Geeraardt Brandt, De veinzende Torquatus. Amsterdam 1645.
Uitgegeven door drs. G.C. van Uitert
Red. dr. A.J.E. Harmsen, Universiteit Leiden.
Ceneton013880 - Ursicula
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.

Continue
[fol. π1r]

DE VEINZENDE

TORQVATVS,

TREURSPEL.


La folie dissimulée est en quelque façon
une grande sagesse.

[Vignet: Elk zyn beurt, putje met emmer recht van het touw]

t’AMSTELDAM, Gedrukt by Iacob Lescaille.
________________________________________

Voor ABRAHAM DE WEES, Boekverkooper op den Mid-
deldam, in ’t Nieuw Testament, in ’t jaar 1645.



[fol. π1v: blanco]
[fol. π2r]

Aan ASTREA.


DOORLUCHTIGE MAAGDT,


    De beroemde Seneka zeit: dat d’Ondanbaarheit de snoodste gruwel is. Zocht ik dit gedrocht niet te schuwen, ik zou niet genoodtzaakt zijn de vermeetelheit te pleegen, die ik pleeg, nu ik d’eerste vruchten van mijn jeugt aan uw voeten opoffer, als een schuldige offerhande tot erkentenis van de weldaaden, die ik van u heb genooten; en om te betuigen dat ik, hoewel my ’t Geluk de macht niet gaf, evenwel de wil heb om dankbaar te weezen, terwijl ik het geen my de Fortuin weigert van het haar te geven, van het mijn geef, dat is my zelf, en Torquatus. U wort toegeëgent het geen om u is, het geen het is. Beticht my niet dat ik weinig geef, ik geef al wat in mijn macht is, en geef ik ’t al, wat schiet er over? Omhels hem uit meedoogen over zijn ongevallen, en zie hoe de benijde Deugdt door de listige laagen, en grootste benaautheeden streeft.
    Gy zult, o Astrea! (als ik d’eer geniet dat gy dit leest) met my te Rome een listige Brutus zien veinzen op een van de zeven bergen, terwijl een kuische Lukretia me een geile Sextus worstet; en de tooverdichten van een leedenverscheurende Medea hooren, op d’oevers van de Tiber; en nu met Noron vreezen, dan et Torquatus veinzen, d’elendige Juliaan volgen, en beklaagen haar mishandelde schoonheit. wy zullen de drempel van het hooge Kapitool begroeten, en de wettige prins zien zitten op de troon, daar hy den bloedschandigen dwingelandt heeft afgestooten.
    Vergeef my dat ik uw opgetooge gedachten hier beneeden zoo lang verlet, en ontfang mijn veinzende Torquatus, met zoo goede geneegentheid, als hy aan u werd opgedraagen van hem, die is, en eeuwig zal blijven,

                DOORLUCHTIGSTE MAAGDT,
                                                  Uw E.
                                                                                      ongeveinsde dienaar,
                                                                                                  BRANDT.



[fol. π2v]

Op het Treurspel van

BRANDT,

DE VEINSENDE

TORQUATUS.

’t WAs eertijts mannen werck. nu komt de teêre jeucht,
    En davert op ’t tooneel, en tart de grijse hairen
In treurspel uitgetreurt, ja d’onbesneeude jaren
    Versetten tijt en kunst. de Wijsheit gantsch verheucht
(5) En weet niet, of zy is geleert of aangeboren.
    TORQUATUS veinst de wraack. het veinsen is vol kunst,
    En daarse schijnt te zijn, daar is de minste gunst.
De Liefde doet haar best Geveinstheits werck te stooren.
    Doch Wraack-lust dwingt de Min en overstelpt de vlam,
(10) En Norons vreeze wort door ’t veinsen overwonnen.
De Waarheit was vermomt. het trou-bed was geschonnen:
    En in een wreede vlam de wraack haar einde nam.
Dus veinst de Jonge BRANDT, en doet ons al verwond’ren
    Dat jonckheit veinsen kan. hy bergt noch grooter licht,
    (15) En als Torquatus veinst, soo veinst oock sijn gedicht.
’t Is weerlicht tot een proef. daar na zoo zal by dond’ren.
    Ons’ Amstel als hy las den veinsenden TORQUAAT,
Sprack uit de waterstroom: de outheit baat nu niet,
Nu Pallas sulcken geest in kintsheit leggen siet.
    (20) De eerklock van ’t Tooneel nu niet als BRANDT en slaat.
C. BARLAEUS.



[fol. π3r]
Op de VEINZENDE TORQUATUS.
EEn ongemene BRANDT rijst, Amstel, uit uw’ stroomen,
Ontvonckt door hemels vier; ten hemel opgenomen
    Door vleugels van de Faem. Een jongeling, die spreeckt
    Met veerzen daar een man, een dobb’le man in steeckt,
(5) Een jongeling, die nooit veel letters heeft gegeten,
Beschaemt en overtreft geletterde Poëten.
    Zo gaet Natuurs verstandt hier boven kunst en leer.
    Zo springt de nieuwe geest in ouder jaeren eer,
In ouder jaeren Oest. De Lente van sijn leven
(10) Baert rijper herssen-vrucht dan grijse baerden geven.
    Met wond’re deftigheidt doordondert hy ’t toonneel,
    Ontworstelt ons de ziel, en voert ons beter deel
Uit ’t lichaem door het oor. Hy doet ons in sijn rijmen
Verbaest, verstomt, verruckt, en opgetogen swijmen.
    (15) Hy schijnt een Sophocles herboren aen het Y;
    Hy dreunt als Seneca. Geveinsde rasery
Daer wraeck-sucht onder smookt, bootst ’t ongeveinsde rasen
Zo nauw, zo wijslijck na, hy maeckt zo juist den dwasen
    In veinsende Torquaet; hy speelt zoo wel die roll’,
    (20) Dat ieder sweert en roept; TORQUAET IS WAERLYCK DOL.
Zo kan sijn konst Natuur naturelijck gelijcken.
Zo wil sijn konst Natuurs natuurlijckheidt niet wijcken.
    O Luister-bloem der jeughdt, aen Musen borst gevoedt,
    En in de wiegh gequeeckt met Hippocrenes vloedt,
(25) Die gy voor soch opswolghd! o die de Hippocrene
Doet springen uit uw’ Y, die Roomen en Athenen
    In Amstel-taal beroept! o recht’ Apollós soon,
    Die uit sijn vader-landt in u quam met ’er woon!
O groote Uchtend-Son, zo vroeg, zo hoogh geresen!
(30) Is dit uw’ morgen-stondt, wat sal uw’ middagh wesen?
    Loopt u begin zoo verr’, waer zal uw uit-eind’ staen?
    Met wat een lauwre-pruik zult gy te bedde gaen?
Uw’ Noron, weder-gae van Nero, die sijn moeder
Van kant hielp uit genucht; uw’ Noron, die sijn broeder
[fol. π3v]
    (35) Verstrekte voor een beul; die geile dwingelandt
    Verkrachte Juliaan’, en gy mijn ingewant,
En gy mijn herssen-huis, en gy mijn hert en zinnen,
Maer met een zoet gewelt. Gy doet een ieder minnen
    Uw hoofts papiere kindt, een ongeveinsde vlam,
    (40) Een algemene brandt dwingt ’t prachtig Amsteldam,
In liefde van uw’ geest onlesselijk te blaecken.
Heel Hollandt water-tandt uw oor-banket te smaecken,
    Daer d’Amstel in verzuipt, uw voet-maets tover-tael
    Verovert ons gemoedt; en treckt ons altemael
(45) Betovert uit ons selfs, gelijck als uw’ Byrrhene
Haar pol, haar Noron deê. o kon ik u ontleenen
    U zelven of uw’ penn’! o zoo in BRUNO stack
    Een vonkje daar mijn’ BRANDT sijn segen over sprack!
Of leerde hy my eens het vliegend’ peerdt gebruicken!
(50) Of mocht ik met mijn hooft in Castalis eens duicken,
    En zwemmen daer een poos, en koelen daer mijn lust,
    Mijn yver tot uw’ roem die nooit wert uitgeblust!
Of mocht ik eene nacht op uw’ Parnassus dromen,
Om schielijck een Poët dan voor den dagh te komen!
    (55) Ik souw, met rymery bezwangerdt en bevracht,
    Gaen baeren t’ uwer eer brein-popjes dagh en nacht.
Maar, Jongeling, wiens naem niet sal, niet kan veroud’ren,
Uw’ lof is rechte-voort geen pack voor dese schoud’ren,
    Ik till’er geenzins aen. het waer te swaeren last.
    (60) Oock, nu ick ’t overweegh, en dieper onder-tast,
Ick schricke voor dit werck, dat niet alleen beswaerlijck
Om uit te voeren is, ik vindt het ook gevaerlijck.
    Hoor: schoon my ’t geestig’ sap, dat stramme sinnen roert,
    En rap en vlotigh maeckt, van u wierdt toegevoert;
(65) En schoon de heingste-bron, en schoon uw’ ad’ren borsten
Tot lessing’ mijner dorst, noch souw ik liever dorsten;
    Want, dronck ik ’t hoeven-nat, ick brande mondt en handt,
    Dewijl ick sulcke vocht most haelen uit de BRANDT.

HENRIK BRUNO.



[fol. π4r]

INHOUDT.

TOen de keizer Manlius in Iberiën oorloogde, hadt zijn broeder Noron te Rome het opperste gezach; dees verlieft terwijl op zijn broeders gemalin Plancina, en verkrijgt haar weêrliefde door list, en ongeoorloofde middelen, als deur tovery van zijn boel Byrrhene, die by in Thessaliën gerooft, en daar by in onecht twee kinderen by geteelt hadt; maar de liefde tot zijn schoonzuster was by hem zoo gewichtig niet, als de zucht tot heerschappy, die zoo zeer overwoeg, dat hy de keizer, na dat die weder te Rome gekoomen was, van kant hielp op een bloedig banket, daar beneffens veel Roomsche Raden, ook Kalphurnius sneuvelde; wiens zoonen, Pizo en Tiggellinus, ondertusschen de Parten beoorloogden. Noron bevestigt zich deur Gewelt in ’t geroofde Rijk, en vergaf zijn eige moeder uit geneucht, en om datze zijn bloedtschandig huwlijk wraakte. terwijl verschijnt de geest van Manlius aan zijn zoon Torquatus, die t’ Atheene de talen en wetenschappen Ieerde, hem beveelende dat by zich sinloos veinse, om, onaangezien de maght van zijn Oom, zijn Vaders doodt te wreeken. Hier op speelt de prins zijn rol zoo natuurlijk, dat men kern t’ Atheene en daar na te Rome voor herssenloos aanzagh, niet tegenstaande was Noron zeer beanxt, duchtende dat het veinzery was.
    I. Deur die anxt was ’t dat by op een morgenstondt sijn geheimen Raadt doet vergaderen, om Torquatus veinzery t’ ontdekken, die hier van verwittigt wert door zijn getrouwe Iunius, de welke een van Norons Raden verstrekt, en bedektelijk Torquaat toegedaan is. In de vergaarde Raad wort voorgeslaagen van den Prins met list te brengen by Iuliaane, dochter van Kalphurn, en zuster van Pizo. dien Torquatus eer by na Atheene trok vuuriglijk beminde, om te proeven of de jonge vorst aan haar bekoorelijke schoonheit zijn wijsheit of eer menschelijkheit niet betoonen zal. Torquaat valt, terwijl Noron vast raadtslaagt, al raazende in den Raadt, en veinst zoo aardig dat Noron byna zonder zorg is; maar besluit evenwel tot meerder zeekerheit Iuliane, daar hy, als van minzieken aart zijnde, zelf op verslingert is, door dreigementen en list by Torquatus te brengen; Iunius neemt de last aan om haar daar toe te bewegen, en gaat Iuliaan en Torquaat daar van verwittigen.
    II. En brengt hun buiten de stadt in een bosschaadje daar Noron zich verschuilt. hier wort Torquaat van Iuliane gevleit en aangezocht, tot dat haar de veinzende jongeling met de grootste weerbarstigheit, en wederwaardigheeden afslaat, veracht, en ten lesten wech jaagt. de geile dwingelandt, die ontsteeken is van de schoonheit die Torquaat versmaadt, doet het bosch bezetten, soekt en vindt Iuliaan, die by na veel teegenstreven en worstelen verkracht, niet teegenstaande dat haar broeder Pizo, die zeegenrijk uit Parten gekomen is, met zijn heir slegs drie mylen van Romen leit. Noron begeeft zich, zijn lust geboet zijnde in de stadt. Torquatus vindt de mismoedige maagt, die hy vertroost, en tracht te stillen tot de komst van Pizo; die, terwijl zy ’er verlies betreurt, op ’t slach komt, en besluit op het aanhitsen van Manlius geest, Noron met zijn heir op ’t lijf te vallen, doch eerst Popil, en Metel, de zuilen daar Norons staet op steunt, met list van kant te helpen; daar Torquaat een brief op gedicht heeft, die van een toeleg op Noron meldt, en aan hun geschreven schijnt, die Pizo aanneemt te bestellen. Torquatus begeeft zich weer naar ’t hof om met zijn afwezen daar geen achterdocht tegeven, en Pizo houdt ondertusschen raadt met de opperste van zijn heir.
    III. Noron noch al bevreest voor zijn neef, brengt Plancina met list in een zaal daar Torquatus is, en daar hy een van zijn Raat onder de ledekant hadt verborgen, om te hooren of de zoon zich niet openbertig by zijn moeder zal dragen. Torquatus dit gewaar werdende, helpt hem onverziens om hals, en bestraft zijn moeders onkuisheit, die na zich ontschuldigt te hebben, belooft hem getrouw te zijn. ondertussen komt Pizo om zijn triomf te verzoeken in de stadt, en doet deur zijn broeder de voorgemelde brief in Norons handen vallen. hier op raakte het hof in rep en roer. Popil gelooft dat hem deeze trek van Noron gespeelt wort, doorsteekt zich zelf om niet gepijnigt te worden. Noron belast Pizo, Metel te doen pijnigen, om de medestanders van den toeleg te ontdekken. maar, beanxt voor den jongen veltheer, die by dacht dat zijn vaaders Kalphurnius doodt zou trachten te wreeken, laat hem van een laag gewapende vervolgen. Tiggellijn valt levendig in handen van zijn vyanden, doch Pizo doodelijk gequest, ontvlucht het in ’t voorhof van Kalphurn, daar by sterft in de armen van Iuliane en Torquaat. zijn lichaam wort van zijn vyanden gevonden, en naar ’t hof gesleept.
    IV. Noron ondertusschen verleegen om Lentulus, die onder de ledekant gesneuvelt is, zoekt vergeefs het heele hof deur. Serviel d’overste van zijn lijfwacht brengt hem tijding van Metel, die, noch niet gepijnigt zijnde, zich zelf in de gevankenis gedoodt heeft. Torquaat komt by Noron, en zegt dat Plancina met Lentul boeleerde, en dat hy Lentuls minnevlam met zijn bloedt geblust heeft. terwijl Noron niet weet wat hy van Lentul of Torquaat zal denken, wort de gevange Tiggellinus voor hem ge- [fol. π4v] bracht, die zich zelf, by gebrek ven geweer, om Norons ongehoorde wreedheit t’ontvluchten, tegen een muur doodt loopt. Noron overvallen van duizenderley zorgen, en teegenstrijdige gedachten, nadien Popil, Metel, Pizo, Tiggellinus doodt sijn, en Lentul wech is, en dat hy geen hoofden of leeden van de t’samengeswoorenen kan ontdekken, besluit sijn toevlucht tot Byrrhenes toverkunst te nemen, en te veinzen dat sijn uitgebluste min weer ontsteken is. Byrrhene soekt hem te believen, maar in plaats dat de Helgod, die zy verdagvaart om d’aanslag t’ ontdekken, verschijnen zou, zoo barst de geest van Norons moeder, en van Manlius van onder op, die Noron en Byrrhene de doodt aanzeggen. Byrrheen, dus gedreigt, bedenkt een list, en bedriegt Noron met heur zuster Pamphile die zy de gedaante van de godin Iris doet aannemen, alzo de bedriegelijke vrou van kleederen verzien is, om zodanige godheden te scheppen. de valsche Iris brengt de wroegende Noron vergiffenis van zijn gruwelen, op voorwaarde dat hy na zijn belofte Byrrhene trouwe, ’t welk hy belooft en zijn geveinsde min verkeert in een ware, door het verschijnen van deze ingebeelde godtheit.
    V. Torquatus van soo veel ongevallen besprongen sijnde, hoort het huwelijk van Noron, en dat zijn moeder naar ’t noorden gebannen is, ’t welk hem al zijn gedult doet verliezen. doch de wijsheit van Juliane, vermomt zijnde, bedriegt Noron met een vergifte tabbert, die zy hem uit naam van zijn nichte Vestiliane op zijn bruiloftsdagh vereert, d’Onzalige dwingelandt, door dit vergift vol pijn, brengt al razende Byrrhene en zijn kinderen om, en sterft. Iuliane gewrooken zijnde, wil haar eer niet overleven, en doorsteekt zich zelf. Torquaat beklaagt haar, en wort gekroont tot keizer van Roomen.

Het Treurspel begint in de nanacht, speelt de volgende dach en nacht, en endigt
in den tweeden dagh.                Het tooneel is in, en om Rome.




TREURSPEELDERS.

Torquatus, prins van Rome.
Iunius, vriendt van Torquatus.
Noron, Roomsch keizer, Torquatus Oom.
Popillius,
Metellius,
Lentulus,
Sabinus,
}
}
Raaden van Noron
Iuliane, Pizoos zuster.
Pizo, veltheer.
Tiggellinus, broeder van Pizo en Juliaan.
Geest van Manlius, Torquaats vaader.
Plancina, Torquaats moeder.
Servilius, overste der lijfwacht.
Servius, staatjongen van Sabinus.
Byrrhene, Koningin van Thessalien, Norons boel.
Pamphile, zuster van Byrrhene.
Marcellus,
Iunius,
} zoontjes van Noron en Byrrhene.
Geest van Norons moeder.
Swijgende { lijfwacht van Pizo.
trauwanten van Noron.
slavinnen van Byrrhene.

Continue

    [p. 1]

DE VEINZENDE

TORQUATUS.

HET EERSTE BEDRYF.

Torquatus.

O Heemel zaagt gy ooit rampzaaliger dan my?
    Trouwlooze, onzaalige oom, verraader! hoe dorst gy
    Mijn strijdb’re vaader zoo vermoorden, en mijn moeder
    Misbruiken tot uw boel? geen leeuw was ooit verwoeder
    (5) Om uit te gaan op roof, dan die vervloekte schelm,
    Die ’t broederlijke bloedt voor nektar uit zijn helm
    Opslorpte. ’t zy dan oom of niet, noch zal hy sterven,
    Eer ik dit treurgewaadt afleg. ik zal ’t niet verven
    In gloeiendt purper, neen; ’t zal met geronnen bloet
    (10) Van Noron, of van my bepurpert worden. doet
    Wraakzuchtige Torquaat hem sneuvelen, en zuchten,
    Of zucht, of sneuvel zelfs.                                  Iun. uit.
Iun.                                       Ach, zijt gy daar doorluchte
    Torquatus, ik heb al de heele nacht naar u
    Met smart gezocht, om dat d’angstvall’ge Noron, nu,
    (15) Zoo dra de zon verrijst, zijn heimelijkste Raaden,
    Waar van ik een ben, zal vergaad’ren. heel belaaden,
    En heel vertsaagt zorgt hy voor u, en roept; ’t is list,
    Hy veinst zich dol te zijn, en is het niet, maar hist
    De stadt bedektlijk op. Hy vreest meer als voor deezen,
    (20) Om dat het Roomsche heir uit Parten hier zal weezen
    Met Pizo, eer de zon noch eens zijn daghvaart doet.
    De komst van zulk een macht maakt Noron als verwoedt.
    Hy denkt of gy uw list, met Pizoos dapperheeden
    Gingt t’saamen smelten, om hem op de nek te treeden;
    [p. 2]
    (25) Naadien zijn vaader ook met d’uw’, aan Norons disch,
    Een zelfde sterflot trok, en omgekoomen is.
    Zie voor u, want hy zal uw veinzery belaagen.
Torq. Kan dan de Dondergodt dien weereltvloek verdraagen?
    Jupijn die ’t al beheerst, verhoor my, en bewaak
    (30) D’ellendige Torquaat; laat toch de List mijn wraak
    Bedekken, laat my na d’ontworstelde ongelukken
    Opdondren met het staal, om hem mijn kroon t’ ontrukken.
    O Junius, als ons ’t Geluk de nek toekeert,
    Zo zietmen eerst de trouw der vrunden, en hier leert
    (35) Torquatus wat gy zijt. de vrundtschap die w’ elkander
    Toedraagen, tart de min die Pellaas Alexander
    Droeg tot Hephestion: en Pylades was zijn
    Orest nooit zoo getrou. Nu moet ik in de schijn
    Van een ontzinnig mensch zien in zijn Raadt te raaken,
    (40) Om Noron door mijn list, heel zorgeloos te maaken,
    En zoo ontzinnig, dat hy niet zal zien dat ik
    Ben ’t geen ik niet en schijn.
Iun.                                           Waag niet te veel, ei wik
    Eerst wat gy doet.
Torq.                         Waar is de plaats hier toe genoomen?
Iun. In Norons kleen vertrek.
Torq.                                   Ik zal daar by u koomen.

