Gerbrand Adriaensz Bredero: Griane. Amsterdam, 1616.
Uitgegeven door drs. G.C. van Uitert
Red. dr. A.J.E. Harmsen, Universiteit Leiden.
Ceneton014230 Ursicula
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.

Continue
[
fol. *1r]

G.A. BREDEROOS

GRIANE

Op zyn Spreuck

Het kan verkeeren.

Eerst Ghespeelt ’t AMSTELREDAM Sondaghs
voor Kermis, ’t Jaer 1612. doch gedruckt
vier Jaren na dat ’t gespeelt is.

[Vignet: stadswapen van Amsterdam]

t’AMSTERDAM,
________________________

Voor CORNELIS LODEWYCKSZ.
VANDER P LASSE, Boeckvercooper
aande Beurs, in d’Italiaansche Bybel. 1616.



[fol. *1v: blanco]
[fol. *2r]

Toe-schrijvingh

Aende

Eerbare en Wel-sprekende

M.P.D.

GHY sult my waarde MARIA, ofte te veel vertrouwens, ofte te weynich oordeels toe rekenen, vermits ick so vermetel bengeweest, van dat ick niet alleen U.L. hebbe darren anspreken, maar oock, om dat ick so stout ben, dat ick u dese myne Rijmeleryen toe-eyghenen darf, mitsgaders dat ick dit onvolmaackte werck voor de nijdighe, of de al te kiesche hebbe durven brenghen, die ongetwijffelt haar stinckende tanden daar mede stoken, en my eenige leelijcke kliecken en klacken toewerpen sullen: ’t welck ick gemoedicht ben lydtsamelyck te verdraghen, op avonture of sy noch yets by ghevalle daar in mochten berispen, het welcke my in andere saken verbeteren en wijsmaken mocht; alsomen doch na PLUTARCHI segghen meer nutticheyts uyt de scherpe bestraffinge der vyanden, als door het blinde vingerkijken der vrunden te verwachten heeft: Maar om de waarheyt te seggen, ic ben so seer niet belust om myn wangunstige sprekende te maken, als ic wel willich ben om u te bidden dat ghy, ô glorye van Amsterdam! myn vryposticheyt ten besten, en dese myne geringe vereeringe in ’t goede afnemen wilt, van het welcke ick nimmer ondanckbaar noch slof in ’t vergelden en sal bevonden worden, waar an dat ick weet dat ghy niet en twijffelt. Daaromme dan, ô ghy alderschranderste! die niet van een sterffelycke vrouw, maar selfs van den onsterffelycke God schynt voortgebracht, ten aensien van u meer als menschelyc verstant, daar de klare Godheyt so merckelyk in speelt, dat de levendige luyster van u doorluchtighe en uytmuntende geest u schoon en reysich lichaam doorvrolyckt en verciert, recht als door de meesterlycke hant eens kunstrycke goud-werkers, de suyverlycke welgemaakte casse eens Edelen rings te meer wert verryckt door de alderblinckenste, en waerdighste steen, die met zyn bly-gheestighe stralen het lieve gout te [fol. *2v] heerlycker en te blyer doet schijnen.
    O licht van onse tyt! hoe dickwils hebben my de blixems van u onwaardeerlycke redenen niet alleen verwondert: maar tot in myn binnenste geslagen, met een huegelycke verslagentheyt: Gesegent sy de uur doen ick u so geluckelyck gemoete
n, doen ick door des Hemels gunste meerder kennisse van u goede bevallicheyt vercreeg, en door u lieve ommegang geware wiert dyne wyze en uytgenomen zeden. Hoe menichmael hebdy myn doen staen gelycken als vervoert? wanneer de ervarentheyt, my voor de oogen mynes vernufts vertoonde met wat een hoogen wetenschap u uytgelesen siel was, en is gestoffeert: de welke ghy met de minnelyckste aardicheyt weet te disteleren en te kleynsen door de teems van u honich-vloeyende tongh, waarna ghy doet snacken de aldergeleertste ooren. En alhoewel ghy ongeleert zyt, so trotst, en beschaamt ghy selfs de geleertheyt der gheleerden, met u natuurlycke kennisse, vande welcke ick garen meerder schreef, dan om den vleyer of den vrijer niet te maken, sal ick hier mede endigen, anderwerf biddende dat uwe huesheydt mijn groote vrymoedicheyt en cleene dienst int goede ontfangen, en de ghebreken die hier veel in zijn verhelpen wilt, ick weet seer wel dat ick door onkunde der wtheemscher letteren, dickwils teghen de maten en clancken der Latijnscher uytspraken hebbe gestribbelt, en de soeticheyt der woorden in hartheyt van spreken verandert heb, maar de misbruycken die door onwetenheyt gheschieden, werden meestentijt by alle verstandigen rechteren innegesien en verschoont; het welcke dat ick hoop dat my hier inne van u, en alle lesers en leserinnen (die my iets vermuegen) ooc sal gelucken. Isset so treffelijc niet alst wel behoorde, het is te minsten so veel als ic voor die tijd vermocht, en niet als ick doen wel wilden, en nu wel souw kunnen wenschen. Hier mede wil ick u, ô geluckige Welspreeckster! dit selvige boeckje van ’t Spel van G RIANE Toe-eygenen; verhopende dat het u niet on-aengenaam wesen en sal, vermits het u in ’t spelen wel bevallen heeft. Endelingh beveel ick u den almogende Gever, dat die u gheve het gheen ghy selve, en dat u van harten wenscht
Uwen in als ghetrouwen Vrient
GARBRANT BREDERO.



[fol. *3r]

GHEDICHT

Ter Eeren den E.

G.A. BREDERODE,

Op sijne

PALMERYN VAN OLYVEN.

INDIEN dat Troia waar gheluckich staach gebleven,
        Hector en Thetis Soon
Hadden gantsch vruchteloos verwareloost hun leven,
        Oon deuchts verdiende loon.
(5) Indien Ulisses waar voor-wint naar huys ghevaren,
        Syn kuysche Vrouwe vroet,
Vergeten waer de Deucht, geproeft door veel ghevaren
        Van ’t mannelijck ghemoet.
Aeneas onbekent versleten hadt syn daghen,
        (10) Syn Gods-vrucht en syn kracht,
Door moeyt, en arbeyt swaar, soudt noyt hebben beslaghen
        ’Tbegin van Romens macht.
Hoe seer Fortuyn haar knelt, nochtans int endt naar wenschen,
        Syn eyghen loon met vreucht,
(15) (Alleen een eyghenschap der redelijcke menschen)
        Baart d’onverwonnen Deucht.
Der Helden deucht gheeft stof aen Dichters hooge sinnen,
        Soo dat naar hun vermooch
Het gheen’ sy metter daadt niet konnen volghen, minnen
        (20) Met yvrich lofs ghebooch.
Ghelyck bemint ghelyck; dees Helden deucht vermaarden
        Phoebi lieftaal’ghe Bruyt
Thalij, doen s’aldereerst Homeri Luyte snaarden,
        Met onghehoort gheluyt:
(25) Dit deed’ den Mantuaan naar’t Griexse voorbeeldt stichten,
        (Voor Oud’ren deucht beleeft)
[fol. *3v]
Syn veersen vloeyent soet, grootsprekende ghedichten,
        Waar in Aeneas leeft.
Dit hebben naar ghevolcht in veel verscheyden Talen,
        (30) Verscheyden gheesten kloeck,
Als sy der Princen lof en daden kloeck verhalen,
        In menich treflyck boeck.
Dit gaat in duytsche Taal nu Bredenrood’ oock volghen
        Met aanghename schijn,
(35) Wanneer hy singt ’tverkeer van ’tAvontuur verbolghen,
        In syne Palmerijn.
Florendi trouwe Min, en Man-stantvasticheden,
        Door langhe tyt beproeft,
Door d’ontrouw van Griaan, en Vrou-lichtvaardicheden
        (40) So menichmaal bedroeft.
De snel ghevlerckte Tyts dochter, d’onwinb’re waarheyt
        Brenght alles openbaar,
Brenght alle schennis uyt aen Sons hellichte claerheyt,
        Hoe seer ’tverborghen waar.
(45) Deuchts ingheboren aart blinckt in recht’ Edelinghen,
        Hoe seer sy wert vermast,
Nochtans ghelijck een Palm so gaetser teghen dringhen,
        En overwint haar last.
De Deucht haar glori soeckt uyt smaat van haar vyanden,
        (50) Alst blijckt in desen Heldt,
Die syn ondanckbaar Moeder vrijt van alle schanden,
        Die hem als vond’lingh stelt.
Gaet voort, gaet Bred’ro voort, met veel bevallicheden,
        Naar hoogher eeren spoor:
(55) Ghy Lesers neemt in danck, met goe gheneghentheden,
        ’Tgheen’ hy u dicht te voor.
Het beste volcht altijts, bemerckt hoe ’t Kan verand’ren;
        De Deucht blyft ongheschent:
Hy is gheluckich die hem Spiegelt sacht aan and’ren,
        (60) De croon van ’t werck is             ’tEndt.
Antiqua virtute, & fide.



[fol. *4r]

SONNET

Op G.A. BREDEROOS

GRIANE.

HEt kan verkeeren blijft hier tweesins steets ghedachtich;
    Het kan verkeeren met dit tijdelijck gheluck,
    De een die komt in d’Eer na d’armoed smaet en druc;
    En d’ander wert veracht, al was hy trots en prachtich.
(5) Gods Voorschick is alleen verwandeloos en krachtich,
    Sijn Wille is, en blijft een onbeschreven Wet.
    Maer Bred’ro heeft alleen dees’ korte spreuck gheset
    Ten aensien van de Mensch, die over ’taertsch is klachtich.
De Schepter, Purpur, Croon, Gebiedt, en Heerschappy,
    (10) Wendt ’tvoeteloos geluck tot een Remicklus vry,
    Maer hoe’t hem wedervaert leest in dees Rymerye.
Tarisius die vervalt, ’tluck heft Florendus op,
    Dit schrijft Adriani Zoon, die op den dubbel top
    Pegasi drenckt en laeft sijn duytsche Poëzye.
B.V.



[fol. *4v]

SONNET.

VAak d’onghestade Maan haar glinst’ren doet veraarden,
    Wanneer sy helder rijst, en duyster weder duyckt.
    Gelijck in Rijcke pronck de bloeme staat ontluyckt,
    Die door een schraale wint wert haast gevelt ter aarden;

(5) Alst drijvende ghebou beroert met sneller vaarden,
    Wert in de gront gevlot, en vande Zee behuyckt,
    Dan uyt het bracke nat weer inde Locht opstuyckt;
    Mits ’tweerslaan van ’tghebaar dat nimmermeer bedaarden:
Soo oock ’tblint Avontuur nu blijd’, dan weder droevich,

    (10) Vervliecht te wispeltuur, en niemant is vertoevich;
    Nu in ons schalen Gal, weer sapen Honich doet.
    Den eenen van een Prins in armoed’ wert verschoven,
En d’ander wederom bekroont in ’sKoningx hoven:
    Fortuyn blijft nimmermeer op eenderleye voet.

Non Nobis.



[fol. *5r]

VOOR-REDEN

Aande

VERSTANDICHSTE RYMERS

Der

NEDERLANDSCHE

POËSYE.

HOOGE, geleerde, en niettemin grootgheestighe Mannen; ick denck dat ick u alle te samen een soet ende lachelyck Bancket hebbe aangerecht, met mijn so wel Boersche als leeke stijl van dichten: Wanneer als ghy met de Veer-kijckers van u al doorsichtige Oogen sult duersoecken en sien, myn gheneugelycke mis-slagen, insonderheydt, doen ick meende inde vlaghen van myn Rym-lust, het alderwiste te hebben: Maar nadien my de vliesen van die verwaantheyt zyn afgedaan, door de tegenwoordighe aldervernaamste en treffelykste Dicht-schryvers van onser Eeuwe, hebbe ick (dan te laat) bevroet, dat ick in myn vernuft met blinde streecken schermutselde. Tis waar dat ik meer op het aan sicht mijns beginsels sach, als op de voeten van myn uytkoomste, dies ist ghevallen dat ick in een groote Dool-hof van gebreken ben gheraackt, so wel inde loop der gemener woorden, als oock inde verdelinge der wercken, en der tijden, sulckx dat ick tegen ’tgebruyck der Griecken, Latynen en Fransche hier in heb gevoeght een Tijt van meer als 20 Iaren, daar sylieden selden meer daghs [fol. *5v] namen, dan een Etmaal, twee, of minder. Is hier niet kunstelyck ghereden-kavelt, noch van onsienlijcke of twijfelachtighe dingen sinnelijck gevernufteliseert, dat sult ghylieden, die neffens u over-natuurlijck verstandt, de Boeken en gheleertheydt der uytlandtsche Volcken te voordeel hebt, om myn eenvoudicheyt, en alleen Amstelredamsche Taal verschoonen. Ghy goedighe Gooden van Mannen! die in u groote Rijmen de Vrouwen, Dienst-meysens, ja Stal-knechts doet Philosopheren, van overtreffelijcke verholentheden, het sy vande beweghinghe der Sterren, ofte vande drift des Hemels, oft vande grootheydt der Sonne, oft andere schier onuytdenckelycke saken, dat ick doch meer voor een bewijs van uwe wetenschap acht, als voor een eygenschap in die slach van Menschen: Ick hebbe door mijn slechtheyt een Boer boerachtigh doen spreken, en meer de ghewoonte dan de kunst ghevolght, heb ick hier inne misghetast, wilt my die faal-grepen vergheven, ’t is by my ten besten ghemeent: Doch wil ick niet ontkennen, dat het verstant niet en is ghehouden ande kleene of groote staat van ’t Volck, vermits datmen onder alle luyden verstandighe lieden vindt, dan somtijts heel selden: Doch ick hebbe soo geluckigh niet gheweest, dat ick sulcke welsprekende hebbe konnen kryghen, wilt dan om myn ongeluck myn goet voornemen prysen, en myn doolinge met u bescheydenheydt verbeteren: Het welcken u bidt, die u allen alles goets wenscht,
De allederminste onder de Rijmers

G.A. BREDERO.

’t Kan verkeeren.



[fol. *6r]

INHOUT.

INt eerste Deel wort hier Speel-wys vertoont, de groote liefde tusschen den Macedonischen Vorst Florendus, en de Princesse Gryane, Dochter vanden Keyser van Konstantinopolen, de welcke oock ten Houwelyck wert versocht van Tarisius Prinse van Hongerijen, tot grooter bedroeftheydt vande Ghelievers, die ’t samen besluyten heymelyck te vertrecken.
    Int tweede Deel, den ongeminden
Tarisius stuert inder nacht de voorghenomen vlucht, waar over hy gequetst, andere ghedoot, en de Infante ghevangen wiert: de Keyserin vertroost haar Dochter inden Kercker, de verbolghen Vader wil haar dwinghen aan den Hongerschen Vorst, maar zy weyghert volstandigh om ghetrouw te blyven den ghenen van wien sy bevrucht was.
    Int derde Deel krygt den swervenden
Florendus een Brief van zyn gheboeyde lief, den Keyser dringht haar geweldelycken aan Tarisius, dien sy in veel en groote bekommeringh trouwt: Doch met bedinghe van wat uytstels van tydt, het welck sy lὀὀslijck doet, om so gevoeghlyck van ’t kindt ontslaghen te werden.
    Int vierde Deel wort het gheboren wicht gebrocht en gheleydt op den Bergh van
Olyven, daar ’t van een Huysman ghevonden, t’huys ghebrocht en by syn kraam-vrouw opghevoestert werdt. Na dat de Bruyloft gehouden was, bekent en bekermt Gryane haar ontrouw, welcke lelyckheyt haar so parst, dat sy in haar Vaders ryck niet langher en mocht duuren, dies sy haar wettighe Man Tarisius bidt om met hem te vertrecken, in zyn anghesturven Erfdeel. Hier is een tydt inghebracht van twintigh Jaren, waar in dat het kyndt Palmerijn grὀὀt en Ridder gheslaghen wordt. De ghetrouwe Florendus treckt in Pellegrims kleeren na Hongeryen, alwaar hy Tarisius doorsteeckt, daar op hy en Griane gevangen werden ghevoert na Konstantinopolen.
    Int vyfde Deel werden de gevangens angeklaaght van des overledens Neven, de
Keyser dul van spyt wyst op haar versoeck de blyck des tichts ande Wapenen: Hier op verschynt Florendus onbekende Soon met een zyn Spits-broeder, die het recht voor hem en de Princesse gheluckigh uytvoeren: de ghewonde Palmerijn
wert van zyn Moeder erkent, tot groote blydtschap van den ouden
Keyser, die door ’t begheren zyns Jongen Neefs de twee ghelieven te samen houwelyckt. Waar in wel naaktelyck wert afghebeelt de veranderingen der tytelycke dingen, sulcx dat een yeghelyck in gheen voorval der selvigher hem al te vast moet binden, dat is, hem in voorspoet niet al te seer verhuegen, noch in tegenspoet hem al te seer verslaan, maar altὀὀs gedencken op den Regel daar ’t Spel op ghebouwt is: te weten het
’t Kan Verkeeren.



[fol. *6v]

KLINCK-DICHT.

GHelijk Apollo door ’t geklank van zijnder Lieren
Opboude Thebes Wal, en stichte haeren,, voet;
Of g’lijk vergaerden t’saem door Orphei snaeren,, soet,
Steen-rotsen, Bergh en Bos, ook Dieren, en Rivieren.
    (5) So sietmen huydendaechs seer naerstich t’samen swieren,
’tLeer-grage volck, dwelck ghy by een vergaren,, doet
Als ghy een Sin-rijk Spel hun laet verklaren,, vroet,
Dat elck dan wel ghevalt in allerley manieren.
    BREROOD, dijn Vaersen doent dat staagh u eer vermeert,
(10) Want hy eerwaardigh is die deucht met vreugde leert,
Dies wort dijn werk te recht roemruchtig hoog gepresen.
    Oock yeder Dichter tracht in Rijm dy na te treen,
Of volcht u met ’t ghesicht, of wenschet om alleen
Den Echo van u stem, of lichaems schauw te wesen.
Qui-na Dieu, na rien.



De namen der speelders.

1 BOUWEN lang-lijf: Een Boer.   
2 Sinnelijcke NEL. Sijn Wijf.
3 FLORENDUS. De Prins.
4 GRIANE. De Princes.
5 LERINDE. De Voedster.
6 FRENE. Een Ridder.
7 De Keyser REMICKLUS.
8 KANIAM. Keysers Soon.
2. Chooren.
11 TARISIUS. Een Prins.
12 Een Knecht.
13 KEYSERIN.
14 Een Ionghen.
15 KARDIN. Een knecht.
16 De TYDT.
17 De Prins van PEERE.
18 PROMPTALION.
19 OUDIN.
20 HERMIDE.
21 PALMERIN.

[noot: deest Friso]
Continue
[
fol. A1r]

Het eerste deel, eerste bedrijf.

BOUWEN-LANG-LYF met zijn wyf, SINNELYCKE
NEL van Goosweghen.
WEt! wet! wet! sey; hoe dus? wat sinnen hier al duytsche francksen?
            Wel hoe ist hier, spuel-op een reys mafje, wy sellen de dὀὀt dancksen.
            Ick lὀὀf niet of de hiele halve stadt raackt noch wel op de bien.
            Wel hoe kyct duese Muruwert so? heb jy van jou leven gien menschen esien?

            (5) Siet hum daar ien reys staan: hoe grynst hy met zyn tangden,
            Wel halef-saalige soetert! ay lieven, houwt jouw hangden,

S. NEL.    Schaamt jou! dat jy hier lecht en Tabackt, en quylt, en rὀὀckt,
            Denckt dat ien angder vande bange lucht schier kaeut en kὀὀckt,
            Wy sinnen niet verkuyst met jou respen, noch met jou stincken,

            (10) Lὀὀpt inde Taback-huysen wil jy taback leggen en drincken.
BOUW.    Die dorstige Dirck die leydt en roept, en raast, en gilt, en tiert,
            In al hὀὀrt hy wat moys, hy weet seper niet waer’t hiert of miert.

S. NEL.    Kyck! Meck en Lauwter die goyen mekaar mit schillen,
            Dattet de kyeren deen, men souwse so wat billen.

BOUW.    (15) Jeny hoe blyt is Machtelt datse by sucken moye vryer,, is
            Sy lacht dat huer monght schier ien vaam wyer,, is.

S. NEL.    O dese schyt-jaghers! hebbent in huer gadt as duyts,, bier,
            En duese Schimel-korn, komt met zo veel gheluyts,, hier
.
BOUW.    Wel Mὀὀses ay doe Dayvels dier! ick moet wat by jou komen quaesten:
            (20) Ja kynts ick souwt iouw wel kuenen ofsien met drie haesten.
S. NEL.    Barber en Tuenis die lief-ὀὀgen, en warpen mekaar om ’tsierst
            In om hum gien blaeuw ὀὀch te smijten, so kauwt syt ierst.

BOUW.    Dit klὀὀtjes volck vande vesten, of uyt de slopjes,
            Die legghen en loopen, in goyen elck ien mit dopjes.

            (25) Heer hoe wangelatich ist volck! niet waar? niet waar?
            Dat segh ick, dat sech ick, ast is, ast is, wel moer, binje daar?
            Maar wat bin jy ien soete botterdoos? jy kamelotten kin.
            O mennichje! dat is ien aansigje, het glimt as ien tin!
            Trouwen jy bint wel kruydigh, tis wel te sien dat dit delfs puyk,, is

            (30) Seper jy bint zo blanck as ien Zeelt ongder zyn buyck,, is.
            Jy sych-sὀὀmer! gy rósebὀὀm! jy soete-boter, ien kinnetje daachs,
            Ick wot wel ien dubbeltjen aen jou versnoepen, quamt maar iens slaaghs.
            O myn! ick wor so nuwelyck: ick wor schier wilt enne byster
            Nouw lieflyckheyt, sietmen een reys an? wat so; dat is ien vryster.

            (35) Myn wyf en ick, wy soende mekaar lestent inde praam,
            S’is nouw al wat midt den ierste, sy sel muegelyck inde kraam,
            In hielle uytstrengen dach, in doet zy niet dan kraken,
            Ick macher niet iens; ist niet waar? an jou voorhooft raken?
            Dats nouw al eveveul, ick heb daar ien reys eweest in stee,

            (40) Gy muecht deincken wat icker met onse Nelletge dee.
[fol. A1v]
            De Burger die schonck ons de wyn as water, in sy was so soet as suycker,
S. NEL.    Kyck wy brochtent gelt vande grὀὀte Bruycker,
            Heer de man onthaalden ongs so ondeuchtelycke wel,

BOUW.    Komt laat ons dit in gaan, komt myn Sinnelycke Nel.



FLORENDUS de Grieksche Prins.

            (45) T ’Scherpsinnigh snel vernuft kan toch te vluchtigh ylen;
            ’t Reyst in een oghenblick veel hondert duysent mijlen!
            De vlug-gevlerckte-geest seer jachtigh vast bevroedt,
            Watmen in ’t ander endt des ruyme werelts doet.
            ’t Weetgierich-tochtich-hart kan ’t al met kunst af peylen,

            (50) En doet belust om winst de Gloob met moeyt beseylen.
            Aansiet de spieghel hier van dit myn segghen: want
            Myn ongetemde lust was warsch van’t Vaderlandt,
            Een yver-grage tocht vermanden myn gepeysen,
            En dwang myn domme Jueghd, tot dese vaardt te reysen,

            (55) Verselschapt met de Min, en met de lust, gelyck
            Om sien ’tberoemde Hof van ’t groote Keyser-ryck,
            Dat d’oude
Constantyn de Tytel heeft gegeven:
            Remiklus zyn Na-zaat, is het gebiedt gebleven,
            Die nu met rust en vruecht zyn grὀὀt gewouwt besit,

            (60) En stiert de Volcken met een Reden-ryck gebit.
            Hy isset! die den moedt der wilde Moren temden,
            En die nu werdt gevreest van Inwoonders en Vremden.
            Zyn Heerlijckheyt ontsiet de Ryckste, en de Vroomst
            Om zyne macht te sien, scheen d’oorsprong van myn koomst.

                (65) Maar een ander wast, helas! waar door ick heb genomen
            Myn wegh over de Zee, om herwaarts an te komen:
            Ghy waart de oorsaack, Lief! myn Werelt! en myn Son!
            Die ick beminde, eer dat ick u sagh of kon.
            Alleen ben ick om u dus vlammend’ voortgevaren,

            (70) Door t’holle water quaat, en sporelὀὀse baren.
            De natte Golven koudt kosten myn heete Vlam
            Niet blusschen, ist niet vreemt? voor dat ick by u quam.
            Seyl-steene van myn Hart! u wonderlycke krachten
            Die trocken van so verr’, myn ziel, en myn gedachten.

            (75) So haast u dueghd en schὀὀnt my eens ver-reeckent wart,
            So haast gaf ick de Min huys-vestingh in myn Hart.
            O leven van myn ziel! o voedster van myn sinne!
            Hoe ick u meerder sie, hoe ick u meer beminne.

[fol. A2r]
            Almachtige Goddin! van wien myn vruechde daalt,
            (80) Ghy, die met reyne gunst myn ware ionst betaalt:
            De Vingerling van Gouwd, die ghy my hebt gesonden,
            Vermaandt my alle daaghs, hoe dat ick ben verbonden.
            Meestersse van myn sieckt, myn eenigh Toeverlaat!
            Ghy die myn ziele salft, met u troost-rycke raat.

            (85) Lief, ’t zedert dat ghy my de blyde Maar liet weten,
            Heb ick met onrust groot vyf daghen langh versleten
            Tot hier, dat
Kardin my de tydingh heeft ghebracht:
            Dat inde Boomgaart ick moet komen dese nacht,
            Daar d’uytzicht vande zaal, het bloemhof kan ghenaken,

            (90) Alwaar d’Infante haar ghewoon is te vermaken.
            O wenschelycke Mie! die myn hert nauw ghelὀὀft,
            Die my van blydtschap ’t pit van al myn kennis rὀὀft.
            Ist moogh’lyck dat myn vrouw haar kan alzo verneren,
            Dat sy myn byzyn wel als ick het haar begheere?

