Andries Kraft: Czaar Peter III. Amsterdam 1801.
Over de Russische tsaar Peter de Derde (1728-1762)
Uitgegeven door drs. D.C. Overduin.
Red. dr. A.J.E. Harmsen, Universiteit Leiden.
Ceneton05112KBH
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.

Continue


[fol. pi 1r]

CZAAR

PETER III.

TREURSPEL.

DOOR

A. KRAFT.

[Titelvignet door Daniel Vrydag naar Reinier Vinkeles]

Te AMSTERDAM, bij

JOHANNES ALLART.

MDCCCI.


[fol. pi 1v: blanco]
[fol. *1r]

VOORBERICHT.

Dit Tooneelstuk heeft het voordeel van gegrond te zijn op eene welbevestigde geschiedenis, die zich overäl in bijna ieders handen bevind, en genaamd word: ,,Het Leven van Catharina de Tweede.’’ Ik heb mij in de behandeling van hetzelve meer gehouden aan het oorspronglijke der gebeurtenis, dan aan uitgezochte tooneelspelregelen; van daar de verscheidene plaatsveränderingen, die ik liever wilde behouden, dan de gebeurtenis verminken om aan regelen te voldoen; te meer daar de tooneelveränderingen hier niet ten éénemaale onnatuurlijk kunnen genoemd worden, behalve dat dezelve in den tegenwoordigen smaak zijn.

[fol. *1v]
    Het voorgevallene met den ongelukkigen Czaar leert ons, dat wij met het beste hart aan de treurigste lotgevallen bloot staan, wanneer wij in zaken van gewigt, die van ons niet kunnen vermijd worden, niet toegerust zijn van benodigde verëischtens; en dat Koningen van dat gevaar niet zijn uitgesloten, ter herinnering hunner broosheid. Nog leert ons zijn verschriklijk lot, hoe gevaarlijk het is, de verandering van Staten te ondernemen, en oude gebruiken, waarbij een volk zich gelukkig acht, aan te tasten.

    Het is waar, Peter I. ondernam de beschaving van zijn vaderland, maar ’er was tusschen de vermogens van den eersten en den derden Peter zo veel onderscheid, als in hunnen toestand; en noch heeft Peter I. de hervorming niet kunnen voltooijen zonder gevaar van zijn leven; hoeveel samenzweeringen tegen hem toont ons de geschiedenis?

    Ik beveel mijn stuk aan den tijd, en zou mij bijna van den goeden uitslag op ons tooneel durven verzekerd houden; in weinige onderwerpen komt de lijdende onschuld treffender voor dan in dit, en dit is het juist wat overäl den aanschouwer behaagt, ten spijt der uitgezochte kunstregelen; en daar de geschiedenis waar uit ik het stuk getrokken heb, opentlijk word verkocht,
[fol. *2r] en de groote beweegraderen van Peters ongeluk niet meer bestaan, kan ik niet zien dat schroomvalligheid eene redelijke beweeggrond zou kunnen zijn om den Amsteldamschen Schouwburg van dit stuk te versteken.

    Mijn eersteling ALONZO, uitgegeven in
1798. heeft zekerlijk geene vriendelijke Recensie ondergaan; ik had beter behandeling verwacht, ter aanmoediging; doch behalve dat ik, vooräl in deze verlichte dagen, de eenige persoon niet ben, die onverdiend mishandeld is geworden door kwaadäardigheid, de vriendelijke Schrijver der Vaderlandsche Bibliötheek, als ook le Meilleur Journal literaire de Jena, hebben mij des te heuscher behandeld. Ik mag voor Peter op dezelfde heuschheid hopen. In ’t kort, de man die zich door kwaadäardige heekelingen laat afschrikken, of alleen arbeid om geroemd te worden, moet niet schrijven.



[fol. *2v]



        ô Vriendschap! hemelgaaf! vermaak der groote zielen!
        Gij, tot verzwaring van der koningen elend;
        Alle eeuwen die doorluchte ondankbren onbekend!
        Gij blaakt des konings hart.
                                    VOLTAIRE. HENRIADE. VIII Zang.

        __________________________________

    Pag 14. de 9de regel van boven staat Schlusburg,
                                                        lees Hexholm.





[p. 1]



                PETER DE DERDE.

                __________________________________

                Quand un Roi veut le crime, il est trop obeï.

                                            HENRIADE, Ch. II.

                __________________________________





[p. 2]

PERSONAADJEN.

PETER DE DERDE, Keizer van Rusland.
CATHARINA, zijne Gemalin.
IWAN, Erfgenaam van Rusland, door Keizerin Elisabeth van
            ’t erfrecht ontzet.
PANIN, Regent van Rusland.
RAZUMOFSKIJ, Hetman der Cozakken.
GREGORIUS ORLOFF,
ALEXIS ORLOFF,
}Gunstelingen van Catharina.
NOVOGOROD, Aartsbisschop.
MUNICH, Veldmaarschalk.
WOLKONSKIJ, Generaal Majoor der Lijfwacht.
CLEBOFF, Procureur Generaal.
GOUDOWITSCH, Generaal Adjudant.
SUKLOFF, Bevelhebber van het Slot Hexholm.
WORONZOFF, Vertrouwde van Czaar Peter,
DASCHKOFF, Vertrouwde van Catharina,
}Gezusters
KORFF, Opzigter der Politie.
ODART, Geheimschrijver, een Italiaan, Minnaar van Dasch-
            koff.
STERNBERG, Generaal Adjudant van Peter.
PASSICK, Lieutenant van de Lijfwacht.
TEPLOFF, Lieutenant.
CONSTANT, Kamerdienaar van Peter.
RAZIN, een Cozak.
ROMKOFF, Kamerdienaar van Panin.
OFFICIEREN, LIJFWACHTEN.
Geestelijken, Hofstoet, en verder Gevolg.

        Het Tooneel is in den omtrek van St. PETERSBURG.

Continue


CZAAR

PETER DE DERDE.

_________

EERSTE BEDRIJF.

EERSTE TOONEEL.

Het Tooneel verbeeld een zijvertrek, in het paleis van Pa-
nin. Het is vroeg in den morgen.

PANIN, DASCHKOFF.

                        PANIN.

Daar ’t Russisch rijksbewind aan mij is toevertrouwd,
Daar ieder steeds op mij zijn oog gevestigd houd,
Daar alles samen spant om Fedrowitz te onttroonen,
En Anhalts erfprinses tracht in zijn plaats te kroonen;
(5) Verëischt mijn pligt, Mevrouw! dat ik vrijmoedig uit’,
Van waar die bittre haat tot Ruslands Keizer spruit,
Cathrinaas moedig hart, door heerschzucht ingenomen,
Tracht haar’ gemaal alleen uit wangunst op te komen.
Daartoe heeft ze in ’t geheim steeds alles aangewend.
(10) Zij heeft als Hertogin mij menigmaal bekend,
Dat nooit haar doelwit was om op den troon te stijgen;
Zo zij alleen den naam van moeder mogt verkrijgen,
Dan was de wensch van ’t hart, de grootste wensch voldaan,
Daar zij een’ erfprins zou ten voet des troons zien staan,
[p. 4]
(15) Die, na zijn’ vaders dood, dit volk de wet zou geven,
En in wien Anhalts bloed op Ruslands troon zou leven;
Thans prijkt zij met dien naam, ja, thans bezit ze een’ zoon;
Doch, wars van dat geluk, haakt zij steeds naar den troon.
En wie, wie geeft een vrouw, uit Anhalts huis gesproten,
(20) Een vrouw die niets dan gunst van Rusland heeft genoten,...
Van waar toch word die vrouw het kroonrecht aangebragt?
Stamt zij uit ’s Keizers bloed? uit Peters oud geslacht?
Zag zij niet verr’ van hier den morgen van haar leven?
En zulk een vrouw komt nu de rust den doodsteek geven.
(25) Wat denkt zij, dat dit oud Moscovisch trots gewest,
Dat oorlogzuchtig rijk, sints eeuwen vast gevest,
Zich van Germanjes bloed zal laten overheeren?
Neen, eer zal ’t Russisch rijk het onderst boven keeren;
Doch staken we een gesprek, dat licht u niet bekoort.
(30) Ga, meld haar middlerwijl all’ wat gij hebt gehoord,
En dring haar, zo ze aan ramp zichzelf niet bloot wil stellen,
Dat zij de omzigtigheid wat meer zich doe verzellen.

                      DASCHKOFF.

Ik sta verbaasd, verstomd, tot in de ziel ontroerd;
Zijt gij het, die dees taal van ’s lands Prinsesse voert?
(35) En tegen wie? heer graaf! Is u ’t bezef ontweken
Hoe gij met Daschkoff moet van Catharina spreken:
Vergeet gij welk een band mijn hart aan ’t haar’ verbind?
Hoe meer ik u beschouw, hoe vreemder ik u vind’!
Hoe, Panin! ’t is uw mond die deze taal durft uiten?
(40) Gij, steeds met ’s lands vorstin éénstemmig van besluiten,’’
Gij, altijd naar den wenk der erfvorstin gezwaaid!...
Van waar ’t compas zo snel van ’t noord naar ’t zuid gedraaid?
[p. 5]
                                Ter zijde.

,, Een stoute veinzerij moet best hem overhalen.’’
                Zich weder tot Panin wendende.
Mijnheer! wien wij sints lang naast bij den troon zien pralen,
(45) Gij, die den eersten post bekleed in ’t rijksbewind,
Geëerd zijt bij den raad, bij vorst en volk bemind,
En door uw kloek vernuft, uw doorzigt, hoofsche zeden,
U van de Rijksvorstin bijna ziet aangebeden,
ô Gij! gij kunt, indien ge één’ enklen stap wilt doen,
(50) Haar, nevens ’t gantsche rijk, voor ’t schriklijkst lot behoên,
Haare afkomst, vreemdlingschap, die u zo ’t schijnt doen vreezen,
Die kunnen nooit voor ’t rijk een steen van aanstoot wezen;
Der Russen slaafsche ziel is u volmaakt bekend:
Gij weet met welk een’ toom men best hun harten ment.
(55) Dit volk, altijd gewoon den hals in ’t juk te bukken,
Vraagt niet wiens vuist den last de schouderen doet drukken,
Mits dit vernuftig en heilspellende geschie’,
En ’t zwak gezigt de bron van slavernij niet zie,
Ja, mits de hand die hier de ketenen wil smeden,
(60) De looze Geestelijkheid doe aan haar zijde treden.
Doch ’t hart der Rijksvorstin, vol moed en scherp beleid,
Bedoelt slechts ’s volks geluk, kent geene onmenschlijkheid;
En stel eens, dat de raad haar doelwit zocht te keeren,
Of een opwerpeling haar’ slag trachtte af te weeren,
(65) Dan noch waar’ ’t uwe pligt hun doel te keer te gaan,
En haar met goed en bloed trouwhartig bij te staan.
                        Op eene tedere wijze.
Kan ’t zijn, deel in haar lot: denk, wat haar staat te duchten,
Denk dat zij, reeds gedoemd, op Peterhoff moet zuchten.
Ach! Panin! eedle ziel! wees in den nood haar vrind.
                                Met snelheid.
(70) Ontzet, zo ras gij kunt, den Czaar van ’t rijksbewind.
[p. 6]
Gij kent zijn zwak verstand en zijn losbandig leven;
Denk dat hij Woronzoff zijn woord reeds heeft gegeven,
En dat hij haar, ter schande en spijt der Rijksvorstin,
Verklaren wil voor gade en Ruslands Keizerin;
(75) Die jonge Woronzoff, die thans, hoe hoog geboren,
Laaghartig Fedrowitz tot minnaar heeft verkoren,
En die, éénmaal gekroond, voor de oogen van ’t heeläl
Misschien ons, die zij haat, in ’t woên niet sparen zal.
Reeds heeft de laffe Czaar het bloed uit hem gesproten
(80) Voor bastaard zoon verklaard, van ’t kroonrecht uitgesloten;
En daar die zuigling door een moeder word bemind,
Wier hart van liefde blaakt voor haar mishandeld kind,
En grootsch betoonen durft dat ze in de felste smarten,
Het dreigend lijfgevaar met heldenmoed kan tarten...
(85) ô Zulk een moeder, graaf!... verdient haar deugd ten loon,
Tot heil van land en volk, een plaats op Ruslands troon.

                        PANIN, na een weinig zwijgens.

’Er legt veel waarheid in die rede opgesloten:
Uit Peters wangedrag, is al de ramp gesproten,
Die Catharina drukt, maar hem te onttronen zou...

                        DASCHKOFF, met levendigheid.

(90) Slechts strekken tot herstel van Ruslands staatsgebouw.

                        PANIN

’t Verëischt omzigtigheid

[p. 7]
                      DASCHKOFF.

                                        Meest moed.

                                PANIN.

                                                            Veel geestvermogen.

                      DASCHKOFF.

Gij hebt dit, en gij kunt Cathrinaas tranen drogen.

                        PANIN, ter zijde.

,,Hoe lieflijk is haar taal’’? Mevrouw! ik zal misschien...
                        Weder ter zijde.
,,Wat is zij hemelsch schoon!"

                DACHKOFF, hem van ter zijde sterk aan-
                                    ziende; met blijdschap.

                                            ,, ’k Zal hem den mijnen zien’’.
                        Tegen de Graaf.
(95) Nu, noch een enkel woord!

                        PANIN.

                                                    Niets moet uw lippen sluiten.

                      DASCHKOFF.

De liefde ...

[p. 8]
                        PANIN, ontroerd.

                Ach! laat geen schaamte u in uw rede stuiten...
Wat wederhoud u toch...?

                        DASCHKOFF, met aandoenlijke veinzerij.

                                        Betaamlijke eerbaarheid.

                        PANIN, ongeduldig.

Spreek, Daschkoff! wien hebt gij uw liefde toegeleid?

                        DASCHKOFF, hem toelonkende.

Wien denkt gij?

                        PANIN.

                        Odart ...

                DASCHKOFF, uitbarstende, als door het geweld harer
                        hartstogt overmeesterd.

                                    Neen... ik kan ’t niet langer smooren.
(100) Gij, dierbre Panin! gij, gij kunt mijn ziel bekoren.

                        PANIN, met verbaasdheid.

Hoe! ik, zou ’t voorwerp zijn?...

[p. 9]
                      DASCHKOFF.

                                                Ja, gij! en anders geen...

        PANIN, in de uiterste verrukking, haar
                    de hand kusschende.

Waar ben ik? wat geluk! IK, zegt gij?

                        DASCHKOFF, met tederheid.

                                                            Gij alleen.

                        Vertrouwelijk.
Tot deze ontdekking, graaf! voelde ik mij lang gedrongen;
Doch schaamte en diep ontzag heeft mij gestaêg bedwongen;
(105) Maar nu de Rijksvorstin dit uur mij tot u zond,
En ik u nooit voorheen zo minnenswaardig vond,
Zegt mij een zagte stem: "Gij moogt uw liefde ontdekken;
,, Die zwakheid zal u nooit tot onëer kunnen strekken’’.
Dus volgde ik, eedle vriend! slechts de inspraak van mijn hart.

                        PANIN.

(110) ô Die bekendtenis verlicht éénsslags mijn smart!
Nooit zal ik een eedle ziel op vrouwen gunsten roemen.
Genoeg, dat ik mij vriend! en lieveling! hoor noemen.
Uw liefde, onschatbre vrouw! is mij veel meerder waard’,
Dan troon, of diadeem van ’t grootste rijk op de aard’.
(115) De oprechtheid mij betoond, moet mijne oprechtheid sporen:
Mijn afgunst tot den man, wiens naam ik u deed hooren,
Ontwrong mijn mond een taal u strekkend’ tot verdriet;
Wat doet gewaande smaad in ’t hart eens minnaars niet1
[p. 10]
Verschoon mij, ô vriendin! ik hoor de vriendschap spreken
(120) Voor Ruslands Keizerin, en wensch haar leed te wreken.
Verschoon een geemlijkheid uit minnenijd gebaard.
Ik had, vrij uit gezegd, mijn verdre vlijt gespaard,
In ’t groot ontwerp om ’t juk van Ruslands volk te breken,
Ware uwe onschatbre liefde ons heden niet gebleken.
(125) Onze adel, schaarsch voldaan van Peters slecht beleid,
Spant samen met de ontëerde en gramme Geestlijkheid;
,,Weg met den laffen Czaar! de Keizerin zal leven,
,,Zijn magt is niet genoeg om ons te wederstreven.’’
Dees’ taal hoor ik alöm, en met noch erger smaad
(130) Spreekt elk van Woronzoff, die naar den zetel staat.
Men zwoer, dat eer die vrouw op Ruslands troon zal komen,
Het bloed gelijk een beek door ’t gantsche rijk zal stromen.

                        DASCHKOFF, met ongeduld, ter zijde.

,,De zege lacht mij aan’’! Maar, Panin! zeg mij toch,
(De kennis van uw’ steun ontbreekt mij heden noch!)
(135) Wie zijn die eedelen op wie gij vast kunt bouwen?

                        PANIN.

Ik moet dier helden naam u niet verborgen houên:
De dappre Wolkonskij, aan Passick naauw verknocht,
De Orloffen, hoog beroemd door land- en watertogt,
De stoute Teploff, en de Aartsbisschop, meest te vreezen
(140) Voor Peter,... dit ’s de drom die onze steun zal wezen;
Dit is de onwrikbre grond van ’t roemrijk eedgespan,
Gevormd uit moed, uit wraak en haat tot een’ tiran;
Een hoogst halsstarrig volk in vreeslijk aan te dringen,
Rustschuwende, en belust op staatsveränderingen.
[p. 11]
(145) In ’t kort, Mevrouw! gij zult eer ’t avond is, misschien,
De schrandre rijksvorstin ten troon van Rusland zien.
De tijd genaakt, ik wacht dit uur zelfs al mijn vrinden.
            Haar met vertrouwen bij de hand nemende.
Wij zullen door een’ eed ons saam’ verbinden.

                        DASCHKOFF, met verrukking.

Meer dan ik denken kon, straalt hier uw liefde in door.


TWEEDE TOONEEL.

PANIN, DASCHKOFF, ROMKOFF.

                        ROMKOFF.

(150) Prins Wolkonskij, Mijnheer! verzoekt bij u gehoor,
Als ook Razumoffskij, en, na ’t mij is gebleken,
Vraagt noch een gantsche stoet met u te mogen spreken.

                        PANIN, tegen Daschkoff.

Ziedaar, Mevrouw! een blijk van mijn oprecht verhaal..
                    Tegen Romkoff.
Ga, voer den gantschen stoet terstond in gindsche zaal.



[p. 12]

DERDE TOONEEL.

PANIN, DASCHKOFF.

                        PANIN.

(155) Kom! volg mij, dierbre vrouw! ’k heb reeds een plaats verkoren,
Waar gij ons jongst besluit op ’t klaarst zult kunnen hooren.



VIERDE TOONEEL.

Verbeeld een prachtige zaal, in het vorig paleis. Bij den
ingang staan twee reijen Lijfwachten; doch zodra
Panin
binnen treed, worden de deuren gesloten. Op den ach-
tergrond ziet men een zijkabinet; op den voorgrond
een groote tafel, met brandend waschlicht daaröp
geplaatst. Zodra
Panin binnen treed, plaatst zich
elk naar rang aan de tafel.


PANIN, RAZUMOFFSKIJ, WOLKONSKIJ, GLEBOFF,
NOVOGOROD, GREGORIUS, ORLOFF, ALEXIS
ORLOFF, PASSICK, ODART.

                        PANIN.

