Willem van der Hoeven: De vermomde minnaar. Herdruk, Amsterdam 1717.
Uitgegeven door drs. G.C. van Uitert
Red. dr. A.J.E. Harmsen, Universiteit Leiden.
Ceneton037370books.google
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.

Continue
[p. 1: frontispice]
De Vermomde Minnaer
Bleyspel door W. vander Hoeven.
M. Elgersma inven[i]t et fecit

[p. 2: blanco]
[p. 3]

DE

VERMOMDE

MINNAAR;

BLYSPEL.

DOOR

WILLEM VAN DER HOEVEN.

[Vignet: Perseveranter]

TE AMSTELDAM,
_____________________________________

By de Erfg. van J. LESCAILJE, en DIRK
RANK, op de Beurs-sluis, 1717.

Met Privilegie.



[p. 4: blanco]
[p. 5]

Copye van de Privilegie.

DE Staten van Holland ende Westvriesland doen te weten, alsoo ons vertoont is by de Regenten van het Burger Weeshuis ende Oude Mannenhuis, der Stad Amsterdam, en in die qualiteyt, te zamen eigenaars, mitsgaders Regenten van den Schouburg aldaar, dat sy, Supplianten, sedert eenige Jaren hebben gejouisseert van onsen Octroye of Privilegie van dato 21 May 1699. waar by wy aan hen Supplianten, in hun qualiteyt hadden gelieven te consenteren, accorderen ende Octroijeren, dat sy, gedurende den tyd van vyftien eerst achter een volgende Jaren, de Werken, die, doenmaals ten dienste van het Tooneel reets gedrukt waren, ende van tyd tot tyd, nog vorder in het ligt gebracht, ende ten Tooneele gevoert soude werden, alleen soude mogen drukken, doen drukken, uytgeven ende verkoopen, nu ondervonden, dat de Jaren, by het voorgemelde Octroy of Privilegie genaamt, op den 21 deezer Maand Mai was komen te expireren; ende dewyl de Supplianten ten meesten dienste van de Schouburg, (waar van hunne respective Godshuysen onder andere mede moesten werden gesubcenteert,) de voorgemelde Wercken, soo van Treurspellen, Blyspellen, Kluchten, als anders, die reets gedrukt en ten Tooneele gevoert waaren, of in het toekomende gedruckt, en ten Toneele gevoert soude mogen werden, geerne alleen, gelyk voorheenen, souden blyven drucken, doen drucken, uytgeven en verkopen, ten einde de selve Wercken, door het nadrukken van andere, haer luyster, soo in taal, als spelkonst, niet mogten komen te verliezen; dog dat sulks aan hen Supplianten, na de expiratie van het bovengemelde ons Octroy, en sulks na den 21 Mai deezes Jaars 1714 niet gepermitteert soude wesen, soo vonden sy Supplianten hun genootsaakt sig te keren tot ons, onderdanig versoekende, dat wy aan hen Supplianten, in hare bovengemelde qualiteit, geliefden te verleenen prolongatie van het voorsz. Octroy of Privilegie, omme de voorsz. Werken, soo van Treurspellen, Blyspellen, Kluchten als andere, reets gemaakt en ten Toneele gevoert, en als nog in het ligt te brengen ende ten Tooneele te voeren, den tyd van vyftien eerst achter een volgende Jaren, alleen te mogen drukken en verkopen, of te doen drukken en verkopen, met verbod aan allen andere op seekere hooge penen, by ons daar tegen te statueeren in communi forma; So is ’t dat wy de saacke, ende ’t voorsz. versoek overgemerckt hebbende, ende genegen wesende, ter bede van de Supplianten, uyt onse rechte wetenschap, Souveraine magt en authoriteyd, deselve Supplianten geconsenteert, geaccordeert en geoctroyeert hebben, consenteren, accorderen en octroyeren, haar by deezen, dat sy, geduurende den tyd van vyftien eerst achter een volgende jaaren de voorsz. Werken, soo van Treurspellen, Blyspellen, Kluchten als andere, reets gemaakt ende ten Tooneele gevoert, en als nog in het licht te brengen, ende ten Tooneele te voeren; binnen de voorsz. onse Landen alleen sullen, by continuatie, mogen drucken, doen drukken, uytgeven en verkopen, verbiedende daarom allen en een [p. 6] ygelyk, de voorsz. Wercken, in het geheel ofte ten deele, naar te drukken, ofte, elders naargedruckt, binnen den selven onze lande te brengen, uyt te geven, ofte verkopen, op de verbeurte van alle de naargedrukte, ingebragte, ofte verkogte exemplaren, ende een boete van drie honderd guldens, daar en boven, te verbeuren, te appliceren een darde part voor den Officier, die de calangie doen zal, een darde part voor den Armen der Plaatsen daar ’t casus voorvallen sal, ende het resterende darde part voor de Supplianten, alles in dien verstande, dat wy de Supplianten met dezen onzen Octroye alleen willende gratificeren tot verhoedinge van hare schade door het na drukken van de voorsz. Wercken, daar door in genigen deele verstaan den inhoude van dien te authoriseren, ofte te advouëren, ende, veel min de selve onder onze Protexie ende bescherminge eenig meerder credit, aansien, of reputatie te geven, nemaar de Supplianten in cas daar inne iets onbehoorlyks souden influëren, alle het selve tot haren laste sullen gehouden wesen te verantwoorden, tot dien einde wel expresselyk begeerende, dat by aldien sy dese onse Octroye, voor de voorsz. Wercken sullen willen stellen, daar van geen geabbrevieerde ofte gecontraheerde mentie sullen mogen maken, nemaar gehouden sullen wesen het selve Octroy in ’t geheel, en sonder eenige Omissie, daar voor te drukken, ofte te doen drukken, ende dat sy gehouden sullen syn een exemplaer van de voorsz. Wercken, gebonden en wel geconditioneert, te brengen in de Bibliotheecq van onse Universiteit tot Leyden, ende daar van behoorlyk te doen blyken, alles op pene van het effect van dien te verliesen, ende ten eynde de Supplianten van den inhoude van desen onsen Octroye ende consente mogen genieten als naar behooren, lasten wy allen ende een yegelyk, die ’t aangaan mag, dat sy de Supplianten van den inhoude van desen doen lasten ende gedogen, rustelyk, vredelyk, ende volkomentlyk genieten ende gebruiken, cesseerende alle belet ter contrarie gedaan. Gedaan in den Hage, onder onsen grote Zegele, hier onder aan doen hangen op den drie en twintigste Mai, in ’t Jaar onses Heer en Zaligmakers, seventien hondert en veertien.
A. HEINSIUS.
Ter Ordonnantie van de Staaten
SIMON van BEAUMONT.
    De Regenten van het Wees- en Oude Mannenhuis hebben, in haar voorsz. qualiteit, het regt van deeze Privilegie,* voor DE VERMOMDE MINAAR, BLYSPEL, vergunt aan de Erfgenamen van J. Lescailje en D. Rank.

                                In Amsterdam, den 28. December 1717.



[p. 7]

KORTE INHOUD.

Een onvoorziene vlam, treft Karels edel hart;
Waarom hy al ’t gevaar des doods heeft uit getart:
Nogtans verbood hem de eer, zyn schoone t’onderhouwen,
Wyl zy verlooft was aan een ander, om te trouwen.
(5) Hy volgt zyn Leidstar na, vermomd in ’t gekke kleed,
Daar hem de Liefde in ’t eind, bewoogen met zyn leed,
Door vreemde schikking, om zyn vroomheid te betaalen,
Schoon alles hooploos scheen, gewenst doet Zegepraalen.



[p. 8]

VERTOONERS.

RUDOLF, Een oud Edelman.
ISABELLE, Zyn Dogter.
ROSETTE, Kamenier van Isabelle.
LUDEWYK, Verloofd aan Isabelle.
KAREL, Vermomde Minnaar van Isabelle.
ROSANDER,
ALARDUS,
} Dienaars van Karel.
KORNELIA, Verloofd aan Ludewyk.
BREGITTE, Kamenier van Kornelia.
LEONOOR, Dienstmaagd
PIETER, Knegt
} van Ludewyk.
JAN, Een Arbeider.

Het Spel speelt in het Huis, en de Tuin van Ludewyk.
Continue
[p. 9]

DE

VERMOMDE

MINNAAR;

BLYSPEL.
_____________________

EERSTE BEDRYF.

EERSTE TOONEEL.

LEONOOR, ALARDUS, JAN.

ALARDUS met Reisgoed op den hals.
ZO dit nog langer duurt, zo hou ik voor gewis,
En zeker, dat dit huis een heele Lynbaan is;
Of dat zulks aan de meid haar boosheid kan behagen,
Dat ik met dit gewigt myn nek zou stukken dragen.
(5) Hoe! fopt men in den Haag zo vroeg de vreemde Luy?
Ik draag niet langer, neen; zie daar; daar leit de brui.
LEONOOR.
Hoe! smytje ’t goed hier neêr? wel wat zel dit beduijen?
ALARDUS.
Loop, haal een kruier meid, en laat het verder kruijen:
Het is bylo zo zwaar! daar steekt, naar ik bevin,
(10) De quintessensy van het regte lapis in:
Die zulke kluiten heeft, hoeft voor geen kou te vreezen,
LEONOOR.
Wat! is ’t pecuniam? dan zal het wellekom wezen.
[p. 10]
ALARDUS.
Ja meisje, hoorde ’t my, ik quam straks om u uit.
LEONOOR.
Nu hoort het juist uw Heer; dat ’s slegt, niet waar?
ALARDUS.
                                                                            Verbruid.
LEONOOR.
(15) Ja, als het u toequam, je zoud my niet begeeren.
ALARDUS.
Ik zou voorzeker, zo wel naakt, als in jou kleeren.
Hoe! zulk een bakisje! een meid, gelyk een beelt,
Ik heb met slimmer kaart myn gelt wel eer verspeelt,
En ’k zou het nog op nieuw met u wel durven wagen.
LEONOOR.
(20) Je zoud nog durven!
ALARDUS.
                                        Ja.
LEONOOR.
                                            Ik zal daar zorg voor dragen.
Ik wil geen Vryer, die by andere heeft geleert.
ALARDUS.
Ik dank u hartelyk, dat gy me niet begeert:
Want naar ik merk zyt gy vry spytig.
LEONOOR.
                                                        Ja voor zeeper.
’k Hou myn safraan vry duur.
ALARDUS.
                                                Zo doe ik ook myn peper;
(25) Maar wil jy echter nog ik stel het in uw keur.
LEONOOR.
Je suis vostre Servante.
ALARDUS.
                                    Je suis, vostre Serviteur.
LEONOOR.
Dit goed eerst aan een kant dan kunje weêr gaan stappen,
ALARDUS.
Dat zal niet lukken, of je moest ons eerst eens tappen.
[p. 11]
Och! Jan heeft zulk een dorst, hy drinkt graag Rinschewyn.
JAN.
(30) Ik Rimzemwiem! wo ne, wat drommel schol dat zyn;
Ik drink kyn Rimzemwien, i wild door woor von zwiegen,
Van Rimzemwiem wol ig dem Potagram hoost kriegen.
ALARDUS.
Dat is een lompe mof.
LEONOOR.
                                    Hoe! vreesje daar voor Vaar?
Dan raakje met de Lui, die ryk zyn in een Jaar.
JAN.
(35) ’k Zoep idel Bremer beyr, ik slagt myn Zalig Voortje.
LEONOOR.
Van ’t alderbeste slag het minglen om een Oortje?
Ik moet bekennen, de Westfransen zyn niet zot.
JAN.
Doe Drietsak, als du bist, drief i mit mie de spot?
LEONOOR.
Wel neen; spot ik met u.
JAN.
                                      I soekt mi wat to foppen.
(40) Wie zunt veur ’t minst zu wies, as domme hosekoppen.
LEONOOR.
Ja ’k zie ’t wel aan je snuyt; je bent een snedig zwyn.
ALARDUS.
Zyn over grootvaar sprak heel prompt Hebreeus, Latyn,
En Siries, Mosambieks, Arabies, ’t kan niet missen,
Of zyn zoons zoons zoon moet ook wys zyn.
LEONOOR.
                                                                    ’k Kan’t wel gissen.
(45) Nu daar van al genoeg; kom draag het goed hier in.
ALARDUS.
Neen eerst eens drinken, of ik heb het niet in ’t zin.
LEONOOR.
Loop agter door de stal; de knegt die zal ’t u geven.
[p. 12]
ALARDUS.
Die eerst het drinken heeft bedogt, lang moet hy leven.
LEONOOR.
Loop heen, zeg ik. Daar komt de Bruid en Bruigom aan.
ALARDUS.
(50) Rep dan je schinkels, Jan; niet langer hier te staan.
JAN.
Moor zeg mi, wie scholmi betolen, veur mien drogen?
ALARDUS.
Ik, kwibus, as die bist, beheuf i dat to vrogen?
LEONOOR.
De Moffen houwen veel van ’t eedle duimekruit.
Kom draag het goed hier in, en loop dan agter uit.



TWEEDE TOONEEL.

RUDOLF, ISABELLE, LUDEWYK, ROSETTE, LEONOOR.
LUDEWYK.
(55) IK zie dan eindlyk myn geluk zo hoog verheven,
Dat ik myn Lief den hand, als Bruidegom mag geven,
Zo ’t van myn waarde Nigt wert gunstig toegestaan
De trouw-belofte van uw Vader my gedaan;
Behaagt u zulks, myn Lief, dan zal ik, vol verlangen,
(60) Het zoete ja woord uit uwe eige mond ontfangen.
ISABELLE.
Terwyl myn Vader heeft aan u zyn woord gegondt,
’t Was buiten pligt, myn Neef, dat ik zulks tegenstond:
Hy is myn Vader, en al ’t geen hy mogt begeeren
Op my, en reed’lyk is, moet ik gehoorzaam eeren;
(65) En wyl hy zulks gebied, doe ik, gelyk ’t behoort,
En hou my, als ’t betaamt, aan zyn gegeven woord.
RUDOLF.
Heer Neef, zo ’t goed geluk aan ons niet was genegen
Geweest, gy hadt uw Bruid nooit in uw arm gekregen,
Ik ben myn goed en bloed verschuldigt aan een man,
[p. 13]
(70) En ’t rouwt my in myn Ziel, dat ik ’t niet loonen kan.
LUDEWYK.
Ik schrik, wat is myn Oom en Nigt tog wedervaren?
ISABELLE.
Wanneer ik daar aan denk, dan ryzen my de haaren.
RUDOLF.
Zo als wy met myn koets van Brussel af, de stad
Antwerpen naderden, zo wierden wy gevat
(75) Van vyf struikrovers, die, als Wolven, aangedreven,
My stout afeisten al myn geld en goed, of ’t leven,
En zwoeren vorders my te hand’len als een hond,
Zo ik de Juffer met de meid niet af en stond,
’t Hart beefde my in ’t lyf; de spraak wierd my benomen.
(80) Als een braaf Edelman, daar by geval gekomen,
Ons ziende in dezen nood, straks toeschoot met ’er vaart,
En trof den eenen dat hy ruggelings van ’t Paard
Ter aarde viel, en voorts kloekmoedig by gesprongen
Van zyn twee dienaars, met geweld al d’andren drongen
(85) De vlugt te kiesen, als bloo schelmen uit ’t gevegt:
Als ik nu, na ’k myn pligt beleeft had afgelegt,
En hem omhelst had, vroeg, nadien hy, zonder vreezen,
Aan ons zo groot een proef van trouheid had bewezen,
Wat ik hem schenken zou tot loon: het was myn pligt,
(90) Antwoorde hy, te meer, wyl ik zulks heb verrigt
Voor zulk een schoonheid, dat als ik haar kon verwerven,
Ik heel gewillig in haar dienst zou willen sterven;
Zo dan myn nedrig hart, en moed aan u behaagt,
Vergun my de eer dat ik gelei deez’ schoone Maagd;
(95) Dit eisch ik, zo ’t mag zyn om mynen dienst te loonen.
Ik kon van zyn versoek in ’t minst my niet verschoonen;
Maar bad hem vrindelyk met alle eerbiedigheên,
My de eer te doen by ons in myn karos te treên.
Het welk hy deedt, en ik vernam haast onderwegen
(100) Aan zyn gelaat, hoe hy myn dogter was genegen.
Hy zat in ’t eerst bedwelmt, en roerloos als een steen.
En gaf, al wat ik vroeg geen antwoord op myn reên:
[p. 14]
Maar na een weinig tyds riep hy met groot genoegen;
ô Hemel! wat geluk komt gy my toe te voegen!
(105) Wat durf ik hoopen van dees wel begonne zaak?
Gy schenkt voor kleinen dienst het aldergrootst vermaak
Des Waerelds: wat geluk! wat aangenaam ontmoeten!
Ach schoone! mogt uw slaaf voor eeuwig aan uw voeten
Zyn min belyden die myn hart inwendig blaakt;
(110) Ik ben, met u te zien, uw onderdaan gemaakt:
Mag ik met zoete hoop my in het minste vleijen?
Maar myne Dogter gaf geen antwoord dan met schreijen.
Ik nam dan ’t woord, en deed eerbiedig hem verstaan,
Hoe my zyn Heldendaad was aan het hart gegaan;
(115) Dat ik ontwyffelbaar, zo ’t was in myn vermogen,
Voor zyne deugden, die ik met myn eigene oogen,
Gezien had, met vermaak myn dogter geven zou,
Indien zy reets niet was verbonden door de trouw,
Beloften, aan haar Neef met mynen wil gegeven,
(120) En nu na Holland trok om met dien Heer te leven.
Verschrikte een donderbuy ooit snel en onverwagt
Den Reisiger op ’t veld in ’t naarste van den nagt
Daar hy zig nergens voor het onweêr kan verbergen,
En huis nog hof verneemt, om iemands hulp te vergen,
(125) Nog banger trof dees maar den fieren Jongeling;
’t Scheen of een doodsche schrik zyn harten ziel beving:
Zyn roode wangen trots de versch ontloke Roozen,
Die in den Morgenstond op ’t aangenaamste bloozen,
Veranderden in gloed van verwen, bleek en naar;
(130) In ’t kort, hy scheen geheel en al in doods gevaar;
Maar weder wat bedaart, borst hy dus uit met klagen:
Hoe werd die schoone, die ik maar zo weinig dagen
Gezien heb, en wiens beeld reets is zo diep gedrukt
In myne ziel, zo haast daar weder uitgerukt?
(135) Dus voer hy klaagend voort, wyl wy de Stad genaken,
Wanneer hy stil bestond de Koetsdeur op te maken,
Dat niet gemerkt wierd; en terwyl hem niemant stuit.
[p. 15]
Springt hy daar zonder eens vaar wel te zeggen, uit;
Hy zette zig te paard, en riep: geheel verbolgen,
(140) Zyn dienaars, om gezwind hem op zyn spoor te volgen.
LUDEWYK.
Ik heb myn leven van geen vreemder zaak gehoort,
Zo zonder afscheid?
RUDOLF.
                                Ja geen eenig enkel woord.
ISABELLE.
Dit voed myn droefheid, om dat ik niet mag aanschouwen
Dien geenen die myn eer en leven heeft behouwen.
ROSETTE.
(145) ’k Ontken het niet, o neen, ik wensch te zyn gepaart
Met eenen van de knegts, zy hebben ons bewaart,
Toen dat vervloekte volk ons leven dagt te krenken;
Ik zou hem graag tot loon myn beste pandje schenken.
ISABELLE.
Helaas!
LUDEWYK.
            Myn lief, wat ’s dit? wat deert u, dat gy zucht!
(150) Ik zal uw droefheid wel verzagten door genugt;
Stel u gerust; gy hebt nu voor geen quaad te schromen;
Gy zyt gelukkig zulk een groot gevaar ontkomen.
Maar Oom, wat is ’t voor een, dien gy daar voor liet staan?
Hy lykt voorzeker al een wonderlyke Haan.
RUDOLF.
(155) Het is de raarste snaak; dien ik ooit van myn leven
Gezien heb; hy heeft ons daar blyken van gegeven.
Het is een viese griek, die door de studie heel
’t Verstand verlooren heeft, of wel voor ’t meeste deel.
Hy is heel vrolyk, en ook maklyk, om te dulden.
(160) Zyn inkomst jaarlyk is meer dan vyfduizend gulden.
Hy vryde na uw Bruid; maar, toen hy had gehoort,
Dat zy verlooft was, heeft hy zig geenzints gestoort,
Maar heel beleeft versogt, dat hy haar mogt geleiden,
En mêe ter Bruiloft gaan, dus is de snaak gescheiden
(165) Met ons uit Braband, na ’k had van zyn knegt verstaan,
[p. 16]
Dat hy mogt reizen, daar ’t hem luste heen te gaan.
Zo..... maar daar komt hy zelf.



