyke schade van de Geintresseerdens, al verder stonden Getraverseert en onderkroopen te werden, met en door het Nadrukken, ende anderzins; zig genootzaakt tot voorkoming van dien haar te keeren tot Ons, versoekende dat het Onze goede geliefte mogte zyn, het voorsz. Privilegie ende Octroy voor nog vyftien jaaren naar desselfs expiratie, zullende wezen den 24. Maart, dezes loopenden Jaars, weder te verlengen en te continueeren, op poene en straffe tegens de contraventeurs, daar by te statueeren; ZOO IS ’T, dat wy de saake ende ’t voorsz. Versoek over gemerkt hebbende, ende geneegen wezende ter beede van de Supplianten, uyt onze regte wetenschap, Souveraine Magt ende Authoriteyt, de zelve Supplianten Geconsenteert, Geaccordeert, en Geoctroyeert hebben, Consenteeren, Accordeeren en Octroyeeren haar by deezen, dat zy geduurende den tyd van vyftien eerst achtereenvolgen- [fol. pi 3v] de Jaren, zullende ingaan met den 24. Maart dezes loopenden Jaars, alle de voorsz. Werken, by continuatie binnen den voorsz. onzen Landen, alleen zullen mogen Drukken, doen Drukken, Uytgeeven en Verkoopen, verbiedende daar omme allen ende eenen iegelyken alle de voorsz. Werken in ’t geheel ofte ten deel te Drukken, naar te Drukken, te doen Naardrukken, te Verhandelen, ofte Verkoopen, ofte elders Naargedrukt, binnen den zelven Onze Landen te brengen, uyt te Geeven ofte te Verhandelen en Verkoopen, op Verbeurte van alle de Naargedrukte, Ingebragte, Verhandelde, ofte Verkogte Exemplaaren, ende een Boete van drie Duizend Guldens daarenboven te verbeuren; te appliceeren een derde part voor den Officier, die de Calange doen zal, een derde part voor den Armen der plaatze daar het Casus voorvallen zal, ende het resteerende derdepart voor de Supplianten, ende dit t’elkens zoo meenigmaal, als dezelve zullen werden agterhaalt, alles in dien verstande, dat Wy de Supplianten met dezen onzen Octroye alleen willende Gratificeeren, tot verhoedinge van hunne Schade door het Nadrucken van de voorsz. Werken, daar door in geenigen deele verstaan, den innehouden van dien te Autoriseeren ofte te Advouëren, ende veel min dezelve onder onze protexie, ende bescherminge, eenig meerder Credit, aanzien ofte reputatie te geeven, nemaar de Supplianten in cas, daar inne iets onbehoorlyks zoude influëren, alle het zelve tot haren Lasten zullen gehouden weezen te Verantwoorden, tot dien eynde wel Expresselyk begeerende, dat by aldien zy dezen Onzen Octroye voor dezelve Werken zullen willen stellen, daar van geene geäbbrevieerde ofte gecontraheerde mentie zullen mogen maken, nemaar gehouden wezen, het zelve Octroy in ’t geheel, en zonder eenige Omissie daar voor te drucken, of te doen drukken, ende dat zy gehouden zullen zyn, een Exemplaar van de voorsz. werken, Gebonden ende Welgeconditioneert te brengen in de Bibliotheek van onze Universiteyt tot Leyden, ende daar van behoorlyk te doen blyken, alles op poene van het effect van dezen te verliezen, Ende ten eynde de Supplianten dezen Onzen Consente, ende Octroye mogen genieten, als naar behooren, Lasten wy allen ende eenen ygelijken, dien het aangaan mag, dat zy de Supplianten van den inhouden van dezen doen, Laten, ende gedogen, Rustelyk, Vredelyk, ende Volkomentlyk genieten ende gebruyken Cesserende alle belet ter Contrarie. Gegeven in den Hage, onder onzen Groten zegele hier aan doen hangen op de zevenentwintigste January, in ’t Jaar onzes Heere ende Zaligmakers duysend zevenhondert en twee-en-twintig.

                            W. v. Wassenaar.

                    Ter Ordonnantie van de Staaten,

                        SIMON van BEAUMONT.


[fol. π4r]

VOORREDE.

DE stóf van dit Blyspél is getrókken uit l’Ecole de Maris; óf, Schoole der Mannen, van den Heer Moliere. Het had deezen naam mogen behouden ten aanzien van ménschen, die zich meer aan den schyn dan aan ’t weezentlyke vergaapen. Dóch ik heb groote réden gehad, om, niet alleen den naam, maar ook de schikkinge van dit wérk te veranderen, én aldus de waarschynlykheit te betrachten die ons verplicht geene zaaken buitens huis te vertoonen, die binnen ’s huis voorvallen; en met één de karakters der personaadjen waar te neemen; én andere omstandighéden die hier voorkoomen, naar den trant van onze tyden én zéden te schikken: een hoofdpunt dat van veelen verzuimt wordt, die ter naauwer noodt, sléchts eene vertaalinge, naar den ruuwen letterlyken zin, aan den dag bréngende, zig luttel hier méde bekommeren, zynde ook veeltyds niet magtig dit in acht te neemen. De Fransche Dichter heeft zich in dit Blyspél bediend van de Adelphi, óf Gebroeders, van Terentius, gelyk deeze de stóffe voor zyn Tooneelstuk ook genomen heeft uit den Griekschen Poëet Menander.
    Gelyk nu Moliere, den ganschen draad van dit Blyspél heeft gepast op de Fransche zéden van zynen tyd, hebben wy het onze, gelyk het de wélvoegelykheid vereischt, geschikt naar onzen tyd, om alle wanschikkelykheid wég te neemen. Dit Spél, waar in geene zédelessen ontbreeken, wordt voor één der béste stukken van Moliere gereekend, én gestéld névens zyn Mizantrope, l’Imposteur óf Tartuffe, én Les Femmes Scavantes, die hunnen Dichter groote eere én voordeel hebben toegebragt.


[fol. π4v]

VERTOONERS.

STEILOOR, Oudste,

GOEDAARD, Jongste,
} Gebroeders;
Voogden van
{ Ruffina,
    én
Willegond.
WILLEGOND, Zuster van Ruffina.
KATRYN, Meid
RUFFINA, Zuster
} van Willegond.
LEKKER, Knécht van Heerman.
HEERMAN, Vryer van Ruffina.
SLIK-OP, Notaris.

        Zwygende.

Twé Notaris Klérken.

    Het Tooneel verbeeld, in het Eerste Bedryf,
een kamer in het huis van Steiloor. In het Twé-
de, de huizen én de buurt van Steiloor, Heer-
man, én Slik-op. En in het Dérde én laatste Be-
dryf, een bovenkamer in Heermans huis.

    De Geschiedenis van het Blyspél begint ’s namid-
dags, én eindigt voor middernacht.



Continue

[p. 1]

DE

LISTIGE VRYSTER,

óf de

VERSCHALKTE VOOGD.

BLYSPÉL.
______________________

EERSTE BEDRYF.

EERSTE TOONEEL.

In een kamer van Steiloors huis.

STEILOOR, GOEDAARD, beide zittende.

STEILOOR, opstaande.
Hoor Broêr al dat gelél, dat talmen aan myne ooren,
Is lang genoeg, ik wil zo leeven, als ik wil;
        Leef jy naar jou zin, én zwyg stil:
Want zie, ik wil, nóch zel die taal niet langer hooren.
(5) Kyk Broer, al benje een jaar óf tien naa my gebooren,
        Zo benje, vatje ’t wel, naar alle schyn
        Vry oud genoeg om wys te zyn.
Ergo, daarom, zel ik jou in twé woorden zeggen,
        Hoe dat de zaaken by my leggen:
(10) Ik heb jou raad nóch jouw vermaaning niet van doen.
Ik volg myn eigen raad, én leef op myn fatsoen.
        Je meugt jouw raad aan and’re geeven;
Ik vind my wonder wel by myn manier van leeven.

GOEDAARD.
Maar élk belacht u, Freer.

STEILOOR.
                                            Dat is my onbekénd;
(15) Of die het doen, dat zyn maar gekken als jy bent.

GOEDAARD.
    ’k Bedank u Freer, én, ’k moet bekennen
Gy spreekt beleefd.

STEILOOR.
                                    Als ’t is; maar zég eens wat my scheelt?
Of moet ik my naar jouw bedillers zéden wennen!

GOEDAARD.
    Uw straffen aart die fraaije liên verveelt,
        (20) Uwe ommegang vol vieze grillen,
Uw staadig knorren, én uw eindeloos bedillen,
    Ja zelfs uw kleed, én vreemd fatsoen van dragt
    Maakt* u heel woest, én by elk een verächt.

STEILOOR.
Ik zég je hebt gelyk, jouw réden zyn vol kracht!
        (25) Ik moest, vólgde ik de zottighéden
Der waereld, my als jy, dus naar de mode kleeden,
Niet waer? je wout wel, naar dat ik jouw reên bezéf,
Dat ik een kante das droeg, én geen linnen béf:
    Een hoedje, gebórduurd, nét op drie haertjes,
        (30) Dat lósjes op een groote blonde pruik,
        Een aape troonitje doet zien ter sluik:
            In plaats van knévels, kattebaertjes.
        Een béf van Point, die, tót der menschen spót,
            Schynt door gevreeten van de mót.
(35) Een kamezool, própvol van gouwe én zilv’re bloemen.
Een rók met plooijen, die men wel een jak mag noemen;
        En mouwen, die de mouwen van een smous
            Beschaamen, als ze eens in de saus
        Gedoopt, een half pont vét verslinden.
(40) Al dit komt ons van dat verduivelt Fransch fatsoen.
            Een broek die als men ze aan zal doen,
    Door naauwte scheurt, én in de plaats van binden
        Wordt op de knie geróld, én élken schoen
Of veel te kort, óf eens zo lang, als ’t hoeft te weezen.
        (45) Vólgde ik al die vervloekte hovaardy,
            Dan was ik van uitlachen vry,
            Niet waar, Broêr? is ’t niet zo?

GOEDAARD.
                                                                Voor my,
Ik kleed my naar ’t gebruik, én ’k zou voor opspraak vreezen,
                Zo ik de ról van een Pedant
            (50) Wou speelen tot myn schaade, én schand:
        Want zie, my dunkt men moet zich altoos myën
Van eigenzinnigheid; myn’ meening is daarom
Juist niet van straks zo lós de nieuwe pronkeryën
En malle modens na te vólgen, neen, ik kom
            (55) Zo vér niet, dat ik alle weeken
Myn kleed verwérp en my staag in een nieuw zou steeken,
                Of nydig zyn zo ik op straat
        Zie dat het kleed een ander mooijer staat;
Neen; maar men moet zich naar gewoonte én réden voegen,
    (60) Om and’ren, én ons zélv’ te vergenoegen.
            Geloof my, Broêr, het doet sléchts kwaad
Aan hem, die koppig, steeds een vreemde wég in slaat.

STEILOOR.
    Dus praaten al die wulpsche en jongen gekken,
            Die al hun buitenspoorigheên
(65) In kleeding, ommegang, én zo voort, in ’t gemeen,
Alleenlyk met: Het is de Mode thans, bedekken.

GOEDAARD.
Monfreer, ’k geloof dat gy myn vrolyke aard benydt;
Dewyl gy stadig op myn’ kleeding schróllend zyt,
En met verachting steeds myn jonkheid my verwyt?
(70) Als óf, myn jeugd gedoemd om alle lust te derven,
Ik moest door spyt verkniest, al gaande én staande sterven.
Verwaarloost, slordig, én zo moei’lyk als een draak,
My zelv’ ontrooven een geoorelofd vermaak.
Maar gy, met uw verlóf, die tégen het betaamen,
(75) Een hooge spitse hoed, gelyk een huich’laar draagt,
        Gy zélf behoorde u wat te schaamen
Dat gy op al myn doen staag schimpt dus ongevraagd.
        Gy die hartnekkig tégens réden,
    Bespottende alle burgerlyke zéden,
            (80) Gekleed gaat als....

STEILOOR.
                                                    Of jy ’t veracht,
            Ik wil my houwen by de dragt
Zo als myn Grootvaâr, ja myn Grootvaârs Vaâr hem kleedden,
Ja spyt de waereld, draag ik zulk een hooge hoed,
Uit enk’le nédrigheid van een sinseer gemoed:
(85) Want aan ’t vergank’lyk is my ’t minste niet gelégen.
            Een wambus dat my sluit om ’t lyf,
Is voor de warmte van de maag een groot geryf:
Een ruime broek heeft zyn gemak, én voor de régen
Kan ik ’t wel stellen met een mantel zonder dégen.
            (90) Ook hou ik veel van schoenen die niet styf
De voeten knellen, óf door pynlykheid doen klaagen.
    Kortom, de nédrigheid is myn behaagen;
            En hy die zulks niet gaerne ziet,
            Die sluit’ zyne oogen, ’t raakt hem niet.


