[p. 2: blanco] [p. 3]
Hoewel ik beducht ben of het my betaemlijck is, dat ik aenvanggende den lof van een man, om syn hooghe gheleertheyt de wyde werelt door vermaert, af-te- malen, (voornamelijck nu ik tot soo hoogen ouderdom ghekomen ben) niet met vrymoedighe stantvasticheydt, maer beteutert mijn woord doe, en dat gy niet tonrecht oordeelt, nademael desen hoogh-geroemden man sonder oyt in yver te verflauwen van dese selve plaets sijn wijse lessen heeft af-gekondigt, dat ik wel te swak kost vallen om sijn naem en Goddelycke wijsheyt nae waerdy te beschryven; k beken vrywillich, dat ik onder sulken last wel soude kunnen beswijken; vermits ik op die plaets gestelt ben, waer van de overledene, om wien wy [4] nu onse lijk-tranen storten, sijn reden tot ons heeft gedaen Waer ick mijn ooghen henen keere komt mijn de droefheyt te vooren. Van dese plaets plach de overledene ons sijn wijsheyt in te scherpen; maer ach! hy sal se ons niet meer in scherpen. Gy hebt hem nevens my, als hy sijn groote drift, en genegentheyt tons waerts in t onderwijsen betoonde, dickwils gehoort; maer ghy sult hem niet meer hooren: daerom als ik aen dese plaets gedenke, schrikt my t hert; als ik myn oogen op uw sla, wien de droefheyt en bedruckte rouw ten aenghesight uyt siet, laet ick t hart heel sacken. Dit spreeckt my alleen moet in, dat ik uyt oorsaek van oude, en ingewortelde vrundtschap, die ik met de overledene ghehadt hebbe, mijn schuldige plicht volvoere. Wie sal hier over verwondert staen, dat die geene, wien thert om t verliesen van sijn grootste oudtste, en getrouste vrundt met droefheyt beknelt is, sijn reden sonder order, on op-gepronckt, en met een bevende stem voortbrenge? wie sal verwondert staen? nu ick tot die gene mijn reden doe, de welcke met bedruckt ghelaet, en neer gheslagen ogen betoonen, dat se die droefheyt met my gemeen hebben? Hier meen ik uw meê o Toe hoorders. Maer laet ons elckander moet in spreken, ghy hebt de laeste lijck-plichten vol-voert, t geen ghy aent lijk van dien wijt vermaerden man schuldigh waert betaelt, tlichaem ten grave waert gheleyt, twelk haer [5] door noot der sterflijkheyt toe-quam, tselve heb ik ook gedaen. Alhoewel door dese schielijke donderslach en t ondergaen van so grooten man, in dese laetste en treurige lijck-plichten onse herten met groote droefheyt sijn in-ghenomen, soo werdense niet overweldicht. Ghy mooght uw gherust houden, en de droefheyt in-kroppen, ik moet mijn hert ontlasten, en mijn rouw verkundigen, die last leyt op my; te weten, dat ik in t bywesen van soo veel vermaerde mannen myn reden soo aenlegge, dat se bondich en krachtich genoech zy om den lof en naem van so grooten man genoechsaem af te beelden, van dien man die nu wel door de doot is wegh geruckt; Maer eeuwig by alle nae-komelingen vermaert, om sijn uytmundende deucht in t geheugen sal blijven. Ik heb selfs dit juck op myn hals genomen, en myn dienst, die ik nu doe, om hier door myns herten rouw uyt te drucken, aen d erfgenamen van selver op-geoffert; daer na eenichsins van haer hier toe aen-gemaent tstuck volvoert; want dat geene, t welk ik van te voren selver hadde voorgeslagen, te weygeren, soude sijn sich van redelijckheyt vervremden: dit deed my de saek te meer behartigen, dat ik te minder arbeyt hadde uyt te staen; vermits ik een open sach, daer ik stofs genoech, om sijn al-om vermaerde naem en verheve lof te verbreyden, uyt kost halen, en sijn haestig omkomen my de droefheyt te gemoet voerde. Dit heeft [6] my te rugge gehouden, dat ik voor onredelijk gescholden mocht werden, die my selven liet voorstaen, in een dach alleen, myn reden so te kunnen beleggen, datse van keurige ooren soude voor goedt geschat werden: t was my geensins on-bekent, dat ik in soo korten tijt, niets, daer volmaeckt verstant in steeckt, niets, t welk door on-besweeken neersticheydt in de weegh-schael van reden wel was over wogen, kost voort-brengen. De grootheyt van sijn beroemde naem doet myn gedachten stil staen. Sijn onverwachten val port my, om myn reden hier toe aen te leggen, datse te kennen geve, hoe ras de menschelycke dingen ver-vliegen. k Sal dan beginnen, en alleen die dingen aen-raken die uw den grooten geest, en t on-bepaelt verstant van dien vermaerden man kunnen vertonen, ksal uyt dese droeve, en schielijcke val my selfs en uw de vergankelijkheyt van t leven voor oogen stellen. === Desen wyt vermaerden man Caspar Barlaeus, voerende eennaem met syn Vader, is gebooren tot Antwerpen, een coop-stadt heel Europa door bekent, in een benaude tijt, doen de Prins van Parma die hadde belegert , juyst een laer te vooren eerse noch in s viants handen viel: So ras de Stadt overgingh, heeft sijn Vader hem, toen hy de wiegh noch niet was ontwoffen, met sich naer Hollandt vervoert. Weeft niet verwondert ô Toe-hoorders. sijn vader was de hervormde Gods [7] dienst van herten toe-gedaen. Hier kunt ghy sijn yver aen-merken. de Prins van Parma hadde een verbont ghemaekt met de burgers, datse vier Iaren binnen de Stadt mochten blyven om haer goederen tot geldt te maken. Sulcken weldaet wilde desen man niet ghenieten om de vierighe liefde die hy de Gods-dienst toedroech. Naer syn vertrek heeft hy sich neergheflagen, tot Leyden; is ten huyse van lan vanHoute, doen Stadts geheym schryver, een man wiens eer ik niet behoor te verswijgen, met syn gantsche gefin vrundelyk en wel ontfanghen. Hier onthielthy sich geheele drie Iaren, tot dat hem het bewint van de school van Bom- // melin Gelderlant wiert gelyk als op-gedrongen. Tot// Bommel heeft hy seven Iaren langh de school als " opperste leer-meester bedient, in grooten aenfien by den Raet en Burgers; noytde plicht van een getrouwe meester vergetende. Als syn lof door groote neersticheyt Hemel hoogh gheklommen was, schoot hyer t leven in, achterlatende vier kinderen, Susanna, Eli- Sabetha, Lambertus, en Cornelius, die na s Vaders overlyden ter werelt quam, Caspar, wiens lyk-plichten wy nu volvoeren, was tot syn elf-jaren gekomen toen tlot hem syn Vader ontroofde. Dese Godtvruchtige