            (95) Ay goude Phebe deckt doch ’t schitterend’ glantzich hὀὀft
            U noeste paarden woest, zyn moedt en afgheslὀὀft:
            Hoe? moeghdy met u sweep u jacht noch langher terghen?
            Begraaft u helder licht eens achter d’hooghe berghen.
            Gunt het ghevoghelt rust, de dieren mat vermoeyt

            (100) Haar lὀὀve macke leen met koelte fris besproeyt.
                De stramme beesten, en de sweterighe menschen,
            Met geeuwen, recken, nu de stille nacht zeer wenschen,
            De winden sust in slaap. send al de werelt vaack,
            Op dat ick an myn wensch, en by myn lief gheraack;

            (105) Die na myn komste haackt, als ick na haar met pynen.
            Bekleedt de blaeuwe lucht met graauwe-wolck-gardynen.
                ’t Is best
Florendus dat ghy in u huys vertreckt
binnen.  Tot dat de bruyne nacht de Aarde gants bedeckt.



GRIANE de Keysers dochter.

                Wat klauwtert uyt myn hart, tot boven in myn sinnen,
            (110) En doet ’tberoerde-Breyn een harde strydt beginnen?
            Laas tusschen myn Natuur en redelyck vernuft,
            Waar door myn geyle iuecht afwijsich schuylt en suft
            Int hartje van myn tydt, in’t beste van myn dagen,
            Wat mach myn oude schaamt velt-vluchtich so veriagen?

            (115) Ay al te blὀὀde vrees! wat wyckt ghy voor een kindt?
            Barvoets de lecker is, beroyt, heel naackt, en blindt.
            De grὀὀt-hartige Eer, geharnascht met de Reden;
            Hὀὀrt voor de Wapen-godt niet uyt zyn tret te treden.
            Te laat. Ick sie de schult van d’onbedachte daad,

            (120) Vergeefs is d’achter-docht, en vruchtelὀὀs de Raad,
            Voor die moetwillich hier het ὀὀr der zielen stoppen,
            Ist voor een Dood-mans duer, sonder in laten kloppen.

[fol. A2v]
            Florendus, lief! Als ghy te bedde laacht ghewont
            Wiert ick ghequetst, door t’sien, en ghy, daar duer ghesont.

            (125) Het vinnich staal helaas! nootsaackten u de smarte,
            Florendus, u ghesicht, dringht duer tot in myn harte.
            Het entten noch Byt-salf, noch u seltsame pijn,
            En mach int alderminst gheleken zyn by mijn:
            Ghy moocht vry onbeschroomt, u noot, vrypostich klaghen,

            (130) En ick, moet laas! mijn wee in ’t hart verborghen draghen.
            U wonden, zijn int vleesch, de mijn zijn inde gheest,
            Waar vintmen Arts of kunst die sulcken quaal geneest?
            Ghy die my hebt ghewont, moet my oock heelen weer,
            Als t’scharpe yzer van
Achilles gave speer,
            (135) Die heelden, quetsten, en ghenas het selfde zeer.
                Myn alreliefste lief! mijn smart is so van wesen,
            Dat diese heeft ghemaackt, die moetse oock ghenesen.
                Wat in-val krijgh ick daar in mijn verliefd’ ghemoet?

            Gryane zydy dol? anmerckt eens wat ghy doet:
            (140) Ghedenckt an t’Edel bloet, van u verheven Maghen,
            U hoocheyd ghy verneert door ydel wel behaghen.

                Gryane wat is dit wel houdy nu voor quaat
            Dat ghy den schermheer mindt van u Heer-vaders staat?
            Die dees Stadt heeft beschudt, en
Gamesi verslaghen,
            (145) Door wien, wy blijckelijck ons dood voor ooghen saghen?
            Ick sal met danck, en gunst hem weer vergelden, die
            Hoochprijswaardighe saack. Waar ick bequaamheyt sie.

            Gryane! het waar schand dat ghy had laten sterven
            De gheen, door wien wy al het leven noch verwerven.

            (150) Het middel was in u, Ghy hebt zijn dood verhoet,
            Ghy hebt zijn bittere pijn, met lieve trὀὀst versoet.
            Hoe popelde mijn hart, ach! doe mijn Broeder seyde
            Dat
Florendus, den Prins, gantsch lach op zijn verscheyde?
            Mijn hayr rees overendt. Mijn Adren krompen toe,

            (155) My stremde ’t bloet int lijf, hoe wee, was mijn te moe?
            Mijn swacke ooghen root, die sweeten blancke tranen,
            ’t Verdubbelt my mijn smart, als ick het noch vermane.
            Mijn steenen aansicht ginght ontveynsen, laas met kracht
            Maar in mijn ziele heeft d’onthouwenis gheen macht.

                (160) Kost t’voorhangh vande zaal, of kost mijn kamer spreecken,
            U harte ylingh souw, van tranen nat uytbreecken.
            Na suchten lang int endt, soo rees ick jachtich op,
            En klaachde
Kardin, mijn tot barsten volle krop:
            ’k Heb met een gouwe ringh hem by mijn lief ghesonden,

            (165) Die haastich heeft door troost veel beterschap ghevonden.
            Ick ontboot hem van daach te Nacht, op lues en uur
            Te komen in myn Hof by de vervallen muur,
            Van waar ick alst mijn lust, seer lustich kan anschouwen

[fol. A3r]
            Het vlacke platte landt, en die flauwe Lans-douwen.
                (170) Hier hoop ick met mijn lief, te spreecken met ghemack,
            Nauwlijcx huechtet mijn, dat ick laast met hem sprack.
                Hoe rueckeloose Maacht! wilt toch eens overlegghen
            Wat dat den Adel sal van uwe stoutheyt segghen?
            Temt die begheerten woest van uwe sotte Juecht!

            (175) Ick sift, nu uyt de nὀὀt, een loffelijcke duecht
            Ick heb het veylichst, van twee quaan, het best verkoren:
            Ach waar
Florendus dood! ick selve gingh verloren.
            Wel onbesinde mensch, ghy maacktet al te grof,
            Men mompelt over straat van u een quade lof.

                (180) Laat het verachten volck nu kallen dat sy sweeten
            Sy konnen, van my niet meer segghen als sy weten
            Ick volch de Minne die in mijn jonck hartje wies
            Door
Florendus den Prins, het hooft van mijn verkies.
            Hy oordeelt ons te sot, voor Minnelὀὀse menschen

            (185) Die waant dat Vrouw-lien, niet verkiesen noch en wenschen
            Het gheen haar kuerich ὀὀch door lusten wel ghevalt,
            God gheef oock hoese zijn van verruw of ghestalt.
            Ist een ghewoon ghebruyck, onder ghemeene vrouwen
            Souw my de naam van eer, mijn soetse vruecht onthouwen?

            (190) So waar ick liever dan een Ambachtsman zijn vrouw,
            Eer ick de dochter, van de Keyser wesen wouw.
            Wat reden of wat Wet de hὀὀchste kan verbieden
            ’t Gheen wel gheoorloft is, de plompe laghe lieden?
            Daar komt af watter wil, wech schaamte, sorch en eer

            (195) Waar door ick in mijn juecht mijn soetse vruecht ontbeer.
                        Wat jonst dat mijn gheschiet,
                        ’t Is enckel groot verdriet
                        En als ick met een ander,
                        De Rosen-gaardt bewander

                        (200) Al is hy lief-ghetal,
                        ’tBehaacht my niet met al.
                        Ick achte niet op de reden,
                        Van zijn welsprekentheden
                        Als hy heeft uytgheseydt,

                        (205) Hy krijght verkeert bescheydt,
                        Vermidts ick niet en hὀὀrden,
                        Die voorverhaalde wὀὀrden
                        So yemandt my betijdt.
                        Dat my
Florendus vrijdt,
                        (210) Ick lochent, met versaken,
                        En soeck haar diets te maken
                        Dat hy noyt om mijn docht,
                        Noch nie en heeft versocht
                        Waar door s’haar segghen schorten,

[fol. A3v]
                        (215) Die sy te vroegh my korten
                        Ick starr’ op ’t gheen ick kijck,
                        Ick schijn een levend’lijck
                        Mijn opghetoghe sinne,
                        Sluymerde door de Minne

                        (220) Ontweckt, vraagh ick mijn gheest,
                        Waar dat ick heb gheweest?
                        ’t Sint ick my liet verkrachten,
                        Van mijn snelle ghedachten.

                            Lerind mijn trouwste Maaght,
                        (225) Die weet wat mijn behaaght,
                        Sy brenght dὀὀr kunstich bὀὀghen

                        Florendus voor mijn ὀὀghen.
                        Haar kloecksinnich gheswets,
                        Toont in een nette schets

                        (230) De duechden en de gaven,
                        Die in hem zijn begraven.
                        Snachts als ick niet en rust,
                        Quelt my een lieve lust;
                        Maar ick moet mijn begheren,

                        (235) Bedwinghen, en verheeren:
                Gryane Keysers kindt! u hoocheyt die betaamt
            Te cieren ’tgrὀὀts gemoet, met goddelycke schaamt.
            U eerbaar voorhooft, en ’t maachdelycke wesen,
            Behὀὀrt geen dingen meer als voor de schand te vresen.

                (240) Ghy zyt het voorbeeldt van het Vrouwelyck gheslacht;
            Wiens leven elck een juyst wel na te volghen tracht,
            So ghy d’onkuysche lust durft sorgelὀὀs gaan wagen,
            U arm gemeent (misschien) sal’t eeuwelyck beklagen.
                Wel op myn hart; besluyt het best uyt dit geschil,

            (245) Wat! waarschouw’ ick om niet die’t niet na volgen wil?
            ’tIs beter dat een hὀὀp on-nut-volx ga verloren,
            Dan een soo braven Prins! een Konings zoon geboren,
            Die van
Gryane is onscheydelyck verkoren.
            Het kost dan wat het mach, myn wil sal zyn volbracht.

            (250) Ick gaap, ick snack, ick iὀὀck na die gewenschte nacht,
            Ick wensch dat hem de Heer geluckich wil geleyden,
            Ick ga hem met gedult in onsen Hof verbeyden.

LERIN.                 Ick bender met belaan:
                        Ach! wat heb ick gedaan?

                        (255) Dat ick niet heb belet
                        Dit over-stout opset.
            Ick hebbe haar ghestijft met reden-loos an-raden,
            Tot verderf van haar eer, door schandelycke daden:
                        Wert eens zijn Majesteyt

                        (260) Myn ontrouw’ aangeseyt,
[fol. A4r]
            Hy doet my vangen snel, en rabraacken met schanden,
            Ja vierendeelen wreet, tot pulver toe verbranden.
                        Eer zyn verwoetheyt wilt,
                        Sou tam zyn en gestilt:

            (265) Voorseker sou hy my in Oly sieden willen,
            Of liet ten minsten my al levend’ ’tvel afvillen,
            Dat tot een afschrik hy voor ’tRaat-huys sou doen slaan,
            Op dat elck souw uyt vrees met trouw, en voorsicht raan:
            Ach! waar ick stom geweest, of had icx my gelaten,

            (270) So waar Griane noyt verraden door myn praten.
            So waar ick niet bedroeft, door sorgeloose daadt,
            Mijn wysheyd komt helas! (God betert) veel te laat.
            Al wertmen in het Hof verheven hὀὀgh in eeren,
            ’tValt met zyn meerder swaar en sorg’lyck te verkeeren.

                (275) Wat kreuckt ghy slappe Vrouw, het is nu al geschiet,
            Sy kan, sy mach, noch wil het weder-roepen niet,
            So haast de woorden ons zyn uyt de mondt gevlogen,
            Is ’tweder-keeren, laas! heel buyten ons vermogen.

                Griane ’tis u best, gebruyckt u ionge ieuchdt,
            (280) Siet hier de schoonste tijdt, die g’immer wenschen meucht.
            De Deecken vande Nacht heeft al de lucht betrὀcken,
            Om dat u voorslagh souw te beter u gelὀcken:
            De grὀὀte Keyser slaapt nu by de Keyserin,
            En u Staat-dochters al, ia ’tgantsche Hofgesin.

            (285) De Maan, haar gaat om u in duyster-wolck bewarren,
            Sy sendt u lief het licht der tintellende Starren.
            Het Pluym-Gedierte droomt, nu weydt sich ’tschuwe Vee,
            Hὀὀrt deynings plassen zoet, nabootsende de Zee.
            De vruchtbaar Aarde ruwt, ’tschynt dat de Winden slapen,

            (290) De nacht die is de Mensch tot een verpὀὀs geschapen,
            De helft vande tyt, van’t Menschelyck geslacht,
            Wert met de dὀὀde slaap vergetel door-gebracht.
                Het is gants kalm en stil, het weder leydt en luystert,
            De daaghsche Arrebeydt die sit nu vast gekluystert.

                (295) Myn Vrouw die sandt my hier, te houden stil de wacht.
            Florendus, ’tschyndt dat ghy dees hooge gunst veracht.
            Wat schurende gekraack vervult myn open ὀὀren?
            Hier komt
Griane, siet! van achter d’Hage dὀὀren.
GRIAN.                 Lerinde my bedroeft,
                        (300) Dat hy so lang vertoeft.
            Ick duchte dat
Kardin zyn last niet wel voldaan,, heeft,
            Of dat
Florendus dat niet recht van hem verstaan,, heeft.
LERIN.                 Myn Broeder heeft te recht,
                        Den
Griecksche Prins gesegt:
                        (305) Dat hy nu sonder schromen,
                       Alhier by u sou komen.
            Misschien hy yemant hier geworden is gewaar,

[fol. A4v]
            En gaat nu uyt zyn wech om te bedrieghen haar.
GRIAN.    Mijn harte sorcht met anghst, en t’hὀὀpt met grὀὀt verlanghen,
            (310) Ick vreese dat mijn lief mach yewers zyn ghevanghen:
            Want so de ruyter-wacht hem te ghemoete komt,
            En sien hem so ghedeckt ghewapent en vermomt,
            Veel-licht sy souden met haar vryheyt hem aantasten:
            Dat hy onwaardelyck souw nemen van die gasten.

            (315) Of moghelyck hy heeft met yemand een ghevecht,
            En wert nu met ghewelt ghedronghen voor het recht,
            My souw de waarheyt wel hier lusten van te weten:
            Of souw myn liefste my, al willens wel vergheten,
            Nu hy myn slechtheyt siet en stelt my so te luer?

            (320) Het quaatste komt helas! de zeer bedroefde vuer.
            De grὀὀtste minne is omcinghelt staach met vreesen,
            Alwaar dat liefde is daar moet oock sorghe wesen.
            Myn lief is (sorch ick) ghelὀὀpen inde wal,
            En is (dat God verhoed,) ghestorven vande val.

            (325) Ist dat myn lieve lief zijn gheest daar heeft ghegheven,
            Ick sal hem volghen strax, en enden haast myn leven.
            Hoe schermutst my vernuft! myn* sinnen zyn niet stil,
            ’tVeranderlycke hart en weet niet wat het wil.
            ’tUytstellen van mijn lust verdrucken myn ghedachten:

            (330) Ach mijn Lerinde! hoe verdrietich valt het wachten?
LERIN.     Ay sus, Mevrouwe sus, ick bid u dat ghy swyght,
            Op dat u Vader niet, door Spien, de wete kryght.
            Ghy moet de lust uws juechds besnoeyen en besturen.




FLORENDUS en FRENE.

            Komt Frene, treedt doch an, siet hier de hὀὀge muren,
            (335) Myn oude vrunt, myn Heer, myn heymelycke raat!
            Ick vind de middel om te overkomen quaat.

LERIN.     Mevrouw ick eysch tot Mie van u een lieve soen,
GRIAN.     Lerinde wat is dit voor een manier van doen?
FLORE.     Myn lief! myn al! myn eer! GRI. och valt niet, och myn Heer!*
FLORE.     (340) Mevrouwe u ghebot my herwaarts heeft ghejaacht,
            Ghebiet, en leeft met my na dat u goetheyt haacht:
            Siet hier u onderdaan, die noyt aan u verdiende
            Het minste van u jonst, die ’t leven ghy verlienden.
            Nadien dan dat ghy hebt beschermt myn ionghe lyf,

            (345) Vergunt my o myn Vrouw! dat ick vὀὀrts uwe blyff,
            Myn leven (ick voorwaar) in geener wys begheeren
            Als om u dienst te doen, te minnen, en te eeren;
            Want sonder uwe gunst, de wreede dὀὀt souw myn
            Veel aanghenamer als het soete leven zyn.

GRIAN.     (350) Florendus liefsten vrundt, seght: hoe? wanneer, en waar
            Heeft d’oorspronck vande min in u verspreydet haar?

[fol. B1r]
FLO.         Infante, als ick noch was in myns Vaders palen,
            Daarmen my aldereerst van u quam te verhalen,
            En onder ander wert u schoonheyt my vertelt,

            (355) Waar op ick o myn Vrouw! heb stracx myn hart ghestelt.
            Het welck Princesse lief! knaphandich knielde neyghend,
            En heeft u door de hoop, zyn selven toegheeyghendt.
            Den aanwasch was so grὀὀt van myn begonnen Min,
            Dat ick, niet meer myns selfs, maar u vry eyghen bin.

            (360) Ick voel in my (t’is waar) nu anders gantsch gheen leven,
            Als dat tot uwen dienst, noch is in my ghebleven.
            Zo verr’ het u behaaght myn hoogh-gheboren Vrouw.

GRIAN.     Ick belooft u, o myn lief! in als te zyn ghetrouw,
            Ick wil dat ghy myn Man, myn Prins, en Heere zyt,

            (365) En daar voor houd’ick u. FLORE. Myn ziel is so verblyt!
            So dat sy twijffelt, oft oock mog’lijck kan geschieden:

GRIAN.     Myn hartje gheeft hem op, en onder u ghebieden,
FLO.         Ick bid u o myn Vrouw! myn trὀὀst, en al myn goet,
            Dat ghy myn blyde ziel so veel ten goeden doet:

            (370) Dat ick tot onderpant, en borrich-tocht mach houwen,
            U vriendelijckste jonst, op dat ick my vertrouwen,
            Laet my uyt vruntschap toe, lief dat ick u eens kus?

GRIAN.     Staet stil, myn Heer! staet stil, myn Heer hoe stady dus?
            Laat staan myn hart, ick mach dat kussen doch niet velen.

FLORE.     (375) En belchts u niet, myn Siel! k’moet noch een kusje stelen.
GRIAN.     Schaamt u Florendus, ach! Lerinde ist die’t siet.
LERIN.*    ’t Is al verloren trὀὀst, ick ben myn selven niet.
binnen. FLORE.     Myn Vrouw! myn Echtghemaal,
                            Anhoort dan myn verhaal?

                        (380) Soo’ck inde Sale tradt,
                        Alwaar de Keyser sadt,
                        Ick vant hem na myn wensche,
                        Ghescheyde vande mensche:
                        Ick sprack, myn ὀὀm, myn Heer!

                        (385) Ghy hebt ons alsoo seer
                        Door duecht, die ghy ons jonden,
                        Verstrickt en vast verbonden
                        Dat ick my nu bevijn
                        In als verplicht te zyn.

                        (390) Op dat dees jonst vermeere;
                        So bid ick u, myn Heere!
                        Opperst, en grootste Prins!
                        En weygert my gheensins
                        Een dingh, dat ick so stille,

                        (395) Langh berghde in myn wille
                        Dat is, Heer! dat ick wouw,

                        Gryane tot een Vrouw
[fol. B1v]
                        Van uwe hὀὀgheyt vragen,
                        Dees sake quam myn jaghen

                        (400) Al uyt ons machtich Hof,
                        Met Vaderlijck verlof
                        Hoewel vercreghen swaarlijck,
                        Den tocht die was ghevaarlijck,
                        Hy steldent voorts an my,

                        (405) Myn Heer! Ick love dy
                        Gaat ghyse my verlienen,
                        Ick sal u eewich dienen;
            Ghy sult my wel bereyt, in alle dinghen sien
            Waar in dat u ghelieft, myn swackheyt te ghebien,

                        (410) U Vader sprack, myn Neve!
                        So waarlijck, als ick leve,
                        Het gheen daar ghy om bidt,
                        Is al uyt myn besidt,
                        ’k Hebse belooft te gheven

                        (415) Tarisius verheven,
                        Neef vande Keyserin,
                        Dus stelt dit uyt u sin:
                        Want ick alhier verbeyde,
                        Ghesanten met bescheyde,

                        (420) Op dat ick met haar, magh
                        Besluyten den trouw-dagh.
                        Om een van myne stede,
                        Wil ick niet overtreden
                        Myn Keyserlycke wὀὀrdt,

                        (425) Maar een dingh segh ick hὀὀrt!
                        Ick sweert u by myn Krὀὀne,
                        Dat tot behoude soone
                        Ick liever hadde u,
                        Als hem; te laat ist nu.

                        (430) Dus bid ick u dat ghy,
                        Hier in onschuldicht my.
            Myn tongh besturf, ach lief! ick konde gantsch niet spreken,
            Vermidts ick schielijck sach, myn soetste hoop af breken.
                            Op ’t lest ick sprack voor ’t slot,

                        (435) Dat en believe Godt
                        Nu, nochte nimmermeere,
                        Dat een soo grooten Heere,
                        Als ghy Heer Keyser zyt,
                        Door gunsten of door spijt

                        (440) U Vorstelijck toesegghen,
                        Souwt valschen of ontlegghen.
                        Insonderheyt om myn,
                        Ick wil te vreden zyn,
            [fol. B2r]
                        En sal daaromme niet
,
                        (445) Nalaten u ghebiedt,
            ’t Sy binnen uwe Rijck, of buyten u ghewoude,
            Ghy moocht my allesins voor uwen dienaar houde.
                        Derwijl ick met ghemack,
                        Dus met de Keyser sprack,

                        (450) De Ridders van der ὀὀrden,
                        Die vielen in myn wὀὀrden,
                        Ick gingh doe vὀὀrt te huys,
                        Met ’t alderswaarste Kruys,
                        So dat het weynich schorten,

                        (455) Dat ick niet neder storten,
                        ’t Rouwde my met gheween,
                        En sprack met bangh ghesteen:
            Arme
Florendus, Ach! die ’t leven ghy behielt,
            In plaats van wederlὀὀn, u strenghelijck ontsielt:

            (460) TarisI had ick dit u connen toevertrouwen?
            Ick had u met ghevaar van ’t prijckel niet behouwen.
            Maar my, die u het swaart heb vande keel ghenomen,
            Die doet ghy felder staal nu in zyn harte komen.
            O snὀὀde mensch! is dit van danckbaarheyt de vrucht,

            (465) Dat ghy myn nu berὀὀft myn eeuwighe toevlucht?
            Wat mocht myn yver sot, so rueckelὀὀs gaan sparen,
            Die nu zyn tijdt verlanght door ’t korten van mijn Jaren?
            Met een so wreeden doot, als d’alderquaatste menschen,
            Haar vyanden tot straf, wraackgierich kunnen wenschen.

            (470) Tarisius, ick sweert! ghy krijght oock nimmer niet,
            So veel vruechts, van myn lief, als ick nu ly verdriet.
            Om dat ghy my onthouwt
Gryane, ’t onrechtvaardigh:
            Ghy hebtse noyt verdient, ghy zijtse oock niet waardigh.
                        Ick doole in myn klacht,

                        (475) Ick vil staach in onmacht,
                        Myn verruw’ stracx verblieckte,
                        De pijn die trock tot sieckte,
                        Ick raasde in myn nὀὀdt,
                        Tot dat ghy uyt de doodt

                        (480) My vrijde, en van rouwe;
                        Hebt danck, o schoon Jonckvrouwe!
                        Hoe wel u moeder dus
                        Begunst
Tarisius,
                        Want s’heeft met klachten heden,
                        (485) De Keyser heel verbeden:
                        Al heeft sy ’tloos beschickt,
                        De hoop my wat verquickt,
                        Sy sal u niet uyt setten,
                        Als ghy ’t maar wilt beletten.

[fol. B2v]
            GRIAN.     (490) Den Keyser heeft met reden,
                        Mevrouw ghestelt te vreden,
                        Maar sy heeft grὀὀt onrecht,
                        Dat sy een Man ten echt
                        My voordert gants onbillich,

                        (495) Daar ick niet in bewilligh
                        Noch nu noch nimmer kan,
                        Daarom myn lieve man;
                        So bid ick, wilt versieren:
                        In eenigher manieren,

                        (500) De middelen waar by
                        Ick veylich my bevry.

Flore.*     Het beste o myn Vrouw! dat ick hier kan besluyten,
            Daar ons int alderminst verhind’ring sal uytspruyten,
            Dat is: dat ghy, met my, (soot u ghelieft) vertreckt

            (505) Op ’t alrespoedichst, en so listich, so bedeckt,
            Dat ons de Keyser niet sal moghen achterhalen,
            Voor dat wy zyn bevrydt in myn Heer Vaders palen,
            Alwaar de myne u met eer, in elcken stadt
            Ontfanghen sullen, Lief! als ick u hὀὀcheydt schat.

GRIAN.     (510) Ick ducht voor qualyckvaart in dese sware saken.
            Maar na dat ick my gants, den uwen heb ghaan maken,
                        Sy vindent goet of quaat,
                        Ick volch uwen raadt,
            k’Heb liever my met u in hasaard te begheven

            (515) Dan met bedwanghe hier by Tarisius te leven.
                        Die int minst of gheheel
                        In my sal kryghen deel.
            Daarom versiet u lief, van ’t gheen de noot vereyscht,
            Ick bid u ernstlyck, niet sonder my en reyst,

            (520) Die, wan het u behaacht, ghy stracx bereydt sult vinden.
FLORE.     Myn hartsen lief! myn hoop! myn bruydt! en myn beminde!
            Laad al de zorch op my, binnen drie daghen tydt
            Ghy werde sult ontwaar, myns overgrooten vlyt.
                        k’ Sal by de Keyser gaan,

                        (525) En doen hem licht verstaan:
                        Door een ghemaackte brieve,
                        Dat het hem doch ghelieve,
                        My opte houden niet,
                        Want Vader my ontbiet;

            (530) En dat ick hebbe vast oock by my voorghenomen,
            Als een goetwilligh kint zyn wille na te komen.
                        Ick sal myn hofghesin,
                        Gaan senden strax voorhin,
            En houden tot gheley thien Ridders uytgelesen.

GRIAN.    (535) Myn Heer Florendus! doet soot u best dunckt te wesen.
[fol. B3r]
            En komt niet meer des nachts (dat bid ick) hier ontrent,
            Door
Frene uwen neef doch vaack my tydingh sendt.
            Lief, siet, de dageraat vertὀὀnt haar roode kaken,
            Vertreckt myn trὀὀst! eer wy in een schandaal gheraken.