DERDE TOONEEL.

KAREL, ROSANDER, RUDOLF, LUDEWYK, ISABELLE, ROSETTE, LEONOOR.

ROSANDER.
                                WAar wilt gy nu weêr heenen?
KAREL.
Naar Africa; Euroop ziet haast myn star verdweenen.
Hoe! meent gy dat ik lieg? zie hier langs deezen streek
(170) Zie ik haar schemerligt nog even doods en bleek:
Ik kan met myn gezigt haar glans niet meer ontdekken.
Zie daar de wolk, die gantsch myn lukstar zal betrekken.
Ik heb my zelfs vergeefs met ydle hoop getroost;
Maar ’k zoek myn wraak, o ja, West, Zuiden, Noort en Oost.
ROSANDER.
(175) Wat of uw zotterny op ’t laatst al uit zal werken?
KAREL.
Zo gy zulks zien wilt, kom maak los myn taaye vlerken,
Die my de Liefde tot myn leet heeft vast gesnoert;
Dan werd myn Wraak ter stond in alles uitgevoert.
Ik zal de Hemelen uit hunne Spheeren wrikken;
(180) Dat de Elementen en Planeeten voor my schrikken;
’k Verwurg de Beeren, tai van halzen, aan een strop,
En wring de horenen der stieren van hun kop;
Ik zal den Waterman zyn kruik zo uit doen lekken,
Dat hy zyn bokke Baart van boosheid uit zal trekken.
(185) Dat alles voor my schrik, ik zal de scherpe Kreeft
Zyn schaaren stompen, dat die lompe Schutter beeft;
Ik zal zyn boog en pyl vernielen en verbreeken,
Den Evenaar, daar valt nu van geen regt te spreken,
Nu dat myn Minnares my te onregt werd ontrooft.
(190) Door my werd die poltron, ’k meen Mars, van een geklooft,
[p. 17]
Ik zal zyn schoone smots, ’k meen Venus uit gaan stryken,
Dat zy zal schrikken, om voor eeuwig op te kyken:
’k Heb van dat snood gespuis al smaad genoeg geleên.
Sol en Mercuris jaag ik dwars door ’t waaygat heen.
(195) Ik wil langs Pelion en Ossa opwaarts stygen,
En kan ik Jupiter daar by zyn wambus krygen,
Dan zal ’t hem even eens, als Faëton, vergaan,
’k Zal hem doen plompen van om hoog in de Eridaan;
Onlydelyk gespuis, gy zult my niet meer quellen,
(200) ’k Zal op uw kramery haast andere order stellen,
Als ik u by kom.
ROSANDER.
                          Maar wat maakt u zo verwoed?
Wat hebben zy misdaan?
KAREL.
                                                          Tegens Leonoor.
                                        Nu ben ik al weêr goed:
Door ’t minste lonkje van dees alverquikkende oogen
Voel ik myn gramschap in een oogenblik vervlogen
(205) O kleine schender! die het alles blaken doet,
Wat werkt uw hertstogt niet al stryd in myn gemoed!
Hoe hebt gy met uw schigt myn staale borst doorschoten!
LEONOOR.
’t Zal wis zyn hoofd zyn; want zyn pan is niet gesloten?
Dit ziet ’er geestig uit van boven tot de schoen,
(210) Hy ’s in een kuip gedoopt geloof ik vol spaans groen.
KAREL.
Ha! ha! heb ik u hier. kom herwaarts, schoone taalje,
Audi, cum venia.
LEONOOR.
                            Kom herwaarts, of ik haalje,
Kom an; al reeman, als je wilt; ik looff gewis
En zeker, dat die knegt wat hiet gebakert is.
KAREL.
(215) Hoe Drommel is het hier! of zoekje my te scheeren?
’k Zeg, dat gy komt, het is myn Graaflykheids begeeren.
[p. 18]
Groet my eerbiedig; zoo; kom, geef my nu een soen.
                                                        Leonoor groet hem.
LEONOOR.
’k Heb geen occasie; ’k zou het anders gaarne doen.
KAREL.
Een kus te weigeren! ik zeg, ’t is zeker schanden.
LEONOOR.
(220) ’k Moet na de keuken, of myn speenzwyn zou verbranden.
RUDOLF.
Cousyn, spreek hem eens aan.
LUDEWYK.
                                                Gy zyt hier welkom, Heer.
KAREL.
Zulks wist ik, eer ik quam, een stoel! een stoel!
LUDEWYK.
                                                                            Zit neêr,
Myn Heer, gy doet zeer wel.
KAREL.
                                            Voor zeker wil ik hoopen:
’k Heb in een half uur wel twaalef myl geloopen,
(225) En nog werd my in huis geen stoel gepresenteert.
Ik heb myn leven by geen botter volk verkeert.
LUDEWYK.
Gy doet my vriendschap, Heer, dat gy me komt bezoeken.
Waar komt, myn Heer, van daan?
KAREL.
                                                    Uit alle vier de hoeken
Van ’t aardryk, daar al ’t volk van daan komt van myn zoort.
LUDEWYK.
(230) Ik zal ’t geloven, maar ik heb zulks nooit gehoort.
KAREL.
Dat is geen wonder, hoe! wout gy juist alles hooren!
Dan hadt gy aan uw kop wel nodig tien paar ooren.
Ik weet wel dingen, daar gy niemendal van weet,
Ik ben een Philosooph, Waarzegger, en Poëet.
(235) Och! ik weet wonderen, maar zal ze wel verzwygen,
Gy waant nu, dat gy zult dees schoone Juffer krygen;
[p. 19]
Gy zyt met deze hoop geweldig in uw schik,
Maar, Vrind, gy krygt ze niet.
LUDEWYK.
                                                Wie anders, zeg eens?
KAREL.
                                                                                    Ik.
Ik.die in fierheid tart den grooten Alexander,
(240) In trouwe liefde wyk ik geenzins voor Leander,
’k Ben in de minnerye een wonderbare geest,
De groote Naso is myn Pedagoog geweest:
Wie weet niet, hoe veel stuks Princessen en Mevrouwen
Van hartseer sturven, om dat ik haar niet wou trouwen?
(245) Ik vlieg om de Aardkloot met myn uitgetoge zwaard;
Ik puf Held Perzeus met zyn snel gevleugeld paard;
’k Ontzie geen Woesteny, nog rots nog style baren;
Om myn Andromeda, die schoone, te bewaren.
LEONOOR.
Och arme hals! waar zit uw schoonheid tog geboeyd?
KAREL.
(250) Ik zou verzoeken, dat gy u daar niet meê moeit,
Indien gy maar niet wilt, dat gy ’t u zult beklagen,
Gy moet den Akkergraaf wat meer ontzag toedragen.
Gy weigert my een kus? daarom al snaps genoeg.
Jou moêr is van een Bok verschrikt, toen zy u droeg,
(255) En daarom zieje zo wat bokkig uit uwe oogen.
LEONOOR.
Myn groene Ridder! och! je bent gewis bedrogen.
Myn moêr zou van een Bok verschrikken, slegt bescheit.
Lyk ik een Bok! dat ’s mis,’k lyk beter na een geit.
LUDEWYK.
Nu Leonoor, genoeg: zwyg stil; hoe zal ’t hier wezen!
KAREL.
(260) Kom ik die meid op ’t lyf, gantsch ligters! zy mag vrezen.
Ik duw haar met myn pook, zo ’k boos word, door en door,
En ’t scheelt my niet een haar, van agteren of van voor.
[p. 20]
LEONOOR.
Begin maar, hebje ’t hart.
LUDEWYK.
                                        Sluit toe uw stoute kaken.
KAREL.
Myn Heer, ik doe ’t maar, om de meid wat bang te maken.
(265) Och! stel u maar te vreên; ik zal haar niet misdoen.
Kom, Leonore, geef Don Pedro dan een zoen,
Wy zullen voor altoos een vaste vrede sluiten,
Of ’k hak u anders van het hoofd tot aan uw kuiten.
LEONOOR.
Jawel, jy lyktze wel; je bent een raare knaap.
(270) Ik kuste liever ’t gat van een geschoren Aap
Als zulk een knevelbaard; ja ’t zou my meer behagen.
De kinderen, zou men wis met u na bed toe jagen.
KAREL.
Jou rontom lelyk, stelt gy my hier dus ten toon?
Ik ben veel schoonder als Narcissus of Adoon.
(275) Myn trotze knevels, zeg, zyn die van klei gebakken?
LEONOOR.
Die zyn heel goed voor ons Diaantje om in te kakken.
KAREL.
Wat slaat dit kleed my fraai! hoe geestig zwiert myn pluim!
Ha! poe! poe! ha!
LEONOOR.
                            Ik bid, ei vrienden, staat wat ruim,
Hy zou u zekerlyk âars op de toonen treeden.
KAREL.
(280) Wat ben ik wel gemaakt! hoe proper zyn myn leden!
’t Is alles, of het op een draaibank was gedraait.
LEONOOR.
Ja, of het door den wint was aan malkaar gewaait.
’K zeg dat het altemaal wel wonderbaarlyk schoon is;
Is zulks niet waar, myn Heer, Narcissus of Nardonis,
(285) Of kaai van Amisfoort?
KAREL.
                                              Dat is heel welgezeid,
[p. 21]
Hoe weet je ’t Leonoor! wat bruid me deze meid!
Of kan je toveren?
LUDEWYK.
                              Myn lief, laat ik u leiden.
Ik zal tot onze trouw op ’t spoedigft doen bereiden,
Wat daar toe nodig is, myn Heer, vergun my de Eer
(290) Van uw byweezen.
KAREL.
                                      Goed; zulks zal geschiên, myn Heer.
Ik volg u zo terstond.



VIERDE TOONEEL.

KAREL, ROSANDER.

KAREL.
                                        HOe tzidderen myn leden!
Daar duikt myn Zon; van my gelieft, ja aangebeden.
Hoe treft de Hemel my met zulk een zwaren slag,
Dat ik beminnen moet, die ik niet minnen mag.
(295) Wat zie ’k, Rosander!
ROSANDER.
                                            ’t Eind van al uw sotternyen.
KAREL.
Schoon ik haar missen moet, ik durf my egter vleyen,
Dat zy my mind.
ROSANDER.
                          ’t Zy zo, maar weinig t’uwer baat,
Wyl zy gaat trouwen met een ander.
KAREL.
                                                          Ach wat raad?
ROSANDER.
Rosette heeft verstand. Laat ik me aan haar ontdekken;
(300) ’t Zal mogelyk uw min, en my tot voordeel strekken.
Ik min haar, als gy weet, maar daar ons niemand kent,
Daar vinden wy nooit hulp, nog troost in onze elend.
KAREL.
’t Is wel; ik sta ’t u toe, maar zonder my te melden;
[p. 22]
Ik zal met al myn hart uw dienst hier na vergelden:
(305) Zyt my getrouw; myn hoop leit anders heel in de as.
ROSANDER.
Zo trouw als Pilades ooit zyn Orestes was.
’k Zal door Rosette, Heer, op ’t aldernaauste weten,
Wat in ons poogen mag of voor, of nadeel heeten.
Maar heeft uw Zuster van uw komst geen kennis Heer,
(310) Hier in den Haag?
KAREL.
                                      ô Neen, de zaak is nogh te teêr.
Zo zy zulks wist, ik zag myn toeleg omgestoten.
Gy weet, Rosander, wat ik heb voor vast besloten;
Ik schaak de Juffer, zo haar min my gunstig is.
ROSANDER.
Ik zie een anderen weg, zo ik my niet vergis.
(315) ô Liefde! heeft uw gunst voor ons iets goeds beschoren,
’k Rigt u ter eere een zuil als de alderhoogste tooren.

Einde van het Eerste bedryf.

Continue
[p. 23]

TWEEDE BEDRYF.

EERSTE TOONEEL.

ISABELLE, ROSETTE.

ROSETTE.
MEjuffer; zo ’t mag zyn, ik bid u, volg myn raad.
ISABELLE.
Die heeft heel weinig klem in myn bedroefden staat.
Hoe zal ik toch gerust met een in de Egt gaan leven,
(320) Die my nooit blyken van zyn liefde heeft gegeven?
ô Neen; Rosette, ’t kan niet zyn; ik wraak dien geen,
Die om myn weêrmin nooit gezugt heeft nog gebeên.
ROSETTE.
Gy hebt zelfs toegedaan als Bruigom, hem te groeten.
ISABELLE.
’k Dagt niet,dat ons op reis dit voorval zou ontmoeten.
(325) Ach! myn Verlosser speelt geduurig in myn zin.
Hy is, hy is alleen het voorwerp van myn min:
’t Verliezen van dien held komt my op ’t hart te drukken;
Ik kan dat denkbeeld nooit uit myn gedagten rukken.
Zo wel geschapen! zo vol moed! zo vol van trou!
(330) Zy zal gelukkig zyn, die de eer heeft van zyn vrouw
Te werden; wreed geval! zal ik dan moeten lyden,
My voor altoos te zien van zulk een held gescheiden?
Hoe kort heeft my ’t geluk met ydle hoop gevleit!
Ik zie, ik min, en ik verlies hem op één tyd.
ROSETTE.
(335) Maar is ’t geen zotterny, een voorwerp te beminnen,
Dat met geen weermin ooit kan streelen onze zinnen?
Wat reden hebt gy, dat gy stadig steent en zugt
Om een, die als de Wind is van u afgevlugt?
ISABELLE.
Deed hem myn Vader niet, of is u zulks vergeeten,
(340) Wanneer hy om my bad, dat ik verlooft was, weeten?
Hy ’s buiten reden niet zo schielyk weg gegaan;
Zyn edelmoedigheid heeft hem hier toe geraân.
[p. 24]
Die my verloste, had my anders niet verlaten.
ROSETTE.
Ik min zo wel, als gy, maar zeg, wat kan ’t my baten?
(345) Die knegt, die voor ons heeft de dood zelf uitgetart,
Zou ik beminnen, zo ik mogt, met al myn hart;
Ja ’k blaakte mogelyk, gelyk een Salamander,
Maar nu ’t niet wezen kan, patiencie; weer een ander.
ISABELLE.
Ik merk, dat Robbert u heel vierig heeft bemindt.
ROSETTE.
(350) Wat zou ik met hem doen? de karel is half blind;
Maar wat zyn Deugd belangt, die wil ik niet veragten,
Was hy de knegt van hem, die zo onze eer betragten,
Dan wierd ik mogelyk van liefde stekeblind,
Maar ’k ben van deze hoop, zo ’t schynt, gemaakt steekind.
ISABELLE.
(355) Helaas!
ROSETTE.
                      Uw droefheid schynt gebonden aan de reden!
Maar nu het anders niet kan wezen, zyt te vreeden.
Hy, die het alles door zyn scherpe tanden slyt,
Zal deez gedagtenis meê slyten, ’k meen de tyd;
Uw Bruigom zal uw pyn en droefheid wel verzagten.
ISABELLE.
(360) Zwyg stil, Roset, gy moord myn edele gedagten,
Terwyl ik niet van hem kan hooren, dan met leet.
Gy zult my volgen, want ik maak my voort gereet
Dees min te ontvlugten, die ik geenzins kan verdragen.
ROSETTE.
’k Zou zulk een zwaren kans met u niet durven wagen;
(365) ’k Begeef my niet met u op zulk een spoorloos pad.
Wie weet, of ik in ’t kort niet in het Spinhuis zat;
Door last van uw Papa, voor zulke slimme streeken,
En u in ’t beterhuis voor uwen misdaad steeken.
ISABELLE.
Staat dan de keur niet vry aan eene, die bemind?
[p. 25]
ROSETTE.
(370) O ja! maar d’uitkomst is veel losser, als de wind,
Al onze pogingen zyn ydel en verwaaten.
Het huwlyk is alleen aan ’t noodlot toegelaten;
Wie ons beschooren is, die zal ons niet ontvliên.
De liefde is blind; gy lieft, dien gy nooit weer zult zien.
ISABELLE.
(375) Daar ’s niets onmogelyk.
ROSETTE.
                                                Zulks zal ik nimmer wraaken.
De Hemel kan by ons ’t onmooglyk, mooglyk maaken.
ISABELLE.
Laat ons hem zoeken, die zo dier ons heeft verknogt.
ROSETTE.
Dat was een klyne luis in een voer hooi gezogt.
ISABELLE.
Hoe werd ’er uitkomst in myn droeven staat gevonden!
ROSETTE.
(380) Uw Lief te trouwen, daar gy dier aan zyt verbonden.
ISABELLE.
Rosette, ’t kan niet zyn; ’t stryd tegens myn gemoed.
ROSETTE.
Een nagt byslapens maakt die heele questie goed.
ISABELLE.
Zoo weet gy, dat die zaak ’t verschil ter neêr kan leggen!
ROSETTE.
Juffrouw, in ’t minste niet; maar ’k heb ’t wel hooren zeggen.
ISABELLE.
(385) Indien gy zulks niet weet, waarom ’t my dan geraân?
ROSETTE.
’t Is raadzaam, dat men kiest het beste van twee quaân.
ISABELLE.
Als ik myn zelve zoek, is dat zulk quaad verkiezen?
ROSETTE.
Gy zult hem zoekende u zelve wis verliezen,
’t Is immers beter na het algemeen gerugt
(390) Eén vogel in den hand, als twee paar in de vlugt.
[p. 26]
Daar komt Don Pedro weêr bezie dien snaak der snaken.
ISABELLE.
Zyn boertery kan my op heden niet vermaken.



TWEEDE TOONEEL.

KAREL, ISABELLE, ROSETTE, ROSANDER.

