Thomas Asselyn: Melchior, baron de Ossekop. 1691.
Uitgegeven door drs. G.C. van Uitert
Red. dr. A.J.E. Harmsen, Universiteit Leiden.
Ceneton002450 - Ursicula
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.

Continue
[
p. 1]

MELCHIOR,

BARON

DE OSSEKOP.

KLUCHTSPEL.

Door T. ASSELYN.

[Vignet: Yver, in liefd’ bloejende].

t’AMSTERDAM,

By de Erfg: van J: LESCAILJE, op de Middeldam,
op de hoek van de Vischmarkt, 1691.

Met Privilegie.



[p. 2: blanco]
[
p. 3]

Copye van de Privilegie.

DE Staten van Holland ende Westvriesland doen te weten. Alzo Ons vertoond is by de tegenwoordige Regenten van de Schouwburg tot Amsterdam, Dat zy Supplianten zedert eenige Jaaren herwaarts met hunne goede vrinden hadden gemaakt en ten Tooneele gevoert verscheiden Werken, zo van Treurspeelen, Blyspeelen als Klugten, welke zy lieden nu geerne met den druk gemeen wilden maken: doch gemerkt dat deze Werken door het nadrukken van anderen, veel van hun luister, zo in Taal als Spelkonst zouden komen te verliezen, en alzo zy Supplianten het berooft zouden zien van hun byzondere oogwit om de Nederduitschen Taal en de Digtkonst voort te zetten, zo vonden zy hen genoodzaakt, om daar inne te voorzien, ende hen te keeren tot Ons, onderdanig verzoekende, dat Wy omme redenen voorsz. de Supplianten geliefden te verleene Oktroy ofte Privilegie, omme alle hunne Werken reeds gemaakt, en de noch in’t ligt te brengen, den tyd van vyftien Jaaren alleen te mogen drukken en verkoopen of doen drukken en verkoopen, met verbod van alle anderen op zeekeren hooge peene daar toe by Ons te stellen, ende voorts in communi forma. Zo is ’t dat Wy de Zake en ’t Verzoek voorsz. overgemerkt hebbende, ende genegen wezende ter bede van de Supplianten, uit Onze regte wetenschap, Souveraine magt ende authoriteit dezelve Supplianten gekonzenteert, geaccordeert ende geoctroijeert hebben, conzenteeren, accordeeren ende octroijeeren mitsdezen, dat zy geduurende den tyd van vyftien eerst achter een volgende Jaaren de voorsz. werken die reeds gedrukt zyn, ende die van tyd tot tyd door haar gemaakt ende in ’t ligt gebragt zullen werden, binnen den voorsz. Onzen Lande alleen zullen mogen drukken, doen drukken, uitgeven en verkoopen.Verbiedende daarom allen ende eenen ygelyken dezelve Werken naar te drukken, ofte, elders naargedrukt binnen den zelve Onzen Lande te brengen, uit te geven ofte te verkoopen, op de verbeurte van alle de naargedrukte, ingebragte ofte verkogte Exemplaaren, ende een boete van drie honderd guldens daar en boven te verbeuren, te appliceren een darde part voor den Officier die de calange doen zal. een darde part voor den Armen ter Plaatze daar het cazus voorvallen zal, ende het resteerende darde part voor den Supplianten. Alles in dien verstande, dat wy de Supplianten met dezen Onzen Octroije alleen willende gratificeren, tot verhoedinge van haare schaade door het nadrukken van de voorsz. Werken, daar door in geenige deelen verstaan, den inhoude van dien te authorizeeren ofte te advoueeren, ende veel min de zelve onder Onze protektie ende bescherminge, eenig meerder kredit, aanzien oft reputatie te geven, nemaar de Supplianten in kas daar in yets onbehoorlyk zoude mogen influeeren, alle het zelve tot haren laste zullen gehouden wezen te verantwoorden; tot dien einde wel expresselyk begeerende, dat by aldien zy dezen Onzen Oktroije voor de zelve Werken zullen willen stellen daar van geene geabbrevieerde ofte gecontraheerde mentie zullen mogen maaken, nemaar gehouden zullen weezen het zelve Octroy in’t geheel ende zonder eenige Omissie daar voor te drukken ofte te doen drukken, ende dat zy gehouden zullen zyn een exemplaar van alle de voorsz. wer- [p. 4] ken, gebonden ende wel geconditioneert te brengen in de Bibliotheecq van Onze Univerziteit tot Leiden, ende daar van behoorlyk te doen blyken. Alles op poene van het effekt van dien te verliezen. Ende ten einde de Supplianten dezen Onzen Conzent en Octroije mogen genieten als naar benooren: Lasten wy allen ende eenen ygelyken die ’t aangaan mag, dat zy de Supplianten van den inhoude van dezen doen, laaten en gedogen, rustelyk en volkomentlyk genieten, en cesserende alle beletten ter contrarie. Gedaan in den Haage onder Onzen grooten Zegele hier aan doen hangen den xix September in ’t Jaar onzes Heeren en Zaligmakers duizent zes honderd vier en tachtig.

G. FAGEL.
Ter Ordonnantie van de Staaten
SIMON van BEAUMONT.
De tegenwoordige Regenten van de Schouwburg, hebben het recht der bovenstaande Privilegie, voor deze Druk, van Melchior, Baron de Ossekop, Kluchtspel, vergund aan de Erfgenaamen van J. Lescailje.     Den 3 December, 1691.
_____________________________________________________________

PERSOONADJES.

PIETER, een geweesene militair Kapitein.
ANDRIES, zyn Vendrig.
MELCHIOR, Baron de Ossekop, Hoogduitscher.
PASSCHIER, een Gauwedief, en knecht van de Baron.
JOOST, een Waard.
FRANZYN, vrouw van Joost.
SCHOUT.
ANGNIET, de Meid.
DIWERTJE, Buurvrouw van Franzyn.
DIRK, een Kruier.
Dit Kluchtspel begint in de morgenstond, en eindigd
in den achtermiddag; het Tooneel is voor het
Logement van de Baron.
Continue
[
p. 5]

MELCHIOR,

BARON DE OSSEKOP.
_________________

EERSTE TOONEEL.

ANDRIES, PIETER.

