Simon van der Cruyssen: De waarschynelyke tovery. Amsterdam, 1691.
Naar L’illusion comique (1639) van Pierre Corneille; Van der Cruyssen heeft gebruik gemaakt van de herziene versie van 1660.
Uitgegeven door drs. J. Breunesse.
Red. dr. A.J.E. Harmsen, Universiteit Leiden.
Ceneton021940 - UBGent
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.

Continue
[p. 1]

DE

WAARSCHYNELYKE

TOVERY,

BLYSPÉL.

Uit het Fransch van de Heer P. CORNEILLE.

[Vignet: YVER. In liefd’ bloejende.]

Te Amsterdam, by d’Erfg: van J. Lescailje, op den Mid-
deldam, naast de Vischmarkt, 1691.
Met Privilegie.



[p. 2: blanco]
[p. 3]

Copye van de Privilegie.

DE Staten van Holland ende Westvriesland doen te weten. Alzo Ons vertoond is by de tegenwoordige Regenten van de Schouwburg tot Amsterdam, Dat zy Supplianten zedert eenige Jaaren herwaarts met hunne goede vrinden hadden gemaakt en ten Tooneele gevoert verscheiden Werken, zo van Treurspeelen, Blyspeelen als Klugten, welke zy lieden nu geerne met den druk gemeen wilden maken: doch gemerkt dat deze Werken door het nadrukken van anderen, veel van hun luister, zo in Taal als Spelkonst zouden komen te verliezen, en alzo zy Supplianten hen berooft zouden zien van hun byzondere oogwit om de Nederduitsche Taal en de Digtkonst voort te zetten, zo vonden zy hen genoodzaakt, om daar inne te voorzien, ende hen te keeren tot Ons, onderdanig verzoekende, dat Wy omme redenen voorsz. de Supplianten geliefden te verleenne Oktroy ofte Privilegie, omme alle hunne Werken reeds gemaakt, en de noch in ’t ligt te brengen, den tyd van vyftien Jaaren alleen te mogen drukken en verkoopen of doen drukken en verkoopen, met verbod van alle anderen op zeekeren hooge peene daar toe by Ons te stellen, ende voorts in communi forma. Zo is ’t dat Wy de Zake en ’t Verzoek voorsz. overgemerkt hebbende, ende genegen wezende ter bede van de Supplianten, uit Onze regte wetenschap, Souveraine magt ende authoriteit dezelve Supplianten gekonzenteert, geaccordeert ende geoctroijeert hebben, conzenteeren, accordeeren ende octrijeeren mitsdezen, dat zy geduurende den tyd van vyftien eerst achter een volgende Jaaren de voorsz. Werken die reeds gedrukt zyn, ende die van tyd tot tyd door haar gemaakt ende in ’t ligt gebragt zullen werden, binnen den voorsz. Onzen Lande alleen zullen mogen drukken, doen drukken, uitgeven en verkoopen. Verbiedende daarom allen ende eenen ygelyken dezelve Werken naar te drukken, ofte elders naargedrukt binnen den zelve Onzen Lande te brengen, uit te geven ofte te verkoopen, op de verbeurte van alle de naargedrukte, ingebragte ofte verkogte Exemplaaren, ende een boete van drie honderd guldens daar en boven te verbeuren, te appliceren een darde part voor den Officier die de calange doen zal, een darde part voor den Armen ter Plaatze daar het cazus voorvallen zal, ende het resteerende darde part voor den Supplianten. Alles in dien verstande, dat wy de Supplianten met dezen Onzen Octroije alleen willende gratificeren, tot verhoedinge van haare schaade door het nadrukken van de voorsz. Werken, daar door in geenige deelen verstaan, den inhoude van dien te authorizeeren ofte te advoueeren, ende veel min de zelve onder Onze protektie ende bescherminge, eenig meerder kredit, aanzien oft reputatie te geven, nemaar de Supplianten in kas daar in yets onbehoorlyk zoude mogen influeeren, alle het zelve tot haren laste zullen gehouden wezen te verantwoorden; tot dien einde wel expresselyk begeerende, dat by aldien zy dezen Onzen Oktroije voor de zelve Werken zullen willen stellen daar van geen geabbrevieerde ofte gecontraheerde mentie zullen mogen maaken, nemaar gehouden zullen weezen het zelve Octroy in ’t geheel ende zonder eenige Omissie daar voor te drukken ofte te doen drukken, ende dat zy gehouden zullen zyn een exemplaar van alle de voorsz. Wer- [p. 4] ken, gebonden ende wel geconditioneert te brengen in de Bibliotheecq van Onze Univerziteit tot Leiden, ende daar van behoorlyk te doen blyken. Alles op poene van het effekt van dien te verliezen. Ende ten einde de Supplianten dezen Onzen Conzent en Octroije mogen genieten als naar behooren: Lasten wy allen ende eenen ygelyken die ’t aangaan mag, dat zy de Supplianten van den inhoude van dezen doen, laaten en gedogen, rustelyk en volkomentlyk genieten, en cesserende alle beletten ter contrarie. Gedaan in den Haage onder Onzen grooten Zegele hier aan doen hangen den XIX September in ’t Jaar onzes Heeren en Zaligmakers duizent zes honderd vier en tachtig.

                                                                                G. FAGEL.
                                        Ter Ordonnantie van de Staaten
                                                        SIMON van BEAUMONT.

    De tegenwoordige Regenten van de Schouwburg, hebben het recht der bovenstaande Privilegie, voor deeze Druk, van de Waarschynlyke Tovery, Blyspel, vergund aan de Erfgenaamen van J. Lescailje.              Den 18 Januwarius, 1691.

________________________________

VERTOONERS.

EERRYK, Vader van Eelaard.
WOUDHEER, Vriend van Eerryk.
WAARMOND, een Toveresse.
EELAARD, Minnaar van Izabelle; dienaar van Don Antonio Ma-
                tamoris, onder de naam van Hendrik; en, in het vyfde
                Bedryf, verbeeldende Theagenes.

DIEDERYK, verliefd op Izabelle.
DON ANTONIO MATAMORIS, een Spaansch afgedankt
                Kapitein, verliefd op Izabelle.

IZABELLE, Dochter van Ernst; en verbeeldende
                Hippolite, in het

KATRYN, Dienstmaagd van Izabelle, en, ver-
                beeldende Klarine haar Kamenier, in het
}
}
laatste Bedryf.
ERNST, Vader van Izabelle.
JORIS, Jonge van Matamoris.
JODELET, Sipier van Brussel.
ERASTE, Kamerling van Florilame.
Gevolg van Ernst, en Florilame.

        Het Tooneel is in het Bosch van ’s Graavenhage.
Continue
[p. 5]

DE

WAARSCHYNLYKE

TOVERY.
_______________________

EERSTE BEDRYF.

EERSTE TOONEEL,

Verbeeldende een Bosch, met een Spelonk ter zyden.


EERRYK, WOUDHEER.

WOUDHEER.
DIe Toveres, naar wien dat Aarde en Hel moet hooren,
Heeft, voor een heerlyk huis, slechts deez’ Spelonk verkooren;
De duisterheid, die haar staâg by blyft, nimmer zwicht,
Schuift nooit haar sluijer op als voor een droevig licht:
(5) Zy wil zelfs ’t flaauwste licht nooit meerder ingang gonnen
Als ’t geen de Geesten, in haar hol, verdraagen konnen.
Wil niet meêr naderen, haar konst heeft aan de voet
Van deezen heuvel, iets gesteld, waar meê zy doed
Hen aanstonds straffen, die deez’ plaats te na derft koomen,
(10) En die groote opening, die zelfs ’t gezicht doed schroomen,
Dat is een sterke muur, van niemand ooit gezien,
Die zelfs de minste lucht den ingang komt verbiên,
En haar een bolwerk is, ja, straks op haar gebooden,
Voor die haar slechts genaakt, veroorzaakt duizend dooden;
(15) En achtende haar rust, dood zy zo wel die geen
Die haar vergramd, als die haar hier niet laat alleen.
Hoe zeer ’t nieuwsgierig hert mag na haar byzyn trachten,
Om haar te spreeken, diend gy hier zo lang te wachten;
Tot dat zy haar vertoond: ’t is nu ontrent zo laat
(20) Als zy uit haar spelonk tot haar verlusting gaat.
[p. 6]
EERRYK.
Ik brand om haar te zien, en derf my niets belooven;
’k Ben ongeduldig, en myn hoop is heel verschooven.
Die Zoon, my eer zo waerd, die my myn rust beneemt,
En hem van my heeft, door een straf onthaal, vervreemd,
(25) Die ik, nu thien jaar, heb gezocht, met zo veel zorgen,
Heeft zich dan voor altyd voor myn gezicht verborgen!
Ik zie de dwaaling die my toenmaals had verleid,
Ik deê hem vlugten, ’t geen nu van my word beschreid,
En ’t vaderlyk gemoed heeft my haast doen verschaffen
(30) Rechtvaarde knaaging van een onrechtvaardig straffen.
’k Moest hem dan zoeken, en heb nu zo ver, helaas!
Doorreist de Po, de Taag, de Rhyn, de Seine, en Maas.
Een zelfde zorg vervuld myn geest altyd met schroomen,
Naar zulk een lange reis heb ik noch niets vernoomen.
(35) Wanhoopende in het eind, verdween myn hoop in asch,
Dewyl de Hemel my hier in niet gunstig was;
En zoekende eind’lyk rust, na zo veel zwaare plaagen,
Heb ik zelfs aan de Hel daar over raad gaan vraagen,
’k Heb de vermaardsten zelfs in deeze konst gezien,
(40) Waar in dat Waarmond, die gy my nu aan komt biên,
Na uw verklaaring, zeer uitsteekende zou weezen:
Men zei my ’t zelfde van alle andere voor dezen,
Niet een van hen kon my vertroosten, en de Hel
Bleef stom; zy antwoord niet, en laat my in gekwel.
WOUDHEER.
(45) Myn vriend, wil Waarmond toch by andere niet afmeeten,
Haar groote toverkonst heeft niemand ooit geweeten:
’k Zal u niet zeggen dat ze, op ’t stampen van haar voet,
De gansche zee onsteld, en de aarde beeven doed;
Dat zy de lucht vervuld met duizend dwarrelwinden,
(50) En haar doed bersten, om haar vyand te verslinden;
Dat zy twee zonnen zelfs doed schynen in de nacht,
Vervoerd de bergen en de rotzen, door haar magt.
Zo groote wonderen behoefd gy niet te wachten;
Het is genoeg voor u dat zy kend uw gedachten,
(55) Dat zy ’t gebeurde weet, en ’t geen noch namaals zal
[p. 7]
Gebeuren; niets is haar verborgen in ’t heel al.
Ik kon, zo wel als gy, in ’t eerst het niet gelooven;
Maar zy wist deeze waan wel haast in my te dooven,
Als zy myn leeven my verhaalde, en wist aan my
(60) Te zeggen het geheimst’ van myne vrijery,
En wat myn liefde al, in myn jonkheid, had bedreeven.
EERRYK.
Door al die wond’ren zoekt gy my moed te geeven;
Maar ’t is vergeefs; myn zorg en arbeid wacht nu geen
De minste troost meêr als maar in de dood alleen.
WOUDHEER.
(65) ’t Zint dat ik ’s Gravenhaage, en ’t Hof laatst heb begeeven,
Om hier op ’t land, alleen, gerust, en stil te leeven,
Na dat ik eind’lik kreeg, ter goeder uur en stond,
Na twee jaar vrijens, met dit Huis, myn Roozemond;
Zo heeft ze, dat ik weet, noch iemand ooit bedroogen:
(70) Al wie haar vraagd om raad beproefd haar groot vermoogen,
En keerd zeer wel vernoegd. haar groote toverkracht,
Dewylze u helpen kan, diend niet te zeer veracht.
Zy is geheel verblyd als zy me kan verpligten;
Een beê van my zal zelfs voor u zo veel verrichten,
(75) Dat zy, door haare konst, vermind’ren zal uw pyn.
EERRYK.
Myn lot is al te wreed om zo verzoet te zyn.
WOUDHEER.
Schep meerder hoop, zy komt; wil niet in ’t minste vreezen;
Zy naderd ons; dit grootsch, dit zo ontzachlyk weezen,
Die de natuur doed zelfs uit haare paalen treên,
(80) Heeft niets meêr ov’rig, naar een eeuw, als vel en been.



TWEEDE TOONEEL.

WAARMOND, EERRYK, WOUDHEER.

WOUDHEER.
O groote Toveres, wiens wysheid alle daagen
Ons nieuwe wond’ren toond, die wy noch nimmer zaagen,
[p. 8]
Wien niets verborgen is, ja in onz’ herten ziet,
En, zonder ons te zien, weet wat by ons geschied:
(85) Zo uw vermaarde konst, by yder aangebeeden,
My ooit zocht dienst te doen, zo toon nu zulks op heden;
Verlicht een vader in zyn droevig ongeluk;
Een oude vrindschap neemt meê deel in al zyn druk;
Hy is tot Leiden, alzo wel als ik, gebooren,
(90) Daar hy zyn vreugde, door zyn strafheid, heeft verlooren;
Zyn zoon, my heel gelyk in jaaren, staat, en goed,
Is met my, in een school, te Leiden opgevoed...
WAARMOND.
Heer, Woudheer, ’t is genoeg; ’k weet wat dat hem hier heenen
Vervoerd; die zoon is nu al de oorzaak van zyn weenen.
(95) Gy, Ouwde, is het niet waar, dat u zyn afzyn doed
Een knaaging hebben die ontrustigd uw gemoed?
Dat een herdnekkigheid, en straf, niet te verdraagen,
Hem bande uit uw gezicht, veroorzaakt al uw klaagen?
En hebbende berouw van zulk een daad, zo wreed!
(100) Gy lang, vergeefsch, uw zoon zocht met groot hertenleed?
EERRYK.
Orakel van onze eeuw, ik zou u myn’ gepeinzen,
Terwyl gy ’t alles weet, maar te vergeefsch, ontveinzen;
U is te wel bewust al de oorzaak van myn smert,
En gy ziet al te klaar in ’t binnenst van myn hert.
(105) ’t Is waar, ik heb gemist; maar heb genoeg geleeden,
Naar zo veel doolens, voor myn onrechtvaardigheden.
Maak van myn kwelling eens een eind, geef my weêrom
Het eenig steunzel van myn droevige ouderdom.
Zo ’k maar iets van hem hoor, zie ik hem weêr herleeven;
(110) De liefde zal me, om hem te vinden, vleugels geeven.
Waar schuild hy zich? ik bid, noem my de plaats alleen:
Al waar ’t aan ’s waerelds eind, ik vlieg daar daatlyk heen.
WAARMOND.
Schep moed, myn toverkonst zal heden u verklaaren,
’T geen niemand meêr op aarde aan u kan openbaaren;
(115) Gy zult hem weêr zien in het leeven, en geraakt
Tot staat; zyn ballingschap heeft zyn geluk gemaakt.
[p. 9]
’K begeer niet dat ge alleen myn zeggen zult gelooven;
Ik zal ’t u zelfs doen zien: ’k ga yder een te boven.
De nieuwelingen in de konst, met al hun’ smook,
(120) Hun’ preevelingen, en ’t verwekken van veel rook,
Al die omstandigheên, de wierook, en de kruiden,
Zyn, in de toverkonst, zeer weinig van beduiden;
’T is maar bedrog, waar meê ze op yder oogenblik
Ontzach verwekken met een naare vrees en schrik.
(125) Deez’ roede, in myne hand, is van veel meêr vermoogen.
    Zy slaat met haar stok op de aarde, en de schutdoek word opge-
        trokken; waar achter, in een kleêrkamer, de kostelykste
        kleederen van de Tooneelspeelders vertoond worden.

Aan zulk een toestel kondge uw zoons geluk beöogen:
Zeg, heeft een magtig prins wel schoonder? kondge meêr
Nu twyf’len aan ’t geluk, en zyn verkreegene eer?
EERRYK.
Gy vleid een vaders hert, zo vol van tederheden.
(130) Myn zoon is van geen rang om zich daar meê te kleeden;
O neen! zyn staat en hy was nooit zo hoog geacht,
Dat hem zou voegen zulk een vorstelyke pracht.
WAARMOND.
Hy is tot beter staat, als gy wel denkt, verheven,
’T geluk heeft, door de tyd, verandering gegeeven.
(135) En niemand, van wat staat, zich daar om acht gehoond,
Als hy in ’t openbaar zich, zo gekleed, vertoond.
EERRYK.
’K zal, aan zo zoet een hoop myn ziel dan overgeeven:
Maar, ’k zie een vrouwenkleed zeer kostelyk daar neven;
Zou hy getrouwd zyn?
WAARMOND.
                                    Van zyn vrijerijen zal
(140) Ik u doen een verhaal, en van zyn vreemd geval:
Zo gy zo stout waard van niet eens daar voor te beeven,
Zoude ik door spookery u toonen al zyn leeven,
En zelfs door schimmen, die in spreeken en gebaar
De menschen zyn gelyk, doen zien al het gevaar
(145) Dat hy geleeden heeft.
[p. 10]
EERRYK.
                                              Denk niet, dat ik zou vreezen.
Hoe kan ’t afbeeldzel toch aan my afgryslyk weezen,
Van die ik over al zo vierig heb gezocht?
WAARMOND tegens Woudheer.
Indien ik toch, myn heer, zo veel op u vermogt,
Ik wenschte dat gy gingt een uur twee drie wat wand’len,
(150) Alzo ’t geheim moet zyn het geen ik zal verhand’len.
EERRYK.
’K heb niets voor zo een vriend verborgen; blyf dan tot...
WOUDHEER.
Wy moeten aanstonds zyn gehoorzaam aan ’t gebod
’T geen zy ons geefd; ik ga.
WAARMOND tegens Eerryk.
                                            Wil u te vreden stellen,
Deeze avond kond gy ’t hem, zo ’t u beliefd, vertellen.



