Enoch Krook: Het bedurven huishouwen. 1738.
Uitgegeven door Hilene van Manen.
Red. dr. A.J.E. Harmsen, Universiteit Leiden.
Ceneton C4448
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.

Continue
[p. 1]

HET

BEDURVEN

HUISHOUWEN,

KLUCHTSPEL;

DOOR YVER BLOEID DE KUNST;

[Vignet: Faam].

Te AMSTELDAM;
By IZAAK DUIM, Boekverkooper, bezuiden het
Stadhuis, 1738. Met Privilegie.



[p. 2: blanco]
[p. 3]

COPYE

VAN DE

PRIVILEGIE.

DE Staten van Holland en Westvriesland doen teweten: alzo Ons te kennen is gegeven by de tegenwoordige Regenten van het Wees- en Oude Mannenhuys der Stad Amsterdam, en in die qualiteyten te samen Eygenaars, mitsgaders Regenten van den Schouwburg aldaar, dat zy Supplianten eenige Jaaren hadden gejoüisseert van ’t Octroy, of Privilegie by hen van Ons op den 23. May 1714. geobtineert, waar by Wy aan hun Supplianten goedgunstelyk hadden geaccordeert, en geoctroyeert, om, geduurende den tyd van vyftien doen eerst agter een volgende Jaaren, de Werken, die ten dienste van het Toneel reets waren gedrukt, en van tyd tot tyd nog verder in het licht gebragt, en ten Toneele gevoert zouden mogen werden, alleen te mogen drukken, doen drukken, uytgeeven ende verkoopen, en bevonden dat de Jaaren, by ’t voorsz. Octroy of Privilegie genoemt, op den 22. May 1729. stonden te expireeren, ende dewyle zy Supplianten ten meesten dienste van den Schouwburg, waar van hunne respective Godshuyzen onder andere mede moeten worden gesustenteert, de voorengemelte Werken, zoo van Treurspellen, Blyspellen, Klugten, als anders, die reets gedrukt, en ten Toneele gevoert zyn, of in toekomende gedrukt, en ten Toneele gevoert zouden mogen werden, geerne alleen, gelyk voorheen, zouden blyven drukken, uytgeeven en verkopen, ten eynde dezelve Werken door het nadrukken van andere haar Luyster, soo in taal, als in spelkonst, niet mogten komen te verliesen, en dewylen sulx haar Supplianten na de expiratie van ’t bovengemelte Octroy, niet gepermitteert was, zoo keerden zy Supplianten haar tot Ons, onderdaniglyk verzoekende, dat Wy aan hun Supplianten in kwaliteyten voorsz. geliefden te verleenen, prolongatie van het voorsz. Octroy of Privilegie, om de voorsz. Werken, zoo van Treurspellen, blyspellen, Klugten, als anders, reets gemaakt, en ten Toneele gevoert, of als nog in het ligt te brengen, en ten Toneele te voeren, den tyd van Vyftien eerstkomende, en agtereenvolgende Jaaren, alleen te mogen drukken, en Verkopen, of te doen drukken, en verkopen, met verbod aan alle andere op seekere hooge Peene by Ons daar tegens te Statueeren, SOO IS ’t dat Wy, de Saake, ende ’t voorsz. verzoek overgemerkt hebbende, ende geneegen weezende ter bede van de Supplianten uyt Onze regte wetenschap, Souveraine Magt ende Authoriteyt, de selve Supplianten geconsenteert, geac- [p. 4] cordeert, en geoctroyeert hebben, consenteeren, accordeeren, en octroyeeren haar by deezen, dat Zy, geduurende den tyd van Vyftien eerst Agtereenvolgende Jaaren, de Werken, die ten diensten van het Toneel reets waren gedrukt, en van tyd tot tyd nog verder in het ligt gebragt, en ten Toneele gevoert zouden mogen werden, in dier voegen, als zulx by de Supplianten is verzogt, en hier vooren uytgedrukt staat, binnen den voorsz. Onzen Landen alleen zullen mogen Drucken, doen Drucken, uytgeven ende verkopen, verbiedende daaromme allen ende eenen ygelyken dezelve Werken, in ’t geheel, ofte ten deele te Drucken, naar te Drukken, te doen Naardrucken te Verhandelen, of te Verkopen, ofte elders Naargedrukt binnen den selven Onzen Landen te brengen, uyt te geven, ofte Verhandelen en Verkopen, op Verbeurte van alle de nagedrukte, ingebragte, verhandelde ofte verkogte Exemplaren, ende een boete van drieduysend guldens daar en boven te verbeuren, te Appliceeren een derde part voor den Officier, die de Calange doen zal, een derdepart voor den Armen der plaatzen daar het Casus voor vallen zal, ende het resteerende derdepart voor de Supplianten, ende dit t’elkens zoo meenigmaal, als dezelve zullen werden agterhaalt, alles in dien verstande, dat Wy de Supplianten met dezen onzen Octroye alleen willende gratificeeren tot verhoedinge van hunne schade door het Nadrucken van de voorsz. Werken, daar door in geenigen deele verstaan, den innehouden van dien te autoriseeren, ofte te Advouëren, ende veel min dezelve onder onze protexie, ende bescherminge, eenig meerder Credit, aanzien ofte reputatie te geeven, nemaar de Supplianten in cas daar inne iets onbehoorlyks zoude influëren, alle het zelve tot hare Lasten zullen gehouden weezen te verantwoorden, tot dien eynde wel Expresselyk begeerende, dat by aldien zy dezen onzen Octroye voor dezelve Werken zullen willen stellen, daar van geene geäbbrevieerde ofte gecontraheerde mentie zullen mogen maken, nemaar gehouden wezen, het zelve Octroy in ’t geheel, en zonder eenige omissie daar voor te drucken, of te doen drucken, ende dat zy gehouden zullen zyn, een Exemplaar vande voorsz. werken, op Groot Papier, gebonden en wel geconditioneert te brengen in de Bibliotheek van onze Universiteyt te Leyden, binnen den tyd van zes weeken, na dat zy Supplianten de zelve Werken zullen hebben uyt te geeven, op een boete van zes hondert guldens, na expiratie der voorsz. zes Weeken, by de Supplianten te verbeuren ten behoeve van de Nederduytse Armen van de plaats alwaar de Supplianten wonen; en voorts op peene van met ’er daad versteeken te zyn van het effect van dezen Octroye. Dat ook de Supplianten schoon by het ingaan van dit Octroy een Exemplaar gelevert hebbende aan de voorsz. Onse Bibliotheek, by zoo verre zy geduurende den tyd van dit Octroy deselve Werken zouden willen herdrucken met eenige vermeerderingen of anders, hoe genaamt, of ook in een ander formaat, gehouden zullen zyn wederom een ander Exemplaar van de gemelde Werken Geconditionioneert als vooren, te brengen in de voorsz. Bibliotheek, binnen deselve tyd, en op de boete en penaliteyt, als voren. Ende ten eynde de Supplianten dezen Onzen Consente, ende Octroye mogen genieten, als naar behooren, Lasten wy allen ende [p. 5] eenen ygelyken, dien het aangaan mag, dat zy de Supplianten van den inhouden van dezen doen, Laten, ende gedogen, Rustelijk, vredelijk, ende volkomentlijk genieten ende gebruyken, cesserende alle belet ter contrarie. Gegeven in den Hage, onder onzen Groten zegele hieraan doen hangen op den zevenentwintigsten Mey, in ’t Jaar onzes Heere en de Zaligmakers duysend zevenhondert agtentwintig.

                                        J.G.V. Boetzelaar.

        Onder stond, ter Ordonnantie van de Staten, was getekent

                                                                        WILLEM BUYS.


                                        Lager stond,

    Aan de Supplianten zyn, nevens dit Octroy, ter hand gestelt by Extract Authenticq, haar Ed. Gr. Mog. Resolutien van den 28. Juny,* 1715, en 30. April, 1728, ten einde om zig daar na te reguleeren.

De REGENTEN van het WEES-en OUDE MANNENHUIS hebben in hunne voorsz. qualiteit, het Recht der bovenstaande Privilegie, alleen voor den tegenwoordigen druk, van HET BEDURVEN HUISHOUWEN; Kluchtspel; vergund aan IZAAK DUIM.

                                In Amsteldam, den 2den October, 1738.

VERTOONERS.

ALBARTUS, Vader
GEERTRUID, Moeder
} van Agatha.
LICHTHART.
AGATHA, Vrouw
ELIZABETH, Dochtertje
JANTJE, Zoontje
} van Lichthart.
JURRIAAN DE MOF, een Bakker.
SMEERLAP, een Kommenysman.
TRYN, een Brandewynsvrouw.
SARA,
REIMERIG,
} Slampamsters van Agatha.
LOUÏS, een Knecht van ’t Verbeterhuis, doch by
        Lichthart een gewaande Waal en Sargiant.

                        ZWYGENDE.

VIER ARBEIDERS.