PIETER.
Myn geld is voort, Andries.
ANDRIES.
                    Wat doeje by de snollen?
PIETER.
Ik slaap schier daar ik sta, zat ik ’er toe, ik zou wel met ’er haast knikkebollen.
ANDRIES.
Dat komt ’er van dat men zo van de nacht zyn dag maakt.
Je bent gelukkig, vriend, datj’er noch zo hielshuid bent afgeraakt.
(5) Maar, Pieter, wat kwam je over met die snoeshaan te speelen?
Ik zag in ’t begin wel dat het niet eindigen en zou zonder krakeelen.
Ik docht zo meenigmaal, i gut borst, daar meê komt hy je op de huid;
’t Is ook al te grof, als men ’t zegge zel, een tiktakje om een ducaton slag uit,
Loop het je wat tegen, je kond met ’er haast een hoope geld spillen,
(10) Want zommigen zyn zo gelukkig, dat ze al gooijen wat zy willen.
Zo dat, eer jy er byna om denkt, in een korte tyd
Hoe wel dat je ’t spel verstaat, je bent het hiele hagje kwyt.
PIETER.
Ik loof dat hy botte kon, Andries, zo net wist hy ’t altyd te rooijen.
ANDRIES.
Ik laatze ’er best doen met botten, als ze maar de stienen tegen ’t bord aan gooijen,
(15) Zo ben ik zo goed als zy, maar dat is het niet, vriend,
[p. 6]
’t Is onmoogelyk voor je te winnen als ’t geluk je niet en diend.
Maar zulke kuffen zou ik schuwen, Pieter, als ik myn geld zou verteeren.
PIETER.
Hoe is ’t gien eerlyk huis?
ANDRIES.
                    Dat zeg ik niet, maar datm’er zo wat vremd slag van vrouwvolk ziet verkeeren.
PIETER.
Hoe kom jy ’er dan, Andries?
ANDRIES.
                    Vraagje dat? daar ben ik van jou eerst toe verzocht.
PIETER.
(20) En ik waarder myn leeven niet gekoomen, waar ik ’er van dit schelmsche jonge niet gebrogt.
Maar, als’t al gezeid is, Andries, nou ben ik te schendig verleegen,
Myn rok ben ik kwyt, orlogie, sjarp, en myn deegen,
Een rotting van een dukaat, en dan noch zo ettelyke kraagmannetjes ’er by,
Ik zeg, dat dobbelen en speelen brengt meenig man in de ly,
(25) Daarom mien ik het voortaan als de pest te schouwen.
Wat dunkje, Andries, ben ik niet braaf* in postuur om toekoomende zondag te trouwen?
Ik weet datze me met smart zitten en wachten tot de bruid.
ANDRIES.
Hoor, Pieter, wil ik je raad geeven?
PIETER.
                    Wel, wat raad?
ANDRIES.
                                        Wat raad? schei ’er uit.
PIETER.
Schei ’er uit! dat wou hem opdoen, daar zou men wel liedjes van zingen.
ANDRIES.
(30) Nietmedal, vrind, men kan niemand tot trouwen dwingen.
PIETER.
Wel gezeid, was ’er zo van te vooren niet wat voor af geschied.
ANDRIES.
Leid het zo, maat, dan waar je ook gien braaf karel, dat je ze zitten liet.
Alle dingen zou wel gaan, Pieter, konje dat flikken met de kaart, en ’t bord laaten.
[p. 7]
PIETER.
Dat moet zyn beloop hebben, laaten wy daar niet veel van praaten,
(35) Wist je nou maar wat avontuurs, zo waar je de beste man;
Ook was ’er in ’t minst niet aan geleegen al kwaamen we ’er zo eerlyk niet an.
Ik heb daar noch wel een ordonnantie, maar daar kan ik my niet van bedienen:
Maar zacht, Andries, wat jonker komt daar? ziet hoe kruist hy de straat met stroo bienen,
Wat maakt hy wonderlyke passen, en wat is hy topzwaar van gewigt?
ANDRIES.
(40) De duivel, Pieter! dat is de mof die ons te nacht zo van de huig heeft gelicht.
PIETER.
’t Is mis, maat, hy is het niet, het is een verkeerden.
ANDRIES.
Ik zeg dat hy ’t al is, zeide hy niet dat hy hier by Joost in de witte fortuin logeerden?
En zieje wel dat hy zyn gang zet zo recht na ’t huis.
PIETER.
Je hebt waarachtig gelyk, Andries, ik heb abuis.
(45) Ik zie zyn knecht myn rok, sjarp, en deegen achter na draagen,
Dat mien ik zo niet te laaten slippen, daar mien ik een kans na te waagen;
Andries, wouje me nou trouw weezen, zo was ik ten eersten weêr klaar,
Want tegen een dronken man aan te gaan, is buiten alle gevaar.
Jy hebt een deegen, en ik zal myn zien meester te maaken van de zyne.
ANDRIES.
(50) ’t Is straatschendery, Pieter.
PIETER.
                    Nietmedal, maat, ik spreek maar kwanzuis om ’t myne,
Ik zal zeggen dat het een valsche dobbelaar is, en die word toch van elk veracht.



TWEEDE TOONEEL.

ANDRIES, PIETER, BARON, PASSCHIER.

BARON.
PAsschier, wir haben goed fortuin gemacht deizer nacht,
De coph is mir zo ubel, er schind mir wier ein tol toe dreien.
[p. 8]
Datze man bald eins wedder koomen, ich woller noch ein maal an den dans leien.
(55) Dem snoevers, was das ein offecier? er mach weezen das ik nicht zagen en wol,
Ig woller wol bald ein zo dritten, zulk slag hab ig noch wol ein zach vol.
Zol mir zo schandlig zein keweer, sjarp und deegen in de looph lassen?
Nein, bei meiner edeldom, ig wol liber das mir de honde vrassen,
Aber, haab ig kein keld, ig las dat spielen staan,
(60) Ein edelman, as ig bin, vermag t’zeimger teit zund keweer te gaan.
Wen man ein is welg mein keslacht, oder stam komt te touchieren,
Met dem wol ig mein edeldom, met de punt von mein deegen, disputieren.
Ig hab den kreig kevolgt vor Maagdenborg, Leipzig unde Andernag,
Under den obersten Steinbok, und graffe von Slippenbach,
(65) Zol ik mier nou von ein deil haffekophen lassen foppen?
Nein, das vuigd kein edelman, aus das ridderleig keslacht der Ossekopphen.
Her dou, komt er man aus, ig wol dig kerben als ein visk tot den graat.
PNSCHIER.
Zacht, heer, steekje deegen op, daar ginder zien ik volk by de straat.
BARON.
Paschier, ig wol dy ein hupsche kapot lassen maachen, op das mer zeen mag aan dein veeren,
(70) Das der ein Baron dinst, und lassen dem met gold und zilver schammereeren,
Wan ik bemerg das er mir hupsch und trouw diend.
PNSCHIER.
Wou je dat doen, myn heer, je waart van nu aan St. Pieters beste vriend.
BARON.
Er wol wal bald komen, aber aan geld wold mir nichts mankieren,
Zich dar, was dunkt er van das kruid?
PNSCHIER.
                    Dat zyn recht heilgen dien ik zoek alle daagen te vieren.
BARON.
(75) Zo hab ig noch etlige stukken golts tot meiner salvo in der not,
Er hab ein gud uur getroffen, dats der in our deenst bist begrot.
PNSCHIER.
Zo doen ik myn heer. ik moet beginnen wat zoet met hem te praaten.
[p. 9]
BARON.
Zich dar tswei goldene ducatons, ein rossenobel, ein carolus, und tswei ducaaten,
Und in mir komfer hab ig er noch etligge von den slach.
PNSCHIER.
(80) Daar zelje niet lang miester van weezen, zo ik my op myn konst maar wel verlaaten mag.
Maar, myn heer, durf je dat goud zo los in je zak vertrouwen?
Ziet daar, in dat toebaksbriefje kan je ’t allemaal moy by malkandren vouwen,
En steekend in je binnebeursje, by’t oorlogie, daar is ’t immers best bewaard?
BARON.
Er het waarlig geleig, nou seen ig das er is von ein eerligge und hupschen aart.
(85) Paschier, aber met das kraut kan men aller gebreggen kureeren.
PIETER.
Je zelt ’er gien nood van hebben, dat jy der je van daag zeld meê besmeeren.
Hoor, Andries, val jy maar zo daadlyk zoetjes voor hem neêr,
En in dat struiklen zal ik my zien miester te maaken van zyn geweer,
En jy zeld onderwyl de knecht met dreigementen aanpakken,
(90) Onderwylen zel ik huiszoeking doen in zyn tassen, en zyn zakken,
En zien hem zo weêr hiel schoon te maaken van al zyn gewonne buit,
En smeeren hem, met zyn eigen geweer zo een weinigje de huid.
ANDRIES.
Ga jy maar je gang, ik zel dat varken wel wassen.
BARON.
Pasgier, waar bister jong, oder er most vleisicher op passen.
PNSCHIER.
(95) Wat belief je, myn heer?
BARON.
                    Klaph an, daser aanstonts ofne de deur,
Und wense vrotge, wel door? zo zacht der eddle Baron de Ossekoph is er veur.
Ay mier, was stramphlen is das?
PIETER.
                    Voort, zonder een woord te spreeken.
Geef over je geld, zo niet, zo zel ik je zo dryvende deursteeken.
[p. 10]
BARON.
Helph mir, helph mir!
PIETER.
                    Maak je noch het alderminste geluid,
(100) Zonder je geld over te geeven, zo gaat dat zo dryvende deur je huid.
BARON.
Pasgier, Pasgier, war bister jong? is her kein hulph zou kriegen?
ANDRIES, tegen Paschier.
Ik zeg noch iens, leg neêr, of ik zel je als een hoen aan ’t spit rygen.
BARON.
Pasgier, horster nicht, jong, kloph noch ein mool an dem poort.
PNSCHIER.
Ik ken je niet helpen, myn heer, ik ben zelfs al schier vermoord.
ANDRIES.
(105) Hoe vaar je, Pieter?
PIETER.
                    Myn geld en myn rotting heb ik weêr om e kreegen.
ANDRIES.
En daar is je rok, je sjarp, en je deegen.
PIETER.
Nou rester noch myn oorlogie, tza hy moet ’er noch iens an.
BARON.
Bister ein rechtschaffen keerel, oder ein eddelman,
Zo gibt mir mei keweer, wi wollen dan tou zamen schermutzieren.     Tegen Paschier.
(110) O dou, berenhuter, dat dy das rat steid, zol dich der her zo lassen afrontieren?
Ich wol dich das verlieren das mir das schelmstukh hab kebrouwd.*
PNSCHIER.
Hoor, messieurs, het oorlogie heeft hy in zyn binnebeursje, met noch stukken goud,
Ik weet de munt van elk, en waar ze in zyn, beloof je ’t met my goed te maaken?
Ik zel myn best doen dat je zo wel aan ’t goud als aan ’t oorlogie zult raaken;
(115) En of hy wat snorkt en raast, ik zel my houwen of ik hem niet en ken,
En dat myn naam Jan is, en dat ik niet zyn knecht, maar de knecht van u ben;
Beroepje maar op my, het toebaksbriefje daar hy ’t goud heeft in gevouwen,
[p. 11]
Daar in staat zeeker rympje, dat ik noch van buiten heb onthouwen.
Zeg dat hy ’t goud van je gestolen heeft, en tot noch toe diefachtig onthoud,
(120) En wil hy ’t niet willig overgeeven, zo zel ik het tegen hem getuigen, al waar ’t voor de Schout.
ANDRIES.
Goed, wel bedocht, valt het wel uit, we zellen ’er jou goede portie van vereeren.
BARON.
Was wolter mer van my?
PIETER.
Za, noch zo wat van je gouwe veêren:
Jou gestole goudbeurs, en oorlogie dat je ons dat zo aanstonds steld ter hand.
BARON.
Ich wol liber dat dig zand hoeper vermoolde tot iedel sand.
PIETER.
(125) Voorts, zeg ik, geef over, en dat met weinig woorden.
BARON.
Helph mir, moord! moord!



