Petrus Anthonius de Huybert van Cruyningen: De vermiste molenaar. Kluchtspel. Amsterdam 1713.
Uitgegeven door Jennifer van den Akker.
Red. dr. A.J.E. Harmsen, Universiteit Leiden.
Ceneton064420Ursicula
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.

Continue

[fol. π1r: frontispice]



[fol. π1v: blanco]
[fol. π2r: titelpagina]


DE

VERMISTE

MOLENAAR.

KLUCHTSPÉL.

[Vignet: Per gradus ad scientiam].

TE AMSTERDAM,
________________________________________
Te bekomen by de Erven van J. LESCAILLE, D. RANK,
en H. VAN DER GAETE, enz. op de Middeldam.

Met het Octroy van N.V.A. 1713.


[fol. π2v]

WAARSCHOUWING.

    Geene Exemplaaren worden voor réchte Drukken erkénd, dan die met de gedrukte Titelprént, én het Zinspreukplaatje, beide door BERNARD PICART, geëtst én gesneeden, voorzien zyn.



[editie-1714, fol. π2v]

WAARSCHOUWING.

    Geene Exemplaaren worden voor réchte Drukken erkénd, dan die met de gedrukte Titelprént, én het Zinspreukplaatje PER GRADUS AD SCIENTIAM, beide door Bernard Picart, geëtst én gesneeden, voorzien zyn.



[fol. π3r]

BERÉCHT.

DEwyl, geduurende myn laatst verblyf te Amsterdam, ieder een de mond vol hadde, van het Kluchtspél de VERMISTE MOLENAAR, en verwonderd was, dat het, schoon al lang te vooren, door de Heeren Regénten van het Weez- en Oude-mannenhuis, om te speelen, aangenomen, niet ten Toneele gevoerd wierdt: en ik my door hun vreemdt gedrag, hier omtrent gehouden, in ’t byzonder, belédigt vindt, achte ik my verplicht den Liefhébberen in ’t kort de gansche zaak te verhaalen; met een aan hun oordeel, of aan dat van alle bescheidene menschen, laatende, of zulke genoemde Bestierders van eenen Schouwburg verdienen, dat men hén, ten dienste der Armen, Stukken verëere, en daar moeite aanhange, waar voor men naauwelyks van de Regénten eens, of ooit bedankt wordt: want zy achten niet, dat men hén, en de Godshuizen hier door verplicht; maar dat een’ Dichter dienst gedaan wordt als zy Regénten, (die, ter goeder trouwe, alles gelooven wat hén van hun Suppoost Directeur gezegt wordt) den Dichteren de eere aandoen van door hunne tréflyke Speelers, helaas! hun Spél te doen vertoonen. Waarlyk eene belachlyke ongehoorde verwaandheid, die genoeg wederlégt wordt in de Opdragt van AGRIPPA, Treurspél, door het weêrgadeloos Kunstgenootschap NIL VOLENTIBUS ARDUUM, waar van eerlang een nette én verbéterde Druk, ten dienste der Kunstkenneren, wéder met de gemelde Opdragt voorzien, staat n ’t licht te komen. En gelyk men daar in kan zien, hoe schóts het in dien tijd toeging, kan ik mey eenen ook verzékeren (trouwens dt weet ieder genoeg: want zy Regénten klaagen zelf, dat zy geen volk kunnen trekken) dat het nu nog veel slimmer gaat.
    Die lust heeft, leeze de twee bondige Waarschouwingen, den Regénten der Godshuizen in de jaaren 1693. en 1694. door wylen den Hr. Michiel Elias, gedaan, waar in men onder andere staaljes, in de 2e. pag. zien kan, hoe ondankbaarlyk zy het genoemde Kunstgenootschap, voor alle hunne diensten en voordeelen, den Armen toegebragt,door het weigeren van ’t Récht der Lootjes, beletting van vryen opgang, en duizend andere on- [fol. π3v] burgerlyke bejeegeningen meer, (die minder den Regénten als hunnen eersten Suppoost te wyten zyn) beloond hebben: Maar tot de zaak. Al eenen geruimen tyd voorleeden bood ik dit genoemde Kluchtspél aan, ’t geen, naa de Reveu, gelyk men zegt, van dat respective Collegie gepasseert te hebben, aangenomen wierdt: maar te gelyk my ook verzocht het by de Erven van J. Lescaille, te laaten drukken: waar op ik antwoordde, dat dewyl ik ’er veele kosten aan Kunstprénten, enz. aan gedaan hadde, myn voorneemen was, zulks op myne eigene kosten te laten doen; maar dat ik echter, (buiten verplichting,) uit heuscheid voor den Regénten, den naam der bovengemelde Erven daar op zoude stellen, gelyk geschied is.
    Maar toen nu ’t Kluchspél, behalven de Opdragt, enz. afgedrukt was, bragt ik hen zelf een afdruksel, om het daar uit te doen rolleeren. Hier hadden zy weder wat tégen, en klaagden dat het zo veel kósten zou (wy weeten béter) alle de Rollen uit te doen schryven, en ik naar hun zeggen, ieder Speeler een boekje, om daar uit te leeren, behoorde te geeven, ’t welk ik, om redenen, te langkwylig om hier te melden, niet willende toestaan, eindelyk verkreeg, dat zy de Rollen, door hunnen Tooneel-meester, zouden doen uitschryven, ’t geen na lang talmen geschied zynde, wierdt het stukjen den 4en. van October, 1712. in myn byzyn voor de eerste maal geprobeert, en de Rollen door de Speelers tégen het boek geleezen.
    Thans verliep ’er een geruimetyd, eer ik, denkende dat het reeds geleerd wierdt, en haast vertoond zoude worden, daar weêr na omzag. Maar eindelyk hoorende, dat door de Regénten beslooten was, het niet te doen speelen voor zy het voorwerk afgedrukt gezien hadden, en den Speeleren ook belast was het leeren zo lang te staaken, konde ik niet laten myne verwondering hier over aan eenige Heeren van aanzien, die my na het Spél vroegen, te betuigen; my beklaagende, van de hoovaardige eenzinnigheid, en de belachlyke inbeeldingen, welke die goede Heeren door hunnen heerschzuchtigen knéchtmeester, worden ingeboezemd, als of een Dichter verplicht waare, zyne Opdragt, Voorréde, enz. voor het uitgeeven, hén, of hunne gedeputeerde Visitatores, eerst te laaten zien.
    Naderhand werdt my berécht, dat het gansch kluuwen hier aan [fol. π4r] vast was, dat hun Suppoost, bang zynde dat ik in de Voorréde op zyn gedrag, en op veeler Spélen, en onder andere op de zyne veel zoude te zeggen vinden, hen had weeten wys te maaken, dat ze, tot ophouding kwanswys zyner eere, verplicht waaren eerst te zien, wat ’er van was. Ik ontken niet, dat in de Voorréde van eenige kreupele en eléndige vertaalde prullen, als den Vrék, den Starrekyker, ’t School voor de Jaloerschen, den Burgerlyken Edelman, Krispyn, Poeët en Officer; den Onbedreeven Minnaar; of diergelyke Beuzelgrollen, hachlyk iets gemeld had kunnen worden; naar wat raakt dat de Maakers in ’t byzonder? Een slecht Rymelaar kan somtyds wel een eerlyk man zyn, en zo als ’t my vry staat, Spélen van anderen over den hékel te haalen, kan élk die wil, zonder my te belédigen, zulks met de myne ook doen. Maar hier wrongt men Heer PLUIMER de schoen niet, en hy vreesde dat ik mooglyk verëeringkjes, en andere oude koeijen uit de sloot zoude ophaalen, ’t welk ook by nader geleegenheid wel mogt te pas komen.
    Maar deeze hinderpaal wierd, door het aflaaten der gewaande Voorréde, uit den wég genomen; en ik zond den 31en. van October des avonds, Elf Boekjes aan de Regénten; naa dat ik alvorens, (om te toonen dat ik my hunne ongegronde begeerte niet wilde onderwerpen) in de Courant had doen zetten, dat het Stukje te bekomen was. Zy verzochten my, toen juist in de Schouburg zynde, eens by hen te willen komen: maar denk eens, hoe verwonderd ik was, als ik hoorde, dat zy ’t liedje van verlangen zoekende, zeiden, dat ik myn woord niet gehouden had; dewyl hen door my toegezegt was het Kluchtspél by de Erven van J. Lescaille te laaten uitgeeven, en zy daar nu de naam van Hendrik van de Gaete op den Tytel by gevoegt zagen, ’t welk streed tégen de resolutie genomen ter gelegenheid van het speelen van Sesostris, waar by, naamelyk de Heeren Regénten hadden geconstitueert en geresolveert, dat geene Spélen, hoe schoon, of hoe doorwrocht, doch by hun Drukster niet uitgegeeven zynde, de eere zouden hebben van op hun Tooneel gebragt te worden; en dat zy derhalven, daar mogt van komen wat het wilde, zo dit niet verändert wierdt, ’t myne ook zouden moeten laaten leggen. Ik zeide hén hier op voor eerst, dat een Poëet overal, en van al- [fol. π4v] tyd vry stondt, waar hy wilde zyne Wérken te laaten drukken en verkoopen; dat ik wel beloofd had den naam der meergemelde Erven daar op te stellen; maar nooit dat ik ’er geen andere by voegen zoude. Dat ook het Stukje aangenomen was voor dato hunner respective zo genaamde genomene Resolutie, welke (gelyk zéker voornaam Heer, onlangs aartig zeide,) de Regénten, tot elks onderrécht aan de Poort des Schouburgs behoorden aan te doen plakken; en dat dit, dienvolgende, een zeer frivole exceptie was, enz.
    Zy antwoordden my, dat hunne Vergadering, Collegie, wil ik zeggen, niet compleet zynde, zy het den naast volgenden vergaderdag, dat is Vrydag ’s noens, hunne Collegaas zouden voordraagen, en als dan daar over delibereeren. Dus scheidde wy van malkanderen, tot dat ik voor myn vertrek naar den Haag, willende weeten wat zy in den zin hadden, noch eens by hen ging. Zy zeiden volstandig by hun voorneemen te zullen blyven, en dat de unanime resolutie van hén, die een Collegie formeerden, moest opgevólgt worden; maar dat de Erven van J. Lescaille de ganschen Druk misschien wel zouden willen koopen, en dan den tytel naar hunnen zin veränderen, van welke gefingeerde praatjes, daar ik in ’t uitgaan om lachte, tot noch toe niets geworden is, noch ooit iets van worden zal.
    Dus hebben zy hun oogwit, van ’t Kluchtspél niet te speelen, bereikt; waarom ik geensins rouwig bén, naardien ik niet anders daar van had kunnen te gemoet zien, dan het al mede ’t beklaaglyk lot van alle goede nieuwe Spélen zoude hebben moeten ondergaan, en op eene beschreijelyke wyze gerabraakt worden.
    Zie daar nu, Leezer, een gedeelte der Historie van deezen VERMISTEN MOLENAAR, die sedert verscheidene maalen zeer kunstig, met veel toeloop, en tot elks genoegen, in den Haag, en te Leiden, vertoond is; en ik laate u zelf Rechter zyn, of my door de Regénten onheusche behandeling, om my tégens hunne koude bygebragte schynrédenen te verweeren, dit noodzaakelyk Berécht niet afgedrongen is.