Noron, Iunius, Popillius, Metellus, Lentulus, Sabinus.
Nor. (45) DE koningklijke troon, de keizerlijke staf,
    Of purpre tabberdt neemt geen Vorst zijn zorgen af.
    De gulde slaapzaal brengt ons ongeruste nachten.
    ’k Vrees voor Torquaat. Men kan zich voor de Wraak niet wachten
    Indienze veinst. Ik zag te nacht mijn broeders geest;
    (50) Hy waart door ’t hof. Ik ben al t’ onbedacht geweest.
    Wat raadt? ’t is toch gedaan.
Iun.                                           Mocht Romulus verdelgen
[p. 3]
    Zijn broeder Remus, mocht Saturnus wel verzwelgen
    Zijn eigen kinderen, mocht Agamemnons zoon
    De dochter van Tyndaar, zijn wreede moeder, doo’n;
    (55) Waarom zoud gy ’t niet doen?
Nor.                                                     ’t Is zoo. maar ’k vrees voor laagen,
    Voor veinzen, en verraadt. Hoe zullen wy ons draagen,
    Nu Pizo komt? maar ach, ’k ontzie Torquatus meest.
    Gewelt stut legers, en geen list. Ik ben geweest
    De stadt bezichtigen, ’k hoef niet beanxt te weezen
    (60) Voor Pizo. ’k zal zijn macht ontwaapenen. Wy vreezen
    Slechs voor Torquatus.
Nor.                                   Was uw neef op Juliaan
    Niet lang verslingert, eer dat hy noch was gegaan
    Naar ’t letterrijke Atheen, om daar van daan te haalen
    Panaetius vernuft, de Wijsheit, en de taalen?
    (65) Niet heeft haar brandt geblust, ’t afweezen noch de Tijdt,
    ’t Iönisch water, noch ’t gebergt, dat hem zoo wijdt
    Van haar gescheiden hadt: en toen hy haar beminde,
    Zijn min was als een eik, daar worstelende winden
    Vergeefs op bulderen, die taeje wortlen schiet
    (70) Door d’aartkloots ingewandt tot in den afgrondt. Ziet
    Dat gy hun brengt by een. laat zy hem streelen, kussen,
    Belonken met een oogh vol traanen, ondertussen
    Zie zelf in ’t heimelijk Torquatus razerny,
    En of hy Juliaan omhelzen dart; als hy
    (75) Dan zulk een schoonheit noch veracht, zoo laat vry vaaren
    Uw noodelooze vrees.
Nor.                                 Te nacht zagh ik ook waaren
    Mijn looze moeders geest.                                        Torq. uit.
Torq.                                     Doe op, doe op. Hoe is ’t?
    Waar is hy die den Raadt, en burgery ophist
    Ten dienst van vorst Torquaat?
Nor.                                             Wie heeft u hier onthooden?
Torq. (80) Jupijn.
[p. 4]
Nor.                     Ga voort van hier.
Torq.                                                 Van hier! kent gy geen gooden?
    Ik ben godt Noron; die de veinzende Torquaat
    Vernielen zal. Kom hier.
Nor.                                     Laat hem begaan.
Torq.                                                                 Mijn Raadt,
    Wie dart hier zitten op mijn zeetel? wel verraader
    Hout gy het met Torquaat, die om zijn doode vaader
    (85) Dit bloejend rijk beroert? ik weet zijn veinzery,
    Ik ken hem als my zelf. hy is ontdekt. gaan wy.
    Stil, stil, hoe kan hy zich nu veinzen? Hoe zal ’t enden?
    Hy heeft zijn pyl gewet, daar snortze door mijn lenden.
    Ey my, o wee! ga weg. gy komt my alte na.
Lent. (90) Elendige Torquaat.
Torq.                                       Ei zwijg, hy veinst. Ja! ja!
    ’t Is anders als gy meent, hoe laat gy hem noch leeven?
    Vrees de gemeente niet. Mocht Noron wel vergeeven
    Zijn eigen Moeder? geeft hem ook Thessaals fenyn.
    Ik vrees voor ongeluk, neen. niet! zacht, by Jupijn,
    (95) Laat gaan, laat gaan, stil, hoor, kom hier mijn Juliane,
    Omhels my, zulk een kus gaf Thetis Peleus. Traanen
    Weg van mijn wangen; hoor, hoor de trompet. bedaart.
    Daar is Torquatus, die op zijn schuimbekkend paardt
    Gezeeten is, bestuwt met honderdt duizend’ ridd’ren,
    (100) Hy rukt na ’t Kapitool. wat Herk’les zou niet sidd’ren?
    Hoe briescht nu Bucefal, en knabbelt zijn gebit!
    Omsingelt Noron, voort elk treê in zijn gelit.
    Zoo, zoo, steekt de trompet, de slag is al begonnen,
    Zy aarzelen, val aan. val aan. hy is verwonnen.
    (105) Zijt gy Torquatus? voort naar Noron toe. Wat raadt?
    Genaê o groote Vorst, genaê. Ik zocht uw Staat,
    En rijxstaf door mijn list, en al mijn veinzeryën
    Van u te rooven, ach genade! ik moet belyën,
    Ik was niet zinneloos, neen, neen! en hy is ’t al.
[p. 5]
    (110) Waar bleef de Keizer daar?
Nor.                                                 Hier is de Keizer.
Torq.                                                                           Zal
    Torquaat niet sterven? zeg: neen, ’k moet mijn oom gaan zoeken:
    U niet, maar Noron. zwijg, ik zou hem licht vervloeken.
    Daar gaat hy heen. Hoor, hoor.
Pop.                                               Nu ziet gy wat hy is.
Nor. Ik vrees noch al, en ik geloof het niet gewis,
    (115) Voor dat my Juliaan doet zien hoe ’t is geleegen.
    Wie neemt op zich de last om haar te gaan beweegen?
Iun. Laat dat op my slech staan.
Nor.                                           Ga dan naar de Vorstin,
    Die van veel gooden wort geëert, mijn vyandin,
    Die om ’er vaaders doodt de Roomsche scepterdraager,
    (120) Die haar bemint, vervloekt; zeg dat de wereltschraager
    Moet vallen, zoo zy hem niet stut, ga heenen. Bidt
    Dat zy opdelf wat in de diepe boezem zit
    Van haar Torquaat; en ziet met wat voor schelmeryën
    Dat hy zijn laagen leit; ze zett’ haar min ter zyën
    (125) En eer godt Noron: maar wil zy ’t niet doen; zoo zal
    Torquaat en zy van kant, schoon dat haar broeder al
    Byna zoo groot is als ik zelf, die ’t Oost dorst tarten,
    En sleept in Roome een heir van overwonne Parten.
Iun. Ontzachelijke Vorst, ik zal voort by haar gaan.
Nor. (130) En ik na binnen, daar ik u verwacht.
Iun.                                                                     Wel aan;
    Nu naar Torquatus toe om hem dit aan te zeggen,
    En dan met Juliaan de zaak voort overleggen.

Continue

HET TWEEDE BEDRYF.

Junius, Noron, Popillius, Lentulus, Metellus, Sabinus.

Iun. VErschuil u hier.
Nor.                               Heeft dan de schoone Juliaan,
[p. 6]
    Ten lesten nog bewilgt om naar dit bosch te gaan?
Iun. (135) Zy komt, en door mijn list treedt ook Torquaat in d’elzen.
Nor. Nu zal men zien, of hy zijn lief niet zal omhelzen.
Torq. ’t Is wech. Waar bleef daar dat Hyrkaanse tigerdier?
    Gy zultme niet ontvliên, door water noch door vier.
    Hy loopt, en ik sta vast. mijn voeten worden wortlen,
    (140) Ze groejen vast in d’aardt. Ik zal u heel vermortlen,
    Zoo gy me naakt. van hier. Ik wordt, ach! ach! wat raadt?
    In een volwassen eik verandert: voel, hoe slaat
    Mijn bange borst. de smart wil al mijn hairen plond’ren,
    Maar grypt slechts blaaderen. de schors klimt nu van ond’ren
    (145) Naar boven, zie mijn handt, dees roert noch, en die rust,        Iul. uit.
    En is alreede een tak. Wie daar? is ’t moeder? kust
    Gy ons voor ’t lest, eer dat de schors gelijk een hellem
    Het aangezicht besluit? mijn hals verstijft. Wech schellem,
    Wech! raak Torquatus niet, die roerloos is. ’k zeg dat
    (150) Gy my niet roert, noch ook het alderminste bladt
    Scheurt van zen telg, mijn bloet borst uit de breuk, ’t zou drijven
    Langs ’t veldt, en zwierende met roode lettren schrijven
    Uw vloek, en doodtschuld, stil! hoort gy niet wie hier steent?
    Nu naakt de schors mijn mondt. Op berggoddinnen, weent,
    (155) Op veltgoddinnen, op, betreurt de Prins van Roomen
    Gevangen in een schors, ai, laat de zilvre stroomen,
    Uit droevige oogen, my voor dauw verstrekken, en
    Voor vruchtbre reegen, ach! vaart wel, vaart wel, ik ken
    Niet meer. een groene schors zal nu mijn mondt bedekken.
    (160) Ei sluit mijn oogen niet, de schors zalze overtrekken.
Iul. Hoe lang veinst gy u noch voor Juliaan? ei kom
    (Wy zijn hier nu alleen) naar Cypris heiligdom.
    Omhelsme mijn Torquaat.
Torq.                                     Wie wil het niet gelooven?
    Ik ben een eik. mijn schors is noch al warm, en boven
    (165) Ben ik bezweet. Oi! oi! wie kapt in my? laat af
    Gewette bijl. houw op, de pijnelijkste straf
[p. 7]
    Is u beschooren. help. zie! al mijn blaadren beeven,
    Mijn telgen schudden. stort mijn bloet niet. laat my leeven.
    Ai my! waar ben ik? ach! o varsche ontlooke Roos,
    (170) Torquaat zit in dees schors, die zich als zinneloos
    Anstelde, toen hy zwoer zijn vaaders doodt te wreeken,
    Nu sterft hy zonder wraak. wat raadt om uit te breeken?
    Mijn lichaam wort gerekt, geprangt, geklemt, geknelt.
Iul. Gy veinst. Eer toch de Min, die strenge wetten stelt
    (175) Voor ’t menschelijk geslacht. ja! heeft ook al de gooden
    Gebreidelt met zijn toom, weêrstreeft gy de gebooden
    Van Cyprus koningin?
Torq.                               Is ’t een gedrocht de Min,
    Wat is het?
Iul.                 Zie ik uw doorluchte schoonheit in,
    Zoo is ’t een lustpriëel; als ik aanschouw mijn harte
    (180) Zoo is ’t een helsche brandt. wy zijn deur zoo een smarte
    Gewilliglijk geboeit, onwillig uit de noodt,
    Al lachende bedroeft, al levende altijdt doodt.
    Die brandt......
Torq.                   Brandt? waater. help! of is de vlam geweeken?
Iul. Hadt Paphos keizerin Hippolytus ontsteeken,
    (185) Hy haar bevrucht, zy hadt u, of een zoon gebaardt
    U heel gelijk: want gy na vaaders strengheit aardt,
    En moeders schoonheit hebt. Verhoor uw Juliane,
    Laat z’ uw versteende ziel verzachten met’er traanen,
    Die d’aart bevochtigen, hoe prikkelt my uw min!
    (190) Gy schendt de kusjes, die de schoone Cypris in
    Haar eelste nektar doopt: hoe lang zult gy verachten,
    Die u zoo acht?
Torq.                     Help! help! men wil Torquaat verkrachten.
    Wat godtheit hulp my uit de schors? Nu in dit hol.
Iul. Zoo gy de lier hadt, en pijlkooker van Apol,
    (195) Gy waart hem heel gelijk, en hadtge witte wieken,
    Gy waart Kupido zelf. nu smeekt u een minzieke,
[p. 8]
    Gevierde maagdt.
Torq.                       Hier is een Noorder ysklip in.
Iul. Ach! om de Min te zijn ontbreekt u niet dan min;
    Ja Venus zal u eens op haar ivoore waagen,
    (200) Wen Mars in d’oorloog woedt, ter sluik ten heemel draagen.
Torq. Tiziphone, die met uw blikken doet de zon
    Van anxt bezwijmen, flux vlie weêr na Phlegeton.
    Sta van my. wech van hier. hoe meent gy my te vangen?
    Met wat aanlokselen? met haair begruist vol slangen?
    (205) Hoe kronkelt dat gedrocht! dat ’s een Meduzes pruik.
Iul. Ei my Torquatus, ach!
Torq.                                 Hoe stinkt ’er adem! ruik.
    Waar berg ik my van stank! ze heeft Alektoos borsten,
    En vel rondtom bekleet met etterige korsten;
    Harpyë-handen, ’t naar gezicht van Hecatee,
    (210) En voeten als een Sphinx, ze laat met yder treê
    Een bloetvlak; z’eet een slang. Van hier, ik zou my branden.
    Haar kaakebeen, bezet met drierijg staale tanden,
    Knaagt Julianes arm.
Iul.                               Bedaar. ei zie eens, wie
    Ik ben.
Torq.     Is ’t Noron niet?
Iul.                                   Neen, Juliaan.
Torq.                                                     Ay vlie,
    (215) Loop over berg en dal, en vergeleege stranden.
    Wat neemt daar Tiziphoon in haar bemorste handen?
    De rechte vat een toorts, de slinke handt een slang,
    Ze schudt ’er slangepruik, en blaast van elke wang
    De slangen blaauw van gift: een tabberd laatze sleepen
    (220) Omgordelt met een slang. ze maalt met paarsche streepen
    Haar schelmery daar op: eerst schildertze mijn Oom,
    Oom, die zijn broeder moort op moordtbanketten. Droom
    Ik? neen, ik ziet. zie daar, daar teikentze mijn moeder:
    Wel, schildertge die naakt, boeleertze met de broeder
[p. 9]
    (225) En moorder van ’er man? Ja! ’t is gedaan. hy lacht
    Noch om dien gruwel!
Iul.                                   Kom blus meê uw min.
Torq.                                                                     Ei wacht,
    Eer ik u streel moet ik dat zwarte vel afstroopen,
    En hangent hier te pronk. gy zultme niet ontloopen,
    Al vloogt gy op den troon des Dondergods. Wel! die
    (230) Noch flus was Tiziphoon, is die nu Pluto? zie,
    Hy vliedt en is gewondt. de Godt des doodts gaat vreezen
    Voor sterven. o wat ramp! zou ’t Juliaan wel weezen?
    Mijn lief? ja! neen. ja! neen. ja. ja. en heel gewondt!
    Mijn lief, zwijg tong, ei zwijg, fy reukelooze mondt!
    (235) Gy noemt ’er lief, en hebt haar eedel bloedt vergooten.
    Kom, straf mijn misdaat. voort. Ik zal mijn borst ontblooten.
    Daar is het staal. daar ’t hart. stoot. neen. ja. stoot vry toe.
    Ik ben onwaardig dat my d’aarde draag. wel hoe!
    Waar wacht gy na?
Iul.                             Mijn Prins, zoo ik uw bloedt zou plengen
    (240) Zoo mostge uw boezem niet ontdekken?
Torq.                                                                   Ik zal ’t mengen
    Met Norons traanen.
Iul.                               Ach! o blanke albaste rots,
    Blijft gy al even hardt? hoe zijt gy noch zoo trots?
    Zult gy, terwijl ik met een wint van droeve zuchten,
    En zee van tranen u bestorm, noch voor my vluchten?
    (245) Waarom voor my geveinst? weet gy niet dat mijn hart
    U mint? zoo vraag het bosch, en bergen; die mijn smart,
    En jammerklaghten zoo vermurwde, dat de steenen
    Ook traanen lieten, en weêrgalmden op het weenen.
Torq. Noch zwijgtze. zeg: voort sterft, o wreede, kom ei doodt
    (250) Uw vyant, wrange nimph, van menschlijkheit ontbloot.
    Ze wil niet dat ik sterf, mijn doodt zou anders schijnen
    Een gunst van haar te zijn. hoe lang laat gy me quijnen?
    Hoe lang? in eeuwigheit? Dat u de donder sla
[p. 10]
    Troulooze! vlie vry door de zee. ik volg u. ga
    (255) Door ’t grondelooze nat. al vloogt gy heel naar ondren,
    Tot in de zwarte schoot van Prozerpijn. ’k zal dondren.
Iul. Zal ik dan ongekust en ongerept van hier
    Vertrekken?
Torq.               Neen! ’k zal u met blixem, vlam en vier
    Omhelzen. Mijn goodin, waar zal ik u ontmoeten?
    (260) Daar isze. Tooveres, sta stil. haar vlugge voeten
    Ontvluchten ’t; maar al waart gy als de windt, ik kan
    U achterhaalen, zie! hoe looptze! loop vry an
    Den Rijn, gy raakt niet wech.
Nor.                                           Dit zijn geen veinzeryën.
    Nu staat mijn zeetel vast. Bezet aan alle zyën
    (265) Dit bosch. Roept Juliaan. o razende Torquaat,
    Beloontge gulle gunst en waare min met haat,
    Versmaat, verstoot, vervolgt gy haar met al ’er klagten?
    Die my die gy veracht wil ik nu niet verachten.
    O schoone Venus, ach onsterflijke goddin,
    (270) Die Mars beooreloogt met kusjes, laat mijn min
    De ziel van Juliaan ontsteecken. Hoor; ay velden,
    En bosschen die haar naam zoo dikmaal leerde spelden;
    Roert zoo veel tongen als ’er blaadren ritslen, ga,
    Ei vraag haar waarze blijft, en zegh hoe zeer ik na
    (275) Mijn Juliaan verlang. Doorluchte watersprongen,
    En winden ruischt nu vry. melt met onzichtbre tongen
    Mijn groote min. ey vlieg; zegt tot haar zuure zin;
    Wie kan u slechs bezien, en sterven niet van min.
Torq. ’k Heb Tiziphoon vernielt, z’ is in mijn tygerkaaken.
    (280) De weerelt lacht ’er om zal ik een ander maaken?
Nor. Waarom veracht gy haar?
Torq.                                       Veracht ik haar? mijn lust
    Is in de zachte schoot van Juliaan geblust.
    Ik nam haar in mijn arm, ze zeegh gewillig needer
    Op ’t geurig veldttaapijt, hoe lachte zy! hoe teeder
[p. 11]
    (285) Wasze overal besneên! ja d’eedle Schoonheidt hadt
    Zich zelver afgebeeldt in haar; want als zy tradt
    Zach men de majesteit van Juno, als ze lonkte
    Was Venus zelf beschaamt; ja d’hemelen ontvonkten,
    En d’aarde zwoegde door de flonkervlam, de zee
    (290) Sloeg door dat zelfde vuur aan ’t zieden, Pallas meê
    Aan ’t pruilen, om haar glans; spijt beukelaar, en hellem
    Zy won ’t. toen zag men strak een heemelval. o schellem
    Wy waaren tot uw leet in een geënt. de goo’n
    Benyden my die vreugt. Jupijn riep van zijn troon
    (295) Koom hier mijn Juliaan. wech wasze.
Nor.                                                                   Juliane!
Iun. Wy hebben, groote Vorst, gezocht in alle laanen,
    Maar al vergeefs. ik vrees dat zy ons is ontvlucht.
Nor. Ontvlucht? wat raadt? stil, stil! ik hoor haar. ach, ze zucht!
    Ik ben bedroogen. och! schuilt gy in bergspelonken?
    (300) Neen! dat ’s onmoogelijk. o neen! uw blixemvonken,
    Uw oogen zouden u verraaden: ja al was
    Uw schuilhoek als de nacht, het wiert ’er dagh, kom ras.
    Daar dochtme zagh ik haar. waar zijtge weêr gevloogen?
    Kom hier. hoe! of de glans van uw betoovrende oogen
    (305) My scheemren doet? ik denk dat gy hier by ons zijt.
    Ik ben van ’t godtlijk bloedt; ach Juliaan! benijdt
    Gy mijn geluk en ’t uw’? godt Phebus is mijn broeder,
    En een doorluchter maagdt dan Iliä mijn moeder.
    Mijn vaader is Jupijn, die ’t goude zonneradt
    (310) Deedt went’len achterwaart, en in het zwalpend’ nat
    Van Nereus bande, toen hy ondertusschen streelde,
    De veldtgodin, waar by hy Cezar Noron teelde,
    In een vierdubble nacht. terwijl uw Noron wordt
    Geteelt, vindt godt Jupijn een Herk’les nacht te kort.
    (315) Hoe traag quam Phebus uit de golven na ’t lang marren?
    Kom voort, eer dat dit licht de langbeloofde starren
    Besla, welks opgang heeft de weerelt al gekost
[p. 12]
    Vier dagen, eerze wierdt van duisternis verlost.
    Is mijn Goodin op d’aarde onzichtbaar voor mijn oogen,
    (320) Of is haar godlijkheit ten heemel opgetoogen?