DARDE TOONEEL.

PIETER, BARON, ANDRIES, PASSCHIER, JOOST, FRANZYN.

FRANZYN.
                    JOost Harmenze, e Joost Harmze.
JOOST.
                                        Wat is ’er te doen, Franzyn?
FRANZYN.
                                                            Och! ze zellen malkaar vermoorden.
JOOST.
Wel, wat baaren is dat?
FRANZYN.
                    Zou ik niet baaren! daar benne wel drie of vier degens uit.
JOOST.
Houw op, of ik sla ’er onder, wie heb je voor?
ANDRIES.
                    Wie zoude we veur hebben, een deursleepe guit.
[p. 12]
Joost, help ons nou, we zelle je reis weêr gerieven.
JOOST.
(130) Wat is ’t veur ien?
PIETER.
Een valsche dobbelaar, en een kapitein van de gaudieven.
JOOST.
Hoe kom je by malkandren?
ANDRIES.
Dat zel ik zeggen, een kleine jongen heeft ’er ons by gebracht,
En zo hebben we zaamen zitten speelen met de kaart, en in ’t verkeerbord, de gansche nacht,
Tot dat ik zilverschoon ben geraakt, behalven zes stukken goud, dien ik als een plegtanker had behouwen,
En om die wel te bewaaren, had ik die in zeeker toebaksbriefje by een gevouwen,
(135) En of hy ’t bespied of gemerkt heeft, altoos na een korten tyd,
Zonder dat ik ben van hem geweest, ik ben myn goud, en noch een oorlogie kwyt,
Gelyk myn knecht wel weet, niet waar, Jan?
PASSCHIER.
                    Ja, myn heer.
PIETER.
                                        Laat hem vry de waarheid spreeken,
Zo dat ik wel verzeekerd ben dat hy ’t alles noch by hem houd versteeken,
En zou ik dat zo laaten gaan, Joost, myn gansch kapitaal hangt ’er an?
FRANZYN.
(140) Het is de Baron, Joost!
BARON.
                    Das bin ich, wen man wol erhalter was van,
Mein redliger hospes, ig wol as ein erlich man op meiner conscientie vorklaren,
Hoe das ig mit deize straatscheinders deizer nacht bin kevaaren,
Gleig men dener passagier wol weist wasser deizer nakt is keschiet.
FRANZYN.
Hoe, ben jy de Baron zyn knecht?
PASSCHIER.
                    O neen, Franzyntje, ik en ken hem niet.
[p. 13]
(145) Ben ik jou knecht? wel, dit doed hem wonder op, hy zoud ook wel mienen.
Wel, wat bruid my die Mof, jou knecht? ken ik dan twee heeren gelyk dienen?
BARON.
Ja er bist mein dener, das wahr, das ig heb kezeid:
Ig hab dig von de stras up kenomen, aus lautre barmhartikeid,
Dau vlegel darste steidt, de raben wollen di noch vressen,
(150) Ig wol dich von ein ritten wan men mein wol begaan lessen.
PASSCHIER.
Poe pas, ien giezeling en een brandmerk staat veur jou vast, versta je dat?
FRANZYN.
Wanneer is hy jou knecht geworden? je hebt tot onzent gien knecht gehad.
BARON.
O dou kanailje, das ig mir nigts en vergreif, wat mach mir erhindren.
FRANZYN.
Jy meugt zelf karnailje weezen, dit zinne altemaal burgers kindren.
(155) Wat leid jou te karnailje? hoe of ’t hier of zel loopen met dat dronke beest?
PASSCHIER.
Hoe kan ik zyn knecht weezen, daar ik wel zes weeken in dienst van de kaptein ben geweest?
BARON.
Her hospes, gibt mir mein komfer, ich wol die upstond zu vollen bethalen.
JOOST.
Eerst dartig Dukatons, en dan meug je jou koffer laaten haalen.
PIETER.
Holla, Joost, dat zou ik veur al zo niet verstaan.
(160) Franzyntje, ay! wil je je meid iens na de Schout laaten gaan?
Ik zie wel met al dit rammelen, disputeeren en raazen,
Zou hy me op ’t laatst noch wel ontsnappen, en dan mocht ik hem na blaazen.
ANDRIES.
Daar heb je gelyk in, Pieter, die vogel zoekt de ruimte, en raakt hy ’er uit.
Je krygt hem je leeven niet weêr, hoe schoon dat je fluit.
BARON.
(165) Ig wol dig alle ander justitie beklaggen, das wol ich er wol zweeren.
[p. 14]
ANDRIES.
Igut Pieter, mogt hy dat doen, hoe langzaam zou hy weêrom keeren.
PIETER.
Dat zel hem niet overkomen, het gaat ook hoe het gaat.