        ’sGraavenhaage,
Den 2en. in Februari, 1713.
P.A. DE HUIBERT,
        Heer van Kruiningen.



[fol. 2π1r]

COPYE van de PRIVILEGIE.

De Staaten van Holland ende Westvriesland, Doen te weeten, Alzo ons vertoond is by die van het Konstgenootschap NIL VOLENTIBUS ARDUUM, tot Amsterdam, hoe dat zy Supplianten, op ’t voorbeeld van Italiaansche, Engelsche, en Fransche Academiën, voor veele Jaaren, met zorg, moeiten, en ongemeene kosten, hun Kunstgenootschap hadden opgerecht tot opbouwing en voortsetting van de Nederduitsche Taale en Dichtkonst; ten welken einde de Supplianten, en hun Konstgenootschap, door ons op den 14e. van Maart, 1692. was begunstigt by continuatie van hunne voorgaande Privilegie of Octroy, om geduurende den tyd van vyftien Jaaren, alle hunne Werken, en die derzelver Léden, als toen reeds gemaakt, gedrukt, en ingevolge van tyd verder te maaken, te drukken, herdrukken, uit te geeven, en te verkoopen, en zulks by uitsluiting van alle anderen, onder wat pretext, dat het ook zoude mogen weezen, alleen te mogen drukken, herdrukken, uitgeeven, en verkoopen in zodaanigen formaat, en Taalen, als het de Supplianten geraaden zoude vinden, en dat op zulke straffen, of peenen voor de Contraventeurs als breeder by ’t voorgaande Octroy uitgedrukt stond. En dewyl de gemelde Onze Privilegie op den 14e. deezer Maand Maart, stont te expireeren, en zy Supplianten gaarne in hunnen arbeid en yver zouden volharden, en groote onkosten hadden gedaan, dagelyks doen, en vervolgens doen zouden, onder andere met het uitgeeven van eene Nederduitsche Grammatica, gelyk ook met hunne werken te vercieren met titelprenten, en andere kopere kunstplaaten, en Muzykstukken, naar vereisch der zaaken: En beducht zynde, niet zonder reden, dat eenige baatzoekende Menschen, op de eene of andere wyze, tot ontluisteringe hunner werken, en groote schade en nadeel der Supplianten, hen daar in zouden zoeken de onderkruipen, met hunne werken in ’t geheel of ten deelen, met, of zonder het Muzyk, ende kunsttitels, en andere prenten na te doen maaken, drukken, verkoopen, of verruilen, vinden de Supplianten zich genootzaakt haar wederom te keeren tot ons, verzoekende dat het onze goede geliefte mogte zyn, de Supplianten met onze privilegie als boven gemeld te begunstigen voor den tyd van Vyftien eerstkomende Jaaren, om geduurende den zelven tyd alle de voorschreven werken, in zodanigen formaat en taale, reeds gemaakt, gedrukt, en ingevolge van tyd verder te maaken, alleen te mogen drukken, herdrukken, uit te geeven, en te verkoopen, en zulks by uitsluitinge van alle anderen, onder wat pretext dat het ook zoude mogen weezen, en dat op zulke straffen en peene, en Confiscatie van alle zodanige nagedrukte Exemplaaren, tegens de Contraventeurs te stellen, als wy zouden achten te behooren, en vereischt te zyn, ten einde de Supplianten in toekomende mogen erlangen volstrekter effect van ons voorschreeven Octroy, als zy tot noch toe hadden genoten, ter zaake van baatzuchtige lieden, [die]* niet tegenstaande onze voorige verleende Octroyen, haar niet hadden ontzien verscheiden van ’s Kunstgenootschaps werken en derzelver Léden, te [fol. 2π1v] hebben doen nadrukken, en de Contraventeurs daar over door de Supplianten niet gecalangeert, en in rechten betrokken waaren, om in geen zwaarder kosten te vervallen, als de boeten als toen daar op gestelt hadden kunnen goed maken. ZO IS ’T, dat wy de zaaken en ’t verzoek voorschreeven overgemerkt hebbende, en genegen weezende ter beede van de Supplianten uit onze rechte wetenschap, Souveraine magt en Authoriteit dezelve Supplianten geconsenteert, geaccordeert en Geoctroyeert hebben, Consenteeren, Accordeeren, en Octroyeeren mits deezen, dat zy geduurende den tyd van vyftien eerst achter een volgende Jaaren, alle de voorschreeven werken by continuatie binnen de voorsz. onze Landen alleen zullen mogen drukken, uitgeeven en verkoopen, verbiedende daarom alle en een ygelyken alle dezelve werken in ’t geheel of ten deele naa te drukken, ofte elders naa gedrukt, binnen dezelve onze Landen te brengen, uit te geeven of te verkoopen; op de verbeurte van alle de naargedrukte, ingebrachte, ofte verkochte Exemplaaren, en een boete van drie hondert guldens daar en boven te verbeuren, te appliceeren een derde part voor den Officier, die de calangie doen zal, een derde part voor den Armen der plaatse daar ’t casus voorvallen zal, en ’t resterende derde part voor de Supplianten; In dien verstande, dat wy de Supplianten met deeze onze Octroye alleen willende gratificeeren tot verhoedinge van haare schade, door ’t nadrukken van alle de voorschreeven werken, daar door in geenige deelen verstaan den inhouden van dien te authorizeeren ofte te advoueeren, en veel min ’t zelve onder onze protectie en bescherminge, eenig meerder Credit, aanzien, ofte reputatie te geeven, nemaar de Supplianten, in cas daar inne iets onbehoorlyks zoude influeeren, alle ’t zelve tot haaren lasten zullen gehouden weezen te verantwoorden, tot dien einde wel expresselyk begeerende, dat by aldien zy deezen onze Octroyen, voor alle de voorschreven werken zullen willen stellen, daar van geen geabbrevieerde ofte gecontraheerde mentie zullen mogen maaken, nemaar gehouden zullen weezen, ’t zelve Octroy in ’t geheel en zonder eenige omissie daar voor te drukken, of te doen drukken, en dat zy gehouden zullen zyn een Exemplaar van alle de voorschreeven werken, gebonden ende wel geconditioneert, te brengen in de Bibliotheek van onze Universiteit tot Leiden, ende daar van behoorlyk te doen blyken, alles op peene van ’t effect van dien te verliezen. Ende ten einde de Supplianten deeze onze Consente en Octroye moge genieten, als naar behooren, Lasten wy allen en iegelyken die ’t aangaan mag, dat zy de Supplianten van den inhoude van deeze laaten, en gedoogen, rustelyk, vredelyk en volkomentlyk genieten en gebruiken, Cesserende alle belet ter contrarie. Gedaan in den Hage onder onzen grooten zeegele hier aan doen hangen, op den 14e. Maart, in ’t Jaar onzes Heeren, en Saligmakers zeventienhondert en zeven.
                                A. HEINSIUS.


                        Ter Ordonnantie van de Staaten,


                SIMON VAN BEAUMONT.



[fol. π5r]

AAN DEN

WEL EDELEN GESTRÉNGEN

HEERE

Mr. JACOB CORNELIS BACKER,

Drossaard, Dykgraaf, én Stadhouder van de Leenen
der Stad, én ’t Graafschap Buuren, énz. énz.


MÉDELID van het KUNSTGENOOTSCHAP N.V.A.

    IK offere u de vrucht van mynen jongen tyd,
En hoop, Heer BACKER, dat ze uw oordeel zal behaagen,
Op dat myn’ Zanggódin daar mag haar’ roem op draagen,
    Dat gy beschérmer van een haarer wérken zyt.

    (5) Dan zal zy onbeschroomd voor lastering en nyd
Van laffe Rymers, die Parnassus thans belaagen,
Als uwe goedheid wil dit Kluchtspél onderschaagen,
    Haar’ wénsch voldaan zien, en betaald zyn voor haar vlyt.

Uw geest én hand in Dicht-en-Schilderkunst érvaaren,
(10) Uw edele inborst, die de deugd évenaaren
    Van uw Vooroud’ren, en alom beruchten naam,

Verdienen dat ik die op ’t heerlykst’ door myn véder
Verheffe; maar uw oor is op dat punt te téder;
    Des eindige ik, en laate al ’t ov’rige aan de Faam.

                                                                P.A. DE HUIBERT,
                                                                        Heer van Kruiningen.
Den 31en. van October, 1712.



[fol. π5v]

MUZYK en DANSVERMAAK

Naa het

KLUCHTSPÉL.

TEUNTJE zingt:
    LAet ons zingen, danssen, drinken,
        Onze Lysje is nou de Bruid!
                Laet mit bly geluid,
                    Bas, en Fluit,
                En Veeltjes klinken.
        Echo, weêrgalm op den klank
        Van ons lieffelijk gezangk.
    Laet ons zingen, danssen, drinken,
                    Bas, en Fluit
                En Veeltjes klinken;
        Drinken, klinken dat het fluit,
        Onze Lysje is nou de Bruid!

    Naa het zingen van Teuntje, wordt’er een Balét
gedanst, en daar naa door eene Boerin gezongen:


    De meeste mannen die men ziet,
        Deugen wel de helleft niet;
    Laet ze als Kievits eij’ren zinken,
        In een sloot, óf in een vliet;
    Och! hoe ménig zel’er stinken,
        Zo men ze een, veur een, beziet!

[fol. π6r]
                Tégenzang van een Boer.

        Gae de vrouwen niet veurby,
    Wil je kwaed van ’t manvólk spreeken:
    Vrouwen zien heur mans gebréken;
        Maar ze schatten heur zélf vry.
    Kost men ze als de boter steeken,
        Ménig man bleef van de bry.

    Het Liedje van Teuntje, door het geheele Koor onder-
steunt, wordt herhaald, en onder het zingen, gedanst.


    Laet ons zingen, danssen, drinken;
        Onze Lysje is nou de Bruid!
                Laet mit bly geluid,
                    Bas, en Fluit,
                En Veeltjes klinken.
        Echo, weêrgalm op den klank
        Van ons lieffelyk gezangk.
    Laet ons zingen, danssen, drinken,
                    Bas, en Fluit
                En Veeltjes klinken;
        Drinken, klinken dat het fluit,
        Onze Lysje is nou de Bruid!



[fol. π6v]

VERTOONERS.

FLIP, Knécht van Eelhart.
EELHART, verlieft op Lysje.
TEUNTJE, Vrouw van Krelis den Molenaar.
NIESJE, verlieft op Symen.
KRELIS, de Molenaar, man van Teuntje.
SYMEN, Meesterknécht van Krelis, verlieft op Lysje.
LYSJE, Nicht van Teuntje, én Krelis, Vryster van Eelhart.
ARNOLDUS, de Schout.
JAN, andere knécht van Krelis den Molenaar.

                Zingende en danssende

BOEREN én BOERINNEN.
MUZIKANTEN.

                        Zwygende.

Gevólg van den schout.

    Het Tooneel verbeelt de Wérf, én de Molen van Kré-
lis, én een wég niet vér van de Béverwyk.


Continue

[fol. A1r, p. 1]

DE

VERMISTE

MOLENAAR.

KLUCHTSPÉL.

__________________

EERSTETOONEEL.

FLIP, EELHART.

