Melchior Fockens: Klucht van den Italiaanschen schoorsteenveger. Amsterdam, 1662.
Uitgegeven door Marti Roos
Red. dr. A.J.E. Harmsen, Universiteit Leiden.
Ceneton027990 - Ursicula
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.

Continue
[
fol. A1r]

KLUCHT

Van den

ITALIAANSCHEN

SCHOORSTEENVEGER.

Door

M. FOKKENS.

[Vignet: Perseveranter]

t’AMSTERDAM,
___________________

By Jacob Lescaille, Boekverkooper, op den Middel-
dam, naast de Vismarkt, in ’t jaar 1662.



[fol. A1v]

Vertoonders van de Klucht.
ARNOLDUS,
ADOLF,
} Oude Vryers van Juffr. Margriet.
 JACOMO, Een Schoorsteenveeger.
 JUFFROUW MARGRIET.
 LAVYNTJE, Haar Kamenier.
 LYSBET, Haar Dienstmeyt.
 MARCHAND, Vader van Margriet.
 ERNST, Gebootste Edelman van Jacomo.
 POTZENELL, Knecht van Jacomo.
 Lakey van Jacomo.
Continue
[
fol. A2r]
EERSTE UYTKOMST.

Arnoldus en Adolf.
Arn. ICk heb nu lust om zulkken pots eens uyt te werken,
    Wy zullenze aan een slechten bloet eens uythijleken, datzet niet kan merken.

Ado. ’k Seg noch, dat ikze ooyt zag, dat het my spijt.
Arn. Ho, ho, daar zijn wel hondert die deeze Juffer hebben gevrijt,
    (5) Voor een vijfentwintig blauwe scheenen moetme niet vreezen.
    Dats niet met al, nu ’t is vast bestemt, wy moeten hem beleesen,
    Kom gaanwe na hem toe, die Schoorsteenveeger dunkt my
    Is gau genoeg tot deeze klucht, en dit gevry.
    Hy zal’er mee deur gaan, ’t kan niet missen

    (10) Hy weetze, al zijnze noch zo gesleepen, in de zak te pissen.
    Ik ken hem, een klucht, zijn leeven niet meer gebeurt.

Adol. Wy moeten maken dat deeze schildery mooy is gekleurt.
    De Juffer is te loos, maar ziet, daar komt hy juyst.

Arn. Ick zal hem aanspreeken.                                    Iacomo uyt.
    Hy moet’et zijn, we zullen hem in ’t pack steeken,
Arn. (15) Jacomo.   Iaco. Mijn Heer,
Arn. Hier ’s gelt veurje te winnen.
Jac. Daar loop ik na, ’k wouw terstont wel beginnen,
    Want mijn beurs is nu doodlijck kranck,
    Ist nachtwerk? Ik vraagh na stront noch stanck,
    Als ik maar gelt win.

Adol. Zo quamje nooyt je leeven beeter te pas.
    (20) Wilje na onze zin doen, je bent je leeven rijk genoeg.
Jac. O bloet, dat was
    Een dofje, fopjeme, wat vreemder kal is dit,
    Hoe zal ik dit verstaan, hoe tref ik in dit wit?

Arn. Op datje ’t wel verstaet, daar is een Juffrouw, wiens grootze en trotze zinnen
    Noch ons, noch ons gelijk, onwaardig acht te minnen,

    (25) Zy droomt altijt van een Konink, Prins, Baron, of machtig Heer.
    Zo most gy in de schijn verschijnen, in de eer
    Van eenig Ridder, Prins of Graaf, en zien heur zo te vangen.

Adol. Wel hoe verschrik niet, men zelder niemant om hangen,
    Het dient maar onderzocht.

Jac. Mesieurs, ’t is spot en boertery,
Arn. (30) Ik sweert ’t is ernst, begint naar het gevry,
    Wy zullen u verzien van gelt en kostelijkke kleeren,
    Als wat u dienen mach en wat gy sult begeeren.

Jac. Een schoone Ridder, ja vant nachtwerkers gilt,
Adol. Hebt gy maar moet genoeg het gaat gelijk gy wilt.
Iac. (35) Zo legt gy toe dat ik de Juffer dus schendig zal bedriegen,
    Ik zou in dit gevry altijt moeten studeeren om te liegen,
    En quam’t daar na eens uyt, dat’er dus den armen Duyvel uythangt,

[fol. A2v]
    Wast dan niet mooy? daar ik dus na heb verlangt?
Arn. Geen swarigheyt, ik ken u gauw genoeg, om dit stuk uyt te voeren,
    (40) Beleeft, en wel ter taal, om op u stuk te loeren,
    Weet ik niet uws gelijk, gy zijt te braaven quant,
    Om dus als schavuyt te loopen achterlant.
    De Juffer is voor u, indien gy ’t durft beginnen,
    Wy zullen u de zaak in ’t lang verhaalen, kom gaat met ons na binnen.

Binnen.
Margriet, met haar Kamenier uyt.
Lav. (45) Wel ja Juffrouw, ’k geloof niet datze zullen weer koomen,
    De Vryers die zijn quaat, ’k hebze in ses daagen niet vernoomen,
    Dat’et mijn gebeurt was, ik wasser vry in beducht.

Marg. Ik niet, ik acht al haar woorden maar voor malle klucht,
    O ho! zoume de vryers zo veel achten, ’k bender om een dozijn of twee niet verleegen,

    (50) Is den een weg, ’k heb al voort weer en aar gekreegen,
    Gelijkje ziet, wel wat zou ’k toch met zulke bloets doen?

Lav. Wel Juffrouw, hoe praatje dus, ik zou wel vermoen,
    Dat’er geen frayer noch rijkker in de stadt zijn.