VIERDE TOONEEL.

PIETER, ANDRIES, BARON, FRANZYN, JOOST, PASSCHIER, SCHOUT.

SCHOUT.
WAar is het te doen, Franzyn, hier in huis, of op straat?
FRANZYN.
Op straat, myn heer, och! ik heb ’er schier een misval van gekreegen.
JOOST.
(170) Had ik het niet gedaan, myn heer, daar hadden ’er al wel vyf of zes op ’er rug geleegen.
SCHOUT.
Waar schuild het, zeg op, wie is hier de oorzaak van?
Joost, jy zeld het my zeggen, of ik hou jou veur de man.
JOOST.
’t Is buiten myn huis geschied, myn heer, maar de kaptein zel je best zeggen.
SCHOUT.
Spreek dan op, kaptein.
PIETER.
                    Met verlof dan, myn heer, dat ik het je mag uitleggen.
(175) Op gistren ontrent den avond zyn wy deur een guit van een jongen zeer aardig verleid,
Die ons kwam nodigen om een spulletje te zien van byzondere deftigheid,
En naar lang toevens, daar zynde, dat zich niets kwam openbaaren,
Bevonden wy dat we onder een party valsche dobbelaars waren,
Daar deze hoogduitscher het hoofd van was, met welken wy de nacht,
(180) Zo met speelen in’t verkeerbord, als met de kaart hebben deur gebracht,
Tot dat wy geldeloos zynde, en naauwlyks zo veel konden uit maaken,
[p. 15]
Tot betaaling van ’t gelag, om uit dat kot te geraaken.
In dien gaauwedief, die daar zo slecht staat en ziet, maar de aap heeft in de mouw,
’t Oog hebbende op zes stukken gouds, die ik altoos voor een plegtanker van reserve hou,
(185) Heeft my die, hoewel dat ik ze meende voor hem te hebben verholen,
Zeer listelyk, benevens noch een zilverd oorlogie diefachtig ontstolen,
En dat is de oorzaak dat wy hem tot hier toe hebben vervolgd, alwaar hy is gelogeerd;
En na dat hy ’t my weigerden, (ik bekend) heb ik hem met myn degen zo wat afgesmeerd,
Want hoe, myn heer, dat ik myn goed vervolg, zal niemand disputeeren.
SCHOUT.
(190) Joost, hoe is ’t, hou je dieven an?
JOOST.
                    Neen ik, myn heer.
SCHOUT.
                                        Wel, koe komt hy dan hier te logeeren?
Ik vrees je zelt myn commissaal haast worden, want dit gaat tegen de keur.
JOOST.
Holla, myn heer, ik mag zo zomtyds een heerschop met een juffrouw logys geeven, dat denk ik gaat ’er noch zo meê deur,
Maar veur zulk volkje zal ik men veur al wel wachten.
FRANZYN.
’t Is ontrent veertien dagen geleên, dat de Baron hier d’eerste maal kwam vernachten,
(195) En zeederd is hy wel acht dagen weg geweest, dat men niet heeft gezien noch ook gehoord.
Ik zei flus noch tegen myn man, waar of hy mag steeken, zou hy wel verongelukt zyn, of vermoord;
En nou doed hy hem dus op.
SCHOUT.
                    Fynman, nou moet ik jou hooren,
Wat ben je veur een landsman?
BARON.
                    Ich bin zou Dresden, hooftstad des Sakzischen kreits keboren,
[p. 16]
Von edler abkumst, und von ein doorluchtige stam,
(200) Das wol er aus das Grafschap von Wolfeinbutel er orsprong nam.
Mein vatter er habt Kansler kewest van zein keurvorstliger deurlugtigheid Trier, zein ganscher daggen,
Und er es ofmals abkezant keweest up der rieksdag zu Worms oder zu Pragge.
Ich ben ein Baron, aus das ridderlyke geslacht der Ossekophen genaamd,
Dur der gansche Dutsche kreits, vor eddel befaamd.
(205) Mein waffen bestas as ich das nar meiner edeldom wol kwartilieren.
Tot reputation meiner keslagt, in sekstein kwartieren.
Ich hab in meiner jeugd zu Frankfurt an Main, onder meine preceptors kestudiert,
Und bin ooch aldar tot meiner grosser reputation dokter juris kepromuvierd;
Ich hab der weid durg zeen, und bin altes ankehald ten haufen bei de grossen,
(210) Von welgen ig oog hab viel Fursten gunst genossen.
In Vrankrig hab ich ten theid von vunef jahren oder mer kespendierd,
Und ein keheel jahr in der Philosophie ook aldar kestudierd.
Zein Majesteid um meiner person noch deurlugtiger te maggen,
Habt mir in kezicht, von zein kants haufkezin tot ridder geslaggen.
(215) Und nar das er Majesteit mir person alzo hab genobiliteert,
Habter durg ein eddelman mir zein vrijen taffel vereerd,
Und nar das ig mein tseid in Vrankrrig nar mein contentement hab voltsogen,
Bin ig dur Zweitzerland und der Alphen nar Italien getzogen,
Dar ig zu rommen von des heugen Consistorium, met viel reliquien bin geregalierd,
(220) Ig hab ooh aldar ofmal mit den Kardinal von Hessen geabouschierd.
Der mirder hab kedeen um meinet devotion te blussen,
Das ig in zeiner prezention der Paps veutten hab moggen kussen.
Ig hab aldar kezeen de wondren des ganscher weld,
Geleig das in mein stambuch, weitlopig und in ’t breid werd zu meld.
[p. 17]
(225) Und er ig mir vond dar nar mein vatterland hab wollen transportieren,
Hab ig mein noch erst zou Padua dokter medicum lassen promovieren,
Dar ig noch mein testemonium von hab und zeekerleig beskeid,
Gleig ig ook hab von der Keurmeints, Trier, und der Keizerlige Majesteit,
Welger Kurfurstligger personnen, um meiner eddeldom merder tzou eeren,
(230) Haben elg er waffen und wasch ab kedrukt dar an lassen anexeeren,
War ig hab kereist, oder in welg land oder stad,
Ig hab altos ein haufmeister, und tzwei pagies in meiner deenst kehad,
Das ig nou mein zwitten un kevolg hab agter klaggen,
Is das ig deze hazekophen,* meiner eddeldom nigt hab wollen bekend maggen,
(235) Was meinter das ig ein koljon bin? das ig hab geredenierd, is waarlig alzo keschiet.
SCHOUT.
Al jou snorken, en al jou zwetzerijen die en gelden hier niet,
Veel min al jou atestatien en bezeegelde brieven.
Hier word gezeid dat jy een valsche dobbelaar bent, en een kaptein van de gaudieven,
En dat je die man zyn goud en oorlogie ontstolen hebt, en dat diend onderzocht.
BARON.
(240) Waarleig, mein her, ig habt zelbs von Frankfurt mit mir kebrogt.
Das zein strasscheinders er habben zelbs mein keld und keweer afkenomen.
ANDRIES.
Recht gaudiefs praat, al wat men hun aantygd, dat is hun dan zelfs overgekomen.
SCHOUT.
Wat bewys heb je nou, kaerel, van al het gene dat je hier zegt?
Hier word je van dievery overtuigd, zo van de vendrig als van de knecht.
(245) Neen, ik hoor wel, je bent in die kunst al reedlyk bedreeven.
PIETER.
Hoor, myn heer, laat hy jou het goud in handen geeven,
En examineerd myn knecht, die ’t goud veur my by een Smous heeft opgehaald,
En in ’t byweezen van myn vendrig het opgeld daar nevens betaald.
En op dat je de waarheid noch beeter moogt komen te kennen,
[p. 18]
(250) Zo zel hy van buiten weeten te zeggen, van wat munt, en welke te ligt, en ook die zwaar genoeg bennen,
En het toebaksbriefje daar ’t goud in leid, en zeeker rympje in gedrukt staat,
Dat zel hy je van woord tot woord van buiten zeggen, hoe het gaat,
En wegens ’t oorlogie, dat ik jaar en dag by me heb gedraagen,
Daar kan myn heer, all ’t hem belieft, my van ondervraagen,
(255) En vind hy dan falikant in ’t een of ’t ander, of ’t zy in myn knecht of myn
Men geef hem ’t goud en ’t oorlogie weêr om, en wy zullen uw gevangen zyn.
SCHOUT.
Je spreekt als een eerlyk man, kaptein, men kan ook niet meêr prezenteeren.
Za, Meinderd, vat hem, en jy, Jurie, doorzoekt hem zyn kleêren.
BARON.
Sta af, dou reekels, oder ig vermool di den koph.
SCHOUT.
(260) Wat reekeld jou de smoul, gaat jou gang, en spreekt hy noch een woord, zo slaat ’er op.
Jou gauwdief, je zoud eerlyke luiden het haare laaten behouwen.
BARON.
Ich wol mir op der justitie beroephen.
