Petrus Burmannus: De geleerde vrouwen. Tiel, 1713.
Naar Les femmes savantes (1672) van Molière.
Uitgegeven door drs. J. Breunesse
Red. dr. A.J.E. Harmsen, Universiteit Leiden.
Ceneton016880 - Ursicula
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.

Continue
[
p. 1]

DE

GELEERDE

VROUWEN.

BLY-SPEL.

Uyt het Frans nagevolgt.

[Vignet: Fleuron]

TE THIEL,
Gedrukt by G. van LEEUWEN, 1713.



[p. 2]

VERTOONERS.

RYKHART Burgerman.
MARGRIET, zijn Wijf.
KORNELIA,
SAERTJE,
} Dochters van Rykhart en Margriet.
GODEFROY, Broeder
GEERTRUYD, Zuster
} van Rijkhart.
EELHART, Minnaar van Saartje.
DRIESSOTYN, een Geleerde.
VADIUS, een ander Geleerde.
FEMMETJE, Meyt
JAN, Knegt
} van Rijkhart en Margriet.
DIAN, Knegt van Vadius.
DE NOTARIS.

Continue
[
p. 3]

DE

GELEERDE


VROUWEN.

EERSTE BEDRYF.

EERSTE TOONEEL.

CORNELIA, SAERTJE.

KORNELIA.
MYn Zuster, is dan die bekoorelijke naam
Van Vryster aan uw geest niet langer aangenaam?
En kittelt gy uw hart met haast in d’echt te leven?
Kan zoo gering een zaak uw ziel genoegen geven.
SAARTJE.
(5) Ja Suster
KORNELIA.
                    O, dat ja, men word’er qualijk van,
Wie is ’t die zonder walg uw reden hooren kan?
SAARTJE.
Heeft dan het huwlijk iets, dat u zou doen mijn Zuster....
KORNELIA.
Ah fy!
SAARTJE.
            Hoe zoo?
KORNELIA.
                            Ah fy! ik spuw’er van, wie luster
Zoo walgelijk een praat? begrijpt gy dan niet voort
(10) Hoe een verheve geest, door dat onsmaaklijk woort
Van huwlijk gequetst, gruwt voor d’onzuyverheden,
[p. 4]
Die ’t denkbeelt met zich sleept, hoe? trillen niet uw leeden
Wanneer gy dit beschout, en kan nog niet te min
’t Gevolg van zo een woord bekoren uwen zin?
SAARTJE.
(15) ’t Gevolg van zo een woort, als wy het wel bedenken,
Vertoont ons ’t minste niet, dat onzen geest kan krenken,
Ik zie, dat ik een Man en Kinders krijgen zal,
Daar k’ huys mee houden moet, en, Zuster, in dit al
Kan ik niets vinden, dat een rein gemoet zou smetten,
(20) Of my doen ysen voor de zoete huwlijks wetten.
CORNELIA.
ô Hemel! vind gy zoet zo een verbintenis?
SAARTJE.
Ey zeg eens, of ’er iet vermaakelijker is,
Als dat men in zijn jeugd, en ’t beste van zijn leven,
Zig aan een man verbind, die men den naam kan geven
(25) Van Engel, Hartje lief, en dien men teer bemint,
In wien men van zijn kant dezelve liefde vind,
En in zo zoeten staat kan al die vrugten smaken,
Die ’t onbevlekt gemoet in zuiverheid vermaken.
Wanneer men, met een man verbonden naar zijn zin,
(30) In vergenoeging proeft de teerheid van de min.
En zou zo wel gevoegt een band ons niet behagen?
CORNELIA.
Mijn lieve Zuster, wat moet ik u niet beklagen,
Wat hebtg’ een lage geest! wat speelt g’ een slegte rol,
Op ’t Wereldsch Schoutooneel, wat zijn uw herssens vol
(35) Gedachten van ’t gemeen, dat gy vermaak kunt vinden,
In eeuwig aan een man uw vryheid te verbinden,
Dien men, hoe zot hy is, bid, als een Afgod aan.
ô Slegt hoofd! is’er niets, dat u meer aan kan staan?
Als aan een woelig huys u zelve vast te klampen,
[p. 5]
(40) En uw verlichten geest te doven door de dampen,
Die uyt een keuken of uyt een forneuys ontstaan?
Wat is het walgelijk met kinders om te gaan?
En dat begruysde kroos den neus of aars te vegen;
Dan, eens te zien, of ’t wicht geen breukjen heeft gekregen
(45) Door ’t schreijen in de wieg; dan, of het oor niet smert:
Dan, of het regt en naar uw zin gebakert werd.
Laat, Zuster, bid ik u, tot deze bezigheden
De Vrouwen van ’t gemeen haar groven geest besteden;
Maar gy, hef op van d’aard uw geest tot hoger werk,
(50) En ruk uw ziel eens uyt het naauwe lichaams perk.
Ah! krijg eens lust en smaak in edeler gedachten,
En wil de stof voortaan en zinnen niet meer achten.
Slaat op uw moeder eens uw oog, die over al
Voor een geleerde Vrouw geroemt, het klein getal,
(55) Met lof en eer, versiert der schrandere verstanden.
Ah! doet uw koude geest in wetens lust eens branden;
Toont dat gy nevens my door oeffening den naam
Van Dochter waardig zijt, en maak u doch bequaam,
Om, op uws moeders spoor, door hooge wetenschappen,
(60) De Vrouwelijke schaar met eer voor by te stappen.
Vermeerdert zo den roem van ons geleerd geslagt,
Door moeders geest, en mijn vernuft, haar toegebragt.
Werp u, gelijk ik doe, in lieffelijker banden,
Dan die een man zou slaan om uw verslaafde handen,
(65) Die, naar het klein begrip van zijn gering verstand,
Eens Vrouws verheven geest aan ’s lichaams werk verpand.
Zo gy doch trouwen wilt, trouw aan de wysbegeerte,
Die boven d’aard, uw ziel, tot aan het hoog geveerte
Der wolken, heffen kan, die aan de rede macht
(70) Geeft, om het dierlijk deel, dat menschen zo veracht
En in hun neiging maakt, gelijk de botte beesten,
[p. 6]
Te dwingen. Dat ’s een vuur, waar door de groote geesten
Ontsteken, zorg, en werk, en al dat huys bestel,
Voor zotheid achten, en voor enkel kinderspel.
SAARTJE.
(75) De Hemel, wiens bestier heerscht over alle zaken,
Heeft niet gewilt, zo ’t blijkt, ons bey bequaam te maken
Tot een en ’t zelve werk; en yder mensch zijn geest,
Gelijk de voeten doen, schoeit op een and’re leest,
Schoon gy in uw’ geboort’ een ziel kreegt zo verheven,
(80) Die boven ’t aards gewoel kan met geleerden zweven,
En door bespiegeling dringen de wolken in,
De mijne, Zuster lief, genoegt zig met wat min.
Die is gemaakt, om laag langs d’aarde heen te kruypen,
En onder het gemeen zo slechtjens door te sluypen.
(85) Zy vliegt niet hoog, maar, van haar zwakheid wel bewust,
Stelt zig in het gering van haar beroep gerust.
Laat ons derhalven niet des Hemels schikking wraken,
En ieder volg zijn drift. Wilt gy den Hemel naken,
En woonen met uw ziel in ’t opperste gewest,
(90) Daar wijsheid met vernuft haar zetel heeft gevest.
Laat my mijn’ aardsche ziel met huw’lijks zoetigheden,
Voor u doch veel te laf, slegts voeden hier beneden.
Dus zullen wy, langs twee verscheide paden heen,
Op ’t voorgebaande pad van onze Moeder treen:
(95) Gy, doelend’ op de ziel en ed’le wijsheids minne,
Ik, op het grof vermaak van ’s lichaams lompe zinnen.
Gy, zoekende door vrucht van geest en kennis lof,
En ik, door ’t geen geteelt kan worden uyt de stof.
KORNÉLIA.
Die naer een voorbeeld wil zijns levens wijs bepalen!
(100) Moet van de beste zy de vergelijking halen.
Of meent gy, dat gy dan uw Moeder recht verbeelt,
[p. 7]
Als gy, gelijk zy doet, mêe spuwt, mêe hoest, mêe teelt.
SAARTJE.
Had Moeder maar alleen die beste zy bezeten,
Gy waart nu niet geweest, ’t geen gy u durft vermeten:
(105) En ’t is uw groot geluk, dat haar verheve geest
Altijd met wijsheids lust niet bezig is geweest.
Ik bidd’ u, zijt zo goet, en wil in my verdragen
Die zwakheid, die ’t begin geweest is van uw dagen:
Belet aan my toch niet te brengen in het licht,
(110) ’t Welk u ten dienst kan zijn, een wijs en geestig wicht.
KORNELIA.
’k Zie van die malle drift om haast getrout te wezen,
Uw laag en zot gemoed zo haast noch niet genezen.
Maar zeg my eens, op wien uw hart doch is gestelt,
’k Denk niet dat ’t Eelhard is, wiens liefd’ uw zinnen quelt.
SAARTJE.
(115) En om wat reden zoud’ ik Eelhart niet beminnen?
Hem? wiens gedienstigheid mijn liefde wist te winnen.
Vind gy iets in die keur tot schand van ons geslagt?
Verdient hy niet, dat ’k hem mijn liefde waardig acht?
KORNELIA.
Neen; maar geen eerlijk mensch, mijn Zuster, kan ooit loven,
(120) Dat men een ander tragt van ’t zijne te beroven.
’t Is wereldkundig, en geen praatjen in de lugt,
Dat Eelhart heeft om my in ’t openbaar gezugt.
SAARTJE.
Maar gy schat zuchten slechts voor zot en ydelheden:
Uw geest is gans bevryt van al die menschlijkheden.
(125) Geen liefde raakt uw hart, als die de wijsheid maakt,
Geen vuur, als wetenslust, in uwen boezem blaakt.
KORNELIA.
Al voert by ons de rede het opperste gebied,
Verwerken wy doch ’t zoet van Minnaars vlyen niet.
[p. 8]
Men kan wel iemant niet voor zijnen Man begeeren;
(130) Al gunt men hem, dat hy ons dienen mag en eeren
Met zugten en geklag; en laten toe, dat hy
Eerbiedig ons vermaak met zijne vlyery.
SAARTJE.
’k Heb uw volmaaktheid noit benijdt, of hem verhindert,
Die aan te bidden; maar doe zijne min vermindert
(135) Was door uw fier onthaal, quam hy met bly gelaat
My offeren een hart, door uwe trots versmaat.
KORNELIA.
Denkt gy, dat Minnaars hart zo ligt door spijt bewogen,
Niet wederkeren kan, de schijn verblint uw’ oogen.
Zijt op dat vals gelaat niet al te zeer gerust.
(140) Het vuur door my ontvonkt is noch niet uitgeblust.
SAARTJE.
’k Geloof hem op zijn woord.
KORNELIA.
                                                ’t Geloof zal u verleiden.
Want, of hy schoon al zegt, dat hy van my wil scheiden,
En gansch zijn hart heeft aan uw schoonheid toegewyt,
Bedriegt hy wis zig zelf, en weet niet wat hy zeit.
SAARTJE.
(145) ’t Kan wezen; maar om uit de twijffeling te raken,
Kan hy ons best gerust door zijn verklaring maken,
Daar komt hy zelf, en ’t allerzekerste kan hy
Ons openen ’t geheim van zijne vryery.



TWEEDE TOONEEL.

KORNELIA. SAARTJE. EELHART.

SAARTJE.
Mijn Zuster heeft getracht mijn hart met misvertrouwen
[p. 9]
(150) T’ontroeren: Gy, mijn Heer, kunt dit geheim ontvouwen,
En zeggen, wie van twee op u mag maken staat,
Wie dat gy recht bemint, en wie dat gy verlaat.
KORNELIA.
Neen, neen, ik wil uw schaamt, mijn Heer, zo veel niet vergen;
Ik weet, hoe hard het valt, wanneer men ’t wil verbergen,
(155) Zijn Minnaares zijn dienst in ’t aanzigt aan te bien,
Die men te vreden is met eerbied aan te zien.
EELHART.
Neen, Juffrouw: want mijn hart, tot veinzen ongenegen,
Vind zig in dit geval het minste niet verlegen,
’k Kan met een vry gemoet, en sonder vlyery
(160) Verklaren, dat ’t geheel is op uw Zusters zy.
Dat al mijn hoop en wensch is, om mijn hart en handen
Altijd te sien geboeit met haar beminde banden.
Gy hebt het soo gewilt; want uw’ aantrek’lijkheen
Die hadden my gewont, en ’t hart doorgrieft voorheen.
(165) Mijn naar gesigt kon u den brant van mijn begeeren,
Waar door ik eeuwig sogt dat vuur te voeden, leeren.
Maar mijn verwinning was uw trotsen geest te kleen,
En ’k sag dat ’k in uw oog al te veracht’lijk scheen.
’k Heb duisent kleinigheen met groot gedult verdragen,
(170) En onder ’t wrede juk gesugt, doch sonder klagen.
Maar, doen ik, afgemat door soo veel smaat en hoon,
Kreeg, voor stantvastigheid, bespotting tot mijn loon,*
Zocht ik een Meesteres, die my in sagter boeyen,
Zou sluiten, en mijn geest ter dood toe niet vermoeijen.
(175) Mejuffrouw, ’k heb mijn hulp gevonden in dit oog,
Dat, doe ’t my eerst bescheen, mijn ziel ten Hemel toog.
Haar stralen drongen heen door hert en ingewanden,
En deden heter vuur in mijnen boesem branden.
[p. 10]
’t Medogen, ’t welk ik in uws Zusters oogen las,
(180) My straks van al mijn pijn en ziels verdriet genas:
Zy nam gestadig aan een knegt, van u verstoten,
Die wenscht soo vast te zijn voor eeuwig opgesloten*
In dese banden, dat niets, als de wrede dood,
Hem uit haar armen rukk’, of aftrek van haar schoot.
(185) Haar liefde dringt my aan, om u thans te besweeren,
Dat gy geen moeite doet, om weder te doen keeren
Een hart van u vervreemt, en dat besloten heeft,
Uw Zuster trouw te zijn, soo lang het adem geeft.
KORNELIA.
En wie heeft u, mijn Heer gesegt, dat my dit luste,
(190) Of dat ik ooit mijn geest om uwent wil ontruste.
Ik vind ’t belach’lijk, dat dit uw gedachten zijn,
En onbeschaamt, dat gy het seggen durft aan mijn.
SAARTJE.
Maar sacht, mijn Zuster, denk doch om de leer der zeden,
Die ’t dierlijk deel des menschs bedwingen kan door reden;
(195) En d’onbesuisde toorn ’t gebit smyt in den mond,
KORNELIA.
Maar gy, die hier van spreekt, vind gy die leer gegrond,
Zo volg die sellef op. wie heeft u magt gegeven,
Om met een Minnaar in verbintenis te leven,
En op uw eigen keur een huwlijk aan te gaan?
(200) Daar gy, naar wetten eisch, moest onder Ouders staan.
En niemand minnen moogt, dan dien zy u verkiesen;
Want Ouders nooit haar recht op Kinderen verliesen,
Die niet bevoegt zijn om, ten zy met groote sond,
Met Vryers, sonder haar, te maken een verbond.
SAARTJE.
(205) Uw goedheid my verplicht met dankbaarheid te loonen,
Den raad dien gy my geeft, en om u klaar te toonen,*
Dat ik my naar uw les in desen schicken sal,
[p. 11]
Versoek ik u, Mijn heer, dat gy voor eerst en al,
De min, die gy my toont, mijn’ Ouders voor wilt dragen,
(210) En mijn gegeven woord met haar toestemming schraagen.
Verkryg tot mijn besit van haar een wettig regt,
Op dat ik sonder schult mag treden in de egt.
EELHART.
Dit aangenaam bevel, daar ik alleen naar wagte,
Zal, tot bereik mijns wenschs, my doen mijn pligt betragten.
KORNELIA.
(215) ’t Schynt, dat gy zegepraalt, en trots op uw geluk,
U zottelijk verbeelt my nu te zien in druk.
SAARTJE.
Neen Zuster, waarlijk niet, ik weet, dat uwe zinnen
Altyd door kragt van reen zig laten overwinnen.
En dat de wysheid, die u daag’lyks lessen geeft,
(220) Maakt, dat het lichaams zwak u nimmer aan en kleeft.
Ja verre daar van daan, dat ik u zou vermoeden
Hier moey’lyk om te zyn, geloof ik, naar uw goeden
En zusterlyken aard, dat gy uw hand zult slaan
Aan ’t werk, en zelf voor my by onzen Vader gaan,
(225) Om myn, en Eelharts wensch door uw verzoek te sterken,
En helpen met der haast ons huw’lyk uit te werken.
’k Bid u, doet ons dien dienst, ey lieve, zyt zo goed.
KORNELIA.
Uw laage en kleine geest met spotten zig bemoet.
En op een Minnaars hart, dat u is toegesmeten,
(230) En ons niet waardig was, toont gy u zeer vermeeten.
SAARTJE.
Hoe toegesmeten ook het zy, ’t mishaagt u niet,
En, hoe gy ’t ook veragt, ’k wed gy het my niet liet,
Zo g’ in uw oog bezat zo veel bekoorlykheden,
Gy zoud het van om hoog haast wenden naar beneden.
[p. 12]
KORNELIA.
(235) Zou ’k daalen doen myn geest, om op die zotte praat
’t Antwoorden, ’t past haar niet dat zy die klap verstaat.
SAARTJE.
’t Is wysselyk gedaan, gy doet ons ondervinden,
Dat gy alleen hebt magt u driften in te binden.



DERDE TOONEEL.

SAARTJE, EELHART.

SAARTJE.
ZY stond verset dat, gy soo onbedeest en vry
(240) Uw meening uiten dorst.
EELHART.
                                                Zy had al lang van my
Verdient, dat ’k ongeveinst haar hoogmoed eens betaalde,
En haar vryborstig zeid, in ’t aansigt, dat zy dwaalde.
Maar, wijl gy ’t hebt gestemt, gaa ’k naar uw Vader heen.
SAARTJE.
Het sekerste schijnt my, mijn Moeder t’overreen:
(245) Hy stemt wel alles toe, maar om iets uit te werken
Heeft hy niet harts genoeg. Gy sult wel haast bemerken,
Dat zijn meegaande geest, en slappe goedigheid,
Maakt dat hy by zijn Wijf t’huis, als een jonge, leit,
Zy heerscht als oppervoogt, en haar ontzagglijk wesen,
(250) En stem als eens Vorstins, doet al, die z’hooren, vresen.*
’t Zijn wetten al het geen haar in de sinnen schiet:
Noch knecht, noch meit, noch kind, noch man verschoont zy niet.
Ik wenschte wel, mijn Heer, dat, om de gunst te winnen
Van haar, en van mijn Moei, gy u eens brag te binnen
[p. 13]
(255) Dat zy doch voor geleerd, en wijse willen gaan.
Vul haar de kovel wat, gaat’er niet tegen aan,
Maar vlijt haar driften wat, in plaats van te bedillen,
En noem haar oeffening geen zotheid meer of grillen.
EELHART.
Mijn hart is soo opregt, dat het nooit zulk een slag
(260) Van Vrouwen heeft gevleit, zelf doen ’k uw zuster plag
Mijn diensten aan te bien: ’k heb geen vermaak in vrouwen
Die willen, dat men haar sal voor geleerde houwen.
’k Mag lijden, dat een Wijf van alles soo wat weet,
Maar ’t moeit my, dat ik zie haar drift te zijn soo heet,*
(265) Dat zy den ganschen dag den neus steekt in de boeken,
Niet om de waare deugt en wijsheid t’ondersoeken;
Maar enkel, om den naam van een geleerde vrouw
Te krijgen by het volk. Die ’t houden in de mouw,
En kunnen met verstand verbergen ’t geen zy weten,
(270) Nog altijd ’t hoogste woord te voeren sig vermeten,
Die wijs en schrander, het nogtans niet willen zijn,
Die staan alleen te boek voor geestige by mijn.
Dat schrijvers by de bos fluks hebben by der hand,
Spreekwijsen uitgekipt van d’allerhoogsten trant,
(275) Geen reden voeren, dan met woorden van parade,
En ’t allerminst gesprek met soo veel geest beladen,
Dat niemant het verstaat, (self niet misschien die spreekt.)
Geen redenkav’ling doen, dan daar wat hoogs in steekt,
Als of ’t een raatsel was, doet my die zotheid haaten.
(280) Ik wil uw Moeder in haar regte waarde laten,
Maar soud’ ik stemmen toe soo harsenloos bestek,
Al prijsen wat zy segt, wijs noemen, dat ik gek,
En dolheid meen te zijn; gelijk een Echo klinken,
Soo ras zy haaren Held, dien Driessottin, doet blinken
(285) En hemel hoog verheft? Hem, die my barsten doet,
En raasen, als ik sie, dat zy dien slegten bloet
Bid, als een Afgod, aan. Zou ’k dien pedant gaan prijsen,
[p. 14]
Dien Jongens op de straat met vingeren nawijsen,
Wiens schriften, uitgejout door mannen van verstant,
(290) Voor scheur papier verkoft, doorwand’len ’t gansche land.
Waar vind men een Apteek, Tabak of Koffiewinkel,
Of kramery, daar niet de naam van desen kinkel
Op d’omslag van de waar of peperhuisen staat.
SAARTJE.
Zijn schriften, zijn gezwets, en al zijn zotte praat
(295) Zijn my, soo wel als u, verdrietig aan te hooren;
Maar, wijl hy doch geheel besit mijn Moeders ooren,
Doet uwen geest gewelt, en voeg u naar den tijd,
Een Minnaar moet in ’t huis, daar hy zijn Liefste vrijd,
De gunst van ieder met zijn vleyeryen winnen,
(300) En op dat niemant hem doe nadeel in zijn minnen,
Zelf maken, dat hy vriend met hond en kat kan zijn.
EELHART.
’t Is zoo, gelyk gy zegt; maar Monsieur Driessotyn
Geeft my zoo groot verdriet, dat ’k hem van ganscher herte
Vervloek, en zoo ik hem kon pryzen zonder smerte,
(305) En quetsen niet myn eer en teerheyd van gemoet,
’k Zoud u te wille zyn, myn allerhoogste goed.
Zyn schriften, daar ik hem al uyt heb leeren kennen,
Eer ik hem had gezien, vertoonden my een penne
Vol van pedanterey, en walgend’ eygen waan:
(310) Zyn opgeblaaze geest bid zoo zig zelf aan,
Dat hy, alleenlyk met zyn eigen zin te vreden,
Zig zot’lyk inbeelt, dat maar zyn verstand en reden
Prijswaardig zyn, en dat ’er niemand lof verdient,
Als zyn verligte geest; hy ’s zo zyn eyge vriend,
(315) Dat hy niet laten kan zig zelf alom te pryzen,
En, klappend’ in de hand of lacchend, te bewyzen,
Hoe zeer hy is voldaan, van ’t geen hy brengt in ’t ligt.
Zijn roem, daar hy verbeelt, dat yeder een voor zwigt
[p. 15]
Zou hy voor al den roem geens Veltheers willen missen.
SAARTJE.
(320) Dat hebt gy wel gezien.
EELHART.
                                            ’k Kon uyt zyn schriften gissen
Hoe zyn gestalte was: zyn digten, die hy smeet*
Ons alle dag naar ’t hooft, ’t gestel van dien Poëet,
En trekken van dien zot zo levendig my maalden,
Dat ’k onlangs, op de straat hem ziende, niet en dwaalde,
(325) Toen ’k wedde, dat het was die zelve Driessotijn,
Wiens beelt ik had gedrukt door ’t lezen in mijn brijn.
SAARTJE.*
Wat praat is dat?
EELHART.
                          ’t Is waar ’t geen ik u daar verklaare.
Maar, daar ’s uw Moei, staa toe, dat ’k haar mag openbaaren
’t Verborgenst van myn hart, en ’t brenge voor den dag,
(330) Op dat ik door haar gunst uw Moeder winnen mag.