            ’t Kluchtspel speeld in het huis van Lichthart.

Continue

[p. 7]

HET

BEDURVEN

HUISHOUWEN,

KLUCHTSPEL.
__________________________

EERSTE TOONEEL.

AGATHA, JANTJE.

                    AGATHA.
Jantje, daar is een flesje, ga heen en haal by Tryn
Maar houd het onderje rok, een mutsje Brandewyn.

                      JANTJE.
Ik zal, Moeder; maar ’t geld.

                    AGATHA.
                                Zeg dat ik haar morgen zal betaalen.

                      JANTJE.
Moeder, ik durf by Tryn geen Brandewyn meer te borg haalen.
(5) Van de morgen, toen ik ook een Mutsje voor je haalde keef de Vrouw,
En zei, dat ze, zonder geld, geen Brandewyn meêr geven wou;
Dat je haar al zo dikwils uitgesteld had, met te zeggen, morgen zal ik geld ontfangen:
Maar, dat ze vandaag, voor ’t laatst, zou komen maanen, kwam je ’t haar niet te langen.
De Bakker, en Kommenysman, riepen me onderweegen ook aan,
(10) En die zeiden het zelfde.

                    AGATHA.
                            Goet. Ga jy maar heen, die dingen zullen wel gaan.



[p. 8]

TWEEDE TOONEEL.

AGATHA, ELIZABETH.

                    AGATHA.
Elizabeth, Elizabeth.

                  ELIZABETH.
                                Moeder, wat is van je believen?

                    AGATHA.
Jy hebt gisteren weêr by Grootmoeder, al wat hier omgegaan is, weezen overbrieven.
Hoe dikwils dat ik jou, om het uit den huis klappen sla, ’t helpt niet met al:
Maar hoor ik het weêr, je zult ’er zo van hebben, dat het jou wel een maand lang heugen zal.
(15) Ik wil niet, dat je buiten myn weeten, jou voeten daar ooit zult zetten.
En dat loopen, in de buurhuizen, zal ik jou ook wel beletten.
Ga naar achteren, Slons, en als Vader opstaat, kom, en waarschouw me dan.


DERDE TOONEEL.

AGATHA, alleen.

Die Klappy maakt dat ik met myn Kornuitjes, niet eens vrolyk weezen kan,
Of ik heb het snappen van haar lange tong te vreezen.
(20) Stuur ik haar school of van honk, het zou al ’t zelfde weezen.
Doch ik moet zien, als ze zomtyds meê een veeg uit de pan krygt,
Of ik haar, daardoor, niet kan leeren, dat ze maar hoord, en ziet, en zwygt.
Jantje, die is noch onnoozel, en myn Zoon Jakobus, daar ik my ook voor moest wachten,
Heeft gezegt; ik ga by myn Patroon slaapen, voor eenige nachten.
[p. 9]
(25) Myn Man zal wis noch uitgaan, en komen niet t’huis voor morgen tegens den dag.
Terwyl meen ik my, met myn Vrindinnen, te toeven, dat het toeven heeten mag.
Ik heb myn fyne Oor Diamanten verkocht, om eens lustig te smeeren;
En gelyke valsche in de plaats gehangen, om alle achterdocht te weeren.
                Daar wordt geklopt.
Dat zal Jantje met de Brandewyn zyn, ik mag open doen.
(30) ,, Maar och! het is Vader en Moeder, dit gaat tegen myn vermoên.


VIERDE TOONEEL.

ALBARTUS, GEERTRUID, AGATHA.

            ALBARTUS.
Waar is je Man, Agatha? en Jakobus, is die noch niet t’huis gekomen?

                    AGATHA.
Vader, myn Man slaapt, en Jakobus blyft by zyn Patroon, die heb ik in geen week vernoomen.

                    ALBARTUS.
Jou Man slaapt, en Jakobus zou hier in de Stad zyn, ten huizen van zyn Patroon?
Maar deze Brief luid heel anders. O! jou schandvlek, en verdriet van jou Ouders, en deugdzaame Zoon.

                    GEERTRUID.
(35) Luister eens toe, Voddemoêr, Vader zel leezen, wat die vroome jonge Blom, aan ons heeft geschreeven.

            ALBARTUS, leest.
Eerwaarde en Deugdzame Grootvader en Grootmoeder,
    Deze dient tot uwen troost, en bekendmaaking dat ik my
in dienst heb begeeven, als Sekretaris van een groot Heer,
en met hem naar Engeland vertrokken ben. Verschoon myne
stilzwygendheid in dezen. Het berucht slecht gedrag van
myne Vader en Moeder, ik zeg het met harten leed,
[p. 10]
heeft my doen rezolveeren om hunne schanden, die my,
in myn Vaderland steeds voor de scheenen sprong, waar
het mogelyk, te ontwyken. Myne jonger Broeder en Zus-
ter beween ik, en verzoeke u lieden het opzicht over hen,
op dat zy, door het kwaade voorbeeld van hunne Ouders,
op geen doolweg geraaken. My aangaande, ik heb hunne
opvoeding niet te danken, ’t valt hard dat een Kind zulks
moet zeggen, dat ik, zynde in de eerste vuurigheid van myn
jeugd, het pad der ondeugden niet ben ingeslaagen; en ik
verhoope dat gy lieden zo veel meer vreugd aan my, als gy
aan myne Ouders verdriet ziet, zult aanschouwen. Ik
wensche aan u lieden, en myne Zuster en Broeder alle wel-
vaart, en myne Ouders beterschap van leeven.
                                                            JAKOBUS.
Londen den 6. Augustus, 1703.

            ALBARTUS, spreekt voort.
Is het niet fraai, dat een Kind zo komt klaagen over zyn Ouders onbetaamelyk leeven?

                    AGATHA.
Vader, ik beter my immers; maar myn Man kwam weêr van de morgen eerst t’huis,
Zo dronken, als een zwyn. Och! het is me zulk een kruis!
En ik moet de meeste schuld draagen, dat myn Man van een Koopman tot Kantoorknecht is vervallen,
(40) Daar ik nu zo sober en zuinig leef.

                    GEERTRUID.
                                    Ja, nou het hammetje op is, zel jy de bot gallen.
Maar jy moest zuinig geleeft hebben, eer je de naam van Juffrouw Verkwisting kreeg;
En je doet het noch niet, schoon je Capetaal op is, kisten enne kassen gansch leeg.
We hebben jou al tot driemaal toe op nieuw gezet in je Huishouwen;
Maar veur de vierdemaal, Dochter, zelle we jou wel waarschouwen,
[p. 11]
(45) Eergisteren heb je, om de Bakker en Kommeny te betaalen, noch over de dartig guldens van my gehad.
Maar we zellen in ’t kort een ander gangetje met je gaan; verstaa je dat?

                    AGATHA.
Schoon men ’t my verwyt; myn Man die...

                    ALBARTUS.
                                        Jy hoeft ons dat niet te verhaalen.
Wy weeten wel, dat jou Man, ver te buiten ging, de Burgerlyke paalen.
Dat je over de honderd en tachentig duizend guldens by malkander brogt, toen je bent getrouwd.
(50) En dat jij en hy leefde of je een Hooischuur had opgepropt van zilver en goud;
Dat hy, zynde een Koopman, de rykste Adel van ’t land, in staat houden, dorst braveeren.
Doch daar zyn meêr zulke onbezonnene, die op zodanig een wys ten achteren teeren.
De slechten tyd doet het niet: maar na de Fransche mode te leeven, in alle overdaad en pracht.
De oude Hollandsche zedigheid, en zuinigheid, word nou by veele bespot en veracht.
(55) Ik hoorde laatst, in een deftig gezelschap daar oude en jonge lieden te zaamen vrolyk waaren,
Den eenen Jongeling den ander, aardig in zyn schild vaaren.
Na de maaltyd was het jong Gezelschap, tot vermeerdering van de vreugd,
Aan ’t danssen geraakt, daar veel oude lieden, meê ’t spoor volgde van de wulpsche jeugd.
Onder allen, was een jong Heer, groot van verstand, ervaaren in veel weetenschappen en zeden,
(60) Die van een der Jonkers verzocht wierd, hy wilde meê met eene der Juffers ten Dans treeden;
Schoon hy wel wist, dat hy niet danssen kon: waarom zy hem ook, onder malkander, hielden voor de zot;
[p. 12]
De Heer, het weigerende, zeide, ik merk wel, myn Heer, dat gy met my dryft de spot;
Excuseer my, sprak den ander; een Heer zo wel gemaakt, zo fluks en jong van jaaren,
Die by het Jufferschap zo aangenaam is, en in zo veel weetenschappen ervaaren,
(65) Kund gy niet alles danssen, dans ten minsten een gemeene Minuet, Boeré, of Courant;
Dans een Gek, of plompe Boer, naar uw eigen aard en verstand.
Den ander antwoorde: myn Heer, die beide kund gy volmaakt presenteeren.
Ik meen dat het een Koopmans Zoon nutter is, de Koopmanschap, als danssen, te leeren.
Ik veracht het danssen niet, om die geen, die het buiten zyn styl gebruikt, als een exercitie van vermaak;
(70) Maar gy, die geen styl van doen hebt, noch zoekt, zult uit die zaak,
Dit voordeel kunnen trekken, dat, als uw Capitaal u zal hebben begeeven,
Gy uw dienst aan de Opera presenteerd, om dan van het danssen te leeven.
Ik meen dat ze altemaal lachten.