DERDE TOONEEL.

WAARMOND, EERRYK.

WAARMOND.
(155) TEn eersten wierd uw zoon niet zulk een grooten heer.
Al ’t geen hy heeft gedaan verstrekt niet tot zyn eer;
En ’t zou my leed zyn, zo ’k zyn armoede allegader
Vertoonde aan iemand als aan de oogen van zyn vader.
        Hy nam u eenig geld; maar ’t kleene dat hy stal
(160) Dat was haast doorgebragt, en dat voor ’s avonds al;
Ja, eer hy noch te deeg een uur van huis kon weezen,
Verkocht hy briefjes om de koortzen te geneezen,
En hoofd en tandpyn; door die konst, niet zeer geacht,
Heeft hy ’t tot Haarlem, en tot Amsteldam gebragt;
(165) Hy wierd Verklikker van de Pachters van de wynen;
Doch, naderhand verhoogd om zyne goede mynen,
Wierd hy Deurwaarder, en een Schryver, maar myn heer,
Het duurde niet zeer lang, of hy verliet dit weêr,
En trok naar Hamborg met drie arme lichte Franssen;
(170) Daar zy twee Aapen op de koord, voor geld, deên danssen:
[p. 11]
Hy wierd Kwakzalver op het lest, en veilde, op straat,
De groene brandzalf, en den ouden mitridaat.
Noch Buskon, Lazarus van Tormes, en veel and’ren,
Die wisten nimmer zich zo dikwils te verand’ren.
    (175) Dat Woudheer nu dit wist waar u misschien wel leed.
EERRYK.
Wat ben ik u verpligt dat hy daar niets van weet.
WAARMOND.
Ik doe u dit verhaal, ter loops zo, van zyn leeven,
Om, door de kortheid, u min schaamte te doen geeven.
    ’T verdroot hem eind’lyk zo een staat, van elk veracht:
(180) Een beter toeval heeft tot Brussel hem gebragt,
Daar, vol van zorg, belaân om aan de kost te koomen,
Heeft een Spaans Kapitein hem in zyn dienst genoomen;
Die zeer verliefde Held heeft hem Agent gemaakt
Van zyne liefde, en zo is hy aan geld geraakt:
(185) Hy weet zeer aardig na zyns meesters mond te klappen,
En veel pistoolen van dien gek zo te betrappen;
Hy ’s medevrijer van zyn meester zelfs, door konst
Geworden, en staat hoog in deeze Juffers gonst.
    Als ik van zyne min u kennis heb gegeeven,
(190) Zal ik u hem doen zien zeer hoog in staat verheven,
’T geen hy nu heeft aanvaard, en hem vermaard doed zyn.
EERRYK.
Wat geeft die hoop reeds al verlichting aan myn pyn!
WAARMOND.
Hy heeft zich zelfs herdoopt, om niets van hem te weeten,
In plaats van Eêlaart laat hy zich nu Henrik heeten,
(195) Met die naam zult gy hem straks hooren noemen; maar
Weest niet bevreesd, en zwyg: want daar is geen gevaar.
    ’K zie dat ik u te lang doe in verlangen blyven;
Maar, wil daarom geenzins van my mistrouwen krygen;
Want op de Spooken, die gy spreekende verwacht,
(200) Heeft een Bezweering, die gemeen is, weinig magt.
Gaan wy in myn Spelonk: ’k zal, om u te behaagen,
Door nieuwe tovery, de Schimmen boven daagen.

Einde van het Eerste Bedryf.
Continue
[p. 12]

TWEEDE BEDRYF.

EERSTE TOONEEL.*

WAARMOND, EERRYK.

WAARMOND.
VReest niet wat gy ook ziet, en zeg noch eens dat gy
Voor al uit deez’ spelonk niet gaan moet, als naar my,
(205) Doetge anders, gy zyt dood: voorts hebt ge niet te schroomen.
        Op het stampen van haar voet, veranderd het Tooneel
            in een voornaame Straat binnen Brussel.

Zie daar de schim uws zoons, en van zyn meester, koomen.
EERRYK.
O Goôn! ik voel, myn ziel vliegt by hem.
WAARMOND.
                                                                  Stil, myn heer;
Laat ons hem hooren, en zet u hier by me neêr.



TWEEDE TOONEEL.

WAARMOND, EERRYK, MATAMORIS,
EELAARD, onder de naam van HENRIK.

EELAARD.
WAt overlegtge toch; na zo veel braave daaden?
(210) Kan uw doorluchte geest noch zyn met zorg belaaden?
Zyt gy niet moede dan van slag op slag te slaan?
Wilt gy meêr laauw’ren op ’t grootmoedig hoofd doen staan?
MATAMORIS.
’T is waar, ik overdenk ’t; en heb noch niet beslooten
Of ik den Persiaan van zyne troon wil stooten,
(215) Of den Mogol, of wel der Turken grooten heer.
EELAARD.
Wat ik u bidden mag, gun hen het leeven eer.
Men zou daarom niet eens te meêr van u vertellen,
En ’t slimst, wanneer zoud gy uw heir in ord’re stellen?
MATAMORIS.
Het heir, ô bloodaard! ô verraader! welk een hoon,
(220) Deeze arm heeft krachts genoeg alleen om hen te doôn.
[p. 13]
Door ’t dond’ren van myn stem, en ’t spalken van myn’ blikken,
Deê ’k heele legers, en de grootste steden schrikken.
Myn onverwindb’re moed, van yder een geacht,
Gebruikt voor keizers slechts de helft van zyne kracht;
(225) De Parken, alle drie, die vliegen van myn’ handen,
Op myn gebod alleen ontvolken zy de landen
Der grootste koningen: ’t geweer is my niet nut,
De bliksem is myn bomb, de donder myn geschut,
’K smyt duizend vyanden, met eene slag, ter neder;
(230) ’K werp bergen op elkaâr, en ik herstelze weder
Alleen door myn geblaas: en gy zyt noch zo koen,
En spreekt my van een heir, dat ik nooit had van doen!
Gy zult den tweden mars voortaan niet meerder spreken;
’K zal u, met myn gezicht, doen hals en beenen breeken.
    (235) Maar in dit oogenblik, dat gy me vreeslyk ziet,
Denk ik op Izabel, die myne ziel gebied;
En die gedachten van haar schoonheid, nooit volpreezen,
Laat my niet meêr in staat om zo verstoord te weezen;
Myn gramschap die verdwynd. ga, ik ben weêr uw vrind;
(240) Die kleene Schutter, die zelf al de goôn verwind,
Verjaagd de dood die in myne oogen was te leezen.
Bezie my, ’k heb niet meêr dat doodsch en schrik’lyk weezen,
Van moord en branden: ’k ben veranderd nu van zin;
Gy ziet me lief’lyk, en vol schoonheid; ja de min
(245) Zit op myn aanzicht daar gy straks de dood beöogde,
Gedenkende aan ’t schoon oôg dat myne vryheid roofde.
EELAARD.
Ja, in een oogenblik kund ge alles, groote goon!
Daar ’t weezen schriklyk was, zie ik dat nu zo schoon.
Daar is geen voorwerp, zelfs hoe stuurs en wreed van zinnen,
(250) Dat weig’ren zou om u niet als haar zelf te minnen.
MATAMORIS.
Ik zeg het u noch eens, een yder is verliefd,
Of vreest me, slechts alleen wanneer het my beliefd:
Ik weet te maaken, door ’t verand’ren van dit weezen,
De vrouwen heel verliefd, de mannen vol van vreezen.
[p. 14]
(255) Ja, zederd dat dit schoon my bleef gestaadig by
Was ik van ’t nagaan der verliefde op my nooit vry,
Ja duizend op een dag, door my te veel te minnen,
Zyn wel gestorven, of verlooren haare zinnen.
Prinsessen waaren al op my verliefd het eerst,
(260) De Koninginnen zelf verzochten my, om ’t zeerst,
Van Ethiopie, en Egipten: al haar zuchten
Was maar om my; ik deê zelfs twee Zultaanen vlugten
Uit het Serail, en was toen met den grooten Heer
Daarom in grooten twist.
EELAARD.
                                        Dat strekte u tot meêr eer.
MATAMORIS.
(265) Al die verliefdheên, daar men my meê wou betov’ren,
Belette my toen om de waereld te verov’ren.
Ik stierde dan het lot aan Jupiter. wel hoe!
’K was dat verlieven, en al dat vervolgen moê,
Met een gestreng gebod, als dat hy zou verzinnen
(270) Een middel, dat men my zo veel niet zou beminnen,
Of dat, myn toornigheid zelf gaan zou tot de goôn,
En hem met deeze vuist, verstooten van zyn troon,
En geeven Mars de magt van bliksems te regeeren:
Maar, op een oogenblik, voldeed hy myn begeeren;
(275) Myn dreigen baarde vrees, daarom hield hy zich stil:
En zedert ben ik schoon alleen maar als ik wil.
EELAARD.
Wat minnebrieven had ik anders...
MATAMORIS.
                                                        By uw leeven,
Van wie ze ook moogen zyn, wacht u ze my te geeven,
Als van... je weet wel; maar wat zegt ze al, als gy vryd?
EELAARD.
(280) Dat gy de schrik en min van alle herten zyt,
En dat, zo gy volhard standvastig haar te minnen,
Zy haare staat meêr acht, als die van de godinnen.
MATAMORIS.
Hoor; al ’t godinnedom was zelf verliefd: ’t was in
[p. 15]
Die voor’ge tyd van flus, en boden my haar min.
(285) Een wonder voorval zal ik u daar van verhaalen,
Die de natuur deê gaan zelfs buiten haare paalen.
    ’T was op een morgenstond, als dat myn heer de Zon,
Wat hy ook doen mogt, uit zyn bed niet koomen kon;
En deeze zichtb’re god, van yder aangebeeden,
(290) Vond geen Aurore, als ’t plagt, om voor hem uit te treeden:
Men zochtze in Titons bed, in Memnons, en ook meê
In ’t bosch by Cefalus, vergeefs al wat men deê.
En wyl men haar niet vond, en yder was vol vreezen,
Zo moest men zonder licht tot op de middag weezen.
EELAARD.
(295) Waar mogt de Koningin van ’t licht toch zyn gegaan?
MATAMORIS.
Vlak voor myn ledekant haar min my biedende aan;
Zy spilde daar haar tyd, haar zuchten was verlooren;
Die Schoone, zo vermaard, kon my niet eens bekooren,
Al ’t geen haar zotte liefde op my verwerven kon,
(300) Was een gebod dat zy straks voor zou gaan de Zon.
EELAARD.
Dat vreemde toeval komt my nu weêr in gedachten,
’K was toen ik Mexiko: men zei dat, om ’t verachten,
En om de smaadheid hier mede aangedaan hun god,
De Persiaan op u wouw wreeken deeze spot.
MATAMORIS.
(305) Ik hoorde iets mompelen, en wil het u wel zweeren,
’K zou hem die kwaadheid wel dra hebben doen verleeren:
Maar ’k was belet, en was in Zevenbergen, daar
Zyne Afgezanten, doch niet zonder groot gevaar,
Met veel geschenken, en met zeer ootmoedig smeeken,
(310) Verzochten dat ik toch de vrede niet zou breeken.
EELAARD.
Zachtmoedigheid werd meer by dapperheid bemind.
MATAMORIS.
Bezie dit aangezicht, bezie het toch, myn vrind,
Zie, hoe de deugden daar in neemen haar behaagen:
[p. 16]
Een heele waereld vol van vyanden, verslagen,
(315) Ziet ge onder mynen voet; geen mensch werd ooit door my
Beleedigd, zo hy zelf daar de oorzaak niet van zy.
Doch in Europe, daar de Koningen wel moedig,
Maar niet barbaars zyn, zyn myn daaden niet zo bloedig.
Ik laatze op hunne troon: maar by den Afrikaan
(320) Zyn al de Koningen met vrees voor my belaân.
’K verderf hunn’ steden, om hunn’ Koningen te straffen;
De woestheid kan u daar een voorbeeld van verschaffen;
De groote Zandzeen zelf, die niemand door kan gaan
Als met een vreeze, zyn getuigen van myn daân.
EELAARD.
(325) Daar komt ze, die alleen uw oogen kan behaagen.
MATAMORIS, ziende Diederik by Izabel.
Die drommel van een vent verzeld haar alle dagen.
EELAARD.
Waar gaat gy heen?
MATAMORIS.
                                Die bloed is zonder moed, en koud,
Maar hy heeft buijen, die zomtyds hem maaken stout.
Misschien hovaardig op haar byzyn, zou hy maaken
(330) Den stouten, en daar door in twist, met my geraaken.
EELAARD.
Dan zou hy zekerlyk straks loopen in zyn dood.
MATAMORIS.
Wanneer ik schoon ben, is myn sterkte niet zo groot.
EELAARD.
Verlaat uw lief’lyk, en doe aan uw schrik’lyk weezen.
MATAMORIS.
Maar gy voorziet niet wat hen zeker stond te vreezen:
(335) Wanneer ik vrees’lyk ben, ben ik te boos en vals,
Ik bragt myn vyand, en zelf myn meestresse om hals.
Laat ons hier; wyl hy is myn toorn niet waardig, wachten.
EELHARD.*
’K zie uw voorzichtigheid zo groot gelyk uw’ krachten.



[p. 17]

DARDE TOONEEL.

DIEDERIK, IZABELLE.

DIEDERIK.
IK doe geen voordeel of ik zucht dan of ik klaag,
(340) Helaas! myn ongeval is groot ’t geen ik verdraag;
In weêrwil van myn vlam, onstooken in dit herte,
Geloofd gy noch myn min, noch myn verliefde smerte.
IZABELLE.
’K weet niet waar in gy reên tot zulke klagten vind,
Ik ken my zelve schoon, en weet wel dat gy mind;
(345) Ik zie de blyken uit uw zuchten, zyt te vreden,
En schoon dat ik daar van had minder zekerheden,
Als maar een eerlyk man heeft by my wat ontzach,
’K geloof het daadelyk al wat hy zeggen mag.
Doe meê met my zo: en terwyl ik aan uw minnen
(350) Niets heb verborgen van ’t geen by my legt hier binnen,
Doe my die dienst, en wil nu meê gelooven dan
Dat, schoon gy my bemind, ik u niet minnen kan.
DIEDERIK.
Dat is het loon dan dat my over is gebleeven,
Naar zo veel dienst, en blyk u van myn min gegeeven?
(355) Is dan myn trouwe min zo strafbaar, dat ge altyd
Zo ongevoelig, en steeds even spytig zyt?
IZABELLE.
Men geeft een and’re naam al dikmaals and’re zaaken.
Het geen ik dist’len noem, zoud gy wel roozen maaken:
Al ’t geen gy dienst en liefde, en vrindschap noeme moogt,
(360) Werd voor vervolging en voor straf by my beöogd.
Elk een blyft even vast by ’t geen hy heeft begreepen;
Gy denkt my dienst te doen met ’t geen me in ’t graf zou sleepen,
En ’t geen gy oordeeld een belooning waard te zyn,
Verdiend niet, naar myn zin, als wreedheid, smaad, en pyn.
DIEDERIK.
(365) Is ’t moog’lyk! kond ge voor zo zuiv’re vlammen schroomen,
[p. 18]
Die van den hemel zelf beginsel heeft genoomen?
Ja, op het oogenblik, dat my het licht bescheen,
Gaf ’t my geen hert als om te minnen u alleen;
Uw beeldenis was met myn ziel gelyk gebooren,
(370) Ik had, eer ik u zag, myn vryheid al verlooren;
Myn min tot u was daar reeds ingeprent; en doe
Ik u myn hert gaf, gaf ik niets, of ’t kwam u toe.
IZABELLE.
Het schynt de hemel heeft de magt aan zich gelaaten:
Zy schepte u tot myn min, en my om u te haaten.
(375) ’T is haar beschikking dat een ander my behaagd.
Zie toe dat geen van twee zich wederspannig draagd.
Gy hebt van haare haat niet weinig deel genooten,
Kon zy wel meerder noch uw rampen doen vergrooten?
Waar is elendiger, of waar is slimmer staat
(380) Als een te minnen, die op ’t alderhoogste u haat?
DIEDERIK.
Is u zo wel bekend de grootheid myner pynen,
En kond gy weig’ren noch om die te doen verdwynen?
IZABELLE.
’K heb medelyden, en beklaag u noch te meêr,
Dat gy van al die moeite, en al dat zuchten, heer,
(385) Met al dat smeeken, en dat onophoud’lyk klaagen,
Niet anders als alleen myn weig’ring meê zult draagen.
DIEDERIK.
Uw vader staat het toe; myn min, van u veracht,
Haar toevlugt, in het eind, zal neemen tot zyn magt.
IZABELLE.
’T is ’t middel niet om ooit daar door my te behaagen,
(390) Gy zoud daar van niet als de schande met u draagen.
DIEDERIK.
’K zal deezen dag eens zien, hoe zeer gy ’t tegenspreekt,
Wat zyn gezach vermag nu my uw liefde ontbreekt.
IZABELLE.
En ik hoop, ook al eer deez’ dag zal zyn verstreeken,
Op nieuw, u van uw hoop en min te zien versteeken.
[p. 19]
DIEDERIK.
(395) Hoe! zal uw wreedheid dan nooit eindigen?
IZABELLE.
                                                                                Ga heen,
Ga naar myn vader, en laat my hier slechts alleen.
DIEDERIK.
Ik kan ’t berouw reeds van uw hert in ’t aanzicht leezen.
Gy kond niet minnen of gy moet gedwongen weezen.
Ik ga dan aanstonds: maar ik zweer u, by myn lot,
(400) Dat ik niet ga als om te volgen uw gebod.
IZABELLE.
Ga heen; volhard slechts in vergeefs my te beminnen.



