Het gewaande huwelyk. Harlingen, B. Schiere, 1758. Ceneton A0577.
Eerder verschenen in: De Delfsche juffer of te listige leevensgedrag van een bedaagde Vryster. Zynde een waare Historie. ’s Gravenhage, H. Bakhuyzen, 1758. Ceneton A0576.
Uitgegeven door Evelien Engele.
Red. dr. A.J.E. Harmsen, Universiteit Leiden.
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.
Continue
[p. 1]

HET

GEWAANDE

HUWELYK,

OF DE

BEDRIEGSTER
ONTMOMD,

KLUGTSPEL.
____________________

Zynde een waare Historie, en een Ve-
ritabel Geval, onlangs door zekere
Delfsche Juffer of Bedaagde Vry-
ster listelyk uitgevoerd.

[Typografosch ornament]

Te HARLINGEN,
By B. SCHIERE, Boekverloper,
1758.




[p. 2: blanco]
[p. 3]

Den DRUKKER aan den
LEEZER.

DEeze Comoedie, onder den titel van HET GEWAANDE HUWELYK, OF DE BEDRIEGSTER ONTMOMD, enz. alhoewel dezelve, korten tyd geleeden, in eene andere Provincie met den Druk is gemeen gemaakt, ben ik (om de schaarscheid van Exemplaaren) te raade geworden hetzelve mede met den Druk te vereeren; om daar door een ieder een korte schets te geeven van een onlangs voorgevallen gebeurtenisse, door zekere DELFSCHE JUFFER, of BEDAAGDE VRYSTER, listelyk uitgevoerd; zynde eene waare Historie.
    Ik wil niet twyffelen of dit Klugtspel zal van veele met eene smakelyke lach werden doorgeleezen, gelyk het reeds van veele is gedaen; en nu weder met den Druk gemeen gemaakt door

                                          U onderdaanige

                                                          B.S.



[p. 4]

VERTOONERS.

Juffrouw W......., gewaande Minnares.
De Heer Goethals, Vriend van Juffr. W..
Juffrouw Gaarnmeet, een Winkelierster.
De Heer Zonderziel, een Woekeraar.
Meester Gryphart, een Juwelier.
Pynbuik,
Naauwbeurs,
} Twee Geldschieters.
Vrouw Geldebly, een Kantenverkoopster.
Juffr. Pluymstryk, Kamenier.
Lysje Rond-uit, Keukenmeid.
Aagje Klappy, Werkmeid.
Hans Ruimdarm, Knecht.
Stoffel Molbuik, gewaande Laky en Ver-
    trouweling van Juffrouw W........
} aangenomene
Diensboden
van Juffr.
W......
Een Schippers Gast.
Een Jodin.

De Klugt word gespeeld voor ’t
    Huis van de gewaande Min-
    nares.



[p. 5]

HET

GEWAANDE HUWELYK

OF DE

BEDRIEGSTER ONTMOMD.
____________________

EERSTE TONEEL.

LYSJE RONDUIT, AAGJE KLAPPY.
            LYSJE RONDUIT.
Wel Aagje mag ik Jou mede geluk wenschen met de Goods-Penning?

            AAGJE KLAPPY.
Ja tog Lysje. Juffrouw W....... was zo redelyk, dat ze niet eens getuigen van me wou hebben: wat is dat aangenaam, als men met opregte Menschen te doen heeft.

            LYSJE RONDUIT.
    Dat is het gewis: Maar ik ken me niet begrypen waarom die eenvoudige Juffer hier zo gelastert word in de Stad, of daar moet iets anders agter schuilen! Toen men hoorde dat ik me by haar wou gaan verhuuren, zei men; Ik geloof het schort Lysje in haar hoofd, datze by zoo’n schynheilige boggel wil woonen!