ROSETTE.
MYn Heer, den Akkergraaf, hoe is ’t? hoe gaat het al?
KAREL.
Zo als het voormaals ging, zo tusschen wys en mal.
(395) Ik weet niet, wat voor my het best zal zyn na dezen,
Eens wys te werden, of voor altoos gek te wezen!
Die wys is, voelt het leet, het geen hem vaak ontmoet,
Daar ’t aan een dommen Gek in ’t minst geen hinder doet.
Het geld heeft dit verschil zo overhoop gesmeeten,
(400) Dat Wysheid zotheid moet, en zotheit Wysheid heeten.
De Vogelaar zat min te fluiten op het Net,
Indien de geldzugt dit niet open had gezet;
De honden zouden na de Hazen minder loopen,
Zo men de Hazen niet kon voor goed geld verkoopen;
(405) Geen deugd, maar ’t geld alleen, geeft veele slegts plaizier.
Wat tapt de Waereld buiten ’t geld, als bitter bier.
Het gelt kan de ondeugd zelf in eer en waarde houwen;
De schoonste Juffer moet veeltyds een Buffel trouwen,
Of Bok, om dat zyn kas voorzien is met veel geld.
(410) Is dit de waarheid niet, ’t geen ik daar heb gemeld?
Is ’t geld geen meester?
ROSETTE.
                                    Ja voor zeker, wel te weeten.
KAREL.
Al ben ik zomtyds van een gekken droes bezeten,
Ik weet myn weetje wel.
ISABELLE.
                                      Helaas! het is my leet,
Dat ik de gierigheid van mynen Vader weet;
[p. 27]
(415) Wyl hy my daarom parst, om met myn Neef te trouwen.
KAREL.
Vervloekte dwang! waar voor een Turk behoord te grouwen.
Wat Raad?
ISABELLE.
                Gy zugt, myn Heer, wat deert u, dat gy treurt?
KAREL.
Om dat my eene zaak heel droevig is gebeurt,
’k Zag laast een Duifje van een Haviks klaau gegrepen,
(420) Ik quam den Rover op; hy ziende zig benepen,
En fel besprongen, slaakt het diertje; ’k vlei het zagt,
En zogt het op myn slag te wennen, onverwagt
Vond ik my jammerlyk in myne hoop bedroegen;
Wyl ik het streelde en strookte, is ’t van my afgevlogen.
(425) Nu zwerft het om my heen, terwyl ik treurig zit.
ROSETTE.
Hoor, als je ’t weêr krygt, steek het dadelyk aan ’t spit.
Dan zal ’t u zekerlyk daar na niet weêr ontvliegen.
KAREL.
Die Raad is goed, ik zal ze volgen zonder liegen;
Maar ’t middel daar toe is my ganschlyk onbekent.
(430) Een ander heeft myn Duif maar al te vast gewent.
ISABELLE.
Ik kan uit dit verhaal, Heer Akkergraaf, niets vatten.
KAREL.
Gy kunt, indien gy wilt; ’t zyn geen verborge schatten;
Zo gy maar eens een dag of tien te rugge ziet.
ISABELLE.
Ik voel door deeze reên een Doodelyk verdriet.
(435) Wat of dit Schepzel met dit voorval dog wil zeggen?
ROSETTE.
’t Zyn mymeryen; dat is makk’lyk uit te leggen.
KAREL.
Al myn vermaak is weg. Is ’t mogelyk!
ROSETTE.
                                                              Wat een struif!
Voor tweepaar blanken krygje weer een andre Duif.
Je hoeft om dit verlies zo treurig niet te wezen.
[p. 28]
KAREL.
(440) Ik mis u dan zo dra, myn Lief, myn uitgelezen!
ROSETTE.
Och! had je ’t Beest zo lief? dat spyt my in myn hart,
Wat was ’t? een Kropper met een opgezette start?
Of was ’t een Pagadet? of Tuimelaar?
ISABELLE.
                                                            Zyn zeggen,
Na ik bespeuren kan, is anders uit te leggen;
(445) ’k Geloof een Minnares hem stadig speelt in ’t hooft,
En dat hy daarom van zyn zinnen schynt berooft,
’k Heb hem daar van op weg al dikwils hooren maalen.
ROSETTE.
Wie zou zyn Liefde dog met wedermin betaalen?
Hy zou verlieft zyn! wel, dat vind ik ongemeen,
(450) Als Gekken vryen, dan kryg ik ’er ook wel een.
Daar komt u Vader



DERDE TOONEEL.

RUDOLF, ISABELLE, KAREL, ROSETTE, ROSANDER.

RUDOLF.
                            WEl myn kind hoe staan de zaken!
Kan u Don Pedroos geest een weinigje vermaken!
Is hem het voorval, ’t geen ons is gebeurt, bekent?
KAREL.
Alleen aan my niet, Heer, maar tot aan ’s Waerelds end,
(455) Ik heb my wonderlyk in dit geval gekweeten.
ROSETTE.
Hy meent aen Tafel, Heer, met drinken en met eeten,
Of met een pyp Tabak te smoken.
RUDOLF.
                                                      Hou den bek.
KAREL.
Dat slimme Varken scheert altyd met my den gek,
Maar ’k zal haar zekerlyk betaalen voor haar scheeren,
[p. 29]
(460) Zo dra als ik weêr in myn Graaflykheid zal keeren.
Zy hoond myn Achtbaarheid, van Adams tyd bekend,
Tot heden op dees dag, voor loflyk, ongeschend.
’k Zal dan die smoddermuil betaalen voor haar liegen.
ROSETTE.
Dat heb je al zo vast, gelyk een hand vol vliegen.
(465) Maar evenwel, myn Heer, zo ik my heb misgaan,
’k Bid zyn Genaden om Pardon.
KAREL.
                                                    Wel, ’t is gedaan.
Fiat op uw Request.
RUDOLF.
                                Maar ’k wenschte wel te hooren
Myn Heer, den Akkergraaf, waar dat gy zyt gebooren?
KAREL.
Wel Heer Rudolfus, kan ik u daar dienst meê doen,
(470) Ik ben gebooren op een wonderlyk fatzoen.
’t Vermaarde Koninkryk, Galissië geheeten,
Het welk altyd van ouds van Graven wierd bezeten,
Wanneer dat Gundinor, beheerscher van dit Ryk,
Bleef droeve Weeuwnaar van zyn tweede Huwelyk,
(475) Uit welk een Huwelyk de Infame is voortgesproten
Thedomira, die daar na nog heeft genoten,
De naam van Libia, een Edelman aan ’t Hof,
Genaamt Tessander kreeg door zeer groote eer en lof,
En liefde by de Infante een ingang; zonder schroomen.
(480) Durf ik u zeggen, dat ik zelfs ben voort gekomen
Van dees verzaaming, maar wat baart de Liefde al list!
Ik wierd gebooren daar myn Moeder niet van wist.
ROSETTE.
Hoe wist jou Moêr zulks niet! wie hoorde ooit van zyn leven!
KAREL.
Een lapsis lingue, hoor, dat moet je my vergeeven.
(485) Weet, de yver van ’t verhaal my wat te heevig drong.
ROSETTE.
Dan was het, na ik hoor, een piskreuk in je Tong.
[p. 30]
KAREL.
Ja ’k meen myn Vader: nu ik wierd dan stil gebooren
In de armen van die geen, die daar toe was gekooren
Van myne moeder, die haar datelyk beval,
(490) Om my te brengen by myn Oom in ’t naaste dal,
Niet verre van de stad in digt geboomt gelegen.
Hy had reets kennis van ’t kabouter werk gekregen
Door een geheime brief, aan hem ter hand gestelt,
’T welk heel ordentelyk myn vroedvrou wierd gemelt,
(495) Om niet te missen in het geen was uitgevonden,
Na dat ze my heel digt had in haar schoot gewonden,
Om my te brengen by myn Oom, voorheen gemelt,
Zo ziet ze door de Tuin, verschrikt en gantsch ontstelt,
Myn Grootvaar naderen; zy heel bedugt voor ’t vragen,
(500) Wat dat zy droeg, vloog snel ter zyde door de hagen,
Daar vond ze een open deur, die aan de hooft Rivier
Zyn uitgang had, daar stond toen ’t arm onnozel dier
Met my op ’t alderhoogst bekommert en verlegen
En gantsch niet wetende, om vorder raad te plegen;
(505) Wyl haar de wanhoop ’t een en dan het ander riet,
Zag zy een oude mand van verre in het verschiet,
Waar in ze my verborg, en bang voor meer gevaren,
Vertrouwde zy de mand met my aan Wind en Baren.
De Cristalyne vloed ontsloot haar gladde mond
(510) En slokte met een hap my met de korf te grond.
De Vlietgodinnen my straks na haar wooning bragten,
Hoe, spotj’ ’er mee?
                                                                    Rosette lacht.
ROSETTE.
                                Wel neen.
KAREL.
                                                My dogt nogtans gy lachten,
Gy hoond myn Achtbaarheit, jou looze Tote-bel,
Het zyn geen sprookjes van ’t Roodkousje, die ’k vertel,
(515) Van Uilespiegel, nog van klyne bittebaauwen
Aalruintjes unjers nog pisdiefjes, scharp van klaauwen;
Maar zuivere waarheid.
[p. 31]
ROSETTE.
                                      Ik geloof het altemaal.
KAREL.
Zy bragten my terstond in haar Cristalle zaal,
Van vrouw Natuur geschikt, en aardig uitgevonden,
(520) Daar zy zo aanstonts my uit al myn lappen wonden,
Wyl elk op ’t hoogste smaak in myne schoonheid vond:
De een kuste my de hand, een ander voor myn mond,
Een derde voor...
ROSETTE.
                            Je naars, geloof ik, ’t zal zo wezen.
KAREL.
’k Had niet een ding aan ’t lyf, of ’t wierd van haar geprezen,
(525) En gantsch volmaakt geschat van boven tot beneên;
In ’t kort, ik wierd van haar bemind en aangebeên,
Ik zag een heldre glans rondom my heenen schynen
Van Diamant, Saphier, Turkooyzen en Robynen,
Topas en Esmarout, de Paarlen zonder snoer,
(530) Die rolden door de zaal, als knikkers, langs de vloer,
Myn oogen schemerden door al de tintel vieren;
Van alles dat de konst op aarde kan vercieren;
Daar hing een fraye kroon uit Diamant gedrilt,
Daar de arbeid duizend Jaar, ja meer had aan verspilt,
(535) Men trad op griselet, op onex en koraalen,
’t Oneindig Zeegewas uit Anbons water saalen
Was hier by een gebragt, kokwilyes pausse kroon,
En Bisschops Meiters, ’t geen ’t vermogen stelt ten toon
Van Baas Nephteunis, ja het krielt daar, moet je weten
(540) VanVliegen, Muggen en van schoone Vlooje scheeten,
Bagyne drollen, Pan en ook bruine Olykoek,
Van Stormhoeden en Trompetten, groot en kloek,
Van Wenteltrappen, parspective en gladde toten,
Van knobbel hoorens en schietspoelen, klyne en grooten,
(545) Lap hoorens, moerby, en bruinetten, hanekam
Belhoorns,Trommel schroef, musiek, zo wild als tam
En duizend andere meer, daar ’t oog in zou verdwalen
Zo prinse vlaggen, als kroonhoorns, Admiralen,
[p. 32]
Soldaate, zilvermonde en goude krab en kreeft
(550) En spinnekoppen.
ROSETTE.
                                      Of dit nog geen eind en heeft?
KAREL.
Voet hoorens, Verkens snuit, Schilpadden en kemphaanen,
Grisanten, tepelbak, Wolkhoorens, Morianen,
En Duizend beenen, snep, tabaks pyp, bezuar,
Noutiljes, doekenhuif, zee appels, morgen star,
(555) Gebande toten, met een glans als goud daar tusschen,
En Venus kousjes, die wel waart zyn om te kussen,
Zo geestig heeft Natuur haar in het ligt gebragt,
En duizend andere meer, heel hoog en dier geagt,
Zyn daar te vinden, als ey schelpen, sonne straalen,
(560) En bontemantels, die men heel duur moet betaalen,
Coraaldublet, en a, en strik en Lasarus klap,
Sint Jacobs schelpen met Nephteunis mus of kap,
In ’t kort het is daar vol oneindige çieraden,
Men zou een konings Hof om ’t stroompaleis versmaden
(565) ’t Is ongelooflyk schoon, de wanden en de vloer
Zyn konstig ingeleid met Goud en Parlemoer,
’t Welk daar een losse ziel heel konstig eertyts maakte;
Daar ziet men, hoe Nepthun zyn Amphetrite schaakte;
Een Zeebatalje vol verwoedheid door en door,
(570) Daar Galen sneuvelden, Piethein zyn been verloor.
Gins Vigos in den brand, daar zag men onder ’t landen
Van Hollands Admiraal de Franse Zon verbranden,
Enfin daar is gansch niet, als ’t geen het oog vermaakt.
RUDOLF.
Heer Graaf, hoe zyt gy uit dat stroom paleis geraakt?
KAREL.
(575) Ik zal ’t u zeggen, na dat ik drie hondert Jaaren
Daar had gewoond, wou zig de Liefde eerst openbaren,
Die ik droeg in myn borst, en toonen dat haar magt,
Zo wel in ’t water, als op de aarde heeft haar kragt,
Want Annagersia de schoonste van de Maagden,
(580) Die zelf aan Vader Zil het aldermeest behaagden,
[p. 33]
Had met een vriendlyk oog myn hart heel diep gewond,
En wyl ik gansch geen raad voor myn geneezing vond,
Nog ook geen uitkomst zag, om immer troost te vinden,
Om dat haar de oude gek, zo wel als ik beminden.
(585) Maar eer wy vorder gaan, myn Heer Rudolfus, weet,
Dat de eerste in ’t stroom Paleis Cil door zyn doopnaam heet,
’k Verkropte dan myn smart tot in myn ingewanden,
Maar ’t schynt ’t verhoole vuur het alderfelst wil branden,
Wanneer het uitbarst; want ’t was niet dan vuur en vlam,
(590) Al wat ’er uit myn mond, en uit myn oogen kwam,
De Vissen wierden door de gloed zo swart als Nikkers.
ROSETTE.
Wat stoot je al uit jou kop, o Keuning van de kikkers.
KAREL.
Myn Minnares wierd haast dit hevig vuur gewaar,
En ’t toontje, dat zy sloeg, was op dien zelfden snaar,
(595) Als ’t myne, maar wat raad! wy mogten ondertusschen,
Zo maar ter loops alleen malkanderen eens kussen.
Dit was, ’t geen ons de min op dien tyd heeft gegond,
Tot dat ik eindlyk eens myn Lief alleenig vondt,
Hoe wel ’t my slegt bequam, dat wil ik gaarne weeten.
ROSETTE.
(600) Ik denk als ’t hontje, dat de Worst had opgegeeten.
KAREL.
Het scheen, dat Vader Cil eens heel genegen was,
Muziek te geven in zyn klaare water plas;
Daar kwam een groot getal van Watermans en Vrouwen,
Maar Annagerzia bestond zig ziek te houwen,
(605) Om tuis te blyven in ’t Kristalle waterbad,
Na dat ze my voor af een wenk gegeven had:
Ik luisterde in ’t begin heel vlytig na het speelen,
En zingen, maar in ’t kort begon ’t my te verveelen,
Als of ik aan myn kop twee Eezels ooren kreeg,
(610) Want die bemind, die heeft in al ’t vermaak geen deeg,
Als ’t geen de min betreft, ’k ging dan de miene maken
[p. 34]
Als of ik luisterde om maar stil van daar te raken,
En eindlyk droop ik weg, van het gezelschap af,
’t Welk Vader Cil terstond heel kwa gedagten gaf,
(615) Wyl hy het merkte, maar wie drommel zou het droomen,
Dat hy heel stilletjes my agter na zou komen,
Daar ik myn Engelin in als bekoorlyk vond;
Ik zag het bloozend rood verdubb’len op haar mond,
Ik zag haar boezem door twee zagte golfjes leven,
(620) Daar ’t lugtig kleed, van goud en zomerdraad geweven,
Op speelde door een swoele en flaauwe Zuide wind,
Gedreeven op en neêr; myn oogen wierden blind,
Door ’t zien van zulk een Beeld, waar in al ’t schoon ten toon leid,
O Venus! schoon uw glans van niemand smaad of hoon leid,
(625) Gy moet bekennen, ja zelf buiten hoon en smaad,
Dat Annagerzia u ver te boven gaat;
Maar ’t spyt me, dat myn min en haare zo mislukt is.
ROSETTE.
Hy leest nog schryft niet, maar liegt even of ’t gedrukt is.
KAREL.
De Liefde was by na by ons in volle kragt,
(630) Met kwam de gryze bol heel stil en onverwagt,
En gaf me een harde klap van agtren voor myn snater
En maakte voort geswind een draaikuil in het water,
’k Bad om vergiffenis, maar och ’t was al om niet,
Hy greep my by het haar, o lydeloos verdriet!
(635) En hy volbragt terstont aan myn zyn resolutie.
ROSETTE.
Dat was, na ik geloof, een schriklyke executie.
KAREL.
Na dat hy dan een gat in ’t Water had gemaakt,
Gaf hy me zulk een hort, daar nog myn lyf van kraakt,
Dat ik van onderen na boven kwam gevlogen,
(640) Zoo snel dat alles groen en geel wierd voor myn oogen:
Kort om ik vond my zelf na ’t aangedaan geweld,
Zoo dra ik toezag in een pietercely veld,
En daarom heb ik in myn Doopceel laten schryven,
[p. 35]
Don Pietercely, en die meen ik ook te blyven.
(645) Wat dunkt u Heer, van myn geboorte?
RUDOLF.
                                                                Meer als braaf.
ROSETTE.
Hier heb je ’t leven en bedrijf van de Akkergraaf,
Die zoo onmenschlijk uit zyn wooning wierd gesmeeten.
Een story daar nooit kat of hond van heeft geweeten.
RUDOLF.
Lang leeft den Akkergraaf, dat onwaardeerlyk ligt.
KAREL.
(650) Don Pietercely blyft u tot ’er dood verpligt.
Myn Heer Rudolfus, ’k wensch u altoos wel te vaaren,
En dat ik eindlyk met uw dogter nog mag paaren.
RUDOLF.
Gy zyt, na ’k heb gehoort, al reedlyk oud, myn Heer.
KAREL.
In ’t bloeije van myn Jeugd vyf hondert Jaar, niet meer.
ROSETTE.
(655) Dat is zo byster niet, myn Juffer zal na dezen,
Wanneer zy met hem troud Gravin van d’ Akkers wezen,
En ’t pietercely veld.
KAREL.
                                  Gy hebt gelyk Rozet.
ROSETTE.
Indien ’t myn staat was, ’k ging zo straks met hem na bed.
RUDOLF.
Ik ga, myn dogter, ’k moet iets in den Haag verrigten,
(660) Maar kom zo daatlyk weer, ’t zyn zaken van gewigten.
Don Pedro Heer, vaar wel; zyt van uw Vriend gegroet.
KAREL.
Vaar wel Rudolfus; dat Saturnus u behoed.



[p. 36]

VIERDE TOONEEL.

ISABELLE, KAREL, ROSETTE, ROSANDER.

ISABELLE.
VAar wel doorlugte Graaf.
KAREL.
                                            Vaar wel myn schoone Lely.
ISABELLE.
Vaar wel Heer Pedro, Vrind.
ROSETTE.
                                            Vaar wel Don Pietercely.
ROSANDER.
(665) ’k Moet dees gelegentheid waarneemen; ’k bid u, ga,
Ik zal haar spreeken, Heer, ’t wierd anders ligt te spa.



VYFDE TOONEEL.

ROSANDER, ROSETTE.