VIERDE TOONEEL.

MATAMORIS, IZABELLE, EELAARD.

MATAMORIS.
WEl? met dat hy my zag, hoe ras liep hy naar binnen!
Wat was hy gaauw om my te laaten in zyn stee!
IZABELLE.
Dat is geen schand voor hem; de koningen doen ’t meê.
(405) Zo my ’t gerucht van uw bedryf niet heeft bedroogen,
En zo ’k gelooven mag myn’ ooren en myn’ oogen.
MATAMORIS.
Geloof het vry, en op dat men geen tyd verspild
Verkies maar in wat plaats dat gy gebieden wild;
Deeze arm zal aanstonds (want ik hou niet veel van dreigen)
(410) Een koningryk voor u, door zyne kracht verkrygen.
IZABELLE.
Geef toch zo licht niet bloot een arm die doorgaans wint.
’K veracht een koningryk, zo gy me maar bemind:
Al de eerzucht, die ik heb, bestaat alleen daar inne
Dat ik uw ziel gebiede, en smaake uw wederminne.
MATAMORIS.
(415) Ze is u geschonken, en om u te laaten zien
Dat gy daar over als meestresse kond gebiên,*
Zal ik niet luist’ren meêr naar moedige gedachten,
[p. 20]
Noch naar de schepter der uitheemsche vorsten trachten;
Gy zult me een koning twee of drie uitkiezen zien,
(420) Die zullen u myn liefde aanbieden op hunn’ knien.
IZABELLE.
Die dienaars mogten my daar door in afgunst brengen:
Ons heim’lyk vrijen wil geen meerder tal gehengen,
Tot tuigen onzer liefde, en ’t hooren onzer reên
Is niemand meêr van doen als deeze knecht alleen.
MATAMORIS.
(425) Gy hebt gewis, als ik, doordringende gedachten,
En ondervind dat men de grootsheid moet verachten.
Het swaaijen van den staf, myn lief, wat steekt daar in?
Ik geefze daadlyk weêr zo dra als ik ze win.
Prinsessen zelfs zag ik op my verzot van liefde.
(430) En zonder dat van haar my eene ’t hert doorgriefde.
IZABELLE.
Ik sla alleenelyk niet veel geloof daar aan,
Dat gy, om myne min, prinsessen zoud versmaân,
Dat gy uw wedermin aan haar hebt weig’ren konnen,
Daar gy my van uw hert ’t gebied hebt willen gonnen.
MATAMORIS.
(435) ’K geloof dat Henrik zelf noch wel daar iets af weet.
Hoor hier; als ik in Sine, in ’t stryden my zo kweet,
En ’s keizers dochters, naar het groot tournooispel, beide
Op my verliefden; zeg, wat waar het dat men zeide
Van haare minnenyd?
EELAARD.
                                    Hoe! de een en de ander storf,
(440) Om dat gy haar verachte, en geene uw min verworf.
’K was in Egipten, daar het yder toen vertelde.
Het was toen Kairo zich op ’t allerhoogste onstelde
Op ’t hooren van uw’ daân, zo dat zy honderd myl
Door traanen plas lag, als te vooren door de Nyl.
(445) ’T was toen gy kort voorheen thien reuzen had doen sterven;
Alwaar men zag rondsom het land door u bederven,
Vyfthien kasteelen, en twee bergen omgekeerd,
Door ’t vuur; en stad, en land, en alles overheerd;
[p. 21]
Ja honderd duizend man by de Atlas doodgesteeken.
MATAMORIS.
(450) Hoe wel weet hy van plaats, en uur, en tyd, te spreeken,
’t Was my onschooten.
IZABELLE.
                                    Kan het zyn dat zo veel daân
Zo veel triomfen, heer, uit uw gedachten gaan?
MATAMORIS.
Toen, zegepraalende met keizers aan een keten,
Was zo een slechten zaak niet waardig om te weeten.



VYFDE TOONEEL.

MATAMORIS, IZABELLE, EELAARD, JORIS.

JORIS.
(455) MYn heer.
MATAMORIS.
                          Wat wildge? spreek?
JORIS.
                                                      Een boode vraagd naar u.
MATAMORIS.
Van...
JORIS.
          Van de koningin van Ysland.
MATAMORIS.
                                                        Zie eens nu,
Hoe dat me my vervolgd. ô hemel! wil my geeven
Wat minder schoonheid, en wat meêr geruster leeven!
Door al myn koelheid laat haar eind’lyk worden wys.
EELAARD tegen Izabelle.
(460) Zie, wat versmaad dien Held, om u, een schoone prys.
IZABELLE tegen Eelaard.
Ik twyffel nu niet meêr.
EELAARD tegen Izabelle.
                                    Hy heeft het u voor deezen
Gezegd.
MATAMORIS, de brief geleezen hebbende.
            Dat zy vry bid, zy zal me niet beleezen.
[p. 22]
Gy hebt, ô Izabel! myn hert in uw geweld,
Waarom een mind’re vrouw vergeefs zich zelve kweld.
(465) Sta toe, ô Schoone! dat u een van myn vertrouwden,
Terwyl ’k haar vonnis schryf, een uur mag onderhouden;
Te weeten hy, die, tot het minst’, myn leeven weet,
Die myn’ verwinningen verhaalen zal in ’t breed.
IZABELLE.
Vertoef niet lang: want door uw spoedig wederkoomen
(470) Zal ik bemerken wat ik hoopen moet of schroomen.



ZESDE TOONEEL.

EELAARD, IZABELLE.

EELAARD.
LEt op ’s mans zotheid, die alleenlyk houd een knecht,
Op dat die daagelyks zyn jonker doe berecht,
Van wat hy ergens hoord, of wat hy heeft vernoomen
Van boode of afgezand, die herwaards is gekoomen.
IZABELLE.
(475) Zeer aangenaam is my die boodschap, niet alleen
Verlost ze my van hem, maar laat ons met ons tween.
EELAARD.
’K weêrhouw, door deeze reên verstout, niet meêr myn’ zuchten,
En zal dit gunstige uur gebruiken, met meêr vruchten.
IZABELLE.
Wat wild ge zeggen?
EELAARD.
                                  Dat ik u, helaas! bemin,
(480) En dat tot u alleen myn hert strekt, en myn zin.
Myn leeven....
IZABELLE.
                      Laat toch af zo veel vergeefs te spreeken,
Ik weet het, en geloof ’t, wilt gy noch meerder teeken?
Gy ziet dat my geen kroon, alleen om u, bekoord;
’K veracht zelfs Diederik, en min u, met een woord.
(485) ’T is goed met klagten en met teêrheid te beginnen,
Daar door beweegende om elkand’ren te beminnen,
[p. 23]
Maar,
Eelaard, nu wy reeds gekoomen zyn zo veer
Dat wy beminnen, doet een wenk aan ons veel meêr.
EELAARD.
Wie dacht ooit dat myn min die gunst zou zyn gegeeven,
(490) En myn rampzaalig lot noch zou te boven streeven?
Gebannen uit myn land, door al te een wreeden magt
Myns vaders, geldeloos, en zelfs zo ver gebragt,
Dat ik, door vleijen, een verwaande moet behaagen,
Zyn vreemde zotheid, en uitspoorigheid verdraagen.
(495) Myn ongelukkige en beklaagelyke staat
Heeft dan niets dat aan u mishaagd, of anders raad?
Kan Diederik, in staat en rykdom zo verheven,
U min vernoeging, dan myn trouwe liefde geeven?
IZABELLE.
Zo moet men kiezen; die oprecht en trouw bemind
(500) Geeft zich aan niemand als die zich bemin’lyk vind.
Die met een zot, of met een laelyk mensch durft slaapen,
Zal zich aan zyne staat, en rykdom slechts vergaapen,
En smet lafhertelyk het edele gemoed,
Dat met een schoone ziel te zaame is opgevoed.
(505) ’K weet dat myn vader ons die liefde zal beletten,
En, tot verhind’ring, zich met kracht daar tegen zetten;
Maar, myne min heeft zo veel magt op my, myn heer,
Dat zy niet luisterd naar ’t gebod eens vaders meêr:
Hoewel hy veel vermag, hy zal het hier verliezen,
(510) Hy koos voor hem, en ik wil voor my zelve kiezen.
EELAARD.
Ik ben verbaasd te zien, myn lief, als dat gy aan...
IZABELLE.
Zie daar, die staâg my kweld, sta toe dat ik mag gaan.



ZEVENDE TOONEEL.

DIEDERIK, EELAARD.

DIEDERIK.
GY zyt gelukkig, daar ik niet en doe als zuchten.
De ondankb’re lyd u, en ik zie haar voor myn vlugten.
[p. 24]
(515) Hoe groot een lust dat zy ook in uw byzyn vond,
Zy had my niet gezien, of schuuwde my terstond.
EELAARD.
Al eer dat zy, myn heer, u herwaards aan zag koomen,
Vermoeid van myne reên had ze afscheid al genoomen.
DIEDERIK.
Wat spraakt gy dan dat haar verdroot, en weg deê gaan?
EELAARD.
(520) Wat beuzelingen, die men lichtelyk kan raân;
Myn meesters liefde, maar veel eêr zyn’ zottigheden,
Zyn’ daaden in de lucht, en ’t winnen van veel steden.
DIEDERIK.
Gy, noch uw meester, zyt bekwaam om kwaad vermoên
In my te brengen: maar zo gy me dienst wilt doen,
(525) En deeze dwaasheid niet kund brengen uit zyn’ zinnen,
Zo maak dat hy niet hier maar elders gaat beminnen.
EELAARD.
Wat vreest ge toch voor hem, dat hy u zo verveeld,
Die slegts met moorden, en met roof haar ooren streeld:
Die wurgd, en brand, en breekt, en elk voor hem doet vreezen?
DIEDERIK.
(530) ’K vind u te braaven man om zyne knecht te weezen.
Uw maakzel is niet slaafsch, als men u wel beziet,
En, zonder oogmerk diend gy zo een meester niet,
Doch ’t zy zo; van die uur dat gy hier bent gekoomen,
Heb ik haar daagelyks meêr koel en wreed vernoomen.
(535) Gy diend om reden, of te stout is ’t dat ge u laat
Vervoeren, veel te ver, en buiten uwen staat.
Gy zyt by my verdacht: te hoog gaan uwe zinnen.
Laat dan uw meester zien een ander te beminnen;
Of dat hy, in uw plaats, zich laat bedienen van
(540) Een ander, zo die gek haar niet verlaaten kan.
’T is waar, dat alles met haar vader is beslooten,
En gy, noch Izabel, het weêr om ver kond stooten;
Maar het geschied slechts om myn geest van zorg te onslaan:
En zo ge u zelf bemind, verban u hier van daan.
[p. 25]
(545) Zo ik u weder mogt aan deeze deur ontmoeten,
Ik weet hoe ik het volk van uwe zoort moet groeten.
EELAARD.
Neemt gy me voor een man die u zou konnen schaân?
DIEDERIK.
Zwyg maar, ik bid u, of het zal hier anders gaan.
Gaat: dat ’s genoeg gezegd.
EELAARD.
                                            Die smaad is niet te draagen
(550) Voor een die moed heeft, om u zo van hier te jaagen;
En zo den hemel my niet schiep in staat van heer,
Hy gaf me een hert op ’t hoogst gevoelig van zyn eer:
En ’t geen men my gaf, zou men licht wel weederkrygen.
DIEDERIK.
Gy dreigd me?
EELAARD.
                        Neen, ô neen! voor deez’ tyd zal ik zwygen.
(555) Van ’t geen gy deed, daar plukt gy weinig vruchten van;
Doch ’t is hier niet, daar men dit werk beslissen kan.



ACHTSTE TOONEEL.

DIEDERIK, KATRYN.

DIEDERIK.
DIe stoute beed’laar gaat noch dreigende daar heenen.
KATRYN.
Naar ’t schynt aan uwe reên zou ik u zinn’loos meenen.
DIEDERIK.
Hoe! zinneloos?
KATRYN.
                            Ja, wyl gy minnenydig bent
(560) Van hem, wiens meester voor een zot lang is bekend.
DIEDERIK.
’K weet wie dat Izabelle, en ik zyn, en onz’ maagen,
Maar ik kan evenwel, niet zonder smart, verdraagen
’T genoegen, ’t geenze neemt, wanneer hy haar spreekt aan,
Van hem te hooren, daar zy my gebied te gaan.
[p. 26]
KATRYN.
(565) Dat is ontkennen te gelyk, en schuld bekennen.
DIEDERIK.
Zeg vry dat myne daân zeer onbescheiden bennen,
Maar myne wantrouw, ’t zy die wel of niet behaagd,
Heeft, om gerust te zyn, hem hier van daan gejaagd.
Maar, zeg my eens, in ernst, hoe zyne zaaken leggen?
KATRYN.
(570) ’T is hy, durf ik u zulks wel zonder vreeze zeggen,
Die nu van Izabelle op ’t hoogst word aangebeên.
DIEDERIK.
Is ’t moogelyk! Katryn?
KATRYN.
                                      Hy heeft haar hert alleen.
Men vind geen lieven die meêr hielden van elkander.
Zy zyn van eene zin, en sterven de een om de ander.
DIEDERIK.
(575) Ondankb’re Schoonheid, die ik heb zo teêr bemind.
Ontrouwe! ach, Izabel! hoe zytge zo ontzind,
Dat gy zo armen bloed laat in myn plaatze treeden?
KATRYN.
Die opgeblaaze voerd noch al vry hooger reden.
’K zal u de gantsche zaak vertrouwen, hoor slechts aan.
(580) Hy noemd zich edelman, en ryk.
DIEDERIK.
                                                              Wat stout bestaan?
KATRYN.
Hy zegt dat hy, ontvliênde eens wreede vaders handen,
Zeer lang gedwaald heeft, en gezworven door veel landen,
Tot hy zich eindelyk, ’t zy door gebrek van geld,
Of and’re reden, heeft in deeze dienst gesteld:
(585) Nu heeft hy, in de schyn van voor zyn heer te spreeken,
Zich weeten in de gunst van Izabel te steeken;
En op ’t onnoozel hert gekreegen zo veel magt,
Dat daar door uwe min bespot word en veracht.
Doch spreek haar vader aan, die ’t nimmer zal gehengen,
[p. 27]
(590) Maar op een nieuw haar weêr tot pligt en rede brengen.
DIEDERIK.
Ik koom zo van hem af, daar hy me, met zyn hand,
Zyn dochter heeft beloofd tot lessching van myn brand.
Haast zult gy zien wat dat een vader kan verrichten.
Maar, hoor, Katryn, gy moet my te eenemaal verpligten.
KATRYN.
(595) Van ’t geen my moog’lyk is, zyt daar verzeekerd van.
DIEDERIK.
Kund gy wel maaken dat ik haar verrassen kan?
KATRYN.
O ja! niets lichter, en misschien noch na den eeten.
DIEDERIK.
Vaar wel dan; denk daarom, en laat het my straks weeten.
Neem dit geschenk voor af, en wacht noch meêr van my.
KATRYN.
(600) Maak, dat die minnaar toch ter deeg geslaagen zy.
DIEDERIK.
’K zal zo veel stokken, om uw lust te vreên te stellen,
Doen daalen op zyn rug, dat hyze niet zal tellen.



NEGENDE TOONEEL.

KATRYN, alleen.