            AAGJE KLAPPY.
    Hoor Lysje, laten de kwaadsprekende tongen zeggen wat ze willen. Om dat die [p. 6] Juffer zoo’n ryk Huwelyk gaat doen en dat zy leelyk is, daarom heeft ’er elk even veel snaps van, en een jong kleuter dat maar wat mooi van bakkus is, en geen Galant kan krygen, is nu jaloers. Maar heeft Juffrouw W....... een boggel, ze heeft ze met eeren, en haare deugden maken haar schoon, zonder dat zou haar een voornaam Heer niet ten Huwelyk pretenderen. Als imand wat effen van wezen is en naarstig in de Kerk gaat, zeid men aanstonds, het is een fyntje; maar het is een slegt zeggen, want die Juffer haar leeven is immers ordentelyk en vroom!

            LYSJE RONDUIT.
    De Galant die zy heeft heeft, behoeft ze evenwel om haar schoonheid niet te trouwen, dewyl hy dan voor zyn geld wel een beter Rarikykkas, als deze fyne bult, had konnen krygen. Haar deugden moeten dan vry groot zyn, dat hy de zwakheid heeft van haar zo ernstig te beminnen, want voor ’t uiterlyke beloofy zy niet veel, en men kan aan een duit wel zien hoe een stuiver gemunt zal weezen.

            AAGJE KLAPPY.
    Gy hebt gelyk Lysje, hy moet van haare deugtzaame imborst zeer wel overtuigd zyn, [p. 7] dat hy ze meend, nadien ik niet kan zien, dat zy eenige aantrekkelykheeden heeft om een jong Heer te verleiden; dog ik heb gehoord, dat haar Minnaar mede aan de fyne kant is.

            LYSJE RONDUIT.
    Zo dat waar is, zal het een goed paar weezen, maar de tyd zal alles leeren. Kom Aagje laaten wy gaan, want daar komt de Juffer uit haar Huis.

            AAGJE KLAPPY.
    Gaan wy zaamen Lysje, ik zel u een kopje Koffy schenken, dewyl ik nog wat heb te praaten.


TWEEDE TONEEL.

JUFFROUW W......., HEER GOETHALS.

            HEER GOETHALS.
    Het is niet nodig voor my te veinzen Mejuffer: Ik heb de lekkerste Vis van de Vismarkt gehaald en ik zal bezorgen dat ’er een goede Tafel met eeten zal weezen, om u Minnaar te vergasten.

            JUFFROUW W......
    Een eerlyk hart moet dog veel lyden; nogtans zal ik niet ondankbaar zyn Myn [p. 8] Heer, voor de dienst die gy my doed: gy bent een Edelmoedig Man!

            HEER GOETHALS.
    Laaten wy alle complimenten laten varen, myn lieve Juffer. Daar is my niets te kostbaar om een vroom Mensch, gelyk gy zyt, te verpligten. Het onvermogen is geen zaak die u verkleend, men moet maar letten op de Deugden van imand; en daarom zal ik verblyd zyn u in die gelukkige staat te zien die ’er voor u op handen is.

            JUFFROUW W......
    Die dag hoop ik dat haast komen zal, myn waarde Goethals, om uwe Diensten te konnen vergelden na haare waarde; want zonder u stond myn geluk op losse schroeven.

            HEER GOETHALS.
    Laat alles op my staan Juffer, ik zal u tegen het middagmaal met u Lief in myn Tuin verwagten, als hy gekomen zal zyn: Adieu tot wederzients.                 Goethals binnen.

            JUFFROUW W....., alleen.
    Nu moet ik weder een list verzinnen op dat Goethals niets merkt van ’t bedrog. Ik heb zeker medelyden met hem, maar wat doet men niet al niet om door de weereld te koomen! Zommige Saletjuffers hebben geen droog brood om te eeten en ik heb de overdaad [p. 9] van alle lekkernyen, maar zy weeten niet van de leus. Ik heb braaf geld opgenomen en ben van klederen zo wel voorsien, als of ik een Huwelyk van meer dan drie Tonnen Gouds zou doen. Het is wel waar dat myn bedrog niet lang verborgen kan blyve, maar tyd gewonnen is veel gewonnen, zegt een Krygsman, dus geen elende voor den tyd. Ik heb tot hier toe, onder schyn van vroom te weezen, de gedagten van meenig schrander Man begoocheld, en ik zal by die praktyk blyven tot dat ik my met voordeel uit alle zaken zal konnen redden. Ik gâe aanstonds een Brief schryven als of zy van myn gewaande Vryer kwam en hem daar in wegens zyne overkomst verontschuldigen. De Brief zal ik door middel van den een of ander laten bestellen, dat den eenvoudige Goethals niet beter zal weeten of zy komt direct van Utrecht. Zie hier al een Kerel die my wel in myn kraam zal passen: Het is een armen bloed dog een olyke Schalk die om een stuk Brood veel zel doen.