SCHOUT.
                    Daar zel je noch tyds genoeg komen om je de rug te touwen.
BARON.
Las mir los, ig wol ter her zelbs giben in eigener hand,
Zich dar her Scholt, dat das mein is, is zo warlig als das licht un der aardkloots spand,
(265) Dem gauwdief, er wes wol besser, wanner der waarheid wol spreggen.
SCHOUT.
Jou dievery leid klaar, hier is bewys, en je blyft in je bewys steeken,
Nou, jongman, treê jy wat te rug, haperd dit, zo is de kaart hier ook vals.
Wat staat ’er in ’t briefje gedrukt?
PASSCHIER.
                    Voor eerst, een aapje dat toebak drinkt, met ien kraagje om zyn hals,
En vorder, myn heer, zo ken je daar onder noch nevens deezen
(270) Dit volgende rympje, dat van woord tot woord aldus luid, daar na in leezen.
[p. 19]
Gy burgers en boeren en wilt niet verby gaan,
Hier hebt gy den welriekende onvervalschte nicoxiaan,
Die alle flegmatyke humeuren doed opdroogen,
Ze is goed veur een druipend en lopende oogen,
(275) Komt dan maar in, hier is hagend veld,
Een pyp veur af om niet; en veul veur je geld,
Ze zel je verwarmen van acht’ren en van voren,
En kruipen deur je neusgaaten en bei je ooren;
Heb je wat van doen, volg dit briefje maar, en vraag
(280) Na Joris Muishond, in ’t aapje met de kraag.
SCHOUT.
Dat ’s zuiver en goed, hier valt altyd niet altoos niet tegen te praaten.
Wat goud heb ik nou?
PASSCHIER.
                    Twee goude dukatons, een rozenobel, een karolus, en twee dukaaten,
Op de karolus staan twee klopjes, op de rozenobel een, zo dat die twee zyn drie azen te ligt,
Het ander, myn heer, en weet ik niet beter of het heeft zyn behoorlyk gewigt.
SCHOUT.
(285) Jy hebt gedaan, jongman, ’t is recht zo, daar valt niet tegen te zeggen.
Kaptein, weet jy ’t met het oorlogie ook zo net uit te leggen,
Zo heb je groot gelyk, en je krygt je geld en oorlogie weêrom.
PIETER.
Als ’t je belieft, myn heer:
SCHOUT.
                    Sta wat te rug, nou, gaat je gang.
PIETER.
                                        Het sleuteltje veur eerst is een weinigje krom,
En ’t bleumerant lint dat daar aan hangt, alzo ’t scheen te breeken,
(290) Is twee a drie maal door ’t ringetje, daar ’t aan vast is, heen gesteeken,
En met twee knoopjes beleid, de buitenste kas is van zwart zegeryn,
En wederzyds gevoerd van binnen met groen armozyn,
De zilverde daar ’t oorlogie in leid, daar in heeft de Schilder zyn kunst laaten blyken,
In ’t afbeelden van twee historitjes, nooit diergelyken;
(295) In d’eerste ziet men daar Jupiter Ganimedes als een arend ten hemel voerd,
In d’ander, daar Chimon de schoonheid van een slapende nimf beloerd,
[p. 20]
Het luchje, in dat van Ganimedes, is wat gekrast, doch van weinig beduije,
Zo doed het ook onder aan ’t bergje, in de grond ontrent de kruije,
De kas is rondom met lofwerk gesneeden, en de arzeering gevult met swart.
SCHOUT.
(300) Waar is het gemaakt?
PIETER.
                    Tot Rouaan,
SCHOUT.
                                        In wat jaar?
PIETER.
                                                            In ’t jaar 1652.
SCHOUT.
                                                                                Van wie?
PIETER.
                                                                                                    Van Estieen Hubart.
SCHOUT.
Je hebt voldaan, Kaptein.
PIETER.
                    Kan ik myn heer ook vorder dienen?
Tegenwoordig weet ik dat het staat ontrent kwartier over tienen.
ANDRIES.
Dit is immers naakt en klaar, myn heer, want geen mensch die der leefd,
Die anders van buiten zal konnen zeggen wat een ander in zyn zak heeft.
(305) Zo dat de waarheid, op deze wys, zich noodzaaklyk moest openbaaren.
SCHOUT.
Ziet daar, Kaptein, daar is je goud en orloogie weêrom, je meugt het voortaan wat beter bewaaren:
Maar, terwylje hier meê opgeroepen zelt worden, zo dien ik je naam wel te weeten altemaal.
Hoe is jou naam, Kaptein?
PIETER.
                    Pieter Lichthart.
SCHOUT.
                                        En jy, Vendrig?
ANDRIES.
                                                            Andries Nachtegaal.
SCHOUT.
En waar ben jy van daan, knecht? en wat is je ouwers doen daar ze ’er meê geneeren?
[p. 21]
PASSCHIER.
(310) Myn vaâr voert een peeperschuit, en myn moêr houd nachtgasten, en ze verkoopt ouwe kleeren.
SCHOUT.
Waar zyn ze woonachtig?
PASSCHIER.
                    Tot Rotterdam, op de Luizemarkt naast den admiraal Tromp.
SCHOUT.
En hoe is jou naam?
PASSCHIER.
                    Myn naam, myn heer? die is Jan Plomp.
SCHOUT.
Joost, Joost, ik vrees je zelt je portje hier meê noch al in krygen,
Want al die wy weeten dat dieven ophouwen, die en vermeugenwe niet te verzwygen.
(315) Nu voort met hem.
BARON.
                    Myn her, las mir noch ein mool spreggen mar ein woord.
SCHOUT.
Hier valt veur jou niet te spreeken, heb je wat te zeggen, zo spreekt als je word verhoord.     Baron binnen.
Nou, vrienden, dat elk zyns weegs gaat, op dat we hier na geen klagten meer en hooren.     Schout binnen.
PIETER.
Dat ’s wel uitgevallen, Andries, wat dunkje, is dat niet aardig iemand een gat deur de neus booren?
FRANZYN.
Wat zel ik je nou veur zetten, monseurs, een koud hoen?
ANDRIES.
                    Neen, Franzyntje, ’t is noch wat te vroeg:
(320) Joost, hebje niet een botteltje,
JOOST.
                    Ja ’k, heeren, maar ze zyn noch niet oud genoeg.
Maar, excellente alants wyn, of alzem wyn heb ik wel, gelieven de messieurs die eens te proeven?
PIETER.
Neen, Andries, myn lust noch geen drank, ’k wil liever tot de middag op een goed maal vertoeven.
FRANZYN.
Piet, Piet, wat leid tot jouwend de gard in de pis!
[p. 22]
Het hiele huis ryd op stelten, het huild en kryt schier al wat ’er is.
(325) De bruids moer kwam gist’ren avond noch ten half elven na je vraagen,
Barber leid krank te bed, en het blaatje is omgeslagen;
In drie of vier dagen en hebbenze je noch gezien, noch van je gehoord,
Ze beelden ’er in dat je hiel aan de wind bent, of verdronken of vermoord;
Jy bent ook een rechte lichthart, en een sondag, was ’t gereid,* zou men trouwen.
PIETER.
(330) Nou ’t zo met Barber uitgevallen is, Franzyntje, mien ik het op deze voet noch wat te houwen.
FRANZYN.
Nou, dit overgeslagen, vrienden, hier diend ten minsten een braaf tractement op te staan.
PIETER.
Hoor, Franzyntje, je zelt zo daad’lyk iens na de vismarkt gaan,
En koopen een excellente waaterzoo, met een snoekje of twee op de rooster.
En jy, Joost, ga jy iens na Wybrant de Slagter, in de kalverstraat, by’t klooster,
(335) En haalt daar een goede schaapen bout, en brengtze voort te braân, achter de hal, tot de kok;
Wy zullen ondertusschen boven gaan, en neemen wat tydverdryf op de trok.
ANDRIES.
Dat kenje wel doen, Pieter, ik blyf altoos beneden.
Ik mien hier een slaapje op te neemen. au my! is dat lust, myn leden
Zyn of ze gerabraakt benne, zo mat ben ik, en zo moê.
PIETER.
(340) Ja wel, als ik de waarheid zeggen zel, myn oogen vallen my ook schier toe.
Ik mien hier ook een uiltje te vangen, Franzyntje, ai! breng ons goed altemaal na binnen:
Daar meê te middag fris op, om weêr op nieu te beginnen.
FRANZYN.
Angniet, Angniet, zel ’t iens lukken dat je deur je werk raakt?
Wat doe je nou?