TWÉDE TOONEEL.

WILLEGOND, STEILOOR, KATRYN,
        RUFFINA, GOEDAARD.

WILLEGOND, tégens Ruffina.
(95) IK neem dien last op my, ik zal ’t uw Voogd wel vraagen.

STEILOOR tégens Goedaard.
Maar zacht!

KATRYN tégens Ruffina.
                        Wel hoe! meug jy geen menschen zien?

STEILOOR tégens Goedaard.
Kom dit wat heen!

RUFFINA.
                                O neen.

WILLEGOND.
                                              Gy hebt wel sléchte dagen,
Maseur.

KATRYN.
                Wel Jufvrouw! ’t is ien ongemien
Geluk veur jou, dat jy by Goedaard, niet by deezen
(100) Bedilal zyt geraakt!

RUFFINA.
                                            ’t Is wonder dat hy my
Van daag niet opsluit, naar gewoonte.

KATRYN.
                                                                    Sluiten? hy
Jou sluiten? wel hy mogt....

STEILOOR tégens Ruffina.
                                                Waar heen? wat zel dit weezen?
            Waar ga jy?

KATRYN.
                                Wel dat weet zy niet.

WILLEGOND.
            Ik vroeg myn Zuster óf zy héden
    (105) Zich met me, in dit mooi weêr, wat wou vertreeden,
            En zy....

STEILOOR.
                            Staat onder myn’ gebied.
Ga jy vry daar ’t je lust, ik zel ’t je niet beletten,
Maar jy, zo ’t jou belieft, blyf t’huis.

GOEDAARD.
                                                                Ei laat haar gaan
Daar ’t haar gevalt, Freer; Wil u daar niet tégen zetten.

STEILOOR.
    (110) Ik ben jouw dienaar, Broêr.

GOEDAARD.
                                                            Kunt gy dan niet verstaan
Dat me aan de jonkheid....

STEILOOR.
                                            Die is zót, én onervaaren,
En ként de waereld niet.

GOEDAARD.
                                            Is zy by Willegond
Dan kwalyk?

STEILOOR.
                        Dat zel ik wel zwygen; maar om rond
Te gaan, zy is hier wel.

GOEDAARD.
                                        Maar....

STEILOOR.
                                                    Maar! hoor, al dat maaren,
(115) Dat helpt niet: kyk, zy staat hier onder myn voogdy,
            En zel naar myne wetten leeven.

GOEDAARD.
My is die zélve magt op Willegond gegeeven.

STEILOOR.
            ’t Is zo; maar hoor eens Broêr, wat jy
        Beoogt, met haar dus wild te laaten loopen,
    (120) Dat is my onbekénd; haar Ouders die zyn dood,
            En dat haar Vader ons geboodt
Naauw toezigt op haar doen te neemen, wil ik hoopen
            Dat jou nóch niet vergeeten is.
            En jy geeft hier groote érgernis,
    (125) Dat jy jouw Willegond dus wulps laat leeven,
Daar ze aan haar Zuster een goed voorbeeld hoort te geeven.

GOEDAARD.
        Maar, Freer, my dunkt...

STEILOOR.
                                                Daar ’s luttel aan bedreeven.
            Wat dat jou dunkt; maar my dunkt, dat
            Indien ik iets te wénschen had,
            (130) Dat ik jou onder duizend ménschen
    Niet gekker als je bént zou willen wénschen:
            Want, zie eens, wat een onbescheid,
    Dat jy staag Willegond met zo veel vryigheid
By allerhande soort van maatjes laat verkeeren!
(135) Jy pronkt haar daag’lyks op met kóstelyke kleeren
            Naar dat de mode is. Wel, heel goed!
            Jy bent haar Voogd; maar kyk, ik moet
    En zal bezórgen dat Ruffina anders doet;
            Zy zal niet als op heil’ge dagen,
            (140) En Sundags in het zwart gekleed
    Te voorschyn komen, én daar buiten, datje ’t weet,
            Een huislyk wérksaam kleedje draagen,
    En blyven t’huis, gestaag tót iets te doen gereed.
Dus zal ik, zo ik d’ééne of d’aare tyd wou trouwen,
    (145) Haar tót een huis, én tót geen loopvrouw houwen.
Dit is het dat een maagd, die trouwen wil, behoort
Te doen: als op het huis te passen, styven, naaijen,
Haar koussen stóppen, én by leeg tyd koussen braaijen,
            Voor al, haar wachten niet een woord
            (150) Met andre Vryers ooit te paaten,
En zonder myn verlóf nooit slént’ren langs de straaten,
            O! ’t vrouwvolk, ’t vrouwvolk is zo zwak!

GOEDAARD.
            Maar Freer, het schynt schier aan uw réden,
Of ’t aan u stond, om met Ruffine in de echt te treeden
            (155) Zo gy maar woudt?

WILLEGOND.
                                                        Ja met gemak!

STEILOOR.
            Wel waarom niet? al woud ik strak.

GOEDAARD.
        Waarom? waarom? om dat de wetten
Zulks aan de Voogden in ons land beletten;
    Ten zy een maagd, juist mondig zynde, haar
            (160) Verkiezing, ’s Voogds verkiezing waar.

STEILOOR.
    Ik weet daar weinig van; maar in vertrouwen,
        Ik lach ereis met al die beuz’lery;
        Is ’t hier verboôn, het staatme t’Uitrecht vry;
En voor de rest weet ik haar wel in huis te houwen.

RUFFINA.
(165) Gy hebt myns weetens heel geen réden...

STEILOOR.
                                                                                Zwyg jou pry;
Ik zél jou leeren uit te loopen, zonder my.

WILLEGOND.
Maar zéker Heer...

STEILOOR.
                                Maar waar mag jy jou smoel in steeken?
Kyk, jy bent al te wys, dat ik met jou zou spreeken.

WILLEGOND.
            Ik ben, zo ’t schynt, by u verdacht
            (170) Van onbehoorelyke streeken,
En moet u, zo ’k Maseur eens zien wil, daarom smeeken.

STEILOOR.
Geensins, heel niet; maar hoor, neem op myn réden acht,
Ik zal klaar spreeken: jouw bezoek doet haar ontstichten,
        En daarom zo je jou voor altyd wacht
(175) Om hier te komen, zal je my op ’t hoogst verplichten.

WILLEGOND.
Wél, luister, ’k Zal u ook myn’ meening kort én klaar
        Doen hooren: ik heb haar nooit willen vraagen
        Of uw manier van doen haar kan behaagen;
            Maar ik verscheel zeer veel van haar,
(180) Om zulk een dwang, om zulk mistrouwen te verdraagen:
            En zeker ze is myn’ Zuster niet,
Zo ze al die strafheid met geen haat’lyke oogen ziet.

KATRYN.
Wél foei! ’t is schande, én ’t past an Turken én Barbaaren,
    Die in heur land het vrouwvólk dus bewaaren.
(185) Foei! op te sluiten? ’t is het wérk van een tieran!
            Wat beeld jy je in myn goeije man?
Daar ’s niemand die een vrouw haar eer bewaaren kan:
Zo zy oneerlyk is, vergeefs is al het sluiten
        Met wacht van binnen én van buiten.
        (190) Geloof me vry, wanneer een vrouw
        Haar man wil weezen ongetrouw,
De Drommel nóch zen moêr zel heur daar niet in stuiten.
        Het allerzékerste is, in deze staat,
Dat zich een man op de eer van zyne vrouw verlaat.
            (195) Kyk, de eer is boven alle dingen,
        Van zulk een vreemde én kwintige aard,
Dat zy alleenig van ons zélf wil zyn bewaard.
Was ik getrouwd, met een die me opsloot of wou dwingen,
Gantsch bloed! hoe zou ik hem de Koekoeks zang doen zingen.

STEILOOR.
(200) Wel nou, Leermeester, zyn deez’ lessen niet heel goed?
Dit hoorje met een stil én ongesteurd gemoed!

GOEDAARD.
Maar gy, Monfreer, kunt gy het scherssen niet gedoogen?
        Is ’t alles, wat zy heeft gezeid, niet waar;
            Het is ook alles niet geloogen,
            (205) De ménsch bemint de vryheid; maar
Door strafheid wordt een ziel nooit tot zyn plicht geboogen:
’t Mistrouwen, zórg, én wat de jaloezy verdicht,
De grendels, tralie, slót, én diergelyke zaaken,
Die zullen nooit een vrouw, of dóchter deugdsaam maaken;
(210) De eer, de eer alleen, houdt haar in heure pligt.
    Ik zouw wel hart’lyk voor de trouwheid vreezen
            Van eene vrouw die sléchts door dwang...

STEILOOR.
            Jou predikatie duurd vry lang.

GOEDAARD.
            Genoodzaakt, eerelyk most weezen.
            (215) Ik zou zég ik...

STEILOOR.
                                                Heb jy haast uit?

GOEDAARD.
                        En blyft by dit besluit,
Dat een die wys is, ’t hart moet van een Dóchter winnen:
            Want heeft ze een afkeer in haar zinnen,
            En wordt ze ons een gedwonge Bruid,
(220) Ze zal ons sléchts in schyn, in ’t hart een ander minnen.

STEILOOR.
                Al sprookjes van ’t Roodkousje.

GOEDAARD.
                                                                        Ik weet
Hoe dat de jeugd, heel zacht, al speelend onderweezen
Moet worden, dat men zich ook nimmer straf nóch wreed
Moet toonen als men haar berispt: want zie dit deed
(225) Van ouds de jonkheid voor het woord van deugd steeds vreezen,
En afschrik krygen, daar, in tégendeel, de jeugd
        Door zachtheid wordt gebragt tot eer én deugd.
Myn zórg voor Willegond heeft staag dit spoor gehouwen,
En vér van dat ik ooit, in zulk een téd’re ziel,
        (230) De minste misslag voor een misdaad hiel,
Durfde ik haar jonkheid wel wat vryigheids vertrouwen.
Zy ga na ’t Bal, of na de Schouwburg, daar ze ’er tyd
        In eerelyk vermaak met nut verslyt.
’t Gevalt my dat ze ’er kleed naar haare staat én jaaren.
(235) En ’k laat in haare keur, met wie zy wil, te paaren,
        Niet tégenstaande ’t récht van myn Voogdy:
Want anders is de trouw een dwaaze slaaverny.
Dóch zo myn staat én ook myn liefde haar behaagen,
Kan zy my trouwen, óf haar keur vry élders draagen,
                        (240) Indien ’t haar lust.
Op deeze wyz’ leeft de één én de ander heel gerust,
En geen van ons vindt stóf, nóch réden om te klaagen.

STEILOOR.
                Jouw woordjes zyn fluweel, én suiker zoet!

GOEDAARD.
Dit ’s myn verstand, my dunkt dat élk zo leeven moet,
    (245) ’k Verwerp het straf bestier van zulke ménschen
Die vaak de kinders na hun’ Ouders dood doet wénschen.

STEILOOR.
Maar hoor; de vrye toom die me aan de jonkheid geeft,
        Valt moeilyk om daar naa weêr in te trekken;
            En zy zal licht’lyk met jou gekken
(250) Zo die verand’ring in haar hart geen ingang heeft.

GOEDAARD.
Waarom veranderen?

STEILOOR.
                                        Waarom?

GOEDAARD.
                                                        Wel ja.

STEILOOR.
                                                                    ’t Lykt scheeren!

GOEDAARD.
Vindt ge iets in haar dat de eer, óf goede naam kan deeren?

STEILOOR.
Hoe! zo je ’er trouwt, zou jy haar, zonder jou verdriet,
            Die zélve vryheid in de kleeren
            (255) Behouden laaten?

GOEDAARD.
                                                        Waarom niet?

STEILOOR.
En laaten haar dan nóch by ’t jonge vólk verkeeren?

GOEDAARD.
Voorzéker.

STEILOOR.
                    Die zy dan ook somtyds weêr op de Thé
Of Koffi nooden zal?

GOEDAARD.
                                        Dat beurt wel.

STEILOOR.
                                                                    Op een Kaartje?

GOEDAARD.
Dat is ’t gebruik.

STEILOOR.
                                En dan een glaasje wyn?

GOEDAARD.
                                                                        Al meê.

STEILOOR.
(260) En somtyds wat bankét, pastei, óf mangeltaartje?

GOEDAARD.
        Gy hebt gelyk.