FLORE.             (540) Vaart wel myn vrouw,
GRIAN.             Ach, myn beminde!
LERIN.             Myn Heer ick houw,
FLORE.             Vaart wel myn Vrouw,
GRIAN.             Ghedenckt u trouw:
                        (545) Sus sus Lerinde
FLORE.             Vaart wel myn Vrouw,
GRIAN.             Ach myn beminde,
FLORE.             Ick salt wel vinden.



De KEYSER in zyn grootste waardicheyt sitten-
de, spreeckt teghen zyn ommestanders.

                Den opper-hemel Godt die heeft my buyten waarden
            (550) Gheseghent, en ghesalft, tot Keyser, en tot dwangh
            Van ’t tὀὀmeloose volck, dat ick van hem ontfangh;
            T’welck my nu eert, en bidt, voor eenen God der aarden:
                Ick ben der kleynen trὀὀst, der grὀὀtsche, grὀὀte schrick,
            Den blixem, het ontsach, dat niemant darf bekrachten,

            (555) Ick vel der batschen moedt alleen met myn ghedachten!
                Haar opset tuymelt stracx, wan ick my maar verschick,
            De Koningh schudt en beeft int Gout-ryck
Oryenten
                Al cidderent trilt van vrees den wrevelighe Tarth,
                Het schuym-bruyst balt uyt angst den Krych-gewende Parth,
            (560) De heele werelt beeft, slechts voor myn dreyghementen,
                Het swicht al voor myn naam, al wat* de aard betreedt,
            Gants
Parsen, Meden suft: ick sweeten doe en schurcken
            De
Sarasijnen fel, oock die halstarcke Turcken.
                Ja d’onmenschlycke Swart, die witte menschen eet.
            (565) De Heydensche Soldaan van trotsche Babilonien
                Vlucht met zyn banghe vloot, des nachts voor myn ghewelt.
                Gamesio zyn zoon bleef inde slach ghevelt,
            Door de strydtbaren Prins van ’t griecksche
Macedonien.
                Des weet ick danck (naest God!) u yverighe vlydt
            (570) Moedighe Vorsten, en ghy Prinsen, myn Baroenen,
            Een yeghelyck soeck hem by Gode te versoenen,
                Die selven voor ons street, in d’onverwachte strydt.
            Ghy Heeren het dunckt my een al te groote schanden;
                Dat ick u dapperheyt souw laten onbelὀὀnt,

                (575) Voornaamlyck, die ghy hebt in dees uytval vertoont,
            Door liefd’ des Vaderlandts, en u daat-rycke-handen,

[fol. B3v]
                Myn gunst sal u, u loon int heymelyck toesturen,
            Ghy helden! ’t lust my meer met vruntschap te ghebien,
            En liever my bemindt, dan seer ghevreest te sien.

                (580) ’tWel willen van het volck, zyn ’s Prinschen beste muren.
            Den wreeden dwingeland die t’ryck te hert verheert,
                Door een te strenge straf, doet hem van yeder haten,
                En maackt sich so benydt by eyghen ondersaten;
            Dat vaak hy wert vermὀὀrt, veriaacht, of gants onteert.

                (585) Die niet te forts, noch slap zyn landen gaat bestieren,
            Maar maticht met verstant zyn ongebonden wil:
            Die heerscht oprecht, en goet, in aller huesheyt stil.
                Is sulcke Prinsche dan niet God’lyck van manieren?
            Hartoghen wyt vermaart, myn potentaten al,

                (590) En ghy Groot-vorsten hooch, hoort edele Lants-heeren:
                Versoeckt wat u ghelieft, is reed’lyck u begheeren
            De
Keyser sidt alhier, daar hy u hooren sal.
FLORE.     So haast ick Frene had myn luck, en wil vertelt,
            Heeft hy met voorsicht gauw ’t slecht volck voor uyt bestelt.

            (595) Voorts heeft hy wysselyck tot ons geley behouwen
            Thien Ridders, seer beroemt, daar ick my in vertrouwe.
Knielt.       Opper-voochd, groot van faam, die hier ter werelt meest
            Van alle volck’ren wert gheacht, en seer ghevreest,
            U huesheyt na ghewoont, en u lofwaarde zeden,

            (600) Verhὀὀre met ghedult myn hertelycke bede:
            D’oorzaak (Heer
Keyser Oom) dat ick voor u verschyn:
            Is, dat ick u Majesteyt bidt te bewillighe myn
            Naar huys keerende reys: want siet! ick heb onfanghen
            Myn Heer Vaders ghebodt, met brieve van belanghen,

            (605) Op dat ick zyn bevel moetwilligh niet weer streef,
            Noch tot zyn tooren heet gheen oorzaack hem en geef.
                        So bid ick u dat ghy
                        Vergunt, dat ick heen ty:
                        U sweerende by eede,

                        (610) Dat in wat land of stede,
                        Of in wat plaats het sy,
                        Ghy vinden sult an my
            Een trouwe bond-genoot, en eyghen onderdaan,
            Die anders niet en wenscht als u ten dienst te staan.

KEYSER     (615) Myn Neef, ick danck u seer, met alle myn gemoet,
            Voor d’eer die ghy myn landt door u versoecken doet.
            Nadient u heeft ghelieft u kloeckheyt hier te toonen,
            Wensch ick ghelegentheyt u diensten te beloonen,
            So ick u nut kan zyn met myn persoon of macht,

            (620) Begheert, en ghy sult sien hoe ick u daden acht.
FLORE.     Myn Heer! ick wensch my God so veel ionst te verlienen;
            Dat ick het goed onthaal, met diensten mach verdienen:

[fol. B4r]
            Den Hoochste spaar myn Oom de Keyser langh ghesondt,
KEYSER    Oorlof op u versoeck wert u myn Neef ghejondt,
FLORE.     (625) Ick sal u voor het laatst een Afscheyd-kus vereeren,
            God hoed de Keyser steets: vaart wel ghy ed’le Heeren.
            Wel
Kaniam Keysers soon, myn harts-vrund sydy daar?
            Ick wensch dat u de Heer in eeuwicheyd bewaar.
            ’kMoet nὀὀdigh op de reys, myn Vader ten believe,

            (630) Die ylens my ontbied, met treffelycke brieven.
KANI.     Florendus vrundt, hoe dus! gants schielyck op de vaart?
            Waarlyck in dese tocht so vindt ick my beswaart,
            Myn Neve wilt een Jaar noch in ons Hof verblyven?

FLORI.     Ick magh niet, o myn Neef! siet hier myn Vaders schryven?
KANI.     (635) U af-zyn my verdriet, veel meerder als ghy waant,
            Verbeydt om mynent wil ten minsten maar een maant?

FLOR.      Ick moet Heer Kaniam Neef nu daadelyck vertrecken,
            Of ’ksouw myn Vader haast tot gramschap fel verwecken.

KANI.     Ick bid u dat ghy maar drie dagen hier vertoeft,
            (640) So niet, ghy laat myn ziel weemoedigh en bedroeft?
FLOR.      Wel aan, Bloet-maagh, en vrundt, ghy zyt my dat wel waardig,
            Hoe wel ick andersints tot reysen was al vaardigh
            Doch ick moet Neve gaan, op dat ick ordre stel,

binnen.   Naar noene spreecken wy den ander (hoop ick) wel.
KANI.     (645) Weet myn Heer Vader dat myn Moeders Bloed-verwanten
            Hier zyn seer dichte by, in groot achtbaar aansien
            Met uytgesocht gevolgh van brave Edel-lien?
            Den Hartogh van
Gramay is ’thὀὀft van de Gesanten.
KEYSER   Laat die Bolwercken stracx met grof Geschut beplanten,
            (650) Bevels-Lien! schickt int kort de Ridders int Geweer,
            Op dat haar inkoomst ick vercier met meerder Eer.
            Stelt Eeren-boogen hoogh op d’ansienlyckste kanten,
            Doet Ruymen en versien het Marmer-steen Palleys,
            Bescheert de Zalen wyd met blinckend Goude-Laken.

            (655) De Koetse van Yvoor doet op het sachtst toemaken.
            Het Marckt-veld beset met Krijchslien na den eysch.

                Treckt ghy’er int gemoet, om eerlyck in te halen.
            Tarisi en Kaniam geleytse over straat,
            Tot in het Konings huys, tot in myn vollen raad,

                (660) Daar ’tCiersel van myn Hof zyn Heeren, en Vassalen.
            Kardin, myn goede knecht, Bootschapt de Keyserin:
                Dat sy haar Joff’ren al opsichtich rijck doet toyen,
                Met Vylsel van Fijn-Goudt laat al ’tplaveytsel stroyen.
            Seght dat sy die ontfangt, so lief als ick haar bin.

            (665) Om ’tmal-nieuws-gierich volck gants uyt de wegh te bannen,
                Op lyf-straf ick verbie, de gantsche Burgery,
                Het wild’ en woest geiagh te schaffen an een zy.
            Dat den Prevoost de straat gaat schuymen met zyn mannen,

[fol. A4v]
                Een yder voer zyn ampt Eerentfestelycken uyt,
            (670) Op dat ick sie een lust aan u myn ondersaten,
            Door u ghehoorsaamheyt: want siet, dese
Legaten,
binnen.   Die willen, dat ick nu een groote saack besluyt.



GRIANE.

            D’oorsaack van s’volcx vruecht, is d’oorsaack van myn weenen,
            Men soeckt, my lacy! met myn vyandt te vereenen.

            (675) Waar schip, en goet vergaan op d’ijser-harde Rots,
            Met al het snoodt ghespuys, die my doen desen trots.
            Wreet zyn myn ouders, wreet zyn haar tyrannijen,
            Die sy myn hartjen teer, soo pijnnelijck doen lijen.
            Ay scharpe bittere dwangh! die myn verdruckt en plaaght,

            (680) Ondrachlijck is de last, die myne jonckheyt draaght.
            Een dubble Nues-dwang-straf, betoomt myn jonghe sinnen,
            d’Ontsich myns Vaders, en de smartelycke Minnen.
            O dolle Moeder strengh! die soo verkeert bemindt
            Om anders hulp, helaas! ghy krenckt u eyghen kindt,

            (685) U harte heeft met my melijen noch beweghen,
            Ach! om u susters soon zijt ghy u dochter teghen.
            U blinden ijver sot my dwinght met overdaadt,
            Dat ick beminnen sou
Tarisi, die ick haat,
            Syn doen, noch zyn ghelaat, int minste my ghevallen,

            (690) Daar gheen behaghen is is Minne niet met allen:
            Florendus heb ick lief, die sal ick blijven trouw,
            Hy is voor God! myn Man, en ick, zyn echte Vrouw.
            Eer ick het Keysers bloet souw trouweloos bevlecken,
            Van paarden liet ick my veel eer an stucken trecken!

            (695) Eer ick de Konincxsoon door overspel bedroef,
            Veel liever leedt ick datmen levend my begroef!
            Wel hoe
Gryane, hoe! en hebdy Wet noch reden?
            Lust u van t’eene quaat in slimmer weer te treden?
            Volcht als een eerbaar kint u ouders wijsen raadt:

            (700) Eer u ’t leetwesen praamt na d’onvoorsiene daadt,
            Vertrouwt u Vaders kund, meer als u sinn’lijckheyden,
            Hy soeckt u blinde-ziel van t’doolpadt of te leyden.
            Wie eygen-sinnigh stouwt ter werelt yets bestaat,
            Bequeeldt wel dick zyn doen, in ’t eynde maar te laat.

            (705) Daarom o jonge Vrouw! wilt toch met voorsicht letten
            Op d’uytkoomst van u Min, die g’uyt u sin moet setten.
            En u
Florendus oock, na ’sMoeders goet bevel,
            Die Raat van Ouders volght, die doet oprecht en wel.
                De Molen myns vernufts, niet maalt dan lichte grillen,
            (710) Vol wispel-turicheyts, en onbedachte willen.
            Myn Vader die mach maar myn Lichaam hier gebien,
            Doch voor myn Ziel, moet ick, met wijsheyd selve sien.

[fol. C1r]
                Verlaat ick dan myn lief, die ick heb trouw gesworen,
            Myn Siel staat in ’t gevaar, helas! te gaan verloren.

            (715) Geschietet; blijf ick niet een eere-loose hoer?
            De hooge nὀὀdt gebiedt dat ick de saack uytvoer:
            Ick sal
Florendus en geen ander lief verkiesen,
            So sal ick Trouw, noch Eer, noch Siele niet verliesen.
            Myn Moeder, deed my strax een Heerelyck vermaan;

            (720) Dat ick Tarisius myn Neve souw anslaan,
            Waar op ick seyde: met een klagelyck volharden,
            Dat ick veel liever wouw een Klooster-Nonne warden,
            Dan ick so varre souw van myn Vrou-Moeder zyn,
            Welkx af-zyn (seyde ick) sou meest bedroeven myn.

            (725) Waar op ick daadtlyck ging veel heete tranen weenen,
            Myn Moeder my verliet bedrogen in haar meenen,
            ’tIs blycklyck dat sy my het beste schildert vuer,
            Maar ’tis toch al vergeefs, het moeter nu me duer.
                O
Kardin! wel gewenscht so komdy hier by my,
            (730) Gaat by Florendus knap, hem groet, en seght, dat hy
            Noch dese nacht volbrengt, ’tgeen by ons is besloten,
            Of anders nimmer macht van hem oock zyn genoten.
            So hy als achteloos hier in niet en versiet,
            So is zyn hope uyt, en onse an-slach niet.

            (735) Het welcke my voorwaar sou eeuwelyck bedroeven.
binnen.  Ick ga hem met gedult in myn Lust-hof vertoeven.



CHOOREN.

                        DE gauwe en de wufte ὀὀghen,
                        Anbrengers zyn van ’t wulps hart,
                        Dees doen de Juechd uyt lust gedὀὀghen,

                        (740) Veel lieve vruecht, en leyde smart.

                            Brant-stichters, van den brant van Minnen,*
                        Uytroysters vande kuysche dueght,
                        Die blindelingh verbeest de sinnen,
                        Door t’aansien soet van vlugghe vrueght.


                            (745) Het jonghe hart oocht op de lusten,
                        Diet sich verbeeldt, seer grὀὀt van schijn,
                        Maar het bevint na veel onrusten:
                        Dats inder daadt so niet en zyn.

                            Wanneer de sotte sin-lijckheden,

                        (750) ’t Versierlijck breyn met kracht verheerd;
                        Dan wijckt vernuft, dan vlucht de reden,
                        Als domme jueght volcht zyn begheert.

[fol. C1v]
                            Het Radeloos en blint verkiesen;
                        Verwerpt moetwillich, nutte raadt,

                        (755) Dees doet, lust, eer, ziel, rust verliesen,
                        Het spa-berouw, doet selden baat.


                            Florendus die verliefd’, doort hὀὀren,
                        Haar hooghe lof zyn ziel ontschaackt:
                        Die vrijdt met hart, met ὀὀgh, en ooren,

                        (760) Een Minnaar is in als volmaackt.

                            Gryane, die verdwaasde Vrouwe,
                        Uyt lust vergeckt, heel tochtich mint,
                        Wat haast begint, kan haast ophouwen,
                        Der vrouwen sin, dryft met de wint.


                            (765) Schaam-rὀὀdt gheslacht, suyver, eergierich,
                        Liefd’doch met raadt van vrienden oudt:
                        Al blickt de Min, int eerst seer vierich,

                        Verkeeren kan’t dit wel onthouwt.
Continue

Het tweede deel, tweede bedrijf.

TARISIUS.
            NOch ommegang, noch dienst, noch klachten, noch gesichten
            (770) Vermurr’de oyt het hart van myn beminde Nichte.
            Van teere kintsheyt af tot heden op den dagh,
            En weet ick, dat sy my oyt vriendelijck ansach.
            Doch ’t sint FLORENDUS hier ten Hove is gekomen,
            Heb ick haar batsicheyt veel strengher noch vernomen.
            (775) Haar Moeder my (wat ist?) wel hartelijck bemindt,
            Als ick veracht, ghehaat werdt van (myn lief!) haar kindt.
            Al myn eerbiedicheydt, noch myn ootmoedigh spreecken,
            Kan van haar stalen hart, gheen lieflijck woordt ontsmeecken.
            Sy lieft den Vremdelingh, met Minnelijck ghelaat,
            (780) En ’t suer ghesicht, helaes! sy my op off’ren gaat.
            Een tweeder-hande spijt moet ick TARISI lijen,
            Doort oorloch vande Min, en vande jaloesijen.
            Al valt de Minne my onlijdelijck en wreedt
            De quade Arch-waan, doet my noch meerder leedt;
            (785) Sy gheeft myn hart gheen rust, gheen vrede myn ghedachten,
            Sy doet my ’t gheen ick vrees hier inde nacht verwachten.
            Te weten, dat haar lief! haar bὀὀmgaart hoogh beklimt,
            De voor-proef van myn anghst, doet dat myn harte krimpt,
            Mijn lichaam trildt van vrees, myn mondt gaat klipper-tanden,
            (790) Het felle swaart, dat sijcht my uyt de slappe handen.
[
fol. C2r]
            ’t Is best dat ick weerom na myne wooningh treck.
            Wat port u blὀὀde mensch! TARISI zydy geck?
            Den boelder van u lief, die moet ghy’t so verleeren,
            Dat hy om ’t minne-spel, niet weder hier en keere.
            (795) Ghy hebt haar gunst, tot hem, vermerckt: al sweechdy stil.
            Van’t lijf, hy meester is die’t hart heeft tot zyn wil.
            Ghesellen duyckt hier neer, wy sullen hem beklippen,
            So ghy FLORENDUS siet, en laat hem niet ontslippen.
            FRENE.
            Prinsche de dinghen zyn voordachtelijck bereydt,
            (800) De paarden zyn ghesaalt, ’t gheselschap ons verbeydt,
            Buyten de stede by de hὀὀghe-steyle Linden,
            Heb ick bevoorrewaart den ander weer te vinden.
FLORE. Ach FRENE! lieve vriendt, myn sorghe boven al
            Is dat GRYANE noch niet vaardich wesen sal.
            (805) Het voor-spoock beelt myn hart veel vremdicheyts te vueren;
            Ick vreese ons yet quaadts ’t voornemen sal verstueren.
FRE. Jaaght om dees ydelheydt u selfs gheen bangheydt aan,
            ’t Schijnt dat de duyst’re nacht u heel is toeghedaan.
            Schreumt ghy myn waarde Heer? dits teghen u natuure,
            (810) Ghy hebt myn bloodicheydt wel weten te bestuuren.
            Hier zyn wy voor de muer
FLOREN. Ick hebbe haar ghehὀὀrt
            Nu bockt myn neef, ick klim:
KNEC. Mὀὀrt! mὀὀrt! mὀὀrt! mὀὀrt! mὀὀrt!
            Dees schelmen willen ’s KEYSERS Palleys onteeren.
FLORE. Wackere FRENE stout wilt u doch manlyck weeren.
GRIAN. (815) Hoe swindelt my myn hooft? myn ooghen sien al groen,
            Wat moghense myn man! myn lief FLORENDUS doen?
KARDI. Ach sy besterft als Loodt, en wit als Linnelaken,
            Wat sullen Suster wy nu met GRYANE maacken?
LERIN. Myn broeder helpt my Mevrouwe op het bet,
            (820) Loopt int ghedranghe, siet! siet! wat FLORENDUS let.
            Help! help! TARISIUS die ’t hooft is opghehouwen,
            Van ’t volck FLORENDUS, die het Hof beróven wouwen.
            KEYSE. uyt.
            De droeve bootschap van myn ancxstvluchtighe knapen,
            Verwreckt my uyt de dὀὀt, vant stil, en sorgh’lὀὀs slapen.
            (825) Ick heb ter nauwer nὀὀt het kleedt om ’t lyf gheschickt,
            Vermidts ’t gheruste hart so schielyck wert verschrickt
            Doort staagh en naar gheroep, van gillen en van schreuwen,
            De vaack stoof uyt ’t ghesicht met al het huyvrich geeuwen,
            Want ick schoot uyt myn slaap doort ysselyck rumoer,
            (830) ’t Grillighe Hofghesin, was strax in rep, en roer,
            Myn Lyf-wacht seer verbaast na wapens schichtich vloden;
            ’k Heb tot gheleyde haar in alder yl ontboden.
            Myn hert van gramschap swelt, myn bloet stycht uyt de teen
            Tot in myn kroese kop, tot in myn swacke leen.
            (835) Ay snὀὀde Dochter stout! onkuysche quade Deeren!
            Hoe dorst ghy dencken doch, u Vader so t’onteeren?
[fol. C2v]
            GRIANE, die my hebt dees valsche treck ghespeelt,
            Ick sweere by myn kroon dat het seer weynich scheelt,
            Dat ick u hὀὀft, en ’t lyf niet scheyde van malkandren,
            (840) En stelle u ten tὀὀch, ten schrick van alle and’ren.
            GRIA. MET HAAR NACHTMANTEL.
            Myn Heer, ick bidde u, betuegelt uwen tὀὀren:
            Verdoemt my niet, of wilt myn onschult eerst anhὀὀren,
            Myn Vader hebt ghedult, want heb ick u misdaan,
            De wreede straffe sal in u believe staan.
            (845) Maar soo’ck onschuldich ben, oorloft my oock myn voordeel,
            Besoetelt niet dyn krὀὀn met een onsuyver oordeel.
KEYSE. Ach onsalighe, swycht! u vruchteloos onschult
            In desen kercker swart, ghy voorts vernachten sult.
            Ick sal u sotheyt hier met kommer doen uytsweten,
            (850) Ick sal u leeren so u selven te vergheten;
            Met eener die met my heeft loghentaal gheswetst,
            Daar boven noch myn Neef so schandelyck gequetst,
            Flucx fortse Ridders kloeck, wilt u knaphandich reppen,
            FLORENDUS (dien Droch) de wegh te onderscheppen:
            (855) Ick gaa besichten voort, myn Susterlingh zyn noot,
            De banghe bootschap my doet vreese voor zyn doot.
            FLORE. EN FRN. UYT.
            Mach yemant wel na spys so lust-gretigh hong’ren,
            Als ick wraackgierich eysch, ’t godloose bloedt der ONG’REN?
            Ick sal GRYANE nu gaan halen uyt den hὀὀp,
            (860) Of blyven by ghebreck daar selver inde lὀὀp.
            Ick wil t’onwaard’ gespuys vermorslen met myn tanden,
            En slingeren ’t ingeweyd om dees myn wreede handen:
            Want siet een Rasery, vol dolheyt, quaat, en woest,
            Als een buldrende wint door myne leden roest.
            (865) Wat koude vreese heeft my uyt ghevecht ghedreven?
            Had ick mijn trouwe ernst verseghelt met myn leven.
            Helas! GRIANE lief, ons opset mach niet schien,
            De wan-hoop tuycht myn hart u nimmermeer te sien.
            FRENE.
            Hoe raasdy dus myn Heer? volbrenght ghy ’t sot verkiesen,
            (870) Ghy sult GRYANE en u selven oock verliesen.
            Ick sweere t’past u niet, te dryven dese rouw,
            Die sulcken heldt niet voeght, maar wel een weecke vrouw.
            Toont u manhaftigh hert in u droefheyt te decken.
            Laat ons, laat ons ter vlucht nu na ons volck gaan trecken,
            (875) Wy sullen senden, (soot u haacht) een knecht, die al
            ’t Verloop na ons vertreck ons overbrieven sal.
FLORE. Ach FRENE, ach! ghy spreeckt als een die niet en smaackt
            Myn harts-verkank’rend leet dat myn dus droevich maackt.
            Wat mach myn moedigh hart het leyde leven baten,
            (880) Als ick myn waarde lief, moet inde noodt verlaten?
            Die Eeuwelijcken sal een dὀὀdelyck ghequel,
            Met pijnen wederstaan, om my dat weet ick wel.
[fol. C3r]
            Ick sweert! ick liever wil de mὀὀrt an my uytvoeren,
            Eer ick ghedulden souw het dringhende beroeren,
            (885) Dat my zal pranghen sterck, so dick, en menigh werf,
            Als ick ’t God’lyck aanschyn of haar bywesen derf,
            En als ick missen moet, haar lieffelyck ghebieden.
FRE. Nu gaa wy, o myn neef! nu, wacker, ’tmoet gheschieden:
            So ghy verhoeden wilt u liefs bedroefde staat,
            (890) Oft anders ghy sult zyn een oorspronck van haar quaat.
FLO. Sal ick myn hartsen-lief verlaten dan so schandich?
FRE. Ghy en u lief syt doot, vertreckt ghy niet knaphandigh.
FLO. Ach armen wat verdriet! ’t hart twyffelt wat het wilt,
FRE. Tis langh ghenoech myn Heer! u schὀὀne tydt verspilt.
FLO. (895) Ach, straffe FRENE! hoe zyt ghy my so vyandigh?
FRE. Liefd ghy haar leven Heer? soo maakt u stracx uytlandigh.
FLO. Ick volch u trouwe raad, God betert! dat is gangh,
            Om beters-wil, uyt noot, God laat u leven langh.
            binnen.
            KEYSERIN UYT.
            Hoewel de Keyser was so heftich seer verstuert!
            (900) Zyn harde ziel wiert dweech, als hy myn sach betruert.
            En ick my nederwierp voor zyn Majesteyts voeten,
            Myn vrouwelyck ghebet zyn gramschap wat versoeten:
            Doch haar verlossingh ick gheensins verkryghen kost,
            Maar haar te vanghden heeft hy traachlyck my vergost,
            (905) Hy knorde binnens monts, met heymelyck ghepruetel,
            Doch gaf ten laatsten van de toren my de sluetel.
            Ach! dat myn tengher kindt soo teeder opghevoedt,
            In een so strenghen plaats besloten wesen moet.
            Dat quelt dit Moeders-hart, met druck, en mede-dὀὀghen,
            (910) Waar van ghetuyghen zyn myn waterighe ὀὀghen:
            Al bevend wert myn stem, door ’t nocken gants verstopt,
            ’t Geluyt smoort inde keel myn schreyend’ harte klopt.
            GRIANE, kindt! ach! ryst vande koude aarde,
            Myn Dochter; wilt u niet mis-moedigh verontwaarden,
            (915) Over dyns Vaders straf, en hevicheden fel;
            Die ’k hope door den tydt noch te versachten wel.
            Hoe wel des KEYSERS moet met toren is ontsteken,
            Ick sal zyn gramschap wel bemurwen, en verspreken.
GRIAN. Vrou-moeder weest gegroet, van u ellendigh kindt:
            (920) Die ghy hier buyten schult, in swaare kluysters vindt.
            Doch t’wylt myn Vader lust dus hart my te kastyen,
            Ick bent ghenootsaackt dan verdraachelyck te lyen.
            KEYSERIN
            My wondert dochter wat u hebben mach beweecht,
            Dat ghy de mutse dus op deze vreemde kreecht?
            (925) U selven ghy vergeet, lichtvaardich doort versmaden,
            Van Vaders opzicht goet, en myn voorsichtich raden:
            En bruyckt door wulpsche min een sinneloose daat,
            Die dapper bits bestryt, dyn eer, en hooghe staat.
[fol. C3v]
            Ghy hebt FLORENDUS ’s nachts d’incompst van ’thof gaan gunnen,
            (930) Dees schantvleck sult ghy, siet, nimmer afwasschen kunnen.
            TARISIJ Ridders hem bespronghen noch terstont,
            Hy heefter twee ghedoodt, en mijn Neef seer ghewont,
            Die tot zyn ongheluck het quaat sach dat hy duchten,
            Den batschen schellem ons door duysternis ontvluchten.
GRIAN. (935) Mevrouw, my is tot nu dit onbekent gheweest,
            De sinnen van ’tvernuft die keven in myn geest.
            Een yder ried om strijdt, wat Vader mocht bewegen
            Om sulcken grammen daad? an eygen kindt te plegen.
            Maar nu ick dese daad met Reden gauw door-kyck,
            (940) Is het geschiet, helas! tot myn groot ongelyck:
            Want my was onbewust of hy heeft voorgenomen,
            Of yemandt anders om in onsen Hof te komen.
            Waart dat my eenigh mensch naar hem gevraget hadt,
            Ick had geantwoort: dat hy ware uyter stadt.
            (945) Volgens den oorlof, die hy nam van ons al t’samen.
            Wat kond’ick (slechte maaghd) van zyn we’er keeren ramen?
            Och of God wilde dat den Schellem die eerst riep,
            Stack inde dichte Aard, thien lange spietsen diep.
            Of dat hy inden grondt der Hellen waar versoncken,
            (950) So waar hem na zyn werck vergeldingh oock geschoncken.
            Vermits dat hy dit stuck schuyft op dees ionge Prins,
            Die mogelyck de schult te geven is geensins.
            Den Vak’rigen Loer heeft scheemrich mis-gekeken.
            Want waar’t den Vorst geweest, hy had den bloedt door-steecken;
            (955) Gelyck hy waardigh was, ’kvergeeft hem nimmermeer,
            Die met so vuylen vleck bezoeteldt heeft myn eer.
            Dan ’tschiede so het wil, de dὀὀdt die ick gevoele
            Sal enden, eer yet lang den druck daar ick in woele.
            Daarom so bid ick; dat myn Vader, noch dat ghy
            (960) U niet bekomm’ren wilt, om eenen man voor my
            Te vinden, hy sy wie, of van hoe hὀὀgh gesproten.
            Angaande ’tVangen-huys daar ick in ben gesloten,
            Van alle vrueght ont-erft, ontbloot van lieve lust,
            Nochtans ick sweert! dat ick dees eenicheyt, en rust
            (965) En oock myn Vaders dwangh, veel liever wil verdragen,
            Dan al de Vryheyt soet, die my niet kan behagen.
            By ongeliefde Ga, t’onrecht verdacht benyt,
            Wat heb ick ionge Bloem ter werelt grooten stryt?
            KEYSERIN
            Ick bid u Dochter wilt niet al te seer mis-noegen,
            (970) De Heer (soo’t hem belieft,) sal’t al ten besten voegen.
            De Keyser heeft u lief, al veynst hy hem dus gram,
            De wilde op-roer snel, die iachtich op ons quam,
            Geboodt hem dit te doen, dits vande zaack de Reden.
            Vaart wel, en hoopt in God, nu Dochter zyt te vreden.
[fol. C4r]
            (975) Vaart wel myn Kindt! Vaart wel, myn eygen Vleys en Bloet,
            Ick sal des Keysers Hart, en Kiezel-steen Gemoet
            Met wiecke tranen blanck, en weemoedige klachten,
            Door Vrouwelycke kunst, ontlaten en versachten.
KEYSER Is al myn Keysers macht vermolsemt, en verniet?
            (980) Is al de vreese wegh, die sy heeft voor haar Vader?
            Sy is de straffe waardt, al waar sy noch veel quader!
            Myn licht quaadt-aardigh Kint, te vele ionst geschiet.
            Wie sal gehoorsaam nu na-komen myn gebiet?
            Als my myn Dochter stout met moet-wil gaat versmaden,
            (985) Die door eer-loose lust, hoocheyt, noch Eer ontsiet.
            Daarom Me-vrouw vertreckt, vertreckt u myn Eegade.
            Gesanten, ick vermerck dat uwe Ambassade
            Een lang uyt-stel vereyscht, tot ryp-sinnigh beraadt.
            Groet uwen Koningh; seght zyn Vorst’lycke genade
            (990) De gulle Waarheyt, van dees snelle op-loop quaat,
            Maar als die door den tydt geslinght is, en besaat,
            Sal ick zyn Majesteyt de Tydingh laten weten
            Van ’tvreed’lyck slissen van myn seer beroerde staat.
            In wat Rust-rycken Ryck heb ick dus lang geseten?
TARI. (995) Ach! myn Heer Keyser, wilt vergeven en vergeten,
            Der Jonge-Lievers brueck, int stichten van op-roer?
KEYSER O neen! myn gramschap is te seer op haar gebeten,
            ’tGerechte dringht my aan, dat ick de saack uytvoer.
TARI. Myn eygen volck Heer was oorsaack van ’t rumoer.
            (1000) En vande Nederlaagh, die alhier is bedreven,
            Na dat de dὀὀde bloets de Prinsche dieft op swoer,
            Sy stonden haatlyck noch na zyn geliefde leven.
            Dies bid ick efter u dat ghy’t haar wilt vergeven?
            Want die zyn lyf beschermt int minste niet misdoet.
            (1005) Sy hebbent wel verdient, die daar zyn doodt gebleven.
KEYSER Ick sweert u by myn Kroon! ghy hebt een groot gemoet,
            Ghy wilt gheen weder-wraeck, maar wenscht u vyandt goet.
            Dus voert de vlugge-Faam u Lof tot inde Wolcken,
            Komt Cieraat van myn Ryck! komt Leyt-star van myn volcken.
            (1010) U hooch eel-hartigh stuck, en ingeboren duecht,
            Vermach in my het geen ghy selve wenschen muecht.
            Ick schenck u wederom GRYANE tot een Vrouwe,
            Sy sal met wil, of niet, u door myn toedoen trouwe,
            Al weygert sy dus snar, hartneckigh, en eenrints,
            (1015) Dan dat sal wel vergaan, sy is noch vry wat kints.
            De ionckheyd, en de jueghd die doen ons vaack beginnen,
            Het geen wy metter tyt ons schamen in de sinnen.
TARI. Ick weet u danck myn Oom; Hooch-waarde Edel Heer,
            Ick kan dees weldaad grὀὀt vergelden nemmermeer.
            (1020) Want siet, myn goede wil verselt geen starckte machtigh,
            Dan doch myn danckbaar hart sal’t altyts zyn gedachtigh.
[fol. C4v]
            CHOOREN.
            OF den dwarsche mensch al gaat,, Snel te raadt;
            Met zyn Aartsche wilde grillen,
            Tot het laatst of in het endt,, hy bekent,
            (1025) Niet dan krachteloose willen.
            Wat den Hemel eens besluyt,, voert hy uyt,
            Na zyn wijs en welbehaghen:
            ’t Alderspitste kloeck opset,, hy belet,
            En ontreddert veel aanslaghen.
            (1030) ’t Gheen de loose werelt gist,, dickwils mist,
            En wert buyten waan bedroghen.
            Het schrander schepsel met verdriet,, voelt en siet
            Al zyn nietigh onvermoghen.
            Die van ’t gheluck ghetroetelt is,, als een visch,
            (1035) Die het aas slockt in zyn wanghen,
            En verleckert door de kauw,, maar blijft gauw,
            Ande scharpen Anghel hanghen.
            ’t Ghestoolen beetjen suycker-soet,, keert in roet,
            Ja in hondert duysent smarten.
            (1040) d’Onsichtbaar hoop door valsche schijn,, pijnt met pijn,
            Die verliefde jonghe harten.
            Het aldersoetste soet begin,, vande Min,
            Manghelt sich in rou ten lesten,
            Denckt o mensch! in u ghemoet,, wat Godt doet,
            (1045) Dat gheschiet tot uwen besten.
            Al make wy hier een voorslagh, men vermagh
            Gantsch niet sonder Godts ghehenghen,
            Wat baat o listigh harte stil,, u de wil,
            Als ghy die niet kon’t volbrenghen?
            (1050) An dese twee bedroefde Lien,, mooghdy sien:
            Een af-treck ghemaalt na ’t leven.
            Vant vernuft, en ’t vlugh ghedacht,, maar de macht,
            Ons de lieve Godt moet gheven.
            Florendus die ken-schuldigh vlucht,, hoopt en ducht,
            (1055) Met een yverich verlanghen,
            Gryane die bedroefde Vrouw,, sit met rouw,
            In een Kercker swaar ghevanghen.
            Ghy Prinschen groots verheven hoogh,, dit vertoogh;
            Wilt met reden over wicken.
            (1060) Hoe de vruecht die hier wat schijnt,, so verdwijnt,
            Als de blixems lichte blicken.
Continue
[
fol. D1r]