Marg. Zo hoor ik wel, datze by jou quamen, je zout wel haast gevat zijn.
    (55) ’k Loof je zout voort ja seggen.
Lav. Dat zou ik, ’k zou vreezen datze achter bleeven,
    Zulke braave borsten, zouwenme die niet bekooren? daar is Steeven,
    En Adolf, en Joannis, en Arnout, al rijk en schoon.

Marg. Ze zouwen my niet bekooren al warenze als Adoon.
Lav. Wat dunktje dan van Geerrardt, van Monsr. Anzeemus,
Marg. (60) Den een dat is een lompe dikkop, en d’ander een rechten Pollifeemus,
    Daar is toch niemant die mijn aanstaat, d’een is wel rijk, maar lomp,
    En d’ander geestig genoeg, maar kaal, een ander gelijk een doode klomp.
    Ik wil een daar geen fout aan is, die rijk, eedel, en machtig van vermogen is.

Lav. Ik zie dat de Juffer alzo goet als bedrogen is.
Marg. (65) Ik houw veel van een die Koninklijk en Prinzelijk leeven kan,
    Hier is niet een in ’t Lant die ik zou begeeren voor mijn man,
    Wat laatenzer veurstaan die Amsterdamze botmuylen,
    Wel alsmen heur maar wat schots bejegent, ze gaander voort om pruylen,
    Lavijntje, koomt zonder vertoeven, terstont in mijn zalet,

    (70) ’k Wil al de strikjes, en’t hayr, en al ’t gewaat, na de aldernieuwste moode hebben gezet.
Lav. Ik zal Juffrouw.                                            Binnen.
Lijsbet de Dienstmeyt uyt.
Lijsb. Lavijntje, dus alleen? waar is me-Juffer?
Lav. Die is binnen.
Lijsb. Maar zalze haast de Bruyt zijn? of heeftze weer ander zinnen?
Lav. Dat is al weer of, zy weet niet watze wil.
[fol. A3r]
Lijsb. En voor my waayt’et te hart of te stil,
    (75) Daar is niemant dieme wil, maar zelje niet haast trouwen?
Lav. Ik wou wel, maar ik kan alleen niet, en de vryers willen geen woordt houwen,
    Wat wilje daar van zeggen, der valt wat te stellen
    Eerme de Bruyt wort, ’t is de vrywers nu maar te doen om de meysjes wat te quellen,
    En maaktme zich wat te gemeen met haar,

    (80) Ze maakenje een deel pasquillen, en roepen de sloof is swaar,
    Ze het’er laaten zoenen, ik durft niet zeggen watmen al ziet beuren,
    Men ziet de hoere-lietjes, en vuyle dichten voor de Boekbinders deuren.

Lijsb. Ik weetje een stoory die noch onlangs is echiet,
    Ik zoutje wel vertellen, maar ik durf niet.

Lav. (85) Ik weet’er ook een van een vryer die altijt om de meyt kreet, en dieder zeevendhalf jaar om heeft gepleyt.
Lijsb. Ja wel dat ik en vryer was, zou ik krijten om een meyt?
    O! datze wisten dat wy weeten, ze raakten haast binnen.

Lav. Ja, datze by jou of by mijn quamen, ze zouwen veel tijt winnen,
    Daar hoor ik de Juffrouw kloppen, ik moet voort.

Lijsb. (90) En ik, moet noch een bootschap doen by de Haarlemmer-poort.
Binnen.
Arnoldus, Adolf, en Iacomo, heerlik gekleet, met zijn gevolg, Ernst, Potzenel, en Lakey.
Arn. Wel Jacomo, wie zouje in deeze schijn nu niet bedriegen?
    Je lijkt nu geen Schoorsteenveeger.

Iac. Kon ik nu het ambacht te deeg van liegen,
Adol. Dats de zeenuw van de vryery,
    Let nu op je stukken, en neemt wel waar je gety.

Iac. (95) O! groote Christoffel help, ik legse nu voor de boeg,
    Geen noot, krijg ik de Juffer wel zo heb ik men leeven genoeg.

Adol. Nu Jacomo hier hangt al je welvaart aan.
    Vaar wel.
  Iacomo. Adi.
Potz. ’t Is niet aars of hy zou na een helvaart gaan.
Iac. Ja’t is al wat te zeggen.
Potz. O! Baas ik heb noch verstant van ’t gevry, laat’et maar staan op my,
    (100) Datje Potzenell niet had, niet een oortjes koekje gaf ik voor alje gevry.
Iac. Hier Ernst, houje de brieven, jou zel ik maaken Rentemeester en opperste Kassier.
Potz. Wel wat zal ik dan weezen?
Iac. O! Potzenelletje, je zelt zijn opziender van al de provisie, van wijn en bier.
Potz. Goet, silderment hoe wilwe dan ninnen.
Iac. Kom gaanwe, en zien of we de Juffer voor de deur vinnen,
    (105) Past louter op, de hoet in de hant, en je zelt dan dienen voor mijn opperste lakey.
Lak. Ik wou datjeze al had, zo kreeg ik alle jaars een nieuwe levrey.
Iac. Laat zien, hoe zeljeme nu eeren? puyk, dat staat me wel aan,
We zellen zo met ordre na heur toe gaan.
[fol. A3v]
De Iuffrouw in de deur.
Potz. Meester, o bloet! ’t is oft een Koningin was, hoe zeljeze durven aanspreeken?
Iac. (110) Swijgt.
Potz. De Duyvel, is dat Schoorsteenveegers werk, dat zijn complementen, elleweeken.
Iac. Me-Juffer met verlof, neemt my niet quaalik af,
    Alzo geleegentheyt op deeze tijt my gaf
    Moest ik u spreeken aan, ’k beken wat te vrymoedig
    Ik uwe heusheyt verg, ik ben nu zo wat spoedig

    (115) En onbeleeft, zoud ik hier in ook wel misdoen,
    Dat ik me-Juffer yets vraagde?