STEILOOR.
                                En als de maag
        Vol water is?

GOEDAARD.
                                Dan heeft men graag
Een kélkje Frontinjak.

STEILOOR.
                                        En dan aan ’t danssen?

GOEDAARD.
’t Is als gy zégt.

STEILOOR.
                        Dus leert men de ondeugd niet der Franssen
            (265) Alleenlyk; maar, récht uit gezeid,
Ons Holland overtréft der Fransen dolligheid:
            Want op een chaise, óf in een sleetje.
            Of op ’t bezoek sléchts van een Teetje,
            Gebeurd ’er somtyds wel een beetje,
        (270) In ’t afzyn van een vader, óf een man,
            Dat ieder juist niet raaden kan;
            Maar deuze lés zel jou niet baaten:
        Want jy zult Willegond haar vryheid laaten,
            Schoon dat een ieder jou bespót.

GOEDAARD.
(275) Het is zo.

STEILOOR tégens Goedaard.
                        Je bent gek; loop heen jou groote zót.

            Tégens Ruffina.
Ga jy na binnen toe, én hoor niet na dit praaten.


DÉRDE TOONEEL.

GOEDAARD, STEILOOR, WILLEGOND,
        KATRYN.

GOEDAARD.
’k Heb ’t u gezeid, ik zal my blind’lings op de trouw
            Verlaaten van myn’ vrouw;
        Dit ’s myn begrip, dus zal ik leeven.

STEILOOR.
        (280) Gants bloed! wat zou ’k ’er wel om geeven,
        Wat waar het goed, wat waar het goed,
                Wierd hy een Koekernoet!

GOEDAARD.
Ik ben onkundig wélk een lót my is beschooren.
                Maar zékerlyk het schort
            (285) Aan u niet, zo gy ’t niet en wordt:
Want naar uw wys van doen, zyt gy ’er toe gebooren.

STEILOOR.
Och arme spóttert, ik moet lachchen om die praat!
Zie jy maar toe, het is wel jonger wédervaaren.

WILLEGOND.
Hoor: zo ’t gebeurt, dat ik met Goedaard kom te paaren,
        (290) Behoeft hy niet te vreezen voor dat kwaad;
            Maar zo ’k met u als vrouw moest leeven,
Zou ’k zorglyk u daar van verzeek’ring durven geeven.

KATRYN.
            Het waar conscientie werk zo zy ’t hem deed;
Maar zulk ien ouwe Gryn daar is het aan besteed.
Katryn gaat met Willegond haastig wég.

STEILOOR.
            (295) Verbruste Vuilbek, jy meugt vreezen!

GOEDAARD.
        Hoor, Freer, je moet zo kwaad niet weezen.
            Heeft zy licht wat te stout gesmaald,
            Je hebt het op je hals gehaald.
Verander van humeur, geloofme, laat u raaden;
(300) Een vrouw óf dóchter op te sluiten kan sléchts schaaden.
Ik ben uw Dienaar, Freer.


VIERDE TOONEEL.

STEILOOR alleen.

                                            Je mogt de Drommel zyn!
Myn Dienaar? Dit ’s één Vólk! de één heel beroofd van zinnen,
        Durft zulk een ydeltuit beminnen,
    En deeze is al zo gék als hy. * O myn, o myn,
* Lekker komt heen én weêr, door de deur in de kamer kyken.
            (305) Ik lach me slap! Hoe kan ’t geschieden?
Zyn dienstboôn zullen nóch in ’t end die gek gebieden,
En myn Ruffyntje... maar, ik ga met heur op ’t land,
            Daar zel zy veilig wezen: want
            Haar Zus zou haar beploegd verstand,
(310) De lessen die zy door myn’ voorzórg heeft genooten
            Wel haast uit heur geheugen stooten.


VYFDE TOONEEL.

LEKKER, STEILOOR, HEERMAN.

LEKKER.
Hy ’s in deez’ kamer die Ruffina houdt beslooten.

STEILOOR, by zich zélf spreekende.
Is ’t niet beklagens waerd, hoe lang hoe meêr te zien,
’t Verdérf der zéden, zelf ook in bejaarde liên?

HEERMAN.
(315) ,, Ik spreek hem aan.

STEILOOR.
                                            In plaats, dat in voorgaande tyën
            De oprechte trouw, de zédigheid
            Gepreezen wierd, wordt lédigheid,
            Verkwisting, grootsheid, zotternyën....

HEERMAN.
,, Hy ziet my niet.

STEILOOR.
                                En meer ondeugden niet te lyën....

LEKKER.
(320) ,, Ik loof hy ziet niet wel uit ’t linker oog, myn Heer;
,, Groet hem van de andere zy.

STEILOOR.
                                                    Dit werk dat deugd niet meer!
            Na ’t land, na ’t land!

HEERMAN.
                                                Is hy stikziende?

STEILOOR.
            Neen, neen, het is zo hoog als ’t diende,
                ’t Gezélschap in de stad verleidt.
            (325) Maar wat is dit? myne ooren tuiten!
                Of is hier iemand die wat zeid?

HEERMAN.
        Myn Heer...

STEILOOR.
                            Op morgen wis na buiten;
Op dat... de Droes!... wat ’s dit? hoe komt dit volk toch hier?
De plaag noch toe!... ai, zie die hoed!... noch meer gezwier?
(330) Is ’t wel op my gemunt?

HEERMAN.
                                                Myn Heer, gy schynt verslagen
Dat ik zo inkom, én u geen verlof deê vraagen.

STEILOOR met een’ wreevelige stuursheid.
Dat ’s waar.

HEERMAN.
                    Dit onverwacht bezoek vindt gy licht vreemd?

STEILOOR.
Dat kon wel zyn.

HEERMAN.
                            Maar ’t is naar dat men ’t neemt.

STEILOOR.
Ik sta het toe.

HEERMAN.
                        Gy zult my lichtelyk verschoonen....

STEILOOR.
(335) Dat ’s hachchelyk.

HEERMAN.
                                        Dat ik u kom myn’ dienst betoonen,

STEILOOR.
Dat scheelt my niet.

HEERMAN.
                                    Dewyl ik onlangs in deez’ buurt
                Een wooning heb gehuurd....

STEILOOR.
Dat staat jou vry.

HEERMAN.
                                Vind ik my door de réden,
En door de kennis die ’k voor deez’, in Willemstad,
                (340) Heb met myn Heer uw’ Broêr gehad,
            Verpligt, om u myn’ dienstbaarhéden
                Op te óffren, als een trouw gebuur.

STEILOOR.
                Het zy dan zo; ter goeder uur.

HEERMAN.
            ’k Zag hem zo daat’lyk uit uw’ wooning treeden.
                (345) En ’t is op zyn verzékering
Van uw beleefdheid, dat ik récht na binnen ging.

STEILOOR.
Zo veel te sléchter.

HEERMAN.
                                Hy weet heuschelyk te leeven,
        En hen, van wien hy eer’ ontfing,
    Ook, op zyn beurt, behoorlyke eer te geeven.

STEILOOR.
    (350) Hy ’s oud genoeg, én meester van zyn doen.

HEERMAN.
        ’t Is zo, myn Heer, ’k heb daar niet tégen.

STEILOOR.
            Elk zoent zyn wyf op zyn fatsoen;
        My ’s aan een ander niet gelégen.

HEERMAN.
                Gy hebt gelyk, myn Heer, ik prys
(355) Uwe ingetoogenheit; maar hebt gy wel vernomen
                De goede tyding die ’er flusjes is gekomen?

STEILOOR.
                Een die voorzichtig is, én wys,
Bemoeit zich niet met loogentaal, én droomen.

HEERMAN.
            Ik sta het toe; maar voor ons land,
            (360) Dit nieuws....

STEILOOR.
                                        Voor liên van ons verstand,
Is geen ding nieuw.

HEERMAN.
                                Dit nieuws behélst gewénschte zaaken,
En word bevéstigd uit den Haag van hooger hand.


ZÉSDE TOONEEL.

STEILOOR, RUFFINA, HEERMAN
        LEKKER.

Heerman groet Ruffina, voor dat Steiloor haar ziet.

STEILOOR.
Dat weet ik niet; maar zou ik wel aan ’t dutten raaken?
    Of schémert my ’t gezicht? Hoe zel ’t hier gaan?
            (365) Ben ik betooverd; óf verraân?
Zyn hoed zwierd heen én weêr; ’t gezicht geeft geen goed téken!
Waarop heeft hy ’t gemunt, met al die zótte streeken?
Wie geldt dat nou? wat ’s dit?
                                Tégens Ruffina.
                                                    Hoe kom jy daar te staan?
Loop straks na binnen aan jou wérk....

RUFFINA.
                                                        Ik moet u spreeken.

STEILOOR.
    (370) Na binnen. Och, wat ’s dit!
                                Tégens Heerman.
                                                    Ik kom zo aanstonds weêr.
        Of loop maar heen, zo ik niet daatlyk keer.

HEERMAN.
Ik zal wel wachten, haast u niet om my, myn Heer.


ZÉVENDE TOONEEL.

HEERMAN, LEKKER.

HEERMAN.
Wat dunkt je van die gek?

LEKKER.
                                                Myn Heer, ik zel je zeggen:
Hy ’s vinnig, bits, én zal u hinderpaalen leggen.

HEERMAN.
(375) Ik raas van spyt!

LEKKER.
                                    Waarom?

HEERMAN.
                                                    Die Argus zal myn min
Verydelen, en haar opsluitende, zyn zin
Doen volgen door bedwang.

LEKKER.
                                                Ai, wil niet eensjes vreezen.
                Vermits dat deez’ jaloersche gék,
            Heel mak’lyk zal te doeken weezen,
            (380) Deur de ééne óf de andere slimme trék:
            Want dit ópsluiten, tégens réden,
Geeft u meer hoop, dat gy haar krygen zult tot vrouw.
En zo gy....

HEERMAN.
                        Maar, het is vier maanden reeds geléden,
Dat ik haar schoonheid heb gevierd, én aangebéden,
(385) En nooit gelégenheid gevonden, om myn trouw
Haar aan te bieden, én myn hart haar op te draagen.

LEKKER.
        Maar heeft zy nooit gemerkt dat gy haar mint?

HEERMAN.
Voorzéker.

LEKKER.
                    Dat ’s genoeg een kans daar na te waagen:
            De liefde is listig, én je bent geen kind.
(390) Had ik als jy geweest....

HEERMAN.
                                                Jy spreekt als onbedreeven;
Zo ’k haar niet spreek, hoe kan ik haar verzék’ring geeven
        Van myn min?

LEKKER.
                                    Het goud, Heer, maakt een kóppelaar.
        Geef aan de meid wat géld, zy hélpt u licht by haar.

HEERMAN.
Daar is geen meid, óf knécht, in huis, het is verlooren.

LEKKER.
    (395) Zwyg stil, daar komt hy weêr, hy mogt ons hooren.


ACHTSTE TOONEEL.

HEERMAN, STEILOOR, LEKKER.

HEERMAN.
Myn Heer, gy woont hier in een mak’lyk huis.

STEILOOR.
                                                                                ’t Is waar.

HEERMAN.
Is ’t niet wat éénzaam?

STEILOOR.
                                        Hé, wat blief je?

HEERMAN.
                                                                Ik vraag het maar.

STEILOOR.
En ik, ik zég het maar, dat al dat vraagen,
            Een man als my, niet kan behaagen.
            (400) Dit dunkt me, is jou genoeg gezeid,
            O vraager in der eeuwigheid!

HEERMAN.
    Vergeef het my: zo ’t u niet mogt verveelen,
        Wenschte ik tót mynent somtyds de eer
        Te hebben, om met u, myn Heer,
    (405) Een roemsteekje, of pikét, te speelen.

STEILOOR.
Ik dobbel niet.

HEERMAN.
                        Het is alleen om tydverdryf.

STEILOOR.
        Dat zei Markolfus ook, én sloeg zyn wyf.

HEERMAN.
Ik zal u ook somtyds wel de vryheid neemen,
                U te bezoeken, als myn vriend,
        (410) En buurman.

STEILOOR.
                                    ’k Ben daar heel niet meê gediend.
            Laat ons met vreên, loop élders teemen;
                Ik ben al moe hier dus te staan,
                    En ’k raad jou straks na huis te gaan.

HEERMAN.
Uw heusheid, Heer, zal myn vrypóstigheid verschoonen:
                (415) Want uw beleeftheid...

STEILOOR.
                                                                Zal jou toonen
Waar dat de deur is, én dat wy tót onzent woonen,
                        Kom jy hier óoit eens weêr.

LEKKER.
,, O, die verbruide gék!