Derde deel, derde bedrijf.

FLORENDUS.
            OP bobbert uyt de grondt ghy gladde Meereminnen,
            Nu lobbert, baakert u beslijmt en glib’rich lyf:
            Ay! nueryd, speelt, en singt, met bly-geestighe sinnen,
            (1065) U-Minne-duentjes soet my tot een tyt-verdryf.
            Helas! de Bosschen groen, de Bergen, Wouden, Beemden,
            Doorgroeyt met wilt ghewas, seer duyster-dicht en ruych:
            (Als ick my na ghewoont van ’tvolck ga vervreemden)
            Bauwen myn klachten na met schaterend ghejuych.
            (1070) Het driftigh swerrech en de dunne lichte winden,
            Dat zyn de posten van myn ballingh droeve hart.
            Woord-voerders van myn Min, gaat klaacht an myn beminde
            De layde bootschap van myn onghemeene smart.
            Het vlieghend-Vogheltje bruyckt by syn Gaay syn lusten,
            (1075) Al ’theete vochtich Vee dat schickt sich by de syn:
            De luye Huysman gaat nu by syn vrouwtje rusten,
            Maar rijcker Heere Godt, waar is de Liefste myn?
            Myn Lief! myn Troost! myn Vreucht! al waar ghy zyt verholen,
            Myn hartje is by u, en gaar van my vervreemt,
            (1080) Dus moet ick hartelὀὀs en buyten kennis dolen,
            Dat myn u by-zyn gaf, u af-zyn my beneemt.
            ’Tvoor-oordeel van myn quaat, en ongheluckich leven,
            En wanhoop van myn vrueghd, voorseyd myn sware druck,
            Hoe dickwils tracht ick my de dood-steeck fel te gheven,
            (1085) Om ’teynd te maken van myn droevigh ongheluck.
            U sal ick, o Princes! of my de dὀὀdt verwerven,
            ’Tonwanckelyck ghemoed, en weyffelt licht, noch snὀὀdt,
            Ick blyf myn Lief ghetrouw, ghetrouw tot in myn sterven:
            Of is het moghelyck, noch langhe na myn dὀὀdt.
            (1090) Heylgierich, graegh en nauw, ben ick myn eyghen soecker,
            Ick wissel met myn hart, en drijf met Minne woecker!
            Ick leve my niet meer, maar leve gants voor haar,
            Ach! of ick met myn lief in een ghesmolten waar!
            Kroon-waarde-wyse vrou bevallich en raatsaligh,
            (1095) Schoon, eerbaar, help-ryck, gunst-milt, vrient-hout, lieftaligh.
            Hoe komt GRYANE, dat voor ’tὀὀghe van myn hart
            In deerlycke ghestalt, ghy afghebeeldet wart?
            Gants hong’rich, bleeck, en kranck, u dorre mag’re leden,
            ’Truym-velligh blὀὀt gebeent bevesten u droefheden.
            (1100) GRYANE, Lief! waart ghy van alle kommer vry,
            En dat de swaricheyt verdubbelt quam op my;
            Hoe lustich soud ick noch die sure slavernyen,
            Met een ghetroost-ghemoet voor wel ken-schuldigh lyen.
[fol. D1v]
            So haast ick door de vlucht op dese grentze quam,
            (1105) Nieuws-gierich uyt weet-lust ick d’overbode nam,
            En vraaghden na myn Lief, met errenstich verlangen
            De Schilt-knaap seyde my: U Lief die sit gevangen.
            Ick sweem door thὀὀren, en ick seech ter aarden voort,
            Bekomende, ick had myn selven wis vermoort,
            (1110) Ten waar myn trouwe Neef die’t wijslyck my beletten,
            En met Troost-redens my sorghvoudigh nedersetten.
            Ick wandel alle daaghs, hier in dit grasich veldt,
            Dat van ’tswaar-wichtich Lijf aldus neerslachtich heldt.
            Myn voeten blindeling myn leyden door ’tgewennen,
            (1115) Myn dunckt de Boomen myn schier door gewoonte kennen.
            Maar holla! wie komt daar so heftich tot my rennen,
            Wel myn dienst-iongen, brengt ghy tydingh van myn Lief?
IONGH. Sy groet u Heer door my, en sendt u desen Brief.
FLORE. Ay! wellekome Brief, so heerelyck geschreven,
            (1120) Van d’Alderhueste Vrouw die magh op aarden leven.
            BRIEF.
            SWEEF-STARRE van myn Jueghd! Vier-bake van myn krachten!
            Ay! Hemel-teken schoon, daar myn vlugge gedachten
            (Uyt een dryvende lust,) so seer is op vergeckt,
            Gelyck de Sonne-Roos de blonde Son na treckt:
            (1125) Also gaat oock myn ziel na dyne schὀὀnheyt streven.
            O licht van myn gesicht! O merrich van myn leven!
            O Ridderlycken Helt! O Minnaar vande dueghd;
            O Alderwerelts Roem! O Voorbeeldt vande Jueghd,
            Weest hartelyck gegroet van u lieve GRIANE:
            (1130) Helas! myn Penne swemt in’t nat van myne Tranen,
            De Letters zyn geklad, voornamelyck om dit
            Dat ick; u tweede Ziel! alhier gevangen sit.
            Al hier gevangen sit, met Yser hart gekluystert,
            Myn handen zyn verlaan, myn ὀὀghen zyn verduystert,
            (1135) Myn hart is lustelὀὀs, vermeestert vande pyn,
            Doch Hoop die seyt my toe: Het sal haast beter zyn.
            Verkoren Konings Kint! en wilt om dese saken
            U jonger Hartje niet bedroeft noch rouwich maken;
            U Mannelyck gemoed dat over al door-dringt,
            (1140) Dat Legers dicht be-volckt, stout-hartich, vroom bespringt.
            Dat alle swariche’en groot-moedigh kan verdragen,
            Dat ly nu met gedult, de oorsaak van myn klagen:
            Dats myn gevangenis, die ’k onverduldich ly,
            Om dies wil, dat ick ben helas! so verr’ van dy.
            (1145) Ach, Lely van myn Hart! al moet ick u nu derven,
            O Parel van myn Geest! ghy sult my haast verwerven.
            Indien ick (O myn vrueght!) maar eens magh komen vry,
            Dan quam ick u met ziel, met ziel! en lichaam by.
[fol. D2r]
            De slappe Mugg sal eer de boose Spin vernielen;
            (1150) Eer sal het goede Schaap de wreede Wolf ontzielen;
            Eer sal de teere Duyf mὀὀrden de woede Wuw;
            Eer ick een ander Man sal nemen Lief als U.
            Ey Tryumphante Prins! wilt u kloeckhartigh tὀὀnen,
            En waar ghy kund of mueght, u Juechdich lyf verschoonen:
            (1155) ’tGedencken van u Jonst my menichmaal verquickt,
            De drὀὀmen (waartste Lief) my hebben seer verschrickt,
            In sulcker voegen, Trὀὀst! dat ick met layde klachten
            Truerde weemoedelyck, ia heele lange nachten.
            O ziele van myn ziel! ick kan niet meerder schryven,
            (1160) Als dat ick uwe ben, en eewich hoop te blyven.
            Vaart wel, leeft lang, en kust dees goede slechte Brief,
            In plaatse vande Mondt van u gevangen Lief.
            D’INFANTE GRYANE.
            Ick eet u woorden op, en kauwse in myn Borst,
            Myn Boesem, werdt dyn kas, dus blyfdy onbemorst.
            (1165) U troostlyck schryven moet ick nu met smaack her-lesen:
            My dunckt dat ick nu schier een ander schyn te wesen,
            Myn half-iaars gequel, is schier vergeten, want
            De Hope my verquickt, en segt: VERAND’REN KANT.
            GRYANE INDE GEVANGENIS.
            O Droeve tyt,, die ick verslyt
            (1170) Met vruchtelὀὀs beklagen.
            O Aartsche Hel,, dood myn gequel,
            Door’t snoeijen van myn daghen.
            Ick ben alleen,, verr’ van de geen,
            En tegen danck gebannen,
            (1175) Helas! van die,, Ick ’tliefste sie
            Van alle ionge Mannen.
            Ach ongeluck!,, ach leyde druck!
            Sult nimmer ghy ophouwe,
            Dit hart gewelt,, dat nu dus knelt
            (1180) Dees teer benaude vrouwe?
            O schrale Dood!,, komt en doorstoot
            Dees Vrouwelycke Borsten.
            Ach! streng gemoet,, dat so verwoet
            Na u Kints bloet gaat dorsten.
            (1185) Myn Moeder wreet,, doet my dit leet,
            En ghy versufte Gryser:
            Een Keysers Kindt,, om dat het mindt
            Besluytmen straf int Yser.
[fol. D2v]
            U fel gegrim,, u wreetheydt slim,
            (1190) U dreyghen, noch u sweeren,
            Gheen schrick noch nὀὀd,, noch Duyvel, dὀὀt,
            En kan myn liefde deeren.
            Maar als ick sal,, int tranen dal,
            Door onghenuecht verdwijnen,
            (1195) Myn schim bevreest,, of bleecke geest,
            Sal na myn dὀὀt verschynen:
            En quellen swaar,, myn Ouders, maar
            Myn echte Man ghepresen,
            Die sal ick dan,, waar in ick kan
            (1200) Noch even dienstich wesen.
            Myn prinsch! vertoeft,, weest niet bedroeft,
            Bedaart u wilt verlanghen;
            Myn hart blyft u,, al ist lyf nu,
            In een kercker ghevanghen.
            (1205) De trouw en eed,, dien ick u deed,
            Die sullen gheensins lieghen:
            Hoopt, en vaart wel,, de dinghen snel,
            Op Aarden licht vervlieghen.
            O nuwe angst, op angst, en nakent swaar verdriet,
            (1210) En kost o Goon! de straf u noch vernoeghen niet?
            Ach rampsalighe Vrouw! verdoet u met u handen,
            Ghy kundt doch langher niet bedecken uwe schanden.
            Ick krydt myn ooghen uyt, en sterf door ’t ghesucht*,
            Na der natuuren lὀὀp, so voel ick my bevrucht!
            (1215) Och! of de soete dood myn droefheid wilden endighen:
            Komt alghemeene Wet! komt haven der ellendighe,
            Ick wacht u komst met vreucht.
            Ick wacht u komst met vreucht! want die gheleerde Arts
            Gaan hoopeloos van myn, hier uyt krygh ick wat harts.
            (1220) Het gheen een ander schrickt,
            Myn droevigh hart verquickt
            Myn grof en swangher lyf die driecht myn schand te segghen,
            Ick vind gheraden nu int bedt te blyven legghen,
            Tot dat den Arebeyt, en die vervulde tydt,
            (1225) Al met de hulpe Gods, my met de vrucht verblydt.
            LERINDE houw!
            LER.
            Myn Vrouw! wat lust u te ghebieden?
GRIAN. Wat gheraas hoor ick daar? het schynen wilde lieden.
KEYSER Ten waar de KEYSERIN my hart’lyck had ghebeen,
            ’t Souw by myn dochter, my niet lusten nu te treen.
            (1230) Als onnut ghy verwerpt, u Vaders nutte raden,
            En volcht u blinde lust, oft wel, of niet betaemt.
            Ghy weyghert seer verwaant, stout-hartigh sonder schaamt,
            TARISIUS myn Neef, met lasterlyck versmaden.
            Ick sweert u by myn Hooft! ick sweert u by myn Trouw!
[fol. D3r]
            (1235) Dat ghy nu langher niet myn wille sult weerstreven;
            Ick heb hem u belooft, ick sal hem u oock gheven.
            Ghy sult (al wouwt ghy niet) zijn stracx TARISI Vrouw.
            Myn soon, op dat mijn woordt bestendich wert ghehouwe,
            So gheef ick u te saem; met dese fiere maachd,
            (1240) Gaat, doet en leeft met haar, na dattet u behaaght,
            Houwt daar u lief, u bruyt, en u ghetrouwde Vrouwe.
TARIS. Myn Heer de KEYSER, ick ben een te ringhen mensch,
            Om tὀὀnen u de eer, en danck die ick u wensch:
            Ick kan u voor dees tijt niet wenschen and’re saken,
            (1245) Als dat de lieve God myn gunst wil machtich maken.
GRIAN. Helas mijn Vader! ick en hadde noyt gedacht,
            Dat ghy vergrimt (uyt nijt) sout bruycken uwe kracht:
            Op u kints slappe jueghd, die quijnt by ὀὀgemercken,
            Ghy dringht myn vrome wil, om bὀὀsheyt snὀὀt te wercken.
            (1250) Neen ick ontkenne niet mijn hὀὀghe neefs waardy,
            Syn dueghden eyschen een veel waardigher als my.
            Maar wy so na verwant van beyde de gheslachten,
            En hebben so myn dunckt gheen oorloch te verwachten.
            Het Maachschap, anghesien, en ’tna bestaende bloedt,
            (1255) Als Moeders, broeders soon, dicht by ons opghevoedt.
            Voorts is my teghen ’thart, een dingh dat my doet vresen:
            Dat hy my niet ghenoegh lief-tallich en sal wesen.
            Vermits de ommegangh die hy steets heeft ghehadt,
            Door dees ghemeenschap stouwt, dunckt my oock Vader, dat
            (1260) Ick hem nemmermeer ghenoegh sal konnen eeren,
            Ghelyck een Vrou betaamt, te doen haar Man, en Heere.
            Myn Heer, en belchts u niet, ghy hὀὀrden (met verlof,)
            Met sachter middel my het quaat te wennen of.
            Ghemerckt den swacken staat, daar ick in leef inwendich.
            (1265) Leef, o neen! in sterf, vermaghert, en ellendigh.
            Het prachtighe ghewaadt dat ghy tot bruyloft spaart,
            Verruylt dat an een kleedt tot myn droeve uytvaart.
            Want ick ghevoel de dὀὀdt beleghert my vast nader.
            Ach! wat ys-koude hart heeft laas! myn strenghe Vader?
KEYSER (1270) Daar ik de sluetel houdt, ’kbevele u de wacht,
            Leeft met myn dochter nu, na ghy’t raadsaamste acht.
TARIS. Mevrouw ick bidde u, toch niet mismoedich schreyt
            Over het ghene, dat de KEYSER heeft gheseyt,
            Om mynent wil (ick sweert) ick liever al myn daghen
            (1275) De swaarste slaverny vrywillich wil verdraghen.
            Dan ick een oorsaeck souw van uwe droefheyd zyn.
            En ick verhoop dat ghy metlyden noch met myn
            Sult kryghen, door den dienst van myn ghetrouwe sinnen:
            En door u selfs bekoort sult pὀὀghen myn te minnen.
            (1280) Dits ’tgheen den Keyser tracht te dringhen met ghewelt,
[fol. D3v]
            Die doch uyt gramschap u ghevanghen heeft ghestelt.
            En buyten wet, of recht, heeft hy oock dit ghesproken.
            Op dat ghy niet en waant dat dit door myn toestoken
            Gheschiet is, siet ick stel de sluetel en de wacht
            (1285) Van u persoon, (myn lief!) volkomen in u macht.
            De Heere wil Me-vrouw in eeuwicheydt bewaren.
GRIAN. Wat suysselent ghewiech, van hobbelende baren
            Ghevoel ick, lacy nu! in myn beroerde gheest?
            Ick heb myn daghen noyt, soo seer ontstelt gheweest.
            (1290) Wat tobbende ghedrangh verschuyven al myn krachten,
            Ach! hoe vervoeren my myn woelende ghedachten?
            De sluymer-slaap bespringht ’t onrustich droef ghemoet,
            De vaack vermomt ’tghesicht met ooghe-luycken soet.
            De vensters van myn hart dud-doorich zyn besloten.
            (1295) Ick slaperighe mensch die was daar al beschoten.
            Wel op, Wacht-vrouw, vertreckt, vertreckt u an een sy,
            Laat niemandt doch so langh ick slaap, versoecken my.
            BOUWEN LANGH-LIJF.
            Siet deuse labbighe hὀὀp, die lachender hiel scheets om,
            As ick en reys quansuys, met melck ter marckt kom.
            (1300) Hoe ist hier malle-moers Nift? ja siet dese Mallemerocken,
            Siet dese Neske-bollen, durven met myn dus gecken, en jocken.
            Wel Nebbelings-hooft, hoe ist? b’aaghtet jou wel of niet?
            Ey lieven, om goos-wil, hoe staat dit smal-biendt goet en siet,
            Dese besuckte Stee-katten schempen altijdt met de Boeren,
            (1305) Maar wy huy-sluy kuenen huer wel weer loeren.
            Moye, klare, ochtent melck. Nou volck gheeft myn hangt-gift?
            Ick selse jou voor niet gheven, ist datse tsamen lὀὀpt, of datse schift.
            Gy selter niet een haartje in vijnden, myn wijf is puntich, en suyver.
            Ick gheef goet koop, burghers het mingellen om ien stuyver;
            (1310) Dan trouwen myn huysen, en myn ouwe karnuyts
            Die brengh ickse een hiel volslaghen jaar om seven duyts.
            Een ouwelieuw het pijntje dat is marck-gang tueg een braspenning:
            Huye-nochtent als ick stong, en kalfaterde de henning,
            So vong ick tuysent, een stickeweechs van uys huys
            (1315) Een knoppel-doeck, met een snap-haan, met een vier-yser, en met oly-kruys,
            Met acht-guesen-duyten, en twintich biecht-oortjes.
            Moye warme soete melck; wel kyeren dat sinne woortjes,
            Sinnelijcke NEELTJE, dat is myn wittelijcke waarlijcke wijf,
            Ick ben huer etroude man, Ic ben BOUWEN LANG-LIJF.
            (1320) Ene wet, en wierom, ene waarom sou ick naat? soch! hoe bijster vrijden haar lodder,
            En onse Dirck dierten, en blaeuwe Jaap, en jonge Jan slodder,
            En Gerritje Gὀὀrgat, en Harmen glatmuyl, en kittighe Piedt
            Wel waarom Klorus, Jorus, Gorus, of Flores niet?
[fol. D4r]
            Zo haast als sy myn sach, so stongh ick huer wel an,
            (1325) Want sy riep, int volle seltschip, dit is myn eyghen sint-jan.
            En doe ick huer trouwde, de maats die tierden as de Duyvel.
            Men mach segghen watmen wil, maar ick hou veel van reyn suyvel.
            Ick was nou lest met spil-penning en met licht-hart int ghelach,
            Ja sus sy hadde daar sukke praat dat icket niet segghen mach.
            (1330) Ho! seyde spil-penning: as de helft melck is, en ’t angder uyt de sloot:
            Al isse schoon van overmorghen, wat? dat en is gien noodt.
            ’t Is die versoorde pap-eters al goet enoech, by myn siecken.
            Ick wil myn bloet drincken om die weersoordighe Ste-kliecken.
            Wat meyn ghy dat Kees-licht-hart, zyn vuyle hangden wast?
            (1335) Neen hy vaar, al had hy ick weet niet, wat wel e-tast.
            Wat hettet te beduyen, ’tis een wilt hoen, een dol-kuycken,
            Hy besteelt alle nachts de buure huer korven en huur fuycken
            Al sachet imet, siet daar is niemet soo koen
            Die hem daar teghen verset, niemet het garen midt hum te doen
            (1340) De Dubbeld’uw noch de Schouwt, en durven hum niet vanghen
            Guts wolven hoe is die Karel gheteyckent in zyn wanghen!
            Nou lestent quamer een dief-layer tot zijnent kuyeren,
            Hy veeterden hem na zyn* korn en hy leyden hem inde luyeren.
            Het leste kartier en duechd niet, wat sel ickje mier segghen?
            (1345) Hy wodt gisteren al weer een sneetge int hondert legghen.
            Dan ick houwer myn gheck mee! ick heb altijdt verstaan,
            Het is ghesonckt, mit ien hielle huyt slapen te gaan.
            Onse roo-bonte-Koe, is nou al weer met jonghen,
            En de blaeuwe blaarde grijs, het inde angere weeck, met de varingh gesprongen,
            (1350) Ick wed ick int ierst niet weer, met melck in stee vaar,
            Ick souwt niet gedaan hebben: was myn wijf niet op ’t uyterste swaar
            Wel waar sel icker mee heen? Nu ick magh gaan loopen
            En sien, of ick myn melck by de huysen kan verkoopen.
            binnen.
GRIAN. Help God! wat nacht-ghesicht of droom, is my verschenen?
            (1355) Noch jaacht en klopt myn hart, noch trillen my de zenen,
            Myn ancxstich hip’lend’ bloet, dat wagghelt in myn borst
            Myn hiel, ’ken weet niet wat? dat ick niet reppen dorst.
            Gheen Nachtemerrij wast, die my uyt ancxst de rὀὀken
            Noch sot of ijl ghedwaas, van waren, of van spὀὀcken.
            (1360) ’t Was overlast van spijs of moghelijck swaar bloedt,
            Neen! ’t is Gods oordeel straf die anklaaght myn ghemoedt,
            En maant my inde nacht, met gruwelijck anspreecken:
            Hy dreyght myn stout bestaan, seer grimmich quaadt te wreecken.
            Ick wil Gods hooghe raadt, veel meer ghehoorsaam zyn,
            (1365) Als d’onbesnoeyde lust, van ’t jongher hart van myn.
            Hoe leldt de Min en dwangh, in myn verlieft mee-weten?
            Ick moet, maar ’t is my leedt! FLORENDUS u vergheten:
            Wie mach de wille vanden Hemel wederstaan?
            Wat nu den Keyser eyscht, dat werdt van my ghedaan.
[fol. D4v]
TARIS. (1370) God gheef myn Vrouw gheluck, en make fris ghesont
            U bloeyend’ varsche juechd, en roose roode mont.
GRIAN. Het schynt beleefde Heer, dat ghy int minst soud kunnen,
            Al mocht ghy yemant quaad, het selfde willen gunnen.
            Dyn able huesheyd Prins die maackt u steeds gewoen,
            (1375) An my, onwaarde Mensch (onverdient) dienst te doen:
            Insonderheyt de saack die ’k van u heb genoten,
            Dat by myn selven ick Trou-hartigh heb besloten
            Den uwen heel en al, volkomelyck te zyn:
            Op die voorwaarde; dat ghy gantschelyck an myn,
            (1380) Myn ongehoorsaamheyt, die’k hebben mach bedreven,
            Uyt goeder herten sult quytschelden en vergeven?
TARIS. Suf ick? slaap ick? drὀὀm ick? hoe sta ick doch en staar,
            Beweeghloos en stom, of ick gesturven waar?
            Wat levendich gewoel komt my voor ’tharte weemlen?
            (1385) d’Inheymsche vrueghd moet ick wegh ruymen en opheemlen.
            Myn voort-varende ziel van blydschap host en bruyst,
            Dit reddelὀὀse schip met Reeden geharpuyst,
            Waart niet verlὀὀd, verhuydt met snel ontsagh voor schanden,
            Myn over-laden geest souw als schip-brueckigh stranden.
            (1390) O heyligh van myn hart! o stapel van myn vruecht!
            O stempel van myn lust! O Rose van myn Juecht!
            Hart-ader van myn wil! Borne van myn gedachten!
            O prickel! sweep, en dwang! van myn verborgen krachten.
            O Stuensel van myn ziel! myn eygen hart: ick sweer!
            (1395) Eer eynde neemt myn trouw; so sult ghy sien veel eer
            De slymerige Visch, uyt die schuymende strὀὀmen
            Sien vliegen na het Bosch, en nest’len in de Bὀὀmen.
            ’tPluym-dragende Gediert, en ’tonvernuftigh Vee,
            Sal sich verhuysen inde schommellende Zee.
            (1400) Den Hemel sal zyn ste vermang’len buyten waarde,
            Zyn saal herbouwen, op de lompe logge Aarde.
            Den onstanthaften mensch met zyn Gesin ter vlucht,
            Sal sich verbergen in de lyve-lὀὀse lucht.
            Eer dat myn Liefde sal verkoelen of verkouwen.
            (1405) Ick sal u als myn ziel (ist mog’lyck) hooger houwen.
            Ick sal myn macht en tyt volkomelyck besteen,
            In uwen dienst en last van uwe sinlyckheen.
            Siet, dit beloof ick u: op prinselycke trouwe,
            So verr’ het u behaaght, myn lang-geliefde Vrouwe.
GRIAN. (1410) Ick neemse aan in danck, myn hoogh-geboren Prins:
            Dewyl’t u dus gevalt, ick weyger het geensins.
            Doch met den Trouw-Tryumph, wilt (bid ick) so lang wachten,
            Tot ick verkrygh door Tydt, myn afgenomen krachten.
            So haast ick varsch verhaal myn bly-verwigh gestalt,
            (1415) So doet met u Slaaf-in, na dat u best gevalt.
[fol. E1r]
TARI. Vaart wel myn waarde Bruyt, ick gae myn Heer verklaren;
            Gants vrolyck-hartigh, myn huechlyck wedervaren.
            CHOOREN.
            DE schyn-groot yd’le-Eer, gants Hemel hoogh verheven,
            Soeckt de verwaande mensch met moeyten in dit leven;
            (1420) Of’t schὀὀn zyn sotheyt mint,
            Versochtheydt die bevindt
            Dat Leven, Lof, en Windt,, zyn even haast verdreven.
            De wervel-siecke Eer, vervolghen grootsche Heeren,
            Die net haar beelden of, in lust, in staat, of kleeren,
            (1425) In gulle overdaat,
            Brood-droncken, wuft, en quaat,
            Sy mercken (maar te laat) hoe snel HET KAN VERKEEREN.
            Men oorlooght, kryght, en twist om eere te verwerven,
            Dees sotte hovaardy stort landen int bederven;
            (1430) ’t Baart volcken swaar verdriet,
            Door overlast, ay siet!
            Om dese grὀὀte niet,, moet mennigh duysent sterven.
            Eerwaarde Hoofden kloeck, die preecken, dichten, sweeten,
            Voor het ghepuepel snood, die ’t u gheen danck en weten.
            (1435) Ghenomen dat u vlijt,
            Yemandt na wensch verblijdt,
            De faam vernieler tijdt,, u naam doodt doort vergheten.
            Dees goddeloose eer gaat so de mensche quellen,
            Dat sy haar salicheydt in eenen waach-schaal stellen,
            (1440) Laas! om een hant vol lucht,
            Van ’tvolx sot gherucht:
            Dus dompelt die eer-sucht,, de edel ziel ter hellen.
            GRIANE trouweloos, die wil noch eerlyck schynen,
            Verbercht, en baart haar vrucht, met sonderlinghe pynen.
            (1445) Want in haar harte teer,
            So hassebassen seer,
            De liefde doch de eer,, doet ’t Moeders hart verdwynen.
            O ghy stiefmoeder quaat, bastaart van medelyen!
            De dieren plomp, en wreet, haar ionghen wel bevryen:
            (1450) En doent met goede recht:
            GRIANE ’t is te slecht,
            Die gheeft haar kint een knecht,, om daar me wech te ryen.
            Ghy dapp’re Prinsen wys voorsichtich, en verstandel,
            De eer leyt niet in schyn, maar in een eerbaar wandel:
            (1455) Doch elck die begheert,
            Loflyck te zyn ghe-eert,
            Al doet hy het verkeert,, God betert! in zyn handel.
Continue
[
fol. E1v]