                                            FLIP.
WAarachtig, men Heer, de liefde is een gekk’lyk ding, zo je ’t wel overweegt:
Want eer dat je die malligheid in ’t hoofd kreegt,
Leiddeje ommers het zoetste en ’t vermaakelykste leeven
Dat men kan wenschen; waarom niet in dien staat gebleeven?
                                        EELHART.
(5) Och Flip! het is my onmoogelyk de bekoorlykheên
Van Lysje te weêrstaan; ik min dat zoete meisje niet alleen
Om haar geld; maar de deugd en schoonheid die men in haar kan bespeuren,
Zyn meer geluk waard’, als haar, door myn trouw, kan gebeuren.
                                            FLIP.
Wel de droes! hoe leit je die malle drift te maalen in den zin?
[fol. A1v, p. 2]
(10) Zo verlieft! en dat noch op ’t Nichtje van een’ Molenaarin?
Dit werk zal gerucht maaken, en in ’t boek van jouw leevensbedryven,
Zal men ’t als een der mooiste hoofdstukken met roode letters beschryven.
                                        EELHART.
Dit zal’ er ’t einde van zyn; en ik stel daar zo veel geluk in, als eer
Van Lysje bemind te zyn.
                                            FLIP.
                                        O! schaamje wat, myn Heer;
(15) Als ik zo praatte, wel dan was ’t noch te verschoonen.
                                        EELHART.
Ik zég de waarheid.
                                            FLIP.
                              ’t Is waar; maar je bent zéker in de boonen.
Jy, die in den Haag van alle vryërzieke Juffers waart geëerd;
Jy, die in gezélschappen, en op Baalen, en Operaas hebt verkeerd;
Jy hier by de Béverwyk op een molen te vryen? Maar ik kan ’et niet vertrouwen.
                                        EELHART.
(20) ’t Is ernst.
                                            FLIP.
                      O je gekt’er meê, en wilt Lysje ligt maar veur een meestresje houwen.
                                        EELHART.
Wel waarom? ’t is de geboorte alleenig niet,
Maar deugd en goede manieren daar men in ’t trouwen op ziet.
Daar by heeft ze geld, en alles wat my gelukkig kan maaken.
                                            FLIP.
Verstaa je ’t zo, vaart’er dan wel meê, ik wensch dat je’er aan meugt geraaken;
[fol. A2r, p. 3]
(25) En dan kon je de eer wel hebben dat ik je Oom wierd.
                                        EELHART.
                                                                                            Hoe jy?
                                            FLIP.
Teuntje is Lysjes Moei, én die heeft wel wat zin in my.
Ze kan my al zo zeer als jou haar Nichtje bekooren;
En wyl ik jouw hylyk toestaa, zel je my, hoop ik, in ’t myne ook niet verstooren.
                                        EELHART.
Je droomt, Flip, ze heeft immer een man; wacht eerst tot dat ze weduw is.
                                            FLIP.
(30) Wel Krelis de Molenaar, heur man, is dood, myn Heer, dat’s wis.
                                        EELHART.
Wat zotte praat? Hy leeft noch.
                                            FLIP.
                                                Waar drommel zou hy dan steeken?
Hy’s ergens vermoord. Dit heele dórp weet’er van te spreeken;
En zyn vrouw moet’er ook van verzékerd zyn: want sints eenigen tyd
Is ze vrolyk van humeur geweest, en heel verblyd.
                                        EELHART.
(35) Dat zy dien ligtmis niet beklaagt, is haar te vergeeven:
Hy wou Lysje ongelukkig maaken, en heeft veel parten bedreeven,
Tot haar naadeel?
                                            FLIP.
                          Dat is waar, myn Heer, Krelis wou
Halstarrig hebben, dat Lysje met Arnold de Schout trouwen zou.
En die knével heeft zyn eisch noch niet afgestaan; maar ’k wil wel zweeren...
[fol. A2v, p. 4]
                                        EELHART.
(40) Hy doe vry wat hy wil, als de Moei slechts volgt myn begeeren.
                                            FLIP.
Jouw zaak is in goede handen, en ’t zal alles wel gaan;
Teuntje is een flink van een wyf; maar hier komt ze zelf aan.


TWÉDE TOONEEL.

TEUNTJE, EELHART, FLIP.

                                         TEUNTJE.
IK groetje, Heer Eelhart. Wel hoe staen we mit onze zeuven zaaken?
Hebje me Nichtje noch lief, ’k geefje me stem, om an mekaar te raaken;
(45) Laet jy ’t Kontrakt maar schryven, as ’t bruiloft is, zel ik danssen dat het stuit;
Ik bin noch zo graag by de vreugd, al was ik zelf de bruid.
                                        EELHART.
’t Verheurgd my, Teuntje, dat gy my zo zeer bent geneegen.
Was Lysje my ook zo gunstig.
                                         TEUNTJE.
                                              Wel hebje ’t jawoord noch niet van heur ekreegen?
En is’er, sints ien’ maand dat Krelis van de meulen is gegaen,
(50) Gien tyd genoeg eweest, om, watze in ’t zin het, te verstaen?
                                        EELHART.
Dat ze my bemint, kan ik uit haare oogen wel leezen;
Maar ik por haar vergeefsch tot trouwen, uw mans afzyn doet haar vreezen;
Om dat hy haar aan de Schout ten huuwlyk geeven wou.
Zy ducht, dat hy ’t, naa zyn wederkomst, op u verhaalen zou.
[fol. A3r, p. 5]
                                         TEUNTJE.
(55)Waer moeit heur dat kleutertje meê? zyn ’t heur dingen,
Of weet ik niet genoeg hoe ’t met de myne moet omspringen?
Kedaer! komt Krelis weêr, en dat hy hum teugens jouw hylik kant...
                                            FLIP.
O! Teuntje weet wel wat ze doet, myn Heer, ’t is een vrouw van verstand!
                                         TEUNTJE.
Zo mien ik ’t meê, ik moet baazin zyn; kyk toen Krelis veurdeezen
(60) My vrydde, zwoer hy myn serviteur, en myn altyd gehooraam te weezen;
Hier op sloeg ik hum de koop toe, en docht ’t is een vent zo goet as brood en wyn;
Maar toen hy hum miester wou maeken van myn, en van ’t myn,
Vondt hy me t’huis; eerst keeven we, daer nae klopten we malkander;
En dit ’s de oorzaek dat we gien liefde hebben, d’ien veur d’ander:
(65) Op ’t lest, wyfs hand boven, ik maekte dat hy de meulen verliet,
Daer ik nou in alles miester en voogd ben, gelyk je ziet.
                                            FLIP.
,,Zo Lysje, die lessen volgt, meugje veel goeds van jouw hylik gelooven.
                                        EELHART.
Zwyg.
                                         TEUNTJE.
           Dien je van de gelégenheid, ons Nichje is mooi, en daarenboven
Het ze poên, twaalf duizend guldens is gien drek. Kedaer
(70) Ik geef ze jou, om dat Krelis heur uithylikken wou aen ien aer:
[fol. A3v, p. 6]
Want zo me niemand teugensprak, zou ik ze je misschien niet geeven,
En dan wierdt jy ’er dol om, wéd ik?
                                        EELHART.
                                                        ’k Was hoop’loos, en benam my zelf ’t leeven.
Ik bemin ’er, én acht me gelukkig, kryg ik ’er tot vrouw;
Beweeg haar slechts, en, als ’t u dan behaagt, volvoeren we onze trouw.
                                         TEUNTJE.
(75) Hoor, wat ik bedenk; ik zal an ieder een ontdekken,
Datjy men Neef zelt worden.
                                        EELHART.
                                            Dit zal my tot groote eer verstrekken.
                                         TEUNTJE.
Goed! de Schout zel zen reuzel scheuren, al hy ’t hoort: ik laet
Zo aanstonds al de buuren hier in ’t rond te bruiloft nooden. Gut hoe kwaed
Zellen ze zyn, dat Lysje zulk een Mêvrouw wordt.
                                            FLIP.
                                                                            Je weet het wel te verzinnen,
(80) O Teuntje is een goede vrouw!
                                         TEUNTJE.
                                                    Van daeg moeten we dit werk noch beginnen.
Ik zel de maeltyd geeven, beschaer jy de speulllui maer.
                                            FLIP.
Dat ’s myn werk, ik zal die wel bezorgen.
                                         TEUNTJE.
                                                                    Wel, dan zinne we klaer.
                                        EELHART.
’k Zal myn vrienden de zaak schryven, en my dan na Lysje begeeven.
Vaer wel Tegen Flip. ,,Pas op.
                                         TEUNTJE.
                                                Gen dag, kezyn.



[fol. A4r, p. 7]

DÉRDE TOONEEL.

TEUNJE, FLIP.

                                         TEUNTJE.
                                                                    ’k Zag nooit zoeter manneke van al men leeven:
(85) En ons Nichtje, Flip, doet ons handwek zéper gien schand
                                            FLIP.
Het verbétert jouw molen geen kleintje, Teuntje.
                                         TEUNTJE.
                                                                        Ik bin zo bly, as iemand in ’t land;
En ’k bin nochtans niet glorieus.
                                            FLIP.
                                                Een beetje hovaardy is niet te versmaaden.
                                         TEUNTJE.
Was Krelis maer dood, je zoud haest zien, hoe luttik ik ’er om bin belaeden.
                                            FLIP.
Je zoud niet droevig zyn, dat je weeuw waart?
                                         TEUNTJE.
                                                                    Neen toch, en ik loof ’t is ien aerdig ding!
(90) ’t Zou ien nieuwtje veur me zyn: wan het vrouwvolk houdt veul van veränd’ring.
                                            FLIP.
Dat hebje recht.
                                         TEUNTJE.
                        Zo ’t vast gaet, dat Krelis dood is, gelyk hier de menschen
In ’t dórp zeggen... maer denk niet dat ik hum kwaed zou willen wenschen?
                                            FLIP.
Je hebt ’er te goeden hart toe; doch zo ’t nou by onluk eens was gebeurd?
[fol. A4v, p. 8]
                                         TEUNTJE.
Dan, as dan; zo ien slingsche vent dient ook niet te veel betreurd.
                                            FLIP.
(95) Je zoudt niet weêr trouwen, denk ik?
                                         TEUNTJE.
                                                                Misschien.
                                            FLIP.
                                                                                Heb je, je dan zo slecht bevonden
By Krelis, datje alreeds wenscht weer in den écht te zijn verbonden?
                                         TEUNTJE.
Wel ja, om te verbéteren, zou ik ’t ligt iens bezoeken miet ien aer.
                                            FLIP.
Dat is wonderlyk wel bedócht, Teuntje.
                                         TEUNTJE.
                                                              Is het niet waer?
                                            FLIP.
Maar draag wel zorg in de keur die je doen zult.
                                         TEUNTJE.
                                                                          O! die is al edaen.
                                            FLIP.
                                                                                                      Welke voorzichtighéden!
                                         TEUNTJE.
(100) Kyk, ik bin gien talmster.
                                            FLIP.
                                                ,,O! ik ben ’er man, en ik heb voorzien, met reden
Dat ik myn Heers Oom zou worden.
                                         TEUNTJE.
                                                        Zo drae ik gedreigd wordt van ienig kwaed,
Zoek ik iensloegs nae remedie, om het te helpen, dat je ’t verstaet.
                                            FLIP.
Dat ’s wyslyk gedaan; maar wie is ’t, daar je jou meê in den écht wilt begeeven?
[fol. A5r, p. 9]
                                         TEUNTJE.
Ien kaerel, wiens fortuin ik maeken zel.
                                            FLIP.
                                                            ,,O, ik bén ’t!
                                         TEUNTJE.
                                                                                    Jong, en van ien schiklyk leeven.
                                            FLIP.
(105) ,,Wis, ik ben ’t!
                                         TEUNTJE.
                                Mooi, en wel gemaakt.
                                            FLIP.
                                                            ,,Ik ben’t, daar ’s geen twyfel aan!
                                         TEUNTJE.
Die my lief heit, en heel onder myn contributie zal staen,
                                            FLIP.
Ja Teuntje, ’k zal altoos even verlieft en dankbaar zyn, en tot het minste stipje.
                                         TEUNTJE.
Je zelt altyd even verliefd en dankbaar zyn, waer veur toch, Flipje?
                                            FLIP.
Voor al de goedheden die je me betoont.
                                         TEUNTJE.
                                                              Wel, dat ’s raer!
(110) Jy bint het niet, daer ik meê trouwen wil, men zoete vaer.
                                            FLIP.
Bén ik ’et niet?
                                         TEUNTJE.
                        Ik loof je scheert me! Jouw haantje zel op myn werf niet kraaijen.
Jy hebt ommers gien postuur, om myn meulen te doen draaijen.
Je zoudt van ’t paerd vallen; wy dienen mekar niet, neen, neen;
[fol. A5v, p. 10]
Ook wil ik myn handwerk niet verlaeten. Nou dag, Flipje, ik gae heen.
(115) Tot weerziens: doe jy de speullui slechts komen.