                    GEERTRUID.
                                            Ja, Vaâr, het staat me ook noch wel veur.
Die Jonker Dansser, droop, zonder afscheid van het gezelschap te neemen, stilletje deur.
(75) Ik mien dat was een maaltyd, gien Prins kon ze kostelyker hebben doen bestellen.
Toen docht ik noch om het geen ik te Amsterdam eens heb hooren vertellen,
Van die Heer, die in zyn gastmaal verbeelde de oude en hedendaagsche tyd.
Toen het eerste gerecht op kwam, zei hy: zo hebben wy ons geld gewonnen; by het tweede, zo kunnen wy het noch staande houden; en by het derde, zo raaken wy het weêr kwyt.
[p. 13]
En zo ben jy lui geld ook kwyd geraakt: maar dit kom ik jou ontdekken;
(80) Dat wy jou onze onderstand te eenemaal zullen onttrekken.
Jou Man heeft de zak al van zyn Koopman: want hy ziet naar ’t Kantoor niet meêr om.
Nou mag hy, gelyk hy al lang gereuteld heeft, hooren naar ’t geluid van de Trom;
Want my is flus gezeid, dat hy al dienst heeft.

                    ALBARTUS.
                                        Moêr, kyk Agatha eens aan, zy is wis weer beschonken.

                    GEERTRUID.
Ik geloof het ook, Vaâr, me dunkt dat ik ruik dat ze Brandewyn heeft gedronken.

                    AGATHA.
(85) Brandewyn Moeder?

                            GEERTRUID.
                        Ja, Brandewyn, Agatha; mien je dat ik niet ruiken kan?
Jy drinkt je, in Wyn en Brandewyn, zo wel dronken, als je Man;
Met jou Slampamsters, Schorrymorrys, die dagelyks by je verkeeren.
Maar, dat ryk is op het hoogst, dat wil ik jou wel zweeren.
Jy hebt je beloofd te beteren; maar, gisteren was je noch zo dronken als een Zwyn.

                    ALBARTUS.
(90) Toen had ze een Theetje gedronken, en dan moet ’er een zakkertje op zyn.

                    AGATHA.
Ruik ik naar Brandewyn, Moeder, dat moet je me vergeeven.
Ik heb ze niet geproeft zedert jy my daar laast over hebt bekeeven;
En dat is nu zes weeken geleên. En, die u heeft gezegt,
[p. 14]
Dat ik gisteren dronken was, heeft u kwaalyk onderrecht.

                    GEERTRUID.
(95) Wy weeten ’t wel, jy ontkend alles, en liegt, als een wachter.


VYFDE TOONEEL.

JANTJE, ALBARTUS, GEERTRUID,
AGATHA.

                    AGATHA.
Ben je daar, Jantje? ga heen, en breng het flesje met Eek maar achter.

                      JANTJE.
Je hebt me immers om Brandewyn gestuurd, Moeder, maar om geen Eek.

            ALBARTUS, aan ’t flesje ruikende.
Geef het my, Jantje, en loop achter. ’t Is Brandewyn. Is dat Eek, Agatha? nou spreek.

                    GEERTRUID.
Dat zel het eerst in zes weeken dan hieten, dat zy de Brandewyn weêr zel proeven.
(100) Och! och! wat zel ons noch overkomen!

                    ALBARTUS.
                                        Hoor, Moêr, of wy ons al kwaad maaken en bedroeven,
Hier is geen zalf aan te stryken, ’t is een bedurven Huishouwen, dat is klaar.
De Vrouw, schuift het op de Man, en de Man op de Vrouw, en den een heeft zo veel schuld, als den aâr.
Wy moeten, nu wy permissie van de Heeren hebben maar een eind maaken van de zaaken.

                    AGATHA.
Maar, Vader en Moeder, vertoeft een oogenblik, ik zal u de waarheid bekend maaken.

[p. 15]
                    ALBARTUS.
(105) Dat zel’er weêr eentje weezen, Liefste, trots de Antwerpze Courantier.

                    AGATHA.
Als myn Man opstaat, als hy dronken geweest is, heeft hy voor een manier,
Dat hy een mutsje Brandewyn moet hebben, of al zyn leeden beeven.
En weiger ik hem dat, of vergeet ik het, dan heb ik zulk een leeven,
Dat ’er de Buuren van uitkyken, doch hy heeft me verboôn,
(110) Dat ik het u nooit zeggen zou.

                    GEERTRUID.
                                    Wel, ik moet het bekennen, die leugen is schoon.

                    AGATHA.
Als myn Man op staat, zul je ’t zelfs kunnen zien.

                    ALBARTUS.
                                Ons leid aan jou, noch aan jou Man, niet meêr geleegen.
Daar staat jou flesje, dat kun je, voor ’t laatst, noch eens uit veegen.

                    AGATHA.
,, Voor ’t laatst.

            ALBARTUS, stil tegen Geertruid.
                        ,, Hoor, Hartje, ik zal, terwyl Lichthart noch is te bed,
,, Eens aan Louïs, de knecht van ’t Verbeterhuis, gaan verneemen, of hy, en al ’t volk, klaar is, op dat onze aanslag voort word gezet.
(115) ,,En zeggen aan Louïs, dat hy, weêr als een waalsch Sergiant verkleed, van wien Lichthart meend, dat hy gisteren dienst heeft genomen,
,, Gelyk by ons bestooken was, aanstonds, om met hem akskaks, naar ’t Garnisoen te vertrekken, hier moet komen.

[p. 16]
                    GEERTRUID.
,, Ja doet dat maar, Albartus; want hier is toch geen beterschap te wachten.

                    ALBARTUS.
                                                    ,, Een van de Heeren, die ’t Fiat
,, Op ons Rekwest heeft getekend, vroeg me flus, of Lichthart en Agatha nu al in ’t Verbeterhuis zat.
,, Ik zei dat wy ’t vast werkstellig maakte.

                    AGATHA.
                                            ,, Wat mag Vader en Moeder daar zo stil met malkander overleggen?

                    ALBARTUS.
(120) Kom laat ons gaan. Jantje, Jantje, je moet tegens den avond met Elizabeth eens tot onzent komen, wy moeten je wat zeggen.


ZESDE TOONEEL.

JANTJE, AGATHA.

              AGATHA, Jantje slaande.
Jou Guit, moest jy juist zeggen dat het Brandewyn was? kost jy niet maar stil naar achteren gaan,
Zeg, Schelm? ik zal jou noch armen en beenen aan stukken slaan.

                      JANTJE, huilende.
Och! Moederlief, ik zal het nooit weêr doen, ik zal al myn leeven zoet weezen,
En nooit meêr iets verklikken.


ZEVENDE TOONEEL.

ELIZABETH, JANTJE, AGATHA.

                ELIZABETH.
                        Moeder, Vader is al van het bed opgereezen.

              AGATHA, binnen gaande.
(125) ’t Is wel.

[p. 17]
                  ELIZABETH.
                    Wat heb je gedaan, Jantje, wat is ’er geschied?

                      JANTJE.
Moeder had me om Brandewyn gestuurt, en terwyl was Grootvader en Grootmoeder hier gekomen, en dat wist ik niet;
En toen ik weêr kwam, zei Moeder; Jantje, wilt het Flesje met Eek maar naar achteren draagen.
En ik zei, onnozel, ’t is immers Brandewyn, maar geen Eek; en daarom heeft Moeder my geslaagen.

                  ELIZABETH.
Jonge, dat moest je niet gezeid hebben, toen Moeder van Eek sprak.

                      JANTJE.
(130) Och, ik docht ’er niet om.

                  ELIZABETH.
                                        Ja, daar even heeft Moeder my ook wel hart en strak
Bekeeven, en gezeid, zo het ooit weêr kwam te beuren,
Dat ik by Grootmoeder liep klikken, ze zou me verscheuren.
Zy wil niet dat wy daar, zonder order, ooit gaan.

                      JANTJE.
                                                                Maar, Grootvader heeft me belast,
Dat wy zaamen tegen den avond daar moeten komen, misschien wel te gast.
(135) Ik zou liever by Grootvader, als by Vader en Moeder, willen woonen blyven;
Want die kyven en vechten alle daag.

                  ELIZABETH.
                                            Och! Jantje, ik hoor ze al weêr kyven!

                      JANTJE.
ô Lieventyd! Zus, hoor, Vader gooid het goed van de Wand!
Was ik zo groot als Jakobus Broêr, ik trok naar een aâr land.