[p. 23]

VYFDE TOONEEL.

PIETER, ANDRIES slaapende, PASSCHIER, JOOST, FRANZYN, ANGNIET.

ANGNIET.
                    VRouw, ik heb het bed ofgehaalt.
FRANZYN.
Wel, sletvink, is dat bed noch niet gemaakt?
(345) Jou labbekak, wat heb je dan den hielen ochtent bedreeven?
ANGNIET.
Vrouw, ik heb de vaaten gewassen, die ’er van gist’ren zyn overgebleeven.
FRANZYN.
Dat kapje moet altyd jent staan, en over ’t lyf stinkt men van morssigheid, zo ziet me ’er uit.
’k Wou dat ik je myn leeven niet gezien had, jou slonsmoêr, jou rechte vuile bruid.
Haalt daad’lyk wat klein hout of, en begint vast wat aan te stooken,
(350) En krygt me den emmer e reis, ik ga iens na de vismarkt, we moeten te middag waatervis kooken,
Maak de keetel vast klaar, en laat al je werk zo lang staan,
En, bezorgt dat ’er wat koolen bennen, om een hoekje of twee op de rooster te braân;
Maar, vreezen meugje, vind ik je an de deur met iemand staan te snappen.
PASSCHIER.
Franzyntje, ai, laat je meid men eens een glas bier tappen.
FRANZYN.
(355) Hoor je wel, Angniet?
ANGNIET.
                    Wat belief je, vrouw?
FRANZYN.
                                        Tap eens een glas bier veur de knecht.
Kom, Joost, laaten wy gaan.     Franzyn en Joost binnen.
ANGNIET.
                    Zie daar, jongman.
PASSCHIER.
                                        Meisje, ai, help me reis te recht,
Heb je in den Haag niet gewoont, by manke Levyn, in ’t noord-ende?
ANGNIET.
Wel ja ’k.
[p. 24]
PASSCHIER.
                    Ik docht al, is ’et, of is ’et niet; wel nou benne we noch al ouwe bekende.
Heugt het je noch wel, Angnietje, of je’t weet,
(360) Dat ’er ien lakkay van zyn Hoogheid, voorleede St. Klaas nacht, tot jouwent de glazen uitsmeet?
Daar was ik niet ver van daan.
ANGNIET.
Waar jy ’t dan, die der van wierd gevangen?
PASSCHIER.
Juist zo, en had het om myn jonkheid niet geweest, ze hadden me toen al opgehangen.
Maar, Angniet, ik weet noch wel wat als ik het zeggen dorst.
ANGNIET.
Wat, maak van je hart gien moordkuil, spreekt maar louter uit je borst,
(365) Als je de waarheid maar zegt, zo wil ik het wel weeten.
PASSCHIER.
Hoor, heb je voorleede jaar ter Gouw in ’t spinhuis niet gezeten?
En gedenkje wel, dat ’er je ien tyding brogt van je broêr uit de Deenze vloot?
En dat ’er een by was, die je zo vier of vyf appelen Sina deur de tralien gooide in je schoot?
ANGNIET.
Waar jy dat?
PASSCHIER.
                    Dat waar ik, en op die zelfde tyd was ik in den Haag gegiezelt en uitgebannen,
(370) Angnietje, ik weet zulken aanslag, bloemerharten dat je met my woud aanspannen.
Meid, wy waren al ons leeven behouwen en bewaard.
ANGNIET.
’t Konder na weezen dat het my schikten, als je ’t my openbaard,
’t Zou my ook niet kwalyk passen met weinig moeiten veel te winnen.
PASSCHIER.
Daar is de Baron zyn koffer, die ik weet dat wel gestoffeert is van binnen,
(375) En al wat ’er by en ontrent leid, van mantels, rokken, deegens, te maaken tot een buit.
ANGNIET.
Maar waar wouj ’er dan meê heen?
[p. 25]
PASSCHIER.
                    Zo dryvende na d’Uiterze schuit.
En laten de kruier zeggen, dat de knechts twee plaatzen moeten bewaaren,
Alzo ’er twee perzoonen volgen, die ’er neevens meê zullen vaaren.
En jy moest men ondertusschen wachten in de Stiene brug, of in de Beerebyt.
ANGNIET.
(380) Ik ben te vreên, wel aan, en als we beginne zellen zo is ’t al over tyd.
PASSCHIER.
Ga jy dan zo voort na binne toe, en pas jy daar maar wat lustig te raaken,
Ik zel onderwylen de kaptein en vendrig zien goud en zilver schoon te maaken.     Angniet binnen.
Och, hoe gerustig slaapen deze hartjes, wat zynze ook afgemat en moê.
Daar heb ik ’t goud en’t oorlogie, als men na de conscientie zel spreeken, zo komt my dit ook rechtvaerdig toe,
(385) Want door myn list kwamenze er aan, ’t is waar, ze hadden my wel belooft een goede portie daar van te geeven;
Maar ik kan dat kruid te wel, ’t zyn vogels die’er op leeg gaan, en van zulke dofjes leeven;
Haar beloften acht ik als de wind, want in plaats van deel te hebben in de buit,
Zo zag ik niet anders te gemoet, als een party stokslagen op myn huid,
Of een voet in’t gat, en om dit voor te komen, en dat gevaar te schouwen,
(390) Vind ik nu best geraân my meester van alles te maaken, en laaten haar niet een brui behouwen.
Nou, ik mag myn beroep voort waar neemen, dit doed hem breed op, ik berg dit maar veur eerst ongeteld,
Daar heb ik al heur hoop en troost, men mag ook zeggen wat men wil, geen kouranter waar als geld.
Nou den andren, dit doed hem zober op, en een party kopere duiten;
’t Is noch al goed meê genomen. Angniet, Angniet, ken je de kas niet op sluiten?
ANGNIET uit.
(395) Dat is al beschikt, ik heb zo veul te houwen als ik schier draagen mag.
PASSCHIER.
Kom wakker, de koffer, mantels, rokken, deegens, en alles moet veur den dag.
Zo, zet hier neêr als een meid, tot noch toe is ’t hier altoos veilig en zeeker.
[p. 26]
Wat heb je al, Agniet?
ANGNIET.
                    Twee zoutvaaten, tien zilvere leepels, met een zilvere beeker,
Twee gouwe ringen, een dubbelde hoep, en een met een diamant.
PASSCHIER.
(400) Kom, vat op, ’t is tyd dat we gaan eer men hier horens brand.
Daar ginder zien ik een kruier, ’t is niet geraân hier lang te staan pryken,
Komt je miester en vrouw t’huis, ze meugen ons alle bey eens na kyken.
ANGNIET.
Dirk buur, Dirk buur, kom za repje met je waagen, voort.