Het Vierde deel, Vierde bedrijf.

KARDIN met het kint.
            ZO haast GRYANE was van’t kindeken ontslaghen,
            Gaft haar wacht-vrouwe my, om heym’lijc wech te dragen.
            (1460) Ick heb het kleene wicht al bevend’ anghevaart,
            De slappe moeder sprack bewegelijck van aart;
            Moet ick och lieve kint! zyn strengher van manieren
            Als ’t hart-vochtighe Vee, en woede wilde Dieren?
            En is dit Moeders hart, gheen harde Marbersteen,
            (1465) Dat het sich niet erbarmt over myn vleys en been?
            Och! mocht myn waarde soon het leven maar verwerven,
            Ick souw soo huechlijck om zynent wille sterven.
            Met dat sy dit sprack: wierp sy haar schreyend’ om
            Haar blieck-blanck aanschijn, in Cristalle tranen glom,
            (1470) ’t Scheen dat haar weerlὀὀs-lijf int nat ὀὀch-water swom.
            Wy hebben haar vertroost, en redelijck verbeden.
            Immers ick ben tot hier met ’t kleene kind ghereden,
            Wist ick, o goede Godt! wat ick besluyten souw.
            Ick vreest te gheven an een arme Boere vrouw.
            (1475) KARDIN hebt ghy de last om ’t sus dan anghenomen?
            Ick duchte dat haar schult door ’t kind noch sal uytkomen
            Want door al ’t lantschap wijt is seer verspreydet dit,
            Dat om FLORENDUS wil GRYAAN ghevanghen sit.
            Onsichtich wijt ghedacht, bedenckt de saack wat varder,
            (1480) Ick wilt gaan brenghen by een Kluysenaar of Harder.
            O breyneloos besluyt, seer jachtich gants onstelt.
            Ick salt gaan legghen voor een vondelingh int velt.
            Vaart wel ellendich kindt, de Heer wil u beschermen,
            Ick hoop dat yemandt sal sich over u erbermen.
            (1485) Al evenwel ’t is best dat ick de plaatse merck,
            De Schepper aller dingh werckt wonderlijck zyn werck.
            De hongher praamt myn Maagh, om spoedigh ’t huys te raken,
            Ick sal GRYANE wel een lueghentie wijs maken.
            binnen.
            BOUWEN Langh-lijf.
            O bloemerharten! gangs bloet! mach ick nou niet parlementen?
            (1490) Gords-sackerlὀὀt! ick sweert by seven sacken Krenten,
            ’t Waar by myn sier niet goet, datme nou een schijtvalck te moet,, quam,
            Ackerlijden! dat ick nou by aalwaardighe Klaas-kloet,, quam
            Ick leyde waraftich wel een kancxie goet kὀὀp.
            O hongdert vijftien Turcken! hoe is myn de kop opter loop?
            (1495) Ja wel kyeren ’t is te bijster! Ja wel souwt myn niet moeyen?
[fol. E2r]
            Sie daar, ick wodt wel, om ien van myn alderbeste Koeyen;
            Dat mier is: ick wout wel om ien pinck, om ien Vaars, en om ien Kalf,
            Dat is goelickjes op myn reeckeningh, een, twee Koeyen, of aarhalf.
            Ick sech noch, ’t is uyt de kerf, ’t is te mal om of te kallen,
            (1500) Myn wijf SINNELIJCKE NEELTJE, is vlusjes gaan legghen, en vallen
            Inde kraam, van een dὀὀt kijnt: ’t is van zyn leven niet ghebuert,
            Ick had tangsjes myn rietschip schier van myn lijf gheschuert.
            Daar ick met soo veel moeyten mee inde Wijngaart ewrocht hadt.
            O duysent stuyvers! dus om niet? o duycker! wel wie docht dat?
            (1505) By gadt NEELTJE is dit vuer al myn woelen en voor myn swieten?
            Ghy selt in een maant niet vande suycker-stock ghenieten.
            Maar weersoordighe NEELTJE komt hier, en seght eens Nebben:
            Heb ghy niet ghehadt? moer ghy selt oock niet hebben.
            Hoe wel dat ickje liever heb, als mennich man zyn vrouw,
            (1510) Wangt ick souw ’t hart wel uyt myn lijf duwen, en ghevent jouw.
            Wat noot wast had icker myn wagen, en paarden niet op verkoft,
            Met de schuyt, mit seyl, mit treyl, mit riemen, mit bὀὀts-haken, mit de brie-doft
            Somma, sommarum, het sel al besuckt vuel beloopen,
            Dattet gien schanckt en was, ick sout mit bruyn-Dirck Jan-Otten of koopen,
            (1515) Al sou ick bygort noch geven seven vaan int ghelach,
            Hoe sal Symen,, en Tymen,, en Jeelis,, en Kneelis,, en Ceelis,, en Meelis voeren de vlach
            Ick sel myn hooft niet hiel houwen, so sellense myn scheeren:
            Maar as ien dingetje is gheschiet, so moetment ten besten keeren.
            BENEDIJSTE DOMINE, wat is dat vuer ghekrijt?
            (1520) Dats de gheest van myn zuen, voel ghy dat wel die is uyt zyn tijt.
            Heer hoe staat myn lijf en rijdt, myn dunckt ick swiet het meyn,
            Wie vat myn daar van afteren? ist niemant, ’t sou myn wel ontgaan certeyn.
            Gangs velten! sietmen hier een reys staan, en swoegen en hijgen
            Wat icker om doe, ’t is al niet, ick kan myn naam niet krijghen.
            (1525) Wel waarom loop ick, deynck ick? hoe bin ick dusken Loer?
            Ick wilder weer na toe, kijck al wasser de duyvel in zyn moer.
            ANIMANTUM, QUADRIPITANTUM. Ick besweer myn vleys en bloedt
            Vuer Yser, en vuer Staal, en vuer alle Nickers ghebroedt.
            Wat bingie voor een ding? Heb ghy de macht so komt an me,
            (1530) En bingie ien Weer-wolf, of de Droes? so gaat van me.
            Neen vueghel ick gheef de moet soo niet verlooren,
            Ghy kompter niet after, gasgie ghy selt dat gat niet bὀὀren.
            Bin gy by gord een reed’lijck karel? so komt voor den dach,
            Ick slacht de blinde, ick wouw wel dat icket sach.
            (1535) Ick besweerie noch iens, en noch iens, en noch iens, dat is dries,
            Ay gy oolicken scherluyn! heb gy gien hart, krijt ghy alries?
            Dats nou al evenvuel. Ick moetet iens besoecken.
            Ben gy vervaart voor wat slabbermenten en vloecken?
[fol. E2v]
            O Gortelingen! wat is hier? wat hoor ick vuer gekruen?
            (1540) Alle vongen, niemet me t’samen. Een moye leckere Suen.
            Wel hoe mach hy hier komen? daar bin ick in verwongdert!
            Dit is van dat Volckjen, die so lὀὀpen en koten int hongdert.
            Ick sie wel dit is al van een Haachse Juffer, of hier uyt de stadt,
            Die sukke vervaarlycke wrongen hebben om huer gat.
            (1545) Sy hebben sukke koel-koussen, sukke ongeschickte grὀὀte hoepen,
            ’s Nachts lὀὀpt dat hiete goedt op de kittel-iacht uytsnoepen,
            Besonger in duese stadt, daar hebbense soo veel kuers,
            Hier in ien Travaeren, of in ien berdiel, of in ien hoeck vande buers.
            Daar gater so mennigh uyt dienen, uyt nayen, uyt kraam-bewaren, uyt schuuren,
            (1550) Die haar vriendelyckheytje om een steeck-pennick verhuuren:
            Dus wordense altemet al lachende gangs volmaakt,
            En dit doet datter altemets een kynt int kak-huys, oft int water raakt.
            Maar ’tis al om niet sy mooghent Lodder-houwtje niet ontbeeren,
            Neen seker, is dit ien Hoer? so ist ien Hoer met eeren;
            (1555) Want sy bewaart huer kyntje, en soeckt ien goede Vaar.
            Neen warachtich, ick scheyncker noch ien goet Jaar.
            Nou ick magh gaan, en vragen of ick met myn kunst gefaalt,, heb
            Ick sel seggen: dat ick dit kindt al moerlycke-liennich uyt de Voolwyck gehaalt,, heb.
            Wat Frangkse-Blanken! wat gants Lichters! wat schiet myn in myn sinnen,
            (1560) Ick selt de buren wys-maken, dat het myn kynt is, dan sel ick ’twetspel winnen.
            Die moye ionge lacht my toe, ’tis seper wel indiefte moy,
            Dat ick dat mannetje so liet leggen, dat waar immers gien roy,
            ’tHet ien kruysje an zyn Hooft, en ien gouwe kettingje om zyn hals,
            Ick selt brengen by myn wyf, die selt houwen als huer kynt in als.
            KARDIN.
            (1565) ’tLang leven, en de Tydt maackt dickwils wys, en out,
            Der gener die veel hoort, en ’tbest daar van onthouwt.
            Maar ’tgeen ick hoor, en sie, en kan ick nauw vertrouwen;
            Ick twyffel, of ick’t sal voor drὀὀm, of waarheyd houwen.
            En weet ick dan niet wel dat sy FLORENDUS mindt?
            (1570) En heb ick niet gesien haar beyder kleene Kindt?
            Heb ick niet menichmaal GRYANE hooren sweren:
            Dat sy TARISIUS nu, noch nimmer sou begeeren?
            Koom ick niet uyt de Zaal, die schier van blydschap barst?
            En heb ick selve niet veel Wyns in’t lijf geparst?
            (1575) En sagh ick niet terstont die groote weytsche Hansen,
            Met d’Edel-vrouwen braaf, so heerelycken danssen?
            Heb met myn oogen ick niet opentlyck gesien,
            Het Steeck-spel Ridderlyck, van so veel Edel-lien?
[fol. E3r]
            En sie ick niet de sleep van Princen, en van Heeren,
            (1580) Die ’t nuwe houwelyck pompeuselyck vereeren?
            En hoor ick ’tspelen niet? en ’tsnaterend geschal
            GRYANE is de Bruydt, raadt wiese trouwen sal?
            TARISIUS, ghy iockt. Ben ick myn selven al?
            GRYANE, licht, verkeert, gaat so lichtvaardich bouwen
            (1585) Een lasterlycke schant, voor al ’tGeslacht der Vrouwen.
            Ay trouweloose Vrouw! heeft u getrouwste vriendt
            Met zyn oprechte Trouw, dees valsheydt wel verdiendt?
            Ick sweer! ick sal’t den Prinsch volkomen laten weten;
            Op dat hy’t uyt zyn zin mach stellen en vergeten.
            (1590) Ick sal stil-swygend’ nu afvaardighen een knecht,
            Die van dees handel hem ten volle onderrecht.
            GRIANE de Bruydt.
            DE Blydschap komt van myn:
            Een yeder iuyghd van vrueghd.
            Een woningh vande pyn
            (1595) Is laas! myn ionghe ieughd.
            Ay! hoe bochten myn gedachten*,, wilt?
            Om ’tontrouw die ick doe,
            Ay Hemel! al myn klachten,, stilt?
            Ten quam by my niet toe.
            (1600) Speelt, springt, en quinckeleert,
            Vervrolyckt, u verblydt:
            Myn droevigh Hart begeert
            Wat vryheyt, en wat tydt. Ay, hoe &c.
            Besadicht u myn hart,
            (1605) Hoe holdy dus ontoomt?
            Helas! van enckel smart,
            t’Gesicht van Tranen stroomt. Ay, hoe &c.
            De Leckernye soet,
            Die proevende, vermaackt
            (1610) In mynen mondt als roet,
            Of bitt’re galle smaakt. Ay, hoe &c.
            De blye sang, en spel,
            Luyd-klagend’ in myn Oor,
            My dunckt dat ick seer hel
            (1615) FLORENDUS suchten hoor. Ay, hoe &c.
            De lieffelycke Lucht,
            Dat is my niet dan stanck,
            De Rueck die andren helpt,
            Die maackt my flauw en kranck. Ay, hoe &c.
            (1620) Ick doe niet dan ick suf,
            Afwysich, schuw, en koel,
            ’kHeb in myn Man geen puf,
[fol. E3v]
            Noch lieffelijck ghevoel.
            Hoe bochten myn ghedachten,, wilt?
            (1625) Om de ontrouw die ick doe.
            Ach Hemel! al myn klachten,, stilt,
            Ten quam by my niet toe.
            En quamt by u niet toe, onsalichste der wijven?
            Met wat bewijs-konst soeckt ghy uwe schult te stijven?
            (1630) FLORENDUS, lieve vrindt! wat suldy segghen ghy:
            Als ghy de tijdingh krijght van myn verradery?
            En dat ick uwe duecht so qualijck ga belὀὀnen?
            Ach fy ontrouwe vrouw! wat onschult suldy tὀὀnen?
            Sijt ghy niet trouwelὀὀs, Min-eedich, en vervloeckt?
            (1635) ’t Bewimpelen is wech, ’t is om niet wat ghy soeckt.
            Voorwaar ick mach met recht my wel int harte schamen:
            Ick ben niet waardich int gheselschap te versamen
            Van ware Minnaars, die met een stantvaste sin
            Volstandich bleven in haar kuyse soete Min.
            (1640) Ter werelt gheen Minnaar en schiede van een vrouwe
            So snellen Echt-brueck, ach! is dit myn staghe Trouwe?
            Ach! wat ist dat ick doe gants teghen wil en danck?
            Ghelijck ick hier betuych met laauwe tranen blanck,
            En met dit truerich hart, dat my dus is ontstolen,
            (1645) Nochtans so langh ick in dit lichaam noch sal dolen;
            Sult ghy daar gants en al de voocht daar over zyn.
            Hoewel TARISIUS bedriegh’lijck dat van myn
            Door moeders toe-doen quaat, heeft weten te ontschaken,
            Om u ong’luck en ’t myn helas! dus groot te maken:
            (1650) My wallecht van dit Hof, en van myn Vaders haat,
            Waar door ick, lacy! heb bedreven soo veel quaadt.
            Myn overspel die heeft myn Echten-bandt ontbonden:
            Ick heb myn eyghen kint soo liefdelὀὀs versonden:
            Ha! meyneedighe vrouw! ay myn, ick raas! wat raadt?
            (1655) De ghemeente kὀὀssert niet dan van myn schant en smaadt.
            O schandelues ghemoet! dat noch om eere steyghert,
            d’Aard is u te nauw, de Hemel werdt gheweyghert.
            Komt strenghe dὀὀt, ick bidts, ick sie in u niet quaadts,
            Doorstὀὀt dit sondich hart, of wisselt my van plaats,
            (1660) Daar al myn lusten doch Aam-borstich woest na jachten,
            Bevredicht domme vrouw, dyn vlieghende ghedachten.
            Ghy ruylt niet door het lant u klaghen, noch u smart,
            Ghy draecht de wroegher in het binnenst’ van u hart.
            U schulden sterven niet doort trecken uyt de landen,
            (1665) U volghen over al u lachterlijcke schanden.
            Al myn harts-tochten snel die jὀὀcken na wat varsch,
            Ick wert dit grὀὀte Rijck en dese lieden warsch.
            Als ick de plaatse sie daar ick eens sat ghevanghen,
[fol. E4r]
            Vernuwt myn oude smaat, so wast myn langh verlanghen,
            (1670) Die heftich plundert myn verwonnen jonghe borst,
            Dat door nieusgiericheyt, noch na verand’ringh dorst:
            Besonder als ick denck, laas! om myn Vaders tὀὀren,
            ’t Verdriet my langher van FLORENDUS oock te hὀὀren,
            De Minne-klachten van myn harts-verterend wee.
            (1675) ’k Wil met TARISIUS gaan reysen over Zee,
            Na ’t oude Edel Hof, van ’t Rijcke HONGERIJEN,
            So worstel ick met vruecht eens uyt myn droevigh lijen.
TARI. Hoe komt GRYANE dat dit son-ghelijck aanschijn,
            Dus van een vochten damp, ghe’klipseert schijnt te zyn?
            (1680) Wat kribbich strijen doet, dit zedich wesen tanen?
            ’t Ontfonckert my myn hart, alleen door het vermanen,
            De droefheyt, uwe schoont, benevelt, noch bemist
            Het traantgie luyster-gladt, u blancke-vel vernist
            Wat doet myn waarde Vrouw so weder-waardigh belghen?
            (1685) Wat ong’lijck is het lief, die ghy niet kunt verswelghen?
            So yemandt uwe vruecht, u weelde, of u eer
            Benijt GRYAAN. Ick sweert de saack betreft my meer.
            Wie durft een Keysers kint, dats meer! myn bruyt verdrucken?
            Ick houde hem de kop in hondert duysent stucken:
            (1690) Wien heeft Princesse lief! u hὀὀcheyt tock mis-daan?
GRIAN. Niemant myn eyghen-hart, ’t komt my door toeval aan.
TARI. Myn wel beminde Vrouw, wat doet u dan bedroeven?
GRIAN. Bekende swackheyt; Heer! door ’t noot’lijck onderproeven.
TARI. Wie zyn verborghen druck eens uytklaacht, wert verlicht.
GRIAN. (1695) Een vruchtelὀὀse daad verbetert, noch en sticht
TARI. Sult ghy u echte-man yet wat te segghen schuwen?
GRIAN. Lust u myn lieve helft myn lijen te vernuwen?
TARI. Int minste, o myn siel! ick jun u alles goet,
            Doch van u wonder-wὀὀrt my een verklaringh doet.
GRIAN. (1700) Myn Bruydegom! myn Heer! myn terghen nieuwe lusten,
            Om met u hὀὀghe Prins recht-vredelijck te rusten;
            Int heerlijck ghebiedt van u toekomend’ erf.
            O wel gheboren Vorst! so ’ck dese vruechde derf
            Ghy mist dan eer yet langh, u vrouwe, en myn leven,
            (1705) Ick sal verlof myn siel door ’t laatste snackie gheven.
TARI. Ghy bid myn Vrouwe ’t gheen ick langhe heb ghedocht,
            Doch dat uyt weyg’rens vrees aan u niet is versocht.
            Ick ben daar toe ghesint, ghy muecht van my begheeren
            Al wat in mynder macht is mueg’lijck te ver-eeren.
GRIAN. (1710) TARISIUS myn lief! treckt met my uyt dit Hof?
TARI. Princesse! ghy sult sien dat ick het niet verslof,
            Laat ons de Keyser gaan ons opset nu ondecken?
            Wy sullen daattelijck na HONGARIJEN trecken.
[fol. E4v]
            LYOMENUS komt in Griecken-landt.
            ALs ick met mynen last int Hof des Keysers quam,
            (1715) De droefste tijdingh, laas! ick voor myn Heer vernam.
            Want GRYAAN die is met TARISIUS haar Neve
            Ghetrouwt, en heeft haar voorts na HONGEREN begheven.
            Wel wie komt ginder aan? Ay siet! het is myn Heer,
            Die hὀὀfdelὀὀs vast dwaalt, dan herwaarts, heen en weer,
            (1720) Wt lust om weten, maar ick sorghe, en ick vreese
            Dat dese boodtschap hem niet anghenaam sal wesen.
FLORE. Sijt welkoom LYOMEEN. LYOMENUS zydy daar?
            Hoe statet met myn lief? hoe gatet toch met haar?
            Ghy brenght my droefheydt soo ’t schijnt an u ghebaar;
            (1725) Wat let haar, is sy sieck?
LYOME. of sy ghesturven waar,
            Het was voor u myn Heer, veel beter ja het waarlijck.
            Ach FLORENDUS!
            FLOR.
            Myn vriendt LYOMENUS spreeckt klaarlijck:
            Wat batet dat ghy myn dus int verlanghen houwt?
LYOME. Ach Heer ick vreese.
            FLOR.
            spreeckt?
LYO. GRIAAN die is getrout
            (1730) Met TARISIUS, en is met hem oock wech ghevaren.
FLORE. Ghetrout, en wech? o Godt! wilt toch myn siel bewaren?
LYOME. Helas hy is al stijf, ach my! wat grooter noodt.
            Ach FRENE! FRENE, komt, hier leydt FLORENDUS doodt.
            FRENE.
            Ay haalt een spieghel knap, so erkennen wy den Aassem,
            (1735) Daar is noch leven, siet al ’t glas betreckt van waassem.
            Hy siel-tὀὀcht, och hy sterft! zyn hart springht in zyn lijf.
            Vervloeckt en snoodt gheslacht, vervloeckt, valsch, ontrou wijf.
            Vervloeckt, valsch, ontrou-wijf, lichtvaardighe GRYANE!
            Ja lichter als de windt, ja lichter als de Mane.
            (1740) Verkeerder als verkeert: on-menschelijcke Vrouw!
            On-duldich, en on-eel, on-waardich en on-trouw,
            On-voelijck, en on-soet, on-lijdtsaam, on-ghenadich,
            On-recht, on-echt, on-kuysch, on-duerich, on-ghestadich.
            Al wandelt sich te met der mannen moedigh hart,
            (1745) In vrouw de wanckelheydt recht uytghebeeldet werdt;
            Want siet der vrouwen sin, die drijft met lichte vlaghen.
            Helpt LYOMENUS my het lichaam binnen draghen;
            En sien of starcke roock die door de Neuse treckt,
            Syn levendighe gheest niet weder en verweckt.
            binnen.
            DE TYDT.
            (1750) ICk ben de oude TYDT, nochtans so wacker vlugh,
            Myn aassem-rijcke lὀὀp, keert aarsselingh niet te rugh,
            Maar dese schrale Leen vermaghert door de wijlen,
            Die schartelen so snel, als d’aldervluchste pijlen.
[fol. F1r]
            De eerste Vrouw bracht myn onsterflijckheyt ter dὀὀt,
            (1755) Door t’quaat ingheven valsch, der lὀὀser slanghe snὀὀdt.
            Voor ADAMS af-val was noch tydt, noch endt beschreven,
            Ten waar de sond’ de tyd waar eeuwichlyck ghebleven.
            De dorre doot die is staart-Juffer van de tyd,
            Door my komt dat de Mensch van ouderdom verslyt.
            (1760) De aartsche sotten my door kortswyl licht verquissen,
            Dies haar de wreede dὀὀt komt straffen eer zyt gissen.
            Ick til tot s’ Hemels tip, van daach een machtigh ryck,
            En stortet morghen laagh, bemoddert inden slyck.
            Ick maak de wereldt ouwt, ’k vernietigh alle dinghen,
            (1765) Ick draagh de standaart van wufte veranderinghen.
            Myn lichtvaardighe tret die wandelt als de windt,
            Wiens stappen, treen, noch spoor, men nieuwers niet en vindt.
            Ick werdt by velen noch heel onbekent versleten,
            Die myn waardye grὀὀt noch recht ghebruyck niet weten.
            (1770) De KEYSER wert door my vernedert tot een BOER,
            En in zyn plaatse klimt een over-schalcke Loer!
            Myn speel-kindt de Fortuyn verkeert haar gunst by buijen,
            De werelt-wyse, haar kind’ren in hoocheyt kruijen.
            So haast den ouden Prins d’onsichtbaar ziel ontvoer;
            (1775) TARISI wert ghestelt an ’t Koningh’lycke roer,
            Die ’t Heerlyck stierden wys, in voorspoet, twintigh Jaren,
            De tydt die ’t al ontdeckt gaat u dit openbaren.
            Soo haast PRYMALEION de oude Prinsche sterf,
            Liet hy ’t lichaam de aard, FLORENDUS ’t ryck tot erf.
            (1780) Die eensaam truerigh quynt, om d’ontrouw van zyn vrouwe,
            En heeft zich stemmigh noch in eerbaarheydt onthouwe.
            KANIAM, en OLYVIER die bleven in een slach,
            Waar van hem ’t Kristenryck wel hooch beroemen mach.
            De woede werelt raast, en doet by buerten strijen,
            (1785) Uyt d’een zyn droefheyt wast, den ander zyn verblijen.
            PALMERIJN ’t klene kindt wascht schotich op en stouwt,
            En raakt door avontuur uyt ’t wilde woeste wouwt.
            Syn boerigh leven warsch, gheprickt van ’t edel bloet,
            Volcht Prinschelyck den aart, van ’t adel vroom ghemoet:
            (1790) Het lachende gheluck bejonstichde zyn daghen,
            Wert van zyn Vader Ridder onbekent gheslaghen.
            Hy swerreft over al, en is een yeder nut,
            De Joff’ren staat hy voor, den slappen hy beschudt:
            ’t Veel Mondigh snel gherucht blaast met haar faam Klaroenen,
            (1795) Syn hooch-gheroemde lof, voor Heeren, en Baroenen.
            Al wat op aarde schynt verdonckert voor ’t ghesicht,
            Brengt WAARHEYT ende TYDT int helder klare licht.
            Doch d’oudheyt dempt oock vaak, veel Heerelycke gaven
            Die voor ons ooghen zyn, als doot en diep begraven.
[fol. F1v]
            (1800) Want door het varsche nuw, het oude gants ontmunt,
            Dus sterft de huechenis van afkomst, kracht, en kunt
            Maar als den Hemel sal al het gheschapen schenden;
            So sal des tijdts beloop gants onweerkeerlijck enden.
            binnen.
FLORENDUS. Men kan sich uyterlijck wel veynsen voor de lien,
            (1805) Maar niemant kan het hart als onsen Schepper sien.
            ’k Heb met een loosen-schijn ghestilt myn onderdanen,
            Die teghen myn ghemoet tot houwen myn vermanen:
            Doch met bedinghe, dat ick soude maar een jaar
            In Pelgrimagie zyn, en dan bewillighe haar.
            (1810) Op dees voor-waarde ick myn Adel ben ontweecken,
            Maar ick docht in myn siel, myn lief! noch eens te spreecken.
            Na groote moeyt, en sweet, bestoven, en bespadt,
            Quam ick hier met myn Neef te BUDE inde stadt.
            Het wert op gist’ren my gheseyt, in mijnen ὀὀren:
            (1815) GRYANE souw van daach ter Kercke Misse hὀὀren,
            Ick ga na ’t Altaar hὀὀch, daar ick doch staach voor kniel
            Myn Gods-dienst off ren op de goddin van myn siel.
            Hier gheschiet de VERTOONING vande Mis.
LERIN. O goede Vader! van waar mach hem doch spruyten
            Dees snelle sieckte die hem ’t harte schijnt te sluyten?
            FRENE.
            (1820) Door d’onghewoont, myn Vrouw! van dese frissche koelt
            Sijn laffe harte nu verand’ringh schielijck voelt.
            Want so wy Pelgrims van IERUSALEM afreden,
            Wy op de harde wech een groote hette leden.
LERIN. De Koningin vertreckt stracx na haar gulde zaal,
            (1825) Volcht ons van verre na, en vraaght dan na’t kouraal
            Daar aalmis wert ghedeylt de vremde arme luyden.
            Men sal u daar versien, met starcke goede kruyden,
            Of hem by gheval die flaauwt weer over quaam.
FLORE. Jofvrouw ick weet u danck, gaat kint in Godes naam:
            (1830) Hoochwaardighe Princes! erbarmelijck, en milt
            U woecker-loose handt reaalsch ontsluyten wilt?
            Gunt u gunstighe-gunst, om redenen twee-spaltich,
            Dees arme Pellegrim, slap, sieck, en onghestaltich.
            Verblickt, verlebt, verweert //
            (1835) Verdort, verwelckt, verteert.
            Wat gemelijcke sin heeft u goetheyt gheplundert,
            Dat ghy tot s’naastens hulp, so traachlijck vadsich lundert?
            Bewegelijcke Vrouw! heeft u myn drange smart
            Begὀὀchelt soo ’t ghesicht, betὀὀvert soo het hart,
            (1840) Dat gh’u on-lochbaar lief niet kennende en wart?*
GRIAN. Ach LERINDE! Myn siel die overstelpt van rouw,
[fol. F2r]
LERIN. Wat let de Koningin? wat let de Konincx Vrouw?
GRIAN. Hier is FLORENDUS die inde Kerck lach beswemen,
            Wert hem myn Man ghewaar hy sal hem ’tleven nemen.
            (1845) Daarom bid ick: dat ghy van mynent weghen spreckt,
            Dat hem believe dat hy stracx van hier vertreckt.
            Myn smart syn droeve druck die ick niet kan belὀὀnen,
            Want trouw, en eer, verbiedt hem eenich jonst te tὀὀnen.
            So vlugh de oude liefd melyelijck opstijcht,
            (1850) So vlugh door Echt-plicht hy my sackende ontsijcht.
            O swacke Vrouwen aart! wech dolle terech-lusten!
            Ghy bagghert an myn hart, en sulter gheensins rusten.
            Ten is gheen Koningh die zyn geylle lusten boet,
            Maar die door reden dwingt zyn Koninglijck ghemoet.
            (1855) Wech prickel sucht des vleesch! wech kittel-siecke mallicheydt!
            Wech schijn-soete wellust! wech onkuysche bevallicheydt!
            Gaat heen. Myn maarte gaat, seght: dat de Prins verreyst,
            Vermidts de hooghe noodt, nootwendich dit vereyscht.
LERIN. Ay moedelὀὀse Prins! myn smart u smartich smarten,
            (1860) Het snijdt beweechelijck GRYANE door het harte
            U dubbelvoudich leydt, en noyt ghehoorde trouw,
            Zy sandt my dat ick u opentlijck segghen souw:
            Dat haar verlede jonst versturven is doort houwelijck,
            Van TARISI die sy mint, kuysch en ghetrouwelijck.
            (1865) Zy waarschuwt Prinsche u! voor onverwachte nὀὀdt,
            Want vindt de Koningh u ghy zyt een wisse dὀὀt.
FLORE. Edel LERINDE! wilt de Koningin GRIANE,
            Om mynent wille doch eens huesselijck vermane;
            Dat haar gheliefte zy, voor al myn moeyten swaar,
            (1870) Te gunnen: dat ick mach eens spreecken teghen haar.
            Ay gaat vriendinne gaat! en vraachtet aan myn Vrouwe.
LERIN. Vertoeft grootmoghend Vorst, ick salt haar voor gaan houwen:
            Sachtmoedighe Princes! verhoort my eens in dit?
            Hart-grondelijck de Prinsch dyn hooghe hoocheydt bidt:
            (1875) U eens te spreecken maar, het welck ghy vaylich kant
            Doen, onder de naam van ’t wonderlijcke haylich-lant
            Van PALLESTIJNS ghebercht, en van ons Heeren graf.
GRIAN. Helas ick sorch helas!
LERIN. wat lecht u sorghen af.
GRIAN. Wat Buesel-pleytery hier twisten in myn sinnen?
            (1880) De taalman vande Eer, en voorspraack van het Minnen,
            Myn sinnelijck vernuft al knib’lend redeneert,
            En ’t wert an wedersy heel krachtich kloeck beweert.
            Het gheen de trotsche eer, voor goedt waan-wetend kavelt,
            Wert van de soete Min overredt en ontravelt.
            (1885) De juyste reden is: de ὀὀrdeelaar van ’t recht,
            Die plaart met d’uytspraack van ’t g’lyckformich sin-ghevecht
            Ay wil ick? neen! ick vrees! ick moet myn lusten temmen.
[fol. F2v]
            Ick sal, ick ga, ick hoop, ick voel my overstemmen.
            De DARIJ van myn liefd’ barst uyt zyn vaster,, grondt,
            (1890) Ach schroomt GRIANE voor des nijders laster,,mondt?
            Die vaack uyt looghen-liefd stout swetsen, dat wit swart,, is,
            Wat schaat hem d’achterklap die suyver in zyn hart*,, is?
            Of schoon de looghen hier ter werelt yemant schent,
            De waarheyt maakt voor Godt! de reynicheyt bekent.
            (1895) Verkeert is ’t broetsel die het goet voor ’t quaat uytlegghen,
            Wel seght de Prins ick kom, heeft hy my yet te segghen?
FLORE. Ach alderliefste lief! ach uytverkooren Vrouw!
            Siet u FLORENDUS hier, die zyn beloofde trouw
            Heeft kuysch, en wel bewaart, volghens den dieren eede,
            (1900) Die ick u inde stadt CONSTANTINOP’LEN deede.
            Die ick in gheen manier vergiften sal met quaat,
            Indien u huesheyt my, die gunst, niet toe en laat,
            Dat ick de wille van myn trouwe ondersaten
            Volbrenghe, die verstrickt tot huwen myn bepraten.
            (1905) Uytvluchten zyn vergheefs, sy blyven onghestilt
            Ick trouw een ander vrouw so verr’ ghy’t hebben wilt?
TARI. Mevrouwe wat is dit? dat ghy tot deser uren
            U staat Jofferen al ter zyen hebt gaan sturen?
            Om dees uytlanders, hae! wel wat zyn dat voor lien?
            (1910) Ick moet dees Priesters eens te deghen gaan besien.
FLORE. TARISIUS lecht daar! TARISIUS betaalt
            ’t Gheen over twintigh iaar ghy t’onrecht hebt ghehaalt!
PAGIE. Waape! moort! Heer Ridders! ter wapen! wapen! wapen!
            De Koningh wert vermoort van twee vervloeckte Papen,
            (1915) Moort inde Kamer van de groote Koningin!
FLORE. Dat gheen kleynmoedicheyt vermeestert my de sin.
            Wel op myn harte! wilt u krachten nu uytgheven,
            Een schoone sterfdagh verciert het gantsche leven!
            Men proeftet goudt int vier, de mensche inde noodt,
            (1920) Myn voorsichtighe siel, siet hier myn lichaams doot!
            Haas op ghy bleecke vrees! verflauwt de moet der wyven,
            Men sal my na myn dood gheen bloodicheyd na schryven.
KARDI. Waar zyn de Moorders? he!
FLO. wel KARDIN vrunt! hoe dus!
KARDI. FLORENDUS ach zyt ghyt? FLORENDUS ach Heer IESUS!
            (1925) Wat is dit? neemt dit sweert, wilt u hier mee verweeren;
            Ick loope na u vrundt de kloecke Prins van PEERE.
            PRINS VAN PEERE.
            Ghy Ridders gheeft ghehoor, ay Mannen houwt u stil?
            Besadight u ghemoet, betueghelt uwen wil,
            Laat Reden dese lὀὀp bepleyten, en afschaffen,
            (1930) Die sal de saack, na recht, en na haar waarde straffen.
            Heer FLORENDUS ick sweert op ’t Princelycke woort,
[fol. F3r]
            Dat ghy en dees Princes int recht sult zyn verhὀὀrt.
            Derhalven gheeft u op dit swaart wilt overlanghen.
FLORE. In uwe handen Prins soo gheef ick my ghevanghen,
            (1935) Om dat ick uwe duechd so vast en waardigh acht:
            Dat g’ een* ghevanghen Prins van Konincklijck gheslacht,
            Sult voorstaan in zyn recht en juiste billicheyden.
PROMP. Hartoch van PEERE wat doet u dus langh verbeyden
            Met de misdaders? vaart doch datelijcken voort,
            (1940) En straft het overspel en openbare moordt.
P. PER. Gheeft ghy so korten recht, over so hooghe lieden?
            Ick sweer ten sal alsoo in dit stuck niet gheschieden.
            Slist dit moetwillich spel myn Heeren, bruyckt verstant,
            Gaat stelt dees Pellegrims in een bewaarde handt:
            (1945) Houwt op van ’t wreet ghevecht, versust dese rumoeren,
            Ick sal de Keyser selfs de drie ghevanghens voeren.
            Dees dooden draacht van hier, uyt dese dranghen hὀὀp,
            Sy zyn de ὀὀrsaack van de rasende oplὀὀp.
            Op dat dees Muytery niet vὀὀrt en soude spruyten,
            (1950) Ga ick de Pellegrims in vaste kelders sluyten.
            binnen.
GRIAN. Helas! myn ongheluck vergroot van uur tot uur,
            Onder wat soet Sieroops verhouwt hem ’t eggich suur.
            De vruechde die myn siel ontfinghen in het houwen,
            Keert in een ooghenblick in d’alderswaarste rouwe.
            (1955) O onverwachte slach! die myn gheluck verstroyt,
            Ick prevel, ick raas-kal, ’t ghedachte rinckel-roydt!
            Myn sinnen spelen woest, myn ooghen stuur-loos staren,
            ’t Bedroeft veel-denckend’ hart en kan sich niet bedaren.
            Bekommert u myn leet? beweghen u myn smarte?
            (1960) Mee-lijelyck aanschouwt dit Af-ghepijnicht harte?
            En laat niet langher toe dat dese Helsche pijn,
            In myn benauwde siel dus sou betimmert zyn.
            Maar stelt u macht int werck, myn uytghenomen vrienden,
            En straft my met de straf die een ander bet verdienden.
            (1965) Door het beschreylijck stuck van myn voorleden man,
            Daar ick (ghelijck Godt weet) gants ben onschuldich an.
P. PER. Ghy sult hooch-waarde Vrouw met u wemoedich schreyen,
            Beswalcken u ghemoet, en ’t droevich hart ontpayen.
            U lichaam ghy verswackt, en quelt u hὀὀghe geest,
            (1970) Ay hooch-gheboren Vrouw! een weynigh stilder weest?
            De dinghen zyn gheschiet, wilt u te vreden stellen,
            Het mach niet anders zyn ’t is vruchtelὀὀs dit quellen.
            De Koningh die is dὀὀt, bestelt hem in het graf,
            FLORENDUS heeft misdaan, op hem schijnt nu de straf.
            (1975) U Ridders zyn ghequetst ’t is best laat haar ghenesen,
            Beschicktet dat ghy selfs haast reys-vaardich muecht wesen,
            Om u onschult met blijck voor u Vader te doen,
[fol. F3v]
            En redt u selven vry van d’anklacht en ’t vermoen.
GRIAN. Ach Adel-rycke Heer! laat my gheen schanden erven,
            (1980) Ick wil de strenghe doot duysentmaal liever sterven.
            Eer ick myn Vader oudt, soo duechdelyck vernaamt
            Souw klaghen myn onschult, met rootverwighe schaamt.
P. PER. Mistroostighe Princes! verwint u rouw met reden,
            En wilt u duure tyd voorsichtelyck besteden.
            (1985) De Konings Neven zyn alreede op de vaart,
            Het is oock tydt dat ghy u selven vry verklaart.
            ’t Onschuldighe ghemoet mach wel vrypostigh spreecken,
            Het overtuychde hart blyft in zyn wὀὀrden steecken.
            Vergheeftet my myn Vrouw, doen ick u eenigh leedt,
            (1990) Ick moetet doen voorwaar volghens myn eer, en eedt.
            Ick sal de muyllen met de Ros-baar gaan beschicken,
            Met nootelyck versorch, om ons wat te verquicken.
            Jof-vrouwen siet wel toe let op myn vrouw GRYAAN,
            Is dat zy haar misdoet het sal u diere staan.
            binnen.
            CHOOREN.
            (1995) DE Aartsche sot, die stelt zyn salicheyt in lust,
            Int wanckel goet soeckt hy een stantvaste rust.
            Die daar niet is te vinden,, de blinden,, wilde Fortuyn,
            Die dryft so kuyn,, sy swenght met alle winden.
            Men windt de ryckdom met moeyt, arrebeyt, en sweet,
            (2000) ’tBesit baart vrees, ’tverliese plaacht altyt met leet
            Met wringend ongenoegen,, en swoegen,, hy is recht ryck
            Die hem gelyck,, in alle dingh kan voegen.
            De Ryckdom voert tot hoochmoet, en tot sotheyt,, an
            Den geytschen Nar, maackt hier verkeert al Godtheyt,, van.
            (2005) Hy pryst slampamperyen,, en Syen,, kostel Gewaadt,
            Pracht, hooge-staat,, ydelle Sotternyen.
            Nature haar met sobre Noodruft belydt,
            Begeertens lust versadet haar tot geener tyt.
            Sy guwt en grabbelt na ’thὀὀge,, haar ὀὀgen,, staart staach na schat
            (2010) Na schyn van wat,, Is al het tyttelyck pὀὀgen.
            Ghy Pronckert prat, van waar komt u praal-kunst en pomp?
            Met wiens cieraat bekleydet ghy dyn vuyle romp?
            Ghy rooftet, o Gelt-gieren,, den Dieren,, Neus-wyse geck;
            Met u gebreck,, gaat ghy u gecklyck cieren.
            (2015) De Timmer-lust die klimt hit groots verheven hart,
            Metst Huysen hὀὀch daar ghy u selven in verwart.
            U Dool-hoven, u Kusten,, vol lusten,, werden vervloeckt.
            Vermits ghy soeckt,, hier eeuwelyck te rusten.
            O Rycke dwaas! die dὀὀdt die rommelt ande pὀὀrt,
            (2020) Sy bengelt den Gelt-suchtige Pracher vὀὀrt.
            Met gift oft met den swaarde,, Bedaarde,, gedenckt altyt:
            Als dat ghy zyt,, maar stof en slym der Aarden.
[fol. F4r]
            De felle Dὀὀd met schrickelycke smarte,, quelt
            De Rycke die op ’swerelts goet zyn harte,, stelt,
            (2025) Die goed, Vrienden, en Vrouwen,, hier houwen,, als eewich goet,
            Diens afzyn broedt,, haar pynnelycke rouwe.
            De vroede mensch getempert vroom van gemoet,
            Verheft, noch suft, in geluck noch in tegenspoet.
            Maar is gelyck van zede,, vol vrede,, hy ὀὀcht op Godt
            (2030) Op zyn gebodt,, en op de wyse Reden.
            Wanneer de Mensch in sonden sorg’lὀὀs slapend,, is
            Dan quetst de dὀὀdt alsmen minst gewapend,, is.
            Maar Duechd die lὀὀnt haar Heere,, met Eere:
            Sy bloeyt van iuecht,, sy geeft een vreucht, die nimmer KAN VERKEEREN.
            (2035) TARIS’ verwoedich, wrevel-hartich, quaat, en straf,
            Die tuymelt selfs in het gegraven eerlὀὀs graf,
            Dat spoedich hy ging delven,, bewelve,, in eygen strick
            Verwarren dick,, de stricke hangers selven.
            GRYAAN beschreyt ’tverlies van haren Echte,, man
            (2040) Met spa berouw men doch gants niets uytrechten,, kan
            Dies stempt sy t’weenend’ klagen,, by vlagen,, de Konincx Vrou
            Die wert met rouw,, in een Ros-baar gedragen.
            Nu sy de Ryck-stadt van KONSTANTINOPLE,, siet
            Haar hart beswyckt van t’ancx-vallich poplen,, yet
            (2045) Gants onnut zyn haar sorgen,, want morgen,, sal dese pyn
            Ten eynde zyn,! maar ’tis haar noch verborgen.
            ’tSyn Prinschen wys die eygen-wille derven,
            Leven sy so als sy wanen te sterven.
            Geen luck noch dood kan dese,, doen vrese,, maer die hier heeft
            (2050) Qualyck geleeft, die mach betuetert wesen.
Continue

Het Vyfde deel, vyfde Bedryf.