VIERDE TOONEEL.

FLIP.

DE droes haal de Beelie met heur meulen! wie zou dat droomen?
’t Zal hier óf daar een jonge meulenaar zyn die heur hart heeft geraakt.
Ik kende my zelven van stukje tot beetje, uit de schildery die ze heeft gemaakt.
Mooi, wel geschaapen; maar van verstand hoorde ik ’er niets zeggen.
(120) O! ’t is vast een jonge kinkel daar heur zinnen op leggen.
En dat ’s de dwaaling van de meeste vrouwen hier te land.
Een kaerel krygt nou geen fortuin meer door deugd of verstand;
Maar daar moet zo iets, ik weet wat raars zyn, en dan gaat ,,het.


VYFDE TOONEEL.

NIESJE, FLIP.

                                          NIESJE.
Gôen dag Flipje. Hoe vaar je al?
                                            FLIP.
                                                Noch tot je dienst, Niesje. En hoe staat ,,het
(125) Met jou al?
                                          NIESJE.
                          Zo wat heen; maar hebje onze Teuntje hier niet gezien?
[fol. A6r, p. 11]
                                            FLIP.
Wel ja; daer gaet ze heen. Maar hoe heb je zulk een haast?
                                          NIESJE.
                                                                                        Laet me betien;
Ik loop me best nae heur toe, ik moet’er ien aerdige tyng veur leggen.
                                            FLIP.
En wat doch?
                                          NIESJE.
                      Dat heur man niet dood is, gelyk ze hier in ’et dórp zeggen.
                                            FLIP.
Die tyding, geloof ik, dat heur maar pass’lyk zal aanstaan;
(130) Daarom, Niesje, behoef je zo schielyk niet na heur toe te gaan.
                                          NIESJE.
Wel, die tyng is juist de mooiste niet; maer dat Krelis, heur man, gaet trouwen.
                                            FLIP.
By zyn wyfs leeven?
                                          NIESJE.
                                Daer kreunt hy hum niet an, zo ze ’em niet teugen houwen,
Niet waer? Dit diende zy te doen.
                                            FLIP.
                                                    Dat is niet noodig: want zy
Zal hem met de zelfde munt betaalen; geloof dat vry.
                                          NIESJE.
(135) Ik weet wel, dat Krelis en Teuntje niet veul liefde hebben veur malkander;
Maer ien vrouw heit noch liever dat heur man barst, as dat hy trouwt mit ien ander.
                                            FLIP.
Maar gaat jouw zeggen al vast, Niesje?
[fol. A6v, p. 12]
                                          NIESJE.
                                                            Vast? ja, ’t is zéker, inne gewis.
Onze Albertneef het ’et verteld, die uit den Haeg gekommen is.
                                            FLIP.
Wel?
                                          NIESJE.
            Hy heit’er Krelis, die verklikker erowden is, gevonden;
(140) Ze hebben saamen gedronken, ern hy heit ’er an Alberneef ontwonden:
Naamelyk, dat hy ien tappers dóchter lief heit, die hum in ’t hoofd heeft gemaeld
Al over twie jaar, en dat hy veur heit, nou Teuntje hum zo schóts onthaelt,
Schoon ’er niemand sterft, weewenaar te zyn.
                                            FLIP.
                                                                      By men zoolen,
Teuntje is koddig; maar Krelis doe meê niet wel.
                                          NIESJE.
                                                                          Hy heit Albertneef ’t geheim bevoolen;
(145) En die heit ’et maar an zen vrouw verhaalt, én Nichtje an my allien;
Nou zeg ik ’et slechts an jou, en dan an Teuntje, en an anders gien.
                                            FLIP.
En ik maar aan een vriend drie vier.
                                          NIESJE.
                                                      Maer verbiê ’er, dat ze ’t ook an niemand zeggen,
Ik verlang, om ’et Teuntje te vertellen; ze moet overleggen
Mit heur vrienden, wat heur te doen staet, en naer me dunkt, Flip, is ’t wel fatsoen,
(150) Dat men heur mans maetschap ook de weet van dit werk laet doen.
[fol. A7r, p. 13]
                                            FLIP.
He hebt gelyk; O! men mag een geheim heel wel aan jou vertrouwen.
                                          NIESJE.
Ik bin niet mal, wat je mient. Nou ik gae het Teuntje ontvouwen,
Ik zeg je noch gien goên dag, Flip.


ZÉSDE TOONEEL.

FLIP.

                                                    DIt toeval geeft aan onze zaak een heel and’re keer.
De Speullui zyn minder verhaast, als dit te ontdekken aan myn Heer:
(155) Want het Trouwmaal kon, dus doende, noch wel in duigen geraaken;
Maar daar is Krelis zelf, ik moet eerst verspiên hoe hy ’t hier zel maaken.


ZÉVENDE TOONEEL.

KRELIS, FLIP.

                                          KRELIS.
,,BYget! hoe moet’et nou me deur; al heb ik kwaede kaert, ik hou evewel moed.
                                            FLIP.
,,Ik geloof dat hem zyn knaagende conscientie weêr komen doet.
                                          KRELIS.
,,Ik zel afscheid van men oud huishouden neemen, en zien’er wat uit te taeken,
(160) Om ien nieuw te beginnen, en daer, nae me zin, te raeken.
                                            FLIP.
Ik groet je, Krelis.
                                          KRELIS.
                            Jou ook zo, Flip.
[fol. A7v, p. 14]
                                            FLIP.
                                                      Wel waar Drommel kom jy van dan?
                                          KRELIS.
Ik kom van ien’ reis. De werreld is groot.
                                            FLIP.
                                                              Je houdt veel van ’t reizen?
                                          KRELIS.
                                                                                                        Dat heb je geraên.
Zo drae ik ruzie mit Teun kreeg, ging ik men plezier in ’t reizen zoeken.
Wat heb ik al steden den dórpen ezien, meer as ’er staen in de boeken.
(165) Maer zoek ereis nae ien goed wyf, en wees al ien snédige vént,
’t Is mis: je vindt ’er zelfs gien goed haer van.
                                            FLIP.
                                                                      Krelis, je bent
Niet goed vrouws; maar in den Haag zyn meisjes, die de mannen bekooren,
Zo ik gehoord heb.
                                          KRELIS.
                            In den Haeg? ,,’t Biest ken tov’ren; nou bin ik verlooren!
                                            FLIP.
Ben je deur den Haag gereisd?
                                          KRELIS.
                                            Ja, zo ter vlugt, iens heen en weêr.
(170) Hoe vaert onze Teun al? ’k Heb heur noch lief, hoe zeer
Ze me gebruid heit: we keeven veul; maer ’t lykt de wyven moeten praeten.
’t Is nou al de darde maal dat ik, om heur, de meulen heb verlaeten.
                                            FLIP.
En dan wandelje altyd na den Haag?
                                          KRELIS.
                                                    ,,Hy het de snof in de neus! Wat droes is dat?
[fol. A8r, p. 15]
                                            FLIP.
Krelis, jy hebt altyd grooten zin in ’t Haagje gehad.
                                          KRELIS.
(175) Jy ook, Flip; want je spreekt’er geduurig óf; heb j’er ook kennis woonen?
                                            FLIP.
Ik heb ’er Kraajer geweest, én zou je daar al meenig kennisje kunnen toonen.
                                          KRELIS.
Kraaijer? ,,Hy spót mit me, loof ik!
                                            FLIP.
                                                      Daer was een zoet meisje in een herberg, niet waar?
Laat zien, hoe is haar naam?
                                          KRELIS.
                                            De dóchter in de Zwaen?
                                            FLIP.
                                                                                    Dar raed je op een’ haar.
                                          KRELIS.
,,Dat ’s plat! Hy wil me doen klappen; maar ’k zel de snaak niet vertrouwen.
                                            FLIP.
(180) Ze heet Jufvrouw... Jufvrouw... heb ik dat nou niet wél onthouwen?
                                          KRELIS.
Jufvrouw Mary.
                                            FLIP.
                        De zélfde, waarachtig, de dóchter in de Zwaan.
                                          KRELIS.
,,Hy haelt me ’t geheim uit men bék; ’k zel nou veurzigtiger gaen.
                                            FLIP.
Wat was ze schoon, toen ik ’er zag?
                                          KRELIS.
                                                    Zo je ’er tans zaagt, ô! ’t heit gien gelyken;
Ze is zo drommels mooi, dat je ’er je oogen an uit zoudt kyken.
[fol. A8v, p. 16]
                                            FLIP.
(185) Ik was doen schrik’lyk op’er verlieft.
                                          KRELIS.
                                                                Ik wed zo stark niet as ik,
Nou ik ’t zeggen moet; ’k word ’er dol om elken ogenblik.
                                            FLIP.
Ja zéker, veel geluks; dit ’s de oorzaak dan van al jouw wandelingen?
                                          KRELIS.
,,Ik kal as ien gek; maer ik ken ’t niet laeten.
                                            FLIP.
                                                                Zo Teuntje eens hoort van deeze dingen?
                                          KRELIS.
De Drommel! je most het zwygen, óf je bent me vriend niet meer.
                                            FLIP.
(190) Ik beloof ’t je, zo gy maar niet belet het hylyk van myn Heer
Met Lysje, Kom geef je woord, dat hy met jouw Nichjte zel trouwen.
                                          KRELIS.
Daer ’s men hand; maer met kondytie, dat jy ’t geheim zelt houwen.
                                            FLIP.
Dat ’s vast; maar zo jou wyf het deur een ander te weeten kwam?
                                          KRELIS.
Tut, tut, ’t is al in ’t darde jaer, dat ik verlieft bin op Mary, dat zoete lam;
(195) En niemand weet’er óf, as jy. O! ik ben te plat in men zaeken,
’t Veurnaemste weetje niet iens; en mit men wyf zel ik ’t wel goed maeken.



