Abraham Alewyn: Philippyn Mr. Koppelaar. Amsterdam, 1707.
Uitgegeven door Marti Roos.
Red. dr. A.J.E. Harmsen, Universiteit Leiden.
Ceneton00059 - Ursicula
Er zijn nog twee andere edities van hetzelfde jaar: Ceneton00058 en Ceneton00060. De laatste van deze drie in UBGent
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.

Continue

[fol. A1r, p. 1: frontispice]

PHILIPPYN
MR. KOPPELAAR
BLYSPEL.

Pieter van den Berge invenit & fecit.



[fol. A1v, p. 2: blanco]
[fol. A2r, p. 3: titelpagina]

PHILIPPYN,

Mr. KOPPELAAR;

BLYSPEL.

DOOR

A: ALEWYN.

[Vignet: Perseveranter]

TE AMSTELDAM,

By de Erfg: van J. LESCAILJE, op de Middeldam,
op de hoek van de Vischmarkt, 1707.
Met Privilegie.




[fol. A2v, p. 4: blanco]
[fol. A3r, p. 5]

COPYE

VAN DE

PRIVILEGIE.

DE Staten van Holland ende West vriesland doen te weten, alsoo ons vertoont is by de Regenten van het Burger Weeshuys ende Oude Mannenhuys der Stad Amsterdam, en, in die qualiteyt, te samen eygenaers, mitsgaders Regenten van den Schouwburg aldaer, dat sy, Supplianten, sedert eenige Jaren hebbende gejouisseert van onsen Octroye of Privilegie van dato den 19. September 1684. waar by wy aen de Regenten van den selven Schouwburg, in die tyt, hadden gelieven te consenteren, accorderen ende octroijeren, dat sy, gedurende den tyd van vyftien eerst achter een volgende Jaren, de Wercken, die* doenmaals ten dienste van het Tooneel reets gedrukt waren, ende, van tyt tot tyt, nog vorder in het ligt gebracht, ende ten Toneele gevoert soude werden, alleen soude mogen drucken, uytgeven en verkopen, nu ondervonden, dat de Jaren, by het voorgemelde onse Octroy of Privilegie genaemt, op den 19. September 1699. souden komen te expireren; ende dewyl de Supplianten ten meesten dienste van de Schouwburg, waer van hunne respective Godshuysen onder andere mede moesten werden gesubcenteert, de voorgemelde Wercken, soo van Treurspellen, Blyspellen als Kluchten, als anders, die reets gedrukt en ten Toneele gevoert waeren, of in het toekomende gedrukt, en ten Toneele gevoert souden mogen werden, geerne alleen, gelyk voorheenen, souden blyven drucken, doen drucken, uytgeven en verkopen, ten eynde de selve Wercken, door het nadrucken van anderen, haer luyster, soo in tael, als spelkonst, niet mogten komen te verliezen, dog dat sulcx aen haer, na de expiratie van het bovengemelde ons Octroy, en sulcx nae den 19. September 1699. niet gepermiteert soude wesen, soo vonden de Supplianten hun genootsaekt sig te keeren tot ons, onderdanig versoekende,* dat wy aen de Supplianten, in hare bovengemelde qualiteyt, geliefden te verleenen prolongatie van het voorsz. Octroy of Privilegie, omme alsoo de voorsz. Werken, [fol. A3v, p. 6] soo van Treurspellen, Blyspellen, Kluchten, als andere, reets gemaeckt en ten Toneele gevoert, en als nog in het ligt te brengen, den tyt van vyftien eerst achter een volgende Jaren, alleen te mogen drucken en verkopen, of doen drucken en verkopen, met verbod aen allen andere op seeckere hoge penen, by U Ed. Groot Mog. daer toe te stellen, en voorts in communi forma; so is ’t dat wy de saecke, ende ’t versoeck voorsz. overgemerkt hebbende, ende genegen wesende, ter bede van de Supplianten, uyt onse rechte wetenschap, Souveraine magt en authoriteyt, deselve Supplianten geconsenteert, geaccordeert ende geoctroyeert hebben, consenteren, accorderen ende octroyeren mits desen, dat sy, by continuatie, de voorsz. Wercken, soo van Treurspellen, Blyspellen, Klugten als andere, reets gemaekt en ten Tooneele gevoert, en als nog in het licht te brengen, den tyt yan vyftien eerst achter een volgende Jaren, alleen binnen onsen landen, sullen mogen drucken, doen drucken, uytgeven en verkopen, verbiedende daerom allen en een ygelyk, de voorsz. Werken, in ’t geheel ofte ten deele, naer te drucken, ofte, elders naergedruckt, binnen den selven onsen lande te brengen, uyt te geven ofte verkopen, op de verbeurte van alle de naergedruckte, ingebrachte, ofte verkogte exemplaren, ende een boete van drie hondert guldens, daer en boven, te verbeuren, te appliceren een darde part voor den Officier, die de calangie doen sal, een darde part voor den Armen der Plaetsen daer ’t casus voorvallen sal, en het resterende darde part voor de Supplianten, alles in dien verstande, dat wy de Supplianten met desen onsen Octroye alleen willende gratificeren, tot verhoedinge van hare schade door het nadrucken van de voorsz. Wercken, daer door in genigen deele verstaen den inhoude van dien te authoriseren, ofte te advoueren, ende, veel min het selve onder onse protextie en de bescherming eenigh meerder credit, aensien, of reputatie te geven, nemaer de Supplianten in cas daer inne iets onbehoorlyks soude influeren, alle het selve tot haren laste sullen gehouden wesen te verantwoorden, tot dien eynde wel expresselyk begeerende, dat by aldien sy dese onse Octroje voor de voorsz. Wercken sullen willen stellen, daer van geen geabbrevieerde ofte gecontraheerte mentie sullen mogen maken, nemaer gehouden sullen wesen het selve Octroy in ’t geheel, en sonder eenige Omissie, daer voor te drucken, ofte te doen drucken, ende dat sy gehouden sullen syn een exemplaer van alle de voorsz. Wercken, gebonden en wel geconditioneert, te brengen in de Bibliotheecq van onse Uni- [fol. A4r, p. 7] versiteyt tot Leyden, ende daer van behoorlyk te doen blyken, alles op pene van het effect van dien te verliesen, ende ten eynde de Supplianten desen onsen Octroye ende consente mogen genieten als naer behooren, lasten wy allen ende een ygelyk, die ’t aengaen mag, dat sy de Supplianten van den inhoude van desen doen lasten ende gedogen, rustelyk, vredelyk ende volkomentlyk genieten ende gebruycken, cesserende alle belet ter contrarie gedaen. Gedaen in den Hage, onder onsen grote Zegele, hier onder aen doen hangen, op den een-en-twintigste May in ’t Jaer onses Heer en Zaligmakers, een duysent ses hondert negen-en-negentigh.

A. HEINSIUS.

Ter ordonnantie van de Staten

SIMON van BEAUMONT.

    De Regenten van het Wees- en Oude Mannenhuis hebben, in haar voorsz. qualiteit, het recht van deze Privilegie, voor PHILIPPYN, Mr. KOPPELAAR, vergund aan de Erfgenaamen van J. Lescailje.

In Amsteldam, den 3. October, 1707.



[fol. A4v, p. 8]

VERTOONERS.

PHILIPPYN Mr. Koppelaar, Vryer van Antonet.
JEROEN VETTELAFOESJE, een ryk Laakenkooper.
DIBBERIG, Vrouw
FRANCOIS, Zoon
HILLEGOND, Dochter
ANTONET, Dienstmaagd
}
}
van Jeroen Vettelafoesje.
LEONORA, een Adelyke Juffer.
FERDINAND, Zoon van Leonora, Minnaar van Hillegond.
EELHART, een Adelyk Heer, Minnaar van Leonora.
CONSTANTIA, Dochter van Eelhart, Minnaares van Francois.
MARGRIET, Dienstmaagd van Eelhart.
CHRISTIAAN, Neef van Philippyn, een gewaand Doctor.
RABBELAAR, Notaris.

Het Spel speeld buiten en binnen ’t Huis van Jeroen
Vettelafoesje; begind met den morgenstond,
en eindigt ’s avonds laat.

Continue
[fol. A5r, p. 9]

PHILIPPYN,

Mr. KOPPELAAR.
__________________________

EERSTE BEDRYF.

EERSTE TOONEEL.

Het Tooneel verbeeld een straat, met burgerhuizen.

PHILIPPYN, rekkende, en geeuwende, de deur uit.

GAntsch bloemerhart! hoe heeft het dezen nacht gestormt, geroesemoest en gewaait!
Ik heb me, als een Aal in een tobben, wel duizendmaal in ’t bed omgekeert, gewentelt
            en gedraait.
Want, ik kon geen oog toedoen, dewyl ik de Cabanus geduurig zo elendig hoorde kraaken,
Als of de heele vleet, op yder rukwind, ’t onderste boven zou raaken.
(5) Maar, ’t onweêr is nu reedelyk bedaart, en de lucht zo effen en klaar,
Als een Zon, en als of het fluweel en bloempap waar.
En ’t gelykt aan ’t kraaijen van de haanen, dat de dag begint door te breeken,
Ook heb ik voor Sinjoor Francois, die tot mynent logeert, al licht gaan ontsteeken;
Want, ik had hem belooft op te zullen wekken voor ’t openen van de poort van de stad,
(10) Om dat hy met onzer Buurjuffer voor dag en douw wil op een pad.
Gelyk hy met haar gisteren avond is afgesprooken en verdraagen,
Dat zy van dezen morgen te zaamen den haazensprong zullen waagen;
En daarom sta ik hier op schildwacht en op myn post,
Tot dat Sinjeur of zyn engelachtige ziel een van beide my verlost,
[fol. A5v, p. 10]
(15) Wel, waar of zy zo lang blyft; want het begint klinkklaar te dagen,
En de klok van de Wester Kerk heeft daar al half vyf geslagen?
Ja wel, ik zeg noch, dat zo ik het om de specie in manibus niet deed,
Dat ik hier in de koude myn kostelyken tyd zo onnut niet versleet.
Maar, zacht; ik hoor daar iets ritzelen, o ja, daar gaat de deur van Eelhart open;
(20) En Constantia treet met Margriet de stoep af, ik ga met een rep naer binnen loopen,
En onze Sinjeur waarschouwen, dat zy komt; want, nam ik myn plicht niet behoorlyk waar,
Ik mocht wel denken, dat ik nooit verdiende den naam van Meester Koppelaar.



TWEEDE TOONEEL.

CONSTANTIA, MARGRIET, met een
Sluitmantje,
PHILIPPYN.

CONSTANTIA.
WAarheen, Philippyn? hoor hier.
PHILIPPYN.
                                                        Houd me niet op, ik gaa jou Fransje haalen;
Die daar binnen zyn lyf aan stukken verlangt. Ook moet hy ’t gelag eerst betaalen,
(25) En de tyd verloopt; daarom bid ik je laat my gaan.
Ik kom zo strik strak weer. Blyf hier maar een oogenblik staan.



DERDE TOONEEL.

CONSTANTIA, MARGRIET.

CONSTANTIA.
MArgriet, ik heb om de liefde van Francois, en op uw raad dit werk ondernoomen,
Maar, ik zal ’t op uw hals schuiven, zo ’er eenig kwaad van mag koomen.
MARGRIET.
Och! lieve juffrouw, wat ben jy ook een bevreesde kat!
[fol. A6r, p. 11]
(30) Tut, tut, met die viesevaasen; deze dingen gebeuren wel meêr als eens ’s jaars in de stad.
Ik weet niet van wat zwaarigheid, dat gy al meugt spreeken;
Want, ik zal je immers in de peekel niet laaten steeken.
CONSTANTIA.
Ja maar, wat zal myn vader zeggen, als hy dit komt te verstaan?
MARGRIET.
Ik zal dien aap wel vlooijen. Laat my slegts begaan.
(35) Haal jy jou hart maar op, en laat alle zorgen vaaren.
CONSTANTIA.
Maar, hy is een oploopend man.
MARGRIET.
                                                Zo veel te ligter zal hy weêr bedaaren.
CONSTANTIA.
Wat zal die goede man denken, als hy uit den inhoud van den brief myn vlugt bespeurt?
Wie weet, of hy zich om zulk verlies niet dood treurt!
MARGRIET.
Hy heeft geen nood; men sterft zo licht niet. Watte dingen!
(40) Hy kent de waereld te wel, en die bestaat toch in veranderingen.
Laat hy zyn eigen luizen eens vangen, en herkauwen wat hy in zyn jeugd heeft gedaan,
Ik ben wel verzekert, dat hy zich wel ten besten zal laaten raên.
CONSTANTIA.
Maar, die brief, die brief leid me zo zwaar op de leden;
Dewyl myn verfoejelyken handel stryd tegens alle billykheid en reden.
MARGRIET.
(45) Daar komt Sinjeur Francois en Philippyn, schep toch moed;
Want, zo je ’t nu liet steeken, stiet je ’t heele mantje met de knollen onder de voet.



VIERDE TOONEEL.

FRANCOIS en PHILIPPYN, beide draagende eenige
zakjes met geld,
CONSTANTIA, MARGRIET.

FRANCOIS.
Ik heb dan eindelyk ’t geluk, myn schoone, u hier te ontfangen.
ô Gadelooze vreugd! wist gy met welk een groot verlangen...
[fol. A6v, p. 12]
PHILLIPYN.
Sinjeur, wist gy met welk een groot verlangen ik graag zag,
(50) Dat gy ’t wat kort maakte, want het is al schoon licht dag.
Wat drommel legje hier te kiskassen, Brui je moêr, en pakje biezen.
En wil met al die noodelooze complimenten toch geen tyd verliezen.
FRANCOIS.
Een oogenblik vertoefs, Philippyn. Myn waarde Constantia, ik wil u alleen verzekeren
            van myn getrouwe min,
Die u in alle deelen poogt te believen met ziel en zin:
(55) Dies heb ik, op dat wy in de minste ongelegentheid niet zouden koomen,
Myn vaêrs comptoir verkracht, en voor twaalef duizend guldens aan Juweelen meê
            genoomen,
Die door uw heer vader onder hem beleent zyn, benevens dit geld.
PHILIPPYN.
                                                Je wilt zeggen, ’t blyft toch onder de vrienden dat is evenveel,
En je hebt het slegts voor de greep. Maar, ik zweerje, by myn keel,
Dat, zo wy ons niet van hier pakken, wy zullen zyn verraaden.
(60) Ik heb al meêr voor dat vuur gezeeten: en daarom ben ik met reeden beangst
            en belaaden.
JEROEN, van binnen.
Dieven, brand! help, dieven, brand!
PHILIPPYN.
                                                        Docht ik het niet schilder dat je kladden zouw.
Daar hebje nu ’t gooijen in de glazen. Sa, sa, speel poot aan, handen uit de mouw.
Help me de mand op de schouder, wakker Griet, wil niet draalen.
Fads jy lui voort. Ik zal je gemaklyk onderhaalen.
JEROEN en DIBBERIG, van binnen.
(65) Dieven, dieven! brand, dieven!



[fol. A7r, p. 13]

VYFDE TOONEEL.