Noron Iuliane.
Iul. IK schuw de moederbeul als een vergifte slang.
Nor. Vlucht niet, ik volgh u naar, al was de wech zoo lang
    Als d’aardtboo’m van ’t gestarnt, ik wil mijn lust nu boeten.
    Hoe kan het minnevier het ingewandt doorwroeten!
    (325) Men moet zoo schuw niet voor verliefde vorsten zijn.
    Sta stil.
Iul.           Ei my! sta af. stadthouder van Jupijn,
    Wat reptge Juliaan met uw’ onkuische vingeren?
Nor. Bekoorelijke maagdt, wat godt zou niet verslingeren
    Op ’t flonkerend gestarnt, datg’ in uw voorhooft draagt?
    (330) Leg af de fierheidt, die de Minnegodt mishaagt.
    Ik eisch u voor geen boel, maar voor een keizerinne
    Der weereldt, en voor een vergoode gemaalinne,
    Van een doorluchte godt, als ik ben.
Iul.                                                        Stil, sta af.
    Hoe Noron, wilt gy dat mijn handt genaak’ een staf,
    (335) Besprengkelt met het bloedt van mijn vermoorde vaader,
    En van uw broeder? weg kom my voor al niet naader:
    Mijn vaaderlijk geslacht dat leit ’er toe. help. och
    Mijn broeder wort belaagt! wat schiet ’er over? noch
    Behouw ik dit, maar ach! men moet ’er my wel laaten,
    (340) Het eenigh ooverschot van alles: u te haaten,
    ’t Welk my veel liever is als u, of als uw stadt,
    Of scepters.
Nor.                 Juliaan hoe dus verblint, zegh, wat
    Voor kooningklijke gift zou ik u konnen geeven,
    Die ’t huwlijk oovertreft, waar door men wordt verheeven,
    (345) Als een Hersilia op Room’lus troon? hoe nu:
    Wat wilt gy beeters?
[p. 13]
Iul.                               Dit: of mijne doodt, of d’uw’.
    Onkuische vorst! hoe zal ik uit zijn armen wringen?
    O heemel waar wil ’t heen?
Nor.                                         Men zal ’er u toe dwingen.
Iul. Men kan niet dwingen een, die sterven kan. ’k zal ’t al
    (350) De gooden klaagen, zoo gy voort vaart.
Nor.                                                                      En ik zal
    Uit een bedwonge maagd een eed’le zoon verwekken.
    Geen godtheit wil, of zal, of kan u my onttrekken.
    Omhels my.
Iul.                   Raakme niet. Kom hier, ei kom toch voort
    Bebloede dochteren van Danaüs, ay hoort,
    (355) Ontbreekt ’er aan ’t getal niet een? ja. ik zal weezen
    De vijftighste. wel aan, laat Noron dan vry vreezen,
    Betreedt hy ’t bruiloftbed.
Nor.                                       Ontfang my tot gemaal,
    D’ontsachelijkste zoon des Dondergodts, ei draal
    Niet langer Juliaan
Iul.                             Wat wort mijn ziel geverregt?
Nor. (360) Wat wordt mijn taay gedult door ’t weigeren geterregt?
    Wie sart gy?
Iul.                   Norons drift.
Nor.                                       Neen, god Quirinus neef,
    Die zijn bebloede kling door koningsstrotten dreef,
    Die scepters staapelde op al d’afgerukte kroonen,
    En plengde prinsenbloedt op kooningklijke troonen,
    (365) Ja die zelf gooden schept.
Iul.                                                 Hoe dikmaal zach Diaan
    Doorluchte kooningen voor weereltheerschers aan,
    Omringt als met een muur van strijdb’re bontgenooten,
    Die Phebus ’s morgens vondt uit troon en rijk gestooten,
    Geboeit, gesleept, getrapt, geparst van ’t slaafsche juk.
Nor. (370) Maar ik beheersch als voogdt ’t onmondige Geluk.
Iul. Beheersch ook zoo uw lust.
[p. 14]
Nor.                                           Breek af ’t schoorvoetend’ marren;
    D’onwrikbre heemelspil rolt eerder om de starren,
    Eer ik u gaan laat, en eer dat mijn lust, of min
    Verflaauw. Verhoor my toch, o schoone vyandin!
Iul. (375) Ga naar de keizerin, of ga naar uw Byrrhene.
    Sleept gy de kooningen, met boejens aan de beenen,
    Naar ’t hooge Kapitool gelijk een tweede August?
    Of is uw’ oorlogstoorts in ’t endt met bloedt geblust?
    Of zijn uw wapenen by Mulciber te smeeden?
    (380) Ga, ga, win weerelden, laat Juliaan met vreeden.
Nor. Ik ben ’t die hier als Mars op d’oorlogszeetel zit,
    Ik luisterde wel eer naar ’t leuterendt gebit,
    In ’t naare veldgeschrey, en hoefslag van de paarden,
    Naar ’t blutsen van een helm, naar ’t knarssen van de swaarden,
    (385) Naar ’t snorren van een pijl, naar ’t hitsen der trompet,
    Nu luister ik naar u. Dees strijdb’re handt, die met
    De drillende oorlogsspeer schudt toorenrijke muuren,
    En als een blixem sloeg gehaate naagebuuren,
    Waar voor het Oosten, alsz’ een schicht anraakt, besterft,
    (390) Die d’Afrikaansche zee met vyandts bloet beverft,
    En kneusde harrenas, en helm, en bekkeneelen,
    Leit nu niet toe als slechs om Juliaan te streelen.
    O handt! ’t is veiliger t’omhelzen, als u aan
    Een scherpe schicht of speer, of beukelaar te slaan.
    (395) Ik ben my zelf nu niet. men kan mijn min niet temmen:
    ’k Moet in de weelde van uw zachte schoot eerst zwemmen.
Iul. Een welgeäarde Vorst vreest voor een lasterstuk
    Veel meer dan voor de doodt. het slibbergladt Geluk
    Betreedt uw troonen, maar met waggelende treeden:
    (400) Steun op uw scepter niet. ey hoor naar mijn gebeeden.
Nor. Mijn lust is nu mijn godt.
Iul.                                           Zijn al de gooden dood?
    O tweede Sextus wilt gy voortgaan, zoo doorstoot
    Eerst d’onbemorste borst. Waar is mijn dappre vaader?
[p. 15]
    Kom hier, gy zijt ontzielt geen noodt; vat dees verraader,
    (405) En maagdeschender. berg mijn kuisheit ras, ai ras!
    Uw schim is mans genoeg! hy vliedt; ey my! och was
    Mijn strenge broeder hier, die ’t altyd wrokkend Parten
    Bedwongen heeft. wat zou dit schenden Pizo smarten:
    Hy dreigt u met zijn heir. o hemelen bestraalt
    (410) My met meedoogen, ach!
Nor.                                                 Hoe zijt gy zoo verstaalt?
Iul. Gy, die gesprooten zijt uit godt Augustus lenden,
    Zult dus uw aadeldom bezoedelen en schenden.
    O Keizer ken u zelf; erberm u, ach ik buk
    Ter neder.
Nor.             Zwijg. neen, neen. wanneer een schellemstuk
    (415) Begonnen is, zoo is ’t te laat om zich t’erbarmen.
    Gedachten worden zelf gestraft. kom, laat het karmen;
    Nu, geef u neêr. voort, voort.
Iul.                                             Laat af. o goon, ai my!
    O ongerepte Maagdt, de maagdeschendery
    Te weeren, is uw plicht; doorluchtige Diane
    (420) Bewaar mijn kuisheit help!
Nor.                                                   Wy zien hier na geen tranen.
Iul. Jupijn verplet hem, zoo dit worstlen u verveelt.
Nor. Hy straf zich zelf als hy een andere Iö streelt.
    Dat komt van Cezars min, en godtheit te verachten.
Iul. Terwijl gy d’eer hebt neem de ziel ook, na’t verkrachten
    (425) Ben ik niet waardig dat ik leef. Nu leit mijn eer,
    Die d’eedle ridderschap zoo vierde, heel ter neêr.
    Op losgeborste tong, gy moet zoo yss’lijk schreeuwen,
    Dat het gehoort wort van de tigeren en leeuwen.
    Ei kom verscheur my. ach, die nu haar spijse waar!
    (430) Ai my! ach! ach!
Torq.                                 Hoor, hoor! wat mach dat zijn? hoe naar
    Ruischt dat benaauwt gerucht in mijn bestorven’ ooren!
Iul. Heeft my de hemel dan dit deerlijk lot beschooren?
[p. 16]
Torq. Daar ik ben, ben ik niet, en waar ik niet en ben,
    Daar is nu mijn gemoedt, ze zoekt t’ontvluchten, en
    (435) Hy volgt ’er, ’k vrees darzy d’afgrijsselijkste plaagen,
    D’eerlooze dartelheit van Noron moet verdraagen.
    Heb ik u hier, hoe zijt gy in ’t gezicht van Room’
    Mishandelt? zy bezwymt. ruk zon uw goude toom
    Naar d’andre weerelt heên, of stort in Tethys vloeden,
    (440) Als op de maaltijdt, daar Thyëstes de bebloede
    Halfgaare schonken van zijn zoonen aan den disch
    Van Atreus knaagde. wel, bezwalkt gy niet? hoe is
    ’t Met u? ze zucht. bevocht gy d’oevers van uw oogen
    Met een gezwolle stroom van traanen? ’k zalze droogen
    (445) O Roomsche flonkerstar.
Iul.                                                 O ramp, o wee, wat spyt!
    Nu Noron weg is met de kuisheit. ach! zijt gy ’t?
    De geile dwingelandt is in mijn schoot gevallen.
    Ey my!
Torq.         Was ik gedood van d’ongestuime Gallen
    In d’oorlog, ’k zou dan niet genootzaakt zijn het leet
    (450) Van uw ellenden te verdraagen. ach, hoe wreedt
    Is ’t nootlot, dat ons nu zoo vreesselijk komt plaagen:
    Verdraag uw ongeval met lijdzaamheit.
Iul.                                                             Verdraagen?
    Dat elk my naroept: daar gaat Norons boel verby!
Torq. Hebt gy ooit minneplicht aan hem betoont? neen. gy
    (455) Hebt nimmermeer gekust d’onaangenaame handen,
    Of mont, noch ooit omhelst de wreede schouders, vande
    Verwijfde schelm.
Iul.                             Ik zach hem als een vyandt aan,
    En ik onlukkige hebb’ hem behaagt. Diaan
    En Veste ’k eisch de wraak om Noron te verdelgen.
Torq. (460) De zwelgende afgrondt zal die schender haast verzwelgen.
    Krop maar uw bittre spyt, en voeg uw haat een slagh
    Als Pizo komt. Ik zie de zegenrijke dagh
[p. 17]
    Van zijn gewisse val en ondergang gebooren.
Iul. Zwijg, zwijg. de ramp is kleen die noch na raat kan horen.
    (465) Ik streef ’er teegens aan.
Torq.                                             Zoo yltge naar uw graf.
Iul. Dat zoek ik.
Torq.                 Leef tot dat ik hem ontwring de staf,
    Die my is aangeërft. De wraak die lichterlaagen
    Ontsteeken is, en brandt, en dreigt met felle slaagen,
    Rust strak tot teegenweer den vyandt daarze op mikt.
    (470) De gramschap die eerst smeult, slaat wisser slag, verschrikt
    Nocht waarschouwt; onverwacht trapt zy hem op de hielen.
    Ay wreek u zoo.
Iul.                         ’t Geluk ontziet hartvochte zielen,
    En plaagt slaphartigen. ik ben de schelm getroost.
Torq. Waar is uw achterdocht? uw broeder, die het Oost,
    (475) D’omzwerrevende Scyt, de Part, de Pars deedt sneuvlen,
    En al voorgisteren by d’Apennijnsche heuvlen
    Zijn leeger sloeg, is nu in aantocht, ’k heb gehoort
    Uit d’afgezonden van dien veldtheer, dat hy voort
    Opbrak en herwaart rukt. hy hoord’ hier al te weezen.
    (480) Veins maar een oogenblik.
Iul.                                                   Voor hem is ’t dat wy vreezen.
    ’k Wil Pizo niet meer zien, dus eerloos; neen! ik wil
    ’t Met staal ontvliên; nu my des Tibers krokodil
    Geschent heeft met geweldt; zou Juliaan verstrekken
    Een eerloos voorbeelt voor de kuische jeugt, en trekken
    (485) Het hooft noch schaamtloos op? terwijl my iemant ziet,
    En wijs, dat ’s zy: o neen, Latijnen, ’k zal u niet
    Uit mijn bemorste schoot een tweeden Noron storten,
    Of jongen dwingelandt voortbrengen. Hy verkorten
    Mijn eer en ook met een mijn lust tot leeven: ’k wil
    (490) Niet eerloos leeven. neen!
Torq.                                               Mijn Juliane, spil
    Uw onwaardeerlijk bloedt niet reukeloos. het leeven
[p. 18]
    Is wel aan ons, ja, maar alleen te leen gegeven.
    In ’t Elizeesche velt zoudt gy uw vaader zien,
    Die heel t’onvreede voor uw schaaduw wech zou vliên,
    (495) Zoog’ ongewrooken quaamt. sterf, maar zy eerst gewrooken.
    Laat ons de broederbeul met vier en vlam bestooken
    In ’t vyantlijke hof. laat Noron zelf in d’asch
    Begraven worden, dat hem Nemesis verras.
    Dan sterft men eerst vernoegt, als men zijn vyandts oogen
    (500) Geslooten ziet.
Iul.                               ’t Geluk heeft ons van daag bedroogen;
    En Norons dartelheit stoot al mijn hoop om veer.
Torq. Het bloedt van Noron zal de schandtvlek van uw eer
    Afwasschen.
Iul.                   Neen, de doodt.
Torq.                                         Wy zullen t’ zamen vaaren
    Naar d’eeuw’ge ballingschap, maar Noron eerst.
Iul.                                                                           Ach! waaren
    (505) Mijn broeders hier. ach! ach!
Torq.                                                   Ze zijn alreede in ’t veldt,
    En trekken naar de stadt. ’k zie u beroemste heldt
    Bezeeten van de spyt, verzelt met Room’lus aadel;
    Den dwingelandt gelicht uit zijn Tuskaansche zaadel,
    Deur Tiggellinus speer. ik zie hem heel verwoedt,
    (510) En dat d’albaste vloer gemarmort is met bloedt
    Des bloedthondts, die vast vlucht al hijgende in zijn zaalen,
    Voor ’t dreunende gedruis van Pizo, die de daalen
    Met lijkken vult. noch stijgt Diane op d’oosterpoort,
    Ze spant haar taaje boog, ze wenkt, en roept: kom voort:
    (515) Trek in; de muur stort neêr. voort Pizo, straf ’t verkrachten
    Van d’eedle Juliaan, en stil haar jammerklaghten,
    En droog ’er oogen, die van peerlen zwanger gaan.
Iul. o Doodt, ziet gy my ook niet voor onwaardig aan?
    Ja, ’k magh het leven noch de doodt niet waardig heeten.
    (520) Ach! hoe elendig is ’t dat niemant d’uur kan weeten
[p. 19]
    Wanneer hy sterven moet.
Torq.                                     Of ’t lichaam is ontëert,
    D’on will’ ge ziel blijft kuis. de schande is afgekeert,
    Toen gyze teegenstondt. hy nam ’t, ’t is niet gegeven.
    De maagdom van de ziel is ongeschent gebleven.
    (525) De wil is niet verkracht.
Iul.                                             Ey hoor eens, ach! wat ’s dat?
Torq. ’k Vrees dat het plaagen zijn, die Noron uit de stadt
    Ons op den hals schendt.
Iul.                                       Ach, ey my.
Torq.                                                       De staale schilden,
    En waapens ram’len.
Iul.                               Vlie.
Torq.                                     Dat ik mijn leeven spilde
    Ten dienst van mijn prinses, ik was noch al verplicht.
    (530) Ik zie op Vatikaan ook paarden trapplen.
Iul.                                                                         Zwicht,
    En zoek een schuilplaats.
Torq.                                   Stil, ey zwijg mijn Juliane.
    De waare liefde vreest geen waapens. Droog uw traanen.
Iul. O heemel, ach is dit dan uw beschoore lot,
    Dat Mars na d’oude stam de leste looten knot.
    (535) Ey wijk, de heemel schept vermaak in ons te plaagen.
Torq. Is ’t noch niet lang genoeg, zijn dit weêr andre laagen?
    Wat zie ik. gooden is het Pizo niet? ja.
Iul.                                                           Och,
    Of ’t Pizo was. hy is ’t. Jupijn, indien gy noch
    De weerelt met een wenk bestiert, zoo blixem, donder,
    (540) Verzet, verschudt de stadt, op dat mijn broeder plonder,
    Terwijl zy sidderen, de gruwelen van Room’,
    En demp met Norons heir den wijden Tiberstroom.
    O heemel!
Torq.             Wat geluk als zulke zilvre druppelen
    Van blyschap zijpelen!
[p. 20]
Iul.                                   Mijn ziel begint te huppelen.
    (545) Nu geldt het Noron. ach!
Torq.                                             Verdelger van de Part
    Zijt overwellekom.
Iul.                             De vreugt bestelpt mijn hart.
    Ey my.
Pizo.       Doorluchte Prins, zet Juliane needer.
    Help hemel! ach!
Tigg.                       O goon! wat ongeluk.
Torq.                                                         Al weeder
    Verlept haar geur’ge verf.
Tigg.                                     Besprengkelt ’er met nat;
    (550) Hier springt een bron.
Pizo.                                       Word dan mijn zeegefeest bekladt
    Met lijkrouw? ach! moet ik met droefheit lijkvier branden,
    En niet met vreugt de goo’n haar sneeuwitte offerhanden
    Opofferen?
Iul.                 O wee!
Pizo.                           Mijn zuster, ach! wat raad!
Iul. Ey my.
Tigg.          Hoe is ’t?
Iul.                             Ey my! o goo’n! ach! ach! Torquaat!
    (555) Ach Pizo! ’k ly niet dat gy nu zult zeegenpraalen
    Op ’t heilig Kapitool, ontsteek eerst met de straalen
    Der gloejende oorlogsvlam het eerloos hof. straf eerst
    De broêr, en moederbeul, die ’t Roomsche rijk beheerst,
    Die vorst, en vaader heeft ontzielt, die my, zwijg lippen,
    (560) Laat zulk een schennis uit uw eerb’re mond niet slippen.
Torq. Het geen het lichaam leet door dwang, dat dart de mont
    Niet melden.
Pizo.                 Wreede goo’n, liet ik de Partsche grondt,
    Om dat my Rome zou een grooter vyandt worden?
    Nu komt het ongeluk. al mijn gelukken snorden
    (565) Verby mijn oogen, ik was hoog verheeven, om
[p. 21]
    Een zwaarder val te doen. ’t Verdedigd Keizerdom
    Zagh dan die gruwel aan? zagh het mijn vaader sterven,
    En quam ’t hem niet te hulp? Most ik uitlandigh zwerven,
    Hier vaader sneuvelen? Ik heb in Parten al
    (570) Van ver ’t gerucht gehoort van vaaders droeven val.
    Mijn oorloogsvolk vol haat vervloekte den verraader,
    En d’oppersten van ’t heir beloofden my mijn vaader,
    En ook des Keizers doodt te wreeken door het staal.
    Hoe quam hy om?
Iul.                           Ik schrik voor ’t schrikkelijk verhaal.
Torq. (575) Men zy hier eerst alleen, en veilig, doet bezetten
    De toegang van dit bosch.
Pizo.                                     Ga broeder strax beletten,
    Dat niemant uit de stadt ons schielijk overval,
    En sla de wagenburgh by Numaas zuil. Ik zal
    U daadtlijk volgen.
Tigg.                           ’k Ga.
Pizo.                                     Vertel nu d’ongelukken.
Iul. (580) Hoor ongehoorde, felle, en helsche schellemstukken.
    Toen Manlius het lest met macht by d’Iber lag,
    Hadt Noron hier terwijl het opperste gezach,
    Die leedigh in een poel van wellust lagh verzonken;
    Ja trok de schaamt’ heel uit, door ’t goddeloos belonken
    (585) Van d’eedele vorstin, Plancina. zoog een min,
    Die onnaatuurlijk is, door ’t oog, ten aadren in.
    Hy zwoer zijn broeders dood, en ’t plukken van de bloezem
    Der keizerlijke Roos; toen wierp zich in zijn boezem
    De Nijdt, en nestelde in het schenziek ingewandt,
    (590) Dat van veel bitterheit bezwangert, naaderhandt
    Aan ’t baaren quam, toen hy met nooitgehoorde listen
    De keIzerin met spyt opvulde, en voort ophiste
    Door d’oude boel Byrrheens Thessaalsche toverdicht,
    Dat rotsen wagg’len doet; ja haar gezangen ’t licht
    (595) Uit al de weerelt korts verjaagde; met haar woorden
[p. 22]
    Ontstak zy minnenyd*. Zijn vossetong bekoorde            * jalouzy.
    D’onlukkige vorstin, eer dat de keizer quam,
    Die endlijk komt, toen Room’ deedt door haar vreughdevlam
    Den heemel, aard’, en zeên opdavren, en weêrlichten.
    (600) Vermits hy zeegenrijk al d’Ibers felle schichten,
    En dreigementen had te rugh gekeert. De zaal
    Van ’t zeegepraalend’ hof dient ’s avondts voor een maal,
    Dat Prognes maaltyd tart in gruwlen: groote gooden
    Hoe bloedig was die disch? daar ’t ongeval op noode
    (605) Den keizer, al den raadt, en ridderschap; elk was
    Verheught, en onbezorgt. maar ach! helaas! hoe ras
    Veranderde die vreugt, geen maagdemondt kan melden
    D’elendige ondergang van zoo veel groote helden.
    De droefheidt bindt mijn tong, het toegedreeve leet,
    (610) De doodt der Deugt, van hem gezwooren, doet my ’t zweet
    Uitbreeken. Lief, zeg voort ’t geen my de rou, en ’t weenen
    Belet.
Torq.     Wie luistert toe, die niet zal moeten steenen?
    Zoo haast de jeugdt was van de wijn ontbreidelt, het
    Gekreukte voorhooft van den Raat ontrimpeldt, let
    (615) De list op ’t voordeel, strax veinst Noron iet te smeeken:
    Omhelst de schoud’ren van mijn vaader, dit was ’t teeken
    Der moordtüur, en toen borst een ysre drommel uit
    Van onder de tapijt; en hy riep strak: voort, sluit
    De poorten van het hof: ’k zal nu mijn bloetdorst laaven;
    (620) Mit heeft hy ’t moordtgeweer in ’s broeders borst begraaven,
    En ’t keizerlijke bloedt, dat nu wraak roept, spatte in
    De wijn, die Noron bracht d’ontaarde keizerin:
    Zy dronk het uit, en plengde ’t Juno toe. De steenen
    Die vloogen door de zaal, de Roomsche Joffren weenen,
    (625) En schreeuwen hemelhoogh! maar ’t wort om zucht, op zucht,
    Van die de ziel stondt op de lippen, en ’t gerucht
    Der waapens niet gehoort. d’een nam d’aaloudtste vaaten,
    Noch half gevult met wijn, terwijl de ridders aaten
[p. 23]
    Dat bloedige banket, en kneusde bekkeneel,
    (630) Op bekkeneel. men zagh een ander storten heel
    Verwoedt op Scevola, gewaapent met een zeetel.
    Hy dreigd’, hy trof, hy doode. een ander dart vermeetel
    Op Noron vallen, maar moet sneuvlen door zijn bijl.
    Uw vaader riep: heb ik op d’oevers van de Nijl
    (635) ’t Egiptisch heir vernielt, ’k zal voor geen Noron zwichten,
    En zijn verstaalde vuist wurp, met Latijnsche schichten,
    Kamillus oogen uit, die bloedig rolden neêr
    Langs bei de wangen, ja, naa ’t breeken van ’t geweer,
    Grijpt Sceva brandendt hout, en knarsende op zijn tanden,
    (640) Vermorzelde hy ’t hooft van Quintus, d’haairen branden,
    Het bloet loopt uit de wondt in ’t vlammig haair, ’t welk sist
    Als gloejendt yzer dat in ’t waater snerkt, en kist.
    In ’t endt heeft het Geluk, dat de doorluchte mannen,
    De helden nijdigh is, en ’t Noodtlot t’zaamgespannen.
    (645) Ze schonken d’overhandt aan den tyran. elk vlucht.
    Maar hy stak ’t hof in brandt, en de betrokke lucht,
    Noch meer bezwalkt door rook, was zwanger, en aan ’t baaren
    Van een ontijdigh licht. Vulkaan, in vuur gevaaren,
    Bestormde ’t heerlijk hof. het geen gehouden was
    (650) Voor ’t achtste wonderwerk verkeert in rookende asch.
    Zoo groot een lijkvier heeft het keizerlijk gebeente
    Verteert. zijn hof verstrekte een doodtbus. de gemeente
    Betreurde ’t. Noron is terwijl op ’t veld van Mars,
    En ’t burgerlijk beklag, geschrey, geschreeuw, geknars,
    (655) Was lieflijk maatgezangk voor hem, die al de wetten,
    Die Numaas schrandre pen op ype schorssen zette,
    Verscheurde.
Pizo.                 Heeft hem toen de blixem niet geraakt?
    Hadt d’oude Kato toen uit d’yzre slaap ontwaakt,
    Wat zou hy zeggen? ach, die tuchtheer zou zijn Rome
    (660) Verwijten, dat het niet een dwingelandt kan toomen,
    En dat in d’eedle stadt, daar Brutus staf wel eer
[p. 24]
    De Dwinglandy verjoeg. De Vryheit leit ter neêr.
Torq. Terwijl de Wrok, Twist, Nijdt, Room’ op het herte trappen,
    Las ik de lekkerny der Grieksche weetenschappen
    (665) In Pallas wijze stadt; daar ik op ’t ledekant
    Al sluimerende’s nachts mijn leeden ruste, van ’t
    Veel blokken afgemat. de midnacht was aan ’t glyën,
    De Rust liet haast haar rijk aan d’Onrust: toen ter zyën
    Mijn zaal al dreunende op het yslijkst oopen borst,
    (670) Laat vaader in, bezwalkt met duisternis, bemorst
    Met bloedt. de toorts, die my met wraaklust heeft ontsteeken,
    Verdreef de nacht. hy sprak: gy moet uw vaader wreeken
    Op Noron, die mijn rijk, en leven roofde. kom,
    Vernoeg mijn ziel. herstel ’t aalouwde heiligdom,
    (675) Deur vyandt, vier, en zee, gesleept uit Priaams muuren.
    Plet Noron. vrees geen staal. Deugt kan metaal verduuren.
    Op naar de Tiber, daar Plancina’s huwlijxbandt
    Van hem ontbonden is, hy heeft mijn hof verbrandt,
    De tempelen berooft, uw’ val alreê gezwooren.
    (680) Veins u uitzinnig, of uw leven is verlooren.
    Hoe, wortme op ’t bedt vergoodt? ga heen, streef door ’t gevaar.
    Verwerp Minerves pen, grijp Mavors beukelaar.
    Toen zweeg hy, en was weg. Ik, ’s morgens uitgelaaten,
    Speelde een zinlooze rol, vloog door d’Atheensche straaten.
    (685) ’t Haair stondt dus opgeknoopt, en al de weerelt was
    Verwondert om de prins van Rome, die zoo ras
    Verandert scheen. ’t Gerucht vloog op haar vlugge wieken
    Toen herwaart aan, en riep: Torquatus raast in Grieken.
    Ten lesten kom ik hier, daar’s vyandts listigheit
    (690) My levert slag op slag, en strijd op strijd bereidt;
    Maar al vergeefs. Noch heeft hy haar, waar van hy ’t leven
    En ziel ontfangen hadt, met helsch vergift vergeven.
    Dus heeft de broederbeul zijn moeder ook verrast.
    Zijn achterdocht hadt ook te vooren streng belast,
    (695) Dat niemant uit het landt naar Parten zouw vertrekken,
[p. 25]
    Om ’t gruwlijk moordtbanket voor Pizo te bedekken,
    Zoo lang als d’oorloog duurt. waart gy dan onderdrukt,
    Zoo zouw de geur’ge Roos, van Noron afgeplukt,
    Uw Juliane, o spijt! ook wraakeloos verslensen.
Pizo. (700) ’k Wensch nu ach blixemgodt!.......
Torq.                                                   Ey zwijg, hier is met wenschen
    Noch woorden niet te doen; maar met dat vreeslijk staal,
    Daar’t rijk op steunt, en dat d’uitheemschen altemaal
    Verschrikt. acht gy geen wraak? uw eer gaat u veel naader.
    Wilt gy dat Rome schrijft met goude lettren: vaader
    (705) Des vaaderlants, in ’t staal, of onder op de voet
    Van ’t marbre praalbeeldt, dat u ’t rijk oprecht; zoo moet
    Gy d’akkren wreeken tot de naarste gallegvelden,
    De steeden, die de borst voor d’oude vryheit stelden,
    Tot kerrekhoven, tot een jammerpoel dees stadt,
    (710) ’t Onttranste Kapitool tot een afgrijslijk vat
    Der bekkeneelen, die de Dwinglandy ontbreinde,
    Door Norons handt gemaakt, de muur, die ons omheinde
    Ten deel gesloopt van pas, om u en al uw macht
    Door in te voeren. kom.
Pizo.                                 O dappre vorst, gy tracht
    (715) God Herkles na te treên, die zich heeft vry gevochten,
    En die de weerelt van ontelbre lantgedrochten
    Verloste. maar voor ons is hier te veel gevaar.
    Hier brult de dwingelandt met oorlogsvollek,* daar
    D’uitheemsche benden, die de Roomsche steeden vullen:
    (720) My dunkt ik hoor alreê het gillen, biezen, brullen
    Van ’t woedend’ ongediert. dies vlie, ey vlie; de doodt
    Dreight hier het vreesselijkst.
Torq.                                           Vreest Pizo nu, ontbloot
    Van d’eerste deugt, de doodt die in vergulde schaalen
    Zich meenighmaal verbergt, en komt wel helden haalen
    (725) Naar Stix van een banket? Vat de Gelegentheit
    Nu by haar lokken. op, terwijl de schender leit
[p. 26]
    Verzoopen in een zee van averechtse lusten,
    Heilooze lekkerny. die rust zoekt moet niet rusten.
    Nu jaagt de Noodt, nu lokt de Tijdt, en d’Eer gebiet,
    (730) De Vryheit klaagt, en roept: verlos my. wie nu vliet
    Toont zich ontaart. laat ons uit marmre grafgewelven
    D’aaloude heldenaardt der vaaderen opdelven,
    En laat ons toonen dat wy zijn Quiriten, van ’t
    Trojaansche bloedt geteelt. en zoo het vaaderlandt
    (735) Moet vallen, laat het dan niet wraakloos gaan verlooren.
    Herstel de heldenaardt die u is aangebooren.
Pizo. ’k Zie ’t zweemsel van een Mars in u, en grooter list
    Als ooit Ulysses hadt: en als gy Pizo hist
    Op Noron, hoort deez’ eeuw een Cicero, die Rome
    (740) Verlossen wil, en kan dien Katilijn betoomen.
    Hy holt noch buiten ’t spoor, het welk de Staat beweent,
    Terwijl hy dreigt, en treft, ja ’t rammelend gebeent
    Van ’t zuchtend’ Rome knaagt. mijn moedt was al aan ’t slippen
    Beanxt voor Noron, maar de blixem van uw lippen
    (745) Stort my een Cezars ziel deur d’ooren in.
Torq.                                                                       Sweer dan
    De val van Noron, en zijn goude scepter an
    De wettige erfgenaam te leevren, te verzetten
    Deez’ onbepaalde macht des dwing’lands, Numaas wetten,
    De burgerlijke staat......
Pizo.                                 Ey zie Torquatus, wacht....
Torq. (750) Wat duisternis is dat? kan d’onbekende nacht
    Met zwarte wieken op de middagh bosch en velden
    Beschaaduwen? wie blust het daghlicht, wie herstelde
    De Tijdt? waar is de zon?