Marg. Buyten vermoen
    Vraagt wat dat u belieft.

Iac. Weet ook me-Juffer waar dat deeze lieden woonen
    Daar deese brief aan hout? gelieft my te verschoonen
    Dat ik zo stoutelijk vraag. Ziet ik koom hier vreemt in Stadt,

    (120) En heb geen kennis hier, het is een groote schat
    Die ik hier onder ’t volk heb uytstaan door mijn handel,
    Zo dacht mijn om playsier, dat ik eens nam mijn wandel
    Na dit kartier, en zo bezien ik eens het lant,
    ’t Is zo ’en tonne gouts of twee, maar dat achten wy als zant,

    (125) Wy hebben dat genoeg.
Potz. Het zant neemt hy, want zijn Vaar woont by de duynen.
    Neen, neen, dit gaat al wel, je zeltje zoompje wel schuynen.

Iac. Ziet, het is nu om onze verwarde zaaken
    Eens t’effenen, en alles klaar te maaken.

Marg. Dit zijn wissel-brieven, en dit volk woont hier ontrent,
    (130) Zy zijn heel rijk, gy gaat daar vast, zy zijn ons wel bekent,
    Al waart een tonne gouts dat u quam, gy hoefde niet te zorgen.
Iac. ’t Is ook veel minder niet, ook zou ik haar wel borgen
    Al waart noch tienmaal meer, ’t komt ons daar niet op aan.
    ’t Is mijn onmogelijk te weeten, hoe veel wy wel uytstaan

(135) Hebben onder ’t volk, ja op geen viermaal hondert duysent gulden
    Kan ik ’t niet weeten.

Potz. Hoe liegt den dief.
Iac. Ja krijgen wy op dat na onze schulden
    Maar in, zo zalt al wel zijn, en ik wens niet meer.

Potz. Ja baas, aan ’t geestig liegen daar aan hangt nu al je eer.
Marg. Ist mogelijk, ja wel hier zijn weynig koopluy zo machtig,
Iac. (140) Zo van Boekhouwers, Schrijvers, Translateurs van brieven, van Knechts en Kamers-dienaers, Pagien en Lakeyen, hebben wy wel tachtig.
    En de Lantluy, Boeren, Ploegers, en Graavers die staag in ons huys zijn,
    Met Knechten en Meysjens, die zijnder ontrent vier hondert dunckt mijn.

Potz. Hy meent nachtwerkers, die in de schijtgeele onderaartse mijnen
    Snachts liggen vreten, die heeft hy by dozijnen,

[fol. A4r]
(145) Want hy’s de baas daar af.
Iac. Wel hoe ist hier? hoe gaat jou de snater zo, me dunkt je hebt de praat alleen
    Wat zegje al?

Potz. Niet, niet, ik zeg niet.
    Ik praat van onse jacht, doe ik laast dat hart hadt by ’t lincker been,
    Doejeme noch verloste, ’t had me anders de hant af ebeeten,
    O! miester hoe kreet ik, ik hadme schier bescheeten
    Van angst, ik wou dat we al weer t’huys waaren, o bloet!

    (150) Wat isme dat jagen oock te wonder zoet,
    Hoe moeten de brakken en ander winthonden nu na mijn verlangen.

Marg. Maar mijn Heer, met verlof, wat is dat voor een snaak?
Iac. Ik hou hem voor mijn gek, en om ’t vermaak
    Neem ik hem altijt mee, hy past t’huys altijt op de honden,

    (155) Want daar zijnder zoo’n drie vier hondert, men zou niemant hebben gevonden
    Die ons zo dienden als hy, die ander dat is een van onze onder-boeckhouwers die op mijn past,
    En reyst altijt met my, ik geef hem slechts maar last
    Zo vordert hy mijn zaken, ’t zy in gelt op te haalen,
    En over al de brieven te bestellen en de reekeninge te betaalen.

Potz. (160) ’t Is of hy al zijn leeven in ’t loogenschool heeft gestudeert,
    Waar Duyvel heeft hy al dat hoofze liegen geleert?

Iac. De Juffrou gelieft my te verexkuzeeren
    Dat ik hier dus stoutlik aen koom, van herten wenste ik te verkeeren
    By u, die mijn dus heuslik en zoet

    (165) Bejegent, en alzo ik hier in de Stadt noch wat verblijven moet,
    Eerbiedig ik verzoek, of ik zomtijts mach
    U geselschap genieten? ’k beken dat ik noyt Juffrouw zach
    Van al ons Adeldom, met mijn kurieuze oogen
    Die my zo wel beviel als gy, niet een hadt ooyt ’t vermoogen

    (170) Op mijne ziel dat gy dus in een oogenblik
    Verwint, verschoont my toch Juffrouw zo ik
    Wat te vrymoedig ben.