Veréénigd vriendental! beschermers van den Staat!
Handhavers van de wet! voorzitters in den Raad!
Daar thans de nood ons dringt om voor ’s lands heil te zorgen,
(160) Daar reeds de staatsstorm loeit bij ’t lichten van den morgen,
Is ’t eindlijk meer dan tijd dat ik u eerst ontvouw’,
[p. 13]
Hoe wanklend alles staat aan Ruslands staatsgebouw.
De Czaar, sints langen tijd door wellust aangedreven,
Schijnt, hoe genaamd, geen acht meer op zijn rijk te geven:
(165) Feestviering, dans en spel, ziedaar slechts ’t geen hij acht;
De wetten, ’t recht des volks, dit alles legt verkracht;
De Godsdienst, die weleer de steun was van ’s lands zeden,
Word zelfs door hem bespot, en met den voet vertreden.
Hoogst noodloos in den krijg op vreemden grond gemengd,
(170) Is hij ’t die schatten spilt, en ’t volk ter slagtbank brengt;
En om den Moscoviet zijn schandjuk op te dringen,
Begunstigt hij alöm uitheemsche hurelingen;
En daar zijn gemalin verkwijnt op Petershoff,
Leeft hij wellustig voort met jonge Woronzoff.
(175) Aan die geveinsde vrouw sints langen tijd verbonden,
Heeft hij niet slechts met haar zijn huwlijksbed geschonden,
Maar tracht haar, spijt den Rus, spijt gemalinne en zoon,
Als wettige erfvorstin te plaatsen op den troon.
Dus denkt, zo we onzen pligt niet dra voor ’t Rijk betrachten,
(180) Wat Ruslands erfvorstin en adel staat te wachten.
Een weeldrig opperhoofd, en een geveinsde vrouw,
Wier list den zwakken Czaar naar wensch regeeren zou,
Moet ons, (ten minste is ’t vast dat dit ons staat te vreezen,)
Of uiterst schandelijk, of licht zelfs doodlijk wezen.
(185) Doch daar wij nu veréénd, als ’t voegt, zijn opgestaan,
Voegt mij u mijn ontwerp volledig voor te slaan:
Men moet vooräl dit uur het krijgsvolk saam’ doen trekken,
Hen met geveinsden angst Czaar Peters wit ontdekken.
Zodra dit in hun hart gewenschten afschrik baart,
(190) En ieder zich voor vriend der Keizerin verklaart,
Dan vergt men hen den eed, en doet de benden zweeren
Het zwaard niet eer te doen in zijne schede keeren,
Vóór Peter uit zijn magt en zetel is ontzet,
[p. 14]
De Rijksvorstin gekroond, en ’t vaderland gered.
(195) Ziet daar een kort verslag dat ik u moest ontleden.
Ik eisch niet dat ge uw trouw mij staven zult met eeden;
’t Belang des Staats en ’t uw`, gekend in hun waardij,
Maakt dat uw woord alleen genoeg moet zijn voor mij ...
Doch hier van nader. ’k Staak hiervan een poos mijn rede.

Nadat de Saamgezwoorenen intusschen alle blijken van goed-
        keuring hebben gegeven, vat Gleboff het woord op:

                        GLEBOFF.

(200) Wij allen zijn volmaakt met dit besluit te vrede.
En daar de Keizer niets van dees bijéénkomst weet,
En reeds tot zijn vertrek naar Schlusburg staat gereed,
Om Iwan, zo men zegt, een kort bezoek te gunnen,
En niet vóór ’t middaguur zal wederkeeren kunnen,
(205) En ’t geenszins zwaar voor ons in werking voort te gaan.

                        RAZUMOFSKIJ.

Voor ’t minst zijn wij gereed om stoutlijk toe te slaan;
Want naauw’ had ik mijn volk den staat van ’t Rijk doen weten,
Of elk vroeg me, als om strijd, door woede en drift bezeten,
Naar ’t geen ’er wierd vereischt tot wering van ’t gevaar?
(210) Ik sprak: ,,Uw vaderland te ontlasten van den Czaar;
,,En daar de nood ons dwingt om, zonder tijdverliezen,
,,Van twee partijen één tot ons behoud te kiezen,
,,Zo raad ik u, als man die voor ’s lands welzijn zwoegt,
,,Dat gij u aan de zij’ der Rijksvorstinne voegt’’,
(215) Wij zweeren, was de kreet, bij ’s Hemels troon en ’t leven!
’t Rijk, door den Czaar verbeurd, zijn gemalin te geven.

[p. 15]
                        PANIN.

Dus heeft men geen gevaar te vreezen van dien kant?

                        RAZUMOFSKIJ.

De wraak heeft bij den Rus alleenlijk de overhand.

                        PASSICK.

Ja, wraak, Mijnheer... wat is de Duitscher ons niet schuldig!

                    PANIN, tegen Wolkonskij.

(220) Maar onze Lijfwacht, Prins!

                        WOLKONSKIJ.

                                                    Is woedende, ongeduldig,
Vervloekend’ steeds den Czaar en hakend’ naar den strijd.
               
                    PANIN.

Een Godheid werkt met ons om ’t rijk te zien bevrijd.

                        WOLKONSKIJ.

De lafheid van den Czaar was naauw’ de wacht gebleken,
Of elk wilde, als om strijd, zich aan den Duitscher wreken;
(225) En één der officiers, door hen aan ’t hoofd gesteld,
Sprak mij dus in hunn’ naam. ,,Doorluchtige oorlogsheld!
,,Wij allen zweeren u, veelëer te willen sneven,
,,Dan bij den laffen vorst als onderdaan te leven.’’
En dit wierd met gejuich tot driemaal toe herhaald,
(230) Daar ’t gloeijend’ vuur van wraak uit aller oogen straalt.
Doch daar ik ’t krijgsvolk ken als wanklende in ’t bedoelen,
[p. 16]
Geef hen vooräl geen’ tijd om hunne drift te koelen.

                        PASSICK.

Dat vuur is hier bedekt sints lang in ’t hart gestort;
’t Is tijd dat door de vlam het lucht gegeven word.
(235) ’t Hangt alles af van spoed: de traagheid kan ons deeren.

                        NOVOGOROD.

Vrees niets, mijn’ vrienden! neen; wij zullen triömferen:
Nooit was een rijksmonarch gezegend op den troon,
Zo hij den Godsdienst niet beschermde naast zijn kroon.
Deze is het eedelst goed elk sterfling aangeboren.
(240) Wie dien verächten durft, is niets dan ramp beschoren.
Hij is der volken steun, der maatschappijën band,
Hij strekt het troonsgevaart’ ten voet van diamant;
Zijn grootste kleinigheên verdienen aangebeden,
Zij stuiten ’t woeste volk in hunne toomloosheden.
(245) De Czaar, die reeds sints lang den Godsdienst heeft bespot,
En mij, als ’t hoofd der Kerk, den naam gaf van een ,,zot,’’
Die, om de om de Grieksche leere op éénmaal te onderdrukken,
De beelden stormend’ deed uit onze tempels rukken,
Die mij, toen ik uit drift die gruwlen stout weêrstond,
(250) Naar ’t woest Siberiën drie jaar als balling zond,
Daar ik noch zuchten zou door zijn misbruikt vermogen,
Had mij de Rijksvorstin niet aan mijn wee onttogen...
Helaas! ik ben gekeerd door grooter smaad gedrukt,
Daar ik mijn Geestlijkheid de baard zie afgerukt.
(255) Zo wreed een ongodist, dus moet hem ieder noemen,
Bezwoer ik lang mijn’ haat, ja ’k durf hem zelfs verdoemen;
Doch all’ zijn heerschappij neemt dezen dag een end’,
[p. 17]
Naardien de Geestlijkheid al ’t volk heeft ingeprent
Wat ijslijk moordtooneel ons allen stond te duchten,
(260) Zo niet de Czaar, die wreed het gantsche rijk doet zuchten,
Zijn keizerlijk gezag wierd op één’ sprong ontrukt.
Naauw’ had het priesterdom dit elk in ’t hart gedrukt,
Of alles riep, om strijd, veelëer te willen sneven,
Dan zonder Geestlijkheid, of zonder kerk te leven.

                        PANIN.

(265) Zijn redenloos gedrag verdient zo fel een haat,
En ’t lot dat uit dien wrok hem wis te wachten staat.
’t Is beter één’ tiran ten zetel af te rukken,
Dan dat hij duizenden beknel’ door ongelukken.
                Tegen Razumofskij.
Gij, Ruslands eedle steun! wien elk als krijgsman acht,
(270) Ga, daar de zegepraal u met den lauwer wacht.
Stel u op nieuw aan ’t hoofd van Ruslands stoutste helden.
U voegt het ’s lands gevaar ten tweedemaal te melden;
Doch voegt ’er tevens bij, aan dien zich dapper toont,
Dat Catharina leeft, en op zijn’ tijd beloont.
                Tegen Cleboff.
(275) En gij, wiens schranderheid, wiens trouw mij is gebleken,
Ga, tracht de burgerij in heldenmoed te ontsteken.
Niets zet de omwenteling eens Staats meer krachten bij,
Dan een wel aangevuurde en dappre burgerij,
Die, op een volkstem trots, die ’t volk nooit kan bezitten,
(280) Steeds werkzaam is naar dat de Grooten die verhitten.
Roep haar met drift te saam’; u zij dit toevertrouwd.
                Tegen Wolkonskij.
En gij, Prins Wolkonskij! gij, Ruslands waar behoud!
Ga, doe de lijfwacht straks op ’t ruime plein vergaêren.
[p. 18]
Ik wil hen door een’ eed voor ons zich doen verklaren.
                            Tegen Passick.
(285) Gij, Passick! volg den prins, en kwijt u van uw’ pligt.
Doch eer men ’t groote werk, door ons beraamd, verricht,
En ik het nodig acht dat zo veel eedle vrinden
Zich onder mijn bestier ten dienst des Staats verbinden,
Is ’t nodig dat het volk, dat zweerend’ tot u treed,
(290) Hoor’ dat ge u vrij verbind door een’ geduchten eed.
Aartsbisschop! dat uw mond deez’ heldenrei doe hooren,
Wat eed in ’t aanzien van den Hemel dient gezworen;
Zeg gij, als leidsman, ons, wat ieder in ’t gemoed
Te zweeren heeft voor ’t rijk. Welaan! de tijd eischt spoed.

Allen rijzen op, ontbloten de sabels, en brengen de punten
                aan elkander; hier na zegt

                        NOVOGOROD.

(295) Wij zweeren dat geen vrees ons opzet zal beletten,
’t Onwaardig hoofd des rijks van zijn gezag te ontzetten;
Wij allen zweeren hulde aan zijn doorluchte vrouw.
Dat ’s Hemels wraak hem straff’ die wankelt in zijn trouw!

                        PANIN.

Mijn oog leest in uw hart: die eed zal heilig wezen.



[p. 19]

VIJFDE TOONEEL.

PANIN, GREGORIUS ORLOFF, ALEXIS ORLOFF,
ODART, NOVOGOROD.

                        PANIN, tegen Odart.

(300) ’k Heb met gevoel, Mijnheer! uw Staatsgeschrift doorlezen;
’t Is kunstig, juist gesteld, en ’t zal, naar allen schijn,
Bij ’s rijks omwenteling van groote nutheid zijn.

                        ODART.

Gij eert te veel, Heer Graaf! mijn kleine dienstbewijzen.
Wat glorie, mij van u, van u, te hooren prijzen!
(305) Van u, in wien een schat van eedle wijsheid woont!
Waar zag ooit zwak vernuft zich met meer roems bekroond!

                        PANIN.

Dit zij zo; doch genoeg! ik zie hoe eêl gij trachtte
Te werken voor het hof in ’t geen ’t van u verwachtte.

                        GREGORIUS ORLOFF.

’t Is eindlijk meer dan tijd, dat ik aan u ontdekk’,
(310) Wat last de Rijksvorstin mij gaf vóór mijn vertrek.
,,Mijn Orloff! was haar taal, hoogst waard’ all’ mijn vertrouwen,
,,Ga, tracht mijn vrinden toch mijn’ toestand klaar te ontvouwen.
,,Gij, die sints langen tijd mijn zielgeheimen weet,
,,Zo menig droevig uur met mij in stilte sleet,
[p. 20]
(315) ,,Doe, als gij ’t jongst besluit éénparig hebt genomen,
,,Uw’ broeder met bericht naar dezen kerker komen.
,,Gij weet langs welk een’ weg hij tot mij nadren kan...
,,Helaas! bedenk mijn’ staat, en oordeel zelf daarvan.’’
                        Tegen Alexis Orloff.
Dus sprak zij, en ik heb, (niets zal ’t ontwerp beletten,)
(320) De voorpoort van ’t paleis alreê doen openzetten,
En zelfs van ’t ruim vertrek, waar langs de Neva stroomt,
De sleutel meêgebragt: dus kunt gij onbeschroomd,
Vóór dat de scheemring dale, u heimlijk derwaarts spoeden.
En op dat geen van ’t volk uw oogmerk zal vermoeden,
(325) Vermomt gij u met kunst, en streeft langs Neva’s vliet.
Tracht dan, als gij het uur des aanslags veilig ziet,
Ter linker zij’ van ’t slot die kleine deur te ontsluiten,
Wier uitsprong ge aan den voet des Neva’s stroom ziet stuiten:
Daar vindt ge een stille trap, die u verholen leid
(330) In ’t somber slaapvertrek van hare Majesteit.
Uw komst is haar bewust: dus zal ze u daar verwachten.

                        ALEXIS ORLOFF, met vurigheid.

Welaan! ik vlieg daar heen, en stil haar bange klagten.
Ja, ’k zweer u, dat ik haar met schel triömfgeschal,
Als Ruslands Keizerin, zal voeren naar deez’ wal.

                        NOVOGOROD.

(335) Ach! zagen wij dees webb’, met zo veel roems begonnen,
Tot heil van land en kerk gezegend afgesponnen!



[p. 21]

ZESDE TOONEEL.

Zodra Panin de eedgenoten heeft uitgeleid, treed Daschkoff
uit het cabinet.

                      DASCHKOFF.

Mijn poging is gelukt: ik heb van woord tot woord
Wat hier bezworen is met blijdschap aangehoord.
Mijn Odart! dierbre vrind! ô hoogst vermaak mijns levens!
(340) Hoe roemde elk uwe deugd en uw verdiensten tevens!
ô Gij, wier eerste blik mijn tedren boezem trof!
Gij, die voor weinig tijds een vreemdling waart aan ’t hof...
Hoe streelt mij uw geluk, nu ik u door mijn pogen
Geächt, bemind, geëerd, zo glansrijk zie verhogen!
(345) ô Mijn geliefde vrind! ’k zie u ter glorie spoên.
Het veinzen kost nooit veel, kan ’t aan ons wit voldoen;
Het is de groote kunst der grijze hovelingen.
Laat Panin door geveins aan ’t hof naar lauwren dingen,
Mijn Odart! u ter gunst, en mijn ontwerp ter klem,
(350) Heb ik gezegepraald door veinzerij van hem;
Om u, om de erfvorstin, om wraak, om mijn belangen,
Heeft mijne veinzerij hem in mijn strik gevangen.
Nog ééns, mijn Odart! ja, de zege lacht ons toe.
Men nadert... veinzen wij.



[p. 22]

ZEVENDE TOONEEL.

PANIN, DASCHKOFF.

                        PANIN.

                                        Hoe zijt gij nu te moe’?
(355) Spreek! blijft ’er nu noch iets dat u kan twijfling baren?

                      DASCHKOFF.

Gij hebt de nevlen van mijn twijfling op doen klaren.
Mij is geen woord ontglipt; ’k heb alles klaar verstaan.

                        PANIN.

Wat eischt gij meer van mij?

                        DASCHKOFF, met nadruk.

                                        Op ’t spoedigst voort te gaan.

                        PANIN.

Voorzeker, ’t licht herrijst; dus is ’t nu tijd van scheiden.

        DASCHKOFF, hem met de vleijendste verrukking
                            omhelzende.


(360) Vaarwel, geliefde Graaf... mijn hart zal u geleiden;
In u, in u alleen bestaat mijn hoogst geluk;
Duld dat ik andermaal u mijn’ boezem drukk’...
Maar welk een dof gerucht schijnt dit paleis te nadren?

[p. 23]
                        PANIN.

Het zal de Lijfwacht zijn, die ik heb doen vergadren.
(365) In een ontwerp als ’t onze is ’t grootste stuk, Mevrouw!
Dat wij verzekerd zijn van ’s krijgsvolks moed en trouw.
Ik spreek de wacht, en hoop me uw gunsten waard’ te toonen.

                      DASCHKOFF.

Na de uitkomst zal de liefde uw poging dubbel kroonen.


AGTSTE TOONEEL.

Panin geleid Daschkoff tot aan een zijdeur van het vertrek.
Zo als zij vertrokken is, word het schutdoek opgehaald en
men ziet de keizerlijke Lijfwacht onder de wapenen, op
het voorplein.

                PANIN, WOLKONSKIJ, PASSICK.

                        PANIN.

Doorluchtige oorlogstoet! die Ruslands glorie schraagt,
(370) Voor ’t welzijn van den Staat met roem de wapens draagt;
Getrouwe heldenrei! gij, meest uit eedle looten,
Uit mannen van verdienste en krijgsdeugd voortgesproten,
Gij, die welëer de steun der eedle Czaren waart,
Welëer door dapperheid als helden wierd vermaard;
(375) Sints laffe Fedrowitz met Frederik den Grooten
Een duurzaam staatsverbond, en vrindschap heeft gesloten.
Sints hij dien oorlogsheld zijn vrind en vader noemt,
[p. 24]
Ziet ge u van hem verächt, tot de ergste smaad gedoemd.
Gij, uit uzelv’ geschikt door moed naar eer te dingen,
(380) Ziet schandlijk u verslaafd aan vuige vreemdelingen;
En door een dwazen Vorst, die ’t vaderland beroerd,
In Staat en Kerk ’t gebruik van vreemden ingevoerd;
Dus is het meer dan tijd, mijn vrinden! u te ontdekken,
Wat eindlijk tot herstel van ’t Russisch rijk kan strekken:
(385) Vermits de Rijksmonarch nu ruim twee jaren lang,
Niets anders heeft bedoeld dan Ruslands ondergang,
Schoon ik sints al dien tijd voor uw behoud bleef waken,
En menig dwaas ontwerp wist krachteloos te maken,
Ja, menig harden last uw schoudren heb ontrukt,
(390) En hij volhard, en recht en Godsdienst onderdrukt,
Nu hij zijn’ eigen zoon als balling heeft verstoten,
En zelfs zijn gemalin houd schuldloos opgesloten,
Nu hij, van schaamte ontbloot, reeds aan een lage vrouw
Zijn hand heeft toegezegd, ten hoon der huwlijkstrouw,
(395) Nu we ons aan allen kant door vreemden zien omringen,
Die we als een tijgerdrom naar Ruslands bloed zien dingen,
Nu ’t gantsche Keizerrijk bedreigd word met zijn’ val,
Nu een verlagende echt den troon bezoedlen zal:
Nu is het meer dan tijd, als broeders saam’ te spannen,
(400) De uitheemsche beulenstoet te doden, of te bannen;
Op dat den Moscoviet de glorie niet ontvliê,
Dat hij voortaan in ’t land uit eigene oogen zie;
En dat door hem een hoofd hier zij ten troon gezeten,
Dat hem ’t uitheemsche juk en ’t lijden doe vergeten.
(405) Weläan dan! zolang ge op mij noch steeds uw uitzigt vest’,
Zo noch uw borst ontgloeit voor dit ontëerd gewest,
En goed vind mij den eed van trouwheid vrij te zweeren,
Zult ge ook met mij deez’ dag als helden triömfeeren.
Wat blijdschap!... Eedle schaar’! mijn oog bedriegt mij niet,
[p. 25]
(410) Daar ’t in uw oog de vlam der wraakzucht schittren ziet,
En de eêlste spijt, geteeld uit vuile glorievlekken,
Op aller straf gelaat zielstreelende is te ontdekken.
Geen verder tijdverzuim! Uw aanslag aan ’t geweer
Strekke ons ten eed van trouw.

Het krijgsvolk slaat, naar krijgsgewoonte, een’ sterken handslag
                            op de geweeren.


                        PANIN vervolgt.

                                                Onsterflijk zij uwe eer!
(415) Weläan! wacht in ’t gevaar, waarin wij samen deelen,
Mijn’ last, en volgt getrouw ’t geen ik zal doen bevelen.
                        Tegen Wolkonskij en Passick.
Gaat, stelt u thans aan ’t hoofd van dezen heldendstoet;
Doch spaart zo veel gij kunt het schuldloos burgerbloed.

            Einde van het eerste bedrijf.

Continue

[p. 26]

TWEEDE BEDRIJF.

EERSTE TOONEEL.