SESDE TOONEEL.

ANDRIES, PIETER slaapende, ANGNIET, PASSCHIER, DIRK.

DIRK.
IK kom je by, Angnietje.
PASSCHIER.
                    Lustig, vat op als een man.
DIRK.
                                        Waar moet ik weezen?
PASSCHIER.
                                                            Buiten de Uiterze poort,
(405) Aan de Beerebyt, in de Uiterze schuit, hy vaart ontrent zo tusschen twaleven en eenen.
Wy volgen zo voort.
DIRK.
                    Zeer wel, heerschop, ik krui dan zo voor heenen.



ZEVENDE TOONEEL.

PIETER, ANDRIES, slaapende. FRANZYN.

FRANZYN.
WEl, noch heb ik in langen tyd gien slechter vismarkt gezien!
Een tamelyke waaterzoo, vyf zes schellingen, wel men dorst ’er schier niet na biên.
Ja wel, als al de lui myn zin hadden, men zou wel zonder vis kunnen leeven.
(410) Zag ik daar niet een meid achtien stuivers veur vyf of zes gelde baarsjes geeven.
Een mensch zo u ze gegeeten hebben, en vraagen dan noch na meer.
[p. 27]
Maar, wat is ’t, al loopje, en kruisje de vismarkt op en neêr,
En je wilt ze hebben, en moet ze hebben, zo moet je ze ook ten duurste betaalen.
Nou, deze monseurs meugender van dezen dag haar hertjes aan ophaalen,
(415) Veur my , ik zou ’t met een hoentje aan ’t spit houwen, of met een braave schaapen bout,
Dat goedje bedroopt zyn zelven, en ’t is al goed watje ’er van over houd.
Ja wel, ik mien myn met deze vriendjes van daag iens lustig vrolyk te maaken,
En daar staat noch een mooije klets van ouds, daar hoop ik nou met ien aan te raaken,
’t Zyn zulke lievertjes, kom ik ’er by deze gelegentheid niet an,
(420) Terwyl de beurs zo wel gespekt is, zo kryg ik ’er myn leeven niet van.
Wel, waar of myn man mag blyven? hy zou met een eens een procureur gaan spreeken,
Om een rekwest te maaken, dat we de Baron zyn koffer mogten laaten opsteeken.
Wy kennen altyd niet te kort koomen, want na dat ik gis,
Zo is ’er wel drie maal meer geld in als hy by ons te kwaad is.



ACHTSTE TOONEEL.

PIETER, ANDRIES, slaapende. FRANZYN, JOOST.

FRANZYN.
(425) MAar, Joost, wat blyven is dat? men zou die weg wel drie maal passeeren,
’t Is al lang over de middag.
JOOST.
                    Je weet immers wel, wyf, dat men dat volk eerst ter deegen moet informeeren,
Ik heb ’er meer als ien half uur staan wachten, en leg jy noch en gnord?
En nou zel hy noch maaken dat het request, eer de Heeren afgaan, ingegeeven word;
En, na de middag, dan zel hy, volgens afspraak als wy hebben genomen,
(430) Met de Schout, en Notaris, en Getuigen hier koomen,
En dan zel men de koffer opene, en daar meê krygen wy ons geld,
Onderwylen moet ik na binnen gaan, en maaken dat de reekening in ordre werd gesteld.     Joost binnen.
FRANZYN.
Hoe! niemand aan de deur? wel ’t is hier uit den treuren,
[p. 28]
’t Is liefken komt ’er maar in, men handelt ’er met open deuren.
(435) Angniet, Angniet. ziet, zo plaagt myn die slonsmoêr altyd, die rechte huisverdriet.
JOOST uitkoomende.
Franzyn, Franzyn, waar is de koffer van de Baron, die en zien ik niet,
Met al het goed. ik heb het huis van ond’ren tot boven op en neêr geloopen,
Ik verneem knecht noch meid, en de groote kas staat wyd oopen.
                                                    Franzyn binnen, en weêr uit.
Moord, brand, houd den dief, houd den dief.



NEGENDE TOONEEL.

PIETER, ANDRIES, slaapende. FRANZYN, JOOST, DIWERTJE.