VIERDE TOONEEL.

EELHART, GEERTRUYD.

EELHART.
MEjuffrouw, wyl ’t geluk van u alleen te vinden
Een Minnaar vryheyd geeft, dat hy derf onderwinden
Van zyn oprechte liefd’ u klaar verslag te doen,
Zoo leen m’een gunstig oor.
GEERTRUYD.
                                            Al zacht, zyt niet te koen,
(335) Myn Heer, om al te klaar uw hart my t’openbaaren:
[p. 16]
Zoo ’k onder het getal, van die myn dienaars waren,
U dulde, laat uw oog maar tolk zyn van uw zin;
Doch geef door and’re taal geen blyken van uw min.
Verwek myn gramschap niet met uw begeert’ t’ontleden:
(340) Bemin my, zucht en brand voor myn bekoorlykheden,
Maar spaar myn schaamt’, dat gy ’t niet aan my zelf ontvouwt,
Ik sluyt myn oog, zoo lang als gy ’t verburgen hout;
En u bedienen wilt van stomme minneblyken,
Maar zoo g’ uw mont verstout te geven klaarder blyken,
(345) Moet ik u voor altyd verbannen uyt myn oog.*
EELHART.
Ontrust uw hart dog niet om myn opregt vertoog:
’t Is Saartje, die myn ziel heeft tot haar min bewogen;
’k Kom u alleen met ernst verzoeken, dat woud poogen,
Myn liefde dienst te doen, waar van ik brandend ben.
GEERTRUYD.
(350) Dien draey begryp ik wel, z’ is geestig, ik beken,
Dat gy zeer schrander houd een achter deurtjen open.
’k Heb nooyt in de Romans, die ’k meest heb doorgelopen,
Veel aardiger gezien.
EELHART.
                                ’t Is waarelyk geen streek,
Mejuffrouw, ’t legt by my in ’t hart, gelyk ik spreek.
(355) De Hemel, door een band die niemand ooyt zal breken,
Heeft myn en Saartjes hart zoo vast verknogt, dat ’k reken,
Al myn geluk te zullen vinden in die egt,
Die myne ziel aan haar met vaste ketens hegt.
Gy kunt hier veel in doen, en ’t eenigst, dat ik wensche,
(360) Is, dat gy gunstig zyt aan twee verliefde mensche.
[p. 17]
GEERTRUYD.
Ik merk wel tot wat eynd gy zulks van my begeert,
En hoe ik ’t moet verstaan, schoon gy het aardig keert.
Gy geeft met veel vernuft de zaak een ander wezen,
En om dat ook te doen, zo zeg ik u by dezen,
(365) Dat Saartjens hart tot d’echt zal nimmermeer verstaan;
Maar gy moet zonder hoop haar eeuwig bidden aan.
EELHART.
Hoe zo verwart, waar toe mijn woorden te verkeeren?
En duyden ’t geen ik zeg regt tegen myn begeeren.
GEERTRUYD.
Myn Heer, talm doch niet meer, vergeefs gy u verweert,
(370) Uw oogen hebben lang uw’ liefde my geleerdt.
’t Kan zo wel toe, ik bid u zyt toch wel te vreden,
Dat ik my niet verstoor om uw spitsvindigheden,
En dat men uwen dienst, dien gy met veel verstand
Eerbiediglyk verbloemt, niet heel wys van de hand.
(375) Zo gy uw minnedrift maar kond door eer bestuuren,
En brengt aan myn altaar nooyt yets als zuyv’re vuuren.
EELHART.
Maar....
GEERTRUYD.
                Dit ’s genoeg voor uw, vaar wel en houd u stil,
’k Heb u al meer gezegt, als was in ’t eerst myn wil.
EELHART.
De droes haal de zottin met d’ingebeelde droomen.
(380) Wie zag ooyt een gekkin zo dwaas’lyk ingenomen?
Maar, laat ons zoeken gaan, of niet een wyzer mensch
Myn liefde dienst wil doen, en helpen mynen wensch.

Continue
[
p. 18]

TWEEDE BEDRYF.

EERSTE TOONEEL.

GODEFROY.

JA, ’k zal u met’er haast zyn antwoort weder brengen:
Ik zal uw voorspraak zyn, en ik zal nooyt gehengen,
(385) Dat men u slepend hou. Wat breekt een Minnaar niet
Al meenig woord den hals? daar hy* zyn herts verdriet
Met een woord zeggen kan. Wat is hy onverduldig
In ’t geen dat hy begeert, altyd benaaut, zorgvuldig,
En nimmermeer gerust. Daar komt myn Broeder aan,
(390) Die ’k weet, dat Eelharts min ten eersten toe zal staan:
Maar, wyl hy is te goet...



TWEEDE TOONEEL.

GODEFROY, RYKHART.

GODEFROY.
                                          God spaar u, Broeder, ’t leven.
RYKHART.
En uw, myn Broeder, lang.
GODEFROY.
                                          Weet gy wat my gedreven
Heeft, om te komen hier.
RYKHART.
                                        Neen, maar ik ben beryt
Te hooren, al het geen dat my myn Broeder zeit.
GODEFROY.
(395) Gy kent van langerhand Heer Eelhart.
RYKHART.
                                                                      Ja, en ’k hoore
Dat hy myn Dochter ziet.
[p. 19]
GODEFROY.
                                        Hoe komt hy u te vooren?
RYKHART.
Om regt te spreeken, hy en lykt my geen kwaad slag,
Een jongman van verstand, van eer, van goed gedrag.
En die met ’t hoogste recht verdient, naa myn gedagten,
(400) Dat men hem als het puyk der jong’lingschap moet agten.
GODEFROY.
’k Heb een verzoek voor hem, ’t welk my hier heene jaagt,
En ik verheug my zeer, dat hy u niet mishaagt.
RYKHART.
Zyn Vader kend’ik al op onze reys naar Romen.
GODEFROY.
Zeer wel.
RYKHART.
              Een Edelman zo braaf’er uyt kan komen.
GODEFROY.
(405) Dat heb ik meer gehoort.
RYKHART.
                                            Van acht en twintig jaar.
En van myn ouderdom, wy waaren met malkaar
Galante jonge lien.
GODEFROY.
                              ’k Geloof het wel.
RYKHART.
                                                            Wy stonden
By ’t Roomsche Jufferschap heel wel te boek, en konden,
De mans jaloers doen zyn.
GODEFROY.
                                            Dat gink wel maer gehengt,
(410) Dat ik kom tot de zaak, die my hier heene brengt.



[p. 20]

DERDE TOONEEL.

GEERTRUYD, GODEFROY, RYKHART.

GODEFROY.
EElhart heeft my verzogt, zyn tolk by u te wezen;
Syn hart ter doot gewont kan Saartje alleen genezen.
RYKHART.
Myn dochter! is het waar?
GODEFROY.
                                        Ja, Eelhart is verlieft;
Noyt zag ik Minnaars hart zo zwaar als ’t zyn gegrieft.
GEERTRUYD.
(415) ’k Weet beter, en gy ziet niet waar dit kluwen vast is,
En weet, o slegthooft, niet wat Eelhart voor een gast is.
GODEFROY.
Wel hoe, myn Suster!
GEERTRUYD.
                                  Neen, die slimaart u verleyt.
Het voorwerp van zyn min is anders als hy zeyt.
GODEFROY.
Gy spot’er mee, zou hy dan Saartje niet beminnen!
GEERTRUYD.
(420) Neen zeg ik, ’k weet het wel.
GODEFROY.
                                                        Ben ik wel by myn zinnen!
Hy heeft ’t my zelf gezegt.
GEERTRUYD.
                                          ’k Geloof het wel,
GODEFROY.
                                                                        Gy ziet,
Dat hy door my zyn dienst aan haaren Vader bied,
En haar verzoekt tot Bruyt.
[p. 21]
GEERTRUID.
                                            Al wel.
GODEFROY.
                                                      En, dat ’k zou maaken,
Dat hy tot dat geluk, hoe eer hoe liever, raake.
GEERTRUID.
(425) Noch beter, en men kon geen aardiger bedrog
Verzinnen. Slegte Man, laat u een Vrouwe dog
Eens helpen uyt uw waan. So ’t onder ons mag blyven,
Gebruykt hy Saartjens naam, ’t is maar wat tyd verdryven,
Hy heeft in haar geen zin, dat ’s ’t eyer eeten niet.
(430) Sy dient tot deksel maar, daar gy niet door en ziet.
’t Is aardig voorgewent, om ’t geen men doelt te dekken;
Doch ’k wil u beide wel uyt deze dwaaling trekken.
GODEFROY.
Maar Suster, die zo veel te weten u verbeelt,
Seg ’t ander voorwerp eens, dat Eelharts zinnen streelt.
GEERTRUID.
(435) Wilt gy het weten dan?
GODEFROY.
                                              Wie is ’t?
GEERTRUID.
                                                              Ik ben ’t.
GODEFROY.
                                                                              Gy Suster.
GEERTRUID.
Ik zelf.
GODEFROY.
            Ha, ha!
GEERTRUID.
                        Wat wil dat ha.
GODEFROY.
                                                  Ha, ha? wie luster
Niet hard te lacchen, ha.
[p. 22]
GEERTRUID.
                                    Vind gy dat lacchens waardt,
’k Zou u doen konnen zien, dat ’k ben van zulk een aart,
Dat meer als een hart legt gebogen aan myne voeten.
(440) Dorante, Damis en Cleonte zullen moeten,
Met Licidas by u van myn bekoorlykheyd
Getuygen zyn.*
GODEFROY.
                        Is ’t waar? Maar, wat voor zekerheyd
Dat zy uw Minnaars zyn?
GEERTRUID.
                                        Met al haar hart en zinnen.
GODEFROY.
Hebben zy ’t u gezegt?
GEERTRUID.
                                    Dat moesten z’eens beginnen.
(445) Haar eerbied is zo groot geweest tot deze stond,*
Dat nooit een enkel woort van min ging uyt haar mond.
Doch van haar hart en dienst verzek’ren my haar oogen,
Die stomme tolken zyn van ’t geen zy my niet mogen
Met woorden drukken uyt.
GODEFROI.
                                          Maar, niemant Damis ziet,
(450) Ooit komen aan uw huys.
GEERTRUID.
                                                  Dat ’s om zyn diep’ eerbied
Te toonen.
GODEFROI.
                En Dorant doet niet als op u smaelen,
GEERTRUID.
Zyn harssens menigmaal door zyn jaloersheyd dwaalen:
GODEFROI.
Cleonte en Licidas zyn onlangs noch getrouwt.*
[p. 23]
GEERTRUID.
De wanhoop deed ’t hun doen, dat hun nu bitter rout.
GODEFROI.
(455) Al wat gy my daar zegt, zyn ingebeelde droomen.
RIJKHART.
Ontdoet u van die waan om ’t spotten voor te komen.
GEERTRUID.
Ja waan, niet waar? ’t zyn droomen; nu ’t is goed;
Laat het inbeelding zyn, en laat my myn gemoed
Maar kittelen met waan, ’t zyn al maar nagtgezigten,
(460) Die ’k niet wist dat ik had, ’k dank u voor ’t onderrigten.



VIERDE TOONEEL.

RYKHART, GODEFROY.

RIJKHART.*
Z’ is zot.
GODEFROI.
                Haar zotheyd groeyt noch aan van dag tot dag,
Maar, Broeder, staa my toe dat ik weer komen mag
Tot ’t geen ik straks begon. Wilt gy uw Dochter geven
Aan Eelhart, om met hem in d’echten staat te leven?
RIJKHART.
(465) Is ’t vragens waart? ik stem dit huw’lijk toe van hert.
En houd het voor een eer, dat hy myn Swaager wert.
GODEFROI.
Gy weet, dat ik niet breed kan van zyn midd’len spreeken,
En dat hy...
RIJKHART.
                Dat is niets, dat zal de koop niet breeken:
Want, dat ik hooger schat, hy ’s ryk van eer en deugt,
(470) Behalven dat ik met zyn Vader in myn jeugt
[p. 24]
Zo naeuw een vriendschap hield, dat ons de Wereld achte,
Maar eene ziel te zyn.
GODEFROI.
                                  Laat ons uw vrouw nu trachten
Te krygen op ons zy.
RIJKHART.
                                  Hy hoeft alleen myn stem.
’k Neem hem voor zwaager aan.
GODEFROI.
                                                    ’t Is goed! maar om de klem
(475) Te geven aan dit werk, zal ’t niet ondienstig wezen,
Dat wy uw Vrouwtjen ook met zoetigheyd belezen.
Kom laat ons gaan.
RIJKHART.
                              Hoe is ’t? ’t is of ge met my spot,
’k Staa voor haar in, en neem ’t op my, ’k en ben geen zot.
GODEFROI.
Maar...
RIJKHART.
          Laat my maar begaan, en wil dat talmen staeken,
(480) Ik zal haar zo aanstonds myn wil bekent gaan maeken.
GODEFROI.
’t Is goed, en ik meen eens by Saartje t’onderstaan,
Hoe haare meening is, dan kom ik herwaarts aan,
En zie hoe gy...
RIJKHART.
                        ’t Is een gedaane zaak, geen grillen
Meer, dat ’k ’t myn Wyf vertel, geschied om welstaans wille.



[p. 25]

VYFDE TOONEEL.

FEMMETJE, RYKHART.

FEMMETJE.
(485) NU heb ik vast de pest, men zeyt de hond is dol,
Als m’ hem verdrinken wil, de moet is my zoo vol.
De dienst by goe lien is geen erfgoet.
RIJKHART.
                                                            Hoe, wat is’er?
Wat schortje Femmetje!
FEMMETJE.
                                    Wat me schort?
RIJKHART.
                                                              Jaa.
FEMMETJE.
                                                                      Niet wisser,
Als dat men ’t open gat my wyst.
RIJKHART.
                                                    Is ’t waar,
FÉMMETJE.
                                                                    Jouw Wijf*
(490) Jaegt my ten huyze uyt.
RIJKHART.
                                            ’k Verstaa ’t niet, hou u styf,
Wat duyvel zal dat zyn?
FEMMETJE.
                                    Zy drygt, zo ’k niet verhuyze,
Met ongebranden as te dooden al myn luyzen.
RIJKHART.
En ik wil dat gy blyft, ik ben van u voldaan,
Myn Wijf is heet van hooft, het zal’er zoo niet gaan,
(495) En ik verstaa het niet.



[p. 26]

SESDE TOONEEL.

GEERTRUYD, MARGRIET, FEMMETJE, RYKHART.*

MARGRIET.
                                            Caronje, zoud’ ik moeten,
Jou hier noch langer zien, jou hoer, ras repje voeten,
En pak jou spillen op, en kom uw leven niet
Weer onder myn gezigt.
RIJKHART.
                                    Al zacht.
MARGRIET.
                                                  Dat ik gebied,
Dat moet geschien.
RIJKHART.
                              Nu.
MARGRIET.
                                    Ik verstaa ’t, zy zal vertrekken,
RIJKHART.
(500) Maar wat heeft zy gedaan?
MARGRIET.
                                                    Zult gy dat vel verstrekken
Tot voorspraak?
RIJKHART.
                        Neen gansch niet.
MARGRIET.
                                                Of neemt gy haar party.
RIJKHART.
Neen zeker niet; maar mag ’k niet vraagen, wat dat zy
Gedaan heeft?
MARGRIET.
                        Ben ’k een Vrou die zonder groote reden,
Een Meyt weg jaagen zou?
[p. 27]
RIJKHART.
                                            Je weet wel dat men heden
(505) Veel door de vingers ziet, om wel te zyn gedient.
MARGRIET.
Zy zal’er uyt, zeg ik, zyt gy dat beest zyn vriend?
RIJKHART.
Neen; dat wagt ik my wel.
MARGRIET.
                                        Wie zou my dog beletten,
Hier meester in te zyn, ’k ontfang van niemant wetten,
En wil gehoorzaamt zyn; Waart gy een redelyk Man
(510) Gy naamt het voor my op.
RIJKHART.
                                                  Dat doe ik, sa, kom aan
Jou belie, pak je goed, wilt gy wel zyn geraaden,
Het geen gy hebt gedaan verdient gans geen genaade.
FEMMETJE.
Wat heb ik dog gedaan?
RIJKHART.
                                    Dat weet ik zellef niet.
MARGRIET.
Dat ’s een stuk vleeschs, een beest, dat nergens quaad in ziet.
RIJKHART.
(515) Maar zeg my eens, wat stof zy gaf om haar te haeten,
Is ’t dat ’s een spiegel brak of Porceleine vaeten?
MARGRIET.
Dat waar geen kyvens waert.
RIJKHART.
                                            Jou zog, ik wed ik raa ’t
Hebt gy haar ook betrapt op ontrouw?*
MARGRIET.
                                                            Neen haar daat
Is erger als eens diefs.
RIJKHART.
                                    Noch erger?
[p. 28]
MARGRIET.
                                                        Ja veel grover.
RIJKHART.
(520) Wat duyvel is het dan? jou verken, ’t gaat’er over
Heen, zouw ze wel...
MARGRIET.
                                ’t Lykt nergens na, dat botte beest,
Naa zoo veel lessen, die zy, om haar plompe geest
Wat te beschaeven, krygt, ontziet zig niet myn ooren
Te quetzen met een woort, dat ik niet aan kan hooren,
(525) Een basterwoort, dat lang van Vondel en van Hooft
Al uytgemonstert is, en my het oorvlies klooft,
Als ’t uytgesprooken wert, dat in janhaagels monden
Alleen nog leeft.
RIJKHART.
                            Is dat het?
MARGRIET.
                                            Wie kan zien de gronden
Van alle wetenschap vertreden met een voet?
(530) De letterkunst, daar elk zyn taal naer richten moet,*
Die Vorsten zelf de wet voorschryft van wel te spreeken,*
Die zal een lompe Meit in myn gezigt verbreken,
RIJKHART.
’k Dacht dat zy schuldig was aan grover euveldaat.
MARGRIET.
Hoe, vind gy dat dit stuk verdienen kan genaad?
RIJKHART.
(535) Wel jaa.
MARGRIET.*
                    ’k Wou wel eens zien, dat gy voor haar dorst spreeken.
RIJKHART.
’k Zal ’t my wel wachten.
MARGRIET.
                                        ’k Zeg, dat voor zulke gebreeken
Gansch geen verschooning is, ’t is deerlyk om te zien
[p. 29]
Dat onze schoone taal, door een Moffin, aan wien
Geen zalf te smeeren is, door lompe zamestelling
(540) Van woorden wort gevilt, en dat door boersche spelling
De spraak verbastert word, schoon men haar duyzentmaal
De wetten heeft geleert van een hervormde taal.
FEMMETJE.
’k Loof dat het mooy is al, dat ik je daar hoor praaten,
Maar al ’t kraamers Latyn en kan geen Dienstmeyt baaten.
MARGRIET.
(545) Noemtge, onbeschaamde vel, kraamers Latyn een taal,
Wiens zuyverheyd tot grond en regelmaat en paal
Gezonde reden eischt, en het gebruyk van mannen,
Die ’t ruuwe schaaven af, en al ’t uytheemsch verbannen.
FEMMETJE.
Als men zig doet verstaan, dan spreekt men altyd wel,
(550) En jou schoon praat, Mevrouw, met al jou mooy gestel,
Niet dienen neen aan myn.
MARGRIET.
                                        Zie daar een goelyk staaltje,
Schoon praat niet dienen neen. Dat ’s een Janhaagels taaltje?
GEERTRUYD.
Onleerzaam hersenvat, ’t is hooi met u gedorst,
Men leert u vrugteloos, die zoo de spraak bemorst.
(555) Zult gy dan nimmermeer ’t geschil van de geslachten
Der woorden worden wys? en ’t onderscheyt verachten
Van ’t man en vrouwelyk? men zegt niet jou schoon praat;
Maar uwe schoone praat. voorts, zeg eens, wie verstaat
Een zin, verwart door twee ontkennende gedeeltjens?
(560) Daar een genoeg moet zyn.
FEMMETJE.
                                                    Geleerde Jufferbeeltjens
[p. 30]
Zou ’k tusschen Man en Vrouw niet weeten onderscheyd,
Dat hebben al geleert, toen over langen tydt
Myn Zusjen en myn Broer van Moer gebakert wierden,
Maar meester Jurrien, een vent die wakker tierden,
(565) Heeft my de Mans en Vrouws van woorden niet geleert.
Ik hebben in die konst myn leven niet studeert,
Ik spreek myn Moertjens taal, als al ons dorpelingen,
En als my Vaartje spraak.
GEERTRUID.
                                        Wie kan zig nu bedwingen?
MARGRIET.
Het gaat my aan het hart, wat grover fout is dat!
(570) Wat maakt die plompe taal in ’t oorvlies my een gat!
GEERTRUID.
Nu zie ik, dat uw geest niet kan dan stofflyk wezen,
Ik heeft men nooyt als in ’t enkel getal gelezen,
Hebben veelvoudig is, hoe voegtge die by een?
Wilt gy de letterkunst zo slingeren by ’t been?
FEMMETJE.
(575) Ik ken geen lekkerkunst, ik ben met spek en boonen
En erten opgevoed.
MARGRIET.
                                ô Hemel!
GEERTRUID.
                                                Hebt gy Moonen
Zyn spraakkunst nooyt gezien? men heeft u duyzentmaal,
Den weg gewezen om te spreeken beter taal.
’k Heb u zelf onderregt, en heb u meenig werven
(580) Getoont, waar ’t woord van komt, myn God, gy doet my sterven!
FEMMETJE.
Wat bruyt het myn, by gort, of ik den oorspronk weet,
[p. 31]
Of ’t kom uyt Drent of Twent, dat acht ik niet een beet.
GEERTRUID.
Wat hebt g’ een boersche ziel! de letterkunst geeft wetten
Om by het werrik* woord het noemend woord te zetten,
(585) En ’t naam woord, dat de kunst een bygevoeg’lyk heet,
Den naamval geven, die ’t zelfstandig woord bekleet.
Die konst leert ons ’t gebruyk van al de ledenwoorden,
Waar dat men de, of den, of die of het behoorden
Te zeggen, waar men haar, of hun, of wien, of wier
(590) Moet schryven. Dit alleen geeft aan de taal een zwier.
FEMMETJE.
Dat volkje ken ik niet, maar ’k hebben van de Poepen
Wel hot, en haar, en heu in ’t ploegen hooren roepen;
Maar wie dat naamval is, of het zelfstandig woord,
Of werk of noemend woort en heb ik nooyt gehoort.
(595) Ik ben in ’t Haaneboek van jongs op onderwezen,
En heb de Trap der Jeugt al vlytig doorgelezen,
Daar naa d’Historien van David en den Reus
Van buyten opgezegt; maar ik heb nooyt den neus
Gestoken in een boek, waar uyt ik al die luyden
(600) Zou kennen, die gy noemt, of wat haar naam beduyden.
MARGRIET.
Hoe is het uyt te staan!
GEERTRUID.
                                    Dat zyn geen menschen, Meyt,
Maar naamen, die men geeft aan woorden, en daar leyt
De kunst in, dat men die bequaam kan saamen knoopen.
FEMMETJE.
                                            Ik stel dien bruy te hoopen,*
(605) Dat volk dat bruyt myn niet, of het is eens gezint
Of dat het kyven wil.
MARGRIET.
                                  Zwyg Zuster, ’t is maar wind.
[p. 32]
Tegen haar Man.
En gy zoud zulk een vel in huys noch houden willen?
RIJKHART.
Gansch niet. Wat zal ik doen? ’k moet al die zotte grillen
Opvolgen; Hoor eens kind, gaa Femmetje slegts heen,
(610) Vertrek zonder gerugt, schoon ik uw staat beween.
MARGRIET.
Hoe spreekt je zo beleeft? my dunkt ik aan uw spraake
Kan merken, dat gy vreest dat schepsel quaat te maaken.
RIJKHART.
                                                            Zagt,
Ik! neen, gaa voort aanstond. vertrek myn arme kind.