PROMPTALION.
            REchtvaardig KEYSER grὀὀt, die duechdlyck zyt vernaamt,
            Waar aan te twyff’len ons int minste niet betaamt:
            Maar siet, grὀὀt achtbaar Heer! de mensch is so genegen;
            Dat dickwils hem verwint, de liefde, wraack of schaamt.
            (2055) Waar door hy dan verliest de Eer, wel eer verkregen:
            De saken die ons tot dees Redenen bewegen,
            Gelieft zyn Maiesteyt te hooren met ghedult;
            En sonder gunst, of haat, rechtmatich recht te plegen,
            So (naar dyn oude wys) wy hopen dat ghy sult.
KEYSE. (2060) Hy doet myn Krὀὀn te kort, die t’onrecht my beschult,
            De Vaders van het recht haar laten niet verwinnen.
PROMP. Na dat den Feest-dagh van TARISI was vervult,
[
fol. F4v]
            Track hy na BUDE met zyn Bruydt en zyn ghesinne.
            Daar werden hy erkent Koningh, zy Koninginne.
            (2065) Myn Oóm bewees haar ionst, vruntschap, en alle eer,
            Maar laas! wat is de loon voor zyn ghetrouwe minne?
            Hay laster ick roep wraack! wraack ist dien ick begheer!
            Want siet, sy schendt haar echt, sy hoond’ den Eed’le Heer,
            En doet een groot schandaal, haar ouders, en bloetmaghen.
            (2070) OUDIN sacht vaack, niet waar? ontsedt u niet: ick sweer
            Dat ick haar menichmaal int Bosch sach harten Jaghen,
            Waar van veel mannen noch onsichbaar hoorens draghen.
            Myn Oóm gheloofdent niet, al wierdent hem gheseydt,
            Soo zeer was hy vervoert vant lieffelyck behaghen
            (2075) Dat hy schiep in zyn Vrouw, haar valsche vriendlyckheyt.
            Hoe dickwils heeft die Hoer een Knaapje met gheleyd?
            Myn Heeren (met verlof) het is voor ons ghebleken,
            Dat zy’t dan looslyck stack, in Vrouwelyck geweydt;
            En is uyt troetel-lust met hem nae bedt ghestreecken.
            (2080) Wie heeft van meerder list zyn leven hooren spreecken,
            Als een verduyvelt wyf spits te versieren weet?
            Wie las oyt booser quaat, of gruwelycker treecken,
            Als u Dochter GRYAAN nu kortelinghen deed.
            Die FLORENDUS den Prins schyn-heylligh heeft ghekleedt,
            (2085) Om haar ontuchtigheyt in Priesterlycke Kleeren.
            Maar ’t wyl dat zy haar tydt in Boelery besteet,
            Op Lodder-Koetsen schoon, en lichte sachte veeren.
            In knoflen, in ghestoy, in gheylheyt, in oneeren,
            Soo heeft de Koningh juyst een vreemt gheraas ghehoort,
            (2090) Waar op verwondert hy nieusgierigh van begheeren,
            Trat met een Knecht alleen juyst in haar Kamer voort:
            Daar wert d’onnosel Prins, bloetgierich wreedt vermoort,
            Om dat hy t’overspel souw wreecken noch te klappen.
            Ghy Heeren, siet, ick sweert! op ’t Princelijcke woort,
            (2095) Waren de Karels hier ick souwse aan stucken kappen!
            Ick spuw myn galle schier! ick moet tramp-voetend’ trappen!
            Wat Duyvel maakten ons so wiekhartigh en schuw?
            Maar als ick my bedenck ’t is vruchteloos dit snappen,
            Heer KEYSER, wel hoe dus? u komt het wreken nu,
            (2100) Van ons Koningh, en Oóm en die schantvleck van u.
KEYSER Ach ick onsal’ghe Man! ach ick ellend’ge Oude!
            Waar toe mach my de dood int droeve leven houde,
            Most tot dit ongheluck myn ouwdheyt zyn ghespaart?
            Ach! was het niet ghenoech de truerighe uytvaart,
            (2105) Myns doode droeve soons, beweenlyck overlyde,
            Die voor het Christenryck bleef vromelyck int stryde?
            Zyn eerentrycke dood versachte myne smart,
            Maar dese lasterdaat! verdruckt dit oude hart:
[fol. G1r]
            Myn kromme zeenen styf, die krimpen, trecken, trillen,
            (2110) Myn afgheslὀὀfde gheest, souw wel verhuysen willen,
            Om dat ’k myn eenigh kindt myn erve van myn goet,
            Voor Overspeelster laas dus schelden hὀὀren moet.
            Ja voor een Moorderin! dat plaaght my op het snὀὀste,
            Wech alle goede raad, myn ziel begheert gheen trὀὀste.
KEYSERI. (2115) Wel hoe myn Heere, hoe dus trὀὀsteloos in nὀὀt!
            Een wijs-man houdt zyn moet in alles even groot.
            Men moet het sienlijck dingh niet al te veel vertrouwen,
            Noch d’onsienlijcke kans, niet voor onmogh’lijck houwen.
            Men mach so kuureieus op ’t uyterlijck niet sien
            (2120) Om beter schiet veel quaadts, Dat God wil moet gheschien.
            In lijden bruyckt ghedult, denckt maar het KAN VERKEEREN
            Ghelijck wy door den tijdt, en ’t ondervinden leeren.
            Verkeerde aansien heeft, dit tijttelijck gheluck,
            Tot Ziel-heyl duytet vaack de hier-ghewaande druck;
            (2125) Gódt schiep het alles goet, dat veel lieden quaat heeten.
            Wy hadden waartste lief! die milde Godt vergeten:
            Die vriendelijcke Heer klopt, soet, en sachtjes an
            Vertrouwt die ghever die een uytkὀὀmst gheven kan:
            Een recht gheleerder man doorwroet met raad zyn saken,
            (2130) Het licht ghelὀὀven schendt, ’t op-merck doet beter maken.
            Hoort woord, en weer-woord, als den grooten MACEDOON,
            Die zyn een ὀὀre toe te stoppen was ghewoon.
            Het ander hielt hy voor de recht-anklagher open,
            En gaf d’afzynde oock een oorsaack om te hopen.
            (2135) Wel wijse Keyser, wilt met nadacht doch anmercken,
            Of ’s Konincx Neven dit uyt valscheydt listich wercken.
            Misschien so dencken sy de Koningin GRYAAN,
            Te setten af met list, om ’tRijck selfs an te slaan.
            Als over-voochden van de Princesse HERMIEDE,
            (2140) Gingh haar bedroch na wensch te trecken tot haar liede,
            Ick g’lὀὀf oock anders niet te zyn haar ὀὀghen wit,
            De Heerschens-luste meer, als die wreeck-sucht in dit.
            Daar doch ons dochter wel kan wesen aan onschuldich,
            Daaromme so dunckt my dat ghy so onverduldich,
            (2145) Noch onbehoorlijck niet moet rasen in dees staat,
            Maar rechten met verdrach, en vaste rijpen Raadt.
KEYS. Voorwaar u goeden trὀὀst so wel ghegrondt in reden,
            Stelt my ten deele wel: maar niet ghenoech te vreden:
            Nochtans soo sweer ick dat de droefheydt en de rouw,
            (2150) My sullen porren dat ick ’t recht wel staanden houw.
            Hierom sweer ick den Prins! als oock myn eyghen kindt,
            Indien in eenich punt men schuldich haar bevindt,
            Also te straffen dat de leste mensch sal beven,
            Over het Vonnis dat een Vader heeft ghegheven.
[fol. G1v]
            (2155) Ick sal haar levendigh doen setten in het vier,
            En rὀὀcken so duer kracht, al d’onkuysheyt van hier.
P. PER. Hoogh moghend Keyser, wilt my vande last ontlasten,
            Te weten van u kindt en twee ghevanghen gasten.
            Die ick in myn behoed aannam in dese reys,
            (2160) Syn Majesteyt int recht ghebruyckt na reden eysch.
KEYSER Ghy die ghesproten zyt van so eersame struycken,
            My wondert hoe dat ghy die boosheyd dorst ghebruycken:
            Dat ghy doen Mὀὀrden hebt uwe waarde lieve man,
            Daar ’t geyle overspel alleen is d’oorspronck van;
            (2165) So dat dit blesse hooft, en dese witte haaren,
            Die ick ghedraghen heb in eeren soo veel jaaren,
            Nu wert bemuesselt met een lasterlycke klack,
            Door ’s menschen ὀὀrdeel, die de dorheyt van een tack
            Den heelen vruchtbaar bὀὀm tot schand en lachter spreecken,
            (2170) Maar ick sal sulcken telch van mynen stam afbreecken.
            En puuren door het vier, myn suyverheyt waar duer
            Dat dan de stroncke sal andoen zyn eerste fluer.
            Hoewel ghy de fortuyn Mὀὀrdadigh hebt gaan stijven,
            Om hare wreetheyt an myn hoocheyt te bedrijven.
GRIAN. (2175) Dat de fortuyne haat de hoogh verheven lien,
            Is aan u laatste krygh myn Vader! wel te sien.
            En aan de leughens die myn haters my oplegghen,
            Waar van ick (met verlof) de waarheyt u sal segghen:
            Niet uyt doods-vreese, neen! maar voornaamlyck myn Heer!
            (2180) Om te verdeden myn so seer beklieckte eer,
            Die myn aanklaghers valsch, bevlecken heel onbillich.
            Myn Vader, gheeft ghehὀὀr, ick kent ick lydt ghewillich,
            Dat ick de Prins voor dees wel reyne jonst bewees,
            Want ick dacht in myn sinnen
            (2185) Hem als myn man te minnen,
            Doen ick in deze stadt
            Noch by u woonden, dat
            Ick FLORENDUS myn lief verlaten most en schouwen,
            En TARIS’ (doen vyand) voor myn beminde trouwe.
            (2190) Geschiede doort geprang,
            Van uwe strenghe dwangh,
            Die my met bitterheyde,
            De truerich van u scheyde,
            Ghelyck Godt is bekent.
            (2195) Helas! in meer ellendt
            Ben ick hier nu gekomen,
            Dat ick heb voorgenomen
            Myn Man te moorden doen,
            En wilt dat niet vermoen,
            (2200) Het komt van boose menschen,
            Die myn verderven wensche.
[fol. G2r]
            Als ick te lande tradt,
            Te BUDE inde Stadt,
            ’tLeetwesen my so praamde,
            (2205) Dat ick myn stoutheyt schaamde.
            En stelden doen voord’ an
            Myn Liefde op myn man,
            Die ick in eeren achten,
            In wercken en gedachten:
            (2210) Recht als een Vrouw betaamt,
            Met weselycke schaamt:
            Met willen, en met woorden,
            Deed ick so ick behoorde.
            Maar siet, myn Vader! naar
            (2215) T’verloop van twintich Jaar,
            Quam uyt heel verre hoecken
            FLORENDUS my versoecken:
            Uyt vruntschap gants on-vals,
            Uyt rechter Liefden, als
            (2220) Een Broeder met behagen,
            Mach tot zyn Suster dragen;
            Doch in PELGRIMS gewaat,
            Vertrock hy my zyn staat,
            Syn Re’en wierden gebroken,
            (2225) Eer hy had uytgesproken.
            Want als den Koning quam,
            En hem by myn vernam;
            Wert hy jeloers en gram,
            Meenden hem te doorsteecken:
            (2230) De Prins die ist ontweecken,
            Die met een korte Dagk,
            Sich werend, hem doorstack.
            Hier door ick myn vyanden
            Bekende, die met schanden
            (2235) My wyten dese daat,
            Als oorsaack van het quaat.
            Helas! wat gaat my nader,
            Tot u verdriet, myn Vader
            So ick derhalven ben
            (2240) Gants onwaardich, den
            Naam van Dochter te heeten.
            Wilt alle Liefd vergeten,
            En wreeckt u dan hier af,
            Met d’alderswaarste straf.
            (2245) Ick bent getroost te lyen,
            Met inwendich verblyen.
            Want ick hoop na myn dood
[fol. G2v]
            De krὀὀn der glorie grὀὀt,
            In Gods ryck te verwerven
            (2250) Voor myn onnosel sterven.
            Om dat ick leet gheduldigh,
            Onstrafbaar en onschuldigh.
HERMI. Al eerwaardighe Heer,
            Myn aldergroost begheer
            (2255) Dat ick wel had voor dese,
            Was om by u te wesen:
            Maar lacy! dit gheschiet
            In kermen, en verdriet,
            In plaatse vande vruechde,
            (2260) Die ick myn zelfs toevuechde.
            Dies ick ’tgheluck vervloeck,
            Heer KEYSER, ick versoeck
            Dat ghy myn eerste bede,
            Die ’k u Majesteyt dede,
            (2265) Niet afslaat noch verdooft,
            Myn groot Vader ghelooft;
            Dat myn lief-Moeder inde dὀὀdt van haren Man
            Int minste punt gheensins begrepen worden kan.
            Haar Staatdochters en ick die weten van haer leven,
            (2270) En van haar suyverheyt getuyghenis te gheven.
            P. PERE.
            Dewijl de dinghen niet en zijn te overtuyghen,
            En ghy de roe van ’trecht niet gunstich soeckt te buyghen,
            So isset raatsaam Heer datmen de saeck beslecht
            Met volle wapens inde strijts-plaets door ’tghevecht.
KEYSER (2275) Ick sal een Reed’lijck recht mijn Dochter, noch de Prins,
            Noch ’sKoninghs Neven bey, niet weyg’ren, neen gheensins.
PROMP. Dijn yver arm gemoet, dijn kleynsierighe handen,
            Bewent’len uwen Troon, met laster, en opspraack
            Vermits ghy al te slof, vertraacht te nemen wraack,
            (2280) Van d’overspel en moordt, ay lasterlijcke schanden.
            OUDIN.*
            Dat ick myn dulle kop met reden niet vermanden,
            Ick boete selfs het vyer! ick plante selfs de staack!
            Wy zijn verwondert Heer, te weten om wat saack
            Ghy die Misdaders niet tot asschen doet verbranden?
KEYSER (2285) Rijck-radich overlegh, nootsaacklijck tijt behoeft,
            Een rechte Rechter, recht, rechtvaardelyck vertoeft.
            Balansende de saack met reden voor sijn ὀὀrdeel,
            Op dat door snelle spoet hem niemandt en bedroeft,
            ’Kheb door ervarentheyt, ’tgedingens aart beproeft.
            (2290) Een yeder lieft sijn selfs, elck soeckt sijn eyghen vὀὀrdeel,
            Waar’t Heeren als ghy seght, d’uytspraack waar al gheschiet;
            Maar ick bevind de daad so juyst noch effen niet,
            Als u beschuldingh is, en oock so duncktet myn
[fol. G3r]
            Dat GRYANE hier in wel kan onschuldigh zyn.
            (2295) Hoewel FLORENDUS haar in Pelgrimsche kleeren
            Heeft aanghesproken, dat vermindert niet haar eere.
            En onverhoort den Prins te oordeelen dat waar
            Gheen recht, maar Tyranny, ’t is Reden dat ick daar
            Myn ziel niet in beswaar.
            (2300) Gheen meerder sotheydt doch onder de lichte Son,, is,
            Als datmen onbedacht lichtvaardigh stryckt het vonnis.
            Op dat FLORENDUS sich verdedight en vertaalt,
            Soo wil ick dat ghy hem hier teghenwoordigh haalt.
FLO. De meeste droefheyt Heer die myn ziel mach ontstellen,
            (2305) Vergroot sich so veel meer om dat ick u koom quellen,
            ’t Is my van harten-leedt, dat het aldus moet schien,
            Daar ick u mynen dienst behoorde aan te bien.
            Ick sweert by eede dat Me-vrouw de Koninghinne,
            In ghenerwyse hier is te beschulden inne.
            (2310) Als ick uyt oude kundt haar eens versoecken quam,
            Ghelὀὀftet, dat ick doen noch nimmer voor en nam
            De eer vande Princes of van haar man te schenden:
            Maar als de Koningh myn ten grave wilde senden,
            Heb ick myn leven self in sulcken banghen nὀὀt
            (2315) Kloeckmoedelyck beschermt, selfs met des Prinsche dὀὀt.
PROMP. Het syn maar fab’le die u valscheydt voore went,
            U schelms snoodt verraat is yeder een bekent.
FLO. Ghy raffeltuydt! ghy spreeckt een onghebonden reden
            Souwt met de wapens ghy het selfde wel verdeede?
PROMP. (2320) Wat vraacht den Mὀὀrder van de Prinselycke siel?
            Ick waar een bloode guyl, so ickt niet staanden hiel:
            Teghen een lubbelingh, een vὀὀcht van lichte Vrouwen,
            So most ick als te blὀὀt myn krachten niets vertrouwen.
FLO. Ach Heere wilt so langh uytsetten maar den dagh,
            (2325) Dat ick myn oude kracht yet wat verhalen magh.
            Soo sal ick gants alleen, u en u Broeder beyde,
            Bewysen door ’t ghevecht u ongherechticheyde.
            En uwe koppen stout, o ghy Verraders vals!
            Flucx snyen met een swaart van u vervloeckte hals.
KEYSER (2330) Nu swijcht ghy Heeren, swijcht! wilt met geen woorden vechten,
            FLORENDUS houdt u stil, en oock ghy broeders bey,
            Myn Raad die vinden ’tgoedt daer ick met overley:
            Dat ghylien door tournoy dit groot gheschil sult slechten,
            PROMTALION en OUDIN ghy groot gheachte lien,
            (2335) Ick sal twee Ridders kloeck tot huer verdeden vinnen,
            Maar wie hem inde slagh vermeestert, laat verwinnen,
            Begheer ick stracx ghestraft als van verraed te sien.
PROMP. Wy zyn te vreden Heer.
FLO. Het sal also gheschien.
KARDI. Twee Avonthuriers stout, heer KEYSER, zijn daar binnen,
[fol. G3v]
            (2340) Versoecken met ootmoed, en eerbiedighe sinnen
            FLORENDUS dienst te doen: Dat is haar harten wensch.
KEYS. Godt denckt in zynen Trὀὀn om den benauwden mensch.
            ’t Is haar gheoorloft.
PALM. God laat den Keyser groeyen,
            In wijsheyt, in voorspoet, in vree, IN LIEFDE BLOEYEN.
            (2345) Heer FLORENDUS, eylaas! u bijster ongheluck
            Dompelt myn blyde ziel in d’alderswaarste druck.
            Ick bidde u dat ghy verlaet dit quijnend quellen,
            Want siet u PALMERIN, die sich veel eer sal stellen
            Int aldergrootst ghevaar, en sorghelijckste staat,
            (2350) Eer dat ick u myn Heer! in dees ellende laat.
FLORE. Ach myn eenighe hoop! wat luck heeft u ghedreven
            Van myn bywesen? ach vertelt myn dat myn leven!
            Vergeldet doch daar met de quelling, en verdriet
            Die door u af zyn my dus langhe zyn gheschiet.
PALME. (2355) Eens op een andermaal ick u dit wel verreecken,
            De tijdt vereyscht uyt nὀὀdt van anders yets te spreecken.
            Vergunt my myne wensch, beproeft nu myne trouw,
            Op dat ick ’t recht van u teghen haar staanden houw.
FLORE. God loon u huesheydt, die van d’Hemel is ghesproten,
            (2360) ’k Heb na den Trouw-dach vrundt int minste niet ghenoten
            Van Me-vrouwe GRYAAN dat eerbaar Konincx wijf:
            De Koningh die bleef dood, want hy stont na myn lijf.
            Hier neffens bruyckten hy myn lief, myn echte Vrouwe,
            Die ick voor Gode gaf myn wettelijcke trouwe.
PALME. (2365) FLORENDUS heeft zyn saack in myn handen ghestelt,
            Myn Heer de Keyser, ick ben so wel verselt
            Met dees myn Kamerraad, dees myn ghelyck-ghesinden,
            Die voor u dochters recht zyn selven wil verbinden.
            En zyns ghelijck en is int vechten niet te vinden.
KEYS. (2370) Daar is noch niemant voor myn dochter hier ghekomen,
            Derhalven werdt hy voor een ander aanghenomen.
FRISO. Alderwaardichste Vrouw, de faam van uwe duecht
            Maackt my u dienaar, so als ghy anmercken muecht.
            En d’onschult van u saack doet my myn dienst aanbieden:
            (2375) Indien my van u mach alsoo veel jonst gheschieden,
            Als daar myn eerlijck hart so snack-sieck na verlanght,
            Dat ghy voor Ridder my in dese dienst ontfanght.
GRIAN. Ach Edel Heere! niet de grootheydt van myn fame,
            Die ick om d’opspraack laas! in mynder harte schame.
            (2380) Veel eer het quaat gheluck van myn bedroefde saacken,
            U goedertieren hart aldus barmhertich maken:
            Ootmoedich ick versoeck dat ghy gheen moeyten spaart,
            Ter liefden van het recht, myn eere doch bewaart?
            d’Almachtighe Godt, en lὀὀn-heer van het goet,, doen;
            (2385) Wil u door myn ghebedt alsulcken goeden spoet,, doen
[fol. G4r]
            Als myn rechtvaardich recht zyn Godtheydt is bekent:
            Die brengh also u strijdt tot een gheluckich endt.
KEYS. Hier zyn twee Ridders kloeck siet hier de Edel Heeren,
            Die met de wapens ’t recht kloeckmoedich willen eeren.
PROMP. (2390) Het is behoorlijck Heer datmen in sulck gheschil,
            Eerst klaarelijcken hoort de ghevanghens haar wil.
PALME. Edel FLORENDUS Prins en ist niet u begheren,
            Dat ick u onschult hier met wapens en beweren?
FLO. Het is myn hoochste lust.
FRISO. Behaachtet u myn Vrouw?
GRIAN. (2395) Van harten ick myn seer hier in te vreden houw.
PALME. Wel aan wy zyn bereyt om u met onse handen
            Te overtuyghen u eer-loos, erdichte schanden.
            O ghy bὀὀs-wichten vals! ghy kladdet met oneer
            De vrome Koningin, de hooch-gheboren Heer,
            (2400) U Aanklacht is versiert schalck-haftich loghenachtich,