Het Tooneel verbeeld een kerker, op de vesting Hexholm,
voorzien van een rustplaats, tafel, stoelen, en een nacht-
lamp, die een flaauw licht van zich geeft.

                        IWAN.

ô Somber, naar verblijf! waarin ik alles derf,
(420) Waarin ik eindloos treur, en langzaam kwijnend’ sterf...
Sints meer dan agttien jaar moet ik in ’s kerkers muren
De felste foltering, onschuldig! wreed! verduren;
Naauw’ negen jaren oud, wierd ik dien schoot ontvoerd
Daar liefde, daar natuur mij lieflijk hield gesnoerd.
(425) ô Moeder! moeder! gij die mij met smarte baarde,
En gij, mijn vader! die mij als uw oog bewaarde,
Wat grievend zielverdriet, wat onweêrstaanbre smart,
Kost mijn geboorte niet aan uw gepijnigd hart!...
’t Was om Elizabeth ten zetel op te heffen,
(430) Dat mij dit ijslijk lot, dat u dien slag moest treffen.
Zij, die heerschzuchtig was, kreeg door haar vleijerij
Welhaast een’ gantschen stoet misnoegden op haar zij’;...
ô Gij, die kroonen torst, en rijken moogt regeeren!
Leert uit mijn deerlijk lot, hoe ras uw staat kan keeren!
(435) Ik, naauw’ op ’t aardsch tooneel, zag mij ten troon benoemd,
En, eer ik denkkracht had, ten kerkerhol gedoemd.
ô Lestocq! Lestocq! zo ge op de aard’ noch om mogt dolen,
[p. 27]
Volgt u Gods wraak gewis, tot in de diepste holen;
Ja, zo gij wroeging kent, en denkt aan Iwans leed,
(440) Dan hangt aan ieder hair een bange droppel zweet.
’t Was hij die, door zijn drom van vuige vloekgenoten,
Mij en mijn gantsch geslacht ten kerker heeft gestoten;
’t Was hij die mij den kelk van ramp te drinken gaf,
Wiens bittren smaak ik steeds zal proeven tot aan ’t graf...
(445) Waar dwaal ik?...waaröm hém het geen ik lij’ verweten?
ô Gij! in ’t eeuwig licht onwankelbaar gezeten,
Gij! die elk stervling ziet, zijn lot volkomen kent,
Gij wilt dat eenigen, door uitgestrekte elend’,
Hun eigen broosheid zien, om eindlijk zeker te achten
(450) Dat geen bestendig heil op aarde ooit is te wachten.
Gij laat de koningen van deze proef niet vrij,
Opdat elk hunner leer’ dat hij een stervling zij.
Ik mor niet om mijn lot...Wat zijn die praaltooneelen,
Waarmeê de vorsten zich vermaken? kinderspelen.
(455) En schoon een vorst naar wensch den hogen rang genoot,
Wat baat het, daar ’t hier all’ te niet gaat in de dood?
Ja, die schoonschijnende aard’, waaröp we als vreemdling zwerven,
Baart kort geluk, veel smart, dat uitloopt in ons sterven.
Bespiegeling en deugd, ô onwaardeerlijk goed!
(460) Gij schenkt mij eindlijk weêr de kalmte van ’t gemoed.

De poort des kerkers springt éénsslags open, waardoor men in
’t verschiet een gedeelte der vesting kan zien. Iwan, die
tot den ingang is genaderd, vervolgt, met teekenen
                        van verbazing:


Maar hoe! van waar dat licht? die onverwachte luister?
Wat schittring? welk een glans bestraalt dit aklig duister?
Van waar dees open poort? dat heerlijk schoon verschiet?
[p. 28]
Waar ben ik? is ’t een droom?... Geen mensch die mij bespied!
(465) Geen Lijfwacht! alles weg! op éénmaal weggetogen!
Dit spel, deze omkeer blijft een raadzel voor mijne oogen.

                        Na een weinig zwijgens.

Of zou vorst Fedrowitz, die mij zo gunstig is,
Als Hertog deel nam in mijn smart en droefenis,
Zo dikwijls in dit hol mij minzaam troost verleende,
(470) Wanneer ik om ’t gemis van vrind en oudren weende...
ô Ja! hij is ’t gewis, door wien ik thans den dag
Voor ’t eerst, sints agttien jaar, zo vrij aanschouwen mag.

                        Geknield.

Heb dank, ô Godlijk licht! hoe koestrend zijn uw stralen!
Wat vreugd voelt mijne ziel, bij ’t ruimer ademhalen!
(475) Noch nimmer zag mijn oog zo schoon het hemelvuur;
Nooit voelde ik bij dat schoon die streling der natuur!

                        Ontsteld oprijzende.

Maar hoe! van waar die stem? wie komt mij ijlings nadren?
Wat schrik beklemt mijn hart! hoe stolt mij ’t bloed in de adren!
De Czaar!...ô God!... kan ’t zijn? verzeld van al zijn’ stoet!
(480) Ja, ’t is vorst Fedrowitz. Weläan, mijn ziel! grijp moed.



[p. 29]

TWEEDE TOONEEL.

PETER, LEO, IWAN, STERNBERG, KORFF en ver-
dere stoet. Peter, om Iwan aangenaam te misleiden, heeft
alle vorstlijke kenteekens afgelegd, en Leo in keizerlijk
gewaad doen verschijnen. Leo, zonder Iwan gewaar
te worden, begeeft zich meer voorwaarts.

                        PETER, bij ’t inkomen, tegen Korff.

Gij vind dees vesting schoon, nadat ik kan bemerken.

                        KORFF.

Hoogst schoon, uw Majesteit! de grachten, wallen, werken,
Zijn, waar het oog zich wend, alöm met kunst gewrocht;
De vestingbouwkunst, Vorst! had ik hier nooit gezocht.

        IWAN, ter zijde, zonder door hen tot noch toe
                    gezien te worden.


(485) ’t Schijnt Korf!* ô Ja! hij is ’t: zijn zagte wezenstrekken
Doen mij den eedlen man, op nieuw, in hem ontdekken.

            PETER, tegen Korff, zonder Iwan noch te zien.

Zie hier dan ’t naar verblijf waarin de jongling treurt.

                        KORFF, met gevoel.

Zijn toestand, Vorst! heeft steeds mijn bloedend hart verscheurd.

[p. 30]
        PETER, Iwan gewaar wordende, stil, tegen Leo.

Treê voorwaarts, Leo! ’t schijnt dat hij u toe wil spreken.

        IWAN, die intusschen den vorst maar al te wel
            van Leo heeft onderscheiden, werpt zich
              ijlings aan de voeten van den Czaar.


(490) Genadig vorst! verhoor, verhoor mijn angstig smeken.
Gij, die den scepter voert in Ruslands rijksgebied,
Hoor een’ elendigen, dien gij hier knielend’ ziet.
Als Hertog hebt gij mij somtijds eens troost gegeven,
Ik zag uw menschlijk hart; dit moest mijn hoop doen leven,
(495) Dat thans de Keizer, groot in de oogen van ’t heeläl,
Den Hertog in genaê verre overtreffen zal.
Sints meer dan agttien jaar moest ik in kerkers kwijnen,
Waar in ik nooit een’ straal van ’t vrolijk licht zag schijnen;
Och! dat thans de eedle Czaar voor altijd mij verpligt,
(500) Mij schenk de vrije lucht, en ’t lieflijk zonnelicht.

            PETER, met alle teekenen van de tederste belangneming.

Rijs, eedle jongling! rijs! Herstel uw angstig harte.
Ik deel in al uw leed, en lijde met u smarte...
Omhels mij... Wees gerust! Vergeet uw’ bangen druk.
In ’t weldoen vind mijn ziel bestendig haar geluk.
(515) Uw bede is reeds verhoord, gij hebt geen leed te duchten:
Wees welgemoed, vergeet, verban dat eindloos zuchten;
’k Heb reeds uw lot verzagt: gij kunt, van nu af aan,
Gantsch ongehinderd, vrij, door deze vesting gaan.
’k Had Sukloff reeds belast, ten troost in uwe elenden,
(510) Deez’ kerker te openen, de Lijfwacht weg te zenden;
[p. 31]
En daar mijn doelwit was, uw noodlot in dit uur
Als vreemdling gaê te slaan, spoedde ik mij naar deez’ muur,
En gaf aan Leo last dees kleedren aan te trekken;
Doch ’t schijnt dat ge aan mijn stem, of houding, kost ontdekken
(515) Dat ik de Keizer ben...

                IWAN, met verrukking,

                                        Ja, vorst! ’k heb u herkend...
Uw beeldtenis, en deugd, staan in mijn ziel geprent!
Zou ’t mooglijk zijn, mijn vorst! dat ik u kon vergeten?
U, die zo menigmaal mijn noodlot hebt bekreten?
Zo dikwijls in mijn’ ramp mij troost en laafnis gaf?
(520) Neen, vorst! gij blijft mij bij tot op den rand van ’t graf.

                        PETER, ter zijde.

,,Hoe dankbaar luid zijn taal!.. Wat eedle trek van ’t harte?’’
Herinnert ge u toch, Prins! al de uitgestane smarte!

                        IWAN.

’k Heb geen juist denkbeeld meer van al ’t geleden leed,
En hoe ik de eerste jeugd in nare kerkers sleet;
(525) Doch van het tijdstip af, dat ik mijn lot bezefte,
En dat die zelfde slag mijn tedere oudren trefte,
Wier kwijnende oogen ik zag schreijen om mij heen,
Sleet ik mijn’ meesten tijd in zuchten en geween.
Maar ’t geen mij ’t meeste trof, mij ’t felst het hart doorboorde,
(530) Was als ik hen somtijds door bittre en sterke woorden
Van de officieren zelv’ baldadig zag verächt,
Wanneer men ons van de één naar de andre vesting bragt.

[p. 32]
                    PETER.

Noem mij die monsters, Prins!

                        IWAN.

                                            Ik heb die reeds vergeten.

                                PETER.

Hun staat, geboorte, of rang?

                        IWAN.

                                            Die wilde ik nimmer weten;
(535) Want naauwlijks hadden ze ons ten kerker ingerukt,
Of wij, nu vrij van smaad, hoe schandlijk laag verdrukt,
Erkenden, neêrgeknield, de gunst van ’t Alvermogen,
Dat ze ons weêr aan de magt dier beulen had onttogen.

                                PETER.

Dus nam geen sterveling ooit deel in al uw smart!

                        IWAN.

(540) Slechts één, mijn vorst! was braaf, bezat een menschlijk hart.
ô Die verheven man, die ons zijne achting toonde,
In wien de liefde heerschte, in wien de goedheid woonde,
Wierd, tot ons aller smart, te vroeg van ons gescheurd!
Ja, zelfs dit oogenblik word zijn gemis betreurd.

[p. 33]
                                PETER.

(545) En echter heeft uw geest het beeld diens mans vergeten?

IWAN heeft KORF intusschen met een starend en doordringend
  oog aanschouwd, en hem reeds genoeg doen voelen wien hij
      met deze lofspraak bedoelde; de andere in tegendeel
      heeft den prins door teekenen te kennen gegeven on-
          gaarne genoemd te willen zijn. Iwan, die zich
          niet langer kan bedwingen, schiet op hem toe,
              omhelst hem, drukt hem aan zijn’ boezem,
                          stort tranen, en vervolgt.

Neen, Vorst! zijn beeld is nooit door tijd in mij gesleten:
’t Was Korf!... het is uw vrind, die deel nam in ons lot.

                    PETER, getroffen, tegen Korf.

Hoe Korf?...

            IWAN, tegen Korf, daar hij hem aan
                        de borst blijft drukken.

                    Mijn trooster!...

                        KORF, met gevoel.

                                        Och! wat tijdstip? groote God!

                PETER, de edele verlegenheid van Korf ziende, neemt
                    hem schielijk bij de hand, en spreekt hem met
                    nadruk toe:

Baron! zie daar een blijk, (wien zou dit niet bekoren?)
[p. 34]
(550) Dat nooit een eedle daad ondankbaar gaat verloren.
Kom! volg mij dierbre vrind! gij kunt me intusschen raên,
Wat tot des jonglings best thans verder dient gedaan.
                        Tegen Sternberg.
Gij! blijf inmiddels hier; ik ga met Sukloff spreken.
                        Tegen de overigen.
En gij! mijn heeren! laat u verder niets ontbreken.
                        Tegen Iwan.
(555) Tot wederziens, mijn prins! vrees niets, wees wel te moê;
’t Strekt enkel tot uw heil al wat ik heden doe.


DERDE TOONEEL.

IWAN, STERNBERG.

                        IWAN, met verrukking.

ô Nooit volprezen dag! gelukkigste aller morgen!       
Bij u herrijzing prangt mij kwelling, angst, noch zorgen.
Hoe kalm, hoe wel te vrede, is alles om mij heen!
(560) Och! dat ik oudren had, dan had ik niets geleên

                        STERNBERG.

Uwe oudren!...

                        IWAN, met drift.

                    Ja, mijnheer! hebt ge iets van hen vernomen?

                        STERNBERG.

Ik ben een Duitscher, vorst! slechts kortlings hier gekomen.

[p. 35]
                        IWAN.

Verschoon mij; och! dan is mijn lot u onbekend.

                        STERNBERG.

Uw lot!... neen, prins! Ik zelf, ik deel in uwe elend’.
(565) Nooit spreekt den vorst van u met mij, of beide ontroeren.

                        IWAN.

Helaas!

                        STERNBERG.

            Doch zeg mij, wie u naar dit slot dorst voeren.

                        IWAN.       

Wie kent een roversrot in ’t midden van de nacht?
Waar is een schuldloos hart op snood geweld bedacht?
Op zekre nacht dat we ons in ’t kerker hol bevonden,
(570) Word ons op ’t onverwachtst een streng bevel gezonden;
Mijne oudren, mijn geslacht, door dezen last ontststeld,
Beweenden mij, met kracht in de armen vast gekneld;
En daar zij me als om strijd aan mond en boezem drukken,
Komt een ontmenschte schaer’ den kerker binnen rukken:
(575) ,,Val aan,’’! dus was de kreet, en schoon men weêrstand bood,
Ontrukten zij me ontäart aan mijner moeders schoot;
Waarop men mij ter wraak, heeft in dit hol gesmeten,
Daar ik in ’t minst niets van mijne oudren meer mogt weten:

[p. 36]
                        STERNBERG, ter zijde.

,,Helaas! hoe dringt zijn taal door mijn getroffen hart!’’
(580) Dus schijnt uw lot, mijn prins! een schakeling van smart!

                        IWAN.

’k Herinner mij geen’ tijd zo heilrijk als dees morgen;
Want sints ik denkkracht kreeg ontstonden ook mijn zorgen;
Van mijn’ geboorte af aan nam al mijn heil een end’;
Door mij wierd mijn geslacht, gedompelt in elend’.
                                In tranen.
(585) ô Moeder! vader! en gij, broeders! dierbre vrinden!
Ach! zo ge u aan dees zij’ van ’t graf noch mogt bevinden,
Zo noch mijn beeldtenis in uwen boezem leeft,
Zo gij mij noch één zucht door ’t vrije luchtruim geeft,
Of ’t zij ge in kerkers treurt, of kwijnt in donkre holen,
(590) Of ’t zij ge in ballingschap, verlaten, om moet dolen,
Mijn zucht weêrkaatst dien galm, ze omhelst in ’t hart uw zucht,
En die omhelzing geeft mijn bangen boezem lucht.

                        STERNBERG, diep getroffen.

Beklagenswaardig prins! dees tranen mij ontwrongen...

                        IWAN.

Gij schreit?!

                        STERNBERG.

                    Verschoon mij, Vorst!... ik voel mijn tong bedwongen.

[p. 37]
                        IWAN.

(595) Schrei niet om mij, mijn vrind! denk dat hier tegenspoed
Ons ter onsterflijkheid, voor namaals, rijpen doet.
De leeftijd, hoe op de aard’ met doornen wreed doorweven,
Is een beproevingperk, tot een volmaakter leven;
Dus is de dood, die hier het hart met ijzing slaat,
(600) Niets dan de leidsman, vrind! tot dien volmaakten staat.
Hij, die ’t hier al vernielt, voert ons daar geen ontzieling
Het oog en hart verschrikt met dreiging, of vernieling;
Zijn schigt, hoe vreeslijk die den zwakken stervling zij,
Verheft ons boven haat van hoofsche tirannij,

                        STERNBERG, ter zijde.

(605) ,,Hoe troostrijk is zijn taal! wat edel zielvermogen!
,,Gelukkig hij, die dus het leven kan beöogen!’’

                        IWAN.

Hoe kort is hier ’t genot voor een gevoelig hart!
Eén enkle dag van vreugd, baart licht tien dagen smart.

                        STERNBERG.

Wat denkt gij, prins! zal ’t lot van onzen keizer wezen?
(610) Zou ’t hem steeds gunstig zijn? of heeft hij ramp te vrezen?

                        IWAN.

Och! wat zijn lot betreft, dat zal, naar allen schijn,
Niet veel gelukkiger, helaas! dan ’t mijne zijn.
[p. 38]
Ik ken der Russen aart: verknocht aan oude zeden,
Word hier een Duitsch Monarch met wederzin geleden.
(615) Dit heeft mijn vader mij geleerd in mijne jeugd.
Doch, buiten dat, de Czaar is van te zagt een deugd,
Die meest de Russen als flaauwhartigheid beschouwen!...
De man die op den duur hen in den band wil houên,
Behandel’ hen meer streng, treff’ hen met hardigheid.
(620) Door goedheid word de vorst in zijn verderf geleid;
En is de waarheid mij bij voorgevoel gebleken,
Dan is de ware rust zijn’ boezem reeds ontweken.

                        STERNBERG.

Dit is maar al te waar, want met zijn’ gemalin
Leeft hij sints langen tijd volstrekt verdeeld van zin;
(625) Zelfs heeft hij haar alreê naar Petershof gezonden;
Ook is hier reeds ’t gerucht in meer dan duizend monden,
Dat door de Geestlijkheid het volk word opgeruid.
Prins! word dit niet bij tijds met kunstbeleid gestuit,
Dan staat den vorst in ’t kort een schriklijk lot te duchten.

                        IWAN.

(630) Genoeg, mijn vrind! genoeg! hoe doet uw taal mij zuchten!
’k Zie, tot mijn grievendst leed, wat storm hem reeds verbeid.



[p. 39]

VIERDE TOONEEL.

PETER, IWAN, LEO, STERNBERG, KORF, SUKLOFF,
en verdere stoet.

                SUKLOFF, tegen Peter, op den achtergrond.

De vesting kan, des noods, noch worden uitgebreid.

                                PETER.

’t Gebouw moet vierkant zijn, uitvoerig, hoog verheven,
Van bosch, en tuin voorzien, en met een gracht omgeven.
(635) Het ovrig zal ik u hierna wel doen verstaan...
Doch waartoe lang bedekt met u te werk gegaan!
Dees plaats moet ’s rijksprinses, om ’t land voor ramp te dekken,
(Daar zij een aanhang heeft,) tot een bewaarplaats strekken.
Dit eischt het heil des staats, ten koste van mijn hart.
                        Tegen Iwan.
(640) Noch altijd somber, prins! in diep gepeins verward!
Wees kalm, wees wel te vreên, verban die ijdle smarte;
Aêm nu de vrije lucht, met een te vrede harte.
Gij ziet hoe zorgrijk ik steeds voor uw welzijn waak;
En opdat ge in ’t vervolg een waar genoegen smaak’,
(645) En geen meer wanhoop blijve in uwe ziel verborgen,
                        Tegen Sukloff,
Geef ik u last, mijnheer! om voor den prins te zorgen.
Verleen hem alle hulp, verstrek hem steeds tot vrind,
En schenk hem al ’t genot waar ’t hart vermaak in vind.
Voor ’t ovrig laat hem vrij in deze vesting wandlen,
(650) Gij zult hem, als mijn vrind, ja, als mijn’ broeder handlen.
[p. 40]
                        Tegen Iwan.
Vaarwel, mijn waarde neef! omhels mij, wees gegroet.
Belang eischt dat ik mij naar elders wenden moet.

                        IWAN, hem sterk aanziende.

Vaarwel, mijn vorst!... maar hoe! gij zucht, wat doet u vrezen?