Marg. Wel hoe mijn Heer, te hoog verheft gy my, zijt niet te schigtigh,
    Wat my belangt, op u verzoek betoon ik my schultpligtigh,
    En staat u toe, ik zie gy zijt hier vreemt,

    (175) Wy achten ons gelukkig indien gy u verkleynt, en hier u plaatze neemt.
Potz. Maar weynig denkje nu dat hier een Schoorsteenveegers kleet schuylt onder
    O! Juffrouw wistje dat ik weet, je hielt dit voor geen wonder

Iac. Ik blijf u Servteur.
Marg. U dienstmaagt.
Iac. Met u verlof ik gaa.
Potz. ’t Zel wel gaan, komt’et hooy’t vuur zo wat naa                            Binnen.
Marg. (180) Wat onverwacht bedrijf, het schijnt mijn leeden trillen,
    Bedaaren kan ik niet, ik kan ’t gemoedt niet stillen
    Ik ben mijn zelven niet, en voel mijn veel te teer
    Om deeze zaak t’ontwarren; dit schijnt een machtig Heer,
    Gewis een Graaf of grooten Heer zijn zoone.

[fol. A3v]
    (185) By hem zijn de rijkste vryers maar boeren die hier in Amsterdam woonen,
    Maar ik durf my niet inbeelden dat hy na mijn zou zien, dat waar te veel,
    Gelukkig die zulken Heer krijgt tot zijn deel.
    Geen Koning in de weerelt die zo heerlik in mannieren
    Kan leeven als hy doet, by zou een Koninkrijk bestieren,

    (190) Hy is volmaakt in als, al hadt hy munt noch kruys,
    ’k Verhoop zijn wederkomst en wacht hem hier in huys.
                    Binnen.
Potzenel, Ernst, en Iacomo.
Potz. O! miester, ik helpje byme keel trouwlik liegen,
    ’k Ben zelf verwondert hoeme de leugens so fix van de hant vliegen,
    Wat dunkje, quam dat niet slaags?

Ernst. Heel mooy,
Potz. (195) Ja, ik zal men best doen miester, dat j’er haast mee raakt te kooy.
    Maar je moetje woort houwen, je weet wel, opper-bottelier van de natte waaren.

Iac. ’k Zeg ja, dat officy zel ik voor jou bewaren.
Potz. Zelje, o! bloet ik wou dat het al klaar was,
    Wat dunkje Ernst?

Ernst. Ik wouw ook dat dit wonderlik hijlik al gaar was,
Iac. (200) Gaaje dan heen gelijk geseyt is, je bent vol duysent listen,
    En houje gelijk ofje van mijn, of nieuwers van en wiste.

Ernst. Dats gang, ’k zal reegelrecht na de Juffers deur gaan.
    Ik hoop datje haast met de Bruyt zelt deur gaan.

Binnen.
Iac. En ik gaa ondertussen na mijn Reeders om wat splint,
    (205) Dat is de zeenuw van de vryery, of anders ben ik’t kint.
Binnen.
Ernst voor de deur van de Iuffer.
Ernst. Hier ist, ik klop, mijn dunkt ik hoor gerucht.
Lijsb. Wel Mesieur, wat brengje ons,
Ernst. Ik koom hier zo ter vlucht,
    In aller ijl mijn Heer zoeken,
    Ik vind hem nieuwers, ja wel ik zou dit loopen wel vervloeken,

    (210) Is hy hier ook in huys?
Lijsb. Van daag hier niet geweest,
    Het geen mijn wonder geeft, want het schijnt zijn geest
    Is gedurig hier in huys, maar hoe benje dus uytje naam geloopen?

Ernst. Dat denk ik wel, daar komt een brief met een wissel van dartig duyzent Dukaaten,
    De brief hout op acht daage zicht, dies moet ik hem voort accepteeren laten,

    (215) En om dat alles na mijn Heers gissing is uytgevallen, en voor hem heel aangenaam, en na zijn zin is,
    Zo kom ik dit communiceeren, maar waar ik koom daar loop ik mis,
    Ja wel ik ben heel verleegen.
                                        Marchand uyt.
[fol. B1r]
    Adieu, ik moet voort, hy beveelt my de zorgen.            Binnen.
Marc. Wat is dit? hoe loopt dien Heer zo nijver.
    En wie ist?

Lijsb. Sinjeur, het is Jacomo zijn Rentemeester, of zijn Schrijver
    Zo men hem noemt, hy zoekt zijn Heer,

Marc. Wel?
Lijsb. Hy praat van een wissel van dartig duyzent dukaaten, voor zijn Heer,
    (220) Was ik maar eenmaal van dat kley bevragt, ik begeerde mijn leeven niet meer.
    Men most slechts zo wat actecepteeren ende wat schrijven,
    O! dat moet een rijke fokker zijn, denkt, daar zijn dapper schijven.

Marc. Gaat binnen mijn dochter wilje,
    Dit doet hem heerlik op,
    ’t Schijnt of Jacomo is heel rijk, en niet weynig in top

    (225) Gerezen, ja wel mijn dochter zeyd’ mijn dikwils, ik zou eens verneemen
    Na zijn staat, en afkomst, of hy van Graaflik bloet is, en zonder teemen.

Adolf uyt.     Gaan ik eens na twee koopluy, daar hy veel mee doet,
    Zie daar, als ’t weeze wil, den een my hier ontmoet,
    Maar Heer, ik sprak u gaarn, van yets waar in gy my kont dienen,

    (230) Daar is een Italiaan diemen Jacomo noemt, ’k zou mienen
    Dat niemant als gy, mijn van hem zult doen goet bescheyt,
    Hy vrijt mijn dochter, en ik zag gaaren ’t end.