man soude syn soon, om sonderlinghe in-sichten, tot de Godts-dienst op-gevoedt en dienst der Kerken aengeleydt hebben. Syn Oom Iacobus oppersteleer-meester A4 in Lijk-reden opt Overlijden van in de school van den Briel heeft hem nae s Vaders omkomen in syn leert-tuchten gesin aenghenomen. De beginselen der letterenen wijsheytdie hy by syn Vader alreê hadde in-gefogen heeft hy by syn Oom volvoert, felfs dat de hooghe scholen binnen de tydt van vyf Iaren voor syn leer-giericheydt open stonden. Syn verstant was van natueren tot de gheleertheyt genegen, syn Vaders inborst en welgebooren aardthem aen-geerft , syn Ooms onderwys deed syn gheleertheydt in moedt en yver aen-wassen. Moedige en uytstekende verstanden foecken altyt haer tot opgang te verheffen, en na-yvrig van haer Voor-vadren lofdie t overtreffen. Caspar Barlaus heeft hier na ghetracht, en ghesocht, dat hy een na neef zynde,synVoor-vaders niet soude ongelyk zyn. Hy is gesprooten uyt dat aeloude en edele geslacht van Baerle, van Geldersche afkomst. Syn groot- Vader was Lambertus Barlaus, die meer dan veertich Iaren langh tot Antwerpen bewaerder is gheweeft van Stadts voorrechten. Hy heeft uyt syn Vrou Anna behalven een Dochter vyfSonen voort-gheteelt Caspar, Melchior, Iacobus, Balthasar, en Ioannes. een groot liefhebber was hy van Gheleertheydt, alle syn Kinderen bestelde hy in Brabant Vlaenderen, en Duytslantby be quame meesters, elck by besondere. Tis geen kleyne voorsichtigheyt der ouderen, datse voor haer kinderen die tot de gheleertheyt bequaem zyn, sulke mee- [9] sters soeken te bekomen, die donderwijs kunst verstaen , en, nae de gereckelijkheyt van t verstant, ghe reckelijck met de kinderen weten om te gaen; hier toe leyde desen man sijn grootste krachten aen. Onder alt kroost van den ouden Barleus, munte Melchior voornamelijk uyt in geleertheyt, wweelllspprreekkentheyt , en rijmkunst, hy bewees sijn verstant en geeft door sijn boecken, die hy soo wel in rijm, als ongebonden en rijmeloose regelen, t licht vergunt heeft. Vyf boecken heeft hy geschreven van de ghelegentheyt van Brabant, op-ghedraghen aen den Raet van Antwerpen, drie van de ontschakingh van Ganymedes , een van de Gooden der heydenen, verscheyden herders kouten, en meer dier gelijken, rechte oeffeninghen voor een beroemt verstandt, enhooghvlieghende geeft: dit voegh ik hier noch by, wel waerdich om in desen droeven donderslagh overdacht te werden, dat hy een boeck heeft uytgegeven van de verganckelijckheyt des levens, daer wy oorsaeck van hebben om in dese nieuwe en versche droefheyt onse reden naer aen te legghen. Hy heeft ook beschreven de vermaertheyt vanthuys van Ooftenrijck , en meer andere lofredenen. Iacobus was een man die sijn geleertheyt verborgen hielt, weynich woorden voerde, op sich selfs nietveel en paste, noch liet sich veel voorstaen, yders manier van le [10] ven scherpelijck ondersoekende: hy heefttrentmeesterschap van de kerkelijcke goederen tot Antwerpen bekleet. Doen de Stadt aen de Prins van Parma was over-ghegeven, t gheluck en goeden Staer van de burghers vervlogen, heeft hy eerst tot Leyden, daer na tot Amsterdam de plaets van Conrector , ten laesten in den Briel de plaets van Rector bedient: dese school, doense schier van alle haer leer- lingen ontbloot was, heeft hy door sonderlinge neersticheyt, ongemene vlijt, en gestaedigen arbeyt weder tot soo hooge trap op-gevoerdt, dat se schier een verblijf plaets voor alle wetenschappen scheen te wesen. Veel jonge luyden, die haer sinnen op de vryekunsten geleydt hadden, schooten, omde vermaerde naem van dese hoogh gheleerden man, naer den Briel toe. Veel sijnder gheweest die de Wijsheyt van desen man dorstich hadden in-ghenomen , die de kerckelijke, en Wereltlijcke Staedt groote dienst ghedaen hebben. Balthasar die om tselve ongheluck met sijn Broeder sijn Vaderlandt verlaten hebbende, naer Hollandt was toe-gefackt, is int huwelijken boven andere geluckich geweest; zijn huwelijks goedt gaf hem niet alleen onderhoudingh tot tgeen aen een eerlijck en burgerlijck le ven vast is, maer kracht en ghelegentheyt om naer grooter dingen te staen. Hy kreegh dan ten huwe- [11] lyck de dochter van Mr. Ian van de Verken, eerst advocaet van den raet van Antwerpen, daer na van de Staten van Zeelandt, die verscheyde-mael in ambaffaetschap by den Koningh van Engelandt, en Denemarken syn naam in achtinghgebrocht, en vermaart heeft ghemaeckt. Caspar den ouden heeft by verscheyden meesters die hem de wysheydt en letteren in-planten , sijn jeught door-gebracht. Soo ras hy tot sijnjaren quam, is hy tot Antwerpen in sijns Vaders ampt ghetreden, en heeft sich eerst met Cornelia Brandts, daar na met Cornelia Everdewijns, dochter van een vermaert coopman, in echt verbonden. Uyt t leste huwelijck heeft hy een gewenschte soon gefien, desen Caspar, om wien wy nu rouw draghen. De oeffeninghen van syn jeught, en voor-teeckens vansyn op-waffende wyfheydt, hebt ghy ghehoordt: k salt hier niet by laten steken. Verfoeck alleen, ôToehoorders, dat gy mytgehoor verleent, terwyl ick vorder voort vaer. Als men hem bequaem oordeelde om tot dehoogge schoolen te gaen, wierdt hyvan den Raet van Geertruydenbergh in t Collegie van de Grootmogende Heeren Staten van Hollandt en West-Vrieslandt gheschikt; daer vielen hem meesters te beurt in geleertheydt en Godtvruchtigheydt uytstekende: Ioannus Cuchlinus, en Petrus Bertius, die hem soo de natuurlijcke wijsheydt, als Godtgeleertheydtin- scherpten. Alsdie tydt dewelcke by dewetten [12] van t Collegie bestemt is, ten eynde was, wierden hem, om syn uyt-muntende gaven, noch twee Iaren van de Heeren Staten toe-gheleydt om op de hoogge schoole te blijven, en syn studie vorder te voltrekken. Als hy in de Godtgheleertheydt vol-leert gheschat wierd, is hem by den Brielop een Dorp, tusschen Hollandt en Zeelandt gelegen, de Kercken-dienst op-gedragen: hy heeft het aen-genomen, syn ampt neerstig, en getrouwelyck volvoerende, de Gemeente niet alleen door Christelijcke vermaninghen tot de deucht