            PROMPTALION
            ’t Sal* blijcken door de daat! ons segghen is waarachtich!
PALME. Heer Keyser daar is pant.
PROMP. Siet Heer daar is de mijn.
KEYS. Gaat wapent u terstont, en past hier stracx te zyn.
PROMP. Myn Heere ’t is noch vroech, ay laat ons wat vertoeven?
            FRIS.
            (2405) Ick gheef gheen ruste! neen! an schelmsche snoode boeven
            Weert u verrader trots teghen myn krachten fel?
            Rust nu in PLUTOOS schoot in d’afgrondt vande Hel.
            OUD.
            Ach! Ridder laat my op, ick sal u eeuwich dienen!
PALM. Ick wil’t verraders hart gheen ooghenblick verlienen.
            (2410) Wat isser meer te doen, tot voorstant van dees tween?
            Heer Keyser schorter yet? wy zyn vaardich,
            KEYSER.
            Neen, neen.
            Heeren ’t believe u in mynen Hof te rusten,
            En laat u dienen na u eyghen lieve lusten.
            ’t Is dubbelt al verdient, ick en sal nimmermeer
            (2415) Vergheten kunnen, noch beloonen dese eer.
            Ghelooft so zy de Goon die overwinningh jonden,
            An u myn vrunden. Laat verbinden uwe wonden.
            Indien FLORENDUS ick met tὀὀrn of met straf
            Gheijlt hadde, ghy waart nu heden al int graf:
            (2420) Duert onghelijck dat ghy mijn lieve dochter dede,
            Ombrenghende haar man met mὀὀrdadighe zeden,
            In haar bywesen: soo dat die schant-vlecke sal
            Myn kint GRYANE waart, vervolghen over al;
            Om dat ghy hare vruecht onwaardich gingt verdrucken,
            (2425) Had ick u moghen doen houden in kleyne stucken.
            Maar ’k heb bloetgiericheydt door reden af gheleyt,
            En bruyck voor wreede straf, sachte sachtsinnicheydt.
            Ick wil myn grijsen-baart, en myne oude daghen
            Niet smetten met het bloedt, myns Princelijcke maghen.
            (2430) Maar myn navolghers al een goet voorgangher zyn,
            Op dats in sulcken wech treden int spoor van myn.
[fol. G4v]
            Myn Neef ick gheef u vry, in duechden blyft volharden.
FLORE. Ick sal tot uwen dienst altijdts bevonden warden,
            God spaar de Keyser langh, welvarende, en kloeck.
            (2435) ’t Is reden dat ick nu myn PALMERYN besoeck.
            GRYANE versoeckt den ghewont-legghende PALMERYN.
            MYn Heer Ridder, den dienst, die ghy my hebt bewesen,
            Die door u hooch ghemoet, en goetheyt is verresen,
            Maackt door haar grootheydt my armhartich, ende kranck,
            Onseg-baar is myn vrient, u hooch-verdiende danck.
            (2440) O Godt!
PALME. Hoe ist Princes, wat mach myn Vrouwe letten?
            GRYANE wat is u? wilt u wat nedersetten?
GRIAN. Jofvrouwen, Ay vertreckt? vertreckt u altemaal,
            En wacht myn koomsten hier bezyen inde saal.
            Ick bid u PALMERYN, secht my; ay uytverkoren!
            (2445) Van wien, van wat gheslacht, en waar ghy zijt gheboren?
PALME. Ter werelt niemant die ick liever als myn Vrouw,
            Het sy in wat manier, ghehoorsaam wesen souw.
            In myne jonghe juecht was my ’t gheluck soo teghen,
            Dat ick noyt volle kunt, of kennis heb ghekreghen
            (2450) Van Vader, Moeder, of van myn gheboorte-stadt
            Had ick noydt recht bescheyt. Doch immers weet ick dat:
            Dat ick ghevonden ben, int ghebercht van Olijven,
            Door eenen Huys-man, die my bracht by zynen wijve.
GRIAN. O God! ons gaan te recht u wonderen te boven,
            (2455) Wie kan u goetheyt Heer na u waardije loven?
            Heylighe Godheydt lof! myn hart, u lof verklaart,
            Dat ghy myn lieve soon tot hier toe hebt ghespaart.
            Myn soon! die ick verliet, helas! soo ongheluckich
            Uyt wan-hoop, en uyt vrees, so liefdelὀὀs, als druckich,
            (2460) Onbeweechelijcker, als t’onredelijcke Vee:
            Ick ben u Moeder soon! ick sant u buyten stee,
            FLORENDUS GRIECKSCHE PRINS, dat is u eyghen Vader.
PALME. Dat ’k uyt den Dὀὀl-hof woest myn sinnen weer vergader.
            Me-vrouwe op dat wy te meer versekert zyn,
            (2465) Dit goude Kruysje, siet, dit Kruysje was by myn.
GRIAN. Dit selfste heb ick u met droefheydt omghehanghen,
            Maar met een meerder vruecht ick ’t selfde weer ontfanghen:
            Ach myn beminde soon! en brengt dit niet int klaar,
            Voor ick zijn Majesteyt bequam’lijck openbaar?
            (2470) De gunste die myn hart FLORENDUS ging betὀὀnen,
            Niet uyt wel-lust, maar om zyn leven te verschὀὀnen,
            Want door een langhe doodt de Prinsche waar vergaan,
            Had hem myn hues ghemoet, niet lieflijck byghestaan.
            Ghedenckt niet, o myn kindt, dat ick acht-lὀὀs verslofte,
            (2475) Te nemen voor de daat, een houwlijckse beloften:
[fol. H1r]
            Op die voorwaarden heeft FLORENDUS my begordt,
            Dus ghy myn echte kindt, wett’lijck ghenoemet wort.
            Hoewel myn Vader my TARISI dwangh te nemen,
            Dat kan u daarom niet van’t rechte ὀὀr vervremen.
PALME. (2480) Om een soo hooghen Prins het leven te behoen,
            Hoortmen uyt eerbaarheydt die huesheydt wel te doen:
            Dit werdt by vromen duecht en gheen wellust ghereeckent,
            De goetheydt uws natuers hebt ghy daar by beteeckent.
GRIAN. Vaart wel myn sone,
PALME. ick sal Moeder my gaan kleen,
            (2485) Ick verhope nu de peys te maacken van u Tween,
            Ick sal de Keyser wel verwinnen met myn reen.
GRIAN. Lof eeuwighe Godt! lof zy u Heer der Heeren;
            Die alle droefheyt haast in blijtschap KAN VERKEEREN.
KEYSER Zijt welkoom PALMERYN ick ben van harten blyt,
            (2490) Dat ghy verwin-heer en so wel te passe zyt.
            Wat eyscht myn lieve vrundt? wat mach myn vrundt begheeren?
            Begheerdy dese stadt? ick salse u vereeren.
            Myn hart hanght over u so gunst-ryck en soo milt;
            Myn Keyser-ryck is u so veer ghy’t hebben wilt?
PALME. (2495) Alwaarde Keyser Heer, ick hebbe al myn leven
            In Konings hoven en by Prinschen my begheven:
            Int rijcke Oosten-landt, int heete Westen mee,
            Maar noyt an eenich Prins begeert so lieven bee,
            Als dit versoeck aan u: o Prinsche goedertieren!
            (2500) So GRYAAN en de Prins in dees Keyserlijcke Stee,
            Haar oyt misginghen hier in eenigher manieren,
            Vergheeft haar dat om myn; u gramschap wilt bestieren.
KEYSER Om uwent wille, siet! houw ick haar vry en vranck,
            Versoeckt wat ghy begheert, of wat ghy moocht versieren.
PALME. (2505) Van dees eerwaarde saack weet ick u eeuwich danck;
            Ten tijen vant belegh, en des vloots onderganck
            Dienden FLORENDUS u, ghelijck mijn Heer mach weten:
            An dat hὀὀch-loflijck stuck, als hy GAMESIO dwanck,
            En Ridderlijcken heeft kloeckmoedich dὀὀdt ghesmeten.
            (2510) Waar door het Turcksche heyr velt-vluchtich bloet most sweeten,
            Door dien u moedigh volck den banghen hὀὀp verjoegh,
            Dit vernieuw ick Heere u, die ’t moghelijck had vergheten.
            Doen wasset dat de Prins u om zyn dochter vroech,
            Het welck zyn Majesteyt den GRIECKSCHE PRINS afsloech;
            (2515) Dies levend hy vergingh door pijnnelijcke rouwe.
            Dit merckten die Princes, die hem gheen haat toedroech,
            Maar bewegh’lijck van aart, als een verliefde vrouwe,
            Socht hem te troosten, en het schoonste voor te houwen.
            Waar inne entlijck sy door d’overwonnen vlam,
            (2520) Den ander loofden een reyn huw’lijcksche trouwe,
            Daar elck metter daadt beseghelingh af nam:
[fol. H1v]
            In sulcker voeghen Heer, dat icker voorts van quam.
            Daar na zyn Majesteyt niet wetend’ dese dinghen,
            Heeft die Princesse an de Koninglijcke stam
            (2525) TARISIUS haar Neef believen te bedwinghen.
            De Prins om zyn verlies treurden te sonderlinghen,
            Tot groot leetwesen van zyn Heeren en ghemeent,
            Die hem, doch te vergheefs, tot huwen wilde dringhen:
            Want als een Tortel-duyf heeft hy zyn gay beweent,
            (2530) Tot loon van dese trouw die selden wordt verleent.
            En om myn Moeder-waart voor on-eer* te bewaren;
            Zo bid ick dat ghy haar te samen weer vereent,
            Zo sal my niemandt oock met Bastartschap beswaren.
            Voorts om zyn Majesteyt dit grondich te verklaren,
            (2535) De schiedennis van’t spel, so weet myn Heere: Dat
            Mevrouw, myn Moeder, my natuurlijck quam te baren,
            Al inden Toorn, daar sy doen ghevanghen sadt.
            En so sy niemandt dan haar wacht-vrouw by haar hadt;
            Die gafse schreyend my, met Moederlijck beroeren!
            (2540) De dienst-vrouw gaft KARDIN, die brocht my buyten stadt,
            Op den Olijven-bergh, wiens naam dat ick noch voere:
            Ick lach bewindelt in schoon Sye rijcke snoeren,
            Dat my het wilde Wildt daar niet en heeft gherὀὀft:
            Dat deed een Huysman, die boven den aart der Boeren,
            (2545) Voor my in bloedt, en sweet als Vader heeft gheslὀὀft.
            En op dat ghy myn Heer dees saacke bet ghelὀὀft,
            (Hoewel dat ick voor u gheen lὀὀghentaal sal spreecken)
            So merckt dit rὀὀde kruys gheboren an myn hὀὀft,
            Het welck myn Moeder was het sekerste ken-teecken,
            (2550) Vermidts int kinder-bedt sy my wel hadt bekeecken,
            En sach dat ick met dit Mirakel was ghebaart;
            Dit goude Kruysge lach om mynen hals ghestreecken,
            Dat dese Lantmans vrouw wel suyver heeft bewaart,
            Ick heb u sonder schars de volle sin verklaart.
KEYS. (2555) Myn seer strijdighe sin twijffelde langhe tijdt,
            Wat of ick meerder was verwondert! of verblijdt?
            Mits ick haar sie verlost, daar de hoop scheen verloren,
            En dat ghy uyt het bloet myns dochters zyt gheboren.
            O Almachtighe Godt! En vriendelijcke Heer,
            (2560) U groote goetheydt zy eeuwich prijs en eer!
            Die vaderlijck naamt acht, op onses huys ellenden,
            Ghy weet Heer inde nὀὀdt een goet uytkoompst te senden.
            O PALMERYN myn vriendt! niet stucks-ghewijs, noch slecht
            Belὀὀf ick u myn jonst, en lὀὀf al wat ghy seght.
            (2565) Komt hier myn vrienden komt! bewijst vrientschap, en eere,
            Komt hier, besiet, en* kent, u ingheboren Heere,
            De sone van GRYAAN en van FLORENDUS Prinsch.
[fol. H2r]
            Het gaat gheluckich toe, na mynder harten winsch.
            Verwerpt dit droevich kleedt, U ziele wilt verquicken.
FLORE. (2570) O wonderlijck belὀὀp!
KEYS. O heylich Hemels schicken!
GRIAN. O Driemaal-salich lodt! o onverhoopt gheluck!
            Wat vruechde rycke lὀὀn volcht na myn droeve druck?
            Lof heb die hὀὀge God!
FLO. Ach myn soon!
            PAL.
            Ach myn Vader!
KEYS. Myn kinderen, ick wilt, ick gheef u weer te gader,
            (2575) Datmen de Bruylofts-feest doort gantsche Ryck verklaart;
            FLORENDUS lieve sὀὀn ghy zyt my lief en waart.
FLO. Den Hemel sy u loon!
KEYS. Den Hemel wil u beyden
            Steedts salighen met vruecht, tot u de doot sal scheyden:
            Ick sie myn hoochste wensch! ick sie myn liefste lust!
            (2580) Te sterven ben ick nu van harten wel gherust.
FLORE. Myn Engel! och myn vruecht, wat troost komt na ons lijen?
            Myn ziele is vervult met innerlijck verblijen:
GRIAN. Myn hartje lacht, en schreyt, waar mede sal u Vrouw
            Vergelden kunnen dees soo heel seltsame trouw?
            (2585) O vriendelijcke mont! o sleutel van myn leven!
            Hoorden de werelt my ick souwse Lief u geven.
PALME. Myn grootvader ghedenckt, dat hier de man ontbreeckt.
            Die myn so lieflijck heeft, ghekoutstert en ghequeeckt,
            Meest al myn ionghe tijdt.
KEYS. KARDIN gaat ghy hem halen,
            (2590) Wy sullen d’oude duechd wel sevenvouwt betalen.
            Want siet ick maack hem nu Hof-meester van myn Hof.
KARDI. Myn Heer in u ghebodt en ben ick traach noch slof.
KEYS. Ghelievers weest verhuecht, laat varen alle vreesen
            Hier is gewenste tijdt om vrolijck recht te wesen:
            (2595) Vergheet met dese vruecht voorleden swaar verdriet,
            En danckt die goede Godt, die ’t heerlijck soo versiet:
            De wolck van ons leydt gheluckich is verdwenen,
            Verknoopte hartjes ghy sult knaphandich weer vereenen;
            Juycht, singt, springt, danst, woelt, speelt, vermaect u droevich hart,
            (2600) Terwijlen dat de Feest, wel braaf beschreven werdt.
            Treet in o waardich Paar! treet in ghy jonghe lieden!
            ’t Verkeert ter werelt licht, hoe onghesien ’t kan schieden.
            binnen.
            BOUWEN uyt met zyn spinne-wiel.
            WEl myn kostelycke moer! Heer kijnt hoe legh gy en baert?
            NEL.
            Maar ien avent spuelen gaan is wel ien gat vol slagen waert.
BOUW. (2605) Kijk vaar dus winne wy ’t weer, wy hebben me kaar wel ehulpen,
            Wy hebbent niet verdroncken noch verkloncken, as duese jonge wulpen,
            NEL.
            Ick riep nou lestent Lysgie Aaris Meelis Toeten dochter, dat is myn volle nift,
            Die gaf ick ien moye daalder in huer hijlick, tot ien Bruyloft-gift.
BOUW. En droncken Klaesie, ouwe Jan-tymen Francksen suen,, dat is myn afters kijndt.
            (2610) O lijden! wat brect Mary Pieter Flooren myn Petemeuy nu al wijnt,
            Om dat myn wijf huir Nues-doecken maackt met lommerstickjes,
[fol. H2v]
            Mit schuyntjis, mit spaansjis, van drie bientjis, met roo quasjis, en swarte strickjis,
            Daar hangter ientje over de Bet-pan, hy ruyckt aars, noch aars als ien kruyt.
            O ’t is ien Amouraaltje! dan hy kost my al een moye dicke duyt.
            (2615) Men wyf het sukke vervaarlicke Hempjes, jy soutse deur ien ringetje trecken,
            Mit ien kleurde paerse Spriet, die wy ast Paase-pronck is, decken.
            Ja wy hebben so reynen Huys-raatje, tros ymet inde buurt.
            In as me wyf huer vaten, en huer Tinnewerck schuurt;
            Je gruwt dat gyt siet, so besucht tentich en klaar isse,
            (2620) Dat de pispot niet gheloocht en was, sy en souw niet kunnen pissen.
            Miestendeel leyt sy en schuyrt, en wryft, en wast, en plast, en boent,
            O ’t macher schier niet bueren, dat sy men een reys soent.
            NEL.
            Maar daarom raackt myn ὀὀm kὀὀl oock altemets op rollen,
            En treckt altemets op met licht koyen, of mit snollen,
            (2625) Tot dat sy hum komt halen, en dat sy de witten uytwryft,
            Wat vraacht hyer na, of sy wat onbenierlyck kyft.
            BOUWE.
            Wanckt dat Vrouwt wel, en niet veul te achten dat Mant wel, niet Joosje?
            En gy Mieuwes giet-loogen drinck jy altemet noch wel ien poosje?
            Heer kyeren! wist gy hoe ien goe tooch smaackt in een ouwt Mensch zyn mongt,
            (2630) Gy souwt jou nouw spaenen, tot jy ouwt waart, en onghesongt.
            Maar wat seyden hy teghen zyn Vaar? hier Lubbert Loentgis, die jonghe langhst,
            O vaartje (seyd hy) so veur ghepepen, so na edangst.
            Doe gy jong waart, doe dronck gy starck, en besongder,
            En dat ick gaeren ande duevick lick, geeft jou dat wonghder?
            (2635) Daar is Willem Pieter Gysen, die treckt wel op mit zyn Vaertje.
            Ga ick in een smalherberge, om een Tryn, ik drink maar ien paertje,
            Heb ick int jongh-spul myn suendaaghs duyt versnoept?
            O seeker! gy hebt gien reen dat gy daerom so luyt roept,
            NEL.
            O dat een Jongman dὀὀlt dat is zyn jonckheyt toe te geven,
            (2640) Maer dat jy noch wilt leggen en lὀὀpen dat en past niet voor jou ouwe leven.
BOUW. Dus seggese alle mochelicke maal, myn susterling hettet al of eleyt,
            Myn wyf wist van stickje tot beetje het rechte bescheyt;
            Lobrich seyde Lammert most vuergaan, myn wyf sey ’tis niet waar,
            Lammert komt van zijn wyfs weghen, myn Man moet daar gaan, waarom? daarom, myn man is ien lit naar.
            (2645) Daar was ien staende strijt, de draghers die mienden,
            Wy mueghen nu wel duergaen, wangt hier binne gien vrienden.
            Maar Maarten Vael-gat die haeldent daar over int lang enne briet,
            Hy teldent op zyn duym wie vande Vrienden wasse, of wie niet.
            Wie dat de naeste erfghenamen wassen om te erve:
            (2650) Heer wat komter al verangdering door het sterven!
[fol. H3r]
            Wel hay! wel hay! wat komt hier vuer ien groot Mongsuer:
            Dit moet al ien Karnel wesen, of so ien angder luer,
            Duske Vederhancksen bin ick onghewoon t’anschouwen.
KARDI. Gheluckigh is de Man die hem vernoeght kan houwen,
            (2655) Die kleynlyck hem belydt en eet hem na zyn lust,, sat,
            Goeden dach bou-Heer.
            BOU.
            een goet jaer,
            KAR.
            nu Vader rust,, wat.
            Ghedenckt u Huysman oock van eenen kleynen jonghen,
            Die over twintigh jaar hier eenmaal is ghevonghen?
            Weet gyder oock yets van, waar dat hy vὀὀrts bevoer?
            BOUWEN
            (2660) Ho! ja ick myn fyn-man, ho jae ick myn duytschen broer!
            Ick heb dat lieve Lam bewaart wel vyftien jaaren,
            En ’t is my Gort betert! door ongheluck ontvaren:
            Ick heb dat waarde kynt, tsonckt niet iens weer esien.
            Och ick ouwe arme man, gien ramp en komt allien;
            (2665) Myn ienighe ouwste Suen, die had hum so uytverkóren,
            Die is hum nagelὀὀpen, dus heb ickse alle bey verlóren.
            O myn PALMERIJNTJE die hoede so wel myn Vee
            Ick liep hun lang soecken, int Hof, opt Lanckt, in Stee,
            Ay waarde heerschip! heb gy der oock yets of vernomen?
KARDI. (2670) O ja ick mijn goede man ick ben daarom ghekomen.
BOUW. Ick spring van blijtschap op! ick dancxs, ick woel, ick raas,
            Waar is myn Schaep-herder? ay secht me dat myn elenbaas!
            Ick selje de helft gheven van myn Geytjes en van myn Schapen,
            Mit vijf manghden Appelen, en drie tonnen Rapen.
            (2675) Ay maech laat ick de aard soenen daar gy over gaat!
KARDI. Hoort vader weest gerust, ick bid u dat gy ’t laat:
            PALMERIJN stuurt my hier die laat u lieden weten,
            Hoe hoogh hy int geluck op huyden is gheseten:
            Want siet hy is bekent voor ’s Keysers Dochters soon,
            (2680) Derhalven om u duecht wert ghy by hem ontboon.
            De Keyser maackt u een van zyn grootste Heeren.
            BOUWE.
            Wel dat en loof ick niet! dan doch HET KAN VERKEEREN.
            Ay laydt my myn groote vriendt daar ick PALMERIJNTJE sie,
            Ick kan aars niet looven dues wenschelycke Mie.
            (2685) NELLETJE! moer! wyf! kyndt! ick gae PALMERIJNTJE groeten:
            Ay lieve wacht wat, ik sel gaen halen angdere klompen an myn voeten.
            Neen ick spuelnoot, ick scheyer uyt, ick heb grὀὀten haast,
            Laet ons dese wech ingaen, dat is ons veer de naest.
            Ick wil an myn werkedaags-lyf, gaen halen myn suendaags klieren,
            (2690) Ick selt NEELTJE seggen dat syer wat gaat versieren,
            Sel ick ien Joncker worden! hoe sel ick my houden in die saacken?
KARDI. Al wel, men kan van een Boer wel een Edelman maken.
BOUW. Ay staat wat Lants-knecht. NEELTJE knap veecht jou wat of,
            En volcht myn stricx-stracx mit jou Lobberich int Hof.
            (2695) Ick koom vryer, myn deuchdelicke man! maer wat bin jy een knecht?
            Ist al degelycke deeg? ist al waar borsje, dat jy seght?
[fol. H3v]
            Seeper Maatje ’t is my hiel lang eseyt van te vooren
            Dat ick tot sukken grὀὀten Miester souw wesen ebooren.
            Siet Kyeren oft op de werelt niet
Verkieren kan,
            (2700) Gisteren was ick ien Boer, en nouw ben ick ien Edel-man.