ZEVENDE TOONEEL.

GEERTRUID, MARGRIET, RYKHART.

RIJKHART.
NU hebj’ uw zin, z’ is weg, maar evenwel ik vind
(615) Het wonderlyk, een Meyt om zulke beuzelingen
Te stooten uyt het huys, die vlytig doet haar dingen,
Waar toe zy is gehuurt, die trouw is, knap...
MARGRIET.
                                                                      ’k Geloof
Dat ’t u niet scheelen zou, al maakte zy my doof,
En schoon den ganschen dag haar boersche en lompe reeden
(620) Quetsten myn teder oor, en duyzent doon aan deeden,
Schoon ’k al de wetten, van de reeden en ’t gebruyk,
Door een Barbaarschen hoop van woorden, die dat puyk
Van ’t Poepenland braakt uyt, moest zien met voeten treeden,
Noch zout gy gaaren zien, dat wy geduldig leeden
[p. 33]
(625) t’Rabraeken van de tael, en ’t lappen van ’t een woort
Aen ’t andere dat het gaept; dat men gestaeg brengt voort
Spreekwyzen door de goot gesleept van d’achterstraeten.
GEERTRUID.
Het klam zweet breekt my uyt door al myns lyfs togtgaeten,
Als ik haer spreeken hoor, Vondel, Oudaen en Hooft,
(630) Worden van haer gehakt, gekerft, door ’t hard geklooft.
Het konstgenootschap, Brand, met Pels en Vollenhoven,*
(Die alles, dat voorheen in Neerland blonk, verdooven:
Aen wie de naezaet zal voor eeuwig zyn verpligt
d’Herstelde moedertael) die spuwt zy in ’t gezigt.
(635) De kruyers, die Jan Vos of Breeroos klugten leezen,
En spreeken nooyt zo lomp; daar kan geen lapper weezen
Of snyer, die een tael zo ruw lapt uyt de keel,
Zy gaept niet, of daar is een woort drie vier te veel.
Vaek rollen uyt haar mont zes zeven lettergreepen,
(640) Die door gelyke klank een wanspraek met zig sleepen,
By meesters van de konst kakophonie genoemt,
Een mislag, die met regt van kenners is gedoemt.
RYKHART.
Wat scheelt my het verzuym van zulke zotte wetten,
Als zy maer op de pot en keuken knap kan letten,
(645) ’k Heb liever, als zy ’t moes maer zindelyk verleest,
Dat juyst haar spraek niet schoeit op zo een nette leest.
’k Hoor liever slegte tael, en als Janhaegel kouten,
Als dat het eeten brand, of is te veel gezouten.
Potage geeft my hart, geen opgepronkte tael.
(650) Leert Vondel, of de sop te vet is of te schrael!
En Moonen, Pels, en Hooft, die u tot voorbeelt strekken,
Die zouden by de pot staen kyken, als drie gekken.
MARGRIET.
Hoe grieft die zotte klap myn hart! is dat een Man?
Verdient gy wel dien naem? ik schaem my, dat ik an
[p. 34]
(655) Zo laeg een geest my ooyt heb door de trouw verbonden.
Waer heb ik zo een bloet tot myn verdriet gevonden?
Die nergens om en denkt, als ’t geen dat stoff’lyk is,
En nooyt zyn ziel verheft tot de geheimenis,
Die in een nette tael, verheven styl, en woorden,
(660) Die kragtig zyn van zin, besloten is; behoorde
Dat lichaem, dat maer is een lomp en lastig* pak,
Wel meer geschat te zyn, als dat het is een zak,
Daer onze schoone ziel zig voor een tyd in berge?
En naeuwlyks verdient, dat zig de geest eens verge
(665) Te letten, hoe dat moet door spys en drank bestaen.
RYKHART.
Myn lichaem ben ik zelf, dat wil ik gaede slaen:
Een zielzak, zo je wilt, marr dien ik houd’ in waerde.
GEERTRUID.
Het lichaem met de ziel maekt, Broeder, hier op aerde
Wel de gedaente uyt; maer, zo gy slaet geloof
(670) Aen ’t geen geleerde mans ons zeggen, en niet doof
Voor wysheyds lessen zyt, zo moet het lichaem geven
Den rang aen onze ziel, en zo m’ in zorg moet leven
Hoe dat men zal bestaen, dan moet de wetenschap
Tot voedzel van den geest verstrekken eerst haer sap.
RYKHART.
(675) Voorwaer, zo gy maer denkt om aen uw ziel te schaffen
Wat voedsel, dunkt het my, en yeder, een zeer laffe
Kost voor een mensch te zyn, en ’k zie niet dat gy peynst.....
MARGRIET.
Peynst, dat woord klinkt my hard, en zo ik ongeveinst
Myn oordeel zeggen mag, het riekt naer ’t ouerwetsen,
(680) En moet een lekker oor van deze tyden quetsen.
GEERTRUID.
’t Was goed, doe men gelobt als in een halsband stond,
En kousen met Kanons en wyde broeken vond.
[p. 35]
RYKHART.
Stae toe dat ik het zeg, want ’k kan niet langer swygen:
Ik licht het masker af, myn hart moet ruymte krygen.
(685) De gansche werelt zegt, datje zottinnen zyt,
En, datje van de vyf al zyt twee zinnen quyt.
En ’k vrees...
MARGRIET.
                      Wat ’s dat.
RYKHART.
                                      Tot u, myn Zuster, ik nu spreeke.
De minste mislag, die begaen word by de leeken,
Die ongelettert zyn, steekt uwe gramschap aen,
(690) Daer’er in uw gedrag worden veel meer begaen.
Al wat je babbelt, is van schriften en van boeken,
Daar vult gy ’t huys mee op: die laet ik voor de kloeken,
En als ik een Kronyk of Boek van Kats bezit,
Tusschen wiens blaed’ren ik myn beffen, als zy wit
(695) En schoon zyn, leggen mag, of die ik kan gebruyken,
Om den opgaenden rand myn hoeds neer te doen duyken,
Dan ben ik wel te vreen. De rest wou ’k datje smeet
In ’t vuur, of voor kleyn gelt SEPTRANUS overdeet,
En al dat gestudeer liet aen de Professoren,
(700) En ’t natuurs onderzoek aen onze Stads Doctoren,
Daar ’t schrael genoeg by is.’t waar beter, datje mee
De hand sloegt aan de wasch, gelykje Moeder dee:
Als datje middernachts op zolder legt te raezen,
En kyken uyt het dak door dertig voetse glaezen.
(705) ’t Waer beter, datje wist hoe ’t in de keuken staet,
Als wat’er in ’t gesternt’ of Hemel omme gaet;
Datje gedurig zaegt, al wat de booden deden,
Als zoeken in de Maen, Rivieren, Bergen, Steeden.
Beneen loopt ’t al in ’t wilt, wyl gy ten duursten koopt
(710) Het weeten, naer wat wet dat zon of dwaalster loopt.
’t Is ook niet ongegrond, dat Wijven, die studeeren,
[p. 36]
Verdacht zyn, dat zy juyst geen vrouwen zyn met eeren.
Al d’yver van een vrouw, en al haer wetens lust,
Moet strekken om haer huys met overleg en rust,
(715) En tot haers mans vermaek, met order te beheeren,
Zy moet haar kinders deugt en goede zeden leeren.
Het spreekwoort, dat wel eer was in onz’ ouders mont
Toont dat zy waeren wys, en op geen lossen gront
Geloofden, dat een vrouw genoeg wist om te trouwen,
(720) Als zy een dondervlaeg of regenbuy kon schouwen,
En haere geest genoeg verheven was en kloek,
Als z’onderscheiden kon een wambais van een broek.
Haer vrouwen laezen niet, maer waren goet van leven
Al haer geleertheyd was op ’t huys wel acht te geven:
(725) ’t Naaikussen was haar boek, met draet en vingerhoet,
Daer zy voor dag en dauw mee naeyden ’t kinder goet:
Des Winters by den knaep zat Moeder met een Dochter,
Twee, drie te spinnen of te naeyen, niemant zochter
Door mannen werk te zyn by yder een geroemt,
(730) Of op de schrijvers rol met lof te zyn genoemt.
Nu zie ik niets, als inkt, papier, en pen en boeken
Hier zwieren door het huys, en daer en zyn geen hoeken,
Die niet een boekekas of lessenaer beslaat.
Hier hebje een Werelts kloot, en gints een lucht pomp staat:
(735) Daer hangt een zwart tafreel, met al de snorrepypen,
En toestel van de konst, hier ziet men glaezen slypen,
Daer kroezen aen den haert: daer ’s geen geheim zoo groot
In wiskunst of natuur, dat hier niet word ontbloot.
Men dringt zelf met zyn geest in Gods geheimenissen,
(740) En durft zeer roekeloos de zwaerste twisten slissen,
Daer van een Godgeleert hoog Leeraar op den stoel
Zyn meening nooyt en uyt, als met een klein gevoel
Van zyn bepaelt verstant: Men zoekt een zin te haelen
Die nieuw is, en een leer te gronden op de taelen,
[p. 37]
(745) Die ’t mannen past alleen te kennen: en men spreekt
Al, om van zo een quast, daar niet veel meer in steekt,
Als in die Driessottyn, Hebreeuws en Grieks te leeren;
Om op een vaste grond, als mans te redeneeren,
Men neemt voor Meesters aen, die d’armoe in haer jeugt
(750) Hield van de rechte weg, tot wetenschap en deugt.
Men zoekt de sleutel van de duysterste geschriften
By dromers, zonder geest, die na haer domme driften
De zotste inbeeldingen voor wysheyd pryzen aen,
Die van den ouden tyd nog tael, nog zwier, verstaen.
(755) Die pas zo veel Latyn, Hebreuws, of Grieks besitten,
Dat zo Schreveel haer eens, of Calepin liet zitten,
Of zo haer Buxtorf niet kon redden uyt de noot,
Zo zouw haer botheyd ras staen voor de Wereld bloot.
En dit zyn nu ter tyd, die hoogverlichte bazen,
(760) Die van een klaerder licht en grooter kennis razen,
Dit is dat vrouwlyk rot, dat zo veel onrust geeft,
Waer van uw dienaer ruym zyn dubbeld aendeel heeft.
Daer s’niets zo ongerymt, zo zot, zo buytensporig
Dat men niet staende houwt: ik word gek en baloorig:
(765) Want ’t is al, wat men hoort geheimnis, wat men ziet
Voortbrengen uyt de schrift, men eigentlyk verbiet
Te nemen; het zyn al verbloemde sprekenswyzen;
Die men draeyt uyt Gods woord: Een letterzin te pryzen
Is of men wraeken wou den rykdom van den geest,
(770) En die ’t best droomen kan, verheft men ’t allermeest.
Men weet al, buyten ’t geen, dat men behoort te weeten.
De Zon en Maen haer loop, de Sterren, de Planeten,
Mars, Venus, en Saturn zyn meer bekent, dan ik;
Den Noordstar en den beer die kent men op een prik.
(775) Dog, wyl men met dien drift tot studie is bezeten,
Vergeet men wat de Man zal op den middag eeten.
De booden, om by u in ’t goede blad te staan,
Hangt ’t hooft naer wysheyd mee, en trekken zig niet aen,
Hoe ’t in de keuken staet: zy redenkavlen mede,
[p. 38]
(780) En redenkav’lende verliezen zy de rede:
Het huyswerk word verzuymt, ik word niet opgepast,
En Knegt en Meyt vergeet, het geen hen wert belast.
De Meyt verzuymt ’t gebraet, terwyl zy een historie
Leest verre van den haert. De Knegt, die zyn memorie
(785) Vast ballast met een vers, dat hy van buyten leert,
Vergeet ras, dat zyn Heer heeft wyn of bier begeert.
En eyndlyk, wyl al ’t volk uw voorbeelt wil betrachten,
Is niemand, die myn dienst of zynen Heer wil achten.
Een arme sloof, die niet was aen die zotheyd vast,
(790) En die tot dezen tyd my trouw heeft opgepast,
Jaegt men met groot gebaer ten huyz’ uyt, zonder reden,
Om dat zy juyst niet spreekt, als Hooft of Vondel deden.
Zuster, ik zeg nog eens, al dit gebruy moet weg:
Want ’t is tot u alleen, myn Zuster, dat ik ’t zeg.
(795) Al dat Latijnsche volk moet hier van daen vertrekken,
En Driessottyn voor al, die hooftnar van de Gekken:
Die is ’t, die u het hooft doet draeyen, als een tol,
En maekt u allegaer met zyn gedichten dol;
Als hy een uur lang heeft gekakelt, moet men zoeken
(800) Wat zin zyn rede heeft, en ik loof, dat die kloeke,
En wyze gek zo zeer van zinnen is ontbloot,
Dat die hem dienst zou doen, die hem in ’t Dolhuys sloot.
MARGRIET.
Wat slegtheyd, goede God, van tael en geest ik hoore!
GEERTRUID.
Uw Man is, van zyn teen tot boven aen zyn* ooren,
(805) Van d’allerlompst’ en grofste deeltjens toegestelt,
Hy z’ onder ’t fijnste slag zyn leven niet getelt.
Een stoffelyke geest, gelyk der boeren geesten,
Van vezeltjens aen een geflanst, of als der beesten,
Die ’t lichaem, als het zout, slegts voor verrotting vryt.
(810) Is ’t mogelyk, dat gy met my gesprooten zyt
Uyt een en ’t zelve bloet! de schaemte doet my wyken,
[p. 39]
Wyl ik niet langer kan dat slegthooft aan staen kyken.*



ACHSTE TOONEEL.

MARGRIET, RYKHART.

MARGRIET.
IS ’t lang genoeg gepreekt, of heb gy noch al meer
Te smaelen op ons doen?
RYKHART.
                                        Ik, hartje lief, begeer
(815) Geen twist met u, myn schat, laet ons wat anders praten.
Uw outste dochter toont in al haer doen en laten;
Dat zy het huw’lyk haet, en maer haer zinnen zet
Op wysgeert’, en alleen op wetenschappen let.
’k Heb daer niets tegen, en my dunkt, gy hebt het beste,
(820) Als moeder, met haer voor; maer Saertje, onze leste,
En jongste vrucht schynt my heel anders van humeur,
En ’k loof, indien men haer een Man gaf nae haer keur,
Dat men geen kwaed zou doen.
MARGRIET.
                                            ’k Heb lang dat door myn zinnen
Al laten gaen, en ’t geen my hier op quam te binnen,
(825) Wil ’k u wel deelen mee. Die wyze Driessottyn,
Daer yeder een op schrolt, en uytbraekt zyn venyn,
En daer men schand van spreekt, dat wy met hem verkeeren,
Ja dien gy zelf niet wilt naer zyn verdiensten eeren,
Dien geef ik haer tot man: die staet my wonder aen.
(830) ’k Weet immers wat’er dient gelaeten of gedaen
Tienmael zo goed, als gy. ’t Zal ook onnodig wezen,
Een woort hier tegen in te brengen, gy mogt vreezen,
Zo gy bedilt de keur van zoo een treff’lyk Man.
Ik houd het voor gedaen, en zo ik merken kan,
[p. 40]
(835) Dat gy ’t uw Dochter zoud onsmaek’lyk willen maeken,
Zo wagt u ooit of ooit my weder te genaeken.
Myn wil zy u genoeg, die u voor rede strekt,
’k Gae naer uw dochter toe, eer gy haer daer van trekt.



NEGENDE TOONEEL.

GODEFROY, RYKHART.

GODEFROY.
WEl nu, je Wijf loopt heen, en, Broeder, ’k kan wel merken
(840) Dat tusschen u en haar zo even al wat sterke
Taelvoering is geweest.
RYKHART.
                                ’t Kan toe.
GODEFROY.
                                                Hoe is ’t gegaen?
Is Saertje nu aan ons? heeft zy het toegestaen?
Is ’t een gedaene zaek?
RYKHART.
                                  Heel niet.
GODEFROY.
                                                Wil zy het trouwen
Beletten?
RIJKHART.
                Neen.
GODEFROY.
                        Wil zy ’t in haer beraed noch houwen?
RIJKHART.
(845) Geenzins.
GODEFROY.
                          Wat isser dan.
RIJKHART.
                                                Zy biet een ander aen.
[p. 41]
GODEFROY.
Een ander, zegje!
RIJKHART.
                            Ja, een tweeden Baviaen*
GODEFROY.
Hoe heet hy?
RIJKHART.
                        Driessottyn.*
GODEFROY.
                                            Myn God, Broeder dien lompert
Die altyd van Latyn en verzen zwetst!
RIJKHART.
                                                            Dien plompert.
GODEFROY.
Hebt gy het toegestaen?
RIJKHART.
                                    Neen, dat zy ver van my.
GODEFROY.
(850) Wat zeyt ge dan?
RIJKHART.
                                    Geen woort, en ’k was van harten bly
Dat ’k zweeg, om in geen twist met haer my in te laeten.
GODEFROY.
Die rede gelt, my dunkt, gy vordert boven maeten.
Ten minsten hebt gy haer Heer Eelhart voorgestelt.
RIJKHART.
Neen: want, dewyl zy sprak van dezen and’ren helt,
(855) Dacht het my ongeraen, van Eelhart eens te kikken.
GODEFROI.
Uw wysheyd en beleyt, om zaeken te beschikken,
Zyn, Broeder, wonderlyk! Maer, ’k schaem my dat een Man
Zo slap, en als een Wijf, flaeuhertig wezen kan.
Hoe kunt gy zo uw Vrouw ’t bewind van alles geven,
(860) Dat gy nooyt haer besluyt zoud derven tegenstreven?
[p. 42]
RIJKHART.
Ja, Broer, gy praet al mee zo wat op jou gemak;
Doch weet niet wat een Wyf is voor een lastig pak.
Ik houde van de rust, de zachtheyd, en de vrede;
En schrik, als voor de doot, om in geschil te treeden.
(865) ’t Is een vervaarlyk Wyf, dat voor geleert wil gaan,
En neemt met hovaardy den naam van wijsgeer aen.
Dog dit belet haer niet, te raezen en te tieren,
Haer zedenleer bestiert in ’t minst niet haer manieren,
Noch kan de bitterheyd niet temp’ren van haer gal:
(870) En schiet haer iet in ’t hooft, daer ymand by geval
Een woortje tegenspreekt, die mag wel rek’ning maeken
Dat hy een gansche week van ’t onweer niet zal raeken.
Ik sidder op haer stem, en ’t best is; dat ik maek
Uyt haer gezigt te zyn, want ’t is een helsche draek,
(875) En, schoon de duyvel zelf my minder zou verveelen,
Moet ik noch hartje lief, en zoeten engel speelen.
GODEFROI.
’t Lykt wel gek scheeren, en, hier onder ons gezeit,
Dat uw Wijf meester is, komt van uw laffigheit:
Uw slapheyd maekt haer stout, en dat zy zo derft baeren
(880) Doet, dat gy haer niet eens derft in den snaeter vaeren.
Gy geeft u over als een overwonnen man,
En volgt, gelyk een dier, dat wel een jonge kan
Gelyden by den neus. Wat duyvel! wilje voeren
Den naem van Man, en u zoo beestig laeten loeren.
(885) Schep moed, verhef uw stem eens helder op, en zegt
Ik wil ’t, ’k verstae het zo, en d’eerste, die myn regt
Van huysheer hier betwist, zal van den duyvel droomen,
Hoe zal ’t er langer gaen? ’t zou noch wel schoonder komen!
Zoud gy uw Dochter aen uws Wijfs krankzinnigheyd
[p. 43]
(890) Ten besten geven? en voor eeuwig dat verwyt
Aenhooren moeten, dat g’ uw dochter zoud ten prooye,
Met al uw schoone gelt, aen zo een zots kap gooyen?
Die voor een woord vyf zes aen kraemers slegt Latyn,
Daer hy uw Vrouw mee hult, zou Saertjes Bruygom zyn:
(895) Een stinkende pedant, dien twee drie slegte Wijven
Den naem van frayen geest en Filosoof aen vryven,
Als of hy zyns gelyk in ’t dichten niet en had,
Daer hy niet wyzer is als Salomon zyn kat.
Wat: is ’t belachelyk zo een Jan gat te wezen!
(900) Laet van die blooheyd eens uw laffe ziel genezen.
RIJKHART.
Ja, Broer, gy hebt gelyk, ’t komt van myn zottigheyd,
’k Zal toonen, dat ik ben de Man.
GODEFROI.
                                                    ’t Is wel gezeyt.*
RIJKHART.
Wat schande voor een Man als Onderdaen te leven,
En als een slaef op ’t woord van zo een beest te beven!
GODEFROI.
(905) Zeer wel.
RIJKHART.
                z’ Heeft lang genoeg myn goeden aert misbruykt*
GODEFROY.
Dat ’s waer.
RIJKHART.*
                    Die vogel dient de wieken wat gefnuykt.
GODEFROI.
Dat ’s regt.
GODEFROI.
                Van dit uur aen zal ik vrou Helveeg leeren,
Dat ik kan met gezag myn eygen huys regeeren.
En ik zal met gevoel haer geven te verstaen,
(910) Dat niemant naer de trouw zal van myn Dochter staen
[p. 44]
Als dien ik zelf verkies, zy is myn eygen dochter.
GODEFROY.
Dat ’s red’lyk, dat ’s myn zin.
RIJKHART.
                                                Ik geef haer, ik verknogt’er
Aen Eelhart, ’t is gedaen; maer, weet gy waer hy woont
Zeg, dat hy kom zyn min met Saertje zien beloont.
GODEFROY.
(915) ’k Loop op een draf.
RIJKHART.
                                    My dunkt ’k heb lang genoeg geleden.
Nu zal ik, ’t spyt wie ’t spyt, als Man en Voogt gaen treden,
En doen vrouw Margariet van dit uur af eens zien*
Hoe ik als Man en Voogt kan in myn huys gebien.