aen-porrende, maer t geen hy een ander inscherpte selfs belevende. Dit deed de deucht byt volk te meerder in swang gaen. Toen ter tydt begafhy sich tot Rotterdam in den huw- lijcken staet met Barbara Sayon, een Dochter van eerlijcken huyse, haer Vader was Anthony Sayon, eertijts Schepen tot Brugge, haer Groot-vader Vincent Sayon, eertyts Burgermeester, haer Neef den vermaerden Poët Janus Lernutius, die voogtover haer gestelt was. Degroote geeft van den hoog-geroemden Caspar Barlaus kost niet lang in die kleyne plaets besloten blyven. Als Petrus Bertius Sub-regent, nat overlijden van Ioannes Cuchlinus Regent vant Collegie der Godtgeleertheydt, de plaets van syn Schoon-vader quam te bekleden, wierdt hem af-gevraeght; wie men in syn plaets soude nemen? stelde den Overledenen voor, in dit stuck geen onvoorsigtigheytofeensydigheyt betonende; want hy wist van outs : [13] toen hy hem noch als meester onderwees, hoe diep de deugt in synhart gewortelt was, wat groote sprongenhy in de geleertheyt gedaen hadde, wat voortvarentheyt en doordringenden aert by hem was. De opfienders schreven een briefaen hem omdit ampt taenvaerden. Men kost hen naeuwlijks van syn gemeente af-trekken, die hy beminde, vande welcke hy bemint wierd;sijn liefde worstelde lang met de redelijkheyt, dese waser wel tegen, doch de redelijkheyt geboot hem fighhier inte laten bewilligen: wanthy wierdt van die geene beroepen, die hem tot de geleertheydt hadden op-gevoedt, die magt hadden hem, ofte tot Kercken- dienst, ofte dienst der hooge schoolen aenteleggen;men stelde hem om onder dat dack tonderwysen, onder t welck hy selfs de wijsheyt hadde in-gefogen, en dat zaat gesaayt daer hy nu de vrughten af trock. Hy nam den dienst aen, achtende dat hy met de selve taenveerden t gemeen meer nut en voordeel kost by brengen, en sijn verheve gaven, om een ander tot na-yver te verwecken, be ter ten toon stellen. Noyt ontaerd hy van sijn ouden yver in dit nieuw beroep, syn leerlingen de griekse tael, en natuerlijke wijsheyt, met noyt verflau wenden arbeyt, in -stampende. Sijn scherpe spits vondicheden en groot verstandt stelden hem noch op hooger trappen , hy wierdt van de opfienders met de eer vande Profeffie vande Redenkavelingh verheerlijokt. t Was [14] van haer wel bewust, dat dese eer voor soo braven geeft noch veel te kleen was. Hy queet hem soo wel, dat hy andren tot verwondring streckte. Hier raekte sijn geluck aen twaggelen; deselve bitterheyt des lots die oock anderen trefte deed hem sijn amptverlaten. Maer tschijnt dat hoogge verstanden haer noyt totrust kunnen begeven. strax nam hy de genees kunst by der handt, sijn oude drift en neersticheyt daer in soo betonende, dat hy binnen twe Iaren inde hooge School van Caan Doctor inde Medecijnen verclaert wierdt. Vande Godt-geleertheyt begaf hy sich tot de geneeskunst, streckende soo wel voor swacke lichamen, als krancke gemoederen een vasten toeverlaet. Ten lesten door lief hebbers van de vrye kunsten aengemaent, heeft de oude onderwijskunst, daer hy van versteecken was, weder binnen sijn eygen mueren geoeffent; fijn naem noch meer en meer vermaert makende: selfs soo datde Burgemeesters en Raet van Amsterdam, als se voorsloegen om een doorluchtige school in haer stadt op te rechten, hem om sijn bekende neersticheyt , en wydt-vermaerde geleertheyt de Professie vande geheele Philosophie opdroegen, en Gerardus Ioannis Vofins, een mandie doutheyt boven andere verstaet, om de Profeffie der wel-sprekentheyt en Historien te bekleeden, daer by voeghden, sulcke twee vermaerde mannen door gemeenschap van bedieninghe aen een [15] verbindende, wetende dat daer sulke twe by een sijn de wijsheyt in haer volle kracht staet. Twe ghelijcke verstanden foeken altijt elck-ander op te wecken. Dits een ghewenste saek voor deoverledene gheweest. Maer als tluk opt hooghst is daelt het weêr neder, matigende also t suer met het foet. Dits onfen overledenen vriendt te beurt ghevallen. Int begin van dese voorspoet wierdt hem syn lieve huys-vrouw ontruckt ; een vrouw die haer gemael, en kinderen van harte beminde, en op haer huys-saeken goede acht floeg, nalatende seven kinderen, vijf dochters Adriana, Anna Lofina, Susanna, Elifabetha; twee soonen Casparus, en Antonius. Toen quam op deese hoogh gheleerde man niet alleen den last van sijn dienst; maer oock de forg van syn huys-saken, om syn kinderen manierlijcken op te trecken, aen. In alles heeft hy sich ghequeten ; zyn eene dochter eerlyck uyt-ghehuwt; syn Soon Casparus, naer dat hy de reghts geleertheydt beyvrende, de tytel van Doctor in beyde rechten bekomen hadde, van ghelycke. Antonius, in de naturelycke wijsheydt, taalen, en in de rechten syn vlyt ghedaen hebbende, is van sijn Exellentie Graef Mourits int getal fyner edelen aen-genomen, om by de studien te voegen de wetenschap der kryghs-saken. Hoe werdt ik so ver vervoert? ik gat besteck, t welck ik my voor-geschreven hadde, ver te buyten; op dat [16] ik uw niet lastigh soude vallen, ô Toehoorder s! sal ik weder te ruch keeren: Maer de droefheydt bint sich aen gheen reeden, haer klachten syn te wijdtlopich, ick sal dan voort-varen en myn verhael ten eynde brenghen . Caspar Barlaus, was dan een man sonder staetsucht, of opgeblasentheyt, om synghemeenschap en vriendelyckheyt , daer hy yder mede te moet quam, by yder geacht, en ghe-eert, hy maeckte sich den volke te vriende, oock den grooten, onder de vaderen onfes Lants den edelen heere Cornelius van der Mijlen, ridder , en lidt der ridderschap ter vergaderingh van de Staten van Hollant en West-vrieslant; den heer Iacobus Cats, loontreckendt raets man van de selve Staten, den heer Constantiyn Huygens, heer van Suylechem en Zeelhem, geheym schryver van sijn Hoogheyt; mannen die alle kunsten, en voornamelijck de rijmkunst, in acht houden. De fang Goddinnen hebben desen overledenen Barlaus, altijdt gunstigh gheweest, syn grootste vermaek hadt hy in haer kunsten, syn leste Iaren daer toe meest aenlegghende. Hy heeft sich niet wijdlopich en onstantvastigh tot tlesen van alle