MARGRIET.

                                                        OCh, heemel! waar zal ik heen?
Zy zyn al weg, en ik sta hier op straat alleen.
Ik loop met ’er vaart in huis, en ga over de onderdeur leggen.
Om eens af te kyken, wat dat geroep van dieven en brand heeft te zeggen.



ZESDE TOONEEL.

FERDINAND komt verbaast van ter zyden het huis van Jeroen uit, met de rok los, de deegen en paruik in de eene hand, de hoed op de kaale kop, zoekende met de andere hand in al zyn zakken.
MARGRIET over de onderdeur.

FERDINAND.
DAt is een gelukje, dat ik die dans zo wel ben ontgaan,
(70) Ik wouw om geen honderd ducaaten zulk een perykel weêrom uitstaan.
Maar, daar ben ik leelyk in’t naauw. Och! was ik nooit gebooren!
Wat gaat my aan? daar heb ik de sleutel van onze poort door verbaastheid verlooren.
Hoe kom ik in huis, eer my iemand hier ziet.
Och! ’t Is bekaait, want, daar leid die drommelsche Griet
(75) Over de deur. Ja wel ik moet evenwel van de nood een deugd maaken,
En zien, hoe ik best van de straat en in huis zal geraaken.
Och! daar zie ik ze, want ik heb ze laaten steeken in de poort.
Dat luuwt zei de Reiger, en hy school achter een bies. Ik peur voort.



ZEVENDE TOONEEL.

JEROEN en DIBBERIG beide in hun onderkleê-
ren verbaast uit,
GRIET over de deur.
JEROEN en DIBBERIG gelyk.

DIeven, dieven, brand, brand! dieven! brand! dieven! buuren!
[fol. A7v, p. 14]
JEROEN.
(80) Och! helpt my niemand? en de klok slaat daar al vyf uuren.
Wel ik zweer dat het zwaar valt voor een eerlyk man,
Dat hy niemand in de nood vind, die hem helpen kan.
JEROEN en DIBBERIG gelyk.
Dieven, dieven! brand! moord, brand!
JEROEN.
                                                            Hoort my dan niemand klaagen?
Ik zal schreeuwen, of ik vermoord wierd. Dieven, brand!



ACHTSTE TOONEEL.

EELHART half gekleed in zyn Japonse rok, met een houwertje gewapend, JEROEN, DIBBERIG, MARGRIET op de stoep.

EELHART.
                    WAt letje, buurman, heeft men u iets ontdraagen?
JEROEN.
(85) Dat weet ik noch niet.
EELHART.
                                          Wel, waarom maak je dan zulk een misbaar?
DIBBERIG.
Dat geeft je de kat dank. Daar zyn dieven in huis; en wy zyn in doodsgevaar.
JEROEN.
Och! buurman, wil me toch bystaan; want, ik ben te lydig verleegen.
EELHART.
Als je wilt, buurman. Ik zal met dit beusempje je heele huis wel schoon veegen.
Het heeft my meêr gedient in diergelyke geleegentheid.
(90) Laat ons geen tyd verzuimen want ik ben tot uwen dienst bereid.
JEROEN.
Treê dan binnen.
EELHART.
                            Vergeef het my, myn heer, ’t zal niet geschieden.
Ik bid, treed toch voor in.
[fol. A8r, p. 15]
JEROEN.
                                  Maar, mijn Heer, ik weet wat respect men fatsoenlyke lieden
Verschuldigt is. Ik zouw ’t niet doen.
EELHART.
                                            En ik ook niet, want ik overtrad niet graag myn pligt.
JEROEN.
Jawel. Ik ook niet. Ei, myn Heer.
Philippyn uit van ter zyden, en bootst al die Complimenten na.
DIBBERIG.
                Dieven! moord, brand!
EELHART.
                            Treê voor.
JEROEN.
                                        ’t Komt u toe.
EELHART.
                                                            Maar, zo doende word hier niets uitgericht.
(95) Ik zal volgen.
DIBBERIG.
                        Dieven! moord, brand!
JEROEN.
                                        Maar, myn Heer, ik zalje immers niet binnen brengen.
EELHART.
Ik bid wyst my den weg.
DIBBERIG.
                            Moord, moord! brand, brand!
JEROEN.
                                                    Maar.
EELHART.
                                                            Ei.
JEROEN.
                                                                De beleeftheid kan ’t niet gehengen.
EELHART.
Gaan wy dan gelyk in.
DIBBERIG.
                                  Dieven, dieven!
[fol. A8v, p. 16]
JEROEN.
                                                        Dit deed ik om de gantsche waereld niet.
Al wierd myn heele huis leeg gestoolen.
EELHART.
                            Ik zal dan gehoorzamen; terwyl zulks met uw believen geschied.



NEGENDE TOONEEL.

DIBBERIG, MARGRIET, PHILIPPYN ter zyden.

DIBBERIG.
OCh! Grietje, wat heb ik een droeve nacht gehad met trillen en beeven.
(100) Je zoud het zweet by emmers vol van myn lyf geschept hebben, ’t was
            geduurig of ik de geest zou geeven.
Zo benauwt was ik; want, ik hoorde zulk een gedruis,
En gestommel op Hillegonds kamer, en door ’t geheele huis,
Of ’er honderd menschen in waaren, en ’t arme meisje, gelyk je zekerlyk
            moet weeten,
Dat altyd zieklyk is en vol pyn, en in geen drie dagen heeft gegeeten,
(105) Hoorde ik zomtyds zo deerlyk zuchten van benauwtheid en smert.
Dat het my deerde, en jammerde aan myn hert.
MARGRIET.
Dat geloof ik wel.
DIBBERIG.
                            Ik heb haar in myn ziel lief, en ik wil ’t wel weeten,
Om dat zy myn eenigste dochter is, en naer haar grootmoeder geheeten.
Ik geloof, dat ik wel honderdmaal Hillegondje geroepen heb: maar men hoorde
            my niet.
(110) Wie weet, hoe verleegen zy geweest is, want, het is zulk een nufje, die de
            onnoozelheid uit de oogen ziet.
Had myn zoon Francois noch t’huis geweest, zo had men de dieven kunnen keeren.
[fol. B1r, p. 17]
Maar, die heeft verlof om naer den Haag te gaan; want kyk, wy procedeeren
Tegens Neef Jasper, wegens een erffenis van Joris Dobbe, en om dat het zo lang
            heeft geduurt,
Heb ik hem gisteren avond naer den Haag toe gestuurt.
(115) Om daar met de Advokaaten de zaaken nader te overleggen.
O ’t is zo een deugdzaam Jongman, dat ik het aan jou onmoogelyk kan zeggen.
MARGRIET.
Dat is wel te begrypen, Juffrouw. Maar, weetje niet wat uw dochter let?
Of hoe die ziekte genaamd word?
DIBBERIG.
                                                      Och neen, zy leid meest heele dagen te bed.
En dan huilt en zuchtze, als was zy bedrommelt of bezeeten;
(120) Ja kind, zy heeft haar oogen wel dry vierde part uit gekreeten.
MARGRIET.
Waarom haalje geen Doctoor, om eens te hooren hoe hy haar ziekte vind?
DIBBERIG.
Praatje van een Doctoor? och zwyg, myn lieve kind.
Zy mag geen Doctoor luchten, noch van hem hooren spreeken.
MARGRIET.
Zy kan evenwel niet altyd in een kwaad vel blyven steeken?
DIBBERIG.
(125) Dat ’s waarheid, Grietje. Maar, ik kan haar tot noch toe niet beweegen: en
            dat myn droefheid vergroot,
Is, dat zy niet anders spreekt, als van de dood.
Ja wel, ik zeg noch, dat zo zy niet verandert van gedachten,
Dat ik voor myn sterfuur noch de dood zelfs heb te verwachten.
MARGRIET.
Inderdaad, ik beklaag die arme sloof; maar, is het ook wat anders dat haar ontstelt?
DIBBERIG.
(130) Hoe wat anders? hoe versta je dat?
MARGRIET.
                                                                  Is ’t ook de liefde die haar kwelt?
[fol. B1v, p. 18]
DIBBERIG.
Weg liefde, weg liefde. Wat moogje my al te vooren leggen?
Zo een onnoozel schaap, wat weet dat wat liefde is te zeggen?
MARGRIET.
Ja, ja, Juffrouw, de tyd zal ’t wel ontdekken, maak ik staat.
DIBBERIG.
Wel, Griet, ik heb liever dat je wat aârs doet, als dat je zo mal praat.
MARGRIET.
(135) Ik zeg ’t noch, en blyf ’er by. Je zult in kort wel wat anders hooren.
Ken je Ferdinand wel?
DIBBERIG.
                                    Die zal dat gaatje niet booren.
Dat is een Lichtmis, die ’s nachts uit krollen gaat. Zy hebben ze niet veur,
Die ze mienen; want voor zulk volkje sluit ik myn deur.
PHILIPPYN.
,, Dat is hoog genoeg. De bommel mogt hier eens komen uit te breeken.
(140) ,, ’t Is best, dat ik myn snoet daarmede in kom steeken.
Wat is ’er te doen, Juffrouw? hoe ben je zo vroeg in de weêr?
DIBBERIG.
Weet je ’er niet van, Philippyn? wy hebben dieven gehad, en Heer Eelhart met myn
            man doorzoeken ’t huis op en neêr.
Loop toch meê naer binnen.
PHILIPPYN.
Ik zal. Maar, daar zie ik de vrinden weer uit koomen.



TIENDE TOONEEL.

JEROEN, EELHART, DIBBERIG, MARGRIET, PHILIPPYN.

DIBBERIG.
WEl vaêr, hebje tot onzent geen verder onraad vernoomen?
JEROEN.
(145) Praatje van onraad? ik mis myn zinnen, en ik verlies myn verstand.
Och! nu ben ik de ongelukkigste van ’t geheele Land.
Ik word vermoord, gerabraakt en gehangen.
Help, help, buuren sta by, ej help me toch de dieven vangen.
[fol. B2r, p. 19]
Ik ben geruineert. Ik ben dol. Al de beleende Juweelen van Heer Eelhart, zyn op een hond.
(150) Wel hoe! ’t zyn geen Snottebellen; een achtduizend pond
Vlaams geld, en noch vier zakjes schellingen zo in een zet te verliezen.
DIBBERIG.
Wat zegje, vaêr?
JEROEN.
                          Och! geef my nu goede raad, wat ik van beide zal verkiezen,
My op te hangen, of in ’t water te springen? ei! help me toch uit de ly.
EELHART.
Och! wat raad, wat raad?
DIBBERIG.
                                        Buuren, buuren, sta by.
Zy valt in zwym, en werd van Margriet ondersteund.
PHILIPPYN.
(155) Bedaar, Sinjeur, bedaar; men moet de moed zo niet verlooren geeven.
JEROEN.
Neen, neen! hier valt niet te troosten. Ik wil niet langer leeven.
Wat zal ons Fransje op kyken, als hy van myn schade hoort?
Wie weet of de Jongman zich zelfs uit enkele desperatie niet vermoort?
Want hy is zo vroom, yverig en vlytig altoos om een penningje te vergaaren,
(160) Dat hy ’t niet genoeg weet te bezuinigen noch te spaaren.
MARGRIET tegens Dibberig.
Ontstelje zo niet Juffrouw, alle dingen zullen wel gaan.
Geef het zo ligt niet op, het zal noch wel te doen staan.
Laat het in de courant zetten, en de Juweliers en Zilversmids waarschouwen.
DIBBERIG.
’t Is een zwak gestel, kasteelen in de lucht te bouwen.
PHILIPPYN.
(165) ’t Is evenwel het naaste middel om ’t weêr te krygen, gelyk meêr is geschied.
JEROEN.
Is ’er wel een einde van al myn lyden en verdriet?
[fol. B2v, p. 20]
De eene slag volgd de anderen, ’t Is niet genoeg dat me myn geld komt taaken,

Maar onze Hillegond zal het van alteratie niet lang meêr maaken!
Zy leit in zwym en heeft de poplezy op haar lyf,
(170) Ik liet haar in die staat op de vloer, zo styf
Als een deur, in de armen van Antonet, zy is mogelyk al dood, ofze moet my
            leelyk bedriegen.
DIBBERIG.
Och, myn dochter; myn dochter! ik ga niet, maar, ik zal vliegen.



ELFDE TOONEEL.

JEROEN, EELHART, MARGRIET,

PHILIPPYN.
JEROEN.
MYn lieve buurman, zeg my eens wat raad gaat ons aan?
Ik vrees, dat het my noch in de harssenen zal slaan.
EELHART.
(175) Wat valt hier veel te zeggen; als my het overschot van de juweelen te betaalen;
Want ik heb maar vier duizend guldens daar op ontfangen.
JEROEN.
                                                                    Och! waar zal ik het geld van daan haalen?
EELHART.
Dat weet gy best, buurman, die drie tonnen schats bezit, volgens ’t zeggen van de liên.
JEROEN.
Ik, ik, myn Heer! was dat waar, jy zou my wel anders leven zien.
EELHART.
Verschoonje niet om mynenthalven. Stille wateren hebben diepe gronden.
JEROEN.
(180) Ja maar, Heer Eelhart, ’tgeen ik met moeite vergaart en gespaart heb, is niet
            gestoolen of gevonden.
EELHART.
Nu, nu, wy willen wenschen, dat dit de grootste schaade zyn zal, die gy hebben zult.
[fol. B3r, p. 21]
En daarom zou ik u raaden, dat gy u wyslyk droeg, en nam by tyds geduld.
JEROEN.
Ja, niemand hinkt ’er van een ander mans zeer, en ik moet myn kruis alleenig draagen.
PHILIPPYN.
Sinjeur Jeronimus, wilje my beloonen, ik zal de stad op en neer gaan, en man en
            maagd naar de Juweelen vraagen.
(185) Zy zullen mooglyk wel weêr te recht koomen, en zyn ze in de stad niet, zy
            zyn noch niet uit het land.
Ik zal wel zorg draagen, dat ze aanstonds gezet worden in de courant.
Geef my maar de notitie.
JEROEN.
                                        Och! wilje dat doen? ik zalje ryklyk betaalen.
Maar, ik heb de notitie niet.
EELHART.
                                            Wacht een oogenblik. Ik zalze wel gaan haalen.
JEROEN.
Gy zult my dienst doen; want de dieven hebben de notitie met de Juweelen teffens gerooft.
EELHART.
(190) Ik kom aanstonds weêr.



TWAALFDE* TOONEEL.

Jeroen, Philippyn, Margriet.
Jeroen gaat ondertusschen heen en weer, slaande dan de oogen ten hemel, dan naar de aarde.

MARGRIET.
                                            PHilippyn, Philippyn, hoe averegs staat my dat hoofd.
Want komt onze Heer zyn dochter niet te vinden,
Hy zal me gewislyk als een brieschende leeuw verslinden.
PHILIPPYN.
Houd smoel toe, en bedenk met ’er haast de een of de ander vond.
[fol. B3v, p. 22]
Legje verstand te kosten, of wy zyn alle beide bedorven in den grond.
(195) Hoewel ik voor myn part de twee gelieven zo wel heb geborgen,
Dat ik daar in ’t minste niet behoef over bekommerd te zyn noch te bezorgen.
MARGRIET.