[p. 18]
                  ELIZABETH.
Zwyg, daar komen ze.


ACHTSTE TOONEEL.

LICHTHART, AGATHA, ELIZABETH, JANTJE.

                    LIGTHART.
Ik zeg, geef me geld, zonder meêr tegenspreeken.
(140) Of ik zal hier ook, alles wat ’er is, stukken slaan, en dan jou den hals breeken.
Ik wil geld hebben, ’t is al zo goed dat ik het verzuip, als jy.

                    AGATHA.
Ik heb geen geld, Lichthart.

                    LIGTHART.
                                Dat liegje, jou verkwistende Pry.
Kyk, dat gelykt nou die Juffrouw wel, die ’er zo grootsch kon palleeren.

                    AGATHA.
En jy die Heer, die niet langer als twee Maanden droeg een pak kleêren.

                    LIGTHART.
(145) En jy, dartele Vel, had alle Maanden een nieuw, van de kostelykste stof.
Die ’er te krygen was, en na vier weeken heeten het kleed of.
Je hield vier Meiden, en twee Kammeniers, en liet haar bevoolen het huishouwen.
Driemaal ’s weeks noode je een bezoek, van vyf-en-twintig en meêr Juffrouwen;
Hoe buitenspoorig jy die ook trakteerde, noch was je zelfs nooit voldaan.
(150) Hoe zou een Koopman, door zulk een andere verkwistingen van zyn Wyf, konnen bestaan?
Jou overdaad en dartelheid is oorzaak, dat we zo achteruit zijn gevaaren.
[p. 19]
Het heugt me noch, hoe jy ’t maakte, toen we eens tot Amsterdam op de Schouwburg waaren.
We zaten in een Logie, en jy met je gat naar het Tooneel, het heele Spel door;
Je danste, zong, en snapte, zo hart, dat de Acteurs riepen, geef wat gehoor;
(155) En wat ze uit de Staanplaats riepen, is my ook niet vergeeten.

                    AGATHA.
Ik zag dat het daar de mode scheen, onder veele die in de Logies waren gezeeten.
Ik kwam ’er niet om het Spel, maar om het Jufferschap te zien, en te worden gezien;
En of ze uit de Staanplaats wat riepen, zy kunnen my myn pleizier niet verbiên.
Maar jy spreekt noch van myn achteloos Huishouwen, van myn bezoekjes en trakteeren;
(160) Maar als je met een Chaize met twee Paarden, alle daag uitreed, dat was dan ook Negotieeren?
En Maaltyden op den Doelen aanrechten van dartig Dukarons,
Dat deê niet ten achteren teeren, maar verryken ons.
Alle weeken een zakje Schellingen of drie te verspeelen,
Dat styft de Koopmanschap, en kon myn Heer Lichthart niet scheelen.
(165) Jy hebt met jou Handeldryven gedaan, als je nou met je Kantoor doet,
Daar zie je niet meêr naar om: want op de Kroeg ben je te zoet.

                    LIGTHART.
Jy hebt me de kop op hol gebragt, door al jou pronken en praalen.
Kom, kom, geef maar geld, want ik moet in den Uil, voor ’t laatst myn hart noch eens ophaalen.
Ik heb gisteren dienst genoomen, om van jou niet meêr te worden geplaagd,
[p. 20]
(170) En trek naar ’t Leger, dan zul jy leeven konnen, zo als het jou behaagt.
Dan zal ik jou met jou Slampampsters, niet weêr het huis uitjaagen.
Vader en Moeder zullen voor onze Kinderen wel zorg draagen.
Onze Jakobus, zeg je, dat naar Engeland is, puik! zo raaken wy gemakkelyk van malkaâr verlost.
Jy moogt om een goed heen komen zien, of haalen by jou Kornuitjes de kost.
(175) Als je niet meêr te borg kund krygen, noch de menschen uit zuipen.
Ik zeg, geef me geld, of ik zal je zo dicht, als een Brandewynstuk, kuipen.

                    AGATHA.
Waar zou ik het van daan haalen? zeg, dronken Hond?

                    LICHTHART.
Kom, geef me de hand, Wyf, want de Brandewyn stinkt noch, als een Varken, uit jou mond.
Het geld van dat goed, dat je van de week hebt weezen verkoopen,
(180) Kan noch niet op zyn.

                    AGATHA.
                        Zou het niet? dat heb jy altemaal verzoopen.

                    LICHTHART.
Dat lieg jy, Karonje. Ook gaf Moeder, eergisteren, jou noch geld,
Om de Schuldenaars te betaalen, en dan heb je ’er noch niet geteld.

                    AGATHA.
Ik kan je geen geld geeven: want al sloeg je me dood, noch was je moeiten verlooren.

                    LICHTHART.
Ja, ja, ik zie al geld, die Diamanten, die daar hangen aan jou ooren.

                    AGATHA.
(185) Holla, daar vecht ik om, Lichthart.

[p. 21]
                  ELIZABETH.
                            Och, Moeder!

                    LICHTHART, haar de Diamanten van ’t hoofd rukkende.
                                                    Maar ik ook, Jufvrouw Agatha.

                      JANTJE.
Och, Vader!

                    AGATHA.
                Jou Schelm, jou Dief.

                    LIGTHART.
                                        Ik heb ze al, en heb je me lief, zo volg me na.


NEGENDE TOONEEL.

AGATHA, ELIZABETH, JANTJE.

                    AGATHA.
Dien Schelm is ’er meê voort, ik docht dat hy me de ooren van de kop zou rukken,
Daarom liet ik ze maar slippen: doch hy zal ’er zyn gewenschte vruchten niet van plukken.
Hy heeft niet ’t geen hy meend: maar het slimste van dit geval,
(190) Is, dat het nu, dat het valsche Diamanten zyn, uitkomen zal.
Voor het geld van de fyne, meen ik van avond te Collationeeren.
Ik heb acht Boeteltjes Wyn gekocht, en een Bout by de Kok te lardeeren.
Maar zo het waar is, dat myn Man dienst genoomen heeft, en weg gaat,
Zal ik wat omzichtiger moeten zyn, en letten op myn staat.
(195) Dat woord dat Vader straks zei: die Brandewyn kun je voor ’t laast noch eens uit veegen,
En dat stil spreeken met malkaâr, maakt me al vry wat verleegen.
Moeder zei ook, dat ze ons haar onderstand geheel onttrekken zou.
[p. 22]
En zo dat eens waar wierd, was ik een bedurve Vrouw.
Ei, ei, tut, tut, een onnutte zorg komt vrees in my verwekken:
(200) Ik ben haar Kind, zy kunnen, noch durven my haar onderstand niet onttrekken.
Laat ik maar om de vreugd van tavond denken; weg met alle verdriet.
Maar jy, Kinderen, zo je iets klapt van ’t geen hier geschied,
Je weet wat dageraad ik je beloofd heb, zie toe, je moogt vreezen.
Pas me ter deeg op het huis, ik moet eens heen en weêr uit weezen.

                      JANTJE.
(205) Moeder, belief je me eerst een stuk te geeven, ik heb vandaag* noch geen eeten gehad.
En ’t is al lang na de middag, ik heb zulk een honger.

                    AGATHA.
                                                        Neen: je moet wachten tot dat
Ik weêr kom, dan zal ik je alle bei de buik ter deeg laaten vullen.
Wees maar te vreden. Get, Jongens, we zullen zo lekkertjes smullen.


TIENDE TOONEEL.

ELIZABETH, JANTJE.

                      JANTJE.
Ja, ik kan zo lang niet wachten, Zus, myn honger is te groot.

                    ELIZABETH, een Booteram uit haar zak krygende.
(210) Hou daar, Broêr, daar is een dubbele Booteram van Tarwen Brood.
Die kreeg ik van Juffrouw Allet, daar heb ik weezen eeten.
Zy gaf me dit voor jou, maar ik had het vergeeten.
[p. 23]
Hoor, Jongen, ik ben ’er slim op: als ik by Kareltje te speelen ben,
Blyf ik gemeenelyk zo lang tot dat ze gaan eeten, en
(215) Dan steek ik hem in, dat hy zal vraagen, of ik meê eeten mag, en dan eeten wy zaamen.
Maar ik hoor Juffrouw Allet dikwils zeggen, Juffrouw Agatha behoorden haar te schaamen,
Dat ze haar Kinderen zo laat loopen, ’t is gansch geen fatzoen;
Past haar Man niet op, zy behoorden het ten minsten te doen.
Kom, eet je stuk ras op, Jantje. Maar, elleweeken,
(220) Daar word geklopt.

                      JANTJE.
                                Ik zal myn stuk stilletjes weg steeken.


ELFDE TOONEEL.

JURRIAN, ELIZABETH, JANTJE.

        JURRIAN.
Goden dag, Kinders; is Moeder nicht te hoes?