                PETER, leid Iwan tot voor op het Tooneel, luistert hem
                    iets aan ’t oor, en zegt, met een diepe zucht


Ik kon gelukkiger op Ruslands zetel wezen!
(655) Helaas!

                        IWAN.

                    Volëind’, mijn vorst! Ach! smoor uw klagten niet!

                PETER. bewogen, en op den voorgrond, vervolgende.

Mijn huwlijk... mijn gezag... ’t verraad dat mij bespied,
De zucht naar mijnen troon, de smaad die ik moet hooren,...
Dit alles, dierbre vrind! doet mij het hart doorboren.
Hoe ’t zij, ik heb u reeds meer dan te veel gezegd.

                        IWAN. met belangneming.

(660) Geenszins, mijn vorst! geenszins. Denk wie ons lot beslecht;
Schoon zich ook ’t gantsch heeläl zou tegens u verzetten,
De hand die ’t all’ bestiert kan ’t met één wenk beletten.
Die hand was ’t, ô mijn prins! die me in mijn zielverdriet
Een voorproef van het heil der toekomst smaken liet.

[p. 41]
                                PETER.

(665) Ook mij, mij is wel eens dat heilgenot gebleken;
Doch sints ik heerscher ben, is me al dat zoet ontweken,
Sints ik den scepter voer, en Ruslands rijk regeer’,
Kent mijn gefolterd hart de ware rust niet meer.
Doch vind ik boven ’t lot, van ramp mij ééns verheven,
(670) Is heerschzucht ééns gefnuikt, en wat mij haat verdreven,
Dan zweer ik zult gij u niet slechts in vrijheid zien,
Maar all’ wat ademt, prins! zal u zijn hulde biên.
Vaarwel...

            IWAN, terwijl zij elkander omhelzen.

                Vaarwel, mijn vorst!

                                PETER.

                                            Vaarwel, mijn vrind! mijn broeder!

                        IWAN.

Vaarwel! de Godheid strekke u duurzaam ten behoeder:


VIJFDE TOONEEL.

IWAN, als van droefheid overstelpt, staart noch eenigen
tijd de voetstappen van Peter na, en ver-
volgt eindelijk.

(675) ,,Vaarwel, mijn* broeder, vrind! ’’ dus was zijn laatste woord!
Dit zuchtte hij mij toe, daar hij zijn droeheid smoort!
[p. 42]
                Na een weinig zwijgens.

Gelukkig!... neen, mijn vorst! dat zult gij nimmer wezen,
U staat gewis meer ramp dan gij vermoed te vrezen.
Reeds loeit de staatsörkaan bij flaauwen zonneschijn,
(680) De uitbarsting van dien storm zal voor u schriklijk zijn.
De Raad, de Geestlijkheid, reeds alles, is u tegen!
En, na ik kan vermoên, uw gemalin genegen!
De Geestlijkheid is ’t punt waaröp het alles draait...
Reeds heeft zij ’t haatlijk zaad van tweedragt hier gezaaid;
(685) Nooit is een monarchij zo lichtlijk om te keeren,
Dan daar een Patriarch en Geestelijkheid regeeren.
Ach! Peter! hunne wrok word nimmer recht verzaad,
Dan als ’t geen hen mishaagt ten duistren grave gaat.
Gij zijt als Vorst te goed, om niet te moeten vrezen
(690) Dat uwe goedheid u gevarelijk zal wezen.
Die mijn geslacht onttroonde, en in den kerker stiet,
Geliefde Fedrowitz! bezat uw goedheid niet;
De troon is de echte plaats van looze dwingelanden.
Mijn lot, mijn pijnlijk wee, verscheurt uwe ingewanden,
(695) En die meêdogenheid verzwaart licht uwe schuld,
Bij harten tegen u met wraakzucht opgevuld.
Och! in wat stand op aarde is duurzaam heil gelegen?
In die der Vorsten?.. neen, die hebben ’t nooit verkregen!
Veelëer smaakt dan de slaaf die in de goudmijn daalt,
(700) Hoe arm, meer zielvermaak, dan die met kroonen praalt.
Ten minste zal mijn lot, hoe ook de kans moog’ wenden,
Altijd een Chaös zijn van angsten en elenden;
Doch zo de ontwikling mij op ’t spoor des Hemels leid,
Dan is mijn foltring heil, mijn lijden zaligheid.



[p. 43]

ZESDE TOONEEL.

Verbeeld een kamer, in het vorige paleis van Panin.

ODART, DASCHKOFF.

                        ODART.

(705) Ons doelwit is gelukt: wij zullen triömferen.
Men heeft het oorlogsvolk alöm reeds trouw doen zweeren;
De Raad, de Geestlijkheid, de stoute Burgerij,
Verächt en vloekt den Czaar, en vliegt aan onze zij’.

                      DASCHKOFF.

Dus heeft men noch den Czaar, noch Duitscher meer te schroomen?

                        ODART.

(710) ô Neen! men is door list zelfs reeds zo verr’ gekomen,
Dat Peter van alöm vervolgd word en bespied,
En mooglijk binnen ’t uur zich krijgsgevangen ziet.

                      DASCHKOFF.

Waar of hij zich onthoud?

                        ODART.

                                        Zo verr’ mij is gebleken;
Is hij deez’ morgen vroeg naar Hexholms vest geweken...

                        DASCHKOFF, met verwondering.

(715) Naar Hexholm!

[p. 44]
                        ODART.

                        Ja, Mevrouw!

                      DASCHKOFF.

                                            Dit baart me ontroerenis!
Weet, dat prins Iwan daar sints lang gekerkerd is;
’t Is deze jongeling, de wellust van zijn leven,
Dien hij zo menigmaal een stil bezoek gaat geven;
’t Is deze prins, mijnheer! dien hij zijn lievling noemt,
(720) En die om zijne deugd in Rusland word geroemd;
’t Is eindlijk deze prins dien hij den troon wil geven,
Waar van hij gemalinne en erfprins heeft verdreven;
Om, wars van ’t hoog gebied, dat hij te moeilijk vind,
Alleen te leven in ’t hertooglijk staatsbewint,
(725) Op Holsteins grond;... en ons, helaas! ons staat te vrezen,
Dat dit te Hexholm zal dees nacht geklonken wezen.
Voor ’t minst het kon dus zijn.

                        ODART.

                                            Gij vreest te veel, bedaar;
De vorst is reeds te rug, en zelfs met groot gevaar.

                      DASCHKOFF.

Met groot gevaar...?

                        ODART.

                            ô Ja!

[p. 45]
                      DASCHKOFF.

                                    Hoe kan dit mooglijk wezen?

                        ODART.

(730) ’t Is Mooglijk; daar ’s volks haat ten toppunt is gerezen.

                        DASCHKOFF.       

Hoe nu!... spreek, Odart! spreek, ach! help mij uit den droom.

                        ODART.

Weet dat men op ’t kasteel genaamd Oranjeboom,
Sint Pieters jaarlijks Feest op morgen staat te vieren,
En daar de Keizer zelf, die luister zal bestieren,
(735) Heeft hij wat in zijn hof den naam van ,,schoone’’ heeft,
En met den hoveling in wettig huwlijk leeft,
Genodigd om ten praal op ’t vrolijk feest te komen.
Die stap van Fedrowitz is tot een’ grond genomen,
Om adeldom en volk te waapnen tegen hem;
(740) En aan ’t verdichtsel geeft den logen sterker klem:
Men zegt, dat Peter, dwaas, ja schaamtloos heeft besloten
De schoone vrouwen der voornaamste hoofsche Grooten,
Aan menig gunsteling’ die van Germanje kwam,
Of afdaalt uit Brittanje, of andren vreemden stam,
(745) Gelijk een Turksch monarch, naar zijnen wil te schenken;
En om met zwarer grief hem in zijne eer te krenken,
Is overal de maar’, met zweem van grond, verbreid,
Dat reeds het bruiloftsbed dier vrouwen is gespreid.
Dees looze vond, geschikt om afkeer op te wekken,
(750) Moet de oogen van den Rus bijzonder tot zich trekken;
[p. 46]
Naardien ’t Moscoviesch hart, dat minnenijdig is,
Naar wijz’ des Oosterlings, licht helt tot ergernis,
In liefde argwanend’ denkt, en straks zich laat ontsteken,
Hoe ’t zij, ’t gevolg dier list is zigtbaar mij gebleken:
(755) Naauw’ was dit valsch gerucht als echtheid aangehoord,
Of ’t volk riep, als om strijd, door geestdrift aangespoord,
,,Weg met dat monster! weg! de Keizerin zal leven,
,,Cathrina moet ten troon, of wij... wij zullen sneven.’’

                      DASCHKOFF.

Dit was de volkskreet dan! dit stelt mijn hart gerust;
(760) De toorts des bleeken schriks is daarïn uitgebluscht,
Mijn Odart! om de liefde een grootscher vlam te geven,
Wat aangenaam verschiet voor een aannadrend leven!
De fiere Rijksvorstin, dunkt mij, dat reeds ons vleit
Van haar’ verheven troon met loon voor ons beleid;
(765) Met glorie overlaên, zal zij ons saam’ verbinden...
Ik zal in dezen staat u meer beminlijk vinden!...
Elk een spreekt, daar men hier ons naast den troon begroet,
Van Odarts schranderheid, en Daschkoffs mannenmoed.
Welk een verandering! ’t was slechts voor weinig weken,
(770) Dat mij een gunstig lot aan ’t hof u ’t eerst deed spreken;
Met vreugd herdenkt mijn geest dien liefelijken dag!

                        ODART.

En nu?...

                      DASCHKOFF.

            Nu voert de liefde in mij het hoogst gezag.
Ik heb thans geen geheim voor u bedekt te houên.

[p. 47]
                        ODART, op een’ schertsenden toon.

Slechts één....

                      DASCHKOFF.

                    ’t Is!

                        ODART.

                            Dat des graafs.

                      DASCHKOFF.

                                                Ik zal ’t u klaar ontvouwen:
(775) Gij weet dat in ’t ontwerp waarin ik met u deel,
Ik Panin nodig had op Ruslands staatstooneel,
Daar hij mij nader kon aan de Erfprinses verbinden;
Ik ging met vluggen tred den strammen grijsäart vinden,
En naauwlijks had ik hem mijne achting doen verstaan,
(780) Of wellust blies in hem het hevig minvuur aan.
,,Uw schoonheid streelde mij, daar mij de wanhoop griefde,
,,Dus sprak hij, en ’t ontzag bedwong in mij de liefde.
,,Sints ik voor ’t eerst u zag, heb ik geen rust gekend;
,,Gij, dierbre! gij alleen staat in mijn ziel geprent.
(785) ,,En daar ge mij uw trouw, uw liefde dorst bezweren,
,,En mijn gefolterd hart op ’t uw’ mag triömferen,
,,Bezweer ik u dat gij, eer de avond scheemring daalt,
,,Naast Ruslands heerscheresse uw plaats zult zien bepaald.’’

                        ODART.

Dit was graaf Panins taal?...

[p. 48]
                      DASCHKOFF.

                                            Dit zijn zijne eigen woorden.

                        ODART.

(790) ô Liefde! ô gij die ’t hart des grijzen helds doorboorde,
Begeef, verlaat hem niet. Van u hangt alles af.
Waar was ’t dat uw bedrog ooit schooner vruchten gaf!

                        Einde van het tweede bedrijf.

Continue

[p. 49]

DERDE BEDRIJF.

EERSTE TOONEEL.

Het Tooneel verbeeld een Lusthuis van den Czaar.

PETER, WORONZOFF.

                        PETER, in eene droefgeestige houding, aan een
                                        tafel gezeten.

Hoe woelt, hoe bruist het bloed door al mijne adren heen!

                        WORONZOFF.

Waaröm dus treurig? Vorst!

                                PETER.

                                            Helaas!... Laat mij alleen.

                        WORONZOFF.

(795) De stilte is u niet nut, zij voed de rouwe in ’t harte.

                                PETER.

Haar voedsel laaft mijn ziel, in ’t midden van mijn smarte.

                        WORONZOFF.

Wat is de reên toch, Vorst! van al uw zielverdriet?
[p. 50]
Gij zucht! en zijt ontsteld!

                                PETER.

                                    Ach! vraag mij verder niet...

                        WORONZOFF.

Is ’t ook prins Iwans lot dat uwe ziel doet treuren!

                        PETER, met vurigheid.

(800) Waaröm mijn bloedend hart op nieuw weêr op te scheuren?

                        WORONZOFF.

Zijt gij dan de oorzaak, Vorst! van zijn elendig lot?

                                PETER.

ô Neen! dat zweer ik u, voor een rechtvaardig God.
Neen, zo ik voor mijzelv’ geen stormen had te vreezen,
Prins Iwan zou reeds lang in volle vrijheid wezen.
(805) ’t Herdenken perst me op nieuw een vloed van tranen af.
Verbeeld u hoe hij mij zijn lot te kennen gaf:
Voor mij in ’t stof geknield, door droefheid neêrgebogen,
Sprak hij mij staamlend’ toe, met tranen in zijne oogen:
,, ô Gij! van wien alleen ik troost en bijstand wacht,
(810) ,, Gij, die reeds vóór uw komst mijn noodlot hebt verzagt,
,, Mij in dit kerkerhol zo dikwijls troost verleende,
,, Wanneer ik zuchtend’ zat, of om mijn noodlot weende,
,, Kan ’t zijn, verhoor mijn beê, neem deel in mijn geklag,
,, En gun dat ik voortäan het licht aanschouwen mag.’’
(815) Dit was prins Iwans taal, een jongling op wiens wezen
De trekken van gevoel en goedheid zijn te lezen,
Een jongling wiens geslacht, wijl ’t lot hem troonwaarts riep,
[p. 51]
Zijn leven in een nacht van ijslijkheid herschiep.
Die weet wat kunstnarij, wat wreed bestaan de hoven,
(820) Ter liefde van ’t belang, zich vrij veröoreloven,
Zelfs tegen eigen bloed, zal, met een hart als ’t mijn’,
Uitroepen, verr’ van mij, ô stookplaats van venijn!
Weg, zetel! kroon! en staf! uw praal, uw glans, uw luister,
Is voor mijn aangezigt bedekt met aklig duister;
(825) Bedrieglijk is uw glans, zorgkwekende is uw pracht...
Licht heeft uw boezem reeds mijn’ moorder voortgebragt!

                        WORONZOFF.

Met die gevoelens, Vorst! hoe hoog met recht geprezen,
Is ’t niet waarschijnlijk lang der Russen Heer te wezen.
’s Lands eerste Peter, uw doorluchte naamgenoot,
(830) Had met een hart als ’t uw’ zijn Staten niet vergroot.
Grijp moed, mijn vorst! grijp moed, verban uw angst en smarte,
Uw droefheid onderdrukt uw teêr gevoelig harte.
Meêdoogend, braaf te zijn, zelfs in den tegenspoed,
Is zeker ’t eêlste merk van ’t waarlijk groot gemoed;
(835) Maar ’t hart ten troon geschikt, doe nimmer zwakheid blijken,
Herdenk uw deugden slechts, en al uw smart zal wijken.
Naauw hebt ge u als monarch van ’t Russisch rijk vertoond,
Of ’t bleek wat menschlijk hart in uwen boezem woont.
Zelfs zal ’t Morgaansche strand, Tartaarsche en Wolgaas streken,
(840) Zolang daar volken zijn, van uwe goedheid spreken.
Gedenk slechts aan dien drom, dat agttien duizend tal,
Dat ge uit het koude Noord terug riept naar deez’ wal;
Uit dat Siberiën, daar ’t in spelonk en holen
Sints meer dan twintig jaar, als balling’ om moest doolen,
(845) Op wier verdord geraamte, in oogen, neus en mond,
Men de uitgestaane smarte als afgeteekend vond;
[p. 52]
Daar die elendigen geen praalkleed mede bragten,
Dan hun vermagerd vel, bedekt met dierenvachten,...
Gij, gij riept hen terug, tot uwe onsterflijke eer,
(850) Gij riept hen uit de dood, en schonkt hen ’t leven weêr.
Hoe sprak held Munich, toen hij waglende u kwam nadren!
,,Gij vorst! (dus was zijn taal,) gij, telg der braafste vadren!
,,Gij, die mij uit de nacht van jammer en elend;
,,Weêr tot het koestrend licht, en vreugd te rugge zend,
(855) ,,Gij doet mijn dankbre ziel éénsklaps die smart vergeten,
,,Waarïn ik ’t leven heb sints twintig jaar gesleten.’’
ô Die herinring, vorst! moet uw beängstigd hart,
Tot troost en laafnis zijn in ’t somberts van uw smart.

                                PETER.

Helaas! in tegendeel: al deze gunstbewijzen
(860) Zijn eigenlijk de bron waaruit mijn rampen rijzen;
Waare ik meer streng geweest, had ik min deugd betracht,
Nooit had een heimlijke angst mij tot deez’ staat gebragt.

                        WORONZOFF.

Verschoon me, ô Vorst! uw val wierd daaruit nooit geboren:
Gij zaagt noch kort geleên u heil, en eer beschoren....
(865) Zo ’t mij geöorloofd waar?...

                                PETER.

                                                    Gij weet waarüit die spruit?...

                        WORONZOFF.

Helaas! niet dan te wel!

[p. 53]
                                PETER.

                                    Weläan! spreek vrijlijk uit.

                        WORONZOFF.

’t Verbond met Brandenburg, uw feesten, spelen, brassen,
Uw smaak tot vrolijkheên die vorsten kwalijk passen,
Uw onverschilligheid voor uwe gemalin,
(870) Uw flaauwheid in ’t bestier, uw haat en tegenzin,
Den Moscoviet betoont, van woesten hoogmoed dronken,
De Duitsche kleding, Vorst! waarmeê men u ziet pronken,
Waarïn uw Lijfwacht zelf hier voor onze oogen gaat,
Dit hitst die morring aan, zo doodlijk voor den staat,
(875) Waarvan elk in het eind’, na duizend bange klagten,
Mishandling, maar voor u iets ergers is te wachten.
,,De Czaar, (dus roept men reeds), die met den Godsdienst spot,
,,Is eigenlijk de bron van ons rampzalig lot;
,,’t Is hij die ’t krijgsvolk dwong de tempels in te stormen,
(890) ,,En beeld en heiligdom in puinen deed hervormen;
,,Ja.die de priesterschaer’ naar ’t barst des noordpools zond,
,,Om dat die, volgens pligt, zijn wreedäarts tegen stond.’’
Dit was de taal van ’t volk; dit, Vorst! zijn de eerste bronnen,
Waarüit de wangunst, haat en tweedragt zijn begonnen.
(895) En, zo ’t een waarheid is, het geen ik heb verstaan,
Dan broeit thans tegen u, reeds feller staats-orkaan.

                        PETER, ontzet.

Reeds feller staats-orkaan!.... Och! wat doet gij mij hooren?
Volëind’, het is geen tijd iets meer in ’t hart te smooren.
Gij beeft! gij zwijgt! wat angst jaagt ijzing door uw bloed?

[p, 54]
                        WORONZOFF.

(900) Een samenzweering, vorst! is ’t die mij siddren doet.

                                PETER.

Een samenzweering!.. Ach! wat lot staat mij te duchten!
Van waar? door wien? en hoe? spreek! staak uw angstig zuchten;
Noem mij die monsters straks, indien ze u zijn bekend.

                        WORONZOFF.

Uw voedstervader, vrind...

                                PETER.

                                            Wien meent gij? spreek, volënd’?

                        WORONZOFF.

(905) Uw vriend, graaf Panin, vorst!

                        PETER, eenigzins misnoegd.

                                                            Dit is mijn vriend, mijn vader!

                        WORONZOFF.

Ja, hoofd van ’t vloekgespan; hijzelf is uw verrader.

                        PETER, diep getroffen.

Graaf Panin? hij! de steun, het opperhoofd van ’t rijk!
Hij, die mijn raadsman is, en vader te gelijk,
Hij zou mij trouwloos zijn? zijn’ vorst, zijn’ vriend verraden?
[p. 55]
(910) Neen, zwijg, bezwalk hem niet met zulke gruweldaden;
’t Is hij, ’t is hij alleen van wien ik hulp verwacht.

                        WORONZOFF.

Een vrouw, volleerd in list, heeft hem van ’t spoor gebragt.