DIWERTJE.
                    FRanzyntje, och! wat is ’er te doen, moêr? dat je dus baart en kryt?
FRANZYN.
(440) Och, wat zou ’er te doen weezen! al ons kostelyke goedje benne we kwyt,
De kas is hiel leeg, niet medal hebbenze ’er in gelaaten,
Al men zilver en goud, leepels, beekers, en zoutvaaten,
De koffer van de Baron, rokken, en kleeren, alles is weg.*
JOOST.
Maar, wyf, hoe meugje zo ongestuimig aangaan?
FRANZYN.
(445) Zwyg jy, jou dronke beest, ik wil niet een woord van je verstaan.
JOOST.
Jy zoud beter op je huis passen, gelyken ik je genoeg gewaarschuuwd heb veur dezen.
FRANZYN.
Had jy zo lang in de brandewyn niet gezeeten, je had wel een hiel uur eer konnen thuis weezen.
DIWERTJE.
Wel, myn lieve moêr, ik beklaagje; och! je meid en je knecht, die hebben dat zo zaamen bestelt.
Ik heb ze zo op ende neêr hooren loopen, met zulken gestommel en geweld.
(450) Dat ik al docht, het moet ’er niet klaar zyn, ’t was niet als repje, en ’t is tyd dat we van hier scheijen,
En elk had zoveel als hy draagen kon, en de koffer droegen ze tusschen ’er beijen.
Had je maar een half uurtje eer gekoomen, je had ze noch allebei betrapt.
En die kruier, die daar op de hoek onder Gerrit de Bakker zit en lapt,
[p. 29]
Nam de koffer op zyn waagen, en zo zyn ze al t’zaamen na ’t konings plein opgeslaagen.
(455) En dit ging alles zo haastig toe, dat ’er veel waaren die ’er met verwondering na zagen.
Den eene maakte dit, en and’ren maakt weêr een ander besluit.
FRANZYN.
Maar, kon je niet merken waar ze heen wouwden?
DIWERTJE.
                    Gantsch niet, alleen dat ik ’er hoorde praaten van de Uiterze schuit,
En van de Beerebyt. maar, was ik als jy, Joost, ik peurdeze achter na, zonder lang te staan droomen,
En onderhaalje ze niet, zo zel de kruier je ligt wel te moet koomen.
FRANZYN.
(460) Och! mogt dat toch geschiên, voort, al je best, Joost.
JOOST.
Dat gaat ’er zo dryvend op aan,
En, komt me de Schout teegen, zo zel ik verzoeken of hy met me belieft te gaan.     Joost binnen.
FRANZYN.
Och! myn lieve Diwertje buur, nou ben ik een bedurve vrouw.
DIWERTJE.
              Nou, moer, je moet je noch al verduldig draagen.
PIETER, ontwaakende.
                            Hoe is ’t hier geleegen?
FRANZYN.
                                        Hoe zoud ’er geleegen weezen, alles is weg.
PIETER.
                                                      Hou, Andries.
ANDRIES, uit de slaap koomende.
                                                                    Wat is ’er te doen?
PIETER.
                                                                                Akkermenten, het blaatje is zo ingeslaagen,
Die gaauwe dief, de knecht van de Baron heeft ons zo schelmsch verleid,
(465) Hy is met al ons goed op een een pad, met Angniet, Franzyn en meid,
Noch ben ik van al myn leeven zo niet begroet noch uitgestreeken.
Hoe stellen we dit, Andries?
ANDRIES.
Hoe zouden we dit stellen, ik kan schier niet spreeken.
PIETER.
Alles ben ik weêr kwyt, geld, goud, beurs oorlogie, ’k heb tegenwoordig niet met al.
[p. 30]
ANDRIES.
Wel wat duivel, ik ben ook zilver schoon.
FRANZYN.
                    Och, ik word schier uit myn zinnen, hoe of het noch met my aflopen zal.
(470) Och! Diwertje, ik vrees dat het met me haperen zel.
DIWERTJE.
                    Ga wat zitten. ik zel een dronkje bier gaan haalen.
PIETER.
Dien gaauwedief, had ik hem hier, hoe zou ik het hem betaalen.
ANDRIES.
Ik brak hem den hals, zo ik hem in deze fury had.
DIWERTJE.
Nou, Franzyntje, drink iens hartelyk, zo myn moêr, bedaar je wat,
Of ’t noch ten besten mogt komen.
PIETER.
                    Maar, Andries, nou staat ons dit te letten,
(475) Als dat we dit, zonder verzuim, in de donderdaagsche kourant moeten laaten zetten.
Laaten we maar voort op een pad tijen, ’t is hier geen tyd voor ons langer te staan.
FRANZYN.
Maar ik dien wel eerst geld te hebben, en hoe zelt met de gebraân bout gaan?
Myn uitgeschote geld dien je me veur al te betaalen.
ANDRIES.
Zo moet je ’t van myn vleis snijen, Franzyn, waar duivel zou ik het haalen?
FRANZYN.
(480) Deur jou lui komen we in ’t verdriet.
PIETER.
                    Deur ons, Franzyn?
FRANZYN.
                                        Of zo te zeggen deur je knecht.*
DIWERTJE.
Ai! vrinden, waar toe dit argueeren, ’t is noch niet buiten hope.
Wat veur volk of daar aan komt zakken, ik zie je man veur af komen loopen?



TIENDE TOONEEL.

FRANZYN, PIETER, ANDRIES, DIWERTJE, JOOST.

JOOST.
ZE benne geknapt, wyf. och! laat ik me wat bedaaren, ik ben ’er van ontsteld deur al myn leên,
[p. 31]
Het goed was al gescheept, en zo als zy in d’Uiterze schuit zoud treên,
(485) Tasten ik ze aan, en dwongze met de kruier weêrom te gaan, en juist onderweegen
Zo komt ons ontrent de Appelmarkt, de Schout met de Baron, om naar onzent te gaan, teegen,
En die bindze alle bey wel vast, en nou komenze ginder gelyk an.
Maar, wyf, wy zyn schandelyk bedrogen, de Baron is verklaard veur een eerlyk rnan,
Gelyk je zeld hooren, daar zynze.



ELFDE TOONEEL.

FRANZYN, DIWERTJE, PIETER, ANDRIES, BARON, PASSCHIER, ANGNIET, SCHOUT.

FRANZYN.
                    O Jou olyke vod!
SCHOUT.
                                        Zacht, Franzyn. laat los. kaptein en jy vendrig, ’t zel je believen
(490) Myn gevangene te zyn.
PIETER.
                    O, zacht myn heer, wy zyn schelmen noch dieven,
Hebben, wy deur finantie ons zoeken te behelpen, is waar, gedenkt dat wy militairen zyn;
En ik zeg noch dat die Mof een valsche dobbelaar is, al staat hy daar noch zo fyn.
SCHOUT.
Gy hebt hem met geweld gedwongen, naar ’t zeggen van de knecht.
PIETER.
Maar, myn heer, wie hoorde van zyn leeven,
Dat men een gauwe dief, noch onlangs gegiezeld en gebrandmerkt, geloof zel geeven.
SCHOUT.
(495) De zulken doen groote dienst aan de Justitie, en daar door worden veel schelmstukken bekend,
Is ’t anders, ’t staat jou te bewyzen, of je schuldig of onschuldig bent.
Is ’t zo, Jan, als je hebt gezeid?
PASSCHIER.
                    Ja, myn heer, zy beloofden my een portie, als zy tot ’er oogmerk kwamen te raaken,
En toen my dat miste, docht my best om my weêr meester van alles te maaken,
[p. 32]
Gelyk myn conscientie ook getuigde.
SCHOUT.
                    Jou conscientie? vagebond! nou dit alles ter zyde gesteld.
(500) Myn order is om den Baron alles te restitueeren. Zie daar, heer, daar is je goud, oorlogie en geld.
Houd je op een ander tyd van zulk volk af, zo zelje niemand deeren of krenken.
BARON.
Ich wol der her zou eeuwgein dogen in meiner inclination gedenken.
SCHOUT.
En daar is jou goed, Franzyn.
FRANZYN.
                    Och, ik dank je myn heer. jou ligtekooy, ik heb dat al lang veurzeid.
ANGNIET.
Och, vrouw, ik ben een eerlyk mans kind, maar die gauwdief, de knecht heeft my verleid.
SCHOUT.
(505) Voort, voort, met ’er. nou messieurs, zal ik je by de provoost brengen, dat staat je te zeggen.
PIETER.
Breng ons in’t witte wammes, myn heer, we meugen zien of we de zaak konnen byleggen.
BARON.
Het wol mir wol gedenken, das ig zou Amsterdam bin kewest.
JOOST.
Ja heer, je bent hier in ien eerlyk huis, in gien kuf of hoere nest.
BARON.
A das mogt wol weezen, nou ig wol der her contentieren, und bezaalen vor alle zaaken.
JOOST.
(510) Als ’t je belieft, myn heer, ik zel je de reekening gaan op maaken.
Dirk buur, brengt de koffer ook in huis.
FRANZYN.
                    Wat verligt me dat.
DIWERTJE.
                                        Zoud niet, moêr, nou ziet men klaar aan ’t geen hier geschied,
Dat het spreekwoort wel zegt: onrechtveerdig goed en bedyd niet.
UIT.

Continue

Tekstkritiek:

vs. 26: braaf er staat: brraf
vs. 111: kebrouwd er staat: ke brouwd
vs. 234: hazekophen er staat: hazekop hen
vs. 329: gereid dit woord is onduidelijk
vs. 443 en 480 zijn weesrijmen.