[fol. B1r, p. 17]

ACHTSTE TOONEEL.

TEUNTJE, FLIP, KRELIS, NIESJE.

                                         TEUNTJE.
HOe! durfje hier noch weêr kommen? Rékel, schurk, vrouws verdriet!
                                            FLIP.
,,Dat is een mooi welkom t’huis heeten!
                                          KRELIS.
                                                            Nou liefste baer zo niet.
                                          NIESJE.
Maer Krelis, men zei dat je dood waert; dat ’s ommers geloogen.
                                          KRELIS.
(200) Wel vast is ’t ien leugen.
                                         TEUNTJE.
                                                  Wat let me dat ik je die vuiliks ogen
Niet uit je kop, en de neus uit je bakhuis ruk!
                                            FLIP.
                                                                          Nou, nou, met bescheid.
                                          KRELIS.
Teuntje, dit ’s weêr ien staaltje van jouw ouwe oploopendheid.
                             TEUNTJE, schreijende.
Och waerje liever dood, as dus kwaedaerdig mit me te leeven.
                                          NIESJE.
Krelis, je bent ien schoon man, jouw vrouw alle jaer zo te begeeven:
(205) Zy, die je aers lief zou hebben.
                                         TEUNTJE.
                                                        Ja Niesje, wat verdriet heb ik niet al uit estaen,
Deur zo veel stukken die deuze ligtmis al heit edaen?
Ik laet je iens bedenken, hoe dat ’et gerucht van zyn dood myn ontstelde!
[fol. B1v, p. 18]
                                          NIESJE.
Wel weet ik het niet? Hy moest iens gezien hebben hoe ’t ons kwelde.
We waeren vol ongeduld, om te weeten of je dood of in ’t leeven waert,
(210) De onzekerheid doet ien vrouw veul lyen, Flip.
                                            FLIP.
                                                                                  Iders hart was om jou dood bezwaard.
Krelis, je wordt hier schrikk’lyk bemind; en ik ging zo de speullui haalen,
Om ’t heele dorp te vertroosten.
                                         TEUNTJE.
                                                Och! och!
                                          KRELIS.
                                                                Kom meê, zonder draalen
In huis, Teuntje daer zellen we allien spreeken met malkaer.
                                         TEUNTJE.
In huis? daer zel je wel buiten blyven, myn zoete vaer.
(215) Ik begeer niet dat je de deur an zelt raeken, of je meugt vreezen.
                                          KRELIS.
Wel Teun, wat droes is dat?
                                            FLIP.
                                        ,,De Meulanaar zal waarachtig hier geen baas weezen!
                                         TEUNTJE.
Eer hy ’er miester zou zyn, stak ik het huis liever in brand.
                                          KRELIS.
Dat ’s ien biest! Hoor wyf, je neemt de toon wat te hoog, naer myn verstand.
                                         TEUNTJE.
Ik jouw wyf, schurk? Hy denkt in de Haeg mit zen kroegmeisje te spreeken.
                                            FLIP.
(220) Mit een kroegmeisje in den Haag?
[fol. B2r, p. 19]
                                          KRELIS.
                                                            ,,’t Is ontdekt; maer ’k zel me wel wreeken.
                                          NIESJE.
Krelis, je schynt vernoegd in je nieuwe huuwelyken staet?
                                          KRELIS.
Wat wil dat zeggen, Niesje? wat beduid die malle praet?
En jy Teuntje, kenje die zotte klap veur waerheid ontfangen?
                                         TEUNTJE.
Wat zotteklap, galgebrok? maer ’t Gerecht zal ’er an ruiken; je zelt hangen.
                                          KRELIS.
(225) Ik hangen?
                                         TEUNTJE.
                          Zo maar effen an je hals.
                                          KRELIS.
                                                                    Nou Teuntje...
                                         TEUNTJE.
                                                                                              Zo veul schelmstukken gedaen!
’k Wil weeuw worden.
                                          NIESJE.
                                    Ien kaerel twie vrouwen te neemen, dat ken ommers niet bestaen.
Hang op, hang op!
                                          KRELIS.
                                Dat zyn twie duivelinnen! nooit zag ik heurs gelyken!
                                         TEUNTJE.
Die fun scheldt ons noch, daer hy van schaamte most bezwyken.
                                          NIESJE.
De guit breekt het respekt, dat hy ons vrouwe geslacht schuldig is.
                                          KRELIS.
(230) De duiker! zo je me ien sstok doet krygen, zel ik je zo gewis
Dat respekt op je rug toe tellen...
[fol. B2v, p. 20]
                                         TEUNTJE.
                                                  Ien stok? help, help! Ik bin verlooren! Buuren stae by.
                      NIESJE, hem met TEUNTJE slaande.
Ien stok, schelm? Hiel wel; hou moed, Teuntje, sla toe mit my.



NÉGENDE TOONEEL.

KRELIS, FLIP.

                                          KRELIS.
OCh, och men rug! wal zel me hier al gebeuren?
Ik loof, Flip, dat ze bezeeten is van afteren tot veuren!
                                            FLIP.
(235) ’k Loof ’t ook. Myn goê maat, je bent beklaagens waerd,
Dat je met die feeksen te doen hebt.
                                          KRELIS.
                                                    ’k Bin’er niet veur vervaerd’;
Laet ze doen.
                                            FLIP.
                    Zo ’t waer is, dat je met jufvrouw Mary gaat trouwen,
Is ’t evenwel ien kwaadje voor je, en ’t kon je ligt berouwen.
                                          KRELIS.
Dat ’s niet veur altyd, kameraat; ik bin an heur slechts verloofd, dat je ’t vat.
                                            FLIP.
(240) Verloofd, zeg je? dat ’s maar een kleinigheid, Krelis, en ien gering foutje, dat
De Justici met twee spinrokken wel op jou huidt zal uitveegen.
                                          KRELIS.
Mit twie spinrokken?
                                            FLIP.
                                Ja, ten waar dat je vrouw de Heeren kost beweegen
Dat men jou uit meêly, om haarent wil, ophangen liet.
[fol. B3r, p. 21]
                                          KRELIS.
Daer is ze vuil genoeg toe. Och! was ik ’er kwyt, ik treurde niet.
(245) Dat ze me maar veur weênaar hieldt, ’k zou heur veur weeuw laeten verslyten.
En als we zoo over ien kwaemen, hadden we mekaer niet te verwyten.
Ik wil ’t onderschryven, en als we iens zyn, raekt niemand aers onze zaek.
Wat! zouwen wy gaan leggen pleiten?
                                            FLIP.
                                                        Dat je zegt, Krelis, is wel raak;
Maar Teuntje wil, voor goed, weeuw zyn; met die zotheid is ze ingenomen.
                                          KRELIS.
(250) Dat zou me zin ook wel zyn; maer hoe zellen we ’er toe komen?
                                            FLIP.
Ze zel over je klaagen, en het Gerecht de zaak onderzoeken, dat ’s vast.
Ik geloof niet dat je hier zéker bent, Krelis, ’t is best dat je op jouw zaaken past.
                                          KRELIS.
Veur goede katten, fyne ratten; ik zel heur ien aer spulletje brouwen.
De Schout is men vriend, en de heure niet, laet ze ’er maar kloek houwen.
                                            FLIP.
(255) Wel Krelis, wat wou je doen, of wat heb je met haar veur?
                                          KRELIS.
Dat zeg ik liefst niet; maer ik beloofje dat ik heur,
Daer mag van kommen wat ’et wil, die kool wel zel bakken,
En of zy myn, of ik heur an de galg zel plakken.
Nou, tut weêrziens, Flip.
                                            FLIP.
                                        Je dienaar, Krelis.



[fol. B3v, p. 22]

TIENDE TOONEEL.

FLIP, SYMEN.

                                            FLIP.
                                                              DAt was, by men sjan,
(260) Een lieve byéénkomst! Hoe omhelsde die vrouw heur man!
                                          SYMEN.
,,Hoe verstandig ik ook bin, de liefde en de jalouzy zellen me, waerachtig
,,Noch gek maeken!
                                            FLIP.
                              ,,Daer ’s de meulenaars knecht, daar Teuntje zo krachtig
,,Op verliefd is, en met wien zy, was ze weeuw, graag trouwen wou.
                                          SYMEN.
,,Daer is dien kaelen Jonkers knecht, die mit myn Lysje graag hyliken zou!
                                            FLIP.
(265) ,,Wat zeit hy van Lysje?
                                          SYMEN.
                                              ,,Ik bin te boos, om hum nou het aller ierst te groeten.
                                            FLIP.
Wel Symen, je komt me tans, dunkt me, wel bars te ontmoeten.
                                          SYMEN.
Niet aers als naer geweunte; en in allen geval, staet je dat niet an,
Lik ereis suiker. Ik zoek je niet.
                                            FLIP.
                                                Je hebt muizenesten in je hoofd, myn goeije man.
                                          SYMEN.
Dat ’s waer; maar ik heb ook lust om jou wat veur je bek te geeven.
[fol. B4v, p. 23]
                                            FLIP.
(270) My?
                                          SYMEN.
                Ja jou, verleijer, die maeckt dat de meisjes niet naer behoren leeven.
Ik bin hier miester knecht van de meulen, zo lang’er Krelis niet is,
En jy, je hebt het op zen Nicht gemunt; maer kryg ik ien stok, hou ’et veur gewis...
                        FLIP, met een dreigend gezicht.
Een stok? wat’s dat te zeggen?
                                          SYMEN.
                                              Juist nou niet, maar by manier van waerschouwen,
Zie ik je weer op de meulen, ik zel je, by men keel, helder of touwen.
                                            FLIP.
(275) Jy, miesterknecht van de meulen, ik zel’er komen als ’t my believen zal.
                                          SYMEN.
As ’t jou believen zel?
                                            FLIP.
                                    Wis.
                                          SYMEN.
                                            Ja? dat zelle we ereis zien. Ik zeg je aers niemendal.
                                            FLIP.
’t Is ook maar by manier van waarschouwen, om malkaar niet te kwellen:
Want dreig je my maar, zel ik je aanstonds honderd stokslagen toe tellen.
                                          SYMEN.
Maer Flipje dat ’s te veul.
                                            FLIP.
                                        Maak je wat praats, kryg je ligt een’ proef.
                                          SYMEN.
                                                                                                            Nou ik zel
(280) Dan liever zwygen, daer meê is ’t gedaen.
[fol. B4v, p. 24]
                                            FLIP.
                                                                          Dan doe je ook wyslyk en wel.
En om je te toonen hoe weinig dat we jou vreezen,
Zeg ik je, dat myn Heer van daag met Lysje de Bruigom zel weezen.
                                          SYMEN.
Hy Lysje trouwen? maer in een recht hylik, Flip?
                                            FLIP.
                                                                            Wel ja.
Alles is gereed, het sluitmaal is al besteld, en ik gaa
(285) Zo om de speullui...
                                          SYMEN.
                                        Laet jou baas zo zot niet zyn, ’t zou hum rouwen:
Wat ze is op myn verliefd.
                                            FLIP.
                                        Hoe! Lysje op jou verliefd?
                                          SYMEN.
                                                                                  Ja trouwen!
En van de kakstoel af; ja eer ze zelf noch kost gaen.
Maer daer komt ze, ik zel ’t je uit heur eigen mond doen verstaen.
                                            FLIP.
Ik wou ’t waarachtig wel; dan kreeg myn Heer dat hy verdiend ,,het.