De geest van Manlius.
                                              WAar blijft, waar blijft de wraak?
Torq. Ach! ’t is mijn vaaders geest, en stem.
Geest.                                                           Torquatus staak
[p. 27]
    (755) Het draalen: wreek my.
Torq.                                           Hoe?
Geest.                                                 Wilt gy ’t gebouw doen vallen,
    Zoo breek de zuilen af, trek in de Roomsche wallen.
Torq. Zoo breek de zuilen af; dat is verniel zijn Raadt,
    En vrunden, zuilen van zoo goddelooz’ een Staat.
Torq. ’k Heb dat al lang gezocht, mijn list ontwurp, en stelde
    (760) Een brief op uwe komst, die van een toeleg melde
    Op Noron, en Metel, ja zelf Popil bekladt,
    De spil daar ’t al op draait, zie daar, daar is het bladt:
    Zie hoe het u gevalt.
Pizo.                             Heel wel; nu moetmen d’hoofden,
    En opperste van ’t heir (die my zoo vast beloofden
    (765) Te wreeken ’s vaaders doodt) vergaaderen. op dat
    Men raadslaag wie den brief bestellen zal, en wat
    Ons voorder staat te doen.
Torq.                                     Voor al wilt doch betrachten
    Dat dit terstont geschiet: de tijdt lijdt hier geen wachten.
    Vaar wel, ik ga na ’t hof; op dat mijn afzijn daar
    (770) Geen achterdocht en geeft.
Iul.                                                   Wat dreigt ons al gevaar!
Torq. Daar gaat de droeve maagd naar Pizo’s leegertente:
    Zoo quynt een geur’ge roos, die in de laauwe lente
    Verslenst. wat gruwel is ’t! ach! had ikze afgeplukt.
    Nu heeftze Noron van haar teedre steel gerukt.
    (775) Hy trappeldeze in ’t stof, zy die met gulde straalen
    Rees in de morgenstondt, most voor de middag daalen,
    Ondraagelijke spijt! in zoo vervloekt een poel,
    En naare hel. ik haat haar nu, zy is zijn boel.
    Neen, ’k min haar noch; maar ben van al mijn hoop versteeken.
    (780) ’k Verlies haar wel: maar ’t staal zal ’t op den schender wreeken.

Continue
[p. 28]

HET DERDE BEDRYF.

Noron, Lentulus.

Nor. HEt zeegenrijke Room’ moet voor dees septer beeven;
    Ik voor Torquatus; ach! mijn Lentulus, wy leeven
    Geduurighlijk in zorg voor hem. noch heb ik al
    Een aanslagh voor, waar door ik hem bedriegen zal.
Lent. (785) Vreest gy? hoe! Juliaan kon hem met al haar traanen
    Niet eens beweegen.
Nor.                               Maar de looze Juliane
    Heeft licht de zaak ontdekt, ’k heb nu een andre list
    En raadt bedocht, waar van zelf Sysiphus nooit wist,
    Noch zijn deurtrapte neef; strak zal Torquaat hier weezen,
    (790) Daar na mijn gemaalin. verberg u onder deeze
    Hetruursche leedekant, beluister wat dat hy
    Met haar beraadtslaagt. zie, hy komt al, aan d’een zy.
    Ik ga.
Lent.     Ik zal haast zien hoe ’t met hem is gelegen:
    Hy ziet my niet, ik hem.

Torquatus.
Torq. NU wort Torquatus deegen
    (795) (Nadien ’t Latijnsche heir, zelf Norons vonnis velt)
    Van d’onverwonnen vuist, en yzre duim beknelt
    Van Pizo. zacht, my dunkt ik zie daar iets verroeren;
    ’t Leeft onder de tapijt; ik zal mijn wraak uitvoeren,
    Al was ik schoon ontdekt. hy zal my niet ontvliên.
    (800) Maar stil, wie hoor ik daar? wat of het is! laat zien.
    O hemel! ben ik ook verraên? het is mijn moeder.

Plancina, Torquatus, Lentulus.
Plan. DAar is mijn zoon, maar ach hoe langer hoe verwoeder.
Torq. Wie kust mijn moeder daar, meent gy dat ik ’t niet zie?
[p. 29]
    Hoor, hoor, hoe dreunt de zaal! vlucht Pizo. wech. ik vliê.
    (805) Wat raadt. ey my! stil, stil, hoe? moet ik my niet roeren.
    Ach ach d’Eufraat, en Nijl, en Rijn barst door de vloeren.
    Waar heen, ik vlie, en ’t volgt! ey my het waater wast,
    ’t Omringt my. help! help! help! ik sterf, ik val. Verrast
    Die my verrassen wil. hoe streelt hy Juliane?
    (810) O spijt. dat ly ik niet. hoe biggelen de traanen
    Langs bei haar wangen! wech, vlucht Noron, laat ’er los.
    Hoor Juliaan. ey ga met my. hier, door dit bos;
    Dat hy ons niet en zie. neen dit heên. ach! hoe flonkren
    Uw oogen! ’k zie u wel. wat nevelen verdonkren
    (815) De vluchtigen? hou daar.
Lent.                                              Ey my. o wee.
Torq.                                                                     Ga heên,
    En boodtschap daatelijk, zoo ras gy komt beneên,
    Aan vaaders zaalge ziel, mijn eedle veinzeryen.
    En gy, kunt gy u noch met Noron niet belyen,
    Moet Lentulus al meê ’t bloedtschandig leedekant
    (820) Betreeden? och, ik voel d’onlesselijke brandt
    Uws wulpze mins. Ik moet de zaal noch eens deurzoeken.
Plan. Torquatus, ach ik moet d’onzaalige uur vervloeken,
    Toen ik het bedt betradt met hem, die mijn gemaal
    Ontzielt hadt. Mnemozijn genees zijn harssens, daal
    (825) Van boven af, ey kom. o moeder van de Muzen.
Torq. Van hier, wie is ’t? ey zie ’t afzetsel van Meduze.
Plan. Zoon vrees voor geen verraadt: ’k zweer by ’t verstorte bloedt
    Uws vaaders, by de goo’n, en godtgewijde vloedt
    Van Styx, dat dit gewelf, dees zuil, veel eer zal melden
    (830) ’t Geheim my toebetrouwt, als ik. is dit vergelden
    Uw moeders trouwe zorg? aanschoutge my zoo bars?
    Ja zoon ’t gemoedt kent schult. ik ben dit leeven wars,
    Ik heb de doodt omhelst, ze kan my niet ontslippen,
    Mijn trouwelooze ziel staat op mijn bleeke lippen.
    (835) Erbarm u, of ik jaag zoo daatelijk dit staal
[p. 30]
    Ten boezem in. wel aan. waar na of ik noch draal?
    Nu kom. Gaf iemandt ooit zoo traag een moeder ’t leeven?
    Ey zie, ’t hart klopt van schrik, zijn strijdbre handen beeven.
Torq. Naak my niet met de mondt die d’overspeelder kust,
    (840) Sla d’oogen neêr van schaamt, die de vervloekte lust
    Van Noron prikkelden, o spijt! wech met de handen
    Bevlekt met ’t eedel bloedt van uw gemaal, vlie van de
    Breinlooze zoon, dart gy, die zoo ontaardt, onkuisch,
    Veroorzaakt d’ondergang van uw doorluchtig huis,
    (845) My vatten met de handt, en vingren, die de leeden
    Van’t gruwlijxte ongediert, toen ’t vaaders plaats bekleede,
    Omhelsden schaamteloos op ’t eerelooze bedt?
    Dart gy me naadren met de voeten, daarge met
    Tradt op de ledekant van Noron? en bezwijken
    (850) Noch waggelenze niet? gy die de uitheemsche rijken
    Verstrekt tot een schandaal, verknocht g’u dan aan een,
    Die wellust schept in moordt, en naare afgrijslijkheên?
    Die met een dartle voet dart trapplen op de buiken
    Van zwangre kooningins? laat gy uw glory pluiken
    (855) Van dien verwijfden, die ook d’ongeboornen smoort,
    Die op mijn zeetel bralt door d’onverzoenbren moort
    Mijns vaaders, die de speen heeft van Megeer gezoogen,
    Die bloedt uit d’aadren drukt, en traanen parst uit d’oogen,
    Die maagdeschender, die een welgebooren maagdt
    (860) Verkrachte, daar de stadt, en ’t heele landt van waagt,
    Een die u haat, en geeft de naam van keizerinne
    Om ’t keizerdom? wat is d’onkuische schelm in’t minnen
    Veranderlijk! ja, als de wisselbaare maan.
    Nu zijt gy zijn gemaal, en dan is ’t Juliaan,
    (865) En dan Byrrheen, en dan een ander, het is wonder
    Dat hem geen blixem schen, of vreesselijke donder.
    Eerlooze keizersboel, de naam van moeder is
    Verwaarloost door uw min, waar ’s de gedachtenis
    Van voorige eerbaarheit, daar meê gy waart bepeerelt,
[p. 31]
    (870) Toeng’ als een morgenstar beschitterde dees weerelt.
    De Tracische beulin, die altijdt queelt en springt
    Van tak op telg, nu niet dan uw boelaadje zingt,
    En leert ’t gevoogelt met ’er tjilpen trouwer minnen,
    Beklaagt ’er Ithys. en, ey zeg, waar zijn uw zinnen?
    (875) Vreest gy geen straf, of wraak, of ’t recht, of my, of goo’n?
    Laat gy zoo achteloos uw vaaderlooze zoon
    Elendig dwalen, en bestormen door de laagen
    Der List? ach! reedelooze en felle dieren, draagen
    Haar jongen met gevaar door vier. Plancina haat,
    (880) Als reedeloozer, haar vervolgde zoon. verlaat
    Een moeder dan haar kindt, daar brullende leeuwinnen,
    Daar Room’lus voedsters, daar gevlakte tigerinnen
    Haar vruchten queeken, ja, wen haar de list belaagt
    Des hongerigen leeuws, elkandren onvertsaagt
    (885) Ontzetten, als men ziet haar leegersteê besprongen?
    Ja d’Adelaar betreurt zijn pluimelooze jongen
    In ’t hoogste van de lucht, als haar de landtman heeft
    Gerooft. het schynt of gy alleen maar weederstreeft
    De wetten van Natuur. ben ik van u gebooren?
Plan. (890) Ey zwijg, o hemel! ach! wat moet ik hier al hooren!
Torq. Denk dat de gramschap brult door mijn verwoede mont,
    Die wraak roept, Juno, ach, goodin der gooden, kondt
    Gy huwlijkmaakster die bloedtschend’ge trouw gedoogen?
    Wat schrikkelijk bedrijf! hoe zijt gy zoo bedroogen?
    (895) Trek weer uw schaamte an, en beween, betreur de min
    Die de nakoomeling niet looven zal, dat in
    De boezem van een maagd, ’k zwijg keizerin van Romen,
    Gehuisvest wierdt: kond gy uw wellust niet betoomen
    Wellustige vorstin? ga. streel uw dwingelandt.
    (900) Gy zijt geen moeder, en een vaadermoordster. ’t landt
    Vervloekt en haat u. ach! waar zal ik hoop op bouwen?
    Het alverteerendt vier, en de ver woede vrouwen,
    Met d’overwreede zee, drie snoode gruwlen zijn.
[p. 32]
Plan. Als gy de dartle straft, o opperste Jupijn,
    (905) Zoo schent gy haar op ’t lijf ondraagelijke elende,
    Ik ben van dat getal, waar ik my keer of wende,
    D’aarde is my veel te naauw, de hemel noch al t’eng.
    ’k Schrik voor mijn schaduw zelf, kom hier mijn zoon, kom! pleng
    ’t Schaamachtig bloedt.
Torq.                                  Het loon van zulke schellemstukken
    (910) Is end’loos knaagen in het vuil geweeten. rukken
    De moeders zoo haar zoons naar’t graf? wie leit daar neêr,
    Kent gy den schelm?
Planc.                            Ey hoor.
Torq.                                           Verschoon u niet, ’t zy veer,
    Men kan geen schelmery met cierelijke woorden
    Verschoonen.
Planc.                Die, o zoon, een vonnis velt, en hoorde
    (915) Niet dan een zy, of hy schoon recht geoordeelt hadt,
    Is evenwel daarom noch niet rechtvaardigh. wat
    Door list of dwang geschiet en is geen schelmerye.
    Byrrhenes list dwong my uw vaaders bedt t’ ontwyen
    Door heiloos rijm, waar voor Circe en Medea zwicht,
    (920) Dat het bestarndt gewelf uit d’yzre naaven licht.
    Zy die de Jaghtgodin haar kuisheit zou ontdraagen,
    Ontdroeg de mijne, maar van deeze ontdekte laagen,
    Die ’t al weet is ’t bewust, en weet uw moeder niet.
    Dank heb uw dapperheidt, en list, die hem verriedt.
    (925) Mijn ongevallen zijn verdweenen, Brutus deugden
    Herleeven in mijn zoon. ik zwym byna van vreugden
    Nu gy niet zinloos zijt. help Noron maar van kant,
    Geloof mijn onschult.
Torq.                               Haat dien norssen dwingelant
    Dan om mijn vaaders wil, ik zal zijn neêrlaag wreeken.
Planc. (930) Wat ’s dat?
Torq.                             ’t Is Pizo, zacht, hoor de trompetten steeken.
Planc. ’t Is tydt te gaan.
[p. 33]
Torq.                               Ey ga strak naar beneeden toe,
    Zeg dat gy my hier in de zaal liet, maar, zwijg hoe
    Ik Lentulus bedroog. Vraagt iemand naar hem, moeder
    Zoo speel d’onweetende, zeg dat ik ben verwoeder
    (935) Als ooit. Ik zal dees schelm verschuilen, dat men niet
    Zal weeten, waar ik den bedroogen Lentul liet.