Jy hebt het goed zeggen; want je bent jou eigen meester, en ik slegts een meid.
En die hebben om een haverstroo altoos, misdaan of miszeid.



DERTIENDE TOONEEL.

EELHART, JEROEN, MARGRIET, PHILIPPYN.

JEROEN.
HEer Eelhart, hebje de notitie? wilze my overgeeven.
EELHART.
(200) Daar is zy, myn Heer. Margriet!
MARGRIET.
                                                            Wat beliefje?
EELHART.
                                                                                Waar is myn dochter gebleeven?
Ik heb ’er onder en boven gezocht, op haar kamer en in ’t bed.
Wat doetze zo vroeg uit?
MARGRIET.
                                        Wat ’s dat, myn Heer? ik sta inderdaad verzet,
Onze Juffrouw niet t’huis, dat kan niet mooglyk weezen!
Ik heb ’er daar even noch gezien en gesprooken, zo als zy bezig was met de Astrea
            te doorleezen.
EELHART.
(205) Ga dan naer binnen, en zoek zo lang tot jyze vind.
MARGRIET.
Ik zal, myn Heer.



VEERTIENDE TOONEEL.

EELHART, JEROEN, PHILIPPYN.

EELHART.
                            OCh! daar leid me wat zwaars op myn hart. myn kind, myn kind!
[fol. B4r, p. 23]
PHILIPPYN.
Geen zwaarigheid; al meê in de courant. Geef my maar order, ik zal ’t wel beschikken.
EELHART.
Hoe! spotje met me, daar ik van droefheid meen te verstikken!
PHILIPPYN.
Ik zeg het om beste wil, myn Heer, en vorders weet ik ’er niet af.
EELHART.
(210) Ik zal noch voor myn dood onder de zwarte aarde moeten, en in ’t graf.



VYFTIENDE TOONEEL.

EELHART, JEROEN, PHILIPPYN,

MARGRIET.
EELHART.
HEb je myn dochter gevonden?
MARGRIET.
                                                    Neen, myn Heer, maar wel deze brief op tafel leggen.
EELHART.
Geefze hier, op dat ik weeten mag wat den inhoud wil zeggen.
                                            Hy opend en leest den Brief.
Myn Heer en Vader,
    Ik ben het vaderlyk gezag ontvlucht, om my onder dat van een Minnaar te begeeven, oordeelende dat de banden van de liefde zoeter waaren, als die van de plicht, en ik zoude mooglyk noch zo ligt niet tot dit besluit gekoomen zyn, by aldien ik niet voorzien had, dat gy eer lang met Mevrouw Leonora* van Adelbaart een tweede huuwlyk zoud aangaan, als wanneer ik niet anders als een verschooveling zou moeten zyn. Ik zoude u den naem van myn minnaar in deze wel ontdekt hebben, ten zy ik voor uw wreede vervolging beducht geweest was. Doch ik wil niet twyfelen, of zyn middelen en goed gedrag zullen uw gramschap in ’t korte in een vergenoegde vriendschap [fol. B4v, p. 24] verwisselen, en voor ons by u genade bewerken; terwyl ik my onderschryf,

                                                          UE. zeer gehoorzaame Dochter
                                                          CONSTANTIA STIERENKROON
                                                              VAN HONGARYEN.

Wat moet ik al beleeven! gehoorzaame Dochter! deftig, deftig! schoon bescheid!
Wie hoorde ooit van zulk een buitenspoorigheid?
(215) Wel ik zweer, kryg ik je onder handen, ik zal je vast laaten zetten.
Zulk een affront aan myn adelyk geslacht te doen, dat zal ik je wel beletten.
Wat snooder daat is dat, en welk een lydelooze spyt!
O neen, ik begeer niet dat gy myn dochter langer zyt.
Leg daar, vervloekt geschrift; ik zal je met voeten trappen.
                                                                  Hy verscheurd de Brief.
(220) En jou, vergiftig serpent, zal ik aan hutspot kappen.
PHILIPPYN.
Zacht aan, myn Heer, wat heeft die onnoosele meid misdaan?
Kan zy beletten, dat de Juffrouw buiten haar weeten is doorgegaan?
MARGRIET.
Och! myn Heer, ik heb geen schuld; ik bid u laat me leeven.
JEROEN.
Nu, Heer Eelhart, gebruik uw verstand; ’t Meisje heeft niets misdreeven.
EELHART.
(225) Misdreeven of niet, ik wil weeten wat zy van deeze morgen zo vroeg over de deur
            heeft gedaan.
ô Daar schuilt een boefje achter, als luije meisjes zo vroeg opstaan.
MARGRIET.
Ik zou myn huiswerk aan een kant doen, en ik hoorde zo erbarmlyk roepen van buiten,
Dieven, moord, brand, dat ik goed vond de deur te ontsluiten,
Om te zien wat ’er te doen was.
EELHART.
                                                    Vaar voort.
MARGRIET.
                                                                      Ik weet niet meer.
[fol. B5r, p. 25]
EELHART.
(230) Ik wil ’t weeten, jou rechte snoetop.
MARGRIET.
                                                                  Hoe meugje zo kyven, myn Heer.
Als je meer belieft te weeten, moet ik het tusschen vier oogen zeggen.
Hy treed met Margriet ter zyden.
EELHART.
Laat hooren.
JEROEN.
            Nu, Philippyn, daar is de notitie, de rest kunje naer uw besten weeten overleggen.
PHILIPPYN.
Ik zal, Sinjeur, maar, daar zullen eenige onkosten op loopen, of wil je dat ik die verschiet?
JEROEN.
O neen Philippyn, moeite te neemen en geld toe te geeven, dat begeer ik niet.
(235) Hoe veel moet je hebben?
PHILIPPYN.
                                                    Geef my by provisie twee dukaten.
JEROEN.
Ik zal ze gaan haalen.



ZESTIENDE TOONEEL.

EELHART, MARGRIET, PHILIPPYN.

EELHART.
                                  IS ’t waarheid Margriet? wel wat moogje praaten!
Wie had zyn leeven zulks van Jonker Ferdinand verwacht?
Een jongman gesprooten uit een zo beroemt adelyk geslacht.
’t Is onbegrypelyk; daar en boven meen ik my aan dat geslacht te verbinden,
(240) Door een huwlyk met zyn moeder, om dus in haar een deelgenoot in myn huiszorg
            te vinden:
En onze Constantia aan Ferdinand te doen... Nu dat laat ik daar
[fol. B5v, p. 26]
Maar, zou hy wel tot die laciteit gekoomen zyn?
MARGRIET.
                                                                              Myn Heer, al wat ik zeg is waar.
Doch, of hy de Juweelen gestoolen heeft, weet ik niet, en ik kan ’t voor de waarheid
            niet zeggen.
Maar, ’t geen myn oogen gezien hebben, zal niemand my wederleggen.
(245) Hy liep, als een kuikendief, met de kaale kop als desperaat,
Zonder paruik, met het blood geweer in de hand langs de straat.
EELHART.
Ik sla een gat in den hemel! wat dunkje van die boevestukken?
Iemand zo het beste pand by der nacht uit den huis te rukken,
’t Is of ik het te Keulen had hooren donderen; nu ik zal my eerst wel beraân,
(250) Eer ik Ferdinand daar over spreek; maar, daar komt Jeroen aan.



ZEVENTIENDE TOONEEL.

JEROEN, EELHART, MARGRIET,

PHILIPPYN.
JEROEN, tegens PHILIPPYN.
DAar zyn by provisie tien guldens aan geld, je moogt zien hoe ver je ’t daar mede
            kunt stellen,
Als je meer moet hebben, zal ik je altyd meer toetellen.
PHILIPPYN.
’t Is wel: ik zal zien hoe ik ’t maak, en je zo trouw dienen, als goud.
Ho, ho, buurman, je zult wel haast zien, dat je de zaak aan een eerlyk man toevertrouwt.
JEROEN.
(255) Doe jou best, en smeer wat haazevet onder uw schoenen; want de tyd mogt ons
            ontschieten.
PHILIPPYN.
Servitori.



ACHTTIENDE TOONEEL.

JEROEN, EELHART, MARGRIET.

EELHART.
                WAnneer zie ik eens een einde van myn verdrieten?
[fol. B6r, p. 27]
JEROEN.
Wel hoe, myn Heer, ontzinkt u nu de moed?
EELHART.
                                              O neen, myn Heer, ’t ontbrak my nooit daar aan,
Maar, ik zal met uw verlof myn afscheid* neemen, en naar binnen gaan.
Om op myn zaaken order te stellen. Vaarwel.
JEROEN.
                                                En ik zal myn kleêren vorders aan gaan trekken,
(260) En eens bezoeken, of ik de dieven elders kan ontdekken.



NEGENTIENDE TOONEEL.

JEROEN, ANTONET met een Vlesje.

JEROEN.
WAar ga je heen, Antonet?
ANTONET.
                                                Sinjeur, ik zou wat cordiaal haalen in de Apoteek,
Want onze Juffrouw is zo slap, als een vaatdoek, en zo flaauw, en zo bleek
Als ofze in ’t geraamte stond.
JEROEN.
                                              Myn kind, myn kind, wat hebje een lastig pak te draagen!
Nu slaat ’er wat eijeren in, en kom voort weêr; ik moet die arme sloof in myn hart beklaagen.
Antonet weg gaande, word van hem weêrom geroepen.
(265) Antonet, Antonet.
ANTONET.
                            Wat beliefje?
JEROEN.
                                            Haal aanstonds onze Lyfmedicus Doctor Rabarber, want die man
            is door en doorgeleerd.
ANTONET.
Och! Sinjeur, je weet wel, dat onze Juffrouw Hillegond geen doctoor begeert.
JEROEN.
Begeeren, of niet, ik versta ’t zo.
[fol. B6v, p. 28]
ANTONET.
                                                    Maar, zy mag van doctoor Rabarber niet hooren,
Dat is een rechte semelaar, en die talmt haar te veel aan de ooren.
JEROEN.
Haal dan een ander, ’t is my evenveel, al was ’t een vreemd;
(270) Want ik wil, dat myn zieke dochter iets tegens haar kwaalen inneemt.
ANTONET.
Wat zal dat weezen, Sinjeur? gy weet immers wel, wat onze Juffrouw heeft voorgenoomen.
JEROEN.
Doe aanstonds myn zin, of weet...
ANTONET.
                                        ’t Is Wel, Sinjeur.
JEROEN.
                                                        Pas me voor al zonder doctoor niet weer thuis te komen.



TWINTIGSTE TOONEEL.

ANTONET alleen.

WAt leid daar tot onzent een baijaard, en wat is ’er een potje te vuur.
Ik wouw wel om een baakerschelling, dat ik met fatzoen al was uit myn huur;
(275) Want ik vrees, ik vrees, het noch zo selleweekens op myn dak zal waaijen,
En al wat ’er van komt, op myn kop alleen aandraaijen;
Als of ik de oorzaak was van ’t geen onze Hillegondje heeft begaan,
Daar ik ’er zo veel schuld toe heb, als het kind in de wieg, maar, de onnoozelheid heeft
            toch altyd misdaan:
Ik wil zeggen, dat ik ’er noch af noch aangeraaden heb, noch in de zaak iets heb willen
            spreeken;
(280) Want, ik dacht, wie hooning steelt, moet lyden dat hem de bijen steeken.
Philippyn, Philippyn, wat zal jy al te verantwoorden hebben, die zo meenig een minnebriefje
            onze Hillegondje hebt ter hand gestelt;
[fol. B7r, p. 29]
En haar wel honderdmaal van de gaaven van Ferdinand aan de ooren gelelt.
Ik wou niet, dat ik in jou schoenen stak, hoe zeer ik je ook mag zetten;
Want, zulke dingen neemen nooit een goed eind, en men is verplicht ze te beletten,
(285) Hoewel ik myn Juffrouw in die staat niet verlaaten zal om geene waarom;
Want, ik verwacht, als ’t wel lukken wil, noch een Bruilofts stuk van haar Bruidegom.
Maar, ik moet myn boodschap niet vergeeten, en zonder Cordiaal te rug keeren.
Doch, dat is het eijereeten niet, zei de Vos, en hy zou de hoenders mores leeren;
Want, myn rechte boodschap is, dat ik Philippyn op steeven loop, om zyn raad,
(290) Te hooren, wat onze Juffrouw in deze verlegentheid te doen staat.
Daar zie ik hem recht ter snee. Och! Philippyn, onze Juffrouw is zo verlegen.



EENENTWINTIGSTE TOONEEL.

ANTONET, PHILIPPYN.

PHILIPPYN.
EN waarom, myn lieve Antonetje? of heeftze een verkeerde wind in haar darmpjes
            gekreegen?
ANTONET.
Wel neen.
PHILIPPYN.
                Wat dan?
ANTONET.
                                Je weet wel dat onze Sinjeur een deel Juweelen zyn ontvreemt.
PHILIPPYN.
Welk een beuzeling; ik denk niet dat Juffrouw Hillegond dat zo kwaalyk neemt.
ANTONET.
(295) Is ’t hier noch tyd van spotten?
PHILIPPYN.
                                                        Wel wat heb gy, smulletje, my anders te zeggen?
[fol. B7v, p. 30]
ANTONET.
Dat onze Juffrouw vreest, dat men die diefstal Ferdinand ligt zou te last leggen.
PHILIPPYN.
Is ’t anders niet, aapestaarten, kindermoolentjes: jou Juffrouw stel haar hoofd slegts gerust;
Of weet zy niet dat ik, Philippyn, alles kan keeren en draaijen naer ’t my lust?
Zeg haar uit myn naam, dat ik de Juweelen, als ik wil, aan haar Vader weer ter hand kan
            stellen,
(300) En dat ik Ferdinand wel beschermen zal, laat zy zich daar niet eens zo over kwellen.
En zeg haar met eenen, dat zy met Ferdinand trouwen zal in korten tyd
Dat ik ’t zo versta, in weêrwil van vaêr, en moêr, ten spyt van die ’t benyd.
ANTONET.
Ja maar, daar is noch een zwaarigheid. Haar Vader verstaat dat ik de een of de ander
            Doctoor zal haalen;
En dan braaken de baakens uit, en wy zouden de ballen moeten betaalen.
PHILIPPYN.
(305) Geen nood, als je my maar by tyds waarschouwt, eerje daar heen gaat.
Dan sta ik stout, en gereet om je by te springen met raad en daad.
ANTONET.
Ik waarschouwje dan van nu af aan: want ze willen niet langer wachten.
PHILIPPYN.
Alree man; wanneer moet de Doctoor koomen?
ANTONET.
                                                    Laat hy ’t avond koomen, omtrent ten half achten.
Maar, draag toch zorg, dat dien Doctoor van de moord van Parys weet,
(310) En dat hy Hillegondjes liefde voor al houd secreet.
PHILIPPYN.