[p. 10]

DERDE TONEEL.

JUFFROUW W......., STOFFEL MOLBUIK.

            JUFFROUW W......
    Gy kond nooit beter te pas komen Stoffel. Wat voor goed nieuws brengd u hier?

        STOFFEL MOLBUIK.
    Wat kwaad nieuws wilt gy zeggen, Mejuffer? De gantsche Stad is vol leugens. De Menschen willen my wys maaken dat gy gaat trouwen met een ryk Heer van Utrecht, en dat is immers niet waar. Een Heer met veel geld, zal geen Vrouwsperzoon zonder geld en met een boggel tot zyn wyf neemen; of de Weereld is op een end, zo’t waar is.

            JUFFROUW W......
    Gy bend een Spotvogel Stoffel, maar kom binnen , dan zel ik u toonen of de Menschen liegen.



VIERDE TONEEL.

JUFFR. PLUIMSTRYK, HANS RUIMDARM.

            HANS RUIMDARM.
    Ik heb nou al een gantsch jaar zonder [p. 11] Huur gelopen, zo dat het eens tyd word om op een Winterteering te denken. Daar is hier een eerlyke fyne Juffrouw in de Stad, die gezeid word dat een ryk Huwelyk zal doen.Ik moet zien of ik daar myn eyeren met de winter kan neerleggen, want ik heb geen rok op myn lyf. Ze heeft een boggel maar dat kan myn niet scheelen, ik behoef ze niet te trouwen; ’t is een vroom Mensch en dat is genoeg, zulke luiden dien ik graag om datze een naauwe conscientie hebben. Ik moet aan deze Juffer eens vraagen, waar dat zy woont. (tegen Juffrouw Pluimstryk) Weet gy niet Mademoisel, waar het Huis van die geboggelde Vryster is, die met dien Utrechtsen Heer zel trouwen?

            JUFFROUW PLUIMSTRYK.
    Og ja Vriend! Ik gaê ’er na toe om myn dienst als Kamenier te presenteeren: mogelyk wilt gy u mede verhuuren?...zie daar de Juffer zelfs.



VYFDE TONEEL

De vorige JUFF. W......., STOFFEL.
MOLBUIK.

        JUFFROUW W......., uitkomende.
    Nu Stoffel bezorgd u boodschap wel en onthoud wel wat ik u belast heb!

[p. 12]
        STOFFEL MOLBUIK, heen gaande.
    Zeer goed Juffrouw, ik zal maken dat’er niets aan ontbreekt.
                                                        Stoffel binnen.

    JUFFROUW W......., tegen Pluimstryk en Hans.
    Zoekt gylieden naar iemand?

        PLUIMSTRYK en HANS te gelyk.
    Wy zogten naar die Juffrouw die dat ryke Huwelyk zel doen.

            JUFFROUW W.......,
    Dat ben ik zelfs; maar hoe weet gy dat?

            HANS RUIMDARM.
    Een zo groote zaak kan niet lang verborgen blyven!

            JUFFROUW W......
    Gaat maar in Huis, ik zal u zo dadelyk spreeken.


SESDE TONEEL.

JUFFROUW W......., HEER GOETHALS, een
SCHIPPERS GAST.