ELFDE TOONEEL.

LYSJE, SYMEN, FLIP.

                                          LYSJE.
(290) GEndag, Symen.
                                          SYMEN.
                                      Zie eens hoe minlyk dat ze me daer ien goeijen dag verliend ,,het.
                                            FLIP.
’t Was heel minzaam.
                                          LYSJE.
                                  Je dieneres, Sinjeur Flip.
[fol. B5r, p. 25]
                                            FLIP.
                                                                        Dag, jufvouw Lysje.
                                          LYSJE.
                                                                                                        Maer,
Symen, je ziet of je bedroefd bint.
                                          SYMEN.
                                                    Dat is hachchelyk ook wel waer.
Nou jy onze liefde omver gooit, zie je wel dat ik van kleur veränder.
                                          LYSJE.
Wel wie heit jou wys emaekt, dat wy liefde hebben veur malkander?
                                          SYMEN.
(295) Om dat ik de myne zo om myn hart voel warlen, as ik weet niet wat.
En van de jouwe heb ik ommers, sints vier jaer, verscheiden teikens ehad.
                                            FLIP.
Zo, zo!
                                          LYSJE.
            Heb ik jou liefde etoond, daer ik zelf niet weet wat liefde is te zeggen?
                                          SYMEN.
As ze wou, Flip, ken ze meer as ik, veur de liefde open leggen.
                                          LYSJE.
O, jouw verstand is op hol; je raeskalt, myn zoete vaer.
                                          SYMEN.
(300) Ja sprookjes! Nou wil ik elk ien zeggen, hoe de zaek leit, op dat je gien aer
Bedriegen zelt, ik bin bezukt naauw van conscientie.
                                            FLIP.
                                                                                En een jong man met eeren.
                                          LYSJE.
En van myn consienties wegen, zeg ik jou, op dat je jouw dwaaling zoudt leeren,
[fol. B5v, p. 26]
Dat ik je nooit bemind heb, noch ooit beminnen zel.
                                            FLIP.
Dat ’s goed Duitsch gesprooken, Symen, in ik geloof je verstaat het wel?
                                          SYMEN.
(305) Ze praet om jouwent wil zo; maer daer ’s niet bedrieglyker as de vrouwen.
                                            FLIP.
Maer Symen, men moet zich niet altyd op d’uiterlyke schyn vertrouwen.
                                          SYMEN.
Myn zo te handelen, is niet mooi; je weet wel, terwyl we mekaer hebben ekend,
Wat’er tusschen ons eschied is?
                                          LYSJE.
                                                  Wel wat toch? vlégel as je bent.
Wie het jou wys gemaekt, dat ik je min?
                                          SYMEN.
                                                              Hoe, durfje dat noch vraegen,
(310) Daer jy, as we uit ryen gingen, altyd an me zy zat op de waegen?
                                          LYSJE.
Wat meer?
                                          SYMEN.
                En as we darde mannetje speulden, tikje myn, ik tikje weêr,
En schuilhokje, en etsetera? bedenkje wel, Lysje, of ik zeg noch meer.
                                          LYSJE.
Neen, neen, spreek vry, ik vrees je niet; wat wou je zeggen, Symen?
                                          SYMEN.
As we speulden, vondtm en heur altyd in ien hoekje by men.
(315) Dat zyn gien wisje wasjes, Sinjeur Flip.
[fol. B6r, p. 27]
                                            FLIP.
                                                                          Neen toch.
                                          LYSJE.
                                                                                            Wel waerom zocht je myn, zeg?
                                          SYMEN.
Om dat ik je lief had, meisje; maer waerom joeg jy me niet weg?
                                            FLIP.
Om dat ik niet wist dat je me lief had, en dat ik jou niet beminde.
                                          SYMEN.
Dat ’s ien bedriegster! ze minde me niet, daer ze, als we dansten in de
Kerremis, op ’t Jonkspul, my de ierste verkoor; en as we hier op ’t land
(320) Handje klap speulden, sloeg ze me uit liefde met heur muil in de hand.
                                          LYSJE.
Dat heb je maer edroomd.
                                          SYMEN.
                                        Neen byget ’k weet wel wat ik zeg. As we nesjes stoorden,
Kreegen myn veugeltjes van heur wel iens zo veul lieflyke woorden,
As die de and’re heur gaeven.
                                            FLIP.
                                            Je hebt gelyk, Symen, jouw zeggen beduidt ze al wat;
Maar die wisjes wasjes zullen myn heer niet beletten, dat
(325) Hy ’er trouwt.
                                          SYMEN.
                                Niet?
                                            FLIP.
                                        Wel neen.
                                          SYMEN.
                                                        De droes! ik bin kwaed dat ik niet meer kan zeggen.
[fol. B6v, p. 28]
                                          LYSJE.
En ik bin ’er bly om; want je zoudt het ook aen and’re menschen uitleggen.
                                          SYMEN.
Dat zou ik je wel willen zweeren.
                                          LYSJE.
                                                  Sinjeur Flip, waer is jouw Heer?
                                            FLIP.
Die zal niet lang toeven, Lysje; ik gaa hem haalen, en kom zo weêr.
                                          LYSJE.
Zeg, dat ik hem verwacht.
                                          SYMEN.
                                        ,,O! die karonje!



TWAALFDE TOONEEL.

NIESJE, SYMEN.

                                          LYSJE.
                                                                      EN jy vryer, wees ondertusschen
(330) Niet te bedroefd; ik min je noch ien beetje; daer, wil myn hand kussen.
                                          SYMEN.
Ik jouw hand kussen, dat zel ik by men keel niet doen.
Ik wou ’er liever op spuuwen, jou leelyk fatsoen.
                                          LYSJE.
Je speelt den beest; zo veul te slimmer veur jou, ik geef ’er niet om.



DERTIENDE TOONEEL.

SYMEN.

                                                                                SElleweeken!
Myn zo uit te stryken? ik ken van boosheid haes niet spreeken.
[fol. B7r, p. 29]
(335) Die feeksen van vrouwlui, hoe jong dat ze ook zyn, verraên
De gaauwste mannen, zonder het te leeren; ’t is niet te verstaen.
Daer kus men hand! Ien zoet onthaal veur myn, ja trouwen!
Maer Teuntje het dit hylik, om my te plaegen, gebrouwen.
Doch ik zel me wreeken met een’ gris te bakken, daer ze gien gedachten op heit.
(340) De Schout bemint Lysje ook, ligt dat hy heur wat werk bereit.
’t Is ien looze Vos, die, ’t geen dat Teuntje veur heit, wel zel verbreeken.


VEERTIENDE TOONEEL.

NIESJE, SYMEN.

                                          NIESJE.
WAer zo schielyk nae toe, Symen? wacht, ik moet je spreeken.
                                          SYMEN.
Haast je dan, ik heb wat te doen.
                                          NIESJE.
                                                  Weetje wel dat Lysje Eelhart krygt tut man?
                                          SYMEN.
Dat’s bylo noch zo vast niet, en ’k zel ien stok in ’t wiiel steeken, zo ik maer kan.
                                          NIESJE.
(345) Waerom? wat raekt het jou?
                                          SYMEN.
                                                  Wat het my raekt? Maer bin jy ’t niet, die dit gedaan ,,hébt.
En die Lysje, om my die part te speulen, zulks geraên hebt.
[fol. B7v, p. 30]
                                          NIESJE.
Hoe ik! waerom?
                                          SYMEN.
                            Wat weet ik ’et? ligt om myn tut man te hebben, dat is raer!
Jy bemind my ook al.
                                          NIESJE.
                                Je zoudt het weinig verdienen, Symen, al was het al waer.
                                          SYMEN.
Ja, Lysje is ’t allien, of de nikker hael me, die ik wil beminnen.
                                          NIESJE.
(350) Waerom hebje heur liever as myn?
                                          SYMEN.
                                                              Hoe ken je zo ien vraeg uit je kop verzinenn?
Wel, om dat ze me mier as jy behaegt.
                                          NIESJE.
                                                            Staetje dat vieze nufje dan beter an,
As myn persoon?
                                          SYMEN.
                          Dat rae je net.
                                          NIESJE.
                                                Lysje, die zo weinig gevoelens heit van
Jouw liefde, en mit ien aer kaerel zel gaen trouwen?
                                          SYMEN.
Je hebt gelyk.
                                          NIESJE.
                    En ken dit jouw liefde niet doen verkouwen?
                                          SYMEN.
(355) Wel neen; maer ik acht jou meer as Lysje; ja, geloof vry dat ik ’et mien.
                                          NIESJE.
Het most me ten minste wat vernogen; maer beloof me nou mit ien
Dat je me trouwen zelt, zo je aen Lysje niet kent raeken.
[fol. B8r, p. 31]
Wat zegje?
                                          SYMEN.
                Wel Niesje, hoor ereis, wat die zaeken
Angaen, ik zweer je, zo ik mit Lysje niet trouw,
(360) Dat ik me niet lang beraên zel; maer geeven me uit desperatie aan jou.
                                          NIESJE.
Uit desperatie! zou ik heur dan veur jou liefde allien dank weeten?
                                          SYMEN.
                                                                                                    Wie het zen leeven?
Wat scheelt het jou, of ik uit desperatie, of liefde wordt gedreeven.
Je wilt me maer iens hebben, niet waer? Wel ik beloof’t je, schoon het Teuntje spyt,
Dat je de veuurang zelt hebben, hoe sterk ze my ook vryt.
                                          NIESJE.
(365) Hoe vryt jou Teuntje?
                                          SYMEN.
                                          Ja, teugen dat ze weeuw is; maer ’k laet me zo niet beleezen,
Ze mogt, nae onze trouw, iens zin in ien aer krygen, en weêr weeuw willen weezen?
Nee, neen...
                                          NIESJE.
                  Dat hebje recht.
                                          SYMEN.
                                          Ik heb ’t zo duivels op heur verzien: want ze heit
Het hylik van Lysje mit Eelhart gekoppelt.
                                          NIESJE.
                                                                Wel foei, schaamje! hoe leit
Jou dat Lysje altyd in ’t hoofd?
                                          SYMEN.
                                                Zie daar, ’t zou me niet half zo veul berouwen,
(370) Dat heur ien aer kreeg, as dat ze mit dien kaalvink zel trouwen;
[fol. B8v, p. 32]
Maer ’k zel wel iets vinden, om myn van Teuntje te wreeken, zo je me daer
In helpen wilt, myn lieve Niesje.
                                          NIESJE.
                                                Mit al men hart, Symen; maer
Hoe zellen we doen?
                                          SYMEN.
                              Hoor: laeten we de Schout om raed vraegen,
’t Is de gaeuwste vent van ’t land om iemand te plaegen;
(375) Hy het al de streeken van ’t Recht op zen duim, en zel heur...
                                          NIESJE.
Dat hejbe wel overleid, kom gaen we.
                                          SYMEN.
                                                          Neen blyf: wan ik zie hem daer deur
De gintsche weg, hier recht nae ons toe komen.
Hy het zen tyd, of hy hier ontboôn was, wel waergenomen.