HA! die verwaande meend gerust te zyn, en lacht,
Maar hy zal zyn gestraft nu hy my heeft veracht:
(605) Zich waanend’ schoon te zyn, wil hy de meester speelen.
Ik ben te laag voor hem, als dat hy my zou streelen;
Hy zoekt een Jufvrouw, want ik ben hem veel te slecht;
Doch zo ik dienstmaagd ben, wat is hy meêr als knecht?
Indien hy vriend’lyk is, en van een min’lyk weezen,
(610) Op dit myn aangezigt is meê geen smet te leezen;
Hy noemd zich edel, ryk van have, en wel gegoed,
Maar dat is ook ’t geen my op ’t meeste lachchen doet.
Die verre is van zyn land, wat kan hy niet al praaten,
En voor een ridder, of baron zich eeren laaten!
(615) Maar, ’t zy zo: nu zal ik my wreeken, en ik moet
Doen danssen op den stok zyn adel, en zyn goed.



[p. 28]

THIENDE TOONEEL.

WAARMOND, EERRYK.

WAARMOND.
’t HArt klopt u, naar ik merk.
EERRYK.
                                                  Ik vreeze voor haar dreigen.
WAARMOND.
Zy mind hem al te zeer om naar zyn val te neigen.
EERRYK.
Zy word veracht, en zal zich tot het wreeken spoên.
WAARMOND.
(620) Vrees niet; de liefde zal dit wel verand’ren doen.
Maar, wil uw vrees en uw’ verlangen toch wat staaken.
’K zal, door iets geestigs, u een oogenblik vermaaken.
    Gy, vlugge geesten, die door lucht en aarde zweefd,
Vertoond aan ons een dans, dien geen gelyken heeft.

Volgt een dans van twee Scharamouches
met ladders.

Einde van het Tweede Bedryf.
Continue
[p. 29]

DARDE BEDRYF.

EERSTE TOONEEL.

ERNST, IZABELLE.

ERNST.
(625) HOu op van zuchten, en van zo bedroefd te kermen,
Gy kund u tegens my daar meê toch niet beschermen;
Myn hert, hoe zeer gy ’t ook om u bewoogen ziet,
Hoord naar de reden, en acht uwe traanen niet.
’K weet beter, als gy zelf, te leiden uwe minne,
(630) Gy haat slechts Diederik, om dat ik hem bezinne;
Om dat ik u hem tot een bruid, heb toegevoegd,
Is uw hoogmoedigheid, geraakt, en heel misnoegd.
Onbreekt het hem aan hert, aan adeldom, of staaten?
Is ’t weezen, of ’t verstand, dat u hem zo doet haaten?
IZABELLE.
(635) Hy is geheel volmaakt, en doet my te veel eer;
Het geen hy doet om my, erken ik kwaalyk, heer.
Maar zo uw goedheid my zo veel slechts wil vergunnen
Dat ik mag spreeken, ik zal my verschoonen kunnen.
    Een heimelyke trek, ik weet zelfs niet waar van,
(640) Maakt dat ik hem ontzie, doch niet beminnen kan.
De hemel maakt veeltyds de harten van de menschen
Afkeerig van het geen daar wy naar moesten wenschen,
Onzeeker door wat zucht, noch laat ons niet in staat
Te ontfangen, als men keurd ’t geen by ons is gehaat.
(645) Zy weet de zielen hier op ’t aardryk te vereenen,
Die zy, om hoog, te zaam’ geschikt had lang voorheenen.
Een heimelyke drift zy aan onz’ harten geeft;
Men kan niet minnen als zy ’t niet beslooten heeft:
En die zich tegens die voorzienigheid wil zetten,
(650) Is haar een vyand, en verbreeker van de wetten,
Een weederspannige, die zich geeft over aan
De plaagen, die daar door hem te verwachten staan.
[p. 30]
ERNST.
O onbeschaamde! kund ge u zelven zo verweeren?
Wat meester wist u toch die weetenschap te leeren?
(655) Gy weet al veel, ô snoode! ik waarschuw u, verwacht
Geenzins dat ik gebruik myn vaderlyke magt.
Zo u den hemel heeft zo groote een haat gegeeven
Voor hem, die door myn keur, in echt met u zou leeven,
Neigt gy uw hart dan tot dien grooten oorlogsman?
(660) En is ’t die rodomont die u behaagen kan?
Zal die verwaande zot myn huisgezin vermeêren?
IZABELLE.
Denk niet, myn vader, dat ik my zo zal verneêren.
ERNST.
Wat voor een uitvlugt heeft uw tegenstreeven dan?
IZABELLE.
Myn rust, en myn geluk, die ’k niet verraaden kan.
(665) Dit huuwelyk, dat gy noch wilt gelukkig noemen,
Was slechts voor my een hel, daar gy me in zoud verdoemen.
ERNST.
Wat zyn ’er veele, en van meêr schoonte als gy misschien,
Die in zo zoeten hel zich gaeren zouden zien.
Wild gy die kennen? kom hier in het ronde eens kyken.
(670) Maar eind’lyk, ’k wil het zo, en gy moet voor my wyken.
IZABELLE.
Neem toch een and’re proef van myn gehoorzaamheid.
ERNST.
’K heb u myn wil verklaard; wat diend ’er meêr gezeid?
Het is te lang getwist; gy kond naar binnen treeden.



TWEEDE TOONEEL.

ERNST alleen.

WAt heeft de dwaaze jeugd al buitenspoorigheden?
(675) Het volgen van haar pligt is tieranny by haar;
Ja, zelfs gehoorzaamheid, die eertyds heilig waar,
Kan heden niet bestaan, maar gaat geheel verlooren
[p. 31]
Door zulk een fierheid, die haar is als aangebooren.
Dus zyn de zinnen van een vrouw; in al het geen
(680) Een man haar raaden mag; zy volgd haar hoofd alleen,
Verwerpt het juk, en wil naar onze raad niet leeven,
Volgd haare zinlykheid, en mind het tegenstreeven.
Denk evenwel niet, gy verblinde, ô neen! dat al
Die wederspannigheid my tegen houden zal....
(685) Maar, zal dan deeze gek my altyd koomen plaagen?
’K zal door geweld of list hem hier van daan doen jaagen.



DARDE TOONEEL.

ERNST, MATAMORIS, EELAARD.

MATAMORIS, tegen Eelaard.
O goon! heeft niemand dan meêdoogen met uw heer!
De groote Turk op nieuw bid my om myn geweer,
De Tartar houd niet op van om myn hulp te vraagen;
(690) ’K zie my van Kalikoet en Narsing alle daagen
Aanporren. help ik de een, ’k weet voor de rest geen raad.
EELAARD.
Myns oordeels is het best dat gy haar vechten laat.
Want kwaalyk zult gy uit dien doolhof konnen raaken,
In een te helpen zult gy drie tot vyand maaken.
MATAMORIS.
(695) Gy spreekt zeer wel; het is genoeg; ’k laat me overreên;
Ik wil geen jaloezy, dan in de min alleen.
    Vergeef het my, myn heer, zo ik, in dit ontmoeten,
U, die ’k voorwaar niet zach, ten eersten niet kwam groeten.
Maar, wat verand’ring zie ik in uw aanzicht, heer?
(700) Waar zyn uw vyanden? ’k zal onder hen, ik zweer,
Een wreede en bloedige vleeshouwery aanrechten.
ERNST.
Ik dank den hemel, ’k heb geen vyand te bevechten.
MATAMORIS.
Dank vry myn arm, die hen van u heeft afgewend.
ERNST.
Dat is een dienst by my tot noch toe onbekend.
[p. 32]
MATAMORIS.
(705) Zo ras als myne gunst tot u zich kwam verklaaren,
Zyn zy van schrik gevloôn, en na de hel gevaaren.
ERNST.
Maar, gy moet elders u doen vreezen: ja, myn heer;
Uw arm, zo zeer ontzien, heeft hier te weinige eer,
Gy moest, terwyl Europe en Azie zo bloedig
(710) Oorlogen, hier niet stil verblyven; maar u moedig
Vertoonen, en, gereed den vyand ’t hoofd te biên,
In ’t Staaten leeger, of u elders doen ontzien.
Dat is ’t rechte middel om een eernaam te verwerven,
Of, in het harnas, op het bed van eer te sterven.
(715) ’t Is waar, dat gy by elk hier voor een bloodaard gaat,
Voor een straatslyper, en geenzins voor een soldaat.
MATAMORIS.
Gantsch kracht, gy hebt gelyk: wat ben ik in verlangen...
Maar hoe kan ik daar gaan; ik ben hier een gevangen.
Uw dochter houd my, en haar oog, zo vol van min,
(720) Bind my myne armen vast; ik ben geslooten in....
ERNST.
Zo niemand meêr, als zy, u hier kan wederhouwen,
Zo pak uw prullen op; zy zal een ander trouwen.
Zy is voor u niet; neen, stel haar vry uit uw zin.
MATAMORIS.
Wat drommel, zegt gy? ’k zal haar maaken koningin.
ERNST.
(725) Het is myn inborst niet zo menighmaal te lachchen,
Om al uw zot verhaal, en uw hoogmoedig pracchen;
De zotheid walgd wanneer men staâg het zelfde hoord.
Maak vry een and’re koningin; en pak u voort,
Zo gy hier wederom haar komt het hoofd te breeken....
MATAMORIS.
(730) Die kaerel word heel dol; hoe, my zo aan te spreeken?
Weet gy wel, armen bloed, dat myn gevreesde naam
Den Turk brengt op de vlugt, en alle duivels zaam’?
Dat ik den Franschman, hoe hem yder ook mag vreezen,
Kan brengen op de loop, als ik verstoord wil weezen,
[p. 33]
(735) En hem doen kruipen, als een rekel, in zyn kot?
ERNST.
Myn heer, ’k heb dienaars, die aanstonds, op myn gebod,
Met stok en knuppel, al dat zwetzen van uw strijen
Antwoorden zullen, spyt al uwe opsnijerijen.
MATAMORIS tegen Eelaard.
Zeg hem wat ik al deede op duizend plaatzen, zal...
ERNST, weggaande.
(740) Vaar wel, bedaar u, en geneeze u van dit mal:
Gy zoud, al ben ik noch misschien een van uw’ vrinden,
Zomtyds myn bloed wat heet, en ’t volk gehoorzaam vinden.



VIERDE TOONEEL.

MATAMORIS, EELAARD.

MATAMORIS.
ONtzach van myn meestresse, ô felle slaaverny!
Tieran van myne moed, waar toe vervoerdge my?
(745) Waarom en had ik niet, in plaatze van een vader,
Veel medevrijers, op dat ik hen allegader
Had opgeofferd aan myn gramschap, en myn spyt?
O oude gryzaard! die een rechten duivel zyt!
Afbeeldzel der verdoemde! ô vent van alle venten!
(750) Gy band my hier van daan met felle dreigementen?
My....
EELAARD.
            Hy is uitgegaan; ga, met een zachte stem,
Ondekken haar uw liefde; en lachchen wy met hem.
MATAMORIS.
Maar, seldrement! die knechts, die mogten iets beginnen.
EELAARD.
Uw scherpe degen houd die guiten wel daar binnen.
MATAMORIS.
(755) Ja, maar raakt hy eens uit, zyn vuur zou, deeze reis
In eenen ogenblik, het huis als een forneis
Doen branden, en tot asch verteeren gooten, traaljen,
[p. 34*]
Dakbalken, gevel, post, en pannen, of de schaaljen,
De spykers, yzer, loot, kalk, tichchels, marmer, glas,
(760) ’t Zal vloeijen langs de straat, gelyk gesmolten wasch.
Voorts kamers, keukens, gang, de trappen, boven zaalen,
En zolders, kabinet, de deuren en portaalen,
Het voorhuis en de stoep, de kelder en het slot,
De latten, all’ het hout hoe gaaf, of hoe verrot.
    (765) Zou Izabel dit niet doen schrikken? wil gelooven,
Dat vuur zou al de vlam van haare liefde, dooven.
Gy, die niet moedig zyt, spreek haar voor my: ga slechts,
Voor ’t minste straft uwe arm, licht wat brooddronke knechts.
EELAARD.
Dat was te veel gewaagd, en in myn dood geloopen.
MATAMORIS.
(770) Vaar wel: ik ga van hier; want zie, de deur gaat open.
Ik vrees dat dit gespuis, geen achtslaande op myn staat,
’T ontzach mogt breeken, my aanranden op de straat.



VYFDE TOONEEL.

EELAARD alleen.

OM weg te jaagen, zulk een koning van de blooden,
Is maar een blad, een wind, een schaduwe van nooden:
(775) Een oud man dreigd hem, ja een vrouw strekt hem tot schrik.
Hy vreest stokslagen, en beefd yder oogenblik.



ZESDE TOONEEL.

EELAARD, KATRYN.

EELAARD.
KAtryn, uw byzyn moet wel zeer gevaarlyk weezen;
Door uwe komst brengt gy dit moedig hart in vreezen;
De bloem der helden, die zelf overwonnen heeft
(780) De grootste prinsen en prinsessen voor u beefd.
KATRYN.
Dan is myn aangezicht, zo ’k speur uit uwe reden,
Zeer ongelukkig met al haar bekoorlykheden,
[p. 35]
Eens anders weezen wel van ver behaagen kan,
En ’t myne, van naarby gezien, daar schrikt men van.
EELAARD.
(785) Zo ’t zotten schrikken doet, ’t behaagd weêr aan de wyzen.
’K vind weinig schoonheên, die men met dat recht mag pryzen,
Hy heeft geen ongelyk die in uw liefde blaakt,
’K heb nimmermeer gezien een voorwerp zo volmaakt.
De geest zo schoon als ’t lyf, door vrolykheid gedreeven,
(790) Twee flonk’rende oogen, die u zo veel voordeel geeven,
Een leevendige verf, een opzicht dwars noch schuuw:
Het was een gek die niet verlieven zou op u.
KATRYN.
Ei lieve! zinds wanneer kon ik u toch behaagen?
Zie toe; ik ben Katryn, die yder kan verjaagen,
(795) Geen Izabel, die gy zo hertelyk bemind.
EELAARD.
Gy beide word van my ten uitersten bezind.
’K aanbid haar rykdom, en uw schoonheid, nooit volpreezen.
KATRYN.
Twee is te veel, een vrouw hoord u genoeg te weezen.
En myn volmaaktheid wykt voor haar verheeven staat.
EELAARD.
(800) Wat moeite dat ik doe om haar, meent ge in der daad,
Dat ik haar meerder achte als u, en meêr zou minnen?
De liefde en trouw zyn van geen eenderhande zinnen;
Oprechte liefde voor de schoonste in minne blaakt,
De trouw naar iemand met groot geld en rykdom haakt.
(805) Gy hebt geen goed, en ik ben arm, hoe kan dat voegen?
Een kaale kan zich met die niets heeft, niet vernoegen.
In spyt van ’t zoet, ’t geen ge in de liefde plukken meugt,
Twee armen, zaâm getrouwd, die maaken korte vreugd.
’K bemin dan elders om myn ramspoed te overwinnen,
(810) Maar ik kan u niet zien, of ’k voel myn hart hier binnen
Onstellen, en dat zich myn geest bedroeven moet,
Om ’t ongelyk het geen het geld myn liefde aan doed.
Uwe allerminste lonk verwind myn hert en zinnen,
[p.36]
Wat minde ik u, zo ik niet doen moest als beminnen.
(815) Wat waart gy me aangenaam, zo ’k maar behaagen most.
KATRYN.
Wat had gy groot verstand, zo gy maar zwygen kost,
Of beet’re tyd verkoos, als met arglistigheden
Te toonen zo veel min, doormengt met zo veel reden.
Wat is zo wyze een liefde een groote schat voor my,
(820) Die zich niet onderwerpt als maar uit meedely,
En die zyn wenschen stierd alleenlyk naar de ryken,
Om onder arremoed my niet te doen bezwyken.
’K vergeet nooit zulk een min, verzeld met aartigheên.
Volhard slechts in haar te bezoeken; ga maar heen.
EELAARD.
(825) Indien ik mogt, ’k zou my met u gelukkig achten.
KATRYN.
Ga, myn meestresse is nu alleen; zy zal u wachten.
EELAARD.
Gy jaagd my dan zo weg?
KATRYN.
                                        Neen; maar ik zende u, daar
Gy langer vreugd als hier zult hebben; dat ’s by haar.
EELAARD.
Zelfs die versmaading staat u wel, die ik moet lyden.
KATRYN.
(830) Maar, wat verspild ge al tyd! uw yver moest dit myden.
Ga heen.
EELAARD.
              Gedenk toch, dat zo ik een ander min...
KATRYN.
Zulks maar uit vrees geschied, om dat gy my niet in
Uw armoê sleepen wild: dit deed ge my straks weeten,
En ’k hebt u reeds gezegt, nooit zal ik het vergeeten.
EELAARD.
(835) Vaarwel: dit boerten heeft my zelfs behaagd; zo zeer,
Dat gy, daar door, my doet verlieven, meêr en meêr.
Hoe langer ik u zie hoe ik u meerder achte,
Licht minde ik u te veel, indien ik langer wachte.