Adol. Monsieur Marchand, kom in, ’k ben tot u dienst bereyt.
Lijsbet van verre staande, ziet Iacomo met Arnoldus spreeken.
    ’K zie Jacomo daar gins, met Juffrouws oude vryer,
    (235) Zy hebbent machtig drok, ik wenste wel om een goude Rijer
    Dat dit hijlik voort gink, zulk een rijken Heer, ik kreeg wis een kostlik bruylofs-stuk,

Arn. Heur Vader vraagde sterk na u.     Iac. Wat zeydje?
Arn. Dat u ’t geluk
    Wel diende, en dat gy van Graaflijk bloet waart, en van hooge afkomst zijt,
    Je moet nu ’t yser smeen terwijl het heet is,

    (240) Het zel wel gaan, zoje ’t niet doet, ik weet dat het je leet is.
Iac. Nu zel ik hart aanhouwen om ’t jawoort, ’t moet’er nu uyt.
Arn. Ziet datjeze haast maakt tot je Bruyt.
Iac. Ik hoop de Vogel nu in de vlucht te vangen,
    Vaar wel.
  Arn. Vaar wel Jacomo, wy wachten u met verlangen.
Iacomo met Arnol. binnen. Lijsbet blijft.
De Iuffrouw voor de deur.
    (245) Is Jacomo van zulken staat, zo Vaader my verklaart,
    Zo is hy my, en meerder noch wel waart.
    Waar of hy blijft, zou hy wel zijn vertrokken?
    Dat hoop ik niet, och! kon ik hem herwaarts lokken?

[fol. B1v]
    Hy is gewis een Prins, o! edel schoone blom,
    (250) Zo gy maar eens weer keert gy zijt my wellekom.
    Maar zacht, daar is hy, wy moeten ons wat veynzen.
Iac. Mejuffrouw zijt gegroet, ik stont schier in gepeynzen
    Om na den Haag te gaan, om zaaken van gewicht
    Daar veel is aan gelegen, en ’t kon gebeuren licht,

    (255) Dat wy een tonne gouts of twee verlooren
    Aan bankeroeten daar, maar u heb ik verkooren,
    Ver booven al de schat wert gy van my gestelt.
    Zo ik u maar verkrijg, ik vraag na goet of gelt.

Marg. Alst u gelieft mijn Heer, gaan wy wat zaamen binnen.
Iac. (260) ’k Verlaat het al als ik u maar mach gewinnen.            Binnen.
Lijsb. Ho, ho, ’t zal zo wel gaan, hy heeftze al weg, ’t is al klaar zo ik meen,
    Ja wel wist meenig Vryer zijn vangst, hy liep nooyt geen blauwe scheen,
    Ik wou dat ik eens zach hoe dat het toegaat daar binnen.
    ’k Durf nu niet ingaan, ik mach hier zo wat veur deur wandlen. Wel ofze heur ook verzinnen,

    (265) Dit duurt al lang, is ’t noch niet lang genoeg gevrijt?
    Ja, ja, ’t zal lukken, daar mee, zo, dat hoor ik.

Iac. Met deeze kus vaar wel. Marg. En gy mijn Engel.
Iac. Nooyt was ik zo verblijt,                                        Binnen.
    Nu heb ik eens mijn wens. Wel meysje, kom hier, zie daar, dees zilver schijven
    Zijn voor u dienst.
Lijsb. Ik zal u dienstmeyt blijven.
    (270) ’k Bedank u Heer, ik wensje veel geluk Heer Bruygom. Iac. Wel hoe,
    Weet gy der af?
Lijsb. Ik zach het, dat mijn Heer zo wel nu was te moe.
    Ook zo heb ik ’t gehoort, ist niet zo?
Iac. Ja, gy hebt wel gezien.     Lijsb. bin.
Arnoldus en Adolf ontmoeten Iacomo.
Arn. Wel Jacomo, hoe ist zal men u geluk bien?
Iac. Ja, ik hebt spel gewonnen. Arn. Zo hebje ’t jawoort nu endlik verkreegen.
Adol. (275) Ist mogelijk hoe hebjeze konnen beweegen?
    Dat niemant van de rijckste kan doen, dat doet hy.

Arn. Hoe lang ist nu geleen datje eerst begon ’t gevry?
Iac. ’t Is nu omtrent, dat ik eerst byer quam, ses weeken.
    Jawel ik ben zo bly dat ik qualik kan spreeken.

    (280) Ik heb de Juffer, en ’t gelt, en al wat’er aan vast is.
Adol. Het lijkt een droom, ik zeg dat nooyt geen Juffer zo verrast is.
Iac. Ja, zo moetje vryen je Vryers, he, waar benje nu!
    Weestje leeven, alsje vryt, voor geen meysjes schu,
    Wilje een rijke Juffer hebben, hoe stouter hoe beeter voor de gasten,

    (285) Anders scheldenzeje voor en goosen, datje niet toe durft tasten.
    Maer Messieurs, nu moet ik ringen, en alle mooy koopen voor de Bruyt.
    Je moetme nu niet verleegen laaten, als we getrout zijn, ’k zalt vergoen tot een duyt.

Arn. Wel Jacomo, geluk met de Juffer, kom binnen.
    Wy zullen u vijf duysent gulden langen, zo moogje de Bruyloft gelukkig beginnen.

Binnen.
[fol. B2r]
Potzenel en Ernst uyt.
Potz. (290) O maat, ha, ha, veel geluk met je Rentemeesterschap, veel geluk kassier.
Ern. En je Potzenel metje Bottelierschap, nu benje voogt van wijn en bier.
Potz. O ho! hoe wilwe nu slikken, nu machme elk wel te vrient houwen,
    Ik hebet beste baantjen in, ik houw zo veel van dat brouwen,
    Nu ben ik opziender en keldermeester prinsipaal,

Ern. (295) En ik van de kas, ik regier ’et gelt altemaal,
    Mijn moetje na de mont zien, je kunt zonder mijn niet en stront an stukken bijten.