VYFTIENDE TOONEEL.

ARNOLDUS, de Schout, SYMEN, NIESJE.

                                          SYMEN.
JE dienaer, men Heer Arnoldus.
                                       ARNOLDUS.
                                                    Gen dag Symen.
                                          NIESJE.
                                                                            Je dienaeres, men Heer de Schout.
                                       ARNOLDUS.
(380) Jou ook zo, Niesje. Deugd! daar is me een’ vreemde tyding ontvouwd,
Daar ieder, die ’t hoord, voor beeven zal en schrikken!
O dat Teuntje!
                              SYMEN, tegen Niesje.
                      ’t Begint al goed! Gaet hy zo voort, zel zich de rest wel schikken.
[fol. C1r, p. 22]
                                       ARNOLDUS.
Ik heb al veertien dagen achterdocht gehad, maar geen gerucht gemaakt,
Omdat ik noch niet aan rechte kennis van de zaak was geraakt.
                                          SYMEN.
(385) Heer Schout, ’t gaet vast; ’t is niet in twyfel te trekken.
                                          NIESJE.
’t Hiele dórp spreekt’er van.
                                       ARNOLDUS.
                                            Weet je ’er iets of, zo wilt het my ontdekken!
Want jouw getuigenis kan my hier in dienen.
                                          SYMEN.
                                                                      Je zelt het zelfs zien;
De bruiloft zel flus beginnen, de speullui het ze al laeten ontbien.
                                       ARNOLDUS.
De speullui, en bruiloft, van wie?
                                          SYMEN.
                                                    Van Lysje, die Teuntje met Eelhart doet trouwen.
                                       ARNOLDUS.
(390) Ze neemt haar’ tyd wel waar, om bruiloft te houwen.
Maar ’k beloofje, dat ik ’er een schotje veur schieten zel,
En die vreugd haast versteuren.
                                          SYMEN.
                                                Heer Schout, dat doe je hiel wel.
                                       ARNOLDUS.
Die karonje!
                                          SYMEN.
                    Jae ’t is ien biest vol looze streeken.
Maer Heer Schout, kenje niet ienige van heur grootste gebréken?
                                       ARNOLDUS.
(395) Ze heeft haar man verdronken, is dat niet genoeg?
                                          SYMEN.
                                                                                        Daerom kwam ze my heur aenbien.
[fol. C1v, p. 34]
                                          NIESJE.
Hoe ken dat zyn, men Heer? ik heb Krelis hier flus noch gezien.
                                       ARNOLDUS.
Dat heb je gedroomd: hy is al een’ maand dood geweest.
                                          NIESJE.
                                                                                                Heden!
Men Heer! dat ik Krelis ezien heb, is noch gien kwartier uurs verleden.
                                       ARNOLDUS.
Ja een valsche Krelis, die omgekoft is tot versterking van ’t bedrog.
                                          NIESJE.
Neen de rechte Krelis, en Teuntje het ’em daar ook voor erkend, dat zeg ik noch:
En ik heb heur gehulpen, om zyn’ rug naer behooren te meeten.
                                       ARNOLDUS.
Daar kreun ik my niet aan: de Sekretaris en ik zullen onze pligt wel weeten.
De Proceduuren zyn al begonnen, en men zal’er scherp meê gaan.
                              SYMEN, tégen Niesje.
Ik heb wel ezeid dat de Schout ien eerlyk man was, die ons ten beste zou raên;
Zyn verstand ziet hum, as ien Sparwer, uit de oogen.
                                          NIESJE.
Ik zeg noch, dat Krelis niet dood is; je bent bedroogen.
                                          SYMEN.
En ik wil het hiel wel gelooven dat hy dood is, malle meid.
En al was ’er niet waer, zo moet het waer worden, om dat de Schout het zeit.
’t Gerecht ken ommers niet liegen.
                                       ARNOLDUS.
                                                        Symen weet de zaak wel te doorgronden.
[fol. C2r, p. 35]
En ik geloof, dat hy wel eenige kennis van ’t feit heeft gevonden.
                                          SYMEN.
Hoe ik, men Heer Schout?
                                       ARNOLDUS.
                                            Ha, en hier in is jouw getuigenis
Van groot gewigt.
                                          SYMEN.
                        Myn getuigenis van groot gewigt?
                                       ARNOLDUS.
                                                                            Wel wis.
                                          SYMEN.
,,Byget nou zel ik Teun betaelen. Maer laet iens hooren,
Wat ik getuigen moet.
                                       ARNOLDUS.
                            ’t Geen je weet, ik leg je niet anders te vooren.
                                          SYMEN.
Wel ik weet niet een brui; maer ’t gae, zo ’t wil, daer ’s gien zwaerigheid.
Je wilt dat ik je lieft heb, Niesje, getuig dan, as ik: je weet hoe ’t werk leit.
                                          NIESJE.
Ik zel de waerheid zeggen.
                                          SYMEN.
                                Ik ook, maer help ze ons iens veur te zeggen,
Heer Schout; je weet beter. as wy, hoe dat de zaeken leggen.
                                       ARNOLDUS.
De Molenaer en zyn wyf leefden voor eerst kwalyk met malkander.
                                          SYMEN.
                                                                                                    Dat is waer;
Ze leeven alle daeg, en nae ’t kyven klopten ze malkaer.
Dat getuig ik.
                                          NIESJE.
                                Ik mêe.
[fol. C2v, p. 36]
                                       ARNOLDUS.
                                        Goed! De rest zal wel volgen. Hy was dikwils beschonken,
Niet waer?
                                          SYMEN.
                        Jae duivels; hy liep alle dag deur ’t dórp, sl ien biest zo dronken,
En was ’t feppen gewent, as jy, Heer Schout.
                                       ARNOLDUS.
                                                    Nou niet geboert.
Teun heeft zyn dronkenschap waargenomen, en toen dat werk uitgevoerd.
                                          SYMEN.
Hy had te veul wyn gezoopen, en zy wou hem waeter doen drinken.
                                       ARNOLDUS.
Ik weet ’et van goeder hand; maaer ’t zal met heur stinken.
                                          NIESJE.
Zo dat zo is, zo is ’t ook zo, Heer Schout.
                                       ARNOLDUS.
                            Wis; en ze smeet hem in de sloot;
Maar ’t slimste is, men vindt hem daar niet leevendig of dood.
                                          SYMEN.
Ze het ’em ien stien an den hals ebonden, op dat men ’t niet zou bespeuren.
Daer gints leggen ’er ien party; maer veul minder, als van te veuren.
                                       ARNOLDUS.
Dunkt je dat, Symen? Je liegt het wel uit, maer heeft ze dit alleen gedaan?
s                                           SYMEN.
Neen, zy het hulpers gehad, ik denk, Eelhart en Flip hebben ’er by estaen;
Want Krelis wou niet hebben dat Niesje mit hum zou trouwen.
[fol. C3r, p. 37]
                                       ARNOLDUS.
Geloofje dan, Symen, dat zy het saamen zo hebben gebrouwen?
                                          SYMEN.
Gelooven? wel ’k bin te kwaed op hum, dat ik ’t niet gelooven zou.
Je gelooft het ook, Heer Schout, terwyl hy mit jou staet nae Lysjes trouw.
En as ’t ’er op an komt, wil ik ’t mit ien eed bezweeren.
Is dat niet genoeg im ’er op te doen hangen?
                                       ARNOLDUS.
                                        ’t Kon wel slecht met die lui verkeeren!
Ik zal haar p jou getuigenis doen vatten, en dan terstond
De Secretaris haalen’ op dat hy dit mag hooren uit jouw eigen mond.
                                          SYMEN.
Schryf maar wat je wilt; ik miet dat we ’er lustig om lachchen zellen.



ZÉSTIENDE TOONEEL.

NIESJE, SYMEN.

                                          NIESJE.
JE recht daer ien kwaede zaek an, Symen; hoe zelje dat stellen?
                                          SYMEN.
Watte praetjes! ’t is maer om de Bruiloft te steuren, dat je ’t vat,
En Teuntjes kop dol te maeken.
                                          NIESJE.
                            Dat ’s wel, was ’t slechts niet aers, as dat?
Maer ’t kost heur ruine zyn, en mit ons slecht of loopen.
                                          SYMEN.
Niemendal, Niesje, we zellen ’t ontkennen, as de beul heur op wil knoopen.
[fol. C3v, p. 38]
Daar komt Teuntje; laet me slechts begaen, of onze vryaadje leit glad ter neêr.


ZÉVENTIENDE TOONEEL.

TEUNTJE, SYMEN, NIESJE.

                                         TEUNTJE.
WEest vrolyk, keijeren; Krelis nam zen afscheid van de meulen al weer;
’k Ben’er boven op, straks kommen hier de speullui, de vrienden, en de buuren,
Om ’t hylik te sluiten, en de vreugd tut morgen te doen duuren.
                                          SYMEN.
Ik wed wel van neen; of daar most gien Symen, noch Schout meer in de worreld zyn.
Ik bin niet verdronken, dat je ’t weet, al was je noch zo fyn.
                                         TEUNTJE.
Jy bint toch niet verdronken; maar...
                                          SYMEN.
                                                    Noch de Schout; maar je meugt wel leeven.
                                         TEUNTJE.
Dat je allebei verdronken waert, daar was neit vuel an bedreeven.
Doch wat wil dat verdrinken zeggen, Niesje? Ik loof hy mist zyn verstand.
                                          NIESJE.
Zo hy gek is, Teuntje, is de Schout in die zelfde stand.
Ze zeggen dat je Krelis verdronken hebt, en zweeren ’t mit ’er beijen.
                                         TEUNTJE.
Ik men man verdronken? Je hebt hem gezien, eer hy van me is gescheijen.
                                          NIESJE.
Dat is zo; maer de Schout ziet van neen, en Symen zeit ’et ook.
[fol. C4r, p. 39]
Ik weet niet wat ik ’er van gelooven zel, het lykt wel spook.
                                         TEUNTJE.
Ik men man verdronken?
                                          SYMEN.
                                                Ja; je hoeft niet iens zo spytig te spreeken.
’t Is waer’ ik zou’er twie vingers veur durven opsteeken.
                                         TEUNTJE.
Wat schurk is dat?


ACHTTIENDE TOONEEL.

LYSJE, TEUNTJE, SYMEN, NIESJE.

                                          LYSJE.
                            OCh lieve Meutje, vlugt! je zaeken staen zo slecht!
                                         TEUNTJE.
Hoe! wat is ’er te doen?
                                          LYSJE.
De Schout komt om je te vangen mit ’et hiele Gerecht!
                                         TEUNTJE.
Om myn te vangen?
                                          SYMEN.
                                ,’t Begin gaet wel.
                                          LYSJE.
                                                            Elk ien zeit dat myn Oom is verdronken,
En dat jy, om mit Symen te trwouen, dat werkje zo hebt geklonken.
                                          SYMEN.
Mit my?
                                          NIESJE.
            Mit Symen?
                                          LYSJE.
                            Jae, en zo’t waer is, zel hy wel doen, deur te gaen.
                                          SYMEN.
’t Is geloogen; maer je wilt zeggen dat ’er jou Eelhart heit gedaen.
[fol. C4v, p. 40]
                                          LYSJE.
Eelhart?
                                          SYMEN.
                        Ja; ’t mit de Schout of esprooken dat we zo zouwen zeggen,
En gaet hy nou ien andere draat an ’t werk leggen,
Zo schei ik ’er uit, en ontkén dat Krelis verdronken is.