STEILOOR.
                                        Wat zég je?

HEERMAN.
                                                            Ik blyf uw dienaar Heer.


NEGENDE TOONEEL.

STEILOOR.

Loop veur den Drommel! jy zult met die hoofsche zwieren
            (420) My zo niet loeren! die manieren,
                En dat bezoek, gevalt my niet.
                Al was ’t schoon dat myn Broêr ’t hem riedt,
    Het geeft my achterdocht, én groot mishaagen.
                Ik moet Ruffina eens gaan vraagen,
(425) Of zy ook weet, op wélk een grond, dit zaakje leit;
                Ze is niet geveinst, licht dat ze ’t zeit.

                                Einde van het Eerste Bedryf.

Continue

TWÉDE BEDRYF.

EERSTE TOONEEL.

Op de straat voor de huizen van Steiloor én Heerman.

STEILOOR, RUFFINA.

STEILOOR.
Wees jy gerust, ik weet dit heel wel uit te wérken.

RUFFINA.
,, O liefde! wil my voorts met uwen raad verstérken!
,, Op dat deez’ list volvoer’ het oogmérk van myn’ min.

STEILOOR.
(430) Hoe hiet hy?

RUFFINA.
                              Heerman.

STEILOOR.
                                                Ja, ik weet, hy is hier in
            Deez’ buurt, nou onlangs komen woonen;
                Het is die lósból die nóg straks
Zo stout was, dat hy zich tót mynent dorst vertoonen:
                Ja tóch, dat was ’t bezoek askaks!
(435) Neen, Olfert is te leep, ’k zél daar een schót veur schieten
Eer ik na ’t land ga, schuim van alle deugenieten!

RUFFINA.
                ’k Bekén dat ik iets stout besta;
Maar wie zou zulk een straf onthaalen, niet verdrieten?
Men dwingt me ’er toe.

STEILOOR.
                                        ’t Is een verleijer, dat blykt klaar:
                (440) Ja, een verleijer is ’t, ’t is waar.
Myn troosje, ik ga, treê jy in huis, én wacht me daar.


TWÉDE TOONEEL.

STEILOOR alleen.

Verliezen we geen tyd, om hem zyn lés te leezen.
’k Verwonder my niet meêr, naar ’t geen ze my daar zeit,
        Van zyn beleeftheên, én zyn vriend’lykheid;
(445) Maar wacht, ik zal hem van die zotte min geneezen.
            Dit dunkt me is ’t huis daar ik moet weezen.
        Laat ons eens zien wat óf hy zeggen zal.
    De Duivel haal die stoep! ô die verbruste val!
        Wat hoeft die drumpel zo vér uit te steeken?
            (450) Een ménsch zou zo de nék wel breeken.
’k Wou dat hy ze op zyn béd had.
                                                    Hy wil aan klóppen.


DÉRDE TOONEEL.

HEERMAN, na huis gaande, STEILOOR,
                LEKKER.

HEERMAN.
                                                            Heer, het is my leed,
Dat gy gevallen zyt.

STEILOOR.
                                   My ook. ’k Wou jou wat zeggen.

HEERMAN.
My, Heer?

STEILOOR.
                    Ja jou, hoor toe, ik zel ’t jou uit gaan leggen.
                                                    Lekker sluit de deur op.

HEERMAN.
Myn Heer, als ’t u belieft, ’k bid dat gy binnen treedt.

STEILOOR.
(455) Wy kunnen ’t hier wel doen.

HEERMAN.
                                                        Heer, hoe zou dat geschieden?
            Nu gy my het geluk komt aan te bieden
Van uw bezoek...

STEILOOR.
                            Ik moet je spreeken; maar met haast,

HEERMAN.
Maar zéker, my?....

STEILOOR.
                                Ja jou. Hoe! maaktje dat verbaasd?

HEERMAN.
Ik ben verblyd, én voel myn ziel als opgenomen
(460) Door de eer die gy...

STEILOOR.
                                        Laat de eer daarze is; ik ben gekomen...

HEERMAN.
Myn Heer, treê in.

STEILOOR.
                                Neen, ik zel daar niet toe verstaan.

HEERMAN.
Maar Heer...

STEILOOR.
                    Maar Heer, maar Heer; ik zel niet verder gaan.

HEERMAN.
            Myn Heer, zo ’t is om u te vergenoegen....
                Maar zéker, Heer, het zal niet voegen
(465) Op straat te spreeken, ’k bid treê binnen toch, myn Heer.

STEILOOR.
            Men hoofd doet van die komplementen zeer.
Met die liflaffery mag ik men kóp niet breeken;
Ik wil hier voor de deur, én staande, met je spreeken.
Zel jy me dwingen? dat is wel impertinént!

HEERMAN.
(470) Maar ’t is...

STEILOOR.
                        ’t Is onbeleefd, je maakt me moeilyk,
My dwingen?

HEERMAN.
                      Maar...

STEILOOR.
                                Jy bent een kwélgeest! Sellement...

LEKKER.
                Bloed! hoe zel dit nóg gaan in ’t énd?

STEILOOR.
            Ja, ’t is onménsch’lyk, ’t is verfoeilyk!
                My weig’ren...

HEERMAN.
                                        Heer, zo ik het deê...

STEILOOR.
                (475) My weig’ren hier een woord óf twee
Te hooren?

HEERMAN.
                    Maar myn Heer, het vólk zou met my spotten.

STEILOOR.
            Al wie zich aan het vólk steurt, zyn maar zotten.
Hoor luister...

HEERMAN.
                    Maar myn Heer, ’t is geen welleevendheid...

STEILOOR.
Dat ’s Duivels! nóch al? is het niet genoeg gezeid?
(480) Kom hier eens, hoor! laat al die wisje wasjes vaaren,
En luister na het geen dat ik je zel verklaaren.
Zég, weet je wel, dat ik de Voogd, én meester bén
Van een jong meisje, spreek?

HEERMAN.
                                                O ja, myn Heer, ik kén
Haar ook van aanzien.

STEILOOR.
                                    Wel, van haar, sprak ik je gaaren.
(485) En wyl je ’t weet dat ik haar Voogd ben, weet je dan
Ook wel, dat zy alleen myne oogen kan behaagen,
                    En dat ik in het kort haar man
Zal worden? dat ze my genégenheid moet draagen,
En dat zy niemand aârs bemint als my alleen?
                    (490) Zég weet je dat? zég op.

HEERMAN.
                                                                    O neen.

STEILOOR.
Wel weet je ’t niet, ik zég het jou, dat jy, naa deezen,
            Haar ongekwéld laat, of je meugt wel vreezen.

HEERMAN.
                    Wie, ik, myn Heer?

STEILOOR.
                                                    Ja jy, jy, jy!

HEERMAN.
Wie zeit u dat ik haar ooit lastig viel?

STEILOOR.
                                                            Zy, zy;
(495) Die zulks niet liegen zal; dies laat het veinzen vaaren.

HEERMAN.
Wie zégt gy, Heer?

STEILOOR.
                                Zy zélf, Ruffina, die, gelyk ’t
Een eerb’re dochter voegt, my sints haar jonge jaaren
                Bemind heeft, dat hier wel aan blykt,
Om dat ze my durft in vertrouwen openbaaren,
(500) Dat ze al jouw pooging, én gelonk acht als de wind:
Dit doet ze u zeggen, en dat je ’er vergeefs bemint.

HEERMAN.
Hoe, Heer, moest zy my dit door u juist laaten weeten?

STEILOOR.
                Ja, én zy raadt jou, zoete knécht,
Dat jy jou zinnetjes, vry op een ander légt:
(505) Geen ménsch heeft ooit haar hart, als ik alleen, bezéten.
            Ik ga, onthouw ’t geen ik jou heb gezégd.

HEERMAN.
Wat dunkje, Lekker, moet ik uit dit voorval spellen?

STEILOOR.
,, Hoe kykt hy nou!

LEKKER.
                                Gy hebt geen reên u meer te kwellen
Myn Heer, deez Jufvrouw heeft meer als gemeen verstand:
(510) Zy mint u zéker, én die norsse dwingeland...

STEILOOR.
,, Wat zeit, wat zeit hy?

LEKKER.
                                      Parst haar tót deez’ listighéden.
                De pots is fyn; maar zacht, hy ziet ons aan,
    En ’t geen wy spreeken, zou hy lichtelyk verstaan.

HEERMAN.
                    Kom, volg my, laat ons binnen treeden.

STEILOOR.
(515) ,, Ja, trék maar heen.

LEKKER.
                                          Ik lach me slap om zulk een Haan!


VIERDE TOONEEL.

STEILOOR alleen.

Hy is verstéld, én.... maar daar is myne uitgeleezen!
Dat Troetelpoppetje, hoe zédig staat heur weezen!


VYFDE TOONEEL.

RUFFINA, STEILOOR.

RUFFINA.
,, Ik vrees dat Heereman myn’ list niet heeft gemérkt.

STEILOOR.
Wat zégje békjelief?

RUFFINA.
                                Of ge iets hebt uitgewérkt?

STEILOOR.
              (520) Myn troosje, ik kom met vreugd verstérkt,
Weêrom, én wist door reên jouw kweller te overwinnen;
            Hy loochende in het eerst jou te beminnen;
Maar ik ontdékte in ’t énd de grond van zyne zinnen:
Want na dat ik ’et hem had uit jouw naam gezeid,
                (525) Heeft hy het niet meêr wéderleid;
            Hy heeft beloofd van zich te onthouwen,
            Jou na deez dag weêr aan te schouwen.

RUFFINA.
            Durft gy u op zyn woord vertrouwen?

STEILOOR.
Wel ja.

RUFFINA.
              Ik niet.

STEILOOR.
                          Waarom? wat is ’er dat je lét?

RUFFINA.
(530) Gy had uw voeten van de drémpel naauw gezét,
Wanneer ik achter uit myn vénster lag te kyken,
            Of ’k zag terstond van verre een man,
Zeer wel gekleed, beleefd, met buigen, én met stryken...

STEILOOR.
            Wat zégje? hoe! sprak hy jou an?

RUFFINA.
(535) Ja, én uit Heermans naam, gy kunt eens denken,
            Hoe ik ontstéld was!

STEILOOR.
                                                Zou je niet
Ontstéld zyn liefstentje? zou ’t niet jou zinnen krénken,
Wanneer je zulk bedróg van zulke guiten ziet.

RUFFINA.
    Terwyl dat hy zyn’ dienst my aan kwam bieden,
        (540) Gooit hy deez’ gouwe doos in myne schoot,
Waar in ik mérkte, dat een brief was.

STEILOOR.
                                                            Kan ’t geschieden,
                Dat zulke Schrobbers!... maar hoe snood
Wordt nou de waereld!

RUFFINA.
                                        En toen ging hy aanstonds schuiven.

STEILOOR.
Hier blykt zyn valsheid! Bloed, kryg ik hem in myn’ kluiven!
(545) Myn békje, jy bent waerd dat ieder jou beklaagt,
Om zulke parten als jy van dien schurk verdraagt.
Dit zyn die kunsjes die die vagebonds gebruiken,
Om ’t visje, op die manier, te krygen in de fuiken.

RUFFINA.
                Nu dwingt my de eerbaarheid, dat ik
        (550) Hem ’t doosje met den brief, weêrom beschik.
Durfde ik ’t u vérgen.

STEILOOR.
                                    O! daar is niet aan bedreeven,
Kom, geef jy ’t maar, ik zal ’t hem straks weêrom gaan geeven.

RUFFINA.
Daar is ’t zo ik ’t ontfing. Ik ben ’er van ontstéld!

STEILOOR.
’t Is goed; maar laaten wy de brief eens saamen leezen.

RUFFINA.
(555) Och! deed gy dat, myn Heer, zo leê myne eer gewéld.

STEILOOR.
    Hoe, zou jouw eer daar deur verminderd weezen?

RUFFINA.
Zo gy de brief laast, wierd ik zékerlyk verdacht:
Want élk zou denken dat ik hem beminde.

STEILOOR.
                                                                        Zacht!
Dan is het béter dat wy die niet open maaken.

RUFFINA.
(560) Een Dóchter, zo ze niet in opspraak wil geraaken,
                    Die moet voor alle zaaken,
                Geen minnebriefjes leezen, Heer!
        En las ik deez’, hy zou my nóch veel meer
Met brieven kwellen; nu zénd ik hem alles weêr,
(565) Verzégeld als het was.

STEILOOR.
                                            Dat heb je klaar doen blyken.
                O Deugd! waar vindt men heurs gelyken!
Ik ga zo na hem toe, myn troost, myn waardste pand!