                                PETER.

Geen vrouw kon ooit mijn vriend tot een’ verrader maken.

                        WORONZOFF.

Een enkel woord, mijn Vorst! moet al uw twijfling staken:
(915) Mijn zuster Daschkoff, die in schijn graaf Panin acht,
Heeft dit doemwaard’ ontwerp met Odart uitgedacht.
’k Zal u, op dat ge mij niet valschlijk zult verdenken,
Den lijst van ’t schelmenrot in al zijn grootheid schenken,
Graaf Panin, Wolkonskij, beide Orloffs, ’t kerklijk hoofd,
(920) Met Odart, die in ’t hart zich hoogen rang belooft,
Razumoffskij, hoe ruuw, één der doortrapste mannen,
Zien wij met Daschkoff, Vorst! baldadig samenspannen.
Zet dezen wrevlen stoet noch trotschen Gleboff bij,
En zie den waren grond der staatsverraderij.
(925) Dit negental was reeds vóór ’t zonlicht was genaderd,
In ’s graven lustpaleis in ’t heimelijk vergaderd.
Eén uit mijn zusters stoet, die haar heeft vergezeld,
Heeft mij dat boos ontwerp, en schandlijk rot gemeld.

                                PETER.

Wat oogmerk heeft dat rot om schandlijk saam’ te spannen!

[p. 56]
                        WORONZOFF.

(930) De ontzetting van den troon... u uit dit rijk te bannen.

                                PETER.

De ontzetting van den troon ! wat wreed, wat schandlijk lot!
Aan wien heb ik ’t verdiend bij ’t gantsche schelmenrot.
                Na een weinig zwijgens.
Doch neen, neen! ’t kan niet zijn! weg, ijdle harssenschimmen!
Weg, laster! weg, bedrog! ik blijf den troon beklimmen.
(935) Geen Panin is bekwaam, hoe trouwloos men hem noem’,
Dat hij zijn’ voedsterling, zijn’ keizer schuldloos doem’.
En voor wien zou dat rot naar mijne onttroning dingen?

                        WORONSZOFF.*

Uw gemalin, tracht zelf den rijksstaf u te ontwringen,
’t Is zij die, reeds sints lang door boze veinzerij,
(940) De Geestlijkheid, den Raad en ’t Volk kreeg aan haar zij’;
’t Is eindlijk zij wel meest die, stout in ’t pligtverzaken,
U door gansch Rusland poogt verächtelijk te maken.

                                PETER.

Hoe! zij zou ’t monster zijn dat schandlijk mij verraad?

                    WORONZOFF.

Zij, en geen ander, Vorst! was ooit daartoe in staat.
(945) Dus tracht, zo ’t mooglijk zij, uw helden saam’ te roepen;
Ontdek hen ’s lands gevaar, en doe uw Duitsche troepen,
Die gij vertrouwen kunt, op ’t oogenblik ontbiên.
[p. 57]
                                PETER.

Dit kan geenszins zo ras als gij wel denkt geschiên...
Doch waar of Munich blijft? het uur is reeds verstreken.


TWEEDE TOONEEL.

PETER, WORONZOFF, CONSTANT.

                        CONSTANT.

(950) Graaf Goudowitsch verzoekt uw Majesteit te spreken.

                PETER, tegen Constant.

Gelei hem hier. Verterk.


DERDE TOONEEL.

PETER, WORONZOFF.

                        PETER, ter zijde.

                            ,,Graaf Goudwitsch*, eedle ziel!’
,, Kan ’t zijn, dat mij uw deugd niet eer te binnen viel!’’
                        Tegen Woronzoff.
Ga, licht heeft hij dit uur iets wigtigs mij te ontdekken.
[p. 58]
                        WORONZOFF.

Ach! mogt dat wigtig nieuws u tot geluk verstrekken!


VIERDE TOONEEL.

GOUDOWITSCH, PETER.

                        GOUDOWITSCH.

(955) De reên, doorluchte Vorst! dat ik mij herwaarts spoed
Spruit uit een’ stillen kreet, maar die mij siddren doet.
Men mompelt van verraad, men ziet aan alle kanten
Kanon en grof kartouw op markt en wallen planten;
Het krijgsvolk trekt te saam’; de burgerij, ’t gemeen
(960) De Geestlijkheid, de Raad, ’t is alles op de been.
Zelfs hoort men menigwerf bedekt dees woorden uiten:
,, Weg met den laffen Czaar! weg met zijn raadsbesluiten!
,, Hij, die den Godsdienst hoont en ’t recht des volks verkracht,
,, Zij van den troon ontzet, en straks beroofd van magt,’’

                                PETER.

(965) ’t Is dan maar al te waar dat mij die slag zal treffen!
ô Hemel! gij die best mijn rampen kunt bezeffen,
Verlaat mij niet in nood, in onverdiende smart.

                        GOUDOWITSCH.

’t Verraad...

[p. 59]
                                PETER.

                Ik twijfel niet, dus oordeel van mijn hart.
Graaf Panin...

                        GOUDOWITSCH.

                    Ach! mijn Vorst! hijzelf is uw verrader,
(970) Graaf Panin, Daschkoff, zij ... zij brouwden dit te gader.
Dus blijf niet langer stil.

                        PETER, in verwarring.

                                    Wat zal, wat moet ik doen?
Hoe, en naar welk een oord zal ik mijn schreden spoên?
Strek me op deez’ tijd ten vrind ... mijn zinnen, mijn gedachten,
Waar heen ik die ook keer’, zijn uitgeput van krachten.
(975) Stel, stel u in mijn plaats, in ’t dreigende ongeval,
En zeg hoe ik mij best, en spoedigst redden zal.

                        GOUDOWITSCH.

Beleg een’ krijgsraad, Vorst! ontdek dien ’s rijks gevaren;
Doe straks Kalmuk, Cozak, en ’t beste volk vergaêren;
Herstel den adel, prins! deze is ’t die u benijd;
(980) Toon dat ge een vrind van ’t volk, meest die der priestren zijt;
Veins dat van ’t boos verraad noch niets u kwam ter ooren;
Doe zoon en gemalin herstellen als te voren.
Wees minzaam met den graaf, geef hem geen achterdocht;
Zo ’t u gelukt dat gij zijn vrindschap winnen mogt,
(985) Roep dan den Raad bijëen, beraêm daar uw gesprekken;
Tracht dien, van tijd tot tijd uw zwakheid zelf te ontdekken;
Zeg dat gij hebt gedwaald, misleid waart en verblind;
Inmiddels zullen wij, terwijl gij uitstel wind,
[p. 60]
Ons plaatsen aan het hoofd der trouwste legerbenden,
(990) En met verhaaste schreên ons moedig herwaarts wenden.

                                PETER.

Dat kan, dat zal geschiên, ik neem dien voorslag aan:
’k Zal Panin en den Raad mijn zwakheid doen verstaan,
’k Zal Burger, Adelstand en Geestlijkheid herstellen;
Doch gij moet middlerwijl naar grijzen Munich snellen.
(995) Meld hem, bij ’s lands gevaar, dat ik hem spreken moet.
Vervolgens plaatst ge uw volk nabij mijn’ Duitschen stoet,
Genoeg, dat mij in ’t eind’ twee mannen zijn gebleven,
Wier harten mij, in nood, nog blijk van vriendschap geven.
Inmiddels, ’t geen meest prangt in ’t wee dat op mij woed,
(1000) Is dat ik om een vrouw en slaven veinzen moet;
Maar, denk, zo wij ’t gevaar éénmaal te boven komen,
Dat hier ’s verraders bloed niet druplen zal, maar stroomen.

                        GOUDOWITSCH.

De storm lag sints lang gelijk een steen voor ’t hart!

                                PETER.

Met mannen als gij zijt word bui en storm getart.



[p. 61]

VIJFDE TOONEEL.

MUNICH, GOUDOWITSCH, PETER.

                        PETER, tegen Munich, met verrukking.

(1005) ’k Heb u sints lang verbeid; uw afzijn deed mij schroomen.
Hoe is ’t in Petersburg? spreek, wat hebt gij vernomen?

                        MUNICH.

Wij zijn verraden, Vorst! het oproer stijgt ten top;
Het graauw giert langs de straat, voorzien van bijl en strop.
’t Geroep van: "weg den Czaar, lang moet Cathrina leven!"
(1010) Dringt klinkend door de lucht, en doet schier alles beven!
De wachten zijn versterkt, de burcht alöm bemand;
De toegang is bezet, en met kanon beplant;
De Burgers staan geschaard, de poorten zijn gesloten.
Graaf Orloff is aan ’t hoofd der boze vloekgenooten,
(1015) En streeft langs ieder rei, bezield het volk met moed;
,, Triömf! dus schreeuwt hij uit, triömf, mijn heldenstoet!
,, Uw kluisters zijn geslaakt, uw vrijheid is herboren.’’

                                PETER.

Genoeg, ’k voel mij gedoemd om al mijn leed te smooren...
Helaas! waar berg ik mij?... ik zie mij dan verraên,
(1020) Verwezen om het lot van Ninus te ondergaan,
En ’t schimpbeeld in den rei der koningen te wezen!....
Mijn nadrend schandlijk lot is aan den wand te lezen!
Maar Panin mij verraên!...

[p. 62]
                        MUNICH.

                                        Hou moed, mijn Vorst! misschien,
Doen wij dat moorders rot noch siddrend van ons vliên.

                                PETER.

(1025) Ach, vlei mij langer niet, uw hoop rust op geen gronden.

                        MUNICH.

’k Heb reeds een streng bevel naar ’t Holsteins volk gezonden,
Met last van zich in haast naar deze plaats te spoên,
Dus zo gij slechts dit uur één’ stouten stap durft doen,
Door op den muitren stoet heldhaftig aan te trekken,
(1030) Uw volk met moed bezielt, zelf wilt ten voorbeeld strekken,
Dan is ’er hoop voor u, mits ge eerst den burcht bespringt,
Waarmeê men Petersburg nabij de Newa dwingt.
                        Tegen Goudowitsch.
Ga! stel u fluks aan ’t hoofd der Duitsche legerknechten;
Ik volg den Vorst, en zal met u den strijd beslechten.

                        PETER, bedeesd.

(1035) Maar zo die kans mislukt, spreek! werwaarts dan gevlugt?

                        GOUDOWITSCH.

Naar Petershoff.

                        MUNICH, met snelheid.

                        ô Neen, die plaats is niet geducht,
[p. 63]
Die kan geen storm weêrstaan, noch lang beleg verduuren.

                                PETER.

Noch ééns:waar zekerst heen?

                        MUNICH.
                                            Naar Kroonstad, in welks muuren
Wij zeker veilig zijn: ’k had reeds een jagt besteld.
(1040) Dus kan men, zo geen zwaard of vreêverdrag meer geld,
Op ’t veiligst derwaarts spoên: daar vind ge en reeks van vrinden,
Bij wie gij ’t zoet genot der zielrust weêr zult vinden;
Terwijl het sterk dier plaats, gebruikt met kunstbeleid,
Een zekre waarborg is voor uwe veiligheid;
(1045) En de aanhang van uw gaede, u’t wraakzwaard ziende ontweken,
Dringt zelf haar om met u van een verdrag te spreken.


ZESDE TOONEEL.

PETER, MUNICH, CONSTANT.

                        CONSTANT, met ontsteltenis.

Mijn vorst!

                                PETER.

                Hoe dus verbaasd?

                        CONSTANT.

                                            Graaf Panin is gekomen,
[p. 64]
En, met een ongeduld dat hij naauw’ kon betoomen,
Eischt hij, in aller ijl, met u een mondgesprek.

                        PETER, tegen Munich.

(1050) Ach! wat voorspelt die komst!.. Hij kome! en gij, vertrek.
Verricht wat nodig is. Met, hem verdacht te houên,
Wil ik zijn trouwloos hart in eenzaamheid beschouwen.


ZEVENDE TOONEEL.

PETER, PANIN.

                        PANIN, met drift.

Ontzettend, vorst! is ’t nieuws dat ik u melden moet;
Uw gemalin, verzeld van een’ ontelbren stoet,
(1055) Word binnen Petersburg, verwacht in weinige uuren;
En daar men in triömf haar afwacht in die muuren,
Daar ’t krijgsvolk stoutlijk zweert, die niet te wederstaan,
En alles roept dat gij den troon haar af zult staan,
Waar’ ’t, naar mijn inzien, best, daar ge u van elk ziet haten,
(1060) Dat gij ’t gevaar met spoed ontweekt in Holsteins staten.

                                PETER.

Trouwlooze gunsteling! gij geeft mij dan dien raad!
Gij, die een schuldlooz’ vorst de wrok ten prooije laat!
Gij, dien ik als een’ vriend mijn diepst geheim deed weten,
Gij kost in ’t eind mijn gunst, uw vorst, uzelv’ vergeten!
(1065) Verrader! en dat slechts om een trouwlooze vrouw!
[p. 65]
Een vrouw die eer u vloekt dan dat ze u minnen zou,
Een vrouw... Ik wil geen woord meer van haar boosheid spreken.
Genoeg,’er* leeft een Magtdie* ééns mijn leed zal wreken,
Ja, ’t is die Magt alléén, die in ons binnenst ziet.

                        PANIN.

(1070) Beschuldig, zelfs verdenk mij van het misdrijf niet.
Denk, dat ik u sints lang, indien gij ’t wilt bezeffen,
Die stormen heb voorspeld die thans uw’ schedel treffen:
Gijzelf hebt u door weelde, en door uitheemsche pracht,
Door duizend zinloosheên, tot dezen val gebragt.
(1075) Zodra gij naar mijn’ raad niet meer hebt willen hooren,
Zodra hier wet, en recht onzinnig ging verloren,
De Godsdienst wierd bespot, het priesterdom verächt,
Heeft reeds mijn hart u ’t lot van heden toegedacht.

                                PETER.

’t Zij verre dat all ’t gene ik heb als vorst bedreven,
(1080) Den eedlen naam van wijs, en deugdlijk is te geven;
Maar nooit heb ik, heer graaf de Grieksche kerk ontsticht,
Gelijk, tot mijn verderf, nu Godloos word verdicht:
Ik wilde een Geestlijkheid, die ’t volk hier maakt tot slaven,
Beteuglen, en allengs de Grieksche kerk beschaven;
(1085) Dit is geen euveldaad, neen! in één woord gezeid,
’t Is, in den kwaadsten zin, slechts onvoorzigtigheid.
Van achter zie ik klaar, dat die gestrenge vromen
Die ons als tolken van een’ God te voren komen,
Zodra slechts ’t zagst verwijt hen aan den tabbaard raak’
(1090) Hun zaak bemantlen, en verwarren met Gods zaak,
En ras een God van liefde, ons door hen aangeprezen,
Vergeten, om in wraak de hel gelijk te wezen.
[p. 66]
(Dees taal betreft alleen de slechte Geestlijkheid;)
Gij! Panin! die hier ’t recht van huichelaars bepleit,
(1095) Zeg mij, (hebt gij uw schaamte in ’t hart niet gantsch vertreden.)
Wat brave priester last van Peter heeft geleden.
Gij weet op wiens bevel des beeldenstormers hand,
Den tempel en kapel verwoest heeft en verbrand;
En dikwijls deed ik u, (dit moet mijn’ roem verhoogen,)
(1100) Belijdenis dat nooit mijn sober zielvermogen,
Bestendig nut kon zijn voor Ruslands heerschappij:
Gij weet dit, en wat raad gaaft gij, als vrind, aan mij?
Ik zwijg. En nu ik mij in opgehitste staten,
Van vrinden, gemalin, meest van u! zie verlaten,
(1105) Nu schaamte en spijt mij volgt in mijn’ gedreigden val,
Wilt gij dat ik éénsklaps naar Hofstein vlieden zal!

                        PANIN.

Nooit heb ik u misleid, nooit was ik uw verrader;
Noch heden ziet ge in mij een’ waren vrind, een’ vader!
Doch daar het gantsche rijk zich tegen u verzet,
(1110) Daar duizend dolken zijn tot uw verderf gewet,
Daar ’t volk van oost en west zich spoed naar deze stranden,
Om, kunstig aangestookt, dees kusten aan te randen,
En mij geen andre keuze, of uitkomst overschoot,
Dan eene onwisse vlugt, of een gewisse dood.
(1115) Moet ik, in bangen nood, om u en ’t rijk te sparen,
Mij voor de rijksvorstin, ’s volks afgodes, verklaren.

                    PETER, met een scherpe glimlach.

Ik ben dan, naar die taal, u eindloos veel verpligt!

[p. 67]
                        PANIN, met hoogheid.

Ten minste heb ik nooit dan goed voor u verricht.

                                PETER.

Dat blijkt: na dat misschien mij alles word ontnomen,
(1120) Heb ik den vrindenraad, (niet tot mijn eer,) bekomen,
Dat ik, als had ik schuld, naar Holstein vlieden zal,
En leven hoogst verächt in de oogen van ’t heeläl.

                PANIN, met een geveinsd ongenoegen.

Mij smart uw doling, vorst! Is ’t oogenblik van heden,
Een tijdstip om met scherpte in heeten twist te treden?

                        PETER, met scherpheid.

(1125) De twist is zeker dwaas bij een geöpend graf!

                        PANIN, met levendigheid.

Noch ééns, gij baart mij smart, uw wantrouw is uw straf!
Uw gemalin...

                                PETER.

                    Helaas! die steeds mijn’ val bedoelde,
Die nooit den minsten vonk van liefde voor mij voelde,
Die mij gedwongen minde en heimlijk heeft verächt,
(1130) En die mij, in één woord, heeft in ’t verderf gebragt,
Zou, na zij mij volstrekt kon dwingen door haar wenken,
Uit pligt, op uw verzoek, mij gunst en vrijheid schenken!
[p. 68]
’k Ben dwaas zo ik geloof dat dit zou mooglijk zijn.

                        PANIN.

Voor ’t laatst, uw siddrend hart vergaapt zich aan een’ schijn,
(1135) Noch zelfs zult gij deez’ dag naar ’t vreedzaam Holstein keeren.

            PETER, na eenig bedenken, terwijl hij Panin
                        sterk aanziet.

Naar Holstein!..

                        PANIN.

                    Ja, mijn vorst! ,,ik’’ durf u dit bezweeren,

            PETER, uit zijn gepeins, bekomende.

Naar dat genoeglijk oord!..

                        PANIN.

                                        Waar gij in rust welëer...

                PETER, met snelheid.

Ach! zo ik die verwierf, had ik geen wenschen meer.

                        PANIN.

Hoor en bezef dan zelf, of ik u heb bedrogen:
(1140) Naauw’ was de rijksvorstin tot voor den burgcht getogen,
Of ik vloog naar die plaats, verzeld van mijnen stoet,
En naauwlijks, hoe vermoeid, tot hare tent gespoed,
[p. 69]
Stortte ik mij op mijn kniën, en bad haar mij te hooren,
,,Vorstin! dus was mijn taal, gij, die u ziet verkoren
(1145) ,,Tot opperheerscheres van ’t Russisch rijksgebied,
,,Ik smeek u voor mijn’ vorst... verwerp een’ grijsäart niet,
,,Rijs op! dus was haar taal, en meld mij zijn verlangen.
,,De vorst, die door uw komst zijn angstig hart voelt prangen,
,,(Dus sprak ik,) die zich thans verächt ziet en gehaat,
(1150) ,,Daar niemant zijn bevel, of wet meer gade slaat,
,,Staat, duchtende erger smaad dan hem wierd toegedreven
,,Vrijwillig ’t kroonrecht af, bij ’t in uw hand te geven,
,,Mits dat gij hem vergunt, dat hij, en dat terstond,
,,Naar Holstein zich begeev’ van deez’ beroerden grond,
(1155) ,,Weläan! dus sprak zij toen, gij kunt uw’ meester melden,
,,Dat ik mijn hoonend leed geenszins hem wil vergelden.
,,Zeg hem, dat ik zijn beê volleedig toe wil staan,
,,Mits eerst aan mijn bevel door hem zal zijn voldaan,
,,Dat is, zijn eigen hand moet schriftlijk mij doen blijken,
(1160) ,,Dat hij mij zelfs verzocht om naar zijn’ staat te wijken;
,,Vervolgens dat hij mij, den zetel, kroon en staf,
,,Met all’ zijn heerschappij, vrijwillig overgaf.’’
Naauw’ had zij deze taal rondborstig mij doen hooren,
Of ik verliet haar tent, en gaf mijn ros de sporen,
(1165) En met een hart doorgloeid van vreugde en edel vuur,
Rende ik met allen spoed naar dezen bangen muur;
En naauw had ik haar’ eisch met rijpheid overwogen,
Of stelde mij ’t gevaar van weigring klaar voor de oogen,
Dus willende uw verderf met zekerheid verhoên,
(1170) En tevens aan haar’ eisch in dezen nood voldoen,
Heb ik ’t geschrift gesteld, dat u ten borg moet strekken...