CHOOREN.
            WAt magh u dwase sot,, so sorghelyck beswaren?
            Wat twyffelt ghy aan Godt? hy sal u wel bewaren,
            O mensch! wilt u bedaren,, hoe sydy dus beroert?
            Leert eens door het ervaren,, hoe ’t God alles uytvoert.

                (2705) Al satmen in het layt,, ja tot de kin versὀὀpen,
            Men moet van Gods goetheyt,, altijdt het best verhὀὀpen,
            Want Godt die siet een open,, voor den benauden mensch,
            Komt zyn heyl aangheslὀὀpen,, die keertet al na wensch.
                Alst ongheluck ons dreycht,, op ’t alderswaarst te schenden,

            (2710) Dan is God meest geneycht,, om trouwe troost te zenden.
            In noot so wilt u wenden,, o Mensche! tot den Heer,
            Die laat hier in ellende,, de zyne nemmermeer.
                Wat droch, wat list, wat druck,, wat gewelts tierannyen,
            Wat anxst, wat ongeluck,, dat ons hier mach bestryen,

            (2715) Als wy ’tverduldich lyen,, de Heer die’t alles weet,
            Die sendt dan een verblyen,, waar door men ’tout vergeet.
                De
Keyser scheen van smart,, te rasen en te beven,
            Het Vaderlycke Hart,, verwees zyn Kindt van’t leven;
            Vermits des Konincx Neven,, versierde valsch aanklacht,

            (2720) Maar Godt die heeft gegeven,, een uytkomst onverwacht.
                Ghy die Gods plaats bewaart,, onder verheven trὀὀnen,
            Hier is u klaar verklaart,, hoe ghy u moet vertὀὀnen,
            Om lief noch leyd verschὀὀnen,, noch krommen ’trechte recht,
            God sal’t u so belὀὀnen,, als dees zyn trouwe knecht.

                (2725) Doen men Florendus wouw,, uyt zyn geboeyden banden
            Met
Gryane zyn Vrouw,, beticht met groote schanden,
            Al levendigh verbranden,, door ’s
Keysers streng geboon,
            God trὀὀstse door de handen,, van haar behouwde soon.
                Die ’tongeluck heeft geproeft,, die kan ’tgeluck recht smaken,

            (2730) Die noyt en was bedroeft,, en wist van geen vermaken.
            De weet van alle saken,, leyt in het tegendeel,
            Geluckigh die mach raken,, in luttel, noch te veel.
                De Huys-man die met vruecht,, hem loflijck heeft gequeten,
            Wert hier zyn oude duechd,, niet sloffelyck vergeten:

            (2735) Maar veel willen niet weten,, de dienst aan haar geschiet;
            Als sy zyn hooch geseten,, sy achtent min als niet.
                Komt merckt, leert en siet,, ghy Princen en ghy Heeren:
            Hoe tytelyck verdriet,, die goe God
kan verkeeren,
            In wenschelyck begeeren,, gelyck hier is geleert,
            (2740) God wil u t’saam vereeren,, de Heyl die ghy begeert.
’t Kan Verkeeren.



[fol. H4r]

Vereeringh

Aende

WAAN-BET-WETERS.

                    HOe komt u voorsack SOYL so bol
                    Ghestopt, ghepropt ten boorde vol,
                    En wan en ydel is sy achter?
                    Hier steeck ick in een yeders dat,
                    (5) Al is de hinderst leech en plat,
                    Daar duw ick in myn eyghen lachter.
                        Meest ygh’lyck op een ander siet,
                    Maar waarom op zyn selven niet?
                    Dat waar immers goet, licht, en veylich.
                    (10) Och niemandt gaat eens in zyn hart,
                    Noch niemandt siet zyn eyghen swart,
                    Want elck acht zyn selven heylich.
                        Elck siet zyn broeders splinter schalck,
                    Maar selden doch zyn eyghen balck.
                    (15) O wat wonderlycke saken!
                    Die beslabt is met de meeste sondt,
                    Die soeckt hier door zyn lastermondt
                    Met anders dreck hem schoon te maken.
                        Hierom ’t Heromnes ist niet vremt?
                    (20) Den ander schots, belabt, beschempt
                    Beschelt, beliecht, bekalt beseffen:
                    Komt yemandt tot wat meerder staat,
                    Hy werdt beguychelt en versmaat,
                    En veel schamp-schootjes op hem treffen.
                        (25) Die steets zyn werck van schempen maackt
                    Op’t lest so in de wenste raackt
                    Dat hy’t na wil; niet kan vermyden.
                    Hy schrolt op’t goede als op’t quaadt,
                    Waar door te recht hem yeder haat,
                    (30) Want niemandt mach den spotter lyden.
                        Het nut berispen dickwils leert,
                    En ’t sot lief-koosen maackt verkeert.
                    Gheen vrienden zynt die altoos prysen,
                    Dat maackt de wysen, broets en geck,
                    (35) ’t Zyn gheen vyanden die ’t ghebreck
                    Met reden stichtich gaan bewysen.
                        Die yets bestraft met onverstant,
                    Behaalt een wel verdiende schant,
                    Als MIDAS met zijn Esels ooren.
                    (40) De wijn men in het proeven smaackt:
                    De Man in ’t gheen hy looft of laackt:
                    De Sot laat veel tijdts sotheydt hooren.
[fol. H4v]
                        De vroeden zijn ghedachten veynst,
                    De geck die relt al wat hy peynst,
                    (45) Hy ansiet tijdt, persoon, noch staten;
                    Sonder belul voert hy de vlagh,
                    Hy brenght zijn ylheydt aanden dach,
                    Recht als de holle leghe vaten.
                    Wist eens een dwaas dat hy waar sot,
                        (50) En badt de ghoede groote God,
                    Hy souw dat ’s wis wel haast ghenesen:
                    Maar sotheydt is van dier ghedaant,
                    Dat sy haar selfs de wyste waant,
                    Dus blijft de Nar in’t narre wesen.
                        (55) Cicero seydt met woorden klaar:
                    Hy moet in als zyn onstrafbaar
                    Die op een ander yets wil spreken.
                    Wie isser die so suyver leeft,
                    Dat hy gheen smet noch vuyl en heeft?
                    (60) Niemant (elck het zijn) ick mijn ghebreken.
                        Soo yemandt siet dat my mis-staat,
                    Die spieghel hem en schuw het quaat,
                    Of lust hem myn (ick soeck) te leeren:
                    Men buyght de groene jonghe rys,
                    (65) Ick snack na een goet onderwys,
                    Dat my in beter KAN VERKEEREN.
G.A. Bredero.

t’AMSTERDAM,
___________________________________________

Ghedruckt by Paulus van Ravesteyn.
ANNO 1616.

Continue

Tekstkritiek:

vss. 133-135: tripelrijm
vss. 246-248248 idem
vs. 327 myn er staat: min
vs. 339 is genoteerd als één vers met alleen intern rijm.
bij vs. 502: FLORE. er staat: FLORI.
vs. 561 wat er staat: waat
vs. 741 Minnen, er staat: Minn,
vs. 1213 ghesucht er staat: ghesicht
vs. 1343 zyn er staat: zy
vs.1596 gedachten er staat: gdachten
vs. 1840 is drievoudig rijm.
vs. 1892 hart er staat: haart
vs. 1936 g’een er staat: g een
bij vs. 2281 OUDIN er staat: OVID.
vs. 2401 ’t Sal er staat: ’t sal
vs. 2531 on-eer er staat: on eer
vs. 2566 en er staat: en en