Poëtenbegeven; maer alleen Claudianus nae-ghevolght, die hy om synhoogh dravende stijl, achte boven anderen uyt te steken. Claudianus scheen in hem herboren. Hy was niet alleen in gedichten maer oock [17] ongebonde en vrye regelen, een lief hebber van ongemene woorden, die hy altijt in syn reden socht by te brengen; hier kunnen die gene getuygenis van dragen , die dickwils syn schriften gelesen, en lessen gehoorthebben. Veel schryvers, soo kercklijcke, als wereltlijcke , die bondich en net haer reden beleyden, heeft hy hem selven ingeplant. Onder alle de werken van Erasmus, die een uyt-muntendt licht van ons lant was, heeft hy syn brieven met groote vlijt en neersticheyt doorgelopen, om uyt den inhout der selver de Staetder kerken en kerkelijke faken grondig te verstaen. Veel vermaerde mannen synder buyten slants geweest die hem haer vruntschap waerdig achten, onder dese syn den heer Molinus Raet by die van Venetien, den heer Fredericus Guntherus geheymschryver by de Koning van Denemarken, den heer Axelvan Oxestern, cancellier van t rijck van Sweden, den hoogh uytstekenden heere Cardinaelvan Richelieu, enden here Ioannes Scotus Travantius, voorfitter en beleyder vande cancellery van Schotlant, synde altsamen sulcke mannen, diemen niet sonder haer vermaerde namen te roemen, behoorde voor by te gaen. Veel gemeensame vrunden heeft hy gehadt, onder dese mag de eerste plaets welbekleden den heer Gerardus loannesVoffius, L.A.M. die van outs, en nu door nieuwe broederschap in dese doorlugtige school an hem verbonden was, den heer Petras Cuneus Professor in de rechts gheleertheydt in dehooge school tot Leyden, die al [18] over een tijt langh door de barsheyt des lots is wegh geruckt , den heer Cornelius Sylvius eertijts der rechten Profeffor, daer nae Advocaet voor den Hoove var Hollandt, den edelen heer Gothofridus van Haeftrecht, een vermaert wif-kunstenaer, den heer Iacobus Pitit, Doctor in beyde rechten. k Souder wel noch meerandere by-voeghen my selven geensins achterstellende: ten sy ik met mijn reden moest voort vaeren. wyl hy t Amsterdam was, heefthy met niemant meerder vruntschap ghehouden dan met den edelen heere Joachimus Vickevoort, ridder, en agent by den Staten van de vereenigde Nederlanden van wegen de Lant-graefvinne van Hessen, met den heer Laurentus Reael, ridder , eertijts opperste bevel-hebber in Indien, en naerderhant schepen, en raet hier ter stede, met den heer Pieter Cornelisz Hooftzal. ridder van St. Michiel, drost van muyden, en Baljouw van Goylant, metden heer Daniel Schenck, heer van kleyn Poelgheeft, met den heer Iacobus van der Burch, Doctor in beyde rechten; agent der heeren Statenbydie van Luyck, nu geheymschryver van de volmachtighen der heeren Staten op de vredehandelingh tot Munster. Wat wil ik hier meer van seggen?kweet wel ô Toehoorders! dat gy liever die diensten soudt hooren, die hy uw selver bewesen heeft, k sal my dan nae die gelegentheydt voegen. De jeucht die onderwijs van hem versochten heeft hy in gemene en bysondere lessen de wijsheyt in-geplant, [19] uyt openbare sin-twisten, en andere spitsvondigheden dickwils gelegentheydt soeckende om sijn scherp en snedich oordeel te kennen tegeven; hy had een gauw oordeel, en vinnich verstant om alle voor vallende redenen van syn wederpartyen t ontvouwen, en te wederleggen, hy was wel sprekent, en wist wel tonderwijsen , tgeen hy leerde stelde hy beknopt, bondigh en met sulke woorden voor die yder kost vatten; ô Toehoorders! t geen ik segh, geloven al die geene die van dese plaets synreden hebben gehoort. t Beleydt van syn onderwijs kunst, daer hem niemant in overtrefte , weet ghy alle, o longelingen, die de wijsheyt van hem hebt getrocken: en ghy oock geleerde mannen, die de wetenschap der natuer van hem gehoort hebbende, tot hooger trappen sijt op-ghevoert, sijt wel bewust, hoe seer hy syn plicht tegens uw betoonde. Wat hoef ik syn naem en Goddelijcke gaven hoger te verheffen? men kan syn groot verstant en hogen geeft uyt sijn schriften en uyt-gegeven boecken bespeuren : niemandt hoefter aen te twyfelen, dat de schriften, die men van hemt licht noch vergunnensal, syn verftant sullen verduystren. Groote dingen, die hy iinn de natuerlijcke wijsheyt gedaen heeft, hebben wy noch teverwachten, syn heerlijcke schriften in de Gods dienst die sijn partyen thaere seggen, en haer vermomde reden ontbloot en weder leyt den volcke ten [20] toon stellen, sullen wy voorby gaen, d oorsaeck kundt ghy by uw selfs gifsen. t Geen hy in de welfpreeckentheydt ghedaen heeft, hoeven wy niet te verhalen: wantt is in allemans handen, hy heeft een boeck in ongebonden lofredenen, twee ingedichtentlicht vergunt, op beyde dese manieren heeft hyvan andrenden lof wegh-ghedragen, yder tot groote verwondringh streckende. k Sal van syn schriften eenige ten toon stellen. Hy heeft dan uytgegeven Oranjes lijckoffer op de doot van syn Exellentie Prins Mourits, een lofreden aen Prins Fredrick Hendrick, tverheugde Engelandt aen Carel de eerste Koningh van groot Britannien, de harde belegheringh, en theldt hastich overwinnen van Shartoghen-Bos, de Bruyloft vande Ariftotelische. Werelt wijsen, daer in hy by foete vertoningen de gheheele wereldt wijsheydt met alle haer leden in voert, sprekende van Bruyloftsaken, een gedicht op dinwyinghe van dese doorssuucchhttiiggee school,, een reden voorstellende hoemen de Koopmanschappen met de vrye konsten behoorde samen te voeghen, tamptvan een goedt Prins en opperste bevel hebber, hoe hy sich in landt bestier behoort te draghen, t Amsterdams Athenen, een reden over t ghene by sich selfs yet is, en door reden yet wert, van de wondren der ziel, en des Hemels, een lofreden aen den hoogh be-roemden [21] den Cardinael Richeljeu, opperste bevel - hebber, en raet by den Kooningh van Vranckrijck, naetomkomen van dien wydt- vermaerden man, t bedroefde Vranckrijk, t graf van dien oorloghs- heldt Gustavus Kooningh van Sweeden, een verhael van die dinghen en oorlsghs - stucken, die syn Exellentie Graaf Mourits binnen acht Iaren