Noron. Sabinus. Serv.
Nor. VErleer nu Pizo dus in Norons kroon te vliegen,
    Sabinus veins, hy komt. wy zullen hem bedriegen.
    ’t Vermoeide heir leit stil, is de bezetting wel
    (940) Verdeelt?
Sabin.                  ’t Is al verzien, men wacht slechs uw bevel.

Pizo. Noron. Sabinus. Serv.
Pi. O Vorst die heerlijk op Augustus marmre troonen
    Godt Room’lus rijxstaf zwaait, en d’Oost en Westerkroonen
    Verovert hebt. terwijl dat onze weerelt hoort
    Het yslijk dreunen van de Partsche val, viel ’t Noordt
    (945) Voor u te voet. Ik quam, ik zach, ik won. heel Parten
    Gaf ’t op; toen Cezar ’t op zijn eigen boodem tarte.
    Dees arm versloeg het heir van d’ongetemde Scyt,
    De Noordtsche Beer, die met schenzieke klaauwen rijt,
    Most zwichten voor de kling, die aan mijn vingren kleefde
    (950) Door ’t stremmend Partenbloedt. In ’t Roomsche heir herleefde
    D’alouwde krijgstucht. Sluit en grendel d’ysre deur
    Van Janus tempel nu; de Vreede zit ’er veur.
    De Trouw, d’Onnoozelheit, en ’t Recht keert naar den Tiber,
    De felle Luzitaan aan geen zy van den Iber,
    (955) Die d’Ister laaft in ’t Noordt, en die de Nijl bezit,
    Ja de vergalde Gal, zelf d’afgescheide Brit
    Genaaken ’t kapitool met keetenen behangen,
    Om goude wetten uit uw strijdbre vuist t’ ontfangen.
    De weerelt is getemt, en offert haar geweer,
[p. 34]
    (960) Tot Romens dienst hersmeedt, voor uwen zeetel. leer
    Haar nu gehoorzaam zijn. O Vorst, ’k heb ook vernoomen
    Mijn vaaders doodt, die in het overgaan van Romen
    Gebleven is. heeft hy misdaan, gedenk het an
    D’onnooz’le zoon nu niet.
Nor.                                       Maar hoor: gehoorzaam dan
    (965) My, als uw oppervorst, en is uw vaaders leven
    In d’oorelog verkort, dat moetmen my vergeven.
    Denk dat de waapenen geen maat en konnen by
    Het woeden houden. ik streedt om de heerschappy;
    Hy voor zijn vorst, en sturf: maar dat ’s al lang geleeden,
    (970) Men denk ’er niet meer om. omhels met my de vreede,
    En voe geen wrok; zoo dra als ’t eens is uitgewoedt,
    En d’overwinner zijn geweer afleidt, zoo moet
    Ook d’overwonne strak zijn haat afleggen. laaten
    Wy om een ongeluk elkanderen niet haten.
    (975) ’k Zweer by de kroon, daar ik mijn haairen meê vercier,
    Dat wy u eeren. ga, en geef den lauwerier
    Aan godt Jupijn. volbreng de beedeloft: ga heenen
    Beroemde veldtheer, die heel Aziën deedt steenen:
    Jupijn die wenkt u toe.
Pizo.                                 Beheerscher van de goo’n,
    (980) En blixemdraager, die van uw onzichbre troon
    De vorsten breidelt, en met schriklijk blixemslingeren
    De hemel pooplen deedt, toen uw gevreesde vingeren
    De berregstaapelers in Etna sleepten, laat
    De strijdbaarheit de wiek uitbreiden van dees Staat;
    (985) ’t Welvaaren van dit rijk, en Romen eeuwigh duuren.
    Ey stut, o Kreetsche godt! de Palatijnsche muuren.
    Dat d’aarde Rome voor haar keizerin erken.
    Dat nimmermeer de zon, die ’t daglicht aanvoert, en
    Brengt weg, iet grooters zie dan Room’. laat Albaas bijlen
    (990) Verdelgen zeegenrijk, wat met vergifte pijlen
    Aan d’lster en Euxin, de Tiber drijft tot wraak,
[p. 35]
    Dat niemandt Rome dan al bevende genaak.
    De Roomsche bundelen regeeren al de weerelt.
    Dat alles voor ons buig, of barst. hoe! ach! wat dweerelt
    (995) In mijn heerschzuchtig brein? onreedlijke gebeên?
    Jupijn verhoor my niet; wat eisch ik? neen, o neen.
    ’t Rijk is al groot genoeg, bewaar het onverwonnen,
    En ongeschendt, zoo lang ’t vuur der Vestaler nonnen
    In Vesta’s haardtsteê glimt, zoo lang de zoute zee
    (1000) De zoete stroomen zwelgt. Dat een geduurig wee
    Plaag die de vreede eerst breekt. neem de beloofde telgen
    Die u zijn toegewijdt, terwijl d’altaaren zwelgen
    De schuldige offerhandt, het weeldrig’ Romen eert,
    En looft uw godtheidt, nu het Aziën beheert.
    (1005) Ey hoor, hoe dus verbaast?

Tiggellinus, Noron, Pizo, Sabinus, Serv.
Tigg. EY laat my wat bedaaren,
    Ik hijg om aamtocht.
Nor.                               Hoe, wat is u wedervaaren,
    Wie lydt’er last? zeg op.
Tigg.                                     Ontzichbre Majesteit,
    Daar het vermoeide heir nu van mijn broeder leit,
    Dicht aan de Tiberkant, aan geen zy van oudt Romen,
    (1010) Stondt flus noch Numaas zuil: men heeft al lang vernoomen
    Hoe dat dees zakte, ja elk een hadt in de mondt:
    De godt des Tibers wroet, en ondergraaft de grondt,
    En delft een hol, daar hy zijn heimlijke boelaadje
    In pleegt, gelijk als in beschaduwde bosschaadje
    (1015) Godt Faunus nimphen streelt, zoo doet hy hier nu meê;
    Ten lesten schudze en helt, tot dat ’er uit de zee
    Een windt komt, afgerecht op ’t drijvend’ zwerk te jagen,
    Op kielen slingren, vlooten sloopen, bossen plaagen,
    Die hem ter neêr velt; elk schrikt door de zware val:
    (1020) Maar ’t was noch niet genoeg, het onluk hiel geen stal.
[p. 36]
    Daar wiert een jongeling naar Tenarus gedreven,
    Die eerst in d’uchtend’ was van ’t aangenaame leven.
    Een Roomsche Adoon wiert van de val geheel verplet,
    Rampzaal’ge schoonheit was met bloedt, en stof besmet;
    (1025) Hy lag als maakzeloos. wie had toen geen meedoogen?
    ’k Zagh hoe zijn aaderen vast lilden, een van d’oogen
    Lag op zijn wang, die al gedoodtverwt was, het haair
    Hing ongekronkelt neêr, en droop van bloedt, heel naar
    En deerlijk zagt ’er uit, een half gepletterde arrem
    (1030) Lag avrechts onder ’t lijf, terwijl men met gekerrem
    Hem los maakt, vondt ik in zijn borst dit bloedig bladt,
    Doch zonder opschrift. ik geboodt toen dat men dat
    Bebloedt onkenlijk lijk zou in den stroom afwassen,
    En doen’t de laatste plicht.
Nor.                                       Men wil ons hier verrassen.
Tigg. (1035) Nu onze list en kracht de zuil deed vallen, acht
    Heel Rome dat ’er een verplettert is.
Pizo.                                                       Ey zacht.
    Zwijg broeder.
Nor.                     Is ’t een droom? of zijn het toveryen,
    Die mijn verbaast gezicht doen scheem’ren? snoodetyen
    Waar in ’t heiloos Verraat werdt op den troon gezet
    (1040) Der witte oprechte Trou. heeft hem de zuil verplet,
    Die zoo lang zakte? staat Popil noch naar mijn leven!
    Ondankbre heb ik u de macht, ’t geweer gegeven,
    Op dat het my in ’t hart zou vaaren? hoe! verraadt
    Gy met Metel uw vorst?
Pizo.                                   Het twijffelachtig quaat
    (1045) Gelooft men eerder als het tegendeel. ’t mach weezen
    Dat gy bedroogen wort deur wantrouw. vrees niet.
Nor.                                                                             Vreeze,
    En staal bewaart het rijk. Servilius, ga haal
    Metellus en Popil strax uit mijn groote zaal,
    Daar nu de Raadt vergaart. Liet gy den schelm verplettren
[p. 37]
    (1050) O goo’n! Sabijn kom hier, lees zelf d’heilooze lettren.
Sab. Zie toe. dees zaak is vol gevaar, naadien Popil
    ’t Oproerig graauw heeft op zijn handt, en waar hy wil
    Die Hydra met zich sleept, ’t zijn ysselijke tanden
    Daar dat gedrogt meê dreigt.
Nor.                                           De zwaare rechtbijl van de
    (1055) Verstoorde keizers stut heel licht ’t oploopend’ graauw.
    Op, op getergde straf, sla uw bebloede klaauw
    In d’haatelijke borst der schelmen. Hoe bezweeken
    De stijlen van mijn troon? waar meê zal ik my wreeken?
    Mijn gramschap vaar op ’t felst, ’t is u geoorlooft, voort.
Sab. (1060) O vorst ’t is princelijk te doen het geen behoort,
    En dat geoorlooft is, ey wil genaadig weezen.
    Vreest gy het graauw niet?
Nor.                                        Hoe, men hoort den vorst te vreezen
    Om zijn rechtvaardigheit.
Sab.                                      Maar meer te minnen.
Pizo.                                                                        Mars,
    Beschermt de vorst in noodt, en onder ’t naar geknars
    (1065) Van ’t vyandtlijk geweer.
Sab.                                                 Rechtvaardigheit bescherremt
    De vorst, en Trouwheit meer, noch meer gena.
Pizo.                                                                       Erbarremt
    U over hen! neen vorst, na het mislukt verraadt,
    En na de toeleg der verloochende onderzaat
    Is het uw vyandt, en zijn vyandt te verpletten
    (1070) Is vorstelijke deugt.
Sab.                                         Het ongelijk verzetten,
    De smart vergeeten van de toegedreeve spijt,
    De gramschap toomen, en ’t verdraagen van de nijdt,
    Is goddelijke deugt. Wil Cezar zijn een vaader
    Des vaaderlandts, hy spaar het burgerbloedt.
Nor.                                                                    Verraader,
    (1075) Rep my van geen genaê, ze zijn geen leven waardt.
[p. 38]
    Ik ben godt Noron, en gewyde godtheit spaart
    Geen schelmen: zijnze daar? ’t bang, en verbaasde weezen
    Wijst strak de misdaadt aan. gy moet dit schrift eens leezen.

Popillius. Metellus. Noron. Pizo. Tiggelinus. Sabinus. Serv.
AAN POPIL, EN METEL.
POpil en Metel, ik heb uw last byna volbragt, de stadthouder van de plaats, daar ik my teegenwoordig onthouw, is endelijk in ons heimelijk verbondt getreeden. Hy rukt zijn machten by een, om onzen toeleg te doen klemmen, en naadruk te geven. Nu zal de weerelt haast verlost worden van een dwingelandt, die korts zijn moeder vergeven heeft, om datze zijn bloetschandig huwlijk wraakte. die korts: maar om ’t al’eronmenschelijxte ongediert uit te drukken, is de naam van Noron genoegh. Verwacht ons op de bestemde tijdt, en vaart wel.

Pop. Wy worden t’onrecht van uw vyanden bekladt.
    (1080) Men steekt hier naar uw kroon. de Staatzucht heeft dit bladt
   Beschreeven.
Nor.                  Ja, zoo is ’t. Boeit hem.
Pop.                                                       De Burgermeester
    Noch flus uw amptgenoot? elk siddert, en elk vreest ’er.
    O Tiberstroomgodt hef het hooft eens uit uw kil,
    Zie wie het helsch bedrog met list bedriegen wil.
    (1085) Komt bindt de handen, die den scepter van Germanje
    Opofferden aan Room’, die ’t ongastvry Britanje,
    Spijt d’Oceaan die vol gedrochten is, het lest
    Verwoesten, die uw staf verdedigden in ’t West.
    O vorst uw wantrouw wil uw trouwste vrundt verdelgen,
    (1090) Maar ach! waar wilt gy ’t doen? op ’t veldt? dat deed ik zwelgen
    Het vyandlijke bloed, daar staan de graven van
    De kooningen, daar ik van zeegenpraalde. kan
    Een Prozerpijn dit zien met onbarmhartige oogen?
    Doot gy my in de stadt, daar staan de zeegenboogen,
[p. 39]
    (1095) Daar staat mijn zegenpronk, die schudden zou van rouw,
    En weenen; ja de zuil van ’t Aventijnsch gebouw,
    Die van de beukelaars en waapens plach te blinken,
    Die ik de dwingelands ontgespte, zal verzinken
    Van spijt; was ik ’er by, of maar omtrent, haar val
    (1100) Zou my verpletten, om mijn ziel naar ’t zaalig dal
    Te zenden, onbevlekt van een oneerelijke,
    Of slaafsche dood.
Met.                           Indien men in des vyandts rijken
    Gewaapende vernielt, en in zijn vaaderlandt
    Zelf ongewaapende met wreedtheit helpt van kant,
    (1105) Ei zeg met wien wy dan ten lesten zullen leven?
Popil. Wort dan mijn eerste deugt deez’ ontrouw toegeschreven?
    Zie voor u wat gy doet. Een rechter moet voor al
    De waarheit weeten, eer hy iemant straffen zal.
    Waar is ooit trouwloosheit in al mijn doen gebleeken?
    (1110) O vorst! ’t is kooninglijk d’elend’ge voor te spreeken.
    Ach spreek voor my, en lees mijn ontschult uit het bladt
    Van mijn verleên bedrijf. ik ben onnoozel. dat
    De vaaderlijke deugt, die met ontelbre monden
    Om recht roept, voor my spreek: denk hoe uw kroonen stonden
    (1115) En waggelden van schrik in d’oorlog van de Meedt,
    En hoe mijn vaader maar alleen voor Rome streedt,
    Als ’t afgestreeden was door droeve nederlaagen;
    Heeft toen die Decius den vyandt niet geslaagen,
    En willig voor de Staat ’t zielmilde bloedt verstort?
    (1120) Zijn faam zwel uit zijn graf, en smeek voor my. gy wort
    Niet als om recht verzocht.
Nor.                                         Die stoft op zijn geslachte
    Steunt op een anders deugt: een misdaat wischt gedachten
    Van duizend diensten uit. is hier verschoonen an?
Pop. Die d’al’ergrootste dienst genooten heeft, vindt dan
    (1125) De dankbaarheidt onnut. wat ongeval ontrukte
    My Cezars gunst? o vorst! ’t is vorstlijk d’onderdrukte
[p. 40]
    Weêr op te rechten. en al is ’er schoon misdaan,
    Zoo strekt een vorst een godt zoo hy ’t vergeeft. hier aan
    Hebt gy onsterflijk stof. wat kan Iupijn vergeven
    (1130) Zoo niemandt zondigt? ach! hoe dikmaal heb ik ’t leven
    Voor u gewaagt, en strekte uw rechtehandt, ja zelf
    Toen gy uw broeder zondt naar Plutoos droef gewelf.
    Gedenk mijn voor’ge dienst; zoo moet Quirinus waagen
    Uw godtheit, afgeheerscht, uit deeze weerelt draagen,
    (1135) Jupijn u noo’n ten disch daar hy zijn Juno kust,
    Zoo zet hy Noron in een zeetel by August,
    En gy de nektarschaal aan de koraale tippen
    Van d’overschoone mondt van uw gemaal. haar lippen
    Slaan dan met d’uw de maat van eendracht. en zoo moet
    (1140) De weerelt sidderen beanxt, verschrikt, bebloed;
    Als deze voeten, die ’k omhels, d’oproer’ge steeden
    En trotse kooningen te barsten trappen. Reeden
    En Recht, ’t pleit al voor my.
Nor.                                           Al lang genoeg gemart,
    Breng hem van kant.
Pop.                             O spijt! zijt gy zoo wreedt? hoe dart
    (1145) Een koningklijke ziel, zoo eedel, welgebooren,
    Verraadt bedenken? ach! wat komt my hier te vooren!
    Gun my een zachte doot.
Nor.                                     Neen, neen, ik ben nog niet
    Verzoent. Serviel ga heên, maar dat hy ’t niet ontvliedt,
    Doet hem door pijn ’t verraadt ontdekken, laat hem ’t voelen
    (1150) Wanneer hy sterft. niet kan mijn heete gramschap koelen
    Dan bloedt.
Pop.               ’k Schrik voor geen pijn, kom ran Popil vry an.
    Ik ga. kom voort. laat ik d’ondankbre weerelt dan,
    En is die dwingelandt het heilig recht ontwossen?
    Ik laat de weerelt, ja, neen, neen! ’k wilze eerst verlossen
    (1155) Van dien Prokrust. gy zult met my naar Phlegeton.
Nor. Popil is my ontslipt.
[p. 41]
Pizo.                               Ontdekt nu ook de bron,
    Daar dit verraat uit spruit.
Nor.                                       Wie handthaaft noch uw laagen?
Met. Ach! gy belaagt u zelf, en slaat met wreede slaagen
    In ’t ingewandt, en in de boezem van uw Raadt.
    (1160) Popil gy koopre zuil van de Latijnsche Staat,
    Maar nu ter neêr geploft, (steent Room’ noch niet van rouwe?)
    Hoe eereloos wort hier uw al te licht vertrouwen
    Met wantrouw, en uw trouw met trouwloosheit beloont!
    O snoode wreetheidt die d’onnoozlen niet verschoont!
    (1165) De wreede stichter van dit quaadt ontschuilt de tooren
    Des dondergods, noch bijl van Themis niet.
Nor.                                                                   Mijn ooren
    Wat hoort gy aan? hoe lang zult gy hartnekkig zijn?
    Wy zullen u door dwang der ysselijkste pijn
    De t’zaamgezwoorenen, en ook hun hooft doen melden.
    (1170) ’k Zweer by mijn staf men zal u trouloosheit vergelden.
Met. Bedenk de felste doot van dees moordaadige eeuw,
    Zend my in ballingschap, daar ’t nimmersmeltend’ sneeuw
    De ruuwe Geet bedelft, noch zal ’t gemoedt niet zwichten.
    Zou mijn oprechte mondt d’onnoozelen betichten
    (1175) Met valsche misdaadt? neen. O ongekreuktste tong
    Die ooit voor ’t heilig recht op ’t twistig Rostra drong,
    Gy spraakt onnooz’len voor, kont gy voor my nu spreeken!
    Mijn valsche vrunden zijn in tegenspoet geweken.
    Vorst, oordeel my gelijk gy wilt geoordeelt zijn
    (1180) Van Eäkus, die nu by d’onderste Jupijn
    De vierschaar spant.
Nor.                             Serviel ontsluit de koopre deuren
    Van ’t Mamertijnsche hol: ga daar uw straf betreuren.
Met. Ik ben gereed, mijn deugt staat tegens d’ondeugd schrap,
    Ik ga naar ’t eerlijkst’, en gewenste ballingschap,
    (1185) Dat my medoogend’ komt uit zulk een weerelt rukken.
    Ik krijg mijn loon. dit ’s ook een van mijn heldenstukken:
[p. 42]
    Gy hebt mijn haat bezuurt Kalphurnius. kom neêr,
    En zie uw wraak eens aan, het vyandtlijk geweer
    Is op zich zelf gewet, ’t bloedt spat in uw laurieren,
    (1190) En Pizo ziet van ons zijn vaaders uitvaart vieren.
    Nu zie ik eerst hoe dat d’oordeelen van Jupijn
    Veeltijdts verborgen, maar nooit onrechtvaardig zijn.
    O groote veldtheer gy most op Tarpejaas heuvlen
    Door het gewette staal van dien betichte sneuvlen,
    (1195) Uw vyandt stortende in het zelfde moortgeweer,
    Leit voor de voeten van uw marmre pronkbeelt neêr:
    En Noron offert nu veel bloedige offerhanden
    Aan uw verraste ziel: ons zelf door onze handen.
    Op strijdbre Pizo, op, gesp nu het harnas aan.
    (1200) Hoe, ment uw wraak noch niet de vierige oorlogsraên.
    Het vaaderlijke bloedt eischt meer te zijn gewrooken
    Dan aan Popil. nu moet de dorstige aardt noch rooken
    Van mijn en Norons bloedt. slaphartige gy zult
    Uw vaaders steene mondt strax spreeken doen, hy brult,
    (1205) Hoor! hoor! hy schreeuwt al wraak met donderende woorden
Pizo. Hebt gy dan een gedult dat al dit lastren hoorde?
Nor. Weg met hem. Heel met my ’t inkankerende quaadt;
    Ga onderzoek voor ons dit duistere verraadt.
    Ga Pizo, laat Metel door pijn ten mondt uitwringen
    (1210) Wie dat ’er is aan vast. Ga hem nu ook bespringen,
    En zet hem by Metel. Sabinus volg hem na,
    Belet dat hy niet naar zijn leeger vlucht, en ga
    Hem strak met Tiggellijn verrassen en bezetten.
    Zo moetmen Pizo eer hy ’t merkt met list beletten
    (1215) Dat hy zijn vaaders doodt niet wreek. ’t Gaat wel, nu zal
    Ik ’t heir bezetten eer ’t gerucht hoort van zijn val,
    En doen dan d’oversten, daar na al d’oorlogsbenden
    ’t Geweer afleggen. zoo zal Cezars zorg haast enden.
[p. 43]
Iuliane. Torqatus.
Iul. EY my wat hoor ik daar! wat schrikkelijk gerucht?
Torq. (1220) Uit wat beklemde borst barst zoo benaud’ een zucht?