                  ELIZABETH.
                                                                Neen, Jurrian.

                    JURRIAN.
I jo, dat is dan wol tho euvel dat ik ’er nimmer te hoes vinden kan;
Ont, sprek ik heur bi den weg, ’t is maargen wol ik di betoolen.
Onder des, zorg ik, dat den Henker die maargen al is weezen hoolen:
(225) Want zi kamet nicht in ’t licht, of wel dyn Moder kamet nicht hervoor.
Ik habe jou luiden al brood geborget bi noost ien rond Joor,
Ont krieg kyn geld veur mien Broot: man hooret, naar dezen.
[p. 24]
Borg ik kyn oortjen Brood meêr, of mien noom zol kyn Jurrian weezen.

                    ELIZABETH.
Dat ’s Moeders klop, daar zal ze weezen, geloof ik, zeker en wis.

                    JURRIAN.
(230) Het mogt ien scheet in dien kleine neuze weezen, ik zie wol dat het Smeerlap, de Kammenysman, is.


TWAALFDE TOONEEL.

JURRIAN, SMEERLAP, ELIZABETH,
JANTJE.

                    SMEERLAP.
Wel, wannier zel jou Moêr iens komen, om men te betaalen?
Me dunkt, zy slagter miêr, zy weet maar van borgen en haalen,
Maar van gien geld geeven. Waar isse?

                    JURRIAAN.
                                                I! de Moder is nich te hoes;
Moest i ook al geld haben, Naber?

                    SMEERLAP.
                                            Ja toch, en ’t is of’er de Droes
(235) Meê speuld, wannier ik kom, ik kan ’er nimmer t’huis vinden.
Wel, jou Moêr moet wel veel alferezen hebben, of veel vrinden,
Dat zy zo geduurig het gat uit is; maar, zo ze me niet en betaald...

                  ELIZABETH.
Moeder zal je ook wel betaalen; wy hebben zo lang Waar by je gehaald,
En...

                    JURRIAN.
        Jo, ze wold betoolen, wien ze ons naakt en blut hab gemaakt; man by myn leeben,
[p. 25]
(240) Wen ze mie, zo bald ik wieder kam, kyn geld komt te geeben,
Wol ik ze...

                    SMEERLAP.
                Daer word geklopt, daer zel ze mogelyk zyn.


DARTIENDE TOONEEL.

JURRIAN,SMEERLAP,TRYN,
ELIZABETH,JANTJE.


                    TRYN.
Waerom komt jou Moêr myn gien geld brengen? zy haald men Brandewyn,
Het iene mutsje veur, en ’t and’re nae, en zy weet van gien geld geeven;
Wat miend ze, dat ik de drank voor niet heb? zy mag schrikken en beeven,
(245) Zo ze me van dezen dag niet betaald, zulk een geweld
Zel ik voor de deur maaken, ’t is byget by de tien gulden an geld!
Dat ze zo nu en dan an Brandewyn heeft verzoopen;
Ik heb liever dat zulke Klanten, op een and’re tyd, men deur veurby loopen,
Die altyd kletzen, en nimmermiêr van geld geeven weeten, ’t is gien fatzoen.

                    SMEERLAP.
(250) Maar, waarom borg je iemand zo veul an Brandewyn, ik zou dat niet doen,
’t Zyn dingen die ze missen kunnen, voornamelyk de Vrouwen,
Want dat maakt zomtyds zo menig bedurven huishouwen.

                    JURRIAN.
I! praat daar nicht van, Naber, waar wol anders onze Trien
Van leeben, die zo plomp van moorzen is, wen een zwien.

[p. 26]
                    TRYN.
Wel, Bolleknyper, wat heb jy op myn plompte toch te zeggen?
Het zou me niet veel scheelen, of ik zou ’er jou wel zo ien paar op jou tronie leggen,
Die dik enoeg waaren; Moffekind, verstaeje dat,
Die hier over ien jaar, op ien strowis, bend komen dryven, met jou kaale gat.
Durf jy noch meê spreeken, en ien woord in ’t Capittel brengen,
Jy, Mof, die wel ien darde zemel onder jou Roggenbrood gaat mengen,
En jou Tarwen- en Wittebrood altyd maakt een loot of zes te licht.
Het zou me niet veel scheelen, of ik haalde je, met deze nagelen, ’t gezigt.
Op jou wangen.

                    JURRIAN.
                    I! der dunder, begin een mool.

                    TRYN.
                                        Wat zeg je, beginnen?
Alriê man.

                    SMEERLAP Tryn tegen houdende.
                Maar, Tryntje! maar Tryntje! ben je wel by je zinnen?


                    TRYN.
Wat schort jou te Tryntjes, Smeerlap, die al meê as de Mof praat,
Ik zou niemand an Brandewyn zo veel borgen! Gut, waer ik op straet,
Ik zou jou en die Mof zo havenen, dat het jou lui zou heugen.

                    SMEERLAP.
                                                Wel heden!
Wat gaeje ook an, een mensch kan tegens jou gien reden
Gebruiken, wel niemand heeft jou immers te nae gesprooken.

[p. 27]
                    TRYN.
                                                        Doe je niet,
Jou Memmert; dat kaekelen is door de Buurt al miêr eschied.
Jy lui weet altyd van de Vrouwen haar Brandewyn drinken wat te zeggen en te praaten,
Dat ik ze niet behoorde te tappen, noch in men kelder te laeten,
Daer ze maar met malkander zitten te snappen, onder een pypje Tabak, met een glaasje Sjampu;
En dat ’er zommige onder liepen, die haar neusdoeken, of trekmutsen, en schorteldoeken verzoopen; ’t is my nu
En dan al ter ooren ekomen, hoe je lui door de Buurt geduurig gaat snappen.
Maar, waarom zou men de Vrouwen zo wel niet mogen tappen
As de Mannen, die ’er dikwils wel de mieste oorzaak van zyn?
Maar, ik zel het jou lui noch wel betaalen, voornamelyk die Mof, of myn naam zal gien Tryn
Meêr weezen.

                    JURRIAN.
            Wat wol jy de Mof betoolen, zeg, doe rechte Haazekopinne.

                            Smeerlap houd Tryn vast.

                    TRYN.
                        Ik zeg, laet me los, Smeerlap, of...

                    SMEERLAP.
                                            Zacht, zacht, laat ons hier niet beginnen
Te vechten, maar liever oppassen, op dat ieder an zyn geld geraakt;
En hier toe is ’t noodig, dat door ons het huis wel word bewaakt;
Want daar word gezeid, dat haar Man, al voor Soldaat dienst het enoomen.
Dies is ons de wacht bevoolen, om an ons geld te koomen.
[p. 28]
Haar Vader en Moeder, hebben haar schulden, al zo dikmaals betaald;
Dat ze ’t niet miêr doen willen, daarom moeten wy oppassen, en in de voorbaat zyn, eer ’t alles weg word ehaald.

                    TRYN.
Ik ben te vreden, maar ik zal die Mof noch betaalen, voor zyn schimpen en raazen.

                    JURRIAN.
Heur, Trien, je moogd mie een mool in myn hinderste blaazen.


VEERTIENDE TOONEEL.

ELIZABETH, JANTJE.

                  ELIZABETH.
Och! Jantje! wat zal ons noch overkomen? maar,
Waarom, of Grootvader en Moeder toch hebben willen, dat wy daar
Tavond zullen komen?

                      JANTJE.
                        Wel, Zus, hoe kan ik dat weeten?
Ik zal, terwyl wy alleenig zyn, myn stuk, met een gaauwigheid op eeten.

                    ELIZABETH.
Och, Jantje! daar word weêr geklopt, ’t zal Moeder zyn, steek weg.
Jou stuk, hoe sta je zo? hoor je niet wat ik je zeg?


VYFTIENDE TOONEEL.

SARA, RYMERIG, ELIZABETH,
JANTJE.

        RYMERIG.
Waar is jou Moeder?

                  ELIZABETH.
                        Die is uit.
[p. 29]

                              SARA.
                                        Hoe! gaat ze uit, en laat ons ontbieden,
Om hier te komen? dat is al heel fraai!

                    RYMERIG.
                                Maar, wat waaren dat voor lieden,
Die daar zo knorrende uit uw huis kwamen, met malkaâr?

                  ELIZABETH.
’t Waaren Luiden, die Moeder, zaamen spreeken wouden, maar
Waarom, dat weet ik niet.

                    RYMERIG.
                                        Zy scheenen wel lustig te kyven.
Maar Kind, weet je niet, of jou Moeder lang uit zal blyven?

                  ELIZABETH.
Neen.

                    RYMERIG.
        ’t Zal best zyn, dat wy maar weêr vertrekken, ’t lykt nergens na,
Iemand te noden, en dan zelf niet in huis te zyn.

            SARA.
                                                            ’t Is waar, Agatha
Doet daar niet wel aan, de tyd diend beter waar genomen,
Wanneer de Mannen uit zyn, om by malkander te komen.