[p. 37]

ZEVENDE TOONEEL.

KATRYN.

DE ondankb’re ziet in ’t eind aan my bevalligheên,
(840) En maakt den vryer, om zyn tydverdryf alleen;
Hy mindme uit spotterny, en doet my slechts verstrekken
Een momtuig, om daar meê zyn vrijery te dekken;
Rond uit bekennende dat hy verbreekt zyn trouw,
Zweert hy dat hy me mind, doch niet begeerd tot vrouw.
(845) Min overal, ontrouwe, en wil uw hart verdeelen,
Keur wien gy wild tot vrouw, het zal me niet verscheelen,
Geef u vry over aan uw geldzucht: maar ik zweer
Dat gy, noch Izabel, noch my, voortaan niet meêr
Bedriegen zult; ze is ook meêr waard als haar te minnen
(850) Uit inzicht om veel geld door haare trouw te winnen.
’K ben zelf meêr waardig als te neemen zulk een man.
Ik loeg zo wel als gy; maar zeeker ’t was niet, dan
Om u van myne spyt het minst te laaten blyken.
Wat deed ge toch als maar u zelf verongelyken?
(855) Die zyne haat bedekt is meester van de wraak.
Myn veinzend zoet hielp slechts ’t beleggen myner zaak,
En ’t zetten van een strik, waar in gy, onder ’t mallen,
Als gy daar minst op peinst, gevaarlyk in zult vallen.
    Maar wat heeft hy gedaan, het geen hem schuldig maakt?
(860) Verdiend dan iemand straf die na zyn meerder haakt?
Hy mindme; ’t geld alleen kan deeze min verkloeken.
Wie zou, in deeze onze eeuw, niet een en ’t zelfde zoeken?
Vergeeten wy den hoon die zo veel smerts my baard,
Laat hem genieten het geluk, ’t geen hy is waard;
(865) Zo hy me mind, hy straft zich met dit wederstreeven;
En zo ik hem bemin, ik moet het hem vergeeven.
    Waar heen is ’t dat ge, ô min! my in myn onrust leid?
Zou ik vergeeten zulk een groote ondankbaarheid?
Hoe toond ge u nu dus zwak, ô drift! om my te wreeken?
(870) Of wild gy dat ik zo rechtvaarde wraak laat steeken?
Hy is het die my mind en voor myn oog veracht:
[p. 38]
Ik min hem, en ik ben alleen dien hy belacht.
    Zwyg, liefde, zwyg! laat u zyn strafheid niet berouwen.
Ik heb het toegestaan, en dien myn woord te houwen.
(875) Gewaande hoop, die my meer in myn’ smerten laat,
Wyk, met uw zoetigheid, dan eind’lyk voor myn haat.
’T is tyd dat ze, op haar beurt, eens in myn hart regeere,
En myn gehoonde min haar mogendheid ontbeere.



ACHTSTE TOONEEL.

MATAMORIS alleen.

DAar zyn ze, vlugten wy. ’k zie niemand niet: ô neen!
(880) Treên wy stoutmoedig toe. hoe trillen al myn leên.
Ik hoor ze; loopen wy. neen! ’t was de wind die huilde.
’T waar best dat ik my, in het donker, hier verschuilde.
O oude rochelaar! ’k verwacht op deeze bank
Myn zoete koningin, zelfs tegen uwen dank.
                    Hy zet zich in de stoep neder, en luisterd,
                            doch staat schielyk weder op.

(885) Die drommels! ô die knechts doen my geduurig vreezen,
In meêr als duizend jaar kon ik zo bang niet weezen.
        Hy gaat weder zitten, en staat aanstonds weder op.
’T is my te veel gewaagd. zy komen, ik ben dood.
Want ’k sturf veel eer als dat ik hem verweering bood.
Ik zou, met al dat ruigt’, deeze arm maar onheil baaren.
(890) Hoe geeft myn moedigheid zich over aan gevaaren!
Zo loopen wint, is hun verwachting niemendal,
Van hen ben ik gewis de radste, in dit geval.
En is myn degen goed, myn’ voeten zyn het mede.
Ik zieze waarlyk, ’t is gedaan. ik sterf alrede.
(895) Ik kan niet loopen, al myn’ leden zyn als ys,
Myn beenen beeven, en de doodschrik maakt me grys.
Hoe kondge, ô noodlot! toch myn moed zo tegen weezen?
Ha! ha! ’t is Henrik met myn lief; ’k verlaat het vreezen.
Het hart ontdooid me weêr, ik luister hier met vlyt,
(900) Hoe gaauw en konstig dat hy by haar voor my vryd.



[p. 39]

NEGENDE TOONEEL.

EELAARD, IZABELLE, MATAMORIS, ter zyden.

IZABELLE.
IK kan, van vaders kant, u geen vernoeging geeven,
Ik zag hem nimmer zo gestoord van al myn leeven.
Hy wil uw meester noch u zelf hier nooit meêr zien.
Zelfs Diedriks byzyn moet ge, en zyne haat, ontvliên.
(905) Want daarom is het dat ik u beneên deê koomen,
Hier onderhouwen we elkand’ren zonder schroomen,
In myne kamer kon me ons licht verrassen: gy
Kond u hier bergen of aan de een of de and’re zy,
En zo ’er iemand komt, de deur staat voor my open.
MATAMORIS.
(910) ,,’k Wed ik, in dat geval, de eerste waar in ’t loopen.
EELAARD.
Gy zorgd voor my te veel, tot hoeding van myn val.
IZABELLE.
’K doe noch te weinig, zo ik my volkomen zal
Verzeek’ren van een goed, daar ik zo zeer naar trachte,
En zonder dat, ik zelf ’t geluk een onluk achte;
(915) Een goed my meerder als de gantsche waereld waard,
Voor wien ik eindelyk alleen betreê deeze aard.
Vergeefsch wil Diederik my door myn vader winnen,
Uw liefde alleen heeft recht te heerschen in myn’ zinnen.
Ik word van hen vervolgd met veele moeilykheên,
(920) Maar hunne dwinglandy behaagt me om u alleen:
Ja, ’k zou omhelzen zelfs de allerwreedste plaagen,
Zo myn stantvastigheid om u die mogt verdraagen.
EELAARD.
Gy maakt my heel onsteld. wat dankbaarheid betoon
Ik die standvastigheid? wat geef ik haar tot loon?
(925) Al dat ik u weêrom kan geeven is myn leeven;
’K noem my gelukkig zo ik in uw dienst mag sneeven.
Doch, zo ik eind’lyk eens myn kwaad gesternt verwon,
En dat ik onbeschroomd by vader koomen kon,
[p. 40]
Dan zoud ge zien dat gy uw keur niet hebt beneden
(930) Uw staat gezet, en gy niet minde zonder reden;
Dat ik zelf Diederik niet wyken zal in staat,
En dat ik nooit verdiende uw’s vaders bitt’ren haat:
Maar, onder al dit zoet, brengt my myn vrees te binnen,
Dat zy, door haar geweld, eens mogten u verwinnen.
IZABELLE.
(935) Wees niet bekommerd, maar geloof, in dat geval,
Dat de een en de ander niets op my kan winnen: ’k zal
U nu niet zeggen wat by my is voorgenoomen;
Ik heb, op myn gemoed, volkoome magt bekoomen:
Al ’t geen zy voor slaan is maar wind, na dit besluit.
(940) Hier door...
MATAMORIS.
                            ,,Ik kan niet meêr: ’t is tyd dat ik my uit.
IZABELLE.
Ach! men beluisterd ons.
EELAARD.
                                        Wil u daarom niet kwellen,
’T is onze Kapitein, ’k zal hem te vreeden stellen.



THIENDE TOONEEL.

MATAMORIS, EELAARD.

MATAMORIS.
VErraader!
EELAARD.
                    Spreek wat zacht; die knechts...
MATAMORIS.
                                                                        Wat zouden zy?
EELAARD.
Hen werpen, op dit uur, zo wel op u als my.
MATAMORIS, trekkende Eelaard ter zyden.
(945) Hoor hier: beken uw schuld. in plaats van haar te spreeken
Voor my, kwaamt gy, voor u, haar om ’er weêrmin smeeken?
EELAARD.
’K deede alles, om ’t bezit van haare aanloklykheên.
[p. 41]
MATAMORIS.
’K geef u van drie vier zoort van doôn te kiezen een:
Ik zal u, met myn vuist, als glas, aan stukken breeken,
(950) Of leevendig u in het diepst’ der aarde steeken,
Of u doen sterven door de schrik van myn gezicht,
Of werpen u zo hoog, ja hooger als het licht,
Dat gy verbrand zult zyn eer gy om laag zult raaken.
Verkies dan daadelyk, en denk op uwe zaaken.
EELAARD.
(955) Verkies gy zelve.
MATAMORIS.
                                    Wat verkiest ge van de vier?
EELAARD.
Dat, eer gy slaagen krygt, gy beter gingt van hier.
MATAMORIS.
My noch te dreigen, schelm? wat grooter stoutigheden!
In plaatz’ dat ge, op uw knien, zoud hebben my verbeeden.
De knechten koomen! als hy spreekt dan zyn ze reê.
(960) ’K zal u te zaamen doen inslikken door de zee.
EELAARD.
Zoek toch uw kerkhof niet zo ver; vrees ook myn’ tooren;
Ik zal u daadelyk in deeze gracht versmooren.
MATAMORIS.
,,Ach! zy verstaan malkaâr.
EELAARD.
                                            Zwyg, zeg ik, deeze nacht
Heb ik, gelykelyk, thien menschen omgebragt,
(965) En, zo ge my verstoord, gy zult dit tal vermeêren.
MATAMORIS.
Van dat hy by me kwam, wat was hy gaauw in ’t leeren.
O die straatschender heeft, ’k merk recht zyn konst van pas,
Te nacht de baas gespeeld als of ik ’t zelve was!
Dat hy wat aenzien had, hy deede elk voor hem vreezen.
(970) Hoor toe dan; ik ben goed, en ’t zou groot jammer weezen
Dat ik de waereld zou berooven van een man
Van zulk een moed: kom hier, bid me om vergifnis dan.
Bedwing uw minnevuur, laat af om onrechtvaardig
[p. 42]
Te ontheil’gen ’t voorwerp, my en myne liefde waardig:
(975) Kies myn zachtmoedigheid, dewyl gy kend myn moed.
EELAARD.
Laat ons, indien de min zo fel onsteekt uw bloed,
Veel eer, met ons rapier, gedekt van deeze linde,
Drie viermaal steeken, in de naam van ons beminde.
MATAMORIS.
Door uw kloekmoedigheid veranderd gy me zeer.
(980) Ga, om haar wedermin, gebruik geen konsten meêr,
Tot loon van uwe deugd wil ik ze u liever schenken,
Klaag dat ge een meester hebt die u niet kan bedenken.
EELAARD.
’K voel dat door deeze gaaf, my ’t harte slaat van vreugd,
O moedige oorlogsman! zo groot van hart als deugd,
(985) O gy beschermer! van die u om bystand vraagen,
Dat heel de waereld van uw’ daaden mag gewaagen.



ELFDE TOONEEL.

IZABELLE, MATAMORIS, EELAARD.

IZABELLE.
IK dank den hemel, en ben op het hoogst’ verblyd,
Dat, zonder stoot of slag, gy goede vrienden zyt.
MATAMORIS.
Denk, myn prinses, niet meêr om de eer van my te trouwen,
(990) Voor deez’ tyd kan ik u geen woord, om reden, houwen,
Maar, met myn hand, wil ik u geeven aan deez’ man;
Bemin hem vry, die zo veel daân verrichten kan,
En, onder myn gebied, veel vorsten heeft verslaagen.
IZABELLE.
’K bemin hem dan, alleen om u niet te mishaagen.
EELAARD.
(995) Maar, ’t is heel nut dat onze min verborgen zy.
MATAMORIS.
’K beloof u ’t zwygen; en bescherming daar noch by.
Maak op my staat in wat gewest gy ook moogt weezen;
Ik doe my op de zee, en op het aardryk vreezen.
[p. 43]
Ga, leef te zaame in vreê, dat is ’t geen ik begeer.
IZABELLE.
(1000) ’K geef hem myn trouw om u te zyn gehoorzaam, heer.
EELAARD.
Gebiê dat haare trouw gevolgd zy daar beneven...



TWAALFDE TOONEEL.

ERNST, DIEDERIK, MATAMORIS, EELAARD, IZABELLE, KATRYN, en Huisgenooten van Ernst.

DIEDERIK.
ZA! die verwaande reên, verleider, kost u ’t leeven.
MATAMORIS.
’K vrees hier voor slaagen. och! hoe raak ik hen uit ’t oog?
De deur is open: laat ons vlugten naar om hoog.
                        Matamoris gaat in het huis van Izabelle, na
                                dat zy en Katryn daar zyn in gegaan.

EELAARD.
(1005) Schoon gy my komt met zulk een meenigte overvallen,
’K zal u wel vinden in het midden van hen allen.
                                    Eelaard doorsteekt Diederik.
ERNST.
O hemel! Diedrik is gekwetst: wat zwaar verdriet.
Dat toch den moorder ’t niet ontvlugt, verlaat hem niet.
EELAARD.
Helaas! zy zyn te veel; de krachten my begeeven.
(1010) Vaar wel, myn Izabel, misschien voor al myn leeven.
ERNST.
Breng ’t lichchaam in myn huis, hy is al dood, gewis,
Gy, sleept den moorder straks naar zyn gevangenis.



DARTHIENDE TOONEEL.

WAARMOND, EERRYK.

EERRYK.
HElaas! myn zoon is dood.
[p. 44]
WAARMOND.
                                              Myn heer, wil toch niet vreezen.
EERRYK.
Laat hem niet zonder troost, of uwe bystand, weezen.
WAARMOND.
(1015) Vertoef; want in het kort, en zonder hulp te biên,
Zult gy, in zyne min, hem heel gelukkig zien.
Zy zelf, die de oorzaak was van zyn verdriet en lyden,
Zal hem eerlang van zyn gedreigde dood bevryden.
’K vertrek een weinig; om te meêr myn werk te spoên,
(1020) Zo heb ik, buiten uw gezicht, noch iets te doen;
Gy zult, eer dat gy denkt, ’t eind van uw hoop genieten;
En op dat u hier niet het wachten zou verdrieten,
Zo zult gy straks uw oog en ooren zien gestreeld,
En ’t lot van uwe zoon al danssende afgebeeld.
Terwyl Waarmond vertrekt, verschynen eenige
wachters en Huisgenooten van Ernst, die
zaamen een Ballet maaken.


Einde van het Darde Bedryf.

Continue
[p. 45]

VIERDE BEDRYF.

EERSTE TOONEEL.

IZABELLE alleen.

(1025) ’T Noodlottig uur genaakt; een onrechtvaardig oordeel
Zal morgen, door zyn magt, gesterkt met zo veel voordeel,
Opoff’ren Eelaard, ach! wie heeft zulks ooit gehoord,
Aan die geen die hem zelf bykans hier had vermoord?
En doen een wraak in plaats van billykheid en reden.
(1030) Door een te wreed besluit vol ongerechtigheden.
Myn vaders felle haat op morgen triomfeerd.
De gunsten van het land, en Diedrik, hier geëerd,
Myn ongeluk, en ’t lot, zo wreed in u te kwellen,
Zyn zo veel vyanden die tegens u zich stellen:
(1035) Wat steunzel hebt gy toch; wat is ’t dat voor u pleit,
Myn Eelaard? wat kond gy met uw onnozelheid?
O arme, en onbekende! uw misdaad is gereezen
Alleen uit uwe min, en door volmaakt te weezen.
Uw eed’le deugden, en uw wettig vuur, ’k beken
(1040) Verdienende myn min, uw misdaad maakten; en
Een minnenydige heeft daarom voorgenoomen
Het schelmstuk, dat hem zelf rechtvaardig om deê koomen.
Doch, ’t was veel beter, als uw moed getoond zo fier,
Dat gy uw boezem had geboôn aan zyn rapier,
(1045) Wyl, in de plaats van straf voor die uw bloed wou plengen,
Het geen haar heeft gemist, de wetten nu volbrengen;
Gy zoud wel zyn gedood, doch zonder schande, of smaad,
Daar deeze dood u niet als oneer achterlaat.
Wat helpt me nu dat ik u had tot man verkooren,
(1050) Terwyl die schoone keur en liefde gaat verlooren?
Die liefde is oorzaak van de straf die gy verwacht;
Die zelfde liefde heeft tot wanhoop my gebragt.
’T is immers ydel dat men my naar u laat leeven;
Nu ik myn min verlies begeer ik meê te sneeven.
[p. 46]
(1055) Wanneer men u verwyst, ik geef my mede bloot,
’K wil sterven nevens u, als de oorzaak van uw dood.
Twee dooden zullen ook haar wraakzucht meêr vernoegen,
En ons, is ’t niet op de aard, beneeden zaamenvoegen.
O vader! die zo wreed, en onbeweeglyk bent,
(1060) Zie van standvaste min dan het gelukkig end;
En zo myn dood de weg tot droefheid u kan baanen,
’K zal, met myn bruidegom, belachchen uwe traanen.
En hoe meêr hertzeer in uw boezem ’t wroegen baard,
Hoe meêr die smert my zal behaaglyk zyn, en waard:
(1065) En is dit niet genoeg om uw gemoed te plaagen?
Myn schim zal daagelyks u schrik en angst aanjaagen,
U altyd blyven by in naare duisterheid,
En, op het yslykst zich vertoonen daar gy schreid;
U volgen overal, en, met vervaarlyk kryten,
(1070) U, de rampzaal’ge dood van Izabel verwyten:
In ’t eind....