in Westindien loflijck heeft uyt- ghevoert. Men kan lichtelijck mercken, voornaemelijck in dit leste werck, hoe feer desen man in alle manieren van schryven ervaren was, en sich naer alles wist te schikken, syn woorden naer gheleghentheydt van faeken aen-leggende. De Werelt soude meer wondren van hem ghefien hebben; maar syn leven was ten ende, de doodt heeft hem haestich wegh-gheruckt, een onverwachten hart - vangh benan hemt leven, men hoorde dat hy tleven verlaten hadde eer der een voor - boo van t sterven was. Doen hy hem bereyde om de jeuchdt tonderwijsen syn reden tot haer te doen, deedt hem de doodt eeuwigh swijghen. Hoe hardt viel dit voor syn kinderen die hem nu van harten be-treuren, hoe feer wiert Lambertus van Baerle eertijtds Predickant, by den edelen heere van Langerack Ambassadeur van de heeren Staten by den Alder-Christelijcxsten Kooningh van Vranckrijck, daer nae Conrector in de School tot [22] Amsterdam, nu ordinaris profeffor der grieckse tale inde hooge school tot Leyden van dit ongeluck getreft , hoe swaervalt desen donderflach die geene opr hart die midden in haer loop, doense naer de wijshe yt stonden, haer meester wiert ontroost, die fy wensten, dat noch een langen tijt, om haer ten einde vande wijsheyt en vrye kunsten te brengen, tleven mochte behouden hebben:sy dan metfijngefin en met my te gelijk syn aendefedroefheyt deelachtig: sieckte quammer wel voor syn val; maer soo groote niet, of hy wasnoch tot syn dagelijkse oeffeningen bequaem. Sijne leerlingen hadden noch daeghs te vooren, eer t lot hem uyt de Werelt droeg, syn lessen ghehoort en souden hem ook op die dach gehoort hebben doen hemtleven begaf door een haeftige hart vangh getroffen, een fieckte dienu onder t volk gemeen is: Hy is dan overleden op den veertienden van Maert. Niemant hoeft te meenen, alhoewel dit ongheluck ons onverwacht voorquam, dat soo Godtvruchtigen en geleerden man dit onverfiens voor de schenen sprongh, syn gemoet wafer wel toe-gheftelt: want een wijs man weet dat het aertse decksel, lichaem, fenuwen, en vlees den mensche niet eygen syn, hy stelt hem altijt desterfdagh voor-oogen. Men leeft niet dan om te sterven, men sterft niet dan om herbooren te worden. Men foek hier reden van oft in de Godgeleertheyt, oft na- [23] tuerlijke wijsheyt, dese overdenckinge sal ons altijdt op vaste voeten stellen. Twijfelter noch ymant datden overledenen, nu hy al tot syn vier ende sestigh Iaren gekomen was, onversiens t haestich omkomen te beurt viel? ik weet beeter hoet met hem was gelegen , en bendaer van versekert; tbehoorde uw niet onbekent te syn die hem syn Godtvruchtige gedagten van de krebbe ent cruys onses Salichmaekers met een beweeghlijck gemoet hebt hooren uyt spreken; die fyn troost brieven aenden heervander Myle, over tontydigh omkomen van syn Soon, aen den heer lodchim Vickevoort, optsterven vansyn Vader, met yver en aendacht hebt overlesen, die niet als Godvruchticheyt en deuwicheyt uyt ademen: syn gheleerde en Godvruchtige redenen, die hy dikwils den volcke heeft voor -gedragen, sullen wy voorbygaen. Soo wy dit ongeluck in ons gemoet prenten, sal ons d onbestendicheyt der werelt wel voor ogen koomen, endencken t sy tons aenstae of niet, dat de de doot niemants tijt langer uytreckt. Men moet tgansche leven deur leeren leven, maer recht leeren leven is leeren sterven, die de doot niet wil onderworpen zyn, wil niet leven, die niet weet te leven, weet niet te sterven. Men kan altijt niet by tleven blyven, en syn hoop daer opvast stellen, tleven is by de doot gestelt, yder moet dat padt betreden, de doot roept ons alle, tis een groo- 1 te 24 Lijk-reden op t Overlijden van te en voortreffelijke deucht sich onder de doot weten te buygen. Menstelsedan in alle dingen, t sy watmen byderhand neem, sich voorogen: dat ydert sy rijck, of arm, geleerde, ofongeleerde, heer, of onderdaen figh hier na stelle. De wet van sterven is billyck en onverbiddelyck , se streckt sigh over alle menschen, hoewel deen vroeger dander later t leven laet, dit hebben wy gemeen dat wy alle eens aen ons endt sullen raken. Wy sterven daghelijcks, den dach op de welcke wy noch adem scheppen syn wyaen de doot verbonden, de lefte uur is geen oorsaek van de doot, maar de doot werckt haer kracht op de leste uur uyt, Men hoor die Poët die op sulcken manier gelijk de tijdt doen vereyste de doot van syn Soon beschreyde. syn woorden zyn. Fata manent omnes omnos exfpectat avarus Portitor, & turba vixfatis una ratis. Tendimus huc omnes, metam properanus ad unam Omniafub leges mors vocat atrafuas. Dat is Het sterven is gemeen, de groote Pluto wacht Ons allen, en verlanght tot tal is omgebracht: Wy werden altemael door tselve lot beknelt De doot ruckt alles wegh die strenge wetten stelt De CAS PAR van BAERLE. 25 De Prins der Poëten seydt dese woorden Illa rapit Invenes virida florence Iuventa, Non oblita rapit, fed tamen illa senes. Dedoodtverdrucktdejeucht in t bloejenst van haer Iaren Noch ouden spaert se niet besayt met gryse haren. Men siet veeljonge en oude luyden in t graf dalen, de doot spaert gheen stercke en rappe schoncken der jonckheydt, soo gunstich is tlot den eenen by den anderen, den Poët Horatius schryft aldus. Pallida mors equa pulfat pede pauperum tabernas, Requmą turres. Dat is De doodt klopt aen deKoninghs hooven, En foekt een proy daer uyt te rooven, In lage hutten komtse mede, En fet haer droev en swarte schreden, DenGoddelijcken propheet van de onsekerheydt des doots sprekende, seydt; vwie iffer die t leven ontfangen heeft die dedoor niet siensal, alle moeten wy de sterfdagh besueren, wy rakenin d aert, gelijck water golven die noyt wederkeeren. Op dat men recht lere sterven, moet men niet alleen gedencken aen de sekerheyt des doots, die altyt van de Goddelijcke wijsheyt is vast gestelt; maer aen de onsekere ure wanneer men uyt der aerdt sal verhuy- D fen, 26 Lijck- reden opt Overlijden van د sen, men kan syn sterfdach niet weten, men weet dat de doot met ons wegh sal gaen, dat men eens in ✓ dat huys moet komen daer