                    RYMERIG.
Ik geloof dat ze iewers weêr aangezeild is, daar ze geplakt zit, want zy heeft,
Pik aan haar Rokken, als zommige Mans aan haar Broeken, als ze komt, daar men de Fep geeft.
Daar word geklopt.
                                                        Elizabeth doet op.



[p. 30]

ZESTIENDE TOONEEL.

AGATHA, RYMERIG, SARA, ELIZA-
BETH, JANTJE.

                    AGATHA.
HEer Juffrouw! ben je hier al? ik dacht u tot Kaatjes te vinden,
Want my wierd gezeid, toen ik na de Kok ging, dat ze eenige Vrienden
Op een Theetje had genood, ik dacht, daar zal Sara en Rymerig meê zyn.

            SARA.
Maar, my dunkt, dat dat Theetje, geen kleintje met Brandewyn
Is gelardeerd geweest.

                    AGATHA.
                                    Neen toch niet! ’t was zuiver Kanneelwater,
Daar ons een zeker Heer meê beschonk, maar ’t was maar voor Pater en Mater;
Want eer hy ’t liet haalen, waaren ’er eenigen, die eerst weg moesten gaan,
En die ook onder ons Collegie niet zyn, jy kund het wel verstaan.

            SARA.
Maar, hoe veel Kanneelwater is ’er dan wel gedronken?

                    AGATHA.
Een pint.

            RYMERIG.
        Hoe stark waar je daar toe?

                    AGATHA.
                                    Met ons vieren.


            SARA.
                                                En ben jy daar van beschonken?
Ik mag wel een pint alleen op, en dan weet ik noch nergens van.

[p. 31]
                    RYMERIG.
Maar, de voorste maaken zomtyds dat ’er de achterste niet in kan,
Zeid het oude spreekwoord.

                    AGATHA.
                        Zo is ’t; want, om jou de waarheid te zeggen,
Ik had ’er al zo een half pint, eer ik uit ging, binnen leggen;
Maar, ik weet raad; wy zullen ’er zo een ketel water op zetten. Elizabeth,
Haal ondertusschen het Theegoed, lustig als een kind, en zet
Het in order.


ZEVENTIENDE TOONEEL.

AGATHA, SARA, RYMERIG, JANTJE.

                AGATHA, tegens de Juffrouwen.
                HEt water zal de starke lucht weêr verdryven;
En daar na zullen wy eens lustig smullen, want myn Man zal wel tot middernacht uit blyven,
Gelyk ordinaar zyn gewoonten is. De Kok zal de Kiekepastaai,
Met het gebraad, over een uur brengen; ik heb ’t alles fraai
En net beschikt; en van de morgen acht lekkere botteltjes Wyn gekreegen,
Die wy met malkanderen van avond leeg zullen veegen.
’k Heb Juffrouw Kaatje, met noch een stuk of twee, meê genood.

                    RYMERIG.
En wie zyn die toch?

                    AGATHA.
                                Zy woonen hier achter by de Sloot.
Ei! jy lui kend ze wel, ’t zyn meê van onze Compliesen,
[p. 32]
Die geen struif, om een ei, bederven zullen, noch tyd verliezen,
Om meê eens vrolyk te zyn by ’t gezelschap, zy zyn ook heel geestig van aard,
En, onder de trein van ons volkje, voor braave drinksters vermaard;
Zy doen altyd botje by botje, en willen nevens een ander meê betaalen.
Wy zullen hier, niet minder, als myn Lichthart in de Kroeg, ons hart ophaalen,
En met malkanderen, van dezen avond, een lustig vrolyk zyn.


ACHTIENDE TOONEEL.

AGATHA, SARA, RYMERIG, ELI-
ZABETH met het Theegoed, JANTJE.

                    AGATHA.
Is ’t water haast klaar?

                  ELIZABETH.
                                Zo strak, Moeder.

            SARA.
                                                    Juffrouw, laat ons eerst jou Wyn
Eens proeven, en een boeteltje zamen van de huig lichten;
Want ik heb van middag te gast geweest, by een van mijn Nichten,
En vry hartelyk gegeeten, zo dat ik al wat dorstig val,
Daarom heb ik rechtevoort wyndorst.

                    AGATHA.
                                                        Ik ben te vreden, ik zal
Der jou een haalen.



[p. 33]

NEGENTIENDE TOONEEL.

SARA, RYMERIG, ELIZABETH, JANTJE.

            SARA, tegen Elizabeth.
                                    Jy moet ’er wat op letten,
En ’t goed zo wat ter deeg in order op de Tafel zetten;
Zie zo, Kind, dat daar, en dat weêr hier, en dat aan de andere zy.

                    ELIZABETH.
Juffrouw, ’t staat immers wel.

            SARA.
                                    Het staat niet wel, Kind, ô gy
Zyt noch jong, en weet niet beter.

                    RYMERIG.
                                            Zy zal wel beter leeren,
Als ze eens een jaar of tien ouwer is, en by de Theegezelschappen komt te verkeeren.


TWINTIGSTE TOONEEL.

AGATHA, SARA, RYMERIG, ELIZABETH,
JANTJE.

        AGATHA, tegens Elizabeth en Jantje.
Ga jy lui maar binnen, en pas op het water, dat het gaar word.


EEN-EN-TWINTIGSTE TOONEEL.

AGATHA, SARA, RYMERIG.

                    AGATHA.
Wat dunk je, Juffrouw, als ’er zulke acht leeg zyn gestort,
Zal ’t dan niet wel gaan kunnen?

            SARA.
                        ’k Denk, dat we ’t ’er wel meê zullen stellen.

[p. 34]
                    RYMERIG.
Meê stellen, zeg je; ik zou jou wel and’re deunen vertellen
Kunnen, die ik onlangs noch zelver by heb gewoond,
Onder een gezelschap van vieren, daar der van zulke twaalf, niet een wierd verschoond.

            SARA.
Dat was ook al wat grof gesponnen, trouwens, daar zyn Vrouwen,
Die yder, voor haar hoofd, wel een Stoop binnen kunnen houwen.

                    AGATHA.
Ja, maar het Theewater doet ’er tegenwoordig ook veel toe, dat weet ik by my zelf;
Want zo dra ik voel, dat my de Wyn of Brandewyn by de neus krygt, zo zet ik ’er een Kopje of elf,
Ja, zomtyds wel twintig, met water, op, dat me weêr fris maakt, en zo geloof ik dat and’ren
Ook doen, als zy eens te veel gedronken hebben met malkand’ren.

            SARA.
Dat ’s recht, want door het water raakt men die starke vochten weêr kwyt;
Jy weet wel, wat ik zeggen wil.

                    AGATHA.
                                                Heel wel, maar laat ons de tyd
Met praaten niet verslyten. Juffrouws, ’t zal je gezondheid weezen,
Elk een trooitje in het rond, wy zyn nu buiten vreezen.
Als de Mannen haar hartrep re ophaalen, mogen ’t de Vrouwen meê wel doen. Zie daar,
Nu is ’t jou beurd.

            SARA.
                        Dat ’s lekkere Wyn.

                    AGATHA.
                                    Nou lustig, rep je maar.



[p. 35]

TWEE-EN-TWINTIGSTE TOONEEL.

AGATHA, SARA, SMEERLAP, RYMERIG.

                    SMEERLAP.
Ha! ha! Juffrouw, vind ik je eindelyk ienst’huis; kom, nou zel je geld schieten,
Eer dat ik weg gae, want dat wachten begint my al te verdrieten.
Kom, kom, schiet kuit.

                    AGATHA.
                Wel, hoe kom jy in huis?

                    SMEERLAP.
                                        Door de deur, die an stond, Juffrouwbuur.

                    AGATHA, tegen de Juffrouwen.
Ik heb die vergeeten toe te doen, toen ik inkwam. Hoor, Smeerlapje, kom over een uur
Of vier eens weêrom, dan zal ik je betaalen, ik heb nou geen tyd.

                    SMEERLAP.
                                                Dat is maar wisje wasje,
Ik gae hier niet van daan, dat zweer ik je by men dasje,
Veur dat je me betaald hebt.

            SARA.
        Wel, de Juffrouw zal je immers betaalen.

                    RYMERIG.
                                                        ’t Is geen fatzoen,
Op deze wys, een Juffrouw, in haar eigen huis te komen maanen.

                    SMEERLAP.
                                                    Wat heb jy lui daer meê te doen?
Het zyne zaaken die buiten jou lui zyn, halfblanks Juffrouwen.
Zie, hier zuipt men de Wyn, en t’huis heeft men niet te eeten, en pas een scherf om zich meê te klouwen.
[p. 36]

            SARA.
Wel, wat onbeleefden Beest is dat!

                    AGATHA.
                                Recht my hier geen geweld aan,
En wil me voort vertrekken, of ik zal je voeten maaken, en leeren jou gaan,
Versta je dat wel, Smeerlap?

