Abraham Bormeester: Infidelitas ofte Ontrouwe Dienstmaagt. Amsterdam, 1664.
Uitgegeven door drs. G.C. van Uitert
Red. dr. A.J.E. Harmsen, Universiteit Leiden.
Ceneton013160 - Ursicula
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.

Continue
[
p. 1]

A. BORMEESTERS

INFIDELITAS.

Ofte

Ontrouwe Dienstmaagt.

REGEL:
Kunje wat, dat krygt,
Krijghje wat, dat swyght.

[Vignet: Stadswapen van Amsterdam]

t’AMSTERDAM,
___________________________

Voor CORNELIS WILLEMSZ BLAULAKEN, woonen-
de op de Nieuwe-zyds Achtr-borghwal. 1644.



[p. 2: blanco]
[p. 3]

Aen Juffrou

Judith de Hoogh.

ROem-draagster deser eeuw! ’t ontbreeckt hier aen de macht, niet an de wil, u E. te bejegenen in sulcker voegen als wel vereyscht de staat, de eer, den roem van uwe loffelijckheden die onvolprijslijck zijn: sulcks, dat ik mijn ontsie yets te beginnen dat ik niet volendegen kan. Juffrou! de nieus-giericheyt vergeselschapt zijnde met breder licht-bestant, deed mijn dikwijls betreden het paatje (ghelijck) waarw’er niet, we quamen’er niet; ende daar wesende, most ik door laatdunkende vermetelheyt, door de schaamt-vreesende schamelheyt, een schade, of schandelijke uytkomst verkiesen. Het welck mijn eyndelijk een dusdanigen oord deede in slaan, om niet heel en al tusschen weeghs te blyven steeken. Of dunckt’er sommege die dit mede lesen, dat dese stijl de overlast van veel dunck-weeters,* bij gebrek van volkomender uytwerkenig, niet dragen soude, stel ik mijn pijp na een anderen deun. ’t Heb wel eer een spreekwoort hooren spreken, dat seyd: Schurft leert sich selven klauwen. En kos daar an noch een vande selvege materie, luydende: Een schurft schaep is haas geraakt. Even eens soo gaat’et met dit onnosele aapen-spel, wel eer getrokken uytet wonder-boek der natuuren, ende by een gevoeght met dese aldus luydende regelen:

                Seght niet al wat ge weet,
                Veel min, al watge denckt,
                Op dat u onbescheet
                Geen voom gemoedt en krenkt.


[p. 4]
    Hier om schijnt de nijd haar hert te knagen: nemende het werk als eygen aan: waar uyt de beschuldinge van haar schuldich ende wroegent geweten, volgen moet. d’Onnoselheyt loopt verbaast nu hier, dan ginder, vreesende voor een langh-duerende haat; die gemeenelijck vergeselschapt is met twist, lastering, schimp en versmaadheyt: ende loopen so langhe tot datse eyndelijk vande rechtsinnicheyt geblint-ooght daar neder plotsen; ende gevallen zynde, wentelen sich voor de voeten van die, diese willen dat mede tot een val geraaken.
    Dit is dan het geenege so mijn benout herte voor den throon uwer eer, en deuchtsaamheyt moste uytstorten; verrou haar heuscheyt sal door een onbekrompen oordeel, het rechte vonnis hier van strijcken, ende de stouticheyt mijner pennen ten besten duyden; die haar stom-spreekende, eerst ende voor al toe knik, mits de teekeninghe van mijn neederigh hefte seggende: O! aller eeuwen Flora! begunsticht met den dou uwer beleeftheyt, den yver mijns vruchtelosen arbeyts, isser eenige medogentheyt, laat daar de straalen uwer voorsichtigheyt overflikkeren, op datse in haar lent gezegent, geliefkoost ende gekluyster mogen werden: sulcks haar in aller verbeteringh sal doen opwassen: dat selvege wensch en bid de herten-wenscher uwer geneghtheyt, met die, die daar naa haaken; van de welkte ik de minste ben.
A.B.
__________________________________________________________

Persoonen.