[p. 70]
                        PETER, met ongeduld.

Weläan, doe mij den geest van dit geschrift ontdekken.

          PANIN, stelt hem een papier ter hand, dat hij
                met veel verbaasdheid inziet, waarna
                        Panin vervolgt.

’t Behelst niets meer, mijn vorst! dan ’t geen gijzelf beleed,
Ziedaar, lees, en bezef of ik hierin misdeed:
(1175) Het is uw eigen taal, het zijn die eigen woorden
Die wij van u als Czaar, en ook als hertog hoorden.

                    PETER, het geschrift inziende.

Hoe grieft mij schaamte en spijt bij ’t lezen van dit schrift!
Elk woord vervult mijn hart met onuitdrukbre drift.
Ach! ’t geen mij grievendst word in deze omstandigheden,
(1180) Is ’t denkbeeld dat ik niet gantsch schuldloos heb geleden.
Maar, noodlot! is ’t uw wil dat ik dit alles lij!...
Dat ik niet vruchtloos klage, en nutloos morrend zij!
Beheerscher van ’t heelal! beschik mijn dood en leven.
                        Tegen Panin met bedaardheid en nadruk.
Ik zal mijn gemalin, heer Graaf, voldoening geven.

                        PANIN, uiterst* verheugd.

(1185) Driewerf geluk, mijn vorst! dat gij dien bangen strijd,
Die worsteling der ziel, in ’t eind te boven zijt.

                        PETER, met eene wanhopige koel-
                        zinnigheid.

’k Moet toch dit foltrend blad noch ééns met aandacht leezen,
[p. 71]
En zo het waarheid is dat ik niets heb te vreezen...

                        PANIN, met drift.

In ’t minste niet, mijn vorst!

                        (Ter zijde.)

                                          ,,ô Welk een blijde dag!’’
               
                        PETER, leest.

(1190) ,,Daar de onäfhanglijkheid van Ruslands hoog gezag,
,,Een’ rijksmonarch verëischt van ’t schranderst zielvermogen,
,,Die meer door geest dan magt ’s lands bloeistaat kan verhogen,
,,Betuig ik ongeveinsd, als eerlijk menschenvrind,
,,Dat ik in mij die kracht van geest niet ondervind,
(1195) ,,En, ziende in ’t zwart verschiet voorlang daar van de vruchten,
,,Daar mij een bang aanstaande een grooter ramp doet duchten,
,,Verklaar ik, voor Europe, en ’t gantsche Russisch rijk,
,,En voor den Aziäan, ’s rijks volken, te gelijk,
,,Vrijwillig, door geen dwang tot dezen stap gedreven,
(1200) ,,Mijn rechten op dit rijk mijn gemalin te geven,
,,Die door ’s volks handen zelfs als keizerin gekroond,
,,De grootheid van Czaarin de volken heeft betoond;
,,En dat ik door geen magt van vreemde mogendheden;
,,Ooit weder zoeken zal deez’ rijkstroon op te treden.
(1205) ,,Veel minder dat ik ’t volk van Ruslands heerschappij"
,,Door eene omwenteling zal trekken op mijn zij"
,,Daar ik op Holsteins grond als Hertog stil zal leven.
,,Dit schrift is niet alleen vrijwillig onderschreven,
,,Maar ik bezweer daarbij, voor Hemel en heeläl,
(1210) ,,Dat ik ’t geen ik beloofde op ’t heiligst houden zal.
[p. 72]

Hij teekent, en zegelt het papier, waarna hij het Panin
                ter hand stelt, en vervolgt,

Het is gedaan!.. Heer graaf! ziedaar ’t geschrift geteekend,
Geluk voor u, zo ge u daar meê gelukkig rekent!
Verlaat mij, denk voor ’t minst in ’t weedom dat mij prangt,
Dat mijn vermoeide geest een weinig rust verlangt.

                        PANIN.

(1215) Staak, staak dat naar gepeins; staar slechts op Holsteins dreven.
Hoe vreedzaam zult ge eerlang weêr op uw erfgrond leven!
Daar vindt gij, als welëer, na al uw’ tegenspoed,
Uw oude kalmte weêr, dat onwaardeerbaar goed.
Vaarwel, mijn vorst! ’t is tijd, ik moet weêr steêwaarts snellen,
(1220) Om aan de rijksvorstin dit schrift ter hand te stellen.
                    Hij vertrekt, met spoed.


AGTSTE TOONEEL.

PETER, WORONZOFF.

                        WORONZOFF, in de uiterste ontsteltenis.

Helaas! mijn vorst! wat naar, wat schriklijk woest gerucht
Verspreid zich van rondöm! vertoef niet langer, vlugt.
Vlugt, tracht, zo ras gij kunt, het doodsgevaar te ontkomen.

                        PETER, bedaard,

Waaröm? welk een gerucht?... spreek op, wat doet u schroomen?

[p. 73]
                        WORONZOFF.

(1225) Een maer’, dat ge onverwacht den geest gegeven had
Verspreidde zich éénsslags langs burcht, langs strand en stad:
Naauw’ was dat schrikgerucht aan allen kant gevlogen;
Of straks verschijnt een drom soldaten voor mijne oogen.
Ik beefde op dit gezigt!... ik vlieg de voorzaal uit,
(1230) Ik vraag een lijftrawant, wat deze stoet beduid?
Een hoofdman zegt dat hij, op dringende bevelen,
Aan zijne Majesteit iets wigtigs meê moet deelen.
Naauw’ heeft hij dit gezegd, of ik vlieg herwaarts heen;
De lijfwacht volgt mijn schred, doch, slechts met trage schreên.
(1235) Dus vlugt, mijn dierbre vrind! voldoe aan mijn verlangen,
Men komt! ik hoor gerucht... men komt... gij zijt gevangen!
Helaas!

                        PETER, met grootmoedigheid.

            Ik vlugt niet, neen! een vlugt heeft schijn van schuld;
Ik ben mijn lot getroost, en wacht dat met geduld.
Geen onverdiende schande, of duistre grafspelonken,
(1240) Ontnemen mij een kalmte aan ’t hart dit uur geschonken.
’k Heb zetel, kroon, en staf, vrijwillig afgestaan,
En dus aan ’t jongst bevel der rijksvorstin voldaan.

                        WORONZOFF.

Is haar dit reeds bewust?

                                PETER.

                                    Zo niet, haast zal zij ’t weten.

                        WORONZOFF.

Door wien?
[p. 74]
                    Door Panin.

                        WORONZOFF.

                                        Hoe! die schelm dorst zich vermeten...


NEGENDE TOONEEL.

PETER, WORONZOFF, LIJFWACHT.

                        LIJFWACHT.

(1245) Een officier, mijn vorst! verzoekt bij u gehoor.

                        WORONZOFF, ter zijde.

,,Hoe schriklijk klinkt mij ’t woord van officier in ’t oor!".

                        PETER, tegen de lijfwacht.

Gelei hem hier.

                        De lijfwacht vertrekt.

                        WORONZOFF.

                    Helaas! wat lot staat ons te duchten!

                                PETER.

Bedwing toch uw gekerm... wat baten hier thans zuchten.



[p. 75]

TIENDE TOONEEL

PETER, WORONZOFF, PASSICK.

Vier soldaten, die den ingang bezetten. Passick stelt den
Czaar een’ brief ter hand; deze opent dien, met drift,
en loopt dien, onder eene sterke beving, vlugtig door.
Op de beschouwing dat Woronzoff zijne siddering
bespeurt, tracht hij zich te herstellen, en treed,
met eene grootmoedige houding op haar toe,
zeggende, met een doffe stem.

                                PETER.

Vaarwel! mijn Woronzoff! ’t bijéénzijn is ten end’!

                WORONZOFF, hem in de armen nemende,
                            en uitbarstende in tranen.

(1250) Waarheen, mijn zielvrind!... spreek!

                PETER, zich van haar willende
                        losrukken.

                                                            Dit is mij onbekend.

                WORONZOFF, in de uiterste vertwijfling.

Gij wilt mij dan ontvliên! u! ijlings van mij scheiden!

                                PETER.

Ik moet, ik kan, of mag niet langer hier verbeiden.

[p. 76]
                        WORONZOFF, in woede.

Weläan’ dan volg ik u! niets, scheid mij van u af.
’k Braveer met u ’t gevaar, en stort met u in ’t graf,

                                PETER.

(1255) Gij kunt, gij moogt dit uur mijn schreden niet meer volgen.

                WORONZOFF, in vertwijfling, de oogen
                        naar om hoog slaande.

Gerechte Hemel!... Gij, zo wreed op ons verbolgen!...
Waaröm niet eer het vuur van liefde in mij verdoofd,
Of mij mijn besten vrind mijn halsvrind nooit ontroofd!
                        Tegen Passick.
Helaas! gij, man van eer! ziet zonder wenende oogen...
                Zij stort zich wanhopende aan zijne voeten.
(1260) Ontferm u over mij, wees met mijn lot bewogen.
Voor u in ’t stof verneêrd, verheerd door zielverdriet,
Smeek ik u, ach! ontruk mij toch mijn’ halsvrind niet.
Kunt gij geen oogenblik die scheiding uitstel geven?
Licht aan dit oogenblik hangt onzer beider leven:
(1265) Graaf Panin, dien gij reeds hebt op den weg ontmoet,
Is tot zijn voorspraak reeds naar ’s rijksvorstin gespoed;
Hier kan in weinig tijd voldoenend antwoord wezen.

                        PASSICK, ongeduldig.

De vorst weet thans zijn’ pligt... en heeft mijn’ last gelezen.

                                PETER.

Volvoer uw’ pligt, mijnheer!

[p. 77]
Passick doet eenige treden achterwaarts; op zijn wenk,
verdubbelt zich de lijfwacht, aan den ingang,

                        WORONZOFF, aan zijne voeten.

                            Kunt gij mijn klagt weêrstaan!

De Czaar plaatst zich tusschen de soldaten; Woronzoff, met
de uiterste woede, zich tusschen de dreigende bajonetten
werpende, en met de grootste wanhoop
uitbarstende:

(1270) Barbaaren! ’k leefde om hem!... ’k wil ook met hem vergaan.

Einde van het derde Bedrijf.

Continue

[p. 78]

VIERDE BEDRIJF.

EERSTE TOONEEL.

Het Tooneel verbeeld een prachtige zaal, in ’t paleis van den
Czaar Peter, te Petersburg. In het verschiet is een
luisterrijke troon. De Keizerin verschijnt, onder een
prachtig krijgsmuzyk, verzeld van Gregorius en
Alexis Orloff, Munich, Panin, Edelen,
Geestelijken, en verderen hofstoet. En na twee-
maal het Tooneel te zijn rond gegaan, plaatst
Catharina zich op den troon. De verdere
stoet plaatst zich, halve maansgewijze,
om denzelven.

                        CATHARINA.

Doorluchte vriendenrei! Beschermers van de kroon!
Van vaderland, van wet, van Godsdienst, en den troon!
Aan u, ô heldenstoet! ben ik mijn heil verschuldigd;
Door u zie ik mij thans op Ruslands troon gehuldigd,
(1275) Door u is ’t dat dit rijk als uit zijne asch herrijst,
Daar Rus en vreemdeling uwe eedle pooging prijst;
En daar elk bij mijn’ komst door blijdschap word gedreven,
Daar ’t al herhalend roept: Lang moet Cathrina leven!"
Zal ik niet slechts dit uur mijn danbre hulde biên,
(1280) Maar all’ wat aêmt zal zich door mij gelukkig zien.
Ziedaar met welk een wit ik de oppermagt aanvaardde;
’k Wil dat ik die verdiene, in ’t aanzien van heel de aarde,
’k Wil dat ge uzelv’ bedankt voor ’t goed dat ik ontfing;
[p. 79]
Eéns word’ wat gij mij schenkt, uw grootste zegening.
(1285) Van ’t bar Kamschatka af, langs ’t uiterst van het Noorden,
Tot grooten Peters stad, en ’t Zuid van Newaas boorden,
Van Laplands Noordhoek af, tot daar de Euxinus woelt,
En met zijn golvend nat Crimeäas strand bespoelt,
Zal alles ééns den staf der Moscovieten eeren!
(1290) Kom, onbezweken volk! gij moet de volken leeren
Hoe mannen, door een vrouw, tot eere en bloei geleid;
Zich grootsch verädelden door de eer haar toebereid.
U, Panin! die sints lang ’s lands last droeg op uw’ schouder
Sints lang ’s rijks schutsheer waart, en tevens stedehouder,
(1295) U zij, voor alle uw zorg en onäfmatbre vlijt,
Hier de eerste post van staat pligtmatig toegewijd.
En daar gij ’t beste weet, met wat ondraagbre rampen
Een arm en schuldloos volk, sints jaren, had te kampen,
Zij u gelast dat gij, van ’t oogenblik afäan,
(1300) Zo verr’ mijn scepter reikt, alöm zult doen verstaan
Dat zij die om ’t geloof als balling moeten zwerven,
Hun have, goed en bloed, ja, alles moesten derven,
Zich zien van ramp verlost, op dat zij, weder vrij,
Herleven door geluk, en juichen nevens mij;
(1305) En om de heilbanier door ’t gantsche rijk te planten,
Verëer de priesterschaare als blijde vreêgezanten,
En dat, in ’t kort gezegd, na eeuwen noch dees dag
Een feestdag zij, om ’t heil gevloeid uit mijn gezag.
Help mij, door wijzen raad, vooräl mijn zorg besteden
(1310) Ter achtingwinning van uitheemsche mogendheden:
Ik wil dat elk van hen, bekoord door mijn beleid,
Mij dubbel waardig acht’ den glans der Majesteit.

                        PANIN, met aandoening.

De gunst waar door ik mij zo glansrijk zie verhogen,
[p. 80]
Perst mij, doorluchte vrouw! een tranenvloed uit de oogen;
(1315) Doch ik zal mij alleen daar door gelukkig zien,
Wanneer mijn hart mij zegt, dat ik uw gunst verdien’.

                        CATHARINA.

Mijn hart zegt dit aan mij. Lang blijft ge in ’t rijk verheven!
                Tegen den Aartsbisschop.
Gij, Novogorod! groot, in uw geheele leven,
Gij, die getrouw uw kudde als herder hebt geweid,
(1320) Het nut van Godsdienst meest door voorbeeld hebt bepleit,
En, door geduld in ’t wee, geleên om onze altaren,
Ons ’t edel merk deed zien der eerste Christenscharen,
Gij hebt, op ’t loflijk spoor van grooten Jojadad,
Voor de eer der kerk met ons het roer van staat gevat;
(1325) Gij hebt als Kerklijk hoofd doorluchtig uitgeblonken;
Thans zij u door mijn hart de naam van vrind geschonken.
Vergeet uw ballingschap in schaduw van den troon;
De gunst van uw Vorstin vergoede u al uw hoon;
En daar dit aan uw’ rang meer luister bij zal zetten,
(1330) Wees steun van mijn gezag, en kerkelijke wetten:
Een edel geestlijk hoofd, dat trouw zijn pligt betracht,
Is de eerste en sterkste zuil der waereldsche oppermagt.

                        NOVOGOROD.

Mijn geest, ontgloeid van vreugd, en schier aan ’t aardsche onttogen,
Ziet thans met u den glans der Grieksche kerk verhoogen.
(1335) Vorstin! mijn zwakke tong...

                        CATHARINA.

                                                Genoeg, mijn vrind! genoeg.
[p. 81]
                        Tegen de beide Orloffs.
Heldhaftige Orloffs! gij, die duurzaam spade en vroeg,
Om strijd in uwe trouw zo grootsch hebt uitgeblonken,
U zij den rang van graaf tot dankbaarheid geschonken.
                Tegen Gregorius Orloff, in het bijzonder.
Raadgevend’ en voor mij niet min uitvoerend vrind!
(1340) Mijn dank zij de eerste vrucht van ’t naauw’ aanvaard bewind,
Meest door uw’ geest en moed mij ziende in ’t rijk gehuldigd,
Ben ik u noch één blijk van dankbaarheid verschuldigd.

Nadat zij hem met het Ridderteeken van Sint Alexander
Newskij heeft omhangen, en den veldheersstaf heeft ter
hand gesteld, welke beide door een’ Edelman, op
haar wenk, zijn aangebragt.

Ontfang, voor ’t oog van ’t hof, bij uwen Gravenstand,
Dit Ridderlijk sieraad, ten dank, van mijne hand.
(1345) Volleerd in krijg, daar niets uw stoutheid kan vertsagen,
Zij u den Veldheersstaf van Rusland opgedragen.
Zorg, nooit volpreezen held! als ge u in ’t veld vertoont,
Dat elk Cathrina dank’ dat ze u dus heeft beloond.
                Tegen Munich, met eene geveinsde verwondering.
Heer Maarschalk!.. hoe! gij hier?!.. in deze omstandigheden!
(1350) Ik weet, gij hebt altijd met heldenmoed gestreden;
Maar ik herdenk uw trouw voor hem die ’t rijk verloor!

                        MUNICH, met fierheid.

Juist straalt mijn eerlijk hart thans in mijn stoutheid door,
Vorstin! ’t Was Fedrowitz die mij herriep in ’t leven,
Na mij Elizabeth als balling had verdreven,
(1355) Naar ’t bar Siberiën, om mijn te vrijë trouw.
’k Spreek vrij, de vleierij mishaagt uw oor, mevrouw!
Ik ben door Fedrowitz als uit mijn graf herrezen;
[p. 82]
Vorstin! kan ik daar voor den vorst ondankbaar wezen?
Verdiende een redding uit een twintig jarig leed,
(1360) Dat ik mijn pligten niet aan ’s rijks monarch voldeed?
Neen, van een monarchin als gij, durf ik verwachten,
Dat ze om mijn dankbaarheid en stoutheid mij zal achten,
Naardien zij denken kan, en billijk denken moet,
Dat ik mijn trouw voor haar kome aanbiên met mijn bloed.

                        CATHARINA.

(1365) Gij dwingt mij, grijze held! uw eedle trouw te prijzen,
Blijf lang in mijnen dienst die zelfde trouw bewijzen.
                Terwijl zij hem ter handkusch toelaat.
Treê nader; veldmaarschalk! Ik scheld u alles kwijt.
                Tegen de bevelhebbers der Lijfwacht.
Ook u, mijn heldenstoet! zij mijne gunst gewijd,
Gij, die u, als om strijd, voor mij in ’t harnas stelden:
(1370) U, zal ik voor uw’ dienst in rang en staat vergelden.
Weläan! gij die zo trouw hebt voor mijn heil gewaakt,
Zo noch dat zelfde vuur u in den boezem blaakt,
Wie uwer duurzaam wenscht om in den dienst te leven,
Die ziet zich thans tot rang van Capitein verheven;
(1375) Doch zijn ’er onder u van langen dienst verzaêd,
Begeerende in mijn rijk den stillen landmans-staat,
Die blijve aan Nevaas boord; daar vind hij tot belooning,
Een goed stuk vruchtbaar land, voorzien van have en woning.
Voor ’t ovrig’ moet dees dag ter vreugde zijn bestemd;
(1380) En op dat alle twist voor eeuwig zij gedempt,
Moet burger, en soldaat, veréénd met de officieren,
Verbroederd door een feest, den dag van heden vieren.

[p. 83]
                DASCHKOFF, zich voor den troon neder-
                        stortende.

Doorluchte rijksvorstin! wier gunst ik hoog waardeer,
Sla uw ontfermend oog op al mijn maagschap neêr,
(1385) Spaar, spaar, om mijnentwil, mijn zuster en mijn vader.