NÉGENTIENDE TOONEEL.

EELHART, TEUNTJE, LYSJE,

SYMEN, NIESJE.

                                        EELHART.
NIets weêrhoudt myn geluk; wyl ik buiten hindernis
Nu alles beschikt heb. Maar Teuntje, hoe dus verslagen?
                                         TEUNTJE.
Och Heer Eelhart, wie kan zulk ien gruwelstuk verdraagen?
                                        EELHART.
Wat stuk?
                                         TEUNTJE.
                    De Schout betich me dat ik me man heb vermoord.
                                        EELHART.
Die schelm!


TWINTIGSTE TOONEEL.

FLIP, EELHART, SYMEN, NIESJE,

TEUNTJE, LYSJE.

                                            FLIP.
                    GInts zyn de speullui; maar ze meugen wel voort
Weêr vertrekken; de Schout zal ons wel andere bézigheden brouwen.
                                        EELHART.
Weet gy de grond van deezen zaak?
[fol. C5r, p. 41]
                                            FLIP.
                                                Neen heer; maar hy wil staande houwen,
Dat Krelis de Molenaar door ons verdronken is,
En dat hy ons zal komen arresteeren op de getuigenis
Van dien schurk.
                                        EELHART.
                            Hoe! ons?
                                          SYMEN.
                                    ’t Gaet noch al wel!
                                        EELHART.
                                                                    Ha, schelm!
                                          SYMEN.
                                                                                    och! kwets me niet, men Heertje!
                                          NIESJE.
Vergeef het hum, Heer Eelhart.
                                          SYMEN.
                                                Ziedaer, ik zweertje,
’t Is maer uit korswyl edaen, of de nikker haal me weg.
                                        EELHART.
Uit korswyl? vagebond!
                                          SYMEN.
                                Och genâ!
                                            FLIP.
’k Zal ’er order in stellen; Teuntje hoeft niet te vreezen.


EENÉNTWINTIGSTE TOONEEL.

TEUNTJE, EELHART, SYMEN,

LYSJE, NIESJE.

                                         TEUNTJE.
DE mans geeven de vrouwen niet as verdriet, ho ’t ook mag weezen,
Ik bin half dood van schrik!
                                        EELHART.
                                                De zaak kent geen gevaar, en de weêrkomst van je man...
[fol. C5v, p. 42]
                                         TEUNTJE.
Hy is al weêrgekommen, Heer Eelhart.
                                        EELHART.
                                                        Wel nu, dan
Kunt gy de Schout gemak’lyk overtuigen van zyn snoode streeken.
                                         TEUNTJE.
Maer de Schout, lyk deuze schóft, zeit, dat het Krelis niet is.
                                        EELHART.
                                                                            Durf jy zo valsch spreeken,
Galgebrok?
                                          SYMEN.
                                            Ik bin stom, en rép niet ien enkel woord.
                                        EELHART.
Waar is je man?
                                         TEUNTJE.
                                Hy is al weêr weg.
                                        EELHART.
                                                        Ligt heb je hem weêr verstoord.
                                         TEUNTJE.
Wat komt me al over! waar zel ik hum nou vinden?
                                          LYSJE.
Och! daer ’s de Schout mit zen dienders.
                                        EELHART.
                                                        Wilt alle beide jouw vrees in binden.


TWÉENTWINTIGSTE TOONEEL.

EELHART, ARNOLDUS, Dienders, TEUNTJE,

LYSJE, NIESJE, SYMEN.

                                        EELHART.
KOm nader, Heer Schout; maar laat uw Dienders gints blyven staan:
Of ik zal den eersten die nadert, myn’ deegen door de ribben laaten gaan.
[fol. C6r, p. 43]
                                       ARNOLDUS.
Niet te haastig Heer, ’t zyn formaliteiten, di ik moet exerceeren,
Volgens myn ampt en pligt.
                                        EELHART.
                                    Ik weet, gy zyt een man mer eeren.
                                       ARNOLDUS.
En de zaak, myn Heer is van zeer groot belang.
Hier is een man gedood, en ’t is billik dat ik de moorder vang.
                                        EELHART.
Goed, zo ’t waar was; dies gaat ge uw pligt te buiten, zal ik maaken...


DRIEÉNTWINTIGSTE TOONEEL.

FLIP, TEUNTJE, KRELIS, ARNOLDUS,

EELHART, NIESJE, SYMEN, LYSJE.

                                            FLIP.
TRek af, trek af, Schout oom, je meugt jouw rechtspleegingen wel staaken;
De overléden is niet dood; zie daar, ik bren je ’em zelf nier meê.
                     TEUNTJE, haaren man omhélzende.
Welkom, Krelis, myn lieve man!
                                          KRELIS.
                                                Welk ien verändering! Is men wyf alreê
Ien goede vrouw geworden? wie zou dat droomen?
Ik dank je, Heer Schout,veur de moeite die je hebt genomen.
                                       ARNOLDUS.
Wie ben jy, vrind, die zo stout spreekt?
                                          KRELIS.
                                                    Wie ik bin? wel dat komt zéper zoet!
Ik, bin ik. Hoe hebje de kennis verlooren, arme bloed,
Dan is jouw verstand zieker as je weet.
[fol. C6v, p. 44]
                                         TEUNTJE.
                                                            Dat niet wel weezen.
Ken je me man niet?
                                          KRELIS.
                            Hy ’s betovert, en dient deur de Priester beleezen.
                                       ARNOLDUS.
Dat is evenwel Krelis niet, Teuntje; ’t heeft geen gelykenis.
Ook is het al drie weeken verleên dat hy verdronken is.
                                          KRELIS.
Ik bin dronken eweest, dat is waer; maer dat ik verdronken bin, zelje liegen.
                                       ARNOLDUS.
Ik heb goede Attestatien tot bewys, men zal my zo niet bedriegen.
                                          KRELIS.
En ik bewys, dat het niet waer is.
                                         TEUNTJE.
                                Ik lach mit Attestatien, verstae je dat, Schout.
                                       ARNOLDUS.
Dat zullen we dan zien...
                                        EELHART.
                            Gy steekt u in een zaak, daar gy u béter uit houden zoudt.
                                       ARNOLDUS.
De Molenaar is verdronken, en dat zal by ’t Gerecht stand grypen.
                                          KRELIS.
Wel bin ik verdronken, zo moet de beul jou eerst iens nypen
En dan ophangen: want ’et is jouw werk, op dat het Teuntje bevat.
                                        EELHART.
Hoe zyn werk?
                                          KRELIS.
                        Om Teuntje op te doen hangen, heit hy my eraên, dat
[fol. C7r, p. 45]
Ik dit uit zou strooijen.
                                         TEUNTJE.
                                Wel Kees, om my te doen hangen?
Heb ik je dan ooit mit zulk ien kwaed hart ontfangen,
Om zo boos op me te zyn?
                                          KRELIS.
                            Dat heit niet lang eduurd, en is nou edaen.
Wees jy geschikt; ik zel je lief hebben, en zonder reên niet nae den Haeg gaen;
En de Schout mit al dat gebrui, de neus wel uit onze zaken houwen.



VIERÉNTWINTIGSTE én laatste TOONEEL.

JAN, KRELIS, TEUNTJE, EELHART, NIESJE,

SYMEN, ARNOLDUS, LYSJE, FLIP.

                                            JAN.
DAer zyn Speullui, en alde Genooden op ’t bezoek van Lysjes grouwen.
Maar ze durven niet naed’ren; om dat ze de Schout nmit zen rakkers zien.
                                          KRELIS.
Ze hebben gelyk, ’t is iden spektakel om ’er hondert myl van af te vliên.
Maer Vrouw, mienje dan Lysje zo iens sloegs an Eelhart te geeven?
                                         TEUNTJE.
Wel duidelyk; of we zellen weêr an ’t plokhaeren, en in ruisie leeven.
                                          KRELIS.
Nien, ’t ien noch ’t aar dient me niet meer, ik doe liever zo as jy ’t begeert.
                                        EELHART.
Je zult het je niet beklaagen, dat je in ons huuwelyk consenteert.
[fol. C7v, p. 46]
                                          KRELIS.
Ik stae’et dan toe, in daer meê edaen.
                                          NIESJE.
                                                        En jy Symen, denkje
Wel om jouw beloften?
                                          SYMEN.
                                  Wel ja ik, Niesje, daer is men hand; ik schenkje
Men Trouw. O! ik bin ien jongman van men woord.
                                        EELHART.
En jy zegt me niet met al, lieve Lysje?
                                          LYSJE.
                                                        Wel zy zyn ommers t’saam d’akkoort.
                                          KRELIS.
Krement, veur de vuist, Heer Schout. Hoe zellen we ’t saamen bakken?
Ik zel toch Krelis blyven, spyt de offisie, en vuile kwakken.
Bedenkje kort, laet ons in rust; het spul loopt op ’t end:
Ik zelje reseluit mier geven as je aars winnen kent
Mit ons te temteeren. Kyk, is dat niet reseluit esprooken?
                                          SYMEN.
Kom, kom, Schout, Krelis het gelyk, en jouw kaert is toch verstooken.
Was hy flus, om jouw profyt, deur ons, askaks in ’t water ebruid,
Laeten we ’em weêr uit de wyn op visschen, ’t kost ont toch gien duit.
                                        EELHART.
Staat gy uw pretensie niet af, weet ik het by ’t Hof zo te maaken,
Dat gy gewis van uw Schouwtsampt af zult geraaken.
                       ARNOLDUS, naa eenige mymering.
Ik ben waarachtig al te oprecht voor een Schout.
                                          KRELIS.
                                                                        Het is wel ezeid:
De oprechtheid ziet jou ten oogen uit, as de beul de barmhartigheid.
[fol. C8r, p. 47]
                                       ARNOLDUS.
Voer je zulken taal, Meulenaartje, zal ik je uitmerg’len zonder gratie.
                                          KRELIS.
Ik bin, van haver tot garst, Meulenaar mit rippetatie.
                                            FLIP.
Ja, en alzo eerlik als’er op een korenmolen te vinden is.
Maak jy ’t maar af, Schout; en onthaal ons morgen op een zoodje vis.
                                       ARNOLDUS.
Wel hoor, om Eelharts will’, zal ik het doen; mits alles stil te houwen.
                                            FLIP.
Dat meugje ons, en voor al Niesje, de Zwygster, wel toe betrouwen.
                                          KRELIS.
Hoor vrouw; zou je toch perfors wilt dat men ’t hylik van Lysje sluit,
Zo speul jy, op nieuw, mit myn ook eens veur Bruid.
                                         TEUNTJE.
Ik bin ’er meê te vreên.
                                          KRELIS.
                                Daer dan iens op gedronken, en gezongen,
En deur de jonge lui iens luchtig in de bogt esprongen.

Hier word gezongen, en een Ballet gedanst, onder
het zingen, en ’t speelen der Instrumenten.




[fol. C8v, p. 48: blanco]


Continue