Benje slecht, men zal haar ziekte op waterzucht uit doen draaijen,
En met die munt zullen wy haar ouders wel weeten te paaijen:
[fol. B8r, p. 31]
Weet je niet, dat ik drommels verstandig ben, en hebje noch niet beter geleert,
Daar wy met malkanderen zo lang al hebben verkeert?
ANTONET.
(315) Ja, maar onze Juffrouw is zo ongerust.
PHILIPPYN.
                                                                        Wel, stel haar te vreden.
ANTONET.
Zal ik dan staat moogen maaken op jou beloften?
PHILIPPYN.
                                                                                Met reden.
Den Doctor zal ’er weezen; een man een man, een woord een woord.
ANTONET.
Mag ik dan gerust heen gaan?
PHILIPPYN.
                                              Ja, zeg ik, myn smoddersmuiltje, pak je maar voort.



TWEEENTWINTIGSTE TOONEEL.

PHILIPPYN, CHRISTIAAN.

CHRISTIAAN.
HO, Philippyn! mon Cousyn, hoe vaar je al?
PHILIPPYN.
                                            Wat droes! hebje een hondeneus, dat je zo net kunt ruiken.
CHRISTIAAN.
(320) Hoe dat, speciaal?
PHILIPPYN.
                                        Om dat ik jou van avond voor kruis en munt moet gebruiken.
CHRISTIAAN.
Kruis en munt is goed kruid, hoewel ’t in myn tuin niet wast.
PHILIPPYN.
Dat had wel kunnen geschieden, had jy wat beter op ’t stampen in de vyzel gepast:
Wantje stond daar in een schoone winkel, daar je vry wat kond leeren.
[fol. B8v, p. 32]
Ook heb jy uw ouders geen kleintje gekost van studeeren;
(325) Maar je wou ’t heerschop speelen, met de degen op ’t gat,
In kuffen en bordeelen, en ’s avonds meest dronken en zat.
’t Was of ’t geld in de boksen zouw vermuffen en stinken;
En nu ziet men ’er uit, als de partisan van de geplukte vinken.
CHRISTIAAN.
Kosyn, kosyn, dat maakje al te grof.
PHILIPPYN.
                                                          Ik spreek myn hart recht uit.
(330) Maar dit overgeslagen; want dat verbruid is, is verbruid.
Hier is een buiten kansje; ik weet ’er voor jou een paar ducatonnetjes uit te haalen.
Zo jy slegts jou rol als doctoor speelen kunt, ik zal ze uit myn eigen beurs betaalen.
En ’t is gemaklyk te doen, by aldien je noch hebt diezelve geest;
Want je bent al jou leeven een drollige Apoteeker geweest.
CHRISTIAAN.
(335) Maar, hoe kan dat gaan met deeze oude lappen en vellen?
PHILIPPYN.
Is ’t anders niet? ik zal je aanstonds een doctoraale hoed en rok bestellen.
Daar weet ik wel raad toe, want ik heb kennis aan een smous, die oude kleêren koopt, en
            naer Duitschland verstuurt,
En daar heb ik meer als tienmaal voor my zelfs een pakje van gehuurt.
CHRISTIAAN.
Maar, waar moet ik weezen, en wanneer, en wat moet ik zeggen?
PHILIPPYN.
(340) Daar is de dochter van Sinjeur Jeronimus Vettelafoesje, heimelyk verlooft, en
            van liefde ziek; nu om die zaak behoorlyk uit te leggen,
Moet je op hals en keel aan de Ouders, die weeten willen wat haar dochter deert,
Niet zeggen, dat zy verlieft of verlooft is; maar, dat blaatje moet werden omgekeert.
[fol. C1r, p. 33]
Je verstaat me wel, hoop ik?
CHRISTIAAN.
                                            Heel wel.
PHILIPPYN.
                                                            Je moet zeggen, dat ze waterzuchtig is, en dat men
            haar ’t water zal moeten aftappen.
Maar, wil voor al niet vergeeten, daar vry wat doctors Latyn onder te lappen;
(345) Want de vader verstaat geen een woord* van die taal.
CHRISTIAAN.
                                                        Goed, goed.
PHILIPPYN.
                                                                En zegt, dat men in deze deerlyken staat,
Zo men haar leeven lief heeft, haar aanstonds trouwen laat.
CHRISTIAAN.
Met wie?
PHILIPPYN.
            Met Heer Ferdinand; want daar zullen de ouders geweldig tegen hakketeeren,
Doch je moet daar by blyven, als de dief by de bast, om hen daar toe te persuadeeren.
CHRISTIAAN.
Is ’t anders niet? ik hoop dat je zien zult hoe meesterlyk ik voor doctoor ageeren zal.
PHILIPPYN.
(350) Ik zal maaken dat ik ’er by ben, als hoofd participant aan dit geval.
CHRISTIAAN.
Dat moetje doen, om of ’t kwam te gebeuren, dat ik my ergens in mogt misspreeken,
My aanstonds weêr op den weg te helpen en stilletjes van achteren in te steeken.
PHILIPPYN.
Ik zal op dien haspel passen. ’t Is tyd. Laat ons naer binnen treên.
CHRISTIAAN.
Practica est multiplex.
PHILIPPYN.
                                  Zo raakt men best door de waereld heen.

Einde van het Eerste Bedryf.

Continue
[
fol. C1v, p. 34]

TWEEDE BEDRYF.

EERSTE TOONEEL.

Het Tooneel verbeeld dezelve straat.

Leonora en Ferdinand uit den huis treedende.

LEONORA.
(355) FOei, Ferdinand, foei, men zouw van zulke dingen grouwen.
Gy my te vooren durven leggen van met Hillegond, een burgerdochter, te willen
            trouwen!
Word je niet schaamrood, dat gy, een jonker uit het hoog adelyk geslacht,
En den huize van Adelbaart, u wilt verbinden aan canalje zo veracht.
Het bloed komt my uit myn voeten tot in myn aangezicht stygen.
(360) Gy in Sinjeur Vettelafoesjes dochter zin te kennen krygen?
Foei, jou schandvlek van onze aloude beroemde stam,
Is ’t geen droefheid genoeg, dat ik hier een burgerlyk leeven lyden moet in Amsteldam?
Om dat met het afsterven van uw heer Vader, hoogloffelyker memorie, my zo veel
            middelen niet zyn overgebleeven,
Dat ik, volgens myn staat en fatzoen, in den Haag aan het hof adelyk genoeg kan leeven.
FERDINAND.
(365) Maar, Mevrouw, ik bidje onderdaanig, dat ge my eens spreken hoort.
LEONORA.
Weg, weg, ik spreek met geen canalje, en ik versta van u geen een woord.
FERDINAND.
Ik bid, Mevrouw, zo ’t mooglyk is, laat uw oploopentheid toch bedaaren.
Condemneer my, zo ik schuld heb; maar, laat ik u eerst myn gedachten verklaaren.
LEONORA.
Spreek dan, maar kort, en wacht u wel, dat gy ’t gezag in ’t minste deel niet breekt,
[fol. C2r, p. 35]
(370) Of denk, dat ik u zal weeten te beletten, dat gy een woord meêr spreekt.
FERDINAND.
Mevrouw, met uw believen; het staat u zonder twyffel wel te vooren,
Dat toen gy den doorluchten Heer Ludowyk Sigismund uw gemaal had verlooren,
Wy den boedel met zo veel schulden vonden bezwaart,
Dat het aaloud adelyk kasteel van Adelbaard,
(375) Met al haar Landerijen, noch al onze meubilen op ver na niet konden volstrekken,
Om ons voor onze Crediteuren, die ons attaqueerden, te dekken.
Ik zeg, Mevrouw, het staat u wel te vooren, hoe gy, in ’t midden van dat verdriet,
Den boedel abandonneerde, en op ’t aanraaden van Advokaaten met den voet stiet,
Na dat gy de gereedste Effecten, tot geld gemaakt had, om te kunnen subsisteeren.
LEONORA.
(380) Wat is dat, Ferdinand, zult gy me verwyten, dat wy moesten declineeren?
FERDINAND.
Mevrouw, ik verwyt het u niet; maar, zulks geschied om u in den grond te doen verstaan,
Wat de reeden is, waarom ik dit huuwlyk aan wil gaan.
’t Is my leet genoeg, dat wy in zo een nederige staat moeten leeven.
Maar, had men ’t zeil zo hoog niet in top getrokken, daar was wel wat meêr overgebleeven,
(385) En wy hadden nu niet behoeven te zuchten. Doch, gedaane zaaken hebben geen keer.
LEONORA.
Zwyg van die zaaken; want gy hernieuwt myn droefheid weêr.
FERDINAND.
Ik zal, Mevrouw. In deze staat dan heb ik van myn plicht geoordeelt om voor my zorge
            te draagen,
En om een goed heen koomen te zien, om van de armoede te zyn ontslaagen;
[fol. C2v, p. 36]
Want, wat baat alle grootsheid en afkomst, zo ze niet is verzelt,
(390) Of ondersteunt in de waereld door de krachten van ’t geld?
En dat vind ik hier overvloedig by Sinjeur Vettelafoesje gezeeten.
Daar wy met al onze grootsheid zomtyds kwaalyk een fatzoenlyke schootel hebben te eeten,
En weer op nieuw zo een lengte van krytende schulden gemaakt,
Dat ’er ’t einde van weg is, en om wat oorzaak zyn wy anders daar weêr zo diep in geraakt,
(395) Als uit enkele grootsheid?
LEONORA.
                                Foei, Ferdinand, hebje dan uw adelyke geboorte geheel vergeeten?
Ik wou liever zo arm als een wurm zyn, en droog brood eeten;
Als myn nood te kennen geeven, of in ’t minste veranderen van staat.
FERDINAND.
En ik niet, Mevrouw, ’t Is een slechte Adeldom, die op beedelaars krukken gaat.
Als ik met Hillegond getrouwt ben, meen ik wel lekker een gemaklyk leeven te lyden.
(400) En gy, Mevrouw, kunt daar mede aan participeeren, en weer beleeven de oude
            gulde tyden.
LEONORA.
Schoon dat zo is, heb ik altyd een afkeer van dat gewoekert bedelaars geld.
FERDINAND.
’t Moet altemaal evenwel door die handen passeren, eer de Edelman zyn vingers
            daar blaauw aan telt.
LEONORA.
Wat zal Eelhart zeggen, als hy uw laciteit zal hebben vernoomen?
Wie weet of hy wel ooit weer over myn drempel zal willen koomen,
(405) En of zyn liefde niet te eenemaal zal verflauwen? en dien Heer, behalven zyn
            adelyk bloed,
Bezit noch schatten in de waereld; en heeft hy wat jaaren hy heeft weer goed.
[fol. C3r, p. 37]
FERDINAND.
Dat kan wel zyn, maar, zo hy liefde voor u heeft, zal myn huuwlyk die niet eens krenken.
En ondertussehen kan hy me niet beletten van om myn welzyn te denken.
Elk moet weeten waar hem de schoen wringt, en zyn fortuin zoeken zo hy best kan.
(410) Voor my, ik zoek de myne; en aan de werken kent men eerst een recht Edelman.
LEONORA.
Maar hoe zal ’t met het bewys gaan? want ik heb u niets mede ten huuwlyk te geeven.
FERDINAND.
Daar heb ik zorg voor gedraagen. Sinjeur Vettelafoesje zal ons verzoek niet wederstreeven.
Want Hillegondje is in’t heimelyk aan my verlooft, en de ouders zyn beide zodaanig gekwelt
Met een naauwe conscientie, dat zy ’t wel toestaan zullen.
LEONORA.
                                                                        Myn zoon, ik sta over deze dingen verstelt.
(415) Gaat gy zo, buiten myn weeten, u aan iemand verbinden?
FERDINAND.
Mevrouw, my dacht, dat ’er nooit beeter middel in de waereld was uit te vinden,
Noch vaster knoop als deze te leggen. Vergeef het my, zo ik myn plicht te buiten ben gegaan.
LEONORA.
Ik durf u wel verzeekeren, myn zoon, dat zo het om ’t geld niet was, ik dat huuwelyk
            niet toe zou staan.
Doch wyl ’t zo ver is, zal ik my naer den tyd reguleeren.
(420) Vaar wel, en wil uw zaaken ten eersten pousseeren.
Ik ga eens naar de fransche kraamer en de fontansiemaakster, om wat snuistery te
            haalen. Myn zoon, zyt gegroet.
FERDINAND.
En ik zal hier een weinig toeven, om te zien of ik Philippyn of Antonet niet ontmoet.



[fol. C3v, p. 38]

TWEEDE TOONEEL.

FERDINAND, ANTONET.

FERDINAND.
WAar heb je geweest, Antonet, dat je zo schielyk aan koomt draaven?
ANTONET.
Ik heb een cordiaal weezen haalen voor onze Juffrouw, om haar zomtyds eens te laaven.
(425) En zo lang in de Apoteek moeten wachten, eer ’t goed was gereet.
Zo dat ik myn tyd verzuimd heb. Ach! wie weet, wie weet,
Hoe onze Juffrouw verlangt? Maar hebje Philippyn al vernoomen?
FERDINAND.
Noch niet, hoe dat?
ANTONET.
                        Hy zalje waarschouwen, dat ’er een doctoor aan ons huis zal koomen,
En onze Juffrouw is zo verleegen, dat men u met het diefstuk betichten zal,
(430) Dat zy ’t niet harden kan.
FERDINAND.
                                                  Onnozele sloof. Het mogt een ouwe bal:
Zeg jy aan myn lief, dat myn moeder en ik ons van daag noch wegens het huuwlyk
            zullen verklaaren.
Daar koome van wat het wil, de rest zal de tyd wel openbaaren.
Doe haar deze boodschap, en zeg, datze volkomen zy gerust.
Maar, vergeet niet, dat gy haar voor my eens kust.
ANTONET.
(435) Neen, neen, myn Heer, ik zal dat heel wel onthouwen.



DERDE TOONEEL.

FERDINAND, PHILIPPYN.

FERDINAND.
WAt doe je, Philippyn? begin je ’t hoofd al te klouwen?
[fol. C4r, p. 39]
PHILIPPYN.
’t Is maar met eene hand, en dan is ’er noch kans,
Ik dacht daar om een paar volks, dat met malkaâr is aan den dans,
Alias doorgeloopen, en ik bedienze in de qualiteit als middelaar, om de zaak by te leggen.
(440) Ik hebze by een goed vriend t’huis gebracht, daar zy met gerustheid heur ABC op
            kunnen zeggen.
En ik overweeg vast, hoe ik op dezen dag dat boeltje zal redderen, en de ouders stellen
            te vreê.
FERDINAND.
Zo bedienje my niet alleen?
PHILIPPYN.
                                            Ha! ha! waar zou ik van bestaan, als ik anders niet deê?
Ik heb noch zo veel nooten op die zang, maar die zyn hier onnodig te verklaaren.
In ’t kort gezeid, ik ben het extract van alle Meester Koppelaaren.
(445) Maar, myn tyd verloopt. Ik heb noch wat kruiken te beschikken. Laat me gaan.
FERDINAND.
Eer je vertrekt, zo zegme eens hoe myn zaaken staan.
PHILIPPYN.
Uit de kunst, myn Heer, en ik zal je met uw moeder flus door Antonet laaten haalen,
Om by Sinjeur Vettelafoesje te koomen; pas wel op jou tyd, als de wind waaid moeten
            de moolens maalen.
Ik zal ’er ook zyn, en je waarschouwen, als ’t tyd is om van ’t huuwlyk te spreeken.
            Maak dan een begin van de zaak.
(450) Gy zult daar een gewaande doctoor zien verschynen, die myn neef is, en een
            koddige snaak.
Die zal alles zo wel ten voordeelen van u en ’t huuwelyk prepareeren,
Dat ik het werk al geklonken acht. Mits datje hem voor die moeite komt te contenteeren.
FERDINAND.
Dat beloof ik op myn Edelmans woord.
[fol. C4v, p. 40]
PHILIPPYN.
                                                              Welnu, dat is genoeg gezeid.
Ik zal de baan gaan klaar maaken. Wacht gy van Antonet nader bescheid.