RUFFINA.
                De brief, myn Heer, is in uw hand,
Gy kunt die échter, zo gy wilt, vry open breeken.

STEILOOR.
(570) O neen! ô neen, ik zal dat veurneem laaten steeken;
    Jou réden zyn gegrond, ’t is my gebleeken:
            Ik prys jouw overgroot verstand.
Ik ga hem, en daar na de boekverkooper spreeken,
            Om ’t boekje van de Huuw’lyksband:
(575) Ga in, dat zullen wy dan leezen op het land.


ZÉSDE TOONEEL.

STEILOOR alleen.

Zo, dat gaat wel! Myn hart dat springt van vreugden!
Dat ’s eerst een voorbeeld van weêrgâlooze eerbaarheid!
Zy breekt de brief niet op! Dat zyn de zuiv’re deugden
Die maagden passen! O! zy vólgt myn lés, al zeit,
(580) En schélt myn Broer, op myn’ manieren, ’k leef geruster.
            Zy scheelt geen kleintje van haar Zuster!
            De opvoeding, ô! de opvoeding doet
            Een wond’re wérking op ’t gemoed,
En maakt de meisjes, óf tot goede, óf kwaade* wyven!
                                    Hy klópt aan ’t huis van Heerman.


ZÉVENDE TOONEEL.

LEKKER, STEILOOR.

LEKKER.
            (585) Wat is ’er van uw dienst, myn Heer?

STEILOOR.
            Geef dit jou meester, aanstonds weêr,
        En zég hem, dat hy voortaan ’t schryven
        En giften zénden, vry laat blyven:
Dat myn Ruffina niets om zyn schénkaadje geeft,
(590) Dat haare gramschap hier door is geraakt aan ’t kooken.
Dat zy deez’ gouwe doos, nóg brief, heeft opgebrooken:
En doet hy ’t nóg eens, ’k weet wat hy te wachten heeft.
Ga, zég hem dat.


ACHTSTE TOONEEL.

HEERMAN, LEKKER.

HEERMAN.
                            Wat heeft die Gek nu weêr bedreeven?

LEKKER.
Hy gaf me dit, myn Heer, én zei, dat al uw doen
(595) Vergeefs was, én dat zy u ook nooit gehoor zou geeven.

HEERMAN.
De Juffer?

LEKKER.
                  Ja.

HEERMAN.
                      Geef hier, dit doet me iets goeds vermoên.

                                Hy oopent, én leest de brief.

Deez’ brief zal onverwacht in uwe handen komen;
Maar, hoe ook myn bestaan, by u word opgenomen,
                Ik vind me in zulk een droeven stand,

(600) Dat ik genoodzaakt ben te springen uit de band.
    De schrik die ’k heb, dat ik, in weinig dagen,
        Zal moeten in een haat’lyk huuw’lyk treên,
Doet my, als wat ik kan, tot myn’ verlóssing waagen.
Bemint ge my, zo réd me uit deeze zwaarigheên:

    (605) ’k Verwacht uw antwoord; wil geen tyd verliezen.
Op dat gy weeten moogt wat wég ik zal verkiezen:
Verliefde harten, met élkanders leed begaan,
        Die kunnen zich, door een half woord, verstaan.


LEKKER.
            Wat dunkje, Heer, van deze réden?
(610) Voor zo een meisje dat by niemand heeft verkeerd,
Schynt ze in galantery te zyn gepromoveert.

HEERMAN.
    Ach! ’k vind haar zo volmaakt van geest én léden,
Dat zy verdient, én waard is, aan te zyn gebéden!
            En deeze trék van haar verstand,
    (615) Waar door ze ’er liefde my betoont, met achting,
            Verdubbeld myne kuische brand,
        En overtréft vér myn’ verwachting.

LEKKER.
            Al zafjes! zwyg wat stil, myn Heer:
            Want zie, daar komt die gék al weêr.

HEERMAN.
(620) Maar wat wil dat papier?


NÉGENDE TOONEEL.

STEILOOR, HEERMAN, LEKKER.

STEILOOR.
                                            Zo, zo, de Heere Staaten
                Verbieden door plakkaaten
De Fransche waaren in te brengen! ô! dat ’s braaf!
Wel ja, men wierd aârs van de Fransman wel een slaaf.
’k Heb dit plakkaat, ô ja! op ’t boekje toe bedongen.
(625) Het zal Ruffina ook verstrekken tót een leer.

HEERMAN.
,,Is ’t anders niet?

STEILOOR, terwyl Heerman de brief overleest.
                            Ja wel! ja wel, dit bólt me neer!
    De Rótzak maakte ons al te hooge sprongen,
En wou dat wy altyd naar zyne pypen zongen
                Tégens Heerman.
En jy Monsieurtje, die my naar de mode groet,
(630) Jy zelt deur giften, nóch deur brieven, armen bloed,
            Niet opdoen; neen, je zult niet trekken;
Het meisje is al te wys, ze zou maar met jóu gekken,
Zy het my lief, je ziet hoe dat ze met jou lacht.

HEERMAN.
’t Is waar, ’k heb reeds bespeurd, én érnstig overdacht,
(635) Dat niemand immermeer Ruffina zal beleezen,
Dan hy, die haar is van het noodlót toegeweezen;
Dies is het zótheid dat men gunst van haar verwacht.

STEILOOR.
            Wat? zótheid? dolheid! ’k durf het zweeren

HEERMAN.
                Dierhalven heb ik afgeleid,
(640) De hoop, tót het bezit, van haar bekoorlykheid.
Een Médevryer als gy zyt...

STEILOOR.
                                            Wil me ekskuzeeren...

HEERMAN.
Neen; ’t waar al lang geschied, indien ik had verstaan,
                    Dat gy de Juffer zélf wou trouwen.

STEILOOR.
                Ik wil ’t gelooven.

HEERMAN.
                                                En ik zal voortaan,
                    (645) Uw’ liefde heel goedsmoeds aanschouwen,
                    En my, in rust, én vreeden houwen,
Nu ’k weet dat zy u mint.

STEILOOR.
                                          Dat ’s wysselyk gedaan.

HEERMAN.
Uw deugden zyn zo groot, dat gy haar moet behaagen.
                    Ja, ’k deê onreed’lyk, in dit kas,
                    (650) Zo ’k van eene and’re meening was.

STEILOOR.
Dat ’s een geweeze wég.

HEERMAN.
                                        Maar zo ’k u iets dorst vraagen?

STEILOOR.
Wel wat?

HEERMAN.
                Een énk’le gunst, tót mind’ring van myn’ pyn.

STEILOOR.
                    Laat hooren, ’t mag ’er ligt na zyn.
Wat is de beê? zég op, zég op vry, zonder schroomen.

HEERMAN.
(655) Dat gy aan haar, die my myn’ vryheid heeft benomen,
Betuigt, dat myne min, gansch onbevlékt...

STEILOOR.
                                                                        Hy ’s mal!

HEERMAN.
                    Nooit heeft getracht, met hart óf zinnen,
Haare eer te kwétsen, maar haar wét’lyk te beminnen.
Zo ’t my niet wierd belét.

STEILOOR.
                                        ,, Hy ’s zót! Ik zal, ik zal,

HEERMAN.
(660) En dat myn’ zuiv’re keur, gegrondvést op de réden,
    Niets wénscht, als met haar wil, in de écht te treeden.

STEILOOR.
Ik zal.

HEERMAN.
          Ja zég, zég vry, dat haare aantréklykhéden
                Zo diep staan in myn ziel geprént,
                Dat ik haar’ schoonheid, tot het énd
            (665) Myn ’s leevens, zal in achting houwen.
            En zo ik niet met haar kan trouwen,
                Dat zy u zulks verschuldigd is.

STEILOOR.
                Wél, dat is zéker, én gewis.
Vertroost jou in jouw druk, ik zal ’t haar kénbaar maaken.

LEKKER.
            (670) Men Heer, daar zal een dronk op smaaken!

STEILOOR.
                Dien arme bloed, dien, arme bloed!
                Wat óf hy tóch uit vryen doet!


TIENDE TOONEEL.

RUFFINA, STEILOOR.

RUFFINA.
Zyt gy daar weêr?

STEILOOR.
                                Ik voel zyn leed my ’t harte raaken.

RUFFINA.
Hoe dat?

STEILOOR.
                Hoe dat? hy ziet zyn hoop vergaan,
(675) Om dat jy nóch de doos, nóch brief, hebt opgedaan;
Maar hy verzócht my zeer, dat ik jou zou verklaaren,
Dat hy nooit dacht met jou, als wettelyk te paaren.
                Waarachtig, ’t is een eerlyk man!

RUFFINA.
                ,, Ik ben daar wel verzékerd van.

STEILOOR.
                (680) Wat zég je!

RUFFINA.
                                        Dat ik hem moet haaten.
Zo gy me récht bemind, zult gy ’t hier niet by laaten.

STEILOOR.
Neen, ’t is nou wel.

RUFFINA.
                                Nou wel? daar hy sints heeft béstéld
My tégens dank, deez’ nacht te schaaken met gewéld?
Is dat zo wel?

STEILOOR.
                        Neen dat is kwaad!

RUFFINA.
                                                        Wil my vergeeven?
(685) Het is een eerlyk man, die my nooit van zyn leeven...

STEILOOR.
Neen, neen, dat gaat te vér: maar vrees niet; want in ’t kort
                Zel jy je zien van hem ontslagen.

RUFFINA.
                Zo ik dit langer moet verdraagen,
            Of zo ’k in ’t minst van hem beleedigd word,
(690) Zal ik ’t u wyten. Zou ik zulke dingen lyen?
O! hy bedriegt u, door zyn’ list, én veinzeryen.
                    Wat ben ik ongelukkig, dat
                Gy immer liefde voor my hebt gehad!

STEILOOR.
Nou, nou, myn suikerdoos, je moet je wat bedwingen.
(695) Ik ga voort heen, én ’k zal hem fyner leeren zingen.

RUFFINA.
Zég, dat ’t ontkennen tóch geen ingang by my vindt,
Dat ik zyn voorneem wist, eer hy ’t durfde openbaaren;
Of zo hy échter meent van my te zyn bemind,
                Dat hy zyn aanslag sléchts begint,
(700) En juist niet wacht, dat ik ’t hem twémaal doe verklaaren.
                Hy zal dan zien hoe hy zal vaaren.

STEILOOR.
Wat! wat, ’t is kind’re wérk, ’t raakt kant, nóch wal,
                Weréntig, ’k loof de vént is mal.
                Laat my begaan.

RUFFINA.
                                                Maar gy moet boven al,
                (705) U toonen héftig kwaad te weezen.

STEILOOR.
    Ja, Schaapje, jy hoeft daar niet veur te vreezen,
Ga jy maar in.

RUFFINA.
                            Wel, ik verwacht u daatlyk...

STEILOOR.
                                                                                Ja.
                Ik kom straks weêr.

RUFFINA.
                                                    ’k Verlang ’er na!


ÉLFDE TOONEEL.

STEILOOR alleen.

            Dat ’s een juweeltje van de Vrouwen!
(710) Men mag op haare deugd, met récht, wel kérken bouwen.
Ja wel, wat ben ik ook gelukkig! Maar, holla!
                    Hy klópt aan ’t huis van Heerman.


TWAALFDE TOONEEL.

STEILOOR, HEERMAN, LEKKER.

STEILOOR.
        Loop, roep jouw Meester hier, loop dra.

HEERMAN.
Myn Heer, wat jaagt u hier?

STEILOOR.
                                                Hoe, durf je dat nóch vraagen?
Jou zotte parten, daar jy ons meê plaagt.

HEERMAN.
                                                                        U plaagen?

STEILOOR.
(715) Ja, én zo ’t meer gebeurt, zel ik ’t de Schout gaan klaagen.

HEERMAN.
Stél u te vréden, Heer, ik zal...

STEILOOR.
                                                Stél u te vreên?
Met die pispraatjes stuur jy my graag weêr heên.

HEERMAN.
Maar Heer...

STEILOOR.
                        Maar Heer, is dat fatsoen dat jy jouw zaaken
Zo schélms durft schikken, om van deeze nacht te schaaken
(720) Een eerlyk meisje, dat met hart én ziel my mint?

HEERMAN.
Wie zeit dat?

STEILOOR.
                        Zy, én dat jy je aanslach sléchts begint.

HEERMAN.
Is ’t waar? maakt zy me zulks bekénd?

STEILOOR.
                                                                    Myn’ lieve vrind,
Hoe, twyffel jy? kom, kom, ik zal haar hier doen komen,
Dan heb jy ’t uit haar mond, én uit myn’ mond, vernomen.