Potz. Maar laatwe mekaar niet verwijten,
    Wie weet ofze den baas noch al houwen zal.

Ern. Ja Potzenel, koop is koop, we zellen haast Bruyloft houwen, benje mal,
    (300) De Juffrouw isser aan vast, ’t vleys is verkoft.
Potz. Wel kanmen zo licht een rijkke Juffer krijgen, zo wil ik zien oft
    Met mijn ook wil lukken, ik zelter ook na stellen,
    ’k Zel een broek laaten maaken van vijfenveertig elle
    Wijt, met een bef van 4 elle linnen, en komen tout a la moode zo inmen kraft.

    (305) ’kZelje dan voort heen gaan tyen na de mooyste Juffers van de Heere of Keysers graft.
    Laat zien, waar werkenze nu best op de moode, in de Nes, au Roy de France, of in Adam en Eva,

Ern. Ja, die maaken de moode France, Italiaanze, en Spaanze.
Potz. Kom gaanwe dan voort na de Warmoesstraat, daar woonen de groote Winkeliers,
    Daar hebwe keur, daar zijn de nieuwe verwen, daar is zo veel getiers

    (310) Van jongens en van knechts, he Mesjeurs, dat kleur komt gister eerst van Parijs,
    ’t Is ’t alnieuwste, je moet zo nau juyst niet zien op de prijs.

Ern. Zelt noch teegen de Bruyloft gedaan, zo moogje ’t laaten afsnijen
Potz. Ja, ik zel op de Bruyloft wakker leeren vryen.            Binnen.
Arnoldus en Adolf, an de eene zy van ’t Tooneel.
Arnold. Hoe vrolijk was de Bruyt. Adol. Hoe wel wasse gemoet.
Arnold. (315) Hoe vriendelijk moetse de Schoorsteen-veeger omarmen.
Adol. Hoe zoet moet dit ongelijke paar in de kooy leggen.
Arnold. Hy kust haar wis met schroomen.
Adol. ’k Meen hy ’s al van de veeren, ’k wacht hem, by zal wel haest hier komen.
Arnold. Zie gins, is hy ’t? Adol. Hy komt verblijdt al harwaarts.
Iacomo uyt.
Iac. Nu ben ik ’t hoekje booven,
    (320) De bruyloft is gedaan, en alzo ik Arnoldus en Adolf most belooven
    Nu by ’er te koomen, zo ben ik niet beeter als mijn woort.
    Ontmoeten elkaar.
    He, wel Heer vind ikje hier? Adol. Je doet gelijkt behoort.
Arnol. Veel geluk Jacomo, je hebt de Bruyt vast in den arm.
Iac. ’k Bedankje, ik leg nu maklik, weelig en warm,
    (325) U lien heb ik te danken, je brengt me ’t luk in de schoot,
    ’k Verplicht my in u dienst, al waar ik half doot.

[fol. B2v]
Adol. Zo wens ikje veel geluk met een arm vol mensche vleys,
    Denkje nu wel eens om ons?
Iacomo. Wel, dat heeft zen bescheyt,
    Gebiedtme zoo ’t je lust, ik ben u slaaf, en in u dienst verbonden,

    (330) Want ’t geen ik nu bezit is door u vont gevonden.
Arn. Wel gezeyt, gy zijt nu wetlik man en vrouw,
    En wy, gelijk gy weet, zijn oorzaak van dees trouw.
    Wilt gy ons te geval, een dink u onderwinden?

    Zo hebt gy ons vernoegt, want wy ’t voor u, en ons goet vinden,
Iac. (335) En hoe zou ’t zijn?
Arn. Het is u nut, ’t moet zijn, gy kont dit toch niet voorby.
Iac. Wel nu?
Arn. Gy moet gaan brengen aan den dagh dees u bedriegery,
    Beelt u maar vast in dat ’t bedrog en al de bommel eens zal uytbreeken,

Iac. Wat zou ’k dan doen?
Arn. Behendig most gy dan het werk aldus besteeken,
    Gy most dees kleeren uyt, en ’t Schoorsteenveegers kleet

    (340) Terstont weer aen doen, en doen u Juffrouw zo de weet
    Van al den handel, hoe gy uyt liefd’, om haar te krijgen,
    Dit Princenkleet aanschoot, dat gy ’t nu langer niet kont swijgen,
    Ja dat gy zelf nu walgt van dit bedrog, en deeze looze min,
    Dat gy nu hebt berouw, en nu verandert zijt van zin,

    (345) Dat gy zonder haar liefde niet kond’ leeven,
    Ootmoedig verzoekt dan dat zy u dit bedrog wil vergeeven.

Iac. Indien ik dit begin, ik moet ten huyzen uyt, dat gaat vast,
    Ik ben u dienaar, ’t is waar, maar och! dit is voor my te grooten last,
    Zal ik mijn lieve Vrouw, zo terstont verschijnen,

    (350) ’k Jaag haar de doodt op ’t lijf met duysent pijnen.
Adol. Hoe Jacomo, gy zijt verdoolt, verswijgt gy nu u staat,
    Gy valt hier na noch in veel grooter quaat,
    En of u Juffrouw schelt en u sal bijster vloeken,
    Gy moet met een zoet lijntje by haar de vree zoeken,

    (355) In ’t eerste mach het weer zo wat ontstuymig zijn,
    Maar na die donderbuy wort ’t weeder zonneschijn.
    En dat gy ons verstaet, ’t geschiet de Vrijsters tot een voorbeelt,
    Hoe licht de schijn bedriegt, hoe avrechts datmen oordeelt.
    Hoe al te hooge vlucht de Juffers dik bedriegt,

    (360) En hoe meenig zoete Juffrouw wort door al te groots een hert in slaap gewiegt,
    Sy spiegelen zich aan deeze stoory.
    Weest niet beducht, gy hebt geen duur koop.