        JUFFROUW W......., by zich zelven.
    Daar komt Heer Goethals: hy zal zekerlyk in ’t voorbygaan eens komen zien of myn Vryer al is gekomen. Ik ben maar bly [p. 13] dat Stoffel, aan wien ik ’t geheim van de zaak heb geopenbaard, met de Brief al weg is. Dat zal nu wel komen, als den Schipper die brengd terwyl Goethals nog hier staat: Maar trouwens, ik zal hem wel zo lang aan de praat houden.

            HEER GOETHALS.
    U Dienaar Juffer, het is als of gy verlangde was naar de komst van u Galant, dat gy zo op den uitkyk staat?

            JUFFROUW W......
    Ik zal het voor u niet loochenen myn Vriend, dat ik gaarne een end van myne Trouw zag, om de Weereld de mond te konnen stoppen. Gy zoud u verwonderen hoe ik steeds over de kwaadaardige tongen van de Menschen moet ryden. De gansche Stad spot er mede.

            HEER GOETHALS.
    Zeg my niet Juffer hoe boos de Luiden bestaan. Hoe vromer en modester men van leeven is, hoe meer kwaad men van ons spreekt. Ik kan zulk een ongelykheid in ’t Huwelyk niet zien! Heeft u Minnaar geld, daar tegen hebt gy weer deugden. Zyt gy zo welgemaakt niet dan hy, u gedrag en leeven is daar teegen weer onberispelyk. Gelooft my Juffer, de praatjes zullen zig van [p. 14] zelfs wel dood loopen als gy eens getrouwd zult zyn, bekommerd ’er u niet over.

            JUFFROUW W......
Myn goeijen Heer, ik ben zo gelukkig
dat ik myn zelfs kan overwinnen.., maar
zagt! Wie gaat daar na myn Huis?

Een SCHIPPERSGAST. uitkomende
Woond hier niet Juffrouw Windmal?

            JUFFROUW W......
W...... wilt gy zeggen?
    SCHIPPERSGAST.
Ja Wynmal of Windmal, het mald zo wat.
Ik heb hier een Brief voor haar: ze komd
van Utrecht en ik moet ’er twee stuivers
Port voor hebben.

            JUFFROUW W......
Ik ben de Juffer daar gy na zoekt: zie
daar u geld en geef my de Brief.
    SCHIPPERSGAST.
Dan is’t wel; daar is hy. Schippers Gast binnen.
   
HEER GOETHALS.
Dat zal u Minnar zyn, Juffer.
Misschien is de Reis weder opgeschort.
            JUFFROUW W......
Het is zyn schrift althans: Laat eens zien
wat hy schrijft. (Zy leest) Na dat ik op het punt stond om my in uw lieve armen te ko- [p. 15] men werpen, belet my een nabestaande sterfgeval myne Reis te volvoeren. De zwarigheid zal egter binnen weinig dagen voorby zyn dus ik nog deze week uwe beminde tegenwoordigheid hoop te erlangen. Vertrouw dat ik ondertusschen ben uwe tot de dood standvastige Minnar, enz.... Dagt ik het niet myn waarde Goethals, dat ’er weder iets in de weg moest komen om myn Geluk te verbysteren! Myn hart was reeds bekneld, en den gantschen Nagt heb ik geen oog konnen toedoen.
            HEER GOETHALS.
    Gy moet u troosten Juffer, wy zien immers zyne opregtheid voor onze oogen.
            JUFFROUW W......
    Het doed my nogtans leed, dat gy wederom zo veel onkosten te vergeefs hebt aangewend
            HEER GOETHALS.
    De zwarigheid is klein Mejuffer, ik gane na den Tuin, en zal alles weder in order helpen. Ik ben u Dienaar.


ZEEVENDE TONEEL.

STOFFEL MOLBUIK, alleen.

    Wat drommel de gantsche Stad is in rep [p. 16] en roer! De Menschen zeggen dat ’er melk aan de kan is, en het Huwelyk van Juffrouw W......, een louter verzinsel. Die spraak gaat als een lopend vuurtje voort, en zo dat niet wordt voorgekomen, zien ik eer ’t avond is den bommel losbersten. Ik moet myn vyf Zinnen weer te zamen zoeken en overleggen met de Juffer hoe wy dat gemompel best zullen beletten, zy zal’er my wel voor beloonen. Daar komt zy al aan, dog, ik zal my zo lang vercshuilen to dat zy alleen is.