TWEEDE TOONEEL.

IZABELLE, KATRYN.

KATRYN.
                    HOe! yder slaapt, en gy zwerfd hier alleen?
Ik zweer het u, myn heer is heel niet wel te vreên.
IZABELLE.
Alwaar geen hoop meer is, behoeft men niet te vreezen.
Ik vind een zoetigheid in dus alleen te weezen.
(1075) Hier zag ik Eelaard noch! hier hoorden ik zyn stem,
Doch voor het allerlaatste: en deeze plaats brengt hem
Volmaakter als het huis, Katryn, in myn’ gedachten,
Hier stort myn droeve ziel veel beter uit zyn’ klagten.
KATRYN.
Gy helpt tot meerd’ring van uw smert, daar zelve toe.
IZABELLE.
(1080) Wat wilt gy dat ik in deez’ droeve staat dan doe?
[p. 47]
KATRYN.
Van twee meêvrijers, zo volmaakt, heeft de eene ’t leeven
Verlooren, morgen zal ook de and’re moeten sneeven.
Verspil dan geene tyd; dit klaagen diend gespaard;
Zoek liever een die meêr als deeze beide, is waard.
IZABELLE.
(1085) Met welk gelaat sard gy een die begeerd te sterven?
KATRYN.
Wat vrucht kund gy van u vergeefsche pyn verwerven?
Meend gy, bedervende al uw schoonheid, door de rouw,
Uw minnaar van de dood te hoeden? neen, mevrouw.
Denk op een ander, laat uw zorg en hartzeer vaaren.
(1090) Ik weet een vrijer, die wel graag met u zou paaren,
Die geen gelyken heeft.
IZABELLE.
                                      Van hier; laat my alleen.
KATRYN.
Gy deed nooit beter keur als deeze minnaar, neen.
IZABELLE.
Wild gy myn droefheid, door uw byzyn, langer tergen?
KATRYN.
Moet ik myn blydschap voor uw’ ogen dan verbergen?
IZABELLE.
(1095) Van waar komt deeze vreugd, zo buiten tyds van daan?
KATRYN.
Indien gy hooren wild, ik zal ’t u dienen aan.
IZABELLE.
Neen! zeg my niets.
KATRYN.
                                  Het raakt u zelf.
IZABELLE.
                                                            Wat kan ’t my scheelen!
Spreek my van Eelaard, al het ander zal verveelen.
KATRYN.
Myn vrolyke inborst, die zelfs in de droefheid lacht,
(1100) Heeft, in een uur, meêr als al uw geween volbragt.
’K heb Eelaard vry gemaakt.
[p. 48]
IZABELLE.
                                    Is ’t mooglyk! kan het weezen?
KATRYN.
Hoe zeer ik u bemin, is uit myn doen te leezen.
IZABELLE.
Waar vind ik Eelaard, op wat plaatze? zeg my, kon...
KATRYN.
’T volvoeren staat aan u, want ik het maar begon.
IZABELLE.
(1105) Katryn, ach!
KATRYN.
                                Zoud ge, om hem te volgen, u begeeven?
IZABELLE.
Of ik hem volgen zou, om wien ’k alleen wil leeven!
Wat vraag? indien uw geest niet hinderd zyne straf,
Ik zal hem volgen zelfs tot in het naare graf,
En gy, gy vraagd noch of ik hem zou konnen volgen!
KATRYN.
(1110) Dewyl de min, hoe zeer hy op u schynt verbolgen,
U tot deeze aanslag, die zo schoon is, heeft gebragt,
Hoor wat ik heb gedaan, en help met al uw magt.
En zo uw Eelaard niet verlost word, ’k durf u zeggen,
De schuld is niemand als alleen u toe te leggen.
(1115) ’T gevangenhuis is hier omtrent.
IZABELLE.
                                                                Wel?
KATRYN.
                                                                        Hier door is ’t
Dat de bewaarder van dit huis zyn vryheid mist:
Want die my maar beziet, die moet terstond beminnen.
Hy zag me, en minde my met al zyn’ hart en zinnen.
IZABELLE.
’K heb nooit daar af gehoord.
KATRYN.
                                                Ik schaamden ’t my, en docht
(1120) Van vrees te sterven zo gy dit eens hooren mogt:
Maar zederd Eelaard by die vrijer zat gevangen,
[p. 49]
Zo heb ik zyn bezoek met meerder gunst ontfangen;
Met vroolyke oogen, voorts met alle zoetigheid
Heb ik, zyn liefde en hoop, ten uitersten gevleid.
(1125) Wanneer men mind, en zonder schroomen derft gelooven
Weêrom bemind te zyn, wat komt men niet te boven?
Men doed voor zyn beminde ook alles wat men kan.
En hier door, is ’t alleen dat ik meestres ben, van
Zyn hart. maar ’k heb daar na, toen hy niets had te vreezen,
(1130) En zich verzeekerde van my bemind te weezen,
Het trouwen uitgesteld, en ’t op zyn staat gelegt,
Te sober, en daarom verwerp’lyk en te slecht:
Maar ’k zei; de sleutels van ’t gevangenhuis, die waaren
Het rechte middel om veel schatten te vergaâren.
(1135) Ik zei dat hy bewaarde een heer van hoogen staat,
Die hy verbergende, zich Henrik noemen laat,
Dat hy die moet onslaan, en volgen, zonder vreezen,
Dat hy ons goed zal doen, en ons tot steunzel weezen.
Hy stond verbaasd: ’k hou aan, doch zonder dat ik win.
(1140) Hy spreekt my aan van liefde, ik weiger wedermin.
’K verlaat hem gansch verstoord, hy volgt te meêr verleegen,
Onschuldigd zich op nieuw, op nieuw spreek ik hem tegen.
IZABELLE.
In ’t einde?
KATRYN.
                  Ik keer weêrom, en zie hem droef van geest;
Ik spreek hem aan, die noch op ’t hoogste staat bedeest;
(1145) Deez’ morgen moeten wy, wil voor ’t gevaar vry beeven,
O Jodelet! ons op de vlugt van hier begeeven.
Tot zulk een reis, zegt hy my weêr, is geld van doen,
Men kan zich zonder dat niet in het reizen spoên.
Deeze edelman is arm.
IZABELLE.
                                    Voldoe toch zyn begeeren,
(1150) Geef hem myn paerlen, en gesteenten, ringen, kleêren,
En alles wat ik heb.
[p. 50]
KATRYN.
                                Ik heb noch meêr gedaan.
’K zei dat uw schoonheid den gevangen had gevaân.
Dat gy hem weder minde, en met ons heen woud vlugten.
Dit stelde hem te vreên, en hy hield op van duchten.
(1155) Toen merkte ik zonneklaar, dat minnenyd alleen
Op Eelaard, wederstond in ’t eerst al myne reên;
En de uitvlugt sproot daar uit dat hy niet kon verzinnen
Of al myn voorzorg rees uit hem getrouw te minnen.
Dus hoorende dat gy hem lief had, stemde voort
(1160) In de aanslag, en hy gaf my onbeschroomd zyn woord.
Hy zegt u, door my, aan, verlaat vry al dit zuchten
Dat gy, ten middernacht gereed moet zyn tot vlugten.
IZABELLE.
Ach! wat vernoegd ge my?
KATRYN.
                                            Maar hoor, op welk een wys;
Ik neem een man, voor wien ik kouder ben als ys,
(1165) My dus opoff’rende aan uw lust, en uw vernoegen.
IZABELLE.
Ik zal...
KATRYN.
            Denk op geen loon hier voor my toe te voegen,
Ga heen, en maak gereed waar af men leeven kan:
By uw’ juweelen voeg het geld van de oude man,
Uw vader, ’k lever u zyn’ schatten, aangedreeven
(1170) Door trouw, ontstal ik hem zyn sleutels; ’k zal ze u geeven.
IZABELLE.
Gaan wy dan zaamen ’t werk volvoeren; en wel meest...
KATRYN.
Gaa, voor deez’ tyd, alleen.
IZABELLE.
                                            Wel hoe! zyt gy bevreest?
KATRYN.
Neen; ik blyf hier, om niet, door ons geduurig praaten
Zyn slaap te stooren; wyl we dat niet konnen laaten.
IZABELLE.
(1175) Gy boert altyd.
[p. 51]
KATRYN.
                                    Om dat men ons hier niet verraad,
Moet ik de uitvoerder van deeze aanslag hier op straat
Vertoeven; licht wierd hy bekend zo hy moest wachten
Voor deeze deur, zo dra hy naderd, zal ik trachten
’T werk uit te voeren, en kom daadlyk u weêr by:
(1180) Geloof me, dit is ernst, en geene boertery.
IZABELLE.
Vaarwel dan, ’k laat u hier alleen; ’k maak u op heden,
Meestresse deeze nacht, en ga, zeer wel te vreeden.
KATRYN.
Dats ’t minst.
IZABELLE.
                        Hou goede wacht.
KATRYN.
                                                    En maak gy goeden buit.



DARDE TOONEEL.

KATRYN alleen.

O Eelaard! zonder my kwaamt gy daar nimmer uit;
(1185) Ik, ik alleen, ’k beken, was de oorzaak van uw’ plaagen,
Doch heden ben ik ook door wien gy word onslaagen,
Uw welvaard of uw dood staan beide in myne magt.
Men wreekte my veel meêr als ik ooit had verwacht,
Ik had geen opzet als uw hovaardy te toomen.
(1190) Uw al te straffen lot heeft my myn haat benoomen;
Myn uitgedoofde min; u ziende in deezen nood,
En in myn hand, alleen uw leeven en uw dood,
Ontvonkte op nieuw, en kwam my stil te kennen geeven,
Dat ik te veel my wreekte, indien ik u deê sneeven.
(1195) ’K verhoop ook Eelaard dat gy dit erkennen zult,
En, van de ondankb’re min verbeterende uw schuld...



[p. 52]

VIERDE TOONEEL.

MATAMORIS, IZABELLE, KATRYN.

IZABELLE.
HOe! hier by nacht in huis? wat durfd ge u onderwinden?
MATAMORIS.
Eergist’ren...
IZABELLE.
                    Is ’t nu tyd om u alhier te vinden?
Wat is eergisteren?
KATRYN.
                              Waar vond gy hem alleen?
IZABELLE.
(1200) Als ik na boven ging, zo kwam hy naar beneên.
MATAMORIS.
Eergist’ren, by gebrek van u myn hart te geeven,
Gaf ik u, in die plaatz’, bescherming van uw leeven.
IZABELLE.
Daar na?
MATAMORIS.
              Men maakte hier een overgroot gerucht,
Zo dat ge u beiden hebt begeeven op de vlugt,
(1205) Ik volgde, en ging, tot uw bescherming, meê naar binnen.
IZABELLE.
Dat heeft uw moedigheid wel weeten te verzinnen:
En sedert...
MATAMORIS.
                  Om u te bevryden voor geweld
Heb ik, op ’t hoogst’ van ’t dak, op schildwacht my gesteld.
IZABELLE.
Kwaamd gy niet af?
MATAMORIS.
                                O neen!
KATRYN.
                                              Dat is, met weinig woorden,
(1210) Hy kroop in ’t hout uit vrees dat men hem mogt vermoorden.
[p. 53]
MATAMORIS.
Uit vrees?
KATRYN.
                  Gewis; gy beefd, uw vrees heeft geen gelyk.
MATAMORIS.
Zy strekte my een paerd, om dat ze gaf een blyk
Van moed en snelheid: ik heb haar een wet gegeeven
Als ik ze temde, dat zy onder my zou beeven,
(1215) Wanneer ik haar bereed.
KATRYN.
                                                  Gy hebt een groot verstand,
En toond het in de keur van paerden naar uw hand.
MATAMORIS.
’T is om te spoediger naar groot gevaar te streeven.
KATRYN.
Drie daagen, achter een, dus onder ’t hout gebleeven!
MATAMORIS.
Zo is ’t.
IZABELLE.
              Geleefd, waar van?
MATAMORIS.
                                            Van nektar en ambroos.
KATRYN.
(1220) ’K meen dat ge wyn en brood daar liever voor verkoos.
MATAMORIS.
’K doe niet.
IZABELLE.
                  En eindelyk zyt gy om laag gekoomen.
MATAMORIS.
Om uwen minnaar, in myn af zyn u ontnoomen,
Door schandelyk geweld, het doet me aan ’t herte zeer,
Met deez’ myn’ handen u, zyn bruid, te geeven weêr.
(1225) ’K zal zyn gevangenis onsluiten, en my wreeken;
Ja zyne ketenen vermors’len en verbreeken.
KATRYN.
Maar, biecht recht op; gy komt, geperst door hongersnood,
Om te oorelogen, ja; doch tegens wyn en brood.
[p. 54]
MATAMORIS.
Om ’t een en ’t ander; want, by gort, ik wil u zweeren,
(1230) Dat ik die nektar en ambroos niet kan verteeren,
Myn maag verzwakt daar af; het wil niet door de keel,
Die spys is smaakelyk, voorwaar, doch voed niet veel.
’K moest zyn een halve god zo ik die zou verdraagen,
Of zy is oorzaak van een menigte van plaagen.*
(1235) Op ’t ogenblik dat gy de nektar proeft alleen
Verlengd ze u tanden, en trekt u ’t gedarmt’ in een.
KATRYN.
In ’t eind het is een kost, waar na men niet zou taalen.
MATAMORIS.
Ten waar ik ’s avonds na beneeden weêr mogt daalen,
Om ’t overschot der spys te ontfangen zonder vrees,
(1240) En mengen ’t hemelsche dus met het aardsche vlees.
IZABELLE.
Ik zie gy eindlyk zyt genegen ons te rooven...
MATAMORIS.
Derft gy me tergen? zo myn gramschap weêr komt boven.
Zo gy me wederom voerd diergelyke reên...
IZABELLE.
Katryn, ga, roep de knechts van vader eens beneên.
MATAMORIS, weg gaande.
(1245) Een zot die haar verwacht.



VYFDE TOONEEL.

IZABELLE, KATRYN.

KATRYN.
                                                ZIe daar, daar loopt hy heenen.
IZABELLE.
Hy heeft zeer wel gezegd, de vrees maakt rasse beenen.
KATRYN.
Gy midlerwylen hebt noch niemendal gedaan?
IZABELLE.
Noch niets; toen ik hem zag dorst ik niet boven gaan.
KATRYN.
Maar, waarom zyn gezicht ten eersten niet ontweeken?
[p. 55]
IZABELLE.
(1250) Hy kende my, en ving straks aan my toe te spreeken;
Ik, in de nacht, alleen, verschrikte; want ik docht
Dat ik, door ons gesprek, myn vader wekken mogt;
En dat het beter was, om my te onslaan van vreezen,
Met deezen Rodemond hier op de straat te weezen.
(1255) Zie, ik ben onvertzaagd, als gy me uw bystand geeft,
In hem te tergen, voor wien al de waereld beefd.
KATRYN.
’T vermaakte my als u; doch het verdroot ten laasten,
Gy hebt veel tyd verspild.
IZABELLE.
                                        Ik zal my weder haasten.
KATRYN.
Zie daar de uitvoerder van ons overstout bestaan.
(1260) Hoor eerst wat naerstigheid hy voor ons heeft gedaan.



ZESDE TOONEEL.

IZABELLE, KATRYN, JODELET.

IZABELLE.
MYn vriend, zal dan het lot myn voorspoed eens gehengen?
Komt gy me ’t vonnis van myn dood of leeven brengen?
Want in u, u alleen myn hoop en troost bestaat.
JODELET.
Verban uw vreezen, wyl het al naar wenschen gaat.
(1265) ’T vertrekken scheelt ’er aan; des wil geen tyd verlengen,
De paerden staan gereed om u van hier te brengen.
IZABELLE.
Ik zie u aan als ons van boven toegeschikt.
Wat loon...
JODELET, wyzende op Katryn.
                  Dit is de prys, waar op myn liefde mikt,
Dit is alleen het loon, dat gy me toe kund voegen.
IZABELLE.
(1270) Stel hem niet langer uit, Katryn, wil hem vernoegen.
[p. 56]
KATRYN.
Ik zal; doch al zyn hoop is ydel, zo hy voort
Uw Eelaard niet onsluit, en opend deeze poort.
JODELET.
Op die voorwaarde derf ik my gelukkig achten.
Maar, wil u haasten, kom, waar toe zo lang te wachten.
KATRYN.
(1275) Wy gaan met u; maar help ons eerst den ouden man
Zyn geld ontaaken, met het geen men vinden kan.