Iac. Wel als ’t zijn moet ik stel my op ter loop,
    Gaan wy in, ik trek het vuyle pak aan.

    (365) Ik mach denken ik koomer noch met gemak aan.                 Binnen.
Adolf en Arnoldus uyt.
Adol. Ha, ha, hoe zalze zien alsze dus bedroogen is?
Arn. Zy zal haast weeten dat deeze pots geen loogen is.
[fol. B3r]
    Dat komt’er van met de Vryers altijt de gek te scheeren
    Zo konnen de Juffers zien hoe dat het kan verkeeren,

    (370) Jacomo speelt zijn rol hier wel, dit komt braaf.
Adol. Zy meent een Prins te hebben, en ’t is maer een Slaaf.
    Als zy de Schoorsteenveeger ziet, ’t zal dapper stinken,
    Elleweeken hoe wil de Juffrouw rinkinken,
    Dit gerucht sal haast vliegen door de heele Stadt.

Arn. (375) Dats goet, de Juffers hebben nu lang niet nieus gehadt,
    En dit zal een les zijn voor al de Juffers die der in ’t lant zijn.

Adol. Maar ’t zal voor haar geslacht een eeuwige schant zijn.
Arnold. Ho, ho, ’t byslaapen zal ’t weer verzoeten, ’k laat dat staan,
    Ik ken Juffers die heur wel anders hebben te buyten gegaan:

    (380) Ze meenen ze zellen te laat komen, ze slaapen voort by,
    Maar als de pot aangebrant is, dan gaat de Doffer schuuren en laat het Duyfje in de ly.
    Maar deese die krijgt een braaf keerl in de armen,
    Zy is rijk genoeg om een kaalis te verwarmen
    Wie weet offer niet meenig Vryster, dus getrout, noch wel zou zijn te vreen?

    (385) Deese hoeft nu niet te treuren, datze geen verzoek krijgt, en datse blijft alleen.
Adolf. Wy hebben onze wil, wy zijn genoeg gewrooken.
    Zy moogen ’t met heur beyden nu naa heur mont kooken.

Binnen.
Jacomo in ’t Schoorsteenveegers gewaat gaat na de Iuffrouw.
    Ik zeyl’er zo na toe, maar ik stap niet sonder schroomen,
    Mijn dunkt ik hoor al, hoeze my zal verwellekomen,

    (390) Nu als ’t weeze moet, zey ’t Meysje, laat’et dan zo zijn.
    Koop is koop, hebben is hebben, de Juffer is mijn,
    ’k Denk dat ’er hier onder den hoop wel zijn die op die wijs ook wel eens zouwen byslaapen,
    Maar ze lijen’er wel met kaas en broot, nu wat staa ik hier te gaapen
    Ik klop.

Lijsbet opent de deur.
Lijsb. Wel, wat wil deuze vent, wat hebje hier an de deur te doen?
Iac. (395) Meysje is de Juffer ook by der hant?
Lijsb. Ja, ik kan vermoen
    Dat jeze veel te zeggen hebt, weg, weg, wy hebben niet te veegen.

Iac. Ik moetze spreeken? ik ben altijt de Juffrouws schoorsteenveeger.
Lijsb. Jese spreeken, ze is wis om jou verleegen,
    Ten komt heur niet te pas, gaat voort, pakje van hier.

Iac. Nu ras, ’t moet zijn,
Lijsb. (400) Ik raadje niet zo stout datje in huys gaat, wel ziet dit vuyle dier,
    Hoe zalt hier zijn?

Iac. Ik moet en wil’er in, ik wil de Juffrouw spreeken,
    ’t Is ’t eerste niet, dat ik de Juffer heb bekeeken,

[fol. B3v]
    En hier in huys geweest,
Lijsb. Daar loopt hy in, wat zal ons hier gebeuren?
    Ik loop hem na, ons Juffrouw zal haar heel versteuren.


Margriet, Lijsbet, Iacomo.

(405) Wel Lijsbet, hoe komt dees vuylen bloet hier in huys?
Lijsb. Hy stiet mijn uytte weeg, ik loof by is dapper buys,
    Hy zeyd’ hy most u spreeken.
Iac. Ja, ik wil de schoorsteen veegen.
Marg. Wel nu, wat wilje zeggen?
Iac. Eer ik me woorden hier ter deeg gaa uyt leggen,
(410) Gelieft de meyt te zeggen datze wat vertrekt,
    Want ik heb yets heymliks te zeggen vanje man.

Marg. Wel hoe, ’t schijnt ofje metme gekt.
    Nu, de meyt is weg, wat of hier noch sal schien?
    Wel, hoe is’t hier? wat wil dit zijn?

Iac. Je meugtme wel bezien.
    (415) En ’t is het eerste niet, bekijktme vry te deegen,
    Kent my de Juffrouw niet? nu weest dus niet verleegen,
    Wy hebben malkaar wel meer beschouwt, en noch niet lang verleen.

Marg. Ist droom.  Iac. Geen droom.
Marg. Ist spook? och!  Iac. ’t Is waar, ’t bestaat in reen,
Marg. Helaas! ay my, wat ist?
Iac. Ik bent.  Marg. Wie benje.
Iacom. Je man.  Marg. En hoe, komje in Maskeraade?
(420) Wats dit te zeggen? ik kan hier niet na raaden,
    Nu help ons uyt den dut, mijn man in schoorsteen-veegers lappen.
    O hemel wat is dit!