AGSTE TONEEL.

JUFFR. W......., STOFFEL
MOLBUIK, JUFFER PLUIMSTRYK, HANS
RUIMDARM.

            JUFFROUW W......
    Gy kond dan beide te Alderheiligen in u Huur komen.
            PLUIMSTRYK en HANS heengaande.
Het is wel Juffer, wy zullen ’er op onze tyd zyn            beide binnen.
JUFFROUW W.......
’t Verwonderd my dat Stoffel niet eens naar den uitslag van de Brief komt hooren!
[p. 17]
    STOFFEL MOLBUIK, te voorschyn komende.
Hier ben ik Juffer. Ik kan aan u bly gelaat wel zien dat de Brief een goede kracht heeft gehad, maar kund gy in tegendeel uit myn bedrukte wezen niet leezen, dat de wind is omgedraait? Al de Menschen zeggen, dat Jy’t liegt dat Jy zult trouwen, en zo jy die argwaan niet kund wegneemen, is het u geraaden uit een ander vaatje te tappen, en de gantsche zaak maar schaamteloos te bekennen....
            JUFFROUW W......
Ach Hemel, wat zegt gy Stoffel! Dog is ’t wel ernst?

            STOFFEL MOLBUIK.
Zekerlyk is het ernst! Het praatje gaat Al door de geheele Stad, dat gy met u fyne bakkus elk een bedriegd en dat u boggel een vloed van Schelmstukken uitleeverd: Het is te lang om te verhaalen, daar moet maar aanstonds iets in’t werk gesteld worden om die praat te stuiten.

            JUFFROUW W......
Hoe zal dat konnen geschieden; want als de tyd van den Brief weder verscheenen is en de Utrechsen Heer niet komt, zal Heer Goethals mede iets merken en alles aan den dag komen? Maar ik weet nog eene [p. 18] raad als gy my getrouw wilt blyven.

            STOFFEL MOLBUIK.
    Laat hooren, wat is ’t?

            JUFFROUW W......
    Gaat dan met my naar binnen, daar hebben wy vrijgevigheid om te spreeken.


NEGENDE TONEEL.

MYN HEER ZONDERZIEL, alleen.

    Ik moet eens gaan verneemen hoe het met den Intrest van myn Geld staat. Daar is nu al een Maand van verscheenen, en tien van ’t hondert’s Maands laat zig zo ligt niet vergeeten. Ik zal eens aankloppen, het Huwelyk moet haast voortgang hebben, zegt men, want de Galant wordt alle dagen verwagt.


TIENDE TONEEL.

JUFFROUW W......, MYN HEER ZONDERZIEL.

    U Dienares Myn Heer Zonderziel, ik had u van den morgen al verwagt: (stil by haar zelven) dat komt wel dat ik Stoffel van agteren heb uitgelaten.

[p. 19]
    MYN HEER ZONDERZIEL.
Ik ben je Dienaar, Juffer, ik had deezen ogtend geen tyd om te komen; maar ik ben niet bang voor myn Geld, als ’t onder opregte Menschen staat, voornamentlyk onder Luiden van zulk een geregeld en vroom gedrag.

            JUFFROUW W......
Ik bedank u voor dat Compliment Myn Heer, treed binnen als’t u belieft.


ELFDE TONEEL.

MEESTER GRYPHART, alleen.

Als het waar is, dat de Menschen zeggen, zou het een gruwelyk bedrog zyn. Dog eer ik ’er geloof aan slade, moet ik de Juffer eens polsschen....maar hoe hebben ’t deeze twee Menschen zo druk die daar aankoomen?


TWAALFDE TONEEL

MEESTER GRYPHART, SINJEUR PYNBUIK
en NAAUWBEURS.