Sr. MAGNANIMUS, Een Astrologist.
Juff. STIRPS, Sijn Huysvrou.
SEELITJE, Haar Dienstmaagt.
Alwetende JASPER, Singioors Dienaar.
HANS KLEEPEL,
FLODDER boven vol.
LAATDUNCKEN.
} 3 Vryers.
Continue
[p. 5]

Het eerste uytkomen.

Hans Kleepel, Alias Graapenbraad, al singende.

            ’t WAs of men ’t mijn seyde
            Dat ik mijn Seeligje sach,
            Een Snyers heyligen dagh:
            Haar wel besneden leden ontkleeden,
            (5) Geen lely, nam Seely haar edelheden,
            Sy wasser de perel van ’t Land.

                Toen ik by mijn selfs quam,
            Trad ik haar int gemoet,
            Met een Cypriaenschen groet;
            (10) So draa ik melden, sy quelde, ik lelde,
            Sy lachte, wat klachte ik suchtend vertelde,
            En seide Hans Kleepel je droomd.

                Wie sijn Ninphje van herten,
            Met lijf en ziel bemid,
            (15) Word van ’t minnen siende blind;
            Acht hem int sakken, vol quakken, half bakken,
            Behalven van inde luyeren te kakken,
            Niet beter, gelijk’en een kind.

    Een minnaar acht zijn heyl in weer-liefd, strook en streelen.
(20) Een Krijghsman int geklep, van staal, en twist krakkelen.
d’Een streeft om de Bruyd, d’ander om den buyt,
Maar, haddense mijn verstankt, die sinnen mosten ’t landt uyt.
Wa seght ghy’er van, seght ghy Vrouwen krijgs-mannen?
Ik leef int reut’len, en preut’len, van schotels, potten, pannen:
(25) Dat is mijn bruyt, mijn hoop, mijn heyr-tocht vol geneught;
Dat geeltje, dat streeldje,*, en maakt haar minnaar vol van vreught.
Dat is oprechte liefd, en onbekrompen minlijkheyt,
Hier om vry ik de meyd, met ’en opgetogen sinlijkheyt.
Ha! daagelijsche spys en drank, en ’t geltje lest van Beste-vaar,
(30) ’t Welck sy uyt een liefde kreeght uyt des oudens lessenaar.
Dat vaarje in jou diefzak saise, o! duysent kangsen;
Miet kliet’ser uyt, en gaat uyt liefd int hemd dangsen.
Dat ikje voor reeken sou, de liefd, van so veul genoten goeds,
’k Maaktenje as klok-hanen, of voor ’t minste broeds.
(35) En daarom heb’ik’er deur’n onmenschlijke verdicheyt,
Laten schilderen op een doek van denkwerdicheyt:
[p. 6]
[p. 7]
[p. 8]
[p. 9]
[p. 10]
[p. 11]
[p. 12]
[p. 13]
[p. 14]
[p. 15]
[p. 16]
[p. 17]
[p. 18]
[p. 19]
[p. 20]
[p. 21]
[p. 22]
[p. 23]

BESLUYT.

Aan den versinden, waan-wysen, ende
onbescheyden Heere, mijn Heer betweter,
by-genaamt, onverstant.

BEguitert, ’k weet ghy guiten moet,
Al viel ’k uw met gebeen te voet:
Dus stel ik u achter myn,
Want voor myn soud ghy blood zyn.
(5) Rept u kaaken, eer de moet stelpt,
Bespot hem, die u spotten helpt.
Kyk, dat ’s ’en larv, dat’s een muyl,
Eat ’s ’en scheef mik, dat ’s ’en uyl:
Hy meent al twaelf, en staat op elven;
(10) Hy soekt na myn, en mist sich selven.

EYNDE.

[p. 24: blanco]
Continue