Pizo. Iuliane. Torqatus.
Pizo. HEt barsse staal drijft my naar uw gehaate rijkken,
    Ach Proserpijn ’k voel dat mijn beenen al bezwijkken,
    Laat los. zie, zie mijn bloedt hoe ’t zijpelende in d’aardt
    Naar ondre vliet tot op den troon van Pluto, daar ’t
    (1225) Met purpre woorden spelt: die Pizo die te Romen
    De strijdbre Tiber deedt beheerschen al de stroomen,
    Ja zelver d’Oceaan, zal daatlijk by u zijn.
    Indien ik niet en vlieg naar d’opperste Jupijn.
    U pleng ik al dit bloedt, de wreedtheit heeft geen vatten
    (1230) Aan d’onverwonne ziel. Moet dan dees nimmerzatte
    En helsche schouburg, op dit naar bebloedt tooneel,
    My sneuvlen zien?
Torq.                         Vervloekt lotwissel, dat ons heel
    En al ter neêr drukt.
Iul.                               ’t Zy g’ ons quetst, of toont meêdoogen
    Al even vinnig!
Torq.                     Slaat gy altydt onbewoogen
    (1235) De zuchten in de windt?
Pizo.                                               Waar is mijn beukelaar?
Iul. Die is behouden.
Pizo.                         Ach! mijn zuster, isze daar
    Zo is mijn eer bewaart.
Iul.                                     Hoe kan ik dit verdraagen!
Pizo. Ik ben op ’t onverwachtst verrast van Norons laagen.
Torq. Is ons geluk verkeert in zoo een oogenblik?
Pizo. (1240) Uw wettig erfrecht is tot d’al’erjongste snik
    Mijns aadems voorgestaan, tot d’al’erlaatste druppel
    Bloed streng gehanthaaft, kom mijn will’ge ziel, op, huppel
[p. 44]
    Naar uw beschoore weelde. o wee! ach! vaader Mars,
    Ey laat my hier toch niet, ik ben dit leven wars;
    (1245) Elendig vaaderlandt! kom hier mijn Juliane,
    Omhels my.
Iul.                   Ach voor ’t lest.
Pizo.                                           Hou op, ey droog uw traanen.
    ’t Schijnt dat hy nijdig is die zich bedroeft om een
    Onsterffelijke doodt. ik sterf noch niet. o neen!
    Dit is ’t beginsel van mijn leven, ’k word herbooren,
    (1250) Nu ik dit bloet stort voor mijn vrienden. Wiltme hooren
    Mijn Juliaan, ik sterf, en laat geen nazaat na
    Voor het gemeene best; maar niettemin ik ga
    Niet kinderloos van hier, ’k heb Thaborteen’ mijn dochter,
    Die rode wangen heeft van Partenbloet, noch brocht ’er
    (1255) Dit staal meer andre voort, d’Arax, d’Hyrkaansche zee,
    Waar in de Partsche vloot zoo schendig schipbreuk lee
    Op Roomsche klippen. Ach! verschuilt voor Norons laagen.
    Treurt niet te veel. men moet zijn nootlot willig draagen.
    Verlaat het nijdig Room’. al lang genoeg geschreit.
    (1260) Ik zal de zwaare slag van uw ondankbaarheit
    Latijnsche Staat, nu niet stilzwijgend met my draagen
    In ’t graf. de weerelt zal van haar, en my noch waagen.
    Gaat, voert mijn doodtbus straks uit Norons heerschappy,
    En datmen dan op ’t graf met Roomsche lettren sny:
    (1265) ONDANKBAAR VADERLANDT, GY HEBT OOK HET GEBEENTE
    VAN PIZO NIET. vaart wel.
Torq.                                   O flonkerendt gesteente
    Aan Romens weereltkroon, ontzeg uw asschen vry
    Aan deez’ ondankbre stadt, en ’t Kapitool, ’t welk gy
    Bewaarde, dat het niet tot asch verviel.
Iul.                                                             O gooden
    (1270) Nu is Rechtvaardigheit, en Deugt van d’aardt gevlooden.
    Komt gy hier zonder heir, waar was flus uw beleit?
    Ach! wreede heemel! die de dwinglandt hebt gevleit,
[p. 45]
    Hem hier niet wel gedient, my schendiglijk bedroogen;
    Hoe kunt gy dit bezien, en blijven onbewoogen?
    (1275) Ik volg u. geef my toch geweer.
Torq.                                                         Mijn lief gy treurt
    Onmaatelijk. ey hoor.
Iul.                                 De heele weerelt scheurt
    My van geen broeder af, ik wil mijn macht gebruiken.
    Moet dan een eeuw’ge slaap mijn broeders oogen luiken?
    G’onthout my ’t staal; maar leer aan Brutus gemaalin
    (1280) Hoe vrouwen sterven. kom. zwelg gloe’nde koolen in.
    De Doodt ga door mijn mondt het ingewandt verbranden.
    Het pijnlijk vier volbreng ’t geen uw’ onwill’ge handen
    En staal my weigerden.
Torq.                                 Wacht Juliaan, sta stil,
    Zwel door ’t geluk niet, en draag ongeluk.
Iul.                                                                  Neen, ’k wil
    (1285) Niet leven, zwijg; o doodt gy schuwt elend’ge harten,
    En volgt gelukkigen, hoe lang laat gy u tarten?
    Ey ran my aan.
Torq.                     Men hoort met altijt effe ziel
    Geluk of ongeluk te draagen naa ’t dan viel.
    Lach noodt en sterflot uit. gy zult de smart dan kunnen
    (1290) Als vreugt verdraagen.
Iul.                                               Zie, zijn bloedt begint te runnen;
    Het stremt, kom Phebus uit uw goddelijke zaal,
    Neem Ganimedes af zijn goude nektarschaal,
    Bespreng dit bloedt, doe hier een Hyacint uit groejen,
    Zach Venus op een telg dit gloejend’ purper bloejen,
    (1295) Ze liet Adoon, en vlocht een krans uit Pizoos bloedt
    Gesprooten, dat de Raadt en burgers treuren doet.
    Ja zy vergoode hem zach zy maar eens naar ondren
    Op ons. neen! Rome vloektze, en smeekt Jupijn om dondren
    Tot straf van maagdekracht; rechtvaard’ge Cypris, ziet
    (1300) Room niet eens aan.
[p. 46]
Torq.                                       Wie daar?
Iul.                                                           ’t Is Norons lijfwacht: vliedt,
    En laat mijn broeder hier, zoo zalm’ in huis niet zoeken.

Sabinus. Servius. Iuliane.
Sab. IK magh de listigheit van Pizo wel vervloeken.
    Ik ben om hals, zoo hy ’t ontvluchten kan. waar of
    Hy is?
Ser.         Hier leit hy neêr.
Sab.                                   Men sleep hem strak naar ’t hof.
Iul. (1305) Benijdt men my uw lijk tot assche te verbranden?
Sab. Kom voort met Tiggelijn, boeit hem met vaste banden.

Continue

HET VIERDE BEDRYF.

Noron, Plancina.

Nor. ’k HEb Lentulus gezocht deur ’t heele hof. heeft hy
    Niet flus by u geweest Plancina, of hebt gy
    Hem niet gezien?
Planc.                     O neen.
Nor.                                     Waar is hy dan gebleven?
    (1310) Het schijnt dat Noron moet bezorgt en angstig leven.
    Ei gaat wat aan d’een zy.

Servilius. Noron.
Ser. MEtel, o groote vorst,
    Heeft strak zich zelf vernielt, noch ongepijnigt. dorst,
    Riep hy op ’t lest, en zag heel vreesselijk, verbolgen,
    Den dwinglandt na mijn bloed. ik zal Popil naavolgen,
    (1315) Daar leven duizenden die ’t wreeken zullen.

Torquatus. Noron. Serv.
Torq. WEgh,
    Ontzinnige. waar is Torquatus? is hy ’t, zeg?
[p. 47]
    Uw moeder laat niet zich met Noron te vermengen.
    Dit niet alleen, noch most zy Lentuls wieken zengen
    In zoo een helsche vlam. hy lag op ’t leedekant,
    (1320) En wachte haar. zy quam. toen heeft dit staal zijn brandt,
    En min strax uitgeblust met bloedt dat uit de wonden
    Liep langs ’t behangsel neêr. de luiperdt is verslonden.
    Volhardt maar, en veins voort Torquatus; Noron zal
    Flus ook van kant. ja, ja hy moet, ik zie hem al.
    (1325) Dat gaat ’er voort na toe, en dit ’er deur.
Nor.                                                                         O gooden!
    Wat koomen my nu al gedachten voor. Hem dooden,
    Hy lag op ’t leedekant, hy wachte haar. waar zijn
    Mijn zinnen? ach wat ’s dit. hoe is ’t maar Tiggellijn,
    Wel waar is Pizo heen?

Sabinus. Noron. Tiggelinus. Ser.
Sab. HY heeft de geest gegeven,
    (1330) Hy vocht zich doodt.
Nor.                                           Wie staat noch al naar Norons leven.
    Wie is aan de aanslag vast?
Tigg.                                        Niet dieze u heeft ondekt.
    Is dit voor zoo een dienst?
Nor.                                       Die weldaat en verstrekt
    Geen weldaat die men doet onweetent, ’k zal wel krijgen
    ’t Verborgen van uw list door pijn.
Tigg.                                                   En ik moet zwijgen
    (1335) ’t Geen ik niet weet, ach!Vorst, uw wantrouw, haat, en ’t staal
    Zijn de verraaders, dees bezwooren altemaal
    Als met gestaafden eedt uw trouwen Raadt t’ontzielen,
    Nu heeft uw slinkerhant, op Grieksche wagenwielen
    In ’t Roomsche renperk om te mennen afgerecht,
    (1340) Uw rechter handt, die stadt aan stadt, en rijkken hecht
    Aan rijkken, afgekapt, ontrooftge my ook ’t leven,
    Zo zal uw Raadt ja Staat de laatste dootsnik geven
[p. 48]
    In deez’ benaaude tydt.
Nor.                                 ’k Zal eerst uw schelmery
    Met ongehoorde straf vergelden, gy zocht my
    (1345) Het rijk t’ontroven, en uw vaaders doodt te wreeken.
Tigg. Hier strekt d’elendige, van hemelhulp versteeken,
    Een zachte doodt een gunst, het pijnlijk leven straf.
    Trawant leen my uw kling, hoe raak ik noch in ’t graf?
    Wel aan dan. wilt gy niet? die ’t licht staat om te sterven
    (1350) Ontbrak ’t nooit aan geweer. Begunstig my Minerve.
    Ay my!
Nor.         Hoe wordtge zoo van razerny geplaagt
    Dat gy u zelf verplet, wat raadt ik wordt belaagt.
    ’k Weet niet van wie. zeg schelm, voor wie zal ik my wachten?
    Wie zal ik straffen? ach! gy poel der eeuwge nachten,
    (1355) En rijken tegens godt Jupijn altydt gekant,
    Die d’heemel laagen legt, zeg wie dat my aanrant,
    Is ’t Juliane ook? ja al was zy ’t, z’is een vrouwe,
    Haar broeders zijn van kant, wie zal ik dan mistrouwen?
    Heel Room’, mijn gemaalin? wat raas ik, is Torquaat
    (1360) Niet zinneloos? wie is dan zwanger van verraadt?
    Zou ’t wel Byrrhene zijn, die trouwelooze minne
    Met ontrouw loont? ach! ach! Thessaalsche koninginne,
    Woedt noch de minnenydt in uwe borst? of leeft
    Uw gramschap noch? Ben ik ’t alleen die vrinden heeft
    (1365) Of vyanden, die ’k straf, of die ’k vertrouw? waar heenen?
    Byrrheen bezoeken, die mijn ontrouw zal beweenen.
    ’k Moet veinzen dat ik haar weêr min. heur toverdicht
    Ontdekt my d’aanslag wel. ga voor met fakkellicht.

Byrrhene. Pamphile. Iulius. Marcellus.
Byrr. O Vorst van ’t droeve rijk, en bleeke koningin,
    (1370) Met beter trou geschaakt dan ik, voert Norons min
    Zijn Juliane dan naar ’t bruitsbedt? ey verstoortze,
    Op Razernyen, komt, beknelt u zwarte toortzen
[p. 49]
    In bloed’ge vuisten zoo afgrijslijk, als toen gy
    My eerst by Noron bracht, ey helpt haar aan d’een zy.
    (1375) Zal die vorstin, die hier al d’onderaardtsche gooden
    Opdriest, of andre schept, na dat het is van nooden,
    Nu lyden dat men haar verlaat? dat lyden? neen.
    Eer zal ik ’t ingewandt van Juliaan vertreên,
    En heel verwoedt op ’t spits der vyanden invliegen.
Pamph. (1380) Bedaar mijn zuster. het Gerucht kan u bedriegen.
    ’t Geen toch gemeenlijk liegt.
Byrr.                                           ’t Is meer dan al te waar.
    ’k Vlieg naar de bruiloftzaal, ik zal godt Hymen daar
    Uitstooten, om ’er zelf met toortzen voor te lichten.
    ’k Zal in de grootste vreugt de grootste droef heit stichten;
    (1385) En gulppen aan den disch, voor bruiloftswyn, haar bloedt.
    Byrrheen denk dat gy hier by een Busiris woedt.
    Ontziet my ’t Rijk, de stadt die van zijn zeven bergen
    De weerelt overziet? en zal my d’ ontrouw tergen
    Van Noron? Wat Thessaal voor gruwlen heeft gehoort
    (1390) Beschrijf ik hier naar toe kom al mijn wreedheit voort.
    Ik heb mijn jongste broêr, toen ik met Noron vluchte,
    Van lidt tot lidt verscheurt, en lachte toen hy zuchte.
    Ik zag, en weende niet, mijn vaaders stramme handt,
    Al de verspreide leên zijns zoons, aan ’t bloedig strandt,
    (1395) Opvissen, toen hy my zoo onvervolgt liet vlieden,
    Byrrhenes bloedt begint van overmoet te zieden.
    Voorheen was ’t kinderwerk, dat deedt ik noch als maagt.
    Naa ’t kinderbaaren, en genoopt van gramschap, daagt
    Mijn spyt veel grooter quaadt van ondren op; ’k ga hene
    (1400) Gelijk ik quam. nu voort bloedtplengende Byrrhene,
    Zijn eedbreuk sta hem alzoo dier, als ’t huwlijk u.
    Op, maak van daag dat door uw straf de nazaat gruw,
    En sidder voor uw naam. De trouw door schellemstukken
    Verknocht, moet schelmery ook weer van een gaan rukken.
    (1405) Hoe meenigmaal stont Room’ door my bebloedt in vlam;
[p. 50]
    En noch bedreven wy nooit wreedtheit zijnde gram,
    Of eerst bestookt. maar nu barst de rampzaal’ge minne
    Heel tot verwoedtheidt uit.
Pamph.                                  Verlaate keizerinne
    Vrees Norons scepter.
Byrr.                               Ik ben zelf my zelve niet
    (1410) Ontvallen. Noron lilt wen hy my hoort. hier ziet
    Gy Wraakzucht, Bloetdorst, List, en Staal, en Vier, en Gooden,
    En Blixem. ’t is Byrrheen.
Pamph.                                  ’t Waar best gezwindt gevlooden,
    Vreest gy zijn waapens niet?
Byrr.                                          ’t Vernielende Geweldt
    Stijg uit der aardt vry op. dit is zijn kroost, vergeldt
    (1415) Hy zoo mijn trou vergel het weer aan hun, vermoortze.
    Zou ik de koninglijke en vuurge bruilofttoortze
    Zien flonkren wraakeloos in mijn bedrukt gezicht?
Iul. Ey moeder, moeder lief!
Byrr.                                      Zwijg, zwijg, elendig wigt.
    Kan dan de heemel zien mijn droevige ongelukken?
    (1420) Wel aan het noodtlot kan ’t geluk en ’t rijk ontrukken,
    Maar nimmermeer de moedt, die door de rampen streeft.
Mar. O moeder!
Pamph.             Zuster zacht.