VIERDE TOONEEL.

FERDINAND, EELHART.

FERDINAND.
(455) NU zeild myn schip voor wind en stroom. Ik heb niet meer te schroomen.
Maar, zie ik Heer Eelhart daar de stoep niet af koomen?
Hy schynt verstoord, wat of ’er gaans is, dat hy zulke grimassen maakt?
Dan de oogen naer den heemel, dan naer my. Ik denk immers niet, dat het my raakt.
EELHART.
Wel, jonker Ferdinand, hoe ga je zo omtrent de deur van Sinjeur Vettelafoesje waaren?
FERDINAND.
(460) Hoe dat, Heer Eelhart?
EELHART.
                                          Of meen je ’t weêr zo fraaitjes als van de morgen te klaaren?
FERDINAND.
,, O heemel! wat hoor ik?
EELHART.
                                          Hoe sta je zo verslaagen en verzet?
Gy zyt al verklikt, jonker gaauwdief. Had gy op uw geboorte en fatzoen meer gelet,
Gy had beeter gedaan, als iemand te berooven van zyn schatten.
FERDINAND.
’t Zyn duistere reeden, die geen eerlyk man kan bevatten.
EELHART.
(465) Houd u zo vreemd niet, want gy hebt uw diefschen aard klaar genoeg betoond.
[fol. C5r, p. 41]
FERDINAND.
Gy liegt het door uw hals, en wyl gy my zo schamper hoont,
Zo zal het zydgeweer ons noodeloos geding moeten slissen,
En ik de smaad in uw schelms bloed uit gaan wissen.
Trek af.
EELHART.
            Wel aan.
Zy vechten.
FERDINAND.
                          Pas op.
EELHART.
                                    Sta vast.



VYFDE TOONEEL.

LEONORA, EELHART, FERDINAND.

LEONORA.
                                                      MYn zoon hier handgemeen,
(470) Met Eelhart? laat af myn zoon; heer Eelhart, stel u te vreên.
Laat my de reeden van ’t verschil, zo ’t u gevalt, toch weeten?
FERDINAND.
Hoe! Mevrouw, zal die vent my in myn eer tasten, zo vermeeten!
EELHART.
Mevrouw, ’k zal u gehoorzaamen.
FERDINAND.
                                                        Mevrouw, hebt gy my opgevoed,
Om zulk een hoon en smaad te lyden? ben ik niet van edel bloed?



ZESDE TOONEEL.

PHILIPPYN, LEONORA, EELHART,

FERDINAND.
PHILIPPYN.
(475) WAt is hier te verhakstukken? wel hoe! de degens uit? selleweeken!
Ik zou je raaden van dat moordgeweer vliegend op zy te steeken.
[fol. C5v, p. 42]
Wat zullen goede vrinden leggen te vechten? wat, wat, dat is te slegt.
FERDINAND.
Moet ik dan lyden dat men my voor een dief uitscheld? o neen! ’t is beter dat ik
            daarom vecht.
EELHART.
Heeft onze Margriet u van ochtent vroeg, niet uit het huis van Sinjeur Vettelafoesje
            zien loopen,
(480) Met de paruik en deegen in de hand? of kwam jy daar om voor dag en douw laakens
            te koopen?
PHILIPPYN.
Is dat het gantsche point van uw onderling zo bloedig geschil?
Ik bid, heeren, geef een weinig audientie; en zwyg beide stil.
Heer Eelhart, gy hebt ongelyk, want heer Ferdinand is onbesprooken.
Hy heeft het comptoir van Sinjeur Vettelafoesje niet opgebrooken;
(485) Want ik heb den dief al gevonden; en de Juweelen zyn wel bewaart.
Wel hoe, op zo een losse voet iemand te beschuldigen, dat is uw adelyk gemoed onwaard.
EELHART.
Maar, myn meid heeft hem van deze morgen daar uit zien sluipen.
En, als een hoenderdief, met gedooken hoofde heen druipen.
PHILIPPYN.
Dat zyn zaaken die buiten u zyn. En dat is genoeg gezeid.
LEONORA.
(490) Wat begint gy, Heer Eelhart?
EELHART.
                                                        Mevrouw, vergeef myn oploopentheid.
En gy, heer Ferdinand, laat ik uw vriend zyn als voor dezen.
FERDINAND.
Voor my, ik vergeef het u.
LEONORA.
                                          Maar, ik dien hier ook wel voldaan te weezen.
PHILIPPYN.
Mevrouw, gy zult satisfactie hebben, als je slechts by Juffrouw Vettelafoesje gelieft te gaan,
Zo ras ik uw zoon laat waarschouwen.
[fol. C6r, p. 43]
FERDINAND.
                                                            Ik zal, Mevrouw die zaak wel doen verstaan.
EELHART.
(495) Ik bid, Mevrouw, laat ik de eer hebben van u aan uw huis te geleiden.
LEONORA.
Ik kan ’t u niet weigeren.
PHILIPPYN.
                                        Ja zo. Dat is best. Zo kunje als goede vrienden scheiden.



ZEVENDE TOONEEL.

FERDINAND, PHILIPPYN.

FERDINAND.
MYn lieve Philippyn, wanneer zie ik noch myn zaaken op een goeden voet?
PHILIPPYN.
Maar, Jonker Ferdinand, weet gy niet, dat wel wachten wel lieven doet?
FERDINAND.
Ja, dat weet ik wel, maar, die wel lieft kan niet wachten,
(500) Dewyl hy steeds geprikkelt word door zyn verliefde gedachten.
Philippyn, Philippyn, de liefde is voor zyn voldoening niet gestilt.
PHILIPPYN.
Heb toch een weinig geduld, want ’t varken is op een oor na gevilt.
FERDINAND.
Nu, ’k laat dan alles op u staan, want ik hou je voor een van myn beste vrinden.
PHILIPPYN.
Als ik iets zeg, kom ik het na. En je zult me nooit op loogens bevinden.
(505) Nu mag ik eens aan ’t huis gaan kloppen van onze Sinjeur.
Maar, dat is onnoodig, want hy komt daar zelfs voor de deur.



[fol. C6v, p. 44]

ACHTSTE TOONEEL.

PHILIPPYN, JEROEN.

PHILIPPYN.
SInjeur Jeronimus, waar heen? bodenbrood, wat heb ik de stad doorgeloopen.
Het zweet is my als uit een gieter langs het lyf gedroopen.
Ik zou zo naer je toe gaan.
JEROEN.
                                Hebje de dieven gevonden?
PHILIPPYN.
                                                            Neen, noch niet, maar, ik hebze op ’t spoor;
(510) En het staat by provisie in de kourant.
JEROEN.
                                                    Zo zyn de dieven evenwel met de Juweelen door?
PHILIPPYN.
Ook niet, want zy zyn noch in de stad, en binnen ’t uur zal ik weeten
Waar zy zyn. De zaak legt in ’t ciment. Maar, ik had daar schier vergeeten
U een behoorlyke reekening te doen van uw geld;
Want, dat is al op.
JEROEN.
                Hoe kan dat zyn?
PHILIPPYN.
                            Ik heb voor eerst aan de Kourantier zestien schellingen toegetelt,
(515) Om het tweemaal in de kourant te zetten; want het kon anders niet lukken,
Om dat hy zei dat het te groot van materie was, om het voor minder prys te
            drukken.
Item twee goede schellingen aan een kruijer, die by de Juweliers en Zilversmits
            heeft gezocht,
Of ’er ook eenige Juweelen waaren te koop gebrogt.
Item twee malle zesjes voor borreltjes aan dito kruijer. Nu, laat ik de tabak daar
            onder loopen,
[fol. C7r, p. 45]
(520) Die hy, om dat de tyd hem niet verdrieten zou, voor uw reekening onderweeg
            heeft weezen koopen.
JEROEN.
Hoe! elf stuivers aan brandewyn? dat kan rykelyk toe voor een man.
PHILIPPYN.
ô Sinjeur, jy weet het vierdepart niet, wat een kruijer laaden kan.
Item twee malle schellingen aan de waagenaars knecht, die aan alle poorten heeft
            moeten vraagen,
Of ’er ook dieven gepasseert waaren, in de schuiten of op een waagen.
JEROEN.
(525) Maar, hoe kan men weeten of het dieven of eerlyke luiden zyn, die juist gaan
            uit de stad?
PHILIPPYN.
Hy heeft ’er evenwel naer gevraagt, en de moeite moet beloont zyn, dat je ’t vat.
Maar, ik heb noch niet gedaan, want hier komt een van de zwaarste posten.
Sinjeur Vettelafoesje, ik had nooit gedacht, dat het op zoeken naer gaauwdieven
            zo veel zou kosten.
Item vier caroli guldens aan een kaerel, die daar woond in de onbekende steeg,
(530) Die aan dat soort van geesten kennis heeft, daar meê is de beurs leeg.
JEROEN.
Maar, wat zal die kaerel doen?
PHILIPPYN.
                                                Die kaerel weet waar zy zyn gebleeven,
En hy zal ze my binnen ’t uur leveren, daar wil ik je wel een briefje van myn hand
            van geeven.
JEROEN.
Ik moet bekennen, dat gy een net boekhouder zyt, die zyn reekening wel sluit.
PHILIPPYN.
Dat versta ik grondig. Ik doe al tyd myn reekening tot op een duit.
[fol. C7v, p. 46]
(535) Ik zou je niet een schraapsel van een naagel te kort doen willen,
Heb dat vermoeden niet, ik lietme liever leevendig villen.
JEROEN.
Wie zeid daar tegen. Maar ik leef onderwylen tusschen vrees en hoop;
En wie weet of ik de Juweelen ooit weêr zie.
PHILIPPYN.
                                                                    Ho! Sinjeur, ik geef zo ligt geen koop.
Durfje ’er een staapeltje ducatonnen onder verwedden? ik wil ze daar wel aan
            waagen.
JEROEN.
(540) Daar ben ik meede te vreeden. Maar je moest je die koop naderhand niet
            beklaagen.
PHILIPPYN.
Gantsch niet, wy zyn accoord. Ik zal binnen een uur bescheid hebben, en dan kom
            ik aan.
JEROEN.
Wel aan, ik zal dat uur afwachten, en zo lang gerust naer binnen gaan.



NEGENDE TOONEEL.

PHILIPPYN, alleen.

IK lach me slap; dat heb ik wonder wel verzonnen.
Daar heb ik zo mooitjes op myn gemak noch tien ducatonnen aan geld gewonnen.
(545) Dat ik daar dagwerk van had, ik wierd in een oogenblik ryk.
Maar, het is onnoodig, dat ik hier zo alleen sta en kyk.
Ik mag naer huis gaan en oppassen tot my Antonet komt spreeken,
Die hedendaags door de waereld wil koomen, moet zich behelpen met listen en
            streeken.
Hy wil naer binnen gaan.



[fol. C8r, p. 47]

TIENDE TOONEEL.

ANTONET, PHILIPPYN.

ANTONET.
ZIe ik daar onze Philippyn niet? o Ja. Philippyn, Philippyn, waar heen? blyf wat
            staan.
PHILIPPYN.
(550) Wel, zuikermurf, ik meende zo rechtdraads naer de caveet toe te gaan.
ANTONET.
’t Is goed, dat ik je vind. Je moet je binnen een half uur met jou doctor klaar
            maaken;
Want ik word ’er zo weer omgestuurt.
PHILIPPYN.
Alreê man. Ik ben altyd vigilant in myn zaaken.
Wy zullen je zonder twyffel bykoomen. Maar, hoe krygt Ferdinand de weet?
ANTONET.
Ik zal hem waarschouwen, dat hy zich meede moet maaken gereet.
PHILIPPYN.
(555) Maar van onze zeven zaaken eens gesprooken, ik verlang het hart uit myn
            darmen,
Dat ik eens myn voetjes by je zal moogen verwarmen.
ANTONET.
Dat zal tyds genoeg koomen, als we eens zyn getrouwt.
PHILIPPYN.
Dat is waarheid, myn poeteljasje, als jy jou woord maar houd.
ANTONET.
Waar vreesje voor, word je simpel?
PHILIPPYN.
                                                        Ik vrees, myn bakkesje voor alle dingen.
(560) De meisjes zyn, als de exters, zy hippelen van tak op tak. De waereld is vol
            veranderingen;
Want om een haverstroo zynze aastonds op haar paartje en te lydig verstoort.
[fol. C8v, p. 48]
Hoewel ik van jou kwaadaardigheid myn leeven niet heb gehoord.
ANTONET.
Doenze zeeper? jy hebtje altoos over myn gedrag niet te beklaagen.
PHILIPPYN.
Dat beken ik; en dat is ook de reeden, waarom gy my boven alle kunt behaagen.
(565) Ik heb ook voorgenoomen om je een fraaije goude haarnaald groote keur
            te geeven, Antonet,
Voor die tien ducatonnen, daar ik met jou Sinjeur heb om gewet,
Dat ik hem den dief met de Juweelen in een uur zal beschikken.
ANTONET.
Dat zult gy verliezen.
PHILIPPYN.
                                Praatjes voor de vaak. Ik lach myn buik schier aan stikken.
Want, ik win de weddenschap, die ik anders niet zou hebben aangegaan.
ANTONET.
(570) Kenje de dieven dan?
PHILIPPYN.
                            Kennen of niet. Ik meen dat je flus vreemd zult te kyken staan.
Als ik den dief met de Juweelen met al zal leeveren in zyn handen.
ANTONET.
Daar sla geluk toe.
PHILIPPYN.
                            O ja. Zy zullen aan die karstengen haar pooten niet branden.
Zo ik je den dief noemde, je zoud een gat in den heemel slaan.
ANTONET.
Wie is ’t dan?
[fol. D1r, p. 49]
PHILIPPYN.
                      Ik zou het u wel zeggen; maar, ik heb ’er om de aardigheid een
            eed op gedaan.
ANTONET.
(575) Maar, zeg my eens, als wy getrouwd waaren, wat zouden wy beginnen?
PHILIPPYN.
Ik zouw aanstonds een gaarkeuken op zetten, en daar valt vry wat meê te winnen,
Als men wat klanten heeft, ten minsten heeft men daar van altoos een warme haard,
En de Hospes en Hospita een goed lyf en een smeerige baard.
ANTONET.
Nu, dat is wel overlegt, en ik zal my daar gemaklyk naer weeten te voegen.
PHILIPPYN.
(580) Ik hoop, Antonetje, dat ik je in alles zal weeten te believen en te vergenoegen.
ANTONET.
Vaar wel, Philippyntje Ik zal noch een boodschapje doen, en dan naer Heer
            Ferdinand toe gaan.
PHILIPPYN.
Vaar wel, met dezen kusch. En ik zal ’t meê wat kort maaken, zei Ryntje, en hy
            zat te kieskauwen aan een ouden haan.