ROSANDER.
MAg ik u voor het laast nog iets te vooren leggen?
ROSETTE.
My beter, als de Prins, wel nu, wat wil je zeggen?
ROSANDER.
Gy weet, dat ik u min.
ROSETTE.
                                    O ja, en ’t is my leed,
(670) Dat gy uw Liefde aan my hebt vrugteloos besteed;
Want ik meen, als voorheen, altyd myn woord te houwen;
Dat is, dat ik nooit zal een schoppen éénoog trouwen.
ROSANDER.
Zo schort het, na ik hoor, alleen aan myn gezigt,
Daar gy zo dierbaar aan myn Liefde zyt verpligt.
ROSETTE.
(675) Hoe! ik aan u?
ROSANDER.
                                  O ja! en mooglyk eer en leven.
[p. 37]
ROSETTE.
Door welk een zotterny werd toch uw bryn gedreven?
Ben ik aan u verpligt? wel Robbert, benje slegt?
Maar ’t is, als ’t spreekwoord zyt, zo Meester, zo de knegt;
Jou baas zyn zinnen, vrind, die loopen byster speulen,
(680) En na ik merk, gy hebt een klap weg van de Meulen,
Je revelt, Robbert; dit getuigt uw malle praat.
ROSANDER.
Wat zal ik doen?
ROSETTE.
                          Och vrind, daar is voor u geen raad.
ROSANDER.
Zulk antwoord kreeg ik niet, toen ons de kans gelukte,
Daar ik u uit de klaau van felle Tygers rukte.
ROSETTE.
(685) Ik ben myn leven in geen Tygers klaau geweest.
ROSANDER.
Maar wel van Rovers, toen gy gansch verschrikt, bedeest,
Myn handen kuste, om my uw dankbaarheid te toonen,
En trouwlyk zwoer, dat gy myn grooten dienst zoud loonen.
Kent gy my nu?
ROSETTE.
                        O ja.
ROSANDER.
                              Waar voor tog?
ROSETTE.
                                                    Voor een schalk:
(690) Die my verloste, had twee oogen, als een Valk,
In ’t voorhoofd, daar gy ’t één hebt in de kryg verlooren.
ROSANDER.
Als ik twee oogen had, zou ik u dan bekooren?
ROSETTE.
O neen, ten zy gy waart die geene die gy zegt,
Te wezen, die voor ons zig moedig in ’t gevegt.
(695) Gedragen heeft, en ons in prykel van ons leven,
Verloste, dan zou ik myn hart en hand u geven.
[p. 38]
ROSANDER.
Zoud gy hem kennen, die u trouw heeft bygestaan,
Toen gy van ’t Rovers rot zo wreed wierd aangedaan,
Als gy hem zaagt?
ROSETTE.
                              Voor vast.
ROSANDER.
                                              En gaarne met hem trouwen?
ROSETTE.
(700) Hoe Robbert, zoekje my voor uw zottin te houwen?
Je bent myn Biegtvaar niet.
ROSANDER.
                                            ’k Ben meer, ik benje Lief.
Gy zyt myn troost, myn wensch, myn hoop, myn hartedief.
ROSETTE.
Weg Robbert, laat me gaan.
ROSANDER.
                                            Je neemt my voor een ander.
Ik ben geen Robbert, neen, myn naam die is Rosander,
(705) Bezie my eens ter deeg, ben ik by u bekend?
                                        Hy doet de pleister van zyn oog.
ROSETTE.
Ach myn Verlosser! zyt gy ’t zelf?
ROSANDER.
                                                        O ja ik ben ’t.
ROSETTE.
’k Bezwyk, ik sterf van schrik, de geest wil my begeven,
Dit onverwagt geval doet al myn leden beven,
Ai my!
ROSANDER.
            Bedaar myn Lief, ach wat zal hier geschien!
ROSETTE.
(710) Ik zie u dan weerom, dien ik nooit dagt te zien!
Die my bevryde voor het woeden der Barbaaren.
ROSANDER.
Uit zuivre zugt alleen, om met myn Lief te paaren.
[p. 39]
ROSETTE.
Is ’t spook, of Tovery, hoe is myn hart ontroert.
Of heeft een Engel u, myn Vrind, by my gevoert?
(715) Ik dorst zo veel geluk niet van ’t geval verwagten.
ROSANDER.
Ja zoete Roofster van myn zinnen en gedagten,
Dees hand heeft u, myn Lief, voor hoon en smaad bevryd.
ROSETTE.
Laat ik die kussen, die zo moedig heeft geplyt,
Voor myn behoudenis, en dankbaarlyk betuigen,
(720) Dat ik gehoorzaam wil na uwe wille buigen.
ROSANDER.
Dan heb ik myne min niet vrugteloos hesteed.
ROSETTE.
Rosander, wonder wel, waar ’t anders, ’t was my leed,
ROSANDER.
Mag hy u kussen, die zo voor u heeft gestreden?
ROSETTE.
Zo vast; als yzer; ’k hoor van boven tot beneden,
(725) Geheel aan u.
ROSANDER.
                              Wat zo! daar heb ik om gebeên.
ROSETTE.
Wel zo ’t u smaakt, als my, zo neemt ’er twee voor een;
Ik heb van u, zo ’k hoop, in ’t minst geen kwaad te vreezen.
ROSANDER.
Gy zult van nu voortaan myn Aardsche Hemel wezen.
Myn Engel, ’t is my lief, dat u myn min behaagd.
ROSETTE.
(730) Behagen! daar gy hebt zo trouw voor my gewaagd,
Uw lyf en leven; ’k was de grootste der zottinnen,
Zo ik u niet weerom met hart en Ziel zou minnen;
Ja ’k was, zo ’k anders deed, hier na geen Vryer waard.
ROSANDER.
’k Prys uw rondborstigheid, en min uw vrolyke aart;
(735) Myn schoone, laat ik u...
[p. 40]
ROSETTE.
                                                Niet al te hart te groenen,
Rosander, want gy zout myn schoonheid door al ’t zoenen,
Bederven, en dan ging uw zin ligt van my af:
Ik wil u maagdepalm opofferen, en geen kaf.
Gy zult myn Minnaar zyn, myn Ega, en geen ander;
(740) In spyt van die ’t benyd, Rosette mind Rosander,
Als haar beschermer en behouder van haar eer.
ROSANDER.
Ik ben van u voldaan, myn Lief, en ’k wil geen meêr,
Op deze tyd, en ’k zal voor altoos zorge dragen,
Te doen al ’t geen myn Lief Rosette kan behagen;
(745) Neem dit horlogie tot verzekering van trouw.
ROSETTE.
Dat zou ik gaarne doen, maar ’k vrees voor na berouw.
ROSANDER.
Nooit in der eeuwigheid....
ROSETTE.
                                          Wel aan, myn Ziel, myn leven,
Ik heb een mooije Ring, die zal ik aan u geven.
ROSANDER.
’k Ben door uw heusheid, Lief, op ’t hoogste in myn schik,
(750) Wie kreeg ter Waereld ooit zo veel geluk als ik.
ROSETTE.
Maar zeg, Rosander, waar uw Heer tog mag verbeiden,
Na dat hy zig zo snel had van ons afgescheiden?
ROSANDER.
’k Liet hem in Braband, maar geheel berooid van hoofd,
En gansch misnoegd, om dat uw Juffer was verloofd,
(755) En herwaarts aantrok om in ’s Gravenhaag te trouwen,
Wyl d’Edelmoedigheid hem geenzints scheen te rouwen,
Dat hy haar had verlost, ik kreeg van hem verlof,
Om u te volgen, schoon ik nô wou van hem of;
Maar ik kon nergens, dan by u, myn Engel duuren.
ROSETTE.
(760) Wat werkt de Liefde niet al wonderlyke kuuren!
[p. 41]
Verliet gy zo u Heer?
ROSANDER.
                                ’k Heb hem veel meer als Vriend
Op de Italiaansche Rys, als wel voor knegt gediend;
Ik heb zelf geld en goed, myn Lief, dit moet gy weten.
ROSETTE.
Dan zal ik, na ik hoor, Juffrouw Rosander heeten.
ROSANDER.
(765) Voor wis en zeker Lief.
ROSETTE.
                                              Hoe kom ik zo gepaard!
De gekken krygen meest, zo ’t schynd, de beste kaart.
Als dit myn Juffer hoort, hoe wonder zal ze kyken,
Dat ik haar Dienstmaagd, met zo schoon een buit ga stryken,
Wyl zy haar Minnaar derft, het geen haar klagen doet.
ROSANDER.
(770) Wie mind zy dan?
ROSETTE.
                                      Uw Heer.
ROSANDER.
                                                    Is ’t waar?
ROSETTE.
                                                                      Op myn gemoed,
Ik zeg de waarheid.
ROSANDER.
                                Hoe! zou zy myn Heer beminnen?
ROSETTE.
Geen kleintje, och het raakt het meisje aan haar zinnen
’t Is of zy mymert, want zy heeft my voorgestelt,
Om zelf u Meester te gaan zoeken met geweld,
(775) Wou.... Maar ’k zie Ludewyk, ’t schynd, dat hy u wil spreeken,
Ik ga.
ROSANDER.
          Hou alles stil.
ROSETTE.
                                Aan my zal ’t niet ontbreken.



[p. 42]

ZESDE TOONEEL.

LUDEWYK, ROSANDER.

LUDEWYK.
ZYt gy genegen my een kleinen dienst te doen?
ROSANDER.
Als ’t u belieft myn Heer.
LUDEWYK.
                                        Myn knegt heeft voor de noen,
Een schielyke overval gekregen, ’k zou u vragen,
(780) Om eens met my te gaan.
ROSANDER.
                                                  Myn Heer, na u behagen.

Einde van het Tweede Bedryf.
Continue
[p. 43]

DERDE BEDRYF.

EERSTE TOONEEL.

ROSETTE Singende.

KOm myn Lief Rosette, en helpt my uit de pyn,
Ik zal zo lang myn leven duurt, altyd uw Minnaar zyn.
            Kom myn Lief, myn Troosje,
                Help my tog, eer ’t wert te laat,
            (785) Ach myn suiker Doosje,
                Zoeter dan de Honingraat.



TWEEDE TOONEEL.

ISABELLE, ROSETTE.

ISABELLE.
WAar uit of dees zottin haar vrolykheid tog spruit?
ROSETTE.
Zou ik niet vrolyk zyn? Mejuffer ’k ben de Bruid.
                                                        Zy Singt en Danst.
Kom myn Lief, Rosander, myn alderwaardste Vrind,
(790) Ik wil u Minnaresse zyn, om dat gy myn trouw bemind,
            Want hem, die myn leven,
                En myn Eertje heeft bewaardt,
            Wil ik gaarne geven,
                Ja myn beste schat op aardt.
ISABELLE.
(795) Wat zo, Roset, dit schynt veel blijer nog als blijer.
ROSETTE.
Hoor ’t is een samenspraak van my en van myn Vrijer,
Die ik Extemporé, zo daadlyk heb gemaakt.
ISABELLE.
Dan benje weer op nieuw aan Paarde pis geraakt?
’t Was best, dat gy uw geest tot andere dingen porden.
ROSETTE.
(800) Ik hoop nog een Qwestiers of Texelscha te worden,
Een Saffo, of de Veer, geen grooter vreugt voor my,
Geen Honing is zo zoet als de eed’le Poëzy,
De Schouwburg zou dan mee haast brommen met myn vaarsen,
[p. 44]
Als of men Sofokles met hoog gekurkte Laarzen,
(805) Zag daavren op ’t Tooneel d’aanschouwers in ’t gezigt.
ISABELLE.
Dat past aan u zo wel, gelyk een Goud gewigt,
Past aan de Bedelaars.
ROSETTE.
                                    Ik zou na myn begeeren,
Myn Lief met een Sonnet of Madrigaal vereeren.
ISABELLE.
Wat praatje van je Lief! wie stak u dit in ’t hooft?
(810) Is ’t zot of dolligheid?
ROSETTE.
                                            Wel neen ik ben verlooft,
Voor al myn leven, en ik meen myn woord te houwen,
Dat is, dat ik in ’t kort byslaapen zal.
ISABELLE.
                                                          Eerst Trouwen,
Denk ik Roset, voor ’t minst.
ROSETTE.
                                              Ja prooper hand aan hand,
’t Staat vast, gelyk een muts doet met een keeleband,
(815) Ik meen voor altoos met myn dierbaar pand te leven,
Hy heeft my met zyn hart ook deze Trouw gegeven.
ISABELLE.
Een Goud Horlogie! hoe! dat komt van Robbert niet?
ROSETTE.
’t Is al van Robbert, of ’t is niet van Robbert; ziet,
Ik heb het vast.
ISABELLE.
                        Hoe nu Rosette, ik ken geen ander.
ROSETTE.
(820) ’t Is Robbert in de schyn, maar inder daad Rosander,
Zyn deugden maken hem met my gelyk van staat,
Het is een eerlyk borst, een Minnaar, een Soldaat,
Een die.....
ISABELLE.
                Wel hoe, denkt gy met een Soldaat te trouwen?
[p. 45]
ROSETTE.
O ja, om dat hy my het leven heeft behouwen,
(825) En eer, en de uwe mee; maar weet, ’t is geen Soldaat,
Die om vyf stuivers daags zig zelven dood slaan laat.
ISABELLE.
Wat heeft hem uit den dienst van zynen Heer gezonden!
ROSETTE.
Hy heeft zig in den dienst van de Akker Graaf verbonden,
Om my te volgen.
ISABELLE.
                            Dit is alles spotterny.
ROSETTE.
(830) Het mogt de Drommel! hoor, geloof dit alles vry:
’t Is suivre waarheid, hoe! ik zal u niet bedriegen.
ISABELLE.
Maar hoor eens toe, Roset, zeg, lykt dit na geen liegen?
Die knegten hadden by hun oogen, dees maar een.
ROSETTE.
’t Is waar, maar hier in steekt al zyn bedrog alleen,
(835) Om niet bekend te zyn.
ISABELLE.
                                            Hoe heeft hy dan twee oogen?
ROSETTE.
Zo wel, als gy, en ik, hier door zyn wy bedroogen.
Ik had my anders niet verlooft Juffrouw, zie dit,
Weet ik voor vast, hy heeft twee oogen als een git
In ’t voorhoofd, ’t geen een meid veel koelder zou bekooren,
(840) Als ik.....
ISABELLE.
                    Waar is zyn Heer, hebt gy ’t niet kunnen hooren?
ROSETTE.
In Braband, gansch bedroeft om u van Ziel en zin,
Wyl hy zig zag zo haast versteken van zyn min.
Dit is het alles, wat Rosander wist te zeggen.
ISABELLE.
Ik moet Rosander zien, en iets te vooren leggen,
(845) Van groot belang, zeg my, weet gy niet waar hy is?
[p. 46]
ROSETTE.
O neen, dat weet ik niet; maar zo ’k my niet vergis,
Is hy straks uitgegaan met Ludewyk.
ISABELLE.
                                                          ’k Moet weten,
Waar dat zyn meester is; ik kan hem niet vergeten.



DERDE TOONEEL.

KAREL, ISABELLE, ROSETTE.

KAREL.
O Neen; ’t zal niet geschien, zo lang ik adem schep.
ROSETTE.
(850) Zie daar, daar heb je ’t weêr.
KAREL.
                                                      Ik zette ’t al in rep,
En roer veel liever, als dat ik zulks zou gedoogen,
ISABELLE.
Wat of hem scheelt?
ROSETTE.
                                Daar is hem weer een Duif ontvlogen,
Geloof ik ’t geen de borst op nieuw weêr maakt ontstelt.
KAREL.
Wie is ’er, die met my zig durft in ’t vlakke velt,
(855) Vertoonen, om myn regt met Wapens te betwisten?
ROSETTE.
Och! ’t is al ’t oude werk; ’t zal zyn zo als ik gisten.
KAREL.
Waar is hy, die voor hem de punt van ’t Lemmer bied?
ISABELLE.
Hoe ben je zo gestoort, Heer Graaf, wat ’s u geschied?
KAREL.
De Dood van Mandrichart die wil ik moedig wreeken,
(860) Wyl hy van Rodamond zo schendig wierd doorsteken,
Ook heeft die snoode schelm myn Isabel vermoord,
Hy moet gewipt zyn, en gerabraakt, aan een koord.
Verstikken.
[p. 47]
ROSETTE.
                  En daar na de kop van ’t lyf geslagen,
Ik mag ’t wel lijen, maar het zal hem niet behagen.
ISABELLE.
(865) Don Pedro.
KAREL.
                            Al myn haat neemt datelyk een endt,
Als ik u zie, al was ik boozer als ’t serpent,
Dat zeven Morgen Lands met kop en staart kon meeten.
ROSETTE.
Wierd deze Draak niet van Apollo dood gesmeeten?
KAREL.
Vraagt gy na ’t geen, daar u niet aan gelegen leid.
ROSETTE.
(870) Betaal uw Crediteurs met zulk een slegt bescheid.



VIERDE TOONEEL.

ROSANDER, KAREL, ISABELLE, ROSETTE.

ROSANDER.
BReek af uw redenen, ’k moet uw alleenig spreeken.
ROSETTE.
Kom, gaan wy, Juffrouw, want dit is een klugtig teeken.
Ik merk iets.
ISABELLE.
                    Maar wat is ’t?
ROSETTE.
                                            Kom, ga maar met my heen,
Ik zal u opening doen, zo dra wy zyn alleen,
(875) Vaar wel Heer Akkergraaf, door ’t gantsche rond gepreezen.
ISABELLE.
Ik groet u hertelyk.
KAREL.
                              U Dienaar als voor dezen,
Met hart en Ziel.
ROSETTE.
                          Heer Graaf, hoor wat u werd belast,
Als ’t Duifje weer komt, hou het wel ter deegen vast.
[p. 48]
KAREL.
Dat zal ik doen, sottin.



VYFDE TOONEEL.

ROSANDER, KAREL.

ROSANDER.
                                    NOoit kon u in dit leven,
(880) Het gunstige geval een meerder voordeel geven,
Als nu myn Heer.
KAREL.
                            Hoe dat?
ROSANDER.
                                          Ik heb een zaak ontdekt,
Die uwe min, myn Heer, geheel tot voordeel strekt,
Zyt gy genegen, om met Isabel te trouwen?
KAREL.
Zyt gy genegen, om my voor de gek te houwen?
(885) Ben ik een anders gek, ’k ben immers de uwe niet.
ROSANDER.
Geenzints, myn Heer, maar ’k zie een eind van uw verdriet,
Gy moogt met reden een gelukkige uitkomst wagten;
Uw minnary staat schoon, nooit beter met gedagten,
Uw mede-minnaar geeft daar toe geen kleine stof,
(890) Ik zie het houwelyk met zyn schoone Nigt spit of.
KAREL.
Maar wat bewys, zeg op, waar uit ik zulks mag hoopen?
ROSANDER.
Uit letters, die men reets al by de vloer ziet loopen.
Verban uw zorgen vry van nu af onbevreest,
Uw mede minnaar is al lang Papa geweest.
KAREL.
(895) Rosander, is het waar! wat vreugd komt my ontmoeten?
ROSANDER.
Ja vaste brieven, Heer, met handen en met voeten,
Hy heeft zig wettelyk verbonden en verlooft,
Ik zeg de waarheid, ja ik sweer ’t u by myn hooft.
[p. 49]
KAREL.
’k Begryp niet, hoe dat gy daar agter zyt gekomen.
ROSANDER.
(900) Zelf door zyn Juffers meid; hy heeft my meê genomen,
Om dat zyn lyfknegt, zo hy zeide, onpaslyk was,
Maar na ik merk, die wist de streeken van ’t Compas,
Waar op hy zeylde, en om geen gevaar te vrezen,
Dat deze in zyne min hem mogt nadeelig wezen,
(905) Heeft hy zig mogelyk daarom van my gediend;
Hy stapte dan vooruit, ik volgden onzen Vriend,
En na ’t passeeren van een plein en weinig straaten,
Treet hy een stoep op, klopt, en wert straks ingelaten;
De meid, die bezig was van stonden aan de deur
(910) Te sluiten, ziet my juist in ’t sluiten door de scheur,
En kennende ’t gewaad, dat hy my aan deed trekken,
Wenkt zy, ik ga benieuwd, wat zy my zal ontdekken.
Hoe, vroeg zy heel ontstelt, waar is dog onze Piet?
’k Antwoorde haar, wel kind, u Piet die ken ik niet,
(915) Maar dagt ik, zoete sloof, ik kan wel klaarlyk lezen
Uit uw gezigt, dat Piet u gansch niet vreemd moet wezen;
Hoe, zy ze, heeft myn Heer een ander knegt gehuurt,
En heeft hy onze Piet nu van hem afgestuurt,
Nu hy gaat trouwen? wel dat dorst ik nimmer dromen,
(920) ’k Ben zelver met de Bruid uit Braband hier gekomen,
Ja ’t is een pronkjuweel, daar zy mee trouwen zal,
Hernam ik, maar zy weer, wel Karel ben je mal,
Of leutert u de key? ja ’k moet het daar voor houwen,
Terwyl gy zegt, dat hy zou met een ander trouwen,
(925) Als aan myn Juffrouw, al voor lang aan hem verlooft;
En hier op stiet zy een history uit haar hooft,
En heeft van stuk tot stuk my alles voor gezongen;
Dienstmeiden, als gy weet, zyn veeltyts lang van tongen,
Want die wil weten, hoe ’t in huis geschapen is,
(930) Hoeft maar te vragen aan de meid hy weet het wis;
Terwyl zy doorgaans met haar pligten te vergeten,
Het alles zeggen, ja meer dan zy zelver weten.
[p. 50]
Toen ik haar ’t tegendeel deed uit myn mond verstaan
En dat die trouw nooit met haar Juffer voort zou gaan,
(935) Om dat zyn eigen Nigt, uit Braband hier gekomen,
Gewisselyk haar plaats als Bruid had ingenomen,
Vliegt zy na binnen, steekt een keel op, dat het klinkt,
Och Juffrouw! riep zy, och! het gantsche werk dat stinkt,
Gy wert verraden, en heel slegt voor ’t hooft gestoten,
(940) Ik zal.... maar met wierd my de deur voor ’t hooft gesloten,
Zo dat ik vorder van de zaak niet heb gehoort,
Maar ’t scheen aan ’t razen, of ’er iemand wierd vermoort.
Dit dagt ik nodig, wyl ’t uw min op ’t hoogst komt raken,
Om zonder tyd versuim aan uw bekend te maken.
KAREL.
(945) Gy hebt my door uw vlyt geen kleinen dienst gedaan,
’k Ben u daar voor verpligt.