                    SMEERLAP.
                Jy, Juffrouw Uitzuipster! wou jy my de deur uitdryven en voeten maaken?
Zie daer, byget, ik wou dat jy iens het hart had om my an te raaken,
Ik mien, dat ik jou die gestikte Frontansje, met die gepoeijerde krullen, van jou
Harsenbekken, met deze men handen, scheuren zou.

            SARA.
Hoe veel moet hy hebben?

                    AGATHA.
            Een gulden of dartig.

            SARA.
                    Wel, maakt de Vent, om zo een bagatel, hier tegen
Jou zulk een geweld?

                    AGATHA.
        Ja, maar hy word spytig, om dat hy wat op de been komt, doch meest door valsch weegen
En meeten, van Erweten, Boonen en Gort, en andere Waar...

                    SMEERLAP.
                                                            Wat
Zeg je daer? dat lieg je dwars en dubbeld door je hart, verstae je dat,
Juffrouw bedriegster, die alle menschen uitzuipt, en niemand zoekt te betaalen;
Wou jy me zo een klak op den hals smyten, daer zel jou dit en dat voor haalen.
Jou Schandvlek van alle braave Vrouwen, jou Schuddemakooi.
[p. 37]
Ei lieve, ziet ’er dat goed eens an haar gat hangen, zy beeld haar in, dat ze noch mooi
En net opgedrild is; trouwens, van boven schynt ze nog wat te lyken,
Maar jy Modde van Gompen, laet jou van onderen iens bekyken,
Daer hangen moogelyk, de sletten en bellen, met spelden an malkaâr.

                    AGATHA.
        ’k Zeg, ga me voort de deur uit, eer ik ’er jou uit stoot.

                    SMEERLAP.
Hede Peetjannetje! ien kantje van een daalder, maakt ien bakkesje van ien pond groot.

                    AGATHA.
Ik zeg, dat je me voort gaat.

                    SMEERLAP.
                            Belief je me eerst iens geld te langen,
Want ziet, ik gae hier niet van daen, voor ik dat van jou heb ontfangen,
Splint, Splint, moet ’er weezen, en daer meê is ’t edaen,
Al zou de hiele buurd op de bien komen, en overend staen,
Zo wil ik nou geld hebben.

            SARA.
                                    Wel, dat zyn onlydelyke zaaken,
Iemand in zyn eigen huis zo uit te schelden, en uit te maaken.

                    RYMERIG.
Hy zou het my voor niet niet doen, die rechtse Schoft daar hy daar staat.

                    SMEERLAP.
Wat schort jou te Schoften, Moêr Toffels? ik geloof dat het by jou meê al zo gaet
As hier; jy lykt al meê ien groote Dame, an jou kleêren;
Maar, wie weet of jy het Biest niet en slagt, dat in het Spul van Janzopus komt, dat ze op het Akkedemie speulen, die hem versierde met andere Biesten heur veêren;
[p. 38]
Maar, toen elk de zyne weêrhaalde, was hy naakt enne bloot,
Gelyk as deze bedurven Huishouster, die, as ze heur schulden betaalden, gien brood
Om te eeten hebben zou. En, zo zyn ’er veel van die kaale Juffrouws en Jonkers,
Die ’t op bedriegen en uitzuipen an leggen; die onbenierelyke Pronkers
En Pronkeressen mienen, as ze naar fraai voor den dag komen; dat men heur hoorde te ontzien;
Ja, ze durven je noch wel, as je komt maanen, de deur wyzen, en ’t huis verbiên,
Gelyk me deze Dame zo even novh wou voeten maaken, en het huis uitjaagen;
Maar, ik ben byget voor gien driegen bang, noch voor slaagen.
Wacht maar een beetje, Jurriaan de Bakker, met Brandewyns Tryn,
Die willen nou ook geld hebben, en zellen dadelyk hier zyn;
Ze binnen maar even iens naer huis gegaen, en lieten my zo lang oppassen,
Om jou waar te neemen, en, as je t’huis kwam, te verrassen;
Want, we hebben hier alle drie eweest, toen je noch niet t’huis was:
Want, iemand zo geduurig voor de gek te houwen, dat komt niet te pas.

                    AGATHA, hem slaande.
En dat komt nu te pas, voor jou raazen en voor jou schelden.

                    SMEERLAP.
Och! och! men neusje is an bloed.

                    SARA, hem ook slaande.
        Op deze wys moet men zulke Schoften vergelden.

                    SMEERLAP.
Och! och! dat zel een blaau oog zyn.

[p. 39]
    RYMERIG, hem ook slaande.
                                En dat is ’er dan noch één.
Nou heb je de Rotterdammer fooi, ga daar nou meê heen.

                    SMEERLAP.
Och help! och help! men geeft me slaagen voor geld, ô gruuwelyke dingen!

            SARA.
Kom, willen wy hem de broek afstryken, en leeren hem wat fynder zingen?

                    SMEERLAP, op zyn kniën vallende.
Ik bid om genaden. ,, Och! och! hoe raak ik hier best van daen,
,, Ier dat my deze drie helsche Fuuren noch te schanden slaen!
Heb ik wat te veul ezeid, ik bid u, wilt het me vergeeven,
Ik beloof ’t u, dat ik het nae dezen nooit miêr doen zel.

                    AGATHA.
                                                Ei! zie hem nou eens beeven.
Neen, neen, jy moet noch wat meêr hebben.

                    RYMERIG.
                                                Kom, laaten wy hem
Eerst handen en voeten vast binden, en dan yder met een stok braaf kloppen; wat zeg je?

            SARA.
                                                Ik geef myn stem
Daar toe.

                    AGATHA.
        Ik meê.

                    SMEERLAP.
                Och! help, zy willen myn hier de huit afstroopen;
Dies zal de beste remedie hier voor me zyn, dat ik het stel op ien loopen.



[p. 40]

DRIE-EN-TWINTIGSTE TOONEEL.

AGATHA, SARA, RYMERIG.

                    AGATHA.
Deur is hy, daar mag een glas wyn op staan; daar, vat an,
Ik zal de deur sluiten, om dat... Maar, och! daar komt myn Man.


VIER-EN-TWINTIGSTE TOONEEL.

AGATHA, SARA, RYMERIG, LICHTHART.

LICHTHART, grypende zyn Vrouw de Boetelje, en
        Sara de Roemer met de Fontansie van ’t hoofd.

Ha! ha! dat ’s recht van pas, by lo! hou, wil my excuseeren,
Juffrouw, en denk niet, dat het geschied om jou te afronteeren;
Ik meende de Roemer te grypen, en ik kreeg juist jou Fontansje meê vat.

                    RYMERIG.
Ik vlugt, en blyf hier niet.

            SARA.
                                            Ik volg u na.


VYF-EN-TWINTIGSTE TOONEEL.

LICHTHART, AGATHA.

                    LIGTHART.
                                        Wacht noch wat,
En drink nou eens met my. Deur zijn ze, ja laat ze loopen.
Wel, Juffrouw Slampampster, kan jy zo mooi jou Diamanten verkoopen,
[p. 41]
En valschen in de plaats hangen, om my te bedriegen? ik docht
Van avond, met het geld eens vrolyk te weezen, maar toen ik ze brogt
By de Goudsmit, om ze te verkoopen, vroeg hy my of ik de gek met hem kwam scheeren:
Hoe dat, zei ik: wel, om dat je my valsche Diamanten, voor fyne komt prezenteeren,
Zeid hy my; en toen ik ze wel bekeek, zag ik ’t ook; dus liep ik voort
Beschaamd ten huizen uit, en ik docht, nou slaat myn Wyf de moord.
        Lichthart gooid de Tafel met Theegoed om.
Holla! daar leid den brui!

                    AGATHA.
                Wel zie zo, op deze wys zullen wy met een gaauwigheid de poort uit raaken.

                    LIGTHART.
Koop voor het geld van de Diamanten, weêr and’ren, of laat ze weêr maaken,
Of lymen, Breek je wat, bid ook om zyn dagelyks brood,
Zo ’er van de Diamanten, naar jou dunken, zo veel niet overschoot,
Zo heb je ’t al den brus, dat je maar grypen of vangen kon, gaan verzetten of verkoopen,
En dat met jou Kanailje en Bellemaslons, aan Wyn en Brandewyn verzoopen;
Jou rechte bedurven Huishouster, en dronken Beest, daar je daar staat,
Wat let me, dat ik deze Boeteltje, niet aan honderd stukken op je kop sla, ja ’t
Zou me niet veel scheelen, of...

                    AGATHA.
                        Dan zou ik jou, met deze vyf paar nagelen...

[p. 42]
                    LIGTHART.
Hou men de mond, of ik laat dadelyk, zo een dozyn muilpeeren op jou kop hagelen,
Daar jy wel een maand genoeg aan te kauwen zult hebben, naar myn vertrek.

                    AGATHA.
Wel; daar tart ik je, beget toe.