ZEVENDE TOONEEL.

EELAARD, alleen.

O Lief herdenken van al myn’ vermaaklykheden,
Waar van de straf al haast zal van my zyn geleeden.
Wat heeft, hoe naar ook is de doodschrik aan myn zin,
(1280) Uw minzaam onderhoud al zoetigheden in?
Verlaat my niet, maar wil my uw getrouwheid toonen,
Als ’t al te strenge lot my zal verkeerd beloonen;
En als de naare dood op ’t laatst verbeelden zal
De deerlyke uitkomst van myn treurig ongeval;
(1285) Breng myn beangste ziel, al stervende, in gedachten
Dat ik, niet lang geleên, my kon gelukkig achten,
Zelfs buiten myn verdienste; en zo ’k in al myn druk
Te buitenspoorig klaag; en scheld myn ongeluk,
Toon, toon myn stoutheid dan aan myn verliefde zinnen,
(1290) Bestraf my die, zo laag, zo hoog heb durven minnen,
Onreedlyk in myn hoop, onwettig in myn vlam,
En dubbel strafbaar, zelfs toen zy eerst aanvang nam.
Toen ik beminde, helaas! heb ik verbeurd myn leeven,
Rechtvaardig is de dood waar door dat ik moet sneeven.
(1295) Ach! Izabelle, wat geluk verzeld my in
Het eind myns leevens, nu ik sterf om uwe min?
Wat harde straf myn hoofd op morgen zal verdraagen,
Het valt gelukkig nu ’t om u word afgeslaagen.
’T herdenken van uw liefde, en tederheid, alleen
(1300) Verjaagd alle angst, en steld het kwynend hart te vreên.
[p. 57]
Aan wat elenden my het lot zal overgeeven,
Blyft ge aan my denken, ik zal daagelyks herleeven*.
Maar, wat of dit beduid? waarom men in de nacht,
’T gevangenhuis onsluit? ik had u niet verwacht.



ACHTSTE TOONEEL.

EELAARD, JODELET.

JODELET.
(1305) DE rechters, om uw zaak, by een vergaard, dus spaade,
Zyn medelydende, en doen u, in ’t eind genade.
EELAARD.
Genade! is ’t waar?
JODELET.
                              In plaats van dat gy word gebragt
Op morgen op ’t schavot, sterft gy noch deeze nacht.
EELAARD.
Is dit de vrucht dan van der recht’ren meedelyden?
JODELET.
(1310) Acht gy dit niet? wel hoe! zal die u niet bevryden
Van schande en opspraak? wilt gy sterven op ’t schavot?
EELAARD.
Hoe kan ik dankbaar zyn de meesters van myn lot,
Voor ’t vonnis, en de gunst, de dood my doende erlangen?
JODELET.
Met blyder aangezicht moest gy die gunst ontfangen.
EELAARD.
(1315) Voldoed uw pligt, myn vriend, en praat zo veel niet meêr.
JODELET.
De dienaars van ’t gerecht verwachten u, myn heer.
’T gezicht van deeze zal misschien u best vernoegen.



NEGENDE TOONEEL.

EELAARD, IZABELLE, KATRYN, JODELET.

IZABELLE.
IK hoor hen; laaten we, Katryn, ons derwaards voegen.
Ik zal hem eind’lyk zien.
KATRYN.
                                        Wat zyt gy in uw schik?
[p. 58]
IZABELLE.
(1320) Heb ik geen reden, daar men, op dit oogenblik,
Door zyn verlossing, my het leeven weêr komt geeven,
Zou niet een zelfde slag en hem en my doen sneeven?
JODELET.
Kend gy die dienaars, kend gy deeze rechters wel?
EELAARD.
O onverwachte vreugd! zyt gy ’t, myn Izabel.
                                                    Tegens Jodelet.
(1325) Wat ben ik u verpligt, al hebt ge my bedroogen,
Gy hebt my wel voorzegt; noch te eenemaal geloogen,
Dat ik zou sterven, en gewislyk deeze nacht,
Maar van te groote vreugd, die ’k nimmer had verwacht.
Myn waardste!
IZABELLE.
                          Ach! Eelaard.
JODELET.
                                                Ei! laat ons geen tyd verliezen
(1330) Met dit omhelzen, maar aanstonds de vlugt verkiezen:
Wy hebben tyds genoeg tot deeze vleijery,
Als wy zyn buiten schoots, en van verrassing vry.
EELAARD.
Hoe! is Katryn voor hem?
IZABELLE.
                                          Hoor, hoe ze u was genegen,
Door haare min heeft zy uw vryheid weêr gekreegen.
JODELET.
(1335) Verhaal ’t in beter plaats, en in een vrijer lucht,
Nu is het raadzaamst dat men zwygt, en spoedig vlugt.
IZABELLE.
Wel aan; maar eerst moet gy ons beiden vast beloven
Dat ge ons niets vergen zult, noch tegens dank ontrooven.
Wy blyven anders.
EELAARD.
                              Wil daar vry gerust op zyn.
(1340) ’K beloof ’t u, by myn woord.
[p. 59]
JODELET.
                                                          En ik het meê, Katryn.
IZABELLE.
Op die beloften zal ik alles met u waagen.
JODELET.
’T word tyd; vertrekken we, want het begint te daagen.



THIENDE TOONEEL.

WAARMOND, EERRYK.

WAARMOND.
VRees nu voortaan voor geen gevaar noch onlust meêr,
Hoe zeer men hen vervolgd, elk keerd toch vruchtloos weêr.
EERRYK.
(1345) ’K herleeve in ’t eind.
WAARMOND.
                                              Hier na, twee jaaren nu geleeden,
Heeft hem zyn goed geluk doen hooger staat bekleeden.
’K zal niet ophaalen wat gewesten deeze vier
Zyn door gezworven, licht verveelde u alles hier;
Noch door wat kunst zy zyn zo hoog in staat getoogen;
(1350) Genoeg is ’t dat gy hen zaagt vlugten voor uwe oogen;
En zonder dat ik u noch meêr verlangen laat,
Zal ’k hen vertoonen in hun adelyke staat.
    Maar om volmaakter te vertoonen al hun leeven
Is ’t nodig dat ik in myn grot my ga begeeven,
(1355) Om nieuwe geesten te verdaagen naar om hoog;
Want die gy daadlyk zaagt voor uw nieuwsgierig oog
Haar vlugt verbeeldende, en niet zonder u te ontroeren,
Zyn zo bekwaam niet om het ov’rige uit te voeren.
’K heb geesten nodig van een hooger rang en staat;
(1360) Maar ’k heb, terwyl ik u in deeze groente laat,
Alleen tot uw vermaak iets geestigs voorgenoomen,
Om uw’ verlangen, met tydkorting in te toomen.
Ik koom haast wederom. vaarwel; wees niet beschroomd.
Gy, spooken, dat gy met uw kunst te voorschyn koomt.

Volgt een dans van Spooken, met vreemde postuuren.

Einde van het Vierde Bedryf.

Continue
[p. 60]

VYFDE BEDRYF.

EERSTE TOONEEL.

WAARMOND, EERRYK.

WAARMOND.
(1365) VErschoon my, zo gy zyt zo lang alleen gebleeven:
Het Tooneel veranderd, op het stampen van haar voet, in een vermaak’lyk lusthof.
Nu zal ik u doen zien uw zoon in staat verheeven.
EERRYK.
Is dit niet Izabel? wat kostelyker zwier!
WAARMOND.
Katryn volgd haare tred, en is haar kamenier.
Maar midlerwyl, voor al, wil niet het minste vreezen,
(1370) Noch gaat van deeze plaats, ’tgeen u zou doodlyk weezen;
Gaat gy voor my hier uit, zo is ’t met u gedaan.
EERRYK.
’K zal my wel wachten, en niets zonder u bestaan.



TWEEDE TOONEEL.

IZABELLE, verbeeldende Hippolite, KATRYN, verbeeldende Klarine.

KATRYN.
ZUlt gy dan geen verdriet in deeze wand’ling krygen?
En wiltge in deeze tuin de gantsche nacht verblyven?
IZABELLE.
(1375) Ik zal u zeggen wat my legt zo zwaar op ’t hert,
’K vergroot myn droefheid, met het veinzen van myn smert.
Prins Florilame...
KATRYN.
                            Die is uit.
IZABELLE.
                                            Dat doed my klaagen,
[p. 61]
Dit’s de oorzaak, dat myn ziel moet zo veel pyn verdraagen.
Door zyne vriendschap, die gy licht’lyk merken kund,
(1380) Heeft hy ons deeze deur in zyne tuin vergund.
Prinses Rozine, en myne ontrouwe, zonder schroomen,
Als Florilame is uit, hier by elkander koomen;
’K verwagt hen op deez’ plaats, ik zal aan dien verraâr
Verwyten zyne schuld, en zien doen zyn gevaar.
KATRYN.
(1385) Mevrouw, in plaats van hem te ondekken uw’ gepeinzen,
Zult gy veel beter doen alle uwe smert te ontveinzen.
Een man is altyd voogd, en al ons doen strekt eer
Hem in zyn vrijery te sterken, meêr en meêr.
IZABELLE.
Zou ik ontveinzen zyn al te overspeelig minnen?
(1390) Zou ik zyn vrouw zyn, en een ander ’t herte winnen?
Kan hy wel, zonder smet, verbreeken zyne trouw?
Werd hy niet rood van schaamte op ’t aanzien van zyn vrouw?
KATRYN.
Neen, dat ’s nu geen manier, maar in de tyd der ouden.
Noch woord, noch huuwelyk de mannen nu weêrhouden.
(1395) ’T is eer in deeze tyd, mevrouw, indien een man,
Die naar de waereld leefd, meesterssen hebben kan.
IZABELLE.
Zwyg doch deeze ydele en oneerlyke gedachten,
Dat men door huuw’lyks breuk en ontrouw zich doed achten.
Dat, zonder een meestersse, en met te zyn getrouw,
(1400) Een man als hy daar door in schand vervallen zou;
’T is roem voor hem, zelfs tot die prys, daar na te trachten,
Werd hy veracht daar door, ’k beminne dat verachten.
De schande die men, met zyn vrouw te minnen, heeft,
Is een doorluchte schande, aan een die deugdzaam leefd.
KATRYN.
(1405) De deur gaat open, stil, mevrouw, ik zie hem koomen.
IZABELLE.
Verbergen we ons.
[p. 62]
KATRYN.
                              Hy volgd, en heeft ons al vernoomen.



DARDE TOONEEL.

EELAARD, verbeeldende Theagenes, IZABELLE, en KATRYN, onder de naamen van Hippolite en Klarine.