                CATHARINA, die haar ter handkusch
                        wenkt.

Rijs, dierbre Daschkoff! rijs! ’k vergeef het hen; treê nader.
                Tegen Odart, die naast Daschkoff staat.
En, gij mijn eedle vrind! wiens waarlijk schrandre geest,
Geduurende al mijn ramp, mij is van dienst geweest,
Ook u zij thans de post van hofraad opgedragen;
(1390) En daar uw liefdeband op ’t hoogst mij kon behagen,
Voer, op dat hier uw echt te luisterrijker zij,
Voortaan in ’t huisbestier van ’t hof de heerschappij.
Uw scherp vernuft zal licht u verder doen verhogen.

                        PANIN, ter zijde.

,,En ik zal, na hunn’ echt, te meerder hopen mogen.’’



[p. 84]

TWEEDE TOONEEL.

CATHARINA, TEPLOFF, PANIN, NOVOGOROD.

                        CATHARINA,* Teploff ziende naderen, ter zijde.

(1395) ,,Wat zie ik! Teploff hier? met een ontsteld gelaat!’’
                Tegen Teploff; van den troon tredende.
Zeg ons hoe ’t onder ’t volk dit uur geschapen staat.

                        TEPLOFF, in verlegenheid.

Vorstin! een woest gerucht, dat ons het ergst doet vreezen,
Schijnt op éénmaal de leus tot moord en wraak te wezen:
,,De Czaar, dus luid de kreet, van snood verraad beticht,
(1400) ,,Is door een vloekgespan uit zijn paleis gelicht.’’
Het krijgsvolk mort en bromt, het graauw slaat reeds aan ’t muiten;
Matroos, met slaaf veréénd, wil zelfs de poorten sluiten;
De Duitscher scheld den Rus voor monster, voor gedrocht,
En zweert hij heeft zijn vorst voor sterken-drank verkocht;
(1405) Doch daar zij wederzijds zich tot een aanval schaeren,
Doet Razumoffskij fluks de benden saam’ vergaêren,
Valt op den muitren aan, en spreekt dees stoute taal:
,,Bedaart! of ziet uw hoofd ten prooije aan ’t wrekend staal!
,,Wie zegt u dat de Czaar gevangen is genomen?
(1410) ,,Of liefst, wat is uw wit? wat doet u samen komen?’’
,,Wij willen, schreeuwen ze uit, den vorst, Czaar Peter zien.’’
,,Wel nu! hervat de held, dit kan terstond geschiên.
,,Ga, Teploff! snel naar ’t hof, en meld hun jongst verlangen’’.

[p. 85]
                        CATHARINA, verlegen.

Wat, Panin! in den nood hier veiligst aangevangen?
(1415) Mijn hart...

                        PANIN.

                Bedaar, Mevrouw! men kan hier aan voldoen.
Ikzelf zal mij terstond naar ’s keizers lusthof spoên,
En licht hem binnen ’t uur aan ’t morrend volk vertoonen.

                        CATHARINA, ter zijde.

Dit wierd vergeefs beproefd..."Hoe zal ik mij verschoonen"!

                        PANIN, verwonderd.

Gij zegt: "vergeefs"!

                        CATHARINA.

                    "Helaas!"

                        PANIN.

                            Wat is ’er dan verricht?

                        CATHARINA.

(1420) De Vorst is vóór één uur in stilheid opgelicht.
En door een sterke wacht naar Mopsa opgezonden.

                        PANIN, met gevoeligheid.

Naar Mopsa! Hemel! hoe?... dus ’t heilig woord geschonden!
[p. 86]
Naar Mopsa? Uw gemaal!... die u de kroon en staf,
Alleen op mijn verzoek, gewillig overgaf!
(1425) Vorstin! waartoe die daad?

                        CATHARINA, met geveinsdheid.

                            Wat is ’er toch misdreven?
Ik zal hem, daar gij ’t wilt, zijn vrijheid wedergeven;
Doch red, red, mij! toch eerst: stel ’t krijgsvolk weêr in staat;
Ga ’t muitend graauw te keer... Misschien is ’t reeds te laat!...
Blijf, blijf niet langer, vlieg! gij moogt mijn woord vertrouwen.

                        PANIN.

(1430) De vorst?...

                        CATHARINA.

                Het volk zal hem, zelfs binnen kort, aanschouwen.

                        PANIN.

Weläan! dan zult ge ook ras het oproer zien gesmoord.
Ga, Teploff! meld aan ’t volk all’ wat gij hebt gehoord.
                        Tegen de andere Bevelhebbers.
En gij, ô helden! gaat: doe ’t krijgsvolk samen komen,
En plant, om ’t muitend graauw hun drift te doen betomen,
(1435) Geschut op markt’ en plein, sluit allen toegang af.
                        Tegen Munich.
En gij, held Munich! waard’ der Russen legerstaf,
Gij, die u ziet geächt bij hof en volk te gader,
Strek in dit hachlijk uur de rijksvorstin ten vader.
Voor ’t ovrig kwijt’ zich elk getrouw van eed en pligt;
[p. 87]
(1440) En opdat mijn bevel te beter word’ verricht,
Zal ik mij zelv’ aan ’t hoofd der stoutste krijgsliên stellen.

                        NOVOGOROD.

Laat mij, getrouwe graaf! u op den togt verzellen.
Het kruisbeeld in mijn vuist, werkt op den woesten man
Meer dan een oorlogsbende, en ’t moedigst eedgespan.

                CATHARINA, wenkt allen om te vertrekken, behalve
                        aan de beide Orloffs


DERDE TOONEEL.

                CATHARINA, DE BEIDE ORLOFFS.

                        CATHARINA.

(1445) Wat dient in dit gevaar, nu door ons ondernomen?

                        G.ORLOFF.

Eén snelle slag alleen doet ons ’t gevaar ontkomen.
Een vorst van ’t rijk ontzet, en door een wacht bewaard,
Is slechts een slang die wrokt, ter wisse wraak gespaard.

                        A. ORLOFF.

Ten minste is bij een volk van aart licht tegenstrevig,
(1450) Het rijksgebied altijd aan schokken onderhevig,
Als de afgezworen vorst, noch leeft voor één partij.

[p. 88]
                        CATHARINA.

Ik merk dan dat zijn val mij vest’ in heerschappij...
Maar zal ik mijn bestier met dezen stap beginnen?
En zal ik door dien slag Europaas achting winnen.

                        G. ORLOFF.

(1455) Zo u die achting meer dan’t rijk ter harte gaat,
Vorstin! pleeg met uzelve in ’t hagchlijkst tijdstip raad:
Europe ziet u thans op Ruslands troon verhogen,
En wat uw vriendschap zoekt, sluit op al ’t ovrig’ de oogen.
Wat raakt het toch de Spré, den Donau, en Euxijn,
(1460) Langs welke wegen gij hier zult gevestigd zijn,
Zo zij slechts rekening bij uwe vriendschap vinden?
Het staatsbelang is ’t al: een koning heeft geen vrinden.

                        A. ORLOFF.

Gij steegt door moed, vorstin! ten toppunt van geluk,
Zorg dat het duurzaam zij, door noch één heldenstuk.
(1465) Beschouw uw’ waren staat: een volk vol misvertrouwen,
En weiflende op elk stap, wenscht zijn’ monarch te aanschouwen;
Indien men hen voldoet, men geeft een liefde kracht
Die door de staatkunde is slechts half ten val gebragt;
En schriklijk is ’t voor u, wanneer die mogt herleven:
(1470) Zie dan dien gij onttroonde op nieuw ten troon verheven,
Zie dan uw zoon ontërfd, daar voor uzelf gewis
Niets dan gevangenis, of slachtbijl ovrig is;
En Iwan, die sints lang zijn lievling schijnt te wezen,
Uit zijn gevangenis ten voet des troons gerezen,
(1475) Bekleed den hoogen rang van uw’ ontërfden zoon,
Ten spijt der Grieksche kerk, den Moscoviet ten hoon,
[p. 89]
Wiens eens ontwaakte woede uw’ naam zelfs zal verfoeijen,
Op ’t hooren dat de vrouw die alles kon doen bloeijen,
Besluitloos in beraad, niets inziende in ’t verschiet,
(1480) Den volksbloei in haar hand zo flauw verdorren liet;
Daar Woronzoff, in gunst door u weêr aangenomen,
Vernederd door van u genade te bekomen,
Haar’ minnaar dwingen zal, dat hij aan u verricht’
’t Geen gij aan hem moest doen, waartoe u nood verpligt.
(1485) Uw zeker lijfsgevaar...

                        CATHARINA, éénsslags uit een diep gepeins
                            bekomende.

                        Behoort mij te overreden,
Ik weet het; maar doordenk mijn hofs-omstandigheden.
Zo ik geen hoven heb in gantsch Euroop te ontzien,
’k Heb in mijn eigen hof een eedgespan te ontvliên.
Gij zaagt wat drift de ziel van Panin reeds beroerde,
(1490) Slechts om dat ik den vorst in ’t heimelijk vervoerde;
En waar vervalt zijn toorne in ’t eind niet zeker toe,
Indien ik hem bedriege, en aan uw’ drang voldoe?
En Daschkoff, die hij mint, spijt Odarts huwlijksbanden,
(Mijn staatsverhoging ziende als ’t werkstuk zijner handen,)
(1495) Scherpt licht het fijn vernuft van haaren Italiäan,
Om Panin in de wraak behendig bij te staan.
Men moet den graaf ontzien!

                        A. ORLOFF, met onstuimigheid,

                            Men moet den graaf doen vrezen...
In ’t kort, all’ wat gij vreest moet hier misdadig wezen.
Onze eeerste pligt is zorg voor eigen veiligheid.

[p. 90]
                        G. ORLOFF.

(1500) Vorstin! tot uw behoud is alles voorbereid:
Een klein getal van stoute en mij getrouwe vrinden,
Heeft een verdichte maare alöm geloof doen vinden;
Dat ’s lands monarch, zodra de wacht hem had verrast,
Door zwaare kramppijn wierd gevaarlijk aangetast.
(1505) Die list voorkwam ’t ontwerp door mij met spoed besloten,
En ’t moet van werking zijn bij al de vloekgenooten,
Wier wispelturige aart hen weêr brengt aan uw zij,
Zodra men ’t voedsel mist der dolle muiterij.
Maar wat wil deze wacht?


VIERDE TOONEEL.

CATHARINA, DE BEIDE ORLOFFS, EEN LIJFWACHT.


                        DE LIJFWACHT.

                        Eén der Cozaksche benden,
(1510) Die met den grootsten spoed zich herwaarts scheen te wenden,
Eischt, met een heete drift, dat hij de graven spreek’.

                        CATHARINA.

Hij koom’!

                        De LIJFWACHT vertrekt.

                        G. ORLOFF.

            ’t Gaat vast, dat hem ’s volks ware toestand bleek.
Schep moed, vorstin! gewis hij wierd ons toegezonden,
[p. 91]
Door één’ van hen die zich aan mijn belang verbonden.
(1515) Maar wat bericht hij brenge, om ’t wis gevaar te ontvliên
Moet ge enkel op belang, niet op uw vrienden zien.


VIJFDE TOONEEL.

CATHARINA, DE BEIDE ORLOFFS, RAZIN.

                        A. ORLOFF.

Mijn Razin! hoe! gij hier? hoe is bij ’t volk gelegen?

                        RAZIN.

De maer’ van ’s vorsten krankte is ruchtbaar langs de wegen,
En slaat de menigte, in den wal alöm verspreid,
(1520) Waarheen men oogen sla, met zigtbre moedloosheid;
En daar de kroonwacht moed, en eedle trouw doet blijken,
Doet ’s Bisschops hoog gezag alöm den muitren wijken.
Mijn Hetman zend mij hier, op dat ik u bericht’,
Dat toch de vorst vooräl niet koom’ voor ’s volks gezigt;
(1525) En heden, om ’s volks hoop den laatsten slag te geven,
Verspreid men dat den vorst gerukt is uit het leven.

                        G. ORLOFF.

Vlieg! stel uw opperhoofd en al ons volk gerust.
Zodra in Petersburg het muitvuur is gebluscht,
Zal ik en zijne trouw, en de uwe grootsch vergelden.



[p. 92]

ZESDE TOONEEL.

CATHARINA, DE BEIDE ORLOFFS.

                        G. ORLOFF.

(1530) Wel nu, Vorstin! gij hoort wat onze vrienden melden:
Uw schranderheid doorgronde in dees gesteltenis,
Hoe hoogst gevaarlijk zelfs des keizers kerkring is.
U toont een gunstig lot wat gij hebt aan te vangen.
Bedenk, bepeins, kan ’t zijn, opmerkzaam uw belangen.
(1535) ’t Is beter dat een vorst, tot redding van zijne eer,
Een onderworpen, een gekluisterd volk regeer’,
Dan dat een vrij gemeen baldadig op hun rechten,
Hem noodzaak’, tot hun heil, hen bloedig af te vechten,
Tref, door een’ grooten slag, den ruwen Moscoviet;
(1540) ’t Is meer dan tijd, vorstin!... maar hoe! gij antwoord niet?

                        CATHARINA.

Mijn hart, onzeker, weegt mijn’ toestand en uw rede.

                        G. ORLOFF, met een woest ongeduld.

Uw zekerheid verëischt één snelle en stoute schrede;
Zo dwaze onzekerheid u noch van moed berooft,
Vertrouw mijn krijgsmans arm, en broeders vondrijk hoofd.
(1545) Mijn geest, tot uw behoud en glorie aangedreven,
Is woest, maar tot uw heil! gij moet mij dit vergeven.
Uw zekerheid verëischt om rustig toe te slaan.

[p. 93]
                        CATHARINA, met scherpheid.

’k Wil noch één oogenblik mij met mijzelf beraên.
Ik voel, zo wel als gij, waartoe ik word gedrongen;
(1550) Maar gij voelt de angsten niet waardoor ik word besprongen.
Uw stoutheid hitst u aan; maar ’t voegt een hart als ’t mijn’,
Bij vlug en onvertsaagd, hoogst welberaên te zijn.

                        Einde van het vierde Bedrijf.

Continue


[p. 94]

VIJFDE BEDRIJF.

EERSTE TOONEEL.

Het Tooneel verbeeld een kamer, op het slot te Mopsa. In
het midden hangt een ouderwetsche en flaauwschijnende
lamp. Ter rechterzijde des Tooneels staat een
Veld-Ledikant, waaröp de Czaar gele-
gen is.

PETER, CONSTANT.


                        PETER, dromende.

Neen, Panin! kan, of zal zijn’ halsvrind nooit verraên...
Hijzelf heeft me immers vrij den aftogt toegestaan....
(1555) ô, Holstein! lieflijk oord! vol lommerrijke dreven,
Hoe kalm zal ik eerlang weêr in uw schaduw, leven.
Ja, daar zal ik natuur in vrede gade slaan,
En, met een blij gemoed, op roozenpaden gaan...
Op uw geliefden grond ontlook mijn levensmorgen,
(1560) Eéns rust mijn assche in u, ontheft aan aardsche zorgen.
Och! ware ik reeds... Laat af!.. wat woeste moordharpij
Kruipt, met een’ valschen lach... wat monsters nadren mij!
Met schrik ontwakende, en opspringende, terwijl Con-
                        stant verschijnt.
Maar hoe! van waar die droom! die nare angstvalligheden!...
Welk een geraamte en schim vervolgen steeds mijn schreden!
(1565) Waar ben ik?... is mijn asch reeds met het stof veréénd?
Of knaagt de grafworm reeds het vleesch van mijn gebeent’,
[p. 95]
Ik leef... noch klopt mijn hart. Maar hoe! wie komt mij stooren?
Wat schorre donderstem brult mij van verre in de ooren?
Wat zie ik! Hemel! neen, neen monster! vlied, ja vlied!
(1570) Verzwelg den gifdrank zelf dien gij mij lachend’ bied...
Ook gij, gedrocht! laat af, den moorddolk op te heffen;
Spaar, spaar dit angstig hart, dat duizend dolken treffen.
Neen! schreeuwt gij, neen!... Weläan! stoot toe, zie hier mijn borst,
Verdoof’ uw’ helschen brand in ’t bloed waar naar gij dorst.

                        CONSTANT, met tederheid.

(1575) Bedaar, geliefde vorst! gij hebt geen leed te schroomen.
Keer tot uzelv’, kan ’t zijn; verban die bange droomen,
Die slechts uit overmaat van rampen zijn ontstaan.

                        PETER, noch in bedwelming.

Van waar die zagte stem?... wie is met mij begaan?

                        CONSTANT.

Kent ge uw’ Constant niet meer, die u is bijgebleven?

                        PETER, hem herkennende.

(1580) Zijt gij’t? mijn Constant! gij... behoeder van mijn leven!
Hoe koomt gij hier toch? vrind!... maar hoe! gij schijnt ontsteld.
Spreek, waardste Constant! spreek, wat houd uw tong bekneld?
Verberg mij niets. Ach! spreek: van waar die snelle ontroering?

                        CONSTANT.

Uw bange worstling, vorst! uw sterke drift vervoering,
[p. 96]
(1585) Uw woeste razernij, dat naar verwilderd oog,
Waarmeê de ontwaking u den arm des slaaps onttoog,
En telkens door een kreet vol siddring wierd vervangen,
Zie daar den grond, mijn vorst, der angsten die mij prangen.

                                PETER.

Herstel uw geest, ô vrind! verzet uw angst en smart,
                Met een verwilderd gelaat.
(1590) Maar wat gedrocht stiet mij den dolk in ’t schuldloos hart!

                        CONSTANT.

’t Was droom, geen sterveling heeft u het hart doorstoten.
De zagte slaap had naauw’ uw treurend oog gesloten,
Of een verwarde droom, vertoonde uw brein de dood;
En daar gij, in het einde uwe oogen half ontsloot,
(1595) Spraakt gij van moordharpij en scheent de dood te vrezen,
Eénsslags zijt gij daarna van ’t rustbedde opgerezen,
Geschokt door angst, de vrucht van al uw’ tegenspoed,
Van een benepen hart, en ’t zwaar verdikte bloed.

                                PETER.

Genoeg, ik hoor met walg en innerlijk ontroeren,
(1600) Hoe verre een doolend brein mijn’ geest van ’t spoor kon voeren.

                        CONSTANT.

’t Is menschlijk, ’t was een droom, mijn vorst! niets dan een schijn.

                        PETER, om zich heen ziende.

Maar, Constant! zeg mij toch in welk een oord wij zijn.

[p. 97]
Ik kon door ’t zwaare leed, door al mijn tegenspoeden,
Zelfs tot dit tijdstip toe, mijn aanzijn naauw’ bevroeden!

                        CONSTANT.

(1605) Wij zijn te Mopsa,vorst!...

                        PETER, verschrokken.

                            Te Mopsa!... Hemel! ach!
Thans zie ik in ’t verschiet den naderenden slag.
ô Gij, die ’t all’ vermoogt! Hoe! gij, gij kost gedogen
Dat ik in dees spelonk, aan alle hulp onttogen,
Ter prooi sta aan all’ ’t geen de staatzucht dienstig acht,
(1610) Om haar ontworpen wit gerust te zien volbragt...
Doch ’k wil niet morren, neen, ’k zal moedig ’t leed verduuren:
                        Na een weinig tusschenpozing.
Ach! Constant! is ’er niets in deze bange muuren,
Daar thans mijn hart, versmacht, ter lessching van mijn dorst?

                        CONSTANT, met levendigheid.

Spreek, zeg wat gij begeert, ik zal u dienen, vorst?

                                PETER.

(1615) Ach! had ik slechts wat vocht, dit zou mijn hart verkwikken.

                        CONSTANT.

Weläan! toeft slechts een wijl. In weinige oogenblikken,
Zal ik u, op dees plaats, een hartversterking bien,
Waar door ge uw’ dorst gelescht, uw’ geest verkwikt zult zien.



[p. 98]

TWEEDE TOONEEL.

PETER.