PYNBUIK teegen NAAUWBEURS.
Dat’s een verduiveld Schelmstuk! Wie [p. 20] had dat van dien schynheilige Boggel gedagt! Ik leenden ’t haar nog op haar fyne tronie an en zetten ’er een Panje voor in de Bank.
            NAAUWBEURS teegen PYNBUIK.
    Ja myn vriend ik moest het mede van myn Ziel afsnyden om haar te geeven, want het was een onnozel huurtje van een Huysje dat ik hier in de Stad heb staan!
            MEESTER GRYPHART.
    Wat voor een verschil hebben de Vrienden?
            PYNBUIK en NAAUWBEURS te gelyk.
    Die verwenschte Boggel heeft alles geloogen, en haar Huwelyk is verdigt!
            MEESTER GRYPHART.
    Mag men daar aan geloof slaan?
            PYNBUIK.
    Twyffeld ’er niet aan Meester Gryphart.
            MEESTER GRYPHART.
    Dan ben ik een Bedelaar!... die fyne Caronje!
            NAAUWBEURS.
    Zo heeft ze u dan mede by de neus gehad?
            MEESTER GRYPHART.
    Maar al te degelyk!...



[p. 21]

DERTIENDE TONEEL.

De vorige. VROUW GELDEBLY.

VROUW GELDEBLY, uit haar adem lopende.
    Myn arme Kanten! Myn arme Kanten!

                MEESTER GRYPHART.
    Wat is ’er Vrouwtje?

            VROUW GELDEBLY.
    Wat zou het weezen! Ze zeggen dat het Huwelyk van Juffrouw W...... een bedrog is, en ze heeft myn beste Kanten op Credit...Myn arme Kanten! Myn arme Kanten!

            MEESTER GRYPHART.
    Zo is’t ook met myn Juweelen... Myn arme Juweelen! Myn arme Juweelen.


VEERTIENDE TONEEL.

De vorige. JUF. GAARNMEET.

        JUF. GAARNMEET, met haar armen in de zyde.
    Daar zal haar de Drommel over haalen!..

            MEESTER GRYPHART.
    Dat lykent Juffer Gaarnmeet wel te wee- [p. 22] zen, die heeft mede al wat vernoomen: Wat is de boodschap Buurvrouw?

            JUFFER GAARNMEET
Myn kostelyk Linden is voor den d....l! Had ik dat ooit van dien zedigen Boggel gedogt!

                PYNBUIK
Zo heeft ze Jou dan mede al op de Rekening van ’t Huwelyk gesnooten?

            JUFFER G AARNMEET
    Zou ze niet! Wel dubbeld. Ik had het Linden nog voor contant geld aan een ander geweigerd, om dat ik haar wou voorthelpen... Myn kostelyk Linden! Myn kostelyk Linden!


VYFTIENDE TONEEL.

De vorige. JODIN, schreijende.

                JODN.
    Nou jou: ’t is maar al te waar! Ik ben Gerinneweert! Myn Chits! Myn Chits!

            MEESTER GRYPHART.
    Og Moedertje houd je met ons maar te vreeden.

                JODN.
    Ag myn Chits, myn Chits! Het eenigste lapje heeft ze gisteren nog van myn bedongen. Nou jou staat me gantsche Rykdom onder heur verpand...Myn Chits! Myn Chits!


ZESTIENDE TONEEL.

De vorige. MYN HEER ZONDERZIEL.

        MYN HEER ZONDERZIEL, het Huis van Juffrouw W......uitkomende.
    Wat is hier op straat te doen? Hoe staan hier zo veel Menschen vergaard?

                PYNBUIK.
    Weet gy niet van ’t geval? Het Huwelyk van Juffrouw W...... is verdigt, en ik zette om heur te helpen mog myn Bruidegoms Rok in de Lommerd.

    MYN HEER ZONDERZIEL
    Is dat mogelyk! Het kan dunkt my niet zyn, want haar Galant word deeze week verwagt, ik heb daar zo nog een Brief van hem geleezen.

            MEESTER GRYPHART.
De Galant zal nog wel over een Jaar verwagt worden: Ik zeg u dat het Huwelyk vals is, en dat ik myn Juweelen kwyt ben.