men eeuwich sal blyven, wanneer t geschieden sal is ons verborgen; d opperste wijsheyt wil dat de uur des doots ons onseker zy; op dat wy altydt souden op onse hoede zyn, en de laeste uur, ons daer toe bereyt hebbende, verwachten. Men weet de jonghste dach niet, op dat men op alle daghen soude acht slaen, en als de doodt over t hooft hanght, ons daer toe niet te laet begeven. De quaetste pest voor t leven is hoop, niemant kan gerust leven die altijdt langer foekt te leven, gheen overdenkingh dan des doots komt ons meer te staet men moet de sinnen hier toe aen-legghen, niet hoe langh men leven sal, maer hoe men sich int leven sal dragen , men moet int leven oprechte deuchden en ware Godtvruchticheyt oeffenen; laet ons dit doen, altijt de doot ons voor oogen stellende, de wijseman seydt; gedenckt aende jonghste dach, noyt sult ghy in sonden vervallen. Uyt dit vertrouwen bidt den Koninklijcken Propheet; leert ons de dagen soo tellen, dat voy altijt onfen handel wijslijk beleggen. Niet kanmen beter doen dan alle dagen den sterfdach verwachten. Niemandt sterft dan, op syn dach, yders dach, staet alle daghen voor de deur, de tijt die voor by gelopen is keert nimmer weder, die is ons niet meer eygen, maer een ander, niemant kan [27] sich op den dach van morgen vertrouwen, niets is fo onseker dan tmenschelijck leven, men moet dan soo leven gelyck off alle dagen de dagen des doots waren; omhier toe te komen, kanmen niet beter doen dan gedencken aen d onfeeckerheyt der werelt, en hoe haeft de menschelijcke dingen voor by waeyen. Menmoet leven om wel te sterven, die wel gestorven is, heeft wel gheleeft, die syn fouten voor syn eyghen sterven heeft doen sterven, heeft soo gheleeft. Wat kan ons " dan meerder voordeel gheven, nademael de uur des doots onseker is, nademael wy niet weten wanneer ons tleven sal begeven, dan dat wy soo leven als wy wilden sterven. Groot gheluck steekter in de geluckkicheydt van t sterven. Wy moeten dan in sulcken staet leven, dat wy altijt, als ons de doot komt t overvallen, bereyt syn aentsterven ent laeste oordeel gedenckende. Altemael moeten wy tpat des doots betreden , en daer na in t laeste oordeel verschynen, naer dat yder t leven laet, staet hem op de jonghste dach der werelt te hoopen, ofdaer voor te vrefen. Den Godvruchtigen Auguftinus schryft aldus; t laefte oordeel is op twelke den eeuwigen Schepper sal oordelen de levendigen en dooden, hier moeten wy ons altesaem vertonen om een geluckighe of ongelukkighe uytfpraek te hooren; naer dat yder syn tyt int leven wel of qualijck heeft door gebracht. Vier dinghen moet men in syn gedachten prenten doot, oor- [28] deel, eeuwighe verdoemenis, en eeuwighe vreuchde. Niet ifferSchrickelijker dan de door, niet vervaerlijcker dantoordeel, niet onverdraeghlijker dan d eeuwige pijn, niet foeter enhoger dan d eeuwige vreuchde syn de woorden van den heylighen Bernardus. Weeft niet verwondert ô Toehoorders dat ik hier soo veel getuygeniffen van Godsalige mannen by brengh, onse voorstel is van heylighen stof. De selven heyligen man vermaent syn volck met dusdanighe woorden, let in al uw doen op de vreescelijckheyt van de doot, vervaerlijckheyt van t laerste oordeel, en de pyn der eeuwige verdoemenis. Laet ons de vermaninghen van soo godtvruchtigen man aen-nemen, en alle dagen die wy beleven voorden lesten dach rekenen; want t geluck hanght daer aen. t Geheele leven is anders niet dan een toegang tot de doot: so wy wel geleeft y hebben, soo wy wel sterven sal de doot een poort ver- " strecken om tot t eeuwich leven in te gaen. Nademael niemant weet hoe na sijn sterfdagh by is (ghelijck men uyt de Goddelijcke schriften, en tonverwacht ondergaen van die vermaerde man, die wy nu betreuren, lichtelijck kan afmeten) laet ons dan t gemoet van desen dach soo stellen gelijck of wy tot tuyterst gekomen waren. Niemant siet met blijden gemoede de doot te moedt dan die hem van te vooren verwacht heeft. Wel sterven is vrywillich sterven om syn ziel aen de schepper op te offren. t Menschelijk [29] leven is vol ellende. Elkleefdan, aen de doot gedenckende, om d eeuwigheyt te bekomen: de tijtgaet gefwint voor by elken dach is ons de leste. Hier na sullen wy beter staet bekleeden. Die de doot haet, bemint het leven niet, die steets voor t leven en doodt beducht syn weten niet te leeven. Die de doot vreest is even finneloos als de geene die de ouderdom vliedt. Die altijdt langer meent te leven toont sich van redelijckheyt ontaert. Non est, crede mihi fapientis dicere vivam. Sera nimis vita eft crastina vive hodie. Dat is Men mach niet seggen k sal den dach van morgen halen; De dootkomt ras, elk mach vandaegh syn schult betalen. Dit syn woorden uyt een heydense dertele mont gevloeyt waerdig om metgulde letteren op marmorsteen geschreven te worden Wat moet ons leven dan anders syn, vermits wy in de heylighe en Goddelijcke schriften onderwesen syn, als een geduerige gedachtenis aen de doot, om daer door de wereltse begeerlijkheden niet aen hanghende, soo te leven, als of wy alree tot de hemelsche poorten in-gevoert waren. Sulken leven ô Toehoorders raedt ikuaen te nemen, ik houde my t leve voor, en soo ghy oock door dese lijk-reden daer toe beweegt fyt, heb ik vrucht genoeg getrocken, en t geen ik daer van kofte hoopen verkregen. UYT. [30] GRAF-GEDICHTEN Ter gedachtenisse vanWijlenden Hooggeleerden ende wijd-beroemden Heere CASPAR BARLÆUS In synleven Profeffor der Philofophie in de Universiteyt van Leyden, ende namaels in de doorluchtige Schoole tot Amsterdam, Princeder Latijnsche Poëten, &c. I. Voordesen in Latijnseversen gestelt door J.Westerbaen, endenu by heminduytse rijmptjes vertaelt. IE by dees as kan sonder fuchtenstaen En sien dit Graff met drooge wangen aen, En op dees Sarck geen bittre tranen schreyt, Of weet het niet dat hier BARLAEUS leyt Of is geteelt van wilden in bet wout En Daer sich de swart of wree Tapoejer houd En pens en darm met mensche-bouten vult En krappen van sijn bloed- verwanten smult, Indien tverlies van sulcken waerden man