ZESDE TOONEEL.

KORNELIA, LUDEWYK, KAREL, BREGITTE, ROSANDER.

KORNELIA.
                                            NEen zeg ik, laat my gaan.
Ik hoor niet meer na u.
ROSANDER.
                                    Ik wil my laten hangen,
Begin dit potsen spel hier niet eerst aan te vangen;
Daar is het Heerschap met de Juffer en haar meid.
LUDEWYK.
(950) Geloof dog, wat ik zeg.
KORNELIA.
                                              Nooit in der Eeuwigheid,
Laat los Verrader gy zult my niet meer bedriegen.
LUDEWYK.
Kost gy myn trouw?
KORNELIA.
                                ô Schelm! ik kan uw eerloos liegen.
[p. 51]
LUDEWYK.
Ei geef my dog gehoor?
BREGITTE.
Ja kom maar aan die kant,
Hy steekt u weêr op nieuw wat prullen in de hand.
LUDEWYK.
(955) Kan ik door geen gebeên my met myn Lief versoenen?
BREGITTE.
Ja dog; verkoop haar weêr wat knollen voor Citroenen.
KORNELIA.
Ik zeg u, laat my gaan, of ’k zal door myn geschal
Zo aanstonts maken, dat het alles dreunen zal;
’k Wil met gewelt uw Oom of Minnaresse spreken.
LUDEWYK.
(960) Wilt gy myn Eer en Faam zo schandelyk verbreken?
BREGITTE.
Ei hoor eens, wie zyn eer nog voor belieft te staan.
KORNELIA.
Hoe my verlaten, om een ander aan te slaan?
Gy hebt met eeden u en schrift aan my verbonden,
Vreest gy geen straf?
BREGITTE.
Wel neen, de man weet van geen zonden
(965) Wat zou hy vreezen?
LUDEWYK.
Hebt een kleine tyd gedult.
KORNELIA.
’k Wil eerst voldoening, eer ik u geloof.
LUDEWYK.
Gy zult
’k Schenk u my zelf, myn Lief, daar neven al myn schatten.
BREGITTE.
Ja Ape-staarten, die zyn kwalyk om te vatten.
LUDEWYK.
Heb ik die tegenspraak wel ooit aan u verdiend?
BREGITTE.
(970) Als gy myn Juffer trouwt, hou ik u voor myn Vriend.
[p. 52]
LUDEWYK.
Ik zal zulks doen, myn Lief, wilt u te vreden houwen,
Ik zal in eeuwigheid, ik sweer ’t, myn Nigt niet trouwen,
Stel u gerust.
KORNELIA.
O neen! zulks kan nog niet geschien,
Eerst moet uw Oom en Nigt uw trouwbeloften zien,
(975) ’k Meen buiten twyffel, zo zy eerlyk zyn van harten,
Dat hen uw ontrouw en myn ongeval zal smarten,
Hoor toe, om kort te gaan, dit is al myn besluit,
Uw trouw te sluiten met uw nieuw verkoore Bruid,
En dit is ’t middel, ’t geen ik daar toe heb gevonden,
(980) Om haar te toonen, hoe gy zyt aan my verbonden.
LUDEWYK.
Maar welk een zotterny heeft u ’t verstand verheerd,
Dat gy zyn schande zoekt, dien gy tot man begeert?
KORNELIA.
’t Zy Eer of schande, hoor het moet, en zal zo wezen.
Speelt u geen kwaad in ’t zin waarom voor kwaad te vreezen?
(985) Al myn verlangen is myn eer hersteld te zien,
Gy moet, indien gy my bemind, zulks niet verbien.
Gy zoekt myn schanden, maar ik de uwe niet; de reden
Gebieden my, dat ik....
LUDEWYK.
Nog eens stel u te vreeden,
Myn uitverkoore, laat u dog ten besten raân.
KORNELIA.
(990) Heb ik u immer van myn leven iets misdaan,
Waar gaf ik u ooit stof, om over my te klagen?
’k Heb u een zuiver hart vol liefde altyd gedragen,
Ja niet ontzien myn eer te smetten door uw min,
En dier geswoore trouw, hoe komt u dan in ’t zin,
(995) Om my te haten? zou uw hart van schrik niet beven,
Als gy uw Lief de naam van ontrouw hoorde geven?
Bedenk dan eens, hoe zeer, dat my uw toeleg smart,
Wyl gy uw halve ziel wilt bannen uit uw hart.
Ach! wist myn broeder myn elendig wedervaren,
[p. 53]
(1000) Hy vloog straks tot myn hulp.
LUDEWYK.
Ik bid uw wilt bedaaren.
Ik zal u trouwen, eer uw Broeder hier zal zyn,
En u verloszen van uw harte leed en pyn.
Myn Lief, gy zult in ’t kort geheel verzekert wezen.
KORNELIA.
’t Vertrekken van uw Nigt zal my niet meer doen vrezen.
LUDEWYK.
(1005) Zulks zal in ’t kort geschien.
KORNELIA.
Maar zeg, wanneer?
BREGITTE.
Strak, strak;
Dat gaat zo zeker, als een Nierper Almenak,
Ja tog, gy zult nu haast met hem ter Kerk gaan streven,
Zint Jutmus trouwt hy u, of Paasche, of nooit zyn leven.
LUDEWYK.
Ik zal u in het kort het tegendeel doen zien,
(1010) Zo haast myn Nigt, maar is vertrokken.
BREGITTE.
Ja misschien.
KAREL. ter zyde met Rosander.
’k Werd door vermoeden reets tot toorn en wraak gedreven.
ROSANDER.
Gy zyt ontstelt, myn Heer, wat ’s dit?
KAREL.
Myn leden beven.
ROSANDER.
Hoe! is het ernst, myn Heer?
KAREL.
Ja ernst is ’t en geen boert,
Zo ’t waar is, ’t geen myn ziel en zinnen dus ontroert.
LUDEWYK.
(1015) Zo waarlyk als ik leef; verban vry al uw vreezen,
’k Zal in een oogenblik, myn Lief, weer by u wezen,
Als ik beschikt heb, daar myn huisgezin na wagt.
[p. 54]
Wert gy, wyl de avond valt van my na huis gebragt.
KORNELIA.
Ik zal, wyl ’t wezen moet, u dan voor ’t laast geloven.
LUDEWYK.
(1020) Ik kom straks weer.
KORNELIA.
’t Is wel.
BREGITTE.
Myn lieve sloof der sloven.
LUDEWYK.
Spreek midlerwyl met deze, al is ’t een vreemd fatsoen.
’t Is een vermaaklyk Heer.
KORNELIA.
Myn Lief, ik zal zo doen.
ZEVENDE TOONEEL.
KORNELIA, BREGITTE, KAREL, ROSANDER.
BREGITTE.
GY houd u dan te vreen; nu hy u weer ter neer stelt?
KORNELIA.
Wat zou ik anders doen? ’k hou moed.
BREGITTE.
Dat is goed Teergeld
(1025) Maar’t zal niet helpen, spreek zyn nieuw gebakke Bruid.
KAREL.
De Moêr van Belsebuik heeft u wis opgeruidt,
Mejuffer spreek met my, ik zweer u by myn leven
Dat ik u door myn hand uw Bruidegom zal geven.
KORNELIA.
Zoud gy zulks doen, myn Heer?
BREGITTE.
Dat vind ik wonder raar.
(1030) Wat zyt gy dog voor een?
KAREL.
’k Ben meester koppelaar.
[p. 55]
BREGITTE.
Een kostlyk ambagt.
KAREL.
Laat uw aangezigt eens kyken
Of gy wel waardig zyt met zulk een Heer te pryken,
Als Bruid; laat dan eens zien.
KORNELIA.
Hy strykt haar Sluyer af.
Wat zal dit zyn myn Heer?
Laat af.
KAREL.
Vloekwaardige ik zal door myn geweer
(1035) Het eerloos leven u....
BREGITTE.
Dit lykt voorwaar geen gekken.
ROSANDER.
Laat af, Heer Akkergraaf, waar toe ’t geweer te trekken
Op deze Juffer? zeg, wat zyn daar van de reên?
Bedaar, zo ’t mogelyk is.
BREGITTE.
Och! och! waar zal ik heen?
Help! help! sta by! sta by! men wil ons hier vermoorden,
(1040) Waarom of deze gek zo schielyk zig verstoorden.
ROSANDER.
Bedaar.
KAREL.
Het zal geschien.
ACHTSTE TOONEEL.
ISABELLE, ROSETTE, KORNELIA, BREGITTE, KAREL, ROSANDER.
ISABELLE.
WAar uit spruit dit gerugt?
BREGITTE.
Vraag dat dien dolle gek.
KAREL.
Ik deed ’t maar om de klugt,
[p. 56]
Mejuffer, want haar zal in ’t minst geen leed geschieden.
BREGITTE.
Waar toe die potzen dan, waarom deed gy ons vlieden?
(1045) Is dat maar om de klugt? dat mogt de Drommel doen;
Ik kroop van schrik en vrees byna schier in myn schoen,
Hier in de kamer zulk een bloten ding te trekken
Op onze Juffrouw, of op my, dat lykt geen gekken,
Hy jaagt met zyn geweer een mensch de dood op ’t lyf,
(1050) Wie hoorde immermeer van zulk een tydverdryf.
KAREL.
Die meid heeft wat veel praats, en deze die wil trouwen;
Die wil ik haten, en met deze zal ik ’t houwen,
Waarom dat deze nu zo gaarne was gepaard,
Weet, dat zy in haar kraam een popje heeft vergaard,
(1055) Dat om Papaatje roept, maar daar is geen Papaatje,
Nu zou ik raaden aan dees schoone zyn mamaatje,
Dat zy na huis, en voort na bed ging, zagt en warm,
En neemen mooitjes haar lief popje in den arm,
Want ik verzeker haar, dat zy niet hoeft te vreezen,
(1060) Wyl ik haar zal voortaan een trouw beschermer wezen.
BREGITTE.
Een schoon beschermer: ja dan kwam zy wel te pas:
Dan zat zy mooitjes met haar voetjes digt in de as,
Die groene Jonker durft nog van beschermer spreeken;
Die ons zo daatlyk hier nog zogt den hals te breeken.
KORNELIA.
(1065) Ik sta verzet, ontroert in ’t diepst van myn gemoed,
Wie heeft zo schandelyk ’t verborgen omgevroet,
Gy hebt uw langen tong geroert. Ja ’t is gebleeken,
Om dat dees dwaze van myn ongeval kan spreken,
Zyt gy ondekster van myn lang geleen verdriet.
BREGITTE.
(1070) De Vent kan toveren, Mejuffer, weet je ’t niet?
ISABELLE.
Ik kan niet vatten wat al dit geraas wil zeggen.
[p. 57]
KORNELIA.
Vergun my uw verlof, ik zal ’t u uit gaan leggen.
ISABELLE.
Als ’t u belieft.
KORNELIA.
Weet dan, dat deze Heer van ’t huis
’k Meen Ludewyk aan my verlooft is....
ISABELLE.
Och! abuis,
(1075) Dat kan niet mooglyk zyn, want ik heb reets vernomen,
Dat hier een Juffer met haar Vader is gekomen
Uit Braband, waar aan hy in ’t kort ook trouwen zal.
KORNELIA.
Dit zyn de redenen van myn bedroeft geval,
En daarom heb ik ook de moeiten reets genoomen,
(1080) Om tegens zyne dank hier in zyn huis te koomen.
Hy was om dit bezoek in ’t minst niet in zyn schik,
Wist ik de Juffer nu.
ISABELLE.
Die Juffer die ben ik.
KORNELIA.
Is ’t waar? wat goed geluk voldoet reets myn verlangen?
Van u schynt al myn vreugt of droefheid af te hangen?
(1085) Want na my uiterlyk uw heus gelaat vermeld,
Zult gy de deugd veel meer waardeeren als het geld.
ISABELLE.
Ja zyt verzekert ’k zal myn glory nimmer krenken,
Ik zal nooit aan myn Neef, nog aan zyn schatten denken
Zo gy verzekering kund toonen van zyn hand.
KORNELIA.
(1090) Dit schrift, en dit Juweel kreeg ik tot onderpand.
ISABELLE.
Mag ik het zien?
KORNELIA.
O Ja daar is ’t nu wil ik hoopen,
Dat dit begonne werk gelukkig af zal loopen.
[p. 58]
ROSETTE.
’t Gaat vast, zo dra de zaak haar Vader is bekend,
Zie ik de draad van ’t kluw gegrepen by ’t regte end,
(1095) Hoe bloost haar aangezigt de spyt ontsteekt haar kaken,
Dees onverwagte maar schynt haar aan ’t hart te raken,
O schelmsche Cupido! wat regt gy poetzen uit
’k Zie twee verloofden, en nog geen van twee de Bruid.
ISABELLE.
Wel mon Kouzyn, dit werk is deftig aangevangen,
(1100) Zou ik uw trouwen? neen; ik zag u liever hangen,
Laat my dit schrift zo lang, ’k verzoek u zulks beleeft,
Tot dat myn Vader mee van alles kennes heeft.
KORNELIA.
O ja gewillig.
ISABELLE.
’k.Ben van Gramschap ingenomen.
Waar is u Minnaar?
KORNELIA.
Hy zal datelyk hier komen,
(1105) Om my te lyden na myn huis.
ISABELLE.
’t Is wonder goed,
Ik zal, wyl de avond reets den dag vertrekken doet,
Hem in de plaats van u, hier in de kamer wagten.
Geef my u sluijer.
KORNELIA.
Ik begryp met geen gedagten.
Wat of dit wezen zal, ik bid dat gy ’t ontdekt.
ISABELLE.
(1110) Houd u te vreen, wyl dit slegs tot uw voordeel strekt,
’k Hoor daar gerugt; ik bid, dat gy u wilt verbergen
In myn vertrek, ei ga.
KORNELIA.
Wel aan ’k voldoe uw vergen.
ISABELLE.
Zyt maar gerust, u zal in ’t minst geen leed geschien.
[p. 59]
’k Zal de getrouwheid van myn Bruidegom haast zien.
NEGENDE TOONEEL.
ISABELLE, ROSETTE, KAREL, ROSANDER.
KAREL.
(1115) IK sta verwondert, wat of zy tog aan zal vangen.
ROSANDER.
Ik mee Heer, en ’k verwagt nu de uitkomst met verlangen.
TIENDE TOONEEL.
LUDEWYK, ISABELLE, KAREL, ROSANDER.
LUDEWYK.
MYn Lief, als ’t u belieft, laat ons nu zamen gaan
Ik zal al ’t geene, watter nodig dient gedaan,
Voor onzen trouwdag op het spoedigste bezorgen.
ROSANDER.
(1120) ’k Meen, dat zy deze zorg u graag zal willen borgen.
LUDEWYK.
Hoe! spreekt, myn Engel, niet? wat deert myn lieve Bruid?
Stel u in als gerust, want dit is myn besluit,
Dat ik de Paspoort voor myn Nigt en voor haar Vader
Straks zal bezorgen, zyt te vreeden.
ISABELLE.
Haar ontdekkende.
Ha! Verrader?
(1125) Hier blykt uw schelmery, bedrieger, vals van tong,
En hart.
ROSANDER.
Dat is mafooi een schoone katte sprong.
LUDEWYK.
Ik bid vergiffenis van ’t geen ik heb misdreeven.
ISABELLE.
Waar wagt gy na? vaar voort gy moet ons paspoort geven.
LUDEWYK.
Wat Helsche geest heeft my zo schandelyk verraan?
[p. 60]
ISABELLE.
(1130) Myn paspoort, zeg ik, of ’k zal anders moeten gaan
Gantsch buiten uw verlof; gy hoeft geenzints te vrezen,
Dat ik hier tot uw spot of overlast zal wezen;
Die eer benyde ik u.
LUDEWYK.
Ik bid myn tweede Ziel,
Myn Bruid.
ISABELLE.
O neen, ik ben de Bruid niet van een fiel,
(1135) ’k Zal van uwe ontrouw my in ’t minste niet beklagen,
Om dat gy buiten schuld myn geenzints kost behagen;
Maar ’t roud my snode, dat ik om uw min die geen
Versmaden moest, die waard van my was aangebeen
Te werden, ja dit plaagt myn Ziel met dubble smarte.
KAREL.
(1140) En ’t geeft my schoone Zon, een artzeny aan ’t harte,
Laat ik....
ISABELLE.
Heer Akkergraaf, verschoon my op dees tyd,
Wyl myn verstoorde geest u snakerny niet lyd.
LUDEWYK.
Heb ik dan van myn Nigt gantsch geen genâ te hoopen?
ISABELLE.
Geeft eerst myn paspoort, en zie dan hoe ’t af zal lopen.
ELFDE TOONEEL.
KAREL, ROSANDER, LUDEWYK.
KAREL.
(1145) WAt dunkt u, deze slag die red my uit de nood.
ROSANDER.
Ja dees verandering is wonder goed en groot.
LUDEWYK.
Waar is de Juffer, die ik by u liet, gebleven?
KAREL.
Die heeft zig boos van kop straks na haar huis begeven,
Nadat zy Isabel gesproken had.
[p. 61]
LUDEWYK.
O Goon!
(1150) ’t Rolt me alles tegen.
TWAALFDE TOONEEL.
KAREL, ROSANDER.
KAREL.
JA, dat is der schelmen loon.
ROSANDER.
Wat nu gedaan myn Heer?
KAREL.
Ik moet my nu ontdekken,
Ik kan niet zien, dat zulks tot nadeel my kan strekken,
Ik zie een einde in ’t kort van myn geleen verdriet,
En sta verwondert van het geen hier is geschied,
(1155) ’k Verlaat dit gekke kleed: gy zult my ’t zelfde geven,
Daar zy my ’t eerste mee gezien heeft van haar leven,
Waar is Alardus?
ROSANDER.
Na hy ’t goed hier had gebragt,
Is hy gegaan myn Heer, om wel ter degen acht
Te slaan op ’t geen u hoord, zo paarden als bagagie,
(1160) Uw lief bemind u, Heer, schep moed, hou maar couragie,
Ik zie niet in de weeg, waar door ’s u werd ontrooft,
Maar ’k zie u in het kort zo wel als my verlooft.
KAREL.
Hoe zyt gy reets verlooft?
ROSANDER.
O ja Roset myn waarde,
Zo haast zy kennis kreeg, wie ’k was, my straks aanvaarde
(1165) Voor haare Bruidegom.
KAREL.
’k Bevind in dezen staat
Dat trouwe Liefde in ’t eind het al te boven gaat,
De Min begunstigt ons, die ’k dagt, dat my zou moorden.
[p. 62]
ROSANDER.
Wat was de reden, Heer, waarom ge u zo verstoorden,
Zo haast de Juffer hier kwam in de kamer treen.
KAREL.
(1170) Zulks zult gy op u beurt wel weeten, zyt te vreen,
Doe, als ik heb gezegt met my het kleed te langen,
Ik meen myn zaken nu heel anders aan te vangen.
Einde van het derde Bedryf.
[p. 63]
VIERDE BEDRYF.
EERSTE TOONEEL.
ISABELLE, ROSETTE.
ISABELLE.
IK heb ds Juffer met haar meid op myn verzoek
Gesloten in ’t vertrek, myn Boezem hou u kloek,
(1175) Veragt hertnekkig dien waar aan gy zyt verbonden,
Hy heeft zyn eer en eed en zyne trouw geschonden;
Hy is de minste plaats niet waardig in uw zin,
O neen! ik zoek met regt na ’t voorwerp van myn min,
Hebt gy myn last volbragt? zal ik Rosander spreeken?
ROSETTE.
(1180) Wanneer gy het gebied, blyf ik nooit in gebreeken,
Uw last te volgen, ja hy zal hier daatlyk zyn.
ISABELLE.
Daar is hy, ga.
ROSETTE.
O min verligt het meisjes pyn.
TWEEDE TOONEEL.
ISABELLE, ROSANDER.
ISABELLE.
R Osander, hoe, wat ’s dit? hy schynt voor my te vlieden,
Hoor hier Robbert?
ROSANDER.
Wat is Mejuffer haar gebieden?
ISABELLE.
(1185) Zeg my, waarom uw tred dog van my af gewend?
ROSANDER.
Om dat Rosanders naam by my niet was bekend;
Ook dagt ik, dat Mevrouw voor my een ander meende.
ISABELLE.
Ik meen Rosander, die den naam van Robbert leende,
Zints hy met de Akkergraaf en ons uit Braband kwam.
ROSANDER.
(1190) Myn naam is Robbert, en ik ben van Robberts stam.
[p. 64]
Weet gy zulks beter, ik heb anders nooit geweeten.
ISABELLE.
Gy wilt van niemant, als Roset, Rosander heeten;
Zo ik uw Vryster was, ’t wierd van u toegestaan.
ROSANDER.
Ik loof waaragtig, dat Roset my heeft verraan.
ISABELLE.
(1195) Gy hebt in ’t alderminst van my geen kwaad te vreezen,
En of gy Robbert wilt, ofwel Rosander weezen,
Dat is my even eens, als ik maar weten mag,
Of gy de zelve zyt, die onlangs voor een dag
Of agt zo moedig zig heeft in de stryd gekweeten,
(1200) Terwyl ik reeden heb zulks eeuwig dank te weeten,
Daar ’t mooglyk met myn eer of leven was gedaan,
Had ons de Hemel door uw hulp niet by gestaan;
Die ik gezind ben met een dankbaar hart te loonen,
Indien gy dit ontkend, zult gy u zelve hoonen.
(1205) Maar ’k hoef geen antwoord stel u oogen eens in ’t ligt,
Dat ik u zie: o ja, ’t is ’t eigen aangezigt,
Van hem, dien ’k altoos moet myn dankbaarheid bewyzen.
Zy trekt hem de pleister af.
ROSANDER.
Zo kleine dienst, Mevrouw, verdiende nooit zulk pryzen.
Om dat in deze zaak niet anders is verrigt,*
(1210) Als ’t geen een eerlyk man is schuldig; ’k heb myn pligt,
Op ’t voorbeeld van myn Heer volbragt na myn vermogen.
ISABELLE.
Gy moet myn dankbaarheid met deze gift gedogen.
ROSANDER.
Ik bid, ei doe myn eer hier mede geen geweld.
Het is op bloed gemunt, Mejuffer niet op geld,
(1215) ’k Zal een belooning, my veel waardiger, verkrygen.
ISABELLE.
Dat zal Rozette zyn; ik kan dit niet verswygen,
’t Is my door haar bekend.
ROSANDER.
Mejuffer, zo gy ’t weet,
[p. 65]
Ei dryg myn liefde, zo ’t mag wezen met geen leed.
ISABELLE.
Zou ik u hinderen! o neen! met geen gedagten.
(1220) Gy hebt met uw Roset niet dan myn gunst te wagten,
Het is my lief, dat zy als Bruigom u verkoor,