Continue

DERDE BEDRYF.

EERSTE TOONEEL.

MARGRIET, KORNELIA, GEERTRUYD, DRIESSOTTYN, JAN.

MARGRIET.
AH kom, een yeder oopen nu zyn oor ter deegen:
(920) Men moet van woord tot woord deez verzen overwegen.
KORNELIA.
Ik brand om die te zien.
GEERTRUID.
                                    En myn nieusgierigheyd,
Doet my schier sterven.
MARGRIET.
                                    Al het geen aen u ontglyt
[
p. 45]
Is toverachtig schoon.
KORNELIA.
                                    Daer kan niet zoeter schynen
Als ’t vloeyen van uw pen.
GEERTRUID.
                                          Ik zou geen Marsepynen
(925) Verkiezen voor ’t geregt, dat gy ons oor opdist.
MARGRIET.
Hou ons niet langer op, waer toe den tyd verquist?
GEERTRUID.
’k Versmagt, en ’t uytstel doet my van verlangen quynen.
KORNELIA.
Ay haest u doch.
MARGRIET.
                            Maek spoet, doe ons verdriet verdwynen.
DRIESSOTTYN.
Helaes! Mevrouw, het is een jong gebooren wicht,
(930) Dat noch geen dag geleen aenschoude ’t eerste licht,
Wiens lot dat in uw hart meelyden moet verwekken:
Want ’k ben’er van verlost, doen ’k naer u, toe kwam trekken.
MARGRIET.
Om aengenaem te zyn behoeft dit waerdig kind
Niet als zyns vaders naem.
DRIESSOTTYN.
                                          Zo ’t uw goedkeuring vind,
(935) Die zal zyn Moeder zyn.
MARGRIET.
                                                  Wat blinkt’er in* uw rede
Een geest en aerdigheyd!



[p. 46]

TWEEDE TOONEEL.

SAERTJE, MARGRIET, KORNELIA, GEERTRUID,
DRIESSOTTYN, JAN.*

MARGRIET.
                                        Kom hier. Wat boersche zeden?
Dat gy den rug ons keert.
SAERTJE.
                                        Ik vrees, dat ik verveel,
En ’t aengenaem gesprek mogt storen.
MARGRIET.
                                                            Neen: neem deel
Met ons in dit vermaek van wonderen te hooren:
(940) Kom, naeder met eerbied, en open uwe ooren.
SAERTJE.
’k Verstae my daer niet op, en wat men schryft of leest,
Dat wonder word genoemt, kan nooyt myn laegen geest
Bekooren.
MARGRIET.
                Blyf, zeg ik, want straks als wy afbreeken,
Heb ik wat anders, om met u in stilt te spreeken.
DRIESSOTTYN.
(945) Vind gy, Mejuffrou, niets in hooge wetenschap,
Dat u het hert ontsteekt, of denkt gy de eerste trap
Te wezen van geluk, als men door toverlonken,
Kan in eens minnaers hart een liefde vuur ontvonken.
SAERTJE.
Het een gaet my zoo min als ’t ander aen het hert,
(950) En ’k wil niet...
GEERTRUID.
                                    Ah, ’t is tijd dat’er begonnen werd,
Te denken aen het Kind, zoo straks van u gebooren.
[p. 47]
MARGRIET, aan de Knecht.
Zet stoelen, op dat wy bezaedigt kunnen hooren.
De Knegt valt met de stoel.
’t Is onbegrijpelijk, dat gy noch vallen kont,
Nae men u ’t evenwigt der dingen uyt de gront,
(955) Zoo dikwerf heeft geleert.
GEERTRUID.
                                                En ziet gy niet de reden,
O plompaert, die ter aerd u nedervallen deeden?
’t Is, dat uw lompe hant het vaste stip niet kent,
Dat men het middelpunt der zaken is gewent,
Te noemen onder ons.
JAN.
                                    Ja, doe ’k was neergezegen,
(960) Begreep ik ’t ras.
MARGRIET.
                                    Bottaert?
DRIESSOTTYN.*
                                                    Gelukkig wel ter degen,
Dat hy niet is van glas.
KORNELIA.
                                    Ah! wat een ryke bron
Van geest!
GEERTRUID.
                Die droogt nooyt op.
MARGRIET.
                                                ’k wou dat men al begon
De maeltyd, die myn ziel met lekkerny zal vullen.
DRIESSOTTYN.*
Mevrouw, dewyl gy toont zo groot een lust tot smullen,
(965) Dunkt my een schoteltje, waer in een kleyn gedicht,
Maer van acht veersen is, ter loops gemaekt, te licht
Tot uw verzaediging; doch ’t zal ons niet beletten
Om, nae een Madrigal of puntdicht, op te zetten
Een klinkdigt voor ragout, dat onlangs een Vorstin
[p. 48]
(970) Nam graetig voor banket en confituuren in.
’t Is smaekelyk van zout, gy zult uw vingers likken,
En, als gy ’t hebt gehoort, noch weken lang naer snikken.
KORNELIA.
Daar twyfel ik niet aen.
GEERTRUID.
Hem geduurig, als hy wil beginnen te lezen, in
de woorden vallende
                                        Ay, geef doch wat gehoor:
Myn hart gaet al ter feest, eer eens myn graetig oor
(975) Dees lekkernyen proeft. De Dichtkonst is myn leven,
Daer ben ik raezend naer, voor al, als men kan geven
Een zwier, aen ’t geen men rymt.
MARGRIET.
                                                    Hoe kan hy zyn gedicht
Voorlezen, als gy spreekt.
DRIESSOTTYN.
                                        Klink....
GEERTRUID.
                                                    Zwyg doch stil, myn Nigt.
DRIESSOTTYN.
KLINKDICHT.
AEN DE VORSTIN URANIE
op haere koorts.
        Uw wysheyd slaept, zoud gy onthaelen
        (980) Zoo wel uw wreedste vyandin?
        En pragtig haer huysvesten in
        Uw deftig gestoffeerde zaelen.

GEERTRUID.
Hoe aerdig is ’t begin:
KORNELIA.
                                  Hoe geestig en hoe zwierig?
MARGRIET.
Zacht vloeyend als fluweel. Natuur voor and’ren gierig
(985) Gaf u alleen die gaef.
[p. 49]
KORNELIA.
                                        Uw wysheyd slaept. Wat zin,
Wat kracht! wat haelt hier by?
GEERTRUID.
                                                Maer, zyne vyandin
Huysvesten,
ik beken ’t, betoovert my.
MARGRIET.
                                                              Ik hoorde
Met meer verwond’ring niets, als deze twee bywoorden,
Pragtig en deftig, die by een, gaen boven al.
GEERTRUYD.
(990) Ah! leenen wy ons oor aen ’t geen noch volgen zal.
DRIESSOTTYN.
        Uw wysheyd slaept, zoud gy onthaelen
        Zo wel uw wreedste vyandin,
        En pragtig haer huysvesten in
        Uw deftig gestoffeerde zaelen.

KORNELIA.
(995) Uw wysheyd slaept.
GEERTRUYD.
Huysvesten zyn vyandin.
MARGRIET.
Deftig en pragtig.
DRIESSOTTYN.
        Verstoot d’ondankbre, hoe m’ ook smaele,
        Uyt ’t ryk vertrek, die niet te min

        (1000) Tracht zo beleeft een huys waerdin
        Het schoone leven te vermaelen.

GEERTRUYD.
Ah zachtjens aen, Myn Heer, laet my doch aedem haelen.
KORNELIA.
Geef tot verwond’ren tyd, ô kragt van geest en taele.*
MARGRIET.
Ik voelde op dit vers in ’t binnenst van myn ziel
(1005) Iets vloeyen; waer door ik schier van my zelve viel.
[p. 50]
KORNELIA.
        Verstoot d’ondank’bre, hoe m’ ook smaele,
        Uyt ’t ryk vertrek.

Wat is dat ryk vertrek, daer aerdig! en wat steekt’er
In d’overbrenging geest, ey zeg eens, wat ontbreekt’er?
MARGRIET.
        (1010) Verstoot d’ondank’bre, hoe m’ ook smaele.
Ah! hoe m’ ook smaele toont een smaek verwond’rens waart;
D’uytdrukking heeft geen prys, die haer verevenaert.
KORNELIA.
Myn zinnen zyn verrukt; ’k verlief op ’t hoe m’ ook smaele.
GEERTRUYD.
’k Ben mee van dat gevoel, dat niets daer by kan haelen.
KORNELIA.
(1015) Dat, hoe m’ ook smaele, wou ’k, dat ik gevonden had.
GEERTRUYD.
’t Verdient alleen een schat.
MARGRIET.
                                            Maer, heeft men wel gevat
Het fijn, dat daer in steekt, ’t welk niemant, nae ’k geloove,
Zo diep inziet, als ik: want ’t gaet ’t gemeen te boven.
KORNELIA en GEERTRUYD.
Oh! oh!
MARGRIET.
            Verstoot d’ondankb’re hoe m’ook smaele
(1020) Dat is, plyt voor de koorts, wie het ook wezen mag,
’k En acht geen oortjen waert al ’t praeten en gelag.
        Verstoot d’ondankb’re, hoe m’ook smaele.
        Hoe m’ ook smaele. Hoe m’ ook smaele.

Hoe m’ ook smaele bediet veel meer, als men zou meenen
(1025) En ’k weet niet, of elk een hier wel kan zien door heenen:
Want hier een millioen van woorden onder leyt.
[p. 51]
GEERTRUYD.
’t Is waer, ’t betekent meer als ’t uyterlyk wel zeyt.
MARGRIET.
Maer, doe gy maekte dat betoov’rent hoe m’ ook smaele,
Begreepge toen de kragt, die men daer uyt kan haelen?
(1030) Dacht gy wel zelf om ’t geen het al bedieden kan?
Dacht gy wel zo veel geest dat vers te vryven an?
DRIESSOTTYN.
Hay! hay!
KORNELIA.
                D’ondankb’re komt my ook geduurig in myn zinnen,
Ondankb’re koorts en onbeleefde vyandinne.
Die onregtvaerdige, die menschen slegt onthaelt,
(1035) Die haar nemen in huys.
MARGRIET.
                                                Kort om, de geest die steekt
In al de verzen uyt, van ’t dubbelt span van vieren.
’t Is wonder schoon; maer toon ons nu, hoe aerdig zwieren
De verssen drie aan drie.
KORNELIA.
                                      ’k Herhael noch eens voor ’t laest
Dat hoe m’ ook smaele, daer ’k my aen heb over aest.
DRIESSOTTYN.
        (1040) Verstoot d’ondankb’re, hoe m’ ook smaele.
GEERTRUYD, KORNELIA, MARGRIET.
Hoe m’ ook smaele!
DRIESSOTTYN.
        Uyt ’t ryk vertrek.
GEERTRUYD, MARGRIET, KORNELIA.
        Ryk vertrek!
DRIESSOTTYN.
                                    Die niet te min*
MARGRIET, KORNELIA, GEERTRUID.
Die ondankb’re!
[p. 52]
DRIESSOTTYN.
        (1045) Tracht zo beleeft een huyswaerdin.
        Het schoone leven te vermaelen.

MARGRIET.
Het schoone leven!
GEERTRUYD, KORNELIA.
                        Ah! ah!
DRIESSOTTYN.
Hoe! zonder eerbied voor uw rang,
(1050) Steekt z’ u naer ’t bloed, gelyk een slang.
MARGRIET, KORNELIA, GEERTRUID.
Ah! ah!
DRIESSOTTYN.
        En quelt u nacht en dag gestadig.
        Doch, zo g’ in ’t bad met haer aenland,
        Verdrink haer, bid ik, ongenaedig

        (1055) In ’t waeter met uw eigen hand.
MARGRIET.
Nu kan ik ’t niet meer harden!
GEERTRUID.
                                                Ik bezwyk.
KORNELIA.
                                                                  Ik sterve.
Van al te veel vermaek.
GEERTRUID.
                                    Myn lyf voelt duyzent werven
Een zoete kitt’ling gaen door al zyn leeden heen.
KORNELIA.
        Zo g’ in ’t bad met haer aenland!
MARGRIET.
        (1060) Verdrink haer bid ik ongenaedig;
GEERTRUID.
        In ’t waeter met uw eigen hand!
        Met uw eygen hand, verdrink haer, in ’t bad.

KORNELIA.
By yeder gang, waer mee men door uw dicht wil treen,
[p. 53]
Vind men bekoorlykheen.*
GEERTRUID.
                                          Men is als opgenoomen,
(1065) Als men het met verstand doorwandelt.
MARGRIET.
                                                        Men zou schroomen,
Zyn voet te zetten op zo kostelyk een pad.
KORNELIA.*
’t Zyn versjens heel bestrooyt met roos en myrth.
DRIESSOTTYN.
                                                                              Zo dat
Het klinkdicht u toeschynt?
MARGRIET.
                                          Zeer wonder, en ’k geloove,
Dat nooyt een Dichter u in vinding ging te booven.
GEERTRUID.
(1070) Maer, hoe kont gy, myn Nicht, terwyl men leest dit veers,
Zonder beweeging en stil zitten op uw neers?
Wat maekt gy onder ons een droevige vertooning?
SAERTJE.
Elk doet al wat hy kan in dees beneden wooning,
Een fraeyje geest te zyn staat niet in yeders hand.
(1075) Het ongeluk gaf my een laeg en klyn verstand.
DRIESSOTTYN.
Myn verzen zullen u misschien, Juffrou, verveelen?*
SAERTJE.
Neen. Want ik hoorze niet.
MARGRIET.
                                          Ah, wilt ons nu meedeelen
Uw puntgedicht.*
DRIESSOTTYN.
            OP EENE KAROSSE
        Sterk verguld, en gegeven aen een Juffrou,
        (1080) Die zeer van myne vriendinnen was.
MARGRIET.
                          Dat soort van titels toonen meest,
[p. 54]
Dat men met recht verwacht veel vrugten van den geest;
DRIESSOTTYN.
        De min verkoopt zo duur haar hand aen my;
GEERTRUID, MARGRIET, KORNELIA,
Ah! ah!
DRIESSOTTYN.
        Dat ’k met myn halve goed naeuw kome vry,
        (1085) En wie die schoone koets ziet ryden,
        Met goud besmeert aen alle zyden,
        Dat zy verbaest den ganschen Haeg,
        Waer in myn Lais rent, zo prachtig, alle daeg.

MARGRIET.
Ah Lais! hoe geleert!
GEERTRUID.
                                  ’t Bewimpsel is verstandig,
(1090) En waert een millioen; ô naem verbloemt zo handig!
DRIESSOTTYN.
        Noem haer geen Koets met goud bekleet;
        Maer wel, die my van goed ontkleet.

KORNELIA.
Oh! oh! wie had dit slot zyn leven ooyt gedagt!
MARGRIET.
’k Weet niemand, in wiens geest zit zulk een oordeels kragt.
GEERTRUID.
        (1095) Noem haer geen koets met goud bekleet,
        Maer wel, die my van goed ontkleet!

Met goud, van goed; bekleet, ontkleet, hoe zinryk speelen
Die woordekens! hoe kan die tegenstelling streelen!                               
De koets bekleet met goud, en gy ontkleet van goed:
(1100) Zo puntig een gedicht weet ik niet waer men broet.
MARGRIET.
’k Weet niet, of, doen gy eerst zyt aen myn huys gekomen,
[p. 55]
Myn geest voordeelig wiert voor uw geest ingenomen;
Maer alles wat gy schryft, in rym of onrym, komt
My wond’renswaerdig voor.
DRIESSOTTYN.
                                            Om my ook eens verstomt
(1105) Te maeken op myn beurt, Mevrou, laet ook eens hooren
Een vruchtjen van uw geest, dat onlangs is gebooren.
MARGRIET.
’k Heb niets in rym gemaekt, maer ’k hoop gy haest zult zien
Van onze t’samenkomst een hooftstuk acht of tien.
Voor heen heeft Plato wel een schets gemaekt van staeten,
(1110) Doch is daer blyven staen. Ik zal ’t’er niet by laeten,
Maer tot d’uytvoering toe het denkbeelt dryven heen,
Dat ik in onrym reets geschikt heb naer de reen.
En zal my met dat slag van redenarers mengen,
Die tot een vaste grond van Staetsbestier niet hengen,
(1115) Dat men yets zondigs stelt, tot staetsche regelmaet;
Of ’t geen in Machiavels of Hobbes schriften staet,
Met die de rust en vree der bloeyend’ Onderdaenen
Ontkennen ’t oppereind’ te wezen, en vermaenen
De burgervoogden maer te doelen op ’t bevel
(1120) Des grooten Opperheers, die wil, dat al ’t gestel
Der staeten van zyn dienst en waerheen af zal hangen,
Dat men geen kwaed toelaet, om goed daer door t’erlangen;
En dat het Heidens is, een oppermogend Heer
Te maeken voogt van ’t Regt, van Godsdienst en van Leer.
(1125) Hier door meen ik de vrouwelyke kunn’ te wreeken
Van d’ongegronde smaet der mannen, die ons steeken
Onder een dommen hoop, wier geest zoo is beperkt,
Dat zy nooyt ergens als op kinderspel en werkt.
Zy sluyten ons de deur van hoogverlicht te wezen,
[p. 56]
(1130) En zeggen, als een Vrou wat schryven kan en lezen,
Is zy geleert genoeg.
KORNELIA.
                                ’t Is ons te veel gehoont,
Te zeggen, dat de kragt des geests die in ons woont,
Niet verder zoude gaen, als dat men maer zou konnen
Oordeelen, of een jak, een tabbaert, of japonne
(1135) Staet zwierig aen het lyf. en of een kant is grof,
Of fijn, en wat doch is het allernieuste stof.
GEERTRUID.
Men moet niet langer als verschoovelingen leeven,
De scheitsmuur moet omver, de geest moet hooger zweeven:
Het kinderkleet moet uyt, de lyband moet aen stuk.
DRIESSOTTYN.
(1140) ’k Heb met eerbied altyd gesproken, als ’k ’t geluk
Had van vrouwen te zien, en, zo ’k haer flonker oogen
Met ootmoed heb gedient, haer geest had meer vermoogen
Door ’t ligt, ’t welk daer uyt scheen, om my geheel en al
Te maeken, dat ik ben haer dienaer en vassal.
MARGRIET.
(1145) De vrouwelyke kunn’ heeft niet van u te klaegen,
Maer daer is zeker slag van geesten, die zig draegen
Op hun geleertheyd trots, en spreeken van geen wyf,
Als met verachtinge; dat volk wil ik te lyf,
En toonen, dat een vrouw ook met veel wetenschappen,
(1150) Haer ziel stoffeeren kan; dat langs de zelve trappen
Wy kunnen styg’ren tot der wysheyds hoogste top.
Dat men by vrouwen ook met regt kan regten op
Vergaderingen, en geleertheyds oeffeningen,
Daer men vereent zou zien met beter order dingen,
(1155) Die mans scheyden van een: Daer zou men op een mael
De hooge wetenschap paeren met zuyvre tael:
Daer zou d’ervarentheyd door proeven klaer ontdekken
[p. 57]
Natuurs geheimen’s: Die iets in twyfel trekken
Of vraegen wilde, zou men zeggen op een rei,*
(1160) ’t Gevoelen van elk een; en kiezen geen party.
DRIESSOTTYN.*
’t Peripatetisch zou om d’order my behaegen.
GEERTRUID.
’t Platonisch zou alleen myn liefde en gunst weg draegen.
Die afgetrokkenheyd, die beelden, in den geest
Geprent, verrukken my.
KORNELIA.
                                    En my voldoet het meest
(1165) De schrander’ Epicuur. Hoe hartig is zyn leering.
GEERTRUID.
Die snipperdeeltjens zyn wel mee goed in myn neering;
Maer ’k vind veel zwaerigheyts in ’t stellen van een wyd,
Dat leedig is van stof, en veel meer vastigheyd
In d’allerfijnste stof.
DRIESSOTTYN.
                                Des zeilsteens eigenschappen,
(1170) Die Kartes heeft ontdekt, doen my haest overstappen
Tot zyn gezintheyd.
KORNELIA.
                              Ah! die kringen in de lucht,
Die draeyen, geven my een wonderlyk genugt.
MARGRIET.
Die werreltjens, die hy van boven neer doet vallen,
Staen my byzonder aen.
KORNELIA.
                                    ’k Verlang om eens te brallen*
(1175) Door nieuwe vindingen: Ah, dat men al ontsloot
De samenkomst van ons.
DRIESSOTTYN.
                                      ’t Verlangen is zeer groot
Men wacht een helder ligt uyt uw bespiegelingen:
Want voor u heeft natuur niet duysters in die dingen.
[p. 58]
MARGRIET.
’k Heb, zonder roem, al een’ ontdekkinge gedaen,
(1180) En heb zeer klaer gezien de menschen in de Maen.
GEERTRUID.
’k Heb nog geen mensch gezien; maer heel wel kunnen merken,
Zo klaer, als ik u zie, de toorens van de Kerken.
En, ’t geen waer uyt ik kon besluyten, dat aldaer
Het opperste gebied is by der vrouwen schaer,
(1185) Was, dat ik niet een haen kon op de toorens vinden,
Maer dat het hennen zyn, die tekenen de winden.
KORNELIA.
Wy meenen uyt den grond natuur en zedenleer,
En dicht en letterkonst, staetkund, en ’t geen wel eer
d’Historie ons nae liet, op t’helderen.
GEERTRUID.
                                                            Het meeste
(1190) Dat ons ter harte gaet, en daer de grootste geesten
Voortyds verliefden op, dat is de zedekunst.
Doch aen het Stoisch rot geef ik alleen myn gunst,
En by haer Wyzen man kan, nae my dunkt, niets haelen.
KORNELIA.
Men zal haest by ons zien een regel voor de taelen.
(1195) Daer staet verandering in ’t spreeken voor de deur
Door d’afkeer, die’er is by ons, door aert of keur,
Moet’er van kant een soort van naem of werrik woorden,
’t Welk doodelyk al lang ons oor en geest vermoorde:
En, om malkander hier te komen in ’t gevly,
(1200) Zal d’een om d’anders wil er weinig laeten vry.
’t Doodvonnis legt gevelt; zo ras wy saemen koomen
Zal ’t zuyv’ren van de tael eerst werden ondernoomen,
Daer ’s al een rol gemaakt van woorden, die voortaen
Als ballingen uyt rym en onrym zullen gaen.
[p. 59]
GEERTRUID.
(1205) Maer ’t edelst oogwit van deez’ onze nieuwe schoolen,
En ’t heerelykst’ ontwerp, dat ’k u niet wil verhoolen,
En dat de naezaet, die maer geest heeft, roemen zal,
Is, dat ’er woorden zyn, waar uyt men heel en al
De lettergreepen, die oneerlyk zyn, zal snyden:
(1210) Wyl meenig heerlyk woort de schaemt te veel doet lyden.
Dat eeuwig woordenspel der snaeken van dees tyd,
Die algemeene scherts, die laffe koddigheyd
In daegelyksche praet, die bron, die in de reede
Opborrelt in een hoop van dubbelzinnigheden,
(1215) Waer door een zuyver oor van een, die eer bemint,
Gequetst word, dat de schaemt geen schuylplaets meer en vint.
Dit alles moet van kant.
DRIESSOTTYN.
                                      ’t Bestek is schoon en wonder.*
GEERTRUID.
Gy zult de wetten zien, myn Heer, van dit byzonder
Ontwerp, zo ras zy zyn geschreven in het net.
DRIESSOTTYN.
(1220) Dier wetten, met verstand en oordeel ingezet,
Zal geen beminnaer der geleertheyd zig onttrekken.
KORNELIA.
Hier door meenen wy haest voor regters te verstrekken
Van alles, dat geleert of geestig ziet het ligt:
Ons oordeel zal de wet van onrym zyn en digt.
(1225) By niemant zal verstand en gaeuheyd zyn te vinden,
Wie ’t zyn mag, als by ons, en onze goede vrinden.
Wy zullen schoppen van den troon de Courantiers,
Die in den letterstaet maeken zo veel getiers,
Men zal geen Boekzael meer of dagregister achten;
(1230) Maer al het letternieuws uyt onze school verwachten:
Wy zullen maer alleen naeukeurig en met vlyt
Zien, wat door acht’loosheyd of onkund werd miszeyt;
[p. 60]
Wy zullen knibbelen op styl en spreek manieren,
Op woorden, die een tael, van ons beschaeft, ontsieren.
(1235) Voor onze rechterstoel zal schrikken groot en klyn,
En daer zal buyten ons niets wel geschreven zyn:
Daer zal geen redenaer naer onzen zin wel spreeken,
Daer zal geen Leeraer zyn, die ons voldoet in ’t preeken.