Welk een verheven ziel! wat waarlijk edel harte!
(1620) Van ’t gansche hofgezin deelt hij slechts in mijn smarte.
Daar is dan buiten glans door toeval aangebragt,
Noch edelheid die niet ontspruit uit ons geslacht!
Ja, ’t is de deugd alleen die edel is te noemen;
Zelfs in den laagsten staat dwingt zij ons haar te roemen.
(1625) Aan ’t hof is dat zij ’t minst een’ waaren vrind ontmoet;
Schaars kent een koning haar, dan in den tegenspoed.
Te weinig in ’t gewoel, verknocht aan hooge staten,
Aan deugd bespiegeling en aan zichzelv’ gelaten,
Van vleijers steeds omringd, en omgeleid door schijn,
(1630) Kan een monarch schaars mensch, vrind en weldadig zijn.
ô Vorsten! ziet op mij: leert, leert uw zwakheid kennen.
Gij zaagt mij onbedacht het lastig staatsros mennen,
En, met het beste hart voor ’t menschelijk geslacht,
Stuif ik ten zadel uit, zie mij niet slechts verächt,
(1635) Maar, bij wat adem schept, beticht met gruweldaden,
En zelfs door gemalinne en vrinden wreed verraden.
ô Noodlot! waaröm toch mij in deez’ staat gesteld?...
Maar heeft niet Iwan mij ’t geen nu gebeurt voorspeld?
Deed hij mij niet dees rede in zijn gevangnis hooren:
(1640) ,,In weinig tijds, mijn vorst! gaat all’ uw glans verloren,"
Waaröm voorzag ik niet wat nu bewaarheid is?...
Hoe! zuchtend, streng bewaard in een gevangenis,
Baldadig weggevoerd, uit hof en rijk verbannen,
Aan ’t all’ ontrukt; behalve aan slaaven en tirannen...
[p. 99]
(1645) Wat hart kan dit weêrstaan? Helaas! het mijne niet.
Maar, Hoogste Ontfermer! die op all’ wat ademd, ziet,
Gij, gij alleen kunt mij die eedle sterkte geven,
Om grooter in de dood te wezen, dan in ’t leven;
Schenk, och! schenk mij die gunst; en wat ik onderging
(1650) Zij in mijn uiterste uur voor mij een zegening.
                        Na een weinig zwijgens.
ô Nacht! thans legt gewis een aantal arme slaven,
Bij uwe duisterheid, als in de rust begraven!
Geliefde nacht! ô Gij!... gij voedstervrouw der rust!
Wat waart gij menigmaal mijn zoetste hartelust?
(1655) Hoe dikwijls heeft uw schoon mij aan den slaap onttogen?
Hoe dikwijls was uw tooi zielstreelende aan mijne oogen?
Dat flonkrend diamant, langs ’t schitterend’ blaauw verspreid...
Elk oogenblik was mij een stip van zaligheid!
Ja, mijn bevredigd hart, aan staatszorg toen ontheven,
(1660) Doorgloeid van Hemelsch vuur, scheen boven ’t aardsch te zweven;
Naauw’ steeg ik op den troon, of alles was voorbij;
Dit uur zelfs zijt gij wreed!... Maar Constant nadert mij.


DERDE TOONEEL.

PETER, CONSTANT.

                CONSTANT, verschijnt, met drift,
                            houdende in zijne hand
                            een beker.

Ziehier een laafnis, vorst!...

[p. 100]
                PETER, met gretigheid den beker aangrij-
                        pende, en na gedronken te hebben.

                            Ach! gij, hergeeft mij ’t leven.
Welk een verkwikking, vriend! wat dank moet ik u geven?

                        CONSTANT.

(1665) Geen. Ik heb dit bereid. Mijn pligt verëischt mijn trouw.
Ik hoopte dat dees teug uw hart verkwikken zou;
Gij waart eertijds voor mij weldoener, en beschermer.

                                PETER.

En thans, ô keer van ’t lot! thans zijt gij mijn ontfermer
En meer dan ooit, mijn vrind!’’

                        CONSTANT.

                            ,,Constant,’’ en ’t is reeds goed.
(1670) Maar zeg mij, wat uw oog dees traanen storten doet?
Is dan standvastigheid uw ziel geheel ontweken?

                                PETER.

Uw eedle deugd, uw trouw, zo zigtbaar mij gebleken,
Vermeestren thans mijn’ geest.

                        CONSTANT.

                            ’k Heb immers niets verricht,
Mijn weldoende opperheer! dan ’t voorschrift van mijn pligt.

[p. 101]
                                PETER.

(1675) Ik ben uw vorst niet meer; ik ben door ’t lot verstoten.
Zie mij beneden u, en uwe lotgenoten.
Uw waarlijk eedle ziel verheft u aan mijn zij’.
Kom, dierbre Constant! kom, en plaats u nevens mij.
Omhels me, en wees niet meer mijn lotgenoot, maar broeder.

                        CONSTANT, in de uiterste vervoering.

(1680) ô Lot! waar trof uw schicht ooit opperheer verwoeder!...
Waar ben ik?... is ’t ook schijn?...een prins drukt me aan zijn borst!

                                PETER.

Gij zijt veel eedler mensch dan menig oppervorst.
Och! ware ik in uw’ staat, en nooit voor ’t rijk geboren!
Ook deed de menschlijkheid mijn hart hare inspraak hooren:
(1685) Ik was rechtvaardig; maar de wreede hofharpij
Ziet zulk een’ man met schrik in de oppermonarchij.
De deugd van ’t wuft gemeen ontgaat wel ’t oog der Grooten,
Maar schaars word burgerdeugd door burgers wreed verstoten;
En, schoon ze al word vervolgd met schimp of haatlijk woord,
(1690) Zij word toch selden ’t prooi van kerkerhol, of moord.

                        CONSTANT, met schrik.

Vorst! zie ten venster uit, wie ons gesprek komt stooren.

                                PETER.

Onmenschlijke Orloff!...
[p. 102]
                        Na een weinig zwijgens, in wanhoop.
                        Och! uw halsvrind is verloren:
’k Zie Teploff en met hem een omgekochte wacht...
Ziedaar den laatsten slag door ’t lot mij toegebragt.


VIERDE TOONEEL.

PETER, ALEXIS ORLOFF, TEPLOFF.

                        ORLOFF, met levendigheid.

(1695) Triömf! mijn vorst! triömf! de God der krijgsbanieren
Doet eindlijk Fedrowitz doorluchtig zegevieren.
’t Mijne en mijn broeders hart, hoe haatlijk ’t u ook zij,
Ontslaat zich eindlijk van gedwongen veinzerij.
Gij ziet u niet alleen op nieuw ten troon verheven,
(1700) Maar elk roept als om strijd: lang moet de keizer leven!
Daar ’t volk, waaräan men thans geen wederstand kan biên,
Met onbegrijpbre drift, zijn’ opperheer wil zien.
,,De Czaar, dus luid de kreet, moet weêr den troon betreden,
,,De Czaar moet weêr hersteld in al zijn heerlijkheden.
(1705) ,,Met recht draagt Fedrowitz des grooten Peters naam.
,,Dat zijne goedheid ééns all’ wat hem haat beschaam’.’’
Dus is ’t in Petersburg, dit deed ons herwaarts spoeden.
Wilt gij nu gemalinne en zoon voor ’t volk behoeden,
Gij kent den Moscoviet; van dronkenschap niet vrij,
(1710) Waagt gij, zo ge ons niet volgt, de stad aan moorderij,
Wij hebben ’t woest gemeen behendig voorgeslagen,
Om, zo het slechts dees nacht zich wil bedaard gedragen,
Hen morgen met den dag hunn’ keizer aan te biên.

[p. 103]
                PETER, in de grootste verwondering.

Ik sta niet slechts verbaasd door u bij mij te zien,
(1715) Die alles hebt bestaan om wreed mij te onderdrukken,
Dien ik als bron beschouw van al mijne ongelukken;
Maar weet volstrekt niet wat ik hier van denken moet...

                        ORLOFF, met snelheid aan zijne voeten.

Ik val niet om mijzelv’, mijn keizer! u te voet;
Eischt gij, voor veinzerij uit hoogen nood bedreven,
(1720) (Mits ik u zie hersteld), mijne en mijn broeders leven,
Spaar hem noch mij, mijn vorst! maar zie mij hier geknield,
Alleenlijk door de zucht die mij tot u bezield.
Uw gemalin, al ’t rijk, was wreed op u verbolgen,
’t Was onrecht; maar ik moest alleen dien landstroom volgen,
(1725) Wat kon één man alleen?... Doch waartoe tijd gespild!
Uw goedheid kan den staat thans redden, zo gij wilt;
En gij zult in de stad geen twee getrouwer vrinden,
(Verdenk ons, zo ge wilt), dan de Orloffs voor u vinden.

                        PETER, hem met mededoogen be-
                        schouwende, ter zijde.

,,Onmooglijk is die man bekwaam tot huichlaarij!

                Tegen ORLOFF.

(1730) Sta op, en zeg mij klaar wat van de waarheid zij.

                        ORLOFF.

Schoon rust u nodig is, ’k zal alles u doen weten.
[p. 104]
Naauw’ was uw gemalin op Ruslands troon gezeten,
Of éénsslags wierd een kreet langs straat en markt gehoord.
Men riep: ,,ô Burgerij! de keizer is vermoord;
(1735) ,,Wraak! wraak!..’’ waarschijnlijk heeft een buitenlands vermogen,
Vertrouwende op uw magt in ’t hevig oorelogen,
Door zendelingen ’t volk dus aan uw zij’ gebragt.
Ik spoed mij uit het hof, maar vind mij door een wacht
Besprongen, die mij zegt: ,,zijt gij geen landverrader,
(1740) ,,Zeg ons, waar is de vorst? waar is die burgervader?’’
Ik juichte, om ééns den last der veinzerij te ontvliên,
En sprak: ,,op morgen zult ge uw’ keizer weder zien,
,,Mijn kindren! Weest bedaard. Gij zult den vorst aanschouwen.
,,Gij kent mij, en gij moogt op Orloffs woord vertrouwen.’’
(1745) Toen vloog ik ijlings naar ’t reeds bevend hofgezin,
Daar ik het all’ ontdekte aan uwe gemalin;
En zij, op wier gelaat de doodverf was te lezen,
Sprak: ,,Orloff! gij alleen moet thans mijn redder wezen:
,,Vlieg, doe terstond den vorst den nood der stad verstaan,
(1750) ,,En toon hem dat ik ’t volk uit nooddwang heb voldaan.
,,Een huislijk geschil kon ons welëer verdeelen,
,,Maar Ruslands toestand eischt dat wij die breuk straks helen.
,,Wat heeft hij aan mijn bloed? vlieg derwaarts, dierbre vriend!’’

                                PETER.

Het zij dan dat zij al, of niet ’s volks haat verdient,
(1755) ’k Geloof u, en daar ik weêr ben ten troon gerezen,
Wat volksvrind ik ook ben, ’t volk moet nooit rechter wezen:
Wie voor de beste zaak hen wapens stelt ter hand,
Geeft tevens hen het zwaard ten dienst van ’t onverstand;
’t Volk is een Reuzenbeeld, ’t heeft grof gespierde leden,
(1760) Maar ’t harssenvat is kindsch, schaars vatbaar voor de reden.
[p. 105]
Op gistren, waarde vrind! was ’t woedend’ tegen mij,
Op heden, volgens u, is ’t weder aan mijn zij’.
Doch daar de koningen niet vrij zijn van gebreken,
(Gelijk dit bleek aan mij,) laat ons van ’t volk niet spreken.
(1765) Voor mij, door toorne ontzind, zwoer ik in drift de dood
Aan all’ wat mij weêrstond, meest aan elk’ deelgenoot;
Maar ’t waarlijk edel hart, ééns van zijn’ toorne ontheven,
Helt, daar de ontferming spreekt, tot weldoen en vergeven,
En ’t ongeluk heeft recht om van den eedlen man
(1770) Te vordren, dat zijn hart de onëedle wraak verban’;
Schoon Raad en Geestlijkheid verwoed is saamgespannen,
Schoon ik mij zag onttroond, mishandeld en gebannen,
Zal ik, om zo veel hoon en onverdiende smart,
De minste weêrwraak voên, in mijn gefoltert hart.
(1775) Omhels mij; verr’ van u, of eenig mensch te deeren,
Zal ik, als vader, weêr naar Ruslands rijksstad keeren.

                        ORLOFF, met verrukking hem de
                        hand kussende.

Nooit had ik andre taal van een’ monarch verwacht,
Die om zijn goedheid zelf wierd in ’t verderf gebragt.
Driewerf gelukkig land, waar koningen regeeren
(1780) Die van den tegenspoed de grootheid konden leeren!

                                PETER.

Alexis! spaar dien lof: ik leerde een mensch te zijn,
Zorg slechts voor de afreis, eer het zonlicht ons beschijn’,

                        ORLOFF.

’t Is all’daar toe bereid; doch vóór van hier te scheiden
[p. 106]
Versterk u aan een’ disch, dien ik deed toebereiden,
(1785) En dat in allen haast. Ik achtte u afgemat,
Begrijpend’ dat uw hart versterking nodig had.

                                PETER.

Ik dank uw tedre zorg, ze is edel in mijne oogen;
Doch denk dat Petersburg geen uitstel kan gedoogen.
Voer straks den disch hier aan, dewijl ’t zo wezen moet.
(1790) ’k Verkleed mij midlerwijl, en keer met allen spoed.


VIJFDE TOONEEL.

ORLOFF, TEPLOFF.

                    TEPLOFF.

Ik sta verzet, heer graaf! dus de achterdocht benomen...

                        ORLOFF.

Het spel door ons gewrocht zal haast ten einde komen.
                Een flesje vertoonende.
Zie hier het middel, vrind! dat tot de ontknoping leid.

                        TEPLOFF, een’ dolk ontblotende.

Of anders zie deez’ dolk, ten uwen dienst bereid.
[p. 107]
(1795) Hou één van ’t volk gereed om naar de stad te trekken,
En ’t slot van dit tooneel terstond aan ’t hof te ontdekken,
Op dat het wuft gemeen, als ’t Peters einde hoor’,
Hun woeste razernij in schrik en deernis smoor’.

Het tooneel verändert in een priëel van den tooren. Door
de open vensters vertoont zich de starrenhemel, het flaau-
we maanlicht en de toppen der boomen. Twee van
Orloffs gevolg plaatsen een’ toebereiden disch
van achter het tooneel op den voorgrond.


ZESDE TOONEEL.

DE VORIGEN.

                        ORLOFF.

Ziedaar de laatste spijs die Peter zal ontfangen.
(1800) Hoe pijnigt alles hier mijn uitgerekt verlangen!
Och! waar’ het middel dat zijn leevensdraad verkort,
Reeds met behendigheid hem door de keel gestort!

                        TEPLOFF.

Zo luid niet, waarde graaf! een muur heeft somtijds ooren.

                        ORLOFF.

Geen nood! mijn offer komt, en is gewis verloren.



[p. 108]

ZEVENDE TOONEEL.

ORLOFF, TEPLOFF, PETER, CONSTANT.

                        ORLOFF.

(1805) Weläan, mijn vorst! neem plaats. De tijd eischt waarlijk spoed.

                        PETER, met zwaarmoedigheid.

De lust is nimmer groot in ’t lang gedrukt gemoed.
Mijn hart, hoe gij daar ook den schrik tracht uit te weeren,
Is binnen Petersburg, om rampen af te keeren.

                        ORL0FF.

Verban die zorg toch nu. Kom, plaats u aan den disch,
(1810) En neem een weinig spijs, die hartverkwikkend is.
Laat mij uw lijfärts zijn... Dit zal uw geest versterken.
        Hij legt eenige spijze op het bord van den Czaar.

                                PETER.

Een lijfärts baat niet, zo natuur niet meê wil werken.
                        ORLOFF.
Natuur wil door den arts wel eens bemoedigd zijn.

                PETER, legt het hoofd in de hand en ver-
                    valt in eene diepe peinzerij; dit
                    tijdstip neemt Orloff waar, om
                    het venijn in ’s Keizers beker te
                    storten, waarna hi jvervolgt:

’t Versterkend’ van de spijs, ’t verfrisschend van den wijn,
[p. 109]
(1815) En uw bewustheid, vorst! van onverdiend te lijên,
Zijn voor uw’ toestand wel de heilrijkste artzenijen.
Vergeet uw’ ouden ramp in ’t aangenaam verschiet,
Dat u van verre op nieuw den gouden scepter bied,
Met grooter glans en praal, ô Keizer! dan te vooren,
(1820) Ziet ge u op Ruslands troon, ten tweede maal verkoren!

                                PETER.

Is ’t all’ ten togt gereed? bij ’t scheiden van de nacht?

                        TEPLOFF.

’t Is alles in der ijl ten aftogt saam’ gebragt.
Het heil van deze reis zij hartelijk gedronken.

Na zijn eigen beker gevuld te hebben, vult hij dien van
                        den Czaar.

                        ORLOFF.

Uw naderend geluk moet u in vreugd ontvonken...
(1825) Maar vorst! de tijd eischt spoed, wij moeten eindlijk voort.

                        PETER, den beker opnemende.

Daar mij uw ijver en uw vrindenzorg bekoort,
Zij u mijn dank gewijd.
                    Hij drinkt den beker ledig.
                        Op ’t welzijn dezer landen,
In hoop dat ééns hunn’ heil het werk zij mijner handen,
En wijze en brave raad voortäan mijn leidsman zij,
(1830) Nam ik dees vrindenteug van uwe hand tot mij.

[p. 110]
                                ORLOFF, met verrukking.

Die strekke u tot geluk, na ’t sterken uwer leden!

                        TEPLOFF.

Dees nanacht stelt een perk aan uw rampzaligheden.
Zie’t flonkrend starrenlicht: het wenkt ons tot den togt;
Dees nacht schijnt tot de reis door ’t noodlot uitgezocht.
(1835) Een enkle teug noch, vorst! versterke op nieuw uw harte.

                        PETER, met teekenen van pijn.

Wat vuur ontsteekt mijn borst! onlijdelijke smarte!...
Ik zie uw vrindschap nu, en mijne heerschappij.
De pijn verdubbelt... Och! mijn Constant! nader mij.

                CONSTANT, wil met drift het vertrek verlaten, doch word
                        door TEPLOFF tegen gehouden.

Niet éénen voet van hier, of ’t staal zal u doen sneven.

                        CONSTANT.

(1840) Weläan, barbaar! stoot toe, ontruk mij ’t haatlijk leven.
Mijn grootste foltering is u te moeten zien!
Help!...

                        TEPLOFF, hem doorstotende.

            Dat uw moed’, uw’ prins eerlang in ’t helvuur dien’.

[p. 111]
                        CONSTANT, den geest gevende.

God!...

                        PETER, in de hevigste pijnen.

            Monsters!... ’t Was dan noch te weinig in uwe oogen
Dat ik de Zweedsche kroon om Ruslandsrijksvermogen
(1845) Verlaten moest, daar ik u allen kennen leer!
Gij stort mij van den troon, bezwalkt alöm mijn eer.
(Dit pijnigt mij verwoedst,) verraad me, ontrukt mij ’t leven:
En doet mijn’ laatsten vrind, onnoslen Constant, sneven.
Maar...

                Met stemverheffing.

            Ik vergeef het u... ô God! ontfang mijn’ geest.

                        TEPLOFF.

(1850) Geluk, doorluchte graaf! ons offer is geweest.

                        ORLOFF.

Ik hoor gerucht. De wacht komt naar dees kamer streven,
Doch durft geen morrerij aan ons te kennen geven,
Daar ik bevelen kan. Kom, volg mij, laat ons gaan;
De wacht zal ons vertrek in ’t minst niet wederstaan.

Zij vertrekken, door een’ uitgang ter zijde, terwijl een
officier, met eenige wachten, met brandend toorts-
                        licht binnen treed.

[p. 112]
                        DE OFFICIER.

(1855) Van waar dat naar gekerm? van waar dat pijnlijk klagen!
ô Hemel! ’k zie den vorst en Constant wreed verslagen.
Mijn vrienden! dat men zwijge en last van ’t hof verwacht.
Wat gruwlen zijn uw vrucht? verraderlijke nacht!

                            EINDE.

Continue

Tekstkritiek:

vs. 485, Korff er staat: Korf
voor vs. 938, WORONSZOFF er staat: WORONSZOF
p. 57, GOUDWITSCH er staat: GOUDOWITSCH


Ceneton
Voorkeurenpagina Opleiding Nederlands