Maar zo het u belieft, vergun my eens gehoor;
Weet gy geen middel om u Meester na te spooren?
ROSANDER.
O neen! in ’t minste niet, zulk was maar tyd verlooren.
ISABELLE.
(1225) Neem deze Goudbeurs tot uw dienst, ’k zal alles, voort
Bezorgen, wat ’er meer tot deeze Reis behoort;
’k Zal u op deze togt voorzien van knegt en paarden.
ROSANDER.
Ik zou voorzeker een vergeefsche Reis aanvaarden.
ISABELLE.
In wat voor Landen zyt gy met u Heer geweest?
ROSANDER.
(1230) Eerst in Italien, toen Spanjen, maar wel ’t meest
In Vrankryk.
ISABELLE.
Nu zyn naam of mag ik die niet weeten?
ROSANDER.
Hy laat gemeenlyk zig Jonker Karel heeten.
ISABELLE.
Zo is hy Edelman?
ROSANDER.
Voorzeker.
ISABELLE.
’k Wist nu graag,
Waar hy gebooren is of tuis hoort.
ROSANDER.
In den Haag.
ISABELLE.
(1235) Hier in den Haag! wat ’s dit! ik voel myn hart ontstellen,
Maar ’k loof Rosander, dat gy lust hebt my te quellen,
Om dat gy aan myn min die zoete hoop nog geeft.
[p. 66]
ROSANDER.
Zo waarlyk als het ligt dees dag gescheenen heeft,
Zo waar is ’t geen ik zeg.
ISABELLE.
Ik sta gelyk een blinde,
(1240) Ach! myn beschermer, ach! myn Lief myn wel beminde,
Mogt ik u voor myn dood maar eenmaal wederzien.
ROSANDER.
Eer dat gy zulks vermoed, zal ’t mogelyk geschien.
ISABELLE.
Zeg, myn Rosander, spreek, hoe kan zulks tog gebeuren?
Weet gy iets tot myn hulp? vertroost my in myn treuren.
ROSANDER.
(1245) O ja, daar is nog hulp tot troost in uwe pyn,
Zo gy beloven wil, dat gy my trouw zult zyn,
Met niet t’ontdekken ’t geen my naderhand mogt deeren.
ISABELLE.
Zo moet de Hemel....
ROSANDER.
Zagt; ’k geloof u zonder zweeren.
Hoor dan na ’t geen, ik zeg, en hou dit voor gewis,
(1250) Dat Pedro de Akkergraaf, die Jonker Karel is,
Die in ’t gevaar des doods zo moedig heeft gestreden
Voor u.
ISABELLE.
Myn bloed bevriest op ’t hooren van die reeden.
Hoe zou die dwaaze mensch dan myn verlosser zyn?
ROSANDER.
’t Verstand ontbreekt hem niet, die dwaasheid is maar schyn.
(1255) Gy zult voorzeker in het kort wel anders hooren;
Hy heeft die Zotternei alleen om u verkooren.
ISABELLE.
Rosander, ’t kan niet zyn, uw Heer is ongehaard,
En glad van aangezigt, en deze is grof gebaard:
Die kan zo schielyk niet aan ons gezigt verschynen.
(1260) Hier door zie ik myn hoop geheel en al verdwynen;
Dit maakt dat myn geloof in alles weer verzwakt.
[p. 67]
ROSANDER.
Die heeft hy door de konst behendig aangeplakt,
Om niet bekend te zyn, daar komt hy ’k zal vertrekken*,
Om mogelyk zig zelf geheel aan u te ontdekken.
DERDE TOONEEL.
KAREL, ISABELLE.
KAREL.
(1265) DUs eenig, myn Princes, in ’t aangename groen?
ISABELLE.
Myn Heer den Akkergraaf, wat zou ik anders doen?
’k Zoek hier verligting voor zwaarmoedige gedagten,
Want d’eenzaamheid maakt plaats voor uitgeborste klagten.
KAREL.
Heeft haare Majesteit haar slaaf iets te gebien?
ISABELLE.
(1270) Is ’t spook, of Tovery? o Hemel! kan ’t geschien.
Hy is, hy is het zelf, ik merk het aan zyn wezen.
KAREL.
Wat deert myn Koningin? gy hoeft gantsch niet te vreezen,
Daar gy u in den arm van uwen Bruigom ziet.
ISABELLE.
Die trouw, Heer Akkergraaf, vermeerderd myn verdriet.
(1275) Ja, ’t zou aan myn gemoed vry meer gerustheid geven,
Zo ik met eenen, dien ik meer bemin, mogt leven.
KAREL.
Hebt ge u verliefde hart dan elders heen gewend?
ISABELLE.
Na Jonker Karel, Heer; is hy by u bekend?
KAREL.
Mevrouw in ’t minste niet.
ISABELLE.
Nogtans quam my ter ooren,
(1280) Dat hy zig zelven heeft in de Akkergraaf verlooren.
Daar ik, zo ’t moog’lyk was hem gaarne vinden zou.
KAREL.
Die u zulks heeft gezegt, heeft maar geboert, Mevrouw.
[p. 68]
ISABELLE.
Ik kan uit uw gezigt, zo ’t schynt, iets anders leezen,
Als Pietercely, ofwel de Akkergraaf.
KAREL.
’t Kan weezen.
(1285) Ja ’t scheelt my niet, wat naam, dat gy me geven wild;
Al wierd ik door uw roem tot aan ’t gestarnt getild.
ISABELLE.
Wyl Jonker Karel dan Don Pedero wil wezen,
Blyf ik zyn Dienares, gelyk ik was voor dezen,
Maar ’k wenschte wel voor ’t laast te hooren uit uw mond,
(1290) Wie ’t Duifje was, dat zig zo zeer verleegen vond,
Toen ’t van een Haviks klaau op ’t veld wierd aangegrepen.
Die ’t razende en verwoed dagt in zyn nest te sleepen.
Is u de zaak bekend, ik bid u, zeg het my,
Wie was de onnozele Duif, die zo verlost wierd?
KAREL.
Gy.
ISABELLE.
(1295) Noem myn Verlosser, die zig voor myn heeft gequeeten,
Dien ik voor eeuwig moet myn eer beschermer heeten,
Diemet myn slaking was zo vrolyk in zyn schik,
Is hy by u bekend?
KAREL.
Myn Schoone, die ben ik.
ISABELLE.
’t Was Jonker Karel.
KAREL.
Ja die was het, en geen ander,
(1300) Want ik bespeur, dat ik ontdekt ben door Rosander.
Myn Lieve leven?
ISABELLE.
Zagt? laat my een weinig tyd,
De blydschap boeit myn tong. Ik ben my zelve quyt.
Verschoon my, dat ik u niet na waardy kan groeten;
Myn noodlot wil, dat ik moet sterven aan uw voeten.
[p. 69]
KAREL.
(1305) Bedaar, myn schoone, zet u hier een weinig neer.
Waarom u dus ontsteld? herroep uw zinnen weer.
Werd ik van u bemind, ik zal u nooit begeeven,
ISABELLE.
Bemind gy my, myn Heer?
KAREL.
O ja! myn Ziel, myn leven.
Gy zyt het, die myn oog op ’t eerst gezigt beviel,
(1310) Ik zweer u dit myn Lief, terwyl ik neder kniel,
Aan uwe voeten, dat ik u nooit zal verlaten,
Indien uw Vader niet bestaat om my te haaten,
Tot voordeel van u Neef.
ISABELLE.
Zyt daar voor niet bedugt,
Eer zulks geschieden zal, neem ik met u de vlugt.
(1315) Die snode heeft de trouw die hy my swoer geschonden,
’k Ben door de myne in ’t minst niet meer aan hem verbonden;
Zo dat ik van nu af, mag kiezen na myn zin.
KAREL.
Zo gy verkiezen wild, begunstigt myne min.
ISABELLE.
Ik twyffel nog aan ’t geen, ik zelver met myn oogen,
(1320) Aanschouw: o zoete min! hoe groot is uw vermoogen!
Rys op, myn Heer, ik bid, misdoe u zelven niet,
Ik onderwerp my al, wat gy aan my gebied,
Begeert gy meer, myn Lief, om u te vreen te stellen?
KAREL.
Terwyl al myn geluk moet van uw zyde hellen,
(1325) Hou ik my door uw woord, myn Lief, in als te vreen.
ISABELLE.
Maar myn Beschermer, ’k wist heel gaarne de reên,
Waarom gy u zo straks met euvlen moed verstoorden,
Op myn meêminnares, of gy haar woud vermoorden.
KAREL.
Een zaak, myn Lief, die my op ’t hoogst ter herte gaat.
(1330) Maar ’k zal my wreeken van dien hoon en bittre smaad.
[p. 70]
ISABELLE.
Zo ik de reede wist, myn Lief, ’t zou my behaagen.
KAREL.
Wel aan; ’k zal u voldoen, ’t is iemant van myn maagen,
Die dus haar eer en pligt te buiten heeft gegaan.
ISABELLE.
Uw maagen, Heer.
KAREL.
O ja, die heeft myn eer verraan.
ISABELLE.
(1335) Stel u gerust, myn lief ’t zal wel ten beste komen;
De min heeft dezen slag voorzigtig waargenomen,
Om u te redden, want dit voorval maakt alleen,
Dat ik niet kan, nog mag met hem in ’t huwlyk treen,
Ik zou zo ’t anders was dien geenen moeten derven,
(1340) Met wien ik ben gezind te leven en te sterven.
Zo haast myn Vader al ’t verborgen is bekend,
Dan werd door hem en my een middel aangewend,
Waar door dat gy uwe Eer hersteld zult zien.
KAREL.
Myn Schoone?
ISABELLE.
Ei! wild om onze min u tog voorzigtig toonen;
(1345) De wraak komt tyds genoeg: eerst in het werk gesteld,
De zagtste middelen, eer dat men met geweld,
Te werk gaat; hy zal ligt, als ik hem niet wil trouwen,
Aan de andere Juffer zyn belofte en Eeden houwen.
KAREL.
’k Zal alles doen het geen, een eerlyk man betaamd,
(1350) In deze zaak, myn Lief, maar zo hy zig niet schaamt,
Zyn Eed te lochenen, dan heb ik voorgenomen,
Dat ik zyn Eerloos bloed langs de aarde zal doen stromen.
Ik lei geen schandvlek in myn Adelyk geslagt;
’k Voel de Edelmoedigheid geeft aan myn armen kragt
(1355) Om hem te dooden, die myn Eer dus heeft geschonden.
ISABELLE.
’k Ben door uw dapperheid, myn Heer, aan u verbonden.
[p. 71]
Ontroof my ’t voordeel niet, dat my uw Liefde gaf,
Ruk u door haastigheid niet weder van my af.
Ei! heb tog deerenis met zugten en myn traanen.
(1360) Ik zal zo datelyk een zeekren weg gaan baanen,
Waar door ge in ’t kort uwe Eer in als hersteld zult zien.
KAREL.
’k Gehoorzaam al het geen, myn Lief my zal gebien.
ISABELLE.
Daar komt myn Vader, Heer, ik bid u wild vertrekken;
Ik zal, wat nodig is, terstond aan hem ontdekken.
VIERDE TOONEEL.
RUDOLF, ISABELLE.
RUDOLF.
(1365) MYn Dogter, vind ik u hier in uwe eenigheid?
Wat is ’er in de weg, dat gy zo treurig zyt?
ISABELLE.
Een Doodelyk verdriet myn oneer, smaad en schanden,
Doen my van ongeduld schier knarzen op myn tanden.
RUDOLF.
Van wie is u die hoon, of spyt, of smaat geschied?
ISABELLE.
(1370) Van een Verrader, ja van eenen, die gansch niet,
Verdient heeft, om den naam myns Bruidegoms te dragen.
Die geeft my reedenen, om over hem te klagen.
RUDOLF.
Uw Bruidegom, myn kind! hoe kan ik zulks vermoen?
Heeft hy u voorgelegt, om iets met u te doen,
(1375) ’t Geen onbetaamlyk is?
ISABELLE.
In ’t minste niet, myn Vader,
Hy heeft wel andere daar toe, die sno verrader?
De min van Isabel gaat hem niet eens aan ’t hart.
Dit ’s oorzaak van myn leed, myn ongedult en smart.
Maar ’k zal dien snooden boef haast loon na werk verschaffen,
(1380) En zulk een euvel daad na zyn verdienste straffen.
[p. 72]
RUDOLF.
Zyt gy van anderen ook qualyk onderrigt?
ISABELLE.
O neen! ’t is kenbaar aan myn ooren en gezigt.
Hy heeft hier al voor lang een Juffer opgehouwen,
Die hy by monde en schrift gezwooren heeft te trouwen.
(1385) Daar zyn reeds kinderen van die verbintenis.
Denk nu, of dit voor my geen schoone Bruigom is?
Wie zou aan zulk een man zig zelve tog vergaapen,
Als die ’t maar was te doen, alleen om by te slaapen?
RUDOLF.
Is dit wel mogelyk.
ISABELLE.
O ja! ter goeder trouw,
(1390) ’k Heb nimmermeer gedagt u loogens op de mouw,
Te spelden, neen, myn Heer, ik eer u als myn Vader,
Gy zyt myn heul en troost, ’k heb daar toe niemand nader.
RUDOLF.
’k Voel, hoe een bitre spyt my ’t ingewand ontroerd.
Waar heeft het los geval ons t’zamen heen gevoerd,
(1395) Om na een zwaare ramp een erger nog te vinden?
Geschied ons zulk een hoon van hem, dien wy beminden?
Hy gaat niet zonder straf voor zulk een misdaad vry,
Hy schend zyn Adelyk huis, zig zelven, uw, en my.
Hoe is de Hemel op myn’ goed geluk gebeeten,
(1400) Dat ik versmaad heb een, dien ’k eeuwig dank moet weten,
Dat ik nog leef, die de eer heeft van myn kind bewaard,
Zelf met gevaar van Lyf en leven, ach! dit baard
Een schielyk naberouw in myne ziel: myn waarde,
En lieve Dogter, dat ik zien mogt, dat gy paarde,
(1405) Met hem, die voor uw Eer de Dood niet heeft ontzien,
Dan zou myn aards geluk tot aan de sterren vlien;
Maar ’t is vergeefs gewenst, men kan van hem niet hooren.
ISABELLE.
Het is een Edelman, hier in den Haag gebooren,
Van brave middelen en door zyn deugd vermaard.
(1410) Myn Heer deWaarheid heeft dit zelf aan my verklaard.
[p. 73]
Hy sneuveld door de min, kan hy me niet verkrygen.
De verdre reen myn Heer, zal ik zo lang verzwygen,
Tot dat ik van myn Neef ontslagen ben door u.
RUDOLF.
’k Acht hem een monster, dier te zyn, daar ik voor gruw;
(1415) Maar ’t geen ik van u hoor, hoe kan zulks mooglyk wezen?
Gy houd myn oude Ziel als tusschen hoop en vreezen.
Geeft my meer opening, stel dog myn hart gerust.
ISABELLE.
’k Heb Jonker Karel zelf gesproken, ja gekust;
Hy was die welkomst na myn oordeel dubbelt waardig,
(1420) Die ons in onze nood tot hulp quam stout en vaardig.
RUDOLF.
Hoe heet hy Karel? maar mag ik dien Heer niet zien?
Is ’t ook gedroomd, myn kind? hoe kan zulks tog geschien?
Wat mag ik met die waan myn ydle hoop nog paayen,
Daar alle reedenen met kragt daar tegens kraayen.
(1425) ’k Denk, een bedrieger heeft u ligt iets wys gemaakt,
Waar door gy zyt misleid en ver van ’t spoor geraakt,
Of, na ik merken kan, zyn dit ligt minnevlagen,
Om dat die Heer misschien uwe oogen kon behagen.
ISABELLE.
Myn Kamenier Roset die heeft zig reeds verloofd,
(1430) Aan zynen Dienaar, die in prykel van zyn hoofd,
Zyn Meester hielp, toen ons het Rovers rot verrasten.
RUDOLF.
Zo ik van agterdogt my zelve zal ontlasten,
Toon my Rosettes Lief; is hy by u bekend?
ISABELLE,
O ja, ’t is Robbert.
RUDOLF.
Wie! wat Robbert, hoe die Vent,
(1435) Die maar een Oog heeft in zyn kop! dat zou wat lyken.
Hoe zal Roset met zulk een schoone Bruigom pryken?
En heeft die Robbert ons geholpen in de nood?
[p. 74]
My dunkt zulk zeggen gantsch myn ongeloof vergroot,
’k Denk dat hy mogelyk de Rol speeld van verrader.
ISABELLE.
(1440) Ik zie hem ginter by Roset: hy komt ons nader.
Ik zal hem wenken: maar, myn waarde Vader, weet,
Hy heet Rosander, schoon, dat ik hem Robbert heet.
Kom nader.
VYFDE TOONEEL.
RUDOLF, ISABELLE, ROSANDER, ROSETTE.
ROSANDER.
HEeft Mevrouw haar slaaf iets te gebieden?
ISABELLE. Zy trekt hem de pleister af.
Bezie hem eens, myn Heer.
RUDOLF.
O Hemel, kan ’t geschieden!
(1445) Vind ik u hier myn Vrind! zulks had ik nooit gedagt.
Wat goed geluk heeft u weerom by my gebragt?
Dagt ik myn halsvrind hier dus onverwagt te aanschouwen,
Dien ik voor altoos moet voor myn beschermer houwen.
Gy hebt door dapperheid my aan u roem verpligt.
ROSANDER.
(1450) Gy acht die zaak, myn Heer, van al te groot gewigt,
Myn dienstbaarheid dwong my, myn pligten te betragten,
Myn Heer heeft de Eer alleen van zulk een daad te wagten,
Wat Bloodaard zou dat zyn, die in een groote nood
Zyn Heer verlegen liet? ik koos veel eer de Dood.
RUDOLF.
(1455) Indien ik mogt uw Heer aanschouwen in dit leven,
’k Zou hem tot dankbaarheid myn waarde Dogter geven;
Ik heb hem afgezet, maar ’t is my waarlyk leed,
Om dat zy was volmaakt na ’t schynt aan hem besteed.
ISABELLE.
Myn Vader, zo ik hoop, zal zyn beloften houwen.
(1460) Wyl Ludewyk zig heeft verbonden om te trouwen.
[p. 75]
RUDOLF.
Rosander is de naam u van uw Heer bekend?
ROSANDER.
Ja Jonker Karel, Heer.
RUDOLF.
Zyn van?
ROSANDER.
Van Westerend.
RUDOLF.
Een Adelyk geslagt van meer dan hondert Jaaren.
ROSANDER.
Uw Waarde Dogter, Heer, kan nimmer beter paaren,
(1465) Als aan dien geen die zelf de deugd tot Leidsman heeft,
Die ’t zeker zonder haar te veel is, dat hy leefd.
RUDOLF.
Waarom houd hy zig tog voor myn gezigt verscholen?
ROSANDER.
’t Veranderen van ’t kleed, myn Heer, dat doet u doolen.
RUDOLF.
’k Denk niet, dat de Akkergraaf dan Jonker Karel is?
ROSANDER.
(1470) O ja! hy is het zelf, voorzeker en gewis.
Hy heeft de naam van Wys heel gaaren willen derven,
Om niet in ’t afzyn van zyn Ziels Vrindin te sterven.
RUDOLF.
Maar zeg eens, welk geval heeft hem by ons gebragt?
ROSANDER.
Ik zal ’t u zeggen Heer, geeft maar een weinig acht.
RUDOLF.
(1475) Ik zal: maar tragt niet van de Waarheid af te wyken.
ISABELLE.
Myn Vader zyt gerust, die zal ons klaarlyk blyken:
Wy zullen hem terstond gaan spreeken.
RUDOLF.
Kan ’t geschien?
Wie heeft door Liefde ooit meer zo vreemde zaak gezien?
[p. 76]
ROSANDER.
Na dat gy met uw koets tot Brussel waard gekomen,
(1480) En uw verblyfplaats had in ’t zelve huis genomen,
Daar wy vertoefden, wierd terstond myn Meesters hart
In Liefde ontsteken tot uw Dogter; hy benard
En gantsch verlegen, wyl hy u in ’t minst niet kenden,
Gaf hy my order, dat ik alles aan zou wenden,
(1485) Om te verneemen, wie gy waart; ik sprak den knegt,
Die u wel kenden, en alreê was onderregt
Van uw koetzier, dat gy naar Holland trokt, en toonde
My vorder door gesprek, dat gy niet verre woonde
Van Brussel op een groot en deftig Land-huis; ’k deed,
(1490) Zo haast ik zulks verstond, myn Heer daar van de weet,
Die my hier op aanstonds beval, om alle zaken,
Die nodig waaren, om te Reizen, klaar te maken,
En u te volgen; ’t geen geschiede, wat in ’t end
Gebeurden, is myn Heer, zo wel, als my, bekend.
(1495) Dit rest ’er nog, dat hy het gekke kleed deed maken,
Om in geselschap van uw Dogter te geraken.
Dit is, al ’t geen ik weet.
ISABELLE.
Myn Vader, laat ons gaan:
Wy zullen ’t breder zelf uit Karels mond verstaan.
Roset.
ROSETTE.
Ik volg.
ZESDE TOONEEL.
ROSANDER, ROSETTE.
ROSANDER.
MYn Lief?
ROSETTE.
Rosander, staak het kussen:
(1500) Ik word zo klugtig door al ’t soenen, en dat brussen.
ROSANDER.
Wel waarom niet, myn Bruid? het staat ons immers vry.
Is ’t vaatje niet verzynst?
[p. 77]
ROSETTE.
’k Versta uw meening: ei!
Als of je zeggen woud. Neen Vrind, dat zal niet lukken,
Ik laat myn Roosje niet, voor dat het tyd is, plukken;
(1505) Hoe wel ik graag beken, het is by u verdiend.
Maar ’t is nog wat te vroeg, myn alderwaardste Vriend,
’k Bewaar het ook voor u; voorzeker, vaste brieven:
Maar hoor, Rosandertje, wat wagten doet wel lieven.
ROSANDER.
Geef aan uw Minnaar dan voor ’t minste nog een soen.
ROSETTE.
(1510) Myn Hartje, ’k heb geen tyd, ’k zou ’t anders gaaren doen.
Wy moeten in der eil ons t’zamen derwaarts wenden,
En zien, hoe op het laast, dit klugtig spel zal enden.
Einde van het vierde Bedryf.
[p. 78]
VYFDE BEDRYF.
EERSTE TOONEEL.
RUDOLF, ISABELLE, ROSETTE.
RUDOLF.
IK sta verwonderd van het geen, ik zie en hoor.