Einde van het tweede Bedryf.


Continue
[
fol. D1v, p. 50]

DERDE BEDRYF.

EERSTE TOONEEL.

Het Tooneel verbeeld een Kaamer in ’t Huis van Jeroen.
DIBBERIG, ANTONET met Stoelen uit.

DIBBERIG.
WAt heeft men een gebril met die half blanks Juffertjes van meisjes, men
            diende niet anders te bedryven,
Als een dommelyken dag, op die sleeplendens te knorren en te kyven.
(585) Wakker, wakker, maak dat de kaamer gereet is, en de stoelen gezet.
ANTONET.
Ik ben ’er meede bezig, Juffrouw.
DIBBERIG.
                                                    Wat ben je ook een handelooze tet!
Altyd dat sammelen; repje toch, ’t moet een mensch verdrieten,
Als de meisjes zo lui zyn, en ’t werk haar niet van de hand wil schieten.
ANTONET.
Ik loop dat ik zweet. En, by gorteling, noch niet te konnen voldoen,
(590) Dat valt wel ongemaklyk.
DIBBERIG.
                                                  Beschouw me dit vuil fatzoen.
Zult gy weerom spreeken, daar ik je kost en loon moet geeven?
Jou rechte kakkenest.
ANTONET.
                                  Dat is een geweld. Dat is weer een leeven.
DIBBERIG.
Jou moddeke vuilneus, doe je werk en houdje bakkes toe.



[fol. D2r, p. 51]

TWEEDE TOONEEL.

JEROEN, DIBBERIG, ANTONET.

JEROEN.
WAt is hier weêr te doen? zwyg stil, Antonet, ik ben dat hassebassen al moe.
(595) Ik versta niet, dat de meisjes over myn vrouw den baas zullen speelen.
ANTONET.
Sinjeur, ik speel den baas niet.
JEROEN.
                                                Kom, kom, dat talmen zou my verveelen.
Doe myn vrouws zin, en daar meê op en weg, en gedaan,
Of anders moetje de deur uit, als ’t je zo niet langer aan wil staan.
Maar, wat zeid den doctor?
ANTONET.
                        Hy heeft belooft van binnen een kwartier hier te zullen weezen.
JEROEN.
(600) Dat’s goed. Waar is myn dochter?
ANTONET.
                                          Boven op haar kaamer.
DIBBERIG.
                                                                    Och! wat is myn hert vol vreezen.
Myn lieve kind, wat heb je in korten tyd al uitgestaan,
Myn zieke schaap, hoe zal ’t noch in ’t eind met jou vergaan?
Roepze beneden. Maar, schik dat kussen eerst ter deegen,
En alsze van boven komt, zo houd haar op de trappen wel teegen,
(605) Op dat zy toch niet valt.
ANTONET.
                                                Ik zal maaken, dat ’er wel op word gepast.
DIBBERIG.
En, als zy beneden komt, zo houd haar hoofd wat vast.
[fol. D2v, p. 52]
ANTONET.
’t Zal geschieden. ,, Dat jy wist, ’t geen ik weet, je zoud zo veel noodelooze
            zorgen niet draagen.



DERDE TOONEEL.

JEROEN, DIBBERIG.

JEROEN.
MYn lieve Dibberig, hoe zit je daar als een pannekoek ter neer geslagen.
Wat, wat, schep moed. ’t Zal noch wel ten besten koomen. Ik leef noch op hoop.
DIBBERIG.
(610) Mogt dat wat helpen, ik volgde uw raad: want, men heeft het hoopen goed
            koop.
Maar, wat heeft men van een ydele hoop zonder genot te verwachten?
Zo veel als van een hand vol vliegen.
JEROEN.
                                                            Verban die zwaarmoedige gedachten.
Daar komt onze Hillegondje, och! wat is zy bleekjes en zwak.



VIERDE TOONEEL.

Hillegond zieklyk uit, met een nachtrok aan, en een nachthulzel op ’t hoofd, door Antonet geleid, die haar met de eene hand ’t hoofd vast houd, en met de andere hand een flesje met cordiaal en een urinaal draagt.

JEROEN, DIBBERIG, HILLEGOND, ANTONET.

DIBBERIG.
KOm hier, myn lieve lam, laat ik je helpen.
JEROEN.
                                                                    Al met gemak, al met gemak.
[fol. D3r, p. 53]
DIBBERIG.
(615) Zet haar zachjes neer, en haal een kussen, om achter ’t hoofd te
            leggen.
Antonet haald een kussen.
HILLEGOND, met een flaauwe stem.
Dat behoeft niet.
JEROEN.
                            Nu, nu, myn kind, laatje al gezeggen.
Jou moeder doet het om beste wil. Je ziet ’er puur uit, als de geschilderde dood.
HILLEGOND.
Ik word zo kwaalyk.
DIBBERIG.
                                Antonet, leg haar deze neusdoek op haar schoot.
Zo, zo myn kind.
JEROEN.
                            Wel, waar of dien doctor zo lang mag blyven?
ANTONET.
(620) Hy zal straks koomen. Hy moest noch een recept drie vier uitschryven,
En dan had hy gedaan. Maar, daar word aan de deur gebelt.
JEROEN.
Dat is goed. Repje, en doe open.



VYFDE TOONEEL.

HILLEGOND, DIBBERIG, JEROEN.

HILLEGOND.
                                                    OCh! ik word zo ontstelt.
DIBBERIG.
Neem een weinigje van het cordiaal. Zo myn schaap, dat zalje versterken.
HILLEGOND.
He! he! wat ben ik benaauwt.
[fol. D3v, p. 54]
DIBBERIG.
                        Wacht, wacht, het drankje zal wel haast beginnen te werken.
ANTONET, uit.
(625) Daar is Mevrouw van Adelbaart, met haar zoon, en die vraagen belet.
DIBBERIG.
Laat ze binnen koomen.
Antonet binnen.
HILLEGOND.
                                        Och! breng my liever weer naer bed.
JEROEN.
Wat zou dat beduiden? want, je moet den docter eerst eens hooren spreeken.
HILLEGOND.
Ik word zo flaauw.
DIBBERIG.
                              Wat steek jy, arme sloof, ook vol ziekten en gebreeken.



ZESDE TOONEEL.

LEONORA, FERDINAND, JEROEN, DIBBERIG,
HILLEGOND, ANTONET.

LEONORA.
MEjuffrouw, ik hoop niet, dat ons bezoek u eenig belet geeven zal.
DIBBERIG.
(630) In ’t minste niet, Mevrouw, neem uw plaats.
LEONORA.
                                                            Mejuffrouw, uw dochter, hoe vaartze al?
JEROEN.
Heer Ferdinand, ga zitten.
Ferdinand voegd zich naast Hillegond.
DIBBERIG.
                                          Ja, hoe zou dat zieke schaap al vaaren?
[fol. D4r, p. 55]
Daar zit zy, of ze verweezen was. Wy weeten ’t niet langer zo met haar te klaaren.
Daarom hebben wy om een doctor gezonden, die alle oogenblik word verwacht.
LEONORA.
Hoe gaat het, Juffrouw Hillegond?
HILLEGOND.
                                        Slapjes, Mevrouw.
FERDINAND.
                                                            ,, Courage.
JEROEN.
                                                                        Ei zie, ’t is of onze Hillegond lacht.
HILLEGOND.
(635) Och! vader, waarom zoud ik lachchen, daar ik tot de ooren zit in verdrieten?
DIBBERIG.
Jou vader word oud, myn kind, hy ziet niet wel; hoe begin je zo te zwieten?
Laat ik je wat afveegen.
LEONORA.
                                      Maar, Mejuffrouw, is jou dochter lang ziek geweest?
DIBBERIG.
Goelykjes drie maanden, Mevrouw; en zedert die tyd is zy zo melankolyk van
            geest,
En zo spits van neus geworden, ’t is ofze betoovert waar, want ik weet niet wat ik
            ’er van zal denken.
(640) Zo die ziekte noch langer duurt, zal ’t my de zinnen krenken.
JEROEN.
Daar wort gebelt, hoor je niet, Antonet?
ANTONET.
                                                                Ik gaa immers, Sinjeur.
Binnen.
JEROEN.
Wie of daar weezen mag?
ANTONET, weer uit.
                                          Heer Eelhart is daar aan de deur.
[fol. D4v, p. 56]
En vraagt, of hy Sinjeur wel een woordje kan spreeken.
Antonet binnen.
JEROEN.
Laat hem binnen koomen. Maar, waar of dien doctor zo lang in een gat mag steeken?



ZEVENDE TOONEEL.

EELHART, JEROEN, DIBBERIG, LEONORA,
FERDINAND, HILLEGOND, ANTONET.

EELHART.
(645) IK had niet gedacht, hier een zo zoet gezelschap by een te vinden.
JEROEN.
                                                                                                          Gelyk je ziet,
Heer Eelhart, maar, wat is ’er van uw dienst?
EELHART.
                                                                        Ik kwam eens hooren, of je niet
Eenige nader tyding van de dieven had vernoomen.
JEROEN.
Ik verwacht Philippyn alle oogenblik; want hy heeft my belooft hier te zullen koomen,
En my den dief in handen te leeveren. Ook heeft hy daar op met my gewed,
(650) Om een staapeltje ducatonnen, en die heb ik daar onder verzet.
Daar hoor ik de bel overgaan. Gewis zal hy of den doctor daar weezen.
Antonet in en uit.



ACHTSTE TOONEEL.
PHILIPPYN, JEROEN, DIBBERIG, LEONORA,
FERDINAND, EELHART, HILLEGOND,

ANTONET.
JEROEN.
HY is ’t: wel wat nieuws?
[fol. D5r, p. 57]
PHILIPPYN.
                                        Kermisbout. Uw actie is wel vyftig percento gereezen.
JEROEN.
Hoe dat?
EELHART.
            Spreek op, Philippyn.
PHILIPPYN.
                                        De Juweelen zyn in behouden haaven, en ik had ze al meê gebracht,
By aldien ’er geen Maar aan vast was, die ik myn leeven niet had gedacht.
(655) Foei, dat spytme.
JEROEN.
                                      Wat is ’er gaans? die Maar denk ik wel te boven te koomen.
PHILIPPYN.
Wie heeft zyn leeven gehoort, dat een dief van een notariaal contract weet te droomen
En de Juweelen noch ’t geld niet weer wil geeven, voor dat je hem voor de Notaris quiteert,
En aldaar met hem, onder renunciatie van eenige reserve ten zynen lasten volkoomentlyk
            liquideert.
Wyders, dewyl hy op zyn trouwen staat, zulje moeten daar in laaten zetten,
(660) Dat je hem in dat point, direct of indirect niet zult hinderen of beletten,
Onder wat pretext het ook zy, en dit moet gy en uw vrouw onderteekenen met uw hand,
Benevens Heer Eelhart; ondertusschen zullen de Heer Ferdinand
En Antonet, als getuigen in deze daar toe verzocht, dit contract meede onderschryven.
JEROEN.
Watte grillen! ik geloof dat die guit met ons zyn tyd zo wat zoekt te verdryven.
[fol. D5v, p. 58]
PHILIPPYN.
(665) Dat weet ik niet. Maar, dit weet ik wel, dat het zonder dat niet zal geschiên.
JEROEN.
Wel hoe? daar is goed recht in de stad. En dat zult gy wel anders zien.
EELHART.
Nu, Sinjeur Vettelafoesje, dat is een kleinigheid; voor myn part, ik ben te vreeden.
JEROEN.
Een dief zal hier wetten stellen? wel de droes! dat is buiten alle reeden.
PHILIPPYN.
Je hebt het in jou keur. Voor my ik heb myn boodschap gedaan.
EELHART.
(670) Kom, kom, buurman, laat slegts een Notaris haalen. hoe moogje daar zo op staan?
JEROEN.
De waereld zal met ons spotten, dat men eerst zyn goed laat steelen,
En dan met den dief een Notariaal contract maakt, en hem den baas laat speelen.
PHILIPPYN.
Maar, zou de waereld niet wel spotten, als je om zo een wisje wasje zo veel Juweelen
            en geld teffens stelde in gevaar?
JEROEN.
Wel aan dan. Als ’t weezen moet, fiat. Antonet, haal me aanstonds den Notaris Rabbelaar.
ANTONET.
(675) ’t Is wel. Sinjeur.



[fol. D6r, p. 59]

NEGENDE TOONEEL.

JEROEN, DIBBERIG, LEONORA, FERDINAND,
EELHART, HILLEGOND, PHILIPPYN.

DIBBERIG, tegens Leonora.
                                          WAt dunkt u, Mevrouw, van zulke zaaken?
LEONORA.
Ik vindze zeer vreemd.
FERDINAND.
                                  Als al de dieven zo gelukkig waaren, haddenze zo ligt geen nood
            van aan de galg te raaken.
HILLEGOND.
Daar valt de neusdoek, en ik kan niet bukken. Och! wat raad?
FERDINAND raaptze weer op, en zegt zagjes.
,, Myn engel, weetje niet, dat uw dienaar hier vaardig staat.
,, Wy zyn hier gekoomen, om ’t huuwlyk te verzoeken; maar wy zullen eerst den doctor
            afwachten
,, (680) En dan doen, ’t geen ’t raadzaamst is.
HILLEGOND.
                                  ,, Wanneer zie ik eens een eind van myn droevige gedachten?
FERDINAND.
,, In ’t kort.
DIBBERIG.
            Wat doeje, Heer Ferdinand, raap jy de neusdoek op? dat is immers geen slag.
FERDINAND.
Mejuffrouw, ’t is my het grootste plaizier, dat ik de zieken dienen mag.
JEROEN.
Daar zie ik Antonet met de Notaris Rabbelaar binnen treeden.



[fol. D6v, p. 60]

TIENDE TOONEEL.

JEROEN, DIBBERIG, LEONORA, FERDINAND,
EELHART, HILLEGOND, PHILIPPYN,
ANTONET, RABBELAAR.