Hem infijn borst het hert niet raecken kan.. Olach! schae! die niet is om vergoên, Selfs van de Goon. Wat goon? Wie sou het doen? A Minerv, Apol, de Dochtersvan Iupijn Hier algelijck met hem begraeven zijn. II. Vreemdelingh, Dit is vanBaarles graf, Die wijsheyts les aen tYen Leydengaf, Die rijcke bron van veele wetenschappen, Volgeeftigh nat van niemant uyt tetappen, Een eeuw ge stroom vanhoogh-geleerde reên, Het pit en karn vanschrander aerdigheên, [31] De monster-steen, de paerl der opper-Schoolen. Die door sijn geeft, gelijcksich selfs ontstoolen En opgevoert verr booven menschen macht, Liet achter sich de Dichters hooghst geacht Van onser eeuw. Iae, die het oude Roomen De Laure-krans heeft selver afgenoomen. III. TErwijl van Baerles pen de Lyck-koets ging geleyden Van den Orange-Vorst, schreef by: FREDERIICK, Nu gy niet meer en zijt, mocht ick van hier wel scheyden, En siet: In dit gedicht wast voorspoock van sijn lijck. Hoe raecken fijt op t hooft die van Poëten schryven Dat sy propheeten syn! de Dichter leyt gevelt. Apollo mocht niet langh na Mars hier over blijven, Of Baerle nae de doot van sijn gepresen Held. VERGODING. DE Sufters, die de woldes levens trecken. Die sponnen voor Barlaus met gemack; En sorghden, om sijn jarenlangh te recken, Dat doch sijn draed niet onverhoets en brack; Wanneer Iupijn den gunstigen Godinnen Heel schielijck wirp het rocken uyt der hant, En sey: Waer toe dit onprofijtich spinnen? Gy quist uw tijd en brengt de wol ter schand, Dit groot vernuft heeft om het hooft gelaeden Een groene krans van onverderflijck loof, Van eeuwigh Veyl, en frissche Laure blaeden, Die voor de Doot hem stellen buyten roof. Sijn Callioop heeft hem gemaeckt onsterflijck En voerd hem op ter Schou-hurghvan de Goôn Om nevens haer te fitten onverderflijck Aen mijnen disch tot syn verdiende loon. Diet levenhadin eeuwigheyt gegeven d Oranje- Vorst door sijner daeden lof, Behoorde oock selfs onsterfelijckte leven Van heyligh Ambroos en Nectar in mijn hof. [32] LYCKZANG over den Heer KASPER van BAERLE, Professor t Amsterdam, MUSA VETAT MORI. NU daelt de gansche Helikon In rouwe, en schreyt een Hengstebron Van tranen op Apolloos Zoon. Apollo treet zijn lauwer kroon (5) Met voeten, en verteert, en smilt Tot water. Och, wie paeit, wie stilt Den vader, die zoo root beschreit, Zijn goude stralen nederleit Om dien herboren Klaudiaen. (10) Een Godt stort nimmermeer een traen, t En zy om iemant van zijn bloet, Op Pindus toppen opgevoed. Nu zwijght de honigh zoete tong Des nachtegaels, die eeuwigh zong. (15) En quinckeleerdet heele jaer; Die harp, teorb, cimbelsnaer. En orgels mengde met Sijn keel. Dees Koopstadt, die een lustprieel, Een Tempe scheen, vol zangk en klanck (20) Begint te quynen, en leit kranck Voor over op dien kouden zerck. Een zantkuil, een bekrompen perck Begrijpt dat groote lijck, wiens faem De werelt valt te kleen, en aêm (25) En leven schept uit s Dichters stof; Waer eenigh Rijck of Vorsten hof Hem eert voor zijne heldenmaet; Zoo lang by luit of trommel slaet. Ons Hollandt mist zijn Zanggodes, (30) En Aristotels wijze les, En Hippocraet, en Cicero Int eene lijck. Helaes, hoe noo Verliest een kenner zijn juweel! Zoo valt ock t eelste een graf ten deel. (35) Men houwer, in een*lauwerkrans, Dees letters op, ten roem des mans: Hier sluimert Baerle neffens Hooft. geen zerck hun glans noch vrientschap dooft.
[33] OP DE DOODT Van den HEER CASPAR BARLÆUS, Professor in de doorluchtige Scho- M le tAmsterdam. Overleden den XIV. Ianuar. 1648. MYn Godt, myn Godt, myn Godt hoe is myn hert beklemt! Terwyl myn droefheit hier de Reeden overstemt, Envoet mijn harten leet, en voedt myn lyckgedachten: Terwyl ik zucht enween, en hoor bedroefde klachten, En self niet klaagen kan; terwyl myn pen, myn pyn, Mynpligt, myn rouw, myn ramp myongehoorsaam zyn. Myn oogen, zaagt gy dan Barlans oogen luiken, En kunt gyt slauwe licht des uchtes noch gebruiken? Den dagh viel my te naer, diezoo veel lichts befloor; Doch dit is t sterven niet, de doot is hier geen doodt: Noch kan het schreieude Y met haer aendachtige oren, Zyn waare wetenschap, en ik zyn wysheit hooren: De goddelijke geeft en vrientschap die myn Ieught Dewyze lessen las, en wees de weg der deugt, [34] Blijft eeuwigh in mijn hart begraven en beslooten. Treft my nutongeluk, t geluk is al genooten. Nu treurt het Christendom, de hemel steent, de lucht Stort tranen, en de Zon bezwijmt door t lijkgerucht, De rouw heeft al t gestarnt met nevelen en dampen Bedekt, daartbodem beeft en vreest voor oorlogs rampē, Destenende Natuur bezwijkt. de wysheit viel. En ach! zijn leste les was t wezen van de ZIEL. Gy nu, doorlugte School, waar zyn uw maatgezangen? Nu zal uw hooge stoel geen Zanggodin ontfangen; Hier wiert haarlijkbaar voor uw poorten neergestelt, De Wellust van Euroop, het Wonder van de Schelt, Van Vorsten hoog geacht, geëert van Scepterstaven. Die wijsheit rust hier wel, doch wert hier niet begraven; Maar leeft en sweeft noch op onsterfelijk papier. De Doot nocht Blixem schent geen hemelschen Laurier. kHeb noch niet uitgezugt! dit kan geen schult betalen. Doch die zijn wijsheit, en myn droefheit af zou malen Moest zelf Barlaus zyn. Verwacht dan van mijn plicht, Geen lof-geen lijkgezang, geen treur maar plichtgedigt. Brandt. [35] KLACHTE { Over de Dood van den HEER KASPAR van BAARLE, Doctor in de Medicijne, Profeffor der Filosofie in de doorluchtige Schoole t Amsterdam PRINS DER PΟËΤΕΝ. Aan zijn jonghste soon mijn Heer AΝΤΟΝY van BAARLE Vile Poëtarum est, prostrato Principe, nomen. WAt treft u ongevals! Die, met den slach, den slach eerst op den hals Gevoelt, eer gy tevoren Van ramp of wee of ongeval mocht hooren. (5) Uw Vader doodt? ach! ach! Zoo schielijk slaat een harde donderslach Den Herden, daar, met hoopen, Het vee verbaast tot hem komt toe te lopen. Het eene schaap terstondt Klopt op zijn handt, het andre voor syn mondt, Het derdevoor syn oogen. Maar ach! vergeefs. zijn ziel is wegh ghevloghen. Mijn vriendt, uw ongeval Raakt my met u, maar u noch