            MYN HEER ZONDERZIEL.
O gruwel van alle Schelmstukken!... Maar ik kan’t nog niet gelooven.

            VROUW GELDEBLY.
Geloofd het zonder bedenken, want de zaak is onderzogt en ik ben myn Kanten kwyt.

            MYN HEER ZONDERZIEL.
    En ik myn Geld met al den Intrest! Myn schoone Geld! Myn schoone Geld!


ZEVENTIENDE TONEEL.

De vorige. HR. GOETHALS.

            HEER GOETHALS.
    Ik ben in duizend angsten over de zaak: dat zou een bedrog zonder weergade zyn. Dog ik moet het gelooven, dewyl hier zo veel Menschen voor ’t Huis by een staan.

                JODN, tegen Goethals.
    Ag myn lieven Heer! Myn Chits! Myn Chits!
        VROUW GELDEBLY, tegen Goethals.
    Myn lieven Heer!... myn Kanten! myn Kanten!
            JUFF. GAARNMEET, tegen Goethals.
    Myn Linden! myn Linden! Heer Goethals.
[p. 25]
            MR. GRYPHART.
    Ey myn Heer Goethals; myn Juweelen! myn Juweelen!
            HEER GOETHALS.
    Zo is het dan waar, dat zy ons allemaal onder schyn van ’t Huwelyk heeft om den Tuin geleid?
            MYN HEER ZONDERZIEL.
    Jawel waar! O myn Geld! myn schoone Geld!
            HEER GOETHALS.
    Dan ben ik een bedorven Man en myn gantsche Reputatie is weg!... Maar wat zoekt deze Knegt? Ik ben nog in twyffel!


AGTIENDE TONEEL.

De vorige. STOFFEL MOLBUIK, in Lakeis kleeren.

    STOFFEL MOLBUIK, stil.
    De duiker! Daar zyn al de Crediteuren van de Juffer: Nou is het tyd dat ik myn spraak verander, en hen voor de leus wat wys maak om de Juffer te verschoonen, want anders zel ’t ’er honden (tegen Goethals) Hier is ien Brief, wol ihr zo good zyn mi dat huus von de Joffer te wiezen?
[p. 26]
            HEER GOETHALS, by zig zelven.
    Dat is waarachtig de zelfde hand van verleeden! Eer ik iets geloof moet ik de Brief leezen en de Knoet over ’t een en ander ondervraagen. (tegens Stoffel Molbuik) Waar kom jy vandaan Mofje?
                STOFFEL MOLBUIK,
    Von Outrecht; min Heer vreed over de Joffrouw.

HEER GOETHALS, de Brief openende.
    Dat’s goed voor haar; maar wy zullen by provisie eens leezen.
    STOFFEL MOLBUIK.
    By min Zeel, dat is neet eerlik!
                        Stoffel Molbuik binnen.
            HEER GOETHALS.
    Nou is ’t bedrog zo klaar als de Zon! De Vent wil niet bekend wezen, daarom loopt hy weg: maar laat ons evenwel den inhoud van de Brief eens leezen. (Hy leest) Met het grootste verlangen myn schoone Juffer, was ik al op weg om naar u toe te komen, wanneer ik het ongeluk had onderweg door ’t struikelen van myn Paard myn Regter been te breeken. Ik zende myn Knecht met die tyding om u te troosten; en zo het u Reputatie konde lyden, zoude ik wenschen UEd. alhier te zien, maar dat durf ik UEd. [p. 27] niet vergen; heb nogtans moed, dat ik alles zal aanwenden om ons langgewenste Huwelyk te voltrekken.
        MYN HEER ZONDERZIEL.
    Laat ons aanstonds Arrest leggen op alles wat ’er in Huis is; volgt my allemaal.


NEGENTIENDE TONEEL.

JUFFER PLUIMSTRYK, LYSJE RONDUIT,
AAGJE KLAPPY, HANS RUIMDARM.

            AAGJE KLAPPY.
    Wy moeten evenwel eens hooren of het zo is als men daar wel van zeid.