DERDE TOONEEL.

DRIESSOTTYN, MARGRIET, GEERTRUYD, KORNELIA, SAERTJE, JAN, VADIUS.

JAN.
MYn Heer, daer is een Man, die naar u vraegt, gekleet
(1240) In ’t zwart, hy spreekt bezaedigt en discreet.
DRIESSOTTYN.
’t Zal die geleerde zyn, die my zeer heeft gebeeden,
Dat, alser zig eens een geleegentheyd op deede,
Van u te zien, ik hem tot u zou leiden in.
MARGRIET.
Gy hebt zo groot gezag, dat al, wie naer uw zin
(1245) Is, hier vry komen mag: laet ons nu d’eer waerneemen
Van ons verstandig huys, dat al begint te zweemen
Nae een vergadering. (aen Saertje) blyf, ’k heb u zo gezeit,
Dat ik u had van doen.
SAERTJE.
                                    Tot welke bezigheyd?
MARGRIET.
Dat zult g’ aenstonds verstaen.
DRIESSOTTYN.
                                                Mevrouw, dit ’s een Geleerde,
[p. 61]
(1250) Die van verlangen stierf, dat ik hem eens vereerde
Met uw geselschap, en ik vrees den laster niet,
Die ’k hebben zou, zo ’k bragt een Man, daer geen eerbied
Tot wetenschap insteekt; hy kan de proef wel houwen
Van eenen fraeyen geest, en ’t zal u nooyt berouwen,
(1255) Dat gy hem hebt gekent.
MARGRIET.
                                                  Die hand, die hem hier leyd,
Die maakt alleen den prys van al zyn waerdigheyd.
DRIESSOTTYN.
Daer ’s niemant, die in tael of geest hem gaet te booven,
Die hem maer eens mag zien, zal hem voor eeuwig looven.
Hy heeft van d’ouden tyd de schryvers op zyn hand,
(1260) En spreekt het Grieksch, gelyk de grootste Griek van ’t Land.
MARGRIET.
Het Grieksch! ô Hemel Grieksch! Hy kan het Grieksch myn Zuster!
GEERTRUYD.
Ah! Grieksch, myn nicht!
KORNELIA.
                                        Het Grieksch! myn ziel verluster,
Als zy ’t Grieksch hooren noemt.
MARGRIET.
                                                    Maer is het zeker waer,
Dat hy het Grieksch verstaet. Wat is die kennis raer!
(1265) Doet, om den wil van ’t Grieksch, myn Heer, ons die genaede,
Dat gy een welkomst kus van ons niet wilt versmaeden.
Zy kussen hem alle, behalven Saertjen, die ’t
wygert, en zegt
SAERTJE.
Myn Heer, ’k verstae geen Grieksch, daer om gae my voorby.
[p. 62]
MARGRIET.
’k Heb wonderlyk ontzag voor grieksche boekery.
VADIUS.
’k Vrees dat de sterke drift, die my hier heeft gedreven
(1270) Tot aenbien van myn dienst, u moey’lykheyd zal geeven,
Misschien stoor ik u wel in een geleert gesprek.
MARGRIET.
Met Grieksch verveelt men niet, wy hebben lang gebrek
Geleden aen het Grieksch.
GEERTRUYD.
                                          Ja: zonder Grieksch te leven
Verdriet my ongemeen, ik had al last gegeven
(1275) Aen Jan de Makelaer, om zo het mogelyk was
Een Griek van d’eerste rang te zoeken, die my ras
En in een maend of twee die ryke tael zou leeren;
En had Heer Driessottyn vertraegt ons te vereeren
Met dit bezoek, had my de wanhoop haest gebracht
(1280) By meester Teunis, die onder de vrouwen tracht
Die tael te teelen voort.
DRIESSOTTYN.
                                      Voorts doet hy in het dichten
En ’t onrym wonderlyk, en gy zoud hem verplichten,
Zo g’ hem verzoeken woud, dat hy een staeltje gaf.
En, wyl de moedertael hem altyd scheen te laf,
(1285) Zal hy ons in het Grieksch zyn dichtkonst onderwyzen.
VADIUS.
De grootste mislag, die ’k in Dicht’ren moet mispryzen,
Is, dat zy lastig zyn aen de gemeenzaemheyd;
’t Zy dat men wandelt, of zyn tyd met vrouwen slyt,
Het zy men met haer speelt, of eet een warme waefel,
(1290) Het zy men is ten hoof, of by een Prins ter taefel;
Altyd vermoeyen zy ’t gezelschap met een dicht,
Dat zy behoorden nooyt te brengen in het licht.
Zy lezen tot verdriet. Voor my, ik vind niets zotter
[p. 63]
Of dat meer stof verschaft aen een boertachtig spotter,
(1295) Als dat men over al, gelyk een beedelaer,
Loftuyting troggelt af, en dat m’ is altyd klaer
Om verzen, die men ’s nagts gedroomt heeft, op te snyden;
En martelt menschen, die geen verzen moogen lyden.
Wie zag zyn leven dog een zotter koppigheyd?
(1300) Ik houd’ het met dien Griek, die in voorleeden tyd
Uytdrukkelyk verbood, aen al die wys wil wezen,
Dat die zyn eigen werk zyn leven niet moet lezen.
’k Heb voor de minnaers hier een kleyn gedicht gemaekt;
’t Welk ik wel weeten woud, hoe ’t aen ’t gezelschap smaekt.
DRIESSOTTYN.
(1305) Wie zou de schoonheyd van uw dichten niet beminnen.
VADIUS.
Uw penne word bestiert door Min en Zwier Godinnen.
DRIESSOTTYN.
Uw styl is los en vry, uw woorden uytgezogt.
VADIUS.
Gy hebt de zedenleer met hartroering verknogt,
Dat meesters van de kunst Ethos en Pathos noemen.
DRIESSOTTYN.
(1310) Wat hoort men over al uw Herderszangen roemen?
Wiens zoete styl Virgiel en Theocriet verdooft.
VADIUS.
g’Hebt in uw liergezang Horatius berooft
Van al zyn aerdigheyd en zoete fraeyigheden.
DRIESSOTTYN.
Uw lietjens zyn volmaekt en vol bevalligheden.
VADIUS.
(1315) In klinkdigt is ’er thans geen mensch die u gelykt.
DRIESSOTTYN.
Het gansche dichters rot voor uw rondeelen wykt.
[p. 64]
VADIUS.
Uw Madrigals vol geest verrukken groot’ en kleyne.*
DRIESSOTTYN.
En yeder staet verbaest, die leest uw Refereynen.
VADIUS.
Een yeder bid u aen, die uw Eindrymen leest.
DRIESSOTTYN.
(1320) Ah, dat d’ondankbaer’ eeuw den prys wist van uw geest.
VADIUS.
Zo men verstand en geest uw naer verdienst betaelde.
DRIESSOTTYN.
In een vergulde koets gy langs de straeten praelde.*
VADIUS.
Men rechten op de markt van marmer u een beelt.
Hom? het is een refereyn dat u wert meegedeelt
(1325) Waer over ’k u verzoek uw oordeel nu te geven.
DRIESSOTTYN.
En hebt ge niet gezien een klinkdigt, ’t welk nu eeven
Gemaekt is op de koorts, die Uranie beving?
VADIUS.
Men las ’t my gisteren voor in een vergaedering.
DRIESSOTTYN.
Kent gy den maeker niet?
VADIUS.
                                          Neen: maer, om vry te spreeken,
(1330) ’t Verdient niet dat, hy ’t hooft daer hoog om hoeft te steeken.
’t Is niet een oortje waert....
DRIESSOTTYN.
                                        Men vint’er nochtans veel,
Die ’t pryzen wonder hoog.
VADIUS.
                                            Dat laat ik voor haer deel;
Maer ’t is my niet te min erbarmlyk voorgekoomen;
En, zo gy ’t had gezien, gy zoud niet anders droomen.
[p. 65]
DRIESSOTTYN.
(1335) Ik weet, dat ik hier in van u zeer veel verschil,
En dat, schoon yeder een zig hier mee moeyen wil,
Daer weynig heden zyn bequaem, zo goet te maeken.*
VADIUS.
God hoede my, dat ’k ooyt zou tot die gekheyd raeken!
DRIESSOTTYN.
’k Hou nochtans staende, dat het niemant beter kan;
(1340) En, ’t geen u moet voldoen, ik ben ’er maeker van*
VADIUS.
Gy?
DRIESSOTTYN.
        Ik.
VADIUS.
                Dan weet ik niet, hoe ’t zig heeft toegedraegen.*
DRIESSOTTYN.
’t Is, dat men ’t ong’luk heeft, van u niet te behaegen,
VADIUS.*
Misschien was wel myn geest toen niet genoeg aendagtig;
Of dat ’t geraebraekt wierd door yemand, die talmachtig,
(1345) En staemerend’ het las; maer breken wy dit af;
En hoor myn Referein.
DRIESSOTTYN.
                                      Refrynen zyn te laf,
’t Is ongezoute kost, ’t zyn lang versleete todden,
’t Is ouwerwetze rym, ’t zyn Rederykers vodden.
VADIUS.
Een Referein nochtans van veelen wert geacht,
DRIESSOTTYN.
(1350) Dat hindert niet, dat ik dat kreupelvers veracht.
VADIUS.
’t Is daerom evenwel zo zeer niet te versmaeden,
DRIESSOTTYN.
’k Zou niemand aen die kost, als kindermeesters, raeden;
[p. 66]
VADIUS.
’k Zie dat u tong niet is aen dit banket gewent.
DRIESSOTTYN.
’t Geen gy een ander geeft, maekt u alom bekent.
VADIUS.
(1355) ’t Is onbeschoft, dat gy uw eernaem my wilt leenen.
DRIESSOTTYN.
Loop baebok, broddelaer, loop lietjens dichter heenen.
VADIUS.
Luyzekraemer, voddevaer.
MARGRIET.
                                          Myn Heeren, hoe wat is ’t?
Wat reden, dat gy met malkanderen zo twist?
DRIESSOTTYN.
’k Zal u voor Phebus troon tot wedergeeving daegen,
(1360) Van ’t geen gy schandig hebt Romyn en Griek ontdraegen.
VADIUS.
Gae naer Parnas de smaet, Horatius gedaen,
Verbeteren, dien gy doet staeg op krukken gaen.
DRIESSOTTYN.
Uw heugt wel, dat u boek zo weinig opgang maekte;
VADIUS.
U ook wel, dat uw drukker in het gasthuys raekte.
DRIESSOTTYN.
(1365) Vergeet uw drukker niet, die al ’t gedrukt papier
Onlangs verkogt by ’t pond, hier aen een kruydenier.
VADIUS.
Hoe vaert die Weduw al? die gy hebt doen verhuyzen,
Om dat uw gansche kraem voor Koffi peperhuyzen,
En omslag van tabak op ’t Erfhuys wierd verkogt,
(1370) Die naemaels nog haer broot met bed’len heeft gezogt.
DRIESSOTTYN.
Myn roem is reets zoo groot, dat gy die niet kunt deeren.
VADIUS.
Dat kunt gy allerbest van de schimpdichters leeren*
[p. 67]
DRIESSOTTYN.
Die stryken u braef door.
VADIUS.
                                      ’k Beklaeg my van haer niet,
Zy noemen my met eer, en ’t doet my geen verdriet,
(1375) Al kryg ik eens een streek gemeen met meenig digter,
Die roem ten hoove heeft; maer uw zotheyd verpligter,
U tot het eenig wit te stellen van haer spot.
DRIESSOTTYN.
Hier in stel ik myn eer; maer gy hoort onder ’t rot
Van het gemeene volk, die ’t eers genoeg moet agten,
(1380) Als m’ eens zyn hand verheft, om dat gespuys te slagten,
’t Welk niemand waerdig agt ’t herhaelen van den slag;
Maer tegens myns gelyk, een vyand van gezag,
Trekt men met al zyn kragt en wapentuyg te velde;
En dat verdubbelen van slaegen tegen helden,
(1385) Als ik ben, toont heel klaer, dat men zig zeer vergist,
Als men verwonnen acht, die hen het velt betwist.
VADIUS.
Myn pen zal u doen zien, hoe zeer ik ben te vreezen.
DRIESSOTTYN.
Dat ik uw meester ben zal m’ uyt myn schriften lezen.
VADIUS.
Ik eische u uyt in ’t Grieks, Latyn, ondicht en digt.
DRIESSOTTYN.
(1390) Wy zien malkaer alleen by SEPTERANUS ligt.



VIERDE TOONEEL.

DRIESSOTTYN, MARGRIET, KORNELIA,
GEERTRUID, SAERTJE.

DRIESSOTTYN.
Wil my de grimmigheyd, die ’k toonde, niet verwyten,
[p. 68]
’t Was uwe zaek, Mevrou, ’k moest voor uw oordeel plyten,
’k Moest tegen dezen bloed nu voor myn klinkdigt staen.
MARGRIET.
Wy hoopen, dat de buy wel haest zal overgaen;
(1395) Maer, laet ons tot het geen ons staet te doen eens komen.
Saertje, ’t is lang geleen, dat ’k heb met smart vernomen;
Dat men in u geen geest of wetens lust bespeurt.
’k Heb met uw Zuster lang uw droevig lot betreurt,
Nu weet ik iets, waer door gy tot verstand kunt raeken.
SAERTJE.
(1400) Ik bid u, Moeder, wil die zorg voor my wat staeken,
Geleertheyds oeffening is myn verkiezing niet,
’k Leef stilletjens daer heen: die arbeyt en verdriet,
Die ’k zie dat noodig is tot hooge wetenschappen,
Is een eergierigheyd, die ’k graeg voor by wil stappen.
(1405) Ik vind my wel, Mama, al gae ik voor een beest,
Gemeene tael behaegt my doch het allermeest.
Ik pynig my niet graeg, om woorden uyt te vinden;
Zyt gy vry hoogverligt, stel my maer by de blinden.
MARGRIET.
Ja, maer het doet my zeer, en ’k vind myn rek’ning niet,
(1410) Dat men in ons geslagt zo groot een schandvlek ziet.
De schoonheyd is een goed, dat men ras ziet verdwynen;
Een weerligt, ’t welk men naeuw een ogenblik ziet schynen,
Een bloem, die haest vergaet, een ciersel, dat de jeugt
Voor korten tyd behaegt, en ’s Minnaers oog verheugt.
(1415) Dat enkel en alleen afhangt van d’Epiderme.
SAERTJE.
’k Verstae niet al te wel die hooggeleerde termen.
MARGRIET.
Zo gy geleerde tael verstond, zo zoud gy wel
Begrypen, dat dit woord betekent ’t oppervel,
[p. 69]
Waer af de schoonheyd hangt, en dat’er niets bestendig
(1420) Is, dat een mensch bezit, en dat men ziet uytwendig:
En dat alleen, het welk een mensche vast aen kleeft,
Is schoonheyd, die de ziel een eeuwig sieraet geeft.
’k Heb daer om lang getracht, in u een zaet te zaeyen
Van schoonheyd, die geen reeks van jaeren af kan maeyen,
(1425) ’k Heb in uw boezem lang gewenscht te zien een vuur,
Van wetens lust, een drift, die eeuwig was van duur;
En, om voortaen myn hoop op vaster gront te bouwen,
Denk ik u aen een man van geest haest uyt te trouwen;
En het is deze Heer, die u, nae myn besluyt,
(1430) Voortaen zal komen zien, als zyn verloofde bruyt.
SAERTJE.
Zou ik hem, Moeder?
MARGRIET.
                                    Stel u zo wat gekk’lyk aen,
GEERTRUID.
’k Weet wat gy zeggen wilt, dat ik u toe zou staen
Een hart, dat ’k reets bezit; ik lees het uyt uw oogen:
Om dat gy zyt myn Nicht, zal ik het slegts gedoogen,
(1435) Dewyl hier in ’t geluk van al uw leven legt,
Doe ’k afstant van myn recht,
DRIESSOTTYN.
                                              Ik weet naeuw wat gy zegt,
Zoo is myn ziel verrukt, dit huwelyk zal maeken
Dat ik...
SAERTJE.
            Al zagt myn Heer, ’t zyn geen gedaene zaeken,
Zyt zo voorbaerig niet.
MARGRIET.
                                    Jou kleuter, wat is dit?
(1440) Voor antwoord? weet gy wel, dat zo... myn Heer, ik bid
Dat gy ’t niet quaelyk neemt, zy zal wel beter leeren,
Laet haer begaen, en wy naer onze boeken keeren.



[p. 70]

VYFDE TOONEEL.

KORNELIA, SAERTJE.

KORNELIA.
WAt ziet men ’t Moeders hart niet in die wyze keur
Van zo vermaerd een man! wat staet u voor de deur
(1445) Al voordeel en geluk! Men kon niets beter droomen.
SAERTJE.
Is deze keur zo fraei, waer om hem niet genomen?
KORNELIA.
Haer hand heeft hem aen u geschonken, niet aen my.
SAERTJE.
Het past de jongste niet haer zuster zo voorby
Te loopen, ’k stae hem af.
KORNELIA.
                                        Zo ’k kond’ in ’t huwlyk vinden
(1450) Zo veel vermaek, als gy, ik liet my aen hem binden,
En nam met blydschap aen dat zusterlyke bot.
SAERTJE.
En, zo het hooft my hing naer een geleerden zot,
Zou ik met al myn lust naer zo een Bruygom haeken.
KORNELIA.
Hoewel wy hier omtrent verschillend zyn van smaeken,
(1455) Past het geen kind, dat het zig tegen ouders zet,
En Moeder boven al geeft aen haer kroos de wet;
En ydel is uw hoop van door dit tegenstreven....



[p. 71]

ZESDE TOONEEL.

RIJKHART, GODEFROI, EELHART, KORNELIA, SAERTJE.

