Veele zijnder, die getracht hebben door heymelijke samen-spanning, en inwendige beroerten, te bereyken de hoogheyt der regeeringe; andre door openbaar geweldt, en macht van waapenen. Lucius Catalina, en Cajus Manlius, namen de waapenen aan tegens de heerschappy, met een glimp om hun vaderlandt (t welk gedrukt wierdt door de Cicerose regeeringe) te zuyveren, [fol. a3v] en t volk van donverdraaghlijke tyrannie, en t vertreeden hunner voorrechten, te bevrijden: en Iulius Cezar verkreegh door list, en gunst des volks het Opper-Priesterschap, en wist zich zoo in te wikkelen in t herte der gemeente, dat hy door zijn kuypery bequam, en voor geduurigh bezat het Hoogh-Gezach-Hebberschap, door welken wegh hy zich zach opgeklommen tot de hooghste Regeering, en wist het zelve alzoo te bekrachtigen, dat hy t erf-vast maakten aan zijn bloet, met Octavius, zijn zusters zoon, tot navolger des Rijks te stellen. Doch wat einde hebben deze gehadt? Manlius en de zijne wierden verslaagen. Catalinaas hooft wiert in triomph naar Romen gevoert; en Cezar, (wijl hy beezigh was den topsteen zijner grootheydt te leggen) wierdt van Brutus en Cassius, (onder [fol. a4r] schijn om de Republijk te herstellen in zijn oude vryheyt) op t Kapitolium in den Raadt vermoordt. Zoo dat wy meenighmaals gezien hebben die gene, welke door de damp van Staatzucht bedwelmdt, en tot de opperste hoogheyt zijn gesteegen, dat de zelve weêr plotseling zijn komen neder te storten in hun eygen bederf. Wy gaan dan noch ontallijke voorbeelden voorby, en komen tot het gene ons eygen Vaderlandt gedrukt heeft. Toen Alba onzen geesel (aldus noemt hem den Drost Hooft) de Neederlanden bestont te prangen, met het invoeren van den thienden penning, scheen den gantschen Staat gedreyght te werden met een eeuwighduurige slaverny, alzoo hy tegens alle Rechten, en zonder bewilliging der Algemeene Staaten, (alleen maar [fol. a4v] met dien tijtel, dat zulks t gemeene best vereyste) dingezeetenen des lants, zoodanigh heeft gedrukt, dat door t afparssen der selve, een geduurige verwoesting, en t afval der Landen is gevolght. Min haatelijk had het geweest, indien hy door die middelen hadt getracht, des Landts Gerechtigheyt, Hantvesten en Privilegien, te beschermen. Hoe is hy omgekomen? Filippus de Tweede, Koning van Spanjen, zijn meester, in wiens name hy zulks hadde verricht, stierf in t zelfde Rijk, aan een afschouwelijke ziekte; en Alba in dienst tegens de Portugeezen, overleedt aldaar bynaa aan een gelijke quaal. Nu komen wy tot dezen Anjello, dien grooten muytmaaker, waar voor alle nakomelingen zullen verzet staan. Wanneer hun door getuygenis der Historien voor zal komen, hoe [fol. a5r] dezelve, als zijnde een der geringste, en verachtste uyt de gemeente, tot zodanige hoogheyt is gesteegen dat het bestier en bewindt van zoo een vermaarde, en volkrijke Stadt, alleen bestondt onder zijn gezach; op wiens wenk meer dan tweemaal hondert duyzent mannen vaardig stonden om te volgen zijn bevel, en endlijk door de onmaatigheyt zijner* tyrannye, en t onderbrengen der vermaardste huyzen, en geslagten des Rijks, is komen te vervallen in een raazende dolligheyt, waar door hy (als zijnde van geen stof opgeleyt om te heerschen,) in t midden van zijn woeden, veragtelijk als een hondt is doorschooten. Dat wy, Achtbaare Heere, dit ten Tooneele hebben gevoerdt, en is niet om de gemoederen des volks te verrukken tot zoodanige driften als wy [fol. a5v] U.E.A. alhier vertoonen; maar in teegendeel om de zelve veel vaster noch te doen ankkeren in het herte van deze hooghloffelijke Regeringe. Waar werdt het Gemeene best beeter gevordert? het recht der volkeren nauwer gehandthaaft? en s Lants geregtigheden en privilegien sterker bekragtight, als hier? Hier zeggen wy. Welke raadtbestieringe andre Nagebuuren, en Bontgenooten tot een voorbeelt strekken van regeeren: zien wy op de grootheyt van onzen Staat, wat is die? geen spanbreet te gelijken by andre Vorstendommen. Wat maakt haar