DERTIENDE TOONEEL.

HEERMAN, LEKKER.

HEERMAN.
                (725) Ik sta verbaasd, door ’t geen hy my verhaalt.

LEKKER.
                Myn Heer, die gék word schoon betaald
Door haare list. Maar zacht...


VEERTIENDE TOONEEL.

RUFFINA, STEILOOR, HEERMAN, LEKKER.

RUFFINA.
                                        Wat heeft u tóch bewoogen
Dat gy my leid, daar ik zyn byzyn moet gedoogen?

STEILOOR.
Kyk, hy verächt Monkeur (had jy dat wel gedócht?)
(730) De last die ik hem flus heb uit jou naam gebrógt:
    Hy meent dat ik ’t heb uit myn duim gezoogen,
                Daarom is zyn verzoek alleen,
Dat jy ’t hem zélf zégt, zie dat weet hy ’t van ons tweên.

RUFFINA tégens Heerman.
Kon ik u myn gemoed, niet klaar genoeg ontdekken,
(735) En kunt ge myne min wel meer in twyffel trekken?

HEERMAN.
Mejuffer, ’t geen dien Heer, my van u heeft gezeid,
Maakt my verwonderd, én vol van verlégenheid?
Ik twyffelde eerst; maar ’k heb nu een besluit genomen,
                Al uw begeerens naa te komen
(740) Dit vonnis dat ik met onzékerheid verstond,
Wénschte ik al beevend ook te ontvangen uit uw’ mond.

RUFFINA.
Neen Heer, gy moet u van dit vonnis niet beklaagen,
’k Dêe door myn Voogd, u flus myn’ meening overdraagen,
                Myn wil is dat ge uwe pligt betracht,
                (745) Daarom neem op myn woorden acht:
            Ik zie tweé mannen voor myn oogen,
    De één heeft op myne ziel een groot vermoogen:
Want myn genégenheid wil dat ik hem verkies
            Tót Bruidegom, én zonder tyd verlies.
                (750) Hier toe voelt zich myn’ ziel geneegen;
En de ander heeft, voor al zyn’ valsche schyn van deugd,
                Nóch nooit als haat van my verkreegen.
        Ik ben in ’t byzyn van den éénen, heel verheugd,
            Hy kan alleenlyk my bekooren:
    (755) Door hem te zien wordt myne vreugd hérbooren:
Indien ik leeven moest met de ander, ’k stierf van rouw.
Dit is genoeg betoond, wie dat my kan behaagen.
            Hy, wien ik eeuwig min zal draagen,
                Maak’ alles vaardig tót de trouw,
(760) Op dat ik eind’lyk word uit deeze dwang ontslagen.

STEILOOR.
Je zelt, in ’t kort, in ’t kort jou wénschen zien vervuld,
Myn lammetje, neem sléchts een weinig tyds geduld.

RUFFINA.
        Ik spreek wat vry; maar ’t is zo vér gekomen
        Dat my zulks niet op ’t kwaadst dient afgenoomen.

STEILOOR.
(765) Heel niet.

RUFFINA.
                    Want ik verklaar de grond van myn gemoed,
Aan hem, dien ik bemin; ’k ontdék zulks zonder schroomen.
        ’k Weet dat hy zich vermaakt in zulk een zoet:
O ja, ik kan myn’ vreugd’, myn’ liefde niet betoomen.

STEILOOR.
Myn zoete Tortelduif!

RUFFINA.
                                    Ik word van blydschap stom,
(770) Nu dat ik vry aanschouw, myn’ lieve Bruidegom!
Mishaagt u dit ook?

STEILOOR.
                                        Och! hoe zel ik ’t jou beloonen!

RUFFINA.
Dat hy dan zórge draag zyn’ liefde my te toonen;
                        Opdat ik, in het kort,
        Van zulk een haat’lyk ménsch ontslagen word.

STEILOOR.
(775) Daar békje, kus myn’ hand.

RUFFINA.
                                            En dat voor al zyn’ zuchten,
                    Jy myne trouw, * te deezer stond
* Terwyl geeft zy haar rechterhand aan Heerman, dieze kust.
    Ontfange: want voor eenig trouwverbond
    Met anderen, behoeft zy niet te duchten.

STEILOOR.
Nou, nou myn neusje, nou myn suikerpeertje, nou,
            (780) ’k Beloof ’et jou, met bei men handen,
            Je zelt niet heel lang watertanden.
                        Tégens Heerman.
                    Kyk, zie je ’t wel, hoe trouw
Dat zy me lief heeft? Kyk, ik doe het haar niet zeggen.

HEERMAN.
Ik zie ’t. Men hoeft het my niet klaarder uit te leggen.
                (785) Ik heb Mejuffers zin verstaan.
Ik zal in ’t kort, haar van dat haat’lyk mensch ontslaan.

RUFFINA.
Ja, die vervólging kan ik langer niet gedoogen.

STEILOOR, tégens Heerman.
            Nou zie je ’t zélver veur jou oogen.

HEERMAN.
    ’k Zal haar gehoorzaam zyn, naar myn vermogen.

STEILOOR.
(790) Och armen bloed!

RUFFINA.
                                Ontstél u daarom niet, myn Heer.

STEILOOR.
            Gansch niet, maar ik moet hem beklaagen.
            Dat kruis valt hem heel zwaar te draagen.
Jou haat is al te groot.

RUFFINA.
                                    Beklaag hem niet te zeer.
Ik heb, om hem aldus te onthaalen, dubb’le réden.
    (795) Ik heb verdriets genoeg om hem geléden.

HEERMAN.
            ’k Beklaag my niet van zulk een haat,
Myn’ wénsch is, u te zien in een geruster staat.
    Hier toe zal ik myn zórg én vlyt, besteeden.
Vaar wel.

STEILOOR.
                Het deert me dat het jou zo kwalyk gaat.

HEERMAN.
(800) Mejufvrouw doet ons récht, myn hart is wel te vréden.

LEKKER.
De Duivel die bedacht nooit zulke listighéden!


VYFTIENDE TOONEEL.

STEILOOR, RUFFINA.

STEILOOR.
Myn Zoetert, schoon de tyd, dat ik je tót myn’ vrouw,
                Gelyk ’t gezeid was neemen zouw,
            Gesteld was, over veertien dagen,
    (805) Laat zulks op morgen zyn, is ’t jouw behaagen.

RUFFINA.
Op mórgen?

STEILOOR.
                    Zacht, ik weet wat jou dus doet verstaan,
Je wénscht, je wénschte wél, dat zulks reeds was gedaan.
Jou schélmpje, wees jy maar te vreên, het zal wel gaan.

RUFFINA.
        Maar...

STEILOOR.
                    Laat ons binnen treên, én t’saamen
    (810) De kortste dag van onze trouw beraamen;
                ’k Moet nóg eens uitgaan, én ’t wordt laat.

RUFFINA.
                ,, O liefde! ô liefde, geef me raad,
                ,, En uitkomst, in deez’ droeven staat!.

                                Einde van het Twéde Bedryf.

Continue

DÉRDE BEDRYF.

EERSTE TOONEEL.

In een kamer van Heermans huis.

HEERMAN zynen dégen aandoende, én twé Pistooltjes
        in zynen zak steekende,
LEKKER slaapende

HEERMAN.
Hou Lekker! het wordt tyd dat wy onze aanslag waagen.

LEKKER, zich uitrekkende.
(815) Och, hei! Wat aanslag, Heer?

HEERMAN.
                                                        O luyaard! is dat vraagen
Is ’t jou vergeeten hoe de zaaken zyn gestéld?
Ik zal Ruffina, ja, het géldt ook, wat het géldt,
    Deez’ nacht verlossen uit haar droeven kérker:
Want hoe dat Steiloor haar wil dwingen door gewéld,
            (820) Myn’ liefde is tót haar hulp nóg stérker.

LEKKER.
Fiat, ’t is goed; kom, laat ons die jaloerse Vent
Bedriegen.

HEERMAN.
                  Maar ik vrees...

LEKKER.
                                            Heer, laat dat yd’le vreezen.
Waar vrees je voor?

HEERMAN.
                                  ’k Vrees datze reeds in slaap zal weezen:
Wat middel om haar dan te spreeken?

LEKKER.
                                                                    Ik bekén ’t,
(825) Je bent afgryslyk gaauw, dat je al die zwaarighéden,
            Voor af bedénkt; maar weet je niet,
Dat een’ verliefde ziel, niet slaapen kan?

HEERMAN.
                                                                        Met réden:
Want dat bevind ik aan my zélve nu.

LEKKER.
                                                                  Ei ziet
    Dit wérk eens aan! zou zy dan lichter slaapen
            (830) Als jy, myn Heer? zy is réchtschapen
Verlieft, en, vat je ’t? een verliefde Dóchter, ken
                Haar zélf niet troosten.

HEERMAN.
                                                        Lustig, ben
Je nóch niet reed? maar zacht! wie komt hier binnen loopen?
            Hoe? stond de deur in ’t voorhuis open?

LEKKER.
                    (835) Ik weet het niet.

HEERMAN.
                                                        Wie is daar?


TWÉDE TOONEEL.

RUFFINA gemastert met een Sluyer om het hoofd,
        HEERMAN, LEKKER.

RUFFINA.
                                                                            Ik,
Myn Heer.

HEERMAN.
                Hoe gy? hoe gy, Mejufvrouw? Ach! de schrik
Heeft my zo veel niet, als de vreugd, de spraak benómen.
Zyt gy uw wreede Voogd, zyn’ boeijens dan ontkomen,
                    Myn’ Engel? Mag my het geluk
(840) Gebeuren dat ik u, ô, pronkbeeld aller vrouwen!
                    Om wien myn’ ziel zo lang in druk
Geleefd heeft, eindelyk in vryheid mag aanschouwen?

RUFFINA.
                    Ik ben verzékerd, dat myne eer
                Hier veilig is, én op ’t vertrouwen,
                (845) Dat gy myn’ liefde in waard’ zult houwen,
Kom ik hier vlugten; ’k geef me in uw bescherming, Heer.
                        Zy gaat in eene leuning stoel zitten.

HEERMAN.
’t Geluk kon nimmer my met meerder gunst bestraalen.
Wat vreugd kon by deeze eer, die gy me toont, ooit haalen,
O schoone! nu uw’ komst my van de dood bevryd!
(850) Ik leefde alleen om u, én ach! wie durfde ’t denken
    Dat my de min, dus onverwacht, zou schénken
Een schat die my wierdt door uw straffe Voogd benyd.

RUFFINA.
              Ik zou de dood veel minder vreezen,
              Als vrouw van Steiloor moeten weezen:
                  (855) Dóch zo ik door myn stout bestaan,
              Van zélver hier by u te komen, aan
              Kwaâ spreekers stóf gaf, om...

HEERMAN.
                                                          Ei, laat ons daar van zwygen,
’t Geen ik uit liefde deê, hebt gy uit nood gedaan;
    Dit spyt me, én doet me schaamte in ’t aanzicht krygen.

RUFFINA.
                (860) Ik moest me van zyn’ dwang ontslaan,
            De dag van mórgen deed me beeven.

HEERMAN.
Gy moogt op myne trouw, gerust én zéker gaan...

LEKKER hem tilletjes by de mouw trekkende.
                ,, Je vreesde dat ze sliep daar éven!

HEERMAN.
                En duizendmaal zou ik het leeven
        (865) Verliezen, eerder als u te begeeven:
Maar, ik bid u, zég my hoe dat gy ’t ontkome zyt,
En hier in huis kwamt?

RUFFINA.
                                        ’k Zal ’t u zeggen op zyn tyd.
Dóch, zo gy wilt dat ik gerust by u mag blyven,
        Bezórg voor eerst dat een Notaris, hier
(870) Ons wéderzydsche Trouwverbintenis kom schryven.

LEKKER.
                ,, Dit vryen gaat heel naar de zwier,
            ,, Dit Blyspél hoeft geen vyf bedryven!

HEERMAN.
                Loop Lekker, loop eens met ’er haast
                By Monsieur... Monsieur... die hier naast
            (875) De deur woont.

LEKKER.
                                            Wie? by Dókter Nukken?

HEERMAN.
            Wat Dókter? Rékel, hoe zal ’t lukken?
                By Monsieur...

LEKKER.
                                        Wie!

HEERMAN.
                                                Notaris...

LEKKER.
                                                                Ja,
                Ik weet, Notaris Slik-op.

HEERMAN.
                                                                Ga.

LEKKER.
                Maar Heer, hy heeft het podegra.

HEERMAN.
                (880) De tyd verloopt met praaten:
Je zult hem met gemak van acht’ren binnen laaten;
                Dóch zórg voor alle dingen, dat
De voordeur aanstonds in het nachtslót word geslooten.