            LYSJE RONDUIT.
    Het zal op myn zeggen uitkomen, ik heb’er wel voor gevreesd, ze had zulke bedrieggelyke trekken in haar aangezigt. Ik heb het niet op de Luiden die zo vroom willen zyn, en die geen oneffen woordje durven spreeken.

            HANS RUIMDARM.
Myn arme Ingewanden, hadden zig al verblyd tegen de Winter: zo het bedrog is, dan ben ik bang dat ’er nog een kronkel in myn darmen zal komen.

            JUFFER PLUIMSTRYK.
    Ik heb om die Boggel nog eergisteren [p. 28] een goede Kameniers dienst laten loopen.
            AAGJE KLAPPY.
    Schellen wy eens aan, men kan’t niet nader weeten als de Juffrouw zelfs te spreeken: maar daar komt de Heer Goethals uit den Huis,... wat ziet hy verweezen!


TWINTIGSTE TONEEL

De vorige. HR. GOETHALS.

            AAGJE KAPPY.
    Hoe is’t met de Juffer Myn Heer?
            HR. GOETHALS.
    Zeer slegt!....
            HANS RUIMDARM.
    Legt zy dan op sterven? Dan mogen wy wel naar een andere Boerekerremis gaan. Of is ze niet gaar? Of is het Huwelyk af?
            HR. GOETHALS.
    Al eer het aan was. De Boggel heeft ons door haar schynheiligheid bedroogen, Zo gy iets meer wilt weeten, gaat maar in Huis, gy zult zien hoe het gesteld is. Zy vliegt teegen de muur op en haar oogen staan zo dol, als of ze ons wil verslinden.
[p. 29]
            HANS RUIMDARM.
    Dan zullen wy best doen om haar geselschap te myden.


EENENTWINTIGSTE TONEEL.

De vorige. JUFFER GAARNMEET, MYN
HR. ZONDERZIEL, MR. GRYPHART, PYN-
BUIK, NAAUWBEURS, GELDEBLY, JODIN.

            MYN HEER ZONDERZIEL, met de handen in ’t haar.
    Neen! Ik zal my wreeken ter Liefde van myn Geld men zou wel vervloeken om het op Intrest te zetten!
            PYNBUIK.
    Had ik myn Bruidegoms Rok maar uit de Lommerd, haar dolligheid zou my weinig konnen scheelen.
            NAAUWBEURS.
    Ik zal haar vervolgen, al zouw ik ’er nog twee jaar Huishuur by verspillen!
            MR GRYPHART.
    Ik zal ’t ’er mede niet by laaten, al moest ik gaan bedelen!
            VROUW GELDEBLY.
    Ik zal haar de Kanten ook duur genoeg doen betaalen, al zouw ik ze met de El uit haar vroome Tronie meeten!
[p. 30]
            JUFFER GAARNMEET.
    Het fynste Linden was haar niet* goed genoeg zy de doorslepene feeks; maar ik zal haar fynen, al steld ze zig nou zo dol en razend an!
            JODIN.
    ’t Is by gotje niet braaf gedaan, zoo’n eerlyke Jodin te bedriegen, ô wee! ô wee! myn Chits! myn Chits!
            HEER GOETHALS.
ĄZo ik ooit ben misleid, is het nu, maar ik zal my regt laten verschaffen al was ’er geen regt in de weereld!
            HANS RUIMDARM.
    Hoor Vrinden ik zie wel dat wy altemaal door de listige streeken van een Vrouwspersoon zyn bedroogen. Het zal ons alzoo tot een leer verstrekken, om niet op de uiterlyke hoedanigheeden van een mensch meer staat te maaken; schoon wy zeggen konnen, dat de Vrouwen evenwel ergens toe nut zyn, en ook Menschen bennen, gelyk het Juffrouw W...... metterdaad getoond heeft. Wy zullen ondertusschen wel doen ons elk voor zyn hooft te troosten met ons geleeden verlies; Want daar niet en is verliest de Keyzer zyn Recht!

                    EYNDE.

[p. 31 en 32: blanco]
Continue