Wie quam zo vreemde een zaak in ’t leven ooit te voor!
(1515) Ik ben van hem gehoont, dien ik myn kind wou geven,
Ik vind dien geen, die my behouden heeft het leven.
Wel ik beken, dit werk dat ziet ’er wonder uit,
Myn Neef vind ik verloofd, Rosette is reets de Bruid,
En Jonker Karel hier; hoe kan het mogelyk wezen.
ROSETTE.
(1520) ’k Heb in geen Almenak ooit zulk een klugt gelezen.
Daar zal de Historie van Olyf of Palinaryn,
Van Fortunates beurs, van Orsel, Valentyn,
Van Zansje, Don Quisjot, of van de jonge Jakken,
Of Meurse Besje, dat niet eeten kon of kakken,
(1525) Maar enkel prul by zyn.
ISABELLE.
Zwyg maar; je hebt gelyk.
Maar spreken wy, myn Heer, van Jonker Ludewyk,
Wyl hy de naam van Neef by ons niet meer is waardig,
Die zyne pligt en Eed geschonden heeft, ligtvaardig
Nog wil verlaten, daar hy zig heeft aan verlooft,
(1530) Na dat hy haar van Eer ontbloot heeft en berooft.
Ga heen Roset, daar is de sleutel van de kamer,
Die voor my was bereid, ik wist geen plaats bekwamer,
Om haar te brengen, tot dat ik u sprak, myn Heer.
Verzoek de Juffer, met beleeftheid, om my de Eer
(1535) Te doen, van straks by ons, in dit vertrek te komen.
ROSETTE.
Ik ga.
[p. 79]
TWEEDE TOONEEL.
ISABELLE, RUDOLF.
ISABELLE.
’k ZAl al ’t geheim, ’t geen ik heb voorgenomen,
Ontdekken, zo haast als de Juffer hier is.
RUDOLF.
’k Weet,
Wat my te doen zal staan, zo hy zyn Eer en Eed
Geschonden heeft, en zulks volkomen is gebleken.
DERDE TOONEEL.
KORNELIA, BREGITTE, RUDOLF, ISABELLE, ROSETTE.
KORNELIA.
(1540) MYn Heer?
RUDOLF.
Wat zoekt gy hier? wat mag u dog ontbreeken?
KORNELIA.
Een eerlyk man, myn Heer; om my in dezen staat
Te redden: ik alleen ben daar toe ’t einde raad,
En ’k twyffel niet, myn Heer; of ’t is in uw vermogen
Den slag te schutten, dien ik met bekretene oogen
(1545) Niet kan verhinderen.
RUDOLF.
U zal geen leed geschien
Van my; zo gy my klaar uw ongeval doet zien,
Hebt gy niet anders, als myn hulp en troost te wagten.
’k Zal uw geleeden leed, zo ’t mooglyk is, verzagten,
Want ’t roud my, dat gy van een fiel bedrogen zyt,
(1550) Zo wel als ik; maar ik verzeker u, de spyt,
Die hy my aandeed, zal hem waarlyk haast berouwen;
Hy zal myn Dogter, schoon aan hem verlooft, nooit trouwen;
Wat voor verzekering gaf hy u met zyn woord?
KORNELIA.
Dit Borst Juweel,
[p. 80]
ISABELLE.
En dees beloften.
RUDOLF.
Ongehoord
(1555) Zyn zulke gruwelen: hy hoorde zig te schaamen.
Wat doed de Jeugd niet al regt tegens het betaamen!
Dit is gezegeld en geteekend met zyn Ring,
Het schrift zyn eigen hand, ook de onderteekening.
KORNELIA.
Tegens Isabelle.
Is Ludewyk bewust, dat ik hier ben gebleven?
ISABELLE.
(1560) Neen, niemand heeft aan hem daar kennis van gegeven.
Hoe zal hy opzien, als hy u hier vind?
KORNELIA.
’t Is goed.
RUDOLF.
Hy heeft zyn Eijeren niet weinig vuil gebroed.
Dit ziet ’er lelyk uit: wie dorst ooit met gedagten
Zo snode een schelmery van myn Couzyn verwagten?
(1565) Waar is die brave kwant? ik zal hem doen verstaan,
Hoe my zyn slegt bedryf ter harten is gegaan:
Hy zal zig voor myn haat in ’t minste niet bescharmen.
VIERDE TOONEEL.
LEONOOR, RUDOLF, ISABELLE, KORNELIA, ROSETTE, BRIGITTE.
LEONOOR.
WAt komt ons over? och! och! lacie! en och armen!
ISABELLE.
Wat scheeltje, Leonoor? wy zyn hier tot uw hulp.
LEONOOR.
(1570) Och! zo ik kost, ik kroop waaragtig in een schulp,
Of in een hol, daar Zon nog Maan schynt, is dat schrikken?
Myn hart dat breekt me schier van vrees aan duizend stikken.
[p. 81]
RUDOLF.
Wat gaat u over, meid? hoe maak je zulk gedruis?
LEONOOR.
Och! och! myn goede Heer, het spookt hier in ons huis,
(1575) Ik heb de Drommel in een groot zinjeur zyn kleeren
Zo datelyk gezien, dat wil ik u wel zweeren;
Ik ben myn leeven nooit zo zeer verschrikt geweest,
Och wat heb ik gedaan, dat my een booze geest
Te vooren komt! ik heb my zelve nooit verswooren.
(1580) Wat reeden heeft de droes zig dan op my te storen?
Hy had een pruik op ’t hoofd, een veeder op zyn hoed;
’t Is wis een Kappetein van ’t onderaards gebroed.
Eer hy van hier geraakt, zo zal ’t hier drommels kluizen,
Och, had ik maar myn huur, ’k vertrok straks met myn luizen.
ROSETTE.
(1585) Was hy in ’t zwart?
LEONOOR.
Wel neen, hy was niet in de rouw,
Maar in het kleurd; hy zag, of hy me vreeten wou.
ROSETTE.
’t Is ki ka kousje,
LEONOOR.
Neen, gy zult my niet doen doolen,
Zyn oogen glommen in zyn kop, gelyk twee koolen,
’k Was byna in geen staat, om van het spook te vlien.
ROSETTE.
(1590) Had hy een staart?
LEONOOR.
’k Loof ja, maar ’k heb ze niet gezien,
Die heeft hy mogelyk wel in zyn broek verborgen.
ISABELLE.
Maar hoor eens, Leonoor; ik ben niet buiten zorgen
Of ’t u wel in het hoofd mogt scheelen.
LEONOOR.
Schoon bescheid.
’k Ben geen zottin. Juffrouw, al ben ik hier de meid,
(1595) En mogelyk, als ik stak in opgetooide veeren,
[p. 82]
Dat ik dan voor Madam, als andre, zou passeeren,
(Of schoon het goet bleef voor een wyl tyds onbetaalt.)
Met Diamant in ’t oor, de Borsjes opgehaald
Tot aan de kin, gants bloed, wie weet niet, hoe ik zwierde,
(1600) Wanneer een Ku Pari myn agter end verzierde,
En dan myn bakhuis met wat moesjes digt beplakt,
Als of het van een zwerm van vliegen was bekakt;
Dan zou men Leonoor veel meer, als nu, geloven;
Maar ’k meen, dat myn geloof uw zeggen gaat te boven:
(1605) Maar zeg my eens, myn Heer, hebt gy me niet belast,
Zo dra als gy hier quamt met dezen groenen gast,
Dat ik voor alle ding myn werk daar af moest maken,
Dat hy niet onverwagt mogt buiten deur geraken?
En schoon ik daar myn werk in als heb van gemaakt,
(1610) Zo is hy evenwel door ’t Venster uit geraakt,
Of door het sleutel gat, of schoorsteen: al myn vreezen
Is, dat de gantsche Haag wis zal in oproer weezen,
Zo ’t Volk hem ziet. ’t Gaat vast; en wie weet, of ik mis,
Dat hy van ’t slegte grauw reets dood geslagen is,
(1615) Of ’t zal gewis geschien; en krygen hem de Boeren
Op Scheveling, het raakt daar al in rep en roeren;
Dan zal het mogelyk met hem nog slimmer gaan:
Ze zien hem zeker voor een grooten kikvors aan,
Of voor een Krokodil.
ROSETTE.
Of voor een Kazewaris.
(1620) Ik moet bekennen, dat die stori wonder raar is.
Hoe komt dat andre spook hier in? en waar van daan?
LEONOOR.
Wel hoe! hoe weet ik dat? dat mogt de Drommel raân,
Brabantze Tan.
ROSETTE.
Ei hoor, dit komt my vreemd te vooren.
Brabandze Tan? Malloot, ik ben te Delft gebooren,
LEONOOR.
(1625) Dan ben je een kalfs kop.
[p. 83]
RUDOLF.
Zagt, scheld hier malkander niet.
ROSETTE.
Ik merk nu klaar waar uit haar dwaaling is geschied;
Door Jonker Karel; want hy deed zig ligt verkleeden
In eigene gewaad.
ISABELLE.
Roset, dit heeft zyn reeden.
ROSETTE.
Zy mist den eenen, en maakt nu al dit geraas,
(1630) Om dat zy onverwagt een aâr vind in zyn plaas.
ISABELLE.
De Meid die kent hem wel; zy zoekt ons wat te doeken.
Is ’t zo niet, Leonoor?
LEONOOR.
Je helpt een mens aan ’t vloeken:
Dat is maar gekke praat: of meenje ligt, Juffrouw,
Dat ik met Belzebuik Korespondrentie hou?
(1635) Daar komt de Duivel zelf. ô Moord! waar zal ik lopen?
Hy zal my zekerlyk de Huid van ’t lyf gaan stropen.
VYFDE TOONEEL.
RUDOLF, ISABELLE, ROSETTE, KORNELIA, LEONOOR, BREGITTE, ROSANDER.
RUDOLF.
MAar is ’er ooit wel zulken zotten zaak geschied?
LEONOOR.
Na ik bespeur, is dit de regte Drommel niet,
Die straks zo zag, of hy my maken zou en breeken.
ROSANDER.
(1640) Heer Karel die verzoekt, myn Heer, om u te spreeken.
RUDOLF.
’k Wagt hem met ongeduld.
[p. 84]
ZESDE TOONEEL.
RUPOLF, ISABELLE, KORNELIA, LEONOOR, ROSETTE.
LEONOOR.
HOe kan dit nu geschiên?
’k Heb straks dat spookzel maar met een oog nog gezien,
En nu heeft hy ’er twee, en kan je nog niet merken,
Dat hier oogschynelyk de Droes komt onder werken?
(1645) ’t Schynd, wat ik zeg, of niet, ’t werd van u niet gelooft;
Maar ’t geen ik zie, dat praat my niemand uit het hoofd.
ZEVENDE TOONEEL.
RUDOLF, ISABELLE, KORNELIA, BREGITTE, KAREL, ROSANDER, LEONOOR.
KAREL.
HEb ik ’t geluk, myn Heer, by u bekend te wezen?
LEONOOR.
Dat is de regte Droes: ’k begin op nieuw te vreezen.
Och! och! waar berg ik my hier ergens in een gat?
RUDOLF.
(1650) ’k Heb in myn leeven nooit zo veel geluk gehad
Als nu gy onverwagt vol vreugd my komt ontmoeten.
Lei, dat uw Dienaar mag met eerbied aan uw voeten
Zyn pligt afleggen, om...
KAREL.
Zulks sta ik nimmer toe.
Gy zyt my veels te waard.
RUDOLF.
Bescherm-Heer, ik misdoe,
(1655) Indien ik anders deed; laat my, myn pligt betragten.
KAREL.
Nog eens, ik lei zulks niet, myn Heer, met geen gedagten;
’k Heb anders niet gedaan, als ’t geen my de Eer gebood.
[p. 85]
RUDOLF.
Maar al te ver, myn Heer, in prykel van de Dood,
Hebt gy u niet ontzien, om ons uw hulp te bieden.
KAREL.
(1660) Wat zou ik anders doen, myn Heer? dit moest geschieden,
Om u te vryden van dat hatelyk gespuis.
LEONOOR.
Dat spoek, na dat ik merk, is welkom in ons huis,
Daar ik wensch dat het was tien Myl van hier gebanne.
ROSETTE.
Het is geen spook, of Droes, kom jy maar hier, malle Anne.
LEONOOR.
(1665) Waar is de Groene gek? daar eerst eens na gevraagt.
KAREL.
Dien heb ik door myn magt ten schoorsteen uit gejaagt.
LEONOOR.
Daar hoor je zelver nu... och Juffrouw! wagt uw handen.
ISABELLE.
Waarom, Malloot?
LEONOOR.
Waarom? je zult ze zeker branden:
Dat gaat hier wonder toe, ze geeft hem nog een zoen.
ISABELLE.
(1670) Het is een deftig Heer.
LEONOOR.
Het mogt de Drommel doen.
KORNELIA. Tegens Bregitte.
Is dit myn Broeder niet? myn Hart begint te beven.
Wat komt my over? ach! de Geest wil my begeven!
Myn Broeder, zyt gy ’t zelf?
KAREL.
O ja! maar gy niet waard
De naam van Zuster, die zo schandelyk ontaard
(1675) Van Eer, uw goede Faam hebt in het slyk gesmeeten.
Ik zal die misdaad nooit vergeven nog vergeeten.
ISABELLE.
Wat wonderlyk geval? is dit uw Zuster, Heer?
[p. 86]
KAREL.
O ja! maar ’t is my leet.
KORNELIA.
Myn Broeder, ’k bid, ei keer
U w broederlyke hart niet van my af; ’t zal blyken,
(1680) Dat gy gekomen zyt, om al ’t verongelyken
En smaad, my aangedaan, te wreeken; neem geduld.
KAREL.
Laat los.
KORNELIA.
Myn Broeder, neen; vergeef my eerst myn schuld.
Zyt tog myn hulp en troost, gelyk gy waard voor dezen.
LEONOOR.
Zo dit zyn Zuster is, zal hy geen drommel wezen.
(1685) Ik ken haar al te wel: het is myn Heer zyn Lief,
En zo ik ’t zeggen dorst, ik schold hem voor een dief.
Hy heeft haar eer berooft.
ISABELLE.
Myn Lief, op myne bede
Vertroost uw Zuster.
KAREL.
Nu, ryst op, en zyt te vrede;
Ik zal uw Eer in ’t kort herstellen, of dien geen
(1690) Van ’t ligt beroven, die myn Glorie dorst vertreên.
RUDOLF.
Myn Heer, als ’t u belieft, ik zal een middel vinden,
Om deez verwarde knoop gemakkelyk t’ontbinden.
Zeg Leonoor, waar is uw Heer?
LEONOOR.
Die ’s uit gegaan;
Maar komt zo daatlyk weer na hy my deed verstaan.
RUDOLF.
(1695) Ga heen; wanneer hy komt, laat ons zulks daatlyk weten.
LEONOOR.
Myn Heer, het zal geschien.
[p. 87]
ACHTSTE TOONEEL.
RUDOLF, ISABELLE, KAREL, ROSANDER, KORNELIA, BREGITTE.
RUDOLF.
HEeft hy zyn pligt vergeten,
Ik toon ze aan hem. hy is niet waardig, dat hy leeft,
Indien hy u en my geen vergenoeging geeft.
KAREL.
Hy beter zyne schult of ’k zal ’t hem doen berouwen.
RUDOLF.
(1700) Ik sta u toe, myn Heer, om met myn kind te trouwen,
Indien zy in uw borst, als gy in hare woond.
Heb ik myn pligt voldaan en uwen dienst beloond
Met deze gift?
KAREL.
O ja! myn Heer, en ’k wil u zweeren,
Dat ik gehoorzaam u zal als myn Vader eeren.
(1705) Myn Engel,..
ISABELLE.
Ach myn Lief!
KAREL.
Wat is myn ziel verheugd!
ISABELLE.
De Hemel, Lief, beloond altyd de ware Deugd.
ROSETTE.
Zo Juffer, dat gaat wel; ’t geluk begint te daagen;
Gy zult na deez niet meer uw ongeval beklagen.
Na ik bemerken kan, gaan nu de zaken regt;
(1710) Zy komen wel ter snee, zo ’t Heerschap, als de knegt.
ISABELLE.
Ik heb myn wensch.
ROSETTE.
Ik ook.
ISABELLE.
Dit stelt myn hart geruster.
[p. 88]
KORNELIA.
O wonderlyk geval! vind ik in u myn Zuster,
Die ik verkooren had voor myn behoudenis?
’t Schynt, dat het noodlot moê van my te plagen is.
(1715) Wat groot geluk voor my!
NEGENDE TOONEEL.
RUDOLF, KAREL, ISABELLE, ROSETTE, ROSANDER, KORNELIA, LEONOOR, BREGITTE.
LEONOOR.
IK heb myn Heer vernomen.
RUDOLF.
Verzoek hem, of hy eens by my gelieft te komen;
’k Moet hem noodzakelyk eens spreeken.
LEONOOR.
’t Zal geschiên.
TIENDE TOONEEL.
RUPOLF, KAREL, ISABELLE, KORNELIA, ROSANDER, ROSETTE, BREGITTE.
RUDOLF.
GA beide in ons vertrek; hy moet u nog niet zien.
Volg al te zamen. ’k zal de waarheid best ontdekken
(1720) Door hem alleen, en my uit deze doling trekken.
Pas op, Rosette, als ik u roep.
ROSETTE.
Heel wel, myn Heer.
RODOLF.
Myn voorgenome zaak krygt hier een andre keer.
ELFDE TOONEEL.
LUDEWYK.RUDOLF.
LUDEWYK.
IK had zo haast, myn Heer, de boodschap niet vernomen,
Of ’k ben op uw verzoek straks herwaars aangekomen.
(1725) Ben ik bekwaam, myn Oom, om dienst aan u te doen?
[p. 89]
RUDOLF.
Wie zou deze oneer in een Aadelyk hart vermoen?
Schoon dat ik reden heb, om hevig uit te varen,
’k Zal egter, koel van moed, myn meening u verklaren:
’t Is u bekend, dat ik op uw beleefd vermaan,
(1730) Myn waarde Dogter u, als Bruid, heb toegestaan;
De waarom weet gy, en ik zal die niet verzaken,
Om dat uw beider schat niet zou in handen raken
Van vreemden, en terwyl gy zyt myn Broeders zoon,
Heb ik op uw verzoek myn kind u aangeboon,
(1735) Zo dra de jaaren haar toelieten, om te paren,
Die op zes jaren na met de uwen evenaren;
Ik kom met haar, maar vind my schandelyk voor ’t hoofd
Gestooten.
LUDEWYK.
Waarom, Heer?
RUDOLF.
Om dat gy zyt verlooft,
En vast verbonden aan een ander.
LUDEWYK.
Vreemde zaken!
(1740) Wie is het die myn Oom die logens wys kwam maken?
Wie is zo boos geweest te brouwen zulk een kwaad?
Hy heeft te vreezen voor myn doodelyken haat.
RUDOLF.
Die my dit heeft gezegt, zal zeker u niet vreezen,
Maar mogelyk met uw bloed zyn eer kwetzuur genezen,
(1745) Indien gy weigert, om de Juffer, die u mind,
Den hand als Bruidegom te geven, wyl een kind
Reets geeft getuigenis van ’t kwaad door u bedreven.
Verzeker dan, ’t word tyd, uw Eer, uw Staat en Leven.
LUDEWYK.
Wie zou hy vrezen, die geen misdaad heeft verrigt.
(1750) Ik heb myns wetens nooit geweeken van myn pligt.
RUDOLF.
Foei! schaam u, van de deugd zo weinig werk te maken,
Daar gy uwe Eer en pligt zo eerloos dorst verzaken,
[p. 90]
En nog ontkend, het geen zo klaar blykt als den dag;
Maar wyl myn heus verzoek by u niet helpen mag,
(1755) Zal ik de waarheid klaar, aan uw gezigt vertoonen.
LUDEWYK.
Ten is geen kunst, myn eer dus schamperlyk te hoonen.
RUDOLF.
Rosette.
TWAALFDE TOONEEL.
ROSETTE, RUDOLF, LUDEWYK.
ROSETTE.
WEl, myn Heer, wat is van uw pleizier?
RUDOLF.
Ga roep de Juffer met myn Dogter aanstonts hier.
ROSETTE.
Wel aan.
DERTIENDE TOONEEL.
RUDOLF, LUDEWYK.
RUDOLF.
NU zal de zaak zig zelver haast ontdekken,
(1760) Hoewel ik die geenzints in twyffel hoef te trekken,
’k Verzoek u andermaal, wyl gy zyt van myn bloed,
Dat gy u zelve dog voor ongeval behoed,
En uw beloften houd aan die gy zyt verbonden.
VEERTIENDE TOONEEL.
RUDOLF, LUDEWYK, ISABELLE, KORNELIA, ROSETTE, BREGITTE.
ROSETTE.
DE Bok ryd op zyn gat: hier zal het zeker honden.
RUDOLF.
(1765) Kend gy dees Juffer?
LUDEWYK.
Ja.
RUDOLF.
Dan weet gy ook met een,
[p. 91]
Dat zy van u voor dees wierd hartlyk aangebeên,
Eer zy haar eer by u op trouw te pande zetten.
LUDEWYK.
Wie kan de ruwe loop der Liefde dog beletten?
Galanterie is zo gemeen hier in den Haag,
(1770) Dat zy....
RUDOLF.
Maar, Ludewyk, zeg eens, dit is myn vraag,
Of Trouwbeloften, Eer en Pligten te vergeten,
Hier in den Haag met reen Galanterie mag heeten?
Dit kostlyk Borst-juweel, dat eer uw Moeder droeg,
Aan haar geschonken, is dat geen bewys genoeg
(1775) Van uw verbintenis?
LUDEWYK.
Ik heb ’t aan haar geschonken.
Zy mag indien ze wil, voor altoos daar meê pronken,
Of zo ’t haar lust, ’k agt haar hier meê vol op betaald.
ROSETTE.
’t Is wonder dat de droes dien vent niet weg en haald;
Want onbeschaamder heb ik nooit gezien myn leven.
ISABELLE.
(1780) Waar blyft de paspoort, Heer, die gy aan my zoud geven,
Op dat gy moogt gerust met deeze in ’t Huwlyk treên?
LUDEWYK.
’t Was misverstand, myn Lief, ik bid, stel u te vreên.
ISABELLE.
Hoe ik uw Lief?
ROSETTE.
Holla! niet aan die kant te porren.
Zy is van ’t Witjes Volk, en gy bent van de Torren;
(1785) En och! dat volk dat, komt, in ’t minst niet over een.
RUDOLF.
Maar Neef, waar zullen wy met dees belofte heen?
Dit is voor ’t minste uit geen Galanterie geschreven,
Wyl gy belooft met haar in Eeuwigheid te leven.
LUDEWYK.
Hoor Oom, wat ook myn jeugd gedaan heeft, of verrigt,
[p. 92]
(1790) Ik hou my aan uw woord, niet aan dat schrift verpligt.
RUDOLF.
Ik niet.
ROSETTE.
Ik ook niet.
ISABELLE.
Zwyg, Malloot, hoe zal ’t hier wezen?
Of anders hebt gy voor myn ongena te vreezen.