dan berugt? haar maght; en waar uyt onstaat haare macht? uyt dordentlijke schikkinge, in t heffen der gemeene middelen: hoe werden die besteet? niet op dat zich ieder hier door zou verrijken, (gelijk wy in ons Treurspel U.E.A. vertoonen, wel- [fol. a6r] ke door een geregte wraak, over het uytputten der arme Gemeente, zijn omgekomen;) maar tot voorstant, en bevordringe der gemeene zaaken; en tot schrik van die gene, welken den geterghden Leeuw mogten komen te ringelooren: die onlangs noch door t schudden zijner maanen het gantsche Christendom heeft doen daavren; en een der grootste Princen van Euroope, (die gewoon zijnde in zijn triomf te voeren den tijtel van Koning der baaren,) door zijn moedigheyt heeft doen nederleggen, voor de zeetel van dezen Staat, den gaffel der zee. En dat op dien tijdt, als de waapenen door de bestieringe des Alderhoogsten, zoo wierden gezeegent, dat wy gezien hebben, tot een eeuwigh gedenkteeken, onse Scheepsmacht zich ankeren in t ingewandt zijns Rijks, waar door, op dien tijt, dry [fol. a6v] Koninghrijken al teffens scheenen te siddren en te beeven; en endelijk zoo verre wierdt gebragt, dat deselve aan de snoeren van uwe bontgenootschap wierden gehegt. Tot zulken en diergelijke uytbreydinge der paalen van dese vermaarde Republijk, werden de schatten aangeleyt; als ook om de vryheyt, zoo dierbaar een kleinoodt, te behoeden, niet alleen voor indragt van uytheemse magten, maar inwendigh voor die gene welke de zelve door listen zoeken te belaagen, als zijnde een soort van menschen verbastert van reeden, veraart van de natuur, en de liefde tot hun vaderlandt, ingenomen met een zught tot die gene, van welken de Vryheyt en den Staat ten uytersten is gedreygt geweest, daar U.E. beroemde Voorouderen zoo voor hebben gestreeden en geleeden; welken allen van op- [fol. a7r] recht Hollandts bloedt zijn opgeleyt, en geen slavernye en konnen gedoogen. Ontfangt dan, achtbare Heere, dezen Anjello, niet naar den aardt als quaatwillige die zoude konnen duyden, maar naar onze goede meening. Ik offer hem U.E.A. dan gants armelijk, en veragt, doch in een vry kleet, van geen Spanjaardt, noch Fransman ontleent, noch omswachtelt met Poëetsche droomen; maar alleen naar de waarheyt der zaaken. Wy hebben hier door een spoor trachten te maaken voor onze kunst-genooten: want willen wy dat onze vaarzen geroemdt zullen werden, en onze Schouwburgh doorlugtigh werdt, laat ons dan niet sweeten om door t overzetten van uytheemse Tooneelspeelen beroemdt te werden, schoon gy haar van veel gebreeken zuyvert, of de zelve zoekt te polijsten met cieraat van [fol. a7v] woorden; ghy en kunt u dezelve doch niet toe eygenen, wat blokt ghy dan? De Schilderkunst gebiedt den genen, die zich in de zelfde kunst wil oeffenen, gedurigh het leven te volgen: door copieeren en kunt gy niet opklimmen om vermaardt te werden; alzoo het zelve, zoo veel herssens, noch begrijp niet van nooden heeft. Laat ons dan tragten eygen vindinge voort te brengen, en toegang neemen tot de Historien, en op alle voorvallen onze bedenkingen laaten gaan. Wat zoude ons verhindren, dat wy niet zoo wel als de Spaanse, Franse en Engelse zoude konnen voortbrengen zoodanige gedachten, gelijk ons dagelijks van haar op onze Schouburgh werden vertoont? Wy zijn hier dan in voorgegaan, wie my volgt, kan mijn gebreeken mijden, en verbeteren het gene, t welk volgens de gemeene [fol. a8r] keur noch mach deurgaan. Wy hebben dit hier in gevoert, op dat mijn Heer mach zien onze liefde die wy hebben tot de Poëzy, en dat wy gaaren zaagen in andre zoodanige driften, gelijk wy wensten dat wy konden bereyken, t geen strekken mogt tot opbouwing van zoo een doorlugtigh werk; niet twijfelende oft het zoude U.E.A. die een voesterheer zijt der zelfder kunste, ten hoogsten gevallen. Wy endigen dan, mijn Heer, met de hope dat U.E.A. onze geringe vaarzen zal aanneemen, niet naar de waarde des stijls, maar naar den aart van dien, die altoos is, en zal blijven, |