boven al. Gy zult alleen niet weenen Om uw verlies, waarom het al zal steenen. Uw droefheit is mijn smert. [36] Verliest gyt hert, zoo heeft mijn hert geen hert. Ik vołgh u op uw zuchten; Enben de galm van droevelijck geruchten. Ikzing nietdat ik wou; Maar tgeen mywordt gebodenvan derou. Wie roepik aan intrijmen? Daar zelfs Apol, di nooit besweek, wil swijmen, Nu hy besturven leit, En schijnteen lijk, en schreit en wortbeschreit: Nu hy hem ziet verslagen, Die, wat hy hadt, hadt van hem wegh gedragen. De droefheit maakt hem stom. Hy ziet bedrukt na al zijn Priefters om, Omhoogh endan beneden; En bidt daerom, waarom hy wordt gebeden. Hy zie vry, dat hy vind, Die hem altijt zynleven lang bemindt. Die hem altijt beminde Zijn leven lang, is hier niet meer te vinden: Dats BAARLE die zijn Bron Heeft zout gemaakt, tot roemvan Helikon, Endikwijls zich liet hooren Als Cicero, door zijne tong herbooren In zijn Latijn, zoo schoon, Na Flakkus lier en Maroos heldentoon. Die andre heeft geprezen Enzelf verdiend altijt geroemt te wezen. Hy scheitvan ons daer wy, Verzoopen in delust van Poëzy, Nu hoorden alle tongen, Door zyn geluit, verstomt en afgezongen. Wie, die zijn vaarzen las Toen hy was jong, geloofde dat hyt was? tMoet dan geen wonder heten [37] Dat ons niet docht dat zijnejaren sleeten En och! hy is beknelt, Eer hy de Dood, zijn vyand, zach te veld; Die heeft inhem geschonnen Den Priefter van Parnas, met negen Nonnen. De ramp die u vesiaat Heeft in de rouw; Baarle, dese maat Dat-zy, noit uit haar qualen, Zich in de rou laat van gheen maat bepalen. Ik denk maar in mijn geeft Ach! hy is dood; niet wat hy is geweeft. Zoo ik zijn lofwou hooren, Dan hoorde ik weêr, hoe veel ik had verlooren, Dat gafmijn droefheit stof, Die groeide meêr doort groeienvande lof. Ik ben int hert besweken. Uwrou verbied mijn rou nu meerte spreken ) R.ANSLO [38] Lijck-gedicht, Opt Overlijden van den Hoog-geleerden, en Scherpfinnigen HEERE CASPAR van BAERLE, Doctor in de Medecijnen, en Profefforin de geheele Philofophie, in de Illustre Schoole van AMSTERDAM. Overleden op den 14 van Lou-maendt. Wrevlige Fortuyn! hoe kuntge ons so treffen Verpletge Hollants stut en vaste stijlen teffen? Eerst Fredrick, die de staet van bittre slavernij Verloft had, en het vrije volck weêr maecktevrij : Daer na dat Hooft, t welckt Hooft mocht zijn van alle kunsten. Waerom mifguntge steets so bits uw groote gunsten Aent Hollants volck? ofist omdatmen vrede schort Hoe-wel men selfs door reên daer toe wert aen-geport. Wie ruktge nu weêr wech? de Vader van de Wijsheyt, Die in verstant verwon de alder-oudste Grijsheyt. Hoe sal tnu vorder gaen? de wijsheyt is maer wint; Bou-valligh raekts om ver: mits sygeen steunsel vint. Ogroote stoot! waer door de wijsheyt raeckt in stucken. Hoe kan Iupijn nufoo sijn grootste krooft verdrucken? Die selfde wijsheyt gaf, Hy dood de wijsheyt self, En rucktse wederom in t bovenste gewelf, [39] Se gaet van waerse quam: Dies wijsheyt leyt verschooven Opdaerd; vermits een Godtons die bestont t ontrooven. Onfaelge rooverij! die ons de wijsheyt niet Liethouden, maer t vernuftbracht weer in uw gebiet. Soo trijck vereenightrijck moet uytstaen sulcke stooten Noch driemael, en weêrom van drie vermaerde grooten Berooft werdt, wisselijck het raeckt noch in degront; Ent volghtde Spaense wet ofeen vermomde mont. t Vermomt gebiet is naer het Spaens gebied gebleken, Doen t Kerckelijck hooft quam in het Wezels Raethuys spreken, Van Baerle viel, maer liet sijn wijsheyt leven, ach! Watdroevedach wast die sijn ogen sluyten sach. Doen hy de wijsheyt, en de kunsten onder- stutte, En wijsheyts School, wen die bou-valligh was, weêr schutte Met sijne schoudren, en het roemrijckAmfterdam, Waervan HeerGijsbrechts huys, en staet sijn oorspronck nam, Deed roemen op de kunst uyt sijn verstant geboren, Dat sulcken roem sich liet door al de werelthoren. Minerve is haer aldergrootste steunsel quijt; Nu haer ontroost is door de flibbergladde tijt Diegeen, waerop sy al haergrootste gunsten boude, En veel geheymen van haer kunsten toe-vertroude, En in haer heylge School deed wijfen wijfheyts padt, En leerenhoe men staen moet naer foogrooten schat. Odroeve val! voorhaer die naer de wijsheyt stonden, En Pallas heylgeleer na-volghden, en door-gronden Natuers verborgentheên, en in den arbeyt staegh Volharden, endoor heete wijsheyts honger graegh, Alshymaar sprack, sijn woort in haar gedachten prenten. Endoenhy voor hetleft beschreefde Elementen, En Blixem- buyen, en het barsten van de Lucht, Enhoe sijn oorspronck neemt dat yffelijk gerucht; Soo wert hy selfs getreft van droeveDonder-vlagen, En al t ontijdig noch voor ons uyt d aard gedragen. [40] O bitse ramp! dat elck dees bitse ramp beween, En op dees uyt-vaert niet in t purper voortkomt treên, Maer treurig toon sijn rouw in treurige gewaden: t Is billick dat elck is met treurigheyt beladen, De Burger, en den Raed, voornamelijck diegeen, Die daeglijcx proefden t soet van sijn gegronde reên. Euroops Pernassus duyckt, en is al wech-gevlogen, De bittre doot heeft hem geruckt uyt Hollandts oogen: Maar neen hy leeft noch, en hetvliegende gerucht Verspreyt sijn groote geeft door d onbepaalde Lucht. Nu weet men wie hy was: want als hy wierdt gedreven Door grooter geeft, doen liet hy eerst dit kleyne leven, En stont naer beter staet, hy was dit leven wars, En volghde onvermoeyt Europaes grooten Mars. Wiens daden, tijd, en dood hy heeft voor tlest beschreven, Uyt had hy; en hier mee heeft hyde geeft gegeven. Terwijl dit Lijk vast werd geleyd ten grave-waerd, En nu de wijsheyd werd gedolven onder d aerd, Gevolght van eenen stoet van wijsheyts suygelingen, Wiens tranen door den rouw op bleke wangenhingen; Spreekt Pallas; staeck uw rouw: hoe-welghyhem niet siet, Sijn geeft vlieght over-al, ghy mist hem nimmer niet. Van BAERLE leeft, hy sal noch eeuwighby uw woonen, En uw het rechtepadt tot rechte wijsheyt toonen; Hoe-wel het lichaem al geraektis in het Graf, Enschuylt sich onderd aerd, sijn geeft weet daer niet af.
|