EELAARD.
GY vlugt dan myn prinses, me ontsteelende uw gezicht?
Zyn dat de zoetigheên, waar toe ge u had verpligt,
Als wy in deeze tuin alleenig zouden weezen?
(1410) Vlugt dan niet meer, mevrouw, noch wild in ’t minste vreezen,
Prins Florilame is uit, myn vrouw slaapt, nu is ’t tyd.
IZABELLE.
Zyt gy daar zeeker van?
EELAARD.
                                      Het is myn vrouw, ô spyt!
IZABELLE.
Ik waak, meineedige, noch ben nu niet bedroogen,
In ’t midden van de nacht zie ik met heldere oogen.
(1415) Myn achterdenken is dan niet als al te waar!
En uw ondankbaarheid zie ik maar veel te klaar!
Gy zelf hebt uw geheim verraân en uw’ gedachten.
Hoe kon men dit van een bescheide minnaar wachten?
En wat voorzichtigheid is ’t niet, dat men zyn vrouw
(1420) Voor een vertrouweling van zyne liefde hou!
Waar zyn uwe eeden, van geen mensch als my te minnen?
Waar is uw hart? waar is uw trouw? waar zyn uw’ zinnen?
Ondankb’re, als ik uw trouw ontfing, gedenk eens wat
Verschil dat uwe staat toen met de myne had;
(1425) Hoe ’k aan veel vryers, ryk en adelyk, deê blyken
Dat niemand van hen all’ by u was te gelyken.
Wat teed’re vrindschap ik van vader ook voorheen
Ontfing, ’k verliet die om te volgen u alleen,
Tot myne ontschaakinge, reikte ik u zelf myne ermen,
(1430) Om tegens vaders dwang daar door my te beschermen:
[p. 63]
Tot wat een uitterste ben ik zints niet gebragt,
Na dat het wreed geval uw vlugt weêrstond met kracht?
Eer ’t los geluk in u te heffen nam behaagen,
Van arm u maakte ryk, wat heb ik niet verdraagen?
(1435) Indien gy, trots op uw geluk, uw trouw verdrukt,
Herstel my in uw hert daar ik ben uitgerukt.
’K deed alles, door de min die ik u heb gedraagen,
Niet om uw groote staat, maar om u te behaagen.
EELAARD.
Verwyt my toch uw vlugt, noch uwe liefde niet.
(1440) De min werkt wonderen als zy de ziel gebied.
Het was door hem, dat gy myn byzyn hebt geleeden,
Gy volgde minder my, als uwe zin’lykheeden.
’K was toen niet veel, maar door uw vlugt, gedenk eens dat
Myn staat, en de uwe, elkaar niet te verwyten had,
(1445) Dat uw ontschaaking my zeer weinig konde baaten,
Door dien gy al uw goed en rykdom moest verlaaten,
Ik had van myne kant niet als myn zwaard, en ’t geen
Gy my ten huuw’lyk bragt, was uwe liefde alleen;
Het eerste heeft my dit geluk en staat verkreegen,
(1450) Het tweede stelt myn lyf in veel gevaar daar tegen.
Wenst om uw vader, en zyn’ groote schatten, vry,
Beklaag u dat gy gaat aan een prinses haar zy,
Keer na uw vaderland, zie of uw geld zal konnen
Verkrygen, deeze staat die ze u om my vergonnen.
(1455) In ’t eind waar van kund ge u beklaagen, zeg de reên?
By wat geval deed ik u aan ooit moei’lykheên?
Heb ik u ooit veracht? verflaauwde ik ooit in ’t minnen?
De vrouwen zeeker zyn van wonderlyke zinnen!
Aanbid haar, laat uw min zelfs zyn zo groot, dat gy
(1460) Op ’t alderned’rigste u steld onder haar voogdy,
Hoopt haar met goeddoen op, wilt haare staat vermeêren,
En weigerd niets aan haar genoegen of begeeren:
Zo hy de minste breuk doet aen zyne echte trouw,
Daar ’s na haar zin geen straf die daar by haalen zou.
IZABELLE.
(1465) Ik heb ’t u reeds gezegt, dat myn oprecht beminnen,
[p. 64]
Maar nooit uw grootsheid, was het voorwerp myner zinnen;
Als ik myn vader heb verlaaten, dacht ik niet
Als om te volgen u in armoede en verdriet.
Maar wyl deez’ hooge staat, en rykdom zo verheeven,
(1470) U een lichtvaerdig hert daar nevens heeft gegeeven,
Zo zal ik zwygen, voor zo veel het my aangaat;
Maar denk aan wie dat gy verschuldigd zyt die staat;
Prins Florilame is die ’t u alles heeft gegeeven,
Hy kende u naauwelyks, of heeft u straks verheeven,
(1475) En van een arm zoldaat een kapitein gemaakt,
U kostelyk gekleed, daar gy bykans waard naakt,
En niet genoeg te vreên, na zo veel groote zaaken,
Heeft u zelfs in de gunst doen van zyn koning raaken.
Wat vrindschap heeft hy u niet al getoond? en dat
(1480) Hy ze onderhouden wilde als hy begonnen had:
Door zyn gestaâge zorg, als ’t wel werd overwoogen,
Zyt gy wel min van staat, maar meerder van vermoogen;
Wat voor verplichtinge en wat dank was zulks niet waard,
Ja, zelfs van een barbaar, hoe stout of wreed van aart?
(1485) En gy, voor dankbaarheid, wild zyne koets onteeren,
In plaats van door uw dienst zyn gunsten te vermeêren.
Meend ge in uw beestigheid wel reên te vinden? gy
Beschermd, na zo veel gunst, noch uw verraadery.
Hy heeft u opgehoopt met goed, gy roofd daar tegen
(1490) Zyne Ega; deeze staat hebt gy door hem verkreegen,
Hy maakte u heer, en gy hem voor zyn weldoen hoond.
Ondankb’re, is ’t zo dan dat gy zyne gunsten loond?
EELAARD.
Myn waardste, want noch eens, die naam zult gy niet derven,
Maar blyven die altyd, zo lang tot ik zal sterven,
(1495) Meend gy dan dat ontzag, of dood, of wat het zy,
’T geen gy niet krygen kond, verkrygen kan op my?
Noemt my ondankbaar, acht my vry vervoerd van zinnen,
Maar doed geen ongelyk meer aan ons heilig minnen;
Haar eerste en grootste kracht is by my noch te vast.
[p. 65]
(1500) En zo de zotte min, die ’t hart my heeft verrast,
Kon werden uitgedoofd wanneer zy wierd gebooren,
Niet als uw liefde alleen zou my daar toe bekooren.
Maar ’t is vergeefs dat myne pligt daar tegen streefd;
Gy hebt het zelf gesmaakt wat kracht de liefde heeft.
(1505) Die God, die u bedwong uw vader te verlaaten,
Uw vaderland, uw goed en al uw’ rykke staaten,
Om my te volgen in myne armoede over zee;
Die zelfde God bedwingt nu myne lusten meê,
Om drie vier zuchten aan u heimelyk te ontsteelen.
(1510) Laat myne dooling toch zo zeer u niet verveelen;
Vrees niet dat uwe plaats, hoe zeer ik ben verleid,
Zal lang bezeeten zyn met onrechtvaardigheid.
Al waar de deugd onbreekt, kan liefde zelden duuren,
Verbreekt zich zelven, en is van zeer weinige uuren:
(1515) Maar daar de trouw ons voegd, dat is een vaste min,
Daar de eer in uitblinkt, en de deugd heeft zyn begin.
Haar duurzaamheid doed ons noch meêr in liefde branden,
Ja zelfs tot aan de dood duurd haare vaste banden.
Myn waardste, mid’lerwyl vergeeft deez’ snoode daad,
(1520) Daar liefde, die tieran, myn vryheid meê verraad.
Verdraag een zotte vlam die niet zeer lang zal leeven,
En geen verzwakking van onze echte min kan geeven.
IZABELLE.
,,Helaas! ’k help zelfs daar toe op dat ik werd verblind,
,,’K zie my verraaden, en geloof dat men my mind.
(1525) ,,’K laat my betoveren door al zyn vleijend praaten.
,,’K vergeef een snoode daad, en ver van hem te haaten
,,Aanbidde ik, hemel! zelfs daar van den vinder noch.
Vergeef me, waarde man, deez’ myn vervoerdheid toch.
In zulk een voorval is de min van weinig krachten,
(1530) Die onverschillende en gerust, zulks niet zal achten.
Terwyl myn verw verbleekt, myn schoonheid my verlaat,
Zo is ’t rechtvaardig meê dat uwe min vergaat:
’K zal zelfs gelooven dat die vlam haast zal vermind’ren,
En aan onze echte min in ’t minste niet kan hind’ren.
[p. 66]
(1535) Maar denkt eens evenwel wie gy zo zeer bemind,
Dat gy door deez’ meestresse in groot gevaar u vind,
Houd u geheim, ontveinst, verbergd ’t geen gy zult krygen,
De grooten konnen in haar liefde niets verzwygen.
De hovelingen, die hen volgen waar zy gaan,
(1540) Zyn zo veele oogen die uw liefde gaade slaan:
Niet een van hen die niet met alle magt zal dingen,
Om door een valsch verhaal zich in zyn gunst te dringen.
De prins zal vroeg of laat ondekken eens uw min,
Of door zyn wantrouw, of door ’t nydig huisgezin;
(1545) En dan, ’t gedenken doed van schrik my ’t herte beeven,
Aan welke straffen zal zyn woede u overgeeven?
Terwyl uw lust dan tot dit tydverdryf u nood,
Loopt vry na uw vermaak, maar geensins na uw dood.
Ik zal uw ontrouw zien, zelfs zonder my te kwellen,
(1550) Wanneer gy u daar door in geen gevaar zult stellen.
EELAARD.
Noch eens, ’k zie dat ge alleen dan na dit zeggen wacht,
Dat ik in myne min ook zelfs de dood veracht:
Myn liefde is al te groot om het gevaar te schroomen,
Ja trotst het dreigend kwaad dat my mogt overkoomen,
(1555) Myn sterke drift verblind my de oogen, en geloofd,
Dat ik te weinig waag’ zo ’k voor haar waag myn hoofd.
De tyd kan in dit vuur, dat my met heevig blaaken
Het hert onlyd’lyk treft, alleen verkoeling maaken.
IZABELLE.
Wel loop dan na de dood, veracht dan myn’ gebeên,
(1560) En met uw leeven al myn’ zuchten en geweên.
Meend gy dan dat een prins, na zo veel smaad en schanden,
Met u te straffen slechts weêrhouden zal zyn’ handen?
Wie zal myn toevlugt zyn, als uw verachte dood
Aan zyn rechtvaarde wraak uw vrouw zal geeven blood?
(1565) En niet ten tweedemaal zyn wraaklust zal betoonen,
Op my, de vrouw van een die hem dorst’ trouw’loos hoonen.
Neen, ’k zal niet wachten tot uw zeek’re dood en graf,
Op my zou trekken ’t geen schoot over van uw straf,
[p. 67]
En dat hy van myne eer, die ’k zo in waarde houde,
(1570) Eens een slachtoffer aan zyn wraak meê maaken zoude.
’K voorkom de schand licht daar uw gramschap my in stoot,
Zo gy niet leeven wild, ’k zal vliegen na myn dood.
Dit lichchaam, daar myn min u liet van meester weezen,
Zal haast ’t vervloekt geweld eens schenders niet meêr vreezen,
(1575) Ik leefde om u alleen, maar voor die schande niet,
Dat ik elendig, tot myne uitterste verdriet,
Zou een slaavin zyn van de man van uw vrindinne,
En in zyn booze lust verstrekken tot boelinne.
Vaar wel, zo ’k sterf eer gy, ik zal voor ’t minste gaan
(1580) Verminderen uw schuld en u van de echt onslaan.
EELAARD.
Sterf niet, myn waardste vrouw, ei! wil u wanhoop staaken,
Zie wat verand’ring dat uw’ deugden in my maaken.
In weêrwil van al ’t kwaad dat ik u heb gedaan,
My noch te minnen! en zelfs in de dood te gaan
(1585) Tot berging’ van uwe eer! ’k weet niet waar van myn’ zinnen
Zich meêr verwond’ren, of van uw standvastig minnen,
Of uwe heldenmoed? ’k ben door hunn’ beider kracht
Verwonnen, en ik keer weêr onder uwe magt.
Myne onbezuisde min verlaat haar spoorloosheden,
(1590) Het is gedaan, zy sterft, myn ziel keerd weêr tot reeden,
En breekt de strikken van zo schandelyke band.
Myn hert weêrstond te flaauw ’t begin van myne brand.
Vergeef myn’ misdaad toch.
IZABELLE.
                                            ’K heb ’t al gedaan, myn waarde.
EELAARD.
Laat al de schoonheên en aanvalligen der aarde,
(1595) Vry zaamen spannen en my doen den oorlog aan:
Dit hert onwinbaar zal de strikken wel ontgaan
Van haare aanlokzelen, myn’ ziel zal nooit gedoogen,
Noch kend geen meesters, als de goôn en uw’ schoone oogen.
[p. 68]
KATRYN.
Mevrouw, ’k hoor iemand, stil.



VIERDE TOONEEL.

EELAARD, verbeeldende Theagenes, IZABELLE, verbeeldende Hippolite, KATRYN, verbeeldende Klarine, ERASTE, en gevolg van het huisgezin van Florilame.

ERASTE, doorsteekende Eelaard.
                                            ONtfang met vreugd, verraâr,
(1600) Die gunst die uw meestresse u, door ons zend; hou daar.
EERRYK, aan Waarmond.
Men moord hem. hemel! wil hem toch uw bystand geeven.
ERASTE.
Ach! mogten zo altyd, al de verleiders sneeven.
IZABELLE.
Gy, wreede beulen, zeg, wat hebt ge daar gedaan?
ERASTE.
Een zeer groot voorbeeld, ’t geen een yder nu voortaan
(1605) Zal af doen schrikken, en de ondankbaaren doen leeren,
Ten koste van hun bloed, nooit een prinses te onteeren.
Ik heb, door deeze hand, gewrooken niet alleen
Prins Florilame en de prinses Rozine, ô neen!
Maar meede aan u, mevrouw, een zelfde wraak gegeeven,
(1610) Opoff’rende aan u drie een trouweloozens leeven,
Een die niet waard was de eer van uwe man te zyn.
Verdraag dan ’t straffen van een schelmstuk, zonder pyn,
En als me u recht doed, wil u dan geenzins beklaagen.
Vaar wel.                                Eraste en ’t gevolg binnen.
IZABELLE.
                Gy hebt hem niet, als noch maar half, verslaagen;
(1615) Hy leefd in my noch, kom, voldoed zyn vyand dan,
Gy moorders, en beneemt my ’t leeven met myn man.
Myn’ liefste en waardste man, heeft men, zelfs in myne ermen,
[p. 69]
U dan zo wreed vermoord! kon ik u niet beschermen?
Kon ’t minnenydig hert, met al haar kwaad vermoên,
(1620) En haar voorzienigheid dan niet deez’ slag verhoên?
Uw langzaamheid, helaas! is de oorzaak van myn treuren,
Die ’t kwaad niet zien doed voor de slag komt te gebeuren.
Moest dan... maar, ik verstik in al myn ongeluk,
Myn’ krachten en myn stem bezwykken voor myn druk,
(1625) Zyn grootheid troost my te gelyk en neemt my ’t leeven,
En nu ’t ons zaamen voegd...
KATRYN.
                                    De spraak heeft haar begeeven,
Mevrouw... ô goôn! zy sterft, helaas! wat gaat my aan?
Wat blyve ik hier? laat ik om hulp na huis toe gaan.
Waarmond veranderd het Tooneel in het Haagsche Bosch.



VYFDE TOONEEL.

WAARMOND, EERRYK.

WAARMOND, gaande uit de Spelonk.
ZO kan in onze hoop ’t geluk zich ommekeeren,
(1630) Zy heft of smyt ter neêr, alleen na haar begeeren,
Haar ongelyke zin, die het Heelal regeerd,
In ’t midden van ’t geluk u weêr de nek toe keerd.
EERRYK.
Die redeneeringe, aan een vader geensins eigen,
Zou licht een minder smert doen na vertroosting neigen;
(1635) Een minder zwaarigheid verlichte dit misschien;
Maar t’zederd dat ik heb myn zoon vermoord gezien,
Myn hoop verdweenen, myn vermaak ter neêrgeslaagen,
Zou ’k ongevoelig zyn van zulke zwaare plaagen,
Indien my zulke reên ooit kwamen in de zin.
(1640) Helaas! al de oorzaak van zyn dood spruit uit zyn min.
Waarom verloor hy niet in zyne elende ’t leeven?
Moest dan zyn groot geluk hem eindelyk doen sneeven?
Verwacht geen klagten van myn’ smerten en myn pyn,
De droefheid die men uit, wenscht om vertroost te zyn;
(1645) De myne zal zich na zyn dood’lyk lot begeeven.
[p. 70]
Vaar wel, ’k ga sterven nu myn zoon verloor het leeven.
WAARMOND.
Rechtvaarde wanhoop hebt ge in uw bedroefde ziel,
’K geloof ’t een misdaad was zo ik haar wederhiel.
Ja volg uw zoon, noch wil tot morgen geensins wachten;
(1650) Maar wil zulks met uw hand niet te volbrengen trachten,
Wacht u van zelfsmoord, waar van ge u misschien te laat
Daar na beklaagen zoud, volg dan nu eens myn raad.
Laat uwe droefheid al uw ingewand verteeren,
En zie zyne uitvaard om uw’ smerten te vermeêren.
Waarmond vertoond in ’t verschiet alle de Speelders, in
hun eigen gewaad, aan een Tafel, bezig
met geld te tellen.

EERRYK.
(1655) Wat zie ik, teld men geld dan meede by de doôn?
WAARMOND.
Zie vry of ze alle niet begeerig zyn na ’t loon.
EERRYK.
’K zie Eelaard, hemel! hoe verloor hy niet het leeven?
Ik zie zyn’ moord’naars en Katryn, zyn vrouw daar neven.
Door wat voor tovery steld gy hen t’zaam te vreên,
(1660) En mengt de dooden met de leevende onder een?
WAARMOND.
Zo is het dat ze aan elk, die op de Schouwburg speelen,
Wanneer hunn’ rol is uit, ’t verdiende loon toe deelen.
De een moord, en de ander sterft met klaagelyke reên,
Maar voor hunn’ vyandschap, is het Tooneel alleen.
(1665) Als ’t hunne rol meê brengt hunn’ vyand om te brengen,
Zy doen ’t, en zonder ernst, in ’t minst daar meê te mengen
Die dood of leefd, en die verraad of is verraân,
’T zyn vrienden met elkaâr als ’t speelen is gedaan.
Uw zoon en zyn gevolg, die hebben wel ’t vervolgen
(1670) Ontvlugt, en ’s vaders haat op hen vol spyt verbolgen;
Maar, wordende eindelyk met armoede overlaân,
Zo keurden zy ’t Tooneel om eerlyk te bestaan.
EERRYK.
Myn zoon komediant!
[p. 71]
WAARMOND.
                                Door nood hier toe gedreeven,
Zo hebben ze alle vier hen tot die kunst begeeven.
(1675) Zyne overspeel’ge min, zyn dood zo zeer gevreesd,
Is van een Treurspel slechts het droevig eind’ geweest,
’T geen hy op ’t Schouwtooneel dit oogenblik vertoonde.
Ja zelfs heel Amsterdam, waar dat hy sedert woonde,
Staat opgetoogen, en verheugd zich als hy speeld,
(1680) ’T zy dat hy ernst of boert met zo veel konst verbeeld.
De konst is eerlyk, en de winst verstrekt ten goeden,
Om de ouderlooze Weez’ en de oude Stok te voeden.
Die toestel, die gy zaagt, zo kostelyk en schoon,
Behoord niet tot het lyf en kleeding van uw zoon,
(1685) Als om zich daar meê ten Tooneele te begeeven.
EERRYK.
Ik zie dan dat myn zoon in schyn verloor het leven.
Maar ik vinde over al een zelfde reeden van
My te beklaagen. zeg, is dit die grootheid dan?
Is dit die heerlykheid, en staat zo hoog verheeven,
(1690) Die hem zyn groot geluk dan eindelyk zou geeven?
WAARMOND.
Hou op van klaagen. het Tooneel, wel eer veracht,
Is heden tot zo hooge en groote roem gebragt,
Dat yder een haar eerd: en, schoende op hooger leesten,
Is ’t leerzaam tydverdryf van de alderbraafste geesten.
(1695) Geen oor, hoe eerbaar, werd nu daar in ’t minst’ gehoond,
Maar tot een spiegel werd de deugd u daar vertoond.
De Schouwburg is met recht, wanneer zy werd onslooten,
De wellust van het volk, en het vermaak der Grooten.
Zelfs Aemstels Overheid, nooit hoog genoeg geloofd,
(1700) Verpoozen hier haar geest, van Staatzorg afgesloofd.
Laat uwe geest eens van die dwaaling zyn onslaagen,
Noch wil zyn goed geluk voortaan niet meêr beklaagen.
EERRYK.
Ik derf niet meerder my beklaagen, ’k zie nu dat
[p. 72]
Ik het Tooneel niet heb na haar waardy geschat;
(1705) Zyn’ konst, zo zeer geacht, myn handel gaat te booven.
’T is waar, ik kon in ’t eerst’ haar waarde niet gelooven:
Ik heb de Schouwburg met veele and’re meê veracht,
Onkundig dat zy had tot stigting zo veel magt;
’K heb daar noch nooit geweest: maar ik verban op heden
(1710) Myn dwaaling en myn druk, geloof slaande aan uw’ reeden.
WAARMOND.
Geloof alleen uw oog.
EERRYK.
                                Myn zoon heeft wel gedaan,
Op morgen zal ik zelf na Amsterdam toe gaan:
Myn’ ziel verlangd reeds, en kan zonder hem niet leeven.
Wat moet ik niet voor dank aan u, ô Waarmond! geeven?
WAARMOND.
(1715) Om iemand dienst te doen, daar naar is ’t dat ik haak’,
Ik heb my zelf geloond als ik u deê vermaak.
Vaar wel; ik ben vernoegd, dewyl wy ’t beide bennen.
EERRYK.
Hoe kan ik doch genoeg deez’ groote daad erkennen?
O groote Toveres! geloof dat boven al
(1720) Ik die voor eeuwig in myn hart erkennen zal.

Einde van het Vyfde en laatste Bedryf.
Continue

Tekstkritiek

p. 4 Er staat Hendrik, maar in het spel heet hij Henrik
p. 12 TOONEEL. er staat: TOONEEL,
vs. 194 Eêlaart — overal elders Eelaart; voor vs. 338 heet hij Eelhard.
vs. 416 gebiên, er staat: gebiên.
voor vs. 460 Izabella elders steeds Izabelle
vs. 487 Izabelle noemt haar vrijer Eelaard, terwijl eerder was verteld dat hij zich Henrik liet noemen. Het lijkt een vergissing van de vertaler (en in het origineel komt het niet voor), maar verderop blijkt dat Izabelle en Katryn op de hoogte zijn van het pseudoniem.
p. 34 34 er staat: 4
vs. 1234 plaagen. er staat: plaagen
vs. 1302 herleeven er staat: herlveeven