Noron. Byrrhene. Iulius. Mar. Pamph.
Nor. VOrstin waarom vergeeft
    Gy my de misdaat van mijn min niet? heb meêdoogen
    Met Noron.
Byrrh.             Voort van hier, ontvlie Byrrhenes oogen.
    (1425) Trouwlooze dartg’ aan my die dartle handen slaan?
    Streelzieke vingren wegh rant Pizoos zuster aan,
    Sta af.
Nor.        Bedaar.
Byrrh.                 Ah schelm en kom Byrrheen niet naader.
[p. 51]
Nor. Mijn lief.
Byrrh.             Verlaater van een koningin, verraader,
    Ondankbre, denk eens wat Byrrhenes min u gaf,
    (1430) De breidel van dit rijk, Augustus septerstaf.
    Maar gy verliet my; na het sneuvlen van u broeder
    Hangt gy Plancina aan, en nu ’t vergift uw moeder
    Ontzielt heeft, brantge weer naar Juliaan op ’t felst,
    En d’overspeelster wordt geviert, gestreelt, omhelst!
    (1435) Zie Noron, droefheit stort op mijn verlepte wangen,
    Een zilte reegen, die uw min wel eer zou vangen
    In mont en lippen, ja afdroogen met een kus.
    Maar ’t kan verandren. Ach! Quirinus droeg zich dus
    Ontrouw niet, toen ’t Geluk d’eer der Sabijnsche looten
    (1440) Geënt had op de stam van Mars. Zijt gy gesprooten
    Uit Venus godlijk bloedt, geteelt van godt Jupijn?
    ’k Geloof het, waartge niet zoo trouwloos; kan ’t wel zijn?
    Gy liegt het, neen! maar in het voorburgh van der helle
    Zijt gy, als tot een straf, om Room’ daar meê te quellen,
    (1445) Geteelt van Tiphon, en op Kaukasus met bloedt
    Bezoedelt van een slang, of tygerin gevoedt.
    En dart gy ’t huwlijk dan met Juliaan voltrekken?
Nor. ’k Zweer u, o koningin, by d’onverlichte plekken,
    Dat ik het nooit en docht.
Byrrh.                                  Hoe komt gy dan berucht?
Nor. (1450) Vraag dat de nijdt. goddin wat loost gy zucht op zucht?
Byrrh. ’t Elendige gemoedt wil altydt d’allerquaadtste
    Gelooven.
Nor.             ’k Min haar niet, ’k vervolg nu die gehaatste,
    En looste vyandin, ja by Jupijn, ’k veracht
    Het al om uwent wil.
Byrrh.                           De dondergodt belacht
    (1455) De eeden, die hy zelf wel breekt.
Nor.                                                             Houw op, het weenen
    Is vruchteloos, bedaar oploopende Byrrhene.
[p. 52]
    Toom uw gerechte spyt, die my t’onrecht beticht,
    Met droefheit in het hart, en traanen in ’t gezicht.
    ’k Haat Juliaan; ’k ontvloodt noch strak haar broeders listen
    (1460) ’k Heb Pizo omgebrogt, die het gemeen ophiste
    Ten dienst van eigen wraak, en Tiggellinus is ’t
    Door een geweld’ge doodt ontvlucht. ’t hof was gesplist
    Door onderling verschil, der wiert een brief (geschreven
    Aan mijn Popil en aan Metel) aan my gegeven
    (1465) Door onvoorzichticheit, daar zach uw Noron toen
    Het schrikkelijkst verraadt, Popil op ’t lest aan ’t woên,
    Doorstak zich zelf, ook deed ’t Metel. ik kon niet hooren
    Wie dat ’er is aan vast. wie al heeft t’zaamgezwooren,
    En tracht na d’heerschappy. Nu kom Byrrhene, help
    (1470) Uw trouwe Noron voort eer hem ’t verraadt bestelp,
    Verras, verdruk, verplet, hoe zijtge zoo besturven?
Byrrh. Of schoon ’t geluk al keert, nochtans d’elend’ge durven
    Niet bly zijn. groote vorst, help de verslenste dan
    Weer op haar dreef.
Nor.                            Ach! dat de roode mond die an
    (1475) Mijn lippen kleeft (en die door kracht van toverdichten
    De goude zon bezwalkt, en zilvre maan het lichten
    Der nacht verbiedt, als gy haar heur gaareel ontrukt,
    De starren draalen doet, wen gy uw vinger drukt
    Op ’t ongemeete rondt, en met uw staf hier onder
    (1480) De neegen vloên gebiedt, en d’ysselijke donder
    Wringt uit de gloênde vuist der Kreetsche godt) an my
    Ontdekte wie dat aan de toeleg schuldig zy:
    Zoo zult gy, mijn godin, my en ’t geweldig Romen
    Als een Semiramis beheerschen.
Byrrh.                                             Laat hier komen
    (1485) Het lichaam van Metel.
Nor.                                               Gaat heen.
Byrrh.                                                             Mijn vorst de min
    Is vol van wantrouw, en van anxt, een keizerin
[p. 53]
    Te wezen schynt wel wat, indien ik ’t mag gelooven.
    Gy hebt my eens bemint, maar tweemaal wel verschoven.
    By wat voor gooden zult gy zweeren, waar op zal
    (1490) Ik my verlaaten? want gy zwoert my trouw by al
    De huwlijksgooden, d’eedt is evenwel gebrooken.
Nor. ’k Zweer by die gooden daar uw leet van is gewroken,
    Die zelfde gooden daar ik eerst by zwoer, waar van
    Ik streng gestraft ben om mijn trouwloosheeden. Kan
    (1495) De Rechter van de hel wel zwaarder straf doen dragen
    Als vrees voor straf? men dreigt my met bedekte laagen;
    Ik vrees een vyandt en ik ken hem niet; maar zoek,
    In vraag de godtspraak van uw mond, wien ik vervloek.
Byrrh. Mijn zuster maak gereedt het geen dat tot de naare
    (1500) Godsdienst behoort, en stook ’t vier op d’heilooze altaren.
    Dit stroomde van den bergh die met Prometheus bloed
    Besprenkelt was. kom voort, breng ’t geen my zelver doet
    Verschrikken. Houw u stil, en vrees voor vlam noch hitte:
    Spreek niet. zijt onbeanxt, ga in dees zeetel zitten,
    (1505) ’t Gaat wel, god Phebus brengt de middag onder d’aardt
    In ’t peerelrijkste landt. Was ik uw gunst ooit waardt
    O donkre stille Nacht, zoo wilt my nu verhooren.
    Ik ben Byrrheen, en tot de heerschappy gebooren
    Van het Heelal, elk beeft voor ’t dondren van mijn dicht.
    (1510) Hoe menigmaal heb ik een onvolwosse wicht
    Uit moeders buik, en voort aan slarzen durven scheuren,
    De moeders bloedende noch by de vlechten sleuren
    Door ’t bloed van heur gemaals dat ik geplengd had, om
    Het d’onderaardtsche goo’n met ander heiligdom
    (1515) Op t’offren by ’t gekras der Exquilynsche raaven,
    Toen ik gehuisvest wiert in d’aller woeste graaven,
    Daar ik de dooden eerst uitwurp; gy weet, hoe ik
    Albaste tomben min dan in een oogenblik
    Gesloopt heb. ’k heb daar na de koninglijke lijkken
    (1520) Van al haar kroost geknot; ja aan de helsche rijkken
[p. 54]
    Ook maagdenbloedt gestort voor heilige offerwijn.
    Wat hoor ik daar? wie is ’t, zou het Metel wel zijn?
    Hy is ’t. vertrekt van hier. Geef my de krans met slangen
    Doorvlochten, ik plach dus, in dit gewaadt, te hangen
    (1525) Met tandt en nagelen in ’t vlees en vel, als ’t was
    Te vast gekeetent aan de kruissen, dat ik ras
    Verscheurde; ’k zal nu d’hel met andere offerhanden
    Te vreeden stellen als met stieren ingewanden:
    En ’t gruizigh middelrif, en spieren van Metel
    (1530) Haar offeren, gestarnt schuilt voor my wegh. kom hel.
    Kom licht my, nu ik zijn maar halfgeslooten’ oogen
    Uitruk, daar zijnze al; of de hel nu is bewoogen?
    Neen, neen noch niet, knaag eerst vergifte naaglen van
    Zijn vingren. zoo ’t gaat wel, nu d’anderen, geef an,
    (1535) Lang ’t koopre snoeimes, daar ’k in ’t heetst der tooveryen
    Het giftig kruidt meê sny, ik zal zijn borst opsnyen.
    Daar is het ingewandt daar ’k Hekaté meê paay:
    Dat Parthen afgerecht ten loozen ommezwaay
    My het vergift geef, daar het zijn gewette schichten
    (1540) Meê strijkt, zulk wierook zal d’hartnekkigen doen zwichten.
    ’k Zal feller woeden, kom, hier is het gruwzaam hooft,
    Byrrhenes offervat, dit hadt ik u belooft,
    O groote Pluto. kom nu zelf ook uit der hellen,
    Stuur niemant anders. Dit zijn jonge kindervellen,
    (1545) Van zuigelingen heb ik bladt voor bladt gestroopt.
    Toen ik deez’ vaarzen schreef, had ik de pen gedoopt
    In ’t zweet van Sysiph. Ik bezweer u by de stroomen
    Van Acheron, by Styx, dat gy strax op zult koomen,
    O Pluto. ach! wat ’s dit, ’t schynt dat men my niet acht,
    (1550) En dat d’oproer’ge hel nu om Byrrhene lacht.
    Zoo gy niet komt, ik kom strak om u zelf te haalen,
    Of zend naar ondre toe de flonkerende straalen
    Der zou, en blyde dagh in d’onbescheene poel,
    Die gy het meeste haat. op, help de groote boel
[p. 55]
    (1555) Des grooten Norons voort, wel hoe? wat zal dit weezen?
    Kan ik dan Pluto met mijn vloeken niet beleezen?
    Hel, galmt u moortgeschreeuw zoo luidt dat gy mijn les
    Niet hooren kunt? o neen, een schrandrer tooveres
    Heeft u gedaghvaart op Thessaliaansche bergen,
    (1560) Of aan de Pontsche zee. wil my nu niet meer vergen,
    Mijn dicht is krachteloos.
Nor.                                       Bedrieghlijke Byrrheen,
    Nu Pluto achterblijft moet gy naar Stix toe treên,
    Ga haal hem?
Byrrh.                Noron ach.
Nor.                                     Wat aarzelt gy, uw leven,
    (Zoo gy ’t Heelal beheerscht) kunt gy u zelf weêrgeven.

De Geesten van Norons Broeder, en Moeder.
Manl. (1565) HIer opgeborsten kom ik uit het rijk, dat Stix
    Bekabbelt met ’er stroom, daar siddrende vol schrix
    De schimmen treuren, die mijn laatste moordtmaal aaten.
    Ik sta en twijffel wat ik ’t allermeest zal haten,
    De moeder Romen, of het gruwelijke dal
    (1570) Van Dis, ’t welk dreunde door mijn onverwachte val
    Naar ondren, daar men hoort de dwingelanden zuchten.
    ’k Ontvlucht nu d’onderdst’, en ik doe de bovenst’ vluchten.
    Heilooze tooveres, Byrrheen, uw tooverdicht
    Jaagt d’yzre slaap uit deez’ belooken’ oogen. zwicht
    (1575) En vrees: de felle wraak is uit de bandt gesprongen.
    De drupplen van dit bloedt veranderden in tongen,
    Elk schreeuwde wee en wraak voor Plutoos rechterstoel,
    Van godtgehaate broêr, en haatelijker boel.
    Megeer is op de been met haar bebloede zweepen,
    (1580) Om uw onzaal’ge ziel in d’afgrondt wech te sleepen.
Moed. Ik dronk uw wyn hier uit, maar ach! met slangenspog
    Gemengt.
Manl.           Al leef ik niet, de gooden leven noch:
[p. 56]
    Het heemelsche gerecht kon Noron niet verdelgen.
Moed. Het helsch vergift dat gy my schonkt, zult gy weer zwelgen,
    (1585) ’k Eisch wraak ontaarde zoon.
Manl.                                                       Leg af mijn kroon en staf.
    Nu vlucht gy voor de wraak vergeefs, de traage straf
    Vervolgt de vluchtigen, en trapt hen op de hielen.
    Onmenschelijk gedrocht, ontelore Roomsche zielen
    Hebt gy verdelgt, de zee, ’t gebergt, het bos, de strandt;
    (1590) Der leeuwen, luiperden, en tygren ingewandt
    Verstrekken Roomen voor doodtbussen, en bewaaren
    Het ridderlijk gebeent. uw onverzaade altaaren,
    Noch druipende van moordt der burgers, zullen uw
    Vergiftigt godloos bloedt inslurpen. Cerbrus ruw
    (1595) Behaart met slangen zal aan uw verscheurde leeden
    Haast lekkertanden. Hoor, hoor Noron, hoor beneeden,
    In schaaduw van de naare onendelijke nacht,
    De helden klaagen, die van u zijn omgebracht.

Geesten van Popil, Metel, Pizo, Tiggelinus, Kalphurn. &c.
    WEe Noron, Noron, wraak.
Manl.                                          Kondt gy ons nu ontslippen?
Geesten. (1600) Wee Noron, Noron, wraak.
Moed.                                                           Vloek met uw tooverlippen
    Ons weer naar ondren.
Manl.                               Neen, vervloek veel eer u zelf,
    Die haast een Razerny in ’t onderste gewelf
    Verstrekken zult. Uw bloedt met traanen van Byrrhene
    Gemengt, blus deeze vlam. wy vaaren t’ saamen heenen.
Byr. (1605) Het naar gezicht verdwijnt. ’t mach noch geen quaat, ’k zal ’t wel
    Ontworstelen met list. Hoe nu toe? ’k weet. Ik zel
    De hel die my belacht uitlacchen, en bedriegen.
    Ga zuster, maar bestel het ras, kom boven vliegen:
    ’k Houw Noron zoo lang op; ga heen.
[p. 57]
Nor.                                                         Wat zou men doch
    (1610) Meer konnen doen, als eens gedood te hebben noch
    Te weinigh is? wat plaats zal ik voorvluchtig zoeken?
    ’k Zie noch mijn moeders geest bestuwt met duizend vloeken.
    Mijn broêr zijt gy ’t? waar heen? zijn vlugge schaduw waart,
    ’t Is om mijn ziel te doen. o hemel! met wat aardt
    (1615) Of stortend puin zal ik my overstelpen? zullen
    Wy vlieden? ja. waar heên? deez’ gruwelen vervullen
    De heele weerelt, ik ben over al bekent,
    En heb de plaatze voor mijn ballingschap in ’t endt
    Verlooren. wie zou niet aan my zijn handen schenden?
    (1620) ’k Vlied’op- en d’ondergang. waar heên dan? wat elenden
    Verdrukken Noron.
Byrr.                           Zult gy zoo slaphartig zijn
    O Noron? nu is hier een zoon van godt Jupijn
    Van nooden, om de hel te stutten, kan die steeden
    En rijkken boeide nu zijn anxst niet boejen?
Nor.                                                                   Wreede,
    (1625) Vervloekte, ondankbre wie is d’oorzaak van al ’t quaat?
    Ik, dees bebloede handt. wat bruizenden Euphraat,
    Wat woeste Bosphorus, wat strijdb’re Ryn, dien Rome
    Nooit overwonnen heeft, wat Nyl, wat Tigerstroomen,
    Wat troeble Tagus, die uit haar bezwangert nat
    (1630) Ontelbre peerlen werpt, zal ’t bloedt dat u bekladt
    Afspoelen? schoon de straat die d’Afrikaansche stranden
    Van het beroemde Euroop afscheit, op deeze handen
    Nu stort d’Atlantsche zee uit ’t grondelooze diep,
    Of over deze handt de heele Tethys liep;
    (1635) Het broederlijke bloedt zou zy ’er niet afwassen.
    Ey rust ontruste geest, wilt gy my zoo verrassen?
    Z’is uitgeslaagen van ’t vergift, daar komt zy treên!
[p. 58]
Pamphile in schijn van Iris.
Pamp. O Zoon van godt Jupijn, en edele Byrrheen;
    Gy ziet hier Iris, die van boven is gezonden
    (1640) Door Junoos felle wrok, naar de gehaate gronden
    Van Styx, om uit dien poel de Razernyen op
    Te dryven tot uw val, haar gramschap zich ten top
    Verhief, om vol van spyt het troetelen te wreeken
    Van haar gemaal, aan u zijn aaterling, doch ’t smeeken
    (1645) Van heur Jupijn verwurf uw zoen terwijl. berouw
    Wischt af het bloedt dat gy verstort hebt. Hou de trouw
    Die gy Byrrhene met veel eeden hebt bezwooren.
    Ontvonkt de min, die in uw borst al was bevrooren.
Byrr. Bedaar, wie is ’t?
Nor.                               Ey my, waar ofze daar verdween.
    (1650) Dat helsch en heemelsch vuur my vry verteer Byrrheen,
    Zoo ’k u niet min zoo lang ik aadem schep. o gooden,
    ’k Omhels Byrrheen most gy door Iris my noch nooden?
    Nu gaat (dat d’uchtendstond de nacht slechs haast verdrijf!)
    Ons huwlijk voort, ik ga nu naar mijn hof toe, blijf
    (1655) Hier rusten.
Byrr.                           Deeze kus verzel u.
Nor.                                                           ’k Zal bezorgen
    Al wat ’er noodigh is, eer dat de blanke morgen
    Ons toelacht. koningin vaar wel. Mijn lijfwacht kom,
    Ga voor met toortzen naar mijn hof, dees tooren om,
    Naar de gewijde straat, dwars door de heilige elzen.
Byrr. (1660) Waar zijt gy zuster?
Pamph.                                       Hier.
Byrr.                                                   Dat ik u magh omhelzen
    Getrouwe zuster, die dees korts verlaate vrouw
    Gelukkig hebt gemaakt, en de gebrooke trouw
    Aan een gehecht, die met uw tooverende woorden
    Vorst Norons harde hart vermurwt hebt, gy bekoorde
[p. 59]
    (1665) Zijn groote en kille ziel, hoe wel hebt gy gespeelt
    De rol van Iris.
Pamph.                 Zwijg, ey zwijg, de lof verveelt
    Aan oprechte ooren strak, wanneer vleizoete reeden
    Haar kittelen, kom in.
Byrr.                               Ik ga my voort bekleeden
    Met keizerlijke praal.
Pamp.                            Ga rusten.
Byrr.                                               Blijtschap jaagt
    (1670) Veel meer dan droefheit slaap ten oogen uit. zie ’t daagt.

Continue

HET VYFDE BEDRYF.

Torquatus. Iuliane.

Torq. ZOn zinkt gy niet, aanzietg’ ’et schrikkelijk geschitter
    Der bruilofttoortzen van den dwingelandt! hoe bitter
    Is ’t noodlot Juliaan? Byrrheen zal over ons,
    En Noron heerschen. moet dan ’t Persiaansche dons
    (1675) Een troon verstrekken voor een vrouw? lijdt Room’ Byrrhene?
    ’t Wijfachtige Aziën laat onder vrouwen steenen,
    Hun past dat lastig juk, wy zijn ’t hier ongewoon.
    Bandt hy mijn moeder heel in ’t kille Noorden? goo’n
    Versterkt my, nu ik die Porsenna ga bespringen:
    (1680) ’k Zal als een Scevola dwars door zijn lijfwacht dringen.
    Vaar wel, dat alles met my neêrstort, dat ik sterf
    Als hy gestorven is, ’k wil alles ten bederf
    Der haatelijke twee inbrokken, en mijn leven
    Opofferende aan Room’, en u de vryheidt geven
    (1685) Die flus de dootsnik gaf. Mijn Juliaan, ey vlie
    Tot dat hy is van kant of ik.
Iul.                                           Ach prins, verbie
    Mijn lichaam niet dat het haar ziel navolg. Neem listen
    Te hulp, uw macht is wech. Dat dit de Romers wisten
    In Pizoos heir, dat nu ontwaapent en omringt
[p. 60]
    (1690) Van Noron is. ’t geweldt dat dwingelanden dwingt
    Is ’t laatste dat ’er is. de list zie eerst zijn leven
    T’ontneemen. ’k heb een rok die ’t Grieksche rijk deedt weven
    Van Sidons purper, een schenkaadje, die de vorst
    Van ’t oudt Micenen aan mijn vaader gaf, bemorst
    (1695) Die met vergift, of ik zal zelf naar Volux vliegen,
    Die d’oppergooden zou om ’t glinstrend goudt bedriegen;
    Die zalze met vergift bestrijken, en ik dan
    Aan Noron schenken, trekt hy die schenkaadje an,
    Zoo zal het toovergift hem drijven naar beneeden.
Torq. (1700) Aan Noron schenken, hoe?
Iul.                                                           Ik zal my eerst verkleeden;
    Een waapenrok zal my onkenlijk maaken. ’k ga
    En haal de tabberdt, wacht mijn lief.
Torq.                                                     Hoe nu, ik stae
    Gelijk bedwelmt. o goo’n! hadt ik nu duizent tongen,
    En duizent monden, die elk duizent zangen zongen,
    (1705) En dat de wint die galm door alle landen dreef,
    Ze zouden al gelijk haar kracht verliezen, beef
    Tong, onuitspreeklijk is ’t, wilt gy haar lof verhaalen?
    Virgiel, Homeer, zou ’t zelf met ’t puik van al de taalen
    Naar eisch niet konnen doen. Minerve, ey dat uw handt
    (1710) Nu haar lofwaarde deugt in harde diamant
    Met goude lettren sny. maal met uw phenixveeder
    De strijdbre Juliaan, een maagd zoo schoon, als teeder.
    Ja al zoo wijs als gy, maal hoez’ een tabberd trekt
    Aan heur besneede leên, en ’t landt veel meer verstrekt
    (1715) Dan voor een Brutus; want Tarquinius was buiten,
    Nu is hy binnen Room’; toen kon de stadt hem stuiten,
    Nu niet; want Noron zelf in ’t Kapitool zijn staat
    Verdeedigt, en vernielt de wetten en den Raat.
    Zie daar isze al verkleedt: zoo Venus ooit met luste
    (1720) Ontstak op Myrrhaas zoon, en u nu zagh, ze kuste
    U voor heur lieve Adoon, wat wellust zouze niet
[p. 61]
    Genieten wen zy u omhelsde?
Iul.                                               Stil, ey ziet,
    Daar komt Byrrhene al om met Noron nu te trouwen.
    Zy tree vry vrolijk voort, het knaagend naaberouwen
    (1725) Volgt haar van achtren. ’k Ga nu strak naar Volux om
    ’t Vergift.
Torq.           Ontmoet hen by den tempel, ga: ik kom
    U voort te hulp. ’k zal zien terwijl de burgeryen
    Te winnen op mijn zy; dan den tyran ter zyen,
    Van acht’ren, en van vent bezet, wel aan, dat hy
    (1730) Vry vreez’; ik zal nu mijn geveinsde razery
    Afleggen, en als Vorst den Raadt mijn wil inscherpen,
    En doen hen ’t lastigh juk des dwingelandts verwerpen,
    My hulden in zijn plaats. Maar zacht, hoor Juliaan,
    Met welk een schijn zult gy dees Grieksche tabbert aan
    (1735) Hem schenken?
Iul.                                   Hoor. ik heb daar toe dees list gevonden.
    ’k Zal zeggen dat ik ben met deze gift gezonden
    Van haar......
Torq.                 Daar ’s Noron, stil, verzelt met zijn Byrrheen.
    Gaan wy naar binnen, en zeg my uw list alleen.

Noron. Byrrhene. Iulius. Mar. Pamph. Sab. en al’t hofgezin.

Nor. HEt onweer ruischt niet meer, wat zijn wy anxst ontvlooden!
    (1740) Ik wederstreef niet meer de wetten van de gooden.
    Flus veinsde Noron dat hy u beminde, nu
    Is ’t ernst; naadien ik zagh dat d’Echtgoodin zelf u
    Haar Iris zondt, om my u trouw te doen herdenken.
    Wie zouw niet vliegen op de Huwlijkmaaksters wenken?

Iuliane. Noron. Byrrh. Iulius. Mar. Pamph. en al ’t hof.