VYFTIENDE TOONEEL.

RUDOLF, ISABELLE, LUDEWYK, KORNELIA, BREGITTE, ROSETTE, PIETER. KAREL, ROSANDER, ALARDUS, agter op ’t Tooneel.

RUDOLF.
HOor, Ludewyk, voor ’t laast; laat u ten besten raân;
Uw hoop, van met myn kind te trouwen is gedaan;
(1795) Want zou ’t geen dwaasheid zyn, om haar aan een te geven,
Die zig verbonden heeft? waar toe dit wederstreven?
Gy zult haar nimmermeer genieten; want de reên
En billikheid gebiên, dat gy met deze alleen,
En met geen ander, schoon gy haar veragt, moogt trouwen.
LUDEWYK, steekt zyn vinger op.
(1800) Ik zweer, zo ik zulks doe...
KAREL, grypende zyn hand.
Ik zweer, het zal u rouwen,
Zo gy zulks niet en doet.
LUDEWYK.
Wel hoe! myn Heer, wat ’s dit?
Wat jaagt u hier?
De wraak, die myne ziel bezit,
Om u, ontrouwe schelm, na uw waardy te straffen.
LUDEWYK.
Nooit week myn Eedle moed voor scheden, nog voor blaffen;
(1805) Maar ’k vraag u andermaal, hoe komt gy in myn huis?
[p. 93]
Word ik verraaden door myn eigen snood gespuis?
Doch zo gy na ik hoor, hier komt om u te wreeken,
Daar is myn handschoen, ga na buiten, ’k zal u spreken,
En op myn zydgeweer beproeven uwe wraak,
(1810) Vertrouw myn woord, vertrek, eer ik u voeten maak,
Zy trekken hunne deegens.
ISABELLE.
Help! help! wat zal dit zyn? laat af, myn Lief, myn leven.
RUDOLF.
Sluit toe de deur; myn Heer, waar toe dit tegenstreven?
Ik bid, berokken ons, mag ’t zyn, geen meêr verdriet.
KORNELIA.
Myn lieve Ludewyk, vermoord myn Broeder niet.
LUDEWYK.
(1815) Uw Broeder?
KORNELIA.
Ja, myn ziel.
LUDEWYK.
Ik merk het aan zyn weezen.
Hy is het, voor wiens komst ik lang bestond te vreezen.
KORNELIA.
Stil uwe oploopentheid, ik val voor u te voet.
LUDEWYK.
Ik voel verandering in myn ontstelt gemoed.
KAREL.
Moet ik dit dulden?
LUDEWYK.
Rys, verban vry al uw vreezen.
(1820) Ben ik ontrou geweest, ’k blyf u getrouw na deezen;
Het huwlyk met myn Nigt, heeft dit te weeg gebragt.
Myn Heer, indien gy my uw Zuster waardig agt,
Zal ik eerbiedig, haar zelf van uw hand verwagten.
ROSETTE.
Wat zo, dat gaat heel wel; nooit schoonder met gedagten.
KAREL.
(1825) Als ’t u belieft, myn Heer; schoon gy me hebt misdaan,
Neem ik met al myn hart u voor myn Broeder aan,
[p. 94]
En schenk u tot uw Bruid, myn lieve en waarde Zuster.
Myn schoone dit stelt nu myn hart in al’s geruster.
Myn mede Minnaar heeft myn Zuster tot zyn Bruid.
RUDOLF.
(1830) ’k Zie alle zwaarigheid in uwe Min gestuit,
Nu dat de zaken hier zo wel ten beste keeren.
LUDEWYK.
Is ’t Spook, of Tovery, of Droom ik, waarde Heeren?
Hoe is ’t? zal Karel met myn Nigt in ’t Huwlyk treên.
RUDOLF.
Hy is het, die ons heeft zo moedig vry gestreên,
(1835) ’t Geen ik u op myn komst van stuk tot stuk vertelden.
Heb ik geen reedenen, die Weldaad te vergelden?
Met hem te erkennen voor myn Zoon en voor myn Vriend?
ROSETTE.
Heeft dees getrouwe knegt my toen ook niet verdiend,
Die als een Kampioen heeft voor myn Eer gestreden?
(1840) Is die myn min niet waard?
KAREL.
O ja, Roset, met reeden
Hy is uw Liefde waard, en vry met groot fatzoen:
Daarom bemin hem vry.
ROSETTE.
Dat meen ik ook te doen.
RUDOLF.
’k Zal ’t Loon van zynen Dienst ook onder my niet laaten.
Rosander.
ROSANDER.
Heer.
RUDOLF.
Ik schenk dees Goudbeurs met Ducaaten
(1845) Aan u voor uwen Dienst.
ROSANDER.
Heb Dank, myn waarde Heer.
ROSETTE.
Myn Lieve jongetje, nu min ik u nog meêr.
[p. 95]
ISABELLE.
Indien de derde zig kwam voor myn oog vertoonen,
’k Zou zyn Trouwhertigheid meê dankelyk beloonen.
KAREL.
Alardus.
ALARDUS.
Wel, myn Heer, wat is ’er van uw Dienst?
KAREL.
(1850) Zie hier de derde, Lief, hoe wel op ’t onverzienst.
ISABELLE.
Kom herwaarts, brave Borst, ik zal uw Deugd vergelden.
ALARDUS.
’k Bedank u Duizendmaal.
ROSETTE.
Ik ook zo, Held der Helden.
ALARDUS.
Hoor hier eens, Leonoor, wat zegje van die klank?
LEONOOR.
Zo ik ’er mede een kreeg, ’k zyde ook van harte Dank.
ALARDUS.
(1855) Zie daar, ’k vereerze aan u, op voorwaard van te trouwen.
LEONOOR.
Als ik het doen wou, vrind, je zoud uw woord niet houwen.
ALARDUS.
Ik zou voorzeker.
LEONOOR.
Als je wilt, ik ben gereet.
RUDOLF.
De Vryster doet heel wel, en beter als zy weet.
ISABELLE.
Hoe schielyk weet de Min door ’t geld haar zaad te zaaijen!
BREGITTE.
(1860) Wel ’t zal hier op het Land nog meer doen, als hart waaijen.
’k Zie elk, die krygt hier wat, en ik een groote niet.
KORNELIA.
Wie is uw gading?
[p. 96]
BREGITTE.
Wel wie aârs, als onze Piet?
Kom, Pietje, kom eens hier, waar ga jy u verschuilen!
Kom hier, myn groote maat, je moet ’er niet om pruilen
(1865) Schoon elk hier in het rond voorzien is met zyn Bruid.
LUDEWYK.
Hoor, Pieter, is ’t u ernst? blyft gy by uw besluit
Gy hebt my voorgestelt, om met Bregit; te paaren.
Is ’t nog uw meening?
PIETER.
Ja, myn Heer, van harten, gaaren:
Dat is ons beider wensch, niet, stookster van myn vier?
BREGITTE.
(1870) O ja!
LUDEWYK.
Ik sta het toe, en maak u myn Koetzier.
KORNELIA.
En ik zal aan Bregitte een deftig Bruid-stuk geven.
PIETER.
Wy danken u te zaam.
BREGITTE.
En wenschen u lang Leven.
LEONOOR.
Schud met de Beurs.
Wat zo! dat gaat heel wel.
ROSETTE.
Schud met de Beurs.
Dit geeft de Mensch Koeragie.
ALARDUS.
Zie hier het eind van ’t spel.
ROSANDER.
                                            En vyfmaal Mariage.

EYNDE.

Continue

Tekstkritiek:

Aanhangel privilege, p. 6: Privilegie er staat: Privilegien
1209: verrigt, er staat: verrigt.
1263: vertrekken er staat: vetrekken