RABBELAAR.
WAs ’er wat te schryven, is ’er iets te doen, dat je my komt stooren in myn bezigheid?
JEROEN.
(685) Je zoud een contractie maaken.
RABBELAAR.
                                                            Als ’t u belieft, kom maar tot de zaak.
JEROEN.
Daar zyn my eenige Juweelen, en wat geld ontstoolen, en die koddige snaak,
Die voor den dief passeert, weigert my dezelve weeder te geeven,
Ten zy ik hem voor een eerlyk man houd.
RABBELAAR.
                                        Is dat alles, wat in ’t contract moet zyn geschreeven?
JEROEN.
ô Neen! heb maar een weinig geduld; want, ik heb noch niet gedaan.
(690) En alzo hy op zyn trouwen staat, moet daar voor alles in staan,
Dat ik hem direct of indirect daar in niet mag beletten,
En dat hy met die perzoon trouwen kan, daar hy zyn zinnen op heeft gaan zetten.
RABBELAAR.
Is ’t anders niet? kom, kom, daar weet ik raad toe. Pen en inkt en papier.
JEROEN.
Antonet, haal het van ’t comptoir.
ANTONET.
                                                ’t Staat ’er al.
[fol. D7r, p. 61]
JEROEN.
                                                              Doet het? ei, Heer Rabbelaar, voeg u hier
(695) Aan deze taafel, daar zult gy ’t gemaklykst schryven.
Rabbelaar schryft.
Wel waar of dien doctor zo lang mag blyven?
HILLEGOND.
Antonet, houd myn hoofd wat vast.
ANTONET.
                                      Strakjes, Juffrouw, daar word weêr gebelt.
Binnen.
JEROEN.
                                                                        Repje, repje, daar zal de doctor zyn.



ELFDE TOONEEL.

JEROEN, DIBBERIG, LEONORA, FERDINAND,
EELHART, HILLEGOND, PHILIPPYN,

RABBELAAR.
DIBBERIG.
IK hoop van ja.
LEONORA.
                            Ik ook, Juffrouw.
HILLEGOND.
                                                        Oei, oei, wat lyd ik al pyn!
RABBELAAR.
Maar, met verlof, myn Heer, uw naam?
EELHART.
                                                      Myn naam is Eelhart Stierenkroon van Hongarijen.
RABBELAAR.
(700) Dat is een wyd vermaard geslacht, my Notaris bekent, dat heugt van ouwe tijen.
EELHART.
Zo doet het, myn vriend.
RABBELAAR, al schryvende.
                    En de uwe?
JEROEN.
                                  Jeronimus Vettelafoesje.
[fol. D7v, p. 62]
RABBELAAR, al schryvende.
                                              En die van uw vrouw?
DIBBERIG.
                                                                Dibberig Jaspersen van de Braazemer Meer.
RABBELAAR, al schryvende.
Nu die van den gaaudief?
PHILIPPYN.
                                        Daar sta ik voor, myn Heer.
RABBELAAR.
Heb je dan behoorlyke procuratie om zyn plaats te bekleeden?
PHILIPPYN.
Procuratie, of niet. Sinjeur Jeronimus is met my wel te vreeden.
JEROEN.
(705) Ja, ja, teeken hem maar voor den gaauwdief aan. Die man is goed voor zyn geld.
PHILIPPYN.
Maak jy slegts, dat het contract in amplissima forma word gestelt.
Rabbelaar schryft gezwint voort.
Maar, laat in het contract influeeren, dat ik zeeker weddenschap met Sinjeur Vettelafoesje
            om tien ducatonnen,
Als ik den dief en Juweelen te bord breng, deugdelyk zal hebben gewonnen.
JEROEN.
Daar ben ik dubbeld wel meê te vreeden, want dat is niet meer als billyk en recht.
RABBELAAR, al schryvende.
(710) ’t Is wel, ’t is wel.
PHILIPPYN.
                        Ik hou ’er veel van, dat men alles naer komt ’t geen men belooft en zegt.



[fol. D8r, p. 63]

TWAALFDE TOONEEL.

JEROEN, DIBBERIG, LEONORA, FERDINAND, EELHART, HILLEGOND, PHILIPPYN, CHRISTIAAN als een Doctor, Antonet, RABBELAAR schryvende.

JEROEN.
MAak plaats, maak plaats; zet myn Heer den Doctoor een stoel.
CHRISTIAAN.
Primo, salvete amplissimi, spectatissimi & Reverendissimi domini.
JEROEN.
Ik bid, wil toch zo veel complimenten den hals niet breeken.
Want ik verklaar je inderdaad, dat ik geen een woord van issimi versta of kan spreeken.
CHRISTIAAN.
Het is zo myn gewoonte. Nu zal ik de vrouwen en ’t gezelschap aanspreeken, en dan heb
            ik gedaan.
Secundo, salvete honorandissimae antiquissimae matronae. Nobilissima & amabilissima
            aegrota hillegonda, denique salve illustrissima familia & vos omnes hic adstantes
            presentes & futuri. Dixi. Nu zal ik zitten gaan,
(715) En tot de zaak koomen. Hoe lang is ’t wel geleeden,
Dat deze zoete patient voor de eerstemaal de ziekte gevoelt heeft?
DIBBERIG.
                                                                      Ruim drie maanden.
CHRISTIAAN.
                                                                                      Ei lieve! zo zullen wy ordentlyk
            gradatim van point tot point overtreeden.
Maar, kwam haar de ziekte op ’t lyf, by den morgen, middag, avond, of by de nacht?
[fol. D8v, p. 64]
HILLEGOND.
By de nacht.
CHRISTIAAN.
                    Ei lieve! die ziektens vereischen speculatie, want zy spruiten uit een
            kwaadaardig geslacht.
Maar, zoete dochter, is je die ziekte met kouw of hitte eerst aangekoomen?
HILLEGOND.
(720) Met hitte, Heer Doctoor.
CHRISTIAAN.
                                                Ei lieve! voor dat soort heeft men ’t meest te schroomen.
Maar, hoe staat het met de maag? is ’er noch wel wat trek, of eenige apetyd?
DIBBERIG.
Och! dat arme schaap, roept niet anders, als drinken, drinken; het is al haar lust tot
            eeten kwyt.
CHRISTIAAN.
Ei lieve! dat wil ordinaris wel volgen. Maar, laat ik je tong eens kyken.
Hillegond steekt haar tong uit.
Ei lieve! men zouw ’er de taaije slym wel met heele polleepels vol afstryken.
(725) Laat ik uw pols eens voelen. Ei lieve! die slaat vry wat ongestaadig en slap.
Men moet couracy hebben; of anders raakte gy ligt met een snap
In de pan.
HILLEGOND.
                Och! Heer Doctoor, wat couracy zal ik scheppen, daar voor my niets meer staat
            te hoopen?
CHRISTIAAN.
Ei lieve! melancholia, melancholia! als je zo aanwilt, zulje ’t met de dood moeten bekoopen.
JEROEN.
Och! ik sterf van droefheid.
[fol. E1r, p. 65]
DIBBERIG.
                                            Is ’er dan in de gansche Apotheek niet een oog vol raad?
CHRISTIAAN.
(730) Ei lieve! piano, piano. Ik moet eerst grondig examineeren, waar de Causa movens
            van deze kwaal in bestaat.
Voelje ook eenige obstructie of bezetheid hier of daar in de leden,
Of eenige loomigheid in ’t lyf van boven of beneden?
DIBBERIG.
Zouw zy geen bezetheid voelen, ’t is niet anders als of ze vergeeven waar.
CHRISTIAAN.
Ei lieve! dat maken die teekens aan haar lichaam en de trekken in haar weezen genoegzaam
            openbaar.
(735) Hydropisia! hydropisia! mag ik haar urinaal wel eens bekyken?
ANTONET.
Daar is ’t, myn Heer.
CHRISTIAAN.
                                  Ei lieve! die urien wil in ’t minste noch niet stryken.
Malum omen. En ze is brandig en drabbig als oud geroert bier.
Ik zal ze meê neemen, en kooken ze eens, met myn ingrediënten, op, voor myn plaizier.
Maar, eer ik zo ver kom, zal ik by my zelve eens overweegen,
(740) Wat my te doen staat; want ik vind my in deze materie vry wat verleegen.
Christiaan reevelt in zich zelve, en maakt eenige beweeginge met het hoofd en de handen, en ziet dan de patient eens aan en slaat dan weer de oogen voor zich neer.
RABBELAAR.
Myn heeren, het contract is geschreeven. Beliefje het te onderteekenen, zo heb je gedaan?
[fol. E1v, p. 66]
Heer Eelhart Stierenkroon, uw naam moet daar de eerste onder staan.
EELHART.
’t Is wel, myn Heer.
HILLEGOND.
Ik word zo flaauw.
CHRISTIAAN.
Ei lieve! wil ik je een weinigje van ’t cordiaal geeven te drinken?
FERDINAND.
Ik bid, myn Heer, dat is myn plicht.
HILLEGOND.
Dat is onnoodig.
CHRISTIAAN.
Ei lieve! jy moest den moed zo ligt niet by de hielen neer laaten zinken.
RABBELAAR.
(745) Nu gy, Sinjeur Vettelafoesje, en dan uw Vrouw. Maar wie zullen hier als getuigen zyn?
PHILIPPYN.
Heer Ferdinand en Antonet.
RABBELAAR.
Myn Heer, nu is ’t uw beurt.
HILLEGOND.
ô Eindelooze tyd! ô lydelooze pyn!
CHRISTIAAN.
Ei lieve! patientie, patientie, de ziektens willen wel wat na pruilen.
En ik mag wel lijen, dat zy eerst zo wat haar tuil uit tuilen.
RABBELAAR.
Nu, meisje, nu gy.
ANTONET.
Wat moet ik schryven?
RABBELAAR.
Simpelyk uw naam, en anders niet.
ANTONET.
(750) Daar staat ze al.
[fol. E2r, p. 67]
PHILIPPYN.
Nu hier alles in behoorlyke forma is geschiet,
Zal ik de dieven met de Juweelen en ’t geld aanstonds gaan haalen.
Heer Notaris, geef het contract niet uit uw handen. Myn meester, of ik zullen u stante pede daar voor betaalen.
RABBELAAR.
Ik zal zo doen, en verwachten u met uw meester ten mynen huize weêrom.
Vaar wel, ik ga.
PHILIPPYN.
,, Wat zal dat een blyde tyding zyn voor de Bruid en den Bruidegom.



DERTIENDE TOONEEL.