Iac. Dat ik hier in dit kleet nu herwaarts aan kom stappen,
    Is niet uyt klucht of spot, o neen! ik spreek hier nu recht uyt
    Dit was mijn eygen gewaat eer ik u kreeg tot Bruyt,

    (425) O Juffrouw ! ’t was bedrog dat ik met kostelijke kleeren
    Hier by u quam, ’k zal ’t hoog en dier u zweeren,
    Ik ben geen Eedelman, veel minder Prins noch Graaf,
    ’t Is alles maar verziert, ik heb geen Lant noch Haaf,
    Al wat ik heb gedaan heb ik door liefd’ bedreeven

    (430) Om u te krijgen, nu koom ik bidden datje ’t me wilt vergeeven,
    ’t Is nu geschiet, en ’t most eens koomen aan den dagh.

Marg. Zo heb ik dan een Nachtwerker getrout, wie zach
    Oyt zijn leven zulke guyte streeken!
ô! gruwelijke schennis,
    Gy overgeeven fielt,
ô schelm! ik heb geen kennis.
Iac. (435) Ik wel, zo ik een schelm ben gy bent een schelms vrouw.
Marg. Vervloekte guyt, doorsleepe boef, bedrieger van de trouw,
    Foey eervergeete gek, gy bok, gy buffel, eerloozen
    Stukke diefs, wat meent gy?

Iac. Ay wilt u wat verpoozen
    Van deeze gramschap, nu zijt toch niet zo quaat.

Marg. (440) ’k Seg dat ik als de pest u snoode byzijn haat,
[fol. B4r]
    Gy mijn man!
ô ramp! wat komt mijn oover?
    Een lompen reekel, och! ’t lijf trilt my als een loover,
    Een lantlooper, heelaas! och, och, waar koom ik toe.

Iac. Nu, nu, schreyt dus niet, ik bid neemt dit in ’t goe,
    (445) Och was het niet geschiet! ay droogtje oogen.
Marg. Vertrekt terstont uyt mijn gezicht, want ik zal niet gedoogen
    Dat gy noch nu, noch ooyt hier in ons huys verschijnt,
    Vergeefs beelt gy u in dat gy om mijn u pijnt.

De Vaader uyt.
    En zoo gy niet gaat voort, ik sweert men zal u leeren.
Iac. (450) Nu ziet gy hoe Fortuyn het rat doet ommekeeren.
Marg. Gy deugniet, weg zeg ik, ik ken u voor geen man.
Iac. Nochtans gy zijt mijn vrouw, dat niemant breeken kan.
Marg. Kant schien, o heemel!
Marc. Wats hier te doen? waar toe dit vloeken en dit schelden?
Marg. Och Vaader, ziet toch eens, wie koomt zich hier nu melden,
    (455) In ’t Schoorsteen-veegers kleet, hy zeyt ik ben zijn vrouw.
Iac. Dats waar, ’t is onlanghs noch verzeegelt door de trouw,
    Maar waar het niet geschiet, ik sweer ’t zou niet geschieden,
    Indien het u belieft, ick zal ’t u recht bedieden.

Marc. Wats dit? wel benje zot of dol,
    (460) Benje dit Jacomo? hoe, hebje ’t gat vol?
Jac. Ik bent, hier zieje recht wie dat ik was voor deezen.
Marc. Wel hoe, wat zal dit zijn?
Iac. En wilt in ’t minst niet vreezen.
Marc. Zeg voort.
Iac. Ik heb in grootse schijn, hier dit u eenich kint
    Uyt liefde een poos gevrijt, en hertelijk bemint,

    (465) ’k En was niet die ik scheen, geen Prins, maar schoorsteen-veeger
    Gelijk gy my hier ziet, ik maak u harsens sneeger
    En brengt nu voor den dagh, maar deugdlik van gemoet
    Ben ik altijt geweest, zo ben ik opgevoet,
    Gy hebt de oovervloet van gelt en goet genoeg

    (470) Daar teegen ’t oprecht hert ik by u geltkist voeg,
    U Dochter heb ik getrouwt, zy moet de mijne blijven.

Marc. Wat wonder kuur is dit, o zeltzame bedrijven!
    Wel wat zal ik nu doen? zal ikse hem onthouwen?
    De nacht heeft ’t werk voltooyt, men kan niet weer onttrouwen,

    (475) Schop ik hem uyt, mijn huys en dochter zijn geschent,
    O ramp! hoe deerlik zijn wy in den drek gewent.
    O dochter! wel Jacomo, dewijl de zaak dus is geschiet,
    En ’t zo moet blijven, verandren kan men ’t niet,
    Draag u gelijkt ’t behoort, gy zijt langzaam van zinnen,

    (480) Met goedigheyt gy zult mijn dochter wel verwinnen.
    Koom in, de vrouwen zijn oploopend van gemoet,
    Siet dat gy koelder maakt haar ziedend heete bloet.
[fol. B4v]
    En doet in ’t lange my verhaal van deeze dingen
    Men zal ’t in stilheyt smooren, anders, de Jongens zouwender lietjes van zingen,

    (485) Mijn dochter is u Vrouw, en wetlik gy haar Man,
    De bant is vast gemaakt die niemant breeken kan,
    Gy zult een tijt lang u geduldig moeten draagen,
    Mijn dochter zalmen wel beleezen, doet u best om haar in alles te behaagen.


UYT.

M. FOKKENS.
Continue

Tekstkritiek:

De verslengte en het rijmschema zijn onregelmatig. Wij hebben
        vs. 151, 212, 232, 238, 266, 306-307, 314-316, 361, 398,
        407 en 411 als weesrijmen beschouwd.