LEKKER.
                Ik heb jouw meening wel gevat.
(885) ,, Het Muisje is in de val! O Poesje lik jouw pooten!


DÉRDE TOONEEL.

RUFFINA, HEERMAN.

RUFFINA.
    Myn Heer, indien myn’ Voogd, de stoutheid had
My hier te zoeken?

HEERMAN.
                                Ik zou hem veel eêr doorstooten,
Dan u ontbeeren.

RUFFINA.
                            Dus zal myne min vergrooten
Door uwe min, waarom ik zyne dwinglandy
(890) Ontvlugt ben.

HEERMAN.
                        Ach! myn lust, myn ziel, myn welbehaagen!
            Ik bid u, zég me in ’t eind, hoe kwaamtge vry?

RUFFINA.
                Dat heeft zich zéldsaam toegedraagen;
En ’k dénk vast, óf ik niet te veel heb durven waagen.
                Terwyl dat Steiloor uit was, om
(895) Al* wat ’er tot de reis en ’t huuw’lyk was van nooden,
Gereed te maaken, ben ik met een stille trom,
Myn’ kérker, én met één, myn’ slaverny ontvlooden;
                Maar naauw’lyks was ik, uit myn druk,
            Op straat geraakt, óf, tót myn ongeluk,
                (900) Ontmoette ik hem: ik stond verlégen,
    Als iemand die by schoon weêr, onderwégen,
In ’t oope véld, verrast wordt, van een harde régen:
        Tót dat de Liefde in dien benaauden staat
                My by kwam springen, met deez’ raad:
(905) Hy gaf my in, dat ik myn’ Dwing’land diets zou maaken,
                Dat Willegond, myn zuster, nu
Niet lang verlêen, verliefd geworden was op u;
Dat zy, om zéker tot haar oogwit te geraaken,
        Uw’ liefde toetsen wou, op mynen naam,
(910) Waar toe zy deeze nacht, myn’ kamer had verkooren,
            Als zynde daar toe bést bekwaam.
Dit klonk myn Voogd, als óf het waar was, vreemd in de ooren,
Hy gaf me een straf bevél, dat ik van stonden aan
        Myn Zuster uit myn’ kamer zou doen gaan:
            (915) ’k Beloof ’t hem; dóch met voorbedingen
        Dat hy, om mynent wil, in dit geval,
Haar niet bestraffen, zien, veel min toespreeken zal.
    Dus kom ik, in haar’ schyn, dien dans te ontspringen.


VIERDE TOONEEL.

LEKKER, HEERMAN, RUFFINA.

LEKKER.
                Myn Heer, daar kwam ik nét van pas.

HEERMAN.
(920) Wel, spreek, waar blyft dan de Notaris?

LEKKER.
                                                              Hy ’s reed binnen,
’t Was goed dat hy juist met zyn zwaager beezig was
Met kwater trooi. Ik moest een glaasje met hem ninnen.

HEERMAN.
Je maakt jou wat gemeen.

LEKKER.
                                            Zyn klérk dat is myn vriend;
O! ’k heb Sieur Slik-op wel zo meenigmaal gediend,
(925) Met myn eerwaarden naam te tékenen, in zaaken
    Daar and’ren zwaarigheid in zouden maaken;
Maar kyk, hy stélt de lui weêr rykelyk te vreên.

HEERMAN.
Vraag óf het hem belieft in dit vertrék te treên.

LEKKER.
Na ’t zeggen van de klérk, is Slik-op ook gebeên
(930) Van Steil-oor...

HEERMAN.
                            Maar wie mag daar kloppen?

LEKKER.
                                                                    O, Sint Félten!

RUFFINA.
Och! ’t is myn Voogd...

LEKKER.
                                Hier ryd de Droes op stélten!

RUFFINA.
Die my gemist heeft! ’t is zyn klóp, myn Heer; het hart
Dat heeft me!

HEERMAN.
            Ei, houw sléchts moed, ’k zie ’t eind’ van onze smart,
Indien wy eéns gezind, onz’ zaaken wel beleggen.
(935) Loop, Lekker, doe maar op, én is het Steiloor, laat
                    Hem hier wat wachten.

LEKKER.
                                                        Wel ezaad.


VYFDE TOONEEL.

RUFFINA, HEERMAN.

RUFFINA.
Kom, gaan we, dat hy my niet ziet, ’k moet u iets zeggen,
’t Geheele wérk staat aan Notaris...

HEERMAN.
                                                        ’t Is myn Vriend,
Hy zal doen, én heeft me in zwaarder zaak gediend.
(940) Maar, ’k hoor gerucht!


ZÉSDE TOONEEL.

LEKKER, GOEDAARD, STEILOOR.

LEKKER, tégens Goedaard.
                                            Ai Heer, ik bid u, kom maar binnen,
        Myn Heer zal aanstonds by u komen, wacht
Een weinig, zo het u belieft.


ZÉVENDE TOONEEL.

GOEDAARD, STEILOOR.

GOEDAARD.
                                    Dus in den nacht
My op te kloppen, Freer! Wel wat meugt gy beginnen?
Zou Willegond hier zyn? Ei, ei, ’k geloof het niet.

STEILOOR.
(945) Maar hoe onnoozel zel je kyken, als je ’et ziet!

GOEDAARD.
Hoe kan het moog’lyk zyn, daar ik haar van myn leeven,
Geen woord, nóch réden, tót misnoeging heb gegeeven;
Maar zélf in haare keur gestéld, om naar haar’ zin,
    En haar humeur, een man te mogen kiezen?

STEILOOR.
(950) Ja, ja, dat is het zaakje, én zy heeft stip hier in
    Jouw raad gevolgd, ook zonder tyd verliezen.
            O! al die strafheid die is kwaad!
            Dit zeidje, ben ik niet bedroogen:
Door strafheid wordt een vrouw nooit tót heur plicht geboogen.
(955) ’t Mistrouwen, zórg, én wat de jaloezy verdicht,
De gréndels, traalie, slót, én diergelyke zaaken,
Die zullen nooit een’ vrouw, of dóchter, deugdsaam maaken.
            De eer, de eer alleen, houdt haar in heuren pligt.
                        Vergeefs is al het sluiten
            (960) Met wachters binnen, én van buiten;
    Het allérzékerste is, in deezen staat,
Dat zich een man op de eer van zyne vrouw verlaat:
Myn zórg voor Willegond wist op deez’ grond te bouwen.
Zy ga na ’t Bal, óf na den Schouwburg, daar ze ’er tyd
    (965) In eerelyk vermaak, met vreugd verslyt.
Maar mogt ik jou nou eens afvraagen in vertrouwen,
Wat voor een slach van Bal dat zy hier saamen houwen?
Zou jy niet lichtelyk gelooven dat ze, op ’t Fransch,
            Daar met hem danst de wolvedans?

GOEDAARD.
(970) Monfreer, ik bid u laat dat spreeuwen, én dat smaalen,
                En wil my met éénvoudigheid,
                Zo als het wérk gelégen leit,
            Met twé drie woorden, sléchts verhaalen.

STEILOOR.
                Heb ik jou daatlyk niet gezeid
(975) Hoe dat jouw Willegond, op Heerman, lang verléden,
                Verliefd was? én dat ze in den schyn
            Van myn Ruffina, die hem héden
    De zak gaf, met hem in gesprék wou treeden
Tót mynent?

GOEDAARD.
                        Maar, Monfreer, hoe kan ze hier dan zyn?

STEILOOR.
(980) Ik joeg haar wég. Hoe fraai heeft ze u daar uitgestreeken!

GOEDAARD.
Maar Freer...

STEILOOR.
                    Maar, Freer, ik zag dat zy hier binnen trad,
En dat ze een faalie om het hoofd geslaagen had;
                Geloofje ’t niet, zo kus men... knie.

GOEDAARD.
Spraakt gy met haar?

STEILOOR.
                                    Wel neen.

GOEDAARD.
                                                    Zo is ’t nóch niet gebleeken
(985) Dat zy het is.

STEILOOR.
                        Je zult het zien. Maar, luister toe,
En lét eens hoe dat ik geen ding ten halven doe.
Zo haast ik zag dat zy hier binnen was geloopen,
            (Want; zie, zy vondt, als óf ’t zo was bestéld,
                            De veur deur open.)
(990) Ben ik ten eersten, stil, én zonder veel gewéld
                Te maaken, na den Schout geloopen;
En ’k heb met eenen de Notaris hier... verzocht,
            Dat hy zich by der hand zou houwen,
Om, zo de linker niet met Willegond wouw trouwen,
(995) Dat hy dan aanstonds na de boeijen wierd gebrógt.
Zie, al dit wérk doe ik ter liefde van heur zuster,
Die my zal trouwen; ’t jou intrést ook dit maar
Te helpen vórderen, dan leeven wy geruster,
En buiten opspraak: want ik loof niet dat gy haar
            (1000) Nóch dénkt te trouwen, Broêrtje, daar
Ze een ander mint? dat waar te dwaas een onderwinden.

GOEDAARD.
Neen, die lafhartigheid zult gy nooit in my vinden;
Vermits myn meening was, haar sléchts met haare wil
Te trouwen, zal ik daar in ’t minst niet over klaagen,
                (1005) Zo haar een ander kan behaagen
Meer als ik doe; maar dat ze my...

STEILOOR.
                                                            Sus, sus, zwyg stil!
’k Hoor iemand.


ACHTSTE TOONEEL.

NOTARIS* SLIK-OP, én Klérken, STEILOOR,
                GOEDAARD, LEKKER.

NOTARIS.
                            O! myn toon! ik ben uw’ dienaar, Heeren.

STEILOOR.
Ho, Sinjeur Slik-op! schort ’er ietwes aan het been?

NOTARIS.
Ja Sinjeur Steiloor, was ’t sléchts aan de toon alleen;
(1010) Maar dan is ’t in de knie, én dan...

STEILOOR.
                                                            Je moet het smeeren.
Ik viel hier flusjes op de stoep een blaauwe scheen,
Maar ’k voel nóch weinig pyn.

LEKKER binnen gaande, tégens den Notaris.
                                            Myn Heer, hier zyn wel stoelen.

NOTARIS.
Eer ’t mórgen wordt zel jy je blaauwtje béter voelen.
O my! men knie!

STEILOOR.
                            Hoor hier, daar is voor ’t Flerecyn,
                (1015) Geen béter raad, als Rynsche wyn.

NOTARIS.
            Ik dankje.

STEILOOR.
                            Maar hoe staan de zaaken?
Dewyl jy hier...

NOTARIS.
                                    Oei, oei!

GOEDAARD.
                                                Voor ons gekomen zyt.
Hoe meent het de Galant, met ’t Juffertje te maaken,
Dat hy, met haare wil, zo fyntjes wist te schaaken?

NOTARIS.
(1020) Ik dien myn’ vrienden, met geneegenheid, én vlyt;
En ’t wérk... Oei, oei, men voet! én ’t wérk is zo gelégen,
                Dat, zo gy ’t huuw’lyk dezireert,
    Behoeft men geen geweld, nóch dwang te pleegen:
    Want de één en de ander is hier toe genégen.
(1025) Ik heb om uwent wil dit zo geménageert,
Dat Heerman dit kontract bereids heeft onderschreeven.

GOEDAARD.
Maar is de Juffer?...

NOTARIS.
                                        Die heeft ook haar woord gegeeven.
                En wil niet uit de kamer gaan,
            Daar zy haar zélf heeft opgeslooten,
(1030) Voor dat gy beiden dit zult hebben toegestaan,
En onderteekend.

STEILOOR.
                                Broer, hoe zel jouw kiel nou stooten!


NÉGENDE TOONEEL.

HEERMAN, STEILOOR, GOEDAARD,
                NOTARIS SLIK-OP, én Klérken.

HEERMAN.
                Ja Heeren, niemand zal haar uit
Myn’ handen krygen, voor dat ik van dit besluit
Verzékerd ben. Gy ként me, én vólgens uw verwagting
(1035) Ziet gy dat ik myn pligt, uit vrye wil, én achting
Voor uw geslacht, voldoe. Keurt gy dit trouw verbond
        Voor goed, zo moet gy dit kontrakt, terstond,
        Tót myn gerustheid, ondertékenen,
            Of anders moogt gy reekenen
        (1040) Dat ik, hoe dat het ga, in dit geval,
    My eer, van lid tót lid, zal laaten kérven,
Als dat ik haar, die ik bemin, verlaaten, zal.