                    LIGTHART.
                                    Ik zeg noch eens, hou me de bek.

                    AGATHA.
Voor jou niet, dronken Beest.

        LICHTHART, haar de Fontansie van ’t hoofd scheurende.
                        Kom, kom, voor eerst die Fontansie van jou Bakhuis.
Ei lieve zie, wat lykt ze nou, zo een rechte verzoopen Troonje, die men voor een Kakhuis
Behoorde te zetten.

                    AGATHA, hem de Pruik afrukkende.
            En wat lyk jy nou wel, met jou kaale ooren, Schelm! Guit! Dief?


ZES-EN-TWINTIGSTE TOONEEL.

LICHTHART, AGATHA, ELIZABETH,
JANTJE.

                    LIGTHART, willende haar aanvliegen.
Daar zal jou, Karonje, de...

                  ELIZABETH.
                                    Och Moeder! och Vader lief!
Sla malkaâr niet meêr, en hou toch eenmaal op van vechten en kyven.

                      JANTJE.
Ik loop naar Grootvader, Zus.

                  ELIZABETH.
                Ik ga meê, ik wil hier niet langer blyven.



[p. 43]

ZEVEN-EN-TWINTIGSTETOONEEL.

LICHTHART, AGATHA, LOUÏS.
Zo als de Kinderen de deur uit loopen, komt Louïs daar in.


                    LOUÏS.
Wel, wat maken jy al? datte is niet mooje, datte men tegen zyn Vrouwtje vek,
Jy moete tegen jou Vyand vek: ô Lichthart, dat isse al te slek.

                    LIGTHART.
Wel, ik weet niet, of men al grooter vyanden kan hebben in dit leeven,
Als de booze dronken Wyven zyn, die na Duivel noch dood niemendal geeven.

                    AGATHA.
Neen, Schelm! ik geef na jou niet, al zou je me vermoorden op staande voet;
Ik wou, dat ik maar de krachten had, ik meen dat ik myn moed
Aan jou koelen zou, dat...

                    LOUÏS.
                Vrouwke, Vrouwke, jy moete zo kwaat niet weezen.

                    AGATHA.
Wat roert het jou, rottige Waal, hou jy altyd jou bek, of je moogd vreezen.

                    LOUÏS.
Datte is een Duivele van een Wyve.

                    LIGTHART.
                        Ja, heur gelyks, is niet in ’t Land;
Maar, ik steur der my weinig aan. Laat ons een drinken, Monsieur Sargiant.
Ha voes, ik breng ’t jou eens.

                    LOUÏS.
                        Ikke dank jou, Monsieur.

[p. 44]
                    LIGTHART.
                Op ’t goed succes, van onze
                        Campanje,
Waar onder wy begrypen, dat het Huis van Oostenryk, mag zegepraalen in Spanje.

                    LOUÏS.
Ha! Monsieur, als wy in de Garnezoen kom, ikke zelle jou leeren, reks om, links om, zwenk, datte jy zult kunne draaije, als een tol;
En mette de Snaphaane schieten, oppe den Vyand, zo nette, als de Boer van Tyrol.

                    LIGTHART.
Treffelyk, als ik dan eens uit de Campanje kom, zal ik, daar van den Oorelog gesprooken word, meê in ’t gesprek, toe worden gelaaten;
Want, iemand die geen Campanje by gewoond heeft, mag in geen Kroegen, van den Oorlog meê praaten,
Hoewel ’er wel genoeg zyn, die ’er groots van opgeeven onder de Kan,
En geduurig snoeven, van zo veel slagen by gewoond te hebben, zo dat men haar zomtyds voor een dapper Oorlogsman
Aanzien zou; want, als een Krygsheld, weeten zy haar verhaal te bezegelen, met vloeken;
Maar, als men haar eens forze reden te keer gaat, zyn ’t maar rechte Schytebroeken,
Die, al wat ze weeten of vertellen, uit de Boeken leezen, of uit de Courant.
’t Is met haar, als het spreekwoord luid, de beste Stuurluit zyn altyd aan Land.
Maar laat ons noch eens drinken.

                    AGATHA, naar de Boeteltje grypende.
                                Ik meên myn part van de Stokvisvellen.

                    LIGTHART.
Ik zeg je, Wyf, laat los, of ik geef je zo een paar bellen
Aan jou ooren, dat het jou heugen zal.

[p. 45]
                    AGATHA.
        Ik laat niet los, zie daar, al sloeg je me dood.

                    LIGTHART.
Ei! zie dat opstenate Varken eens aan, die van ’t zuipen in haar Bakhuis zo rood,
Als een Kalkoenze Haan, ziet.


ACHT-EN-TWINTIGSTE TOONEEL.

ALBARTUS, GEERTRUID, LICHTHART,
AGATHA, LOUÏS,vier Arbeiders.

        ALBARTUS, tegen de Schuldenaars die in huis willen.
Maakt geen geweld voor de deur, maar kom morgen tot mynent, dan zal ik je betaalen.

                    GEERTRUID.
Wel, dat ziet ’er hier mooi uit, of het Maiaevond was, het Porselein by de vloer an stukken, en men durft noch Wyn laeten haalen,
En helder om pooijen met malkaâr, daer de Schuldenaars voor de deur staen.

                    AGATHA.
Moeder, dat werkje heeft myn Man, met zyn dronken gat gedaan.

                    LIGTHART.
Dat ’s waar, maar ’t kwam by dat ik viel. De Wyn, daar van mag myn Wyf weeten, hoe ze daar aan is gekoomen.
Toen ik straks weêr t’huis kwam, zat ze met twee Slampampsters te zuipen, en toen heb ik ze haar afgenoomen;
Haar Kornuitjes namen de vlucht, en ik docht, gaat het hier zo toe,
Dan is ’t best, dat ik voor ’t laast, eer ik weg ga, meê doe;
[p. 46]
Want ik moet zo aanstonds naar ’t Garnezoen, wy moogen tot morgen niet wachten,
Zo myn Sargiant zeid.

                    ALBARTUS.
                Ja, gy zult vertrekken, myn Zoon; maar in de reis, geloof ik, verscheelen wy van gedachten.
Waar meen je, dat je naar toe zult trekken?

                    LIGTHART.
                Wel, naar myn Garnezoen, Vader, daar staat myn Sargiant, ik ben Soldaat.

                    LOUÏS.
Jou Soldaatschap, en myn Waal en Sargiantschap, is gelyk uit, Kammeraad.
Ik ben de knecht van ’t Verbeterhuis, en jou Vader heeft my tot Sargiant gemaakt, om jou met gemak te betrappen,
Want zo jy hier van de leus gekreegen had, zou jy hebben gaan stappen,
Daarom hebben wy deze list bedacht, om jou, Lichthart, terstond
Met jou Vrouw te brengen, daar je de Wyn, zo vol op niet meêr drinken kond.

                    LIGTHART.
Wel, hoe versta ik dezen handel? wat wil dit alles zeggen?

                    ALBARTUS.
Hoor, Lichthart, dat zal ik jou wel in weinig woorden uit leggen.
Ik heb een Schuit afgehuurd, en die leid hier voor de deur, aan de wal,
Die my, jou en jou Vrouw, aanstonds naar Amsterdam voeren zal.
Daar zynde, zal ik jou bei te gader in ’t Verbeterhuis zetten;
En zo je nou, door kwaadwilligheid, de magt, die ik daar toe van de Heeren heb, zoud willen beletten,
[p. 47]
Zo zullen deze Gasten, die wel gelyft, en gehand zyn, zo je kund zien,
Jou handen en voeten binden, en met geweld heen draagen: kies nu, of het goedwillig, of kwaadwillig zal geschiën.

                    AGATHA, op haar kniën vallende.
Och! Moeder, ik smeek om vergiffenis.

                    GEERTRUID.
            Neen, neen, ’t is nou te laat, hier baat gien smeeken;
Ik ben doof.

                    ALBARTUS.
                    Nou, wat zeg je, Lichthart, zel ’t lukken? wy moeten gaan, de tyd is verstreeken.

                    LIGTHART.
Neen, neen! ik wil niet, ik zal, en moet by den...

                    LOUÏS.
        Vloek niet, wy zellen ’er op kloppen, maak je met goedheid geen gang.
Je ziet immers wel dat je moet.

                    AGATHA.
                Och! laat ons maar gaan, Lichthart, wel moeten is hier dwang.
Maar, myn kind’ren....

                    ALBARTUS.
                        Zorg jy daar niet voor. Komt, wil ze maar na de schuit toe brengen.

                    GEERTRUID.
Ik zel de deur sluiten, Vader.

                    ALBARTUS.
        Goed. Zo moet het hen alle gaan, die haar geld en goed op deze wys verslempen, en geduurig, in overdaad, de Wyn en Brandewyn in haar huis plengen.

                                        EINDE.

Continue

Tekstkritiek:

p. 5 Juny, er staat: Juuy,
vs. xx vandaag er staat: van daag