RIJKHART.
SAertje, gy moet terstont my uw toestemming geven,
En keuren goet myn keur, kom trek uw handschoen uyt,
(1460) En geef dien Heer de hant, daer ’k u aen schenk tot Bruyt:
Gy zult hem in uw hart voortaen voor zo een houwen;
Met wien ik hebben wil, dat gy in ’t kort zult trouwen.
KORNELIA.
’t Lykt, Zuster, dat uw hart naer deze zy ras helt.
SAERTJE.
Het past geen kind, dat het zig tegen ouders stelt,
(1465) En Vader boven al geeft aen zyn kroos de wetten.
KORNELIA.
Men moet een Moeder van haer regt niet ligt ontzetten.
RIJKHART.*
Wat wil die zotte praet?
KORNELIA.
                                    ’k Zeg, dat in dit geval,
Ik weet, dat uwe Vrouw van u verschillen zal,
Dat zy een and’re keur....
RIJKHART.
                                        Gekkin, zwyg en gaet heenen,
(1470) Philosofeer met haer uw buyk vol; en met eenen
Bemoey uw nimmermeer met ’t geene, dat ik doe,
Zeg haer, hoe ’t by my legt, en dat ze wel zie toe,
Van over deze keur myn kop niet warm te maeken.
Gae spoedig.
GODEFROI.
                    Wonder wel, dat ’s ’t middel, om te raeken
[p. 72]
(1475) Tot d’huysvoogdy.
EELHART.
                                      Wat vreugt! wat blydschap komt my aen!
Wat onverwagt geluk!
RIJKHART.
                                  Kom, laet ons heenen gaen,
Neem Saertjen by de hand, gae voor; ly haer naer binnen.
Wat geeft die troeteling al zoetheyd aen de zinnen?
Myn hart gaet my noch op, als ’k mag die teerheyd zien:
(1480) My dunkt ik word weer jong; als ik de jonge lien
Zo zoet malkand’ren zie liefkozen, streelen, vlyen,
Herdenk ik met geneugt myn’ oude minnaeryen.

Continue

VIERDE BEDRYF.

EERSTE TOONEEL.

KORNELIA, MARGRIET.

KORNELIA.
JA zeeker zy verzogt geen overleggens tyd;
Maer stofte noch wel trots op haer gehoorzaemheyd.
(1485) Haer hart en draelde niet, de wet uyt vaders handen
t’Ontfangen; maer zy smeet zig vaerdig in die banden,
En scheen haers Vaeders wil zo zeer niet te voldoen,
Als zy wel toonen wouw, hoe onbeschaemt en koen
Zy kon, in myn gezigt, haers moeders wet trotseeren.
MARGRIET.
(1490) Ik zal haer, zyt gerust, in korten tyd wel leeren,
Aen wien van tween haer wil zig onderwerpen moet,
En of naer redens regt een Vaeder, die een bloet
Is, of een Vrouw van geest, het huys hier moet regeeren,
Of ’t lichaem zal de ziel, de vorm de stof beheeren.
[
p. 73]
KORNELIA.
(1495) Ten minsten paste ’t wel, dat deze Bruydegom
U eens beleeft sprak aen, hy gaet’er vreemt mee om,
Dat hy uw Swaeger tragt in spyt van u te wezen.
MARGRIET.
Hy heeft zyn zin nog niet, ’t is waer, ik vond voor dezen
Hem welgemaekt en fraey, en met vermaek ik zag
(1500) Zyn hart tot u geneigt; maer zyn onheusch gedrag
Mishaegde my altyd; hy weet, dat ik met schryven
Geroemt ben, God zy dank, ver boven alle Wyven,
En noyt verzogt hy my, dat ik iet voor hem las,
Van ’t geen ik had gemaekt.



TWEEDE TOONEEL.

KORNELIA, MARGRIET, EELHART.

KORNELIA.
                                        Zo ’k in uw plaetze was,*
(1505) Gedoogd’ik nooyt, dat hy tot Saertjens huw’lyk raekte;
Men dee my ongelyk, zo men gedachten maekte,
Dat ik hier oversprak, om dat hier d’eygenbaet,
Of heymelyke spyt, my gaeven dezen raet,
Of dat de lafste streek, die hy my speelt, my quelde;
(1510) De wysheyds lust al lang myn ziel bevestigt stelde:
Die is een vaste burg, waer van een ziel gerust
De laege dingen ziet, dog zonder trek of lust;
Maer zo te handelen met u, dat is u tergen,
’t Is strafbaer, uw gedult zo veel te willen vergen;
(1515) Uw eer die hangt’er aen, gy moet hem tegen gaen,
Met een woort, ’t is een vent, die u niet aen moet staen.
Ik heb, als ’k in gesprek met hem was, nooyt vernomen,
Dat hy wat was voor u met eerbied ingenoomen.
MARGRIET.
Die kleine zot? die gek!
[p. 74]
KORNELIA.
                                      Hoe wel men u voor wys
(1520) De Werelt over roemt, was hy zo koud, als ys,
In ’t pryzen van uw geest.
MARGRIET.
                                        Dien kinkel!
KORNELIA.
                                                            Hondert ryzen,
Las ’k hem uw verzen voor, die hy nooit wilde pryzen.
MARGRIET.
Dien onbescheiden beest!
KORNELIA.
                                        Dikwils krakeelden wy.
’t Is ongelooffelyk, wat al voor zotterny...
EELHART.
(1525) Al zachtjens, bid ik u; wil doch uw naesten spaeren,
Is hy geen liefde waert, laet hem ten minst’ ervaeren
Geen onbescheidenheyd. Wat heb ik u misdaen,
Dat g’ al uw wapenen zo tegen my trekt aen?
En u welsprekentheyd om my gehaet te maeken
(1530) Ontplooyt, op dat ik zou in ’t quaede blaetje raeken,
By menschen, die ik heb tot myn geluk van doen.
Wat reede hebt gy doch om tegen my te woen?
Ik wensch wel dat Mevrouw hier ’t oordeel overstryke.
KORNELIA.
Zo ik, gelyk ik kan, myn tooren al dee blyken,
(1535) ’k Had redenen genoeg, om die te maeken goet.
Gy had het wel verdient: want d’eerste minnegloet
Geeft op een ziel een regt zo heilig, zo bestendig,
Dat men veel liever stierf, of leefde zeer ellendig,
Eer dat een ander vuur ontsteeken zou ons hart.
(1540) Geen grouwelyker daet, die meer den hemel tart,
Als wispeltuurigheyd, en in de leer der zeden
Verdoemt men trouloosheyd, als een gedrogt, met reden.
[p. 75]
EELHART.
Mejuffrou, noemt gy dan trouloosheyd, ’t geen alleen
Uw hoogmoet aen myn ziel gebooden heeft voorheen?
(1545) Ik schik my naer haer wet, en zoo ’k verdien uw tooren,
Weet het uw trotsheyd dank, dat gy my hebt verlooren.
Gy hebt in ’t eerst myn hart door uw bevalligheyd
Bezeten, ’k heb twee jaer stantvastig u gevreyt.
Myn eerbiet, zorg, en pligt, en yver kon niet baeten,
(1550) ’k Heb u geëert, gedient, ’k heb al myn doen en laeten
Naer u alleen geschikt — maer al myn drift en vlyt
Vermogten niets op u, ’k vond altyd tegenstryt,
Noyt hoop, om naer myn wensch in zoetigheyd te leeven.
’t Geen gy geweygert hebt, moest ik een ander geven.
(1555) Zie, wie de schult nu heeft van die verandering,
En, of myn hart van zelf liep tot verwisseling,
Dan of gy door uw trots my hier toe hebt gedreven,
Of gy my hebt verjaegt, of ik u heb begeeven.
KORNELIA.
Zegt gy, myn Heer, dat men uw liefde tegenstreeft,
(1560) Als men van haer afrukt, ’t geen zy van ’t volkjen heeft,
Als men de min wil aen die zuyverheyd verbinden,
Daer de volmaekte liefd’ haer schoonheyd in kan vinden?
Kont g’ u gedachten niet, die g’ op my had gezet,
Ontlasten met vermaek, en zuyv’ren van die smet.
(1565) Die haer der zinnen band gemeenlyk aen doet kleeven?
Hebt gy geen smaeks genoeg, om aen uw ziel te geeven
Die zoetheyd, die men nooyt in lichaems banden vind,
Maer in den vasten knoop, die zielen saemen bind?
Kunt gy niet anders als van groove liefde branden,
(1570) En minnen met die sleep van stoffelyke banden.
Moet juyst een huwelyk, met al dat daer in steekt,
Kweeken een minnegloet, die men in ’t hart ontsteekt?
Wat vreemder vuur is dat! Hoe ver zyn eed’le geesten
[p. 76]
Van zulk een aerdschen band! Die niet ontvonkt als beesten,
(1575) Of menschen, die alleen aen zinnen zyn gehegt.
Laet dit voor ’t domme volk; maer hoop van my geen egt,
Als die twee harten bind met zuyv’re geestes knoopen,
Dat is een heemelsch vuur, zo ryn als men ’t kan hoopen.
Het hart, ’t welk daer van blaekt, boezemt geen zuchten uyt,
(1580) En voelt geen eene lust, die uyt onrynheyd spruyt,
Daer mengen zig met dit bestek geen vuyle zinnen,
Die min heeft tot haer eynd in zuyverheyd te minnen;
En die verrukkinge van geest, waer in men leeft,
Maekt, dat men naeuwlyks weet, of men een lichaem heeft.
EELHART.
(1585) Mejuffrou, ik moet dan myn ongeluk beschreyen,
Dat ik myn ziel zo niet kan van het lichaem scheyen.
Ik ben te plomp, en weet geen konst, om deze twee
Te rukken van elkaer: had my de hemel mee
Die wysheyd meegedeelt, om my zo los te maeken
(1590) Van s’lichaems zotte band, ik zoud’ het vleesch verzaeken;
Maer, wyl ik noch dit fijn van wysgeert’ niet verstae,
Vergun my, dat myn ziel noch met myn lichaem gae.
’k Loof ’er niets schooner is, gelyk ik u hoor zeggen,
Als op die ryne vlam van liefde toe te leggen,
(1595) Die al de tederheyd van ons gevoelen leydt
Tot ziels verbintenis, en ’s harten eenigheyd,
Die ons ontrukt aen de gemeenzaemheyd der zinnen,
En doet alleen den geest, in zig beschout, beminnen;
Maer, zo te lieven is voor my te naeuw gepluyst,
(1600) Ik ben, gelijk gy ziet, een minnaer voor de vuyst,
Die plomp, en zwaer van stof, zig hier niet naer kan voegen,
[p. 77]
Of met een hallef mensch zijn zinnen vergenoegen,
’k Beken, dat ik te veel noch van my zelve houw,
Dan dat ziel zonder lijf my licht bekooren zou.
(1605) Vind gy hier reden in, om my zo te bekijven,
Dat ik, behoudens uw verheve wijsheyt, blijve
By ’t algemeen gebruyk, en naer een huwlijk stae,
En volge de manier van onze tijden nae,
Wie heeft in ’t huw’lijk ooit oneerbaerheyt gevonden?
(1610) Wie smaekte niet veel zoets door dezen strik gebonden?
Ik had ook niet gedacht, toen ik de vryheyt nam
Van u mijn trou te bien, dat gy met zo een gram
En wederbarstig hart my van de hand zoud wijzen.
KORNELIA.
Wel nu; mijn Heer, wel nu, dewijl men u ziet yzen
(1615) Voor zo een zuyvre min, en uwe woeste lust
Alleen in het genot van ’t lichaem vind zijn rust,
En wijl gy, om hier nae in rijner vuur te branden,
Eerst lichaems knoop begeert en vleeschelijke banden,
Zal ik, zo moeder wil, gewelt doen aen mijn ziel,
(1620) En geven u mijn lijf, ’t welk u alleen beviel?
EELHART.
Neen, Juffrou, ’t is te laet, de plaets is ingenomen,
En, schoon gy nu al wilt van u trots wederkomen,
Zou ’k haer nu, die mijn troost en toevlucht is geweest,
Voor al uw smaed en hoon, en my met zagter geest
(1625) Verquikte, niet om u ligtvaerdig weer verzetten;
Ik ben aen haer verpligt door liefd’ en zedewetten.
MARGRIET.
Maer, maekt gy rekening, mijn Heer, zo buyten mijn
Toestemming, met dees trouw al klaer te zullen zijn,
Vermaek u, bid ik, niet met ingebeelde droomen,
(1630) Ik heb een ander man voor Saertje aengenoomen.*
EELHART.
Mevrou, let op uw keur, wys my niet van der hand,
Weer, bid ik, van my af die overgroote schand,
Dat ik zou schijnen tot dat ongeluk gebooren,
[p. 78]
Dat my zou Driessottijn by ’t noodloot zijn beschooren,
(1635) Tot medevryer, en, zo de geleertheyts lust,
En drift tot weetenschap, uw neyging tot my blust,
Zoud gy in ’t gansche land geen slechter kunnen kiezen,
Die, tegen my gestelt, myn eer zou doen verliezen.
Daer zyn’er by ’t douzyn in achting noch geraekt,
(1640) Om dat men hedensdaegs verstand, nog geest regt smaekt;
Maer onze Driessottyn heeft niemand ooyt bedroogen,
Als u: Dat uyt zyn pen komt onder schrander’ oogen,
Word overal bespot, behalven hier alleen,
Daer hy word als een God geëert en aengebeen.
(1645) ’k Meen uyt myn vel van spyt wel duyzentmael te springen,
Als ik zie hemelhoog geroemt zyn beuzelingen,
Die gy zelf wraeken zoud, indien gy z’ had gemaekt.*
MARGRIET.
Het oordeel, ’t welk gy velt, na drift en tooren smaekt,
En wyl gy niet en hebt, als wy, geleerde oogen,
(1650) Wort gy in uw begrip door onverstand bedroogen.



DERDE TOONEEL.

DRIESSOTTYN, KORNELIA, MARGRIET, EELHART.

DRIESSOTTYN.
MEvrouw ’k verkondig u een schoone nieuwe maer,
Wy zyn, al slaepend, stil ontkoomen groot gevaer.
Daer is van dezen nagt, dwars door ons draeykring heenen,
Een Werelt doorgegaen, zo hard als marmersteenen.
(1655) Die, zo hy in zyn weg onz’ aerdkloot had ontmoet,
Lag die, als glas gekneust, al lang onder de voet.
[p. 79]
MARGRIET.
Staek dit geleert gesprek, myn Heer zou ’t zotheyd noemen;
Want hy maekt enkel werk op onverstand te roemen,
En haet al, ’t geen naer geest of wetenschappen zweemt.
EELHART.
(1660) Al zagtjens aen, Mevrouw, ’k ben van geen konsten vreemt;
En, als ik mag myn zin en woorden zelf uytleggen,
Vind ik alleen op die geleertheyd wat te zeggen,
Die menschen zotten maekt; want, in hun eygen aert
Zyn deze zaeken goet, en dubbel wetens waert;
(1665) Maer, ik wil liever gaen voor lomp en onbedreeven,
Als dat men my den naem van zo geleert zou geven,
Als zeker slag, aen wie die titel weynig past.
DRIESSOTTYN.
Voor my, ’t mag zyn hoe ’t wil, noch stel ik echter vast,
En neem aen met gezag van meesters te beweeren;
(1670) Of, zo by u niet gelt ’t getuyg’nis der wysgeeren,*
Zo geeft de redenkonst sluytredens aen de hand,
Waer door ik een vertoog zal maeken met verstand,
Dat nooyt geleertheyd kan een zaek of mensch besmetten.
EELHART.
Geleertheyd, nae my dunkt, kan dikwils niet beletten,
(1675) Dat iemand niet in tael en daeden zot zou zyn.
DRIESSOTTYN.
Die wonderspreuk is sterk.
EELHART.
                                        Schoon myn begrip is klyn,
Kan ik dit klaer genoeg met reden u betoogen,
En schoot men daer te kort, men zou ’t bewyzen mogen,
Met een doorlugtig stael van een geleerden zot.
[p. 80]
DRIESSOTTYN.
(1680) ’t Zou konnen even wel zyn zonder wettig slot.
EELHART.
Men hoeft niet ver te gaen, om ’t voorbeelt zelf te kyken.
DRIESSOTTYN.
Ik zie geen voorbeelt hier, waer uyt dit zoude blyken.
EELHART.
Ik zie het voor my staen tot myn gezigts verdriet.
DRIESSOTTYN.
’k Heb altyd nog gemeent, dat groote zotheyd niet
(1685) Uyt wetenschap, maer uyt onkunde zy gerezen.
EELHART.
g’Hebt misgetast, een zot, die nog geleert wil wezen,
Is zotter, in myn zin, als een die ongeleert,
En zot is van natuur.
DRIESSOTTYN.
                                Het geen gy daer beweert,
Wert by verstandigen heel anders uytgerekent:
(1690) Want ongeleert en zot het zelve betekent.
EELHART.
Zo gy alleen naer het gebruyk der woorden ziet,
Een waenwys en een zot het zelve bediet.
DRIESSOTTYN.
De zotheyd openbaert zig zuyver in den eenen.
EELHART.
Geleertheyd kan natuur nog grooter zotheyd leenen.
DRIESSOTTYN.
(1695) De wetenschap besluyt in zig een schranderheyd.
EELHART.
Geleertheyd in een gek is een wanschik’lykheyd.
DRIESSOTTYN.
De onkunde moet aen u zig zeer bevallig toonen,
Dat gy zo voor haer plyt.
EELHART.
                                      Ik moet d’onkund verschoonen,
Nae dat zig zeker slag vertoont aen myn gezigt,
[p. 81]
(1700) Dat op geleertheyd stoft.
DRIESSOTTYN.
                                                  Men zou dat slag wel ligt,
Als men het regt beziet, voor ’t ander soort van gekken,
Dat voor onz’ oogen staet, ver booven kunnen trekken.
EELHART.
Jae, als ’t aen ’t oordeel moest van zeek’re zotten staen,
Maer, by een ander soort is het daer ver van daen.
MARGRIET.
(1705) My dunkt, Myn Heer....
EELHART.
                                                Mevrouw, mag ik verzoeken,
Myn Heer is my te sterk, dan dat hy van zo kloeken
Vrou bystand hebben zou, ’k heb aen dien dapp’ren helt
Genoeg, en ik betwist maer deinzende het velt.
KORNELIA.
Maer, ieder antwoort is vol bitse schemperheeden.
EELHART.
(1710) Zo gy m’ ook tegenvalt, hael ik de vlag beneeden.
MARGRIET.
Men dult wel zo wat stryds in een gemeen gesprek,
Als men maer straks niet valt op ieder zyn gebrek.
EELHART.
Mevrou, hier steekt niets in, dat hem kan toornig maeken,
En hy verstaet geschers als d’allerbeste snaeken,
(1715) Hy heeft wel sterker streek en schimpen uytgestaen,
Dog zyn verheve ziel trok nooyt zig ’t foppen aen.
DRIESSOTTYN.
’t Komt my van dezen Heer niet vreemt voor in dit kyven,
Dat hy met dommekragt wil by zyn stelling blyven.
Hy komt te veel aen ’t Hof, en dat is ’t al gezeyt:
(1720) Want ieder weet, hoe ’t Hof verstand en geest benyt.
Het Hof heeft groot belang om plompheit voor te spreeken,
[p. 82]
En de hof jonkers, om te pryzen haer gebreeken.
EELHART.
Al weer die oude deun, het Hof heeft ’t weer gedaen,
’t Welk ongelukkig is, dat het niet wel kan staen
(1725) By dat geleerde rot, dat niet zal doen, als klaegen,
En schreeuwen tegen ’t Hof, als of ’t zig had misdraegen
Omtrent geleerde lien, en, by gebrek van smaek,
De wetenschap bespott’ als een verachte zaek.
Behoudens al ’t ontzag, ’t welk ik uw naem ben schuldig,
(1730) Heer Driessottyn, ei hoor myn reden eens geduldig.
Gy, en uw medemaets behaelden grooter lof,
Indienge op zagter toon woud spreeken van het Hof,
’t Welk, zo men in den gront zyn wezen wil beschouwen,
Men niet behoorde voor zo beestig uyt te jouwen,
(1735) Of geen gezont begrip daer zou te vinden zyn.
De smaek is daer zo goet, en ’t oordeel ruym zo fijn,
Als op een hooge school, en, zonder het te vlyen,
Men vind daer zwier en geest, vry van pedanterye.
DRIESSOTTYN.
’t Is immers al te klaer, myn Heer, wat smaek ’t Hof heeft.
EELHART.
(1740) Vind gy iets in het Hof, dat naer slegt oordeel zweeft.
DRIESSOTTYN.
’k Zie Meester Jan, myn Heer, befaemt door hondert boeken,
De Werelt door berugt, en door het onderzoeken
Van alle wetenschap volmaekt en uytgeleert,
Niet op zyn regten prys van ’t Hof wort gewaerdeert.
(1745) ’k Zie Hendrik, dien Poeët in Roomsche en Duytsche dichten,
Voor Maro noch voor Hooft in geenen deele zwigten;
En, schoon haer held’re glans het zonnelicht verdooft,
Vergeet het Hof dit paer, in studie afgeslooft.
[p. 83]
EELHART.
Hoe zedig gy ook schynt, ’k zie d’oorzaek van uw quellen,
(1750) En dat gy u niet durft by deze baezen stellen:
Ook wil ik voor deez’ tyd op u alleen niet zien,
Maer, lieve zeg my eens, zyn dit zo groote lien?
Wat dienst heeft ooyt het land van hun verstand genooten?
Wat voordeel voor ’t gemeen is uyt haer pen gesprooten?
(1755) Dat men het Hof betigt van snood’ ondankbaerheit,
En overal verwyt, dat men haer groote vlyt
Niet naer verdiensten loont, als of de Staet die Heeren
En al haer schriften niet kon met gemak ontbeeren.
Wat nut geeft dit aen ’t land, dat onze Meester Jan
(1760) Zyn pen en slechte styl verhuurt aen alle man?
En gelt trekt van het blad, en leeft van bed’laryen,
En van zyn boekjens aen een Lord of Graef te wyen:
Die nydig op den roem van mannen, regt geleert,
Al voor pedanten schelt, ’t welk hem niet vlyt of eert,
(1765) Niets in zyn schimpkourant doet, als op helden smaelen,
En met een lasterpen de feylen op gaet haelen
Van schryvers, die en ’t Hof en d’Academie pryst.
Jan, die niet weet wat dicht of letterkunst vereischt,
Bemoeyt zig evenwel met dichters uyt te geven,
(1770) In Grieksch’ en Roomsche tael, waer in hy onbedreven,*
Noch maetklank, noch sieraet, noch zwier, noch draey verstaet,
En beelt zig in, dat hy Salmaes te boven gaet,
Dat Heins en Grotius, en wat meer letterhelden
Ooyt zyn beroemt geweest, by hem niet zyn te melden.
(1775) Die onbeschaemt van roof en dieveryen leeft,
En van een ander steelt, ’t geen hy voor ’t zyne geeft.
Wat slegthooft Hendrik zy, kan m’ uyt zyn verzen lezen,
By niemant van verstant of oordeel ooyt geprezen,
Die opgepropt van drek, godlooz’ en lasterpraet,
[p. 84]
(1780) Ontbloot van zin en tael, en zonder rym of maet,
Verstrekken tot een spot van Meesters en Scholieren,
Die hem uytjouwen, als z’ hem over straet zien zwieren;
Die, aen een Maetschappy van guyten lang verwant,
Leent Doctor Prullius voor spijs en drank zyn hant.
(1785) Die met zyn medemaet, dien ongodist, die ’t spotten
Met al dat heylig is, noyt laten kan, in kotten
En Kroegen van Out Bruyn, zo menigmaal voorheen
Pasquillen heeft gemaekt, betaelt by zyn Maeceen.
’t Schynt evenwel aen my; dat zulke schooyers zouden
(1790) Nog willen, dat men haer voor ietwes groots moest houden,
Om dat quansuys haer naem vyf zes mael is gedrukt,
En aen haer boeken eens by toeval is gelukt
Met een vergulden bant te werden overtoogen,
Waer door SEPTRANUS had een jong Student bedroogen;
(1795) Maer, ’t geen den hoogmoet styft van dat verwaent geslagt,
Is dat het zig alleen bequaem tot staetkund’ acht,
Dat Prins noch Koning haer geleerde pen kan missen,
En dat haer brein, een schat van staetsgeheimenissen,
Beschikt van ’t geen een ryk, of staet gebeuren kan,
(1800) En ’t allerminste boek van zo ’n verstandig Man
Veel grooter loon verdient, als staets bedienaers trekken,
En meenen, nae de waen van ingebeelde gekken,
Dat haers gelyk geen mensch op aerde meer en leeft,
En ieder een het oog op hen gevestigt heeft:
(1805) Dat zy zyn dun gezaeit, dat men haer aen moest merken,
Als die, waer in natuur betoont haer’ wonderwerken.
En dat zy weten al, dat voor haer is gezeit,
Nae dartig jaeren lang nachtbraekens, omgeleyt
Door oor en oog te zyn in Grieksche en Roomsche schriften;
(1810) Nae dat haer logge geest belast is, zonder schiften
[p. 85]
Met een onnutten hoop van ouderwetschen bogt,
Van wetenschap, gelyk een dronkaert vol van vogt.
Vermeten’ kaekelaers, maer onbequaem tot zaeken,
Onaerdig; in geen staet om goet begrip te zmaeken,
(1815) Vol van belaglykheit, zo boersch en onbeleeft,
Dat men een quaeden naem, om haer, de studie geeft.
MARGRIET.
Uw yver is wat sterk, en geeft my klaer vermoeden;
Welk dat de rede is van uw gramsteurig woeden;
Dat hy uw makker mag in Saertjens liefde zyn
(1820) Ontsteekt uw gal en haet tegen myn Driessottyn.