STEILOOR, tégens Heerman.
Neen, neen, wy willen heur bezit jou niet doen dérven.
                                tégens Goedaard.
De onnoz’le bloed! Je ziet dat hy niet béter weet
(1045) Of ’t is Ruffina. Dat is wel aan hem besteed!
Ha, ha!

GOEDAARD, tégens Heerman.
                Is ’t Willegond?

STEILOOR.
                                            Een vyg; ’t is niet een beet
Broêr; kaalje booke!

GOEDAARD.
                                            Maar...

STEILOOR.
                                                        Maar, kunje dan niet zwygen?

GOEDAARD.
’k Wil weeten óf...

STEILOOR.
                                Zwyg stil; ’k zal hem wel binnen krygen.
De Droelikater, zwyg!

HEERMAN.
                                        Het zy dan wie het zy,
(1050) Ruffina heeft myn trouw, ik heb de haare ontfangen,
En ’k vind geen réden aan uw kant, nóch tégens my,
Dat gy dit weigert, of my hier toe hoeft te prangen.

GOEDAARD.
                Het geen myn Heer daar zeit, Monfreer...

STEILOOR, tégens Goedaard.
                Zwyg stil, noch eens, praat sléchts niet meer.
                (1055) ’k Zel jou ’t geheim daar naa ontdekken.
                Laat ons dit huuw’lyk sléchts voltrekken.
                                tégens Heerman.
Hoor, wy staan ’t beide toe, dat jy zult trouwen, met
            De Juffer, die hier in jou wooning
Verborgen is.

NOTARIS.
                        O ja, dat lydt ook geen verschooning:
            (1060) Die klauze is nét in dit kontrakt gezét;
Haar’ naam alleenlyk is daar open in gebleeven,
                Om dat ik haar niet heb gezien;
Maar als gy lieden dit zult hebben onderschreeven,
Zo kan ze u allen, zélf, hier van ’t uitsluitsel geeven.

GOEDAARD.
(1065) Ik sta het toe, dat zulks maar daat’lyk mag geschiên.

STEILOOR.
Ik ook. O bloed! hoe wil ik straks aan ’t lachchen tyën!
Kom teiken Broertje, kom.

GOEDAARD.
                                                    Die eer komt my niet toe:
O, gy zyt de oudste!

STEILOOR.
                                        O, wég met al die sarmenyen!
Kom, teiken, teiken maar. Wat! ben je slécht?

GOEDAARD.
                                                            Maar hoe?
(1070) Gy spreekt van Willegond, én hy spreekt van Ruffyntje.

STEILOOR.
Wat Drommel scheelt het jou, of ’t Geertruy is, of Tryntje.
Maar of ’t Ruffyntje was? ben jy niet wel te vrêen
Dat hy ze trouwt?

GOEDAARD.
                                O ja.

STEILOOR.
                                        Wel teiken dan sléchts heen,
’k Zal dan ook teikenen.

GOEDAARD.
                                        Ik kan dit niet bevroeden!
(1075) Daar is ’t.

HEERMAN.
                        Nu gy, myn Heer.

STEILOOR.
                                                Dat ’s juist niet noodig.

HEERMAN.
                                                                                    Neen,
Gy moet ook teekenen.

STEILOOR.
                                        O jou onnooz’le bloeden!
            Zie daar, zie daar, daar is ’t. Ik lach me stom!

NOTARIS.
                        Wy komen illico weêrom.
Oei, oei, men toon!


TIENDE TOONEEL.

GOEDAARD, STEILOOR.

GOEDAARD.
                                Monfreer, hoe zal ik dit begrypen?

STEILOOR.
(1080) Hoor, jy hoeft jouw verstand daar over niet te slypen.
Ik zég ’t is Willegond, in myn Ruffyntjes schyn,
            ’k Verzékertje, het kan geen ander zyn.*

GOEDAARD.
                Wel hoé! zou Heerman zulks niet weeten?
Dat waar te dom; nooit wierdt hy dus van my versleeten.

STEILOOR.
                (1085) Hoor, dom, óf niet dom, ’t is gewis;
Maar zie, daar komt ze met ’er meid, zie of ze ’t is.


ÉLFDE TOONEEL.

WILLEGOND, GOEDAARD, STEILOOR,
                        KATRYN.

WILLEGOND.
Myn Heer, ’k heb t’huis gehoord...

GOEDAARD.
                                                        Moest gy my dus beloonen,
O Willegond! én op deez’ wyze uw afgunst toonen?
Heb ik, zo lang als gy by my gewoond hebt, uw
(1090) Geneegendheid getracht te dwingen, dat ge nu
Myn goedheid dus veracht? Heb ik niet honderd maalen
            Betuigd, dat ik u in de trouw
Meestresse van uw keur, én vryheid laaten zou?
    En moest gy my met zulk een’ munt betaalen?
            (1095) Dit had ik nooit van u gedacht.
            ’t Berouwt my niet dat ’k u zo zacht
Gehandelt heb; maar ik verdiende, naar myn oordeel,
Dit loon niet, voor myn’ liefde én zórgen tot uw voordeel.

WILLEGOND.
            Hoe! wat is dit, myn Heer? ik kwam
            (1100) Hier, om dat ik in huis vernam
Dat my uw Broeder...

STEILOOR.
                                Ja, jouw Boeder...

WILLEGOND.
                                                        Gy moet weeten,
Dat ik, nóch nu, nóch ooit, uw goed doen zal vergeeten.
Ja, niemand zal my ooit beletten u tót man
            Te neemen; tót bewys hier van,
(1105) Op mórgen kunnen we, is ’t uw wil, ons huw’lyk sluiten.

GOEDAARD.
Wel, Freer, hoe komt dit met uw woorden over één?

STEILOOR.
Ei, laat my eens begaan. Kom jy nou eerst, van buiten,
Hier in dit huis?

WILLEGOND.
                                Wel ja,

STEILOOR.
                                                Ja, zég je? én ik zég neen.

WILLEGOND.
            Ik kom hier, wyl my kwam ter ooren
(1110) Dat gy na Heermans waart, én my van wanbehooren
Beschuldigde. Ei, wie heeft die laster u verhaald?

STEILOOR.
Je hebt op ’t Bal geweest met Heerman? wat je ’er saamen
                Gedanst hebt, is wel licht te raamen.

GOEDAARD.
        Is dit zo fraai,* Monfreer, dat gy dus smaalt
            (1115) En schémpt op Willegond haar leeven?


TWAALFDE én laatste TOONEEL.

NOTARIS SLIK-OP, én Klérken, RUFFINA,
    HEERMAN. LEKKER, KATRYN, WIL-
        LEGOND, GOEDAARD, STEILOOR,
            Die, zo haast als hy Ruffina ziet komen, én ként,
                onbeweeg’lyk, zonder spreeken, blyft staan.

NOTARIS.
Hier is de Juffer, die ’t kontrakt heeft onderschreeven.

RUFFINA.
            Myn Zuster, wil het my vergeeven.
        Zo ik my van uw’ naam gediend heb. Ach! gy weet
            Hoe ik gepérst wierd, door myn leed
            (1120) En onvermydelyke plaagen.
Myn’ groote drift wordt licht veroordeeld door uw’ deugd,
            Wiens spoor ik vólg met groot behaagen;
Maar ’t Lót onthaalt my met verdriet, én u met vreugd:
Dies drong de nood my, om deez’ list te waagen.
                                tégens Steiloor.
            (1125) Wat u belangt, myn Heer, ik zal
My niet ontschuldigen: want met my op te sluiten,
En straf te dwingen, geeft gy me oorzaak dat ik buiten
Uw toestaan, u bevry voor grooter ongeval.
Het scheen wy waaren voor malkand’ren niet gebooren.
            (1130) Ook ben ik zulk een man niet waard.
            De Hémel heeft me ’er een verkooren
Die my in weêrliefde, én in jaaren évenaart.

HEERMAN.
            Voor my, myn Heer, al myn verlangen
            Is dat ik haar mag van uw hand ontfangen;
            (1135) ’k Zal u verplicht zyn voor die gunst.

LEKKER.
            Katryn, die trék is uit de kunst!

KATRYN.
Veel béter kon men zulk ien Steiloor niet betaalen.

WILLEGOND.
Ik weet niet, óf die trék veel pryzens kan behaalen;
Maar de al te hooge nood spreekt haar van laster vry.

GOEDAARD.
(1140) Monfreer, gy staat verstéld; maar als ik zie hoe gy
            U zélf hebt in dit wérk gewikkeld,
    Indien het einde uw ziel met wroeging prikkelt,
            Dénk, dat hy die een misslag doet,
    De straf ook zélf geduldig draagen moet.
(1145) Het slimste is...

STEILOOR, na eenigen tyd gemymerd te hebben.
                        Neen, ’t verstand is my benomen!
            ’k Word dol! Is ’t waar? óf zyn ’t ook droomen?
            Neen, ’t kan in myn begrip niet komen!
                Hoe! zulk een ontrouw, zulk een schand!
Zulk een bedrog, als deez’, deez’ feeks daar heeft bedreeven,
            (1150) Wierdt met geen pennen ooit beschreeven
                        In eenig land!
Die Toverhéks! ik had voor haar myn leeven
            Wel opgezét; ja ’k had deez’ hand,
Voor haar, eer dat ik stierf, wel in het vuur verbrand!
(1155) Eléndig zyn ze die haar op een vrouw verlaaten!
            Ze zyn schynheilig, vol fenyn,
Geen Nikker in de Hél kan zo boosaardig zyn!
    De béste is waerdig als de pest te haaten,
            Als zynde een geessel van den man.
            (1160) Ik haat, ’k verlaat, ’k vervloek haar dan,
En ’k wénsch dat ze alle veur den Duiker mogen vaaren!

LEKKER.
            Heel goed!

GOEDAARD.
                                        Hy zal wel haast bedaaren;
De tyd bréngt alle ding ten bésten.

NOTARIS.
                                                            Ik ga heên,
                En blyf uw Dienaar. O, myn been!

HEERMAN.
(1165) Geen vreugde op aard’ die myn geluk kan évenaaren!
Myn Engel gunme uw hand, én gaanwe t’saam beneên.

RUFFINA.
Myn’ hand alleen niet, maar myn liefde én trouw met één.

LEKKER.
    Dit ’s ’t loon voor die met dwang de vrysters kwellen.
En ’t middel om ’t verstand dier zotten te hérstellen.
                (1170) Want hoe men géld, óf liefde sluit,
                Het een én ’t ander moet ’er uit.

                Einde van het Dérde én laatste Bedryf.

                DICHTKUNSTIGE WÉRKEN

                Van het Kunstgenootschap

                NIL VOLÉNTIBUS ARDUUM.

                                in Octavo.

AGRIPPA, Koning van Alba, Treurspél.
HET SPOOKEND WEEUWTJE, Blyspél.
ORONDATES EN STATIRA,Treurspél.
DICHTKUNSTIG ONDERZOEK, énz. op ’t zélve.
ANTWOORD OP HET VOOR-EN-NAABERICHT, voor ANTIGONE.
GIERIGE GEERAARD, Blyspél.
VOOR-EN-NAA-SPEL van Gierige Geeraard.
DE GELYKE TWEELINGEN, Blyspél.
ANDROMACHE, Treurspél.
DE VRYER IN DE KIST, Kluchtspél.
DE WANHEBBELYKE LIEFDE, Kluchtspél.
TIERANNY VAN EIGENBAAD, Zinnespel, met de uitlegging.
DE BEKEERDE ALCHIMIST, Kluchtspél.
DE DÓKTER TEGENS DANK, Blyspél.
HET GEDWONGENE HUUWELYK, Blyspél.
DE SCHILDER DOOR LIEFDE, Blyspél.
IFIGENIE, Treurspél.
CINNA, Treurspél.
DE HOLLANDSCHE FRANSMAN, Blyspél.
DE DICHTKUNST, VOORSPEL met MUZYK.
DE GELUKTE LIST, Blyspél.
MINNELIEDEREN EN MENGELZANGEN.
Q. HORATIUS FLACCUS DICHTKUNST.
GEBRUIK EN MISBRUIK DES TOONEELS.
BYGEDICHTEN OP OTTO VAENIUS ZINNEBEELDEN.
D. J. JUVENALIS TIENDE BERISPDICHT.
DE LISTIGE VRYSTER, Blyspél.
TH. VAN KEMPENS NAAVÓLGING VAN CHRISTUS.

Tekstkritiek:
vs. 23: maakt er staat: maak
vs. 584: kwaade er staat: kwaake
vs. 895: Al er staat: Als
vs. 1004: Notaris er staat: Notaris,
vs. 1079: zyn. er staat: zyn
vs. 1112: fraai er staat: fraa