JEROEN, DIBBERIG, HILLEGOND, LEONORA,
FERDINAND, EELHART, CHRISTIAAN,

ANTONET.
Eelhart voegt zich weer by Leonoora, Ferdinand by Hillegond, Rabbelaar aan taafel.
CHRISTIAAN.
(755) MAar, zeg my eens, zoete Juffertje, zou je wel genegen zyn om te medicineeren,
’t Zy met een bolusje, een pilletje of twee, een poejertje, of een klein klisteertje om zagjes te purgeeren?
HILLEGOND.
Ik kan niet wel inneemen.
CHRISTIAAN.
Ei lieve! dat komt ongemaklyk. Laat eens zien,
Terwyl het niet interne, of ’t niet wel externe zal kunnen geschiên.
JEROEN.
Maar, myn Heer, wat scheelt myn kind?
[fol. E2v, p. 68]
CHRISTIAAN.
Het scheelt haar tusschen ’t pericranium en de planta pedis, zonder liegen.
(760) Terwyl de propageerende humores altemaal naer het centrum van haar lichchaam vliegen,
En daar per opstructionen een soort van een koek maaken, die haar onverdraaglyk incommodeert.
Jou dochter, myn Heer, heeft zekere venineuse vapores geincorporeert,
Dat is zonneklaar. Ik wil daar myn doctoraale hals wel onder verzetten.
JEROEN.
Maar, myn Heer, dat is te veel gewaagt.
Christiaan staat toornig van zyn stoel op.
Ei lieve! neen, neen, myn Heer, dat zult gy me niet beletten.
(765) Ik zet daar myn hals onder; want, ik zie aan al de trekken van haar gelaat,
Dat die soort van hydropisia te eenemaal naer het middelryk van haar delicaate compositie slaat.
JEROEN.
Maar, zeg my eens, wat de rechte oorzaak van haar ziekte mag weezen?
CHRISTIAAN.
De oorzaak van haar ziekte? ei lieve! wat ben je onverstandig! die is gereezen
Uit de investiture van een zeeker soort van een venyn,
(770) Dat zy na zonnen ondergang heeft ingezoogen; en dat kan niet anders zyn.
Nu dan eer dit venyn den tyd termineert van haar gewoonlyk opereeren,
Lyd het ettelyke maanden. Maar, wat zal ik een idioot leeren?
Vraag het haar zelfs; want, ik zweerje by dit en by dat,
Dat ik niet liegen kan, noch wil, als ik de zaak zo wel als deze bevat.
(775) Jou dochter, myn Heer, jou dochter, daar voor staat te vreezen,
[fol. E3r, p. 69]
Dat zy noch barsten zal, zo men daar by tyds niet voor maakt te weezen,
Voor my ik wasch ’er myn handen af.
JEROEN.
Och! myn Heer Doctoor, waarom wordje kwaad?
Mag men niet vraagen?
DIBBERIG.
Wel ik word noch desperaat.
Myn lieve Heer Doctor, dat je ’t wist, ik ben tot de dood toe verleegen:
(780) Laat je gezeggen.
CHRISTIAAN.
Talm dan niet meêr aan myn ooren, of spreek my niet meer tegen.
Want, ik heb uw dochters leeven of dood volkoomen in myn hand.
JEROEN.
Maar, myn Heer Doctoor, ik erken u voor de geleerdste van ’t geheele land.
Wat wil je meer?
CHRISTIAAN.
Dat ben ik ook, snappert. ’t Is genoeg. Maar, antwoord my, op myn vraagen.
Jou dochter is omtrent ziek geweest, laat zien zo circum circa neegentig dagen.
(785) Is ’t waarheid, of loogen? spreek op.
Jeroen en Dibberig gelyk.
                            Dat’s waar.
CHRISTIAAN.
En zy steekt vol melancoli?
Jeroen en Dibberig gelyk.
O ja.
CHRISTIAAN.
Zy lust geen eeten?
Jeroen en Dibberig.
Neen.
[fol. E3v, p. 70]
CHRISTIAAN.
En ze zal noch zo geel, als getaant zeildoek worden, naer ik zie.
Jeroen en Dibberig gelyk.
Och! Heer Doctoor!
CHRISTIAAN.
Nu, je zag ze graag van haar kwaalen geneezen?
He! wat zeg je?
Jeroen en Dibberig gelyk.
Gewis.
CHRISTIAAN.
Zult gy in alles myn raad volgen?
Jeroen en Dibberig gelyk.
Ja, myn Heer.
CHRISTIAAN.
                Wel aan, ik zal dan haar Doctor weezen.
Maar, draag zorg, dat ge my in ’t minst of meest niet meer
teegenspreekt,
(790) En myn raad ook stiptelyk naer komt; want, zo gy een van beide uw mond weêr in myn dingen steekt,
Of myn recepten niet respecteert, als of ik zelfs op de stoel zat, zo is jou dochter verlooren;
En ik geef haar aan de dood over. Wacht je daarom van my weederom te verstooren.
JEROEN.
Zie daar, ik beloof je, op myn vroom gemoed, alles naer te zullen koomen, wat ge my te vooren legt.
Al wist ik dat ik ’er zelfs de bek by inschieten zou. Mits dat je myn kind weeder brengt te recht.
DIBBERIG.
(795) En ik ook, Heer Doctoor.
CHRISTIAAN.
Wel nu, wyl je me dat belooft, zie daar ik neem ze aan te geneezen,
Of ik zal myn leeven geen Doctor blaaskaakelius meêr weezen.
Luister dan toe met neus en ooren, en let wel op myn reên.
[fol. E4r, p. 71]
Jy zult jou dochter aanstonds laaten trouwen.
JEROEN.
Maar, Heer Doctoor, waar wil dit heen?
Zo een zwak gestel! je verzintje.
CHRISTIAAN.
Wat is dit? stel je weêr de pypen?
(800) Ik zeg, dat zy trouwen moet en zal. Versta je me niet? of wil je me niet begrypen?
Trouwen, zeg ik, trouwen!
JEROEN.
Maar, myn Heer, zy is immers niet gezond.
CHRISTIAAN.
Spreekje daar een woord teegen, zo is uw dochter binnen driemaal vierentwintig uuren op een hond.
Jeroen en Dibberig.
Genaâ, myn Heer, genaâ.
CHRISTIAAN.
Daar is geen genaâ, je moest aanstonds resolveeren,
Of ik zal haar verlaaten, en dan is zy onmooglyk te cureeren.
HILLEGOND.
(805) Och! vader en moeder, resolveer toch wat ik u bidden mag;
Want ik kan ’t niet langer uitstaan, en ik verslimmer vast dag op dag.
JEROEN.
Wel, myn zieke sloof, je bent te zwak. Je kunt niet teegen ’t trouwen,
Want, ik zou vreezen, dat wy uw doodmaal en bruiloft te gelyk zouden houwen.
HILLEGOND.
De Doctor belooft immers, dat ik door ’t huuwelyk zal werden herstelt.
DIBBERIG.
(810) Onnoozel schaap, je weet niet, waar jy jou vader om aan de ooren lelt.
[fol. E4v, p. 72]
HILLEGOND.
’t Zy hoe ’t zy, ik kan zo als ik nu ben niet langer leeven.
En, als ik zal gesturven zyn, wat zal dat eerst een droefheid geeven!
’t Is of ik ’t al yoor myn oogen zie.
JEROEN.
Ja wel, Dibberig moer, wat raad?
CHRISTIAAN.
Ik heb ’t dikmaals genoeg gezeit; en je weet dat haar de dood voor oogen staat.
(815) Daarenboven is ’t onvergeeflyk, dat men zulk een lief schepzel zo moedwillens liet sterven,
Daar men ’t behouden kan.
JEROEN.
Maar, myn Heer, het trouwen zal myn kind in den grond bederven.
CHRISTIAAN.
Ei lieve! jou rechte moordenaar van uw eigen bloed.
JEROEN.
Och! myn Heer, ik sta toe al wat gy begeert. Maar, wie wil zo een zieke Bruid, die door zo veel kwaalen is overheert?
CHRISTIAAN.
Daar zult gy dien Heer toe verzoeken.
Wyst op Ferdinand.
DIBBERIG.
Toe verzoeken?
CHRISTIAAN.
(820) Als al myn practyk zo zou afloopen, zou ik het doctoraat wel vervloeken.
Niet te sammelen, want ik heb haast.
JEROEN.
Maar, myn Heer, welk een affront?
Ik hebze hem geweigert, toenze noch in staat was en gezond:
En nu hem daar toe te verzoeken? o lydelooze plaagen!
[fol. E5r, p. 73]
CHRISTIAAN.
Jou eervergeeten vader.
DIBBERIG.
Och! daar krygt myn kind weêr de oude vlaagen.
Hillegond valt in zwym.
(825) Vader Jeronimus, repje.
JEROEN.
Wel nu, moeder, ik maak my al gereet.
Heer Ferdinand, gy ziet hoe ’t hier geschaapen staat, heb toch deernis met myn leed,
En versmaad myn kind niet, met al haar gebreeken,
Wyl de Doctoor zegt, daar haar gezondheid in ’t bruidsbed zal steeken.
FERDINAND.
Myn Heer, ik reeken zulks voor een groote eer, als mevrouw myn moeder het verstaat.
LEONORA.
(830) Dat is billyk, myn zoon, dat men de approbatie van diergelyke zaaken aan zyn ouders overlaat.
DIBBERIG.
Nu, Mevrouw van Adelbaard, ik hoop niet, dat gy daar iets teegen zult zeggen.
Wy zullen, teegens uw adeldom, zo wat zakjes ducatonnen in de weegschaal leggen.
CHRISTIAAN.
Wel nu, wel nu, als je dat verschil met een simpele vyftig duizend guldens suppleert,
Zo zal Mevrouw van Adelbaard wel zyn gecontenteert.
DIBBERIG.
(835) Vyftig duizend guldens, waar zou men die van daan haalen?
CHRISTIAAN.
Zie daar leidze weer in zwym.*
Hillegond valt weêr in flaauwte, Ferdinand en Antonet ondersteunen haar.
JEROEN.
Bedaar, myn dochter, ik zal ze betaalen.
[fol. E5v, p. 74]
CHRISTIAAN.
Dat zou ik je ook raaden.
DIBBERIG.
Hoe gaat het, myn lieve kind?
HILLEGOND.
’t Is of ik my op deze laatste belofte vry wat beeter bevind.
CHRISTIAAN.
Dat wist ik wel, want myn recepten kunnen niet missen.
(840) Myn doctoraal verstand dringt door alle geheimenissen.
FERDINAND.
Myn waarde Bruid, dat ik u omhels en kusch.
HILLEGOND.
Myn lief, dat ik u omvat.
My dunkt alreede dat ik nooit gezonder uur op de waereld heb gehad.
FERDINAND.
haald een stuk goud uit zyn beurs.
Myn Heer, gelieft tot loon van uw considerable services dit present te accepteeren.
CHRISTIAAN.
Dat niet, myn Heer, dat niet.
FERDINAND.
Maar, myn Heer.
CHRISTIAAN.
Is ’t goud?
FERDINAND.
O ja.
CHRISTIAAN.
Ei lieve! dan zal ik ’t meê neemen, om daar aurum potabile van te disteleeren:
(845) Ik zal ’er u by geleegentheid wel een pint drie vier van vereeren; ’t is het schoonste secreet
Van de waereld.
FERDINAND.
Dat is onnoodig.
CHRISTIAAN.
’t Was anders tot uw dienst, ego sum adeptus en daar is niemant, als ik, die dat geheim weet.
[fol. E6r, p. 75]
DIBBERIG.
Dat is wel een schielyke verandering. Maar, Heer Doctoor, wist je nu een middel te beraamen,
Dat men uit dit huuwlyk, by tyd en wylen hoop had op eenige erfgenaamen,
Want, ik vrees, dat ’er niet veel afkoomen zal; al lykt zy zo wat herstelt.
CHRISTIAAN.
(850) Terwyl je zo raizonnabel myn raad gevolgt hebt, zo pretendeer ik maar twee Ryksdaalders aan geld,
Om ’t een en ’t ander te prepareeren, en onder een te mengen,
Waar meê ik effectueeren zal, dat jou dochter binnen ’t jaar een braave zoon ter waereld zal brengen.
DIBBERIG.
Och! was dat waar!
CHRISTIAAN.
Laat my begaan, zeg ik, en tel jy maar geld.
Ik heb de chimicaale kunst met al haar ap- en dependentien in myn geweld.
DIBBERIG.
haald eenig gelt uit haar tas.
(855) Daar zynze. Stuur my het drankje ten eersten; maar, hoe moetze ’t gebruiken?
CHRISTIAAN.
Zy moet daar alle uuren van den dag driemaal aan ruiken.
DIBBERIG.
Dat is een kleinigheid.
CHRISTIAAN.
Zo doet het, moedertje, myn medicamina rechten wonderen uit.
Nu, Heer Ferdinand, ik wensch u veel geluk met uw lieve geweeze zieke Bruid.
FERDINAND en HILLEGOND.
Wy zyn u dankbaar.



[fol. E6v, p. 76]

VEERTIENDE TOONEEL.

JEROEN, DIBBERIG, LEONORA, EELHART,
FERDINAND, HILLEGOND, FRANCOIS,
CONSTANTIA, CHRISTIAAN,
PHILIPPYN, ANTONET.

PHILIPPYN.
HIer ben ik al weer, met het geld, en het doosje met Juweelen.
JEROEN.
(860) Geefze hier. Maar, waar is de dief? die my dat zo knaphandig wist af te steelen?
Francois en Constantia uit.
PHILIPPYN.
Daar komt hy.
JEROEN.
Wat is dit? zyt gy daar, myn zoon? wel wat is dat gezeid?
Ik meende dat gy in den Haag waart, om te verneemen wanneer de zaak zou worden bepleit.
Zyt gy den gaauwdief? daar men op u een kerk zou hebben durven bouwen,
En alle schatten van de waereld toevertrouwen.
(865) Ik zweer, je zult naer ’t verbeeterhuis danssen, al was ’er geen zoon meer in ’t land.
FRANCOIS.
Och! vader, vergeef my dit misdryf. Ik had myn hart aan Constantia verpand.
EELHART.
Zyt gy daar, ontaarde dochter, jy zult naar ’t spinhuis springen,
En leeren daar, op ’t knorren van ’t spinnewiel, miserere zingen.
CONSTANTIA.
Ik beken, myn Heer en Vader, ’k heb groflyk misdaan.
[fol. E7r, p. 77]
EELHART.
(870) Daarom zul je loon naer werk erlangen, en naer ’t spinhuis gaan.
PHILIPPYN.
Dat schut ik. Ik hou my aan de belofte zo aanstonds notariaal beschreeven;
En op die conditie zyn de Juweelen weerom gegeeven.
JEROEN.
Die zyn in goede handen, en wel voorzichtig bewaart.
PHILIPPYN.
Maar, die zyn woord niet houd, is van alle deugd ontaart.
JEROEN.
(875) Wy lachchen wat met zulke beloften; want, dat is enkel bedriegen.
EELHART.
Ho! ho! wy zyn met die praatjes zo ligt niet in slaap te wiegen.
PHILIPPYN.
Maar, Messieurs, het contract is met uw vrije wil gemaakt en gepasseert,
En dat moet stand grypen; ook zal het aanstonds werden geminuteert,
Hier valt geen teegenspartelen.
JEROEN.
Ja maar, Philippyn, ik zal dat hagje zo ligt niet laaten glijen!
(880) Het is een boevestuk.
PHILIPPYN.
Tut, tut, ’t is simpele gaauwigheid.
EELHART.
Noem je dat gaauwigheid? ’t zyn snoode schelmerijen.
JEROEN.
Och! wat zal men hier in doen?
EELHART.
Wat raad?
[fol. E7v, p. 78]
CHRISTIAAN.
Niet beeter, als dat je de pot toesmoort,
Op dat het niemant van de spreeuwen op straat hoort.
Een generaale Amnestie is ’t besten.
FRANCOIS.
Ik bid, vader, wil het ons vergeeven.
Wy zullen als gehoorzaame kinderen voortaan vroom en eerlyk leeven.
CHRISTIAAN.
(885) Nu, Heer Eelhart, en Sinjeur Vettelafoesje, laat je raaden, wyl ik u voorzeg, dat uit dit geslacht,
Noch een lengte van kleine Vettelafoesjes zullen werden voortgebracht.
EELHART.
Wel aan, als ’t weezen moet.
JEROEN.
Maar, buurman, je most jou dochter een fraaije stuiver meede geeven.
Ik zal aan myn zyde wel bezorgen, dat myn zoon fatzoenlyk kan leeven.
EELHART.
Ik ben te vreeden. En geef haar voor eerst de acht duizend guldens, die ’er van de Juweelen overschieten op hand;
(890) En dan heb ik t’huis noch een snoertje handpaarlen, en een schoon diamant
Van haar vrouw moeder, die zy zelfs plag te draagen.
Meer kan ik niet missen. Kan u deze som nu behaagen,
Zo is ’t huuwelyk geklonken.
JEROEN.
Wat zal ik doen, myn Heer?
Het past een eerlyk man, dat hy niet hooger waardeert als zyn eer.
FRANCOIS.
(895) Wy zyn u dankbaar. En wy zullen ons voortaan zodaanig draagen,
Dat gy u in ’t minste over ons niet zult beklaagen.
[fol. E8r, p. 79]
EELHART.
Mevrouw, dat gy ook eens een einde maakte van onze zaaken, en wy, in dezen staat,
Meede tot een besluit traaden?
CHRISTIAAN.
                                                Wel, zeeker, dat mag geen kwaad.
EELHART.
Ik bid, Mevrouw, laaten wy in dit geval een dubbele knoop leggen?
LEONORA.
(900) Hoe! zo haastig, myn Heer?
JEROEN.
                                            Wat, Mevrouw, laat u gezeggen.
DIBBERIG.
Nu, nu, Mevrouw, het zal zo fraai zyn, dat zo naer vrienden gelyk te trouwen gaan.
Laat u beweegen?
LEONORA.
Wel aan, myn Heer, ik geef u myn woord.
EELHART.
Nooit wierd my meer eer aangedaan.
PHILIPPYN.
Nu is ’t myn beurt. Myn lieve Antonet, willen wy dat gangetje meede eens waagen?
ANTONET.
Maar, Philippyn, zult gy ook met my naer de mode leeven, en tellen my altemets de huid vol slagen?
PHILIPPYN.
(905) Gantsch niet, bekje, je zult al hebben wat je droomt, en jou hartje begeert.
ANTONET.
Dat ’s recht, zei schiefhals. Mits dat je my als uw vrouw bemint en waardeert.
PHILIPPYN.
Ik beloofje als een man met eeren, daar myn woord in te houwen.
[fol. E8v, p. 80]
ANTONET.
Op die conditien dan zullen wy te zaamen meê trouwen.
JEROEN.
Nu de koe zo wel op haar rechte zy gevallen is, en myn eer buiten gevaar,
(910) Zo wensch ik je altezaamen veel geluk. Doch wacht uw loon, Philippyn, Meester Koppelaar.
PHILIPPYN.
Stel jou hoofd maar gerust, Sinjeur Vettelafoesje, ik zal myn guarand aan de jonge lieden wel weeten te vinden.
JEROEN.
En u, Heer Doctor, noode ik meede te bruiloft, nevens de vrinden.
CHRISTIAAN.
Ei lieve! ik zal compareeren. Maak ’er vry staat op. Ik ben gereet
Om u te toonen, dat ik zo wel de kunst van eeten en drinken, als die der medicynen weet.
PHILIPPYN.
(915) Al wie nu geneegen is, om in ’t groote gild te geraaken,
Vraag maar, naer Philippyn, die alle soorten van huuwlyken klaar kan maaken.
Hy bedient de ryken om geld, en de armen kost het niet een duit.
Kom, myn Antonetje, volgen wy de staatcy als Bruigom en Bruid.

Einde van het Derde en Laatste Bedrijf.
Continue

Tekstkritiek:

fol. A3r: die er staat: te
ibid.: versoekende, er staat: versoekeude,
p. 21: TWAALFDE er staat: TWAALDE
p. 23: Leonora er staat: Leonara
p. 27: afscheid er staat: afsehied
p. 33: woord er staat: word
p. 73: zwym. er staat: zwyn.