VIERDE TOONEEL.

DIRK, MARGRIET, DRIESSOTTYN, EELHART, SAERTJE.

DIRK.
MEvrou, my is belast dit briefjen u te geven
Van dien geleerden Heer, die aen uw huys zo even
U d’eer dee van te zien, en in wiens dienst ik stae,
Hy bid, dat men ’t begrip hier van wel gaede slae.
MARGRIET.
(1825) Al ley’er noch zo veel aen zo een brief geleegen,
Leer, Jongman, dat men nooyt kan grooter zotheit pleegen,
Als midden in ’t gesprek te vallen met gedruys,
En, dat men zig eerst moet aen boden van het huys
Vervoegen, en dan zoud gy klaere blyken geven,
(1830) Dat gy de konst verstond van wel te kunnen leven.
DIRK.
Mevrou, had ik ’t geluk van zo een wyze vrou
Te dienen, ik geloof ’k die kunst ras leeren zou,
Maer nu zal ik die les in myn zakboekjen schryven.
[p. 86]
MARGRIET, leest den Brief.
,,Mevrou, ’k hoor Driessottyn geroemt heeft by de Wyven,
(1835) ,,Dat hy in korten tyd met Saertjen trouwen zal.*
,,’k Heb van myn pligt geagt by dezen u voor al
,,Berigt te doen, dat al zyn wysheit en geleertheit
,,Alleen loert op uw goet, en dat het is verkeertheit
,,Aen zo een zot zyn bloet ligtvaerdig te besteen.
(1840) ,,Derhalven, eer gy ’t doet, lees dog dit vers, het geen
,,Ik, tegen hem gemaekt, nu vast voor uyt laet wand’len,
,,Maer wagt hoe myn pinseel hem binnen kort zal hand’len
,,En schilderen zo net met levendige verf;
,,Gy zult binnen een maent, zo ’k voor die tyd niet sterf,
(1845) ,,In dat gedigt Virgiel en Flaccus hooren klaegen,
,,Hoe dat die brekebeen het best haer heeft ontdraegen,
,,En geeft voor ’t zyne uyt: Terens zal met Katul
,,Weer eisschen, ’t geen haer is ontstoolen door dien prul.
MARGRIET.
Zie daer, het geen ik my van eersten af voorstelde,
(1850) En in dit huwelyk met Driessottyn voorspelde,
Dat zyn verdient geluk ontsteken zou den nyt,
En s’vyants lastermont ontsluyten met verwyt;
Maer, die verbittering zal my tot spoorslag strekken,
Om ’t huw’lyk, tot haer spyt, ten eersten te voltrekken,
(1855) Op dat de wangunst zie, dat, al het geen zy doet
Tot stooring van dit werk, my aenzet tot meer spoet.
Gae dit uw Heer terstont uyt mynen naem vertellen,
En zeg hem, tot bewys, hoe hoog dat ik hem stelle,
En zyn waerschouwing’ acht, dat ik van daeg begin,
(1860) Te kroonen Driessottyns verheven geest en min.
En gy, myn Heer, gy zyt, als vriend van ’t huys gebeden,
Het sluyten van de trouw, en blyde plegtigheden
Te vieren nevens ons. Zend, Dochter, eens de Knegt
[p. 87]
Om den Notaris uyt, en aen uw Zuster zegt,
(1865) Dat ik van daeg haer wil aen Driessottyn uyttrouwen.
KORNELIA.
Het zal onnodig zyn, dat ik ’t haer gae ontvouwen,
Die bootschap zou door u, myn Heer, best zyn gedaen,
Gy kunt met een haer hart opruyen tot weerstaen,
Aen al het geen’ haer wert van Moeder voorgeschreven.
MARGRIET.
(1870) Wy zullen zien, of zy zal durven tegenstreven.
Of ’k in myn oogmerk ben, of zy in ’t haer vergist.
KORNELIA.
’t Verdriet my zeer myn Heer, dat g’ in uw oogwit mist.
EELHART.
Mejuffrou, ’k zal myn kragt en arbeit aen gaen wenden,
Om u van dat verdriet haest te doen zien een ende.
KORNELIA.
(1875) ’k Vrees, dat uw pooging heel zal wezen in den wind.
EELHART.
Misschien, dat uwe* vrees wel zig bedroogen vind.
KORNELIA.
Ik hoop van jae, myn Heer.
EELHART.
                                          Ik zou het zeker vrezen,
Zo gy uw Zuster tot myn voordeel woud beleezen.
KORNELIA.
Ik zal tot uwe hulp inspannen al myn kragt.
EELHART.
(1880) Van myn erkennent hart dan dankbaerheit verwagt.



[p. 88]

VYFDE TOONEEL.

EELHART, RIJKHART, GODEFROI, SAERTJE.

EELHART.
MYn Heer, zonder uw hulp is ’t ong’luk my beschooren,
Uw Vrouw heeft Driessottyn tot Zwaeger uytgekooren,
En uyt vooroordeel my gewezen van de hand.
RIJKHART.
Wat zotheit komt haer aen? wat heeft doch die pedant,
(1885) ’t Geen haer bekooren kan?
GODEFROI.
                                                      Om dat hy wat kan rymen,
Word hy voor u gestelt.
EELHART.
                                    Deez’ avond zal zy d’egt
Voltrekken.
RIJKHART.
                  Is dat vast?
EELHART.
                                  Dees avond.
RIJKHART.
                                                      Watge zegt?
Doch, om met vrugt hier in haer zin te wederstreven,
Zal ik u nog van daeg myn dochter Saertje geven.
EELHART.
(1890) Om ’t huwelyks verdrag te maeken, is de Knegt
Naer den Notaris toe.
RIJKHART.
                                  Ik gae mee regelregt
Daer heen, om naer myn zin voorwaerden op te stellen.
[p. 89]
EELHART.
Haer zuster zal haer ook aen ’t oor gestaedig lellen,
En haer dit huwelyk zeer kragtig pryzen aen.
RYKHART.
(1895) En ik beveel, als een, aen wien ’t alleen moet staen,
Dat zy terstond aen u haer hand en trouw zal geven,
En ik zal yeder een, die my wil wederstreven,
Doen zien wie meester is. Blyf maer een weynig staen,
Ik kom terstond weer hier. Broeder, wil met my gaen,
(1900) En gy myn Zwaeger mee.
SAERTJE.
                                                    Oom, maek dat hy bestendig
By dat voornemen blyft; of wy zyn beyd’ ellendig.
GODEFROI.
’k Zal doen tot uws geluks bevordering myn best.
EELHART.
En ik niets vaster zie, daer ik myn hoop op vest,
Als uw standvastigheit.
SAERTJE.
                                    Daer kunt gy staet op maeken.
EELHART.
(1905) ’k Zie, zonder dezen steun, tot geen geluk te raeken.
SAERTJE.
Gy ziet, hoe men myn hart met dwing’landy beknelt.
EELHART.
Zo ’t zig voor my verklaert, vreez’ ik voor geen gewelt.
SAERTJE.
’k Zal alles, wat een drift van trouwe min kan raeden,
Beproeven. Doch, zo al myn poogen quam te spaede,
(1910) Weet ik een toevlugt voor myn droeve ziel, die my
Beletten zal, dat my een ander heeft, dan gy.
EELHART.
ô Hemel, wil dien dag met vreugt my doen beleven,
Dat Saertje my die blyk mag van haer liefde geven.

Continue
[
p. 90]

VYFDE BEDRYF.

EERSTE TOONEEL.

SAERTJE, DRIESSOTTYN.

SAERTJE.
’t IS ’t huwelyk, myn Heer, waer op myn Moeder dringt,
(1915) ’t Welk my in montgesprek met u te treeden dwingt.
Ik heb gemeent, dat gy in d’onordent’lykheden,
En huys beroertens wel zult luysteren naer reden.
Ik weet, dat in myn echt groot voordeel voor uw steekt,
En dat het huwelyks goet alleen uw liefde queekt.
(1920) Maer ’t gelt, ’t welk het gemeen gewoon is te bejaegen,
Hoord’ aen een Philozoof zo zeer niet te behaegen,
En de verachting van het ydel goet, en staet,
Behoorde niet alleen te blyken uyt uw praet.
DRIESSOTTYN.
Mejuffrou, ’t gelt alleen heeft my niet doen verlieven,
(1925) Uw flonkerend gelaet, uw oogen, die my grieven,
Uw zwier, uw fraeyigheit, is alle d’overvloed
Daer ik myn tederheit en wensch meed’ heb gevoet.
Ik ben alleen verlieft op deze vaste schatten.
SAERTJE.
Uw edelmoedigheit moet ik met dank opvatten,
(1930) En uw beleeftheit maekt, dat ik my zelve schaem,
Maer, het verdriet my zeer, dat ik ben onbequaem,
Die liefde van myn kant met wedermin te loonen,
Ik wil aen u zo veel verpligting wel betoonen,
Als iemant, maer ik vind myn hart alreets bezet,
(1935) En gy weet, dat een hart, naer zuyv’re liefdes wet,
Zig niet verdeelen kan; Ik heb het reets geschonken
[p. 91]
Aen Eelhart, die het heeft in liefde doen ontvonken.
Ik weet, dat hy by u in geen verdiensten haelt,
En dat ik in de keur van Bruygom heb gedwaelt,
(1940) Dat gy zyt van natuur met duyzent aerdigheden
Versiert, waer door gy wel den rang verdient met reden,
En ik beken hier van by my de schult te zyn;
Maer, wyl het is gedaen, neem dog gedult met myn,
En, ’t geen in dit geval kan redeneering baeten,
(1945) Is, dat ik moet my zelf om myn verblintheit haeten.
DRIESSOTTYN.
Zo gy, nae ’s Moeders wil, uw hand aen my slegts geeft,
Zal het bezit van ’t hart, ’t welk nu een ander heeft,
Wel volgen, en ’k vertrouw door duyzend minnepligten
Wel haest in staet te zyn, om hem den voet te ligten.
(1950) Ik beeld my in, dat ik door tederheyd een kunst
Zal vinden, om alleen te staen in uwe gunst.
SAERTJE.
Myn ziel is al te vast aen d’eerste min gebonden,
Dat zy geraekt zou zyn door al uw’ liefde vonden,
Ik derf vryborstig u wel zeggen, zo ik ’t meen;
(1955) En hoop niet, dat gy u zult belgen, over ’t geen
Ik onbeschroomt betuyg. Die vlam van liefdes banden,
Die harten doet in ’t vuur van zoete minne branden,
Is altyd van verdienst of deugt ’t uytwerksel niet;
’t Is dikwils koppigheit, en duyzentmael geschiet,
(1960) Dat men geen rede kan van keur van liefde geven,
En, zo men naer verstant en wysheit wist te leven,
Zoud gy alleen myn min verdienen, en myn hert
Bezitten; maer men ziet, dat het nu anders wert
Gepleegt, en daerom laet my, bid ik, in myn blindheit,
(1965) En tragt niet met gewelt te dwingen myn gezintheit,
[p. 92]
Bedien u niet, van ’t geen een onderdaenig kint
Zyn Ouders schuldig is; want al die eer bemint
Zoekt aen zyn Minnaeres alleen verpligt te wezen,
Voor haer genegentheyd. Waer hebt gy ooyt gelezen,
(1970) Dat een wellevend man zou wenschen, dat een hert
Door ouders met gewelt hem opgeoffert wert.
Een eerlyk Minnaer stelt geen roem in dwing’landyen;
Maer wint zyns vrysters hart door smeeken, en door vlyen.
Por dog myn’ Moeder niet, dat zy door overmagt,
(1975) En ’t ouders strenge regt, myn vryheit ooyt verkragt;
Ontdoe u van myn min, doe aen een and’re hulde,
Die met vermaek uw dienst en vryerei kan dulden.
DRIESSOTTYN.
Zo gy een blyk begeert van een gehoorzaem Man,
Zo schryf hem wetten voor, die hy volbrengen kan.
(1980) Zou myn gewonde ziel ooyt van zyn quael genezen,
Zo lang als gy niet laet beminnelyk te wezen?
Zo lang d’aenlokking van uw goddelyk gelaet
Myn’ oogen tot u trekt.
SAERTJE.
                                    Staek zulke zotte praet,
Die Phillis, Amarant, en Iris gaeren hooren,
(1985) Die g’ in uw digten kunt met zulk een tael bekooren,
Die gy zo schoon beschryft, en altyd trouheit zweert;
Maer die zig zelve kent, vind zig dien lof onweert.
DRIESSOTTYN.
Myn geest spreekt dan alleen, als ik die schepsels pryze;
Maer ’t hart en heeft geen deel in al die pligtsbewyzen;
(1990) Daer speel ik, als Poëet, een brandend Minnaers rol,
Maer ’t hart is hier opregt van Saertjens schoonheit vol.
SAERTJE.
Myn Heer, ik bid....
DRIESSOTTYN.
                                Zo dit u reden geeft tot tooren,
[p. 93]
Zal ik geen afstand doen van u vaek te verstoren,
Myn liefdebrand, aen u tot nog toe onbekent,
(1995) Bied u een offer aen van diensten zonder ent.
Myn geest is zo vervoert door uw’ bevalligheden,
Dat zy niet rusten kan, en, schoon ik zag al mede
Dat al myn pooging door uw fierheyd wiert gewraekt,
Verg dog myn liefde niet, die my aen ’t herte raekt,
(2000) Dat zy ondankbaerheyd zou aen een Moeder toonen,
Die met dit huw’lyk zoekt myn trouwe min te loonen.
En, als ik maer verkryg dit onwaerdeerlyk lot,
Is het my evenveel, hoe ik kom aen ’t genot.
SAERTJE.
Gy denkt misschien niet eens wat iemant al moet waegen,
(2005) Die met gewelt een hart en liefde weg wil draegen,
Wat een gedwonge trou geeft onrust aen den geest,
En, waer een Man met regt geduurig niet voor vreest.
En, wat de wraeklust niet een vrouw kan doen beginnen,
Als zy gedwongen wert een Man, dien z’ haet, te minnen.
DRIESSOTTYN.
(2010) Mejuffrou, zulk een tael ontrust geen wyzen geest,
Die tegen alles, daer een laege ziel voor vreest,
Gewapent, over al die zaeken heen kan treeden,
En zig genezen van die zwakheit door de reeden.
Hy wagt zig van verdriet te scheppen uyt een schyn
(2015) Van zaeken, die hy weet niet in zyn hant te zyn.
SAERTJE.
Myn Heer, ik word verrukt, als ’k zo veel wysheit hoore,
Die ’k zo beminn’lyk nooyt gedagt had van te vooren,
En dat zy leeren kon, gevallen van dien aert
Te draegen met gedult: uw helden moet is waert
(2020) Een leerzaem onderwerp, een vrou, die hier op lette,
Dat z’, om uw grooten moet in ’t held’re ligt te zetten,
Aen uw geduldigheit geduurig stoffe geeft,
[p. 94]
Tot blyk dat uws gelyk op aerde niet en leeft;
Maer, naedemael, om regt en uyt de borst te spreken,
(2025) Ik niet geloven durv’ in my zo veel te steeken,
Dat ik den luyster van uw pryselyk gedult
Roemrugtig maeken zou, zo bid ik u, vervult
Die plaetze met een Vrouw, die zig bequaem kan roemen
Om u den besten Man des Werelts te doen noemen.
(2030) Ik stae vrywillig af van dat begeer’lyk lot,
En zweer u, dat ik nooyt zal trouwen aen een zot.
DRIESSOTTYN.
Men zal haest zien hoe ’t gaet, en hebt gy wel vernomen,
Dat de Notaris al is aen uw huys gekomen?



TWEEDE TOONEEL.

RYKHART, EELHART, FEMMETJE, SAERTJE.

RYKHART.
AH Dogter, ’k ben verblyt, dat ik u hier nu vindt,
(2035) Volbreng, waer toe de pligt u, als een kind, verbint;
Gehoorzaem Vaeders wil, en zonder tegenstreeven;
Ik zal u Moeder eens doen zien, hoe men moet leeven.
Ik wil hier meester zyn, en, om haer spyt te doen,
Breng ’k Femmetje weer hier, en ken geen mensch zo koen
(2040) Die my weer tegenspreekt.
SAERTJE.
                                                      Dit opzet is prys waerdig,
Blyf maer vast by uw stuk, verander niet ligtvaerdig;
En zyt voor al bedagt, dat uw goedhartigheit
Geen oorzaek zy voortaen, waer door men u misleyt;
Geef niets lafhartig toe, bezorg uyt al uw kragten
(2045) Dat mans hand boven leg.
[p. 95]
RYKHART.
                                                    Stae ik in uw gedachten
Voor zo een zot te boek?
SAERTJE.
                                      De hemel hoede dat.
RYKHART.
Waer ziet ge my voor aen? Ben ik dan een Jan gat?
SAERTJE.
Dat zeg ik niet.
RYKHART.
                        Ben ik niet mans genoeg, om blyken
Te geven om een mensch, die red’lyk is, te lyken?
SAERTJE.
(2050) Jae Vaeder.
RYKHART.
                              Ben ik dan een jonge of een kint?
Dat ’k niet begrypen zou, dat hier alleen ’t bewind,
En ’t opperste gezag, aen my moet zyn gelaeten.
SAERTJE.
Dat komt alleen u toe.
RYKHART.
                                  Waer toe dan al dat praeten?
Zou ’k van een driftig Wyf ontfangen zo de leus,
(2055) Die my zou, als een gek, omlyden by den neus.
SAERTJE.
Neen Vaeder.
RYKHART.
                      Ei wat wil die praet dan anders zeggen?
Het is onhebbelyk my zulleks voor te leggen.
SAERTJE.
Zo ’k u beleedigt heb, het was myn meening niet,
RYKHART.
’k Wil dat men stipt’lyk volg! al ’t geen ik hier gebied.
SAERTJE.
(2060) ’t Is treffelyk gezegt.
[p. 96]
RYKHART.
                                            Dat niemant zig vermeete,
Te heerschen over my.
SAERTJE.
                                  ’t Is regt.
RYKHART.
                                                Dat ieder weete,
Dat ik het opperhooft van ’t huysgezin wil zyn.
SAERTJE.
Dat stem ik gansch’lyk toe.
RYKHART.
                                          Dat niemand, buyten myn,
Myn Dochter aen een Man ten huwelyk kan geven.
SAERTJE.
(2065) ô Jae.
RYKHART.
                    Moet gy alleen niet nae myn wetten leven?
Heeft God my over u geen oppervoogt gestelt?
SAERTJE.
Dat lyt geen tegenspraek.
RYKHART.
                                        Myn keur alleen hier gelt,
En, als een Dogter in den egten staet wil treeden,
Kan Vaeder haer alleen maer aen den Man besteeden.
SAERTJE.
(2070) Dit vlyt myn zoete wensch, die maer alleen verlangt
Te toonen, dat myn wil geheel van d’uwe hangt.
Gebie maer, ik zal blyk van onderwerping geeven.
RYKHART.
Wy zullen zien, of my een Wyf zal tegenstreeven.
SAERTJE.
Gy ziet, dat zy daer komt met een Notaris aen.
RYKHART.
(2075) Wilt my tog al te gaer getrou ter hulpe staen.
[p. 97]
FEMMETJE.
Laet my maer eens begaen, ik zal u moed inspreeken,
En, als het noodig is, zal u geen hulp ontbreeken.