Iul. (1745) GUn my gehoor, o Vorst! de schoone dochter van
    De strijdb’re Partinax Vestiliane, kan
    Nu op de bruiloftfeest door ongeval niet koomen.
[p. 62]
    Zoo dra had d’eedle maagdt uw huwlijk niet vernomen,
    Uit uw gezonde brief, of daatlijk trok zy aan
    (1750) Haar cierelijkst gewaadt, haar rok met goude draên
    Als van Minerv’ gestikt, om heerelijk te praalen
    Daar Romen hoochtydt houdt; maar zoo zy neêr quam daalen
    Van d’ heuvel, die beplant met Bacchus is, en by
    Haar lusthof staat, zoo roeptze schielijk: ach! ei my,
    (1755) Ze zucht’, en zwymd’, en viel: want treend’ op felle slangen
    Verdween de daageraadt van haar bedaaude wangen,
    Door een vergifte tong, die ’t levend’ hartebloedt
    Toen inzoog; ach! een slang hadt haar gevat, ze doet
    Noch d’oogen pijnlijk op, terwijl datze onder ’t klaagen
    (1760) Wert op de ledekant in haar vertrek gedraagen;
    Daar zat de Droefheidt op de drempel, maar ze lacht
    Om onze traanen, nu haar elk beweent; zoo acht
    Zy ’t geen elende dat de ziel haar gaat ontslippen.
    Nu smeektz’ op ’t lest door my met haar bestorven lippen,
    (1765) Dat Cezar haar ter eer toch trek dees tabberd aan,
    Op ’t keizerlijk banket. vernoegt zal zy dan gaan
    Naar ’t nooit vernoegde rijk, zoo wenscht z’u met elkander
    Een eeuw’ge eendracht. Vorst, den grooten Alexander
    Droeg eer dees tabberd zelf, en toen haar vaader met
    (1770) Het Romulische heir den intocht hadt verplet
    Van d’ Aziaanen, zondt de Nijl om hem te streelen
    Dit koningklijk geschenk, met Indische juweelen
    Op ’t cierelijkst bezaait.
Nor.                                    My deert haar ongeval.
    Lang hier de tabberd. ga, en zeg haar dat ik al
    (1775) Gedaan heb ’t geen zy wil.
Iul.                                                     Ik moet my gaan versteeken,
    Tot dat Torquatus komt. is ’t nu maar wel bestreeken.

HUWLYXZANG.

                    Hymen groote bruiloftsgodt,
                    Gun de vorst Thalassus lot,

[p. 63]
                Dien de Venus der Sabijnen,
                (1780) Schoonder dan de zonneschijnen,
                    Kuisch gelijk de Iachtgodin,
                    Toeviel tot een gemaalin.
                Iuno help de Bruiloftgodt,
                Gun de Vorst Thalassus lot.


Noron. Byrrhene. Pamph. Iulius. Mar. Sab. Serv.
Nor. (1785) AL lang genoeg, houwt op, Pamphiel, waar bleef hy daar
    Die my dees tabberd gaf, zacht, hoor, kom zeg my waar
    Hy heen is. help, o pijn! de tabberd is bestreeken,
    Geloof ik, met vergif, aan wie zal ik my wreeken?
    Help uit, laat staan, laat staan, gy trekt het vel meê af.
Byrr. (1790) Wat ongeluk is dit, moet mijn gemaal in ’t graf.
    Elendige Byrrheen!
Nor.                             Wie hulp my in dit lyen
    Zijt gy ’t Vestiliaan? zijn dit haar schelmeryen?
    Vervolgt hem overal. gy door de Waaterpoort.
    O heemel wat een spijt dat d’aardt my zuchten hoort,
    (1795) Ja zelf ook weenen ziet. de traanen blyven hangen,
    Gestremt door hitte op mijn ontsteeken gloende wangen.
    Wat dagh of weerelt zagh ooit dat ik traanen liet
    Uit d’oogen druppelen, en zaagt gy oogen niet
    De gruwlen, die ’k bedreef al lachende aan? dit trotze
    (1800) En streng gezicht zoo hardt gelijk Matijnsche rotzen
    Leert weenen, ach! zie een vergifte tabberd parst
    My traanen uit. ey my het middelrif dat barst.
Byrr. Moet zulk een ongeval my voor de scheenen springen,
    En zie ik dit?
Nor.                   Gy placht het sterflot wel te dwingen,
    (1805) Indien ’tr sterflot is, en laat gy uw gemaal
    Zelf sneuvelen; waar is uw kracht, uw toovertaal?
    Wie heeft dit dus gemengt, zijn ’t de gezengde Mooren?
    Of is het uit het schuim van Cerbrus muil gebooren?
[p. 64]
    Of uit het bloedt geteelt van ’t giftige gedrocht
    (1810) Van Lyrna? of zijt gy van Tethys voortgebrocht?
    Of is ’t uit d’yszee in het yzerrijke Noorden
    By de bevroozen’ asch? nu dringt het gift dwars door de
    Ontsteeke leeden, de besmette lever staat
    En zwelt door hitte die my om het harte slaat.
Byrr. (1815) Onzaalige Vorstin, wat moet de Vorst bezuuren!
    De bruiloftseest komt op een uitvaart uit. uw uuren
    Elendig opgeleit van angst, zorg, haat, en min,
    Die loopen deerlijk af.
Nor.                                 Stil. hoor mijn keizerin.
    In d’aadren ziedt het bloet, en ’t merrig in de schonkken.
    (1820) O smart, o pijn, o wee! zijn al de helsche vonkken
    In Norons bange borst? treurt, onderzaaten treurt.
    Wat raazende ondier zit in Norons boezem? scheurt.
    Gy ’t ribben vlies van een, ik voel, ’t dart tanden zetten,
    En ’t slaat zijn klaauwen in mijn long; ik zal ’t beletten.
    (1825) Voort scheur uw boezem op, en ’t ongediert ’er uit.
    Ei my, o wee, ach, ach! o keizerlijke bruidt
    ’k Moet voort, ik die Jupijn kon op de weerelt strekken
    Voor blixem, daal nu naar de hel, en my bedekken
    Geen Quirinaal, of Viminaal, neen. noch de punt
    (1830) Van een verglfte schicht en treft my niet. hoe kunt
    Gy ’t heemel zien? ik sterf, ach! Noron wort verwonnen,
    En ziet geen vyand dat my ’t meeste quelt nu konnen
    Mijn leste stonden niet den schelm ter needer slaan.
    Dit strekt een dubble dood, ’k moet wraakeloos vergaan-
Byrr. (1835) Bedaar, o gooden, ach! hoe zijn wy dus bedroogen!
    Mijn trouwe Noron, ik die als met Lynceus oogen
    De list zach deur en deur, kon dit bedrogh niet zien.
    Wat gaat my aan? gy sterft.
Nor.                                         En ach! Byrrheen, door wien?
    Een vrou zal zich, o pijn! van Norons doodt beroemen.
    (1840) ’k Sterf eereloos; want als de nazaat my zal noemen
[p. 65]
    Zoo zal ’t maar Noron zijn, die Noron dien een vrouw
    Bedroog, ach! lyden dit de groote gooden? wouw
    Het onverbidlijk lot dan dat ik neêr zou storten
    Door ’t vrouwelijk bedrogh, en dat een vrouw zou korten
    (1845) De draaden, die door een vervloekt’ heilooze handt
    Gesponnen zijn? zoo kou my Junoos haat van kant
    Geholpen hebben, die een koningin der gooden,
    En menschen is, maar nu lyd ik wel duizend dooden,
    En door een aardsche hoer. ey Phebus, ey drijf uw
    (1850) Bezweete paarden ras te rug, en zend ons nu
    Een sterrelooze nacht, nadien hier is bedroogen
    De Roomsche Herkules; verbie de nydige oogen
    Van Juno, datze my aanschouwen afgemat,
    En lachen, om dat my een vrouw, o spyt! fy, dat
    (1855) Een Nubiaansche leeuw zich in mijn bloet had dronken
    Gezopen, of was my bedekt vergift geschonken
    Van d’een of d’andre vorst; ’k ging welgemoet naar dis:
    Maar nu, ach! groote spyt. Wie schreeuwt daar, wat of ’t is?
Byrr. De listige Fortuin, met wreede treurtooneelen.
    (1860) En bloedt vermaakt, is heel hartnek kig in het speelen
    Van ongewoonlijk spel. verzet d’onzeekere staat.
    Wy zijn verrast van List, van Vienzery, en Haat.
Nor. Kom mijn godin, ey hoor, verzeldme, ’k zal strak daalen
    Naar onder.

Torquatus. Iuliane. Roomsch oorlogsvolk.
Torq. ZOo noch niet: kom hier, waar toe dit draalen.
    (1865) Ga woed nu lang genoeg, ’k heb dit rontom bezet
    Door ’t oorlogsvolk, dat van Noron afviel, met
    Meest al de burgery.
Nor.                              Ziet hoe deez’ Herkles zwerreft.
Torq. Ja ’t wreedtste landtgedrocht dat al de weerelt verreft
    Met burgerbloet.
Nor.                         Ik was de naam van Herkles waardt
[p. 66]
    (1870) Toen ik den vyandt sloeg.
Torq.                                                 Gy waart. maar sint ontaardt
    Zijt gy de vyandt van uw vrunden zelf geworden.
Nor. Ik zagh hem, die daar strak verby mijn oogen snorde,
    Gaf my de tabberd, daar al weêr, ik heb hem vast.
    Giftmenger zijt gy met een waaterslang belast?
    (1875) Daar noch een ander, ’k zal eerst deeze twee vernielen.
Byrr. Och stortg’ uw eigen bloedt gemaal, gaat gy ontzielen
    Die gy het leven gaaft? ach! wort mijn schoot bemorst
    Met ’t laauwe kinderbloedt, zie voor u, wacht mijn vorst,
    Ik ben Byrrhene. ’k vrees, o gooden, ’k vrees noch quaader.
Torq. (1880) Het jongsken schrikkende voor ’t aanzicht van zijn vaader,
    Dat vol van gramschap gloeit, sterft eer het is gewont.
    De vreeze drijft de ziel ten boezem uit.
Nor.                                                           Hoe kont
    Gy vleyen! daar, hou daar. hy sterft. kom hier Byrrhene,
    Mijn vyandt is ontzielt, ha, ha, ha, ha! waar heene?
    (1885) Hoor hier, ey zeg my toch waar dat Byrrhene zit?
Torq. Daar wentelz’ in haar bloedt. zie kindermoorder, dit
    Is door uw handt gedaan.
Nor.                                   Kom dondergodt nu wreeken,
    D’onnoosle neven, ziet gy zulke wonden leeken,
    En zie ’k uw blixem niet? Hier woondt de Raazerny,
    (1890) Dit ’s d’aardtsche naare hel, wat voor Megeer heeft my
    Vergiftigt met ’er gift? wie zal ik eerst beweenen
    Van een geslingert kroost, laat d’heele weerelt steenen,
    Ze weergalm op mijn klacht. Byrrheen most gy in ’t graf
    Door Noron daalen? ’k sterf, hy die noch nooit vergaf
    (1895) Een anders misdaat zou die nu zich zelf vergeven?
    Neen, neen, geef mijn geweer, op dat mijn smart en leven
    Mach endigen, ay kom, help Noron aan d’een zy.
Torq. Ga volg nu Tiggellijn. verwijfde, flus waardt gy
    Vol oorloogsdeugt, toen u gemaal en teêre kinderen
    (1900) De ziel begaf. kunt gy u zonder staal niet hinderen?
[p. 67]
Nor. O allerwreedtste, voort, terwijl d’elende port,
    En dat de pijn u parst, bestorve Noron, stort
    Voort in de Tiber, daar zal ’t heet vergif in sissen.
    Wie houdt my? wech! ’k zal al d’Hyrcynsche wildernissen
    (1905) En ’t schaaduwrijke bosch (daar in de zon nooit ziet,
    Maar altijdt afstuit) dat zijn taaje wortlen schiet
    In Taurus ingewandt afkappen, al de kielen
    Van ’t Rijk daar staaplen op, daar zal ik meê vernielen
    De wreedste moederbeul. windt, die zoo vreeslijk ruischt,
    (1910) Ey stook mijn lijkvier; zie! ik ben met ’t bloedt begruist
    Van kind’ren, gemaalin. kom Room’ met my verbranden
    Al de bosschaadiën verstrekken lijkrijs. Handen,
    Bekladt met kinderbloedt rukt voort de templen, met
    Al d’aangebeede goo’n op deeze borst, verplet,
    (1915) Verbergt my onder ’t puin van ’t omgekeerde Romen,
    En ’t stortend’ Kapitool. ey hoor, wilt hier toch komen.
    Als de gestorte stadt met zestien poorten al
    Te licht valt, en als ik zoo donderend’ een val
    Noch ongekneust belach, werp Atlas dan vry needer,
    (1920) En leg de weerelt op mijn schouderen; al weeder
    Brandt ’t pijnelijk vergift, ey my! ik raas door smert.
    Belloon’ ai werp uw speer door dit benauwde hert,
    Of Mars of Phebus, op wilt Noron haastig dooden,
    Doet my dees laaste dienst.
Torq.                                       Neen, niemant van de gooden
    (1925) Zal blixem, drytandt, zwaard, of speer, of schichten, met
    Uw zwart, en giftig bloedt besmetten, Tiphon wet
    Zijn klaauwen en gebit tot dit banket.
Nor.                                                         Wie bloedt ’er
    Als ik? ras help. oy! ooy! wat voor een Python woedt ’er
    In dees bedrooge vorst? ik brand, ik brand, ik brand!
    (1930) Neen Python, Hydra, en Chimeer om ’t ingewandt
    Nu worstlen in mijn buik. hoe stel ik hen te vreeden?
    Komt voor den dagh, ik zal ’t u met de verscheurde leeden
[p. 68]
    Van duizent menschen strak vergelden. zwijg, daar zit
    Een brandend Lemnos in mijn boezem. help me, mit
    (1935) Wat Phasis zal ik my verkoelen? al vergaarde
    D’oploopende Oceaan, die grooter is dan d’aarde,
    In Cezars vier’ge borst, noch konze d’Etna die
    Hier gloeit niet lessen, neen! kom hier, o Rome, zie
    De schouderen, daar ik het vallend Rijk meê stutte
    (1940) Bezwijken. ’k zijg, o wee! kan niemand my beschutten?
    Hoe, is ’er geen genaâ? Jupijn laat gy uw zoon
    Elendig sneuvlen? ’k wil by u met ’er woon.
    De heele weerelt kan godt Noron niet bevatten,
    En levert endelijk hem in ’t gestarnt. Gy pratte
    (1945) Jupijn, kom af, kom af. Ik sticht voor u een graf,
    Ik zal Saturnus straks zijn banden rukken af,
    En dan Jupijn met mijn getergde blixem kneuzen;
    Die my den heemel weêr ontzeit. verwoede reuzen,
    Rust u ten oorlogh onder my, dat Chiron zie
    (1950) Zijn hooge Pelion, nu onder Ossa, die
    D’Olymp weêr op hem voel’, en Taurus zal verstrekken
    De vierde trap; daar zal mijn leeger overtrekken
    Door de gescheurde lucht in het bestarnde hof.
    Maar nu gy vliegt van hier breek dit gebouw eerst of.
    (1955) Uw vyandt schuilt ’er in. dat de geschudde zuilen
    Neêr storten met het hof. waar mag hy zich verschuilen?
Torq. Mijn Nemesis, ’t gaat wel, Jupijn verzwaar zijn straf.
Iul. ’t Was geen Vestiliaan’ die u den tabberd gaf,
    Ik was ’t.
Torq.           Gy zult niet meer mijn vaaders rijxstaf zwaajen.
    (1960) Deez’ offerhandt vernoeg zyn zaal’ge ziel.
Nor.                                                                            Hoe waajen
    D’onlukken om my heên?
Iul.                                         Nu zal hy ’t niet ontvliên.
Nor. O afgerechte schelm, wat moet ik hier al zien!
Torq. Uw veinzende oppervorst, die u dit had beschooren:
[p. 69]
    Het hooft van ’t Eedtgespan dat plechtig heeft bezwooren
    (1965) Uw straf.
Iul.                         Onkuische vorst, mijn list bracht u ten val;
    Uw korte wellust, die my eeuwig smarten zal
    Baard’ uw dees lange doodt.
Nor.                                           Jupijn ey koom naar onder.....
Torq. Uw zoon verlossen. hoe! waar blijft de schorre donder
    Datz’ ons niet plet?
Nor.                            Fortuin die ’t ongenaadig treft
    (1970) Waarom verliet gy my?
Torq.                                             De Lukgodin verheft
    Geen dwingelandt, of ’t is om ysselijk te vallen.
Nor. Zelf d’allergrootste deugt verschoontze niet. wat wallen
    Wat yzre slooten breekt de List?
Torq.                                               Die dreef Metel
    En Lentul en Popil naar d’afgrondt van de Hel.
Iul. (1975) Mijn broeders doodt wort dus op ’t heerelijxt gewrooken.
Nor. Ik leef noch, en o pijn! ’k voel hier mijn lijkvier stooken.
    Ach! ’t is te vroeg. Byrrheen, ik volg u als gy vaart
    Naar ’t Elizeesche veldt. geef my de hand. Daar waart
    Uw vaaders geest, d’ aardt splijt, hy wil my met zich sleepen.
Torq. (1980) Uw wreede ziel wordt deur de snerrepende zweepen
    Van ’t vuil’ en wroegende gemoet ter weerelt uit
    Gegeesselt.
Nor.                 Is ’er niet een die mijn oogen sluit?
    Waar blijft Byrrhenes schim? kan ik my dan niet wreeken!
    Hoe schendig heeft de List godt Noron uitgestreeken!
Torq. (1985) Hoe schendig dreef uw handt het vyandtlijke staal
    In vaaders borst. toen gy des keizers disch, en zaal
    Besprenkelde met bloedt.
Nor.                                     Och! kan men my dus dwingen?
    Mijn ingewandt dat trekt als of ’er nu anhingen
    Veel duizend weerelds. ach! ondraagelijke pijn!
    (1990) O wee! ik sterf. wat raadt? ik moet. en hoe kan ’t zijn?
[p. 70]
    Ay goo’n, hoe parst gy my! ik klaag ’t mijn ziel en oogen.
    Ach! ach! ik heb volleeft, en ben op ’t lest bedroogen!
Iul. Ik ben gewrooken. hy is doodt. Lukretia
    Geschonde zach geen wraak, ik al. mijn lief, hier na
    (1995) Heb ik gewacht. dus lang most Juliaan noch leven.
    Nu al genoeg, byna te veel. indien wy bleven
    Hier op de weerelt, de bedrieghelijke Faam,
    Het tong- en veederrijk Gerucht, zouw onze naam
    Onteeren als de schelm het lichaam deê. de krachten
    (2000) Van Norons yzren arm, verzelt met helsche machten,
    Verkrachten Juliaan, nu komt een sterker handt
    Mijn eer herstellen, en met een ’t Latijnsche landt
    Verlossen. Noron heeft wel, zonder zich t’ erbarmen,
    Heel schaamteloos, verwoedt, met zijn Thyëstesche armen,
    (2005) Mijn lichaam aan het zijn gedrukt, maar niet de ziel,
    Die u omhelsde, ja geen schennis leedt. ik viel
    Onnoozel: ’k heb geleeft en sterf.* In ’t ander leven
    Daar zal uw Juliaan, wort haar niet toegeschreven
    De deugdt van lydzaamheit, ten minste dapper zijn
    (2010) Geweest, d’onteerde smeekt, verlos haar, ach Jupijn.
    O Doodt! ik schaam my dat ik ’t leven zou behouwden,
    Nu d’eer verlooren is. ey my! ach!
Torq.                                                   Heeft d’aalouwde
    Of nieuwe weerelt ooit doorluchter bloedt gezien?
    De Kuisch-en Schoonheidt doodt zich zelf. wilt gy ontvliên
    (2015) Geleede elende? neen, ’t schijnt gy moet ook bezuuren
    Het Roomsche noodlot, dat de Romulissche muuren
    In ’t broederlijke bloet geleit heeft. noch most een
    Bedroefde zuster haar bebloede bruigoms schreên
    Naatreên al zuchtende, en d’onteerde gemaalinne
    (2020) Van Kollarinus volgt. het ongeoorloft minnen
    Van Noron dwingt nu d’aardt dat zy het vrouwebloedt
    Weêr zwelgt, geen noodt, ik zie de tijden te gemoet,
    Waar in gy dus verdelgt wordt t’ elkenmaal herbooren.
[p. 71]
    Jaa ’t Onlatijnsche volk zal noch gezangen hooren
    (2025) Van uw verbaasde faam. Vorstin, voor wie de zon
    Van het Geluk zoo vroeg opging, als z’immers kon,
    Om na de buyen van de donkre dagh haars levens,
    Een stormende avondt van veel ongevallen t’evens
    Te storten op de borst en schoonheit, die ik, maar
    (2030) De dwinglandt was ’er veur, omhelst zou hebben, naar
    Zijn val als gemaalin. Nu leitz’ ’er toe. o Rome
    Wat heeft zy niet verdient, die Noron heeft benoomen
    De wreede ziel, en zijn geroofde septerstaf!
    Ga, recht nu voor haar op een heerelijker graf,
    (2035) Als dat van vorst Mausool. maar d’eer van Juliane
    Besluitmen in geen tomb, ze zweeft op onze traanen,
    En zuchten over al. ze vult de lucht; ’t gewelf
    En ’t hof van godt Jupijn strek haar een graf. Zoo elf
    Van d’Aziaansche trotze en wijdberuchte steeden
    (2040) (Na dat Augustus hier de goddelijke Vreede
    Had op haar troon gezet) om d’eere twiste, wie
    Van haar de tempel van August zou bouwen; ’k zie
    De weerelt nu gesplist, en alle drie haar deelen
    Heel blank in ’t harrenas om ’t heftighste krakeelen:
    (2045) Elk wil voor dees godin een tempel slichten. Ach,
    In d’uchtend daaldt mijn zon. dit ’s een verkeerde dagh.
BRANDT.



[p. 72: blanco]
Continue

Tekstkritiek

vs. 718 oorlogsvollek er staat: oorlogsvollck
vs. 2007 sterf er staat: sterft