DERDE TOONEEL.

MARGRIET, GEERTRUYD, KORNELIA, DRIESSOTTYN, NOTARIS, RYKHART, EELHART, SAERTJE, FEMMETJE.

MARGRIET.
ZOud gy uw woesten styl en bastert schryf manier
Niet met beschaefder tael, en netter woorden zwier,
(2080) Verwiss’len kunnen, en, gelyk het wel behoorde,
In ’t huwelyks verdrag gebruyken zuyv’re woorden.
NOTARIS.
Mevrou, ik was een zot, zo ’k in den styl van ’t Hof,
Iets innoveeren wou; en eens Notaris lof
Bestaet in woorden, die de Practisijns useeren.
(2085) En daerom kan ik hier in ’t minste niet changeeren.
MARGRIET.
Myn ooren doen my wee; ik word gequetst! ik schreeuw;
ô Wanspraek! ô gedrogt in deez’ verlichte eeuw!
Ten minsten bid ik u, ter gunst der wetenschappen,
Dat gy de guldens en de stuyvers uyt wilt schrappen,
[p. 98]
(2090) Dat gy van Ducatons, nog van Ryksdaelers melt,
En dat de bruytschats som geleerd’lyk wert gestelt
In Minen, Dragmen, en Talenten, dat de teek’ning
Des dags wert uytgedrukt naer de Romeynsche reek’ning,
Met Iden en Kalend, en ’t Burgermeesterschap
(2095) Van onze Stad.
NOTARIS.
                                    Mevrouw, als ik de minste stap
Ging van het costumier, dan mogt ik wel verwachten
Dat alle Klerken, en de jongens, my belachten.
MARGRIET.
Ik zie wel, ’t is vergeefs, dat m’ over wanspraek klaegt;
Zit aen deez’ taefel neer, en schryf zoo ’t u behaegt,
(2100) Ah! ah! derft deze pry met onbeschaemde kaeken,
Daer z’ uytgebannen is, myn oogen weer genaeken!
En wat bestaet gy, Man, dit vel weer onder ’t dak
Te brengen?
FEMMETJE.
                    Naderhand zal men u met gemak
Hier reden van doen zien. Nu zyn’er bezigheden,
(2105) Van meer belang, voor hand.
NOTARIS.
                                                          Ey lieve, laet ons treeden
Tot ’t huwelyks contract. Mevrou, waer is de Bruyt?
MARGRIET.
Die ik uyttrouwen zal, dat is myn jongste spruyt.
[p. 99]
NOTARIS.
Goet.
RYKHART.
        Ja z’is by der hand, en, zo g’ haer naem moet weten,
Schryf Sara.
NOTARIS.
                      Goed, waer is de Bruydegom gezeten?
MARGRIET.
(2110) De Bruydegom, dien zy van my ontfangen moet,
Is deze Heer.
RYKHART.
                    En, dien ik wil dat zy begroet
Als Man, dien ik voor haer alleen heb uytgelezen,
Is deze Heer.
NOTARIS.
                    Hola, twee Bruygoms, ’t kan niet wezen;
’t Is tegen de Costuym, ’t zweemt naer Polygamie,
(2115) Die, noch naer regten wert, nog naer Theologie
Geleden, en zo ik al dit contract passeerde,
Wien zou ik, als het Hof my eens fiscalizeerde,
Dan roepen in guarand.
MARGRIET.
                                    Waer stoot gy u al an?
’t Is Driessottyn alleen, dien ik haer geef tot Man*
RYKHART.
(2120) ’t Is Eelhart, dien ik heb tot Schoonzoon aengenomen.
NOTARIS.
Zo men omtrent den Man niet in accoort kan komen,
En met goet jugement malkander wil verstaen,
Leg ik de penne neer.
MARGRIET.
                                  Schryf Driessottyn, schryf aen.
[p. 100]
RYKHART.
Maek, zeg ik, het verdrag naer myn bevel alleenig.
NOTARIS.
(2125) Nu zeg eens, wien van tween, dewyl gy zyt oneenig....
RYKHART.
Ik moet gehoorzaemt zyn.
MARGRIET.
                                          Durft gy my tegenstaen
In ’t geene, dat ik wil?
RYKHART.
                                    Het staet my gansch niet aen,
Dat men myn Dochter vryt, om dat men wel kan gissen,
Dat, als men haer verkrygt, myn gelt ook niet kan missen.
MARGRIET.
(2130) Loop zotskap, om uw gelt en wert niet eens gedagt,
Een wyze Man uw goet zyn zorg niet waerdig agt.
RYKHART.
Kort om, ’k wil dat zy zal met Eelhart zaemen leven.
MARGRIET.
En ik wil Driessottyn haer tot een Bruygom geven.
Myn wil moet zyn gevolgt, de keur staet by my vast.
FEMMETJE.
(2135) Men schryft geen wetten voor aen mannen, en het past
Geen vrouwen van fatsoen te willen boven leggen.
RYKHART.
De Meyt spreekt als ’t betaemt.
FEMMETJE.
                                                Zie daer, ik wil het zeggen,
Al zou men hondertmael my uyt het huys doen gaen,
[p. 101]
’t Betaemt niet, dat de hen zou kraeyen voor den haen.
RYKHART.
(2140) Dat ’s wel geredeneert.
FEMMETJE.
                                            Men zou een Man begekken,
Die zo zyn Wyf de broek geduldig aen liet trekken.
RYKHART.
Dat ’s waer.
FEMMETJE.
                  Zo ’k ooyt een Man kan krygen naer myn zin,
Zou ik verstaen, dat hy alleen het huysgezin
Regeeren moest, en als hy voor Jan hen wou speelen,
(2145) Zou ik hem nimmermeer myn’ liefde waert oordeelen.
En, als ik altemets eens met een booze kop
Hem tegenspreeken wou, al gaf hy my dan klop,
En met een vlakke hand myn stouten bek wat meukte,
Of met een bezemstok myn lyf en lenden beukte,
(2150) Had ik hem eens zo lief.
RYKHART.
                                                  Dat ’s spreken als ’t betaemt.
FEMMETJE.
Myn Heer heeft groot gelyk, dat hy tot Man beraemt
Een, die zyn Dogter lykt.
DRIESSOTTYN.
                                      Jae.
FEMMETJE.
                                            Zeg my doch eens reden
Waerom hy, daer z’ is jong en welgemaekt van leden,
Haer Eelhart wyg’ren zou, en dwingen een pedant
(2155) Te nemen, die altyd haer zou met onverstant
[p. 102]
Beknibbelen, zy is de plak al lang ontwassen,
Een Man kan haer alleen, en geen Schoolmeester, passen.
En, wyl zy, noch het Grieksch wil leeren, noch ’t Latyn
Vind zy geen aerdigheit in Monsieur Driessottyn.
RYKHART.
(2160) Zo meen ik ’t ook.
MARGRIET.
                                        Zy moet op haer gemak wat snappen.
FEMMETJE.
Geleerde Mans zyn goet, om op de stoel te klappen;
Maer ik heb duyzentmael gezegt, dat ik geen Man
Van geest en wetenschap met hart beminnen kan.
Geleertheit is ’t vermaek niet, dat men zoekt in ’t trouwen,
(2165) En daer steekt geen geneugt in boeken, voor de vrouwen,
En ik wil, zo ik ooyt myn woort geef aen een vent,
Dat hy geen ander boek, dan my, zyn leven kent.
Al kan hy A noch B, gelieft niet quaet te wezen
Mevrou, hy kan genoeg, als hy in my kan lezen.
(2170) Als hy maer Doctor is in liefdens wetenschap.
MARGRIET.
Is ’t nog niet lang genoeg, dat ik die zotte klap
Geduldig, uyt den mont van uw vertaelster, hoorde?
RYKHART.
Zy spreekt de waerheit, Vrou.
MARGRIET.
                                                En ik, met korte woorden,
Verklaer rondborstig uyt, tot myding van ’t krakeel,
(2175) Dat ik volslaegen wil, dat Saertje zig geheel
Zal schikken naer myn keur, en dat, eer wy hier scheyden,
[p. 103]
Wy Driessottyn en haer naer ’t Bruytsbet zullen lyden.
Ik heb ’t gezegt, ik wil ’t, en wagt geen tegenspraek,
Van wie het wezen mag, in deez beslooten zaek.
(2180) En, zo gy buyten my aen Eelhart zyt verbonden,
Geef d’oudste Dogter hem, dan is de zaek gevonden.
RYKHART.
Wel nu, dat lykt’er nae, die schikking is niet vremt,
Zeg Saertje, zeg, of gy hier toe gewillig stemt?
SAERTJE.
Ah Vaeder!
EELHART.
                  Ah myn Heer!
GEERTRUID.
                                        Daer zyn nog wel voorslaegen,
(2185) Die men zou konnen doen, en hem veel meer behaegen;
Maer daer en wort by ons geen soort van min gestigt,
Dan die zo zuyver is, als ’t helder zonne ligt.
Het denkent wezen wert alleenig aengebeden,
En d’uytgebryde stof verbannen wy met reden.



VIERDE TOONEEL.

GODEFROI, RYKHART, MARGRIET, GEERTRUYD, DRIESSOTTYN, NOTARIS, EELHART, SAERTJE,* FEMMETJE.

GODEFROI.
(2190) HEt doet my, vrienden, leet, dat ik dit Houlykfeest,
Met tyding, die my eerst verdrietig is geweest,
Moet stooren. Ik ontfang zo even deze brieven,
[p. 104]
Die my, voor u, het hart met zoo veel smart doorgrieven;
D’een, van uw Procureur, is uyt den Haeg gezonden,
(2195) En de ander is voor u, van een goed vriend te Londen.
MARGRIET.
Wat bootschap kan ’er zyn, die my beroeren zal?
GODEFROI.
Lees deze brief, en zie uw droevig ongeval.
MARGRIET leest.
Mevrou, uw Broeder is door my verzogt, om dezen
Brief u te leveren, waer in gy zelf kunt lezen,

(2200) ’t Geen ’k u niet zeggen dorst, dat uw naelatigheit
Is d’ oorzaek, dat de Klerk uws Rapporteurs geen vlyt
Gedaen heeft, om berigt te geven, naer behooren,
En, daer gy ’t winnen moest, hebt gy ’t Proces verlooren.

RYKHART.
Verlooren uw Proces!
MARGRIET.
                                  Zyt gy daer van ontstelt?
(2205) ’t Verdient niet, dat men ’er zig zelf eens over quelt,
Geef blyken, dat geen schae een groote ziel kan deeren,
Die al de slaegen kan van ’t blind geluk braveeren.*
Sy leest voort.*
Uw party is ’t verzuym een tonne gouts ruym weert;
Want gy zyt door arrest van ’t Hof gecondemneert,

(2210) Om deze som, met al d’onkosten, te betaelen,
Of anders zal men het by executie haelen.

Gecondemneert, dat woort is bits, en maer gemaekt
Voor die den doot verdient, de rest my weinig raekt.
GODEFROI.
Gy hebt gelyk, dat gy dat woort niet kunt verdraegen,
[p. 105]
(2215) ’t Moest wezen, dat het Hof u bidden liet, en vraegen,
Of ’t u gelegen quam, ten eersten op het zien
Van d’uytspraek, aen party de som van viermael tien,
Duyzent ryksdaelers met d’onkosten te betaelen:
Dan zou die styl uw lof en Driessottyns behaelen.
MARGRIET.
(2220) Waer is nu d’and’re brief.
RYKHART leest.
                                          De vriendschap, die, myn Heer,
Ik met uw Broeder heb, is oorzaek, dat ik zeer
Veel deel neem, in het geen uw interest kan raeken,
En, wyl ik weet dat gy uw meeste en zwaerste zaeken
Aen Crygton hebt betrout en Blakwel, die voorheen

(2225) Hier hadden groot crediet, maer die nu, een voor een,
Een schandelyk bank’roet van hondert duyzent ponden
Hebben gemaekt, heb ik het van myn pligt gevonden,
Hier kondschap van te doen.
ô hemel! wat een slag!
Te moeten al zyn goet verliezen op een dag.
MARGRIET.
(2230) ’t Is schande, dat gy u zo ligt’lyk laet vervoeren,
Dit alles hoort geen geest van een wys Man t’ontroeren;
Dien treft geen ongeval, en al verliest hy ’t goet,
Verliest hy nooyt zig zelf, nog zyn bedaert gemoet.
Daerom voltrekken wy maer ’t geen hier is begonnen,
(2235) En laet uw ziel van smert niet blyven overwonnen;
Daer zal nog wel wat geld voor bruydschap over zyn,
Vyf duyzend gulden is genoeg voor Driessottyn,
Die ik bestellen zal by onze goede vrinden,
[p. 106]
En nog is het geen noot, schoon wy die zom niet vinden.
(2240) Van zyn geleertheit kan en hy, en wy bestaen.
DRIESSOTTYN.
Mevrou, ei dryf die zaek zo sterk dog niet meer aen,
’k Sie, dat hier niemand is, of hy spreekt ’t huw’lyk tegen,
En ’k dwing de menschen niet, die ik niet kan bewegen.
MARGRIET.
Dat valt u schielyk in, en, dat gy dit bemerkt,
(2245) Is nae ’t verlies van ’t goet eerst by u uytgewerkt.
DRIESSOTTYN.
Men word moe met ’er tyd, van al dat tegenstreeven,
’k Zoek liever stil en zonder moeilykheit te leven,
En ik begeer geen hart, ’t welk zo veel weerstand biet.
MARGRIET.
Nu zie ik, tot uw schand, ’t geen ik myn leven niet
(2250) Geloven kon.
DRIESSOTTYN.
                                  Mevrou, gy kunt van my geloven
Al, ’t geen dat u belieft, ik ben dat lang te boven.
En, of gy ’t quaelyk neemt, ’t verscheelt my weinig meer,
Maer ik en ben geen Man, dien ’t schenden van zyn eer,
Door trotze wygering, zo zoet zou kunnen smaeken,
(2255) Men moet meer werks van my, en myn geleertheit maeken.
Ik ben een dienaer van al, die myn wysheit hoont.
MARGRIET.
Wat heeft die vuyle ziel zig naekt aen ons vertoont!
Lykt dat naer wysheits zugt, die hy niet doet, als pryzen!
[p. 107]
EELHART.
Mevrou, ik heb my nooit getelt onder de wyzen,
(2260) Maer al het ongemak, ’t welk u de hemel geeft,
Acht ik het myn te zyn, myn lot aen ’t uwe kleeft.
En, durf ik myn persoon en goet aen u opdraegen,
Beschik daer van, Mevrou, maer naer uw welbehaegen.
MARGRIET.
Dit edelmoedig stael heeft my het hart bekoort,
(2265) Ik zal uw minnewensch belonen, zo ’t behoort,
En, wyl gy ’t hartelyk meent; zal ik u Saertje geven.
SAERTJE.
Neen Moeder: ’k ben niet meer gezint, gelyk daer even.
En ly, dat ’k u besluyt nog eens mag tegenstaen.
EELHART.
Hoe! zoud gy myn geluk nu willen tegen gaen?
(2270) En, nu ik ieder aen myn liefde toe zie vallen...
SAERTJE.
Ik weet, hoe weynig goet gy hebt, en, onder allen,
Die ’k ooit gezien heb, had ik u gewenst alleen
Tot mynen Bruydegom, op hoop dat ik met een
U door myn huw’lyk zou gelukkig kunnen maeken;
(2275) Maer, nu het noodlot heeft verergert onze zaeken,
Bemin ik u te veel, dat ’k, nae dien tegenspoet,
U zou belaeden met een’ huysvrou zonder goet.
EELHART.
Ik ben bereit met u al ’t ongemak te draegen,
En zonder u kan my geen voorspoed zelf behaegen.
[p. 108]
SAERTJE.
(2280) Zo spreekt men, als men is door d’eerste drift verrukt;
Maer, laet ons zorgen, dat geen naeberou ons drukt*
Daer is niets, dat den knoop van min kan losser maeken:
Als dat men met gemak niet aen de kost kan raeken:
En dikwils geeft men zig dan allebei de schult,
(2285) Als d’armoe onlust baert, en men met geen gedult
’t Nootzaekelyk gevolg van zulk een lot kan draegen.
GODEFROY.
Is ’t geen, gy zegt, alleen de rede van ’t vertraegen,
En waerom gy den wensch van Eelhart tegen gaet?
SAERTJE.
Dit hindert maer alleen, en, weet gy hier toe raet,
(2290) Dan loop ik met vermaek in die gewenste banden.
Dat ’k hem te veel bemin, weerhout alleen myn handen.
GODEFROI.
Tree dan met Eelhart vry in ’t huwelyks verbont,
De tyding, die ik bragt, was maer een loze vont,
En list, om onverwagt myn hulp u te betoonen,
(2295) En Eelharts zuyv’re min met uwe trou te loonen.
Myn oogmerk was met een, myn Zuster uyt den dut
Te helpen, als zy zag, hoe weinig steun en stut
Zy had aen Driessottyn, en aen verwaende wyzen.
RYKHART.
Laet ons gezaementlyk den hemel hier voor pryzen.
MARGRIET.
(2300) ’k Verheug my ’t allermeest in ’t knaegende verdriet,
’t Welk hy gevoelen zal, die ons zo snood verliet,
En, om zyn gierigheit met naedruk te kastyden,
[p. 109]
Wil ik het huw’lyksfeest met alle pragt beryden.
RYKHART.
’k Wist wel, dat niemant ooit, als gy, haer hebben zou,
KORNELIA.
(2305) Zo offert gy my op aen deez’ onwett’ge trou.
MARGRIET.
Gy zult, door wysheits hulp, u vergenoegt betoonen,
En zien met groot vermaek, dat wy haer liefde kroonen.
GEERTRUYD.
Hy zie ten minsten, dat zyn hart nog tot my blyft;
De wanhoop dikwils wel een Man ten huw’lyk dryft,*
(2310) ’t Welk hem voor altyd rout.
RYKHART.
                                                          Notaris, maek geschreven
’t Verdrag, naer d’order, dien ik u straks heb gegeven.
EYNDE.



[p. 110]

DRUK-FEYLEN.

Pag. 12. lin. 20. Vorstin, lees Vorstins.
Pag. 18. lin. 4. daar by, lees daar hy.
Pag. 31. lin. 4. werk woord, lees werrik woord.
Pag. 34. lin. 8. lustig, lees lastig.
Pag. 53. lin. 20. ah wilt ons nu medeelen
                    DRIESSOTTYN.
        lees. ah wil ons nu medeelen.
        Uw punt gedicht.
                    DRIESSOTTYN.
Pag. 57. lin. 2. een re, lees rei.
Pag. 66. lin. 6. hoe wat is t’, lees wat is ’t.
Pag. 87. lin. 14. dat uw vrees, lees uwe.

Continue

Tekstkritiek:

p. 2 Driessotyn is hier met één t gespeld, evenals in vs. 302 en 325,
        maar overal elders als
Driessottin, Driesottyn of Driesottijn
vs. 172 loon, er staat: loon.
vs. 182 opgesloten er staat: opgesloten.
vs. 206 toonen, er staat: toonen.
vs. 250 Vorstins [...] vresen. er staat: Vorstin [...] vresen
vs. 264 drift er staat: drif
vs. 321 digten, er staat: digten.
voor vs. 327 SAARTJE. er staat: SAARTJE.
vs. 345 oog. er staat: oog
vs. 386 hy er staat: by (zie de Druk-feylen)
vs. 442 zyn. er staat: zy.
vs. 445 stond, er staat: stond.
vs. 453 getrouwt. er staat: getrouwt
voor vs. 462 RIJKHART. er staat: RIJKHAT.
vs. 489c Wijf er staat: Wijf.
voor vs. 495b GEERTRUYD, er staat: GEERTUYD,
vs. 518 haar er staat: haat
vs. 530 naar richten er staat: naarrichten
vs. 531 spreeken, er staat: speeken,
voor vs. 535b MARGRIET. er staat: MARGRIERT.
vs. 584 werrik er staat: werk (zie de Druk-feylen)
vs. 604 half vers
vs. 631 Vollenhoven, er staat: Volleuhoven,
vs. 661 lastig er staat: lustig zie de Druk-feylen.
vs. 804 zyn er staat: zy
vs. 812 Wyl ik er staat: W ylik
vs. 847 Driessottyn. er staat: Driessottyn
vs. 902 gezeyt. er staat: gezeyt
voor vs. 906b RIJKHART. er staat: RIJKHAT.
vs. 917 zien er staat: zien.
vs. 935b blinkt’er er staat: biinkt’er, er
voor vs. 936b JAN. er staat: JAN,
vs. 1003 taele. er staat: taele
na vs. 1043 Die niet te min is opgevat als vs. 1042b
vs. 1064a rijmt op 1063, 1064b op 1065
voor vs. 1067 KORNELIA. er staat: KORNFLIA.
vs. 1078a zie de Druk-feylen. Dit halfvers is met het
                volgende opgevat als vs. 1078

vs. 1159 rei, er staat: re, (zie de Druk-feylen)
voor vs. 1160 DRIESSOTTYN. er staat: DRIESSOTTYN,
vs. 1174 Verlang er staat: verlang
vs. 1217 Bestek er staat: bestek
vs. 1317 kleyne. er staat: kleyne,
vs. 1322 praelde. er staat: praelde
vs. 1337 bequaem, er staat: bequaem.
vs. 1341 toegedraegen. er staat: toegedraegen
voor vs. 1343 VADIUS. er staat: VADIUS
voor vs. 1467 RIJKHART. er staat: RIJKHART.
vs. 1504b was, er staat: was.
vs. 1630 aengenoomen. er staat: aengenoomen,
vs. 1647 gemaekt. er staat: gemaekt
vs. 1670 Of, er staat: Of.
vs. 1770 onbedreven, er staat: onbedreven.
vs. 1835 zal. er staat: zal
vs. 1876 uwe er staat: uw (zie de Druk-feylen)
vs. 1885 is een weesrijm
voor vs. 2190 SAARTJE. treedt in dit toneel op, maar ont-
                breekt bij de aanduiding van de personages

vs. 2207 braveeren er staat: braveeen
voor vs. 2208: regie-aanwijzing gecursiveerd
vs. 2309 dryft, er staat: dryft.